[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-family-reunification-eu-2026":3},{"detail":4,"years":119},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":29,"page":14,"limit":118},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},16,"family-reunification-eu","Family Reunification","EU","2026-07-08T14:16:12.879Z",2026,[13,16,17,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,2,{"month":15,"count":14},{"month":18,"count":19},3,0,{"month":21,"count":19},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":18},7,{"month":29,"count":19},8,{"month":31,"count":19},9,{"month":33,"count":19},10,{"month":35,"count":19},11,{"month":37,"count":19},12,[39,52,61,68,77,86,96,105],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1706","ECLI:NL:RBDHA:2026:18556","ecli-nl-rbdha-2026-18556","",66,"2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL22.11571\n Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1979 in Marokko,\n\nV-nummer [V-nummer],\n\neiseres,\n\n(gemachtigde: mr. P. Kramer-Ograjensek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\nvoorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,\n\n(gemachtigden: mr. R.J.M.F.P. Wouters en mr. S.H.J. Muijlkens).\n\nProcesverloop\n\nEiseres heeft op 13 november 2020 een aanvraag ingediend om een EU\u002FEER-document te verkrijgen als bewijs van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU voor verblijf bij haar minderjarige zoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft en in Nederland woont.\n\nVerweerder heeft deze aanvraag op 11 november 2021 afgewezen en op 20 juni 2022 het bezwaar van eiseres tegen deze afwijzing kennelijk ongegrond verklaard.\n\nEiseres heeft tegen dit besluit van 20 juni 2022 beroep ingesteld bij de rechtbank en ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer NL22.11572).\n\nVerweerder heeft 5 oktober 2023 een aanvullend besluit genomen.\n\nDe rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 20 juni 2022 en tegen het aanvullende besluit van 5 oktober 2023 en het verzoek om een voorlopige voorziening op 7 februari 2024 op zitting behandeld.\n\nDe rechtbank heeft op 26 februari 2024 een tussenuitspraak gedaan en twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (Hof) gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2024:2300).\n\nDe voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 26 februari 2024 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen (ECLI:NL:RBLIM:2024:850, niet gepubliceerd).\n\nHet Hof heeft op 4 juni 2026 het arrest Safi gewezen en de prejudiciële vragen van de rechtbank beantwoord (ECLI:EU:C:2026:442).\n\nDe rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 16 juni 2026 en op 17 juni 2026 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2026:16288).\n\nGemachtigde van eiseres heeft bij brief van 22 juni 2026 stukken overlegd om aan de tussenuitspraak te voldoen.\n\nVerweerder heeft bij brief van 26 juni 2026 medegedeeld op welke wijze uitvoering is gegeven aan de tussenuitspraak en heeft daarbij aangegeven dat op korte termijn zal worden beslist of een inwilligend besluit kan worden genomen.\n\nBij besluit van 30 juni 2026 heeft verweerder het besluit van 4 oktober 2023 (rechtbank: 5 oktober 2023, dossierstuk 35) ingetrokken en het bezwaar van 8 december 2021 gegrond verklaard. In dit besluit is tevens medegedeeld dat eiseres een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, zal krijgen en dat de ingangsdatum van het verblijfsrecht van eiseres is vastgesteld op 6 januari 2015. Verweerder heeft in dit besluit aangeboden om een bedrag van € 1.665,- voor de bezwaarprocedure te vergoeden.\n\nIn de brief van 30 juni heeft verweerder medegedeeld dat een inwilligend besluit is genomen en dat voor de proceskosten in beroep een aanbod tot vergoeding van € 6.538,- is gedaan.\n\nDe rechtbank heeft op 2 juli 2026 aan eiseres gevraagd om te reageren op het inwilligende besluit en de aangeboden proceskostenvergoeding.\n\nEiseres heeft op 2 juli 2026 medegedeeld in te stemmen met het inwilligende besluit en daarom het beroep te zullen intrekken maar zij heeft de rechtbank wel verzocht om een uitspraak over de proceskosten te doen omdat zij zich niet kan vinden in de hoogte van de aangeboden vergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 2 juli 2026.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 17 juni 2026 uiteengezet op welke wijze de rechtbank in de onderhavige procedure toepassing geeft aan het arrest Safi. Partijen hebben voldaan aan de tussenuitspraak. Verweerder heeft (uit eigen beweging) eiseres nader gehoord en verweerder heeft de liaisonambtenaar in Spanje verzocht om onderzoek te doen naar het verblijfsrecht van eiseres in Spanje en de mogelijkheden voor de Nederlandse echtgenoot van eiseres en hun Nederlandse zoon om bij eiseres in Spanje te verblijven. De onderzoeksbevindingen van de liaisonambtenaar zijn op 26 juni 2026 in het dossier gevoegd. De gemachtigde van eiseres heeft op 22 juni 2026 een brief van de huisarts van 17 juni 2026, een brief van de gemeente Sittard Geleen van 17 juni 2026, een brief van de school van de zoon van eiseres van 18 juni 2026 en een ontwikkelingsplan van de zoon van eiseres van 22 augustus 2025 overgelegd.\n\n2. Het nader onderzoek van verweerder heeft tot de inwilliging van de aanvraag van eiseres van 13 november 2020 geleid. Partijen zijn het eens over de ingangsdatum van het verblijfsrecht van eiseres, welke ingangsdatum is vastgesteld op 6 januari 2015, de geboortedatum van de Nederlandse zoon van eiseres. De uitspraak van de rechtbank heeft daarom alleen nog betrekking op de hoogte van de proceskosten die verweerder voor de procedure in beroep moet vergoeden. De rechtbank bepaalt conform het Besluit proceskosten bestuursrecht de hoogte van de proceskosten als volgt.\n\n3. Voor vergoeding van de proceskosten in beroep komen de volgende handelingen in aanmerking:\n\nInstellen beroep 1 punt\n\nGronden na aanvullend besluit 0,5 punt\n\nzitting rechtbank, 7 februari 2024 1 punt\n\nschriftelijke opmerkingen bij Hof 2 punten\n\npleitzitting Hof, 25 maart 2025 2 punten\n\nnadere zitting rechtbank, 16 juni 2026 1 punt\n\nnadere hoorzitting van 23 juni 2026 0,5 punt\n\ntotaal 8 punten\n\nDe rechtbank merkt hierbij op dat verweerder in de brief van 30 juni 2026 een vergoeding voor de hoorzitting van 23 juni 2026 bij het aanbod van de kosten voor de bezwaarprocedure heeft betrokken. Dit zijn evenwel kosten die zijn gemaakt in beroep omdat de hoorzitting heeft plaatsgevonden om uitvoering te geven aan het arrest Safi. De rechtbank betrekt het bijwonen van deze hoorzitting dus bij de proceskostenveroordeling die wordt uitgesproken in de onderhavige beroepsprocedure.\n\nDe rechtbank kent, in afwijking van het standpunt van verweerder en zoals in elke verwijzingsprocedure, aan elk punt een wegingsfactor van 1,5 toe zoals bedoeld in Bijlage onder C1. omdat de rechtbank een prejudiciële procedure aanmerkt als “zwaar”.\n\nVerweerder heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3341) op het standpunt gesteld dat de reis- en verblijfkosten die zijn gemaakt in verband met het verschijnen ter zitting bij het Hof niet vergoed hoeven te worden omdat deze kosten die een rechtsbijstandverlener maakt, zouden zijn verdisconteerd in de forfaitaire vergoeding, die op grond van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht is berekend. De rechtbank ziet dit anders omdat deze kosten gelet op artikel 1 onder d, en artikel 2, eerste lid onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelezen in samenhang met (het niet bij Besluit van 4 december 2025 tot wijziging van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 gewijzigde) artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nDe gemachtigde van eiseres heeft de reis- en verblijfskosten gespecificeerd en met bijlagen onderbouwd. Verweerder heeft de hoogte van deze kosten op zichzelf niet betwist. De rechtbank betrekt alleen de kosten van de gemachtigde die eiseres in de onderhavige procedure bijstaat bij de proceskostenveroordeling en merkt hierbij op dat niet nader is aangegeven waarom vertegenwoordiging door meer dan één persoon noodzakelijk was. Dit betreft een bedrag van € 365,- voor verblijf en een bedrag van € 123,20 (440 kilometer X 0,28) bij wijze van kilometervergoeding, totaal € 488,20.\n\nVerweerder heeft verder aangegeven het griffierecht van € 184,- te willen voldoen. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat ook voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening griffierecht is geheven en verweerder dit ook zal moeten voldoen. De rechtbank overweegt dat eiseres op 18 juli 2022 het griffierecht voor het verzoek om een voorlopige voorziening heeft voldaan. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2024 is de vergoeding hiervan -ten onrechte- niet betrokken bij de proceskostenveroordeling, zodat de rechtbank verweerder alsnog zal opdragen om het griffierecht daarvoor te betalen. Verweerder dient dus een bedrag van € 386,- te voldoen vanwege het door eiseres betaalde griffierecht.\n\nEiseres stelt zich tot slot op het standpunt dat eiseres een eigen bijdrage van € 156,- heeft moeten voldoen en dat dit bedrag moet worden betrokken bij de proceskostenvergoeding. De rechtbank volgt dit niet. Uit artikel 32 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en de bijbehorende kenniswijzer volgt dat de advocaat van een proceskostenvergoeding de door zijn cliënt gemaakte kosten, dus de eigen bijdrage, betaalt.\n\nDe rechtbank zal de proceskosten als volgt samenstellen:\n\n-proceshandelingen: 8 x € 907,- x 1,5 € 10.884,00\n\n-reis- en verblijfkosten € 488,20\n\n-griffierecht € 386,-\n\nTotaal € 11.758,20\n\n4. Beslist wordt als volgt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van\n\n € 11.758,20.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. E.M.J. Clermonts, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 6 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18556","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:34.510Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"1730","ECLI:NL:RBDHA:2026:18486","ecli-nl-rbdha-2026-18486",56,"2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.24419\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [verzoekster] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1984, van Surinaamse nationaliteit, verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. J. Werner),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster.\n\n2. Verzoekster heeft een aanvraag gedaan tot afgifte van een verblijfsdocument EU\u002FEERop grond van het arrest Chavez-Vilchezvoor verblijf bij haar dochter [naam] , die de Nederlandse nationaliteit heeft.\n\n3. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 17 juni 2025 afgewezen. Met de beslissing op het bezwaar van 22 april 2026 (het bestreden besluit) is verweerder bij de afwijzing gebleven. Verzoekster mag een eventueel beroep tegen dit besluit niet in Nederland afwachten.\n\n4. Op 30 april 2026 heeft verzoekster beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. In het verzoek heeft verzoekster verzocht om de werking van het bestreden besluit op te schorten. Dit houdt volgens verzoekster in ieder geval een verbod op uitzetting in tot nadat op het beroep is beslist en het voortzetten van haar recht om in Nederland te werken. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.\n\n4.2.. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nVrijstelling van het griffierecht\n\n5. Verzoekster heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Verzoekster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.\n\nBeoordeling van het verzoek\n\n6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nSpoedeisend belang\n\n7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoekster mag het beroep immers niet in Nederland afwachten, zij kan dus uit Nederland worden gezet. De stelling van verweerder dat geen sprake is van spoedeisendheid van het verzoek om een voorlopige voorziening omdat er geen concreet voornemen is of voorbereidingen zijn getroffen om verzoekster uit te zetten, volgt de voorzieningenrechter niet. Dat er nog geen concrete plannen voor uitzetting bestaan, is niet relevant. Het feit dat verzoekster verwijderbaar is, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter al mee dat sprake is van een spoedeisend belang.\n\nRedelijke kans van slagen\n\n8. De voorzieningenrechter stelt vast dat het hier gaat om een Chavez-situatie bij een Nederlands kind. [naam] is geboren in [geboorteland] uit een Surinaamse moeder, verzoekster. [naam] is Nederlander geworden omdat zij door een Nederlander is erkend. Verweerder stelt dat die erkenning een schijnerkenning is, daarom heeft hij aan het college van B&Wvan de gemeente Utrecht een terugmelding gedaan op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP. Verweerder stelt dat hij daarom op grond van artikel 1.7, tweede lid, van de Wet BRP niet langer hoeft uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van [naam] .\n\n9. Op de zitting heeft (de gemachtigde van) verzoekster aangevoerd dat voor het doen van een terugmelding voldoende aanleiding moet zijn en dat daarvan in deze zaak geen sprake is. Bovendien bestaat er ernstige twijfel over het bestaan van een juridische grondslag voor verweerder om onderzoek te mogen doen naar de erkenning. De voorzieningenrechter doet over deze punten geen uitspraak, nu dit niet nodig is voor de toewijzing van het verzoek.\n\n10. De voorzieningenrechter vraagt zich af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Zij vindt het niet onbegrijpelijk dat verweerder twijfels heeft bij de situatie van verzoekster. De erkenner van [naam] heeft volgens de terugmelding van verweerder aan de gemeente Utrecht kennelijk elf kinderen erkend bij negen verschillende moeders, waarvan de moeders daarna allemaal aanspraak hebben gemaakt op dezelfde procedure als verzoekster.\n\n11. Daartegenover staat dat de voorzieningenrechter wel twijfelt over of de werkwijze van verweerder met het doen van een terugmelding en daardoor niet uitgaan van de Nederlandse nationaliteit, wel klopt. [naam] heeft namelijk wel de Nederlandse nationaliteit verkregen, toen zij werd erkend door een Nederlandse man. Deze erkenner hoeft ook niet de biologische ouder te zijn, in een andere situatie kan ook erkend worden. In principe dient dan uit te gaan van die erkenning. Het klopt verder wel dat verweerder op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP een terugmelding kan doen. In artikel 1.7, eerste en tweede lid, onder b, van de Wet BRP staat vervolgens dat het bestuursorgaan dat bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisregistratie, voor die informatie dat gegeven gebruikt en dat het eerste lid niet van toepassing is indien het bestuursorgaan ten aanzien van het gegeven een mededeling als bedoeld in artikel 2.34 van de Wet BRP doet. De voorzieningenrechter vraagt zich zeer af of dit betekent dat verweerder niet meer uit hoeft te gaan van de Nederlandse nationaliteit. Het verkrijgen en het verliezen van het Nederlanderschap wordt immers geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Deze wet beschrijft ook welke procedures gevolgd moeten worden om te bepalen dat iemand geen Nederlander meer is. Zolang [naam] de Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren conform die wet, gaat de voorzieningenrechter vooralsnog uit van haar Nederlandse nationaliteit. Tot slot is ook gebleken dat de gemeente Utrecht (nog) niets met de terugmelding heeft gedaan. Concluderend vraagt de voorzieningenrechter zich dus af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep kan geen redelijke kans van slagen ontzegd worden.\n\nBelangenafweging\n\n12. De voorzieningenrechter zal vervolgens een belangenafweging maken. Hierin weegt zij de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan.\n\n13. De voorzieningenrechter acht het aan de kant van verweerder van groot belang dat misbruik wordt tegengegaan, dat betekent dus ook dat schijnerkenningen niet mogen worden beloond. Ook betekent dat, als inderdaad sprake is van een schijnerkenning, er geen verblijfsrecht ontstaat en dat degene die ten onrechte een beroep doet op die erkenning geen recht heeft om in Nederland te blijven. Daartegenover acht de voorzieningenrechter aan de kant van verzoekster van groot belang dat het onderzoek zorgvuldig wordt gedaan en dat geen verstrekkende beslissingen worden genomen, zoals het mogelijk uitzetten van verzoekster met gevolgen voor [naam] , die afhankelijk van haar is, zolang niet duidelijk is of het besluit wel stand kan houden. Bovendien gaat het om een tijdelijke maatregel, alleen totdat op het beroep is beslist. Dat maakt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van verzoekster en haar dochter, die van haar afhankelijk is, zwaarder weegt dan het belang van verweerder.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot de uitspraak op het beroep.\n\n15. Omdat het verzoek wordt toegewezen krijgt verzoekster een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.\n\n16. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026 door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.\n\nDit proces-verbaal is bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Europese Unie\u002FEuropese Economische Ruimte.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:2017:354.\n\n Burgemeester en wethouders.\n\n Wet basisregistratie personen.\n\n Zie ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van\n\n10 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15606.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18486","2026-07-13T00:29:36.167Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":65,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":67},"1729","ECLI:NL:RBDHA:2026:18484","ecli-nl-rbdha-2026-18484","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL25.16541 (beroep)\n\nNL25.16546 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [eiseres] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1933, van Turkse nationaliteit, eiseres\u002Fverzoekster (hierna: eiseres),\n\n(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. A. Al-Edani).\n\nInleiding\n\n1. In het besluit van 23 augustus 2023 (het primaire besluit) is de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ’familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM’ voor verblijf bij haar zoon (die in deze procedure optreedt als referent), afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n1.1.. Met het besluit van 7 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\n1.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.\n\n1.3.. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, referent, M. Sivridag als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van verweerder.\n\n1.5.. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht de uitspraaktermijn met zes weken te verlengen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden de aanvraag van eiseres heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en de voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAchtergrond\n\n4. Eiseres woonde voor haar komst naar Nederland in Turkije. Haar echtgenoot is in oktober 2021 overleden. Referent en een dochter van eiseres wonen in Nederland. Twee andere dochters wonen in Oostenrijk en Zwitserland. Voordat eiseres naar Nederland kwam bezochten haar kinderen haar om de beurt en bezocht eiseres hen. Eiseres is laatstelijk in december 2022 voor een familiebezoek naar Nederland gekomen. Turkije werd vervolgens getroffen door aardbevingen die haar huis hebben verwoest. De gezondheid van eiseres is de afgelopen jaren achteruit gegaan. Gezien het vorenstaande kan eiseres niet langer in Turkije wonen. Daarom heeft zij een vergunning aangevraagd voor verblijf bij referent.\n\nBesluitvorming\n\n5. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat zij niet in het bezit is van een geldige mvven ook niet in aanmerking komt voor een vrijstelling daarvan. Eiseres kan niet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op medische gronden, omdat zij in staat wordt geacht te reizen en er geen sprake is van een medische noodsituatie. Ook is er geen vrijstelling mogelijk op grond van het Turks associatierecht. Eiseres moet in dat geval een gezinslid van een Turkse werknemer zijn. Omdat zij de moeder van referente is, is zij alleen ‘gezinslid’ als zij ten laste van referente komt. Eiseres heeft volgens verweerder niet onderbouwd dat dit het geval is. Verder is haar uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Ook om die reden komt eiseres niet in aanmerking voor een vrijstelling van het mvv-vereiste. Volgens verweerder zijn er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid, zodat er tussen eiseres en haar familieleden in Nederland geen familie- of gezinsleven bestaat. Volgens verweerder is de uitzetting van eiseres ook niet in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, omdat de belangenafweging in haar nadeel uitvalt. Tot slot is er geen aanleiding om eiseres wegens bijzondere omstandigheden ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen zoals bedoeld in artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb.\n\nTurks associatierecht\n\n6. Allereerst voert eiseres aan dat zij ten laste van referent komt. Zij werd ook al vóór haar komst naar Nederland door haar zoon voor een belangrijk deel onderhouden, mede doordat hij steeds garant heeft gestaan. Dat hij de cash giften en de giften in natura niet heeft kunnen aantonen door de liquide aard ervan, doet hier niet aan af. Dat hij lange perioden bij zijn moeder heeft verbleven en zij ook lange perioden bij hem, en nu nog altijd voor haar eerste levensbehoeften financiële verantwoordelijkheid draagt maakt dat zij onder de werking van het Turks associatierecht valt. Verweerder heeft de lat voor de bewijsvoering dan ook ten onrechte te hoog gelegd.