[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbzwb-2026-5796":3,"decision-more-ecli-nl-rbzwb-2026-5796":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1436","ECLI:NL:RBZWB:2026:5796","",64,"Breda","breda","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: BRE 25\u002F4167 en 25\u002F4856\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaken tussen\n [eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers 1 (25\u002F4167)\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\n [eiser 3] en [eiser 4] , uit [plaats] , eisers 2 (25\u002F4856)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen.\n\nEisers 1 en eisers 2 zijn over en weer als derde-belanghebbende bij het beroep van de andere partij betrokken.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een besluit op het Woo-verzoek van eisers 2 (Woo-verzoekers). Woo-verzoekers vinden dat er te weinig documenten openbaar worden gemaakt. Eisers 1 (vergunninghouders) vinden dat er te veel documenten openbaar worden gemaakt. Zij voeren beide daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college besloten heeft de juiste documenten openbaar te maken.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van Woo-verzoekers tegen het gedeeltelijk openbaar maken van documenten ongegrond is. Ook het beroep van vergunninghouders is ongegrond. De beslissing op bezwaar van 12 augustus 2025 aan vergunninghouders kent een motiveringsgebrek, maar dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers krijgen inhoudelijk dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Woo-verzoekers hebben op 7 maart 2024 gevraagd documenten openbaar te maken over de vergunningaanvraag van hun buren, de vergunninghouders. Het college heeft deze aanvragen met het besluit van 3 oktober 2024 gedeeltelijk toegewezen. Met de bestreden besluiten van 12 augustus 2025 op de bezwaren van beide eisers heeft het college de besluiten (deels) herroepen en besloten meer gegevens openbaar te maken. Eisers hebben ieder beroep ingesteld tegen deze besluiten.\n\n2.1.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.2.2.. Veel beroepsgronden gaan over het opschorten van de daadwerkelijke openbaarmaking van de stukken door het collge. Deze beroepsgronden richtten zich tegen een aparte beslissing op bezwaar. De rechtbank zal in deze uitspraak hier niet op ingaan en verwijst naar de uitspraak over die beslissing op bezwaar van heden.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 7 april 2026 op zitting behandeld, samen met het voornoemde beroep van Woo-verzoekers tegen de opschorting van de openbaarmaking. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de vergunninghouders, de Woo-verzoekers en mr. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] namens van het college.\n\n2.4.. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.\n\nTotstandkoming van de bestreden besluiten\n\n3. Woo-verzoekers dienen op 7 maart 2024 een Woo-verzoek in waarin zij vragen om alle documenten over het vergunningverleningsproces op het [adres] . Dat betreft de vergunning die vergunninghouders hebben aangevraagd en verkregen.\n\n3.1.. Woo-verzoekers en vergunninghouders wordt om een zienswijze gevraagd. Op 3 oktober 2024 besluit het college de documenten, deels gelakt, openbaar te maken (primair besluit). Bij dit besluit is een inventarislijst gevoegd met daarop vermeld de (deels) openbaar gemaakte stukken, genummerd 1 tot en met 97. Een aantal documenten is slechts deels openbaar gemaakt. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder e van de Woo zijn in een aantal documenten persoonsgegevens van betrokkenen en medewerkers van de gemeente gelakt. Genoemde documenten zijn aan Woo-verzoekers verstrekt.\n\n3.2.. Op 14 oktober 2024 stuurt het college vergunninghouders een mail waarin is aangegeven dat per abuis een verkeerd e-mailadres is gebruikt voor de uitnodiging een zienswijze in te dienen, waardoor zij geen zienswijze in hebben kunnen dienen.\n\n3.3.. Op 28 oktober 2024 dienen vergunninghouders een bezwaarschrift in. Op 8 november 2024 stuurt het college een brief aan Woo-verzoekers dat de feitelijke openbaarmaking van een aantal specifiek benoemde documenten wordt opgeschort tot twee weken na de te nemen beslissing op bezwaar om vergunninghouders in de gelegenheid te stellen alsnog een zienswijze in te dienen. De genoemde documenten mogen, ondanks dat dat Woo-verzoekers kennis hebben van de inhoud, niet worden gebruikt of verspreid.