[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-alcohol-licensing-nl-2026":3},{"detail":4,"years":71},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":70},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},135,"alcohol-licensing-nl","Alcohol Licensing","NL","2026-07-08T16:57:54.795Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":17},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,61],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"763","ECLI:NL:CBB:2026:314","ecli-nl-cbb-2026-314","",58,"2026-07-07T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 24\u002F426\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 op het hoger beroep van:\n [naam 1] B.V., te [vestigingsplaats]\n\n(gemachtigde: [naam 2] )\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2024, kenmerk 23\u002F4659, in het geding tussen\n\n [naam 1]\n\nen\n\nde minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportvoorheen: de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport\n\n(gemachtigde: mr. D.W. Gerritsen)\n\nProcesverloop in hoger beroep\n\n [naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:2908).\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen.\n\nInleiding\n\n1.1. In het kader van het festival Dutch Valley 2022 is [naam 1] door de festivalorganisator ingehuurd om diverse biertappunten te verzorgen, waaronder een biertappunt in de zogenoemde Hip Hop tent. [naam 1] beschikte over de ontheffing voor het schenken van zwak-alcoholhoudende drank, als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Alcoholwet (ontheffing). Die ontheffing gold voor het gehele festivalterrein voor in totaal vijftien biertappunten, waaronder dus een in de Hip Hop tent. De organisator van het festival beschikte over de evenementenvergunning. De organisator verkocht festivalmunten waarmee bezoekers hun consumpties in de Hip Hop tent betaalden. Op het gehele festivalterrein gold een door de festivalorganisator ingesteld en aangeduid rookverbod.\n\n1.2. Op 14 augustus 2022 hebben twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit de Hip Hop tent geïnspecteerd op naleving van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw), waaronder het handhaven van het rookverbod. In het van die inspectie door een van hen opgemaakte rapport van bevindingen van 9 december 2022, beschrijft de inspecteur dat hij heeft gezien dat meerdere mensen sigaretten en e-sigaretten (vapes) rookten, dat zij niet op het rookverbod werden aangesproken en dat er sigarettenpeuken op de grond lagen.\n\n2 De minister heeft [naam 1] met een besluit van 17 januari 2023 (boetebesluit) een boete van € 600,- opgelegd, omdat [naam 1] op 14 augustus 2022 in de Hip Hop tent het rookverbod niet heeft gehandhaafd, waartoe zij op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Trw verplicht was. Met het besluit op bezwaar van 26 mei 2023 (bestreden besluit) is het bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard en de boete in stand gelaten.\n\nUitspraak van de rechtbank\n\n3 De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister [naam 1] terecht als overtreder van de in het bestreden besluit vermelde overtreding heeft aangemerkt en de boete van € 600,- heeft mogen opleggen. De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.\n\nStandpunten van partijen\n\n4.1. Zoals op zitting is besproken handhaaft [naam 1] alleen de hoger beroepsgrond dat zij geen overtreder is. Zij erkent dat het rookverbod in de Hip Hop tent niet werd gehandhaafd, maar betoogt dat de organisator van het festival dat had moeten doen. Die heeft het rookverbod ingesteld en aangeduid op het festivalterrein en had het moeten handhaven. Dit volgt uit de afspraken tussen [naam 1] en de festivalorganisator. [naam 1] is van mening dat zij alleen leverancier is van de biertappunten en het barpersoneel en stelt dat zij verder geen zeggenschap had.\n\n4.2. De minister heeft verzocht om de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.\n\nWettelijk kader\n\n5 Het van toepassing zijnde wettelijke kader is vermeld in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\n6.1. Het College komt tot het oordeel dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten en licht dit hieronder toe.\n\n6.2. De boete is aan [naam 1] opgelegd, omdat zij in de hoedanigheid van exploitant van een horeca-inrichting gehouden was tot het handhaven van het rookverbod en zij dit heeft nagelaten. Dat deze verplichting op de exploitant van de horeca-inrichting rust, volgt uit artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Trw. Tussen partijen is niet in geschil dat het festivalterrein een horeca-inrichting is. Ook staat niet ter discussie dat de Hip Hop tent een lokaliteit is van die inrichting waarin het horecabedrijf werd uitgeoefend. Vaststaat ook dat het rookverbod op 14 augustus 2022 niet werd gehandhaafd in de Hip Hop tent.