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat eiseres onder het begrip ‘gezinslid’ valt zoals bedoeld in artikel 7 van Besluit 1\u002F80. Een familielid komt ten laste van een Turkse werknemer als dit familielid, gelet op zijn economische en sociale toestand, niet in staat is om in zijn basisbehoeften te voorzien.Dat betekent dat de Turkse werknemer ondersteuning moet geven aan dit familielid en dat die ondersteuning noodzakelijk moet zijn. Verweerder moet dat beoordelen aan de hand van een of meerdere peilmoment(-en). Welke dat zijn, hangt af van de vraag wáár het familielid zich bevindt en hoe lang hij zich daar (al) bevindt.\n\n7.1.. Als het familielid zich op het moment van de aanvraag in zijn land van herkomst bevindt of zich slechts korte tijd in Nederland bevindt, dan kijkt verweerder naar de vraag of het familielid in zijn land van herkomst ten laste komt of zou komen van de Turkse werknemer. In dat geval moet het familielid dus aannemelijk maken dat hij in zijn land van herkomst noodzakelijke ondersteuning ontvangt of zou ontvangen.Bevindt het familielid zich al in Nederland, dan beoordeelt verweerder dus een fictieve situatie. Het peilmoment is in dit geval (dus) het moment waarop het familielid zijn aanvraag doet.\n\n7.2.. Verweerder stelt zich allereerst terecht op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij regelmatige financiële ondersteuning van referent heeft ontvangen en dat deze ondersteuning noodzakelijk was. Referent heeft niet tenminste één jaar ononderbroken op regelmatige basis een som geld betaald die voor eiseres noodzakelijk was om in haar basisbehoeften te voorzien. Eiseres heeft bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat zij van april 2023 tot augustus 2023 een aantal keren geld van referent heeft ontvangen. Dat referent ook contante bedragen heeft betaald en aankopen voor zijn moeder heeft gedaan, is niet met stukken onderbouwd. Gelet op het feit dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij ten laste van referent kwam, mocht verweerder de overgelegde stukken van eiseres onvoldoende vinden en een nadere onderbouwing van haar verlangen. Die nadere onderbouwing ontbreekt echter.\n\n7.3.. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van haar komst naar Nederland ten laste van referent kwam. Daarom heeft verweerder zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet onder de reikwijdte van het Turks associatierecht valt. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM?\n\nIs er sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent?\n\n8. Allereerst stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent.\n\n8.1.. Het is vaste rechtspraak van het EHRMdat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen en meerderjarige broers en zussen, als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie; er moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hierbij kan onder meer relevant zijn: de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst. De rechtbank toetst de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid – evenals het EHRM doet en conform de jurisprudentie van het EHRM– vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 november 2025en maakt deze overwegingen de hare.8.2.. \n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Vaststaat dat eiseres, die hoogbejaard is, sinds haar komst naar Nederland in december 2022 tot het bestreden besluit van 7 april 2025 met referent en zijn gezin heeft samengewoond en dat zij financieel door referent is onderhouden. Daarmee is er dus sprake van samenwoning en financiële afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Ook staat vast dat eiseres met meerdere gezondheidsklachten kampt, waaronder aortaklepstenose, staar en cognitieve en mobiliteitsbeperkingen. Daarom heeft eiseres van referent en zijn zus hulp nodig bij de dagelijkse praktische taken, zoals medicatie innemen, het aan- en uitkleden en haar zelfverzorging. Op de zitting is ook gesteld dat eiseres dementeert. Het vorenstaande is niet bestreden. Hiermee staat dus ook vast dat eiseres vanwege haar gezondheid afhankelijk is van referent en zijn gezin. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er wel bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn en dat daarmee sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt.\n\nBelangenafweging ten aanzien van familieleven\n\n9. De belangenafweging zoals die nu beschreven staat in het bestreden besluit houdt geen stand nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Hoewel strikt genomen ten overvloede, ziet de rechtbank in het kader van een finale beslechting van het geschil wel aanleiding om enkele handvatten te geven voor de nieuw te maken belangenafweging.\n\n9.1.. Eiseres was ten tijde van het bestreden besluit bijna 92 jaar. Zij heeft toegelicht in Turkije geen familieleden meer te hebben, behalve een neef met wie zij geen contact meer heeft. In Turkije zal zij na terugkeer naar alle verwachting in een verzorgingstehuis in [plaats 1] terechtkomen, aanzienlijk ver van [plaats 2] waar zij tot december 2022 woonde. Eiseres heeft voorts toegelicht dat zij tot de Armeens-Christelijke gemeenschap behoort en niet volledig de Turkse taal beheerst waardoor een verblijf in een verzorgingstehuis extra belastend is. Verweerder moet betrekken waarom het voor haar niet onredelijk belastend is om zonder enig sociaal netwerk naar een verzorgingstehuis te gaan in een regio waar zij nooit eerder heeft verbleven, terwijl zij ook de Turkse taal niet goed beheerst. Dit geldt ook voor de door verweerder genoemde mogelijkheid om de familieband voort te zetten door middel van digitale middelen en regelmatig bezoek. Volgens verweerder is niet gebleken dat referent (en zijn gezin) zich niet met eiseres in Turkije kunnen vestigen en dat zij daar geen bestaan kunnen opbouwen. Verweerder moet in de belangenafweging betrekken waarom dit, ondanks de hoge leeftijd van eiseres, en nu verweerder ook erkent dat dit waarschijnlijk niet makkelijk is, nog een realistische mogelijkheid is en dat dit toch van hen kan worden verlangd.\n\n9.2.. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder de eerste toelating van eiseres ten onrechte in de belangenafweging in haar nadeel heeft meegewogen, nu deze weging neutraal had moeten zijn.\n\nBelangenafweging ten aanzien van privéleven\n\n10. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat de belangenafweging in het kader van haar privéleven ten onrechte in haar nadeel uitvalt. Verweerder heeft ten onrechte niet betrokken dat eiseres al eerder op basis van tijdelijk legaal verblijf voor lange periodes bij referent in Nederland heeft verbleven. Daarnaast is het gezien de aardbevingen in Turkije en de leeftijd en gezondheid van eiseres onmogelijk en onredelijk om weer een bestaan op te bouwen in Turkije.\n\n10.1.. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de belangenafweging ten aanzien van het privéleven in het nadeel van eiseres uitvalt. Verweerder heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat eiseres in Nederland niet heeft gewerkt en geen opleiding heeft gevolgd en zij ook de Nederlandse taal niet spreekt. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat van bijzondere banden met Nederland niet is gebleken. Tot slot heeft eiseres weliswaar eerdere periodes legaal in Nederland verbleven, maar deze periodes zien enkel op het uitoefenen van haar familieleven en niet op haar privéleven. Verweerder heeft deze omstandigheid daarom niet bij de beoordeling van het privéleven hoeven betrekken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nSchrijnendheid\n\n11. Tot slot voert eiseres aan dat er sprake is van schrijnende individuele omstandigheden, gezien haar individuele omstandigheden.\n\n11.1.. De rechtbank oordeelt als volgt. Volgens artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb kan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. Hierbij is van belang dat de individuele omstandigheden zich hebben voorgedaan in Nederland.11.2.. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de medische problemen van eiseres niet in Nederland zijn ontstaan. Ook stelt de minister zich op het standpunt dat de aardbeving heeft zich heeft voorgedaan in Turkije en er met eiseres vele slachtoffers zijn waardoor er geen sprake is van een individuele omstandigheid. De situatie van eiseres voldoet daarmee echter niet aan het criterium dat er sprake moet zijn van individuele omstandigheden die binnen Nederland hebben plaatsgevonden. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat de situatie van eiseres geen schrijnende individuele omstandigheden zijn. Verweerder heeft eiseres ambtshalve daarom geen vergunning hoeven geven. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt.\n\n13. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiseres, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n14. De rechtbank veroordeelt verweerder in het door eiseres betaalde griffierecht en de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.16541,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat verweerder binnen 6 weken een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.16546,\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDe rechtbank, in beide zaken:\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de\n\nuitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Besluit nr. 1\u002F80 van de Associatieraad d.d. 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 16 januari 2014, C-423\u002F12, ECLI:EU:C:2014:16 (Reyes), r.o. 22 en het arrest van het HvJEU van 9 januari 2007,\n\nC-1\u002F05, ECLI:EU:C:2007:1 (Yunying Jia), r.o. 37.\n\n Zie het arrest Reyes, r.o. 22 en Yunying Jia, r.o. 37.\n\n Zie het arrest van het HvJEU van 10 april 2025, C-607\u002F21, ECLI:EU:C:2025:264 (XXX), r.o. 35-37.\n\n Europees Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:22362, r.o. 9-9.5.\n\n Zie IB 2019\u002F81 Ambtshalve toets schrijnende situatie.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18484","2026-07-13T00:29:36.127Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":43,"courtId":72,"decisionDate":73,"fullText":74,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":76},"1608","ECLI:NL:RBDHA:2026:18530","ecli-nl-rbdha-2026-18530",63,"2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.36355\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n [eiseres] ,V-nummer: [V-nummer] , eiseres (tezamen; eisers)\n\n(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: H.H.M. van Dooren).\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\nIn het besluit van 1 juli 2024 heeft de minister de aanvraag van [referent] (referent) tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van het Verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) voor zijn ouders (eisers) afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 juli 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\nEisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent, [eiser] , de broer van referent, R. Najjar als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Het beroep is ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eisers voor een mvv terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAanvraag\n\n2. Eisers hebben allebei de Syrische nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1965 en eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 1975. Eiser is de vader van referent en eiseres is de moeder van eiser. Referent heeft op 26 januari 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv voor eisers.\n\nWat heeft de minister geoordeeld?\n\n3. De minister heeft de aanvraag eerst afgewezen omdat de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent niet aannemelijk was gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de minister de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent wel aangenomen. Ook heeft de minister familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aangenomen omdat referent valt onder het bereik van het jongvolwassenenbeleid. De minister heeft de belangenafweging echter in het nadeel laten uitvallen en zich op het standpunt gesteld dat het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eisers om het familieleven met referent in Nederland uit te oefenen.\n\nWat voeren eisers aan?\n\n4. Eisers voeren aan dat de minister de belangen niet goed heeft afgewogen. Over de aard en intensiteit van het gezinsleven heeft referent aangevoerd dat de minister de medische verklaringen uit de Dublinprocedure, de asielprocedure en deze procedure, ten onrechte tegenover elkaar heeft gezet. Toen referent naar Europa kwam, wilde hij bij zijn broer verblijven. Dat was ook logisch omdat zijn broer de in Europa verblijvende persoon was. Uit de medische verklaringen volgt dat er een directe link is tussen de zorgen van referent over de veiligheid van zijn ouders en de mogelijkheid dat hun aanwezigheid stabiliserend en ondersteunend kan zijn. De minister heeft gesteld dat de medische feiten tegenstrijdig zijn, zonder dat rekening is gehouden met de psychische gesteldheid van referent. Verder voeren eisers aan dat de binding van eisers met Turkije ten onrechte wordt meegewogen. Kennelijk is het voor referent onvoldoende veilig om het gezinsleven daar uit te oefenen, omdat referent een verblijfsvergunning heeft gekregen.\n\nTen aanzien van de belangen van de staat hebben eisers aangevoerd dat het restrictief toelatingsbeleid niet als belang kan worden meegewogen. Over het economisch belang heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat de woning van referent niet toereikend zou zijn. Daarnaast is het de verwachting dat sprake zal zijn van een verbetering in de gezondheidssituatie van referent als eisers naar Nederland komen. Verder is de aanname dat eisers voor langere tijd gebruik moeten maken van publieke voorzieningen te algemeen.\n\nWat is het toetsingskader?\n\n5. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie volgt dat de rechter zonder terughoudendheid moet toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. De vraag of de minister alle feiten en omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken, moet de rechtbank vol toetsen dus zonder terughoudendheid. De uitkomst van de belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of de minister in de belangenafweging in redelijkheid de nadelige punten voor eisers zwaarder mocht laten wegen dan de voordelige punten. Daarbij is nog van belang dat bij de toepasselijkheid van het jongvolwassenbeleid ook een belangenafweging moet plaatsvinden. Er is namelijk sprake van twee verschillende beoordelingskaders waarbij de weging van feiten kan verschillen.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.\n\nAard en intensiteit familieleven\n\n7. De minister heeft in het nadeel mogen meewegen dat de aard en intensiteit van het gezinsleven van referent met eisers sterk is verminderd. Daarbij heeft minister kunnen betrekken dat referent doelbewust naar Nederland is gekomen om bij zijn broer te kunnen zijn. Dat volgt onder andere uit de zittingsaantekeningen van de Dublinzitting van 23 september 2021. Toen heeft referent verklaard:\n\n‘Ik beschouw mijn broer als mijn vader voor het leven dat ik in Nederland graag wilde leiden. Sinds ik in [plaats] ben heb ik nooit een bloemrijke dag gezien, mijn leven is heel zwart. We hebben moeilijke omstandigheden gehad in Syrië. Toen ik uit elkaar moest gaan met mijn broer was mijn leven een grote puinhoop. Als ik weer uit elkaar wordt gehaald van mijn broer dan wil ik dit leven niet meer.’\n\n8. Ook volgt uit de medische verklaring van GZ-psycholoog [naam] van 2 april 2021 dat referent doelbewust naar Nederland is gekomen voor zijn broer. Daarin staat het volgende opgenomen:\n\n‘Zijn reden om te vluchten naar Nederland was om bij zijn broer te zijn. Volgens [referent] is zijn broer de enigste persoon die hem kan helpen met zijn psychisch welzijn. [referent] gaf aan dat andere familieleden hem niet steunen en begrijpen. [referent] is vanaf zijn 15de alleen achtergebleven bij zijn ouders en zus. Het feit dat zijn broer plotseling naar het buitenland is gegaan heeft veel impact gehad op de sociale-emotionele ontwikkeling van [referent] .\n\n [referent] heeft vanaf kind af aan altijd van zijn ouders moeten horen dat hij het nooit goed doet. De ouders van [referent] zijn analfabeet en leunden veel op de oudste broer van [referent] . Zijn broer was de enige die hem rust, liefde en regelmaat gaf zoals een kind deze zou moeten krijgen. Hij is een vader voor [referent] en zijn maatje met wie hij alles kan delen.’\n\n9. Tijdens de hoorzitting in bezwaar zijn de hiervoor weergegeven verklaringen aan referent voorgehouden en daarop heeft referent verklaard: ‘Toen ik naar Nederland vertrok zocht ik liefde. Niemand is liever dan vader en moeder. Ik kan niet zonder mijn ouders leven. Ik ben altijd bij hen geweest. Ik kan mij niet voorstellen zonder hen te leven. Ze houden veel van mij en zorgden goed voor mij. Ik kan niet zonder hen leven.’\n\n10. Over de verklaringen die referent tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft gegeven, heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat die moeilijk te rijmen zijn met de hiervoor weergegeven verklaringen. Eerst was de broer van referent het belangrijkst voor referent, en tijdens deze procedure zijn ouders. Referent heeft niet duidelijk kunnen uitleggen waarom zijn beeld zo is veranderd. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat uit de verklaring van referent dat zijn ouders hem niet begrijpen en dat zijn broer de enige die rust en liefde gaf, al volgt dat de aard en intensiteit van het gezinsleven verminderd is.\n\n11. Daarnaast volgt uit de medische verklaringen van 8 april 2021, 12 januari 2022 en 4 juni 2025 dat referent kampt met traumaklachten en depressieve symptomen. Ook maakt referent zich zorgen over het welzijn van eisers. Uit de verklaring van 4 juni 2025 volgt de verwachting dat de overkomst van eisers een positieve invloed zou kunnen vormen op de klachten van referent. Uit die verklaring volgt echter niet dat de overkomst van eisers de oplossing is van alle problemen van referent. Voor deze conclusie had de minister geen medisch deskundige hoeven in te schakelen. In de medische verklaring van 4 juni 2025 staat namelijk; ‘De prognose is op dit moment matig tot ongunstig, gezien de ernst van de klachten, de beperkte behandelrespons tot nu toe en de blijvend psychosociale stressoren. De aanwezigheid van zijn ouders in Nederland zou een beschermende factor kunnen vormen en mogelijk bijdragen aan stabilisering van het ziektebeeld.’ Daaruit volgt – naar het oordeel van de rechtbank - dat het slechts een verwachting is dat de overkomst van de ouders van referent een beschermende factor zou kunnen zijn.\n\n12. Verder heeft de minister van belang kunnen vinden dat referent inmiddels meer dan vier jaar zonder zijn ouders woont en dat referent het merendeel van de tijd bij zijn broer verblijft. Over de aard en intensiteit van het familieleven heeft de minister zich dus op terecht op het standpunt gesteld dat die sterk verminderd is. Dit heeft de minister in het nadeel van eisers kunnen meewegen in de belangenafweging.\n\nTurkije\n\n13. De minister heeft verder licht in het voordeel kunnen meewegen dat referent afkomstig is uit Syrië. Daarnaast wonen eisers sinds 2014\u002F2015 in Turkije. De minister heeft daarom kunnen stellen dat eisers een band hebben opgebouwd met Turkije. De minister heeft dat niet ten onrechte in het nadeel kunnen meewegen. Overigens is niet gebleken dat referent eisers niet kan opzoeken in Turkije, en op die manier zijn gezinsleven met eisers kan uitoefenen.\n\nRestrictief toelatingsbeleid – economisch belang\n\n14. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister het restrictief toelatingsbeleid als belang heeft kunnen laten meewegen. Het belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid is onderdeel van het algemeen belang van de Nederlandse samenleving, in de zin van het economisch welzijn in bredere zin, en ziet dus op meer dan alleen het belang van de Nederlandse economie in de vorm van uitkeringen vanuit de openbare kas. Naast de vraag in hoeverre de komst van de vreemdelingen naar Nederland ten laste van de openbare middelen zal komen, kan dus ook relevant zijn in hoeverre zij in Nederland aanspraak zullen maken op al dan niet schaarse andere onderdelen van de maatschappelijke infrastructuur, zoals woningen of zorg.\n\n15. De minister heeft gelet op het voorgaande ook niet ten onrechte betrokken dat referent en eisers onvoldoende middelen van bestaan hebben. De minister verwacht niet onrechte dat referent niet financieel voor eisers kan zorgen, omdat hij geen inkomen heeft uit loondienst. De verwachting van referent dat de kansen op de arbeidsmarkt voor referent worden vergroot als eisers in Nederland zijn, hebben eisers niet onderbouwd. Eisers hebben in beroep geen stukken overgelegd waaruit volgt dat referent bezig is met een opleiding of met het vinden van werk.\n\n16. Verder heeft de minister in het nadeel kunnen meewegen dat eisers voor een langere tijd een beroep moeten doen op de openbare kas. Eisers spreken immers de Nederlandse taal en cultuur niet, dus zouden niet op korte termijn kunnen gaan werken als zij in Nederland zijn aangekomen.\n\n17. Tot slot heeft de minister niet ten onrechte meegewogen dat referent niet beschikt over een geschikte woonruimte voor eisers. Tijdens de bezwaarprocedure heeft referent verklaard dat de woning niet geschikt is voor eisers, omdat het klein is. De minister heeft hierbij de opmerking kunnen plaatsen dat het voorzienbaar is dat eisers een eigen woning zullen aanvragen, en dat dit extra druk oplevert op de woonvoorzieningen in Nederland.\n\n18. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister heeft het economisch belang van de staat in het nadeel van eisers heeft mogen laten meewegen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra - Foppen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, r.o. 3.4.\n\n Zie pagina 6 van het verslag van de hoorzitting in bezwaar d.d. 26 mei 2025.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:876, r.o. 2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18530","2026-07-13T00:29:29.427Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":81,"fullText":82,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":84,"parsedAt":50,"updatedAt":85},"1714","ECLI:NL:RBDHA:2026:14740","ecli-nl-rbdha-2026-14740","2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL24.13209 (beroep intrekking)\n\nNL24.13210 (voorlopige voorziening intrekking)\n\nNL25.9940 (beroep wijziging verblijfsdoel)\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\nuitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiser], eiser en verzoeker, hierna: eiser,\n\n(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. J. van Dam).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de afwijzing van zijn aanvraag om wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning. Eiser is het met beide besluiten niet eens en voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank beide beroepen.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat beide besluiten in rechte geen stand kunnen houden. Eiser krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in de zaken. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op het beroep dat in het kader van beide procedures is gedaan op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op het beroep dat is gedaan op artikel 8 van het EVRM. Tot slot zal de rechtbank ingaan op de hoorplicht. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1958 en heeft de Surinaamse nationaliteit.\n\n2.1. Eiser is op 22 april 2022 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid [naam]’. Bij besluit van 13 september 2023 (het primaire besluit 1) heeft de minister deze verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht per 22 augustus 2022. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 28 februari 2024 ongegrond verklaard (het bestreden besluit 1). Op 25 maart 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Deze procedures zijn geregistreerd onder nummers NL24.13209 en NL24.13210.\n\n2.2. Eiser heeft op 12 juli 2023 een aanvraag ingediend tot wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning in – zo begrijpt de rechtbank –de beperking ‘verblijf op grond van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR’ dan wel de beperking ‘humanitair niet tijdelijk – artikel 8 van het EVRM privéleven’. Bij besluit van 12 maart 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen (het primaire besluit 2). De minister heeft het hiertegen gerichte bezwaarschrift bij besluit van 3 februari 2025 (het bestreden besluit 2) afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft op 28 februari 2025 ook tegen dit besluit beroep ingesteld. Deze procedure is geregistreerd onder nummer NL25.9940.\n\n2.3. De rechtbank heeft de zaken op 19 september 2025 enkelvoudig op de zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. S. Imami namens de minister. Na de zitting heeft de rechtbank de zaken verwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling.\n\n2.4. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de beroepen op 4 februari 2026 op de zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft na afloop van de zitting het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet langer voldoet aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid’ en dat de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 22 augustus 2022 op zichzelf terecht is. Wel worden partijen verdeeld gehouden over de vraag of eiser voorgezet verblijf toekomt. Zowel in de procedure omtrent de intrekking als in de procedure over de wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning heeft eiser aangevoerd dat hem een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR, dan wel op grond van artikel 8 van het EVRM. Verder is in geschil of eiser in de procedure omtrent de wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning gehoord had moeten horen.\n\nSlaagt het beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR?\n\n4. Artikel 12, vierde lid, van het IVBPR bepaalt – kort gezegd – dat aan niemand willekeurig het recht mag worden ontnomen om naar zijn eigen land terug te keren\n\n5. Eiser heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hem een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Volgens eiser heeft deze bepaling rechtstreekse werking. De intrekking van zijn verblijfsvergunning en de weigering om het verblijfsdoel te weigeren is in strijd met artikel 12, vierde lid, van het IVBPR omdat het gevolg van die beslissingen is dat eiser de toegang tot Nederland wordt ontzegd. Ter onderbouwing heeft eiser onder meer gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 1 september 2023. Deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de Afdeling. Ook heeft eiser verwezen naar General Comment 27 van het VN-mensenrechtencomitéover de betekenis van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR, op een artikel van J-H Seelow in A&MR 2024\u002F4 en naar een arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014waarin wordt uitgelegd wanneer een verdragsbepaling rechtstreekse werking heeft. De minister heeft gemotiveerd betwist dat aan artikel 12, vierde lid, van het IVBPR rechtstreekse werking toekomt en heeft om die reden niet getoetst aan deze bepaling.\n\n6. De rechtbank overweegt het volgende.\n\n6.1. In artikel 93 van de Grondwet staat dat bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, verbindende kracht hebben nadat zij zijn bekendgemaakt. Als nationale wettelijke voorschriften in strijd zijn met dergelijke een ieder verbindende bepalingen, heeft de verdragsbepaling voorrang, zo volgt uit artikel 94 van de Grondwet.\n\n6.2. Om te bepalen of een verdragsbepaling een ieder verbindt, moet eerst worden nagegaan of rechtstreekse werking niet is uitgesloten door de verdragspartijen. Als dat niet het geval is, moet de rechter nagaan of een dergelijke verdragsbepaling door een burger of rechtspersoon kan worden ingeroepen. Dat hangt af van de inhoud van de bepaling en meer in het bijzonder van de vraag of de bepaling a) plichten oplegt of rechten toekent aan een burger of rechtspersoon, en b) onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om door een rechter te worden toegepast.\n\n6.3. De verdragspartijen bij het IVBPR hebben rechtstreekse werking niet uitgesloten. Aan de eerste hierboven genoemde voorwaarde om rechtstreekse werking aan te nemen wordt dan ook voldaan. Verder is het naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat artikel 12, vierde lid, van het IVBPR rechten toekent aan burgers, namelijk het recht om toegang te krijgen en te houden tot het eigen land. Dat dit een onvoorwaardelijk recht betreft, is ook duidelijk. Het uit artikel 12, vierde lid, van het IVBPR voortvloeiende recht op toegang tot het eigen land is niet gebonden aan enige voorwaarde, zo blijkt uit de formulering van het artikel. Verder is de rechtbank van oordeel dat deze bepaling ook voldoende nauwkeurig is om als een eenieder verbindende bepaling aan te merken. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2000, waarin de Hoge Raad zonder terughoudendheid toetst aan artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Dit oordeel is ook in lijn met de aangehaalde General Comments van het VN mensenrechtencomité. De conclusie is dan ook dat artikel 12, vierde lid, van het IVBPR een eenieder verbindende bepaling is als bedoeld in artikel 93 van de Grondwet die rechtstreeks doorwerkt in het Nederlandse recht.\n\n6.4. Voor zover de minister nog heeft betoogd dat Nederland een voorbehoud heeft gemaakt bij het tekenen van het IVBPR dat de bepalingen alleen van toepassing zijn op het Europese deel van het Koninkrijk, slaagt dit betoog niet. Allereerst is van belang dat er geen specifiek voorbehoud is gemaakt voor Suriname bij de ondertekening van het IVBPR. Dat is ook logisch aangezien Suriname op dat moment geen onderdeel meer uitmaakte van het Koninkrijk. Dat voor de Nederlandse Antillen wel een voorbehoud is gemaakt, maakt dus niet dat hetzelfde zou moeten gelden voor Suriname. Het gemaakte voorbehoud is verder zonder relevantie voor de periode voor de ondertekening op 11 maart 1979. Belangrijker acht de rechtbank evenwel dat ‘het eigen land’ niet per definitie het land van nationaliteit hoeft te zijn. De omstandigheid dat eiser thans de Surinaamse nationaliteit heeft, is dan ook niet het doorslaggevende element in de beoordeling. Dat volgt ook uit de al aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad, nu daarin artikel 12, vierde lid, van het IVBPR onverkort is toegepast op iemand met de Surinaamse nationaliteit.\n\n6.5. De conclusie is aldus dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat artikel 12, vierde lid, geen rechtstreekse werking heeft en dus ook ten onrechte niet beoordeeld of eisers beroep op artikel 12, vierde lid van het IVBPR kan slagen. Het besluit is op dit onderdeel onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.\n\nSlaagt het beroep op artikel 8 van het EVRM?\n\n7. Eiser heeft in beide zaken ook nog een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM. De rechtbank stelt vast dat aan beide besluiten ook op dat onderdeel gebreken kleven. Zo heeft de minister ter zitting erkend dat de gehanteerde maatstaf niet klopt. De minister is er in de besluiten ten onrechte vanuit gegaan dat alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden tot verblijfsaanvaarding op grond van artikel 8 van het EVRM kan worden overgegaan. Dit miskent dat eiser enige tijd een verblijfsvergunning heeft gehad in Nederland die hem tot het uitoefenen van familie- en privéleven in staat stelde. De door de minister gehanteerde maatstaf is alleen van toepassing indien het familie- of privéleven gedurende niet rechtmatig verblijf is opgebouwd. Daarnaast heeft de minister een onjuist gewicht toegekend aan het beroep op het arrest Jeunesse van 3 oktober 2014van het EHRM. Eiser heeft dit arrest aangehaald omdat daarin een groot belang toekomt aan de omstandigheid dat de hoofdpersoon in die procedure ex-Nederlander is, net zoals eiser. Die voor de beoordeling van artikel 8 van het EVRM relevante omstandigheid, heeft de minister onvoldoende kenbaar bij de beoordeling betrokken. Daarom zijn de besluiten ook op dit punt onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\nSlaagt het beroep op de hoorplicht?\n\n8. De minister heeft in de procedure omtrent de wijziging van de beperking van de verleende verblijfsvergunning het bezwaar als kennelijk ongegrond afgewezen. Gelet op wat hiervoor is geoordeeld omtrent de beoordeling van eisers beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR en artikel 8 van het EVRM, heeft de minister niet tot een dergelijk oordeel kunnen komen. Nu het bezwaar niet als kennelijk ongegrond kon worden afgewezen, heeft de minister ook niet van het horen van eiser af kunnen zien. Het bestreden besluit 2 is dus ook in strijd met artikel 7:2 van de Awb.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb en het bestreden besluit 2 ook met artikel 7:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De minister zal namelijk in de zaak omtrent de wijziging van de beperking eiser moeten horen en deze feiten moeten betrekken bij het nemen van een nieuw besluit. Deze feiten kunnen ook in de andere zaak van belang zijn. Verder is het aan de minister om nu alsnog als eerste een standpunt in te nemen over de vraag of eiser rechten kan ontlenen aan artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Vervolgens zal dat oordeel ten volle kunnen worden getoetst door de rechtbank. De gemachtigde van eiser heeft te kennen gegeven een voorkeur te hebben voor een dergelijke afdoening van het beroep, ook om geen instantie te verliezen in deze procedure. De rechtbank ziet dan ook geen ruimte om finaal te beslissen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat het geen efficiënte en doelmatige afdoeningswijze zou zijn.\n\n9.1.. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.\n\n9.2.. De rechtbank ziet verder aanleiding om de minister een aantal aandachtspunten mee te geven die relevant zijn bij de nog te verrichten beoordeling in het kader van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Met betrekking tot de beoordeling zelf is van belang dat het VN-mensenrechtencomité in onder meer de zaak Warsameheeft toegelicht welke elementen relevant zijn bij de beoordeling van een beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Het comité verwijst onder meer naar het al eerder genoemde General Comment 27, waaruit volgt dat het begrip ‘het eigen land’ zoals genoemd in die bepaling breder is dan het land van iemands nationaliteit en dat moet worden gekeken naar factoren als langdurig verblijf, het spreken van de taal, hechte persoonlijke of familiebanden, het ontbreken van banden elders en de intenties om te blijven in het betreffende land. Mocht de minister na zijn beoordeling tot de conclusie komen dat eisers beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR slaagt, dan merkt de rechtbank op dat de minister op grond van de hem toekomende discretionaire bevoegdheid een verblijfsvergunning kan verlenen op een andere grond dan die zijn genoemd in artikel 3.4 van het Vb2000. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025volgt namelijk dat de minister nog steeds bevoegd is om ook buiten de gevallen genoemd in het eerste lid van dat artikel een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de hem toekomende discretionaire bevoegdheid. Deze bevoegdheid volgt uit artikel 14, derde lid, van de Vw2000. De afschaffing van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 – waarin de discretionaire bevoegdheid nader was ingevuld en geregeld – perkt deze wettelijke bevoegdheid niet nader in, zo volgt uit de uitspraak van de Afdeling.\n\n9.3.. Eiser heeft verzocht om een voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt uitgezet totdat is beslist op zijn beroepschrift. In dit geval is er geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening, omdat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.\n\n9.4.. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.203,- (2 punten voor de beroepschriften, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaken NL24.13209 en NL25.9940:\n\n- verklaart de beroepen gegrond;\n\n- vernietigt de besluiten van 28 februari 2024 en 3 februari 2025;\n\n- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften met inachtneming van deze uitspraak.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak NL24.13210:\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter, in alle zaken:\n\n- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 575,- aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 4.203,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mr. R.H.G. Odink en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van L. Fernandez Ferreiro, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.\n\n Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966.\n\n Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zaaknummers NL23.16344 en NL21.17007.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het gaat om de uitspraak van 1 december 2025 met nummer 202306135\u002F1\u002FV1.\n\n CCPR General Comment No. 27: Article 12 (Freedom of Movement) van 2 november 1999.\n\n ECLI:NL:HR:2014:2928.\n\n Zie het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1449 en het door eiser aangehaalde arrest van 10 oktober 2014.\n\n ECLI:NL:HR:2000:AA8448.\n\n ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810.\n\n Europees Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Communication no. 1959\u002F2010 van 26 juli 2010.\n\n Vreemdelingenbesluit.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:4130.\n\n Vreemdelingenwet.\n\n NL24.13209.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14740","2026-06-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:35.393Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":43,"courtId":90,"decisionDate":91,"fullText":92,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":50,"updatedAt":95},"316","ECLI:NL:RBDHA:2026:3846","ecli-nl-rbdha-2026-3846",58,"2026-02-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.30337\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.E. Muller),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid.’\n\n1.1.. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op nieuw ingediende stukken. Na ontvangst van de schriftelijke reactie van beide partijen, heeft de rechtbank met instemming van partijen het onderzoek gesloten zonder een nadere zitting te houden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2000. Namens eiseres is op 21 juli 2021 een mvv aangevraagd omdat zij in Nederland wil verblijven bij haar broer, [referent] (referent). Referent verblijft in Nederland met een asielvergunning. De ouders en andere broers en zussen van eiseres en referent verblijven inmiddels bij referent in Nederland.\n\n3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen om de volgende redenen. Tussen eiseres, referent en hun meerderjarige broer bestaan geen bijkomende elementen van afhankelijkheid. Tussen eiseres en haar minderjarige broer en zussen is geen sprake van hechte persoonlijke banden. Verweerder neemt daarom geen familie- en gezinsleven aan in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en haar broer en zussen. Tussen eiseres en haar ouders bestaat wel gezinsleven omdat het jongvolwassenenbeleid van toepassing is. De belangenafweging die verweerder daarom heeft gemaakt, is echter in het nadeel van eiseres uitgevallen.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder heeft onterecht geen gezinsleven aangenomen tussen eiseres en referent en hun meerderjarige broer. Verweerder mocht niet als vereiste stellen dat eiseres exclusief van referent afhankelijk is.Ook moest verweerder aannemen dat er hechte persoonlijke banden, en dus gezinsleven, bestaan tussen eiseres en haar minderjarige broer en zussen. Zij woonden namelijk tot aan het vertrek van het gezin samen. Daarnaast houdt de belangenafweging die is gemaakt voor eiseres en haar ouders geen stand. Verweerder heeft er niet genoeg rekening mee gehouden dat voor eiseres sprake was van een gedwongen scheiding en dat haar gezin nu in Nederland is. Daarnaast heeft referent nu wel voldoende inkomen en zal eiseres maar beperkt gebruik maken van de openbare kas en publieke voorzieningen.In beroep heeft eiseres salarisspecificaties van referent overgelegd.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.\n\nBijkomende elementen van afhankelijkheid en hechte persoonlijke banden\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar meerderjarige broers, of hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar minderjarige broer en zussen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het peilmoment in reguliere gezinsherenigingszaken voor de vraag of er sprake is van familie- of gezinsleven het moment van het besluit op de aanvraag is.Uit dezelfde uitspraak volgt ook dat verweerder op het moment van zijn besluit op bezwaar alle feiten en omstandigheden moet betrekken die relevant zijn voor de beoordeling van het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, waaronder feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan sinds het primaire besluit. Anders dan eiseres heeft betoogd, heeft verweerder bij de beoordeling dus mogen betrekken hoe de situatie van eiseres zich heeft ontwikkeld sinds het vertrek van haar gezin. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat referent heeft verklaard dat de band van eiseres met hemzelf en de andere zussen een gebruikelijke band is. Dat eiseres voorheen met haar broers en zussen in gezinsverband samenwoonde, maakt niet dat verweerder tussen hen gezinsleven aan hoefde te nemen. Dat eiseres financiële steun ontvangt van referent, hoefde ook niet tot de conclusie te leiden dat er tussen hen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank is met eiseres eens dat verweerder niet als vereiste mag stellen dat eiseres enkel van referent afhankelijk is en\u002Fof zich zonder hem niet zou kunnen redden, maar constateert dat verweerder dit ook niet heeft vereist. Verweerder mocht er in dit kader gewicht aan toekennen dat eiseres ook van anderen dan van referent financiële ondersteuning ontvangt.\n\nDe gemaakte belangenafweging\n\n7. Nu verweerder gezinsleven heeft aangenomen tussen eiseres en haar ouders, moest hij een belangenafweging maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiseres mocht laten uitvallen. Verweerder heeft alle relevante omstandigheden in zijn belangenafweging betrokken en een “fair balance” gemaakt tussen de belangen van eiseres en die van de Nederlandse Staat.\n\n8. Verweerder mocht allereerst wijzen op het economisch belang van de staat en zijn belang bij een restrictief toelatingsbeleid. In het nadeel van eiseres mocht verweerder verder meewegen dat zij geen binding heeft met Nederland anders dan door de aanwezigheid van haar gezin. Verweerder heeft in het voordeel van eiseres gewogen dat er sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar ouders, maar mocht hier minder gewicht aan toekennen vanwege de verminderde intensiteit van het gezinsleven. Anders dan eiseres heeft betoogd, heeft verweerder er in dit kader voldoende rekening mee gehouden dat de familie voor de moeilijke keuze heeft gestaan om zonder eiseres naar Nederland te vertrekken. Nu er wel sprake was van een keuze, hoe moeilijk ook, hoefde verweerder dit niet aan te merken als een gedwongen scheiding. Ook heeft verweerder kenbaar betrokken dat een objectieve belemmering aanwezig is om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen. Over de asielgerelateerde omstandigheden van eiseres, mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat niet duidelijk is geworden hoe deze invloed hebben op het familieleven, zodat zij niet in dit kader mee moesten worden genomen.