[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-asylum-procedure-nl-2025":3},{"detail":4,"years":217},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":215,"page":14,"limit":216},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},123,"asylum-procedure-nl","Asylum Procedure","NL","2026-07-08T16:57:28.077Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":17},4,{"month":23,"count":19},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":17},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":31},11,{"month":37,"count":14},12,[39,53,63,72,79,89,97,107,116,124,133,143,153,162,171,180,189,198,206],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"645","ECLI:NL:RBDHA:2025:24373","ecli-nl-rbdha-2025-24373","",67,"2025-12-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.35398\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. Eiseres heeft, nadat een beslissing op haar asielaanvraag is vernietigd bij uitspraak van 6 september 2023, twee keer eerder rechtsgeldig beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag. Bij uitspraak van 19 maart 2025heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het voorlaatste beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de asielaanvraag onder verbeuring van een dwangsom van € 200,- voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.\n\n1.1. Eiseres heeft weer beroep ingediend tegen het uitblijven van een besluit op haar asielaanvraag. In deze uitspraak beslist de rechtbank over dit beroep.\n\n1.2. Partijen hebben toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), al dan niet impliciet door niet tijdig te reageren op de door de rechtbank gegeven termijn, om een behandeling van het beroep op zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\n3. Op grond van de rechtbankuitspraak van 19 maart 2025 had verweerder uiterlijk op 3 april 2025 een besluit moeten nemen op de asielaanvraag van eiseres. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is overschreden. Eiseres heeft na het verstrijken van deze termijn beroep ingediend. Het beroep is daarom gegrond. In deze situatie is het niet vereist dat eiseres verweerder eerst in gebreke stelt alvorens beroep in te kunnen stellen.\n\n4. Verweerder dient gevolg te geven aan de rechtbankuitspraak van 19 maart 2025 en wordt geacht er alles aan te doen om de uitspraak na te leven. In de uitspraak van 8 juli 2020heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat in asielzaken de rechter er rekening mee houdt dat verweerder aanvragen binnen een redelijke termijn moet hebben behandeld en dus geen onnodig lange nadere termijn stelt en in ieder geval de bovengrens van 21 maanden in acht neemt. Voorts heeft de Afdeling geoordeeld dat bij bepaling van de nadere termijn de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. Kortom, de rechter stelt de nadere termijn zodanig dat deze in redelijkheid niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is. In lijn met deze rechtspraak en in acht nemend dat de bovengrens van 21 maanden is overschreden, acht de rechtbank een termijn van vier weken niet onredelijk lang of onrealistisch kort.\n\n5. De in 4 genoemde termijn gaat niet eerder lopen dan nadat de termijn van de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom is volgelopen. In deze situatie is de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom al volgelopen.\n\n6. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb te bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat de hiervoor genoemde termijn verder wordt overschreden. De rechtbank ziet aanleiding om bij een opvolgend beroep niet tijdig beslissen terug te komen op de vaste gedragslijn dat bij een opvolgend beroep een hogere dwangsom wordt bepaald. Reden hiervoor is dat de Afdeling in haar uitspraak van 21 mei 2025heeft overwogen dat een veel hogere dwangsom eerder uitzondering dan regel moet zijn. Alleen als een sterke prikkel nodig is vanwege de weigerachtigheid van verweerder of vanwege een bijzonder spoedeisend belang om te beslissen, is er aanleiding om de dwangsom te verhogen. Daarvan is in deze zaak sprake. Verweerder heeft bij rechterlijke uitspraak drie keer een termijn gekregen om te beslissen. Telkens heeft verweerder hieraan niet voldaan. Hoewel de rechtbank zich ervan bewust is dat de sterkte van de prikkel beperkt is gezien de achterstanden bij verweerder, gaat ze hier nu toch toe over, aangezien de belangen van de drie minderjarige kinderen van eiseres ook in het geding zijn.\n\n6.1.. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bepalen dat verweerder toch een dwangsom van € 200,- verbeurt voor elke dag dat de hiervoor genoemde termijn verder wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 6.1 genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond;\n\n- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 200,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn verder overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van S.A. Bournas, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2023:13702.\n\n NL24.46084.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n ECLI:NL:RVS:2020:1560.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:2337.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24373","2025-12-18T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:40.867Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"384","ECLI:NL:RBDHA:2025:22742","ecli-nl-rbdha-2025-22742",58,"2025-11-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\n zaaknummers: NL25.47417 en NL25.47421uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n\n [eiser], V-nummer: [v-nummer 1] , eiser,[eiseres], V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres,\n\ntezamen aangeduid als eisers,\n\n(gemachtigde: mr. B. Manawi),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: C.A. van Es).\n\nProcesverloop\n\n1. Eiser heeft op 30 september 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiseres heeft op 6 september 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 24 september 2025 deze aanvragen in de algemene procedure afgewezen als niet-ontvankelijk.\n\n1.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, T. Yilihamu als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\nHet asielrelaas\n\n2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1996. Eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 2002. Eisers hebben de Chinese nationaliteit en zij behoren tot de Oeigoeren. Eisers zijn op religieuze wijze met elkaar getrouwd. Eiser is uit China vertrokken om in vrijheid te kunnen studeren. Eiseres is uit China vertrokken, omdat haar familie zich niet veilig voelde in China. Eiser heeft van 2014 tot 2025 rechtmatig in Turkije verbleven. Eiseres heeft van april 2016 tot 2025 rechtmatig in Turkije verbleven. Eisers stellen dat zij zijn weg gegaan uit Turkije, omdat hun verblijfsvergunning is ingetrokken.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Verweerder vindt dat Turkije voor eisers als veilig derde land kan worden beschouwd. Eisers hebben allereerst een band met Turkije. Ook is het volgens verweerder aannemelijk dat eisers opnieuw tot Turkije zullen worden toegelaten. Bovendien is niet gebleken dat Turkije voor eisers niet veilig is. Gelet hierop, heeft verweerder de aanvraag van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Ook dienen eisers onmiddellijk te vertrekken naar Turkije en is er een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.\n\nWat vinden eisers in beroep?\n\n4. Allereerst heeft verweerder ten onrechte de verkeerde toetsingsvolgorde gehanteerd. Verweerder had volgens Afdelingsjurisprudentieeerst moeten nagaan of Turkije in algemene zin veilig is, waarna kan worden onderzocht of de vreemdeling een zodanige band heeft dat het voor hem kan worden aangemerkt als veilig derde land. Uit Afdelingsjurisprudentie volgt dat verweerder zelf actief en aan de hand van actuele, objectieve en verifieerbare informatiebronnen moet onderzoeken of een land aan de in artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit genoemde beginselen voldoet, voordat het kan worden aangemerkt als veilig derde land. Door enkel passages te herhalen uit ambtsberichten voor 2021 heeft verweerder dit onvoldoende gedaan. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat eisers een band hebben met Turkije. Ook betekent eerder verblijf in Turkije niet dat eisers daardoor ook daadwerkelijk bescherming kunnen krijgen. Verder heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat de toelating tot Turkije aannemelijk is. Verweerder heeft in strijd met Afdelingsjurisprudentie geen concreet onderzoek verricht naar de toelatingspraktijk van Turkije. Bovendien hebben eisers verklaard dat hun gegevens niet langer zichtbaar zijn in het Turkse digitale registratiesysteem en dat Oeigoeren zonder vergunning worden gedetineerd en uitgezet. Daarnaast heeft verweerder miskent dat de situatie van Oeigoeren in Turkije sinds 2017 is verslechterd, zoals blijkt uit de overgelegde brief van VluchtelingenWerk (VWN) Nederland. Tot slot zijn het terugkeerbesluit en het inreisverbod onzorgvuldig en disproportioneel, nu de asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n4.1.. Ten aanzien van eiseres wordt nog het volgende aangevoerd. Verweerders redenering dat er meer documenten overgelegd hadden moeten worden is onzorgvuldig zonder te specificeren welke stukken er ontbreken of waarom de overlegde documenten onvoldoende zijn. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiseres zelf informatie kan opvragen bij de Turkse autoriteiten, nu zij heeft aangevoerd dat zij niet langer toegang heeft tot het systeem.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\nToetsingskader\n\n6. Verweerder kan op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een derde land voor die vreemdeling als veilig derde land kan worden beschouwd. Met het IB 2024\u002F26 staat vast dat verweerder Turkije in zijn algemeenheid niet als een veilig derde land aanmerkt. In geschil is of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat Turkije voor eisers wel als veilig derde land aan te merken is.\n\n6.1.. Verweerder kan in een concreet geval beoordelen of een land voor de specifieke vreemdeling een veilig derde land is. Aan die tegenwerping moet gedegen onderzoek ten grondslag liggen. Verweerder moet bepaalde informatiebronnen over de algemene situatie in een bepaald land bij zijn oordeel betrekken, en het door hem verrichte onderzoek en de daarop gebaseerde beoordeling ook inzichtelijk maken. Uit dit onderzoek moet blijken dat een vreemdeling in het derde land overeenkomstig de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zal worden behandeld. Als verweerder aan de hand van zorgvuldig onderzoek deugdelijk heeft gemotiveerd dat een vreemdeling in het derde land volgens de hiervoor bedoelde beginselen wordt behandeld, kan hij dit alleen tegenwerpen als die vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor die vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan.Bovendien kan verweerder alleen tegenwerpen dat een derde land voor een specifieke vreemdeling een veilig derde land is, als verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat die vreemdeling wordt toegelaten tot dat land.\n\n6.2.. Verweerder moet aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van die vreemdeling, redenen aandragen waarom toelating in beginsel mogelijk moet zijn. Vervolgens is het aan die vreemdeling om met tegenbewijs te komen door voldoende twijfel te zaaien dat de door verweerder geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dat land in zijn of haar geval niet aanwezig zijn.Daarnaast is het aan de vreemdeling om inspanningen te verrichten om daadwerkelijk te worden toegelaten tot het veilige derde land, tenzij niet van hem of haar kan worden verlangd dat hij of zij opnieuw probeert toegang tot en verblijf in dat land te krijgen.\n\n6.3.. Een inhoudelijke beoordeling van de situatie in een bepaald land is overbodig indien niet kan worden geoordeeld dat de band van een vreemdeling met dat land zodanig is dat het voor hem redelijk is daar naartoe te gaan of aannemelijk is dat die vreemdeling niet wordt toegelaten tot dat land. Verweerder dient die vragen te beantwoorden voordat wordt toegekomen aan de vraag of die vreemdeling in dat land wordt behandeld overeenkomstig de vereisten waaraan een veilig derde land moet voldoen.\n\nMocht verweerder Turkije als veilig derde land aanmerken voor eisers?\n\n7. Allereerst volgt de rechtbank het standpunt van eisers niet dat verweerder ten onrechte een verkeerde toetsingsvolgorde heeft gehanteerd. Volgens eisers blijkt uit Afdelingsjurisprudentiedat verweerder eerst had moeten nagaan of Turkije in algemene zin veilig is, waarna kan worden onderzocht of de vreemdeling een zodanige band heeft dat het voor hem kan worden aangemerkt als veilig derde land. Gelet op hetgeen onder 5.3 is overwogen, is dit standpunt van eisers niet juist. 7.1. Verweerder mocht zich verder op het standpunt stellen dat de verblijfsvergunning van eisers niet is ingetrokken. Door eisers is namelijk niet aangetoond dat zij geen verblijfsrecht meer zouden hebben, terwijl zij wel in de gelegenheid zijn gesteld om dit te onderbouwen. Verweerder heeft daarbij mogen tegenwerpen dat niet is gebleken dat eisers enige inspanning hebben verricht om alsnog aan documenten te komen. Eisers hebben aangevoerd dat het moeilijk voor hen was om aan documenten te komen, omdat zij in bewaring zitten en omdat eiseres laaggeletterd is. Verweerder heeft mogen vinden dat van eisers mag worden verwacht dat zij meer documenten hadden overgelegd om hun verblijfsrecht in Turkije aan te tonen, ook al zitten eisers in bewaring en is eiseres laaggeletterd. Eisers hadden namelijk hulp kunnen inschakelen van hun familie dan wel hun gemachtigde. Bovendien heeft verweerder in het bestreden besluit van eiseres uiteengezet welke documenten er van eiseres verwacht konden wordenen tijdens het gehoor is haar uitgelegd wat het belang hiervan is.Het standpunt van eiseres dat de motivering van verweerder onzorgvuldig is zonder te specificeren wat er van haar mag worden verwacht, volgt de rechtbank dan ook niet. Daarnaast is niet gebleken dat eisers te vrezen hebben voor de Turkse autoriteiten. Zij hebben ook niet aangevoerd dat zij problemen hebben met de Turkse autoriteiten. Eisers hadden zich dus ook tot de Turkse autoriteiten kunnen wenden om informatie te verkrijgen over hun verblijfsstatus.\n\nBand met Turkije7.2.. Gelet op Afdelingsjurisprudentiekan een band worden aangenomen wanneer een vreemdeling in het verleden in dat land heeft gewoond. Niet in geschil is dat eisers geruime tijd in Turkije hebben verbleven. Eiser heeft namelijk van 2014 tot 2025 in Turkije verbleven en eiseres van april 2016 tot 2025. Niet is gebleken dat eisers gedurende hun verblijf in Turkije niet mee hebben kunnen draaien in de Turkse maatschappij. Zo spreekt eiser Turks en heeft hij ook gestudeerd. Eisers hebben de mogelijkheid gehad om deel te nemen aan de Turkse samenleving en zij hebben toegang gehad tot voorzieningen. Het standpunt van eisers dat eerder verblijf in Turkije niet betekent dat eisers daardoor ook daadwerkelijk bescherming kunnen krijgen, volgt de rechtbank niet. Voor het vaststellen van een zodanige band dat het voor een vreemdeling redelijk zou zijn om naar dat land te gaan, is niet van belang of die vreemdeling ook daadwerkelijk bescherming kan krijgen.\n\n7.3.. Het standpunt van eisers dat verblijf van familie in het derde land geen reden is om een band met dat land aan te nemen, volgt de eveneens rechtbank niet. Gelet op Afdelingsjurisprudentiekan verblijf van familie in het derde land juist bijdragen aan het vaststellen van de band met dat land. Verweerder heeft dit dus mogen betrekken in zijn beoordeling.\n\n7.4.. \n\nGelet op het voorgaande, is de rechtbank daarom van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat voor eisers sprake is van een zodanige band met Turkije dat het voor hen redelijk zou zijn om naar Turkije te gaan.\n\nToelating tot Turkije\n\n8. Verweerder heeft mogen vinden dat het aannemelijk is dat eisers worden toegelaten tot Turkije. Gelet op hetgeen overwogen onder 7.1., mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat de verblijfsvergunningen van eisers niet zijn ingetrokken en dat zij dus nog geldig verblijfsrecht hebben. Verweerder heeft dit dus mogen betrekken bij de beoordeling of eisers worden toegelaten tot Turkije. Verweerder heeft daarnaast mogen betrekken dat eisers een Chinees paspoort hebben en dat eisers hebben verklaard dat familie al eerder toegelaten is tot Turkije. Gelet op Afdelingsjurisprudentie, heeft verweerder zich ook op het standpunt mogen stellen dat eisers al eerder zijn toegelaten tot Turkije en dat het mede daardoor aannemelijk is dat eisers opnieuw zullen worden toegelaten tot Turkije. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2. hoeft verweerder alleen aannemelijk te maken dat eisers in beginsel worden toegelaten tot Turkije en dat heeft hij gedaan. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat zij niet worden toegelaten en daar zijn zij niet in geslaagd. Daarnaast is niet gebleken dat er door eisers inspanningen zijn verricht om alsnog te worden toegelaten tot Turkije, hetgeen wel van eisers mag worden verwacht.\n\n8.1.. Verder heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eisers nog steeds in de digitale systemen van Turkije kunnen. Eisers hebben namelijk niet aannemelijk gemaakt dan wel onderbouwd dat zij niet meer kunnen inloggen in deze digitale systemen. Gelet op hetgeen onder 7.1. overwogen, heeft verweerder in zijn beoordeling over toelating tot Turkije niet ten onrechte niet meegenomen dat de verblijfsstatus van eiser is ingetrokken en dat zijn gegevens zouden zijn verdwenen.\n\n8.2.. Het standpunt van eisers dat verweerder zich niet had mogen beroepen op informatie afkomstig van Turkse overheidssites, omdat deze bronnen niet onafhankelijk zijn, volgt de rechtbank niet. De Turkse overheidssites geven namelijk informatie over de toelating tot Turkije. Verweerder heeft dit daarom mogen betrekken bij zijn beoordeling. Verder hebben eisers aangevoerd dat uit een bron uit het Ambtsbericht blijkt dat de Turkse overheid zich niet welwillend zouden opstellen om Oeigoeren weer toe te laten.De rechtbank is het met verweerder eens dat uit één bron niet kan worden geconcludeerd dat eisers niet zullen worden toegelaten tot Turkije.\n\n8.3.. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat eisers in beginsel tot het grondgebied van Turkije zullen worden toegelaten en dat eisers niet hebben aangetoond dat dit niet het geval is.\n\nIs Turkije voor eisers een veilig derde land?\n\n9. Uit hetgeen eisers in beroep naar voren hebben gebracht over Turkije en de situatie van Oeigoeren kan niet worden afgeleid dat eisers in Turkije niet zullen worden behandeld overeenkomstig de beginselen genoemd in artikel 3.106a van het Vb 2000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn besluitvorming, onder verwijzing naar landeninformatie van Turkije, voldoende gemotiveerd dat ten aanzien van Turkije aan deze voorwaarden wordt voldaan. Verweerder heeft daarbij gebruik gemaakt van actuele informatie, waaronder het meest recente ambtsbericht van Turkije van 2025. Eisers standpunt dat dit ambtsbericht onvoldoende inzichtelijk is, omdat er gebruik wordt gemaakt van vertrouwelijke bronnen, volgt de rechtbank niet. De Afdeling heeft namelijk eerder overwogen dat een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming in asielzaken van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.Voor zover mogelijk en wanneer het verantwoord is dienen de bronnen uit het ambtsbericht dus openbaar te zijn. Hieruit volgt echter niet dat verweerder niet van de informatie van het ambtsbericht uit mag gaan, wanneer in het ambtsbericht onder andere gebruik is gemaakt van vertrouwelijke bronnen. Bovendien hebben eisers met de enkele stelling dat het ambtsbericht niet inzichtelijk is door verwijzing naar vertrouwelijke bronnen, onvoldoende aangetoond dat er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht Turkije waarnaar verweerder heeft verwezen.\n\n9.1.. Daarnaast is het non-refoulement beginsel ten aanzien van eisers in de periode dat zij in Turkije woonden gerespecteerd door de Turkse autoriteiten en hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat dit nu anders zal zijn. Hoewel eisers erop wijzen dat in de afgelopen jaren in Turkije wel incidenten zijn geweest met Oeigoeren die zijn uitgezet, acht de rechtbank dit onvoldoende om de algemene situatie als onveilig te beoordelen, gelet op het aantal personen waarop die incidenten zagen in verhouding tot het grote aantal Oeigoeren dat in Turkije verblijft. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eisers geen argumenten hebben aangedragen waarom Turkije specifiek voor hen niet veilig is. Zo heeft eiser verklaard dat hij in Turkije nooit door de Chinese autoriteiten is benaderden heeft eiseres verklaard dat zij in Turkije nooit problemen heeft gehad met de Chinese autoriteiten.De informatie uit de brief van VWN maakt het voorgaande niet anders, nu de door eiser aangevoerde passages uit deze brief enkel van één persoon komen. Ten aanzien van het uitleveringsverdrag tussen China en Turkije overweegt de rechtbank tot slot dat Turkije dit verdrag tot op heden niet heeft geratificeerd. Er zijn daarnaast geen indicaties dat het in de toekomst geratificeerd gaat worden en dit is eveneens niet door eisers in beroep aangevoerd.\n\n10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvragen op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daarom ook op goede gronden een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 6 mei 2024, (ECLI:NL:RVS:2024:1879).\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:122.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling, van 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1480.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3378, ECLI:NL:RVS:2017:3379, ECLI:NL:RVS:2017:3380 en ECLI:NL:RVS:2017:3381 en de uitspraak van 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1480.\n\n Uitspraak van de Afdeling, van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1879.\n\n Voornemen eiseres, 18 september 2025, pagina 2.\n\n Gehoorverslag nader gehoor, pagina 6.\n\n Zie uitspraak Afdeling, van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3379, r.o. 6.1.\n\n Zie uitspraak Afdeling, van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3379, r.o. 6.1.\n\n Zie uitspraak Afdeling, van 11 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4358, r.o. 3.2.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 101.\n\n Algemeen ambtsbericht Turkije, februari 2025.\n\n Zie uitspraak van de Afdeling, van 1 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3795, r.o. 2.1.\n\n Gehoorverslag nader gehoor eiser, pagina 12.\n\n Gehoorverslag nader gehoor eiseres, pagina 15.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22742","2025-12-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.079Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"380","ECLI:NL:RBDHA:2025:23344","ecli-nl-rbdha-2025-23344","2025-11-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.35417\n uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. E. Arslan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Deniz).\n\nSamenvatting\n\n1. Eiser komt uit Turkije. Hij is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Per 1 december 2023 is het Nederlandse beleid voor asielaanvragen van Gülen-aanhangers strenger geworden. Per 1 juli 2024 is het beleid voor groepen zoals Gülen-aanhangers, nog strenger geworden. De asielaanvraag van eiser is ruim voor beide beleidswijzigingen ingediend. De rechtbank oordeelt dat beide wijzigingen in het beleid niet onredelijk zijn. Ook mocht verweerder bij de beslissing op de asielaanvraag uitgaan van het nieuwe beleid. Op grond van de informatie over Turkije en de individuele situatie van eiser mocht verweerder de asielaanvraag van eiser afwijzen. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser persoonlijk in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten.\n\n1.2.. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Onder 2 is het verloop van deze procedure weergegeven. Vanaf 3 zijn de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en het bestreden besluit zelf beschreven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 13 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vwingediend. Hij heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [datum] 2005. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 september 2024 de aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep behandeld op zitting op 29 oktober 2024. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder mr. A.T.M. Vroom-van Berckel deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.\n\nDaarna is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.\n\n2.3.. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Het beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen van twee andere Turkse vreemdelingen tegen de beslissing op hun asielaanvragen.\n\nFeiten en omstandigheden\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.\n\n3.1.. Eisers vader was betrokken bij de Gülen-beweging. Zijn vader werd na de couppoging in 2016 ontslagen. Eiser zelf heeft op scholen gezeten die gelieerd waren aan de Gülen-beweging. Eisers school werd in 2016 gesloten. Eiser is toen naar meerdere staatsscholen gegaan. Daar werd hij gediscrimineerd door de docenten en de leerlingen. Eisers psychische toestand is daardoor verslechterd. Hij raakte sociaal geïsoleerd. Familieleden namen afstand van eiser en zijn gezin vanwege het risico te worden beschuldigd van terrorisme als zij met eiser en zijn vader in verband zouden worden gebracht. Zijn vader is strafrechtelijk vervolgd door de Turkse autoriteiten. Hij heeft enige tijd in de gevangenis gezeten. Hij is vrijgesproken van de aanklachten en dat is in december 2023 in cassatie bevestigd.\n\n3.2.. Na de couppoging en de gevangenneming van zijn vader is eiser actiever geworden voor de Gülen-beweging. Hij is doorgegaan met deelname aan bijeenkomsten (sobhets). Ook is hij omgegaan met jongens van wie de vaders ook gevangen waren gezet. Hij heeft verder geld doen toekomen aan zijn vader toen die in detentie zat in 2017.\n\n3.3.. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Turkije zal worden opgepakt omdat hij met de Gülen-beweging in verband kan worden gebracht. Ook is eiser in Nederland actief betrokken bij de Gülen-beweging en gaat hij naar bijeenkomsten. Eiser vreest dat de Turkse inlichtingendienst in Nederland actief is en daarom weet wie hij is.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:\n\n1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\n2. eisers betrokkenheid bij de Gülen-beweging.\n\n4.1.. Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. Hij acht echter eisers vrees om opgepakt te worden of gediscrimineerd te worden niet aannemelijk. Verweerder neemt daarbij in aanmerking dat eiser als Gülen-aanhanger valt onder het risicoprofiel genoemd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vc.Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser staat volgens verweerder niet in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten.4.3.. Tegen eiser is ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd en hij moet Nederland binnen vier weken verlaten.\n\nGeschilpunten partijen\n\n5. Eiser heeft in beroep geageerd tegen twee wijzigingen in het beleid van verweerder ten aanzien van Turkije ten nadele van hem. Het betreft een wijziging per 1 december 2023 en één per 1 juli 2024. Volgens eiser zijn beide wijzigingen in strijd met het recht. Daarnaast heeft eiser gesteld dat verweerder niet tijdig heeft besloten op zijn aanvraag. Als verweerder dat wel had gedaan, waren beide beleidswijzigingen niet van toepassing geweest en had eiser internationale bescherming gekregen. Tot slot heeft eiser gesteld dat hij, ook als rekening wordt gehouden met de beide beleidswijzigingen, recht heeft op internationale bescherming.\n\n5.1.. Verweerder heeft dit alles weersproken en handhaaft zijn beslissing.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n6. De rechtbank bespreekt hierna de geschilpunten van partijen. Eerst zal de rechtbank toetsen of de twee beleidswijzigingen niet onredelijk zijn. Daarna zal de rechtbank oordelen over het standpunt dat eiser internationale bescherming moet krijgen omdat verweerder eerder had moeten beslissen op zijn aanvraag. Tenslotte zal worden ingegaan op de vraag of eiser op grond van zijn individuele omstandigheden een asielvergunning had moeten krijgen.\n\n6.1.. Met het bestreden besluit heeft verweerder ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.\n\nIs de strengere toets voor Gülen-aanhangers per 1 december 2023 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 december 2023\n\n7. De groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” in Turkije werd als risicogroep aangemerkt. Bij de beoordeling van de vrees op vervolging werd rekening gehouden met het willekeurige karakter van het optreden van de Turkse autoriteiten jegens mogelijke aanhangers van de Gülen-beweging. Dit was het gevolg van een uitspraak van de Afdelingen het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 31 oktober 2019. In de Vc was daartoe de volgende passage opgenomen:\n\n“Ten aanzien van (toegedichte) Gülen-aanhangers geldt aanvullend dat indien van geringe indicaties niet is gebleken, de IND de risico’s bij terugkeer beoordeelt in het licht van de diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten.”\n\nDe passage leidde tot een ruimer beoordelingskader dan gebruikelijk bij risicogroepen. Ook zonder geringe indicaties werd al snel een risico op vervolging aangenomen.\n\n7.1.. Het hiervoor geciteerde beleid is per 1 december 2023 vervallen.Toegelicht is dat uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van 31 augustus 2023 (hierna: AAB 2023) blijkt dat de intensiteit van de strafrechtelijke vervolging van mogelijke Gülen-aanhangers is afgenomen en dat de rechtspraak in Turkije strenger toetst als personen verdacht worden van het aanhangen van de Gülen-beweging. Als gevolg van deze twee ontwikkelingen is de willekeur die voorheen prominent een rol speelde bij strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet in dezelfde mate aan de orde, aldus de toelichting.\n\nIs de wijziging niet onredelijk?\n\n8. Volgens eiser is de wijziging van het beleid per 1 december 2023 onterecht omdat deze in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag deze wijziging niet aan eiser worden tegengeworpen. Verweerder bestrijdt dit.\n\n8.1.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daartoe het volgende.\n\n8.2.. Eiser heeft gesteld dat niet van de informatie in het AAB 2023 mag worden uitgegaan. Volgens eiser is het AAB 2023 beïnvloed door de onjuiste wijze van verkrijging daarvan, gezien de vraagstelling in de zogenoemde ‘Terms of Reference’ van 28 april 2023. Dit heeft eiser echter onvoldoende onderbouwd. Er is gevraagd om algemene en concrete informatie. De concreet gevraagde informatie betreft ook Gülenisten en rechtsbescherming van hen en anderen. Dit acht de rechtbank voldoende. De informatie in het AAB 2023 kan dus worden gebruikt voor de beoordeling van de situatie in Turkije per 1 december 2023.\n\n8.3.. Het AAB 2023 bevat weinig concrete informatie en er zijn meerdere voorbehouden in gemaakt. Zo staat er dat het lastig was om verifieerbare informatie te vinden over de situatie van (vermeende) Gülenisten in Turkije, dat de informatie over hun situatie schaars, verbrokkeld en anekdotisch van aard was, dat het onduidelijk was hoeveel arrestanten er in voorarrest verbleven of voorwaardelijk waren vrijgelaten en in hoeveel gevallen er een rechtszaak was geïnitieerd, als ook dat de bronnen de gestelde afname in intensiteit van de vervolging van Gülenisten niet nader konden onderbouwen met concrete gegevens. De informatie die echter wél concreet in het AAB 2023 staat vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de per 1 december 2023 gewijzigde tekst van het beleid en daarop gegeven toelichting te dragen. Volgens de landeninformatie komt vervolging van Gülenisten nog steeds op grote schaal voor. Het AAB 2023 vermeldt daarover dat gedurende de voorgaande twee verslagperiodes met regelmaat arrestaties op grotere of kleine schaal plaatsvonden van Gülenisten en dat deze situatie hetzelfde is gebleven. Uit de landeninformatie kan evenwel niet worden afgeleid dat de situatie voor Gülenisten dusdanig is dat – ook bij het ontbreken van geringe indicaties – vrij snel een risico op vervolging moet worden aangenomen. Dit zou in feite neerkomen op het aannemen van groepsvervolging, waarbij het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvan is alleen sprake als Gülenisten systematisch worden blootgesteld aan vervolging. De rechtbank ziet in het AAB 2023, maar ook in de door eiser ingebrachte informatie, geen aanleiding om aan te nemen dat daarvan sprake is. Daarbij is van belang dat er in Turkije volgens het AAB 2023 meer rechterlijke bescherming voor Gülen-aanhangers is dan voorheen. De verschillende criteria die konden leiden tot de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten, zoals het hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya en het hebben gedownload van de ByLock-app, gelden volgens het AAB 2023 nog steeds, maar het gebruik daarvan is in jurisprudentie aangescherpt. Gewezen wordt op diverse uitspraken van het Turkse Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie.\n\n8.4.. De door eiser ingebrachte landeninformatie wijkt in essentie niet af van de informatie in het AAB 2023. Eiser beroept zich op een stuk van J. Vande Lanotte.Daarin staat dat de vermindering in het aantal gerechtelijke acties en detenties deels te verklaren valt door de omstandigheid dat veel mensen zijn veroordeeld of zijn gevlucht. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Volgens Vande Lanotte zijn de kansen op vervolging niet afgenomen en gaat het nog steeds om 3000 à 4000 zaken per jaar. Dit laatste aantal acht de rechtbank, gezien de in het AAB 2023 vermelde cijfers, laag. Het bevestigt dan ook dat de intensiteit van de vervolging is afgenomen, zoals het AAB 2023 vermeldt, en niet dat de kansen op vervolging niet zijn afgenomen, zoals Vande Lanotte schrijft en eiser stelt. Volgens de Finse informatie over Turkijewaarop eiser zich beroept, is nog steeds sprake van dezelfde vervolgingscriteria die eerder golden. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Verder staat in de Finse informatie dat Turkse rechters geen uitvoering geven aan uitspraken van hogere rechters, er nog steeds sprake is van extreme willekeur voor vervolging en worden personen voor een tweede keer vervolgd, ondanks eerdere vrijspraak. Deze informatie stemt ook overeen met het AAB 2023. Daarin staat namelijk dat gezien de omvang van de Gülen-beweging in het verleden niet altijd duidelijk was hoe de Turkse autoriteiten beslisten welke Gülen-aanhangers dienden te worden opgepakt, dat het beantwoorden van de vraag welke Gülenisten het meeste risico liepen werd bemoeilijkt door meerdere omstandigheden en dat mensen, ondanks de ontwikkelingen in de rechtsgang, nog steeds relatief makkelijk konden worden verdacht van de betrokkenheid bij de Gülen-beweging.Dit alles wijst erop dat Gülenisten nog steeds het doelwit zijn van arrestaties en strafrechtelijke en andersoortige vervolging door de Turkse autoriteiten als ook dat onduidelijk is op welke gronden zij dat zijn. Het doet echter niet af aan de in de vorige paragraaf vermelde verbeterde rechtsbescherming door hogere rechterlijke instanties. Het leidt er ook niet toe dat sprake is van groepsvervolging van Gülenisten.\n\n8.5.. Na de zitting is het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 (AAB 2025) gepubliceerd. Partijen hebben hier inhoudelijk op gereageerd. Het beeld in het AAB 2025 is voor wat betreft Gülenisten niet relevant gewijzigd ten opzichte van het eerdere ambtsbericht. Zo staat in het AAB 2025 dat de situatie omschreven in AAB 2023 voortduurt. De aantallen strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen van Gülenisten waren relatief laag in vergelijking met de situatie vóór 2020. Volgens Turkse overheidsgegevens over juli 2024 zette de dalende trend in aantallen arrestaties en detenties door: van 19.252 in juli 2022 naar 13.251 in juli 2024. Ook het aantal opgepakte Gülenisten nam af: van 22.458 in 2021 naar 9.639 in 2023. Anderzijds blijkt uit het AAB 2025 dat de vervolging van Gülenisten doorging. Mensen konden nog steeds relatief gemakkelijk worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Bronnen omschrijven de vervolging als extreem willekeurig en onvoorspelbaar.De criteria die werden gebruikt voor vervolging, zoals het hebben van een bankrekening bij Bank Asya of het gebruik van de ByLock-app, bleven ook van kracht.Daarbij komt dat sommige lagere rechtbanken, ondanks de aanscherpingen in de rechtspraak van het gebruik van de criteria, de uitspraken van hogere rechtbanken naast zich neerlegden. Er werd aldus niet eenduidig omgegaan met Gülenzaken.Deze onzekerheid doet echter niet af aan de afname van de vervolging van Gülenisten. Er blijkt uit deze informatie niet dat het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om een vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvoor zijn de aantallen van vervolgde Gülenisten nu te laag.\n\n8.6.. De rechtbank concludeert dat de situatie voor Gülenisten in Turkije zorgelijk is, maar niet zodanig dat verweerder méér bescherming diende te bieden dan hij met de beleidswijziging per 1 december 2023 heeft gedaan. Het risico dat zij lopen is, mede gezien de Turkse rechtsbescherming, niet zo hoog dat vrees op vervolging gegrond is of een reëel risico op ernstige schade wordt gelopen alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger. Gezien de over Turkije bekende informatie behoeft per 1 december 2023 geen verdergaande bescherming te worden geboden aan mogelijke of werkelijke Gülen-aanhangers dan uit dit beleid volgt.\n\n8.7.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de wijziging van risicogroep\u002Fkwetsbare minderheidsgroep naar risicoprofiel per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 juli 2024\n\n9. Volgens het landenbeleid ten aanzien van Turkije, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit als ook heden, is de groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” aangemerkt als een risicoprofiel in de zin van paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc. Vóór 1 juli 2024 gold dat sprake was van een risicogroep in de zin van paragraaf C2\u002F3.2.\n\n9.1.. De beleidswijziging geldt ten aanzien van alle gevallen waarvoor verweerder vóór 1 juli 2024 het begrip risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep hanteerde. Volgens de toelichting op de beleidswijzigingkonden binnen het oude groepenbeleid zowel groepen die groot als groepen die een kleiner risico liepen worden aangewezen, terwijl voor beide groepen dezelfde lagere bewijslast gold. Tevens gold de lagere bewijslast voor alle vreemdelingen die behoorden tot de betreffende groep, los van hun positie binnen deze groep, ook al kon het risico blootgesteld te worden aan vervolging\u002Fernstige schade binnen diezelfde groep verschillen. Gewenst was om meer gewicht te geven aan de individuele beoordeling, aldus de toelichting. Naar aanleiding hiervan is paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc ingevoerd.Daarin staat nu dat op basis van landeninformatie een groep als risicoprofiel kan worden aangewezen als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. Voor de vreemdeling die behoort tot een groep waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling. Aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de IND of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt of heeft gelopen, aldus staat in paragraaf C2\u002F2.4. van de Vc.\n\nIs de wijziging van het beleid per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\n10. Volgens eiser is de vervanging van het begrip ‘risicogroep’ in risicoprofiel in strijd met het recht, in het bijzonder het Europese recht. Eiser doet een beroep op arresten van het Europees Hof voor de rechten van de Mensen een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.Daarnaast voert eiser aan dat de beleidswijziging in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag de wijziging per 1 juli 2024 niet aan eiser worden tegengeworpen.\n\n10.1.. Verweerder heeft dit alles bestreden. Het beleidsmatige voordeel voor vreemdelingen op grond van het beleid voor 1 juli 2024 is volgens verweerder weggenomen. De bewijslastverdeling is echter niet gewijzigd, aldus verweerder.\n\n10.2.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daarbij het volgende.\n\n10.3.. Onder het voorheen geldende beleid voor risicogroepen kon de vreemdeling die behoorde tot een dergelijke groep met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen - die verband houden met één van de vervolgingsgronden - leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Ook in dat beleid bleef dus het individualiseringsvereiste van toepassing. Het behoren tot een risicogroep betekende niet zonder meer dat de aanvrager in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ook in het huidige beleid leidt het behoren tot een bepaalde groep, en op grond daarvan aangemerkt worden als iemand met een bepaald risicoprofiel, niet zonder meer tot verlening van een verblijfsvergunning.\n\n10.4.. De rechtbank begrijpt het huidige beleid zó, dat eerst gekeken wordt of op de vreemdeling een bepaald risicoprofiel van toepassing is, waarna vervolgens de individuele omstandigheden worden beoordeeld tegen het licht van dat risicoprofiel. In beide gevallen speelt het individualiseringsvereiste dus een doorslaggevende rol. Wat betreft de stelling van eiser dat de bewijslast met het nieuwe beleid zwaarder is geworden, overweegt de rechtbank dat de op eiser rustende bewijslast niet volgt uit het beleid maar uit het Unierecht. Die bewijslast is niet aangepast met het nieuwe beleid. Wel is het zo dat in het beleid dat ten tijde van de aanvraag van eiser gold, gevergd werd dat geringe indicaties aannemelijk werden gemaakt die de vrees voor vervolging rechtvaardigde. Het beleid vergt thans meer dan geringe indicaties. Dit betekent dat vanuit beleidsmatig oogpunt een zwaardere bewijslast geldt. Maar de vreemdeling moet nog steeds met op hem betrekking hebbende factoren aannemelijk maken dat - ook al behoort hij tot een door verweerder aangemerkte risicoprofiel - een gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\n10.5.. Het standpunt van eiser dat de beleidswijziging specifiek ten aanzien van Turkije onredelijk is, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Eiser dient meer dan geringe indicaties aan te voeren om aannemelijk te maken dat hij terecht vreest voor vervolging of bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. De landeninformatie wijst er niet op zich al op dat los van de individuele omstandigheden hieraan wordt voldaan. De landeninformatie over Turkije biedt immers geen aanleiding om te oordelen dat eisers vrees voor vervolging terecht is of dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger (zie 8.3 tot en met 8.5 hiervoor).\n\n10.6.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser recht op internationale bescherming omdat verweerder eerder had moeten beslissen?\n\n11. Volgens eiser zou, als verweerder tijdig zou hebben besloten op zijn aanvraag, beide beleidswijzigingen niet van toepassing zijn geweest en zou hij een positieve beslissing hebben gekregen. Daarom mogen de beide beleidswijzigingen hem niet worden tegengeworpen, aldus eiser. Verweerder heeft dit bestreden.\n\n11.1.. Eiser gaat ervan uit dat verweerder op zijn aanvraag had moeten besluiten vóór 1 december 2023. Los van de vraag of dat klopt, volgt de rechtbank eisers standpunt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat eiser door toepassing van nieuw recht mogelijk in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat de aanvraag door drukte is blijven liggen. Ook het feit dat verweerder laat, en pas na een beleidswijziging, op de aanvraag heeft beslist, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Dit geldt immers voor meer vreemdelingen bij wie pas (ruim) na het verstrijken van de beslistermijn een besluit is genomen op hun aanvraag.\n\n11.2.. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat verweerder zijn aanvraag had moeten toetsen zonder toepassing van de twee beleidswijzigingen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser op grond van zijn individuele omstandigheden recht op internationale bescherming?\n\n12. Eiser stelt dat hij – uitgaande van het door verweerder toegepaste beoordelingskader – gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Hij wijst in dat kader op zijn persoonlijke situatie, het feit dat hij onder een risicoprofiel valt en de landeninformatie over Turkije.\n\n12.1.. De rechtbank begrijpt, mede gelet op het ter zitting gestelde, dat verweerder stelt dat er bij terugkeer weliswaar een kans is op vervolging of enig risico bestaat op ernstige schade, maar dat die kans of dat risico niet zo hoog is dat aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Turkije zal worden vervolgd of aan ernstige schade blootgesteld zal worden.\n\n12.2.. De rechtbank volgt verweerder. Niet aannemelijk is dat eiser opnieuw in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten of de reële kans loopt om opnieuw daarin te komen staan vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging. De algemene informatie over Turkije en de daaruit blijkende situatie voor Gülenisten is onvoldoende ernstig om aan te nemen dat eiser door zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging alleen al in de persoonlijke problemen zal geraken. Ter toelichting dient het volgende.\n\n12.3.. Eiser valt onder een risicoprofiel. Dit betekent dat, zoals hiervoor overwogen, de bewijslast in beginsel geheel blijft rusten op eiser.\n\n12.4.. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er geen indicaties zijn dat er een onderzoek loopt naar eiser of dat hij wordt gezocht door de Turkse autoriteiten. Dat hij op Gülenscholen heeft gezeten, is onvoldoende. Uit landeninformatie blijkt dat sommigen hierdoor in de problemen zijn geraakt, maar niet dat iedereen wordt vervolgd of een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft hierbij terecht tegengeworpen dat eisers oudere broer, die ook op Gülen-scholen heeft gezeten en wiens naam ook stond vermeld op de tenlastelegging van eisers vader, geen problemen heeft ondervonden met de Turkse overheid. Dat eiser naar eigen zeggen actiever was voor de beweging dan zijn broer, maakt dit niet anders. Niet gebleken is verder dat de Turkse overheid op de hoogte is of moet zijn van eisers actieve deelname aan sobhets.