[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-contract-law-nl-2025":3},{"detail":4,"years":133},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":31,"page":14,"limit":132},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,3,{"month":17,"count":14},2,{"month":15,"count":19},0,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":19},5,{"month":25,"count":19},6,{"month":27,"count":19},7,{"month":29,"count":19},8,{"month":31,"count":14},9,{"month":33,"count":19},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":17},12,[39,53,62,72,82,92,102,112,122],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"714","ECLI:NL:GHARL:2025:8616","ecli-nl-gharl-2025-8616","",70,"2025-12-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.345.483\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Noord-Nederland 226421\n\narrest van 23 december 2025\n\nin de zaak van\n\n [appellante] ( [appellante] )\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. H. Veldman\n\nen\n\n [geïntimeerde] ( [geïntimeerde]\n\ndie gevestigd is in [vestigingsplaats1]\n\nadvocaat: mr. E.J. Loos\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, (hierna: de rechtbank) op 19 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven tevens houdende akte vermeerdering van eis\n\nde memorie van antwoord\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 30 juli 2025 is gehouden\n\nNa een aanhouding van de zaak voor minnelijk overleg hebben partijen laten weten dat een regeling niet is bereikt en hebben zij verzocht om arrest. Daarop heeft het hof de zaak bepaald voor arrest.\n\n2. De kern van de zaak\n\nHet gaat in deze zaak om de vraag of er tussen [geïntimeerde] en de heer [naam1] , de inmiddels overleden echtgenoot van [appellante] , een overeenkomst van geldlening is gesloten, waarbij [geïntimeerde] aan [naam1] een bedrag van ruim € 150.000 heeft uitgeleend, of dat sprake was van een risicodragende investering van [geïntimeerde] in een gezamenlijk project van [geïntimeerde] , de DGA van [geïntimeerde] , en [naam1] . Als sprake was van een overeenkomst van geldlening speelt verder nog de vraag of die lening inmiddels ook opeisbaar is geworden.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten\n\n3.1. \n [appellante] was de echtgenote van de inmiddels overleden heer [naam1] (hierna: [naam1] ). [geïntimeerde] en [naam1] waren bevriend.\n\n3.2. \n\nIn 1996 heeft [naam1] samen met zijn ex-echtgenote een boerderij gekocht in Sorbey\n\n(Frankrijk). In 2004 heeft hij de naastgelegen grond erbij gekocht om daar nog twee\n\nwoonhuizen te realiseren voor de verkoop (hierna: het project).\n\n3.3. \n [naam1] is in 2006 gescheiden van zijn ex-echtgenote. [naam1] is daarna getrouwd met [appellante] .\n\n3.4. \n\nOmdat [naam1] onvoldoende financiële middelen had om het project te financieren\n\nheeft [geïntimeerde] in de periode van 28 april 2005 tot en met 8 november 2010 meerdere keren\n\ngeld overgemaakt naar [naam1] ten behoeve van het project in Sorbey. In totaal gaat het om\n\neen bedrag van € 153.365,92.\n\n3.5. \n\nOp 19 juli 2011 hebben [geïntimeerde] en [naam1] de volgende overeenkomst opgesteld\n\nen ondertekend:\n\n‘ [geïntimeerde] heeft aan ( [naam1] een bedrag van € 153365,92 (zegge\n\nhonderddrieenvijftigduizenddriehonderdvijfenzestig Euro en 92 cent) geleend tegen een\n\nrente percentage van 4 % per annum.\n\nHet totale leenbedrag beslaat uit de volgende deelbedragen:\n\n(…)\n\n [naam1] verplicht zich bij deze tot volledige terugbetaling van het geleende bedrag, inclusief de uit hoofde van deze lening verschuldigde rente. De totale aflossing zal niet later plaatshebben dan op de datum van verkoop van voornoemd project.\n\n [naam1] heeft het recht om op ieder moment, het nog verschuldigde deel van de originele\n\nleenbedrag te voldoen. Zulks zonder bijbetaling van verdere kosten.\n\n [geïntimeerde] heeft het recht het nog resterende bedrag van de lening en\n\nverschuldigde rente direct op te eisen.’\n\n3.6. De overeenkomst was opgesteld door [geïntimeerde] . In een begeleidende mail van eveneens 19 juli 2011 heeft [geïntimeerde] het volgende aan [naam1] bericht: “even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”.3.7. \n [naam1] is in juni 2018 overleden. Het project was toen nog niet af. [appellante] is zijn enig erfgename en zij heeft de erfenis zuiver aanvaard.\n\n3.8. \n\nOp 27 september 2018 heeft [geïntimeerde] een brief naar [appellante] gestuurd. In die brief heeft [geïntimeerde] een aantal afspraken vastgelegd die hij met [appellante] zou hebben gemaakt over de geldlening en het project. Die afspraken behelzen dat [geïntimeerde] [appellante] zal assisteren bij de verkoop van het project, “zodat [geïntimeerde] bij een succesvolle transactie uit de gerealiseerde verkoopsom kan worden voldaan”. In de afspraken is in dat verband vastgelegd dat [appellante] aan [geïntimeerde] een onherroepelijke en onvoorwaardelijke volmacht verleent ten behoeve van een verkoop van het project aan een derde. Verder is onder meer vastgelegd:\n\n“5. In geval van een verkooptransactie, zal de Geldlening onmiddellijk geheel of gedeeltelijk worden afgelost uit de opbrengst van de verkoop van het Project. De overeenkomst van geldlening d.d. 19 juli 2011 blijft onverminderd van kracht.\n\n6. Indien en voor zover de opbrengst van het Project hoger is dan het bedrag dat u uit hoofde van de Geldlening aan ons verschuldigd bent, is [geïntimeerde] , bovenop\n\nde uit hoofde van de Geldlening verschuldigde bedragen gerechtigd tot 50% van het surplus.”\n\n De brief is door [appellante] voor akkoord ondertekend.\n\n3.9. \n\nNa de verkoop van de voormalige echtelijke woning heeft [appellante] op 1 juni 2025 aan [geïntimeerde] een bedrag van € 25.000,- voldaan als aflossing op de lening. Na die betaling heeft [geïntimeerde] op dezelfde dag aan [appellante] geschreven dat het openstaande bedrag van de lening inclusief rente € 200.899,20 bedraagt. Verder schrijft hij in die brief onder meer:\n\n“Na onderling overleg besluiten we afspraak 7 van de onderhavige leenovereenkomst. als volgt te wijzigen\n\nIndien en voor zover de opbrengst van de verkoop van het Project lager is dan het bedrag dat u aan ons verschuldigd bent uit hoofde van de Geldlening maar wij schriftelijk akkoord zijn gegaan met de verkoopsom, zal de gehele opbrengst van\n\nde verkoop aan ons toekomen en zal het restant van het nog te vorderen bedrag van de Geldlening (met de daarover verschuldigde rente) worden gekwijt.”\n\nOok die brief is door [appellante] voor akkoord ondertekend.\n\n3.10. Op 6 september 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] een Whatsapp bericht gestuurd dat hij een geïnteresseerde partij heeft gevonden die het project wil afmaken en die de lening wil overnemen voor maximaal € 100.000. Op 13 september 2022 heeft hij hierover telefonisch contact met [appellante] . In dat gesprek verlangt [geïntimeerde] van [appellante] nog een aanvullende betaling van € 25.000. [appellante] weigert in dat gesprek die betaling te doen. Zij bevestigt die weigering in een e-mail van 5 oktober 2022. Volgens haar is een aanvullende betaling in strijd met de gemaakte afspraken\n\n3.11. \n\n [geïntimeerde] is bij brief van 27 oktober 2022 overgegaan tot opeising van de geldlening en heeft [appellante] gesommeerd om over te gaan tot betaling van het openstaande bedrag van de geldlening vermeerderd met rente ad € 211.985,62.\n\nIn deze sommatie schrijft [geïntimeerde] onder meer:\n\n‘Gezien de plotselinge wijziging in uw houding jegens ons, na ons laatste gesprek van 13 september 2022 jl., is bij ons het gerechtvaardigd vermoeden gerezen dat, ondanks piëteit en geduld van onze zijde, geen sprake meer zal zijn van een minnelijke afwikkeling en volledige aflossing van de Geldlening. Om die reden zijn wij genoodzaakt het openstaande bedrag van de Geldlening, in overeenstemming met de overeenkomst van 19 juli 2011, per direct geheel op te eisen.’\n\n3.12. Bij brief van 3 november 2022 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] bericht dat zij pas tot betaling over zal gaan als het project verkocht is.\n\n3.13. Op 28 november 2022 heeft de (toenmalige) advocaat van [geïntimeerde] [appellante] nogmaals gesommeerd om tot betaling over te gaan.\n\n3.14. \n\nBij brief van 9 december 2022 heeft [appellante] op de sommatie gereageerd en laten weten niet tot betaling over te gaan. Ook heeft zij in deze brief de nietigheid van de\n\novereenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 ingeroepen vanwege een wilsgebrek dan wel misbruik van omstandigheden.\n\n3.15. \n [appellante] is niet tot betaling overgegaan, ook niet nadat de advocaat van [geïntimeerde] haar op 16 maart 2023 nogmaals gesommeerd heeft tot betaling van € 218.978,32.\n\n4. 4. De vorderingen bij – en de beslissing van de rechtbank\n\n4.1. \n\n [geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd dat wordt verklaard voor recht dat de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is en dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van € 218.978,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 200.894,64 vanaf de dag van dagvaarding.\n\n [appellante] heeft in reconventie gevorderd dat wordt verklaard voor recht dat de overeenkomst van 19 juli 2011 is verjaard en dat de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 nietig zijn, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van het bedrag van € 25.000.\n\n4.2. De rechtbank heeft in conventie verklaard voor recht dat tussen partijen de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is en heeft [appellante] veroordeeld tot betaling van € 218.978,32 vermeerderd met de wettelijke rente over € 200.894,64 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van betaling, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. In reconventie zijn de vorderingen van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.