\n\n9. In de salarisspecificaties die eiseres kort voor de zitting heeft overgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Verweerder moest het besluit namelijk baseren op de situatie zoals die bestond op het moment van het bestreden besluit. Verweerder mocht erop wijzen dat de salarisspecificaties zien op een periode na het bestreden besluit.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n11. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Eiseres verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:758) en van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1189).\n\n Eiseres verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:12902).\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4630.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3846","2026-02-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.122Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":100,"fullText":101,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":50,"updatedAt":104},"1417","ECLI:NL:RBDHA:2026:17918","ecli-nl-rbdha-2026-17918","2026-01-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL25.10147 (beroep)\n\nNL25.10149 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag 1] 1975, van Ghanese nationaliteit, eiser\u002Fverzoeker, hierna te noemen: eiser\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister,\n\n(gemachtigde: mr. K.A.W. Boonen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU\u002FEER. Eiser wenst verblijf bij zijn minderjarige dochter [persoon 1] op grond van artikel 20 van het VWEUop grond van het arrest Chavez-Vilchez.\n\n1.1.. Met het besluit van 14 februari 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen. Met het besluit van 4 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. Voorafgaand aan de zitting op 18 december 2025 heeft de (voorzieningen)rechter in aanwezigheid van de griffier een kindgesprek gehouden met [persoon 1] . De rechtbank heeft voor [persoon 1] een aparte samenvatting van de beslissing gemaakt. Deze samenvatting is als bijlage aan deze uitspraak gehecht en maakt onderdeel uit van deze uitspraak. Wat [persoon 1] tijdens dit kindgesprek heeft verteld, zal de rechtbank bij haar beoordeling betrekken.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de moeder van [persoon 1] , I. Ben Smail als tolk in de taal Engels, en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe, omdat is gebleken dat hij niet in staat is tot betaling daarvan.\n\n3. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n4. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nAchtergrond\n\n5. Eiser is de biologische vader van zijn dochter [persoon 1] , geboren op [geboortedag 2] 2015. Zijn relatie met de moeder van [persoon 1] , [persoon 2] , is in 2018 geëindigd. Eiser is datzelfde jaar naar Duitsland verhuisd maar is in 2022 teruggekeerd naar Nederland. Op 28 april 2023 heeft eiser verzocht om afgifte van een verblijfsdocument als verzorgende ouder van een minderjarig Nederlands kind. Hij wil graag verblijf bij [persoon 1] , die op dit moment tien jaar oud is.\n\nBesluitvorming\n\n6. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden c en d van paragraaf B10\u002F2.2 van de Vc. Volgens de minister heeft eiser namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor [persoon 1] . Eiser heeft de zorg- en opvoedingstaken niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare bewijsstukken. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er tussen hem en [persoon 1] een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat, dat [persoon 1] gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Eiser heeft geen bewijsstukken hiervan overgelegd. Uit de BRPblijkt dat [persoon 1] vanaf haar geboorte hoofdverblijf heeft bij haar moeder.\n\n6.1.. Volgens de minister komt eiser ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft weliswaar privéleven en gezinsleven, maar de belangenafweging valt in zijn nadeel uit.\n\nTen aanzien van de toetsing aan het arrest Chavez-Vilchez\n\nJuridisch kader\n\n7. Om te kunnen vaststellen of er rechtmatig verblijf is op grond van Chavez-Vilchez is het volgende kader van belang. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat er zeer bijzondere situaties bestaan waarin aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie, een verblijfsrecht moet worden toegekend, omdat anders aan het Unieburgerschap de nuttige werking zou worden ontnomen indien, als gevolg van de weigering om een dergelijk recht te verlenen, deze burger feitelijk verplicht is het grondgebied van de gehele Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten zou worden ontzegd.Eén zo'n zeer bijzondere situatie is de situatie dat tussen een familielid dat derdelander is en het desbetreffende kind dat Unieburger is een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat.Als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind kan een vreemdeling dus rechtmatig verblijf hebben in Nederland.In paragraaf B10\u002F2.5 van de Vc staat uitgewerkt aan welke voorwaarden moet zijn voldaan:\n\na. de vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken;\n\nb. de vreemdeling moet een kind jonger dan achttien jaar hebben dat in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit;\n\nc. de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en\n\nd. tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.\n\nHet is aan de vreemdeling om met voldoende bewijsstukken aan te tonen dat hij aan deze voorwaarden voldoet. Voor het vaststellen van een recht op Chavez is de periode vanaf het moment van aanvraag tot er een besluit is genomen van belang. In beroep ligt daarom de periode tot het bestreden besluit voor.\n\n7.1.. In de uitspraak van de Afdelingvan 22 juli 2025is geoordeeld over de vraag of de bovengenoemde vereisten uit de Vc cumulatief zijn. De Afdeling komt tot de conclusie dat deze voorwaarden niet cumulatief zijn en dat voor het verkrijgen van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU naast het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding ook moet zijn voldaan aan het vereiste dat de vreemdeling meer dan marginale zorg- en\u002Fof opvoedingstaken verricht, onjuist is. Dat neemt enerzijds niet weg dat een afhankelijkheidsverhouding doorgaans niet goed voorstelbaar is als een vreemdeling niet meer dan marginale zorg- en\u002Fof opvoedingstaken verricht.Anderzijds is het verrichten van meer dan marginale zorg- en\u002Fof opvoedingstaken niet zonder meer voldoende voor het doen ontstaan van een afhankelijkheidsverhouding.\n\n7.2.. Uit het arrest van het Hof van 22 juni 2023, X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, blijkt dat er een ex-nunc toetsing dient plaats te vinden van de feitelijke gezinssituatie en dat het daarbij niet van belang is of (de andere) ouder de dagelijkse daadwerkelijke zorg op zich zou kúnnen nemen.\n\nStandpunt eiser\n\n8. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is en onvoldoende gemotiveerd omdat hetgeen eiser heeft aangevoerd in de procedure onvoldoende bij de besluitvorming is betrokken. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn verklaringen, meerdere verklaringen van de moeder, foto’s met [persoon 1] , screenshots van videobellen, twee verklaringen van de school, een verklaring van de kerk, kopieën van treintickets naar Duitsland en betaalbewijzen vanuit Duitsland, overgelegd. Eiser voert aan dat de minister, gelet op de vrije bewijsleer, heeft nagelaten alle ingebrachte informatie voldoende in onderlinge samenhang te beoordelen. Verder meent eiser dat de minister wel degelijk zo nodig met een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, moeten onderzoeken wat de gevolgen voor [persoon 1] zouden zijn als haar vader hier niet mag blijven.\n\nStandpunt minister\n\n8.1.. De minister heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat eiser onvoldoende met verklaringen en overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan marginale zorgtaken verricht. Dit is volgens de minister slechts in beperkte mate gebleken. Zo ontbreken de bezoeken aan Duitsland in het verleden een aannemelijke en verifieerbare onderbouwing, en zeggen deze bezoeken bovendien niets over eventuele zorgtaken. Ook zijn de verklaringen van eiser, moeder, kerk en leerkracht volgens de minister onvoldoende, nu deze grotendeels op zichzelf staan en ondersteuning ontbreken. De verklaringen bieden bovendien geen inzicht in de vragen sinds wanneer en met welke frequentie deze handelingen hebben plaatsgevonden. Dit geldt ook voor de financiële ondersteuning. De overgelegde foto’s zijn niet gedateerd en betreffen bovendien een momentopname. Volgens de minister zegt dit niets over de feitelijke zorg en opvoedingstaken. Ook heeft eiser geen stukken overgelegd van zijn afspraken met de moeder van [persoon 1] wat betreft de verzorging en opvoeding, zoals een ouderschapsplan of omgangsregeling.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n8.2.. Vooropgesteld is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft nagelaten de belangen van [persoon 1] kenbaar bij de besluitvorming te betrekken en voorop te stellen. In het arrest XU en QP overweegt het Hof:\n\n\"66. Meer in het bijzonder dient met het oog op de beoordeling van het risico dat het betrokken kind, dat Unieburger is, gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten indien aan zijn ouder, die een derdelander is, een afgeleid verblijfsrecht in de betrokken lidstaat werd geweigerd, te worden bepaald of deze ouder de daadwerkelijke zorg voor het kind draagt en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding tussen hen bestaat. In het kader van deze beoordeling dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest\"), waarbij dit artikel moet worden gelezen in samenhang met de verplichting tot inachtneming van het in artikel 24, lid 2, van het Handvest erkende belang van het kind, dat samenvalt met het recht van dit kind om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, zoals neergelegd in artikel 24, lid 3, van het Handvest.”\n\nDe minister heeft niet stilgestaan bij de vragen wat het vertrek van eiser voor [persoon 1] en haar psychische gesteldheid voor de emotionele en\u002Fof fysieke ontwikkeling betekent. De minister had dit als uitgangspunt moeten nemen en, eventueel via de Raad van de Kinderbescherming, het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als zij van eiser zouden worden gescheiden, moeten onderzoeken. Met andere woorden, de minister had actief de gevolgen van de afwijzing van de aanvraag van eiser voor [persoon 1] moeten onderzoeken en betrekken. Artikel 3 van het IVRKen artikel 24 van het Handvestverplichten de minister daartoe. De beroepsgrond slaagt.\n\n8.3.. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser, anders dan de minister stelt, aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan marginale zorg- en\u002Fof opvoedingstaken voor [persoon 1] verricht. Hoewel eiser zijn aanvraag niet heeft onderbouwd met objectieve stukken, overweegt de rechtbank dat de minister in dit geval heeft nagelaten alle relevante informatie in onderlinge samenhang te betrekken en te beoordelen. De minister heeft in zijn besluitvorming niet goed gekeken naar de feitelijke situatie van eiser en [persoon 1] . De rechtbank stelt vast dat eiser van meet af aan consistent heeft verklaard over zijn betrokkenheid bij het leven van zijn dochter. Zo is naar voren gebracht dat hij na de geboorte van zijn dochter in 2015 een jaar in Nederland is gebleven en voor haar heeft gezorgd, en na zijn vertrek in 2016 naar Duitsland zijn dochter hem regelmatig in de zomervakanties heeft bezocht. In 2022 is eiser terug naar Nederland gekomen om bij zijn dochter te zijn. [persoon 1] is meestal elk weekend bij eiser en doordeweeks is er ook regelmatig contact. Eiser heeft met de moeder van [persoon 1] afspraken gemaakt over de verdeling van de zorg. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval van eiser een ouderschapsplan of een omgangsregeling wordt verlangd. Uit de verklaringen van beide ouders en de ter zitting en tijdens de hoorzitting gegeven toelichting blijkt dat zij na het uiteengaan nog steeds in goed onderling contact staan en dergelijke afspraken daarom niet op papier hoeven te worden gezet.\n\n8.4.. De rechtbank overweegt dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting duidelijk naar voren komt dat eiser in de afgelopen jaren een belangrijke rol in het leven van zijn dochter is gaan spelen. Eisers verklaringen zijn niet alleen consistent, maar worden bovendien ondersteund door de ingebrachte stukken en verklaringen van moeder en [persoon 1] . Zo wordt eisers verklaring dat hij [persoon 1] vroeger twee keer per week van school haalde, maar dat zij inmiddels zelfstandig genoeg is om alleen met de metro te gaan, ondersteund door de brieven van de school. Daarin is vermeld dat eiser gedurende groep vier regelmatig zijn dochter kwam ophalen, en dat [persoon 1] in groep vijf zelfstandig met de metro naar school en huis reist. Ook volgt uit deze brieven dat beide ouders nog steeds regelmatig bij schoolactiviteiten aanwezig zijn. Verder blijkt uit de brief van de kerk dat eiser, zoals hij naar voren heeft gebracht, op zondag zijn dochter naar de kerk brengt. Eisers betrokkenheid blijkt bovendien ook uit de grote hoeveelheid foto’s die zijn overgelegd. De verklaringen van [persoon 1] , zoals zij deze in het kindgesprek tegenover de rechtbank heeft gegeven, zijn bovendien in lijn met die informatie. [persoon 1] heeft verklaard dat zij elk weekend bij haar vader is en soms in totaal drie of vier dagen per week bij hem slaapt en verblijft. En als moeder bijvoorbeeld moet werken, dan komt eiser naar het huis van moeder om op [persoon 1] en haar broertjes te letten. [persoon 1] verklaarde dat zij liever vaker bij haar vader zou zijn, en wanneer zij niet samen zijn, zij om de dag appen of bellen. Verder heeft zij aangegeven, en zoals ook door eiser is verklaard, dat haar vader haar helpt met huiswerk, haar naar zwemles heeft gebracht en haar geholpen heeft met fietsen. [persoon 1] krijgt van eiser af en toe zakgeld van vijf of tien euro. Ook verklaarde zij hoe haar vader af en toe op school komt om haar juf of meester te groeten. Eiser heeft in dit verband terecht aangevoerd, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2021, dat de minister in dit geval meer gewicht had moeten toekennen aan de verklaringen van moeder. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [persoon 1] ook veel gewicht in de schaal legt. Dit omdat personen in de omgeving van eiser juist in de positie zijn om te verklaren over de aard en omvang van de zorgtaken die de eiser voor zijn dochter verricht. De minister heeft zich dan ook niet op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van slechts geringe zorg- en opvoedtaken. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser ongeveer de helft van de week zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn dochter. De beroepsgrond slaagt.\n\n8.4.. Met betrekking tot de afhankelijkheidsrelatie overweegt de rechtbank nog het volgende. In het bestreden besluit is ten onrechte overwogen dat de onderzoeksplicht van de minister niet wordt geactiveerd, onder verwijzing naar een drietal uitspraken daterend van 2019 en 2020, omdat eiser de dagelijkse zorg niet zou hebben aangetoond. Dit standpunt kan, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 22 juli 2025, niet langer worden gevolgd, nu niet langer sprake is van cumulatieve vereisten. Daargelaten dit uitgangspunt heeft eiser, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 8.3 en 8.4, de afhankelijkheidsrelatie voldoende aannemelijk gemaakt. De minister heeft zich dan ook niet zonder nader onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat van een dergelijke afhankelijkheidsverhouding geen sprake is.\n\nTen aanzien van de toetsing aan artikel 8 van het EVRM\n\n9. Eiser voert tot slot terecht aan dat de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM ook onzorgvuldig is geweest en ondeugdelijk is gemotiveerd. Zoals uit de voorgaande overwegingen blijkt zijn niet alle relevante feiten en omstandigheden betrokken. Zo zijn de belangen van de kinderen niet vooropgesteld, geïnventariseerd en betrokken. Dat het familieleven met eiser op afstand kan worden voortgezet, zoals de minister in het bestreden besluit stelt, geeft geen blijk van het betrekken van de feitelijke gezinssituatie. Eiser heeft dan ook terecht aangevoerd dat in de belangenafweging ook niet is betrokken dat voor het gezin subjectieve belemmeringen zijn om het familieleven in Ghana uit te oefenen. Daarbij heeft de minister onvoldoende onderkend dat [persoon 1] in Nederland is geboren en getogen, dat de ouders geen relatie (meer) hebben en dat een vertrek van eiser tot gevolg zou hebben dat [persoon 1] wordt gescheiden van de moeder. Ook is niet inzichtelijk betrokken dat de moeder in Nederland werkzaam is en dat de twee minderjarige halfbroers van [persoon 1] , die een andere vader hebben, hier verblijven. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is artikelen 3:2 (zorgvuldigheidsbeginsel) en 7:12 (motiveringsbeginsel) van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen.\n\n11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.\n\n12. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.\n\n13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank,\n\nin de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.10147,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.\n\nDe voorzieningenrechter,\n\nin de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.10149.\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDe rechtbank\u002F voorzieningenrechter,\n\nin alle zaken,\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over het hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\nBijlage: terugkoppeling van de uitspraak aan [persoon 1]\n\nBeste [persoon 1] ,\n\nOp 18 december 2025 hebben wij elkaar gesproken bij de rechtbank. Je hebt mij verteld dat je het oneerlijk vindt dat jouw vader niet in Nederland mag wonen. Je had al een band met jouw vader voordat je überhaupt geboren was. Die band wil jij niet verliezen. Ook heb je mij verteld hoe vaak je papa ziet en wat je dan samen met hem doet. Je hebt verteld dat je blij van papa wordt. Hij betekent voor jou een vriend, maar dan wel familie.\n\nAan het eind van ons gesprek hebben we samen afgesproken wat ik uit ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jou zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik je nu deze brief.\n\nVlak na ons gesprek was de zitting. Ik heb toen met jouw ouders gepraat en de advocaat. Ik heb ook gepraat met de meneer die namens de minister voor Asiel en Migratie kwam. Na de zitting heb ik nagedacht over mijn beslissing. Ik heb gekeken naar het dossier en alles wat op de zitting is gezegd, maar ook wat jij tegen mij hebt gezegd.\n\nJouw vader heeft gevraagd of hij bij jou in Nederland mag blijven. De minister heeft gezegd dat hij dat niet mag. Mijn beslissing is dat de minister nog een keer goed naar jullie situatie moet kijken. Beter naar de band die hij met jou heeft en wat het voor jou betekent om zonder zijn aanwezigheid te leven. De minister moet nog een keer goed kijken naar jullie situatie en een nieuwe beslissing nemen. De minister moet dan rekening houden met mijn aanwijzingen.\n\nMijn beslissing betekent niet dat jouw vader definitief in Nederland mag blijven. De minister\n\nmoet eerst opnieuw naar de situatie kijken en opnieuw een beslissing nemen. Ik heb de\n\nminister daarvoor een termijn van acht weken gegeven. Het is de bedoeling dat jullie binnen\n\ndeze termijn een nieuw besluit krijgen.\n\nAls jouw vader of de minister het niet eens is met mijn beslissing, dan kan die binnen\n\nvier weken in hoger beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nDat is een hogere rechter, die dan nog eens naar de situatie gaat kijken. Als er geen hoger\n\nberoep komt, dan is de rechterlijke procedure na mijn beslissing klaar en moet de minister\n\neen nieuw besluit nemen.\n\nIk vind het heel goed van je dat je bij me langs bent gekomen om mij te vertellen wat jij\n\nervan vindt. Ik hoop dat het zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik deze beslissing\n\nheb genomen.\n\nGroetjes,\n\nDe rechter.\n\n Europese Unie\u002FEuropese Economische Ruimte.\n\n Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017 in de zaak C-133\u002F15, ECLI:EU:C:2017:354.\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Basisregistratie Personen.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zie het arrest Chavez-Vilchez, punt 63, en de daar aangehaalde rechtspraak.\n\n Zie het arrest Chavez-Vilchez, punt 70.\n\n Op grond van artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3344.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:1962, onder 4.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:1821, onder 3.1.\n\n ECLI:EU:C:2023:499.\n\n Onder 52 en 62.\n\n Verdrag inzake de rechten van het kind.\n\n Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2095.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17918","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.263Z",{"id":106,"ecli":107,"slug":108,"caseNumber":109,"courtId":110,"decisionDate":111,"publicationDate":111,"fullText":112,"summary":43,"language":113,"source":114,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":111,"parsedAt":116,"updatedAt":117},"262","ECLI:EU:C:2026:11","ecli-eu-c-2026-11","C-560\u002F24",50,"2026-01-15T00:00:00.000Z","OPINION OF ADVOCATE GENERAL\n\nNORKUS 1 Case C‑560\u002F24 [Besthame ( i )]\n\nR.S.