\n\n6.3. De vraag die in hoger beroep centraal staat, is of [naam 1] de exploitant van de horeca-inrichting is. Volgens [naam 1] blijkt uit de onderlinge afspraken dat de festivalorganisator de exploitant van de horeca-inrichting is. Met de rechtbank is het College van oordeel dat [naam 1] de exploitant van de horeca-inrichting is en dat zij het rookverbod had moeten handhaven. Hiertoe overweegt het College als volgt. Vaststaat dat [naam 1] de aanvrager en houder is van de ontheffing. Deze ontheffing gold voor het hele festivalterrein, waaronder ook het tappunt in de Hip Hop tent. Zonder deze ontheffing is het niet mogelijk om de horeca-inrichting te exploiteren. [naam 1] verkocht in de Hip Hop tent tegen betaling drankjes, waaronder bier, voor consumptie ter plaatse. Dat de organisator van het festival haar niet betaalde per consumptie, maar voor de dienst als geheel en dat bezoekers hun consumpties betaalden met festivalmunten maakt, anders dan [naam 1] betoogt, niet dat zij slechts leverancier van de bar en het barpersoneel was. Ook de afspraak dat de festivalorganisator beveiligers zou inhuren die op het festivalterrein, waaronder de Hip Hop tent, het rookverbod zouden handhaven, maakt niet dat [naam 1] niet de exploitant is van de Hip Hop tent. De hoedanigheid van exploitant van de Hip Hop tent verschuift niet van [naam 1] naar de festivalorganisator omdat zij een afspraak over het handhaven van het rookverbod in de Hip Hop tent hebben gemaakt. Deze afspraak, en de gestelde omstandigheid dat [naam 1] geen zeggenschap had over de beveiligers, ontslaan haar niet van de op haar als exploitant rustende verplichting om ervoor te zorgen dat in de Hip Hop tent het rookverbod wordt gehandhaafd.\n\n6.4. Uit het vorenstaande volgt dat [naam 1] als exploitant van de Hip Hop tent wettelijk verplicht was om daar het rookverbod te handhaven. Dat [naam 1] met de organisator is overeengekomen dat die het rookverbod in de Hip Hop tent zou handhaven, wat ook blijkt uit de omstandigheid dat zij de opgelegde boete aan hem heeft doorbelast, heeft niet tot het resultaat geleid dat het rookverbod in de Hip Hop tent daadwerkelijk werd gehandhaafd. Dat komt voor rekening en risico van [naam 1] op wie de wettelijke verplichting tot het handhaven van het rookverbod in de Hip Hop tent rustte. Zij is in het bestreden besluit terecht als overtreder aangemerkt en de minister was daarom bevoegd om haar een boete op te leggen.\n\n6.5. Dat de minister naar eigen zeggen ook de organisator van het festival had kunnen beboeten voor het niet handhaven van het rookverbod op het festivalterrein maakt niet dat [naam 1] met betrekking tot de Hip Hop tent geen overtreder is van de verplichting om daar het rookverbod te handhaven. De organisator en [naam 1] hebben beiden een eigen verantwoordelijkheid bij het handhaven van het rookverbod.\n\n6.6. De situatie dat de organisator van het festival over de ontheffing beschikt en de exploitant is van het festivalterrein als horeca-inrichting, doet zich hier niet voor. Dat was wel het geval in de zaak die tot de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:5336) heeft geleid, waarnaar [naam 1] ter ondersteuning van haar standpunt verwijst. Aan die uitspraak komt daarom niet de betekenis toe die [naam 1] daar in dit geding aan toegekend wil zien.\n\nSlotsom\n\n7 Het hoger beroep slaagt niet. Het College zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.\n\n8 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet College bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. A. van Gijzen en mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.M. Smorenburg w.g. J.W.E. Pinckaers\n\nBIJLAGE WETTELIJK KADER\n\nTabaks- en rookwarenwet\n\nArtikel 1\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: [..]\n\nhoreca-inrichting: a. inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet; [..]\n\nArtikel 10 1 In de navolgende gevallen is de navolgende persoon of het navolgende orgaan verplicht tot het instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod: [..] e. in een horeca-inrichting: de exploitant van die horeca-inrichting; [..]\n\nAlcoholwet\n\nArtikel 1\n\n1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: [..] – lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een inrichting;\n\n– horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse; [..]\n\n– inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte;\n\n[..]","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:314","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:46.997Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":45,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":60},"588","ECLI:NL:RBGEL:2026:5355","ecli-nl-rbgel-2026-5355",60,"RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 26\u002F2475uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nin de zaak tussen\n [verzoeker] , h.o.d.n. [bedrijf] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigden: mr. E. Terwindt en A. Kahil).