\n\n12.5.. Dat eisers vader strafrechtelijk is vervolgd en enige tijd in de gevangenis heeft gezeten, betekent niet dat eiser gegronde vrees heeft voor of een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege de Turkse autoriteiten. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat dit volgens landeninformatiewel geldt voor familieleden van hooggeplaatste Gülenisten, terwijl eisers vader dat niet is. Uit die landeninformatie blijkt ook dat eiser als familielid van een vermeende Gülenist in het maatschappelijk verkeer en de arbeidsmarkt problemen kan ondervinden. Dit stemt overeen met de verklaringen van eiser zelf over zijn sociale problemen. Het is echter onvoldoende om vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Daarbij is relevant dat, zoals verweerder terecht heeft gesteld, eiser wel toegang had tot onderwijs en zorg.\n\n12.6.. Dat eiser geld heeft overgemaakt aan zijn vader toen hij in detentie zat, is ook niet genoeg. Weliswaar staat in het AAB 2025 dat onder andere burgers die gevangengezette familieleden, vrienden en collega’s en\u002Fof hun familieleden hielpen, in de negatieve belangstelling stonden van de Turkse overheid. De Turkse autoriteiten verdachten personen die gevangengezette Gülenisten en\u002Fof hun families ondersteunden van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging.Echter, het is al een aantal jaren geleden dat dit is gebeurd en niet gebleken is dat de Turkse autoriteiten hiervan op de hoogte zijn.\n\n12.6.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op een asielvergunning. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. S.R.N. Parlevliet, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000\n\n NL24.35417 (de zoon van eiser) en NL24.32341.\n\n Zie NL24.35416.\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:377.\n\n WBV 2021\u002F16 van 4 augustus 2021.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van 28 november 2023, 2023-2024, 19637, nr. 3177, en Nota Landenbeleid Turkije van 11 augustus 2023, 4839506.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 november 2023, WBV 2023\u002F24, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Staatscourant 2023, 30427.\n\n Nota van 11 augustus 2023, hiervoor aangehaald.\n\n “Is there a changing trend in the persecution of the (alleged) members of the Gülen movement?”, 1 juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.2.\n\n AAB 20223, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n “Turkey; Individuals associated with the Gülen movement; The Finnish Immigration Service’s fact-finding mission to Ankara and Istanbul 2 – 6 October 2023”, juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2025, p. 50.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.4.\n\n Paragraaf C7\u002F34.3 Vc.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van maart 2024, vergaderjaar 2023–2024, 19 637, nr. 321.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2024, nummer WBV 2024\u002F12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Arrest van 15 januari 2015, A.A. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD001803911, arrest van 15 januari 2015, A.F. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD008008613, arrest van 11 januari 2007, Salah Sheekh tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD000194804.\n\n Arrest van 12 april 2018, A en S, ECLI:EU:C:2018:248.\n\n AAB 2025, p. 52.\n\n AAB 2025, p. 49.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23344","2025-12-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.894Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":67,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":78},"383","ECLI:NL:RBDHA:2025:23341","ecli-nl-rbdha-2025-23341","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.35416\n uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. E. Arslan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Deniz).\n\nSamenvatting\n\n1. Eiser komt uit Turkije. Hij is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. Daardoor heeft hij eerder in Turkije in de gevangenis gezeten, maar hij is vrijgesproken. Hij is daarna naar Nederland gekomen en heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Per 1 december 2023 is het Nederlandse beleid voor asielaanvragen van Gülen-aanhangers strenger geworden. Per 1 juli 2024 is het beleid voor groepen zoals Gülen-aanhangers, nog strenger geworden. De asielaanvraag van eiser is ruim voor beide beleidswijzigingen ingediend. De rechtbank oordeelt dat beide wijzigingen in het beleid niet onredelijk zijn. Ook mocht verweerder bij de beslissing op de asielaanvraag uitgaan van het nieuwe beleid. Op grond van de informatie over Turkije en de individuele situatie van eiser mocht verweerder de asielaanvraag van eiser afwijzen. Eerder is eiser namelijk vrijgesproken in verband met zijn activiteiten voor de Gülen-beweging. Er zijn nu geen aanwijzingen dat hij opnieuw in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten.\n\n1.2.. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Onder 2 is het verloop van deze procedure weergegeven. Vanaf 3 zijn de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en het bestreden besluit zelf beschreven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 13 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vwingediend. Hij heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [datum] 1977. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 september 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep behandeld op zitting op 29 oktober 2024. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder mr. A.T.M. Vroom-van Berckel deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.\n\nDaarna is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.\n\n2.3.. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Het beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen van twee andere Turkse vreemdelingen tegen de beslissing op hun asielaanvragen.\n\nFeiten en omstandigheden\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.\n\n3.1.. Eiser is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. In Turkije heeft hij lesgegeven op een zogenoemde Gülen-school. Hij was ook adjunct-directeur van die school. Daarnaast was hij plaatsvervangend bestuurder bij een onderwijsvakbond die gelieerd was aan de Gülen-beweging. Eiser had een bankrekening bij de bank Aysa en zijn kinderen gingen naar Gülen-scholen.\n\n3.1.. Na de couppoging in Turkije in 2016 hebben hij en zijn kinderen problemen ondervonden. Eiser is door de autoriteiten beschuldigd van betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Hij is in september 2016 ontslagen. In oktober 2016 is hij gearresteerd, waarna hij zes dagen op het politiebureau werd vastgehouden in slechte omstandigheden. Zijn huis is doorzocht. Daarna heeft eiser ongeveer 9 maanden in de gevangenis gezeten. In juli 2017 is hij vrijgelaten in afwachting van zijn proces. De politie is meerdere keren bij eiser thuis aan de deur gekomen. Eiser is ook meerdere keren ondervraagd en hij moest regelmatig naar de rechtbank vanwege de tegen hem ingestelde rechtszaak. Eiser is uiteindelijk vrijgesproken van de aanklachten vanwege gebrek aan bewijs. Het hoger beroep tegen de vrijspraak is afgewezen. Het beroep in cassatie is in december 2023 ook afgewezen.\n\n3.2.. Eiser had een uitreisverbod tot de opheffing daarvan op 11 november 2022. Hij heeft vervolgens op 29 november 2022 een paspoort verkregen dankzij het feit dat zijn echtgenote een staatsambtenaar is. Op 13 januari 2023 is hij samen met één van zijn zonen naar Nederland gevlucht. Eisers echtgenote is in Turkije achtergebleven.\n\n3.3.. Eiser vreest opnieuw te worden vervolgd. Volgens hem zijn na de vrijspraak aan zijn dossier stukken toegevoegd die tot een nieuwe strafzaak tegen hem kunnen leiden. Ook is de politie, toen hij al in Nederland was, bij zijn huis in Turkije langs geweest.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:\n\n1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\n2. eisers betrokkenheid bij de Gülen-beweging en de rechtszaken die tegen hem hebben gelopen.\n\n4.1.. Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. Hij acht echter eisers vrees om opnieuw problemen te krijgen met de Turkse autoriteiten vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging niet aannemelijk. Verweerder neemt daarbij in aanmerking dat eiser als Gülen-aanhanger valt onder het risicoprofiel genoemd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vc.Volgens verweerder heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser staat niet meer in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten, aldus verweerder.4.2.. Tegen eiser is ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd en hij moet Nederland binnen vier weken verlaten.\n\nGeschilpunten partijen\n\n5. Eiser heeft in beroep geageerd tegen twee wijzigingen in het beleid van verweerder ten aanzien van Turkije ten nadele van hem. Het betreft een wijziging per 1 december 2023 en één per 1 juli 2024. Volgens eiser zijn beide wijzigingen in strijd met het recht. Daarnaast heeft eiser gesteld dat verweerder niet tijdig heeft besloten op zijn aanvraag. Als verweerder dat wel had gedaan, waren beide beleidswijzigingen niet van toepassing geweest en had eiser internationale bescherming gekregen. Tot slot heeft eiser gesteld dat hij, ook als rekening wordt gehouden met de beide beleidswijzigingen, recht heeft op internationale bescherming.\n\n5.1.. Verweerder heeft dit alles weersproken en handhaaft zijn beslissing.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n6. De rechtbank bespreekt hierna de geschilpunten van partijen. Eerst zal de rechtbank toetsen of de twee beleidswijzigingen niet onredelijk zijn. Daarna zal de rechtbank oordelen over het standpunt dat eiser internationale bescherming moet krijgen omdat verweerder eerder had moeten beslissen op zijn aanvraag. Tenslotte zal worden ingegaan op de vraag of eiser op grond van zijn individuele omstandigheden een asielvergunning had moeten krijgen.6.1.. Met het bestreden besluit heeft verweerder ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.\n\nIs de strengere toets voor Gülen-aanhangers per 1 december 2023 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 december 2023\n\n7. De groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” in Turkije werd als risicogroep aangemerkt. Bij de beoordeling van de vrees op vervolging werd rekening gehouden met het willekeurige karakter van het optreden van de Turkse autoriteiten jegens mogelijke aanhangers van de Gülen-beweging. Dit was het gevolg van een uitspraak van de Afdelingen het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 31 oktober 2019. In de Vc was daartoe de volgende passage opgenomen:\n\n“Ten aanzien van (toegedichte) Gülen-aanhangers geldt aanvullend dat indien van geringe indicaties niet is gebleken, de IND de risico’s bij terugkeer beoordeelt in het licht van de diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten.”\n\nDe passage leidde tot een ruimer beoordelingskader dan gebruikelijk bij risicogroepen. Ook zonder geringe indicaties werd al snel een risico op vervolging aangenomen.\n\n7.1.. Het hiervoor geciteerde beleid is per 1 december 2023 vervallen.Toegelicht is dat uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van 31 augustus 2023 (hierna: AAB 2023) blijkt dat de intensiteit van de strafrechtelijke vervolging van mogelijke Gülen-aanhangers is afgenomen en dat de rechtspraak in Turkije strenger toetst als personen verdacht worden van het aanhangen van de Gülen-beweging. Als gevolg van deze twee ontwikkelingen is de willekeur die voorheen prominent een rol speelde bij strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet in dezelfde mate aan de orde, aldus de toelichting.\n\nIs de wijziging niet onredelijk?\n\n8. Volgens eiser is de wijziging van het beleid per 1 december 2023 onterecht omdat deze in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag deze wijziging niet aan eiser worden tegengeworpen. Verweerder bestrijdt dit.\n\n8.1.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daartoe het volgende.\n\n8.2.. Eiser heeft gesteld dat niet van de informatie in het AAB 2023 mag worden uitgegaan. Volgens eiser is het AAB 2023 beïnvloed door de onjuiste wijze van verkrijging daarvan, gezien de vraagstelling in de zogenoemde ‘Terms of Reference’ van 28 april 2023. Dit heeft eiser echter onvoldoende onderbouwd. Er is gevraagd om algemene en concrete informatie. De concreet gevraagde informatie betreft ook Gülenisten en rechtsbescherming van hen en anderen. Dit acht de rechtbank voldoende. De informatie in het AAB 2023 kan dus worden gebruikt voor de beoordeling van de situatie in Turkije per 1 december 2023.\n\n8.3.. Het AAB 2023 bevat weinig concrete informatie en er zijn meerdere voorbehouden in gemaakt. Zo staat er dat het lastig was om verifieerbare informatie te vinden over de situatie van (vermeende) Gülenisten in Turkije, dat de informatie over hun situatie schaars, verbrokkeld en anekdotisch van aard was, dat het onduidelijk was hoeveel arrestanten er in voorarrest verbleven of voorwaardelijk waren vrijgelaten en in hoeveel gevallen er een rechtszaak was geïnitieerd, als ook dat de bronnen de gestelde afname in intensiteit van de vervolging van Gülenisten niet nader konden onderbouwen met concrete gegevens. De informatie die echter wél concreet in het AAB 2023 staat vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de per 1 december 2023 gewijzigde tekst van het beleid en daarop gegeven toelichting te dragen. Volgens de landeninformatie komt vervolging van Gülenisten nog steeds op grote schaal voor. Het AAB 2023 vermeldt daarover dat gedurende de voorgaande twee verslagperiodes met regelmaat arrestaties op grotere of kleine schaal plaatsvonden van Gülenisten en dat deze situatie hetzelfde is gebleven. Uit de landeninformatie kan evenwel niet worden afgeleid dat de situatie voor Gülenisten dusdanig is dat – ook bij het ontbreken van geringe indicaties – vrij snel een risico op vervolging moet worden aangenomen. Dit zou in feite neerkomen op het aannemen van groepsvervolging, waarbij het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvan is alleen sprake als Gülenisten systematisch worden blootgesteld aan vervolging. De rechtbank ziet in het AAB 2023, maar ook in de door eiser ingebrachte informatie, geen aanleiding om aan te nemen dat daarvan sprake is. Daarbij is van belang dat er in Turkije volgens het AAB 2023 meer rechterlijke bescherming voor Gülen-aanhangers is dan voorheen. De verschillende criteria die konden leiden tot de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten, zoals het hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya en het hebben gedownload van de ByLock -app, gelden volgens het AAB 2023 nog steeds, maar het gebruik daarvan is in jurisprudentie aangescherpt. Gewezen wordt op diverse uitspraken van het Turkse Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie.\n\n8.4.. De door eiser ingebrachte landeninformatie wijkt in essentie niet af van de informatie in het AAB 2023. Eiser beroept zich op een stuk van J. Vande Lanotte.Daarin staat dat de vermindering in het aantal gerechtelijke acties en detenties deels te verklaren valt door de omstandigheid dat veel mensen zijn veroordeeld of zijn gevlucht. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Volgens Vande Lanotte zijn de kansen op vervolging niet afgenomen en gaat het nog steeds om 3000 à 4000 zaken per jaar. Dit laatste aantal acht de rechtbank, gezien de in het AAB 2023 vermelde cijfers, laag. Het bevestigt dan ook dat de intensiteit van de vervolging is afgenomen, zoals het AAB 2023 vermeldt, en niet dat de kansen op vervolging niet zijn afgenomen, zoals Vande Lanotte schrijft en eiser stelt. Volgens de Finse informatie over Turkijewaarop eiser zich beroept, is nog steeds sprake van dezelfde vervolgingscriteria die eerder golden. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Verder staat in de Finse informatie dat Turkse rechters geen uitvoering geven aan uitspraken van hogere rechters, er nog steeds sprake is van extreme willekeur voor vervolging en worden personen voor een tweede keer vervolgd, ondanks eerdere vrijspraak. Deze informatie stemt ook overeen met het AAB 2023. Daarin staat namelijk dat gezien de omvang van de Gülen-beweging in het verleden niet altijd duidelijk was hoe de Turkse autoriteiten beslisten welke Gülen-aanhangers dienden te worden opgepakt, dat het beantwoorden van de vraag welke Gülenisten het meeste risico liepen werd bemoeilijkt door meerdere omstandigheden en dat mensen, ondanks de ontwikkelingen in de rechtsgang, nog steeds relatief makkelijk konden worden verdacht van de betrokkenheid bij de Gülen-beweging.Dit alles wijst erop dat Gülenisten nog steeds het doelwit zijn van arrestaties en strafrechtelijke en andersoortige vervolging door de Turkse autoriteiten als ook dat onduidelijk is op welke gronden zij dat zijn. Het doet echter niet af aan de in de vorige paragraaf vermelde verbeterde rechtsbescherming door hogere rechterlijke instanties. Het leidt er ook niet toe dat sprake is van groepsvervolging van Gülenisten.\n\n8.5.. Na de zitting is het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 (AAB 2025) gepubliceerd. Partijen hebben hier inhoudelijk op gereageerd. Het beeld in het AAB 2025 is voor wat betreft Gülenisten niet relevant gewijzigd ten opzichte van het eerdere ambtsbericht. Zo staat in het AAB 2025 dat de situatie omschreven in AAB 2023 voortduurt. De aantallen strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen van Gülenisten waren relatief laag in vergelijking met de situatie vóór 2020. Volgens Turkse overheidsgegevens over juli 2024 zette de dalende trend in aantallen arrestaties en detenties door: van 19.252 in juli 2022 naar 13.251 in juli 2024. Ook het aantal opgepakte Gülenisten nam af: van 22.458 in 2021 naar 9.639 in 2023. Anderzijds blijkt uit het AAB 2025 dat de vervolging van Gülenisten doorging. Mensen konden nog steeds relatief gemakkelijk worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Bronnen omschrijven de vervolging als extreem willekeurig en onvoorspelbaar.De criteria die werden gebruikt voor vervolging, zoals het hebben van een bankrekening bij Bank Asya of het gebruik van de ByLock -app, bleven ook van kracht.Daarbij komt dat sommige lagere rechtbanken, ondanks de aanscherpingen in de rechtspraak van het gebruik van de criteria, de uitspraken van hogere rechtbanken naast zich neerlegden. Er werd aldus niet eenduidig omgegaan met Gülenzaken.Deze onzekerheid doet echter niet af aan de afname van de vervolging van Gülenisten. Er blijkt uit deze informatie niet dat het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om een vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvoor zijn de aantallen van vervolgde Gülenisten nu te laag.\n\n8.6.. De rechtbank concludeert dat de situatie voor Gülenisten in Turkije zorgelijk is, maar niet zodanig dat verweerder méér bescherming diende te bieden dan hij met de beleidswijziging per 1 december 2023 heeft gedaan. Het risico dat zij lopen is, mede gezien de Turkse rechtsbescherming, niet zo hoog dat vrees op vervolging gegrond is of een reëel risico op ernstige schade wordt gelopen alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger. Gezien de over Turkije bekende informatie behoeft per 1 december 2023 geen verdergaande bescherming te worden geboden aan mogelijke of werkelijke Gülen-aanhangers dan uit dit beleid volgt.\n\n8.7.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de wijziging van risicogroep\u002Fkwetsbare minderheidsgroep naar risicoprofiel per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 juli 2024\n\n9. Volgens het landenbeleid ten aanzien van Turkije, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit als ook heden, is de groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” aangemerkt als een risicoprofiel in de zin van paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc. Vóór 1 juli 2024 gold dat sprake was van een risicogroep in de zin van paragraaf C2\u002F3.2.\n\n9.1.. De beleidswijziging geldt ten aanzien van alle gevallen waarvoor verweerder vóór 1 juli 2024 het begrip risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep hanteerde. Volgens de toelichting op de beleidswijzigingkonden binnen het oude groepenbeleid zowel groepen die groot als groepen die een kleiner risico liepen worden aangewezen, terwijl voor beide groepen dezelfde lagere bewijslast gold. Tevens gold de lagere bewijslast voor alle vreemdelingen die behoorden tot de betreffende groep, los van hun positie binnen deze groep, ook al kon het risico blootgesteld te worden aan vervolging\u002Fernstige schade binnen diezelfde groep verschillen. Gewenst was om meer gewicht te geven aan de individuele beoordeling, aldus de toelichting. Naar aanleiding hiervan is paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc ingevoerd.Daarin staat nu dat op basis van landeninformatie een groep als risicoprofiel kan worden aangewezen als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. Voor de vreemdeling die behoort tot een groep waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling. Aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de IND of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt of heeft gelopen, aldus staat in paragraaf C2\u002F2.4. van de Vc.\n\nIs de wijziging van het beleid per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\n10. Volgens eiser is de vervanging van het begrip ‘risicogroep’ in risicoprofiel in strijd met het recht, in het bijzonder het Europese recht. Eiser doet een beroep op arresten van het Europees Hof voor de rechten van de Mensen een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.Daarnaast voert eiser aan dat de beleidswijziging in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag de wijziging per 1 juli 2024 niet aan eiser worden tegengeworpen.\n\n10.1.. Verweerder heeft dit alles bestreden. Het beleidsmatige voordeel voor vreemdelingen op grond van het beleid voor 1 juli 2024 is volgens verweerder weggenomen. De bewijslastverdeling is echter niet gewijzigd, aldus verweerder.\n\n10.2.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daarbij het volgende.\n\n10.3.. Onder het voorheen geldende beleid voor risicogroepen kon de vreemdeling die behoorde tot een dergelijke groep met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen - die verband houden met één van de vervolgingsgronden - leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Ook in dat beleid bleef dus het individualiseringsvereiste van toepassing. Het behoren tot een risicogroep betekende niet zonder meer dat de aanvrager in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ook in het huidige beleid leidt het behoren tot een bepaalde groep, en op grond daarvan aangemerkt worden als iemand met een bepaald risicoprofiel, niet zonder meer tot verlening van een verblijfsvergunning.\n\n10.4.. De rechtbank begrijpt het huidige beleid zó, dat eerst gekeken wordt of op de vreemdeling een bepaald risicoprofiel van toepassing is, waarna vervolgens de individuele omstandigheden worden beoordeeld tegen het licht van dat risicoprofiel. In beide gevallen speelt het individualiseringsvereiste dus een doorslaggevende rol. Wat betreft de stelling van eiser dat de bewijslast met het nieuwe beleid zwaarder is geworden, overweegt de rechtbank dat de op eiser rustende bewijslast niet volgt uit het beleid maar uit het Unierecht. Die bewijslast is niet aangepast met het nieuwe beleid. Wel is het zo dat in het beleid dat ten tijde van de aanvraag van eiser gold, gevergd werd dat geringe indicaties aannemelijk werden gemaakt die de vrees voor vervolging rechtvaardigde. Het beleid vergt thans meer dan geringe indicaties. Dit betekent dat vanuit beleidsmatig oogpunt een zwaardere bewijslast geldt. Maar de vreemdeling moet nog steeds met op hem betrekking hebbende factoren aannemelijk maken dat - ook al behoort hij tot een door verweerder aangemerkte risicoprofiel - een gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\n10.5.. Het standpunt van eiser dat de beleidswijziging specifiek ten aanzien van Turkije onredelijk is, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Eiser dient meer dan geringe indicaties aan te voeren om aannemelijk te maken dat hij terecht vreest voor vervolging of bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. De landeninformatie wijst er niet op zich al op dat los van de individuele omstandigheden hieraan wordt voldaan. De landeninformatie over Turkije biedt immers geen aanleiding om te oordelen dat eisers vrees voor vervolging terecht is of dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger (zie 8.3 tot en met 8.5 hiervoor).\n\n10.6.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser recht op internationale bescherming omdat verweerder eerder had moeten beslissen?\n\n11. Volgens eiser zou, als verweerder tijdig zou hebben besloten op zijn aanvraag, beide beleidswijzigingen niet van toepassing zijn geweest en zou hij een positieve beslissing hebben gekregen. Daarom mogen de beide beleidswijzigingen hem niet worden tegengeworpen, aldus eiser. Verweerder heeft dit bestreden.\n\n11.1.. Eiser gaat ervan uit dat verweerder op zijn aanvraag had moeten besluiten vóór 1 december 2023. Los van de vraag of dat klopt, volgt de rechtbank eisers standpunt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat eiser door toepassing van nieuw recht mogelijk in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat de aanvraag door drukte is blijven liggen. Ook het feit dat verweerder laat, en pas na een beleidswijziging, op de aanvraag heeft beslist, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Dit geldt immers voor meer vreemdelingen bij wie pas (ruim) na het verstrijken van de beslistermijn een besluit is genomen op hun aanvraag.\n\n11.2.. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat verweerder zijn aanvraag had moeten toetsen zonder toepassing van de twee beleidswijzigingen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser op grond van zijn individuele omstandigheden recht op internationale bescherming?\n\n12. Eiser stelt dat hij – uitgaande van het door verweerder toegepaste beoordelingskader – gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Hij wijst in dat kader op zijn persoonlijke situatie, het feit dat hij onder een risicoprofiel valt en de landeninformatie over Turkije. Eiser heeft verder gewezen op zijn eerdere ervaringen in Turkije, dat bepaalde stukken niet zijn meegenomen in de strafrechtelijke procedure, dat hij als verdachte verhoord is op 23 maart 2022 over zijn werkzaamheden voor de vakbond, dat in mei 2024 de politie navraag naar hem heeft gedaan en bij hem thuis is geweest en dat er een nieuw opsporingsdossier over hem bestaat. Ter zitting heeft eiser zich beroepen op artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n12.1.. De rechtbank begrijpt, mede gelet op het ter zitting gestelde, dat verweerder stelt dat er bij terugkeer weliswaar een kans is op vervolging of enig risico bestaat op ernstige schade, maar dat die kans of dat risico niet zo hoog is dat aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Turkije zal worden vervolgd of aan ernstige schade blootgesteld zal worden.\n\n12.2.. De rechtbank volgt verweerder. Niet aannemelijk is dat eiser opnieuw in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten of de reële kans loopt om opnieuw daarin te komen staan vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging. De algemene informatie over Turkije en de daaruit blijkende situatie voor Gülenisten is onvoldoende ernstig om aan te nemen dat eiser door zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging alleen al in de persoonlijke problemen zal geraken. Daarbij is het volgende van belang.\n\n12.3.. Eiser valt onder een risicoprofiel. Dit betekent dat, zoals hiervoor overwogen, de bewijslast in beginsel geheel blijft rusten op eiser.\n\n12.4.. Eiser is strafrechtelijk vervolgd vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging. De rechtbank volgt dat dit in beginsel een aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is.Daarbij is met name van belang dat eiser gedurende een aantal jaren onderworpen is geweest aan strafrechtelijk onderzoek vanwege vermeende betrokkenheid bij de Gülen-beweging, hij meerdere keren is verhoord, gedurende zes dagen in slechte omstandigheden in een politiecel verbleef en ongeveer negen maanden in de gevangenis heeft gezeten. De vervolging van eiser was echter op het hoogtepunt van de repressie van Gülenisten in Turkije. Er zijn reeds daarom goede redenen om aan te nemen dat de vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Daarnaast is eiser tijdens de procedure vrijgelaten. De Turkse rechtbank heeft hem nadien vrijgesproken en in beroep en in cassatie is die uitspraak bevestigd. Daarom volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat de bewijslast niet is omgedraaid.\n\n12.5.. Uit de stukken maakt de rechtbank op dat eisers werkzaamheden voor de vakbond en de school zijn meegenomen in de afgeronde strafrechtelijke procedure tegen eiser. Dit laat onverlet dat eiser, zoals hij stelt, mogelijk in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten is blijven staan vanwege zijn werkzaamheden binnen de Gülen-beweging. Dat eiser, zoals hij heeft gesteld in overeenstemming met landeninformatie,daarna geen nieuw werk heeft kunnen vinden, wijst hierop. Uit landeninformatie blijkt echter niet dat eiser, hoewel hij is vrijgesproken, opnieuw in de problemen kan geraken. Het AAB 2025 geeft slechts aan dat niet duidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw het risico lopen op problemen met de Turkse autoriteiten.\n\n12.6.. Verweerder heeft echter terecht tegengeworpen dat eiser op 30 augustus 2024 zelf heeft gesteld dat er geen strafzaak tegen hem loopt.De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat toch een nieuw strafrechtelijk onderzoek naar hem is gestart dan wel de kans groot is dat een nieuwe strafprocedure tegen hem wordt opgestart. Dat hij in maart 2022 is verhoord door de politie, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser volgens zijn verklaringen vaker is ondervraagd door de politie, los van zijn detentie in 2016 en 2017, zonder meer problemen te krijgen. Het beroep van eiser ter zitting in dit verband op een bepaalde bijlage die bij de zienswijze zou zijn ingediend, faalt. Dat stuk vermeldt eisers naam en het nummer 2021\u002F28279. Dit is volgens eiser het nummer van zijn nieuwe opsporingsdossier. Het stuk is echter in de Turkse taal opgesteld en er is geen vertaling ingebracht. Daardoor kan de rechtbank de precieze inhoud niet vaststellen. Anders dan eiser heeft gesteld, is het niet aan verweerder of de rechtbank om die vertaling te produceren. Ook het beroep van eiser op volgens hem belastende stukken die zijn gedagtekend na de beslissing op het hoger beroep tegen eisers vrijspraak (15 september 2020), faalt. Niet duidelijk is dat het Turkse Hof van Cassatie ze niet heeft meegenomen bij de beoordeling van de eerdere vrijspraak, terwijl eiser wel heeft gesteld dat de Turkse rechtbank ze aan het Hof had gestuurd. Dat in Nederland dergelijke informatie in cassatie niet wordt meegenomen, leidt in ieder geval niet tot die conclusie. Eiser heeft zich ook beroepen op zijn verklaring over een huisbezoek op 28 mei 2024. Eiser was al in Nederland toen twee politieagenten bij zijn huis in Turkije langs zijn geweest om naar hem te vragen in het kader van een sociaal onderzoek naar eiser. Meer informatie is hier niet over bekend. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat dit huisbezoek niet betekent dat men op zoek was naar eiser in verband met betrokkenheid bij de Gülen-beweging.12.7.. Uit de Finse landeninformatie over Turkije waarop eiser zich heeft beroepen, blijkt dat bewijs dat in een strafprocedure is gebruikt, niet nogmaals kan worden gebruikt in een volgende strafprocedure, maar dat iemand wel voor een tweede keer voor eenzelfde misdrijf kan worden vervolgd. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, betreft dit echter algemene informatie over de situatie in Turkije. Het heeft geen betrekking op eiser in persoon. Het standpunt van eiser dat verweerder te veel waarde hecht aan de legale uitreis van Turkije naar Nederland zonder het ondervinden van problemen, faalt ook. Weliswaar blijkt, zoals eiser terecht heeft gesteld, uit het AAB 2023 dat zelfs tijdens een lopende strafrechtelijke procedure legaal kan worden uitgereisd. Dit onderbouwt echter niet dat eiser in de negatieve aandacht staat.\n\n12.8.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op een asielvergunning. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n NL24.35417 (de zoon van eiser) en NL24.32341.\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:377.\n\n WBV 2021\u002F16 van 4 augustus 2021.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van 28 november 2023, 2023-2024, 19637, nr. 3177, en Nota Landenbeleid Turkije van 11 augustus 2023, 4839506.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 november 2023, WBV 2023\u002F24, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Staatscourant 2023, 30427.\n\n Nota van 11 augustus 2023, hiervoor aangehaald.\n\n “Is there a changing trend in the persecution of the (alleged) members of the Gülen movement?”, 1 juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.2.\n\n AAB 20223, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n “Turkey; Individuals associated with the Gülen movement; The Finnish Immigration Service’s fact-finding mission to Ankara and Istanbul 2 – 6 October 2023”, juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2025, p. 50.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.4.\n\n Paragraaf C7\u002F34.3 Vc.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van maart 2024, vergaderjaar 2023–2024, 19 637, nr. 321.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2024, nummer WBV 2024\u002F12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Arrest van 15 januari 2015, A.A. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD001803911, arrest van 15 januari 2015, A.F. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD008008613, arrest van 11 januari 2007, Salah Sheekh tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD000194804.\n\n Arrest van 12 april 2018, A en S, ECLI:EU:C:2018:248.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n AAB 2025, p. 51-52.\n\n AAB 2025, p. 52.\n\n Verslag nader gehoor, pagina 9.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23341","2026-07-13T00:28:27.022Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":43,"courtId":83,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":51,"updatedAt":88},"986","ECLI:NL:RBDHA:2025:28023","ecli-nl-rbdha-2025-28023",56,"2025-11-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.15376\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1996, van Turkse nationaliteit, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 20 maart 2024 een beroep wegens het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag ingesteld. Bij uitspraak van 13 september 2024heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard. De minister is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.\n\n1.2.. Bij besluit van 19 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister een terugkeerbesluit uitgevaardigd. De Afdelingheeft bij uitspraak van 10 april 2025, het van rechtswege ontstane beroep tegen het bestreden besluit op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awbterugverwezen naar deze rechtbank en zittingsplaats.\n\n1.3.. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit tevens afzonderlijk beroep ingesteld.De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025, gelijktijdig maar niet gevoegd met het beroep van eiseres haar partner, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [persoon] (de partner van eiseres), E. Taskin als tolk in de Turkse taal, en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de ongegrondverklaring van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nWat er aan deze procedure voorafging\n\n4. Eiseres heeft op 31 januari 2019 samen met haar zus een aanvraag voor een mvvingediend voor verblijf bij haar moeder in Nederland. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft tegen het besluit beroep ingesteld. Met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 maart 2022is de afwijzing in rechte vast komen te staan.\n\n4.1.. Eiseres is vervolgens op 8 augustus 2023 Nederland ingereisd en heeft op 3 september 2023 een asielaanvraag ingediend.\n\nAsielrelaas\n\n5. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende relaas ten grondslag. Eiseres heeft de Turkse nationaliteit en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiseres is in 2015 lid geworden van [vereniging] , een vereniging gelieerd aan HDP. De vereniging is in 2016 per decreet gesloten. Eiseres is daarna doorgegaan met haar HDP-activiteiten, waaronder verkiezingsactiviteiten in 2018. Datzelfde jaar is bij eiseres een huisinval gedaan, werd eiseres in de gaten gehouden en is de politie langs geweest bij de universiteit van eiseres. Eiseres was bang om opgepakt te worden, dus heeft zij haar huis toen verlaten. In september 2021 moest eiseres lang wachten op de teruggave van haar identiteitskaart bij een controlepost. Eiseres is daarom weer naar een ander adres is gegaan. Na de aardbeving op 6 februari 2023 bevond eiseres zich in een café waar agenten in burgerkleding haar onder dwang meenamen en zeiden dat eiseres een getuigenverklaring moest ondertekenen. Zij wilden eiseres als informant gebruiken. Doordat eiseres vertelde dat ze hier nog even over moest nadenken, kon zij weggaan. Ook verwacht eiseres bij terugkeer problemen te ondervinden omdat zij in Nederland heeft deelgenomen aan demonstraties en omdat haar broer vorig jaar tijdens Nowruz als muzikant op het podium is verschenen en dit gepubliceerd is op YouTube en op Medya TV.\n\n5.1.. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag de volgende documenten ten grondslag gelegd:\n\n1. Nationale identiteitskaart van Turkije;\n\n2. Uitdraai lidmaatschap [vereniging] ;\n\n3. Kopie brief OM onderzoek naar de vereniging;\n\n4. Verklaring HDP betrokkenheid van 2015 tot 2018;\n\n5. Verklaring DEMNED;\n\n6. Brief Turkse advocaat;\n\n7. Document mensenrechtenorganisatie;\n\n8. Document Human Rights Foundation of Turkey;\n\n9. Verklaring moeder en broer.\n\nHet bestreden besluit\n\n6. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. Verrichte activiteiten in 2015 en 2018 voor de vereniging en HDP;\n\n3. Problemen naar aanleiding van verrichte activiteiten;\n\n4. Activiteiten in Nederland.\n\n6.1.. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig, evenals de activiteiten van eiseres tussen 2015 en 2018 voor de vereniging en HDP en de activiteiten van eiseres in Nederland. De problemen naar aanleiding van de verrichte activiteiten voor HDP acht de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo is het voor de minister onduidelijk waarom eiseres onder verhoogde aandacht zou staan bij de Turkse autoriteiten. Ook acht de minister relevant dat eiseres geruime tijd, namelijk van 2018 tot 2021, zonder problemen in Turkije heeft kunnen leven. Verder heeft eiseres tegenstrijdig verklaard over of zij op haar eigen adres heeft verbleven of bij vrienden. Van 2021 tot de aardbeving in 2023 heeft eiseres geen problemen ondervonden. Het is bevreemdend dat de agenten zich na de aardbeving op eiseres zouden focussen. De minister acht het ongerijmd dat de agenten een onderzoek zouden opstarten, terwijl eiseres ervan overtuigd was dat er al een onderzoek naar haar liep. De minister gelooft niet dat eiseres werd vrijgelaten op basis van haar belofte om na te denken over het voorstel. De minister betrekt ook bij zijn beoordeling dat eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, maar zich pas twintig dagen na inreis heeft gemeld bij de autoriteiten, en hier geen verschoonbare verklaring voor heeft.\n\n6.2.. De geloofwaardig bevonden motieven acht de minister onvoldoende zwaarwegend om over te gaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Eiseres heeft een politieke overtuiging, maar de minister acht niet aannemelijk dat eiseres in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat of komt te staan. Zij had namelijk geen bijzondere rol binnen HDP. Verder is eiseres in 2018 gestopt met haar activiteiten. Niet valt daarom in te zien waarom zij bij terugkeer de activiteiten weer zou willen oppakken. Ook betrekt de minister dat eiseres op legale wijze Turkije is uitgereisd. Ten aanzien van haar activiteiten in Nederland heeft eiseres verklaard dat zij bij terugkeer naar Turkije geen problemen verwacht. Omdat eiseres niet weet op welk YouTube-kanaal haar broer is verschenen, wordt niet ingezien dat de Turkse autoriteiten ervan op de hoogte zouden zijn dat het de broer van eiseres is die als muzikant optrad.\n\nTen aanzien van de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling\n\n7. Eiseres voert aan dat WI 2024\u002F6in strijd is met het Unierecht. Deze nieuwe werkinstructie maakt van een geloofwaardigheidsbeoordeling in feite een harde bewijsplicht, terwijl een dergelijk zware maatstaf juist niet passend is in het asielrecht. De toepassing van het voordeel van de twijfel is in de WI namelijk zo ingevuld, dat hier alleen sprake van kan zijn op het moment dat de vreemdeling geen objectieve bewijsstukken overlegt, maar wel voldoet aan alle vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Uit artikel 4, derde lid, van de Kwalificatierichtlijnen artikel 10, derde lid en onder b, van de Procedurerichtlijnvolgt echter dat de minister onderzoek moet doen naar alle relevante informatie in het land van herkomst en de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker. Pas als er dan nog twijfel is, is doortoetsing aan artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn aan de orde. Bovendien gaat het bij artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn niet alleen om samenwerken bij het verzamelen van de elementen – het gehoor – maar ook het beoordelen van de geloofwaardigheid van deze elementen en verklaringen. Subsidiair verzoekt eiseres om aanhouding van de zaak in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond.\n\n7.1.. De rechtbank overweegt dat tussen partijen geen discussie bestaat over het Unierechtelijk kader, zoals dat door eiseres naar voren is gebracht. Evenmin staat tussen partijen ter discussie dat WI 2024\u002F6 op zichzelf in deze procedure niet ter toetsing voorligt. Ter beoordeling staat of de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres, en de daarbij gebruikte bewijsmaatstaf, in strijd is met het (Unie)recht. Hierbij kan de door de minister gehanteerde wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid wel relevant zijn. De rechtbank overweegt dat, gelet op de stellige en directieve formulering in de nieuwe werkinstructie, er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing ervan in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 7.2 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025, en maakt deze overweging de hare. Dit betekent echter niet dat de toepassing van WI 2024\u002F6 in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het (Unie)recht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het voordeel van de twijfeldoor de minister in zijn algemeenheid op een andere of onjuiste wijze wordt toegepast. De rechtbank dient dit per individuele zaak te beoordelen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden op de gestelde prejudiciële vragen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nTen aanzien van de problemen naar aanleiding van de verrichte activiteiten voor HDP en de vereniging\n\n8. Eiseres voert aan dat afgaande op de geloofwaardig geachte feiten, de daarmee samenhangende consistente verklaringen én de samenhang met de landeninformatie, de problemen met de autoriteiten geloofwaardig moeten worden gevonden. Aan eiseres moet het voordeel van de twijfel worden gegeven als de verklaringen samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd zijn met beschikbare informatie. Eiseres verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2025.\n\n8.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet zorgvuldig heeft onderzocht en niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de gestelde problemen van eiseres met de Turkse autoriteiten niet geloofwaardig acht en waarom hij eiseres niet het voordeel van de twijfel heeft gegeven. De rechtbank licht dat als volgt toe.\n\n8.2. Eiseres heeft verklaard dat zij bestuurslid was van een vereniging waarvan haar moeder één van de oprichters was. Deze vereniging bood steun aan personen die waren gevlucht uit het noordelijk deel van Koerdistan. In 2016 is deze vereniging bij decreet door de Turkse autoriteiten gesloten. De moeder en de broer van eiseres waren op dat moment in Nederland en hebben hier asiel gevraagd en gekregen, mede vanwege een lopend onderzoek naar de vereniging. Ondanks deze gebeurtenissen heeft eiseres haar politieke activiteiten voortgezet en zich binnen HDP actief ingezet, onder meer door deelname aan verkiezingsactiviteiten tijdens de algemene verkiezingen van 2018. Ook heeft eiseres verklaard dat er rond die tijd een noodtoestand was uitgeroepen rond verkiezingen waardoor de autoriteiten meer vrijheden hadden bij het optreden tegen vermeende oppositieleden. Gezien deze verklaringen volgt de rechtbank de minister niet in zijn standpunt dat eiseres vaag heeft verklaard over waarom zij in de negatieve aandacht van de autoriteiten is komen te staan. Verder is de motivering van de minister dat hij gelet op haar marginale rol en activiteiten binnen HDP niet inziet waarom de politie bij eiseres een huisinval zou doen, onvoldoende. De rechtbank wijst in dat verband op de politieke context en de activiteiten van eiseres, zowel binnen HDP als in de hoedanigheid van bestuurslid van een vereniging die door de overheid is gesloten, en op de openbare landeninformatie waaruit blijkt dat ook familieleden van personen die actief zijn binnen HDP risico lopen op vervolging door de autoriteiten.Het relaas van eiseres spoort hiermee. De minister heeft dit onvoldoende in zijn besluit betrokken. Dat eiseres volgens de minister vaag heeft verklaard over dat de politie bij haar op de universiteit is langsgekomen, volgt de rechtbank gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ook niet. De rechtbank is het verder met eiseres eens dat het voor haar onmogelijk is om aannemelijk te maken wat het precieze motief van de politie is geweest voor haar handelen. In dit verband heeft eiseres terecht gewezen op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 juni 2020, waarinis geoordeeld dat ook wanneer niet duidelijk is waarom iemand bij het politiebureau dient te verschijnen, niet op voorhand is uitgesloten dat die oproep verband houdt met persoonlijk gerichte negatieve aandacht van de autoriteiten. Ook het standpunt van de minister dat het door eiseres gestelde dat een politieagent haar na de huisinval heeft gevolgd slechts op een niet nader onderbouwd vermoeden berust, kan de rechtbank niet volgen. Eiseres heeft immers gedetailleerd verklaard over wat zij heeft waargenomen en verklaard dat zij één van de betrokken agenten herkende van de eerdere huisinval, nadat zij hem meerdere keren had gezien.