[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-criminal-procedure-eu":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":64,"limit":65},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},21,"criminal-procedure-eu","Criminal Procedure","EU","2026-07-08T14:16:12.916Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-01T00:00:00.000Z",[],[22,33,41,48,57],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"540","ECLI:NL:RBAMS:2026:6854","ecli-nl-rbams-2026-6854","","RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER\n\nParketnummer: 13-086833-26\n\nDatum uitspraak: 1 juli 2026\n\n UITSPRAAK\n\nop de vordering van 15 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).\n\nDit EAB is uitgevaardigd op 4 maart 2026 door een onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:\n\n [de opgeëiste persoon] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Irak),\n\ninschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:\n\n [BRP-adres] ,\n\nhierna ‘de opgeëiste persoon’.\n\n1. Procesgang\n\nDe zitting van 10 juni 2026\n\nDe behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 10 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.E. Versluis, advocaat in Rotterdam.\n\nDe rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.\n\nTevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.\n\nDe rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om bij het Openbaar Ministerie in België na te gaan in hoeverre er overlap is tussen de verdenkingen in de Nederlandse en Belgische strafzaak.\n\nDe zitting van 1 juli 2026\n\nDe behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 1 juli 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.E. Versluis.\n\n2. Identiteit van de opgeëiste persoon\n\nTer zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.\n\n3. Ontvankelijkheid van de officier van justitie\n\nInleiding\n\nOp 23 juni 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt:\n\n“Op 4\u002F03\u002F2026 werd door mijn ambt een EAB uitgevaardigd lastens dhr. [de opgeëiste persoon] (…). Op heden besliste mijn ambt dit EAB in te trekken en aan Nederland te verzoeken de procedure inzake uitlevering te beëindigen.”.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is met, de raadsvrouw en de officier van justitie, van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Uit de ontvangen aanvullende informatie blijkt dat het EAB is ingetrokken, waardoor de grondslag aan de vordering is komen te ontvallen.\n\n4. Beslissing\n\nVERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.\n\nSTELT VASTdat (de geschorste) overleveringsdetentie is geëindigd.\n\nDeze uitspraak is gedaan door\n\nmr. M. Westerman, voorzitter,\n\nmrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.\n\nen in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 juli 2026.\n\nIngevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.\n\n Zie artikel 23 Overleveringswet.\n\n Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6854","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:35.827Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1573","ECLI:NL:RBAMS:2026:6629","ecli-nl-rbams-2026-6629","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER\n\nParketnummer: 13-073039-26\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\n UITSPRAAK\n\nop de vordering van 16 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).\n\nDit EAB is uitgevaardigd op 10 februari 2026 door het Landgericht Keulen, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:\n\n [de opgeëiste persoon] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,\n\ninschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:\n\n [adres] ,\n\nhierna ‘de opgeëiste persoon’.\n\n1. Procesgang\n\nDe behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 juni 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.B. Schmidt, advocaat in Noordwijk.\n\nDe rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.\n\nOok heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.\n\n2. Identiteit van de opgeëiste persoon\n\nTer zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft.\n\n3. Grondslag en inhoud van het EAB\n\nHet EAB vermeldt een bevel tot voorlopige hechtenis van het LandgerichtKeulen van 10 februari 2026, zaaknummer: 113 KLs 16\u002F25.\n\nDe uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.\n\n3.1. Evenredigheid en effectieve rechtsbescherming\n\nStandpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het uitvaardigen van het nieuwe EAB niet evenredig was. De raadsman heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 14 januari 2026.De dossierstukken bevatten geen nadere toelichting van de Duitse autoriteiten over de uitvaardiging van het EAB, anders dan dat een eerder overleveringsverzoek zou zijn ingetrokken, dan wel vernietigd en dat sprake is van een hernieuwd overleveringsverzoek ten behoeve van vervolging voor hetzelfde feit. Het eerdere verzoek is echter door de rechtbank behandeld, de overlevering is toegestaan en de opgeëiste persoon is feitelijk overgeleverd. Tijdens het eerste overleveringsverzoek, de feitelijke overlevering en de huidige schorsing van de overleveringsdetentie heeft de opgeëiste persoon aan alle voorwaarden en verplichtingen voldaan.\n\nSubsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Duitse uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen naar de evenredigheid van het uitvaardigen van dit nieuwe EAB.