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de aanvraag om een Alcoholwetvergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf [bedrijf] , [adres] in [plaats] , te weigeren en verzoeker te gelasten de horeca-inrichting vanaf 20 mei 2026 gesloten te houden voor publiek. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voert hij een aantal gronden aan.1.1.. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.\n\n1.3.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.1.4.. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een alcoholwetvergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf [bedrijf] . De burgemeester heeft deze aanvraag met het besluit van 4 mei 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn partner [partner] en de gemachtigden van de burgemeester.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nSpoedeisend belang\n\n3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. 3.1. De burgemeester heeft het spoedeisend belang betwist. Het bedrijf aan de [adres] is al gesloten en staat bovendien alweer te huur. 3.2. Verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat hij zijn bedrijf conform het besluit van de burgemeester heeft gesloten in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter. Omdat de kosten (huur, personeelslasten en andere kosten) gewoon doorlopen heeft hij ervoor gekozen om het pand te huur te zetten. Met de inkomsten kunnen de kosten betaald worden. Bij toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening kan hij zijn bedrijf heropenen. Een andere huurder is nog niet gevonden. 3.3. Gelet op de nadere toelichting van verzoeker is sprake van voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.Oordeel van de voorzieningenrechter\n\n4. Verzoeker heeft op 25 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een Alcoholwetvergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf [bedrijf] . De burgemeester heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) verzocht advies uit te brengen over de aanvraag. 4.1. Op 23 februari 2026 heeft het LBB advies uitgebracht. Het LBB concludeert na onderzoek dat er een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob). Er is in strijd met de Arbeidstijdenwet, de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en de Wet minimum loon gehandeld. Deze strafbare feiten zijn gepleegd bij horecaondernemingen [bedrijf] in [plaats] en [plaats] en de gevraagde vergunning ziet eveneens toe op de exploitatie van een horecaonderneming. De aangevraagde vergunning maakt het mogelijk om dergelijke strafbare feiten te plegen. Verzoeker heeft bovendien niet op het bibob-formulier vermeld dat de arbeidsinspectie hem een bestuurlijke boete van € 3.000,- heeft opgelegd omdat hij in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen heeft gehandeld. Dat betekent dat het Bibob-formulier valselijk is opgemaakt. Het LBB concludeert daarom dat sprake is van feiten en omstandigheden die redelijkerwijs kunnen doen vermoeden dat ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd, namelijk valsheid in geschrifte (artikel 3, zesde lid van de Wet Bibob). 4.2. De burgemeester heeft op grond van de uitkomst van het Bibob-onderzoek van het LBB en het door de burgemeester zelf uitgevoerde onderzoek besloten de aanvraag voor een Alcoholwetvergunning voor het adres [adres] in [plaats] te weigeren en daarnaast een last onder bestuursdwang opgelegd en verzoeker gelast de horeca-inrichting te sluiten.\n\n5. Verzoeker stelt dat de burgemeester onvoldoende heeft onderbouwd waarom de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het feit dat sprake is van valsheid in geschrifte is volgens verzoeker bovendien onvoldoende feitelijk vastgesteld en onevenredig zwaar meegewogen.\n\n5.1.. Niet in geschil is dat verzoeker de door de arbeidsinspectie op 27 maart 2025 opgelegde bestuurlijke boete niet op het Bibob-formulier heeft gemeld.\n\n5.2.. De burgemeester is op grond van artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob bevoegd de gevraagde vergunning te weigeren indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd, mits de weigering evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.