\n\n8.3.. Ten aanzien van de problemen van eiseres in de periode tussen 2018 en 2023 overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in de periode na 2018 ondergedoken heeft gezeten en dat zij pas weer in contact is gekomen met de autoriteiten toen zij, bij het ophalen van het diploma van haar broer, lang moest wachten op haar identiteitskaart bij een controlepost. Eiseres heeft verklaard dat deze controle niet het gevolg was van een gerichte zoektocht naar haar, maar dat haar naam bij die gelegenheid opnieuw bij de autoriteiten naar voren kwam. Gelet op haar eerdere betrokkenheid bij HDP en de vereniging, is het goed mogelijk dat haar naam nog steeds in de systemen van de Turkse autoriteiten stond. Bovendien heeft eiseres verklaard dat zij sinds 2018 zat ondergedoken en bij verschillende vrienden en kennissen verbleef, en weinig buiten kwam vanwege de coronapandemie. De minister heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard met haar verklaringen tijdens de mvv-procedure in 2019 en de verklaringen van eiseres haar moeder destijds in haar asielprocedure dat eiseres in die periode in het ouderlijk huis verbleef. De rechtbank overweegt dat eiseres in de mvv-procedure haar ouderlijk adres heeft opgegeven, maar in haar eigen asielprocedure van meet af aan heeft verklaard dat zij daar niet verbleef, maar bij vrienden en kennissen. Dit werd haar pas in het voornemen tegengeworpen, waarop eiseres in de zienswijze een nadere uitleg heeft gegeven. Eiseres heeft haar moeder niet veel verteld over haar problemen in Turkije omdat zij haar niet wilde belasten. Hiermee heeft eiseres de tegenstrijdigheid naar het oordeel van de rechtbank weggenomen.\n\n8.4.. De rechtbank is ook van oordeel dat de minister niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat het bevreemdend is dat eiseres in 2023 na de aardbeving op de radar van de autoriteiten stond. De minister heeft allereerst hetgeen hiervoor onder 8.3 is overwogen over het onderduiken van eiseres ten onrechte niet betrokken. Daarom is het standpunt van de minister dat sprake is van jaren van probleemloos verblijf en dat het vreemd is dat eiseres bij de identiteitscontrole in 2023 weer werd geconfronteerd met de autoriteiten niet deugdelijk gemotiveerd. Ook hier betrof het bovendien geen gerichte zoekactie, maar bevond eiseres zich na de aardbeving in een café waar zich ontheemden bevonden en de autoriteiten een identiteitscontrole uitvoerden. Dat eiseres ongerijmd zou hebben verklaard dat de agenten een onderzoek naar haar zouden kunnen starten, omdat eiseres er eerder van overtuigd was dat er al een onderzoek liep, volgt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat eiseres hiervoor een afdoende verklaring heeft gegeven in het nader gehoor, namelijk dat zij – afgaande op de informatie van haar advocaat – ervan overtuigd was dat er eerder een vertrouwelijk geheim onderzoek naar haar liep, maar dat de agenten nu dreigden met een actief strafrechtelijk onderzoek.\n\n8.5.. Bovendien acht de rechtbank het standpunt van de minister dat het bevreemdend is dat de politie eiseres na een lange zoektocht – zonder voorwaarden – heeft laten vertrekken onvoldoende gemotiveerd. De minister gelooft niet dat als de autoriteiten daadwerkelijk naar eiseres op zoek zouden zijn, de politie haar zou hebben vrijgelaten enkel op basis van een belofte om na te denken over hun voorstel. De rechtbank overweegt dat in het algemeen ambtsbericht 2025 staat dat in het bijzonder leden van de jongerenafdeling van HDP onder druk werden gezet door de Turkse autoriteiten om als ajan (‘informant’) te gaan fungeren. Dit strookt met de verklaring van eiseres, dat zij gedwongen is meegenomen en door middel van dreigingen in de auto druk op haar werd uitgeoefend om informant te worden. De gemachtigde van de minister heeft ter zitting volstaan met de enkele opmerking dat deze situatie niet zo in het ambtsbericht staat. Dat is onvoldoende. De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres een afdoende verklaring heeft gegeven voor het feit dat zij zonder voorwaarden is vrijgelaten. Zo heeft eiseres verklaard dat zij door de autoriteiten niet als een getuige werd gezien, maar de autoriteiten haar als informant wilden hebben. Een getuige heeft informatie en wordt (mogelijk) met meer geweld gehoord om achter die informatie te komen, terwijl dat bij informanten niet aan de orde is, omdat de autoriteiten die nog nodig hebben om informatie voor hen te verkrijgen, aldus eiseres. De rechtbank merkt ook op dat eiseres heeft verklaard dat de politie haar in de auto een foto liet zien van een persverklaring (in 2015) waar eiseres bij was. Dit is in lijn met het algemeen ambtsbericht, waarin enkele omstandigheden worden genoemd die leidden tot verhoogde overheidsaandacht, waaronder het bijwonen van persverklaringen.De minister heeft deze aspecten onvoldoende bij zijn besluit betrokken.\n\n8.6.. Tot slot overweegt de rechtbank dat de minister, in strijd met zijn eigen beleid, niet inhoudelijk is ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van eiseres bij de beoordeling of eiseres een goede reden had voor het niet onmiddellijk indienen van haar asielaanvraag na aankomst in Nederland. Eiseres heeft hierover aangevoerd dat zij een lange reis achter de rug had, haar familie zeven jaar niet had gezien, chronisch ziek is en last heeft van depressieve en angstklachten, en verkouden was geworden. De minister is ten onrechte niet ingegaan op deze omstandigheden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister dient zich bij zijn beoordeling van de zwaarwegendheid ook rekenschap te geven van de politieke activiteiten van de familie van eiseres en de informatie uit het algemeen ambtsbericht van februari 2025, in het bijzonder de wijze waarop door de Turkse autoriteiten de sociale media worden gemonitord. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, en mr. C.A.R. Bleijendaal en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zaaknummer NL24.12220.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1622.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zaaknummer NL25.15376. Eiseres heeft zekerheidshalve nogmaals beroep ingesteld onder dit zaaknummer, maar het betreft dus dezelfde zaak als het rechtswege ontstane beroep, zie voetnoot 1.\n\n Zaaknummer NL25.15358.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Zaaknummer: NL21.4269.\n\n Hierna: de vereniging.\n\n Halklarin Demokratik Partisi.\n\n Werkinstructie 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Richtlijn 2013\u002F32\u002FEU.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:136.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:10057.\n\n Zoals neergelegd in artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:7264.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije februari 2025, pagina 65.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2020:5725.\n\n Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 3 december 2003, 200306257\u002F1.\n\n Algemeen ambtsbericht Turkije februari 2025, pagina 63.\n\n Algemeen ambtsbericht Turkije februari 2025, pagina 64.\n\n WI 2024\u002F6.\n\n Artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28023","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:57.581Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":43,"courtId":83,"decisionDate":84,"fullText":93,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":51,"updatedAt":96},"961","ECLI:NL:RBDHA:2025:27281","ecli-nl-rbdha-2025-27281","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.15358\n\nV-nummer: [v-nummer]uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1995, van Turkse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing zijn asielaanvraag.\n\n1.1.. Bij besluit van 26 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister een terugkeerbesluit uitgevaardigd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025, gelijktijdig maar niet gevoegd met het beroep van eisers partner, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon 1] (de partner van eiser), E. Taskin als tolk in de Turkse taal, en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de ongegrondverklaring van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende relaas ten grondslag. Eiser is sinds zijn jeugd actief voor [partij 1]door middel van activiteiten en protesten. Tijdens zijn studie moest hij vanwege conflicten tussen linkse en rechtse studenten van universiteit wisselen, waarbij hij ook vanwege zijn Koerdische achtergrond werd bedreigd. Daarnaast kreeg hij problemen met de politie vanwege zijn deelname aan demonstraties. Na zijn studie is eiser gaan werken als stedelijk planner voor een bedrijf dat onder de orde van Stedelijke Planning viel. De burgemeester was in die tijd vervangen door een curator en eiser merkte dat in een rapport berekeningen van bevolkingsaantallen niet klopten en dat zakenmensen steekpenningen konden betalen om winst te halen. Eiser heeft deze onregelmatigheden gemeld aan de orde. Eiser is hierdoor door ene [persoon 2] , een afdelingshoofd bij de gemeente, met de dood bedreigd. Eiser denkt dat [persoon 3] , het hoofd van de orde van Stedelijke Planning, eisers naam heeft genoemd bij [persoon 2] . Eisers werkgever en de vader van eiser, tevens ambtenaar, zijn ook bedreigd vanwege het feit dat eiser onregelmatigheden kenbaar heeft gemaakt. Eiser heeft daarop het land verlaten. Bij terugkeer naar Turkije vreest eiser dat de curator nog achter hem aanzit.\n\nDocumenten\n\n5. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag de volgende documenten ten grondslag gelegd:\n\nUittreksel uit het woonregister;\n\nUittreksel uit het bevolkingsregister;\n\nEen antecedentenverklaring;\n\nBewijs van afronding lyceum;\n\nBewijs van afstuderen aan de universiteit;\n\nDocument over arbeidsverleden;\n\nDocument over lidmaatschap HDP 2023\u002F2;\n\nBewijsstuk wisselen van universiteit;\n\nAlgemeen nieuwsbericht over bedreiging aan linkse studenten;\n\nNieuwsbericht over aanval op studenten;\n\nOverzicht van de inschrijving bij de Orde van de Stedelijke Planning;\n\nBewijsstuk waaruit blijkt dat het eerste stedelijk plan is ingediend;\n\nEerste en laatste pagina van het stedelijk plan;\n\nBewijsstuk over een persconferentie;\n\nStuk over aanstelling leidinggevende functie bij ander bedrijf;\n\nArtikel over een persconferentie;\n\nBrief van een vriend van eiser;\n\nNieuwsbericht over de ongeldigverklaring van het oude plan door de rechtbank;\n\nDocument over het nieuwe rapport van het stedelijk plan;\n\nBrief van vader van eiser;\n\nScreenshot van een whatsappgesprek met een collega;\n\nStuk over persvoorlichting over onrechtmatigheden verricht door curator;\n\nBericht van DEMNED van 20 februari 2025.\n\n5.1.. In beroep heeft eiser nog een verklaring overgelegd waarin hij de gang van zaken rond het planologisch rapport toelicht en een artikel van het Haarlems Dagblad met de titel ‘Protest tegen komst omstreden Turkse sjeik naar Badhoevedorp: slaande ruzie binnen machtige moslimgemeenschap om ‘verdwenen miljoenen” van 6 oktober 2025.\n\nHet bestreden besluit\n\n6. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nLidmaatschap van en activiteiten voor [partij 1] ;\n\nProblemen door werkzaamheden;\n\nProblemen wegens Koerdische afkomst;\n\nDe militaire dienstplicht.\n\n6.1.. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, evenals de problemen vanwege zijn Koerdische afkomst en de militaire dienstplicht geloofwaardig. Het lidmaatschap van en activiteiten voor [partij 1] acht de minister deels geloofwaardig. Volgens de minister heeft eiser onvoldoende documenten gegeven en heeft hij daar geen goede verklaring voor. Eiser heeft alleen een document overgelegd over zijn lidmaatschap bij [partij 1] in de periode 2023\u002F2. Eiser heeft niet met documenten onderbouwd dat hij sinds 2020 lid was van de partij en hij heeft evenmin documenten overgelegd van zijn lidmaatschap van [bedrijf] in de periode januari 2023 tot eind mei 2023. De verklaringen van eiser zijn daarmee tegenstrijdig met het document dat hij heeft overgelegd. Verder vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister komt tot de conclusie dat het aannemelijk is dat eiser aanwezig is geweest bij evenementen van [partij 1] en dat eiser in de periode 2023\u002F2 lid was van [partij 1] . De problemen door de werkzaamheden als stedelijk planner acht de minister niet geloofwaardig, omdat eiser met zijn verklaringen of documenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij betrokken was bij het stedelijk plan. Volgens de minister bestaan eisers verklaringen geheel uit aannames en vermoedens. Aan de door eiser overgelegde verklaringen kent de minister beperkte waarde toe, omdat deze subjectief zijn. De overige stukken onderbouwen enkel zijn functie bij de werkgever. De minister acht ook relevant dat eiser na de bedreiging niet opnieuw is bedreigd, Turkije legaal heeft verlaten en er geen strafrechtelijke procedure tegen hem loopt.\n\n6.2.. De geloofwaardig bevonden asielmotieven acht de minister onvoldoende zwaarwegend om over te gaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Eiser valt als lid van [partij 1] onder het risicoprofiel volgens paragraaf C7 34.3.2 van de Vc, maar heeft volgens de minister niet voldaan aan het individualiseringsvereiste. Eiser heeft daarnaast zijn vrees voor de Turkse dienstplicht niet aannemelijk gemaakt, omdat uit eisers verklaringen niet blijkt dat eiser voldoet aan één van de drie voorwaarden genoemd in paragraaf C2 3.2.7 van de Vc. De discriminatie die eiser heeft ervaren als Koerd is niet dusdanig van aard om aan te merken als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdragof artikel 3 van het EVRM.\n\nTen aanzien van de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling\n\n7. Eiser voert allereerst aan dat WI 2024\u002F6in strijd is met het Unierecht en het EVRM, en daarom ten onrechte door de minister is toegepast. Het vereiste van objectieve en authentieke documenten is niet noodzakelijk om het asielrelaas voldoende te onderbouwen. Er vindt volgens de nieuwe werkinstructie dan geen volledige en inhoudelijke beoordeling plaats, wat strookt met het absolute verbod op refoulement. Eiser wijst in dit verband op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 6 maart 2025en de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025waarin prejudiciële vragen zijn gesteld over de werkwijze van WI 2024\u002F6. Eiser heeft verzocht de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vragen.\n\n7.1.. De rechtbank overweegt dat tussen partijen geen discussie bestaat over het Unierechtelijk kader, zoals dat door eiser naar voren is gebracht. Evenmin staat tussen partijen ter discussie dat WI 2024\u002F6 op zichzelf in deze procedure niet ter toetsing voorligt. Ter beoordeling staat of de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser, en de daarbij gebruikte bewijsmaatstaf, in strijd is met het (Unie)recht. Hierbij kan de door de minister gehanteerde wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid wel relevant zijn. De rechtbank overweegt dat, gelet op de stellige en directieve formulering in de nieuwe werkinstructie, er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing ervan in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 7.2 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025, en maakt deze overweging de hare. Dit betekent echter niet dat de toepassing van WI 2024\u002F6 in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het voordeel van de twijfeldoor de minister in zijn algemeenheid op een andere of onjuiste wijze wordt toegepast. De rechtbank dient dit per individuele zaak te beoordelen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden op de gestelde prejudiciële vragen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nTen aanzien van het lidmaatschap van en activiteiten voor [partij 1] vóór 2023\n\n8. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard omdat zijn verklaringen dat hij lid is geweest van [partij 1] en daarna van [bedrijf] in strijd zouden zijn met het bewijs uit E-Devletdat hij in juni 2023 lid was van [partij 1] . Eiser heeft verklaard dat in E-Devlet alleen het huidige, laatste, lidmaatschap van een politieke partij wordt vermeld. Het lag in dit geval op de weg van de minister om aan te tonen dat eiser meer stukken uit E-Devlet kan halen.\n\n8.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser een document heeft overgelegd van zijn lidmaatschap bij [partij 1] in de periode 2023\u002F2, alsmede een verklaring van DEMNEDwaarin staat dat eiser een activist is die heeft deelgenomen aan politieke activiteiten binnen [partij 1] in Turkije. De rechtbank stelt voorop dat de minister, gelet op het verhandelde ter zitting, eiser niet langer tegenwerpt dat zijn verklaringen over zijn lidmaatschap bij [partij 1] vanaf 2020 en zijn lidmaatschap bij [bedrijf] tegenstrijdig zijn met het document dat eiser heeft overgelegd met betrekking tot zijn lidmaatschap van [partij 1] . Ook wordt niet langer door de minister betwist dat eerdere lidmaatschappen niet zichtbaar zijn in E-Devlet. De minister blijft echter bij zijn standpunt dat eiser onvoldoende documenten over zijn eerdere lidmaatschap bij [partij 1] en zijn lidmaatschap bij [bedrijf] heeft overgelegd en daar geen goede verklaring voor heeft. De rechtbank volgt dat standpunt niet en licht dat als volgt toe.\n\n8.2.. \n\nEiser heeft op de zitting toegelicht dat uit veiligheidsoverwegingen binnen [partij 1] informatie-uitwisseling op het partijkantoor plaatsvindt, en er geen bewijzen zoals e-mails en brieven worden gestuurd. Eiser heeft daarbij in het nader gehoor verklaard dat hij bij [partij 1] op de achtergrond probeerde te blijven en niet teveel in beeld wilde komen.Daarnaast heeft eiser er in de zienswijze al op gewezen dat uit landeninformatie blijkt dat een lidmaatschapskaart van [partij 1] pas verkregen kan worden als iemand politieke en bestuurlijke verantwoordelijkheden heeft binnen de partij, wat bij eiser niet het geval was.\n\nGelet op de uitgebreide verklaringen van eiser over zijn betrokkenheid bij [partij 1] sinds de middelbare school, het feit dat de minister niet betwist dat eiser sindsdien deelneemt aan evenementen van [partij 1] , en nu de stelling van de minister dat eiser over meer bewijsstukken zou beschikken slechts op een vermoeden berust, heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vóór 2023\u002F2 lid was van [partij 1] . De beroepsgrond slaagt.\n\nTen aanzien van de problemen vanwege eisers werkzaamheden als stedelijk planner\n\n9. Eiser stelt zich verder op het standpunt de minister ten onrechte heeft gesteld dat hij zijn werk als stadsplanner en de problemen vanwege zijn werk niet heeft onderbouwd. Zijn werk en opleiding tot stadsplanner heeft eiser met vele documenten onderbouwd. De problemen heeft eiser vervolgens met zijn persoonlijk relaas en zijn waarnemingen, met name van bedreigingen aan zijn eigen adres en aan het adres van zijn vader, onderbouwd. Het besluit miskent dat vermoedens en aannames voldoende (kunnen) zijn om gegronde vrees voor vervolging aannemelijk te maken. Gegronde vermoedens en aannames leveren immers een gegronde vrees voor vervolging op. Ten onrechte stelt de minister dat er meer van eiser verwacht mag worden, zonder dat daar in het nader gehoor naar is gevraagd. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser een stuk ingediend waarin hij de gang van zaken rond het planologisch rapport uiteenzet. Daarin is ook verwezen naar de Turkse overheidssite van planning, waar op de stedelijke plannen de naam van eiser naar voren komt.\n\n9.1.. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten, zoals deze tijdens de zitting naar voren zijn gekomen. Anders dan is opgenomen in het bestreden besluit, heeft de minister ter zitting erkend dat eiser betrokken was bij het nieuwe stedelijke plan. Daarmee staat enkel nog ter discussie of eiser naar aanleiding van die betrokkenheid problemen heeft ondervonden. De minister acht het ongeloofwaardig dat eiser is bedreigd en dat zijn vader en zijn werkgever eveneens bedreigingen hebben ontvangen. Eiser heeft volgens de minister onvoldoende stukken overgelegd om deze bedreigingen te onderbouwen.\n\n9.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde problemen van eiser enkel berusten op aannames en vermoedens. Eiser heeft bij zijn aanvraag en in beroep namelijk vele documenten overgelegd. Onder deze documenten bevinden zich gedetailleerde verklaringen van bijvoorbeeld de vader van eiser en een whatsappgesprek met een collega. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de inhoud van deze stukken is beoordeeld, noch welke waarde hieraan in de besluitvorming is toegekend. Dat deze stukken niet afkomstig zijn uit een objectieve bron, zoals de minister stelt, betekent niet dat hieraan geen enkele waarde kan worden toegedicht. De enkele opmerking dat de stukken “subjectief” zouden zijn, doet verder geen recht aan de aard en inhoud daarvan. De minister miskent hiermee namelijk dat de overgelegde stukken eigen waarnemingen en ervaringen van derden bevatten, en niet enkel een weergave vormen van hetgeen eiser zelf heeft verklaard. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser uitgebreid, gedetailleerd en coherent heeft verklaard en de overgelegde stukken, allemaal in onderlinge samenhang, in lijn zijn met eisers verklaringen. Zo komt bijvoorbeeld het overlegde screenshot van het whatsappgesprek dat eiser is bedreigd wat datum betreft overeen met de door eiser genoemde vergadering bij de gemeente waarbij eiser is bedreigd. Ook heeft eiser een aantal krantenartikelen overgelegd waaruit volgt dat er een rechtszaak is geweest tussen de orde van Stedelijke Planning en de curator, en dat er persconferenties zijn geweest van de Orde van Turkse Architecten en Engineers, waar ook de orde van Stedelijke Planning onder valt, en [partij 1] waarin wordt gesproken van bedreigingen vanuit de curator. Omdat de minister niet langer betwist dat eiser betrokken is geweest bij zowel het oude als nieuwe stedelijke plan, kan niet worden volgehouden dat eisers relaas enkel op vermoedens of aannames berust.\n\n9.3.. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de minister een ondeugdelijke geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt. De minister heeft de verklaringen van eiser en de door hem overgelegde bewijsstukken onvoldoende in onderlinge samenhang beoordeeld. Bovendien heeft de minister de relevante landeninformatieonvoldoende kenbaar betrokken bij zijn beoordeling. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Uit de overwegingen 8.1, 8.2 en 9.3 volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.Beslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, en mr. C.A.R. Bleijendaal, en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zaaknummer: NL25.15376.\n\n [partij 1] , veelal omschreven als een Pro-Koerdische politieke partij, inmiddels bekend als [partij 2] .\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.\n\n Werkinstructie 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:3440.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:139.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:10057.\n\n Zoals neergelegd in artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Het elektronische portaal van de Turkse overheid.\n\n Raad van Gemeenschappen uit Koerdistan.\n\n Verslag nader gehoor, pagina 21.\n\n IRB - Immigration and Refugee Board of Canada: Turkey: Requirements and procedures to become a member of the [partij 1] ( [partij 1] , [partij 1] ); membership cards, attestation letters and donation receipts, including content, appearance, and authorized issuing authority; instances of membership attestation letters or membership cards that are not issued; sample (2019–November 2021) [ [nummer] ].\n\n Zie voor de positie van [partij 1] -leden het Algemeen Ambtsbericht Turkije (februari 2025), pagina 58 e.v.\n\n Artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27281","2026-02-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:56.669Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":43,"courtId":101,"decisionDate":102,"fullText":103,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":105,"parsedAt":51,"updatedAt":106},"354","ECLI:NL:RBDHA:2025:21950","ecli-nl-rbdha-2025-21950",61,"2025-11-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.42498\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. G.L. Wischhoff).\n\nProcesverloop\n\nIn deze einduitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing\n\nvan zijn (opvolgende) asielaanvraag. Eiser heeft op 21 april 2023 een (opvolgende) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nVoor het procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak die zij op 11 april 2025 heeft gedaan op het beroep van eiser (de tussenuitspraak).\n\nIn de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.\n\nVerweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.\n\nEiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.\n\nVerweerder heeft een aanvullende reactie ingediend.\n\nEiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.\n\nDe rechtbank heeft op grond van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet\n\nBestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\n1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).\n\nDe tussenuitspraak\n\n2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder niet ten onrechte het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank heeft echter een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek geconstateerd bij het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief in [plaats] (rechtsoverweging 10). Verweerder is in het bestreden besluit namelijk onvoldoende ingegaan op de voorwaarden die gelden voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief en op de individuele omstandigheden van eiser.\n\nDe aanvullende motivering\n\n3. Verweerder heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het gebrek te herstellen. In de aanvullende motivering van 10 juli 2025 heeft verweerder overwogen dat [plaats] als binnenlands beschermingsalternatief kan gelden voor eiser op grond van paragraaf C2\u002F3.4. van de Vreemdelingencirculaire (Vc) omdat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is geacht. In [plaats] is immers geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Volgens verweerder is niet gebleken van belemmeringen voor vestiging in [plaats] . Volgens verweerder is daarbij ten eerste van belang dat eisers asielrelaas (terecht) ongeloofwaardig is geacht. Hij staat dus niet in de negatieve aandacht van de Congolese autoriteiten. Eiser spreekt verder de Franse taal en die taal wordt ook gesproken in [plaats] . Dat eiser geen netwerk heeft in [plaats] klopt, maar verweerder ziet niet in waarom hij geen netwerk zou kunnen opbouwen in [plaats] . Ten slotte is niet gebleken van medische belemmeringen en zijn er geen aanwijzingen dat het terugkeren met een laissez-passer (LP) tot problemen zou leiden bij terugkeer.\n\nJuridisch kader\n\n4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdelingvolgt dat de minister een binnenlands beschermingsalternatief, in de zin van een vlucht- of vestigingsalternatief, mag tegenwerpen als een vreemdeling in een deel van zijn land van herkomst geen gegronde vrees heeft voor vervolging en daar ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verder moet dat deel van het land toegankelijk zijn voor die vreemdeling en moet hij op een veilige en wettige manier daarnaartoe kunnen reizen. Ook moet de minister redelijkerwijs van de vreemdeling mogen verwachten dat hij zich er vestigt (artikel 3.37d, eerste lid, van het VV 2000, en paragraaf C2\u002F3.4 van de Vc 2000).\n\nReactie eiser op aanvullende motivering\n\n5. Eiser stelt zich op het standpunt dat het wel degelijk problematisch is dat hij enkel Frans spreekt en geen Lingala. Lingala is namelijk de primaire of volkstaal in [plaats] en wordt gesproken door de Congolezen onderling. Eiser zal omdat hij geen Lingala spreekt gediscrimineerd worden. Hij zal als buitenstaander worden gezien en in combinatie met zijn gebrek aan een netwerk zal dit zijn integratie en leven in [plaats] zeer moeilijk maken.\n\nVerder stelt eiser dat hij, omdat hij reist met een LP, zal worden ondervraagd op de luchthaven. Congolezen die op een opsporingslijst staan lopen groot gevaar om te worden gemarteld. Bovendien is de kans groot dat de Congolese autoriteiten weten dat hij in Nederland asiel heeft aangevraagd. Eiser stelt dat de presentatie bij de Congolese ambassade die stond gepland op 25 juli 2025 bovendien onrechtmatig was omdat nog niet vaststond dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzette tegen zijn uitzetting.\n\nEiser stelt zich te slotte op het standpunt dat zijn medische situatie zich verzet tegen zijn terugkeer naar Congo. Eiser doet hierbij een beroep op het arrest Paposhvili tegen België.\n\nOverwegingen van de rechtbank\n\nHet binnenlands beschermingsalternatief\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het geconstateerde gebrek in de tussenuitspraak heeft hersteld met de aanvullende motivering van 10 juli 2025. Zij overweegt daartoe als volgt.\n\n6.1.. Uit de tussenuitspraak volgt dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde vrees voor vervolging door de Congolese autoriteiten ongeloofwaardig is geacht. Eiser is het blijkens zijn verklaring in het aanvullende gehoor na de tussenuitspraak niet eens met dit oordeel van de rechtbank. Eiser zal zijn bezwaren tegen dit oordeel echter in een hoger beroepsprocedure aan de orde moeten stellen. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen zeer uitzonderlijke omstandigheden die aanleiding geven op haar in de tussenuitspraak gegeven oordeel terug te komen. Dit betekent dat eiser in [plaats] geen gegronde vrees heeft voor vervolging en daar ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verder heeft eiser niet betwist dat [plaats] feitelijk toegankelijk is voor hem en dat hij [plaats] op een veilige en wettige manier kan bereiken. Het geschil spitst zich daarom toe op de derde voorwaarde voor het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief; verweerder moet redelijkerwijs van eiser mogen verwachten dat hij zich in [plaats] vestigt.\n\n6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser de Franse taal machtig is en zich dus verstaanbaar kan maken in [plaats] . Eiser heeft zelf ook erkend dat er Frans wordt gesproken en verweerder heeft terecht gesteld dat Frans de officiële taal is in [plaats] . Eiser heeft zijn stelling dat hij gediscrimineerd zal worden omdat hij geen Lingala spreekt niet onderbouwd met landeninformatie, laat staan dat hij heeft onderbouwd dat dit in zijn geval tot daadwerkelijke problemen zal leiden. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eiser weliswaar op dit moment geen netwerk heeft in [plaats] , maar dat dit niet zonder meer betekent dat niet van eiser mag worden verwacht dat hij zich daar vestigt. Hierbij is van belang dat eiser de eerste 30 jaar van zijn leven in Congo heeft gewoond, de Congolese nationaliteit heeft en hoogopgeleid is. Daarmee is de situatie van eiser niet vergelijkbaar met die van de van de vreemdelinge (een alleenstaande vrouw) in de recente uitspraak van de Afdeling over het tegenwerpen van [plaats] als binnenlands beschermingsalternatief.Niet valt in te zien waarom eiser niet naar lokale maatstaven een normaal leven zou kunnen leiden in [plaats] . Eiser heeft in zijn zienswijze op de aanvullende motivering nog gesteld dat hij door zijn slechte gezondheid geen handenarbeid zal kunnen verrichten en dat hij, omdat hij gedwongen kan worden uitgezet, alles zal moeten achterlaten en niet zal kunnen bewijzen dat hij is afgestudeerd, zodat hij zonder financiële middelen zal moeten overleven. Verweerder heeft in reactie hierop niet ten onrechte opgemerkt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij om gezondheidsredenen geen handenarbeid kan verrichten en dat niet valt in te zien waarom eiser bij uitzetting zijn persoonlijke bezittingen niet kan meenemen of deze eventueel kan laten nasturen. Verder heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiser bij zijn integratie in Nederland financieel is ondersteund door vrienden en dat niet is gebleken dat dit niet opnieuw zou kunnen gebeuren.\n\n6.3.. Wat eiser aanvoert ten aanzien van de mogelijke problemen bij aankomst op de luchthaven, treft geen doel. Hiertoe is ten eerste van belang dat uit de tussenuitspraak volgt dat verweerder het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Dit betekent dat verweerder ook ongeloofwaardig heeft kunnen achten dat eiser op een opsporingslijst staat of anderszins in de negatieve aandacht staat van de Congolese autoriteiten. Uit de landeninformatie waar eiser naar verwijst blijkt niet dat alle terugkerende Congolezen die met een LP reizen bij terugkeer problemen ervaren. Verweerder heeft bovendien gewezen op landeninformatie waaruit volgt dat personen die (gedwongen) terugkeren geen problemen ondervinden. Eiser heeft ook niet onderbouwd waarom de Congolese autoriteiten op de hoogte zouden zijn van zijn asielaanvraag in Nederland, terwijl verweerder heeft aangegeven deze informatie nooit te delen met de autoriteiten in Congo.\n\nPresentatie bij de ambassade op 25 juli 2025\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat in een geval als dat van eiser, waar de rechtbank zich al heeft uitgelaten over het geloofwaardigheidsoordeel van verweerder ten aanzien van de gestelde vrees voor vervolging door de autoriteiten, niet valt in te zien waarom verweerder eiser niet mag presenteren bij de Congolese ambassade. In beginsel staat immers met de tussenuitspraak vast dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser vreest voor vervolging door die autoriteiten. De presentatie bij die autoriteiten zou daarom niet tot negatieve gevolgen voor eiser moeten leiden. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nMedische situatie\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van medische bezwaren tegen de terugkeer van eiser naar [plaats] . Eiser heeft geen verklaring van een arts overgelegd waaruit dit blijkt. Eiser stelt weliswaar dat hij medische problemen heeft en dat sprake zou zijn van een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand, met als gevolg intens lijden of een aanzienlijke vermindering van zijn levensverwachting als hij zou worden uitgezet, maar heeft dit dus onvoldoende onderbouwd. Verweerder stelt bovendien terecht dat hij niet gehouden is ambtshalve aan artikel 64 van de Vw te toetsen, nu het een opvolgende asielaanvraag betreft.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.\n\n10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het verschijnen op ter zitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 907,-, bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.267,50.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 29 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1328, 24 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3805 en 23 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5038.\n\n Uitspraak van 23 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5038.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21950","2025-11-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.808Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":43,"courtId":101,"decisionDate":111,"fullText":112,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":114,"parsedAt":51,"updatedAt":115},"577","ECLI:NL:RBDHA:2025:22590","ecli-nl-rbdha-2025-22590","2025-11-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL24.42636, NL25.14206, NL25.14212 en NL25.14216uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer 1] ,\n\n [naam eiseres 1] , eiseres 1\n\nV-nummer: [V-nummer 2] ,\n\nmede namens hun minderjarige kinderen\n\n [naam kind 1]en[naam kind 2]\n\nV-nummers: [V-nummer 3] en [V-nummer 4]\n\nen\n [naam eiseres 2] , eiseres 2\n\nV-nummer: [V-nummer 5] ,\n\nsamen: eisers,\n\n(gemachtigde: mr. O. Sarac),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. F. Becker).\n\nProcesverloop\n\n1. Eisers hebben op 15 juli 2023 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.\n\n1.1.. Eiseres 2 heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.\n\n1.2.. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 21 maart 2025 de aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n1.3.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.\n\n1.4.. Eisers hebben op 12 augustus 2025 aanvullende gronden ingediend.\n\n1.5.. De rechtbank heeft de beroepen op 13 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, bijgestaan door hun gemachtigde, de gemachtigde van verweerder en als tolk K. Efe.\n\nBeroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag\n\n2. Omdat verweerder inmiddels een besluit op de asielaanvraag van eiseres 2 heeft genomen, heeft zij geen belang meer bij haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is daarom niet-ontvankelijk. Het beroep heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op het alsnog genomen besluit.\n\n3. Eiseres 2 krijgt wel een vergoeding voor de proceskosten die zij in het kader van het beroep niet-tijdig beslissen heeft gemaakt. Zij stelt namelijk terecht dat verweerder niet tijdig op haar aanvraag heeft beslist. Eiseres 2 heeft een geldige ingebrekestelling verstuurd nadat de beslistermijn was verstreken en verweerder heeft pas na het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen een besluit genomen. Verweerder moet daarom de proceskostenvergoeding betalen. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-, bij een wegingsfactor 0,5).\n\nBeroepen tegen de bestreden besluiten\n\nDe asielrelazen\n\n4. Eisers stellen van Turkse nationaliteit te zijn. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum 1] 1966, eiseres 1 stelt geboren te zijn op [geboortedatum 2] 1978 en eiseres 2 is de dochter van eiser en eiseres en stelt geboren te zijn op [geboortedatum 3] 1999. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Zij zijn van Koerdische afkomst en zijn allen actief geweest voor de HDP. Zij hebben daardoor problemen ondervonden van de autoriteiten. Zo is eiser meerdere malen aangehouden, ondervraagd en mishandeld. Eiseres 1 is ook wel eens aangehouden. Verder is het familiehuis (waar eisers niet woonden) van eisers in brand gestoken. Ten slotte zijn de autoriteiten na hun vertrek langsgegaan bij hun huis.\n\nHet besluit ten aanzien van eisers\n\n5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nProblemen vanwege activiteiten voor HDP\u002FDEM;\n\nProblemen vanwege Koerdische afkomst.\n\n6. Het asielrelaas van eiseres 1 bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nProblemen vanwege betrokkenheid bij HDP;\n\nProblemen vanwege Koerdische afkomst.\n\n7. Het asielrelaas van eiseres 2 bevat volgens verweerder uitsluitend de volgende relevante elementen:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nProblemen vanwege betrokkenheid bij HDP.\n\n8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers deels geloofwaardig is. De overige relevante elementen heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft verder aan eisers tegengeworpen dat zij zich onnodig hebben ontdaan van hun identiteits- en reisdocumenten zodat hun identiteit niet kan worden vastgesteld en dat eisers duidelijk tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Verweerder heeft de aanvragen daarom afgewezen als kennelijk ongegrond. In het geval van eiser en eiseres 1 is dit gebeurd op grond van artikel 30b, eerste lid, onder d en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en in het geval van eiseres 2 alleen op grond van artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nLate indiening nieuwe beroepsgronden\n\n9. De rechtbank stelt vast dat eisers op 12 augustus 2025, één dag voor de zitting, nog aanvullende beroepsgronden hebben ingediend. De rechtbank heeft dit met partijen besproken, omdat voorstelbaar is dat verweerder zich daardoor onvoldoende heeft kunnen voorbereiden. Anders dan de gemachtigde van eisers stelt, bevatten de aanvullende gronden ook nieuwe beroepsgronden. De gemachtigde van verweerder heeft echter te kennen gegeven dat zij voldoende heeft kunnen reageren op hetgeen door eisers naar voren is gebracht. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om gevolgen te verbinden aan de late indiening van de aanvullende gronden.\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst\n\n10. Eisers voeren aan dat ten onrechte aan hen is tegengeworpen dat hun identiteit niet geloofwaardig is. Hun documenten zijn in Duitsland ingenomen en die hebben zij niet terug weten te krijgen. Daarnaast zijn hun inloggegevens voor E-devlet verlopen en kunnen deze enkel fysiek in Turkije worden hernieuwd. Desondanks hebben eisers familie-uittreksels en andere indirecte bewijsstukken overgelegd. Dat zou voldoende moeten zijn.\n\n11. Verweerder heeft ter zitting de tegenwerping laten vallen dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser en eiseres 1 ongeloofwaardig is. Volgens verweerder is hun identiteit, nationaliteit en herkomst met het overleggen van de paspoorten in beroep aannemelijk gemaakt. Verweerder houdt vast aan de tegenwerping voor zover het eiseres 2 betreft.\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiseres 2 heeft kunnen tegenwerpen dat niet is gebleken is dat zij zich heeft ingespannen om haar identiteit gedurende de asielprocedure te onderbouwen met documenten terwijl dit wel van haar verwacht mag worden. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres 2 zich onnodig heeft ontdaan van haar paspoort en identiteit. Zij heeft verklaard dat zij haar paspoort en identiteitskaart heeft gegeven aan de mensensmokkelaars, omdat zij dacht dat zij niks aan deze documenten zou hebben. Die verklaring duidt op het vrijwillig afgeven van haar documenten en dat kan haar worden tegengeworpen. Zij heeft bovendien niet op een andere wijze haar identiteit aannemelijk kunnen maken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nHDP-leden als risicogroep\n\n13. Eisers voeren (in hun aanvullende gronden) aan dat HDP-leden ten tijde van hun binnenkomst in Nederland werden aangemerkt als risicogroep en met geringe indicaties aannemelijk konden maken dat zij een gegronde vrees voor vervolging door de Turkse autoriteiten hadden. Verweerder heeft daarom ten onrechte niet aan de hand van dit beleid getoetst.\n\n14. Verweerder moet in beginsel uitgaan van het beleid zoals dat gold op het moment dat het bestreden besluit werd genomen. Verweerder moet namelijk beoordelen of de vreemdeling op het moment van toetsen – en dus niet op het moment van de asielaanvraag – een gegronde vrees voor vervolging heeft of bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van het verbod op refoulement. De enkele omstandigheid dat een vreemdeling door toepassing van nieuw beleid in een ongunstiger positie komt, is in dit geval onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. Eisers hebben verder geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven tot een ander oordeel.\n\n15. In de aanvullende beroepsgronden van 12 augustus 2025 wordt verder verwezen naar een uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2022:6411) waarin onder meer zou staan dat het lidmaatschap van de HDP ‘op zichzelf reeds een reëel risico op vervolging inhoudt’ en dat ‘zelfs geringe betrokkenheid bij de partij aanleiding kan zijn tot vervolging door de Turkse autoriteiten’. Dit is schuingedrukt en met aanhalingstekens weergegeven in de aanvullende beroepsgronden, dus als citaat, maar is niet in de uitspraak terug te vinden. Ook lijkt de strekking van het citaat niet in lijn met bestaande jurisprudentie op dit punt. Hiermee geconfronteerd tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eisers aangegeven dat het citaat waarschijnlijk uit een andere uitspraak komt en dat ze het anders niet weet. Ze heeft het gebruik van ChatGPT ontkend. Deze gang van zaken roept bij de rechtbank vragen op, ook omdat het citaat niet in een andere uitspraak kon worden teruggevonden. In elk geval geldt dat de uitspraak waarop eisers zich hebben beroepen, hen niet kan baten.\n\n16. Eisers hebben verder in beroep enkel verouderde landeninformatie naar voren gebracht. Voor zover zij zich op het standpunt stellen dat uit deze informatie valt af te leiden dat HDP-leden nu nog altijd als risicogroep moeten worden aangemerkt, kan die beroepsgrond alleen al daarom niet slagen.\n\nProblemen vanwege betrokkenheid bij de HDP\n\n17. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte de problemen als gevolg van hun betrokkenheid bij de HDP ongeloofwaardig heeft geacht. Zo is eiser al sinds de jaren ’90 betrokken bij de HDP en heeft hij deelgenomen aan demonstraties, huis-aan-huiscampagnes en de organisatie van bijeenkomsten. Het feit dat eiser minder van de partij zelf afweet vanwege zijn analfabetisme doet niet af aan zijn betrokkenheid bij de partij. Eiseres 1 is ook al sinds 1996 actief bij de partij en heeft gedetailleerd verklaard over haar activiteiten. Bovendien heeft zij een aantal ondersteunende documenten overgelegd. Dat zij niet meer heeft kunnen overleggen is het gevolg van de brand in haar woning. Ook eiseres 2 had beschikking over documenten ter onderbouwing van haar lidmaatschap en activiteiten, maar deze zijn verloren gegaan tijdens politie-invallen. Na het vertrek heeft de politie bovendien een inval gedaan in het huis, waarmee de negatieve aandacht van de autoriteiten wordt bevestigd.\n\n18. Verweerder heeft terecht aan eisers tegengeworpen dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij daadwerkelijk lid zijn (geweest) van de HDP. Verweerder mag in dat kader van eisers verwachten dat zij het lidmaatschap met documenten kunnen onderbouwen, vooral nu zij stellen lange tijd betrokken te zijn geweest bij de partij. Dit geldt vooral voor eiser en eiseres 1. Eiseres 1 stelt bijvoorbeeld sinds 1996 actief te zijn geweest voor de HDP en van haar mag worden verwacht dat zij meer kan overleggen dan een kopie van een handgeschreven lidmaatschapsaanvraag uit 2015 die niet op authenticiteit kan worden gecontroleerd en waaruit niet kan worden afgeleid of zij daadwerkelijk lid is geworden. Gelet op de lange periode dat eiser actief was voor HDP, heeft verweerder ook van eiser mogen verwachten dat hij zijn activiteiten kan aantonen met documenten. Eiseres 2 heeft ook geen documenten overlegd ter onderbouwing voor haar lidmaatschap, terwijl zij zelfs stelt te hebben gewerkt als stembusmedewerker. Verweerder heeft het bevreemdend kunnen vinden dat eisers geen enkel document hebben kunnen overleggen waaruit blijkt dat één van hen lid is geweest van de HDP. Dit heeft verweerder in het nadeel van eisers mogen wegen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De stukken die eisers wel hebben overgelegd zeggen niets over het gestelde lidmaatschap van de HDP. Verweerder heeft verder vooral in het geval van eiser en eiseres 1, die decennialang stellen te zijn betrokken bij de HDP en zijn voorgangers, mogen verwachten dat zij op zijn minst gedetailleerd kunnen verklaren over de partij. Eiser heeft bovendien wisselend verklaard over het al dan niet daadwerkelijk lid zijn van de partij.Zeker nu eiser heeft verklaard dat hij een significante rol binnen de partij heeft gespeeld, valt niet in te zien waarom hij niet weet waar de naam van de partij voor staat en wie de partijprominenten zijn. Dat eiser analfabeet is, is geen afdoende verklaring voor dit gebrek aan basale kennis over de HDP. Verweerder stelt ook niet ten onrechte dat eiseres 2 met haar verklaringen onvoldoende kennis over de partij heeft laten blijken.