\n\n4.3. Op 10 juli 2024 is [geïntimeerde] overgegaan tot het leggen van executoriaal beslag op de woning en het loon van [appellante] .5. 5. De vorderingen in hoger beroep\n\n [appellante] vordert in hoger beroep, na vermeerdering van eis, dat het vonnis van de rechtbank in conventie wordt vernietigd, dat de vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat onverschuldigd blijkt te zijn betaald.\n\n6. 6. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nInleiding\n\n6.1. Tegen de vermeerdering van eis door [appellante] in hoger beroep – de vordering tot terugbetaling van wat onverschuldigd is betaald - is geen bezwaar gemaakt en het hof heeft daar ook ambtshalve geen bezwaar tegen, zodat ook op die vordering beslist zal worden.\n\n6.2. \n [appellante] heeft geen hoger beroep ingesteld van het vonnis dat in reconventie is gewezen. De afwijzing van haar beroep op verjaring van de vorderingen van [geïntimeerde] uit de overeenkomst van 19 juli 2011 en de afwijzing van haar beroep op de nietigheid van de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 zijn daarmee onherroepelijk. Dat geldt ook voor haar vordering tot terugbetaling van € 25.000.\n\n6.3. \n\nHet hof zal beslissen dat de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 wel van kracht is, maar dat die op sommige punten afwijkt van wat [naam1] en [geïntimeerde] eerder hadden afgesproken. Partijen zijn aan die eerdere afspraken gebonden, in het bijzonder de afspraak dat geen rente is verschuldigd over de hoofdsom. Maar ook aan de afspraak dat het geld uit de verkoop van de woningen moest komen. In lijn met die laatste afspraak heeft [geïntimeerde] op 27 september 2018 en 1 juni 2021 bindende nadere afspraken gemaakt met [appellante] , waaruit volgt dat de leningsovereenkomst nog niet opeisbaar is.\n\nDe grieven van [appellante] tegen het vonnis slagen daarmee ten dele. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en er zal gedeeltelijk anders worden beslist. [geïntimeerde] wordt daarbij veroordeeld tot terugbetaling aan [appellante] van wat onder het beslag door haar is betaald.\n\nHierna zal worden toegelicht hoe het hof tot zijn beslissingen is gekomen.\n\nde motivering van de beslissing\n\n6.4. \n [appellante] heeft drie bezwaren (grieven) naar voren gebracht tegen het bestreden vonnis. In die grieven snijdt zij de volgende kwesties aan:\n\na) is er op 19 juli 2011 een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen tussen [naam1] en [geïntimeerde] , of ging het in werkelijkheid om een risicodragende investering van [geïntimeerde] en zijn Holding in een gezamenlijk project; b) als sprake is van een geldleningsovereenkomst, is die lening dan wel opeisbaar, nu volgens [appellante] in de aanvullende overeenkomst van 27 september 20218 is vastgelegd dat aflossing van de lening alleen aan de orde is bij verkoop van het project; c) als sprake is van een geldlening, is daarover dan wel rente verschuldigd, nu door [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank is verklaard dat de oorspronkelijke afspraak was dat [naam1] alleen terug hoefde te betalen wat hij geleend had?\n\n Daarnaast voert [appellante] aan dat inmiddels al diverse bedragen zijn uitgewonnen onder het executoriale beslag. Volgens [appellante] dienen die nu als onverschuldigd betaald aan haar terugbetaald te worden. Het hof zal hieronder op deze kwesties ingaan.\n\nde geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011 is geldig6.5. \n [appellante] heeft niet betwist dat de overeenkomst door [naam1] is ondertekend. De overeenkomst heeft daarmee te gelden als een onderhandse akte waaraan dwingende bewijskracht toekomt ten aanzien van de in die overeenkomst opgenomen verklaringen van [geïntimeerde] en [naam1] (artikel 157 lid 2 Rv). Tegen dit dwingende bewijs staat tegenbewijs open (artikel 151 lid 2 Rv). Dat tegenbewijs is niet beperkt tot de stelling dat anders is verklaard dan in de overeenkomst is opgenomen, maar kan ook betrekking hebben op de stelling dat de in de overeenkomst opgenomen verklaring niet overeenstemt met de werkelijkheid.\n\n6.6. Volgens [appellante] is dat laatste het geval, want zij stelt dat in werkelijkheid sprake was van een risicodragende investering van [geïntimeerde] en zijn Holding in een gezamenlijk project van [geïntimeerde] en [naam1] . Ter onderbouwing van die stelling beroept [appellante] zich op correspondentie tussen [naam1] en [geïntimeerde] voorafgaand aan, maar ook na die overeenkomst. De overeenkomst betrof volgens [appellante] een schijnhandeling die kennelijk was bedoeld om schulden van [geïntimeerde] aan zijn Holding weg te werken in het zicht van de koop van een woning door [geïntimeerde] .\n\n6.7. \n\n [appellante] kan worden toegegeven dat in correspondentie tussen [naam1] en [geïntimeerde] verschillende malen wordt gesproken over een project waarin zij gezamenlijk deelnemen.\n\nDie correspondentie levert echter nog niet het tegenbewijs op dat [naam1] en [geïntimeerde] niet bedoeld hebben met de overeenkomst van 19 juli 2011 daadwerkelijk een geldleningsovereenkomst te sluiten; een overeenkomst waarbij de geldverstrekking door [geïntimeerde] en zijn Holding is vastgelegd als een lening door [geïntimeerde] aan [naam1] .6.8. \n\nUit die correspondentie komt namelijk ook naar voren dat er tussen [naam1] en [geïntimeerde] onduidelijkheid over bestond hoe de geldverstrekkingen te beschouwen waren: als (risicodragende) investering of als geldlening en dat zij daarover contact hebben gehad met elkaar. Zo schrijft [geïntimeerde] in een mail van 22 juni 2010 aan [naam1] : “Even iets anders [naam1] . Heb jij de bouw in Frankrijk ondergebracht in een apart bedrijfje van ons samen of staat alles nog op jouw persoonlijke naam? De reden dat ik dit vraag is een belastingtechnische. Als de transacties vanuit mijn Holding in een apart investeringsbedrijf ( van jou en mij) komen is het een investering: als jij het daar allemaal nog op jouw persoonlijke naam hebt staan, is het een lening. Daar moeten we op korte termijn naar kijken, zodat e.e a. niet spaak gaat lopen met de belastingen alhier.”\n\nIn antwoord daarop schrijft [naam1] op 15 augustus 2010: “Als we een CSI aangaan in Fr. zijn we voordelig uit in Fr. Boekhoudkundig zitten we voorlopig goed door geld wat niet van mij is als schuld op te nemen.”\n\n6.9. Vast staat dat het project altijd op naam is blijven staan van [naam1] en dat het niet is gekomen van de oprichting van een gezamenlijk (investerings)bedrijf. Tegen die achtergrond is het verklaarbaar dat, hoewel [naam1] en [geïntimeerde] onderling ook hebben gesproken over een gezamenlijk project, zij hebben besloten de geldverstrekkingen te gieten in de vorm van een overeenkomst van geldlening en dat zij daarbij (kennelijk) hebben besloten om die te zetten op naam van [naam1] en [geïntimeerde] . Dat [geïntimeerde] duidelijkheid nodig had over de titel waaronder de gelden aan [naam1] ter beschikking waren gesteld vanwege de door hem voorgenomen koop van een woning, brengt daar geen verandering in.\n\n6.10. De stelling dat [geïntimeerde] het doel van de ter beschikking gestelde gelden heeft veranderd van een risicodragende investering in een lening om in het zicht van de aankoop van die woning zijn schuld aan zijn Holding te verminderen, is door [geïntimeerde] weersproken. [appellante] heeft die stelling verder niet onderbouwd en is ook niet bijzonder aannemelijk in het licht van de correspondentie dat de mogelijkheid bestond om de samenwerking te gieten in een CSI (in welk geval geen sprake zou zijn van een geldlening, maar van een investering). Bovendien, ook als het een (risicodragende) investering zou zijn geweest, had [geïntimeerde] schulden aan zijn Holding kunnen verminderen door de investering op naam van zijn Holding te zetten.\n\n6.11. \n\nDe correspondentie ontzenuwt daarmee niet de dwingende bewijskracht van de overeenkomst van geldlening. [appellante] heeft verder geen andere omstandigheden aangevoerd die dat tegenbewijs wel kunnen opleveren.\n\nIntegendeel, ook [appellante] lijkt er, voordat het in deze zaak tot een procedure kwam, niet aan getwijfeld te hebben dat sprake was van een geldlening. Zij heeft immers ingestemd met het maken van aanvullende afspraken uitgaande van de geldleningsovereenkomst. Dat die aanvullende afspraken tot stand zouden zijn gekomen onder invloed van wilsgebreken is een stelling die zij in hoger beroep niet langer inneemt. Ook heeft zij nog een aflossing op de lening verricht van € 25.000, waar zij in hoger beroep niet langer de terugbetaling van vordert. Kennelijk heeft ook [naam1] bij leven [appellante] er niet over geïnformeerd dat geen sprake zou zijn van een geldlening, maar van een risicodragende investering, wat wel voor de hand had gelegen als van een geldlening in werkelijkheid geen sprake zou zijn geweest.\n\n6.12. Het hof deelt daarmee het oordeel van de rechtbank dat de overeenkomst van 19 juli 2011 een reële overeenkomst van geldlening betreft, welke nu geldt tussen [geïntimeerde] en [appellante] .\n\nhet uitgeleende bedrag volgens de overeenkomst van geldlening is echter niet opeisbaar6.13. Het hof is wel met [appellante] van oordeel dat het bedrag uit de overeenkomst van geldlening van 19 juli 2011 nog niet opeisbaar is.\n\n6.14. \n\nTijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [geïntimeerde] verklaard: “Het geld moest uit de verkoop van de woningen komen. Dat is vanaf het begin af aan altijd de onderliggende afspraak geweest”. De zinssnede in de e-mail van 11 juli 2011:“even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”, doelde daarmee kennelijk ook op de afspraak dat het geld voor het terugbetalen van de lening moest komen uit de verkoop van het project. De aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 behelst in lijn hiermee dat de geleende geldsom zal worden voldaan uit de verkoopopbrengst van het project. Daarbij zijn ook nadere afspraken vastgelegd over wat [geïntimeerde] aanvullend nog toekomt als de gerealiseerde verkoopopbrengst hoger is dan de geleende som. In de nadere aanvullende overeenkomst van 1 juni 2022 is daarnaast vastgelegd welke (verminderde) aanspraken op terugbetaling [geïntimeerde] heeft als de verkoopopbrengst waarmee [geïntimeerde] heeft ingestemd minder bedraagt dan de geleende som. De gerealiseerde verkoopopbrengst is volgens deze nadere afspraken dus mede bepalend voor de betalingsverplichtingen en -aanspraken die kunnen voortvloeien uit de overeenkomst van geldlening.