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Het LandgerichtKeulen heeft het aan de vorige overlevering onderliggende aanhoudingsbevel vernietigd. Daarna heeft hetLandgerichtKeulen een nieuw aanhoudingsbevel uitgevaardigd. De rechtbank dient slechts te toetsen of aan alle formaliteiten voor overlevering is voldaan. Vragen over de reden en eventuele gevolgen van de vernietiging en het uitvaardigen van een nieuw aanhoudingsbevel dienen in de procedure in Duitsland aan de orde te worden gesteld.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nIn de uitspraak waar de raadsman naar verwijst was sprake van een EAB dat was uitgevaardigd door een gedelegeerd Europese aanklager op grond van de Verordening 2017\u002F1939, de zogenaamde “EOM-Verordening”.Indien een lidstaat de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een vervolgings-EAB heeft opgedragen een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling in de betrokken lidstaat deelneemt, maar zelf geen rechter of rechterlijke instantie is (zoals het Openbaar Ministerie), moet volgens vaste rechtspraak van HvJ EU de beslissing om een EAB uit te vaardigen en met name de evenredigheid van een dergelijke beslissing in de betreffende lidstaat het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming. Daarvan is in deze zaak geen sprake, omdat het EAB, zoals gezegd, is uitgevaardigd door een rechterlijke instantie, namelijk hetLandgerichtKeulen.\n\nEr moet vanuit worden gegaan dat het LandgerichtKeulen bij het uitvaardigen van het nieuwe EAB de evenredigheid daarvan heeft getoetst. Het stelsel van de OLW is immers, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit 2002\u002F582\u002FJBZ (het Kaderbesluit), gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheid tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken. Daarbij is het in beginsel aan de uitvaardigende autoriteit om de evenredigheid van het uitvaardigen van een EAB te toetsen. Het is niet aan de rechtbank om te bepalen of er een minder vergaand middel dan een EAB voorhanden is.\n\nEen beroep op de onevenredigheid van een EAB kan in een concreet geval slechts onder uitzonderlijke omstandigheden slagen.Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is in het geval van de opgeëiste persoon geen sprake. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.\n\n4. Strafbaarheid\n\nDe uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.\n\nDe rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.\n\nHet feit levert naar Nederlands recht op:\n\nDe eendaadse samenloop van\n\nmedeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is te duchten is\n\nen\n\npoging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.\n\n5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW\n\nGelijkstelling\n\nVerzoek van de raadsman\n\nDe raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nOm in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:\n\n1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;\n\n2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.\n\nDe eerste voorwaarde\n\nNu de opgeëiste persoon beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, hoeft de opgeëiste persoon niet meer aan de hand van andere stukken aan te tonen dat hij gedurende een periode van minimaal vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.\n\nAan deze voorwaarde is dus voldaan.\n\nDe tweede voorwaarde\n\nHet antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND). Uit de brief van de IND van 9 december 2024 volgt dat op basis van de verstrekte gegevens intrekking van het verblijfsrecht niet mogelijk is en een eventuele veroordeling voor de feiten uit het EAB er niet toe leidt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.\n\nDe opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan.\n\nDe Public Prosecutor as Head of Unit of The Chief Public Prosecutor in Cologneheeft op 9 juni 2026 de volgende garantie gegeven:\n\n“With reference to your aforementioned letter, we hereby confirm that, in the\n\nevent of a final conviction in the Federal Republic of Germany, the person\n\nconcerned will be transferred on the basis of the current version of Council\n\nFramework Decision 2008\u002F909\u002FJHA of 27 November 2008 on the applica-\n\ntion of the principle of mutual recognition to judgments in criminal matters\n\nimposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty\n\nfor the purposes of their enforcement in the European Union (OJ L 327, 5\n\nDecember 2008, page 27) to the Netherlands for the further execution of\n\nhis sentence.”\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.\n\n6. Slotsom\n\nDe rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.\n\n7. Toepasselijke wetsartikelen\n\nDe artikelen 45, 47, 55, 157 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.\n\n8. Beslissing\n\nSTAAT TOEde overlevering van[de opgeëiste persoon]aan hetLandgericht Keulen, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.\n\nDeze uitspraak is gedaan door\n\nmr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,\n\nmrs. E. van den Brink en A.B.M. Wijnveldt, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier\n\nen in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 juni 2026.\n\nIngevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.\n\n Zie artikel 23 OLW.