\n\n19. De rechtbank constateert verder dat eisers ook in beroep geen inhoudelijke gronden richten tegen de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling. Eisers stellen zich op het standpunt dat hun problemen in lijn zijn met de landeninformatie en dat hun verklaringen wel consistent zijn. Dat is echter geen daadwerkelijke betwisting of weerlegging van de door verweerder aan de afwijzing ten grondslag gelegde tegenstrijdigheden, ongerijmdheden en vaagheden. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eisers in de negatieve belangstelling staan van de autoriteiten vanwege hun (gestelde) activiteiten voor de HDP. Ook van de gestelde problemen hebben eisers geen enkel document overgelegd. Dit terwijl eiseres 1 stelt dat de politie tien keer een inval heeft gedaan in hun huis en dat zij foto’s heeft gemaakt van een huiszoeking in 2020.Eiseres 2 stelt in haar gehoor ook dat haar moeder de inval in juni 2023 heeft gefilmd.Verweerder heeft terecht aan eiseressen tegengeworpen dat zij geen beeldmaterieel hebben overgelegd. De verklaring van eiseres 2 dat zij haar mobiele telefoon heeft verkocht en dus niet beschikt over het beeldmateriaal, heeft verweerder geen afdoende verklaring hoeven vinden. Uit de verklaringen van eiseres 2 komt blijkt bovendien dat zij lange tijd probleemloos in Istanbul heeft kunnen verblijven en alleen enkele keren door de politie is gecontroleerd.\n\n20. In het geval van eiseres 1 komt uit haar verklaringen naar voren dat zij maar een bescheiden rol stelt te hebben vervuld binnen de HDP. Het ligt in dat geval ook op haar weg om aannemelijk te maken dat zij ondanks die bescheiden rol in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. Verweerder heeft verder bovendien kunnen concluderen dat het enkele gegeven dat eisers betrokken zouden zijn bij activiteiten van de HDP niet maakt dat zij alleen daarom al een reëel risico lopen op vervolging.\n\n21. Uit het voorgaande volgt dat verweerder op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd geconcludeerd heeft dat eisers’ gestelde problemen vanwege hun lidmaatschap van en activiteiten voor de HDP ongeloofwaardig zijn.\n\nProblemen vanwege Koerdische afkomst\n\n22. Eisers stellen zich verder op het standpunt dat verweerder de problemen als gevolg van hun Koerdische afkomst ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zo duidt de wijze waarop er brand is gesticht in hun (familie)huis in het oosten van Turkije op een gerichte (systematische) aanval op Koerden. Bovendien is sprake geweest van grafschennis.\n\n23. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de brandstichting op hun persoon was gericht en dat daarmee niet is gebleken van een causaal verband tussen de brandstichting en hun Koerdische afkomst. Verder hebben eisers weliswaar foto’s van een afgebrand\u002Fvernield huis overgelegd, maar hieruit valt niet af te leiden dat dit hun huis is. De foto’s bevatten ook geen datum of andere gegevens waaruit meer kan worden afgeleid. Verweerder heeft ook aan eisers kunnen tegenwerpen dat zij tegenstrijdig hebben verklaard over het al dan niet doen van aangifte van de brandstichting. Tijdens het nader gehoor van eiseres 1 heeft zij aangeven dat zij hebben geprobeerd aangifte te doen en dat bij de dorpsoudste hebben aangegeven, die aan hen zou hebben meegedeeld dat dat niet mocht van de gouverneur.Eiseres 2 verklaart dan weer dat eiser en eiseres 1 naar de militairen zijn gegaan en daar aangifte hebben gedaan of dat in elk geval hebben geprobeerd.Eiser zelf verklaart dat zij nooit aangifte hebben gedaan en dat zij dat ook nooit hebben geprobeerd.Deze verklaringen zijn tegenstrijdig met elkaar en eisers hebben deze tegenstrijdigheid niet kunnen ophelderen. Dat eiser niet op de hoogte zou zijn van de aangifte van zijn echtgenote omdat hij analfabeet is, is geen afdoende verklaring. Dat eiser analfabeet is, betekent namelijk niet dat hij over een dergelijke belangrijke gebeurtenis niet zou kunnen communiceren met zijn echtgenote. De enkele stelling dat vaststaat dat de Turkse autoriteiten dit soort branden stichten bij huizen van Koerden is onvoldoende voor een ander oordeel. Los van het feit dat eisers geen landeninformatie hebben overgelegd waaruit dit blijkt, maakt het enkele gegeven dat iets in algemene zin kan voorkomen nog niet aannemelijk dat dit in het geval van eisers is gebeurd en dat dit is gebeurd vanwege hun Koerdische afkomst. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nKennelijke ongegrondheid\n\n24. Eisers betwisten de kennelijk ongegrondverklaring omdat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het lidmaatschap van eisers van een erkende risicogroep, te weten de HDP, en met hun concrete en individuele vervolgingservaringen. Hierdoor is de ernstige vervolgingsdreiging niet (voldoende) erkend. Daarnaast is het opgelegde inreisverbod disproportioneel en onevenwichtig, aangezien het hun recht op gezinsleven aantast en geen recht doet aan de gegronde vervolgingsvrees en de nauwe familieband met hun in Nederland verblijvende zoon. Ten slotte is het terugkeerbesluit onrechtmatig omdat het niet voldoet aan het non-refoulementbeginsel; terugkeer naar Turkije brengt voor eisers een reëel risico op ernstige schade mee, terwijl de relevante landeninformatie en persoonlijke vervolgingservaringen onvoldoende zijn betrokken bij de besluitvorming.\n\n25. De rechtbank stelt voorop dat het merendeel van wat eisers bij deze beroepsgrond aanvoeren, hiervoor is besproken door de rechtbank. Daar zal de rechtbank dus verder niet op ingaan.\n\n26. De rechtbank is verder van oordeel dat de aanvragen van eisers terecht kennelijk ongegrond zijn verklaard door verweerder. In het geval van eiser en eiseres 1 zijn de aanvragen kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid en onder d en e, van de Vw. Verweerder heeft weliswaar in beroep de d-grond (dat eisers zich te kwader trouw hebben ontdaan van hun reispapieren) laten vallen, maar de e-grond is terecht aan eisers tegengeworpen. Dit volgt uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen. In het geval van eiseres 2 heeft verweerder, gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, artikel 30b, eerste lid en onder d, van de Vw aan de afwijzing als kennelijk ongegrond ten grondslag kunnen leggen. Nu verweerder de aanvragen heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond, heeft hij niet ten onrechte aan eisers een terugkeerbesluit en inreisverbod van twee jaar opgelegd. Het feit dat eiser en eiseres 1 een zoon zouden hebben in Nederland is verder geen reden voor verweerder om af te zien van het opleggen van het inreisverbod.\n\nConclusie en gevolgen\n\n27. De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen.\n\n28. De vergoeding van proceskosten wordt, gelet op de overwegingen onder 2 en 3, vastgesteld op in totaal € 453,50.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiseres 2 niet-ontvankelijk;\n\nverklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres 2.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Nader gehoor eiser, pagina 8 en zienswijze eiser, pagina 1.\n\n Nader gehoor eiseres 1, pagina 16 en 17.\n\n Nader gehoor eiseres 2, pagina 14.\n\n Nader gehoor eiseres 2, pagina 8-11.\n\n Nader gehoor eiseres 1, pagina 20.\n\n Nader gehoor eiseres 2, pagina 12 en 13.\n\n Nader gehoor eiser, pagina 14.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22590","2025-11-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.642Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":120,"fullText":121,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":123},"379","ECLI:NL:RBDHA:2025:24317","ecli-nl-rbdha-2025-24317","2025-11-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.45166 (beroep) en NL25.45167 (voorlopige voorziening)\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n \n [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser)\n\n(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. A. de Graaf).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. Eiser heeft op 1 januari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.\n\n1.2.. Verweerder heeft op de beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op\n\n30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk is verschenen T. Ahmad.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\nHet asielrelaas\n\n2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001, heeft de Iraakse nationaliteit en behoort tot de jezidi bevolkingsgroep. Hij heeft – kort samengevat – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Irak discriminatie heeft ondervonden vanwege zijn jezidi etniciteit en geloofsovertuiging. Zo heeft hij verklaard dat hij gediscrimineerd werd als hij werkt zocht en dat hij zijn producten uit zijn winkel soms niet kon verkopen. Eiser is in 2014 gevlucht uit [plaats] voor IS en heeft sindsdien verbleven in het ontheemdenkamp [kampnaam] in de Koerdische Autonome Regio in Irak (KAR). In [plaats] is eiser twee keer benaderd door groeperingen die hem wilde rekruteren. Eiser stelt dat hij bij terugkeer geen werk kan vinden en dat hij vreest voor ontvoering of rekrutering door de strijdende partijen in de regio. Ten slotte worden er (online) haatuitingen verspreid over de jezidi’s. Eiser heeft op 30 augustus 2022 in Griekenland asiel aangevraagd en op 10 oktober 2022 heeft hij daar een verblijfsvergunning gekregen op de grond van vluchtelingschap omdat hij jezidi is. Op 28 december 2022 is eiser Nederland ingereisd en op 1 januari 2023 heeft hij zijn huidige asielaanvraag ingediend.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\ndiscriminatie vanwege zijn jezidi achtergrond; en\n\npogingen tot rekrutering door de PKKen al-Hashd al Shaabi.\n\n3.1.. Verweerder vindt alle asielmotieven geloofwaardig. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdragof een reëel risico op ernstige schade looptbij terugkeer naar Irak.\n\n3.2.. Zo heeft verweerder ten aanzien van het vluchtelingschap tegengeworpen dat de jezidi’s in Irak niet in zijn algemeenheid worden onderworpen aan groepsvervolging en voor hen op grond van het huidige landenbeleid momenteel geen risicoprofiel geldt. Ook heeft verweerder tegengeworpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de discriminatie die hij heeft ervaren tot dusdanige ernstige beperkingen van zijn bestaansmogelijkheden heeft geleid dat het onmogelijk was voor hem om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Dat eiser in Griekeland een vluchtelingenstatus heeft gekregen, betekent niet dat hij deze in Nederland ook moet krijgen. Verweerder heeft een eigen beoordeling mogen verrichten.\n\n3.3.. Ook het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar Irak is niet aannemelijk gemaakt nu de humanitaire situatie in het kamp niet zodanig is dat die een 3 EVRMschending oplevert en eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk risico loopt op ernstige schade. Verder heeft eiser ook zijn vrees voor gedwongen rekrutering niet aannemelijk gemaakt.\n\n3.4.. Het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (hierna: artikel 15c Kri) slaagt volgens verweerder niet, nu er conform het beleid op dit moment enkel sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld in de regio’s Diyala, Duhok, Erbil en Ninewa in Irak. Van individuele omstandigheden die maken dat eiser bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld risico loopt als bedoeld artikel 15c Kri is niet gebleken.\n\n3.5.. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Ook heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Irak, met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Als jezidi heeft eiser bij terugkeer, anders dan verweerder stelt, wel een gegronde vrees voor vervolging en loopt hij een reëel risico op ernstige schade. Hij betoogt dat hij vanaf jonge leeftijd structureel is vernederd, gediscrimineerd en sociaal uitgesloten vanwege zijn jezidi-achtergrond. In 2014 is hij persoonlijk getroffen door de IS-aanval in [plaats]. De opeenstapeling van deze ervaringen heeft zijn situatie onhoudbaar gemaakt en leidt ertoe dat zijn huidige vrees mede gebaseerd is op de voortdurende dreiging tegen jezidi’s. Eiser stelt dat hij zijn geloof niet zonder gevaar kan uiten en dat van hem niet mag worden verwacht dat hij zijn geloofsovertuiging bij terugkeer verborgen houdt. Daarnaast beschouwt verweerder het tentenkamp [kampnaam] ten onrechte als een normale woon- of verblijfplaats. Eiser wijst erop dat hij daar noodgedwongen sinds 2014 onder mensonwaardige omstandigheden verbleef, afhankelijk van humanitaire hulp en geconfronteerd met discriminatie, zodat het kamp niet kan gelden als een duurzaam vestigingsalternatief. Terugkeer naar [plaats] is volgens eiser ook niet mogelijk, nu deze regio ernstig verwoest is, het er nog steeds onveilig is door de aanwezigheid van actieve IS-cellen en er geen effectieve bescherming voor jezidi’s beschikbaar is. Verder voert eiser aan dat verweerder recente landeninformatie, UNHCR-richtlijnen en vergelijkbare jurisprudentie, waaruit blijkt dat jezidi’s nog steeds als kwetsbare minderheidsgroep worden beschouwd, ten onrechte onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken. Ook gaat verweerder eraan voorbij dat aan eiser in Griekenland al internationale bescherming is toegekend, wat bevestigt dat er sprake is van beschermingsbehoefte. Tot slot heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser zich niet direct na aankomst heeft gemeld, nu eiser hiervoor een verschoonbare reden heeft gegeven.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.\n\nMocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging?\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar de Irak geen gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\nJezidi’s in het algemeen\n\n7. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht gevonden dat het enkel zijn van jezidi geen gegronde vrees voor vervolging oplevert. Hierbij heeft verweerder kunnen wijzen op het gewijzigde beleid naar aanleiding van het meest recente ambtsbericht. Niet is gebleken dat jezidi’s omwille hun geloof of etniciteit het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Bovendien wordt jezidisme officieel erkend in Irak als godsdienst en worden jezidi’s niet actief ervan weerhouden hun geloof te uiten.Daar komt bij dat eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij specifiek gevaar loopt vanwege het feit dat hij jezidi is.\n\nDiscriminatie als daad van vervolging\n\n8. De discriminatie waar eiser als jezidi slachtoffer van is geweest in Irak wordt door verweerder erkend. Verweerder verwijst in dit kader naar de weigering van sommige personen om producten van eiser te kopen, verbale beledigingen, het langdurig ophouden bij controleposten, belemmeringen bij het vinden van werk en het meer moeten betalen en langer moeten wachten voor zorg en het verkrijgen van officiële documenten. Desalniettemin heeft verweerder tegen kunnen werpen dat hieruit niet blijkt dat eiser dusdanig werd beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat de discriminatie als vervolging moet worden aangemerkt. Eiser heeft immers onderwijs kunnen volgen, zijn werk in de bouw en landbouw kunnen uitoefenen en uiting kunnen geven aan zijn geloof. Ook had eiser bewegingsvrijheid om naar andere plaatsen te gaan, heeft hij identificerende documenten van de Iraakse autoriteiten kunnen krijgenen heeft hij toegang gehad tot medische zorg. Hoewel uit de door eiser ingebrachte informatie in zijn algemeenheid blijkt van moeilijkheden voor de jezidi-bevolking in Irak, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk zulke zwaarwegende problemen heeft ondervonden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren wegens zijn etniciteit en geloof.\n\nNormale woon- of verblijfplaats\n\n9. Voor zover eiser aanvoert dat het ontheemdenkamp [kampnaam] niet als normale woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt, overweegt de rechtbank als volgt. De Afdelingheeft bij uitspraak van 18 september 2012geoordeeld dat bij de beoordeling of in het land dan wel in voorkomend geval het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw, zich voordoet, moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- of verblijfplaats had. Verder volgt uit die uitspraak dat bij beantwoording van de vraag of een plaats kan worden beschouwd als de plaats waar de vreemdeling zijn normale woon- en verblijfplaats had, onder meer van belang is hoe lang en onder welke omstandigheden de vreemdeling aldaar heeft verbleven. De omstandigheid dat de vreemdeling gevlucht is naar de plaats is niet van doorslaggevende betekenis.\n\n9.1.. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat de KAR kan worden aangemerkt als de normale woon- en verblijfplaats van eiser. Daarbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat eiser de acht jaren voorafgaand aan zijn vertrek in de KAR heeft verbleven. Tijdens het achtjarige verblijf van eiser in het vluchtelingenkamp [kampnaam] in de KAR heeft hij op school gezeten, heeft hij zijn geloof kunnen uiten en was hij werkzaam in de landbouw en in de bouw. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het langdurige verblijf van eiser in de KAR voldoende blijk geeft van een band met deze plaats. Verder heeft verweerder zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat noch uit de jurisprudentie van de Afdeling, noch uit andere bronnen, zoals een door verweerder genoemde rapportagevan EUAA, volgt dat humanitaire omstandigheden een relevant criterium zijn bij het bepalen van de normale woon- of verblijfplaats. De beoordeling van de humanitaire omstandigheden staat los van de vraag waar de vreemdeling heeft gewoond en verbleven. Anders dan eiser meent, heeft verweerder de humanitaire situatie in het vluchtelingenkamp in de KAR dan ook niet hoeven betrekken bij de beantwoording van de vraag wat de normale woon- en verblijfplaats van eiser is.\n\n9.2.. Nu de KAR terecht is aangemerkt als normale woon- en verblijfplaats van eiser behoeven de beroepsgronden die zien op de situatie in de regio Ninewa, waarin de plaats [plaats] ligt, geen bespreking.\n\nHaatberichten\n\n10. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder de ernst van haatuitingen en hoe deze het maatschappelijk isolement vergroten heeft miskend, oordeelt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit zou blijken dat hij bij terugkeer persoonlijk te vrezen heeft vanwege de haatuitingen. Daar heeft verweerder bij mogen betrekken dat uit het algemeen ambtsbericht niet blijkt dat deze haatberichten in Irak daadwerkelijk hebben geleid tot geweld tegen jezidi’s. De rechtbank begrijp dat eiser, gezien ook zijn geschiedenis, bezorgd is over de mogelijke gevolgen van de haatuitingen, maar dit maakt niet dat verweerder op basis daarvan moest aannemen dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging.\n\nVluchtelingenstatus in Griekenland\n\n11. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder onvoldoende betekenis heeft toegekend aan het feit dat aan eiser in Griekenland vluchtelingenstatus is verleend, overweegt de rechtbank als volgt. Het feit dat eiser eerder in Griekenland beschermingsstatus heeft gekregen, betekent niet zonder meer dat verweerder gehouden is deze beoordeling over te nemen of zonder nadere inhoudelijke toetsing aan te nemen dat eiser nog steeds bescherming behoeft. Nederland kan en mag een eigen inhoudelijke beoordeling verrichten van de asielaanvraag naar de actuele individuele beschermingsbehoefte van de aanvrager. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit in het geval van eiser voldoende zorgvuldig en gemotiveerd gedaan.\n\nMocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade?\n\n12. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Irak geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\nHumanitaire omstandigheden in kamp [kampnaam]\n\n13. Voor zover eiser aanvoert dat de omstandigheden in het tentenkamp waar hij verbleef kunnen leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. In het algemeen ambtsbericht Irak van november 2023 ziet de rechtbank een zorgelijk beeld naar voren komen over de humanitaire situatie in de kampen. Zo staat in dat ambtsbericht onder meer dat de kampen overbevolkt zijn, mensen verblijven in onderkomens die niet geschikt zijn voor langdurig verblijf en onvoldoende bescherming bieden tegen extreme weersomstandigheden en brand, veel ontheemden moeite hadden om toegang te krijgen tot werk en dat met name in de kampen in Duhok veel mensen afhankelijk waren van humanitaire hulp.Tegelijkertijd staat in het algemeen ambtsbericht ook dat er – weliswaar beperkt – onderwijs, gezondheidszorg en basisvoorzieningen zijn, en dat ontheemden in de kampen in Duhok zich relatief vrij konden bewegen en daardoor toegang hadden tot diensten (voor zover beschikbaar) buiten de kampen. Verder volgt uit de verklaringen van eiser zelf dat hij heeft kunnen werken, onderwijs heeft kunnen volgen, toegang had tot medische zorg, reisdocumenten heeft kunnen aanvragen en vrij heeft kunnen reizen. Gelet daarop is de humanitaire situatie in het vluchtelingenkamp voor eiser niet zodanig dat verblijf daar een schending van artikel 3 van het EVRM zou opleveren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser, gelet op wat hij heeft meegemaakt en gelet op de situatie in het kamp, liever niet terugkeert naar Irak, is gelet op wat hiervoor is besproken geen sprake van een ‘minimum level of severity’. Van strijd met artikel 3 van het EVRM is daarom evenmin sprake.\n\nGedwongen rekrutering\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor gedwongen rekrutering door PKK of de al-Hashd al Shaabi niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat uit algemene landeninformatie niet blijkt van gedwongen rekrutering van volwassenen door het Iraakse leger of milities. Ook heeft verweerder in dat kader mogen wijzen op eisers eigen verklaringen waaruit blijkt dat de verzoeken tot aansluiting vrijblijvend waren en hij geen problemen heeft ondervonden nadat hij de twee eerdere verzoeken had geweigerd. Daarnaast heeft eiser verklaard dat de groepen alleen actief zijn in [plaats] en dat hij tijdens zijn verblijf in de KAR niet door hen benaderd is.\n\nArtikel 15 van de Kwalificatierichtlijn\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 15c Kri. Verweerder heeft in die conclusie mogen verwijzen naar het landgebonden beleid voor Irak waaruit blijkt dat in de regio’s [plaats] en Duhok in de KAR, waarin het kamp [kampnaam] ligt, sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, dat niet voldoet aan ‘the most extreme case of general violence’ zoals vereist in de meest uitzonderlijke situatie onder artikel 15c Kri. Met de bronnen die eiser in deze procedure heeft ingebracht is dat beeld niet weerlegd. Niet gebleken is van een verandering in de algehele situatie in [plaats] of de KAR die maakt dat nu van de meest uitzonderlijke artikel 15c Kri-situatie moet worden uitgegaan.\n\n15.1.. Ook heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat de individuele omstandigheden van eiser niet maken dat hij een verhoogd risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri. De door eiser genoemde omstandigheden, zoals zijn jezidische etniciteit en de discriminatie die hij daardoor heeft ervaren, zien namelijk op risicoverhogende factoren voor individueel gericht geweld en niet op een hoger risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Ook van andere individuele omstandigheden die dit risico op ernstige schade in de zin van artikel 15c Kri voor eiser verhogen is de rechtbank niet gebleken. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij niet meer risico loopt op willekeurig geweld dan anderen in zijn woonomgeving.\n\nMocht verweerder de asielaanvraag van eiser afwijzen als kennelijk ongegrond?\n\n16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrondnu eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Eiser is op 28 december 2022 Nederland ingereisd en heeft op 1 januari 2023 zijn asielaanvraag ingediend. Dat eiser aanvoert dat hij bij familieleden heeft verbleven omdat hij moe was en hij niet wist dat hij zich in Ter Apel moest aanmelden, heeft verweerder niet als verschoonbare reden hoeven aanmerken. Van iemand die om internationale bescherming verzoekt, mag in beginsel worden verwacht dat hij zijn asielwens onmiddellijk na aankomst in Nederland kenbaar maakt. Dat iemand moe is maakt niet dat hij zich niet zou kunnen melden. Daarnaast heeft verweerder mogen betrekken dat eiser via Schiphol is ingereisd en hij daar zijn asielverzoek kenbaar had kunnen maken. Bovendien heeft eiser zelf verklaard dat hij vanaf het moment van zijn vertrek uit Irak wist dat hij in Nederland asiel wilde aanvragen.\n\n17. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser, onweersproken, gesteld dat haar vergelijkbare gevallen bekend zijn waarin het te laat indienen van de aanvraag niet door verweerder werd tegengeworpen. In die gevallen hadden betrokkenen ook eerst in Griekenland de vluchtelingenstatus verkregen en daarna in Nederland asiel aangevraagd. Zij hadden, wegens vermoeidheid, niet binnen twee dagen na aankomst hun asielaanvraag ingediend. In deze stelling ziet de rechtbank echter onvoldoende aanleiding af te wijken van het hiervoor overwogene.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.\n\n19. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen\n\nvan een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n20. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.\n\nDeze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Partiya Karkeren Kurdistan.\n\n Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)\n\n Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.\n\n Zie het EUAA rapport Country Guidance: Iraq van november 2024.\n\n Verslag van het aanmeldgehoor van 6 juli 2023, p. 10, en verslag van het nader gehoor van 7 februari 2025, p.15-16.\n\n Verslag van het aanmeldgehoor, p. 5-8, 11, en verslag van het nader gehoor, p. 11.\n\n Verslag van het nader gehoor, p. 14.\n\n Idem, p. 16.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2012:357.\n\n EASO Practical Guide: Qualification for International Protection, April 2018, p. 12.\n\n European Union Agency for Asylum.\n\n Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8940, rechtsoverweging 2.1.1.\n\n Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:524, r.o. 68-69.\n\n Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023, p. 92-93.\n\n Idem, p. 92-93.\n\n Idem, p. 36.\n\n Verslag van het nader gehoor, p. 19-20.\n\n Idem, p. 20.\n\n Verslag van het nader gehoor van 7 februari 2025, p. 17.\n\n Op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.\n\n Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3891, r.o. 5.\n\n Verslag van het aanmeldgehoor, p, 16.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:24317","2026-07-13T00:28:26.850Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":43,"courtId":128,"decisionDate":129,"fullText":130,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":131,"sourceTimestamp":120,"parsedAt":51,"updatedAt":132},"573","ECLI:NL:RBDHA:2025:20676","ecli-nl-rbdha-2025-20676",62,"2025-11-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.3822\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. C.G. Matze),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. J. van Raak).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 14 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als ongegrond.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 in Breda op een zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nDe asielmotieven\n\nEiser is geboren op [datum] 1988 en heeft de Kameroense nationaliteit. Op 17 april 2023 heeft hij asiel aangevraagd in Nederland.\n\nAan zijn asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. In ruil voor een geldbedrag heeft eiser op 22 september 2018 deelgenomen aan een demonstratie voor de politieke partij Southern Cameroons National Council (SCNC). Naar aanleiding van zijn deelname is eiser gearresteerd en gedetineerd. Na vier maanden is hij tegen betaling vrijgelaten. Eiser is vervolgens teruggekeerd naar zijn woonplaats Bamenda, waar zijn kledingwinkel was afgebrand. In april 2019 is eiser naar India vertrokken, waarna hij in juli 2019 weer is teruggekeerd naar zijn woonplaats in Kameroen. In augustus 2019 is eiser in opnieuw gearresteerd en gedetineerd. Na een maand is hij, opnieuw tegen betaling van een geldbedrag, vrijgelaten. Eiser heeft hierna besloten om in november 2019 Kameroen te verlaten en naar Nigeria te vertrekken. Tijdens zijn reis is hij ontvoerd in Mamfe Town door de Ambazonia Defence Forces (hierna: ADF). Na drie tot vier uur is eiser met een aantal andere gegijzelden vrijgelaten, waarna hij vijf maanden bij zijn neef in Mamfe Town heeft verbleven voordat hij zijn doortocht naar Inugu in Nigeria heeft gemaakt. Hier heeft hij van eind 2020 tot en met 2023 verbleven. Eiser ging in die periode ongeveer twee keer per jaar terug naar Bamenda in Kameroen om zijn familie te bezoeken. In 2022 zijn in Bamenda woningen in brand gestoken, waaronder de familiewoning. Dit was voor eiser de directe aanleiding om Kameroen in april 2023 te verlaten. De politieke crisis duurde toen al zeven jaar. Bij terugkeer naar Kameroen vreest eiser voor de Franssprekende strijdkrachten in Kameroen en voor vervolging vanwege een uitgestelde rechtszaak die tegen hem loopt. Ook vreest eiser voor de ADF.Het bestreden besluit\n\n3. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege zijn politieke activiteiten. Verweerder ziet hierin echter geen aanleiding om een politieke overtuiging aan te nemen zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Kameroen een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder volgt niet dat eisers aanhoudingen en vrijlatingen te maken hadden met persoonlijke verdenkingen. Volgens verweerder is eiser niet politiek betrokken geweest bij het SCNC en heeft hij slechts één keer gedemonstreerd, in ruil voor geld. Zijn arrestatie op 22 september 2018 was willekeurig en niet gebaseerd op een persoonlijke verdenking. Bovendien heeft eiser verklaard dat de arrestatie in augustus 2019 het gevolg was van het corrupte politieke systeem. Na zijn vrijlatingen is niet gebleken dat eiser werd gezocht vanwege politieke activiteiten. Voor zover eiser vreest te worden opgepakt door de Franssprekende autoriteiten vanwege de uitgestelde rechtszaak, heeft verweerder overwogen dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt en dat hij meermaals zonder problemen heeft kunnen terugkeren naar Bamenda. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn tatoeages bij terugkeer tot problemen zullen leiden. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege de tatoeages wordt gelinkt aan een bende. Om die reden heeft hij ook geen problemen gehad in Kameroen. Verweerder acht geloofwaardig dat eiser is gegijzeld door de ADF, maar acht het niet aannemelijk dat eiser persoonlijk wordt gezocht door de ADF. Eiser is op zijn reizen naar Bamenda door ADF-gebied gereisd, zonder problemen te hebben ondervonden van de zijde van de ADF. Tot slot neemt verweerder een binnenlands beschermingsalternatief aan.\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartegen het volgende aan. Eiser is in de negatieve belangstelling komen te staan van de autoriteiten, vanwege zijn deelname aan de demonstratie. Verweerder heeft de negatieve belangstelling van de autoriteiten op onjuiste wijze betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Door verweerder is verzuimd te toetsen aan de voorwaarden in het arrest S&Aen het Informatiebericht 2024\u002F10 ‘Werkwijze politieke overtuiging’. Alle omstandigheden hadden moeten worden meegewogen bij de beoordeling van eisers gegronde vrees voor vervolging wegens de verdenking van een (toegedichte) politieke overtuiging. Eiser wijst daarbij ook op het bord dat hij tijdens deze demonstratie droeg, het overlijden van zijn broer vanwege de demonstraties en eisers tatoeages waardoor hij als amaboy wordt aangemerkt. Ook verwijst eiser naar een rapport van Human Rights Watch.De drempel van de bewijslast is voor eiser te hoog gelegd en er is onvoldoende onderzoek gedaan naar eisers persoonlijke situatie. Verder heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat Kameroen maar ten dele onder artikel 15c van de Kwalificatierichtlijnvalt, terwijl voor die 15c-gebieden een binnenlands beschermingsalternatief wordt aangenomen. Het binnenlands beschermingsalternatief is ten onrechte aangenomen. Verweerder zal op individuele basis moeten overwegen of dit binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is. Zolang dit individuele onderzoek niet is gedaan, kan eiser niet worden uitgezet en dient het terugkeerbesluit achterwege te blijven. Tot slot heeft verweerder ten onrechte geen landeninformatie betrokken bij zijn beoordeling. De rechtbank oordeelt als volgt.Vrees bij terugkeer\n\n5. Verweerder stelt terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling staat van de Kameroense autoriteiten en daarom persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging bij terugkeer. Verweerder heeft in dit kader alle relevante omstandigheden betrokken bij de beoordeling. Hiertoe heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eisers aanhouding het gevolg is geweest van zijn aanwezigheid bij de demonstratie, maar dat niet is gebleken dat de aanhouding het gevolg is van een persoonlijke verdenking, nu hij met meerdere demonstranten is aangehouden en na betaling van geld is vrijgelaten. Verweerder stelt terecht in het verweerschrift dat het enkele feit dat eiser voor een tweede keer is aangehouden na een politiecontrole in Bengui Road, nog niet betekent dat de autoriteiten ook naar eiser op zoek waren.Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat eiser heeft verklaard dat zijn tweede arrestatie het gevolg was van het corrupte politieke systeem. Verder stelt verweerder terecht dat eisers herhaaldelijke vrijlating tegen betaling van een geldbedrag, erop duidt dat door de Kameroense autoriteiten geen link met de SCNC is verondersteld. Eiser is ondanks zijn voorgeleiding voor de rechtbank immers niet veroordeeld.Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat indien sprake zou zijn van uitstel van eisers rechtszaak, het in de rede ligt dat hij in de periode van 2018 tot zijn vertrek in 2024 zou zijn opgeroepen voor de verdere behandeling hiervan. Daarvan is echter niet gebleken. Daarbij heeft verweerder terecht tegengeworpen dat de Kameroense autoriteiten aan eiser op 11 maart 2019 een paspoort hebben verstrekt, zonder dat eiser hierbij problemen heeft ondervonden. Nadat eiser voor de tweede keer tegen betaling is vrijgelaten en is vertrokken naar Mamfe Town, is hij herhaaldelijk naar zijn woonplaats in Bamenda teruggekeerd. Daarbij heeft eiser geen problemen ondervonden. Verweerder stelt in dit kader terecht dat eisers herhaaldelijke terugkeer naar Bamenda afbreuk doet aan de aannemelijkheid van zijn gestelde vrees voor vervolging wegens de uitgestelde rechtszaak.\n\n6. De brandstichtingen van eisers winkel en de woning van zijn familie zijn door verweerder eveneens voldoende meegewogen. Verweerder stelt in dit kader terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brandstichting het gevolg is van persoonlijke negatieve aandacht van eiser of zijn familieleden. Daarbij komt dat eiser zelf heeft verklaard dat alle woningen in Bangui Road in 2022 in brand zijn gestoken. Verweerder heeft dan ook geen causaal verband hoeven zien met de demonstratie waaraan eiser heeft deelgenomen.\n\n7. Ook eisers vrees voor de ADF heeft verweerder terecht niet aannemelijk geacht. Ten aanzien van eisers gijzeling door de ADF, heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat dit ging om een willekeurige doorzoeking van de bus waarin eiser zat. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een specifiek doelwit was van de ADF. Eiser is immers met een groep medereizigers gegijzeld die met hem in de bus zaten. Eiser heeft daarover het volgende verklaard; “ze hebben ons gegijzeld en ons gevraagd aan te sluiten bij het ADF”. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in het geval van eiser sprake is van willekeurig geweld en dat zijn asielmotieven niet raken aan één van de gronden zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Ook is het niet aannemelijk dat eiser meermaals door een gebied heeft kunnen reizen waar de ADF de controle heeft, zonder door de ADF opgepakt te worden terwijl hij stelt dat hij persoonlijk door de ADF wordt gezocht.\n\n8. Eisers tatoeages leiden ook niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft terecht gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat uit deze tatoeages volgt dat eiser dusdanig in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat of zal komen te staan dat hij daarom heeft te vrezen voor vervolging. Eisers tatoeages stonden er niet aan in de weg dat eiser herhaaldelijk is vrijgelaten en Kameroen legaal is uitgereisd.\n\n9. Het door eiser aangehaalde rapport van Human Rights Watch ziet op asielzoekers die vanuit de Verenigde Staten (VS) gedwongen zijn uitgezet naar Kameroen en die vervolgens te maken hebben gekregen met diverse mensenrechtenschendingen. Uit dit rapport blijkt ook dat de VS gevoelige asiel gerelateerde informatie had gedeeld met de Kameroense autoriteiten en dat de betrokken asielzoekers voorafgaand aan hun vertrek al problemen hadden ondervonden van de zijde van de Kameroense autoriteiten. Hier is in het geval van eiser geen sprake van. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij als terugkeerder vanuit Nederland zal worden gezien als opposant in Kameroen en daarom te vrezen zou hebben. Verweerder heeft terecht betrokken dat eiser meermaals zonder problemen Kameroen in en uit heeft kunnen reizen. Daarbij is eiser in het bezit van een geldig paspoort waarmee hij vrijwillig kan terugreizen.\n\n10. Voor zover eiser stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met landeninformatie, heeft hij niet gesteld en gemotiveerd welke concrete landeninformatie aanleiding tot een ander oordeel geeft. Binnenlands beschermingsalternatief\n\n10. Uit artikel 3.37d van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) in samenhang met paragraaf C2\u002F3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat verweerder een binnenlands beschermingsalternatief mag tegenwerpen indien de vreemdeling in een deel van het land van herkomst geen vrees heeft voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin of een reëel risico loopt op ernstige schade, op een veilige wijze naar dat gebied kan reizen en redelijkerwijs van de vreemdeling kan worden verwacht dat hij zich in dat gebied vestigt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,moet verweerder bij de beoordeling of aan deze drie voorwaarden is voldaan, rekening houden met de algemene omstandigheden in het gebied en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Als verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden is voldaan, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vestigingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is en dat van hem niet kan worden verlangd dat hij zich elders in het land vestigt.\n\n12. Verweerder heeft terecht een binnenlands beschermingsalternatief voor eiser aangenomen in de regio’s Yaounde, Douala en Boufassam. Eiser voldoet immers aan de voorwaarden voor het binnenlands beschermingsalternatief. Volgens het beleid van verweerder is er voor Kameroen sprake van een uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld in de provincies North-West en South-West. Eiser komt uit Bamenda, wat gelegen is in North-West en heeft – zoals eerder overwogen – niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten of te vrezen heeft voor vervolging. Voor zover eiser stelt dat voor heel Kameroen een uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld geldt, heeft hij geen landeninformatie overgelegd die dit oordeel kan dragen.\n\n13. Ook heeft verweerder terecht overwogen dat de partner van eiser in Bafousem – één van de door verweerder aangewezen binnenlandse vestigingsalternatieven – woont, wat in het Franstalige deel van Kameroen ligt. In het verweerschrift stelt verweerder terecht dat eiser eerder naar Douala – ook een stad die door verweerder aangewezen wordt als binnenlands vestigingsalternatief – is gegaan, wat tevens tot het Franstalige deel van Kameroen behoort. Hierbij is niet gebleken dat eiser problemen heeft ondervonden die raken aan artikel 3 van het EVRM.Dat eiser als ontheemde uit het Engelse deel in het Franse deel van Kameroen problemen zou ondervinden wordt daarom niet gevolgd.\n\nConclusie\n\n14. Verweerder heeft eisers asielaanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Ook heeft verweerder terecht een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd.\n\n15. Het beroep is ongegrond.\n\n15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 5 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Het verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Met het kenmerk: ECLI:EU:C:2023:688.\n\n How Can You Throw Us Back? Asylum Seekers Abused in the US and Deported to Harm in Cameroon’, 10 februari 2022.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Pagina 4 van het verweerschrift.\n\n Pagina 14 van het Nader Gehoor.\n\n Bijvoorbeeld van 24 augustus 2021, met het kenmerk ECLI:NL:RVS:2021:2044.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:20676","2026-07-13T00:28:37.454Z",{"id":134,"ecli":135,"slug":136,"caseNumber":43,"courtId":137,"decisionDate":138,"fullText":139,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":140,"sourceTimestamp":141,"parsedAt":51,"updatedAt":142},"325","ECLI:NL:RBDHA:2025:17656","ecli-nl-rbdha-2025-17656",60,"2025-09-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.31147\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2025 in de zaak tussen\n \n [eiser], v-nummer [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. A.N. Lammers).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep over de afwijzing van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n1.1.. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 juli 2025 eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAchtergrond van deze zaak\n\n4. Eiser heeft de Iraanse nationaliteit en behoort tot de Fars bevolkingsgroep. Hij heeft op 17 augustus 2017 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Op 12 januari 2018 is die aanvraag afgewezen, omdat de minister de verklaringen van eiser over zijn afvalligheid en zijn bekering tot het christendom niet geloofwaardig heeft geacht. De afwijzing van die aanvraag staat in rechte vast.\n\n4.1.. Vervolgens heeft eiser op 11 september 2019 opnieuw asiel aangevraagd vanwege zijn gestelde geloofsgroei. Op 12 september 2019 is deze opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is op 18 september 2019 uitgezet naar Iran met zijn eigen paspoort.\n\n4.2.. Op 21 februari 2022 heeft eiser zijn huidige asielaanvraag ingediend. Hieraan legt hij ten grondslag dat toen hij werd teruggestuurd naar Iran hij diverse problemen heeft ondervonden. Daarnaast stelt hij afvallig te zijn en zegt hij dat er sprake is van geloofsgroei in het christelijke geloof. Eiser vreest bij terugkeer naar Iran voor de gevolgen dat hij afvallige is en vanwege de bekering tot het christendom van de zijde van de maatschappij, de Iraanse autoriteiten en zijn familie. Eiser heeft de volgende documenten overgelegd:\n\n- kopie scheidingsdocument;\n\n- kopie verblijfsvergunning Turkije;\n\n- kopie bewijs inname paspoort;\n\n- kopie beslissing van de Iraanse rechtbank van eisers ex-vrouw;\n\n- brief van de Evangelische gemeenschap van Sneek;\n\n- brief aanmelding bij GGZ in Noord-Holland.\n\nHet bestreden besluit\n\n5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n 1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n 2. afvalligheid;\n\n 3. problemen bij aankomst vliegveld Iran;\n\n 4. geloofsgroei.\n\nDe minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Verder is de afvalligheid in deze procedure geloofwaardig geacht. De minister acht het ook geloofwaardig dat eiser problemen had bij zijn aankomst op het vliegveld in Iran. De minister stelt zich echter op het standpunt dat de geloofsgroei van eiser niet geloofwaardig is. Eisers bekering is in 2017 volledig beoordeeld. Dit is destijds niet geloofwaardig geacht en dit is ook met de uitspraak op 1 juli 2019 in rechte vast komen te staan. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten. Verder vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eisers verklaringen geven namelijk geen verder inzicht in zijn geloofsgroei dan in zijn vorige procedure. De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Verder krijgt eiser uitstel van vertrek om medische redenen met ingang van 9 juli 2025 tot maximaal 9 januari 2026. De minister concludeert dat eisers asielaanvraag kennelijk ongegrond is.\n\nWat vindt eiser?\n\n6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Hiertoe voert hij aan dat hij wordt vervolgd vanwege zijn bekering tot het christendom én vanwege de afvalligheid van de islam. De minister heeft de impact en het belang van de geloofwaardig geachte afvalligheid miskend. Hierbij stelt de minister ten onrechte dat eiser zich wel terughoudend en onzichtbaar zou moeten kunnen staande houden in geval van terugkeer naar Iran, terwijl eiser duidelijk en gedetailleerd heeft benadrukt dat dit voor hem niet mogelijk is. Eiser is niet bereid bij terugkeer een document te ondertekenen waaruit blijkt dat hij nog moslim zou zijn en hij is niet bereid om mee te doen aan islamitische rituelen en feesten terwijl dat wel verplicht is. Uit het algemeen ambtsbericht Iran(het ambtsbericht) blijkt ook dat het niet meedoen aan de ramadan kan leiden tot vervolging en lijfstraffen. Verder betoogt eiser dat de minister ten aanzien van de bekering niet heeft voldaan aan de drie pijlers en voorschriften uit de Werkinstructie (WI) 2022\u002F3en dan in het bijzonder de verplichte toetsing aan de compensatie-optie. De minister heeft ten onrechte in zowel het voornemen als in het bestreden besluit niet gereageerd op de pijlers, de inhoud en strekking van Bijbelkennis, de activiteiten zoals bedoeld onder pijler 3 en de compensatie-mogelijkheid.