\n\nDe aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 moet daarmee worden begrepen als (ook) een afspraak tussen [geïntimeerde] en [appellante] over het moment waarop de geleende som opeisbaar zal zijn, te weten bij verkoop van het project; zij hield kennelijk in dat de datum van opeisbaarheid van de lening verschoof van “niet later dan uiterlijk op de datum van de verkoop van het project”naar “uit de gerealiseerde verkoopopbrengst”.In ieder geval had [appellante] dat redelijkerwijs zo mogen begrijpen. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat [appellante] dat ook van meet af aan zo begrepen heeft.\n\n6.15. Daar doet niet aan af dat in de aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 is bepaald: “De overeenkomst van geldlening d.d. 19 juli 2011 blijft onverminderd van kracht”en dat in de overeenkomst van 19 juli 2011 is bepaald: “[geïntimeerde] heeft het recht het nog resterende bedrag van de lening en verschuldigde rente direct op te eisen.”Zoals gezegd, heeft [geïntimeerde] in de mail van 11 juli 2011 geschreven dat de schriftelijke overeenkomst niet bedoelde een wijziging aan te brengen in de oorspronkelijke afspraken. En de oorspronkelijke afspraak was dat het geld moest komen uit de verkoop van het project. Bovendien, als [geïntimeerde] het anders bedoelde dan als door [appellante] is opgevat, had het op haar weg als opsteller van de aanvullende bepalingen gelegen om dat voldoende duidelijk te maken. Als zij bedoelde dat lening ook na het maken van die nadere afspraken te allen tijde door haar opgeëist zou kunnen worden, had zij dat expliciet in de nadere afspraken moeten vermelden. Het alleen indirect kenbaar maken van die bedoeling, door te verwijzen naar de overeenkomst van 19 juli 2011, is in het licht van de nader gemaakte afspraken en de e-mail van 11 juli 2011 onvoldoende.6.16. \n\n [geïntimeerde] heeft verder niets aangevoerd waaruit volgt dat de overeenkomst van 27 september 2018 nu niet meer geldt. Van (een geldige buitengerechtelijke) ontbinding van die overeenkomst en de daarin vastgelegde afspraken is niet gebleken en die wordt in deze procedure ook niet gevorderd. [geïntimeerde] heeft wel gesteld dat [appellante] doelbewust haar verplichtingen om medewerking te verlenen aan de verkoop van het project niet nakomt, maar zij heeft daar geen verbintenisrechtelijke gevolgen aan verbonden.\n\nDaarbij wordt opgemerkt dat het [geïntimeerde] zelf is geweest die verdere verkooppogingen heeft gestaakt nadat [appellante] had geweigerd om nog een aanvullend bedrag van € 25.000,- te betalen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde] niet duidelijk kunnen maken uit welke (contractuele) verplichting een gehoudenheid van [appellante] daartoe zou volgen.\n\ngeen rente verschuldigd over de geldlening\n\n6.17. \n [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat partijen in eerste instantie hadden afgesproken dat [naam1] over de door [geïntimeerde] en zijn Holding ter beschikking gestelde bedragen geen rente verschuldigd zou zijn. De zinssnede in de e-mail van 11 juli 2011: “even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”, doelde daar volgens hem op. Zij heeft voor haar rentevordering echter aangevoerd dat [appellante] in de aanvullende overeenkomst van 1 juni 2021 er zelf voor heeft getekend dat de openstaande schuld nog € 200.899,20 bedroeg. Dat bedrag was berekend inclusief rente. Daarmee heeft [appellante] die rente zelf aanvaard, aldus [geïntimeerde] .6.18. De stelling dat [appellante] zelf de verschuldigdheid van rente over de lening heeft aanvaard, wordt verworpen. Uit niets blijkt dat [appellante] toen al de wetenschap had dat [naam1] en [geïntimeerde] , in afwijking van de geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011, waren overeengekomen dat alleen het bedrag in hoofdsom verschuldigd was en dat daarover geen rente berekend zou worden. [geïntimeerde] was vanwege die afspraak niet gerechtigd om aan [appellante] een bedrag voor te leggen waarin wel rente was berekend. In die situatie is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde] [appellante] zou kunnen houden aan haar instemming met het door de holding in strijd met die afspraak berekende bedrag van de openstaande schuld. Zij is dus geen rente verschuldigd over het bedrag in hoofdsom.\n\n [geïntimeerde] dient aan [appellante] terug te betalen van wat onder het beslag uitgewonnen is\n\n6.19. De slotsom uit het vorenstaande is dat de veroordeling van [appellante] om een geldbedrag te betalen aan [geïntimeerde] zal worden vernietigd. Daaruit volgt dat de vordering van [appellante] om [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van geldbedragen die onder het executoriale beslag zijn uitgewonnen, slaagt. Voor de goede orde wordt daarbij opgemerkt dat tot die verplichting tot terugbetaling niet behoort het bedrag van € 25.000 dat [appellante] op 1 juni 2021 aan [geïntimeerde] heeft betaald. De terugbetaling van dat bedrag is al bij de rechtbank gevorderd en afgewezen en daartegen heeft [appellante] geen hoger beroep ingesteld.\n\nbewijsaanbiedingen\n\n6.20. \n\nPartijen hebben over en weer bewijs aangeboden van hun stellingen door het horen van getuigen.\n\n [appellante] heeft aangeboden [geïntimeerde] te horen over de stelling dat geen sprake is van een overeenkomst van geldlening. Aan dat aanbod gaat het hof voorbij. [appellante] heeft in dit verband geen concreet te bewijzen feiten en omstandigheden gesteld waarover [geïntimeerde] als getuige kan verklaren.\n\nVoor het overige hebben de aanbiedingen van partijen geen betrekking op feiten en omstandigheden die, indien zij zouden komen vast te staan, leiden tot een ander oordeel.\n\nslotsom\n\n6.21. Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Het bestreden vonnis in conventie zal om redenen van proceseconomie geheel vernietigd worden.\n\n6.22. Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zowel in de procedure bij de rechtbank in conventie als in hoger beroep, zal het hof bepalen dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten).6.23. De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n7. De beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1. vernietigt het in conventie gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen van 19 juni 2024, en beslist:\n\n7.2. verklaart voor recht dat tussen partijen de geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is, met dien verstande dat: a) over het uitgeleende bedrag geen contractuele rente verschuldigd is; b) de verplichting tot terugbetaling van het geleende bedrag pas opeisbaar is bij verkoop van het project; c) de omvang van die verplichting nader wordt bepaald door wat partijen daarover aanvullend hebben afgesproken in de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021;\n\n7.3. veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellante] van al wat door haar is betaald aan [geïntimeerde] op grond van het door [geïntimeerde] onder haar gelegde executoriale beslag;\n\n7.4. verklaart deze veroordeling tot terugbetaling uitvoerbaar bij voorraad;7.5. wijst af wat meer of anders is gevorderd;7.6. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt, in beide instanties. Voor de procedure bij de rechtbank geldt deze beslissing alleen voor de procedure in conventie.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, M.E.L. Fikkers en A. Elgersma, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n23 december 2025.\n\n Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:848","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8616","2025-12-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:44.367Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"1150","ECLI:NL:RBLIM:2025:11921","ecli-nl-rblim-2025-11921",66,"2025-12-02T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11893065 \\ AZ VERZ 25-106\n\nBeschikking van 2 december 2025\n\nin de zaak van\n\nHUMBY B.V.,\n\ngevestigd te Panningen, kantoorhoudende te Venlo,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: Humby,\n\ngemachtigde: mr. P. Caris,\n\ntegen\n\n1. [bedrijfsnaam 1] B.V.,\n\ngevestigd te Venlo, 2. [verweerder sub 2],\n\nwonende te [plaatsnaam] ,\n\nverwerende partijen,\n\nverzoekende partijen in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ,\n\ngemachtigde: mr. A.J.T.M. Oudenhoven.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties,\n\n- het verweerschrift met producties, met zelfstandig tegenverzoek,\n\n- het verweerschrift in het tegenverzoek, met producties in het verzoek en tegenverzoek,\n\n- de mondelinge behandeling van 4 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, met daaraan gehecht de pleitnota van mr. Oudenhoven.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Humby is een dienstverlener, actief op het gebied van opslag en transport (warehouse & logistics).\n\n2.2.. \n [verweerder sub 2] heeft vanaf 1 januari 2023 werkzaamheden voor Humby verricht.\n\n2.3.. Humby en [verweerder sub 1] hebben op 12 juli 2023 met ingang van 1 januari 2023 een schriftelijke overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, met als titel “overeenkomst van opdracht tussen Humby B.V. en [bedrijfsnaam 1] B.V.” (productie 1 van Humby).