\n\n Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.\n\nÁG613126236367+È\n\nG613126236367\n\n Zie onderdeel e) van het EAB.\n\n ECLI:NL:RBAMS:2026:153.\n\n Verordening (EU) 2017\u002F1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”), L 283\u002F1.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 1 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203.\n\nVgl.rRechtbank Amsterdam, 9 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4872.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6629","2026-07-13T00:29:27.694Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":31,"updatedAt":47},"1575","ECLI:NL:RBAMS:2026:6630","ecli-nl-rbams-2026-6630","RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER\n\nParketnummer: 13-242046-25\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nUITSPRAAK\n\nop de vordering van 20 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).\n\nDit EAB is uitgevaardigd op 15 juli 2025 door de Circuit Court of Świdnica, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:\n\n [de opgeëiste persoon] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] (Polen),\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\nmet als feitelijk verblijfsadres:\n\n [adres] ,\n\nhierna ‘de opgeëiste persoon’.\n\n1. Procesgang\n\nDe behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 juni 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.\n\nDe rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.\n\n2. Identiteit van de opgeëiste persoon\n\nTer zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.\n\n3. Grondslag en inhoud van het EAB\n\nHet EAB vermeldt een enforceable judgmentvan deDistrict Court of Klodzko dated 19 December 2023, file reference Il K 1201\u002F23.\n\nDe overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, vijf maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.\n\nDit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.\n\n4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW\n\nStandpunt van de raadsvrouw\n\nDe raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen. Hij begrijpt niet waarom hij de oproep voor de zitting niet heeft gehad. De politie wist uit een andere zaak dat de opgeëiste persoon inmiddels een ander adres had.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank kan afzien van toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW en dat de overlevering kan worden toegestaan. De opgeëiste persoon is tijdens het vooronderzoek gehoord. Daarbij heeft hij een adresinstructie gekregen en heeft hij een adres opgegeven. De oproep voor de zitting is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Het is de verantwoordelijkheid van de opgeëiste persoon om een nieuw adres aan de autoriteiten door te geven.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.\n\nGelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.\n\nUit de stukken volgt dat de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidend onderzoek is gehoord als verdachte. Hij heeft bij deze gelegenheid een adresinstructie gehad waaruit de verplichting tot het doorgeven van adreswijzigingen bleek en waarbij hij is gewezen op de gevolgen van het niet nakomen deze verplichting. Hij heeft voor ontvangst van de adresinstructie getekend. Tijdens het verhoor heeft hij een adres opgegeven. De oproep voor de zitting die tot de beslissing heeft geleid is gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. De rechtbank stelt daarmee vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De omstandigheid dat de politie mogelijk uit een andere zaak wist dat de opgeëiste persoon inmiddels een ander adres had maakt dat niet anders. Het is de verantwoordelijkheid van de opgeëiste persoon om in geval van een adreswijziging dit aan de juiste Poolse autoriteiten door te geven.\n\n5. Strafbaarheid\n\nDe uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.\n\nDe rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.\n\nHet feit levert naar Nederlands recht op:\n\npoging tot doodslag.\n\n6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU\n\nDe rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.\n\nNu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van\n\nhet grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.\n\n7. Slotsom\n\nDe rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.\n\n8. Toepasselijke wetsbepalingen\n\nArtikel 45 en 287 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.\n\n9. Beslissing\n\nSTAAT TOEde overlevering van[de opgeëiste persoon]aanCircuit Court of Świdnica, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.\n\nDeze uitspraak is gedaan door\n\nmr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,\n\nmrs. E. van den Brink en A.B.M. Wijnveldt, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier\n\nen in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 juni 2026.\n\nIngevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.\n\n Zie artikel 23 OLW.\n\n Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.\n\nÁG513126236323,È\n\nG513126236323\n\n Zie onderdeel e) van het EAB.\n\n Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.