\n\n5.3.. Het is vaste rechtspraak van de Afdelingdat het de taak is van de aanvrager om het Bibob-formulier op juiste wijze in te vullen. Dit formulier bevat de duidelijke en specifieke vraag of de aanvrager de voorgaande vijf jaar in Nederland of het buitenland een bestuurlijke boete van € 340 of meer heeft gekregen. Verzoeker had zich daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen en moeten realiseren dat hij in antwoord daarop de opgelegde bestuurlijke boete had moeten vermelden. Dat hiertegen bezwaar was gemaakt maakt dat niet anders. De vraagstelling op het Bibob-formulier is duidelijk en heeft betrekking op opgelegde bestuurlijke boetes. Die vragen moeten volledig en naar waarheid beantwoord worden. Het is dan aan de burgemeester om te beoordelen of de opgelegde bestuurlijke boete al dan niet een beletsel vormt voor vergunningverlening.\n\n5.4.. Artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob biedt derhalve een grondslag om tot weigering van de gevraagde vergunning over te gaan. Van belang is bovendien dat de bestuurlijke boete is opgelegd wegens het overtreden van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Dat is een feit dat bij uitstek niet is te verenigen met het exploiteren van een horecazaak, en is bovendien ernstig. De horeca is immers een branche die kwetsbaar is voor dit soort strafbare feiten. De aangevraagde vergunning maakt het bovendien mogelijk om dergelijke strafbare feiten te plegen en verzoeker staat in relatie tot de gepleegde feiten.\n\n5.5.. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat weigering van de gevraagde vergunning ook evenredig is. Er is sprake van opzet en verzoeker heeft in de afgelopen 5 jaar meermaals in strijd met arbeidsregelgeving gehandeld, steeds vanuit een horeca-inrichting. Bij een aantal van deze strafbare feiten ging het om werknemers met een kwetsbare positie in de maatschappij (asielzoekers). De aangevraagde vergunning maakt het mogelijk om strafbare feiten als overtredingen van de arbeidswetgeving te plegen. Ook kan de vergunning het plegen van valsheid in geschrifte in algemene zin faciliteren. Volgens de burgemeester is het niet mogelijk om voorwaarden aan de vergunning te verbinden om het gevaar weg te nemen.\n\n5.6.. De voorzieningenrechter stelt vast dat de door de burgemeester gegeven onderbouwing dat het besluit tot weigering evenredig is, met name ziet op de algemene beginselen die aan de Wet Bibob ten grondslag liggen. De specifieke belangen van verzoeker zijn in het geheel niet meegewogen. Het besluit is in die zin onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Wel is de voorzieningenrechter van oordeel dat het aannemelijk is dat de burgemeester dit gebrek in de beslissing op bezwaar kan herstellen. De burgemeester heeft in reactie op de zienswijze namelijk wel aangegeven dat verzoeker als kok in loondienst aan de slag kan en dat de partner van verzoeker een uitkering heeft. Beiden zijn derhalve voor hun inkomen niet puur afhankelijk van de exploitatie van hun horecazaak. Het toewijzen van een verzoek om voorlopige voorziening omdat de belangen van verzoeker onvoldoende zijn meegewogen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter bovendien te verstrekkend. Dit zou er immers op neerkomen dat verzoeker, in weerwil van het advies van het LBB en het door verzoeker gepleegde strafbare feit van valsheid in geschrifte, zou worden toegestaan een horecazaak te exploiteren.\n\n5.7.. Omdat de burgemeester het gebrek naar verwachting kan herstellen is er geen reden om aan te nemen dat het besluit van de burgemeester om de gevraagde Alcoholwetvergunning op grond van artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob te weigeren niet in stand zal blijven. Artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob biedt een zelfstandige bevoegdheid voor de burgemeester om een gevraagde vergunning te weigeren. De voorzieningenrechter zal de vraag of de burgemeester ook mocht weigeren die vergunning te verlenen vanwege het ernstig vermoeden dat met de vergunning strafbare feiten zullen worden gepleegd dan ook niet beoordelen.\n\n6. Omdat verzoeker voor de exploitatie van de horeca-inrichting geen alcoholwetvergunning heeft, en hij ook niet in het bezit is van een exploitatievergunning heeft de burgemeester hem terecht gelast het bedrijf te sluiten en gesloten te houden. De burgemeester hoeft hierbij niet de beslissing op het bezwaarschrift af te wachten.\n\nConclusie 7.De voorzieningenrechter concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Dit gebrek kan evenwel naar verwachting in de beslissing op bezwaar hersteld worden. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is geen aanleiding. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af.\n\n8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4169.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5355","2026-07-13T00:28:38.230Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":69},"1795","ECLI:NL:RBROT:2026:7859","ecli-nl-rbrot-2026-7859",61,"2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F4646\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n [naam verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker\n\nen\n\nde burgemeester van Rotterdam,\n\n(gemachtigden: mr. R. Duivenvoorde en [naam gemachtigde] ).