\n\n2.4.. Humby en [verweerder sub 2] hebben op 12 juli 2023 een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Door middel van een separate overeenkomst van koop en verkoop heeft [verweerder sub 2] 25% van de aandelen in Humby verworven, tegen een koopprijs van € 230.000,00.\n\n2.5.. Humby heeft aan [verweerder sub 1] over de periode van 1 januari 2023 tot 27 februari 2025 een bedrag van € 6.611,00 exclusief BTW per maand betaald voor de verrichte werkzaamheden.\n\n2.6.. Bij e-mailbericht van 27 februari 2025 heeft Humby de overeenkomst met [verweerder sub 1] opgezegd met inachtneming van de in artikel 3 opgenomen opzegtermijn van drie maanden (productie 3 van Humby).\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. Humby verzoekt, zoals tijdens de mondelinge behandeling gewijzigd en verkort weergegeven;\n\nI. te verklaren voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 1] althans [verweerder sub 2] geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan,\n\nII. in het geval wel sprake is van een arbeidsovereenkomst, te verklaren voor recht dat deze door opzegging is geëindigd en dat [verweerder sub 1] althans [verweerder sub 2] niet binnen twee maanden ex artikel 7:686a lid 4 onder a BW een vordering tot vernietiging of herstel heeft ingesteld, zodat deze rechtsvordering is komen te vervallen,\n\nIII. in het geval sprake is van een arbeidsovereenkomst, te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd,\n\nIV. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de volledige proceskosten, begroot op € 5.000,00 ex BTW.\n\n3.2.. Aan het verzoek heeft Humby - verkort weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Er is geen sprake geweest van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Partijen hebben samen uitdrukkelijk gekozen voor het sluiten van een managementovereenkomst. Humby heeft de managementovereenkomst opgezegd tegen 1 juni 2025. Zelfs in het geval er wel sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst is deze eveneens op 1 juni 2025 door opzegging geëindigd. Er is hoe dan ook een einde gekomen aan de werkrelatie tussen partijen, zodat [verweerder sub 1] op grond van de aandeelhoudersovereenkomst haar aandelen met peildatum 1 juni 2025 aan Humby dient aan te bieden.\n\n3.3.. \n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Humby, dan wel tot afwijzing van het verzoek van Humby, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Humby in de kosten van deze procedure.\n\n4. Het tegenverzoek en het verweer\n\n4.1.. \n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] verzoeken, zoals tijdens de mondelinge behandeling verminderd (netto wordt bruto), - verkort weergegeven -;\n\nI. te verklaren voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 2] een arbeidsovereenkomst heeft bestaan en nog steeds bestaat,\n\nII. Humby te veroordelen het salaris van € 8.000,00 bruto te vermeerderen met vakantiebijslag en emolumenten aan [verweerder sub 2] te voldoen vanaf 27 februari 2025 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente,\n\nIII. aan [verweerder sub 2] de proceskosten te voldoen.\n\n4.2.. Aan het verzoek hebben [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] - verkort weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. [verweerder sub 2] heeft vanaf het begin zijn werkzaamheden bij Humby verricht op basis van een arbeidsovereenkomst. De managementovereenkomst is weliswaar tussen partijen gesloten maar hier is nooit uitvoering aan gegeven. De opzegging van Humby was niet gericht aan [verweerder sub 2] als werknemer, maar aan [verweerder sub 1] , zodat de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurt. [verweerder sub 2] heeft zijn salaris van € 8.000,00 netto uit hoofde van de arbeidsovereenkomst vanaf 27 februari 2025 niet meer betaald gekregen.\n\n4.3.. Humby verzet zich tegen toewijzing van het tegenverzoek en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van het tegenverzoek van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , met veroordeling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] in de kosten van deze procedure.\n\n5. De beoordeling\n\nIn het verzoek en in het zelfstandig tegenverzoek\n\n5.1.. Humby vordert een negatieve verklaring voor recht dat er tussen haar en [verweerder sub 1] althans [verweerder sub 2] geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan. De kern van het geschil tussen partijen betreft de beantwoording van de vraag of er tussen [verweerder sub 2] en Humby sprake is (geweest) van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter overweegt als volgt.\n\n5.2.. \n\nDe Hoge Raad heeft met betrekking het toetsingskader of er sprake is van een arbeidsovereenkomst in het Deliveroo-arrest van 24 maart 2023 (ECLI:NL:HR: 2023:443) het volgende overwogen.\n\n“3.2.2 Art. 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.\n\n3.2.3.\n\nOm te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen.\n\n3.2.4.\n\nAls de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.\n\n3.2.5.\n\nOf een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Van belang kunnen onder meer zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen, en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.\n\nHet gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht.”\n\n5.3.. De Haviltexmaatstaf die de Hoge Raad in nummer 3.2.3. noemt, is een uitlegmaatstaf voor een schriftelijk contract. Deze maatstaf houdt - kort samengevat - in dat bij de beantwoording van de vraag hoe een verhouding van partijen is geregeld niet alleen de taalkundige uitleg van de bepalingen van een contract van belang zijn, maar ook de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle bijzondere omstandig-heden van het geval van belang.\n\n5.4.. De kantonrechter zal hierna per gezichtspunt bespreken of, gelet op wat partijen in de processtukken en tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, aan de voorwaarden voor een arbeidsovereenkomst is voldaan of dat sprake is van een overeen-komst van opdracht.\n\nde aard en duur van de werkzaamheden\n\n5.5.. \n\nPartijen zijn het erover eens dat de aard van de werkzaamheden, zoals beoogd in de overeenkomst, bestond uit het verrichten van commerciële werkzaamheden voor Humby. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben op de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat [verweerder sub 2] nauwelijks commerciële werkzaamheden heeft verricht, maar vooral magazijn-werkzaamheden in de loods heeft verricht. Gesteld noch gebleken is dat de verrichte werkzaamheden bijzondere verrichtingen betreffen. Uit de schriftelijke overeenkomst volgt niet dat er sprake is van een resultaatsverbintenis. Daarnaast is de overeenkomst aangegaan voor onbepaalde tijd.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat de aard van de werkzaamheden en de overeengekomen duur van de overeenkomst aanwijzingen vormen dat sprake is (geweest) van een arbeids-overeenkomst.\n\nDe wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald\n\n5.6.. \n\nPartijen staan in dit kader lijnrecht tegenover elkaar.\n\nHumby stelt als volgt. [verweerder sub 2] genoot, via [verweerder sub 1] , volledige vrijheid in de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden (wanneer en waar hij wilde). Het maakt Humby niet uit of [verweerder sub 2] zijn werkzaamheden in 1 uur per maand of 60 uur per week uitvoerde, zolang hij zijn taken maar uitvoerde en klanten uit zijn netwerk binnenbracht. Humby gaf [verweerder sub 2] geen instructies en er was er geen gezagsverhouding. [verweerder sub 2] zocht zelf opdrachten en voerde deze uit. Hij hoefde aan niemand verantwoordelijkheid af te leggen. [verweerder sub 2] had geen toestemming nodig voor het opnemen van verlof, ondanks dat hij wel om toestemming vroeg, aldus Humby.\n\n5.7.. \n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben naar voren gebracht dat Humby de werkzaamheden bepaalde en hij werd aangestuurd door [naam 1] , leidinggevende bij Humby, die hem instructies en opdrachten gaf. Hij had geen vrijheid om zijn werkzaam-heden inhoudelijk in te richten. Het stond hem niet vrij om opdrachten naar eigen believen aan te nemen en\u002Fof terug te geven. Volgens [verweerder sub 2] werkte hij, net als andere werknemers, dagelijks van 07.00 uur (of eerder) tot 16.00 uur (of later) op de locatie van Humby in Venlo. [verweerder sub 2] werd door Humby ingeroosterd en kon wel net als iedere andere werknemer van Humby zijn beschikbaarheid opgeven.\n\nOok diende hij voor het opnemen van verlof en elke afwijking van de reguliere werktijden toestemming te vragen aan [leidinggevende] .\n\n5.8.. Naar het oordeel van de kantonrechter geven de voorgaande aspecten geen duidelijkheid over het bestaan van een overeenkomst van opdracht of een arbeidsovereenkomst. Humby heeft weliswaar een verklaring overlegd van [naam 2] , waarin deze onder meer aangeeft dat [verweerder sub 2] nooit verlof aanvroeg en [verweerder sub 2] kwam werken wanneer hij wilde en geen vaste werktijden had, maar deze verklaring is door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] gemotiveerd betwist. Bovendien heeft Humby onvoldoende gesteld over de positie van [naam 2] binnen Humby. Dit gezichtspunt zal daarom niet worden meegenomen in de beoordeling.\n\nDe inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht\n\n5.9.. \n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen zich op het standpunt dat de functie van commercieel medewerker volledig is ingebed in de organisatie van Humby en een structureel karakter heeft. [verweerder sub 2] werkte op de locatie van Humby in Venlo.\n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] voeren verder aan dat [verweerder sub 2] geen eigen bedrijfsmiddelen heeft gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden. Hij kreeg en droeg werkkleding van Humby met het logo van Humby en had een visitekaartje met de naam van Humby erop (productie 2 van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ).\n\nDit alles is niet door Humby weersproken. De stelling van Humby dat de veiligheidsvoor-schriften voorschrijven dat je op de werkvloer werkkleding aan moest hebben, maakt dit niet anders. Wat betreft het inbeddingsaspect zijn er naar het oordeel van de kantonrechter aanwijzingen voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst.\n\nHet al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren\n\n5.10.. \n\nTen aanzien van dit gezichtspunt stelt Humby dat de overeenkomst [verweerder sub 1] niet verplicht dat [verweerder sub 2] persoonlijk voor een lange, vaste periode feitelijk de diensten verricht. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen zich op het standpunt dat [verweerder sub 2] geacht werd de werkzaamheden persoonlijk uit te voeren, zonder de mogelijkheid zich te laten vervangen.\n\nIn de schriftelijke overeenkomst staat niets vermeld over een verplichting tot persoonlijk uitvoeren van het werk. Nu de overeenkomst is aangegaan met een onderneming en niet met [verweerder sub 2] in privé, had het voor de hand gelegen dat een dergelijke bepaling in de overeenkomst was opgenomen, als Humby uitsluitend van de diensten van [verweerder sub 2] gebruik wilde maken. Nu een dergelijk beding niet is opgenomen, blijkt niet dat [verweerder sub 2] zich niet mocht laten vervangen door een derde. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben deze stelling ook niet verder onderbouwd of bewijs hiervan aangedragen.\n\nDit onderdeel is naar het oordeel van de kantonrechter een aanwijzing dat er sprake is (geweest) van een overeenkomst van opdracht.\n\nDe wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen\n\n5.11.. \n\nOp dit onderdeel voert Humby het volgende aan. Humby wilde [verweerder sub 1] inhuren voor commerciële activiteiten en laten participeren in Humby, om op die manier incentive te creëren. [verweerder sub 2] gaf aan altijd ondernemer te zijn geweest en dat te willen blijven. Partijen hebben toen gekozen voor een participatie via [verweerder sub 1] en niet via [verweerder sub 2] privé. Voorts is samen gekozen voor een managementovereenkomst omdat [verweerder sub 1] de opdracht zelfstandig naar eigen inzicht en expertise wilde uitvoeren. Humby en [verweerder sub 1] hebben per 1 januari 2023 een schriftelijke managementovereenkomst gesloten waarin [verweerder sub 1] optreedt als opdrachtnemer. Namens [verweerder sub 1] worden deze activiteiten uitgevoerd door [verweerder sub 2] . In de overeenkomst hebben partijen uitdrukkelijk afgesproken dat zij wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW en uitdrukkelijk niet beogen een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Humby biedt van deze stelling getuigenbewijs aan. Verband houdende met de managementovereenkomst heeft [verweerder sub 2] in juli 2023 ook een aandeelhoudersovereenkomst gesloten, waarbij [verweerder sub 2] een groot aandelenbelang van 25% in Humby heeft gekregen.\n\n [verweerder sub 2] is naast bij Humby ook bestuurder en aandeelhouder bij een andere entiteit (Indexica).\n\n5.12.. \n\nVolgens [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] is er niet onderhandeld over de overeen-komst. [verweerder sub 2] was voor zijn participatie in Humby al werkzaam voor Humby, op basis van een arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 2023. Toen had hij nog geen eigen bv. [verweerder sub 2] is niet actief geweest als zelfstandige voor de indiensttreding bij Humby. Pas later op initiatief van [naam 3] van [bedrijfsnaam 2] , de accountant van Humby, zijn de bv’s opgericht. [bedrijfsnaam 2] heeft de samenwerking tussen partijen geformaliseerd.\n\nEerst werd Indexica B.V. opgericht, een gezamenlijke vennootschap tussen Humby en [verweerder sub 2] (ieder 50%), bedoelt voor de bandenhandel. Daarnaast is de persoonlijke holding [verweerder sub 1] opgericht, uitsluitend voor de administratieve afhandeling van de maandelijkse betalingen. In de aandeelhoudersovereenkomst is ook vermeld dat [verweerder sub 2] in dienst is getreden bij Humby. [verweerder sub 2] heeft nimmer bewust en doelgericht gekozen voor een zelfstandige constructie.\n\n5.13.. De kantonrechter is van oordeel dat zowel uit de schriftelijke overeenkomst (waarvan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ter mondelinge behandeling hebben erkend dat deze door [verweerder sub 1] is ondertekend en daadwerkelijk tussen partijen heeft bestaan) en uit de aandeelhoudersovereenkomst blijkt dat partijen de wens hadden op basis van een overeenkomst van opdracht samen te gaan werken. In de schriftelijke overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“In aanmerking nemen dat:\n\n(..)\n\nPartijen uitsluitend met elkaar wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW;\n\nPartijen uitdrukkelijk niet beogen een arbeidsovereenkomst aan te gaan in de zin van artikel 7:610 e.v. BW;\n\n(..)\n\nArtikel 1. Werkzaamheden en uitvoering van de opdracht1.1.. Opdrachtgever verleent aan opdrachtnemer de opdracht tot het uitvoeren van de volgende werkzaamheden: (..)\n\n(..)1.3.. \n\nOpdrachtnemer deelt zijn werkzaamheden zelfstandig in (..)\n\n(..)1.4.. \n\nOpdrachtnemer is bij het uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden geheel zelfstandig. Hij verricht de overeengekomen werkzaamheden naar eigen inzicht en zonder toezicht of leiding van Opdrachtgever (..).\n\n(..)”\n\n5.14.. \n\nDaarnaast blijkt ook uit de doelstelling in artikel 2, lid 2 van de door [verweerder sub 2] ondertekende aandeelhoudersovereenkomst dat partijen het voornemen hebben om met elkaar samen te werken zolang er sprake is van een managementovereenkomst tussen [verweerder sub 2] en\u002Fof diens meester en Humby. In artikel 2 is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Partijen hebben het voornemen om met elkaar samen te werken zolang er sprake is van een managementovereenkomst tussen [verweerder sub 2] en\u002Fof diens meester en Humby (..)”\n\n5.15.. \n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de voornoemde afspraken voldoende volgt dat partijen samen de wens hadden op basis van een overeenkomst van opdracht samen te gaan werken. Zeker nu niet [verweerder sub 2] , maar [verweerder sub 1] partij is bij de gesloten overeenkomst. Aangezien arbeid alleen verricht kan worden door een natuurlijk persoon, zou [verweerder sub 1] niet aan deze verplichting kunnen voldoen.\n\nDit alles wijst er in beginsel op dat partijen een managementovereenkomst zijn overeengekomen en geen arbeidsovereenkomst.\n\nDe wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd\n\n5.16.. \n\nHumby stelt zich op het standpunt dat uit de overeenkomst volgt dat [verweerder sub 1] een (vaste) vergoeding voor de werkzaamheden ontving en dat [verweerder sub 1] haar werkzaamheden op grond van artikel 5.5. mocht opschorten als er sprake was van een openstaande factuur. Humby betaalde geen salaris, maar voldeed de facturen van [verweerder sub 1] . Humby betaalde de btw over deze facturen en [verweerder sub 1] droeg dan zelfstandig de btw af aan de Belastingdienst. [verweerder sub 1] had een arbeidsovereenkomst gesloten met [verweerder sub 2] en [verweerder sub 2] verloonde zichzelf vanuit zijn vennootschap, waarin hij een eigen salarisadministratie voerde, aldus Humby.\n\n [verweerder sub 2] gaf zelf de opdracht aan Humby om de facturen op te stellen en administratief te verwerken en zijn btw-nummer te gebruiken. De accountant verwerkte in opdracht en namens [verweerder sub 1] alle inkomende en uitgaande facturen, stelde de btw-aangifte op die [verweerder sub 2] goedkeurde en maakte de btw over aan de Belastingdienst. Datzelfde geldt voor de verloning binnen [verweerder sub 1] . De accountant zette alles klaar voor de verloning, de loonstrook, de af te dragen loonbelasting binnen [verweerder sub 1] .\n\n [verweerder sub 2] betaalde dus zijn eigen salaris, loonbelasting en btw vanuit [verweerder sub 1] . Humby betaalde alleen de facturen van [verweerder sub 1] .\n\n5.17.. \n\nVolgens [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] kreeg [verweerder sub 2] salaris betaald van Humby, zowel voor als na de participatie. Hij heeft geen invloed gehad op de hoogte. [verweerder sub 2] kreeg ook doorbetaald bij ziekte of bij opnemen van vakantie. [verweerder sub 2] had slechts een keer onbetaald verlof opgenomen.\n\n [verweerder sub 2] heeft nooit zelf een factuur opgesteld of verstuurd. De administratie daarvan werd gedaan door [naam 4] , zijnde een vriend van de boekbouder bij Humby. [naam 4] stuurde de facturen rechtstreeks naar de [bedrijfsnaam 2] , de accountant van Humby. Het geld werd elke maand automatisch overgemaakt. Het betrof een louter interne administratieve verwerking. De gehele administratie verliep via [bedrijfsnaam 2] . [verweerder sub 2] droeg ook geen btw af.\n\n5.18.. \n\nDe kantonrechter oordeelt als volgt.\n\nIn de schriftelijke overeenkomst is over de beloning onder het volgende opgenomen:\n\n“Artikel 5. Urenverantwoording en facturatie5.1.. Opdrachtgever betaalt aan Opdrachtnemer voor de werkzaamheden die hij overeenkomstig artikel 1.1 en\u002Fof artikel 1.6 uitvoert € 6.611,00 per maand, met een gemiddelde arbeidstijd van 40 uur per week. Alle genoemde bedragen zijn exclusief 21% BTW, en inclusief reiskosten woon-werkverkeer. (..)5.2. (..). Opdrachtnemer draagt zelf de eventueel verschuldigde sociale premies en\u002Fof inkomstenbelasting af en vrijwaart Opdrachtgever voor eventuele aanspraken, ingevolge deze opdracht, van de fiscus, het UWV en\u002Fof vergelijkbare instanties.5.3.. \n\nFacturatie geschiedt aan het einde van de maand en opdrachtgever betaalt het gefactureerde bedrag aan Opdrachtnemer binnen 14 dagen na de factuurdatum. (..). Facturen met declaratiestaat dienen in één pdf ingediend te worden bij: [e-mailadres]\n\n(..)”