\n\n Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562\u002F21 PPU en C-563\u002F21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6630","2026-07-13T00:29:27.763Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":31,"updatedAt":56},"1156","ECLI:NL:RBAMS:2026:6869","ecli-nl-rbams-2026-6869","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER\n\nParketnummer: 13-113687-26\n\nDatum uitspraak: 25 juni 2026\n\n UITSPRAAK\n\nop de vordering van 21 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).\n\nDit EAB is uitgevaardigd op 14 november 2025 door the Regional Court in Gliwice, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:\n\n [de opgeëiste persoon] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] (Polen),\n\n feitelijk verblijfadres: [feitelijk verblijfadres] .\n\nhierna ‘de opgeëiste persoon’.\n\n1. Procesgang\n\nDe behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 juni 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.\n\nDe rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.\n\nTevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.\n\n2. Identiteit van de opgeëiste persoon\n\nTer zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.\n\n3. Grondslag en inhoud van het EAB\n\nHet EAB vermeldt twee vonnissen:\n\nsentence issued by the District Court in Gliwicevan 28 december 2022, met referentie: IX K 406\u002F20,upheld by the sentence issued by the Regional Court in Gliwicevan 8 augustus 2023, met referentie VI Ka 365\u002F23 (hierna: arrest I);\n\nsentence issued by the District Court in Gliwicevan 19 november 2021, met referentie IX K 1125\u002F20,upheld by the sentence issued by the Regional Court in Gliwicevan 8 maart 2022, met referentie: VI Ka 107\u002F22 (hierna: arrest II).\n\nDe overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk twee jaren en zes maanden (arrest I) en één jaar (arrest II), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straffen resteren nog in hun geheel. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde arresten.\n\nDeze arresten betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.\n\n4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW\n\n4.1.. Inleiding\n\nAls het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002\u002F584\u002FJBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.De rechtbank zal daarom de procedures in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen.\n\n4.2.. Standpunten van partijen\n\nStandpunt van de raadsvrouw\n\nTen aanzien van arrest I heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De opgeëiste persoon was niet in persoon aanwezig bij het hoger beroep. Uit de verstrekte informatie volgt niet aan welk adres de oproeping voor de zitting in hoger beroep is verzonden. Daarnaast is onduidelijk of de opgeëiste persoon de raadsman heeft gemachtigd om namens hem het woord te voeren in hoger beroep, nu dit door de opgeëiste persoon wordt betwist. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht niet af te zien van weigeren, nu de opgeëiste persoon geen verwijt kan worden gemaakt. Hoewel de opgeëiste persoon in persoon is verschenen in de procedure die tot arrest II heeft geleid en de weigeringsgrond van artikel 12 zich ten aanzien van dat arrest niet voordoet, verzoekt de raadsvrouw primair de overlevering in zijn geheel te weigeren. Volgens de raadsvrouw is er namelijk een reëel risico dat bij een partiële weigering voor arrest I die veroordeling toch ten uitvoer wordt gelegd als de overlevering voor arrest II wordt toegestaan. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de overlevering partieel geweigerd dient te worden, namelijk ten aanzien van arrest I en alleen kan worden toegestaan voor arrest II nu de opgeëiste persoon in persoon is verschenen in de procedure die tot dat arrest II heeft geleid. Uiterst subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat aanvullende vragen dienen te worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedure die tot arrest I heeft geleid.\n\nStandpunt officier van justitieDe officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Ten aanzien van de procedure die tot arrest II heeft geleid, staat vast dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen. Voor wat betreft de procedure die tot arrest I heeft geleid geldt dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De opgeëiste persoon heeft een advocaat gemachtigd om namens hem het hoger beroep in te stellen. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dient te worden afgezien van weigering van de overlevering, omdat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces. De opgeëiste persoon heeft immers zelf hoger beroep laten instellen, zodat het op zijn weg had gelegen navraag te doen naar het verloop van de procedure.4.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nTen aanzien van arrest I\n\nDe rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.\n\nDe rechtbank overweegt dat in het EAB, in onderdeel D, ten aanzien van de procedure in hoger beroep is aangekruist dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure, een advocaat heeft gemachtigd om hem op zitting te verdedigen en de advocaat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op zitting heeft verdedigd.\n\nOp 21 mei 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) arrest gewezen in de zaak Khuzdar.De rechtbank overweegt dat uit dit arrest volgt dat de in artikel 12, sub b, OLW opgenomen bepaling dat “de verdachte op de hoogte was van het voorgenomen proces” aldus moet worden uitgelegd dat vereist is dat de verdachte in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid.\n\nHet HvJ EU benadrukt daarmee dat de betrokkene in staat moet worden gesteld om in persoon aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn proces of om vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Deze waarborgen zijn essentieel voor de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en voor de eerbiediging van het in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een eerlijk proces.\n\nTegelijkertijd volgt uit het arrest dat het feit dat de betrokkene niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld, niet noodzakelijkerwijs betekent dat niet aan de voorwaarde ‘dat hij in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid’, is voldaan. In dat geval moet bij de beoordeling of de betrokkene vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, worden nagegaan of zijn verdedigingsrechten zijn geëerbiedigd. Hierbij dienen alle omstandigheden in aanmerking te worden genomen, waaronder het gedrag van de betrokkene.\n\nOok in de onderhavige zaak is het daarom allereerst van belang dat, gelet op het Khuzdar-arrest, voldaan moet zijn aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. De rechtbank vindt daarbij het volgende van belang.\n\nIn onderdeel D van het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces, en onder 2 staat toegelicht dat de opgeëiste persoon naar behoren is opgeroepen voor de procedure in hoger beroep maar de oproep niet heeft opgehaald. Hiermee staat vast dat de opgeëiste persoon niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. De rechtbank is verder van oordeel dat zich geen omstandigheid voordoet op grond waarvan hij geacht kan worden in kennis te zijn gesteld van tijdstip en plaats van de zitting. De opgeëiste persoon heeft in dit verband ter zitting verklaard dat hij nooit een oproep heeft ontvangen, dat hij op dat moment al in het buitenland verbleef, hij een correspondentieadres van zijn moeder heeft opgegeven en zijn moeder hem zeker zou hebben ingelicht als er een oproep zou zijn binnengekomen. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de opgeëiste persoon opzettelijk heeft vermeden dat hij officieel in kennis wordt gesteld van tijdstip en plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid.\n\nOp grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat geen sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Verder hebben zich géén van de in artikel 12, sub a en c, OLW genoemde omstandigheden voorgedaan. Ten slotte is geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.\n\nGelet daarop kan de overlevering op grond artikel 12 OLW worden geweigerd.\n\nDe rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en acht daarbij het volgende van belang.\n\nUit het EAB en het verhandelde ter zitting blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op de procedure in eerste aanleg, waar hij is bijgestaan door een gemachtigd advocaat. Deze advocaat heeft vervolgens op verzoek van de opgeëiste persoon hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. In onderdeel D van het EAB staat hierover vermeld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces. Onder 2 is verder toegelicht dat de opgeëiste persoon naar behoren is opgeroepen voor de procedure in hoger beroep maar dat de oproep niet is opgehaald. De opgeëiste persoon heeft hierover ter zitting verklaard dat hij destijds in het buitenland verbleef, hij het adres van zijn moeder heeft opgegeven en hij meermaals contact heeft opgenomen met zijn advocaat maar deze niet te pakken kreeg. De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon wist dat er een hoger beroep procedure liep. Het had op zijn weg gelegen om contact te onderhouden met zijn advocaat en\u002Fof de Poolse autoriteiten over de stand van zaken in dat hoger beroep. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet daarom af van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren.\n\nTen aanzien van het arrest II\n\nHet EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW voor dit arrest niet van toepassing is.\n\n5. Strafbaarheid\n\n5.1. Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist\n\nDe uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.\n\nDe rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.\n\nDe feiten leveren naar Nederlands recht op:\n\n- eenvoudige belediging;\n\n- opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;\n\n- telkens: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;\n\n- mishandeling;\n\n- eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;\n\n- overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU\n\nDe rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.\n\nNu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.\n\n7. Slotsom\n\nDe rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.\n\n8. Toepasselijke wetsbepalingen\n\nDe artikelen 266, 267, 300, 350 Wetboek van Strafrecht, 9, 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.\n\n9. Beslissing\n\nSTAAT TOEde overlevering van[de opgeëiste persoon]aanthe Regional Court in Gliwice, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.\n\n Deze uitspraak is gedaan door\n\nmr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,\n\nmrs. E.M. de Bie en E. van den Brink., rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger, griffiers.\n\nen uitgesproken ter openbare zitting van 25 juni 2026.