\n\n3.4.. Woo-verzoekers hebben op 13 november 2024 bezwaar gemaakt tegen het primair besluit en op 18 december 2024 tegen de brief van 8 november 2024.\n\n3.5.. Op 27 februari 2025 vindt de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften plaats. Op 12 augustus 2025 wordt op alle bezwaarschriften beslist.\n\n3.6.. Beide partijen hebben afzonderlijk een beslissing op bezwaar (bestreden besluiten) gekregen. De bestreden besluiten zijn inhoudelijk geheel gelijkluidend, behalve dat in het bestreden besluit aan vergunninghouders proceskosten zijn toegekend. Verweerder heeft in de bestreden besluiten onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie de primaire besluiten deels herroepen voor zover daarin was besloten tot openbaarmaking van gegevens over leges en informatie van na 7 maart 2024. Daarnaast wordt informatie met betrekking tot een informatieverzoek dat losstond van het vergunningsproces, toezicht en handhaving rondom het adres [adres] alsnog geweigerd. Informatie met betrekking tot private kwesties wordt alsnog geweigerd, evenals documenten die Woo-verzoekers al in hun bezit hadden. Daarnaast zijn lakfouten hersteld. Ten slotte zijn 3 documenten die in de bezwaarfase zijn gevonden deels openbaar gemaakt en genummerd 98 tot en met 100. Bij het bestreden besluit is een inventarislijst gevoegd met daarop vermeld de (deels) openbaar gemaakte stukken, de toegepaste weigeringsgronden, de wijzigingen ten opzichte van het primair besluit en de motivering van de wijziging.\n\n3.7.. Beide partijen stellen beroep in. Vergunninghouders hebben daarnaast om een voorlopige voorziening verzocht.\n\n3.8.. Op 14 oktober 2025 beslist de voorzieningenrechter dat de gevraagde documenten pas twee weken nadat in de bodemprocedure is beslist openbaar gemaakt mogen worden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nWat willen Woo-verzoekers?\n\n4. Woo-verzoekers hebben kort gezegd gevraagd om alle documenten over het vergunningsproces voor [adres]. In een gesprek op 28 maart 2024 is het verzoek volgens het college uitgebreid naar documenten betreffende de handhavingsprocedure op ditzelfde adres. Het betreft het adres van de vergunninghouders.\n\nMaken Woo-verzoekers misbruik van procesrecht?\n\n5. Vergunninghouders stellen onder verwijzing naar rechtspraak dat Woo-verzoekers misbruik maken van de Woo. De Woo is bedoeld om de democratische rechten van de burger te beschermen. Woo-verzoekers hebben als enige doel de uitbreiding van de woning van vergunninghouders te laten verwijderen en misbruiken daar de Woo voor.Doel is niet openbaarmaking van de stukken, maar het in bezit komen van documenten voor eigen procedures. Ter zitting lichten vergunninghouders toe dat de stukken gebruikt gaan worden in een evident kansloze civielrechtelijke procedure en dat levert misbruik van procesrecht op. Het verzoek van Woo-verzoekers had daarom niet als een verzoek in het kader van de Woo moeten worden opgepakt,althans afgewezen moeten worden wegens misbruik van recht.\n\n5.1.. Het college geeft aan dat Woo-verzoekers geen belang hoeven te stellen.Hoofdregel is dat als iemand een Woo-verzoek indient, dit ook als zodanig aangemerkt moet worden. Daarbij mag iemand informatie opvragen voor eigen gebruik, ook als deze informatie te krijgen is via een procesrechtelijke regeling.\n\n5.2.. Woo-verzoekers stellen geen misbruik van procesrecht te hebben gemaakt. Dit is niet onderbouwd en ook de adviescommissie voor de bezwaarschriften en de bestuursrechter hebben vastgesteld dat zij geen misbruik maken van procesrecht.\n\n5.3.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Vooropgesteld moet worden dat een ieder, zonder een belang te stellen, een beroep op de Woo kan doen. De lat om misbruik van recht aan te nemen, ligt hoog. Woo-verzoekers hebben met hun verzoek publieke informatie opgevraagd. Niet is gebleken dat zij dit met een ander doel hebben gedaan dan het daadwerkelijk verkrijgen van deze stukken. De uitspraken die vergunninghouders aanhalen om te betogen dat Woo-verzoekers geen Woo-verzoek hebben ingediend of zelfs misbruik van de Woo maken door een Woo-verzoek in te dienen, leiden ook niet tot de conclusie dat daar sprake van is.\n\n5.4.. Uitgangspunt is dat wanneer iemand met een beroep op de Wob (nu: Woo) een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan richt, zo’n verzoek een Wob-verzoek is. Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie en\u002Fof met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dat geldt ook indien de verzoeker de informatie (mogelijk) ook kan krijgen op grond van regels over de toegang tot stukken in een procesrechtelijke regeling, zoals artikel 7:4 van de Awb of de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat kan onder meer anders zijn als uit de inhoud van het verzoek of uit uitlatingen van verzoeker blijkt dat niet is beoogd een wob-verzoek te doen. Daarbij kan worden gedacht aan situaties waarin iemand bijvoorbeeld vraagt om informatie, vragen stelt of alleen om toezending van de stukken vraagt in een procedure waarin hij belanghebbende is of waarin de verzoeker aangeeft dat hij niet wil dat de informatie openbaar wordt gemaakt en alleen aan hem wordt verstrekt.\n\n5.5.. \n\nVan genoemde uitzonderingen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. In de door vergunninghouders aangehaalde uitspraken gaat het om het opvragen van het procesdossier in een bestuursrechtelijke zaak. Daar is een specifieke bepaling voor opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het Woo-verzoek breder en gaat het niet alleen om processtukken bij de bestuursrechtelijke procedures, maar om alle documenten over de vergunningverlening.\n\nDat de gegevens door woo-verzoekers mogelijk worden gebruikt in (civielrechtelijke) procedures die vergunninghouders als evident kansloos zien, maakt niet dat sprake is van misbruik van (proces)recht. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nWat is de omvang van het verzoek?\n\n6. Volgens vergunninghouders hadden de documenten 15, 33, 75 tot en met 86, 90 tot en met 93, 96, 97 en 100 niet openbaar moeten worden gemaakt, omdat deze niet zien op de bestuurlijke aangelegenheid waar het Woo-verzoek over gaat. Deze gaan over de handhavingsprocedure. Bovendien ging het verzoek om een dakkapel en niet om een dakopbouw of uitbreiding van de woning waar daadwerkelijk sprake van is.\n\n6.1.. Woo-verzoekers geven aan dat het Woo-verzoek ook nog gaat over de stukken waarover ze al de beschikking hadden en waarvan ze, om het het college niet moeilijker te maken dan nodig is, hebben aangegeven dat die niet nogmaals verstrekt hoeven te worden.\n\n6.2.. Het college geeft aan dat Woo-verzoekers weliswaar in eerste instantie hebben gevraagd om documenten over de vergunningverlening, maar later mondeling hebben toegelicht dat ze ook documenten over de handhavingszaak bedoelen. Het college heeft dit in het kader van de vereiste behulpzaamheidalsnog meegenomen in het Woo-verzoek.\n\n6.3.. Voor zover de vergunninghouders stellen dat het Woo-verzoek over een dakkapel ging en niet over de dakopbouw, blijkt uit het verzoek voldoende duidelijk dat Woo-verzoekers informatie wilden hebben over de dakopbouw op de garage en een volledig beeld wilden krijgen van het vergunningsdossier. Het woord dakopbouw is ook in het verzoek genoemd. Dat dit bestemmingsplanmatig als uitbreiding van het hoofdgebouw kan worden gezien, doet er niet aan af dat het voor het college voldoende duidelijk was en had moeten zijn dat het om de dakopbouw ging. Het college heeft dit in de bezwaarfase duidelijk toegelicht.\n\n6.4.. Wel is de rechtbank van oordeel dat het college in de besluitvorming duidelijker aan had moeten geven dat het het verzoek na overleg met Woo-verzoekers heeft uitgebreid met de handhavingsdocumenten. In beroep heeft het college verduidelijkt dat op 28 maart 2024 naar aanleiding van het Woo-verzoek een gesprek met Woo-verzoekers heeft plaatsgevonden om het verzoek te verduidelijken. Daarbij is het verzoek uitgebreid met documenten over de handhavingsprocedure. De rechtbank kan dit volgen. Het college is niet buiten de grenzen van zijn bevoegdheid gegaan door naar aanleiding van het verduidelijkingsgesprek het verzoek uitgebreider op te vatten. Dit past binnen zijn opdracht om behulpzaam te zijn. Het college hoefde het Woo-verzoek niet zo restrictief mogelijk op te vatten. Woo-verzoekers hadden er ook voor kunnen kiezen een nieuw verzoek in te dienen. Ook dan had het college dit, gelet op de samenhang, in één besluit kunnen meenemen. Het college heeft ter zitting duidelijk uiteengezet waarom deze documenten bij de besluitvorming zijn betrokken.\n\n6.5.. Eerst ter zitting hebben vergunninghouders gesteld dat het college een andere belangenafweging had moeten maken als het verzoek ook op de handhavingsdocumenten ziet. Daarbij is slechts in algemene zin aangegeven dat de belangenafweging anders had moeten zijn gelet op de persoonlijke levenssfeer die aangetast kan worden door de privaatrechtelijke procedures, maar niet concreet hoe dat tot een andere uitkomst had moeten leiden.