\n\nv\n\nMinister for Justice\n\n(Request for a preliminary ruling from the Court of Appeal (Ireland)) \n\n(Reference for a preliminary ruling – Citizenship of the Union – Right to move and reside freely within the territory of the Member States – Directive 2004\u002F38\u002FEC – Family members of a Union citizen – Derived right of residence – Subsequent naturalisation of the family member – Article 35 – Fraud or abuse of rights and\u002For marriage of convenience)\n\n**I.** **Introduction**\n\n1\\. The legal question raised by the present reference for a preliminary ruling is the following: can the competent authorities of a Member State investigate and, if appropriate, make a determination or reach a conclusion that a person who benefited from a derived right of residence in the past as a family member of a Union citizen, under Directive 2004\u002F38\u002FEC, ( 2 ) committed an abuse of rights or fraud, even though that person has, in the meantime, acquired the nationality of that Member State and his or her residence in the Member State is therefore no longer based on that directive?\n\n2\\. That question is posed by the Court of Appeal (Ireland) in proceedings between R.S. (‘the appellant in the main proceedings’), a naturalised Irish national, and the Minister for Justice (Ireland) (‘the Minister for Justice’) concerning the finding made by the latter that, before acquiring Irish nationality, the appellant in the main proceedings, then a third-country national, had contracted a marriage of convenience with a Union citizen or had provided false or misleading information for the purpose of obtaining a residence card of a family member of a Union citizen.\n\n3\\. Consideration of the question will lead the Court to interpret, for the second time, Article 35 of Directive 2004\u002F38. Although the Court has already made mention of the abuse of rights or fraud inter alia in its case-law on the free movement of persons, ( 3 ) the first reference for a preliminary ruling seeking an interpretation of that article is that which gave rise to the judgment in *McCarthy and Others*. ( 4 ) In that judgment, the Court held that a Member State cannot make the right of entry of a third-country national subject to that national obtaining a visa in advance where he or she holds a residence card of a family member of a Union citizen. It stated that that article does not allow measures which, in pursuit of an objective of general prevention, stop family members from entering the territory of a State without a visa. ( 5 )\n\n4\\. However, the present case gives the Court the opportunity to rule on the interpretation of Article 35 of Directive 2004\u002F38 from a different angle. The interpretation sought by the referring court is concerned not with the determination of an abuse of rights as such, but rather with the applicability of that directive to determine it, as well as with the legal consequences which should be drawn from the finding of the existence of such abuse, which was committed in the past and has been established definitively by the competent authorities of a Member State. In the case in the main proceedings, the referring court has found there to have been a marriage of convenience, and therefore that classification of the marriage is not at issue in the present case.\n\n5\\. In that context, the referring court has doubts as to whether Article 35 of Directive 2004\u002F38 is applicable where the person concerned is no longer a ‘beneficiary’, within the meaning of that directive, in the host Member State of the rights conferred by the directive, and, if so, whether that provision allows the competent authorities to investigate whether a marriage of convenience exists and to find that one exists, without other immediate legal consequences being drawn.\n\n6\\. In the present Opinion, I will propose inter alia that the Court find that the situation in which the person concerned is no longer a ‘beneficiary’, under Directive 2004\u002F38, falls within the scope of that directive.\n\n**II.** **Legal framework**\n\n**A.** **European Union law**\n\n7\\. In the context of the present Opinion, I will refer to recitals 25 and 28 of Directive 2004\u002F38 and to Article 2(1) and (2)(a), Article 3(1), Article 15(1) and (3), Article 30(1) and (3), Article 31(1) and (3), Article 35 and Article 36 of that directive.\n\n**B.** **Irish law**\n\n8\\. Directive 2004\u002F38 was transposed into Irish law by the European Communities (Free Movement of Persons) Regulations 2015 (S.I. No 548 of 2015), in the version thereof applicable to the dispute in the main proceedings (‘the 2015 Regulations’).\n\n9\\. Regulation 27 of the 2015 Regulations, entitled ‘Cessation of entitlements’, provides, in paragraphs 1, 2 and 4 thereof: ‘(1) The Minister may revoke, refuse to make or refuse to grant, as the case may be, any of the following where he or she decides, in accordance with this Regulation, that the right, entitlement or status, as the case may be, concerned is being claimed on the basis of fraud or abuse of rights: … (*b*) a residence card … … (2) Where the Minister suspects, on reasonable grounds, that a right, entitlement or status of being treated as a permitted family member conferred by these Regulations is being claimed, or has been obtained, on the basis of fraud or abuse of rights, he or she shall be entitled to make such enquiries and to obtain such information as is reasonably necessary to investigate the matter. … (4) In this Regulation, “abuse of rights” shall include a marriage of convenience …’\n\n10\\. Regulation 28 of those Regulations, entitled ‘Marriages of convenience’, provides: ‘(1) The Minister, in making his or her determination of any matter relevant to these Regulations, may disregard a particular marriage as a factor bearing on that determination where the Minister deems or determines that marriage to be a marriage of convenience. (2) Where the Minister, in taking into account a marriage for the purpose of making a determination of any matter relevant to these Regulations, has reasonable grounds for considering that the marriage is a marriage of convenience, he or she may send a notice to the parties to the marriage requiring the persons concerned to provide, within the time limit specified in that notice, such information as is reasonably necessary, either in writing or in person, to satisfy the Minister that the marriage is not a marriage of convenience. …’\n\n**III.** **The facts of the dispute in the main proceedings, the question referred for a preliminary ruling and the procedure before the Court**\n\n11\\. R.S., who was born in a third country, entered Ireland in the course of 2002 as the holder of a student residence permit. In 2010, 16 days before the expiry of that residence permit, R.S., then a third-country national, married a Union citizen who had exercised her right to move to and reside in Ireland. He was subsequently issued a five-year residence card as a family member of a Union citizen.\n\n12\\. In 2015, R.S. acquired Irish citizenship. Since then, his residence in Ireland has been based on that citizenship. In 2018, R.S. and his wife divorced. In 2019, a third-country national applied for residence in Ireland on the ground that she was the mother of a child, an Irish citizen, of whom R.S. was the biological father. That application prompted an investigation to determine whether the marriage contracted in 2010 was a marriage of convenience.\n\n13\\. By a decision of 18 December 2019, the Minister for Justice ‘revoked’ the residence card issued in 2010 on the ground that, in support of his residence card application, R.S. had produced misleading documents and that the marriage contracted in 2010 had been a marriage of convenience. Following an application for review submitted by R.S., that decision was upheld by a decision of 8 September 2020.\n\n14\\. On 1 February 2022, the Minister for Justice did, however, adopt a new decision further to correspondence with R.S.’s solicitors. By that decision, she rescinded the decision of 8 September 2020, set aside the decision of 18 December 2019 and found that R.S. had produced false or misleading documents or information and contracted a marriage of convenience to obtain a status or a right to which he would not otherwise have been entitled under Directive 2004\u002F38. The Minister took the view that ‘any entitlement or status conferred under [that] directive from [that] marriage … [is] deemed withdrawn from the outset’.\n\n15\\. R.S. brought before the High Court (Ireland) an application for annulment (*certiorari*) of the three decisions of 8 September 2020, 13 February 2020 and 1 February 2022 on the ground that the Minister for Justice had acted ultra vires. As an Irish citizen, R.S. was no longer covered by any provision of the 2015 Regulations or of Directive 2004\u002F38, which could not therefore authorise the Minister for Justice to adopt those decisions. That action was dismissed by the High Court by a judgment of 18 May 2023.\n\n16\\. R.S. then referred the matter to the Court of Appeal, the referring court.\n\n17\\. That court points out, first and foremost, that the decision of 1 February 2022 must be understood as not entailing the revocation or the refusal of a right of residence, but rather as containing a ‘determination’, a ‘finding’ or a ‘conclusion’ as to a past state of affairs or the past conduct of R.S. It adds that that decision suggests that such a determination or finding is conceivable in the context of a future re-assessment of R.S.’s Irish citizenship status, while acknowledging that any future re-assessment would take account of all circumstances and of R.S.’s fundamental rights. With regard to the re-assessment of R.S.’s Irish citizenship, the referring court explains that, by reason of recent decisions of the Supreme Court (Ireland), there is no constitutional procedure that currently allows an investigation to be conducted with a view to revoking Irish citizenship.\n\n18\\. In view of the arguments raised before it, the referring court asks, in the first place, about the scope of Directive 2004\u002F38 and, in particular, of Article 35 thereof.\n\n19\\. In that regard, whilst noting differences between the circumstances of the present case and those of the case which gave rise to the judgment in *Lounes* , ( 6 ) the referring court considers that it could be inferred from that judgment that Directive 2004\u002F38 ceases to apply to a third-country national who is a family member of a Union citizen once that national acquires the citizenship of the host Member State and, as a result, no longer satisfies the definition of a ‘beneficiary’ within the meaning of Article 3(1) of that directive. That said, in the judgment in *Chenchooliah* , ( 7 ) the Court held that that directive was applicable to a decision to expel a third-country national who resided in the host Member State as a family member of a Union citizen, even though that third-country national was no longer a ‘beneficiary’ within the meaning of Article 3(1) of the same directive.\n\n20\\. The referring court wonders whether, by analogy, Directive 2004\u002F38 continues to govern the situation in which the competent authority of a Member State is seeking to determine whether a person initially obtained, by an abuse of rights or fraud, the benefit of a right of residence on the basis of that directive, at a time when that person is no longer a ‘beneficiary’ within the meaning of Article 3(1) of that directive.\n\n21\\. In the second place, the referring court observes that Regulation 27(1) and (2) of the 2015 Regulations authorises the Minister for Justice, first, to revoke, refuse to make or refuse to grant a residence card applied for on the basis of a fraud or an abuse of rights and, second, to investigate the suspected fraud or abuse of rights. Whilst the revocation cannot have retroactive effect, the investigation could cover both current or pending residence card applications as well as residence cards obtained in the past. However, the question arises as to whether the power of investigation can be exercised autonomously, outside any specific action such as the revocation or the refusal of a right of residence, a prosecution for a criminal offence, an expulsion procedure or a procedure for revocation of Irish citizenship.\n\n22\\. In the referring court’s view, such an autonomous power may be implicitly contained in Regulation 27(2) of the 2015 Regulations. It may be justified in the light of the purpose and of the context of those regulations taken as a whole, including the rules governing citizenship of the Union, which require that there be a robust system for the prevention, detection and eradication of fraud and abuses of rights. To be able, if appropriate, to interpret Regulation 27(2) of the 2015 Regulations in a manner consistent with EU law, that court considers it necessary to determine whether Directive 2004\u002F38 applies to a naturalised national of a Member State solely in so far as that directive authorises that Member State to investigate a marriage of convenience entered into at a time when that national enjoyed a right of residence in the Member State under that directive.\n\n23\\. It is in those circumstances that the Court of Appeal, by order of 2 July 2024, received at the Registry of the Court of Justice on 19 August 2024, decided to stay the proceedings and to refer the following question to the Court of Justice for a preliminary ruling: ‘Does Directive [2004\u002F38] apply to a person who previously obtained the benefit of [a] derived [right of] residence in a Member State by virtue of being a spouse of an EU national exercising Treaty rights in the host State but who has more recently become a citizen in the host State and is no longer the beneficiary of any derived benefit in the host State under the directive, solely for the purpose of investigating and (if appropriate) making a determination or reaching a conclusion that he [or she] engaged in a fraud or abuse of rights and\u002For a marriage of convenience in the past within the meaning of Article 35 of the directive in order to obtain a benefit under the directive?’\n\n24\\. Written observations were submitted by R.S., the Minister for Justice, Ireland, the German Government and the European Commission. Oral argument was presented at the hearing of 15 October 2025 on behalf of R.S., Ireland, the German Government and the Commission.\n\n**IV.** **Analysis**\n\n25\\. By its single question, the referring court asks, in essence, whether Article 35 of Directive 2004\u002F38 must be interpreted as allowing the competent national authorities to investigate and, if appropriate, make a determination or reach a conclusion that a person who previously benefited from a derived right to move freely under that directive committed a fraud or an abuse of rights, where the residence of that person in the Member State concerned is no longer based on that directive, including where he or she has in the meantime acquired the nationality of that Member State. ( 8 )\n\n26\\. In their written and oral submissions, the parties to the main proceedings and the interested parties disagree as to the interpretation of Article 35 of Directive 2004\u002F38.\n\n27\\. Generally speaking, the appellant in the main proceedings and the German Government have doubts that that directive is applicable to a person who has benefited in a Member State, as a third-country national, from a derived right of residence as the spouse of a migrant Union citizen, where that person has since then acquired the nationality of the host Member State. They are of the view, in essence, that such a person is no longer covered by the concept of a ‘beneficiary’ within the meaning of Article 3(1) of Directive 2004\u002F38, with the result that that directive no longer applies to him or her. In particular, the German Government takes the view that the determination of the existence of an abuse of rights or a fraud falls within the scope of national law. They therefore propose that the question put by the referring court be answered in the negative. By contrast, the Minister for Justice, Ireland and the Commission argue that Article 35 of Directive 2004\u002F38 is applicable in the present case. They all argue, inter alia, that that provision is an expression of the general principle that abuse of rights is prohibited. They therefore propose that the question referred for a preliminary ruling be answered in the affirmative.\n\n28\\. In order to answer the referring court’s questions, I will begin my analysis with some general considerations (Section A). I will continue by dispelling any doubts as to the applicability of Directive 2004\u002F38 and, in particular, of Article 35 thereof to the situation at issue in the main proceedings (Section B), and conclude by examining the scope of the powers conferred on Member States by that provision (Section C).\n\n**A.** **Some general considerations on the applicability of Directive 2004\u002F38**\n\n29\\. It should be recalled from the outset that, as may be seen from recitals 3 and 4 of Directive 2004\u002F38, that directive aims to facilitate the exercise of the primary and individual right to move and reside freely within the territory of the Member States that is conferred directly on Union citizens by Article 21(1) TFEU, and that it aims in particular to strengthen that right. ( 9 ) Recital 5 of Directive 2004\u002F38 states that the right should, if it is to be exercised under objective conditions of dignity, also be granted to the family members of those citizens, irrespective of nationality. ( 10 ) However, according to settled case-law of the Court, Directive 2004\u002F38 does not confer any autonomous right on family members of a Union citizen who are third-country nationals. Thus, any rights that may be conferred on those nationals by that directive are derived from the rights which the Union citizen concerned enjoys as a result of having exercised his or her freedom of movement. ( 11 ) The Court has repeatedly held that, pursuant to Article 3(1) of Directive 2004\u002F38, Union citizens who move to or reside in a Member State other than that of which they are a national, and their family members as defined in Article 2(2) of that directive who accompany or join them, fall within the scope of the directive *and* are beneficiaries of the rights conferred by it. ( 12 )\n\n30\\. In the present case, given that, following his marriage in 2010 to a national of a Member State residing in Ireland, the appellant in the main proceedings resided in that Member State as the spouse of a Union citizen who had exercised her freedom to move to and reside in a Member State other than that of which she is a national, it is established that *he benefited* from a derived right of residence, under Directive 2004\u002F38, *and fell with the scope* of that directive. However, it is apparent from the order for reference that, in 2015, he acquired Irish nationality and, as a result, has since then resided in Ireland as an Irish national. A few years later, in 2018, the couple divorced. It is therefore quite clear that, since that directive governs only the conditions of entry and of residence of a Union citizen and his or her family members in the host Member State, the appellant in the main proceedings no longer satisfies the definition of a ‘beneficiary’ of the directive within the meaning of Article 3(1) thereof. ( 13 )\n\n31\\. It follows from the foregoing that when he acquired the rights conferred by Directive 2004\u002F38 and over the period to which the investigation into the existence of a marriage of convenience related, that is to say, between 2010 and 2015, the appellant in the main proceedings had the status of a beneficiary of that directive, ( 14 ) as the spouse of a Union citizen who had exercised her freedom of movement by moving to and residing in a Member State other than that of which she was a national. However, by virtue of his naturalisation by Ireland in the course of 2015, ( 15 ) his legal status changed under both national law and that directive, with the result that, in accordance with the judgment in *Lounes* , ( 16 ) when that investigation was opened in 2019, the same directive no longer governed his residence in that Member State. ( 17 )\n\n32\\. Accordingly, must the view be taken that, since the appellant in the main proceedings is no longer a ‘beneficiary’ of the *derived rights of entry and of residence* in the host Member State, within the meaning of Article 3(1) of Directive 2004\u002F38, that directive is no longer applicable?\n\n33\\. I do not believe so.\n\n34\\. As I will demonstrate in what follows, the loss of the status of a beneficiary within the meaning of Article 3(1) of Directive 2004\u002F38 does not presuppose that that directive ceases to apply where, as in the present case, the competent national authorities find there to have been abuse or fraud of the rules laid down in that directive which was *committed when* the appellant in the main proceedings had the status of beneficiary. In that regard, it should be observed that the Court has taken care to mark a distinction between the scope of the directive and the status of beneficiary under that provision. ( 18 ) It therefore follows, in my view, that whilst Union citizens and their family members who exercise the rights conferred by Directive 2004\u002F38 fall within the scope of that directive *and* are beneficiaries of it, within the meaning of the abovementioned provision, persons who no longer exercise those rights because they have lost their status of beneficiaries may, nevertheless, continue to fall within the scope of the directive since, as I will demonstrate in the following points of the present Opinion, that directive contains provisions the application of which is not conditional upon the person concerned having that status at the time of their application. ( 19 )\n\n35\\. That being said, in the following points, I will focus my examination on whether Directive 2004\u002F38, in particular Article 35 thereof, is applicable in the present case.