\n\nIngevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.\n\n Zie artikel 23 Overleveringswet.\n\n Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.\n\n Zie onderdeel e) van het EAB.\n\n HvJ EU 21 december 2023, C-397\u002F22, ECLI:EU:C:2023:1030 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis)), punt 47 en C-398\u002F22, ECLI:EU:C:2023:1031 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek)), punt 32.\n\n HvJ EU 21 mei 2026, C-95\u002F24, ECLI:EU:C:2026:416 (Khuzdar).\n\n Zie punt 71- 72.\n\n Zie punt 73-74.\n\n Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.\n\n Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562\u002F21 PPU en C-563\u002F21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6869","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.200Z",{"id":58,"ecli":59,"slug":60,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":61,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":31,"updatedAt":63},"1574","ECLI:NL:RBAMS:2026:6628","ecli-nl-rbams-2026-6628","RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER\n\nParketnummer: 13-263142-25\n\nDatum uitspraak: 16 juni 2026\n\nUITSPRAAK\n\nop de vordering van 20 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).\n\nDit EAB is uitgevaardigd op 1 augustus 2025 door de Regional Court in Łódź, IV Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:\n\n [de opgeëiste persoon] ,\n\n geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:\n\n [adres] ,\n\nuit anderen hoofde gedetineerd in het [detentieadres] ,\n\nhierna ‘de opgeëiste persoon’.\n\n1. Procesgang\n\nDe zitting van 18 maart 2026\n\nDe behandeling van het EAB is aangevangen op deze zitting, in aanwezigheid van mr. E. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, als waarnemer voor mr. R. Malewicz, beiden advocaat in Amsterdam.\n\nDe rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.\n\nTevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.\n\nTussenuitspraak van 1 april 2026\n\nIn deze tussenuitspraakheeft de rechtbank het onderzoek heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om het antwoord van de Poolse autoriteiten op de door het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) geformuleerde vraag van 26 februari 2026 af te wachten en het IRC in de gelegenheid te stellen de onder 7.2 van de tussenuitspraak geformuleerde aanvullende vraag te stellen aan de Poolse autoriteiten.\n\nDe rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de\n\n– geschorste – overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.\n\nZitting van 29 april 2026\n\nOp deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, als waarnemer voor mr. R. Malewicz.\n\nTussenuitspraak van 13 mei 2026\n\nIn de tussenuitspraak van 13 mei 2026heeft de rechtbank een individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon vastgesteld wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Lódzals de overlevering zou worden toegestaan. De rechtbank heeft op grond van artikel 11, tweede lid, OLW de beslissing over de overlevering aangehouden omdat er een mogelijkheid bestaat dat binnen een redelijke termijn bij wijziging van de omstandigheden het vastgestelde reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kan worden weggenomen.\n\nDe rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de -geschorste - gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.\n\nZitting van 16 juni 2026\n\nOp deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, als waarnemer voor mr. R. Malewicz.\n\n2. Identiteit van de opgeëiste persoon\n\nTer zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.\n\n3. De tussenuitspraken van 1 april 2026 en 13 mei 2026\n\nDe rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 1 april 2026 is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten, de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW en de Poolse rechtsstaat (artikel 11 OLW). Bij tussenuitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank geoordeeld over de detentieomstandigheden in the Remand Centre in Lódzen heeft de rechtbank een individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon vastgesteld. Wat de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld in deze tussenuitspraken moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.\n\n4. Artikel 11 OLW Detentieomstandigheden in Poolse remand regimes\n\nInleiding\n\nDe rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 7.2 van de tussenuitspraak van 1 april 2026 en paragraaf 4 van de tussenuitspraak van 13 mei 2026.\n\nNaar aanleiding van de tussenuitspraak is door het IRC een aanvullende vraag gesteld, te weten:\n\n“(…) could you please provide us with more information regarding the time [de opgeëiste persoon] can spend outside his cell when detained in Lodz? If possible could you guarantee that the [de opgeëiste persoon] will be able to spend more than 2 hours a day outside his cell, and can you explain on the basis of concrete examples how these 2 hours will be spent?”\n\nThe Assistant Prosecutor of the Łódź Local Branch of the Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in Łódźheeft, voor zover hier relevant, op\n\n15 juni 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:\n\n“In response to the request from the Office of the Prosecutor General in Amsterdam for\n\nadditional information concerning the execution of the European Arrest Warrant issued in respect of [de opgeëiste persoon] , (…) I hereby respectfully provide the following (…)\n\nThe exact amount of time that remand prisoners spend outside their residential cells depends on the internal regulations in force at the particular penitentiary institution, as well as on the extent to which the detainee chooses to exercise the rights available to him on a given day.