\n\n6.6.. Woo-verzoekers vragen stukken op in een bestuurlijke aangelegenheid en die moeten worden verstrekt, tenzij sprake is van een uitzonderingsgrond. De persoonsgegevens worden in dat kader weggelakt. Nu het college alsnog heeft gemotiveerd waarom het verzoek is uitgebreid met de documenten over handhaving, is het motiveringsgebrek in het bestreden besluit op dit punt hersteld en kan dit gebrek worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat vergunninghouders daardoor zijn benadeeld.\n\n6.7.. Voor zover Woo-verzoekers stellen dat ze niet hebben bedoeld het Woo-verzoek in te trekken ten aanzien van de stukken die ze al hadden, blijkt onder andere uit het verslag van de zitting bij de commissie bezwaarschriften dat toen is vastgesteld dat het verzoek voor dit gedeelte is ingetrokken en dat daar geen onenigheid meer over was. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen over de verslaglegging van deze hoorzitting, zodat ze er vanuit gaat dat het Woo-verzoek voor dit deel inderdaad is ingetrokken. Dit beroep slaagt dus niet.\n\nOp welke grond zijn documenten geweigerd?\n\n7. Om drie redenen zijn documenten geweigerd of zijn uit de documenten gegevens weggelakt. Het gaat om:\n\nArtikel 5.1, eerste lid aanhef en onder e van de Woo. Nationale identificatienummers (het BSN-nummer) zijn weggelaten. Dit betreft uitsluitend document 52;\n\nArtikel 5.1, tweede lid aanhef en onder e van de Woo. Dit betreft de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;\n\nHet college is tot het oordeel gekomen dat het Woo-verzoek niet ziet op de betreffende documenten\u002Fdocumentonderdelen.\n\nIs de beslissing op bezwaar voldoende gemotiveerd?\n\n8. Woo-verzoekers stellen dat een aantal documenten, te weten de documenten 4, 6, 10, 94 en 95 ten onrechte op grond van de beslissing op bezwaar niet openbaar gemaakt wordt, omdat ze buiten de reikwijdte van het verzoek zouden vallen. De gemeente motiveert ten onrechte niet waarom de private kwesties onder artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e vallen en daarom niet geopenbaard worden. Ten onrechte zijn de documenten 98, 99 en 100 niet openbaar gemaakt. Het college had openbaarmaking van die documenten op de zitting bij de commissie bezwaarschriften wel toegezegd. Bouwtekeningen horen ook in hun geheel openbaar te worden gemaakt.\n\n8.1.. Vergunninghouders stellen dat het college ten onrechte niet is ingegaan op alle punten in het bezwaarschrift. Bovendien is niet gemotiveerd waarom de documenten met de nummers 1, 3, 51, 71, 72, 74 en 86 gedeeltelijk openbaar worden gemaakt, terwijl wordt erkend dat deze buiten de reikwijdte van het verzoek vallen. Dat is innerlijk tegenstrijdig. Ook worden foto’s van de binnenzijde van de woning ten onrechte openbaar gemaakt. Dit raakt de persoonlijke levenssfeer van de vergunninghouders.\n\n8.2.. Het college geeft aan wel degelijk op alle bezwaargronden van vergunninghouders te zijn ingegaan. Dat is niet allemaal in de beslissing op bezwaar gebeurd, maar gedeeltelijk ook in het advies van de commissie bezwaarschriften. Voor wat betreft de genoemde documenten vallen die deels buiten de reikwijdte van het verzoek en voor het overige zijn die deels openbaar gemaakt. Voor zover is gelakt is de reden aangegeven op de inventarislijst en verder is per gelakte passage aangegeven op welke grond die passage is weggelakt. Dat is geen innerlijke tegenstrijdigheid of gebrek in de motivering. Omdat de foto’s alleen een kamer in aanbouw betreffen, zonder persoonlijke zaken raakt dit de persoonlijke levenssfeer niet. Ze mochten dus openbaar worden gemaakt.\n\n8.3.. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft overwogen dat de documenten 4, 6, 10 en 94 en 95 geen betrekking hebben op de onderwerpen waarvoor een Woo-verzoek is ingediend. Het college heeft terecht overwogen dat de documenten 4, 6 en 10 zien op een (afzonderlijk) informatieverzoek dat losstaat van het daadwerkelijke vergunningsproces, toezicht en de handhaving. Eveneens heeft het college terecht overwogen dat de documenten 94 en 95 buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. Voor het overige ziet de rechtbank dat vooral persoonsgegevens zijn weggelakt. Dat geldt ook voor de bouwtekeningen: daar heeft het college besloten alleen de namen van de opdrachtgevers weg te lakken. Gelet op de samenhang in het dossier, is de rechtbank van oordeel dat dat een terechte anonimisering is. Het college heeft afdoende toegelicht dat in de bouwtekening bij het primaire besluit per ongeluk delen ten onrechte zijn weggelakt en dat dit in bezwaar is hersteld. Deze beroepsgrond van Woo-verzoekers slaagt dus niet.