\n\n**B.** **The applicability of Article 35 of Directive 2004\u002F38**\n\n36\\. In order to determine whether Article 35 of Directive 2004\u002F38 is applicable in the present case, it is necessary to determine its scope *ratione temporis* , that is to say, to ascertain whether that provision applies when the person concerned had, in the past, the status of beneficiary under that directive, within the meaning of Article 3(1) thereof, but had already lost that status at the time when the former provision is said to apply.\n\n37\\. According to settled case-law, in interpreting a provision of EU law, it is necessary to consider not only its wording, but also the context in which it occurs and the objectives pursued by the rules of which it is part. ( 20 ) The origins of a provision of EU law may also provide information relevant to its interpretation. ( 21 ) With that in mind, I will undertake a literal, contextual and teleological interpretation of that provision.\n\n*1.*  *Literal interpretation*\n\n38\\. It should be recalled, at the outset, that Article 35 of Directive 2004\u002F38, entitled ‘Abuse of rights’, provides that ‘Member States may adopt the necessary measures to refuse, terminate or withdraw any right conferred by [that] Directive in the case of abuse of rights or fraud, such as marriages of convenience. Any such measure shall be proportionate and subject to the procedural safeguards provided for in Articles 30 and 31.’\n\n39\\. I note, first, that there is nothing in the wording of that provision to support the view that, by the provision, the EU legislature intended to impose a time limit on the possibility for Member States to adopt ‘the necessary measures to refuse, terminate or withdraw any right conferred by [the] Directive in the case of abuse of rights or fraud’. ( 22 ) In other words, that wording does not state that a Member State is required to adopt only ‘the necessary measures’ in connection with a right that currently has legal effects under Directive 2004\u002F38. Providing for such a time limit would amount, in practice, to imposing an additional element not laid down in the wording of that provision. On the contrary, the absence of such a time limit means that that possibility is therefore understood to be an option for Member States to adopt such measures, irrespective of whether the person concerned is exercising or has exercised a right conferred on the basis of Directive 2004\u002F38.\n\n40\\. Second, it is apparent from the wording of Article 35 of Directive 2004\u002F38, which uses the past participle ‘conferred’, that the EU legislature is referring, inter alia, to the rights of which the person concerned is or has been a beneficiary under that directive. ( 23 )\n\n41\\. Third, I note that the use in that provision of the verb ‘refuse’ includes the refusal to grant entry to or residence in the host Member State to the persons covered by Article 3(1) of Directive 2004\u002F38, where those persons acquired the rights conferred by that directive by an abuse of rights or by fraud, and did not therefore satisfy the conditions to be beneficiaries of such rights under the directive. ( 24 ) Consequently, what is at issue here is a (potential) future right of entry or of residence which has not yet arisen, since that person does not satisfy the conditions required by Directive 2004\u002F38 to have the status of ‘beneficiary’ within the meaning of that provision.\n\n42\\. Fourth, I note that the use of the verbs ‘terminate’ and ‘withdraw’ in Article 35 of Directive 2004\u002F38 suggests that that provision covers the termination or the withdrawal of a right conferred by that directive, irrespective of whether or not the effects of that right have been exhausted. ( 25 ) Those two verbs can therefore be retroactive in nature in so far as they may entail the evaporation of both certain future effects and also certain past effects of such a right. ( 26 ) The use of two separate verbs appears, in principle, to reflect the intention of the EU legislature to cover both national measures that allow a right to be terminated *ex nunc* (such as inter alia the termination of a residence card) or to be withdrawn *ex tunc*. ( 27 )\n\n43\\. Therefore, it follows from that interpretation that the choice made by the EU legislature to use the words ‘refuse, terminate or withdraw any right conferred by [that directive]’ clearly expresses the intention to *cover* the right of entry or residence at issue *with regard to its timing* (future, current or past) where that right is ‘conferred by [the directive]’, thus supporting the view that that same directive is applicable regardless of the fact that that right is no longer being exercised.\n\n44\\. I am therefore of the view that the wording of Article 35 of Directive 2004\u002F38 means that that provision must be regarded as being applicable to measures adopted in respect of a right conferred by that directive over a period during which the person holding that right was the ‘beneficiary’, within the meaning of the directive, irrespective of the current position of the person concerned.\n\n45\\. It is, however, necessary to examine whether or not the normative context in which Article 35 of Directive 2004\u002F38 occurs corroborates that interpretation.\n\n*2.*  *Contextual interpretation*\n\n*(a)*  *Internal or schematic interpretation*\n\n46\\. With regard to the context in which Article 35 of Directive 2004\u002F38 occurs, I note, in the first place, that the interpretation set out in the preceding points is not invalidated by the wording of recital 28 of that directive, under which, ‘to guard against abuse of rights or fraud, notably marriages of convenience or any other form of relationships contracted for the sole purpose of enjoying the right of free movement and residence, Member States should have the possibility to adopt the necessary measures.’ The broad wording of that recital, like that of Article 35, does not lay down any time limit for the adoption of such measures by Member States. In that regard, I note that the wording of recital 28 refers to ‘marriages of convenience or [to] any other form of relationships contracted’, thus suggesting that the measures which Member States ‘should have the possibility to adopt’ under Article 35 may be retroactive in nature, since such marriages or relationships have in the majority of cases already taken place when that provision may be applied.\n\n47\\. In the second place, I note that Article 1 of Directive 2004\u002F38, entitled ‘Subject’, provides under point (a) that that directive, inter alia, lays down ‘the conditions governing the exercise of the right of free movement and residence within the territory of the Member States by Union citizens and their family members’. Therefore, since Article 35 of Directive 2004\u002F38 applies to the situations in which the conditions governing the exercise of the right of free movement and residence laid down by that directive *were met only formally, such that those conditions were not respected* , Article 35 of that directive falls within the scope of Article 1 thereof.\n\n48\\. In that regard, as is apparent from the scheme of Directive 2004\u002F38, in particular from Chapters II to IV on the conditions governing the exercise of the rights of residence laid down therein, that directive introduces a system that covers the development of the situation of Union citizens and their family members in the host Member State as well as that of the rights that the same directive confers on them, from the time of their arrival in a Member State other than that of which they are a national until their departure from that Member State. ( 28 ) That system encompasses both the different stages of the exercise of the freedom of movement by a citizen and his or her family members (entry, residence or departure) and the rights of which those persons are beneficiaries and which correspond to each of the stages concerned (right of entry, right of residence, right to retain the right of residence or right of exit). Thus, if, *at a particular time* (including, in the present case, *the time at which the right in question is improperly acquired*), the Union citizen and\u002For his or her family members no longer satisfy the conditions laid down in Directive 2004\u002F38, entailing the loss (even the retroactive loss) of their status as ‘beneficiaries’ within the meaning of Article 3(1) thereof and, therefore, of their rights of entry to and of residence in the host Member State, this does not mean however that other provisions of that directive are not applicable to them. ( 29 )\n\n49\\. In that developing context of the concept of ‘beneficiary’ within the meaning of Article 3(1) of Directive 2004\u002F38, I consider it important to note that Article 35 thereof concerns a right of movement and of residence which has been exercised for a certain period of time, a right from which the person concerned should never have benefited under that directive since he or she only artificially satisfied the conditions to which the exercise of that right is subject. ( 30 ) As the Commission has observed, Article 35 of Directive 2004\u002F38 is applicable to *legal situations arising at the time the right conferred by that directive is obtained* so that such situations may be characterised in the light of the practices or the facts which prove that that right was acquired improperly, ( 31 ) even if the person concerned is no longer exercising that right and no longer has the status of ‘beneficiary’ within the meaning of Article 3(1) thereof.\n\n50\\. In the third and final place, I would add that the ‘Final provisions’ contained in Chapter VII of Directive 2004\u002F38, of which Article 35 forms an integral part, concern the effective implementation of that directive in its entirety. ( 32 ) Without even having to examine those provisions in detail, I note, in particular, that it follows from the inclusion of Articles 35 and 36 of the directive in Chapter VII thereof that they are horizontal provisions relating, respectively, to the power of Member States and to the obligation on Member States to adopt measures in case of infringement of the provisions of the directive. ( 33 )\n\n51\\. It is true that, unlike Article 35, Article 36 concerns Union citizens and their family members who, in principle, lawfully exercise the rights conferred on them by Directive 2004\u002F38, but who have failed to comply with certain administrative formalities laid down therein. ( 34 ) In addition, the measures set out in those two provisions are different in nature: individual or specific measures on the one hand, and general measures on the other. ( 35 ) However, despite those differences, I see no reason why those two provisions are not applicable to cases where the person concerned is no longer a beneficiary of the directive. On the contrary, as I have noted, those two provisions fall within the scope of other provisions of that directive. ( 36 ) To hold otherwise would mean that neither the measures referred to in Article 35 nor the sanctions adopted by Member States pursuant to Article 36 could be applied to a person who no longer benefits from the rights conferred by Directive 2004\u002F38, even though an abuse of rights or a failure to fulfil the obligations imposed by that directive did occur when those rights were acquired or exercised, which would render those provisions meaningless.\n\n*(b)*  *External interpretation or travaux préparatoires*\n\n52\\. I note that in the *travaux préparatoires* for Directive 2004\u002F38, Article 35 was not included in the Commission’s initial proposal. ( 37 ) That article was introduced by the Council ‘in order to clarify that Member States *may* refuse, terminate or withdraw *any right conferred* by [that directive] in the case of abuse of rights or fraud’. ( 38 ) This confirms the intention of the EU legislature, as is apparent from recital 28 of the directive, to *allow* Member States ‘to adopt the necessary measures’‘to guard against abuse of rights or fraud, notably marriages of convenience’, regardless of the current position of the person concerned who is benefiting or has benefited from a right conferred by that directive.\n\n53\\. This is likewise borne out by the Commission’s non-binding guidelines of 2009 ( 39 ) and of 2023, ( 40 ) which refer to the possibility for Member States to adopt the necessary measures in cases of abuse or fraud, under Article 35 of Directive 2004\u002F38, ‘at any point [in] time’, whether in the context of ‘the refusal to confer’ the rights afforded by that directive or ‘the termination or withdrawal’ of such rights. ( 41 )\n\n54\\. Accordingly, the literal interpretation outlined in point 44 of the present Opinion, namely that Article 35 of Directive 2004\u002F38 is applicable to a situation such as that in the main proceedings, is supported by the normative context and the scheme of that directive in which that provision appears.\n\n55\\. That being said, the referring court also asks whether it is possible to rely, by analogy, on the guidance provided in the judgment in *Chenchooliah* ( 42 ) in order to hold that Article 35 of Directive 2004\u002F38 is applicable to a situation such as that at issue in the main proceedings. It is to that question which I will now turn.\n\n*(c)*  *The lessons to be learned from the case-law deriving from the judgment in Chenchooliah*\n\n56\\. In that judgment, the Court observed, first, that the concept of ‘beneficiary’ within the meaning of Article 3(1) of Directive 2004\u002F38 is a ‘dynamic’ concept in that, even though acquired in the past, the status of beneficiary may subsequently be forfeited if the requirements laid down by that provision are no longer met. ( 43 ) Second, the Court stated that that directive does not contain only rules governing the conditions under which one of the various types of residence rights it makes provision for may be obtained and the conditions to be met in order to be able to continue to enjoy the rights concerned. ( 44 ) It added that the directive also lays down a set of rules intended to govern the situation arising in which entitlement to one of those rights is lost, inter alia where the Union citizen leaves the host Member State. ( 45 )\n\n57\\. In that context, the Court, first, found that, in a situation in which a Union citizen returned to the Member State of which he or she is a national and therefore no longer exercises, in the host Member State, his or her right of free movement under EU law, the third-country national, who is the spouse of that Union citizen, no longer has the status of ‘beneficiary’ within the meaning of Article 3(1) of that directive, where that spouse remains in the host Member State and no longer resides with his or her spouse. ( 46 ) Second, the Court ruled that, even though the effect of the loss of that status is that the third-country national concerned no longer has the rights of movement and residence in the territory of the host Member State which that national held for a certain period of time, as he or she no longer meets the requirements to which those rights are subject, that loss does not mean, however, that Directive 2004\u002F38 is no longer applicable where the host Member State takes a decision to expel that person on such a ground. ( 47 )\n\n58\\. It is true that, in paragraph 64 of the judgment in *Chenchooliah* , the Court recalled, relying on paragraph 95 of the judgment in *Metock* , that ‘from the time when a third-country national who is a family member of a Union citizen derives rights of entry and residence in the host Member State from Directive 2004\u002F38, that State may restrict those rights only in compliance with Articles 27 and 35 of the directive’. However, in paragraph 67 of the judgment in *Chenchooliah* , it took the view that the lessons to be drawn from paragraph 95 of the judgment in *Metock* were not applicable to the situation at issue in the main proceedings in the case which gave rise to the judgment in *Chenchooliah* , in which the third-country national was no longer a beneficiary of that directive. ( 48 )\n\n59\\. I do not believe that that statement by the Court can be interpreted as meaning that it sought to link the application of Article 35 of Directive 2004\u002F38 to the period during which the person concerned is a ‘beneficiary’, within the meaning of Article 3(1) thereof. I understand that paragraph rather to mean that the Court simply drew a distinction between the situations at the origin of those two judgments: in the first situation at issue, in the case which gave rise to the judgment in *Metock* , the third-country national concerned benefited from a (current) derived right of residence ( 49 ) in the host Member State, within the meaning of the directive, whereas in the second situation at issue, in the case which gave rise to the judgment in *Chenchooliah* , the third-country national concerned had lost that (past) derived right. ( 50 ) Accordingly, since the two situations were different, the question remained as to whether the loss of the status of ‘beneficiary’ within the meaning of Article 3(1) of Directive 2004\u002F38 meant that an expulsion decision, taken essentially on the ground that that national had been refused a derived right of residence under that directive, was governed not by that directive, but by the national law applicable outside its scope. ( 51 )\n\n60\\. As I have just set out above, the Court held, in paragraph 69 of the judgment in *Chenchooliah* , that that question had to be answered in the negative, whilst – in paragraph 79 of the judgment – isolating the status of ‘beneficiary’ within the meaning of the abovementioned provision from the applicability of other provisions of Directive 2004\u002F38, namely, inter alia, Article 15 thereof. ( 52 )\n\n61\\. In that context, the question arises whether the lessons from that case-law support my contextual and schematic interpretation of Article 35 of that directive.\n\n62\\. In that regard, it should be observed, as the Court noted in paragraph 70 of the judgment in *Chenchooliah* , that Directive 2004\u002F38 ‘does not contain only rules governing the conditions under which one of the various types of residence rights it makes provision for may be obtained and the conditions to be met in order to be able to continue to enjoy the rights concerned’, ( 53 ) but also lays down ‘a set of rules intended to govern the situation arising in which entitlement to one of those rights is lost, inter alia where the Union citizen leaves the host Member State’ (emphasis added).\n\n63\\. It follows from the use of the words ‘inter alia’ in paragraph 70 of the judgment in *Chenchooliah* that ‘the set of rules’ laid down in Directive 2004\u002F38 and ‘intended to govern the situation arising in which entitlement to one of those rights is lost’ is by no means restricted to in a situation in which the Union citizen and\u002For his or her family members leave(s) the host Member State. It is sufficient to recall that, in the context and the scheme of that directive, the legal situations arising when the right conferred by the directive is obtained can evolve up until when they cease to exist *for reasons other than the departure of the beneficiary* of the directive, and inter alia on account of the naturalisation of the person concerned by the host Member State. Such legal situations can also cease to exist in the light of circumstances which prove that that right was acquired improperly or fraudulently, entailing their termination or withdrawal.\n\n64\\. It is therefore arguable that the finding, made by a national authority, of the existence of a marriage of convenience could entail, inter alia, the ‘formal and retroactive withdrawal’ of the derived rights which a third-country national in reality improperly or fraudulently derived from Directive 2004\u002F38, thus entailing the ‘retroactive loss’ of the ‘formal’ benefit of those rights, regardless of whether, as in the present case, those rights were exercised in the past, they are still being exercised or they may be exercised in the future. ( 54 )\n\n65\\. It therefore follows that it is possible to rely, by analogy, on the guidance provided in the judgment in *Chenchooliah* to take the view that Article 35 of Directive 2004\u002F38 is applicable to a situation such as that at issue in the main proceedings.\n\n*3.*  *Teleological interpretation*\n\n66\\. I would point out, in the first place, that, in view of *the objective* pursued by Directive 2004\u002F38, namely that of facilitating the exercise of the primary and individual right to move and reside freely within the territory of the Member States that is conferred directly on Union citizens by Article 21(1) TFEU, ( 55 ) its provisions cannot be interpreted narrowly and must not, in any case, be deprived of a large proportion of their content or their effectiveness. Thus, in so far as Article 35 of Directive 2004\u002F38 allows Member States to restrict the rights of Union citizens and their family members to move and reside freely within the territory of the Member States, that provision makes reference to the procedural safeguards laid down in that directive to ensure a high level of protection. ( 56 ) Accordingly, contrary to what the German Government claims, a restrictive interpretation of that provision would render those procedural safeguards meaningless, thus denying that protection to persons accused of improper or fraudulent conduct, whereas those safeguards are specifically intended to ensure the effectiveness of those rights and, therefore, contribute to the objective of that directive.