\n\n5.19.. \n\nVast staat dat [verweerder sub 1] , in de persoon van [verweerder sub 2] , de werkzaamheden uit de opdracht heeft uitgevoerd en uit naam van [verweerder sub 1] voor de verrichte werkzaamheden facturen zijn gestuurd aan Humby. Deze facturen zijn door Humby overgelegd als productie 10. In de facturen staat als omschrijving ‘managementfee’.\n\nBij de facturen bracht [verweerder sub 1] ook btw in rekening. De factuurbedragen moesten worden overgemaakt naar [verweerder sub 1] .\n\nBovendien heeft Humby onweersproken gesteld dat [verweerder sub 1] aan [verweerder sub 2] salaris heeft betaald voor voornoemde werkzaamheden uit hoofde van een arbeidsovereenkomst tussen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] .\n\nHet feit dat [naam 4] , een vriend van de boekhouder van Humby, de administratie verzorgde en namens [verweerder sub 1] de facturen van de fee opmaakte en naar Humby verstuurde, maakt niet dat deze facturen niet in opdracht van [verweerder sub 1] zijn gemaakt. Bij e-mailbericht van 8 augustus 2023 van [verweerder sub 2] aan [naam 4] verzoekt [verweerder sub 2] ook om het btw-nummer van [verweerder sub 1] op de factuur naar Humby te vermelden.\n\nVanwege het feit dat [verweerder sub 1] btw in rekening bracht, kan het niet anders zijn dan dat zij ook btw afdroeg. Bovendien heeft [verweerder sub 1] de eerste factuur pas in rekening gebracht nadat de aandeelhoudersovereenkomst in juli 2023 was gesloten. [verweerder sub 2] heeft in de periode daarvoor, waarin hij stelt dat er al sprake was van een arbeidsovereenkomst, slechts twee keer een voorschot ontvangen en destijds geen loon gevorderd. Humby heeft ook onweersproken gesteld dat zij geen premies en loonbelasting voor [verweerder sub 2] heeft afgedragen.\n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben zich nog op het standpunt gesteld dat in het door hen als productie 3 overgelegd overzicht van betaling twee keer salaris is vermeld. Het feit dat tweemaal in de betaling aan [verweerder sub 1] het woord ‘salaris’ is gebruikt, is door Humby toegelicht als zijnde een administratief foute benaming vanwege de afwezigheid van de financiële administratie. Dit is niet weersproken.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat dit alles een sterke aanwijzing vormt voor het aannemen van een overeenkomst van opdracht en niet van een arbeidsovereenkomst.\n\nDe hoogte van de beloning\n\n5.20.. \n [verweerder sub 1] factureerde een bedrag van € 6.611,57 ex btw, zijnde € 8.000,00 inclusief btw. Partijen hebben zich niet uitgelaten of de hoogte van de beloning van [verweerder sub 1] al dan niet vergelijkbaar is met werknemers van Humby, zodat de kantonrechter dit gezichtspunt niet verder zal meenemen in de beoordeling.\n\nHet lopen van commercieel risico bij het verrichten van de werkzaamheden\n\n5.21.. \n\nHumby stelt zich op het standpunt dat [verweerder sub 2] financieel risico loopt in verband met zijn participatie in Humby, omdat hij 25% van de aandelen in Humby bezit. Dit standpunt kan niet slagen. Het risico van het bezit van aandelen staat los van het risico wat [verweerder sub 2] loopt bij het verrichten van de werkzaamheden. Vast staat dat [verweerder sub 1] een vast bedrag per maand van € 8.000,00 inclusief btw van Humby heeft ontvangen, onafhankelijk van de door haar daadwerkelijk gewerkte uren. Gesteld noch gebleken is dat [verweerder sub 1] bijvoorbeeld bepaalde opdrachten moest binnenhalen of verantwoordelijk was voor de kwaliteit voor de door haar verrichte werkzaamheden.\n\nDit wijst naar het oordeel van de kantonrechter eerder in de richting van een arbeidsover-eenkomst.\n\nHet gedragen als ondernemer in het economisch verkeer bij het verrichten van de werkzaamheden\n\n5.22.. \n\nOp dit onderdeel heeft Humby het volgende aangevoerd. [verweerder sub 2] is altijd ondernemer geweest en heeft jarenlang een onderneming gedreven onder [bedrijfsnaam X] in Azië en ook andere ondernemingen. [verweerder sub 2] is ook bestuurder en voor 50% aandeelhouder bij Indexica B.V., welke onderneming voorheen een eenmanszaak van [verweerder sub 2] was. De ervaring van [verweerder sub 2] als zelfstandig ondernemer was voor Humby de essentie om de samenwerking met [verweerder sub 1] aan te gaan.\n\nHumby heeft als productie 7 e-mailberichten overgelegd waaruit volgt dat [verweerder sub 2] , naast zijn werkzaamheden ter uitvoering van de managementovereenkomst, ook voor Indexica B.V. werkzaam is.\n\n5.23.. \n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen zich op het standpunt dat [verweerder sub 2] vanaf 1 januari 2023 niet actief is (geweest) als zelfstandig consultant of adviseur, zich niet zodanig profileert en ook niet beschikt over andere opdrachtgevers dan Humby.\n\n5.24.. \n\nDe kantonrechter oordeelt als volgt. De Hoge Raad heeft bij voornoemd arrest voor het eerst invulling gegeven aan het begrip ondernemerschap als contra-indicatie voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Indien men kan aantonen zich als ondernemer te presenteren, als ondernemer gewerkt te hebben in het verleden en door de fiscus als zodanig behandeld wordt, zijn dit belangrijke contra-indicaties voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst.\n\nUit de maandelijkse facturen van [verweerder sub 1] blijkt dat [verweerder sub 2] , onder de naam [verweerder sub 1] , op het moment dat hij voor Humby werkzaamheden verrichtte, maar in ieder geval vanaf juli 2023, met zijn onderneming ingeschreven stond bij de Kamer van Koophandel. Daarnaast staat vast dat [verweerder sub 2] 25% van de aandelen bezit in Humby. [verweerder sub 2] heeft ook niet betwist jarenlang een onderneming gedreven te hebben onder [bedrijfsnaam X] in Azië. [verweerder sub 2] heeft verder niet betwist dat hij tijdens zijn werkzaamheden ook aandeelhouder en bestuurder was van Indexica B.V.\n\nUit productie 7 van Humby blijkt dat [verweerder sub 2] naast de uitvoering van zijn werkzaamheden uit de overeenkomst met Humby, in ieder geval ook in 2024 werkzaamheden uit naam van Indexica B.V. heeft verricht.\n\nBovendien heeft [verweerder sub 2] namens [verweerder sub 1] , zoals al is overwogen in overweging 5.19, btw in rekening gebracht en afgedragen aan de Belastingdienst, waaruit volgt dat hij zich naar buiten en naar de Belastingdienst toe als ondernemer heeft opgesteld.\n\nDe stelling van [verweerder sub 2] dat hij slechts één opdrachtgever heeft, zijnde Humby, is daarbij niet van doorslaggevende betekenis.\n\nUit het voorgaande volgt voldoende dat [verweerder sub 2] zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt en dit ook voorheen al deed, hetgeen een aanwijzing vormt voor het bestaan van een overeenkomst van opdracht.\n\nConclusie\n\n5.25.. \n\nDe Hoge Raad heeft in het Deliveroo-arrest gekozen voor een zogenoemde holistische benadering van het kwalificatievraagstuk. Dat betekent dat alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien van belang zijn. Geen van deze factoren is doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsover-eenkomst.\n\nGelet op alle omstandigheden van dit geval, ook in onderling verband bezien, komt de kantonrechter tot de slotsom dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet kan worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst.\n\nPartijen hebben zich naar het oordeel van de kantonrechter bij de inrichting van de overeenkomst (de overeengekomen rechten en plichten) en de wijze waarop zij aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven, meer als opdrachtgever en opdrachtnemer gedragen, dan als werkgever en werknemer.\n\n5.26.. \n\nNu geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, ligt het eerste verzoek van Humby tot verklaring voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 1] , althans [verweerder sub 2] , geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan, voor toewijzing gereed. Het verzoek onder II en III komt niet voor beoordeling in aanmerking, nu niet aan de voorwaarde is voldaan dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst.\n\nHet tegenverzoek van [verweerder sub 1] onder I en II moeten worden afgewezen.\n\nProceskosten in het verzoek en in het tegenverzoek\n\n5.27.. \n\nHumby verzoekt de hoofdelijke veroordeling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] tot betaling van de volledige proceskosten. Volgens Humby is er sprake van misbruik van recht doordat zij in een procedure gedwongen wordt terwijl de uitkomst van de procedure in het voordeel van Humby wordt beslist. Dit verzoek kan niet worden toegewezen. Een proces-kostenveroordeling omvat in beginsel een forfaitaire vergoeding. Onder buitengewone omstandigheden kan de rechter echter een ruimere of zelfs volledige proceskostenveroordeling toekennen, bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Hiervan is sprake als het instellen van een vordering, gelet op de evidente onge-grondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven, wanneer de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Daar is in dit geval geen sprake van.\n\nAls een partij in een procedure tegen beter weten in onware stellingen inneemt en daarmee de andere partij onnodig op kosten jaagt, kan er sprake zijn van onrechtmatig procederen. Daar is eveneens geen sprake van, althans dat is onvoldoende door Humby onderbouwd.\n\nDat betekent dat aan Humby een forfaitaire procesvergoeding zal worden toegekend.\n\n5.28.. \n\nDe proceskosten komen (hoofdelijk) voor rekening van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , omdat zij in het ongelijk zijn gesteld. De proceskosten aan de zijde van Humby worden begroot op € 1.084,00 (€ 135,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\nDe kantonrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een aparte kostenveroor-deling in het zelfstandig tegenverzoek.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin het verzoek\n\n6.1.. verklaart voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 1] , althans [verweerder sub 2] , geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan,\n\n6.2.. veroordeelt [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.084,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin het tegenverzoek\n\n6.4.. wijst het verzoek af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.