\n\n8.4.. Voor wat betreft het argument van de vergunninghouders dat van documenten 1, 3, 51, 71, 72, 74 en 86 onvoldoende is gemotiveerd waarom het college die openbaar wil maken, overweegt de rechtbank dat openbaarheid de hoofdregel van de Woo is. Dat betekent dat documenten die onder de reikwijdte van een Woo-verzoek vallen in beginsel openbaar worden gemaakt. Het college moet motiveren waarom documenten of delen daarvan niet openbaar gemaakt worden en niet waarom ze wel openbaar gemaakt worden. Dat heeft zij naar het oordeel van de rechtbank per document of onderdeel daarvan afdoende gedaan en vastgelegd in de inventarislijst behorende bij het bestreden besluit en in de betreffende documenten per gelakt onderdeel. Overigens zijn in de genoemde documenten enkel in document 1 passages gelakt, omdat deze buiten de reikwijdte van het verzoek vallen. Document 51 is verwijderd, omdat het hetzelfde document is als document 72. Voor het overige zijn er persoonsgegevens gelakt. Van innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake. Omdat deze documenten vallen onder de reikwijdte van het Woo-verzoek en de persoonsgegevens in deze documenten zijn geanonimiseerd, volgt de rechtbank deze beroepsgrond niet.\n\n8.5.. Ook het argument dat openbaarmaking van de door vergunninghouders genoemde foto’s een dusdanige aantasting van de persoonlijke levenssfeer is dat deze openbaarmaking achterwege moet blijven, slaagt niet. Het college heeft afdoende gemotiveerd dat de foto’s geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maken.\n\n8.6.. Voor zover Woo-verzoekers klagen dat de documenten 98, 99 en 100 ondanks toezeggingen daartoe niet openbaar zijn gemaakt, wijst de rechtbank erop dat in het bestreden besluit het college deze documenten wel degelijk deels openbaar heeft gemaakt. Daarna heeft de voorzieningenrechter besloten dat geen openbaarmaking zal plaatsvinden tot twee weken nadat in de bodemprocedure is beslist. Dat is de reden dat deze documenten nog niet daadwerkelijk openbaar zijn gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nVerstrekking aan vergunninghouders\n\n9. Woo-verzoekers stellen dat vergunninghouders document 59 door de Woo-procedure hebben verkregen. Vergunninghouders hadden dit document niet moeten krijgen.\n\n9.1.. Het college ontkent document 59 aan vergunninghouders in deze procedure verstrekt te hebben.\n\n9.2.. Het besluit gaat niet over de feitelijke verstrekking van gegevens aan de vergunninghouders. Voor zover het college dit document heeft verstrekt maakt het geen onderdeel van het bestreden besluit uit en kan de rechtbank daar niet over oordelen.\n\nHad een duidelijke publicatiedatum in het besluit moeten staan?\n\n10. Woo-verzoekers geven aan dat het college een duidelijke publicatiedatum in het besluit hadden moeten zetten. Dat geeft duidelijkheid naar alle partijen.\n\n10.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De Woo voorziet in openbaarmaking van documenten. Woo-verzoekers hebben verzocht om kopieën te krijgen van de door hen verzochte stukken. Daartoe heeft het college besloten. De Woo verplicht niet tot actieve openbaarmaking door middel van publicatie van Woo-verzoeken en daarbij openbaar gemaakte documenten. Het college heeft in het bestreden besluit aangegeven welke stukken in de toekomst zullen worden gepubliceerd en in beroep afdoende gemotiveerd dat het publicatieplatform nog in ontwikkeling is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nZijn partijen ten onrechte ongelijk behandeld?\n\n11. Woo-verzoekers vinden het een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling dat zij de stukken via Filecap toegezonden hebben gekregen en vergunninghouders via Zip-files. Bovendien hebben beide partijen niet dezelfde stukken toegezonden gekregen om een zienswijze op in te dienen.\n\n11.1.. Het college heeft afdoende aangegeven dat aan beide partijen zip-documenten via filecap zijn toegezonden. Daar zit geen onderscheid in. Het setje documenten waarover beide partijen een zienswijze in konden dienen verschilde wel: ieder kon een zienswijze indienen op de documenten die hen betrof. Ook dit kan de rechtbank volgen. Er is niet gebleken van een procedurele ongelijke behandeling.\n\nFoto’s\n\n12. Woo-verzoekers vinden het onduidelijk waarom bepaalde foto’s zijn toegezonden.\n\nDe rechtbank stelt vast dat woo-verzoekers doelen op de documenten 11 en 13 waarbij foto’s zijn gevoegd. Deze maken onderdeel uit van de betreffende documenten. Dat het foto’s zijn waar zij de relevantie niet van zien doet daar niet aan af.