\n\n67\\. To argue the contrary and take the view that Article 35 of Directive 2004\u002F38 is not applicable where a Union citizen and his or her family members no longer have the status of beneficiaries of that directive would amount, contrary to the will of the EU legislature, first, to disregarding the requirement of proportionality in the adoption of the ‘necessary measures’, as set out in that article, and, second, to infringing Articles 30 and 31 of that directive on the notification of decisions and the access to judicial and administrative redress procedures. Neither the general principle of the proportionality of EU law nor the latter two provisions would apply to the persons concerned, even though the procedural safeguards laid down in those provisions (the objective of which, as I have just noted, is to ensure that the rights conferred by that directive remain effective) were conceived to protect the persons concerned specifically *when those persons forfeit rights* on grounds of public order, public security, public health *or on other grounds* , and are intended inter alia to govern any expulsion measures. ( 57 )\n\n68\\. Therefore, to ensure the effectiveness of Directive 2004\u002F38 and of the rights conferred by it, it must be possible for a person accused of improper or fraudulent conduct to contest that accusation and to be able to defend himself or herself, by availing himself or herself of effective procedural remedies, which also follows from the right to effective judicial protection guaranteed by the first paragraph of Article 47 of the Charter of Fundamental Rights of the European Union. ( 58 )\n\n69\\. With regard, in the second place, to *the purpose* of Article 35 of Directive 2004\u002F38, I must observe, as the Commission noted in its written observations, that it may be that conduct constituting an ‘abuse of rights’ is not apparent when the abuse is committed but comes to light subsequently. The improper nature of a marriage of convenience is detected only after evidence regarding the formally married couple has been collected. ( 59 ) Therefore, an interpretation to the effect that the application of Article 35 is limited to the period during which the person is still a beneficiary of a derived right conferred by that directive would amount to excluding from the scope of that provision a situation such as that at issue in the main proceedings in which the marriage of convenience has gone undetected for a sufficiently long period of time, thus rendering the purpose of the provision redundant.\n\n70\\. In addition, it should be observed that that provision expresses the general principle of EU law that abuse of rights is prohibited. Accordingly, the concept of a ‘marriage of convenience’ must be interpreted in the light of that principle. I will address this point in the next section.\n\n71\\. It follows that the teleological interpretation of Directive 2004\u002F38 argues in favour of the applicability of Article 35.\n\n**C.** **Combating the abuse of rights in the context of Article 35 of Directive 2004\u002F38**\n\n*1.*  *The objections put forward by the German Government*\n\n72\\. As I have already mentioned, the German Government is of the view that Article 35 of Directive 2004\u002F38 is not applicable in the present case. More specifically, it argued in its written observations that the subsequent review of the improper or fraudulent acquisition of a right of residence conferred by that directive falls within the scope of national law, in accordance with the procedural autonomy of the Member States.\n\n73\\. I disagree with that view.\n\n74\\. In the first place, whilst it is indeed true that combating the abuse of rights is a matter for both EU law and national laws, the fact remains that the improper or fraudulent use of the EU legal system must be examined within the framework of that system, in order, inter alia, as the Commission rightly pointed out, to ensure the ‘uniform application’ of the provisions of EU law. ( 60 ) More specifically, I would point out that, in accordance with settled case-law of the Court, Directive 2004\u002F38 does not deny the Member States any power of review over the entry into and residence in their territory of the family members of EU citizens. However, since a family member of a Union citizen who is not a national of a Member State derives rights of entry and of residence from Directive 2004\u002F38 in the host Member State, the latter may restrict those rights only in compliance with Articles 27 and 35 thereof. ( 61 )\n\n75\\. It follows that taking the view, as the German Government does, that the subsequent review of the improper or fraudulent acquisition of a right of movement and of residence under Directive 2004\u002F38 falls within the scope of national law would mean, first, ignoring *when the right conferred* by that directive *was originally acquired* and, therefore, disregarding a key element, namely *the EU legal framework which determined the acquisition of that right*. Such disregard would be contrary, inter alia, to the general principle of legal certainty inherent in the EU legal order. It would be contrary to that principle to accept the approach under which the acquisition of the rights conferred by that directive is subject to EU law, whereas the determination of the abusive nature of their acquisition is governed by national law. Second, such an approach would amount to accepting that each Member State can apply its own criteria to determine whether or not there is an abuse of the rights conferred by the directive, thus undermining the effectiveness of EU law. Directive 2004\u002F38 must therefore apply when examining any improper use of that directive.\n\n76\\. In the second place, as I have just noted above, Article 35 of Directive 2004\u002F38 gives concrete expression to the general principle of EU law that abuse of rights is prohibited. That principle seeks to guarantee the effectiveness of the fight against abusive practices. ( 62 ) In that context, although Article 35 of that directive does not define the concept of an ‘abuse of rights’, it should be recalled that it is an autonomous concept of EU law on which the Court has already had occasion to give rulings. Thus, the Court has clarified that proof of an abuse requires, first, *a combination of objective circumstances* in which, despite formal observance of the conditions laid down by EU rules, the purpose of those rules has not been achieved and, second, *a subjective element* consisting in the intention to obtain an advantage from the EU rules by artificially creating the conditions laid down for obtaining it. ( 63 ) The objective and subjective cumulative conditions for abuse, formulated by the Court in its case-law, allow, in particular, a distinction to be drawn, significantly, between *the lawful use* and *the improper use* of the rights conferred by the directive. ( 64 ) Within the context of that concept, and in the light of recital 28, marriages of convenience can be defined for the purpose of that directive as a marriage contracted, first, without a genuine relationship between the parties, that relationship being purely artificial, and, second, with the sole aim of one spouse benefiting from the right to move and reside freely conferred on Union citizens and their family members by EU law which he or she would not otherwise enjoy. ( 65 ) However, it is important to note that the fact that two people may derive a certain advantage from their genuine marriage, such as, in particular, a right of residence, does not necessarily mean that that marriage is a marriage of convenience and that there has therefore been an abuse of rights. ( 66 )\n\n77\\. That being said, the question remains as to the scope of the powers of review conferred on Member States by Article 35 of Directive 2004\u002F38.\n\n*2.*  *The scope of the powers of review conferred on Member States by Article 35*\n\n78\\. At this stage of my analysis, the answer to the question put by the referring court is therefore partially clear. Article 35 of Directive 2004\u002F38 must be interpreted as allowing Member States to revoke, withdraw or terminate, including retroactively, a right of residence conferred by that directive even though that right has already ceased to produce effects.\n\n79\\. Furthermore, I note that the rights conferred by Directive 2004\u002F38, which were acquired improperly but have ceased to be exercised by the person holding them for some time (here: for a period of at least five years), not only could have produced legal effects in the past but may still continue to have such effects (currently and in the future). If a right conferred by that directive is deemed to have been previously acquired improperly, the national authorities are permitted, pursuant to Article 35 thereof, to adopt the necessary measures to prevent an earlier abuse of rights from serving as the basis for obtaining additional current or future rights. Thus, even if that right of residence is no longer being exercised, which is the case here, *a formal withdrawal* of that right could potentially allow the national authorities to rectify the derived legal effects of that right. ( 67 )\n\n80\\. In that connection, with regard to the discretion enjoyed by Member States in exercising that power of review, it should be observed that it is apparent from the wording of Article 35 of Directive 2004\u002F38 that, by using the verb ‘may’, that provision simply authorises Member States to adopt some or all of the measures mentioned therein, namely to refuse, terminate *or* withdraw a right conferred by that directive. However, nothing in the wording of that provision can be interpreted as indicating that Member States are obliged to adopt one, more or all of the measures set out. It is apparent from the words ‘necessary measures’ contained in the same provision that Member States have some leeway in determining which measures are essential, having regard to the specific abusive practices which constituted the abuse complained of. Thus, the national authorities may find, on an individual and case-by-case basis, that there is an abuse of rights, provided that the measures which they will adopt comply with the general principle of proportionality (suitability, necessity and proportionality *stricto sensu*) and are subject to the procedural safeguards provided for in the directive.\n\n81\\. That said, by its question referred for a preliminary ruling, the referring court still seeks to ascertain whether Article 35 of Directive 2004\u002F38 allows the competent national authorities to investigate a marriage of convenience and, if appropriate, make a determination or reach a conclusion as to the existence of such a marriage.\n\n82\\. In the first place, it should be observed that the implementation of the ‘necessary measures’ set out in Article 35 of Directive 2004\u002F38 necessarily means that Member States have a *power to investigate* an abuse of rights which may legitimately be suspected to have occurred when the right conferred by that directive was acquired. ( 68 ) More specifically, as the Commission argues, that power of investigation allows the national authorities, first, to assess and determine the facts and, second, potentially to classify as abusive for the purposes of that provision, in the light of those facts, the legal situations arising when that right was acquired. It is true that although the existence of an abuse of rights does not constitute *stricto sensu* a measure refusing, terminating or withdrawing a right conferred by the directive, that finding is, however, a necessary stage prior to the adoption of any measure set out in that provision, including, logically, even where that right has already ceased to produce effects. Accordingly, as the Minister for Justice, Ireland and the Commission contend, the power to investigate is an autonomous power of the Member States which may lead to the finding of an abuse of rights or fraud. It therefore falls within the scope of the Member States’ procedural autonomy and must comply with the principles of equivalence and effectiveness, as well as with Articles 7 and 9 of the Charter of Fundamental Rights of the European Union.\n\n83\\. In the second place, I must add, as the parties discussed at the hearing, that a *time limit* on the possibility, for the Member States, to adopt measures pursuant to Article 35 of Directive 2004\u002F38 also falls within the scope of the Member States’ procedural autonomy. ( 69 )\n\n84\\. In the third place, it should be recalled that, since EU law does not lay down *specific sanctions to combat abuse and fraud in connection with rights conferred by that directive* , the possibility of providing for that type of sanction falls within the scope of the domestic legal systems of the Member States, provided that those sanctions are effective, non-discriminatory and proportionate. ( 70 )\n\n85\\. I note, in the fourth and final place, that, at the hearing, in answer to a question put by the Court, Ireland stated that, in order to obtain Irish citizenship by naturalisation, a person must have resided lawfully in Ireland for a certain period of time. However, Ireland made the point at the hearing that the main proceedings do not concern a forfeiture of Irish nationality by the appellant in the main proceedings.\n\n86\\. In any event, and for the sake of completeness, it should be recalled that, as is apparent from settled case-law, if the forfeiture of Irish nationality were to entail the loss of citizenship of the Union and the rights attaching thereto, that forfeiture should have due regard to the principle of proportionality so far as concerns the consequences of the forfeiture for the situation of the person concerned and, if relevant, for that of the members of his or her family, from the point of view of EU law. ( 71 )\n\n**V.** **Conclusion** 1 ( i ) The name of the present case is a fictitious name. It does not correspond to the real name of any party to the proceedings.\n\n87\\. In the light of the foregoing considerations, I propose that the Court answer the question referred for a preliminary ruling by the Court of Appeal (Ireland) as follows: Article 35 of Directive 2004\u002F38\u002FEC of the European Parliament and of the Council of 29 April 2004 on the right of citizens of the Union and their family members to move and reside freely within the territory of the Member States amending Regulation (EEC) No 1612\u002F68 and repealing Directives 64\u002F221\u002FEEC, 68\u002F360\u002FEEC, 72\u002F194\u002FEEC, 73\u002F148\u002FEEC, 75\u002F34\u002FEEC, 75\u002F35\u002FEEC, 90\u002F364\u002FEEC, 90\u002F365\u002FEEC and 93\u002F96\u002FEEC, as amended by Regulation (EU) No 492\u002F2011 of the European Parliament and of the Council of 5 April 2011, must be interpreted as allowing the competent national authorities to investigate and, if appropriate, make a determination or reach a conclusion that a person who previously benefited from a derived right to move freely under that directive committed a fraud or an abuse of rights, where the residence of that person in the Member State concerned is no longer based on the directive, including where he or she has in the meantime acquired the nationality of that Member State.\n\n* * *\n\n( 2 ) Directive of the European Parliament and of the Council of 29 April 2004 on the right of citizens of the Union and their family members to move and reside freely within the territory of the Member States amending Regulation (EEC) No 1612\u002F68 and repealing Directives 64\u002F221\u002FEEC, 68\u002F360\u002FEEC, 72\u002F194\u002FEEC, 73\u002F148\u002FEEC, 75\u002F34\u002FEEC, 75\u002F35\u002FEEC, 90\u002F364\u002FEEC, 90\u002F365\u002FEEC and 93\u002F96\u002FEEC ([OJ 2004 L 158, p. 77](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Foj\u002FJOL_2004_158_R_TOC)), as amended by Regulation (EU) No 492\u002F2011 of the European Parliament and of the Council of 5 April 2011 ([OJ 2011 L 141, p. 1](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Foj\u002FJOL_2011_141_R_TOC), and corrigenda [OJ 2004 L 229, p. 35](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Foj\u002FJOL_2004_229_R_TOC), and [OJ 2005 L 197, p. 34](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Foj\u002FJOL_2005_197_R_TOC)) (‘Directive 2004\u002F38’).\n\n( 3 ) See, in that regard, judgments of 7 July 1992, Singh ([C‑370\u002F90](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A1992%3A296), [EU:C:1992:296](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A1992%3A296), paragraph [24](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A1992%3A296#point24)); of 23 September 2003, Akrich ([C‑109\u002F01](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2003%3A491), [EU:C:2003:491](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2003%3A491), paragraphs [55](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2003%3A491#point55) to [58](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2003%3A491#point58)); and of 19 October 2004, Zhu and Chen ([C‑200\u002F02](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2004%3A639), [EU:C:2004:639](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2004%3A639), paragraphs [34](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2004%3A639#point34) to [37](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2004%3A639#point37)). In that last judgment, the Court simply rejects a Member State’s line of argument based on an alleged abuse of rights. With regard to the case-law in which the Court has mentioned Article 35 of Directive 2004\u002F38 without reference having been made to that provision in the operative part of the judgment, see judgment of 25 July 2008, *Metock and Others* (C‑127\u002F08, ‘the judgment in Metock, [EU:C:2008:449](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2008%3A449), paragraph [75](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2008%3A449#point75)). See also judgment of 26 March 2019, SM (Child placed under Algerian kafala) ([C‑129\u002F18](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A248), [EU:C:2019:248](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A248)), and the Opinion of Advocate General Campos Sánchez-Bordona in that case (points 112 to 117).\n\n( 4 ) Judgment of 18 December 2014, *McCarthy and Others* (C‑202\u002F13, ‘the judgment in McCarthy and Others, [EU:C:2014:2450](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A2450)).\n\n( 5 ) See judgment in *McCarthy and Others* (paragraph 58 and the operative part).\n\n( 6 ) Judgment of 14 November 2017, *Lounes* (C‑165\u002F16, ‘the judgment in *Lounes* ’, EU:C:2017:862).\n\n( 7 ) Judgment of 10 September 2019, *Chenchooliah* (C‑94\u002F18, ‘the judgment in Chenchooliah, [EU:C:2019:693](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A693)).\n\n( 8 ) Although the question referred for a preliminary ruling concerns, in actual fact, only the loss of the status of beneficiary of a right conferred by Directive 2004\u002F38 by virtue of the acquisition of the nationality of the host Member State, I am of the opinion that, with a view to determining the applicability of Article 35 of that directive, the naturalisation of the person concerned is just one of the scenarios that entails the loss of that status. A beneficiary under the directive can lose his or her status for other reasons, such as in particular departure from that Member State. See point 63 of the present Opinion. Thus, it appears justified, to me, to adopt a general approach which is not limited strictly to the loss of the status of beneficiary by naturalisation in order to interpret that provision, in particular for reasons of the sound administration of justice. See, by analogy, my Opinion in JYSK ([C‑117\u002F24](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2025%3A372), [EU:C:2025:372](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2025%3A372), point [60](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2025%3A372#point60)).\n\n( 9 ) See, inter alia, the judgment in *Metock* (paragraph 82); judgments of 12 March 2014, O. and B. ([C‑456\u002F12](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A135), [EU:C:2014:135](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A135), paragraph [35](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A135#point35)); and of 1 August 2025, Jobcenter Arbeitplus Bielefeld ([C‑397\u002F23](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2025%3A602), [EU:C:2025:602](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2025%3A602), paragraph [44](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2025%3A602#point44) and the case-law cited).\n\n( 10 ) See, inter alia, the judgments in *Lounes* (point 31) and in *McCarthy and Others* (paragraphs 31 and 33 and the case-law cited).\n\n( 11 ) See, inter alia, the judgments in *Lounes* (paragraph 32) and in *McCarthy and Others* (paragraph 34 and the case-law cited).\n\n( 12 ) See, inter alia, the judgment in *Lounes* (paragraph 34 and the case-law cited). In that regard, it should be recalled that the Court has held that ‘if Union citizens were not allowed to lead a normal life in the host Member State, the exercise of the freedoms they are guaranteed by the Treaty would be seriously obstructed’ (see the judgment in *Metock* (paragraph 62)).\n\n( 13 ) See, by analogy, the judgment in *Lounes* (paragraph 43). 