\n\n6.1.. In zijn aanvullende gronden van 5 augustus 2025 voert eiser nog het volgende aan. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte uitzetting heeft aangezegd, terwijl uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Verder betoogt eiser dat het nog de vraag is of hier sprake is van een opvolgende aanvraag. Eiser voert hiertoe aan dat de minister een dubbel spoor is ingeslagen, nu bijvoorbeeld wel ambtshalve een (volgens eiser terechte) toets artikel 64 van de Vw 2000 plaatsvindt, hetgeen alleen het geval is bij een eerste aanvraag. Bij opvolgende aanvragen moet de vreemdeling zelf de complete artikel 64-aanvraag indienen. Daarvan is niet gebleken. Ook blijkt het nader gehoor van 4 maart 2024 betiteld te zijn als “Rapport nader gehoor” en niet “Opvolgende aanvraag”.\n\n6.2.. Eiser betoogt in zijn aanvullende gronden ook dat de minister eerder een voornemen tot afwijzing heeft uitgebracht en deze vervolgens om onduidelijke redenen heeft ingetrokken. Volgens eiser had de minister moeten motiveren waarom het eerste voornemen is ingetrokken.\n\n6.3.. Verder betoogt eiser in zijn aanvullende gronden dat de minister ten onrechte heeft geweigerd om eisers bekering te toetsen aan het geldende recht en beleid. De eerdere beoordeling heeft namelijk plaatsgevonden in 2017. Dit is een lange tijd geleden en de minister dient de asielaanvraag ex nunc te toetsen, dus op basis van de gegevens die nú zijn aangedragen. Eiser verwijst hierbij wederom naar WI 2022\u002F3 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 januari 2022, waaruit volgt dat de minister opnieuw moet onderzoeken en beoordelen of de vreemdeling bij terugkeer naar Iran risico loopt op vervolging of onmenselijke behandeling wegens afvalligheid of toegedichte afvalligheid en de gestelde bekering tot het christendom. Ook zou de minister nadat hij de afvalligheid heeft onderzocht en beoordeeld, opnieuw moeten onderzoeken en beoordelen of de gestelde bekering geloofwaardig is.\n\n6.4.. Tot slot heeft eiser verwezen naar een rapport van Stichting Gave, een uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 4 juli 2025, een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 28 april 2025, een nieuwsartikel van New York Post van 4 juli 2025en een nieuwsartikel van Iran International van 19 juli 2025.\n\nIs de minister terecht uitgegaan van een opvolgende asielaanvraag?\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens artikel 1 van de Vw 2000 in samenhang met artikel 2, onderdeel q, van de Procedurerichtlijnwordt als opvolgende aanvraag aangemerkt een later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, met inbegrip van de gevallen waarin de verzoeker zijn verzoek expliciet heeft ingetrokken en de gevallen waarin de beslissingsautoriteit een verzoek heeft afgewezen na de impliciete intrekking ervan overeenkomstig artikel 28, lid 1. Dit wordt ook bevestigd in uitspraken van de Afdeling.\n\nVerder volgt uit de WI 2023\u002F7dat een opvolgende asielaanvraag kan worden ingediend middels een M35-O formulier. Wanneer sprake is van één van de omstandigheden van artikel 3.50 van het Vreemdelingenvoorschrift 2000 hoeft de opvolgende asielaanvraag niet middels model M35-O te worden ingediend en wordt model M35-H gebruikt.\n\nUit de WI 2024\u002F2volgt dat, in tegenstelling tot eerste asielaanvragen, bij herhaalde asielaanvragen geen ambtshalve toets van artikel 64 van de Vw 2000 wordt gedaan na afwijzing van de asielaanvraag.Wel vindt in beginsel een dergelijke toets van medische omstandigheden plaats bij de uitvaardiging van een terugkeerbesluit.\n\n7.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eisers aanvraag terecht aangemerkt als een opvolgende aanvraag in plaats van een eerste aanvraag. De minister heeft eerder definitief beslist op de asielaanvraag van eiser. Uit het dossier blijkt ook dat eiser een M35-O formulier heeft ingediend op 6 februari 2022. Dat het gehoor van eiser als “nader gehoor” is betiteld, maakt dat niet anders. Tijdens de zitting heeft de minister uitgelegd dat het gehoor “nader gehoor” is genoemd, omdat het format is gebruikt naar aanleiding van de Dublinprocedure waarmee eiser Nederland is binnengekomen. Daar komt bij dat de minister in het voornemenheeft benoemd dat eiser geen uitstel van vertrek om medische redenen krijgt, omdat het een opvolgende aanvraag betreft. In het bestreden besluitstaat dat eiser medische documenten heeft overlegd en dat de minister hem op dat punt volgt, waardoor eiser uitstel van vertrek om medische redenen heeft gekregen. De minister heeft tijdens de zitting bevestigd dat hij in het bestreden besluit onder punt 5 per abuis heeft opgenomen dat eiser zijn beroep niet in Nederland mag afwachten. Onder punt 4 van het bestreden besluit staat namelijk dat eiser nu rechtmatig in Nederland verblijft, omdat hij voorlopig uitstel van vertrek heeft gekregen. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat eiser betoogt dat de minister in deze procedure moet voortborduren op hetgeen eiser in zijn eerdere procedure heeft aangevoerd. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de minister eisers asielaanvraag terecht heeft aangemerkt als een opvolgende aanvraag, juist omdat eiser heeft betoogd dat hij is gegroeid in zijn geloof waartoe hij is bekeerd, zoals hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn eerste procedure. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft de minister het eerste voornemen kunnen intrekken zonder nadere motivering?\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit bevoegd was om zijn voornemen van 4 februari 2025 te vervangen door een nieuw voornemen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat er geen rechtsregel is die met zich meebrengt dat de minister nader dient te motiveren waarom hij tot een ander inzicht is gekomen in het nieuwe voornemen.Eiser is ook in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven en op alle elementen van het nieuwe voornemen te reageren. De rechtbank begrijpt dat de werkwijze van de minister gezien het tijdsverloop van de procedure leidt tot onbegrip en frustratie. Dit maakt echter niet dat de rechtbank de werkwijze van de minister onzorgvuldig acht. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft de minister de gestelde geloofsgroei van eiser ongeloofwaardig kunnen achten?\n\n9. Eiser heeft zijn opvolgende aanvraag ingediend in verband met geloofsgroei. Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2022volgt dat op eiser een verzwaarde bewijslast ligt, omdat in rechte vaststaat dat de minister de bekering van eiser tot het christendom in de eerdere asielprocedure(s) ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Het asielrelaas waar eiser op voortborduurt, is eerder ongeloofwaardig geacht en die beoordeling is het uitgangspunt van de opvolgende procedure. In deze procedure gaat het om de vraag of de minister de gestelde geloofsverdieping, gezien de verklaringen van eiser, niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.\n\n9.1.. Volgens de WI 2022\u002F3 dient de vreemdeling in het geval van een opvolgende aanvraag aan de hand van verklaringen over zijn motieven voor en proces van bekering aannemelijk te maken dat hij tot intensivering van zijn geloof is gekomen. De nieuwe verklaringen dienen te worden gewogen in samenhang met de verklaringen die de vreemdeling tijdens de voorgaande procedure(s) over deze onderwerpen heeft afgelegd. Indien de vreemdeling de nadruk legt op toegenomen of gewijzigde kennis en\u002Fof activiteiten mag worden verwacht dat hij overtuigend verklaart over zijn ervaringen met en persoonlijke beleving van de nadien voortgezette of ontplooide activiteiten en opgedane kennis. Enkel de verklaringen over voortzetting, intensivering of wijziging van activiteiten en\u002Fof vergroten van kennis, zonder dat daarbij overtuigende verklaringen worden afgelegd over de persoonlijke beleving hiervan, zullen dus in de regel onvoldoende zijn om niet-overtuigende verklaringen over het proces en de motieven van de bekering te compenseren. Bij dit alles is dus van belang dat indien de vreemdeling voortborduurt op een eerder ongeloofwaardig geachte bekering of afvalligheid, er een verzwaarde bewijslast rust op de vreemdeling om zijn afvalligheid of bekering geloofwaardig te maken.\n\n9.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de geloofsgroei van eiser beoordeeld in het licht van de WI 2022\u002F3. Het standpunt van de minister komt er, kortgezegd, op neer dat eisers verklaringen over zijn groei in het christelijke geloof een herhaling vormen van wat hij hierover al in de eerdere asielprocedure heeft verklaard en dat eiser er niet in is geslaagd zijn innerlijke geloofsgroei inzichtelijk te maken.\n\n9.3.. De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit niet specifiek de drie pijlers benoemt, zoals weergegeven in de WI 2022\u002F3. Hierbij gaat het om de motieven voor en het proces van bekering, de kennis van het nieuwe geloof en de activiteiten, zoals bezoeken aan religieuze bijeenkomsten die een persoon onderneemt binnen de nieuwe geloofsovertuiging en het effect van de veranderingen. Dit brengt echter niet met zich mee dat de minister eisers gestelde geloofsgroei niet heeft beoordeeld aan de hand van de WI 2022\u002F3. De rechtbank overweegt hiertoe dat de minister tijdens het aanvullend gehoor heeft gevraagd naar de ontwikkelingen als het gaat om eisers geloof in de afgelopen jaren en voorbeelden van gebeurtenissen waardoor hij zijn geloofsgroei meemaakte. Daarnaast heeft de minister in het bestreden besluit verwezen naar de WI 2022\u002F3 en deze betrokken bij de beoordeling van bijvoorbeeld de gestelde activiteiten van eiser, zoals het evangeliseren van twee mensen. De kennis over de Bijbel, waar volgens eiser niets over is geschreven in het bestreden besluit, is wel meegenomen en beoordeeld in het eerdere besluit van de minister van 12 januari 2018 . De minister heeft uiteengezet dat eiser hiermee niet verder inzicht heeft gegeven in zijn gestelde geloofsgroei, omdat eiser zich voornamelijk heeft herhaald in zijn opvolgende aanvraag.\n\n9.4.. Uit de WI 2022\u002F3 volgt verder dat het zwaartepunt ligt bij de motieven en het proces van bekering. Indien er ten aanzien van één element minder goede verklaringen zijn afgelegd, kunnen de andere elementen dit ‘compenseren’, mits de vreemdeling in staat is daarover wel verklaringen af te leggen die overtuigend genoeg zijn om de zwakkere elementen te ‘compenseren’. De vreemdeling zal wel een genoegzame verklaring moeten geven voor de omstandigheid dat hij op één van de elementen minder goed kan verklaren. Daarbij dient uiteraard rekening gehouden te worden met het referentiekader van de vreemdeling en het gegeven dat niet iedere vreemdeling gewend is om over zijn persoonlijke gevoelens te vertellen. Wat betreft deze compensatie-mogelijkheid waar eiser zich op beroept heeft de minister op de zitting toegelicht dat eiser zijn geloofsgroei niet aannemelijk heeft gemaakt doordat hij in herhaling viel bij zijn opvolgende aanvraag, terwijl er voldoende is doorgevraagd naar de ontwikkelingen die eisers gestelde geloofsgroei zouden kunnen onderbouwen, waardoor niet getoetst kan worden of de compensatie-mogelijkheid dient te worden toegepast. De rechtbank is daarom ook van oordeel dat de compensatie-mogelijkheid verder niet aan bod hoefde te komen door de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers geloofsgroei.\n\n9.5.. De rechtbank oordeelt verder dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser de gestelde geloofsgroei niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank deelt het standpunt van de minister dat de huidige verklaringen en overgelegde stukken geen nieuw inzicht of verdere diepgang vertonen in vergelijking met zijn eerdere verklaringen over het geloof. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat de voorbeelden van geloofsgroei die eiser heeft genoemd, namelijk de ontmoeting met de Armeense vriend, dat vergiffenis hielp met groeien in eisers geloof, dat eiser rust krijgt van zijn geloof en het incident met de politie bij de douane, voorbeelden zijn waarover eiser in de eerdere procedure al heeft verklaard. De minister heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat deze herhaling van verklaringen niet getuigt van enige geloofsgroei of verdieping. Evenmin is eiser erin geslaagd om dit in de beroepsprocedure duidelijk te maken. Wat daarover in het bestreden besluit is opgenomen is daarvoor voldoende dragend gemotiveerd. De minister heeft in dat verband kunnen overwegen dat eisers verklaringen in deze asielprocedure geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen in de zienswijze is aangevoerd, namelijk dat eisers vrouw vreemd ging, in eisers koffer een crucifix was gevonden bij aankomst op het vliegveld in Iran, de ontmoeting bij de psycholoog en de boottocht van Turkije naar Italië, geen verder inzicht geven dan in zijn vorige procedures. De minister heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het voorgaande voor hem een wonder was en waarom dit impact had op zijn persoonlijke geloof. Wat betreft de evangelisatie heeft de minister niet ten onrechte geconcludeerd dat het enkel vermelden van één voorbeeld van hoe eiser anderen heeft geëvangeliseerd onvoldoende is om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk geloofsgroei heeft doorgemaakt. Verder is gebleken dat eiser na zijn doop niet meer naar de kerk van zijn doop is geweest. De minister heeft hierbij mogen stellen dat dat vreemd is nu eiser in zijn opvolgende aanvraag van 2019 het voorgaande heeft verklaard om zijn geloofsgroei aan te tonen. Daar komt bij dat uit de verklaring van de Evangelische gemeenschap is gebleken dat eiser geen contact meer heeft met de kerk waar hij gedoopt is. De minister heeft dit kunnen betrekken bij de geloofwaardigheid van eisers gestelde geloofsgroei. De minister heeft de verklaring van de Evangelische gemeenschap betrokken bij de beoordeling en heeft gemotiveerd dat uit de verklaring blijkt dat de gemeenschap vrijwel geen contact meer heeft gehad met eiser. Verder heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat het in deze zaak om een opvolgende aanvraag gaat, in tegenstelling tot de zaak in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht. Die situatie gaat in onderhavige zaak niet op en de verwijzing naar die uitspraak baat eiser niet. Het rapport van Stichting Gave biedt ook geen reden voor een ander oordeel. Op de zitting heeft de minister hierover niet ten onrechte gesteld dat stichting Gave geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht.\n\n9.6.. Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat de minister de gestelde geloofsgroei van eiser niet ten onrechte heeft beoordeeld als ongeloofwaardig. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLoopt eiser een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Iran?\n\n10. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022en het arrest van het Hof van Justitie van 5 september 2012volgt dat de minister van eiser niet mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, in Iran terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofwaardig geachte afvalligheid. De minister moet, zo blijkt uit de Afdelingsuitspraak, onderzoeken en beoordelen of, en zo ja, hoe, een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid en of de verklaringen van de vreemdeling hierover geloofwaardig zijn. Als de vreemdeling daarover niet uitdrukkelijk verklaart, moet de minister ervan uitgaan dat die vreemdeling na terugkeer op dezelfde wijze uiting aan zijn afvalligheid wil geven zoals hij in Nederland heeft gedaan. In het Informatiebericht 2023\u002F35 van de minister is onder meer bepaald dat bij een vreemdeling van wie de afvalligheid geloofwaardig is geacht, de minister conform WI 2022\u002F3 dient te onderzoeken en beoordelen of de uitingen van afvalligheid die ervoor zouden zorgen dat hij in de negatieve aandacht zal komen te staan, van belang zijn voor het behoud van de religieuze identiteit. Ook moet worden onderzocht en beoordeeld hoe en waarom de vreemdeling in het land van herkomst uiting gaf aan zijn overtuiging en hoe hij dit in Nederland heeft gedaan, als ook of en waarom hij dit bij terugkeer (anders) zou willen doen en of dit geloofwaardig is. Als de vreemdeling in het land van herkomst en in Nederland zijn afvalligheid terughoudend of niet actief heeft geuit, dan is het in beginsel niet aannemelijk dat de vreemdeling in het geval van een eventuele ondervraging door de autoriteiten op de luchthaven zal verklaren dat hij afvallig is. In dit geval is er, anders gezegd, in beginsel namelijk geen blijk dat dit voor de vreemdeling van belang is voor het behoud van zijn religieuze identiteit.\n\n10.1.. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de afvalligheid een belangrijk onderdeel is van zijn leven en dat dit dermate deel uitmaakt van zijn religieuze identiteit dat hij zich bij terugkeer naar Iran hierover openlijk en actief zal gaan uiten. De minister heeft in de besluitvorming uiteengezet en beoordeeld hoe eiser in Iran uiting gaf aan zijn afvalligheid, hoe eiser zich in Nederland heeft geuit en hoe eiser zich bij terugkeer zou willen uiten. Eiser heeft verklaard dat hij tot 2013 moslim was en daarna nog jarenlang in Iran heeft gewoond als afvallige. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij niet altijd op tijd het gebed deed, hij niet naar de moskee ging en hij niet aan vasten deed. De minister heeft hierbij terecht gesteld dat dit afbreuk doet aan de aannemelijkheid van eisers vrees. Verder heeft eiser verklaard dat zijn afvalligheid enkel zijn overtuiging was, die in zijn hoofd zat en dat het voor hem niet nodig was om dit naar buiten te uiten. Daarnaast heeft eiser bij zijn eerdere terugkeer immers een verklaring\u002Fdocument ondertekend waarna hij het vliegveld mocht verlaten. Verder blijkt uit algemene landeninformatie niet dat iedere terugkeerder ondervraagd zal worden bij terugkeer in Iran.Er bestaat weliswaar een risico dat eiser ondervraagd zal worden over zijn verblijf in het buitenland, vanwege zijn verblijf in het buitenland, maar de minister stelt zich terecht op het standpunt dat contact met de Iraanse autoriteiten of een ondervraging niet gelijk staat aan zwaarwegende problemen die vervolging of ernstige schade met zich meebrengen. Uit het ambtsbericht volgt dat het aantal terugkeerders dat problemen ondervindt bij terugkeer beperkt is.De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser voor zijn (legale) vertrek niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten stond. Hetgeen eiser op sociale media heeft gedeeld is niet direct aan hem te linken.\n\n10.2.. Verder oordeelt de rechtbank dat de door eiser aangehaalde jurisprudentie en bronnen niet leiden tot een ander oordeel. De uitspraken waar eiser naar heeft verwezen betreffen andere situaties. Verder heeft de minister tijdens de zitting aangegeven dat eiser wel is gevraagd naar zijn terugkeer naar Iran in tegenstelling tot wat de rechtbank heeft geoordeeld in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg. Met betrekking tot de nieuwsartikelen over Iran heeft de minister terecht opgemerkt dat niet blijkt dat de situatie zoals omschreven in die artikelen niet is meegenomen.\n\n10.3.. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de minister dat niet wordt ingezien waarom eiser zich bij terugkeer in Iran anders zal gedragen met betrekking tot de uiting van zijn afvalligheid ten opzichte van daarvoor. Ook volgt de rechtbank de minister in zijn conclusie dat eiser zodoende niet dusdanig in zijn religieuze identiteit wordt geraakt dat hij bij terugkeer niet anders kan dan zichzelf als afvallige te uiten. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op de geloofsvrijheid. Van eiser mag dus worden verlangd dat hij in Iran een geloofsbelijdenis aflegt. De rechtbank wijst tot slot nog op het ambtsbericht, waaruit volgt dat personen die zich hebben afgewend van de islam niet op voorhand in de problemen komen en maatschappelijk ook niet gedwongen worden deel te nemen aan islamitische rituelen.De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zaaknummer NL18.2906 (niet gepubliceerd).\n\nOp grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.\n\n Algemeen ambtsbericht Iran van de minister van Buitenlandse Zaken van september 2023.\n\n Werkinstructie 2022\u002F3 Bekering en afvalligheid.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:94.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:5349.\n\n Zaaknummer NL24.21839.\n\n Zaaknummer NL24.51040.\n\n New York Post, ‘Iran regime cracks down on its own people with a ‘North Korea-style model’ of ‘terrifying’ repression’.\n\n Iran International, ‘Iran military base guards shoot four people dead amid post-war jitters’.\n\n Richtlijn 2013\u002F32.\n\n Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2021:76 en ECLI:NL:RVS:2019:1969.\n\n Werkinstructie 2023\u002F7 Opvolgende asielaanvragen.\n\n Werkinstructie 2024\u002F2 Artikel 64 van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 6.1e van het Vreemdelingenbesluit hoeft alleen bij een eerste aanvraag tot het verlenen van een VVA bepaalde tijd ambtshalve getoetst te worden of er reden is tot toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. Zie ook paragraaf C1\u002F4.5 en A3\u002F7.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Op pagina 9.\n\n Op pagina 3.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4449,\n\n13 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4116, en 1 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3350.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:2713.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:94.\n\n ECLI:EU:C:2012:518.\n\n Zie ook het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, pagina 115.\n\n Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, pagina 117-118.\n\n Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, pagina 85 en 86.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17656","2025-09-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.494Z",{"id":144,"ecli":145,"slug":146,"caseNumber":43,"courtId":147,"decisionDate":148,"fullText":149,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":150,"sourceTimestamp":151,"parsedAt":51,"updatedAt":152},"405","ECLI:NL:RBDHA:2025:18239","ecli-nl-rbdha-2025-18239",63,"2025-09-19T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.24691\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres,\n\nmede namens haar minderjarige zoon:\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2009 en van Iraanse nationaliteit (gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).\n\nInleiding\n\nEiseres heeft op 10 maart 2023 mede namens haar minderjarige zoon een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 2] 1985. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 mei 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.\n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, R. Modi als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n4. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft deelgenomen aan een demonstratie in Iran. Verder is eiseres afvallig van de islam en heeft zij zich bekeerd tot het christendom. Toen zij dit heeft verteld aan haar familie werden zij boos en is zij uit huis gevlucht. Eiseres vreest bij terugkeer voor haar familie en voor het krijgen van problemen met de Iraanse autoriteiten vanwege haar verblijf in het buitenland en het aanvragen van asiel met als reden dat zij afvallig en bekeerd is.\n\nHet bestreden besluit\n\n5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nbekering tot het christendom;\n\nafvalligheid van de islam;\n\ndeelname aan een demonstratie in Iran; en\n\nproblemen vanwege de problemen van eiseres haar man.\n\nDe minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst, de afvalligheid van de islam en deelname aan een demonstratie in Iran geloofwaardig. De bekering tot het christendom en de problemen vanwege de problemen van haar man vindt de minister ongeloofwaardig.\n\nVolgens de minister heeft eiseres onvoldoende inzichtelijk en diepgaand verklaard over haar bekering tot het christendom. Verder is volgens de minister niet aannemelijk dat eiseres vanwege haar afvalligheid van de islam een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Iran. Ook de vrees bij terugkeer voor haar familie is onvoldoende aannemelijk gemaakt. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd.\n\nGronden van beroep\n\n6. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd medegedeeld dat de volgende zinnen in de aanvullende gronden van beroep van 9 september 2025 komen te vervallen en niet van toepassing zijn:\n\n- “ “Hierbij wordt opgemerkt dat eiser al geruime tijd weg is uit Iran en het zeer waarschijnlijk is dat eiseres meteen gearresteerd zal worden teneinde haar opgelegde straf te moeten uitzitten.” (pagina 4)\n\n- “ “Verweerder heeft het uit oog verloren dat betrokkene al een lange periode in het buitenland verblijft, geen paspoort heeft en haar man in Nederland is overleden.” (pagina 7)\n\nBekering tot het christendom\n\n7. Eiseres voert in de aanvullende gronden van beroep van 9 september 2025 onder verwijzing naar haar verklaringen aan dat zij inzichtelijk heeft verklaard over haar bekering. Omdat eiseres geen nadere onderbouwing geeft voor deze stelling, is de rechtbank van oordeel dat deze enkele stelling niet kan leiden tot het oordeel dat minister de bekering ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nAfvalligheid en vrees voor familie\n\n8. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer omdat zij afvallige is van de Islam te vrezen heeft voor vervolging en ernstige schade vanwege haar familie. Omdat eiseres in beroep geen nadere onderbouwing geeft voor deze stelling, is de rechtbank van oordeel dat eiseres met deze enkele stelling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer om deze reden heeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade. De minister heeft niet ten onrechte niet\n\naannemelijk geacht dat eiseres bij terugkeer problemen met haar familie zal ervaren. De beroepsgrond slaat niet.\n\nAfvalligheid en Iraanse autoriteiten\n\n9. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer een risico loopt op ernstige schade, omdat zij afvallig is en de Iraanse autoriteiten haar bij terugkeer zullen ondervragen. In het kader van deze vrees heeft de minister onvoldoende onderzocht en beoordeeld hoe eiseres in Nederland uiting geeft aan haar afvalligheid en heeft daarmee niet in overeenstemming gehandeld met Informatiebericht (IB) 2023\u002F35 Risico bij terugkeer naar Iran voor (toegedicht) afvalligen.\n\n10. In het beleid van de minister1 is onder meer bepaald dat bij een vreemdeling van wie de afvalligheid geloofwaardig is geacht, wordt onderzocht en beoordeeld of de uitingen van afvalligheid die ervoor zouden zorgen dat hij in de negatieve aandacht zal komen te staan, van belang zijn voor het behoud van zijn religieuze identiteit. De minister onderzoekt ook hoe en waarom de vreemdeling in het land van herkomst uiting gaf aan zijn overtuiging en hoe hij dit in Nederland heeft gedaan, en ook of en waarom hij dit bij terugkeer (anders) zou willen doen en of dit geloofwaardig is. Als de vreemdeling in het land van herkomst en in Nederland zijn afvalligheid terughoudend of niet actief heeft geuit, dan is het in beginsel niet aannemelijk dat de vreemdeling in het geval van een eventuele ondervraging door de autoriteiten op de luchthaven zal verklaren dat hij afvallig is.2 Verder is een enkele verwijzing naar beschikbare algemene landeninformatie over de situatie op het vliegveld bij terugkeer naar Iran onvoldoende om aannemelijk te maken dat elke vreemdeling een daadwerkelijk en reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade bij terugkeer.3\n\n11. Voor zover eiseres aanvoert dat de minister niet voldoende vragen heeft gesteld of onvoldoende heeft doorgevraagd over hoe eiseres haar afvalligheid uit, kan de rechtbank dit niet volgen. Uit het nader gehoor blijkt dat de minister voldoende vragen heeft gesteld met betrekking tot eiseres haar afvalligheid en haar bekering als gevolg daarvan.4 Verder kan de rechtbank de minister volgen in zijn standpunt dat sprake is van een samenwerkingsplicht. Het is aan de vreemdeling om alle relevante elementen naar voren te brengen voor de beoordeling van zijn asielmotieven. De minister heeft eiseres in dit kader voldoende in de gelegenheid gesteld om te verklaren over haar afvalligheid en de manier waarop zij daar uiting aan geeft. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n12. De rechtbank overweegt verder dat de minister in het nader gehoor vragen heeft gesteld aan eiseres met betrekking tot haar afvalligheid en de uiting hiervan. Eiseres heeft verklaard dat zij zich in Iran altijd heeft geconformeerd aan de islam.5 Ook heeft eiseres verklaard dat zij in Iran in een streng religieus gezin is opgevoed en dat zij twijfels kreeg over haar geloof.6 Eiseres heeft deze twijfels geuit aan haar moeder en dat zij op 24-jarige leeftijd helemaal is gestopt met het praktiseren van de islam.7 Eiseres heeft niet aan haar familie verteld dat zij de islam niet meer praktiseerde en gestopt was met geloven.8 De rechtbank stelt vast dat de minister in het nader gehoor geen expliciete vragen heeft gesteld aan eiseres over hoe zij in Nederland uiting geeft aan haar afvalligheid, maar wel dat aan haar is gevraagd hoe zij haar geloof uit in Nederland.9 Uit het nader gehoor blijkt dat eiseres de ontwikkeling van haar geloofsovertuiging heeft geschetst. Eiseres heeft samengevat verklaard over hoe zij zich in Iran heeft afgezet van de islam, dat zij in Nederland is bekeerd tot het christendom, over het zijn van christen en de religieuze activiteiten waaraan zij in\n\nNederland deelneemt. Verder verklaart eiseres dat zij zich bij terugkeer naar Iran weer zal conformeren aan de islam en dat zij niet over afvalligheid kan praten.10\n\n13. Uit het voorgaande blijkt volgens de rechtbank dat de minister voldoende onderzoek heeft gedaan naar hoe eiseres uiting geeft aan haar afvalligheid om het risico op vervolging of ernstige schade bij terugkeer te beoordelen. Bovenstaande verklaringen beschrijven de gestelde verandering en ontwikkeling van eiseres haar geloofsovertuiging en hoe zij hier uiting aan geeft. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres geen aanleiding vormen voor het oordeel dat het uiten van haar afvalligheid van belang is voor het behouden van haar religieuze identiteit en dat zij vanwege haar afvalligheid bij terugkeer te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiseres zich in Iran altijd heeft geconformeerd aan de islam, dat de bekering van eiseres in Nederland niet geloofwaardig is gevonden en dat niet is gebleken dat de uitingen van afvalligheid van eiseres van belang zijn voor het behouden van haar religieuze identiteit. Verder is de enkele verwijzing naar algemene landeninformatie volgens IB 2023\u002F35 onvoldoende om een risico op vervolging of ernstige schade bij terugkeer aannemelijk te maken.11\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n1. IB 2023\u002F35 Risico bij terugkeer naar Iran voor (toegedicht) afvalligen.\n\n2 Zie pagina 5 onder onderdeel 2b van IB 2023\u002F35.\n\n3 Zie pagina 3 onder onderdeel 1 van IB 2023\u002F35.\n\n4 Pagina 31 tot en met 54 van het nader gehoor.\n\n5 Pagina 24 van het nader gehoor.\n\n6 Pagina 26 en 27 van het nader gehoor.\n\n7 Pagina 30 van het nader gehoor.\n\n8 Pagina 31 van het nader gehoor.\n\n9 Pagina 38 van het nader gehoor.\n\n10 Pagina 39 en 40 van het nader gehoor.\n\n11 Zie pagina 3 onder onderdeel 1 van IB 2023\u002F35.\n\n19 september 2025\n\nDocumentcode: [Documentcode]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18239","2025-10-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:28.085Z",{"id":154,"ecli":155,"slug":156,"caseNumber":43,"courtId":83,"decisionDate":157,"fullText":158,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":159,"sourceTimestamp":160,"parsedAt":51,"updatedAt":161},"484","ECLI:NL:RBDHA:2025:19889","ecli-nl-rbdha-2025-19889","2025-07-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers t.a.v. [eiser] : NL25.20663 (beroep)\n\n NL25.20664 (voorlopige voorziening)\n\nZaaknummers t.a.v. [eiseres] : NL25.20665 (beroep)\n\n NL25.20666 (voorlopige voorziening)\n\n [V-Nummers]\n [eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1994, eiser\u002Fverzoeker, hierna: eiser,\n\n [eiseres] ,geboren op [geboortedatum 2] 2002, eiseres\u002Fverzoekster, hierna: eiseres\n\nbeiden van Comorese nationaliteit,\n\nhierna samen te noemen: eisers,\n\n(gemachtigde: mr. V. Senczuk),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en hun verzoeken om een voorlopige voorziening.\n\n2. Bij besluiten van 28 april 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n4. De rechtbank heeft de zaken op 26 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, M.J.M. Moure als tolk in de taal Frans en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. De rechtbank beoordeelt het kennelijk ongegrond verklaren van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen gegrond zijn en vernietigt de bestreden besluiten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTen aanzien van eiser\n\nHet asielrelaas van eiser\n\n7. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Comoren verlaten omdat hij problemen heeft gekregen nadat hij seks voor geld heeft gehad met een andere man. Hij is in elkaar geslagen door mensen op straat en hij is door de rechter veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. Eiser vreest bij terugkeer de dood, omdat het in de Comoren niet is toegestaan om als man met mannen seksuele handelingen te verrichten.\n\nHet bestreden besluit van eiser\n\n8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nAfvalligheid;\n\nProblemen vanwege eisers toegedichte homoseksuele gerichtheid.\n\n9. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De afvalligheid en de problemen vanwege toegedichte homoseksuele gerichtheid vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft hierover namelijk op verschillende punten kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen afgelegd.\n\nTen aanzien van eiseres\n\nHet asielrelaas van eiseres\n\n10. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Volgens eiseres heeft haar verloofde, eiser, dingen gedaan die streng verboden zijn in de Comoren, omdat hij een seksuele relatie had met een man. Eiser is hierdoor opgepakt, heeft een gevangenisstraf gekregen en is ontsnapt uit de gevangenis in de Comoren. Omdat eiser nu wordt gezocht en eiseres zijn verloofde is, heeft eiseres samen met eiser de Comoren verlaten en vreest eiseres voor de autoriteiten in de Comoren. Daarnaast heeft eiseres problemen met haar familie. Zij zijn het niet eens met de verloving met eiser. Bij terugkeer vreest eiseres dat zij wordt gedood door haar vader.\n\nHet bestreden besluit van eiseres\n\n11. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nProblemen vanwege eiser als verloofde.\n\n12. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De problemen vanwege eiser als verloofde vindt verweerder niet geloofwaardig. De verklaringen van eiseres worden namelijk beoordeeld als kennelijk vals en duidelijk onwaarschijnlijk en tegenstrijdig.\n\nDe beroepsgronden van eisers\n\n13. Eisers voeren aan dat verweerder hun asielaanvragen ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Eisers zijn telkens ten onrechte gehoord in de Franse taal, terwijl zij die taal slechts beperkt spreken; hun moedertaal is Comorees. Het horen terwijl er een taalbarrière is, is onzorgvuldig. Ook worden vermeende tegenstrijdigheden in hun verklaringen ten onrechte aan hen verweten, omdat deze door de taalproblemen kunnen zijn ontstaan. Dit geldt ook voor de discrepanties in de verklaringen over de strafbare feiten in het arrestatiebevel van eiser. Eisers moeten daarom opnieuw worden gehoord in hun moedertaal. Daarbij komt dat verweerder ook niet heeft onderzocht of er andere mogelijkheden zijn om eisers te horen, bijvoorbeeld door een tolk in de Comorese taal uit Frankrijk in te schakelen.\n\n14. Eiser merkt op dat afvalligheid geen asielmotief van hem is.\n\n15. Eiseres betoogt dat verweerder haar verklaringen over doodsbedreigingen en vervolging onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van artikel 3 van het EVRM.\n\n16. Tot slot voeren eisers aan dat hun asielaanvragen ten onrechte als kennelijk ongegrondzijn afgewezen, omdat zij verweerder hebben misleid met een vals visum. Het gebruik van een vals visum betekent niet dat hun hele asielrelaas ongeloofwaardig is.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nKon verweerder eisers horen in de Franse taal?\n\n17. De vreemdeling wordt gehoord in een taal waaraan de vreemdeling de voorkeur geeft, tenzij er een andere taal kan worden gebruikt die hij begrijpt en waarin hij helder kan communiceren.Het beleid van verweerderhoudt als uitgangspunt aan dat de vreemdeling wordt gehoord in een taal waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan. Daaronder vallen onder andere de officiële talen van het land van herkomst.\n\n18. Eisers zijn gehoord met gebruikmaking van een registertolk Frans. Uit openbare bronnen blijkt dat Frans een officiële taal is van de Comoren.Eisers mochten daarom in beginsel in het Frans worden gehoord, indien geen tolk in het Comorees beschikbaar was. Verweerder heeft onweersproken toegelicht dat er geen Comorese tolk beschikbaar is. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdelingen het Frans onvoldoende machtig zijn.\n\n19. De rechtbank constateert dat de informatie over het taalgebruik en taalbegrip van de verschillende bevolkingsgroepen op de Comoren niet eenduidig is.Wel staat vast dat eiser tot zijn veertiende of vijftiende jaar onderwijs in het Frans heeft gevolgden dat eiseres na de middelbare school nog drie jaar universitaire opleiding heeft gehad in de Franse en Comorese taal. Deze omstandigheden geven aanleiding om aan te nemen dat zij enige Franse taalvaardigheid hebben. De vraag is echter of die taalvaardigheid voldoende was om helder en volledig hun asielrelaas naar voren te kunnen brengen.\n\n20. Om te beoordelen of hun Franse taalvaardigheid voldoende was, geven de rapporten van de gehoren inzicht. Uit die rapporten komt een wisselend beeldnaar voren over de Franse taalvaardigheid van eisers. Daardoor is niet zonder meer duidelijk of eisers de Franse taal voldoende machtig waren om in die taal te worden gehoord. Verweerder betoogt dat dat wel zo is, maar de rechtbank ziet aanleiding om dat te betwijfelen. Enerzijds verklaarden eisers dat zij de tolk goed konden verstaan, anderzijds gaven zij aan de tolk niet altijd goed te begrijpen. Eisers verklaarden herhaaldelijkdat zij slechts “een beetje” Frans verstaan en begrijpen. Daarnaast verklaarde eiser: “Ik heb ook aangegeven dat ik veel te vertellen heb maar dat Frans moeilijk is”en verklaarde eiseres: “Het is een beetje moeilijk voor mij om alles goed uit te leggen omdat ik niet zo goed Frans spreek”. De (oud-)gemachtigde van eisers heeft voorafgaand aan het nader gehoor expliciet verzocht om een tolk in de Comorese taal, omdat eisers de Franse taal onvoldoende machtig zijn.Desgevraagd heeft de gemachtigde van eisers op de zitting nog toegelicht dat de communicatie met eisers niet vanzelf ging. Voor eiser wordt zijn beperkte Franse taalbegrip bovendien bevestigd in een medisch advies van 18 april 2025, waarin is opgemerkt dat eiser de Franse taal niet goed kan begrijpen.\n\n21. De rechtbank ziet, anders dan verweerder, dat de Franse taalvaardigheid van eisers tot communicatieproblemen leidde tijdens de gehoren. Zo moest de tolk een paar keer de verklaringen van eiser samenvatten tijdens het nader gehoor, wat wijst op moeizame communicatie. Daarnaast is een opmerking van de rapporteur illustratief dat de rapporteur het over “ik en mijn” heeft, maar eiser “we en ons” noemde. Eiser gaf aan dat hij bij het zoeken naar woorden soms de verkeerde woorden gebruikte en dat de tolk hem dan hielp, door bijvoorbeeld te vragen: “bedoel je dit?”. Dit ondersteunt de stelling van eiser dat hij de Franse taal onvoldoende beheerst.\n\n22. Ook bij eiseres verliep de communicatie merkbaar stroef. Uit het rapport van het nader gehoor blijkt dat zij de tolk regelmatig vroeg om vragen te herhalen of te verduidelijken en dat de tolk haar soms niet goed begreep. De rapporteur noteerde onder andere:\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag en verduidelijkt hem.\n\nOpmerking rapporteur: mevrouw vraagt aan de tolk de vraag te herhalen.\n\nOpmerking rapporteur: de tolk begrijpt mevrouw niet, ze vraagt mevrouw om\n\nhet te herhalen.\n\nOpmerking rapporteur: de tolk legt de vraag uit aan mevrouw en noemt\n\nvoorbeelden.\n\nDeze opmerkingen bevestigen dat de communicatie tussen eiseres en de tolk moeizaam verliep.\n\n23. Verweerder betoogt dat er voldoende waarborgen waren die maakten dat eisers hun asielrelaas naar voren konden brengen met behulp van een tolk in de Franse taal. Volgens verweerder is op verschillende momenten gevraagd of het goed gaat en hebben eisers, kort gezegd, verschillende keren de kans kregen om taalproblemen te melden. Ook heeft de gemachtigde van eisers geen belangrijke correcties en aanvullingen gedaan na het nader gehoor.\n\n24. De rechtbank is echter van oordeel dat deze waarborgen niet toereikend zijn gebleken. Bij signalen van eisers dat zij de Franse taal “een beetje” begrijpen en verstaan, werd onvoldoende doorgevraagd tijdens het nader gehoor van eisers. Onvoldoende is onderzocht wat eisers precies moeilijk vonden. Ook heeft verweerder niet onderzocht hoe eisers beter ondersteund hadden kunnen worden, bijvoorbeeld door het inschakelen van een (digitale) tolk in de Comorese taal, een buitenlandse tolk in de Comorese taal of het toepassen van een dubbele tolkconstructie (van Comorees naar Engels of Frans, en van daaruit naar het Nederlands).De enkele stelling van verweerder dat er in Nederland geen Comorese tolk beschikbaar is, ontslaat hem niet van de plicht om andere mogelijkheden te onderzoeken. Dat heeft verweerder ten onrechte nagelaten.\n\n25. De rechtbank merkt bovendien op dat ook op de zitting duidelijk werd dat eisers het Frans onvoldoende beheersen. Dit bevestigt het beeld dat tijdens de gehoren geen sprake was van volwaardige communicatie in een taal waarin eisers zich helder konden uitdrukken.\n\n26. Gezien de communicatieproblemen tijdens de gehoren, de verklaringen van eisers over hun beperkte Franse taalvaardigheid, de observaties van de rapporteur, het medisch advies van eiser en het gebrek aan voldoende doorvragen of ondersteuning, ziet de rechtbank voldoende concrete aanwijzingen dat eisers de Franse taal onvoldoende beheersen en zich daarin niet helder kunnen uitdrukken. De rechtbank kan dan ook niet uitsluiten dat de door verweerder aangevoerde tegenstrijdigheden zijn ontstaan doordat eisers zijn gehoord in een taal die zij onvoldoende beheersen.\n\n27. De rechtbank concludeert dat verweerder eisers niet kon horen in de Franse taal. Aangezien de afwijzende bestreden besluiten zijn gebaseerd op de verklaringen zoals die zijn afgelegd tijdens de gehoren in de Franse taal, zijn deze besluiten onzorgvuldig tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt.\n\n28. De rechtbank draagt verweerder op om eisers opnieuw te horen, ditmaal in hun moedertaal (de Comorese taal), zodat zij in staat worden gesteld hun asielrelaas helder toe te lichten. Gelet daarop zal de rechtbank niet ingaan op de overige beroepsgronden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n29. De beroepen zijn gegrond. De bestreden besluiten worden dan ook vernietigd. Verweerder wordt opgedragen om eisers te horen in hun moedertaal – de Comorese taal, rekening houdend met alternatieve tolkmogelijkheden zoals genoemd in overweging 24 van deze uitspraak als in Nederland geen tolk in de Comorese taal beschikbaar is. Het is vervolgens aan verweerder om opnieuw te beoordelen of al dan niet van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eisers kan worden uitgegaan en op basis van die nieuwe beoordeling, nieuwe besluiten te nemen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zestien weken.\n\n30. Omdat de rechtbank op de beroepen heeft beslist, bestaat geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. De verzoeken daartoe worden daarom afgewezen.\n\n31. De rechtbank stelt vast dat de zaken van eiser met de zaaknummers NL25.20663 en NL25.20664 en de zaken van eiseres met de zaaknummers NL25.20665 en NL25.20666 op dezelfde zitting zijn behandeld, dat daarin dezelfde gemachtigde rechtsbijstand heeft verleend, dat deze in beide zaken nagenoeg gelijkluidende beroepsgronden heeft aangevoerd en dat in beide zaken gemeenschappelijke rechtsvragen aan de orde zijn. Daarom is sprake van samenhangende zaken die voor de berekening van de proceskostenveroordeling worden beschouwd als één zaak. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het indienen van de verzoekschriften en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank in de zaken geregistreerd onder zaaknummers NL25.20663 en NL25.20665:\n\n- verklaart de beroepen gegrond;\n\n- vernietigt de bestreden besluiten;\n\n- draagt verweerder op om eisers opnieuw te horen in de Comorese taal, en binnen zestien weken nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen van eisers, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.\n\nDe voorzieningenrechter in de zaken geregistreerd onder zaaknummers NL25.20664 en NL25.20666:\n\n- wijst de verzoeken af.\n\nDe rechtbank en de voorzieningenrechter, in alle zaken:\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.721,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Q.M.J.A. Crul, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.J. Vos, griffier.\n\nBijlage\n\nSchema [eiser]\n\nAanmeldgehoor Dublin van\n\n10 april 2025\n\nPagina 2\n\nKunt u de tolk goed verstaan en begrijpen in het Frans?\n\nJa, een beetje.\n\nAls de tolk langzaam praat, is dat beter voor u?\n\nJa, dat gaat beter.\n\nGeeft u het alstublieft aan als u een vraag niet begrijpt, dan stel ik de vraag in\n\nandere bewoordingen.\n\nJa, dat zal ik doen.\n\nPagina 8\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nJa, sommige vragen waren was lastig, andere niet, omdat ik wel Frans spreek maar niet heel veel. Uiteindelijk hebben we elkaar begrepen.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nNee.\n\nAanmeldgehoor van\n\n14 april 2025\n\nPagina 2\n\nDe beveiliger vertelde dat u vroeg of uw partner ook mee mocht. Ik heb later vandaag een gesprek met uw partner.\n\nOké. Ik spreek een beetje Frans.\n\nWelke taal spreekt u het beste?\n\nComoor. Maar jullie hebben niemand die Comoor spreekt.\n\nSpreekt u ook nog andere talen?\n\nNee.\n\nIs naast Comoor de Franse taal wat u het beste spreekt?\n\nJa.\n\nKunt u zich goed uitdrukken in het Frans?\n\nEen beetje, niet helemaal goed.\n\nKunt u dit gesprek verder wel voeren in het Frans?\n\nJa.\n\nAls u een vraag niet begrijpt, geef het vooral aan.\n\nOké.