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [persoon A]h.o.d.n.[handelsnaam]uit [plaats 2]\n\n(gemachtigde: mr. M. West) (vergunninghouder).\n\nProcesverloop\n\n1. Bij bestreden besluit van 12 mei 2026 heeft de burgemeester een tijdelijke uitbreiding van de exploitatie- en een alcoholwetvergunning verleend aan vergunninghouder. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigden van de burgemeester en de gemachtigde van vergunninghouder.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n2. Op 28 april 2026 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een terrasvlonder op vier parkeerplaatsen aan de zijkant van de horeca-inrichting aan de [straatnaam 1] .\n\n2.1.. Bij besluit van 12 mei 2026 heeft de burgemeester een tijdelijke uitbreiding verleend op de exploitatie- en alcoholwetvergunning van vergunninghouder voor het plaatsen en in gebruik nemen van een terrasvlonder op vier parkeerplaatsen aan de [straatnaam 1] vanaf 15 mei 2026 tot en met 15 oktober 2026. Het is toegestaan de terrasvlonders dagelijks geopend te hebben tot 01:00 uur.\n\n2.2.. Verzoeker woont aan de [adres] in Rotterdam.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\n4. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nToetsingskader\n\n5. Op grond van artikel 2.28, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (de APV Rotterdam 2012) is het verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.\n\nOp grond van artikel 2.28, vijfde lid, van de APV Rotterdam 2012 weigert de burgemeester de exploitatievergunning of trekt deze in indien:\n\na. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan of het Activiteitenbesluit, zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;\n\nb. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een horecagebiedsplan en voor dat gebied of de locatie geen advies aan de adviescommissie, als bedoeld in artikel 2:28b, wordt of is gevraagd;\n\nc. de exploitant van de inrichting niet voldoet aan de in het vierde lid gestelde eisen.\n\nOp grond van artikel 2.28, zesde lid, onder a, van de APV Rotterdam 2012 kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen of schorsen, indien in of vanuit de openbare inrichting een feit of feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde of het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting nadelig zal worden beïnvloed.\n\nArtikel 2.28, vijfde lid, van de APV Rotterdam 2012\n\n6. Ter zitting is aan de orde gesteld of het tijdelijke terras in overeenstemming is met het omgevingsplan. Dat is in deze procedure van belang omdat de burgemeester de exploitatievergunning moet weigeren als de horeca-inrichting in strijd is met een van de weigeringsgronden uit artikel 2.28, vijfde lid, van de APV Rotterdam 2012. Eén van die weigeringsgronden is dat de vestiging of exploitatie van de horeca-inrichting in strijd is met het omgevingsplan. Het Omgevingsplan gemeente Rotterdam bestaat uit een tijdelijk deel, waarin onder meer het bestemmingsplan “Oude Noorden en Agniesebuurt” is opgenomen. Uit dit bestemmingsplan volgt dat de gronden waarop de terrasvlonder aan de [straatnaam 1] staat, de bestemming “Verkeer – Verblijfsgebied” heeft. Op grond van artikel 24.1, onder i, van de planregels zijn de voor “Verkeer – Verblijfsgebied” aangewezen gronden onder meer bestemd voor terrassen ten behoeve van een horecavestiging die is toegelaten op grond van een aangrenzende bestemming. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in zoverre dus geen omgevingsvergunning vereist voor de terrasvlonder. Tussen partijen is niet in geschil dat één van de andere dwingende weigeringsgronden uit artikel 2.28, vijfde lid, van de APV Rotterdam 2012 niet aan de vergunningverlening in de weg staat.\n\nArtikel 2.28, zesde lid, van de APV Rotterdam 2012\n\n7. Verzoeker voert aan dat de burgemeester de uitbreiding van de exploitatie- en alcoholwetvergunning voor de terrasvlonder aan de [straatnaam 1] niet kon verlenen. Volgens verzoeker zorgt de terrasvlonder samen met de andere terrassen van de horeca-inrichting voor onevenredige (geluids)overlast en hebben omwonenden hier al meermaals melding van gemaakt. Daarbij is de vergunning in strijd met het voorschrift uit de eerder aan vergunninghouder verleende omgevings- en exploitatievergunningen voor het terras aan de [straatnaam 2] . Op grond van dit voorschrift kan alleen gebruik worden gemaakt van het overterras aan de [straatnaam 2] als er gelijktijdig geen (vergunningvrije) gevelzitplaatsen aan de zijde van de [straatnaam 1] worden geplaatst. Verzoeker wijst erop dat dit voorschrift is opgenomen naar aanleiding van het advies van DCMR Milieudienst Rijnmond (DCMR).