14 ( 15 ) At the hearing, R.S. stated that he acquired Irish nationality on 23 April 2016. 16 ( 17 ) See, by analogy, the judgment in *Lounes* (paragraphs 41 and 44). In that judgment, the Court held, first, that the Spanish national, who had been naturalised by the United Kingdom, ceased to fall within the definition of a ‘beneficiary’ within the meaning of Article 3(1) of Directive 2004\u002F38 and, second, that that directive no longer governed her residence in that Member State, as that residence was inherently unconditional. Accordingly, the Court declared that her spouse, a third-country national, did not benefit from a derived right of residence in the Member State in question on the basis of the provisions of that directive. See also Opinion of Advocate General Bot in Lounes ([C‑165\u002F16](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2017%3A407), [EU:C:2017:407](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2017%3A407)).\n\n( 18 ) The Court stated in paragraph 34 of the judgment in *Lounes* that ‘it is clear from the wording of Article 3(1) of Directive 2004\u002F38 that Union citizens who move to or reside in a “Member State other than that of which they are a national”, and their family members … who accompany or join them, fall within the scope of the directive and are beneficiaries of the rights conferred by it’. See point 29 of the present Opinion. 19 ( 20 ) See judgments of 17 November 1983, Merck ([292\u002F82](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A1983%3A335), [EU:C:1983:335](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A1983%3A335), paragraph [12](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A1983%3A335#point12)), and of 1 August 2022, Familienkasse Niedersachsen-Bremen ([C‑411\u002F20](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2022%3A602), [EU:C:2022:602](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2022%3A602), paragraph [51](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2022%3A602#point51)).\n\n( 21 ) See judgments of 3 October 2013, Inuit Tapiriit Kanatami and Others v Parliament and Council ([C‑583\u002F11 P](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2013%3A625), [EU:C:2013:625](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2013%3A625), paragraph [50](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2013%3A625#point50)); of 11 April 2019, Tarola ([C‑483\u002F17](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A309), [EU:C:2019:309](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A309), paragraph [37](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A309#point37)); and of 11 January 2024, Inditex ([C‑361\u002F22](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2024%3A17), [EU:C:2024:17](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2024%3A17), paragraph [43](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2024%3A17#point43) and the case-law cited).\n\n( 22 ) See, inter alia, the French-language version (‘ *refuser, annuler ou retirer* ’), the German-language version (‘ *zu verweigern, aufzuheben oder zu widerrufen* ’), the Spanish-language version (‘ *denegar, extinguir o retirar* ’), the Italian-language version (‘ *rifiutare, estinguere o revocare* ’), the Lithuanian-language version (‘ *atsisakyti, nutraukti ar panaikinti* ’) and the Romanian-language version (‘ *refuza, anula sau retrage* ’).\n\n( 23 ) See, inter alia, the French-language version (‘ *tout droit conféré* ’), the German-language version (‘ *die durch diese Richtlinie verliehenen Rechte* ’), the Spanish-language version (‘ *cualquier derecho conferido* ’), the Italian-language version (‘ *un diritto conferito* ’), the Lithuanian-language version (‘ *bet kokią šia direktyva suteiktą teisę* ’) and the Romanian-language version (‘ *orice drept conferit* ’). 24 ( 25 ) In English, the verb ‘terminate’ generally means to put an end to an ongoing situation, whereas the verb ‘withdraw’ can simply mean to remove, but can also mean to retract or to revoke. In Italian, the use of the verb ‘ *estinguere* ’ also calls to mind an ongoing situation, whereas ‘ *revocare* ’ suggests the withdrawal of a past declaration or an established situation without however requiring that someone be in possession of what is revoked. The same goes for the German-language version, with the verb ‘ *widerrufen* ’ meaning ‘to retract what has been stated or declared’. 26 ( 27 ) It cannot be ruled out that certain national laws may provide for retroactive termination or limit the scope of termination to effects that have yet to be executed. Here, it is apparent from the order for reference that the decision at issue in the main proceedings concerns the ‘determination’, the ‘finding’ or the ‘conclusion’ drawn from the situation or from the past conduct of the appellant in the main proceedings, in particular the fact that the right was ‘deemed withdrawn from the outset’. Thus, the Minister for Justice appears to be reviewing a past declaration and is not withdrawing a current right from the appellant, but rather the right which had been granted to him in the past and from which the appellant in the main proceedings currently no longer benefits. At the hearing, Ireland explained that such a finding amounts to taking the view that the right of residence, which has in practice been exercised, is deemed to have never existed legally in the light of abusive practices, which is a matter for the referring court to determine. 28 ( 29 ) See points 34 and 49 of the present Opinion. In other words, the system introduced by Directive 2004\u002F38 covers the ‘entire lifecycle’ of the exercise of the freedom of movement by a Union citizen and his or her family members. See Opinion of Advocate General Szpunar in Chenchooliah ([C‑94\u002F18](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A433), [EU:C:2019:433](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A433), points [70](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A433#point70) to [75](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A433#point75)).\n\n( 30 ) See point 47 of the present Opinion. By contrast, since Article 35 of Directive 2004\u002F38 *does not concern* a right of movement and of residence from which the person concerned benefited but which should be restricted on grounds of public policy, public security or public health, it *does not fall within the scope* of Article 1 *(c)* of that directive. Such a restriction on the grounds mentioned is covered by the provisions of Chapter VI, entitled ‘Restrictions on the right of entry and the right of residence on grounds of public policy, public security or public health’. 31 ( 32 ) The provisions in question are, inter alia, provisions on publicity (Article 34), the repeal of earlier directives (Article 38), reports on the application of the directive (Article 39), arrangements for transposition (Article 40), the directive’s entry into force (Article 41) and its addressees (Article 42).\n\n( 33 ) Article 36 of Directive 2004\u002F38, entitled ‘Sanctions’, provides that ‘Member States shall lay down provisions on the sanctions applicable to breaches of national rules *adopted for the implementation of [that] Directive* and *shall take* the measures required for their application. The sanctions laid down *shall be* effective and proportionate. …’ (emphasis added). As a reminder, Article 36 of Directive 2004\u002F38 codifies the related settled case-law of the Court. See, inter alia, judgments of 12 December 1989, Messner ([C‑265\u002F88](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A1989%3A632), [EU:C:1989:632](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A1989%3A632), paragraph [15](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A1989%3A632#point15)), and of 30 April 1998, Commission v Germany ([C‑24\u002F97](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A1998%3A184), [EU:C:1998:184](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A1998%3A184), paragraph [14](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A1998%3A184#point14) and the case-law cited). 34 ( 35 ) The measures laid down in Article 36 of Directive 2004\u002F38 are *general in nature* , whereas, as the Court has observed, measures that *may* be adopted by the national authorities, on the basis of Article 35 of that directive, in order to refuse, terminate or withdraw a right conferred by the directive ‘must be based on an individual examination of the particular case’ and, therefore, are *specific in nature*. See the judgment in *McCarthy and Others* (paragraphs 49 and 52 and the case-law cited). 36 ( 37 ) Proposal for a European Parliament and Council directive on the right of citizens of the Union and their family members to move and reside freely within the territory of the Member States, of 29 June 2001, COM(2001) 257 final ([OJ 2001 C 270 E, p. 150](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Foj\u002FJOC_2001_270_E_TOC)).\n\n( 38 ) Council Common Position (EC) No 6\u002F2004 of 5 December 2003 ([OJ 2004 C 54 E, p. 12](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Foj\u002FJOC_2004_054_E_TOC), in particular p. 32). Emphasis added. 39 ( 40 ) Commission Notice, Guidance on the right of free movement of EU citizens and their families, of 6 December 2023, C(2023) 8500 final (OJ C, C\u002F2023\u002F1392) (‘the 2023 Commission Guidelines’). 41 ( 42 ) That judgment was given in the context of proceedings between a Mauritian national residing in Ireland and the Minister for Justice and Equality (Ireland) concerning a decision to deport her, in accordance with a provision of Irish legislation, following the return of her spouse, a Union citizen, to the Member State of which he was a national, namely Portugal, where he was serving a prison sentence. In accordance with national law, the deportation order automatically imposed an indefinite ban on entry into Irish territory.\n\n( 43 ) See the judgments in *Chenchooliah* (paragraph 62) and in *Lounes* (paragraphs 38 to 42). With regard to the ‘dynamic’ or ‘evolving’ nature of the concept of ‘beneficiary’ within the meaning of Article 3(1) of Directive 2004\u002F38, see the judgment in *Metock* (paragraphs 73, 80 and 99). See also Opinion of Advocate General Szpunar in Chenchooliah ([C‑94\u002F18](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A433), [EU:C:2019:433](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A433), points [47](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A433#point47) to [67](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A433#point67) and [70](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A433#point70)).\n\n( 44 ) See the judgment in *Chenchooliah* (paragraph 70). See, also, point 48 of and footnote 28 to the present Opinion.\n\n( 45 ) See the judgment in *Chenchooliah* (paragraph 70).\n\n( 46 ) See, to that effect, the judgment in *Chenchooliah* (paragraphs 59 to 63).\n\n( 47 ) See, to that effect, the judgment in *Chenchooliah* (paragraph 79). As a reminder, Article 15 of Directive 2004\u002F38, entitled ‘Procedural safeguards’, provides, in paragraph 1 thereof, that ‘the procedures provided for by Articles 30 and 31 shall apply by analogy to all decisions restricting free movement of Union citizens and their family members on grounds other than public policy, public security or public health.’ Paragraph 3 of that article provides that ‘the host Member State may not impose a ban on entry in the context of an expulsion decision to which paragraph 1 applies.’ According to the Court, Article 15 of that directive lays down ‘the rules applicable when a temporary right of residence under the directive comes to an end, in particular where a Union citizen or one of his family members who, in the past, had a right of residence of up to 3 months, or longer than 3 months, by virtue of Article 6 or Article 7 of that directive respectively, no longer satisfies the requirements for the grant of the right of residence concerned and may therefore, in principle, be expelled by the host Member State’ (see paragraph 74 of that judgment). 48 ( 49 ) See the judgment in *Chenchooliah* (paragraph 65).\n\n( 50 ) See the judgment in *Chenchooliah* (paragraph 66).\n\n( 51 ) See the judgment in *Chenchooliah* (paragraph 68).\n\n( 52 ) See point 57 of the present Opinion. As certain legal writers have noted, ‘the protection attached to Union citizenship is thus prolonged: third-country nationals who enjoyed a derived right of residence in the past are more protected than third-country nationals who have never been bound to a Union citizen.’ See Ritleng, D., ‘Scope and meaning of Article 15 of Directive 2004\u002F38: Yes but no: Chenchooliah’, *Common Market Law Review* , Vol. 57, No 4, 2020, pp. 1183 to 1200, in particular p. 1195. 53 ( 54 ) In the present case, the effect of that retroactive loss of the rights conferred by Directive 2004\u002F38, as the referring court states, is that those rights are deemed to have been ‘withdrawn from the outset’.\n\n( 55 ) See, inter alia, the judgment in *Metock* (paragraph 82); judgments of 12 March 2014, O. and B. ([C‑456\u002F12](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A135), [EU:C:2014:135](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A135), paragraph [35](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A135#point35)); and of 1 August 2025, Jobcenter Arbeitplus Bielefeld ([C‑397\u002F23](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2025%3A602), [EU:C:2025:602](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2025%3A602), paragraph [44](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2025%3A602#point44) and the case-law cited). 56 ( 57 ) See footnote 47 to the present Opinion. 58 ( 59 ) See, inter alia, Communication from the Commission to the European Parliament and to the Council – Helping national authorities fight abuses of the right to free movement: Handbook on addressing the issue of alleged marriages of convenience between EU citizens and non-EU nationals in the context of EU law on free movement of EU citizens (SWD(2014) 284 final), COM(2014) 604 final, Section 4.2 (‘the Marriages of Convenience Handbook’). See, also, COM(2014)284 final, Section 4.5, p.42.\n\n( 60 ) See, by analogy, judgment of 23 March 2000, Diamantis ([C‑373\u002F97](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2000%3A150), [EU:C:2000:150](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2000%3A150), paragraph [34](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2000%3A150#point34) and the case-law cited). 61 ( 62 ) The general principle that abuse of rights is prohibited was laid down in the judgment of 14 December 2000, Emsland-Stärke ([C‑110\u002F99](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2000%3A695), [EU:C:2000:695](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2000%3A695), paragraphs [52](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2000%3A695#point52) and [53](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2000%3A695#point53)). The Court recognised it, expressly, as a general principle of EU law in the judgment of 5 July 2007, Kofoed ([C‑321\u002F05](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2007%3A408), [EU:C:2007:408](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2007%3A408), paragraph [38](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2007%3A408#point38)). See, more recently, judgment of 10 November 2011, Foggia – Sociedade Gestora de Participações Sociais ([C‑126\u002F10](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2011%3A718), [EU:C:2011:718](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2011%3A718), paragraph [50](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2011%3A718#point50)). See, in that regard, Tridimas, P.T., ‘The general principles of law: Who needs them?’, *Les Cahiers de Droit* , Vol. 52, No 1, 2015, pp. 419 to 441, in particulier p. 427.\n\n( 63 ) See judgment of 14 December 2000, Emsland-Stärke ([C‑110\u002F99](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2000%3A695), [EU:C:2000:695](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2000%3A695), paragraphs [52](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2000%3A695#point52) and [53](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2000%3A695#point53)), and the judgment in *McCarthy and Others* (paragraph 54 and the case-law cited). See also the Opinion of Advocate General Szpunar in McCarthy and Others ([C‑202\u002F13](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A345), [EU:C:2014:345](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A345), points [108](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A345#point108) to [115](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A345#point115)).\n\n( 64 ) In particular, in the context of the free movement of persons, the Court has already recalled that the fact that a Member State national has chosen to acquire a professional qualification in a Member State other than that in which he resides in order to benefit there from more favourable legislation is not, in itself, sufficient grounds to conclude that there is an abuse of rights. See, by analogy, judgment of 17 July 2014, Torresi ([C‑58\u002F13 and C‑59\u002F13](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A2088), [EU:C:2014:2088](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A2088), paragraph [50](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A2088#point50)), and Opinion of Advocate General Wahl in those joined cases ([C‑58\u002F13 and C‑59\u002F13](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A265), [EU:C:2014:265](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A265), points [91](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A265#point91) and [92](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2014%3A265#point92)). 65 ( 66 ) See, by analogy, judgments of 9 March 1999, Centros ([C‑212\u002F97](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A1999%3A126), [EU:C:1999:126](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A1999%3A126), paragraph [27](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A1999%3A126#point27)), and of 23 September 2003, Akrich ([C‑109\u002F01](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2003%3A491), [EU:C:2003:491](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2003%3A491), paragraph [55](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2003%3A491#point55)). I note, in that regard, as the Commission has stated, that ‘a marriage cannot be considered as a marriage of convenience simply because it brings an immigration advantage, or indeed any other advantage. The quality of the relationship is immaterial to the application of Article 35’. See the 2009 Commission Guidelines, p. 15. For clues to potential abuse that may trigger an investigation, see the Marriages of Convenience Handbook, p. 7, Section 4.1. See also judgments of the EFTA Court of 9 February 2021, *Kerim* (E-1\u002F20, paragraph 36), and of 23 November 2021, *Q and Others* (E-16\u002F20, paragraphs 59 to 64). 67 ( 68 ) It is apparent from the 2009 Commission Guidelines (p. 16) and from the 2023 Commission Guidelines (p. 71) that Directive 2004\u002F38 ‘does not prevent Member States from investigating individual cases where there is a well-founded suspicion of abuse. However, EU law prohibits systematic checks’. 69 ( 70 ) Such as, in particular, cancelling the effects of a marriage of convenience as a matter of civil law or administrative fines. See, in that regard, the 2009 Commission Guidelines, p. 16, and the 2023 Commission Guidelines, pp. 71 and 72.\n\n( 71 ) See judgments of 2 March 2010, Rottmann ([C‑135\u002F08](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2010%3A104), [EU:C:2010:104](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2010%3A104), paragraphs [39](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2010%3A104#point39), [41](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2010%3A104#point41), [42](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2010%3A104#point42), [45](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2010%3A104#point45), [55](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2010%3A104#point55) and [56](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2010%3A104#point56)), and of 12 March 2019, Tjebbes and Others ([C‑221\u002F17](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A189), [EU:C:2019:189](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A189), paragraphs [30](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A189#point30) to [32](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A189#point32) and [40](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2019%3A189#point40)). See also judgments of 21 October 2020, Stadt Duisburg (Maintenance of rights acquired after naturalisation) ([C‑720\u002F19](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2020%3A847), [EU:C:2020:847](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2020%3A847)); of 18 January 2022, Wiener Landesregierung (Revocation of an assurance of naturalisation) ([C‑118\u002F20](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2022%3A34), [EU:C:2022:34](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2022%3A34)); and of 5 September 2023, Udlændinge- og Integrationsministeriet (Loss of Danish nationality) ([C‑689\u002F21](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2023%3A626), [EU:C:2023:626](http:\u002F\u002Fpublications.europa.eu\u002Fresource\u002Fecli\u002FECLI%3AEU%3AC%3A2023%3A626)).","en","cjeu","https:\u002F\u002Feur-lex.europa.eu\u002Flegal-content\u002FEN\u002FTXT\u002FHTML\u002F?uri=CELEX:62024CC0560","2026-07-08T14:16:03.557Z","2026-07-13T00:30:05.685Z",20,[11,120],2025]