\n\nPagina 3\n\nKunt u de tolk goed verstaan en begrijpen in het Frans?\n\nJa. Een beetje, beetje.\n\nAls u de tolk niet goed begrijpt of verstaat, geeft u dat dan aan?\n\nOké.\n\nDan zal ik deze voor u uitprinten. Kunt u Frans lezen?\n\nJa.\n\n(…)\n\nIk heb de heer [eiser] medegedeeld dat het belangrijk is dat hij de waarheid spreekt en volledig dient te antwoorden op de vragen die ik stel. Ik heb de heer [eiser] uitgelegd dat, als blijkt dat hij niet de waarheid heeft gesproken of belangrijke informatie heeft achtergehouden, zijn aanvraag om die reden afgewezen kan worden.\n\nMijn zorg is dat ik niet volledig antwoord kan geven, omdat ik slecht Frans spreek.\n\nAls u een vraag niet goed kunt beantwoorden omdat u dit niet kunt vertellen in het Frans, wilt u dit dan aangeven?\n\nOké.\n\nPagina 5\n\nBegrijp ik het goed dat u deze talen niet spreekt?\n\nKlopt. Ik spreek alleen Comoor en een beetje Frans.\n\nKunt u nu lezen en schrijven in uw eigen taal?\n\nIk kan wel lezen. Schrijven is lastig. Het onderwijs was niet in het Comorees, maar in het Frans.\n\nPagina 11\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nJa.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nNee. Het was goed, heel goed.\n\nNader gehoor van\n\n22 april 2025\n\nPagina 2\n\nZoals u merkt is er vandaag een tolk Frans aanwezig. Er is helaas geen tolk in de taal Comorees beschikbaar voor de IND, ik heb dit voordat we begonnen nogmaals nagevraagd.\n\nDe tolk die vandaag aanwezig is heeft eerder voor u getolkt tijdens het aanmeldgehoor van 14 april 2025. Ik las in de vorige verslagen dat het toen lukte om in het Frans te communiceren.\n\nOpmerking rapporteur: de tolk vertaalt rustig en duidelijk door goed te articuleren en langzaam te praten.\n\nKunt u de tolk goed begrijpen en goed verstaan?\n\nJa.\n\nAls u de tolk niet goed begrijpt of verstaat op enig moment, geeft u dat dan aan?\n\nJa.\n\nPagina 4\n\nWaar bent u precies zenuwachtig over?\n\nOmdat ik veel wil vertellen, maar ik kan niet makkelijk praten.\n\nPagina 7\n\nOpmerking rapporteur: de tolk vat samen en verifieert in het Frans met\n\nbetrokkene of hij het verhaal goed heeft begrepen alvorens de tolk het\n\nvertaalt.\n\nPagina 8\n\nOpmerking rapporteur: de tolk vat samen en verifieert in het Frans met betrokkene of hij het verhaal goed heeft begrepen alvorens de tolk het vertaalt.\n\nPagina 10\n\nHebt u ooit persoonlijke problemen ondervonden vanwege uw seksuele\n\ngerichtheid en\u002Fof genderidentiteit?\n\nOpmerking rapporteur: ik leg de vraag uit.\n\nPagina 11\n\nKunt u de tolk nog steeds goed begrijpen en goed verstaan?\n\nEen beetje.\n\nHoe gaat het met uw Frans?\n\nHet is niet makkelijk omdat ik niet normaal kan praten.\n\nIk vind dat u best veel en duidelijk hebt kunnen vertellen in het Frans vanmorgen. Uw verhaal was goed te volgen.\n\nOké.\n\nPagina 15\n\nWat vindt u ervan dat zij wel in de Islam gelooft?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk verduidelijkt de vraag.\n\nPagina 16\n\nIk wil u iets voorhouden. Ik heb vanmorgen gelezen wat u bij de KMAR hebt\n\nverklaard. U verklaarde toen dat u niet terug kon naar de Comoren omdat u\n\nKatholiek bent.\n\nDe politie heeft mij niet goed begrepen, misschien heeft de tolk mijn mening\n\nniet goed begrepen. Toen de politie mij vroeg kond e tolk mij niet goed\n\nverstaan. Toen vroeg de politie asiel en toen zei de tolk dat die mij ergens\n\nnaartoe stuurde voor asiel. Naar de IND.\n\n(…)\n\nDit lijkt mij een duidelijk verhaal, waar zat de miscommunicatie hier volgens\n\nu?\n\nIk denk dat de tolk niet goed de vraag had begrepen, ik had verteld dat\n\nmoslims het mij wel en dat de katholieken het mij niet hebben aangedaan. Ik\n\nheb niet gezegd dat ik katholiek was. Misschien heeft hij dat niet goed\n\nbegrepen.\n\n(…)\n\nKunt u de tolk nog steeds goed begrijpen en verstaan?\n\nEen beetje.\n\nPagina 19\n\nHoe onderhield u contact met Hassan?\n\nOpmerking rapporteur: ik hoor meneer de tolk voorbeelden van communicatiemiddelen opnoemen.\n\nPagina 20\n\nHeeft u op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of over de tolk?\n\nNee.\n\nHeeft u de tolk goed begrepen en goed kunnen verstaan?\n\nJa. Een beetje.\n\n(…)\n\nIs er iets waar u zelf op wil terugkomen of waar u nog over hebt nagedacht?\n\nNee.\n\nPagina’s 26 en 27\n\nKunt u de tolk nog steeds goed begrijpen en verstaan?\n\nJa, een beetje.\n\nBlijft u het vooral aangeven als u een vraag niet goed verstaat of begrijpt, dan zal ik de vraag uitleggen of anders stellen. Goed?\n\nJa.\n\nPagina 29\n\nDat begrijp ik, maar als ik een verhaal over mezelf vertel dat heb ik het over\n\n‘ik en mijn’ maar u noemde ‘we en ons’.\n\nDat is een fout die ik misschien heb gemaakt. Ik was alleen. We waren niet\n\nsamen. Het gebeurt ook als ik in een ander woord of verkeerde woorden zeg\n\nen andere dingen bedoel. Het is alsof ik zoek, dan geeft de tolk woorden aan\n\nvan bedoel je dit? En dan zeg ik dat bedoel ik. Ik heb ook aangegeven dat ik\n\nveel te vertellen heb maar dat Frans moeilijk is.\n\nPagina 33\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nJa, een beetje.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nNee.\n\nSchema [eiseres]\n\nAanmeldgehoor van\n\n14 april 2025\n\nPagina 2\n\nKunt u de tolk goed verstaan en begrijpen in het Frans?\n\nJa. Een beetje.\n\nWelke taal spreekt u het beste?\n\nComoor.\n\nSpreekt u goed genoeg Frans om dit gesprek te voeren in het Frans?\n\nJa.\n\nPagina 9\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nJa.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nNee.\n\nNader gehoor van\n\n22 april 2025\n\nPagina 2\n\nKunt u de tolk goed verstaan en begrijpen in het Frans?\n\nIk begrijp het wel een beetje.\n\nBegrijpt u het goed genoeg om vandaag dit gehoor te doen?\n\nIk begrijp wel wat u zegt.\n\nPagina 3\n\nIk heb mevrouw [eiseres] uitgelegd dat mijn vragen wellicht kritisch kunnen\n\noverkomen, maar dat ze bedoeld zijn om het relaas te verduidelijken.\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt dit voor mevrouw.\n\nPagina 5\n\nBent u in het bezit van documenten –anders dan al aangegeven tijdens het\n\naanmeldgehoor - die uw verklaringen over uw identiteit, nationaliteit,\n\nreisverhaal en\u002Fof asielrelaas onderbouwen?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag\n\n(…)\n\nU krijgt nu de gelegenheid in uw eigen woorden te vertellen wat de directe\n\nredenen zijn waarom u uw land van herkomst hebt verlaten. Ik wil u daarbij\n\nvragen om zoveel mogelijk in chronologische volgorde te vertellen en waar u\n\nkunt namen, plaatsen en data te noemen.\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt dit stukje.\n\nPagina 8\n\nVoor wie vreest u?\n\nOpmerking rapporteur: Mevrouw begrijpt de vraag niet, de tolk herhaalt de vraag.\n\nHoe hebt u uw verloofde leren kennen?\n\nIk moet zeggen dat mijn Frans niet zo goed, is. Ik ga proberen uit te leggen.\n\nPagina 9\n\nHoe ging uw relatie hierna verder?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag en stelt hem net iets anders.\n\nIk begrijp het niet.\n\nBegrijpt u niet wat ik bedoel met de vraag?\n\nIk begrijp de vraag niet.\n\n(…)\n\nHoe ging de verloving? Wat gebeurt er dan?\n\nOpmerking rapporteur: Mevrouw vraagt aan de tolk om de vraag te herhalen.\n\nPagina 10\n\nIk hoor u een aantal keer aan de tolk vragen om de vraag te herhalen. Wat vindt u lastig? Het Frans of de vraag?\n\nHet is een beetje moeilijk omdat ik het Frans niet zo goed begrijp.\n\nIk zag dat u tot aan de universiteit naar school bent gegaan en dat u daar in het Frans onderwijs hebt gehad. Hoe komt het dat u het toch lastig vindt?\n\nComorees en Frans wordt tegelijk gesproken maar als ik op school ben en de les wordt in het Frans gegeven en als ik het niet begrijp gaat de docent gelijk in Comorees praten. Dat is de reden dat ik het wel begrijp maar het is niet dat ik alles begrijp. Als ik iets niet begrijp wordt het automatisch in het Comorees gesproken.\n\nHebt u tot nu toe de vragen begrepen?\n\nJa een beetje een beetje.\n\nPagina 11\n\nWat vindt u leuk aan uw verloofde?\n\nIk begrijp het niet.\n\nPagina 13\n\nKunt u tot nu toe de tolk nog goed verstaan en begrijpen?\n\nJa een beetje.\n\nU verklaart in hele zinnen en u lijkt niet naar woorden te hoeven zoeken want de zinnen komen vloeiend en aan een stuk door. Kan ik daaruit opmaken dat het u lukt om in het Frans te verklaren?\n\nIk begrijp een beetje.\n\nIs er iets geweest waarvan u denkt, ‘dat heb ik toch niet helemaal goed begrepen’?\n\nNee, het gaat goed.\n\nPagina 14\n\nU hebt nu ook problemen hierdoor, u kunt niet meer terug naar de Comoren. U\n\nbent nu ook in Nederland en vraagt vanwege de problemen van uw verloofde\n\nasiel aan. Wilt u niet meer weten hierover?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag.\n\nPagina 16\n\nU zei eerder dat uw verloofde u belde en zei dat hij in het ziekenhuis was, nu\n\nzegt u dat hij belde en zei dat hij bij een woning was verstopt. Hoe komt het\n\ndat dit verschilt?\n\nIk heb gezegd dat mijn verloofde in het ziekenhuis was omdat zijn pols kapot\n\nwas, hij moest zich laten helpen. Mijn verloofde heeft mij gebeld en we zijn\n\nlater naar Tanzania gegaan om zijn arm te laten verzorgen. We zijn\n\nteruggekomen naar de Comoren en toen bleek dat de politie nog steeds naar\n\nhem op zoek was en ze hebben hem opgepakt.\n\nToen werd hij opgepakt door de politie en in de gevangenis gestopt. Hij is\n\nontsnapt van de gevangenis en hij was ergens in een huis verstopt. Hij heeft\n\nmij gebeld om te vertellen dat hij was ontsnapt.\n\nIk heb zelf problemen met mijn familie en mijn verloofde heeft zijn eigen\n\nproblemen met de autoriteiten en zo. Het is een beetje moeilijk voor mij om\n\nalles goed uit te leggen omdat ik niet zo goed Frans spreek.\n\nPagina 17\n\nHeb ik goed begrepen dat toen u terugkeerde uw verloofde weer werd opgepakt?\n\nIk begrijp het niet.\n\nPagina 18\n\nUw verloofde werd gearresteerd, wat gebeurde er toen met hem?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag.\n\nIk begrijp het niet.\n\nPagina 20\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nEen beetje.\n\nWas er een vraag\u002Fvragen die u niet goed hebt begrepen?\n\nEen beetje.\n\nAls u niets noemt ga ik ervanuit dat tot nu toe alles duidelijk was, klopt dat?\n\nIk begrijp een beetje omdat ik begrijp meer, maar mijn Frans is niet zo goed,\n\nik kan niet zeggen dat ik alles goed begrepen heb.\n\nAls u vanavond iets bedenkt wat u toch niet begrepen hebt mag u daar morgen\n\naltijd nog op terugkomen.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nIk was tevreden.\n\nPagina 21\n\nVandaag is dezelfde tolk weer aanwezig. Kunt u haar nog goed verstaan en begrijpen in het Frans?\n\nJa.\n\nAls een vraag onduidelijk is of als u moeite hebt met een vraag, wilt u dat dan aangeven?\n\nOké.\n\n(…)\n\nWilt u nog op iets terugkomen wat we gisteren hebben besproken?\n\nNee.\n\n(…)\n\nEerst nog over toen u vanuit Tanzania terugkeerde naar de Comoren. Waar ging u toen naartoe?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag op verzoek van mevrouw.\n\nPagina 23\n\nUiteindelijk kwam uw verloofde wel naar u en uw vriendin in [plaats 1] . Hoe lang\n\nna de ontsnapping was dat?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag. De tolk telt hierbij op haar\n\nvingers als voorbeeld hoeveel dagen na de ontsnapping.\n\nPagina 24\n\nHoe bent u uit de Comoren vertrokken?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag.\n\nPagina 25\n\nWat vond uw familie voor die dag van de verloving?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag en verduidelijkt hem.\n\nPagina 27\n\nKunt u de tolk nog goed verstaan en begrijpen?\n\nEen beetje.\n\nEen beetje? Ik krijg het idee dat het best goed gaat, u verstaat de meeste vragen.\n\nEen beetje.\n\nGeeft u het aan als u het niet verstaat?\n\nJa.\n\nWas er voor de pauze iets wat u niet goed hebt verstaan?\n\nOpmerking rapporteur: Mevrouw is even stil. De tolk herhaalt de vraag.\n\nIk had het een beetje begrepen.\n\nWat vond u lastig aan deze vraag?\n\nOpmerking rapporteur: mevrouw is stil en lijkt na te denken.\n\nIk heb gezegd dat de politie mijn verloofde had gepakt. U heeft gevraagd waar heeft de politie de verloofde gebracht. Ik begreep de vraag niet.\n\nIk ga even kijken welke vraag u bedoelt.\n\nOpmerking rapporteur: ik zoek in het gehoor naar de vraag die mevrouw\n\nmogelijk bedoelt.\n\nWe zijn terug van Tanzania en mijn verloofde gaat naar het dorpje en ik blijf in\n\nde hoofdstad en de politie is gekomen er is een vraag, ik begrijp de vraag niet.\n\nBedoelt u de vraag waar u en verloofde heen gingen toen u terugkwam uit\n\nTanzania?\n\nIk heb gezegd dat we kwamen van Tanzania, mijn verloofde is naar het dorpje\n\ngegaan ik was moe en bleef in de stad. De volgende vraag was. Waar heeft de\n\npolitie je verloofde gebracht.\n\nWilt u hier meer duidelijkheid over? Of wilt u hier iets aan toevoegen?\n\nIk begrijp de vraag niet.\n\nIk wilde weten wat er met uw verloofde gebeurde toen de politie hem had\n\nopgepakt. Is hij ergens naartoe meegenomen? Of gebeurde er iets anders?\n\nDat was niet de vraag, de vraag was, waar heeft de politie je verloofde\n\nopgepakt.\n\nHet was een vraag van vandaag?\n\nJa vandaag.\n\nIk heb u niet gevraagd waar de politie uw verloofde heeft opgepakt zie ik. Ik heb wel gevraagd waar uw verloofde naartoe ging toen hij was ontsnapt.\n\nIk begrijp het niet.\n\nPagina 28\n\nOpmerking rapporteur: de tolk oppert dat het misschien de vraag was:\n\nwaarom is je vriend naar het dorpje gegaan terwijl hij wist dat de politie achter\n\nhem aanzat? Ze vraagt of ze dit aan mevrouw mag vragen. Ik geef aan dat het\n\ngoed is. Mevrouw geeft aan dat dat de vraag is die ze bedoelt.\n\n(…)\n\nIn het aanmeldgehoor hebt u verklaard dat u toen u terugkeerde vanuit\n\nTanzania naar de Comoren in [plaats 1] en in [plaats 2] verbleef. Dat klinkt alsof u er\n\nlanger of vaker hebt verbleven. Waarom hebt u dat zo verklaard?\n\nDe persoon heeft verkeerd vertaald.\n\n(…)\n\nU zei voor de pauze, dat de autoriteiten u zagen toen u de discussie had met\n\nuw vader en dat zij toen dachten als u er bent uw verloofde er ook zou zijn.\n\nHoe weet u dat ze dit dachten?\n\nOpmerking rapporteur: mevrouw vraagt aan de tolk de vraag te herhalen.\n\nPagina 29\n\nWelke autoriteiten vroeg aan u waar uw verloofde was?\n\nDe autoriteiten van het dorp.\n\nWat moet ik me daarbij voorstellen? Is het de politie, gemeenteambtenaar, iemand anders?\n\nDe mensen van het dorpje, de persoon van het dorp. De persoon die daar\n\nwonen.\n\nBedoelt u dan gewoon burgers?\n\nIk begrijp de vraag niet.\n\nU zei dat iemand van de autoriteiten van het dorp aan u vroegen waar uw verloofde was. Wat voor iemand is dat? Welke functie heeft diegene van welke autoriteit?\n\nIk begrijp het niet.\n\n(…)\n\nBent u persoonlijk benaderd door de autoriteiten van de Comoren, bijvoorbeeld de politie, vanwege wat uw verloofde had gedaan?\n\nIk begrijp de vraag niet.\n\nIs iemand van de politie van de Comoren bij u langsgekomen?\n\nOpmerking rapporteur: De tolk begrijpt mevrouw niet, ze vraagt mevrouw om het te herhalen.\n\nPagina 30\n\nUw verloofde heeft verklaard dat u contact hebt gezocht met een kennis van\n\nde universiteit die u heeft geholpen om het visum te krijgen. Hoe komt het dat\n\nu hier zelfs niets over hebt verklaard?\n\nIk begrijp het niet.\n\nHebt u zelf iemand die u kent van de universiteit gevraagd om u te helpen met\n\nhet visum?\n\nDe vriend van mijn verloofde is van de universiteit en hij heeft een cybercafé\n\ndat heb ik verteld.\n\nHoe kan het dan dat uw verloofde heeft gezegd dat ú de persoon kent van de\n\nuniversiteit?\n\nIk begrijp het niet.\n\nWat begrijpt u niet aan deze vraag?\n\nIk begrijp de vraag niet.\n\nPagina 31\n\nHoe heet de persoon die u heeft geholpen?\n\nIk begrijp het niet.\n\n(…)\n\nKunt u tot nu toe de tolk nog verstaan en begrijpen?\n\nJa.\n\nHeb ik goed begrepen dat voordat u naar Tanzania ging, uw verloofde door de\n\nautoriteiten is opgepakt en mishandeld aan zijn arm?\n\nIk snap het niet.\n\n(…)\n\nWat mij nog niet duidelijk is, is wat u bedoelt met autoriteiten van het dorp.\n\nWaarom zijn die anders dan de autoriteiten van de Comoren of de politie?\n\nIk begrijp het niet.\n\nPagina 32\n\nIs uw verloofde mishandeld door mensen uit het dorp die mensen oppakken en\n\nnaar de politie brengen?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag. Ze vraagt wie heeft de\n\nverloofde mishandeld.\n\nHet zijn de mensen die ze autoriteiten van het dorpje noemen.\n\nZijn die mensen die de autoriteiten van het dorp zijn, speciale mensen uit het\n\ndorp? Of kan iedereen het zijn?\n\nIk begrijp het niet.\n\nZijn er in uw dorp mensen aangewezen als autoriteit?\n\nZijn gewone mensen, dat zijn geen speciale mensen. Zijn gewoon normale\n\nmensen.\n\nAls het gewoon mensen zijn uit het dorp. Waarom noemt u ze dan autoriteit?\n\nIk weet niet hoe ik het moet zeggen, het zijn gewone mensen, maar ik zei\n\nautoriteit. Maar ik weet niet hoe ik ze moet noemen.\n\nPagina 35\n\nZijn er bijzondere individuele omstandigheden in Nederland waardoor u in\n\naanmerking dient te komen voor verblijf in Nederland?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk legt de vraag uit aan mevrouw en noemt\n\nvoorbeelden.\n\nPagina 36\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nEen beetje.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag en legt hem uit.\n\nJa.\n\nWat wilt u opmerken?\n\nNee.\n\nuitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000.\n\n Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 38, eerste lid, van de Vw 2000.\n\n Paragraaf C1\u002F2.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Zie openbare informatiebron: Constitution de l'Union des Comores | Refworld (https:\u002F\u002Fwww.refworld.org\u002Flegal\u002Flegislation\u002Fnatlegbod\u002F2001\u002Fen\u002F75023), geraadpleegd op 26 juni 2025. Refworld is een wereldwijde wetgeving- en beleidsdatabase die wordt beheerd door de UNHCR.\n\n ECLI:NL:RVS:2002:AE7653.\n\n Zie openbare informatiebron: Talen op de Comoren - Wikipedia (https:\u002F\u002Ffr.wikipedia.org\u002Fwiki\u002FLangues_aux_Comores), geraadpleegd op 26 juni 2025.\n\n Aanmeldgehoor, p. 6 en 7.\n\n Aanmeldgehoor, p. 6 en zittingsaantekeningen.\n\n De rechtbank heeft in de bijlage bij deze uitspraak schema’s opgenomen, waarin dit wisselende beeld is terug te zien bij eisers. De rechtbank merkt op dat deze schema’s geen volledigheid pretenderen, maar slechts een selectie betreffen van de verklaringen van eisers.\n\n Ten aanzien van eiser: Aanmeldgehoor Dublin, p. 8, Aanmeldgehoor, p. 11, Nader gehoor, p. 2.\n\nTen aanzien van eiseres: Aanmeldgehoor, p. 9, Nader gehoor, p. 2, 13, 20, 21 en 31.\n\n Ten aanzien van eiser: Aanmeldgehoor Dublin, p. 2, Aanmeldgehoor, p. 2, 3, Nader gehoor, p. 7, 8, 10, 11, 15, 16, 19, 27, 29 en 33.\n\nTen aanzien van eiseres: Aanmeldgehoor, p. 2, Nader gehoor, p. 2, 5, 7, 9, 10, 11, 13, 17, 18, 20, 21, 23, 24, 25, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 35 en 36.\n\n Ten aanzien van eiser: Aanmeldgehoor Dublin, p. 2, Aanmeldgehoor, p. 2, Nader gehoor, p. 11.\n\nTen aanzien van eiseres: Aanmeldgehoor, p. 2 en Nader gehoor, p. 2.\n\nTen aanzien van eisers: op de zitting, zie zittingsaantekeningen.\n\n Nader gehoor van eiser, p. 29.\n\n Nader gehoor van eiseres, p. 16.\n\n Correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor van eisers, gedateerd 18 april 2025.\n\n Nader gehoor, p. 7 en 8.\n\n Nader gehoor, p. 29.\n\n Nader gehoor, p. 25.\n\n Nader gehoor, p. 28.\n\n Nader gehoor, p. 8, 29.\n\n Nader gehoor, p. 35.\n\n Zoals eerder door deze rechtbank en zittingsplaats overwogen (ECLI:NL:RBAMS:2025:3832, r.o. 6.1).\n\n Ten aanzien van eiser: Aanmeldgehoor, p. 3, Nader gehoor, p. 11, 16, 20, 26 en 27. Ten aanzien van eiseres: Nader gehoor, p. 10, 20 en 36.\n\n De bestreden besluiten zijn in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n In groene tekst is opgenomen de verklaringen waarin de rechtbank leest dat eiser de Franse taal voldoende machtig lijkt te zijn. In rode tekst is opgenomen de verklaringen waarin de rechtbank leest dat eiser de Franse taal onvoldoende machtig lijkt te zijn.\n\n In groene tekst is opgenomen de verklaringen waarin de rechtbank leest dat eiseres de Franse taal voldoende machtig lijkt te zijn. In rode tekst is opgenomen de verklaringen waarin de rechtbank leest dat eiseres de Franse taal onvoldoende machtig lijkt te zijn.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19889","2025-10-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:32.797Z",{"id":163,"ecli":164,"slug":165,"caseNumber":43,"courtId":147,"decisionDate":166,"fullText":167,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":168,"sourceTimestamp":169,"parsedAt":51,"updatedAt":170},"315","ECLI:NL:RBDHA:2025:9650","ecli-nl-rbdha-2025-9650","2025-05-21T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.48156\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag1 van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 13 september 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 november 2024 en het aanvullend besluit van 3 april 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. \n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Rezaie als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\n2.3.. Gelet op de omstandigheid dat in het aanvullend besluit (ook) is bepaald dat eiser de uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag in Nederland mag afwachten, heeft eiser ter zitting zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken. Hier zal de rechtbank dan ook niet over oordelen.\n\n1 als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 (Vw).\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is afkomstig uit een streng gelovige familie maar twijfelde zelf al langer aan het geloof. Eiser heeft zich ongeveer drie jaar voor zijn vertrek uit Iran definitief van de islam afgekeerd. Vlak voor zijn vertrek is eiser zich een atheïst gaan noemen. Tijdens een bruiloft is eiser met een neef alcohol gaan drinken in het huis van zijn moeder. Andere familieleden kwamen ongemerkt binnen en hoorden eiser tegen zijn neef uitspreken dat hij zich sinds een paar jaar geen moslim meer voelt. Zij werden woedend op hem. Eiser werd aangevallen en mishandeld maar kon aan zijn familie ontsnappen. Hierna heeft eiser het land verlaten en is via Turkije naar Nederland gereisd. Eiser heeft gehoord dat de Iraanse autoriteiten na zijn vertrek een inval hebben gedaan in zijn woning. Eiser vreest bij terugkeer door zijn familie vermoord te worden. Ook vreest hij bij terugkeer voor problemen met de Iraanse autoriteiten omdat zijn oom [naam] werkzaam is voor de Iraanse autoriteiten.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n zijn afvalligheid en de bijbehorende problemen;\n\n zijn bekering tot het atheïsme.\n\n5. De minister heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig gevonden. Dat eiser afvallig is en zich heeft bekeerd tot het atheïsme heeft de minister eveneens geloofwaardig geacht. De problemen die eiser heeft ondervonden in verband met zijn afvalligheid vindt de minister daarentegen niet geloofwaardig. Hierbij heeft de minister betekenis toegekend aan de omstandigheid dat eiser geen inspanningen heeft verricht om een document ter onderbouwing van de huisinval te overleggen. Ook zijn de verklaringen van eiser over zijn mishandeling op de bruiloft niet logisch, summier en voor wat betreft zijn ontsnapping tegenstrijdig. De verklaringen van eiser over zijn problemen vormen daarom geen samenhangend en aannemelijk geheel, aldus de minister.\n\n6. Op grond van de geloofwaardig bevonden motieven, namelijk zijn identiteit, nationaliteit en herkomst, zijn afvalligheid en zijn bekering tot het atheïsme, kan eiser niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en is niet aannemelijk dat eiser bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.2 Hierbij heeft de minister van belang geacht dat eiser zich in Iran en in Nederland enkel terughoudend heeft geuit over zijn afvalligheid en atheïsme. Dit behoort dan ook niet tot zijn religieuze identiteit, zodat bij terugkeer in Iran van eiser mag worden verwacht dat hij zich hierover terughoudend opstelt. Nu verder uit landeninformatie blijkt dat er in Iran sprake is van een seculariseringstendens en dat iemand die de Islam niet praktiseert niet op voorhand in de problemen komt3, is het niet aannemelijk dat eiser in de negatieve belangstelling staat of zal komen te staan van de Iraanse autoriteiten. Hierom komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.\n\n2 Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.\n\n3 Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, pagina 84-85.\n\nGeloofwaardigheid van de problemen in verband met afvalligheid\n\n7. Eiser voert aan dat de minister de problemen die hij heeft ondervonden in verband met zijn afvalligheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Het kan hem niet worden aangerekend dat hij geen documenten met betrekking tot de inval in zijn huis heeft overgelegd. Gelet op informatie uit het ambtsbericht is het namelijk aannemelijk dat er geen huiszoekingsbevel is afgegeven. Evenmin kan naar zijn mening van hem worden verlangd dat hij zelf het Sana-systeem raadpleegt of dat zijn familie contact opneemt met de autoriteiten om navraag te doen naar documenten. Verder geeft eiser aan dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over de alcohol die hij heeft gedronken op de bruiloft. Hij heeft - zoals hij ook heeft verklaard in het nader gehoor - zelf alcohol meegenomen naar de bruiloft. Dat de alcohol van zijn moeder zou zijn, is een misverstand dat berust op een verschrijving in de zienswijze. Dat eiser verder het incident met zijn familie niet meer exact kan reconstrueren valt hem niet aan te rekenen. Onder de gegeven omstandigheden is het volgens eiser voorstelbaar dat hij niet op de details heeft gelet.\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn problemen als gevolg van zijn afvalligheid ongeloofwaardig zijn. De rechtbank wijst er hierbij op dat eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn relaas onderbouwen. Zo heeft hij geen documenten overgelegd met betrekking tot de gestelde inval in het huis en heeft hij hiertoe ook geen inspanningen verricht. Nu de stelplicht en de bewijslast bij eiser liggen, heeft de minister eiser niet ten onrechte het verwijt gemaakt dat hij op geen enkele wijze heeft geprobeerd aan een dergelijk document te komen. De bewijslast houdt namelijk ook in dat eiser de gegevens en bescheiden moet overleggen die voor de beslissing op het verzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.4 Er had dan ook van eiser mogen worden verwacht dat hij al dan niet via zijn familie probeert om documenten te verkrijgen. De stelling van eiser dat hij hiermee zijn familieleden in gevaar kon brengen, heeft de minister hierbij niet hoeven volgen. Als de familie navraag had gedaan, waren de autoriteiten namelijk niet op de hoogte geraakt van iets wat zij niet al wisten. De minister heeft ook mogen tegenwerpen dat navraag door de familie niet ook impliceert dat zij in de negatieve aandacht komen te staan nu zij niets strafbaars hebben gedaan.\n\n9. Als een vreemdeling – ongeacht welke reden – een asielmotief niet of onvoldoende kan onderbouwen met objectieve bewijsstukken, dan is het aan hem om zijn verklaringen alsnog aannemelijk te maken. Dit kan hij doen door samenhangende en aannemelijke verklaringen af te leggen die niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke verklaringen.5 De minister heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser hier niet in is geslaagd voor wat betreft het incident met zijn familie tijdens de bruiloft in het huis van zijn moeder. Hierbij heeft de minister betekenis mogen toekennen aan de omstandigheid dat de verklaringen van eiser over dit incident summier en weinig gedetailleerd zijn. Zo weet eiser weinig te vertellen over wat er precies gebeurde en hoe lang dit duurde. Ook heeft eiser wisselend verklaard over zijn ontsnapping uit het huis. Eiser verklaart eerst dat hij heeft kunnen ontsnappen doordat zijn zus hem uit het raam heeft geduwd en daarna dat hij zelf uit het raam is gesprongen.6 Dit incident met zijn familie is de aanleiding geweest voor het vertrek van eiser en vormt dus de kern van zijn asielrelaas. De minister mag dan ook verwachten dat hij hier uitgebreider en eenduidig over kan verklaren.\n\n4 Zie ook WI 2024\u002F6, pagina 2.\n\n5 Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, Vw 2000.\n\n10. De rechtbank stelt verder vast dat de minister in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid ook op verschillende ongerijmdheden in de verklaringen van eiser heeft gewezen. Zo heeft de minister in dit verband de keuze van eiser om in het huis van zijn moeder alcohol te gaan drinken en zijn afvalligheid te bespreken, meegewogen. Net als de omstandigheid dat eiser bij de deur zat maar zijn familie niet hoorde binnenkomen en de omstandigheid dat eiser aan vier volwassen mannen van de Basij heeft kunnen ontkomen enkel door toedoen van zijn zus en vrouw. Deze door de minister geconstateerde ongerijmdheden worden door eiser niet betwist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de minister hierin niet te volgen.\n\n11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister gelet op bovenstaande geconstateerde wisselende, summiere en ongerijmde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, de problemen van eiser als gevolg van zijn afvalligheid ongeloofwaardig mogen achten. De door eiser overgelegde foto van zijn rug kan hierbij niet tot een ander oordeel leiden nu hieruit niet blijkt wat de oorzaak is van deze verwondingen. De beroepsgrond faalt.\n\n12. Gezien het vorenstaande heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat het traumatabeleid niet op eiser van toepassing is omdat de door hem ondervonden problemen als gevolg van zijn afvalligheid en bekering tot het atheïsme niet geloofwaardig worden geacht.\n\nVrees voor vervolging en risico 's bij terugkeer\n\n13. Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van de minister dat hij geen gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt ernstige schade bij terugkeer naar Iran. In dat kader voert hij aan dat hij, anders dan de minister heeft gesteld, wel de behoefte heeft zich actief te uiten over zijn afvalligheid en atheïsme. Eiser wijst erop dat hij hierover praat met anderen en berichten plaatst op sociale media. Dit maakt deel uit van zijn religieuze identiteit, zodat van hem hierin geen terughoudendheid worden verwacht bij terugkeer naar Iran. Er mag dan ook niet van hem worden verwacht dat hij bij terugkeer op het vliegveld liegt over zijn afvalligheid. Hierom zal eiser dan ook al op het vliegveld worden opgepakt en gedetineerd.\n\n14. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen concluderen dat in dit verband geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. Hierbij acht de rechtbank het volgende van belang.\n\n15. Voor de beantwoording van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt, is van belang welke uiting eiser bij terugkeer naar Iran aan zijn afvalligheid en atheïsme zal geven en of van hem hierin terughoudendheid mag worden verwacht. De rechtbank stelt vast dat eiser zich in Iran eerder niet openlijk heeft geuit over zijn afvalligheid en atheïsme. Naar eigen zeggen speelde eiser eerder in Iran in dit verband een rollenspel.7 Evenmin heeft eiser zich expliciet uitgelaten over de vraag of en hoe hij zich bij terugkeer naar Iran wil gaan uitlaten. Op vragen van de minister hierover geeft eiser alleen in zijn algemeenheid aan dat hij bij terugkeer in Iran zijn afvalligheid weliswaar van de daken zou willen schreeuwen maar dit niet durft.8 De minister kan en moet er daarom vanuit gaan dat eiser bij terugkeer naar Iran op dezelfde wijze uiting aan zijn afvalligheid en atheïsme wil geven als hij in Nederland heeft gedaan.9 Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij zijn afvalligheid en atheïsme in Nederland niet met iedereen deelt. Zo geeft eiser aan dat hij, als dit hem wordt gevraagd, wel eens in gesprekken vertelt dat hij geen moslim meer is maar dat dit verder niet uit andere activiteiten of handelingen blijkt. Hij praat verder soms weleens met vrienden.10 Op de vraag of er posts te vinden zijn op zijn accounts die te maken hebben met zijn afvalligheid antwoordt eiser dat hij meestal bij posts een foto van zijn dochter doet ofzo.11 De minister verbindt hier naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte de conclusie dat eiser in Nederland zijn afvalligheid en atheïsme terughoudend uit. De later door eiser overgelegde posts op sociale media leiden niet tot een ander oordeel in deze. De minister wijst er in dit verband in zijn verweerschrift namelijk niet ten onrechte op dat uit deze screenshots weinig informatie volgt. Zo blijkt niet of deze posts zijn geplaatst op een openbaar account dat daadwerkelijk toebehoort aan eiser. Evenmin wordt duidelijk wanneer de (enkele) berichten zijn geplaatst, wat de frequentie van plaatsen is en welke reacties deze berichten in totaal hebben opgeleverd. Met deze screenshots heeft eiser daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn afvalligheid en atheïsme in afwijking van zijn eerdere verklaringen wel openlijk en actief uit. De stelling van eiser dat de minister hem nader had moeten horen, volgt de rechtbank hierbij niet. Eiser is immers al uitvoerig, over twee dagen, gehoord over zijn afvalligheid en atheïsme en de wijze waarop hij hieraan uiting gaf en geeft. Eiser heeft daarmee ruimschoots de gelegenheid gehad zijn relaas toe te lichten.\n\nDaarna heeft eiser niet aangegeven dat hierin een wijziging heeft opgetreden. Evenmin heeft eiser bij de minister aangegeven dat hij, zoals hij eerst en enkel ter zitting heeft gesteld, zoveel kopieën van postst en reacties heeft dat hij deze niet allemaal kan overleggen. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door eiser niet aanvullend te horen.\n\n6 Zie pagina 6 en pagina 27 van het verslag nader gehoor.\n\n16. Nu eiser zijn afvalligheid en atheïsme gelet op vorengaande in Iran en in Nederland niet actief en\u002Fof terughoudend heeft geuit, is het volgens het beleid12 in beginsel niet aannemelijk dat hij in het geval van een eventuele ondervraging door de autoriteiten zal verklaren dat hij afvallig of atheïst is. In dit geval is er, anders gezegd, in beginsel namelijk geen blijk dat dit voor de vreemdeling van belang is voor het behoud van zijn religieuze identiteit. Voor zover zou worden gesteld dat hiermee een vorm van terughoudendheid wordt verlangd, is van belang dat niet elke aantasting op het recht van godsdienstvrijheid een daad van vervolging is die verplicht tot het verlenen van een vluchtelingenstatus. Alvorens van een daad van vervolging kan worden gesproken, moet de daad immers zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens. Het enkele ondertekenen van een formulier op het moment van inreis waarin men verklaart moslim te zijn, kan niet worden beschouwd als een ontoelaatbare aantasting van het recht op godsdienstvrijheid. Het is niet aannemelijk dat voor de vreemdeling die zijn afvalligheid eerder (in Nederland) niet of nauwelijks uit, door het enkele ondertekenen van de verklaring een onhoudbare situatie ontstaat waardoor dit een daad van vervolging behelst. Ook geldt dat voor zover zou worden aangenomen dat eiser na ondertekening van de verklaring dat hij nog steeds moslim is zou worden gevolgd of gemonitord, dit de beoordeling van het risico op vervolging of schending van artikel 3 EVRM niet anders maakt. Dit omdat, nu niet aannemelijk is geacht dat de vreemdeling zich bij terugkeer actief zal uiten, niet wordt aangenomen dat de vreemdeling activiteiten zal verrichten die verband houden met atheïsme of afvalligheid van de islam en die tot negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten en daarmee tot vervolging zouden kunnen leiden. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit beleid kennelijk onredelijk is of in strijd met een rechtsregel. Verder zal eiser voor zover hij bij terugkeer geen praktiserend moslim is, niet als afvallige zal worden gezien. Hij verschilt hierin immers niet van een groot deel van de Iraanse bevolking.13 De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\n7 Zie pagina 12 van het verslag nader gehoor.\n\n8 Zie nader gehoor, pagina 13.\n\n9 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94, onder 23.1 en 23.2\n\n10 Verslag nader gehoor, pagina 14\n\n11 Verslag nader gehoor, pagina 15.\n\n12 Zoals beschreven in IB 2023\u002F35.\n\n17. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef onder a of onder b, van de Vw.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\n13 Zie algemeen ambtsbericht Iran, p. 84 waarin staat dat 22,2% van de Iraanse bevolking aangeeft geen geloof te hebben.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n21 mei 2025\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9650","2025-06-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.086Z",{"id":172,"ecli":173,"slug":174,"caseNumber":43,"courtId":101,"decisionDate":175,"fullText":176,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":177,"sourceTimestamp":178,"parsedAt":51,"updatedAt":179},"324","ECLI:NL:RBDHA:2025:8950","ecli-nl-rbdha-2025-8950","2025-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.5321\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. W.C. Boelens),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. N. Ulutas).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n3. Eiser heeft op 12 augustus 2023 een asielaanvraag ingediend. Hij stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2007, van Eritrese nationaliteit te zijn en te behoren tot de Tigrinja bevolkingsgroep. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit van 30 januari 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n5. De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is door zijn moeder met twee jongens, genaamd [naam 2] en [naam 3] , meegestuurd om te vluchten uit Eritrea voor de militaire dienstplicht. Eiser heeft samen met deze twee jongens Eritrea illegaal verlaten. Eiser heeft bezwaar tegen het vervullen van de militaire dienstplicht, omdat zijn wens is om gewoon een baan te hebben en dit in Eritrea niet kan vanwege de trainingen en de verplichte dienstplicht. Eiser kan niet terugkeren naar Eritrea omdat hij dan in militaire dienst moet.\n\nHet bestreden besluit\n\n7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nIllegale uitreis uit vrees voor toekomstige dienstplicht.\n\n8. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig. Verweerder heeft eisers asielrelaas daarom niet verder inhoudelijk beoordeeld.\n\n9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit 30 januari 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit.\n\nDe beroepsgronden\n\n10. Eiser betoogt, kort gezegd, dat verweerder hem ten onrechte niet volgt in zijn opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst. Hij voert verder aan dat verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond en, in het verlengde hiervan, ten onrechte een vertrektermijn van nul dagen heeft opgelegd en hieraan een inreisverbod heeft verbonden.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst\n\n11. Eiser heeft zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet onderbouwd met objectieve bewijsstukken. Verweerder heeft daarom beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw (de verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel) en artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw (eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd).\n\n12. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3992) heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, overwogen dat als verweerder twijfels heeft over de minderjarigheid van een vreemdeling, als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid geldt. Dat betekent dat verweerder dan van het vermoeden moet uitgaan dat de vreemdeling minderjarig is en deze vreemdeling als minderjarige moet behandelen. Het is dan aan verweerder om dat vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Verweerder zal dan nader onderzoek moeten doen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten. Als verweerder na dat onderzoek toch tot de conclusie komt dat de twijfel over de minderjarigheid is weggenomen en hij ervan uitgaat dat de vreemdeling meerderjarig is, dan zal hij dat moeten motiveren. Bij dit onderzoek zal verweerder ook moeten samenwerken met de vreemdeling. Daarbij moet verweerder rekening houden met de belangen van het kind bedoeld in artikel 24 van het EU Handvest en artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag, en vreemdelingen bij het ontbreken van bewijsmateriaal onder bepaalde omstandigheden het voordeel van de twijfel geven.\n\n13. De Afdeling heeft in de uitspraak van 9 oktober 2024 verder overwogen dat als verweerder een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat aantreft, waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is, hij die bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling mag betrekken en daaraan gewicht mag toekennen. Verweerder zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Daarbij zal verweerder zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als een leeftijdsregistratie is gebaseerd op een brondocument of een medisch leeftijdsonderzoek, dan zal hij hierover navraag moeten doen bij de betreffende lidstaat en nader moeten toelichten waarom hij daaraan al dan niet een bepaalde waarde hecht. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Verweerder zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Verweerder moet bij deze beoordeling ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen, zoals officiële en onofficiële identificerende documenten en\u002Fof verklaringen van voogden van Nidos, betrekken.\n\nHet verhoor bij de AVIM en het aanmeldgehoor\n\n14. Eiser heeft bij zijn asielaanvraag in Nederland verklaard dat hij is geboren op [geboortedatum] 2007. Hij stelt dus minderjarig te zijn. Dat betekent dat verweerder van het vermoeden moet uitgaan dat eiser minderjarig is en eiser als minderjarige moest behandelen. Het is dan aan verweerder om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Omdat eiser minderjarig stelde te zijn en hij dit niet kon aantonen met bewijsmiddelen, heeft er een leeftijdsschouw plaatsgevonden. De AVIM heeft geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Dat, zoals eiser betoogt, de conclusies van de AVIM buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat tijdens het gehoor bij de AVIM het belang van het kind onvoldoende in acht is genomen, volgt de rechtbank niet. Uit het verslag van het gehoor bij de AVIM volgt niet dat het gehoor op een zodanige manier is verlopen of tijdens het gehoor dusdanige vragen zijn gesteld dat moet worden geoordeeld dat het gehoor kind-onvriendelijk was. Verder betekent de presumptie van minderjarigheid, zoals verweerder niet ten onrechte heeft overwogen, niet dat eisers verklaringen kritiekloos moeten worden aanvaard of dat hem geen kritische vragen mogen worden gesteld. Verder volgt uit het proces-verbaal van het verhoor bij de AVIM afdoende waarom is geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. De AVIM heeft bij deze conclusie niet alleen de verklaringen van eiser betrokken, maar ook zijn lichamelijke kenmerken en zijn gedrag. De rechtbank overweegt verder, zoals tussen partijen ook niet in geschil is, dat artikel 25, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn verweerder niet verplicht tot een medisch leeftijdsonderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven zien om een medisch leeftijdsonderzoek aan te bieden.\n\n15. De omstandigheid dat tijdens het verhoor bij de AVIM geen gebruik is gemaakt van een beëdigd tolk, betekent ook niet dat het verslag van het verhoor bij de AVIM buiten beschouwing moet worden gelaten. Op grond van artikel van 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv)maken onder andere de IND en de politie uitsluitend gebruik van beëdigde tolken (registertolken) of vertalers. Op grond van het derde lid kan, in afwijking van het eerste lid, gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is, als wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is óf als het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat. Als van het gebruik van een beëdigde tolk wordt afgezien, dan moet dit op grond van het vierde lid van artikel 28 van de Wbtv met redenen omkleed schriftelijk worden vastgesteld.\n\n16. Uit jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 29 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1395), volgt dat artikel 28, derde lid, van de Wbtv voor de motivering geen andere eis stelt dan dat verweerder de reden voor het gebruikmaken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden één van de in dat lid vermelde redenen moet zijn.\n\n17. Niet in geschil is dat tijdens het verhoor bij de AVIM op 12 augustus 2023 geen gebruik is gemaakt van een registertolk en dat een duidelijke reden hiervoor niet in het verslag van het verhoor, het voornemen of het besluit is vastgelegd. Verweerder heeft daarmee niet gemotiveerd waarom de inzet van een niet-registertolk was gerechtvaardigd tijdens dat verhoor. Dat maakt dat sprake is van een gebrek. De rechtbank zal het bestreden besluit echter niet vernietigen maar het gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat er geen gebruik is gemaakt van een beëdigd tolk, omdat deze op dat moment niet beschikbaar was. Niet is gebleken dat eiser tijdens het verhoor bij de AVIM de niet-registertolk niet heeft kunnen verstaan of dat de tolk hem niet heeft begrepen. Eiser heeft geen correcties en aanvullingen over dit gehoor ingediend en heeft ook in de zienswijze bijvoorbeeld niets opgemerkt over het verhoor bij de AVIM.\n\n18. De omstandigheid dat tijdens het verhoor bij de AVIM (evenals bij het aanmeldgehoor AMV) geen medewerker van de wettelijk vertegenwoordiger van eiser (stichting Nidos) aanwezig was, leidt niet tot het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door eiser zonder aanwezigheid van stichting Nidos te horen. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat stichting Nidos dagelijks een lijst krijgt toegestuurd met minderjarigen die worden gehoord, zoals dat ook is vermeld in Werkinstructie 2023\u002F6 Leeftijdsbepaling. Het is verweerder niet bekend waarom er niemand van stichting Nidos aanwezig was. Verweerder heeft stichting Nidos dus in de gelegenheid gesteld om aanwezig te zijn.\n\n19. Na het aanmeldgehoor is geoordeeld dat er twijfel bestaat over eisers leeftijd. Verweerder heeft vervolgens een aanvullend onderzoek in Italië uitgezet. Uit dit onderzoek is gebleken dat eiser in Italië geregistreerd staat als Abel Abraha, geboortedatum 12 maart 2001, met de Ethiopische nationaliteit. Hoewel verweerder het (kleine) verschil in de geregistreerde namen niet aan eiser tegenwerpt, wijst verweerder er terecht op dat eisers geboortedatum en nationaliteit in Italië en Nederland niet overeenkomen.