\n\n7.1.. De burgemeester heeft op de zitting toegelicht dat een aanvraag voor een terrasvlonder wordt getoetst aan de Horecanota. Daarbij wordt ook het woon- en leefklimaat meegenomen. De horecagebiedsadviseur heeft een positief advies gegeven op de aanvraag. Er is sprake van een eerste aanvraag voor een terrasvlonder waarbij geen objectieve overlast is vastgesteld. Er zijn namelijk geen overlastmeldingen over de terrasvlonder. Volgens de burgemeester maakt het voorschrift in de andere omgevings- en exploitatievergunning nog niet dat er geen vergunning kon worden verleend voor de terrasvlonder. Er wordt getoetst per terrasaanvraag. De burgemeester heeft toegelicht dat de vergunning kon worden verleend nu het gaat om een tijdelijke terrasvlonder die past binnen het horecabeleid.\n\n7.2.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt in het bestreden besluit een deugdelijke beoordeling en motivering van de ruimtelijke situatie ter plaatse. De burgemeester heeft weliswaar een (summiere) belangenafweging gemaakt maar de voorzieningenrechter vindt dat hieruit niet blijkt dat de belangen van omwonenden in verband met een goed woon- en leefklimaat kenbaar zijn meegewogen. De e-mail van de horecagebiedsadviseur vindt de voorzieningenrechter in dat opzicht ook volstrekt onvoldoende. Een serieus advies kun je dit niet noemen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat DCMR eerder in het kader van de omgevingsvergunning voor het terras aan de [straatnaam 2] had aangegeven dat het stemgeluid in de avonduren aan de [straatnaam 1] minder moest worden, zodat er zo min mogelijk druk op het woon- en leefklimaat zou worden gelegd. Dat er nog geen objectieve overlast vanwege dit terrasvlonder is vastgesteld en het feit dat de vergunning ziet op het tijdelijk plaatsen en gebruiken van de terrasvlonder, vindt de voorzieningenrechter in het licht van het voorgaande ook onvoldoende voor de conclusie dat de terrasvlonder geen ontoelaatbare nadelige invloed heeft op het woon- en leefklimaat van omwonenden. Omwonenden hebben immers meermaals melding gemaakt van (geluids)overlast van de horeca-inrichting. De burgemeester neemt in zoverre ten onrechte alleen de terrasvlonder in beschouwing bij het beoordelen van de gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse maar het gaat er juist om dat er sprake is van een bestaande horeca-inrichting met bijbehorend terras. De aanvraag maakt daarnaast een tweede terras mogelijk en de burgemeester moet de gevolgen daarvan beoordelen in het licht van wat al reeds is toegestaan. Verder is de vergunning verleend voor de zomerperiode waarin juist veel gebruik zal wordt gemaakt van het terras met de daarbij behorende gevolgen voor de geluidssituatie ter plaatse. De burgemeester had bij de beoordeling van de aanvraag nader moeten onderzoeken en motiveren in welke mate de geluidsproductie van de terrasvlonder aan de [straatnaam 1] van invloed is op het woon- en leefklimaat van omwonenden, mede gelet op de andere terrassen van de horeca-inrichting en het voorschrift in de andere verleende exploitatievergunning en de omgevingsvergunning over het niet gelijktijdig gebruiken van de (gevel)terrassen aan de [straatnaam 2] en [straatnaam 1] . De voorzieningenrechter kan het niet anders zien dan dat zowel in de omgevingsvergunning als in de exploitatievergunning voor de horeca-inrichting met bijbehorend terras aan de [straatnaam 2] van doorslaggevend belang is geacht dat de geluidgevolgen alleen dan aanvaardbaar zijn als er geen terras aan de [straatnaam 1] mogelijk is. Dat het in die procedures ging om een mogelijk gevelterras aan de [straatnaam 1] maakt dat in het licht van een beoordeling van de geluidgevolgen niet anders. Sterker nog, de nu aangevraagde en vergunde terrasvlonder kent meer zitplaatsen en heeft dus vermoedelijk grotere gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. De burgemeester dient dit in de bezwaarfase dan ook nader te onderzoeken en te motiveren.\n\n7.3.. Gelet op de betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het bestreden besluit in de bezwaarfase te schorsen. Hierbij wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan het advies van de DCMR over het stemgeluid aan de [straatnaam 1] en de omstandigheid dat het gaat om een vergunning voor de zomerperiode waarin juist gebruik zal worden gemaakt van het terras.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit van 12 mei 2026 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar.\n\n8.1.. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;\n\n- schorst het bestreden besluit van 12 mei 2026 tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar;\n\n- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\nDe griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7859","2026-07-13T00:29:39.323Z",20,[11,72],2025]