\n\n(…)\n\nAccording to the position of the Director of the Remand Centre in Łódź, the implementation of the rights afforded to a remand prisoner does not allow for a guarantee that the daily time spent outside the cell will amount to at least two hours.\n\nAmong the rights whose exercise involves leaving the residential cell are, inter alia:\n\n• outdoor exercise (a walk) for at least one hour per day;\n\n• visits with family members and other close persons, as well as meetings with legal counsel,\n\nwhich are not subject to time limits;\n\n• use of the telephone, bathing facilities, prison storage services, and the prison canteen;\n\n• participation in cultural and educational activities, common-room activities, and religious services.\n\nAs can be seen from the above list, only outdoor exercise constitutes a right to which a detainee is entitled on a daily basis. Other activities, such as cultural and educational programs, visits, or the use of telephone calls, are carried out several times a week.\n\nNevertheless, the total amount of time spent outside the residential cell may be increased\n\nthrough employment undertaken by remand prisoners (under the conditions set out in Article 218 of the Executive Penal Code). According to the Director of the Remand Centre in Łódź, the employment of remand prisoners is successfully practiced at that institution. It therefore provides a genuine opportunity for a significant extension of the time such a person spends outside the residential cell.\n\n(…) .”\n\nStandpunt van de raadsvrouw\n\nDe raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Uit de aanvullende informatie van 15 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon minstens één uur per dag buiten de cel kan wandelen, maar dat niet gegarandeerd kan worden dat de opgeëiste persoon ten minste twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. De tijd die de opgeëiste persoon buiten zijn cel kan verblijven is afhankelijk van de interne regelgeving van de detentie-instelling. Uit de informatie blijkt niets over de regelgeving in de detentie-instelling waar opgeëiste persoon geplaatst wordt. Ook blijkt niet hoe vaak, wanneer en onder welke voorwaarden arbeid kan worden verricht. Uit eerder verstrekte aanvullende informatie blijkt dat het meedoen aan activiteiten moeten worden verdiend. Uit de eerder aanvullende informatie en de aanvullende informatie van 15 juni 2026 blijkt niet hoe deze deelname kan worden verdiend. De aanvullende informatie van 15 juni 2026 levert dan ook geen gewijzigde omstandigheden op ten opzichte van de tussenuitspraak van 13 mei 2026.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de recent ontvangen aanvullende informatie geen wijziging oplevert van de omstandigheden op ten opzichte van de tussenuitspraak van 13 mei 2026. Uit de aanvullende informatie van 15 juni 2026 blijkt bovendien dat niet kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon ten minste twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 1 april 2026 geoordeeld dat de verstrekte informatie onvoldoende was om het algemene reële gevaar van schending van de grondrechten door de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in the Remand Centre in Lódz,als de overlevering zou worden toegestaan, uit te sluiten. In de tussenuitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Lódzals de overlevering zou worden toegestaan.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat ook met de aanvullende informatie van 15 juni 2026 niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden en als hij deelneemt aan alle geboden activiteiten hij gemiddeld zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van wijziging van de omstandigheden, waarmee het reeds vastgestelde reële individuele gevaar, zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW, voor de opgeëiste persoon alsnog is weggenomen.\n\nDe rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW. De rechtbank zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid OLW, de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee wordt de overleveringsprocedure beëindigd.\n\n5. Slotsom\n\nDe rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB.\n\n6. Toepasselijke wetsartikelen\n\nArtikel 11 OLW.\n\n7. Beslissing\n\nGEEFTgeen gevolg aan het EAB.\n\nVERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.\n\nHEFT OPde overleveringsdetentie.\n\nDeze uitspraak is gedaan door\n\nmr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,\n\nmrs. E. van den Brink en A.B.M. Wijnveldt, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier\n\nen in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juni 2026.\n\nIngevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.\n\n Zie artikel 23 OLW.\n\n Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.\n\nÁG113125957692rÈ\n\nG113125957692\n\n ECLI:NL:RBAMS:2026:3252.\n\n ECLI:NL:RBAMS:2026:4710.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6628","2026-07-13T00:29:27.729Z",1,20]