\n\nHeeft de procedure te lang geduurd?\n\n13. Woo-verzoekers geven aan dat de procedure te lang heeft geduurd. De afhandeling van het verzoek heeft anderhalf jaar geduurd in plaats van twaalf weken. Het college gaat er ten onrechte vanuit dat de beslistermijn is begonnen toen het bezwaarschrift door de rechtbank is teruggezonden naar het college.\n\n13.1.. De rechtbank stelt vast dat de behandeling van het Woo-verzoek langer heeft geduurd dan gewenst is. Het college heeft erkend dat het proces niet is gelopen zoals het dat graag ziet. Dat maakt het besluit echter inhoudelijk niet onrechtmatig, waardoor dit niet leidt tot vernietiging van het besluit.\n\nMoest het college ambtshalve proceskostenvergoeding toekennen?\n\n14. Woo-verzoekers stellen dat het college hun, bij de gegrondverklaring van hun bezwaarschrift, ambtshalve een proceskostenvergoeding toe had moeten kennen.\n\n14.1.. Op grond van artikel 7:15 van de Awb worden de kosten door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Woo-verzoekers hebben in bezwaar niet om een proceskostenvergoeding verzocht, waardoor er voor het bestuursorgaan geen ruimte was om een proceskostenvergoeding toe te kennen. Overigens is ook niet gebleken van kosten voor professionele rechtsbijstand of andere proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\nConclusie en gevolgen\n\n15. Het beroep van Woo-verzoekers is ongegrond. Zij komen niet in aanmerking voor teruggave van het griffierecht.\n\n15.1.. Het beroep van de vergunninghouders is ongegrond. Omdat artikel 6:22 van de Awb is toegepast bepaalt de rechtbank dat het college de door vergunninghouders in beroep gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht moet vergoeden.\n\n15.2.. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen vergunninghouders een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Dat zijn twee proceshandelingen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Het griffierecht bedraagt € 194,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep van [eiser 3] en [eiser 4] (25\u002F4856) ongegrond;\n\nverklaart het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] (25\u002F4167) ongegrond;\n\nveroordeelt het college in betaling van de proceskosten aan [eiser 1] en [eiser 2] van € 1.868,-;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan [eiser 1] en [eiser 2] moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet open overheid\n\nArtikel 5.1. Uitzonderingen\n\n1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:\n\na. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;\n\nb. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;\n\nc. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;\n\nd. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de openbaarmaking van deze persoonsgegevens of deze persoonsgegevens kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt;\n\ne. nummers betreft die dienen ter identificatie van personen die bijø wet of algemene maatregel van bestuur zijn voorgeschreven als bedoeld in artikel 46 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de levenssfeer maakt.\n\n2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:\n\na. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties;\n\nb. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;\n\nc. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;\n\nd. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;\n\ne. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;\n\nf. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens;\n\ng. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;\n\nh. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage;\n\ni. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.\n\n3. Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering. [.]\n\n Dat is het beroep met kenmerk 25\u002F4858.\n\n Voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7237.\n\n ABRvS, 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2995.\n\n ABRvS, 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2775 en ABRvS, 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5096.\n\n Artikel 4.1, derde lid van de Woo.\n\n ABRvS, 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268, r.o. 5.6.\n\n Artikel 4.1, vijfde lid van de Woo.\n\n Voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7237.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5796","ecli-nl-rbzwb-2026-5796",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]