\n\nEisers verklaringen over de registratie in Italië\n\n20. Eiser heeft over de leeftijdsregistratie in Italië verklaard dat deze registratie alleen is gebaseerd op een verklaring. Verweerder heeft, in lijn met de Afdelingsuitspraak van 9 oktober 2024, geïnformeerd onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd en heeft voldoende gemotiveerd dat eisers verklaringen over de registratie in Italië tegenstrijdig en niet plausibel zijn. Eiser heeft tijdens het gehoor bij de AVIM verklaard dat hij verschillende leeftijden en soms de Ethiopische nationaliteit heeft opgegeven bij de registraties in Italië en Frankrijk (p. 4). Tijdens het aanmeldgehoor AMV (p. 4 en 11) en het aanvullend gehoor (p. 7) heeft hij echter verklaard dat dat een andere jongen hem in Italië registreerde. Ook heeft eiser tijdens het aanvullend gehoor (p. 11 en 12) verklaard dat hij er pas in Nederland achter kwam dat hij in Italië geregistreerd stond als Ethiopiër, dat hij dit niet zelf heeft gedaan en dat hij dit niet wist. Verweerder stelt terecht dat deze verklaringen tegenstrijdig zijn. Eiser heeft immers enerzijds verklaard dat hij zichzelf in Italië en Frankrijk heeft geregistreerd met verschillende leeftijden en soms de Ethiopische nationaliteit, terwijl hij later heeft verklaard dat een andere jongen dit voor hem heeft gedaan. Overigens heeft eiser in het aanmeldgehoor (p. 11) ook verklaard dat de volwassen man (en dus niet jongen) met wie hij reisde hem als volwassene heeft aangemeld. Van eiser mocht worden verwacht dat hij hier consistent over kan verklaren. Verweerder stelt niet ten onrechte dat, nu eiser niet consistent heeft verklaard, dit de geloofwaardigheid van zijn verklaringen ondermijnt.\n\n21. Verweerder stelt verder niet ten onrechte dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de registratie in Italië niet juist is. Dat eiser, zoals hij tijdens het aanvullend gehoor (p. 7) heeft verklaard, de taal niet sprak en daardoor de andere jongen hem liet registreren, heeft verweerder geen afdoende verklaring hoeven vinden voor de afwijkende registratie. Hetzelfde geldt voor eisers verklaring (aanvullend gehoor p. 7) dat hij door een registratie als meerderjarige kon doorreizen. Het is eisers eigen verantwoordelijkheid om correcte en consistente gegevens aan te leveren. Eiser had, zoals verweerder niet ten onrechte vindt, aan de autoriteiten of aan de jongen die hem registreerde, kunnen vragen naar de registratie. Verweerder meent verder niet ten onrechte dat eiser geen afdoende verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij in Italië is geregistreerd met de Ethiopische nationaliteit. Eiser heeft verklaard dat hij niet weet waarom de andere jongen heeft gezegd dat hij uit Ethiopië komt en dat hij enkel vermoedt dat deze jongen zijn eigen nationaliteit heeft opgegeven (aanvullend gehoor, p. 6 en 7). Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat het eiser is aan te rekenen dat hij niet controleerde hoe de andere jongen hem registreerde. Eiser is immers zelf verantwoordelijk voor een correcte registratie van zijn gegevens.\n\nEisers verklaringen over zijn gestelde minderjarigheid\n\n22. Verweerder vindt niet ten onrechte dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over zijn gestelde minderjarige leeftijd. Zo heeft eiser op de vraag tijdens het gehoor door de AVIM (p. 4) waarom geloofd moet worden dat hij minderjarig is, geantwoord: ‘Ik wil naar school, waarom zou ik dan liegen?’ en ‘Hier vind ik de beste school’. Verweerder vindt niet ten onrechte dat dit geen plausibele verklaring is om eisers gestelde minderjarigheid aannemelijk te maken, omdat een meerderjarige wellicht ook naar school wil. Zoals de rechtbank eerder, onder overweging 14 al heeft overwogen, volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat tijdens het gehoor bij de AVIM het belang van het kind onvoldoende in acht is genomen. Van eiser mocht worden verwacht dat hij concreter kon verklaren over zijn gestelde minderjarigheid.\n\nEisers verklaringen over zijn herkomst\n\n23. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over zijn herkomst. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor (p. 5) verklaard dat hij is geboren in Omhajer, Eritrea, en dat hij hier tot zijn vlucht in 2014 heeft gewoond. Eiser kon omliggende plaatsen, gebedshuizen, scholen, een begraafplaats en de rivier noemen (aanmeldgehoor p. 5 en 6). Hoewel eiser deze (algemene) aspecten heeft genoemd, kan deze informatie afkomstig zijn van andere bronnen en bevatten deze verklaringen geen persoonlijke details over eisers eigen ervaring. Verweerder heeft daarom ook verdiepende vragen over eisers herkomst gesteld. Op de vraag of de kerk een klok heeft, een toren of juist een plat dak heeft eiser verklaard dat hij dit niet weet. Hetzelfde geldt voor de vraag of de kerk een begraafplaats had. Eiser heeft echter ook verklaard dat hij de kerk in die tijd heeft bezocht voor lessen (aanmeldgehoor AMV, p. 6 en aanvullend gehoor, p. 9). Er mocht daarom van eiser worden verwacht dat hij grote kenmerken van deze kerk kon benoemen. Verweerder werpt eiser verder niet ten onrechte tegen dat hij zijn favoriete Eritrese gerecht niet kan benoemen en dat hij geen herinneringen heeft wat betreft het vieren van feestdagen in Eritrea (aanvullend gehoor, p. 9). Nu eiser een deel van zijn kindertijd in Eritrea stelt te hebben gewoond en de vragen gaan over onderwerpen van het dagelijks leven van een kind, mag worden verwacht dat hij deze vragen over zijn herkomst grotendeels kon beantwoorden. Ook als eiser in de periode waarnaar werd gevraagd nog jong was, sprake is van een gebrek aan scholing en herinneringen kunnen vervagen, leidt dit niet tot een ander oordeel, omdat de vragen zo gesteld zijn dat ze aansluiten bij eisers referentiekader en ook te beantwoorden zijn voor kinderen (aanvullend gehoor p. 8). Verwacht mocht worden dat eiser specifiekere informatie kon verstrekken dan hij heeft gedaan. Uit het advies van MediFirst van 30 april 2024 blijkt ook niet dat er een medische oorzaak ten grondslag ligt aan de summiere verklaringen van eiser.\n\n24. Verweerder vindt verder niet ten onrechte dat eiser ook nauwelijks heeft kunnen verklaren over zijn reis van Eritrea naar Ethiopië en de oversteek van de grensrivier (nader gehoor p. 10, 11, 15 en aanvullend gehoor p. 4 en 5). Nu dit belangrijke gebeurtenissen zijn geweest en eiser heeft verklaard dit zelf te hebben meegemaakt, mag worden verwacht dat hij hierover enige verklaringen kon afleggen. De vragen die zijn gesteld kunnen ook geschikt worden geacht voor eisers leeftijd, zoals het beschrijven van opvallende kenmerken of situaties. De stelling dat eiser zich niets meer kan herinneren van zijn tijd in Eritrea (aanvullend gehoor p. 9), betekent niet dat dit niet van hem mag worden verwacht.\n\nEisers verklaringen over zijn verblijf in vluchtelingenkampen\n\n25. Verweerder vindt terecht dat eisers verklaringen over zijn verblijf in vluchtelingenkampen tegenstrijdig zijn. Eiser heeft tijdens het gehoor bij de AVIM (p. 3) verklaard dat hij in vluchtelingenkampen in Ethiopië en Sudan heeft verbleven. Tijdens het aanmeldgehoor AMV (p. 13 en 14) heeft hij echter verklaard dat hij nooit bescherming heeft gezocht bij een VN-organisatie of in een VN-vluchtelingenkamp in Ethiopië en Sudan heeft verbleven. Verweerder vindt niet ten onrechte dat deze tegenstrijdige verklaringen twijfels oproepen aan de betrouwbaarheid van eisers verklaringen. Nu eiser tijdens het aanmeldgehoor AMV heeft ontkend in een vluchtelingenkamp te hebben verbleven, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om hierover door te vragen of bij VN-organisaties na te gaan hoe eiser daar staat geregistreerd.\n\nConclusie identiteit, nationaliteit en herkomst\n\n26. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, heeft verweerder eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft eiser daarom niet ten onrechte niet gevolgd in zijn verklaring dat hij is geboren op [geboortedatum] 2007 en de Eritrese nationaliteit heeft. Verweerder vindt niet ten onrechte dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen (artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw). Verder vindt verweerder niet ten onrechte dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd (artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw). Het verschil tussen de in Nederland opgegeven gegevens en de registratie in Italië betekent immers dat hij in één of beide landen valse gegevens heeft opgegeven.\n\nKennelijk ongegrond, terugkeerbesluit en inreisverbod\n\n27. Gelet op het voorgaande stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit. Verweerder kon de asielaanvraag van eiser daarom afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw en in het verlengde daarvan een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van nul dagen opleggen en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitvaardigen .\n\nConclusie en gevolgen\n\n28. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nHet beroep moet ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Gelet op het onder 17 geconstateerde gebrek ziet de rechtbank wél aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van de beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:8950","2025-05-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.442Z",{"id":181,"ecli":182,"slug":183,"caseNumber":43,"courtId":184,"decisionDate":185,"fullText":186,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":187,"sourceTimestamp":185,"parsedAt":51,"updatedAt":188},"638","ECLI:NL:RBDHA:2025:8582","ecli-nl-rbdha-2025-8582",65,"2025-05-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.9635\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam] ,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n \n [naam] ,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n \n [naam] ,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n \n [naam] ,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n \n [naam] ,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n \n [naam] ,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n \n [naam] ,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n \n [naam] ,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\ngezamenlijk: eisers,\n\n(gemachtigde: mr. D. de Vries),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In een eerdere procedure (NL24.21219) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De minister moest binnen een termijn van acht weken alsnog een besluit nemen op de aanvraag. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, zij een dwangsom van € 100,- moest betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.\n\n1.1.. Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvraag van 2 oktober 2023.\n\n1.2.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek.\n\n1.3.. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIs het beroep ontvankelijk en gegrond?\n\n2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moeten eisers de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat zij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen.Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig.\n\n3. In de uitspraak van 1 oktober 2024 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van acht weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen.\n\n4. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.\n\nWelke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?\n\n5. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, heeft in de uitspraak van 16 augustus 2024geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘first in first out’ (fifo)-principe van de minister. Dit betekent dat de rechtbank een termijn van 90 dagen oplegt, die begint op het moment dat de minister de zaak van eisers in behandeling neemt. De minister heeft in haar verweerschrift aangegeven de aanvraag van eisers in juli 2025 in behandeling te nemen. Dit betekent dat de minister vóór 29 september 2025 een beslissing op de aanvraag van eisers bekend dient te maken.\n\nLegt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?\n\n6. Eisers hebben gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet vóór 29 september 2025 een besluit op de aanvraag neemt, de minister opnieuw een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met opnieuw een maximum van € 7.500,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister voor 29 september 2025 een besluit moet nemen op de aanvraag. Doet de minister dat niet, dan is zij aan eisers een dwangsom verschuldigd.\n\n8. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt de minister op om vóór 29 september 2025 alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;\n\nbepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 453,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:13031.\n\n Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:8582","2026-07-13T00:28:40.521Z",{"id":190,"ecli":191,"slug":192,"caseNumber":43,"courtId":83,"decisionDate":193,"fullText":194,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":195,"sourceTimestamp":196,"parsedAt":51,"updatedAt":197},"555","ECLI:NL:RBDHA:2025:18457","ecli-nl-rbdha-2025-18457","2025-04-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL23.29118 [V-Nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen\n\n [eiseres] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1995, van Ethiopische nationaliteit, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. S.N. Ali),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres. De minister heeft zich voor de zitting afgemeld.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiseres heeft het volgende aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiseres heeft verklaard vanwege haar afkomst uit Tigray problemen te ondervinden met de Ethiopische autoriteiten. Zij heeft verklaard dat soldaten haar ouderlijk huis binnen zijn gekomen en alle waardevolle bezittingen hebben meegenomen. De soldaten zijn meerdere keren teruggekomen en hebben ook de elektronicawinkel van de vader van eiseres geplunderd. Omdat soldaten huiszoekingen hielden naar jonge mannen, zijn twee broers van eiseres gevlucht. Bij een huiszoeking is de vader van eiseres meegenomen. Eiseres is zelf vanwege haar etniciteit ook opgepakt en gevangen gehouden. Zij heeft verklaard anderhalve maand in een gevangenis te hebben verbleven waar zij geen bezoek mocht ontvangen, alleen brood te eten kreeg, in het donker op een cel verbleef en haar sanitaire behoeften in dezelfde kamer moest doen.\n\nHet bestreden besluit\n\n5. Het asielrelaas van eiseres bestaat uit de volgende elementen:\n\n- haar identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n- haar problemen met de Ethiopische autoriteiten vanwege haar etnische afkomst uit Tigray.\n\n5.1. Beide elementen heeft de minister geloofwaardig geacht. Volgens de minister is echter niet aannemelijk dat eiseres als gevolg van deze problemen een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdragheeft of dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarom heeft de minister de asielaanvraag van eiseres afgewezen.\n\n5.2. Volgens de minister loopt eiseres geen persoonlijk risico bij terugkeer naar Ethiopië vanwege haar etniciteit. De vrees van eiseres om bij terugkeer naar Ethiopië gevangengezet, verkracht of vermoord te worden wordt door de minister niet gevolgd, omdat deze vrees niet is gebaseerd op onderbouwde aannames. Ook beschouwt de minister Tigreeërs niet langer als risicogroep aangezien de toestand in Ethiopië voor Tigreeërs is gestabiliseerd. Daarnaast werpt de minister tegen dat er een aanzienlijk tijdsverloop was tussen de gebeurtenissen en het daadwerkelijke vertrek van eiseres uit Ethiopië.\n\nHeeft eiseres bij terugkeer te vrezen voor vervolging dan wel ernstige schade?\n\n6. Eiseres voert aan dat de veiligheidssituatie in Tigray na de ondertekening van het vredesakkoord in 2022 niet is verbeterd. Eiseres verwijst in de gronden van beroep onder andere naar het algemeen ambtsbericht over Ethiopië van november 2022, een rapport van de UN Human Rights Council, een mondeling statement van Amnesty International van\n\n21 maart 2023en verschillende nieuwsartikelen.Door de algehele veiligheidssituatie in Ethiopië stelt eiseres te vrezen voor willekeurige verkrachting, marteling en de dood. Daarom stelt de minister zich volgens eiseres ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij geen risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Ethiopië.\n\n7. Volgens de minister is na de ondertekening van het vredesakkoord in 2022 de veiligheidssituatie in Tigray wel verbeterd. De Amhaarse troepen zijn wel aanwezig gebleven in West-Tigray, maar de Eritrese troepen hebben zich voor het grootste deel uit Tigray teruggetrokken. De Eritrese troepen zijn wel aanwezig gebleven in het grensgebied tussen Ethiopië en Eritrea. Dit blijkt volgens de minister uit het algemene ambtsbericht over Ethiopië van januari 2024en uit het rapport van de UK Home Office.De minister stelt zich op het standpunt dat de algehele veiligheidssituatie in Mek’ele, de stad waar eiseres uit afkomstig is, is verbeterd. Mek’ele ligt volgens de minister in het midden van Tigray en niet in het grensgebied met Eritrea. Ook blijkt volgens de minister uit het ambtsbericht van 2024 en een Deens rapport dat de negatieve aandacht van de Ethiopische autoriteiten in het algemeen van Tigreeërs naar andere groeperingen zoals de Oromo en Amhara zijn verschoven.Daarom is de minister van mening dat voor eiseres geen risico op ernstige schade bestaat bij terugkeer naar Ethiopië.\n\n8. Anders dan de minister is de rechtbank van oordeel dat de algemene landeninformatie over Tigray geen eenduidig beeld geeft van de veiligheidssituatie in Tigray en meer specifiek in Mek’ele. De rechtbank licht dit hierna toe.\n\n9. De minister heeft ter onderbouwing van het standpunt dat die situatie is verbeterd in het verweerschrift gewezen op de volgende informatie:\n\nEen Deens rapport (EUAA, Country of Origin Information Report, Ethiopia, Security situation in Amhara, Oromia and Tigray regions and return, oktober 2024, pagina’s 14 en 15:\n\n“Experts from the International Commission of Human Rights have identified ‘…grave and systematic violations of international law and crimes‘, which had been committed in Tigray, Amhara, Afar and Oromia. During 2023, the expert group has documented 594 incidences of human rights violations and abuses. Compared to 2022, this represents an increase of 55.9 %; state actors estimated to be responsible for 70 % of these documented incidences (ENDF, federal police, regional police and special forces combined). These incidences affected 8 253 individuals and included killings of 1 351 persons; most of the killings occurred in Amhara (740) followed by Oromia (366). (…) OHCHR states that the human rights situation in Tigray has improved ‘significantly’ and the level of human rights abuses and violence has been reduced after the signing of the cessation of Hostilities Agreement (CoHA) on 2 November 2022, however, serious challenges remain because of limited demobilisation and reintegration of combatants. There are reports of several cases of abductions and enforced disappearances committed by the Eritrean troops in Central Tigray zone after the CoHA as well as several extrajudicial killings of civilians by Amhara troops in Western Tigray Zone. The CoHA in Tigray did install hope for a durable peace but the government then failed to live up to promises of ‘transitional justice and territorial integrity’. In spite of this, in terms of conflicts and violent clashes, the worst affected regions are now Amhara and Oromia, these two regions had the highest number of documented killings in 2023.”\n\nEen rapport van de UK Home Office, Country Policy and Information Note, Ethiopia: Tigrayans and the Tigrayan People’s Liberation Front, version 1.0, December 2024:\n\n“3.1.1 Tigrayans in areas under the control of the Tigrayan Interim Regional Administration (TIRA) in Tigray and in Addis Ababa are unlikely to face treatment from state actors because of their ethnicity that amounts to persecution or serious harm. However, factors such as a person’s gender, age, social and educational background, whether they are a long-term resident of Addis Ababa, their ID documentation and support network, are likely to affect the risk they face. The onus is on the person to demonstrate otherwise.”\n\n“3.2.1 Since November 2022 there has been a significant improvement in the security situation in Tigray. Armed Conflict & Location Event Data Project (ACLED) indicative data shows a 92% fall in organised violence events (battles, explosive\u002Fremote violence, and violence against civilians) from 1,002 between November 2020 and 4 November 2022 to 78\n\nbetween 5 November 2022 and 16 August 2024. ACLED also documented a 98% fall in fatalities resulting from political violence events from 5,168 to 105 between the same periods. Attacks on civilians also fell. ACLED recorded a 76% fall in civilian targeting events [where civilians are the main or only target] from 178 between 4 November 2020 and 4 November 2022 to 78 between 4 November 2022 and 16 August 2024. ACLED also recorded a 98% fall in fatalities from civilian targeting from 3,077 to 55 between the same periods (see Political violence and Fatalities from violent attacks).”\n\n“3.2.2 Living conditions in TIRA-controlled areas of Tigray have improved since the end of the conflict, although these remain difficult for many. Humanitarian access to assist people has also improved although it remains insufficient to meet all needs. (…)”\n\n“3.2.3 The end of conflict allowed over 900,000 internally displaced people (IDPs) to return to Tigray (see IDPs returns) however there are still between 600,000 and over a million IDPs as of mid-2024. These are mainly people from the disputed territories where ongoing tensions and violence mean it is not safe to return (see Numbers of internally displaced persons (IDPs).”\n\n“3.2.4 The human rights situation has also improved in TIRA-controlled areas, with a decline in violations including extra-judicial killings and sexual and genderbased violence. The country evidence does not indicate that there is targeting of specific groups by the TIRA or other state or non-state agents. However, criminality has increased and is widespread, includes trafficking, illegal mining and kidnapping (mostly of women and children). The TIRA lacks capacity to manage crime effectively (see Human rights situation\n\nsince CoHA and Criminality).”\n\nDe minister wijst verder op de volgende passage uit hetzelfde rapport van de UK Home Office rapport (p. 9) ter toelichting dat de ‘disputed areas’, dat wil zeggen gebieden die niet onder controle van de TIRA staan, de volgende zijn:\n\n“3.1.11 Although the EDF and Amhara forces withdrew from major towns they have remained in some areas in Western, North Western, Central, Eastern, Southern zones of Tigray. At the time of writing, around 20% of Tigray remains contested. These ‘disputed’ territories include: the entire Western zone (known to the Amhara as Welkait), including Welkait, Tsegede, and Humera woredas, under the control of Amhara regional militias (Fano).”\n\nVolgens de minister ligt Mek’ele niet in deze disputed areas. Mek’ele ligt in het gebied dat onder controle is van de TIRA. De rechtbank volgt de minister hierin.\n\n10.1. De rechtbank constateert dat de hierboven vermelde informatie op zichzelf al niet eenduidig is over de veiligheidssituatie in Tigray en meer specifiek Mek’ele nu in paragraaf 3.2.4 van het rapport van de UK Home Office enerzijds staat dat de mensenrechtensituatie verbeterd is in de gebieden onder controle van de TIRA, met een daling van het aantal moorden en seksueel geweld, maar anderzijds ook staat dat criminaliteit is gestegen en wijdverbreid is, waaronder ontvoeringen van vrouwen en kinderen. De TIRA heeft niet genoeg capaciteit om dergelijke criminaliteit effectief aan te pakken.\n\n10.2. Daar komt bij dat het laatste ambtsbericht over Ethiopië uit januari 2024 - naast de informatie waar verweerder naar verwijst - ook vermeldt dat het seksueel geweld en de mensenrechtenschendingen ook na de staakt-het-vurenovereenkomst onverminderd doorgingen:\n\n“Ook na het ondertekenen van de staakt-het-vurenovereenkomst in november 2022 bleven Eritrese troepen aanwezig in Tigray en mensenrechtenschendingen begaan. Volgens de Internationale Commissie van Mensenrechtenexperts voor Ethiopië vonden deze schendingen soms op kleine afstand van de Ethiopische strijdkrachten plaats, zonder dat deze ingrepen.160 De Eritrese troepen maakten zich schuldig aan plunderingen, ontvoeringen,162 arbitraire arrestaties en detentie van jonge mannen, beschietingen van hulpverleners in Oost-Tigray, moorden en seksueel geweld, waaronder groepsverkrachtingen en transactionele verkrachtingen (zie ook paragraaf 1.3.2.1).”\n\n10.3. Dat de veiligheidssituatie in Tigray en meer specifiek in Mek’ele is verbeterd, komt evenmin eenduidig naar voren in het Deense rapport waar de minister in het verweerschrift naar verwijst. Naast de passages waar de minister naar verwijst, vermeldt dit rapport namelijk ook nog het volgende:\n\n“The ceasefire agreement between the TPLF and the Ethiopian federal authorities has been upheld by the signatories. However, the Eritrean and Amhara forces have yet to withdraw their troops from Tigray, and there have been reports of pockets of violent clashes in Tigray since November 2022. Both Eritrea and Amhara have historically laid claim to parts of Tigray, and there is evidence of serious security incidents between Amhara and Tigray forces and EDF and Tigray forces.”\n\n“Furthermore, there have been different instances of looting and mass detentions by Eritrean forces, particularly noted in the looting of shops and vehicles towards the end of November 2022. Adding to the violence are sexual assaults, which have continued unabated despite the peace agreements. Reports from February 2023 indicate ongoing sexual violence, with survivors having to flee significant distances to avoid Eritrean roadblocks and seek medical assistance.”\n\n“As stated above, sexual and gender based violence has remained pervasive in Tigray even after the signing of the CoHA. The ICHREE documented numerous instances of rape and sexual violence by both EDF and Amhara forces after November 2022. Amnesty International highlighted severe cases of sexual violence, including gang rapes and sexual slavery committed by Eritrean forces. One medical center in Eastern Tigray reported 76 new cases of sexual and gender based violence within a single week in June 2023. Additionally, the Organization for Justice and Accountability in the Horn of Africa found that out of 305 medical records reviewed, 128 incidents of sexual and gender based violence occurred after November 2022, primarily in areas with EDF presence, indicating that the pattern of sexual violence in Tigray had not abated.”\n\n10.4. Het diffuse beeld over de actuele veiligheidssituatie in Tigray volgt ook uit het bericht van VluchtelingenWerk Nederland van 6 maart 2025 waar eiseres in de gronden van beroep en op zitting naar heeft verwezen:\n\n“Volgens een artikel van de Deutsche Welle (Bijlage 4 , 1 november 2024) is het geweld en lijden nog niet over voor velen in Tigray. Volgens een docent van de Universiteit van Me’kele is het vredesakkoord niet volledig geïmplementeerd, maar “eerder een mislukking” omdat het de gebieden van Tigray niet heeft hersteld. Hij zegt dat de inwoners of ontheemden van West-Tigray, Gulomekeda en Irob hierdoor niet terug naar huis keren. Er zijn wel enkele terugkeerders in het zuidelijke deel van Tigray, maar zij worden niet beschermd.\n\nDe Deense Immigratiedienst (Bijlage 7 , oktober 2024) meldt dat er sinds november 2022 meldingen zijn van sporadische gevechten tussen Amhara- en Tigray-troepen in de zuidelijke, westelijke en noordwestelijke zones van Tigray - twee zones die Amhara als hun grondgebied beschouwt. Seksueel en gendergerelateerd geweld is in Tigray alomtegenwoordig gebleven, zelfs na de ondertekening van de vredesovereenkomst.”\n\n11. Het standpunt van de minister dat eiseres bij terugkeer naar Tigray geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade vindt niet eenduidig steun in de hierboven vermelde landeninformatie. Enerzijds vermeldt de landeninformatie dat de mensenrechtensituatie in Tigray is verbeterd, maar anderzijds dat ook na de vredesovereenkomst seksueel geweld in Tigray veelvuldig voorkomt. Het is dat soort geweld dat eiseres met name vreest en in het licht van de landeninformatie kan zonder nadere motivering niet worden geoordeeld dat die vrees ongegrond is. Eiseres heeft in het verleden ook al vervolging en ernstige schade ondervonden. Zij heeft immers – door de minister geloofwaardig geacht - verklaard dat zij is opgepakt en onder mensonterende omstandigheden gevangen heeft gezeten vanwege haar afkomst. Ook heeft zij – door de minister geloofwaardig bevonden – verklaard dat de winkel van haar vader is geplunderd en haar vader is meegenomen bij een huiszoeking door soldaten. Op de zitting bij de rechtbank heeft eiseres onder meer verklaard dat zij niet weet of haar vader nog in leven is. Het landgebonden beleid van de minister over Ethiopiëvermeldt bovendien dat het niet mogelijk is bescherming te krijgen van de autoriteiten en\u002Fof internationale organisaties wanneer vrouwen slachtoffer dreigen te worden van seksueel geweld. Dat is alleen anders voor vrouwen die voor het moment van vertrek hun normale woon- of verblijfplaats in Addis Abeba hadden, behalve wanneer uit individuele omstandigheden blijkt dat de actor van vervolging de overheid zelf is. Eiseres verbleef voor vertrek weliswaar in Addis Abeba, maar zij heeft over dit verblijf aldaar geloofwaardig verklaard dat zij op een avond vanuit het huis van haar vriendin waar zij verbleef is meegenomen door de politie omdat zij uit Tigray afkomstig is. De nacht heeft zij vervolgens doorgebracht in een kleine container. Vervolgens werd zij naar een gevangenis of politiebureau gebracht in Shola en werd zij gedetineerd in een soort kelder waar heel veel vrouwen zaten. Het was daar heel donker en alles was vies en smerig. Het was een plek waar alle Tigrinja sprekende vrouwen bij elkaar werden gezet. Een keer per dag mocht eiseres haar behoefte doen. Zij kreeg twee stukjes brood per dag. Zij kreeg geen maandverband als zij ongesteld was en werd dagelijks uitgescholden. ‘’Jullie worden hier verkracht’’ is wat ze zeiden. Omdat de mensen die gevangen zaten niet op tijd de behoefte mochten doen, deden ze het op de plek waar ze zaten. Ze zagen ook geen zonlicht en waren uitgedroogd en uitgehongerd.Eiseres is dus in Addis Abeba vervolgd door de overheid zelf en behoort daardoor tot de hierboven genoemde uitzondering in het landgebonden beleid over Ethiopië. Dit betekent dat er niet van uit kan worden gegaan dat het voor haar mogelijk is bescherming te krijgen van de autoriteiten en\u002Fof internationale organisaties wanneer zij slachtoffer dreigt te worden van seksueel geweld.\n\n12. De rechtbank komt tot de slotconclusie dat in het licht van de landeninformatie en artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijnhet standpunt van de minister dat niet aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer naar Ethiopië gegronde vrees voor vervolging heeft wegens haar Tigrese afkomst en dat niet aannemelijk is dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade niet berust op zorgvuldig onderzoek. Bovendien is dat standpunt niet deugdelijk gemotiveerd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\n14.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.\n\n14.2. \n\nOmdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.\n\n De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 17 augustus 2023;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Pagina’s 11 en 46-48.\n\n International Commission of Human Rights Experts on Ethiopia van 14 september 2023, pagina 9-11 en 22.\n\n ‘’Member States must ensure justice and accountability for grave human rights violations in Ethiopia’’.\n\n Een artikel van The New Humanitarian van 31 januari 2023 over de staakt-het-vurenovereenkomst en The Financial Times van 15 januari 2023.\n\n Pagina 24.\n\n UK Home Office, Country Policy and Information Note, Ethiopia: Tigrayans and the Tigrayan People’s Liberation Front, version 1.0, december 2024, pagina 7-10.\n\n Ethiopia, Security situation in Amhara, Oromia and Tigray regions and return, Center for Dokumentation og Indsats mid Ekstremisme, oktober 2024, pagina 14-15 en 81-82.\n\n Algemeen ambtsbericht Ethiopië, januari 2024, pagina 24 en 26.\n\n Pagina 33-34.\n\n Pagina 35.\n\n Pagina 35.\n\n Ethiopië – Situatie in Tigray na vredesakkoord.\n\n Pagina 3.\n\n Landgebonden beleid Ethiopië, C7 14.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).\n\n Pagina 10 en 11 van het nader gehoor.\n\n Artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn luidt: het feit dat de verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18457","2025-10-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:36.498Z",{"id":199,"ecli":200,"slug":201,"caseNumber":43,"courtId":101,"decisionDate":202,"fullText":203,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":204,"sourceTimestamp":114,"parsedAt":51,"updatedAt":205},"353","ECLI:NL:RBDHA:2025:22593","ecli-nl-rbdha-2025-22593","2025-04-11T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht zaaknummer: NL24.42498\n\nTussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. G.L. Wischhoff).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Congolese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972. Hij heeft op 21 april 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.1.1.. De rechtbank heeft beroep eerst op 7 februari 2025 op zitting behandeld. Hierbij is enkel de gemachtigde van verweerder verschenen. De rechtbank heeft, na contact te hebben opgenomen met de toenmalige gemachtigde van eiser (mr. O. Sarac), de zaak aangehouden om de gemachtigde van eiser in de gelegenheid te stellen de zaak over te dragen aan een andere gemachtigde.1.2.. Op 13 februari 2025 heeft mr. D.H. Yabasun zich gesteld als (nieuwe) gemachtigde van eiser.\n\n1.3.. Eiser heeft op 20 februari en 2 maart 2025 aanvullende gronden ingediend.\n\n1.4.. De rechtbank heeft verweerder gevraagd te reageren op de (veiligheids)situatie in Oost-Congo. Verweerder heeft hier bij bericht van 10 maart 2025 op gereageerd. Eiser heeft vervolgens op 12 maart 2025 op het standpunt van verweerder gereageerd.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 14 maart 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, F. den Hengst als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nOverwegingen\n\nDe eerdere asielprocedure2.1.. Eiser heeft eerder, op 17 april 2015, asiel aangevraagd. Aan deze aanvraag heeft eiser – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat hij lid was van een politieke organisatie en zich inzette voor mensenrechten in Congo. Hij moest echter het land ontvluchten omdat hij onder druk werd gezet door (militante) groeperingen. Hierbij is zijn huis in brand gestoken.\n\n2.2.. \n\nMet het besluit van 1 juni 2015 heeft verweerder ongeloofwaardig geacht dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Congolese autoriteiten en de aanvraag afgewezen als ongegrond. Met de uitspraak van 19 juni 2015 (AWB 15\u002F10798) heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, het beroep van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 21 juli 2015 het hoger beroep van eiser ongegrond verklaard. Daarmee staat dit besluit in rechte vast.\n\nDe huidige asielaanvraag\n\n3. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij wordt vanwege zijn politieke activiteiten beschuldigd van terrorisme in Congo en vreest als gevolg daarvan voor vervolging. Ter onderbouwing van deze vrees heeft eiser verschillende (nieuwe) stukken overgelegd. Volgens eiser is de overgelegde lijst met terrorismeverdachten opgesteld door [persoon A] , een voormalig minister in Congo. Hij vreest bovendien voor vervolging omdat hij heeft meegewerkt aan een interview met een journalist. Deze journalist is vervolgens gearresteerd. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een kopie van een arrestatiebevel overgelegd.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. Eisers naam komt voor op een lijst die is opgesteld door [persoon A] ;\n\n3. Eiser heeft een interview gegeven, waarna journalist [persoon B] is opgepakt omdat ze naar eiser op zoek zijn.\n\nVerweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder stelt zich echter op standpunt dat de twee overgebleven asielmotieven ongeloofwaardig zijn. Het geloofwaardig geachte asielmotief maakt volgens verweerder niet dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Omdat het een opvolgende aanvraag betreft, heeft verweerder de aanvraag bij bestreden besluit afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, Vw.\n\nJuridisch kader\n\n5. Het voor deze uitspraak relevante juridisch kader is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe lijst met namen opgesteld door [persoon A]\n\n6. Eiser voert aan dat verweerder heeft miskend dat de overgelegde lijst, waar eiser op staat, wel degelijk door [persoon A] (een voormalig minister) is opgesteld onder het pseudoniem [pseudoniem] . Dat dit dezelfde persoon betreft blijkt uit de overgelegde blogs en artikelen. De personen op deze lijst worden gezocht door de Congolose autoriteiten. Dit blijkt onder meer uit de arrestatie van ‘ [naam] ’, die op de lijst staat vermeld.6.1.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overgelegde lijst daadwerkelijk afkomstig is van [persoon A] . Eiser stelt weliswaar bewijsstukken te hebben overgelegd dat [pseudoniem] een pseudoniem van [persoon A] is, maar uit de in bezwaar overgelegde blogs en artikelen kan niet duidelijk worden afgeleid dat dit dezelfde persoon betreft. Er worden uitsluitend op basis van stijl- en taalovereenkomsten conclusies getrokken over de ware identiteit van de opsteller van de lijst. Deze blogs en artikelen zijn bovendien onvertaald en niet op echtheid te controleren. Eiser heeft ook niet op een andere wijze aannemelijk gemaakt dat de lijst afkomstig is van [persoon A] . Hierbij komt dat, mocht [pseudoniem] dezelfde persoon zijn, dat nog steeds niet aannemelijk maakt dat de lijst authentiek is en vervolgens betekent de enkele omstandigheid dat eisers naam voorkomt op een lijst niet dat eiser alleen al daarom gevaar loopt bij terugkeer. Dat [naam] gearresteerd is en dat zijn naam voorkomt op de lijst, maakt het voorgaande niet anders. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat [naam] is gearresteerd omdat hij op de lijst voorkomt. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nInterview door journalist [persoon B]\n\n7. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is geïnterviewd door een journalist ( [persoon B] ). Deze journalist kwam aan zijn gegevens via de discussiegroepen waar eiser lid van is. Het voelde daarom vertrouwd om een interview af te geven aan de journalist. Het kan eiser vervolgens niet worden verweten dat hij niet meer kan verklaren over het al dan niet uitzenden van het interview. Eiser heeft immers vanuit Nederland geen toegang tot Congolese radiostations. Hij herinnerde zich tijdens het gehoor weliswaar niet welk radiostation hem heeft geïnterviewd, maar heeft dit in de correcties en aanvullingen rechtgezet. Als gevolg van dit interview is de journalist gearresteerd. De advocaat van de journalist heeft eiser verteld dat dit het gevolg was van het interview.7.1.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het interview dat hij zou hebben gegeven aan de journalist. Eiser stelt namelijk tijdens het nader gehoor op 18 oktober 2024 dat hij niet wist wie de journalist was, hoe de journalist aan zijn gegevens was gekomen en voor welk radiostation hij werkzaam was. In beroep stelt eiser dat hij de journalist kende van de discussiegroep waar hij lid van was en dat het voor hem daarom vertrouwd aanvoelde. Die niet aannemelijk gemaakte stelling komt echter geenszins overeen met wat eiser heeft verklaard tijdens het nader gehoor en kan daarom niet afdoen aan die verklaringen. Op basis van die verklaringen – eiser heeft namelijk geen stukken overgelegd die onderbouwen dat het interview heeft plaatsgevonden – heeft verweerder het ongeloofwaardig kunnen vinden\n\ndat eiser zou meewerken aan het interview met de journalist. Vooral nu eiser kennelijk wel voorzichtig is in zijn doen en laten, aangezien hij stelt dat hij kort na het interview zijn mobiele nummer heeft veranderd.\n\n7.2.. \n\nHet door eiser overgelegde arrestatiebevel betreft een kopie van een arrestatiebevel dat is uitgevaardigd jegens ‘journalist [persoon B] ’. Verweerder heeft terecht aan eiser tegengeworpen dat het vreemd is dat op het arrestatiebevel niet de volledige naam van de journalist staat vermeld. Eiser verwijst weliswaar naar voorbeelden van arrestaties, maar uit die voorbeelden blijkt niet dat de arrestatiebevelen in die gevallen ook onvolledige gegevens hebben bevat. Eiser heeft ter zitting nog verklaard dat er geen goede bevolkingsregistratie is en dat hij daarom mensen bij de naam noemt die zij zelf gebruiken. Verweerder heeft hierover echter kunnen opmerken dat de praktijk van het dagelijks leven van een andere orde is dan een arrestatiebevel. Het overgelegde krantenartikel kan eiser ook niet baten, nu verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat het artikel significant anders is opgemaakt dan de andere artikelen op de overgelegde krantenpagina en dat dit artikel via internet niet is terug te vinden, terwijl de andere artikelen wel zijn teruggevonden (in de krant La Prospérité), zodat getwijfeld wordt aan de authenticiteit van het artikel. Dat eiser dit artikel heeft ontvangen van een advocaat in Congo kan zo zijn, maar doet niet af aan de terechte conclusie van verweerder dat hier geen bewijswaarde aan kan worden toegekend. Bovendien is niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser is geïnterviewd door [persoon B] , dus zelfs als het arrestatiebevel echt zou zijn, is niet aannemelijk gemaakt dat eiser hierdoor zelf risico loopt om vervolgd te worden bij terugkeer. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n15c situatie in Zuid-Kivu\n\n8. Eiser wijst ten slotte op het gegeven dat verweerder volgens zijn thans geldende beleid1 aanneemt dat er in Oost-Congo (Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri) een situatie heerst zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, waarbij sprake is van de hoogste mate van willekeurig geweld. Nu eiser uit Zuid-Kivu afkomstig is, zou hij bij terugkeer een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM. Bovendien is er geen sprake van een binnenlands beschermingsalternatief in Kinshasa. Uit openbare bronnen blijkt immers dat in Kinshasa sprake is van discriminatie en mishandelingen van personen afkomstig uit Oost-Congo.\n\n9. Verweerder heeft zich – desgevraagd – op het standpunt gesteld dat eiser weliswaar afkomstig is uit een gebied waar sprake is van een 15c-situatie, maar dat er in zijn geval een binnenlands beschermingsalternatief is in Kinshasa. Eisers asielrelaas is immers ongeloofwaardig geacht en zijn vrees voor ernstige schade is daarom enkel te wijten aan de situatie in Zuid-Kivu. Eiser voldoet aan de voorwaarden opgenomen in paragraaf 11.5.2 van WBV 2024\u002F12. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich niet zou kunnen vestigen in Kinshasa. Hij heeft daar eerder gewoond.\n\n10. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niets heeft opgenomen over de situatie in Oost-Congo en dat niet is getoetst aan artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Dit terwijl verweerder reeds per 1 juli 2024 in zijn beleid heeft opgenomen dat in de provincie waar eiser uit afkomstig is de hoogste mate van willekeurig geweld heerst in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder geen aanvullend besluit heeft genomen. Al om deze redenen\n\n1. WBV 2024\u002F12, zie bijlage.\n\nkleeft aan het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met wat is aangevoerd in de brief van 10 maart 2025 en ter zitting niet alsnog voldoende onderzocht en gemotiveerd waarom aan eiser een binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\n10.1.. In paragraaf C2\u002F3.4 van de Vc is omschreven dat verweerder een ander gebied in het land van herkomst aanneemt als vlucht- of vestigingsalternatief als het – kort gezegd – gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw óf toegang heeft tot bescherming. Daarnaast moet de vreemdeling op veilige en wettige wijze kunnen reizen naar en toegang kunnen verkrijgen tot dat gebied van het land van herkomst en moet van de vreemdeling redelijkerwijs kunnen worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.2 Verweerder heeft ter zitting in essentie volstaan met het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij risico loopt op ernstige schade of vervolging in Kinshasa, maar verweerder heeft hiermee niet kenbaar aan de hand van zijn beleid beoordeeld of aan eiser een binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen. Bovendien miskent verweerder met dit standpunt dat de bewijslast voor het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief in eerste instantie niet bij de vreemdeling, maar bij de minister ligt.3 Verweerder heeft niet aan die bewijslast voldaan en heeft enkel gesteld dat eiser eerder (in 1996) in Kinshasa heeft verbleven en daar geen risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM, terwijl eiser op – of eigenlijk vóór – zijn beurt meerdere omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit volgens hem zou volgen dat Kinshasa niet kan worden tegengeworpen als beschermingsalternatief. Verder heeft verweerder wel gesteld dat eiser voldoet aan de specifieke voorwaarden voor het tegenwerpen van een beschermingsalternatief in Congo, genoemd in paragraaf 11.5.2 van WBV 2024\u002F12, maar heeft hij dit onvoldoende toegelicht, mede in het licht van wat eiser naar voren heeft gebracht.10.2.. \n\nGelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de voorwaarden die gelden voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief. Verweerder dient dit alsnog te doen. Bij de alsnog te verrichten beoordeling of een deel van het land van herkomst aan die voorwaarden voldoet, moet rekening worden gehouden met de algemene omstandighedenin dat deel, en depersoonlijke omstandighedenvan de vreemdeling. Hierbij dient verweerder in elk geval de door eiser in deze procedure aangevoerde omstandigheden te betrekken.\n\nRechtmatigheid terugkeerbesluit\n\n11. Eiser voert ten slotte nog aan dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit heeft volstaan met een verwijzing naar het terugkeerbesluit van 1 juni 2015. In dat terugkeerbesluit is namelijk geen land van terugkeer opgenomen. Verder heeft verweerder ten onrechte geen geactualiseerde beoordeling gemaakt van het risico op refoulement.\n\n11.1.. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1155) volgt dat de staatssecretaris het ten onrechte niet noemen van het land van terugkeer in een eerder besluit kan herstellen door alsnog een terugkeerbesluit te nemen waarin hij wel vermeldt\n\n2 Zie bijlage.\n\n3 Uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:42 r.o. 5.1.\n\nnaar welk land de vreemdeling moet terugkeren. Uit deze uitspraak volgt ook dat een aanvullend besluit achterwege kan blijven indien uit de motivering van het eerder genomen terugkeerbesluit ondubbelzinnig blijkt dat de staatssecretaris heeft vastgesteld uit welk land de vreemdeling afkomstig is, dat hij verwachtte dat de vreemdeling naar dat land zou terugkeren en dat er in de terugkeerprocedure op geen enkel moment onduidelijkheid bestond over het land waarheen hij zou moeten terugkeren.11.2.. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het terugkeerbesluit van 1 juni 2015 aan de voorwaarden zoals die uiteen zijn gezet door de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak. Zo maakt het terugkeerbesluit onderdeel uit van een meeromvattende (asiel)beschikking. Weliswaar komen Zambia en Zimbabwe (als landen waar eiser enige tijd heeft gewoond) ook een aantal keer voor in dat besluit, maar van enige verwarring over naar welk land eiser terug moest keren kon geen sprake zijn. In dat besluit is namelijk door verweerder uitgebreid beoordeeld of eiser risico loopt op vervolging door de autoriteiten van Congo bij terugkeer naar Congo (en niet naar Zambia of Zimbabwe). Verder staat in het besluit vermeld dat eiser de Congolese nationaliteit heeft. In het terugkeerproces bestond ook geen onduidelijkheid over het land van terugkeer, nu uit het een bericht van IOM blijkt dat op enig moment sprake was een mogelijke (vrijwillige) terugkeer naar Congo. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.11.3.. De rechtbank zal het oordeel over eisers pas ter zitting naar voren gebrachte beroepsgrond over het niet verrichten van een geactualiseerde beoordeling van het risico op refoulement aanhouden tot de einduitspraak. De vraag of eiser een reëel risico op refoulement loopt bij terugkeer naar Congo is namelijk verweven met wat hiervoor is overwogen over artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en een eventueel vestigingsalternatief. Het is aan verweerder om in het nog te nemen besluit een geactualiseerde beoordeling te verrichten van het risico op refoulement bij terugkeer naar Congo zoals volgt uit het arrest Ararat.4Tussenconclusie en geschilbeslechting\n\n12. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig genomen en niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is dus genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en moet worden vernietigd.\n\n12.1.. \n\nOp grond van artikel 8:41a van de Awb beslecht de rechtbank het haar voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan zij het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan\n\neen tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen en opnieuw – met inachtneming van het daarvoor geldende juridisch kader - te beoordelen of eiser een vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. Hierbij is van belang dat toepassing van de bestuurlijke lus eraan kan bijdragen dat deze procedure sneller wordt afgerond.\n\n4 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.\n\n12.2.. De termijn waarbinnen verweerder het gebrek dient te herstellen, is afhankelijk van het nader onderzoek dat hij wil verrichten. Het staat verweerder vrij om eiser aanvullend te horen over de feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling. Indien verweerder hiervoor kiest, krijgt verweerder na deze tussenuitspraak tien weken de tijd om een aanvullend besluit te nemen, waarbij eiser in de gelegenheid moet worden gesteld om correcties en aanvullingen op het rapport van het aanvullend gehoor in te dienen. Indien verweerder eiser niet aanvullend wil horen, wordt van verweerder verwacht dat hij binnen zes weken een nieuw besluit neemt. Daarna zal de rechtbank bepalen hoe de procedure wordt voortgezet en partijen daarover informeren.12.3.. De rechtbank verzoekt verweerder om binnen twee weken aan eiser en de rechtbank bekend te maken of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Als verweerder van deze gelegenheid geen gebruik maakt, doet de rechtbank in beginsel zonder nadere zitting einduitspraak.\n\n12.4.. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nstelt verweerder in de gelegenheid de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de termijnen uit overweging 12.2 van deze uitspraak;\n\nverzoekt verweerder, indien hij van deze gelegenheid geen gebruik maakt, dit binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak schriftelijk kenbaar te maken;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr.\n\nL.D. Osborne, griffier.\n\nBIJLAGE\n\nParagraaf C2\u002F3.4 van de Vreemdelingencirculaire:\n\nBinnenlands beschermingsalternatief\n\nBij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling bescherming in Nederland nodig heeft tegen dreigende vervolging of daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw, beoordeelt de IND of de vreemdeling in het land van herkomst een beschermingsalternatief heeft om zich in een ander gebied in het land van herkomst aan deze dreiging te onttrekken.\n\nDe term beschermingsalternatief is een verzamelterm voor het vlucht- of vestigingsalternatief. Bepalend voor het gebruik van deze termen is de dreiging waartegen deze alternatieven voor de vreemdeling bescherming bieden.\n\nDe IND gebruikt de term vluchtalternatief bij bescherming van de vreemdeling tegen dreigende vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.\n\nDe IND gebruikt de term vestigingsalternatief bij bescherming van de vreemdeling tegen daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw.\n\nDe IND neemt aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d VV voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:\n\na. het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of voor daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw óf toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel\n\n3.37c VV;\n\nde vreemdeling kan op veilige en wettige wijze reizen naar en toegang verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst; en\n\nvan de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.\n\nAd a.\n\nNaast het vereiste dat de dreiging in het andere gebied niet mag bestaan, is het ook van belang dat de vreemdeling in het andere gebied geen nieuwe dreiging zal ondervinden. Als het aannemelijk is dat de vreemdeling in het andere gebied ook heeft te vrezen voor vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dan beoordeelt de IND of de vreemdeling bescherming kan inroepen tegen de dreiging in dat gebied.\n\nAls de dreiging in een bepaald gebied een gevolg is van een situatie van willekeurig geweld vanwege een internationaal gewapend conflict als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011\u002F95\u002FEU en niet gerelateerd is aan individuele, persoonlijke vrees, kan de vreemdeling afkomstig uit dat gebied zich onttrekken aan deze dreiging door zich te vestigen in een\n\nplaats gelegen buiten het hier bedoelde gebied. De voorwaarden genoemd onder b en c voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief blijven onverminderd van toepassing.\n\nAd b.\n\nHet gebied moet vanuit Nederland daadwerkelijk bereikbaar zijn. Daarnaast moet het gebied op legale en veilige wijze kunnen worden bereikt.\n\nAd c.\n\nDe bescherming die de vreemdeling in het gebied krijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben gekregen.\n\nDe vreemdeling moet zich in het gebied kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie.\n\nDat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling is voor de IND onvoldoende reden om geen vlucht- of vestigingsalternatief tegen te werpen.\n\nDe IND beoordeelt aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen of een vlucht- of vestigingsalternatief in de individuele zaak van de vreemdeling aanwezig is.\n\nIn het landgebonden asielbeleid kan de staatssecretaris het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief op basis van de beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen met inachtneming van de genoemde voorwaarden van tevoren vaststellen dan wel uitsluiten voor:\n\n•vreemdelingen uit een gedeelte van dat land waarbij de dreiging in dat gebied een gevolg is van een situatie van willekeurig geweld vanwege een internationaal gewapend conflict als bedoeld in artikel 15c van Externe link:richtlijn 2011\u002F95\u002FEU; of\n\n•een bepaalde bevolkingsgroep.\n\nWBV 2024\u002F12\n\n11.4.2.. \n\nErnstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3°, Vw als bedoeld in paragraaf C2\u002F3.3.3 Vc\n\nIn Congo DRC is sprake van de hoogste mate van willekeurig geweld (meest uitzonderlijke situatie) in de provincies Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri.\n\n11.5.. Bescherming\n\n11.5.1.. \n\nBescherming door autoriteiten en\u002Fof internationale organisaties in de zin van paragraaf C2\u002F3.4 Vc\n\nDe IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:\n\n• LHBTIQ+; en\n\n• minderjarigen (jongens en meisjes) en vrouwen, die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging.\n\n11.5.2.. \n\nBinnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2\u002F3.4 Vc\n\nDe IND neemt voor Congo DRC geen binnenlands beschermingsalternatief aan, als de IND heeft geconcludeerd dat de vreemdeling op basis van de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel ernstige schade.\n\nDe IND neemt voor Congo DRC een binnenlands beschermingsalternatief in Kinshasa aan als de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoet:\n\n• de vreemdeling is afkomstig uit een gebied waarvan in paragraaf C7\u002F10.4.1 Vc is vermeld dat er sprake is van de meest uitzonderlijke situatie is; en\n\n• de vrees van de vreemdeling is niet gebaseerd op de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden, maar is alleen een gevolg van de meest uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2\u002F3.3.3 Vc.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22593","2026-07-13T00:28:25.690Z",{"id":207,"ecli":208,"slug":209,"caseNumber":43,"courtId":101,"decisionDate":210,"fullText":211,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":212,"sourceTimestamp":213,"parsedAt":51,"updatedAt":214},"1773","ECLI:NL:RBDHA:2025:4129","ecli-nl-rbdha-2025-4129","2025-03-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL23.9964\n uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 27 maart 2023 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft daarnaast een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Hij heeft beroepsgronden ingediend op 26 april 2023 en 26 februari 2024.\n\nVerweerder heeft op 17 april 2024 nadere stukken overgelegd en een begeleidende brief aan de rechtbank verstuurd.\n\nMet het besluit van 9 december 2024 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bestreden besluit 1 gewijzigd en aangevuld.\n\nEiser heeft op 13 december 2024 beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit 2.\n\nVerweerder heeft op 6 januari 2025 een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft op 10 januari 2025 nadere stukken overgelegd. Op 14 januari 2025 heeft hij aanvullende beroepsgronden ingediend.\n\nMet het besluit van 17 januari 2025 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het in het bestreden besluit 1 opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod opgeheven, het bestreden besluit 2 ingetrokken, en een besluit tot signalering voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd.\n\nVerweerder heeft twee verklaringen van derden overgelegd en krachtens artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) meegedeeld dat wegens gewichtige redenen alleen de rechtbank daarvan kennis mag nemen. Met de beslissing van 21 januari 2025 heeft de rechter-commissaris beslist dat gewichtige redenen deze beperking van de kennisneming rechtvaardigen.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (met zaaknummer NL23.9965) op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N. Alkhalidi als tolk en de gemachtigde van verweerder. Namens verweerder is ook [persoon A] verschenen, werkzaam op de zogenoemde 1F-unit van de IND.\n\nTotstandkoming van de besluiten\n\nDe asielaanvraag\n\n1. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Hij heeft op 19 oktober 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor de algemene (oorlogs)situatie in Jemen en voor gedwongen rekrutering door één van de gewapende groeperingen aldaar.\n\nHet bestreden besluit 12.1.. \n\nVerweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw. Volgens verweerder vormt eiser op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. Er bestaan namelijk ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser persoonlijk verantwoordelijk is voor het plegen van oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, en ernstige niet-politieke misdrijven zoals bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, en onder b, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag).\n\nEiser zou in de periode van 29 december 2017 tot 23 september 2021 aangesloten zijn geweest bij de 22nd Micca Brigade of een daaraan gelieerde militie in Jemen en in die hoedanigheid ernstige misdrijven hebben gepleegd, te weten moord\u002Fdoodslag.\n\nEiser komt gelet op het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.\n\nHet besluit geldt tevens als terugkeerbesluit. Omdat eiser bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, maakt verweerder geen gebruik van zijn bevoegdheid tot uitzetting. Verweerder heeft daarnaast een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd.\n\nHet bestreden besluit 22.2.. Met het bestreden besluit 2 heeft verweerder het bestreden besluit 1 gewijzigd, in die zin dat hij voor eiser bij terugkeer naar Jemen niet meer een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM aanneemt. Verweerder heeft daarnaast een besluit tot signalering voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd.\n\nHet bestreden besluit 32.3.. Met het bestreden besluit 3 heeft verweerder het in het bestreden besluit 1 opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod opgeheven, het bestreden besluit 2 ingetrokken, en eiser gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS) voor de duur van tien jaar. Ten aanzien van de signalering heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser een bedreiging voor de openbare orde vormt.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOver artikel 6:19 van de Awb2.4.. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het bestreden besluit 2 wijzigt en vervangt (gedeeltelijk) het bestreden besluit1 en is daarmee een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Dat geldt ook voor het bestreden besluit 3 waarmee het bestreden besluit 1 is gewijzigd en het bestreden besluit 2 is ingetrokken.\n\nOver artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb\n\n3. De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 21 januari 2025, de ochtend van de zitting, beslist dat beperking van de kennisneming van de stukken waarvoor het verzoek door verweerder is gedaan, gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft vervolgens ter zitting aan eiser de vraag voorgelegd of hij de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleent om mede op basis van deze stukken uitspraak te doen.\n\n3.1.. Daarop heeft eiser aangegeven dat hij de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 mei 2024 in de zaak NL23.9962 (ECLI:NL:RBDHA:2024:6862), heeft gelezen, en dat hij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat het om een soortgelijk geval gaat als in de onderhavige zaak. Ook in die andere zaak is op 29 november 2023 een beslissing genomen op grond van artikel 8:29 van de Awb, onder meer door één van de rechters die onderdeel uitmaakt van de meervoudige kamer in de onderhavige zaak. Ook in die andere zaak ging het om een verklaring van een derde. Eiser vermoedt dat het om exact dezelfde informatie gaat, die één van de rechters in de onderhavige zaak dan dus al zou hebben ingezien. Eiser vraagt zich af of een weigering van toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb wel feitelijke betekenis heeft als één van de rechters van de meervoudige kamer al kennis heeft genomen van de geheime stukken. Hij benadrukt daarbij dat het niet zijn bedoeling is om een wrakingsverzoek in te dienen, omdat hij niet twijfelt aan de integriteit van de betreffende rechter.\n\n3.2.. De rechtbank heeft de behandeling ter zitting vervolgens geschorst om zich te kunnen beraden. Na hervatting van de zitting heeft de rechtbank aan eiser meegedeeld dat zij van oordeel is dat de behandeling in de bestaande samenstelling doorgang kan vinden. Daarbij is van belang dat de meervoudige kamer van deze rechtbank de zogenoemde 8:29-stukken in de onderhavige zaak niet heeft ingezien, en dat de betreffende rechter dus ook niet kan weten of het inderdaad om dezelfde stukken gaat als in de zaak NL23.9962. Die betreffende rechter kan eventueel verkregen kennis uit de procedure NL23.9962 dus ook niet betrekken bij de beoordeling van de onderhavige zaak, waar hij de 8:29-stukken niet heeft ingezien. Het weigeren van toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb heeft om die reden voor eiser wel degelijk feitelijke betekenis. De mogelijke gevolgen van het weigeren van toestemming komen op grond van vaste rechtspraak in beginsel wel voor rekening van de weigerende partij.\n\n3.3.. Eiser heeft de rechtbank vervolgens géén toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend om mede op basis van de hiervoor genoemde stukken uitspraak te doen. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft de stukken daarom niet ingezien en kan en zal deze dus ook niet betrekken bij deze uitspraak.\n\nZorgvuldigheidsgebreken\n\n4. Eiser voert in beroep aan dat verweerder op meerdere punten onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\n4.1.. De rechtbank verwerpt het betoog van eiser dat bij het nader gehoor ten onrechte geen gebruik is gemaakt van een registertolk, terwijl niet is gebleken van de vereiste spoed. Verweerder heeft namelijk in het verweerschrift toegelicht dat er wél gebruik is gemaakt van een registertolk. In het verslag van het nader gehoor is per abuis opgenomen dat dit niet zo is. De tolk van het nader gehoor, mevrouw A. Gebregiorgis, is sinds 13 januari 2022 beëdigd als registertolk met niveau C1, Nederlands – Arabisch (Jemenitisch), met Wbtv-nummer 40141.\n\n4.2.. Eiser betoogt verder dat het proces-verbaal van gehoor van de AVIM van 19 oktober 2021 ten onrechte niet vóór het nemen van het bestreden besluit 1 naar hem is verzonden. Verweerder erkent dat dit niet is gebeurd. Hoewel verweerder dit wel had moeten doen, is de rechtbank van oordeel dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Het gaat immers om verklaringen die eiser zelf heeft afgelegd, zodat hij het proces-verbaal niet nodig heeft om te weten wat daarin staat. Bovendien heeft verweerder al tijdens het aanvullend gehoor 1F van 13 oktober 2022 verschillende verklaringen uit het AVIM-gehoor aan eiser voorgehouden en tegengeworpen, zodat eiser zich daartegen kon verweren. Verweerder heeft ook in het voornemen verklaringen uit het AVIM-gehoor aan eiser tegengeworpen, zodat eiser zich daar ook nog in de zienswijze tegen kon verweren.\n\n4.3.. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op voornoemde punten niet onzorgvuldig gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nBevoegdheidsgebrek\n\n5. Eiser heeft betoogd dat niet inzichtelijk is wie namens verweerder het bestreden besluit 2 heeft genomen en dat dus niet kan worden nagegaan of dat besluit bevoegdelijk is genomen. Omdat verweerder het bestreden besluit 2 heeft ingetrokken, komt de rechtbank er niet aan toe om deze beroepsgrond te behandelen.\n\nReformatio in peius\n\n6. Eiser betoogt dat verweerder het bestreden besluit 2 in strijd met het verbod van reformatio in peius heeft genomen, omdat eiser daarmee in een nadeliger positie verkeert dan voordat hij beroep indiende. Omdat het bestreden besluit 2 is ingetrokken, zal de rechtbank dit betoog beoordelen alsof het gericht is tegen het bestreden besluit 3.\n\n6.2.. Het verbod van reformatio in peius houdt in dat men niet slechter mag worden van het gebruikmaken van het recht van bezwaar en beroep. Er is echter geen strijd met dit verbod als het bestuursorgaan ook los van het aanhangig gemaakte bezwaar of beroep bevoegd is het bestreden besluit (ambtshalve) ten nadele van betrokkene te wijzigen en de indiener van het rechtsmiddel hierdoor niet in zijn verweermogelijkheden wordt geschaad. De rechtbank wijst ter vergelijking op de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 2 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:133, onder 7.2. Het bestreden besluit 1 is in dit geval niet ten nadele van eiser gewijzigd. Verweerder heeft in het bestreden besluit 1 namelijk al een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd en dit is vergelijkbaar met de signalering voor de duur van tien jaar die in het bestreden besluit 3 aan eiser is opgelegd. Bovendien heeft verweerder zich zowel bij het inreisverbod als de signalering op het standpunt gesteld dat eisers persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, als bedoeld in het arrest van het Hof van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377. Eiser kon in zijn beroep tegen het bestreden besluit 1 daartegen al beroepsgronden indienen en is ook daarom niet in zijn verweermogelijkheden geschaad.\n\n6.3.. Het bestreden besluit 3 is dus niet in strijd met het verbod op reformatio in peius genomen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nArtikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag: het juridisch kader\n\n7. Bij de bepaling of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, moet verweerder onderzoeken of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (knowing participation) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation). De bewijslast ligt bij verweerder. Wegens enerzijds de ernst van de misdrijven waarop artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag betrekking heeft en anderzijds het verstrekkende karakter van de vaststelling dat die bepaling op een vreemdeling van toepassing is, worden aan de bewijsvoering en de motivering van verweerder strenge eisen gesteld. De bewijslast die op verweerder rust gaat echter niet zo ver dat hij moet aantonen dat is uit te sluiten dat de vreemdeling dergelijke misdrijven niet heeft gepleegd. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 1 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3684, r.o. 2.1.\n\nMisdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag\n\n8. Eiser betoogt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom sprake is van misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.\n\nHet standpunt van verweerder8.1.. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar openbare landeninformatie, websites en (internet)artikelen op het standpunt gesteld dat de Al Islah-partij, de Jemenitische tak van de Moslimbroederschap, zich in de regio Taiz in Jemen van maart 2015 tot aan het vertrek van eiser uit Jemen in augustus\u002Fseptember 2021 schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven, waaronder moord\u002Fdoodslag, gedwongen verdwijning van personen, marteling\u002Ffoltering en\u002Fof (zware) mishandeling en plundering jegens burgers. Dat geldt volgens verweerder ook voor de milities die onder de Al Islah-partij vallen of daaruit zijn voortgevloeid, waaronder de Populair Resistance\u002FPopular Mobilization Forces van Hammoud Al-Mikhlafi, de 22nd Micca Brigade van brigade-generaal Sadiq Sarhan, en de milities van Bakr Sarhan en Ghazwan al-Mikhalfi. Eiser zou bij de 22nd Micca Brigade (of een daaraan gelieerde militie) aangesloten zijn geweest. De gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht, namelijk moord\u002Fdoodslag, kwalificeren volgens verweerder in dit geval als oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag. Volgens verweerder moeten deze misdrijven in dit geval ook als ernstige niet-politieke misdrijven worden gezien als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag.\n\nArtikel 1(F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag8.2.. Niet in geschil is dat in Jemen sinds 2014 sprake is van een intern gewapend conflict tussen de Jemenitische regering (en daaraan gelieerde partijen) en de Houthi-rebellen. Uit het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof en de Geneefse Conventies (met name het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd) volgt dat onder meer sprake is van een oorlogsmisdrijf als burgers opzettelijk worden gedood. Niet in geschil is dat de onder 8.1 genoemde partijen, waaronder de 22nd Micca Brigade waarmee eiser in verband wordt gebracht, zich schuldig maken aan onder meer het opzettelijk doden van burgers. Alleen al daarom heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er sprake is van misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag.\n\nArtikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag8.3.. Verweerder heeft zich bovendien terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat sprake is van misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Moord\u002Fdoodslag kwalificeren altijd als ernstig niet-politiek misdrijf. De rechtbank wijst hierbij op de UNHCR Guidelines on International Protection: Application of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees (HCR\u002FGIP\u002F03\u002F05) van 4 september 2003, punt 14. Anders dan eiser stelt, vergt het kwalificeren als zogenoemd 1F-misdrijf geen individuele beoordeling en een toespitsing op specifieke misdrijven. Dat moet verweerder doen in het kader van de vraag of er sprake is van knowing en personal participation.\n\nTussenconclusie8.4.. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de misdrijven waarmee eiser in verband wordt gebracht onder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag vallen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n‘Knowing participation’\n\n9. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ‘knowing participation’.\n\nStandpunt van verweerder9.1.. Verweerder heeft onder meer ‘knowing participation’ aangenomen, omdat eiser aangesloten zou zijn geweest bij de 22nd Micca Brigade (of een daaraan gelieerde militie), en die militie zich op systematische wijze en\u002Fof op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die genoemd zijn in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.\n\nMaakt de militie zich op systematische en op grote schaal schuldig aan 1F-misdrijven?9.2.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat de 22nd Micca Brigade en daaraan gelieerde milities zich op systematische wijze en\u002Fof op grote schaal schuldig hebben gemaakt aan 1(F)-misdrijven. Daartoe heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit de algemene landeninformatie over Jemen naar voren komt dat alle partijen in het gewapende conflict zich schuldig maken aan dergelijke misdrijven. Uit die informatie volgt ook specifieke informatie over de aan de regering gelieerde partijen, zoals de 22nd Micca Brigade en de milities zoals die van Al-Mikhlafi. De stad Taiz, waar eiser woonde, was één van de zwaarst belegerde steden en vormde de langstlopende frontlinie in het conflict in Jemen. De Al Islah-partij, waar de 22nd Micca Brigade uit is voortgevloeid, was dominant aanwezig in Taiz. Deze en andere partijen maakten zich schuldig aan 1F-misdrijven. Kopstukken van de Al Islah-partij in Taiz worden in verband gebracht met verkrachtingen, onder meer van kinderen. De leider van de 22nd Micca Brigade, brigade-generaal Sadiq Sarhan, wordt in verband gebracht met misdrijven als gedwongen verdwijningen. De milities die onder hem vallen houden zich bezig met onder meer moord. Ghazwan al-Mikhlafi, het neefje van brigade-generaal Sadiq Sarhan, staat aan het hoofd van een eigen militie en wordt in verband gebracht met meerdere moorden. Gelet op het voorgaande, en gelet op de overige landeninformatie, heeft verweerder terecht aangenomen dat voornoemde misdrijven door alle partijen in het gewapende conflict in Jemen, en specifiek ook door de 22nd Micca Brigade of daaraan gelieerde milities, op grote schaal worden gepleegd.\n\nHad eiser daar weet van of behoren te hebben?9.3.. De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijven. Gelet op de algemeen bekende informatie daarover mocht verweerder aannemen dat dit ook bij eiser bekend is geraakt. Bovendien heeft eiser bijna zijn hele leven in de wijk al-Rawda in Taiz gewoond, die volgens zijn eigen verklaringen de front- dan wel vuurlinie vormde tussen de Houthi’s en de Resistance. Ook heeft eiser verklaard dat hij meerdere kopstukken van de gewapende groepen persoonlijk kent, waaronder Ghazwan al-Mikhlafi, Bakr Sarhan, en de brigade-generaal Sadiq Sarhan van de 22nd Micca Brigade. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij die personen niet persoonlijk kent. Hij heeft echter ook ter zitting verklaard dat hij in Egypte met Sadiq Sarhan heeft geluncht en dat [persoon B] , een neef van Sadiq, in Nederland verblijft en een vriend van eiser is. In het aanvullend gehoor, p. 10, heeft eiser verder verklaard dat hij de kinderen van Sadiq Sarhan in Nederland heeft ontmoet. Ook dit heeft eiser ter zitting ontkend. Volgens hem is deze verklaring door een vertalingsfout in het verslag van het aanvullende gehoor terecht gekomen. Niet valt echter in te zien dat door een vertalingsfout een geheel tegenovergesteld antwoord in het verslag van het gehoor terecht komt, nog los van het feit dat eiser dit niet bij de correcties en aanvullingen heeft opgemerkt. Gelet op het voorgaande had eiser in ieder geval weet behoren te hebben van de grote schaal waarop alle strijdende partijen, waaronder de Al Islah-partij en de milities van de hiervoor genoemde personen, zoals de 22nd Micca Brigade, zich op grote schaal schuldig maken aan het plegen van 1(F)-misdrijven.\n\n9.4.. Verweerder heeft verder terecht aangenomen dat eiser sympathie heeft voor de 22nd Micca Brigade (of een daaraan gelieerde militie). Verweerder heeft er in het bestreden besluit 1 op gewezen dat uit de stukken die met een beroep op artikel 8:29 van de Awb zijn overgelegd volgt dat een derde heeft verklaard dat eiser Ghazwan al-Mikhlafi en Bakr Sarhan persoonlijk kent. De rechtbank moet ervan uitgaan dat die derde dat inderdaad heeft verklaard, omdat zij geen toestemming heeft gekregen om die verklaring van de derde in te zien. Verder volgt uit hetgeen hiervoor in 9.3 is overwogen dat eiser persoonlijk contact heeft (gehad) met kopstukken van de Al Islah-partij of aan daaronder vallende of daaruit voortgevloeide milities. Verder is van belang dat verweerder een Facebookaccount van eiser heeft aangetroffen, waarvan eiser het bestaan heeft verzwegen. Bij het gehoor met de AVIM op 19 oktober 2021 heeft eiser op de vraag of hij sociale media gebruikt, geantwoord dat hij Facebook onder de naam [schuilnaam] gebruikt en dat hij verder geen sociale media heeft. Vervolgens heeft verweerder onderzoek verricht, waarop nog een ander Facebook-account van eiser is gevonden. Eiser heeft pas ter zitting verklaard dat hij hier niet over heeft verklaard omdat hij dit account niet meer gebruikte. Tegelijkertijd heeft hij echter ter zitting verklaard dat hij genoodzaakt was om niet te veel te vertellen. Daarmee erkent eiser ook dat hij bewust informatie heeft achtergehouden, zodat de rechtbank hem al daarom niet in zijn verklaring volgt. Op het aangetroffen Facebookaccount zijn posts gevonden waarop eiser de Al Islah-partij en brigade-generaal Sadiq Sarhan prijst. Dit terwijl eiser heeft verklaard dat hij de Al Islah-partij haat en dat hij geen sympathie heeft voor de strijdende partijen in Taiz (nader gehoor, p. 10 en aanvullend gehoor 1F, p. 10). Op het Facebookaccount staan ook foto’s en video’s van eiser met wapens en beelden waarin hij met deze wapens schiet. Dit terwijl eiser meermaals heeft verklaard dat hij nooit een wapen heeft gedragen en dat hij niet van wapens en vechten houdt (aanmeldgehoor, p. 10 en 12 en nader gehoor, p. 10). Toen eiser met het beeldmateriaal werd geconfronteerd, heeft hij verklaard dat het dragen van wapens in Jemen een traditie is en dat hij er daarom niet over heeft verklaard. Los van de vraag of dit in Jemen inderdaad gebruikelijk is, zijn deze verklaringen tegenstrijdig met de eerdere verklaringen dat hij nooit een wapen heeft gedragen en dat hij niet van wapens houdt. Eiser heeft ook wisselend verklaard over hoe hij aan de wapens is gekomen. Op het ontdekte Facebookaccount hebben daarnaast verschillende mensen berichten op de tijdlijn van eiser geplaatst, waaruit sympathieën naar voren komen voor de Al Islah-partij en brigade-generaal Sadiq Sarhan. Dat eiser die berichten niet zelf heeft geplaatst, laat onverlet dat dit wel bijdraagt aan het ontstane beeld dat eiser sympathie voor de militieleden heeft. De berichten bevatten immers allemaal steunbetuigingen aan mensen van wie eiser wist of behoorde te weten dat zij op grote schaal 1F-misdrijven plegen en eiser heeft die berichten niet verwijderd, terwijl dit wel voor de hand ligt als eiser het niet eens zou zijn met die berichten.\n\nWat is verder nog van belang?9.5.. Hoewel uit het voorgaande nog niet blijkt dat eiser ook persoonlijk heeft bijgedragen aan het plegen van 1F-misdrijven, heeft verweerder uit het voorgaande wel kunnen afleiden dat eiser sympathie heeft voor de Al Islah-partij en daaronder vallende of daaraan gelieerde milities. Maar ook als eiser die sympathie niet zou hebben, maakt reeds het contact met de genoemde militieleden en het feit dat eiser zijn hele leven aan de frontlinie woonde, het zeer onwaarschijnlijk dat eiser geen weet heeft gehad van de ernstige misdrijven die door hen werden gepleegd. Verweerder heeft verder kunnen meewegen dat eisers verklaringen ongeloofwaardig zijn, nu hij dus tegenstrijdig en ontwijkend heeft verklaard en daarmee cruciale informatie heeft achtergehouden. Daarbij acht de rechtbank van belang om te benadrukken dat eiser ook op vele andere punten ontwijkend of tegenstrijdig heeft verklaard, dan wel heeft geprobeerd verwarring te zaaien. Zo doet eiser alsof hij de vragen niet begrijpt (aanvullend gehoor 1F, p. 17), en heeft hij in het nader gehoor eerst verklaard dat hij jarenlang thuis heeft gezeten, niks heeft gedaan, en nooit is benaderd om mee te vechten met milities, maar vervolgens ook dat hij meer dan tien keer zou zijn benaderd door jongeren met wapens (nader gehoor, p. 7, 9 en 12). Eiser zou de namen niet kennen van de jongeren met wapens die hem vroegen deel te nemen aan het gevecht, maar hij kent wel alle belangrijke namen van de vechtende partijen. Ook ter zitting heeft eiser weer geheel andere verklaringen afgelegd, namelijk dat hij van kennissen het advies heeft gekregen om te verklaren dat hij nooit een wapen heeft gedragen,\n\nTussenconclusie9.6.. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat sprake is van ‘knowing participation’, nu eiser wist of behoorde te weten dat de 22nd Micca Brigade en daaraan gelieerde milities zich schuldig maakten aan misdrijven die vallen onder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n‘Personal participation’\n\n10. Eiser voert vervolgens aan dat verweerder zich ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ‘personal participation’.\n\nStandpunt van verweerder10.1.. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zelf 1(F)-misdrijven heeft gepleegd. Volgens verweerder volgt dit uit een cumulatie van bevindingen. Verweerder heeft daarbij gewezen op verschillende arrestatiebevelen, artikelen en berichten op internet en sociale media waarin eiser wordt beschuldigd van het plegen van meerdere moorden. Daarnaast heeft verweerder gewezen op verklaringen van derden. Volgens verweerder hebben die derden verklaard dat eiser verantwoordelijk is voor de moord op zakenman Al Zawqari . Verweerder betrekt ook bij zijn standpunt dat eiser geen openheid van zaken heeft gegeven, en dat eiser ongeloofwaardige en bagatelliserende verklaringen over zijn aandeel in de misdrijven heeft afgelegd. Na de bestreden besluiten is uit berichten gebleken dat eiser is veroordeeld voor de moord op Al Zawqari .\n\nBeschuldiging van de moord op zakenman Al Zawqari10.2.. Uit het arrestatiebevel van 8 december 2020, gepubliceerd op de website Almarahpost, volgt dat eiser door de politie in Taiz wordt gezocht voor de moord op zakenman Mohammad Al Zawqari . Achter eisers naam staat ‘Brigade 22’ vermeld. Bij dit arrestatiebevel staat een nieuwsartikel waarin staat dat eiser op een zwarte lijst staat. Eisers naam komt ook voor op foto’s\u002Fkopieën van twee andere arrestatiebevelen. Op de websiteYemenwindowwordt een arrestatiebevel van Taiz Axis van 3 november 2020 getoond waar eiser ook wordt aangewezen als dader van de moord op Al Zawqari . Daarnaast is er een arrestatiebevel gevonden van het Openbaar Ministerie van West Taiz, afgegeven op 8 september 2020, waarop eisers naam ook staat vermeld als moordenaar van Al Zawqari . Eiser wordt dus in meerdere bronnen gekoppeld aan de 22nd Micca Brigade en wordt daarin van dezelfde moord beschuldigd. Ook op Twitter wordt eiser hiervan beschuldigd. Anders dan eiser stelt, is het niet onzorgvuldig dat verweerder de arrestatiebevelen niet beëdigd heeft vertaald. Uit de vertalingen via Google Translate blijkt voornoemde informatie immers voldoende duidelijk. Er zijn geen aanknopingspunten dat de vertaling onjuist is. Dat er drie verschillende arrestatiebevelen zijn van verschillende instanties is in Nederland ongebruikelijk, maar verweerder hoefde dat in dit geval gelet op de gefragmenteerde situatie van de autoriteiten en macht in de regio Taiz in Jemen niet vreemd te vinden. De arrestatiebevelen zijn ook opgesteld in een periode dat de minister-president Maeen Abdulmalik erop aandrong om alle criminelen in Taiz op te sporen, wat de geloofwaardigheid van de overgelegde arrestatiebevelen ten goede komt. Dat niet duidelijk is of de arrestatiebevelen van objectieve en verifieerbare bronnen afkomstig zijn, laat onverlet dat eiser in meerdere bronnen van dezelfde moord is beschuldigd en dat dit bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de beschuldiging.\n\nVeroordeling voor de moord op zakenman Al Zawqari10.3.. Na de bestreden besluiten heeft eiser in zijn reactie van 14 januari 2025 zelf op artikelen gewezen waaruit volgt dat eiser inmiddels is veroordeeld voor de moord op de zakenman Al Zawqari en dat eiser daarvoor de doodstraf heeft gekregen. Ter zitting is gebleken dat niet langer in geschil is dat eiser is veroordeeld voor de moord. Eiser stelt echter dat hij daarvoor ten onrechte is veroordeeld en dat verweerder gelet op de gefragmenteerde situatie in Jemen nader onderzoek had moeten doen naar de juistheid van de veroordeling. De rechtbank volgt deze stelling niet. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de veroordeling niet op zichzelf staat, maar een bevestiging vormt van de onder 10.2 genoemde arrestatiebevelen en nieuwsberichten. Juist het totaalbeeld van alle stukken, in combinatie met de derdenverklaringen (waarbij de rechtbank van de juistheid van het standpunt daarover moet uitgaan) en het feit dat eiser geen openheid van zaken heeft gegeven en ongeloofwaardige en bagatelliserende verklaringen heeft afgelegd, maakt dat verweerder zich op het standpunt kon stellen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser verantwoordelijk is voor de moord op zakenman Al Zawqari .\n\nOverige beschuldigingen10.4.. Naast alle informatie waaruit volgt dat eiser verantwoordelijk is voor de moord op de zakenman Al Zawqari heeft verweerder op vele bronnen gewezen waarin eiser wordt beschuldigd van andere moorden en andere misdrijven. Daarbij komt het Facebookaccount van eiser, waarop verschillende foto’s en video’s te vinden zijn waarop eiser wapens draagt en daar ook mee schiet. Eisers verklaring dat hij niet heeft deelgenomen aan de strijd in Jemen is te minder geloofwaardig nu dat beeldmateriaal is opgenomen aan de frontlinie, in een land dat door oorlog verscheurd was en is. Daarnaast is ook hier weer van belang dat eiser informatie heeft achtergehouden, verwarring heeft gezaaid in de gehoren, en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd.\n\nWeerlegging door eiser10.5.. Eiser heeft meerdere documenten overgelegd en verklaringen afgelegd om de beschuldigingen van het plegen van 1(F)-misdrijven te weerleggen.\n\n10.5.1.. Zo heeft eiser zelf een uitgebreide verklaring geschreven en die bij de zienswijze gevoegd, waarin hij zijn onschuld bepleit. Verweerder wijst er terecht op dat deze verklaring geen ander licht werpt op de zaak, gelet op wat hiervoor is overwogen. Eiser heeft er bovendien belang bij om het plegen van 1(F)-misdrijven te ontkennen, zodat de rechtbank ook daarom geen waarde aan de verklaring hecht.\n\n10.5.2.. Eiser heeft daarnaast een ‘criminal status sheet’ en een ‘police clearance certificate’ van 20 februari 2023 overgelegd, waaruit volgt dat eiser niet voor misdrijven is veroordeeld of daarvoor strafrechtelijk wordt vervolgd. Op 10 januari 2025 heeft eiser opnieuw een ‘police clearance certificate’ van 3 februari 2024 met verklaring van echtheid van de ambassade van Jemen van 23 april 2024 overgelegd. Daarnaast heeft eiser toen een verklaring van goed gedrag van 14 juni 2023 met verklaring van echtheid van de ambassade van Jemen van 12 december 2023 overgelegd. Wat hier ook van zij, inmiddels is niet meer in geschil dat eiser wél strafrechtelijk is veroordeeld voor een misdrijf in Jemen. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat er algehele wetteloosheid is in Jemen en fragmentatie van de autoriteiten en overheidsstructuren, zodat voornoemde documenten daarom niet opwegen tegen wat hiervoor onder 10.2 t\u002Fm 10.4 is overwogen.\n\n10.5.3.. Eiser betoogt daarnaast dat hij vals wordt beschuldigd van het plegen van 1(F)misdrijven. De rechtbank stelt voorop dat sommige partijen er belang bij kunnen hebben om eiser vals te beschuldigen. Eiser behoort immers tot de stam van Sadiq Sarhan, een machtige stam die onderdeel uitmaakt van het gewapende conflict in Jemen. In dit geval maken echter de cumulatie aan stukken, de derdenverklaringen en de verklaringen van eiser het onwaarschijnlijk dat het om valse beschuldigingen jegens eiser gaat. Eiser kon ook ter zitting niet goed verklaren waarom juist hij vals zou zijn beschuldigd. Op de vraag of eiser dan als willekeurig slachtoffer of als politieke tegenstander werd gezien, moest hij het antwoord schuldig blijven.\n\nTussenconclusie10.6.. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er sprake is van ‘personal participation’. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie over 1(F)\n\n11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die hem kunnen vrijwaren van die verantwoordelijkheid. Verweerder heeft artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag dan ook terecht aan eiser tegengeworpen, wat betekent dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.\n\nBesluit tot signalering\n\n12. Eiser voerde tegen het bestreden besluit aan dat het (inmiddels opgeheven) inreisverbod onrechtmatig is, omdat het persoonlijk gedrag geen actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 2 mei 2018, K. en H.F, ECLI:EU:C:2018:296. Voor zover eiser dit betoog handhaaft in het kader van het besluit tot signalering, geldt dat verweerder zich\n\nuitgebreid gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld waarom er volgens hem wél sprake is van een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde als bedoeld in voornoemd arrest. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder een individuele beoordeling verricht waarbij alle in het arrest van het Hof genoemde omstandigheden zijn betrokken. Eiser heeft niet geconcretiseerd wat er aan die individuele beoordeling mankeert. Gelet daarop slaagt het betoog van eiser niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Uit het voorgaande volgt dat eiser inhoudelijk geen gelijk krijgt.\n\n14.1.. Het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dit door het bestreden besluit 3 is gewijzigd, is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang (het besluit is op dat punt immers gewijzigd). Verweerder wordt op dit punt wel veroordeeld in de proceskosten van eiser, omdat het terugkeerbesluit en het inreisverbod uit het bestreden besluit 1 niet rechtmatig waren. Volgens het arrest van het Hof van Justitie van 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen AA, ECLI:EU:C:2023:540, mag er immers geen terugkeerbesluit worden opgelegd bij een risico op refoulement. Eiser heeft er in het aanvullend beroepschrift van 26 februari 2024 ook op gewezen dat het bestreden besluit 1 om die reden onrechtmatig was.\n\n14.2.. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is ook niet-ontvankelijk. Met de intrekking van dat besluit en het nemen van het bestreden besluit 3 stelt verweerder zich immers op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Jemen wél een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Daarmee komt verweerder in zoverre tegemoet aan het beroep van eiser en de door eiser overgelegde stukken waaruit dit artikel 3 EVRM-risico blijkt. Eiser heeft dus geen belang meer bij zijn beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit 2. Omdat sprake is van tegemoetkoming, wordt verweerder ook op dit punt veroordeeld in de proceskosten.\n\n14.3.. Het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dit door het bestreden besluit 3 niet is gewijzigd, is ongegrond. Het beroep tegen het bestreden besluit 3 is ook ongegrond.\n\n15. De rechtbank ziet in wat hiervoor onder 14 is overwogen wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.360,50 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het bestreden besluit 1 en 0,5 punt voor het indienen van het aanvullend beroepschrift tegen het bestreden besluit 2 (analoog aan punt 12 van Bijlage A1 bij het Besluit proceskosten bestuursrecht), met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1. De rechtbank kent geen proceskosten toe voor de zitting, omdat het bestreden besluit 1 daarvóór al was gewijzigd en het bestreden besluit 2 al was ingetrokken.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dit door het bestreden besluit 3 is gewijzigd, en tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk;\n\n- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dit niet door het bestreden besluit 3 is gewijzigd, en tegen het bestreden besluit 3 ongegrond.\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.360,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, voorzitter, en mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar en mr. A. Pahladsingh, leden, in aanwezigheid van mr. R. Groeneveld, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:4129","2025-03-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.126Z",19,20,[218,11,219],2026,2024]