\n\nMH","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:11921","2026-07-13T00:29:06.878Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"1900","ECLI:NL:RBMNE:2025:7851","ecli-nl-rbmne-2025-7851",79,"2025-11-26T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer: 11839439 \\ MC EXPL 25-4540\n\nVonnis van 26 november 2025\n\nin de zaak van\n\nINFOMEDICS B.V., als rechtsopvolger van INFOMEDICS FACTORING B.V., mede handelend onder de namen INFOMEDICS FACTORING, UWNOTA.NL, DFA SERVICES EN INFOMEDICS DFA,\n\nstatutair gevestigd en kantoorhoudende te Almere,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Infomedics,\n\ngemachtigde: Yards Deurwaardersdiensten BV,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 5 augustus 2025 met producties 1 en 2; - de mondelinge conclusie van antwoord; - de akte van Infomedics tevens akte vermindering van eis met productie 4; - de antwoordakte van [gedaagde] .\n\n1.2. De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.\n\n2. Kern van de zaak\n\n2.1. Deze zaak gaat over een onbetaalde zorgkostennota. Het gaat om de nota die Infomedics op 10 februari 2025 aan [gedaagde] heeft gestuurd. Volgens de nota heeft [gedaagde] op 22 januari 2025 een tandheelkundige behandeling gehad bij [de tandarts] (hierna: ‘de tandarts’). De kosten daarvan waren, na vergoeding door de zorgverzekeraar van [gedaagde] , € 48,37. Infomedics heeft de vordering op [gedaagde] van de tandarts – door cessie daarvan – overgenomen. Infomedics wil dat [gedaagde] de nota alsnog betaalt, met rente en kosten. [gedaagde] erkent de hoofdsom met rente, de buitengerechtelijke incassokosten, de dagvaardingskosten en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding. Zij heeft die bedragen één dag voor de rolzitting van 3 september 2025 ook aan de gemachtigde van Infomedics betaald. Zij is het daarom niet eens met het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte. De vraag is of [gedaagde] het griffierecht en het salarisgemachtigde voor de akte moet betalen.\n\n2.2. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk. [gedaagde] hoeft het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte niet aan Infomedics te betalen.\n\n3. De beoordeling\n\nDe hoofdsom en de rente\n\n3.1. Vaststaat dat [gedaagde] op 22 januari 2025 een tandheelkundige behandeling heeft ondergaan. De kosten daarvoor waren, na vergoeding door de zorgverzekeraar van [gedaagde] , € 48,45. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde hoofdsom niet betwist. De hoofdsom van € 48,45 is dan ook toewijsbaar. Ook de gevorderde rente van € 1,06 is niet betwist en op grond van de wet toewijsbaar.\n\nDe buitengerechtelijke incassokosten\n\n3.2. De gevorderde incassokosten komen voor vergoeding in aanmerking als is voldaan aan de eisen van artikel 6:96 lid 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Daarin is het bedrag dat voor vergoeding in aanmerking komt beperkt. En ook is daarin vastgelegd dat die vergoeding pas verschuldigd is als de gedaagde partij – [gedaagde] – éérst in de gelegenheid is gesteld om het achterstallige bedrag nog gedurende veertien dagen zonder aanvullende kosten te voldoen en hij die gelegenheid niet heeft benut. In dit geval is aan de wettelijke eisen voldaan. De gevorderde vergoeding van € 40,00 is eveneens toewijsbaar.\n\nDe dagvaardingskosten en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding\n\n3.3. \n [gedaagde] heeft niet betwist dat zij te laat is met het betalen van de nota van de tandarts, waardoor Infomedics [gedaagde] uiteindelijk heeft moeten dagvaarden, met bijkomende kosten tot gevolg. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de dagvaardingskosten van € 120,78 en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding van € 40,00 niet betwist. Die kosten zijn toewijsbaar.\n\nBetaling vóór de rolzitting\n\n3.4. \n [gedaagde] heeft gesteld dat zij op 2 september 2025 – de dag voor de rolzitting op 3 september 2025 – alles heeft betaald. Uit de akte vermindering van eis is op te maken dat de gemachtigde van Infomedics in totaal het bedrag van € 250,21 van [gedaagde] heeft ontvangen. Met dat bedrag heeft [gedaagde] de hoofdsom, de buitengerechtelijke incassokosten, de rente, de dagvaardingskosten en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding (hierna: ‘hoofdsom met bijkomende kosten’) volledig betaald.\n\n3.5. De vorderingen van Infomedics tot betaling van de hoofdsom en bijkomende kosten worden om die reden dan ook afgewezen.\n\nHet griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte blijven voor rekening van Infomedics\n\n3.6. De vraag die resteert is of de rolzitting op 3 september 2025 doorgang had moeten vinden.\n\n3.7. \n [gedaagde] vindt van niet, omdat zij de hoofdsom met bijkomende kosten de dag vóór de rolzitting van 3 september 2025 heeft betaald. Zij wist niet dat zij vijf dagen vóór de rolzitting had moeten betalen. Anders had zij dat wel gedaan. Zij heeft nog contact met Infomedics opgenomen over haar betaling. Echter de gemachtigde van Infomedics gaf aan dat zij de betaling niet meer voor de rolzitting kon nagaan.\n\n3.8. Infomedics vindt van wel. Partijen zijn een betalingsregeling van (minimaal) € 30,00 per maand onder verband van vonnis overeengekomen. Dat betekent dat de rolzitting gewoon doorgang zou vinden. De verwijzing naar de vijf dagen stond in de dagvaarding en had betrekking op de hoofdsom en de bijkomende kosten. Echter, partijen waren een betalingsregeling overeengekomen waardoor het in één keer betalen van de hoofdsom en bijkomende kosten op dat moment niet meer nodig was. Na de rolzitting heeft [gedaagde] contact opgenomen met de gemachtigde van Infomedics, maar zij kon op dat moment de zaak niet meer voor de rolzitting doorhalen. [gedaagde] is daarom het griffierecht (en het salaris gemachtigde voor de akte) verschuldigd.\n\n3.9. De kantonrechter is van oordeel dat Infomedics deze procedure vóór de rolzitting op 3 september 2025 wél had kunnen intrekken. Het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte moeten daarom voor rekening van Infomedics blijven. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.\n\n3.10. Weliswaar heeft [gedaagde] niet vijf dagen vóór de rolzitting aan (de gemachtigde van) Infomedics betaald, maar Infomedics heeft niet betwist dat [gedaagde] op 2 september 2025, dus vóór de rolzitting op 3 september 2025, de hoofdsom en de bijkomende kosten heeft betaald. De rolzitting had dus geen doorgang hoeven hebben en deze procedure had dus ingetrokken kunnen worden, waardoor Infomedics het griffierecht niet had hoeven te betalen en ook geen akte had hoeven te nemen. Dat kennelijk het financiële systeem van de gemachtigde van Infomedics niet zo ingericht is dat een betaling snel getraceerd kan worden, is een omstandigheid die voor rekening en risico van Infomedics blijft. Het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte worden om die reden afgewezen. Dit betekent dat [gedaagde] het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte niet aan Infomedics hoeft te betalen.\n\nDe (resterende) proceskosten worden gecompenseerd\n\n3.11. Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. wijst de vorderingen van Infomedics af, omdat die voor de rolzitting op 3 september 2025 zijn voldaan,\n\n4.2. compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.\n\nHht\u002F37278","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7851","2026-04-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.491Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":51,"updatedAt":81},"1899","ECLI:NL:RBNHO:2025:15617","ecli-nl-rbnho-2025-15617",67,"2025-09-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Insolventie\n\nlocatie Haarlem\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 11334484 \\ CV EXPL 24-6944\n\nUitspraakdatum: 10 september 2025\n\nVonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\n1. [eiser 1],\n\n2. [eiser 2], beiden wonende te [plaats]\n\neisers\n\nhierna gezamenlijk te noemen: de passagiers\n\ngemachtigde: [gemachtigde] L.L.B.\n\ntegen\n\nde vennootschap naar buitenlands recht\n\nTuristik Hava Tasimacilik Anonim Sirketihandelend onder de naamCorendon Airlines,\n\ngevestigd te Antalya (Turkije)\n\ngedaagde\n\nhierna te noemen: de vervoerder\n\ngemachtigde: mr. B.S. Friedberg\n\nDe zaak in het kort\n\nDe vervoerder voert aan dat hij rauwelijks is gedagvaard. Dit verweer slaagt niet. De passagiers waren er niet van op de hoogte dat de vervoerder hen voor het uitbrengen van de dagvaarding had gecompenseerd. Zij hebben de vervoerder daarom ook nadat hij hen had gecompenseerd meermaals aangeschreven met het verzoek tot compensatie. De vervoerder heeft de passagiers pas na het uitbrengen van de dagvaarding geïnformeerd over de verrichte betaling. De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding:\n\n- de conclusie van antwoord;\n\n- de conclusie van repliek;\n\n- de conclusie van dupliek; - de akte eisers.1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 7 september 2022 moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Antalya (Turkije), met vlucht XC1922 (hierna: de vlucht).2.2.. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.2.3.. De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd. De vervoerder heeft niet uitbetaald.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De passagiers vorderen – na wijziging van eis – dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van: - de wettelijke rente over € 800,00 vanaf de dag van vertraging van de vlucht, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - € 120,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente, en de nakosten.3.2.. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261\u002F2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening). Nu de vervoerder reeds heeft gecompenseerd, vordert de passagier betaling van de wettelijke rente over de compensatie, rente en kosten.3.3.. De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat hij rauwelijks is gedagvaard, zodat hij niet kan worden gehouden tot betaling van de proceskosten.3.4.. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.4. De beoordeling\n\n4.1.. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.4.2.. De wettelijke rente over de bij dagvaarding gevorderde compensatie is toewijsbaar zoals gevorderd.4.3.. De vervoerder voert aan dat hij rauwelijks is gedagvaard, zodat de passagiers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard ten aanzien van de gevorderde proceskosten. De vervoerder heeft de passagiers op 21 maart 2024 gecompenseerd, waarna zij op 5 september 2024 deze procedure zijn gestart.4.4.. Met de passagiers is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van rauwelijks dagvaarden. Uit de door de passagiers overgelegde stukken volgt dat zij de vervoerder ná 21 maart 2024 meermaals hebben aangeschreven met het verzoek tot betaling van compensatie over te gaan, waaruit naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval volgt dat de passagiers niet op de hoogte waren van de uitbetaling door de vervoerder. Ontvangst van deze aanschrijvingen is door de vervoerder niet betwist. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om na ontvangst van een van deze aanschrijvingen contact op te nemen met (de gemachtigde van) de passagiers, om zo deze gerechtelijke procedure te voorkomen. Omdat hij dit heeft nagelaten, komen de proceskosten in beginsel voor zijn rekening. Hetgeen partijen hebben aangevoerd omtrent het opgegeven referentienummer behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking.4.5.. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.4.6.. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.4.7.. De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 120,00, vermeerderd met de wettelijke rente over € 800,00 vanaf 7 september 2022 en over € 120,00 vanaf 5 september 2024 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;5.2.. \n\nveroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:\n\ndagvaarding € 135,97; griffierecht € 218,00; salaris gemachtigde € 270,00;\n\nvermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;\n\n5.3.. veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;5.1.. \n\nwijst het meer of anders gevorderde af.\n\n Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15617","2026-01-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.453Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":43,"courtId":86,"decisionDate":87,"fullText":88,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":51,"updatedAt":91},"376","ECLI:NL:RBAMS:2025:11498","ecli-nl-rbams-2025-11498",56,"2025-04-08T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11303388 \\ CV EXPL 24-11719\n\nVonnis van 8 april 2025\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. J.G. Brands,\n\ntegen\n\n [gedaagde] (H.O.D.N. [bedrijf] ),\n\nte De Kwakel,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. O. Saaliti.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 19 augustus 2024 met producties 1 tot en met 5, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5.\n\n1.2.. Op 12 maart 2025 vond de mondelinge behandeling plaats. [eiser] was aanwezig met haar gemachtigde mr. Brands. Namens [gedaagde] is mr. Saaliti verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en door de griffier zijn aantekeningen gemaakt.\n\n1.3.. Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [eiser] heeft een tweedehands auto gekocht van [gedaagde] . [eiser] stelt (samengevat) dat de auto een schadeverleden heeft en dat zij de auto nooit zou hebben gekocht als zij van het schadeverleden op de hoogte was geweest. [eiser] vordert in deze procedure terugbetaling van de volledige koopsom van € 11.000,00. Ook vordert zij betaling van herstelkosten van € 137,34 en onderzoekskosten van € 695,75, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Tot slot vordert zij de wettelijke rente over voornoemde vorderingen. [gedaagde] voert aan dat hij niet wist dat de auto een schadeverleden had en betwist de ernst van de schade. De vorderingen van [eiser] zullen grotendeels worden toegewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [eiser] sloot op 24 maart 2024 een koopovereenkomst met [gedaagde] voor de koop van een tweedehands Citroën C3 uit 2021 (hierna: de auto) tegen betaling van € 11.000,00. De kilometerstand bedroeg op dat moment 48.590.\n\n3.2.. \n\nIn artikel IV, tweede gedachtestreepje van de koopovereenkomst tussen partijen is het volgende bepaald:\n\n“De verkoper [...] verleent op verzoek van de koper medewerking aan de inzage in de onderhoudshistorie van de auto.”\n\n3.3.. \n\nIn artikel IV, vijfde gedachtestreepje van de koopovereenkomst tussen partijen, is het volgende bepaald:\n\n“De auto heeft wel\u002Fgeen schade gehad (doorhalen wat niet van toepassing is).”\n\nBij deze bepaling is geen tekst doorgehaald.\n\n3.4.. \n\nAan het slot van artikel IV van de koopovereenkomst staat het volgende:\n\n“Als de auto wel schade heeft gehad, dan wordt hieronder de aard van de schade beschreven en de schaderapport(en) overhandigd.”\n\n [gedaagde] heeft daar het volgende geschreven:\n\n“Auto heeft geen mankementen of storing. Klant heeft auto gezien en gereden.”\n\n3.5.. Op 2 april 2024 liet [eiser] via WhatsApp aan [gedaagde] weten dat zij de onderhoudshistorie van haar auto niet online kon raadplegen en dat zij niet wist dat de auto is geïmporteerd uit het buitenland. Ook vroeg zij om bewijs van de juistheid van de kilometerstand en om het onderhoudsboekje.\n\n3.6.. Eveneens op 2 april 2024 gaf [gedaagde] een reactie op het bericht van [eiser] . Hij schreef – samengevat – dat [eiser] aan het kenteken had kunnen zien dat de auto is geïmporteerd, dat hij nadere informatie over de auto zou opvragen en de informatie zal toesturen. Op 5 april 2024 stuurde [gedaagde] een registratiebewijs van de kilometerstand.\n\n3.7.. Op 23 april 2024 liet [eiser] via WhatsApp aan [gedaagde] weten dat de auto motorproblemen had. Op 24 april 2024 reageerde [gedaagde] dat [eiser] de auto naar ‘Bosch Service’ kon brengen en dat zij de kosten van herstel naar [gedaagde] mocht opsturen.\n\n3.8.. \n [eiser] heeft [gedaagde] bij aangetekende brief van 13 mei 2024 in gebreke gesteld. [eiser] verzocht [gedaagde] om binnen twee weken informatie over de kilometerstand en onderhoudshistorie te verstrekken, alsmede de auto te repareren.\n\n3.9.. \n [gedaagde] heeft per brief van 31 mei 2024 gereageerd op de ingebrekestelling. [gedaagde] verwijst wat betreft de kilometerstand en onderhoudshistorie naar de onderhoudssticker en Citroën-dealer die op de sticker is vermeld. Ten aanzien van de gebreken voerde [gedaagde] aan dat deze reeds verholpen waren.\n\n3.10.. \n\n [eiser] heeft op 17 mei 2024 opdracht gegeven aan DEKRA om de auto te laten onderzoeken naar schades uit het verleden. De conclusie van het rapport luidt – voor zover relevant – als volgt:\n\n“Bij het onderzoek hebben wij vastgesteld dat het voertuig schade heeft opgelopen in het verleden, de schade is matig hersteld zoals hierboven in het rapport is beschreven.\n\nEr zijn diverse onderdelen nog beschadigd en diverse delen zijn met lijm vastgezet, tevens is de katalysator ernstig beschadigd en de passagiersairbag aansluitstekker is verlijmd aan de airbagunit.\n\nDe geconstateerde foutcodes dienen nader onderzocht te worden om de exacte oorzaak hiervan te kunnen vaststellen, hierna dienen de defecten deugdelijk hersteld te worden.”\n\nVerder staat in het rapport: “Bij het onderzoek constateerden wij een afwijkende pasvorm van de volgende voertuigdelen:\n\nDe voorbumper ten opzichte van de linker en rechter koplampunits;\n\nDe sierlijsten op de bumper;\n\nDe dagrijverlichting units;\n\nDe grille is beschadigd;\n\nDe sierlijsten van de linker- en rechter voorscherm zijn beschadigd;\n\nDe mistlampunit en de mistlamp sierlijst aan de rechter voorzijde zijn beschadigd en gelijmd;\n\nDe voorruit is vernieuwd door een niet origineel exemplaar vanaf fabriek;\n\nDe PVC onderplaat ter hoogte van de motor ontbreekt;\n\nDe PVC onderplaat ter hoogte van de radiateur ontbreekt;\n\nDe PVC wielkuip aan de rechter voorzijde is beschadigd.”\n\n3.11.. Bij brief van 27 juni 2024 heeft [eiser] een ontbindingsverklaring gestuurd aan [gedaagde] en aanspraak gemaakt op terugbetaling van de koopsom binnen twee weken na dagtekening van de brief. Aan de ontbindingsverklaring legde [eiser] het ernstige schadeverleden van de auto ten grondslag.\n\n4. De beoordeling\n\nConsumentenkoop\n\n4.1.. Vast staat dat [eiser] de auto als consument heeft aangeschaft en dat sprake is van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\nNon-conformiteit en ontbinding van de koopovereenkomst\n\n4.2.. De kern van het geschil tussen partijen is de vraag of het schadeverleden van de door [eiser] aangeschafte auto recht geeft op terugbetaling van de koopprijs. In dat verband moet worden bezien of [eiser] de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden op 27 juni 2024. Op grond van artikel 7:22 BW kan de koper de koop ontbinden indien de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt. Een auto beantwoordt volgens artikel 7:17 BW niet aan de koopovereenkomst als deze niet de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan de koper de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Een auto die niet aan de overeenkomst beantwoordt, is non-conform.\n\n4.3.. \n [eiser] stelt dat [gedaagde] haar ten onrechte niet heeft ingelicht over het schadeverleden van de auto en het feit dat het een importauto betreft. Ook verwijt zij [gedaagde] dat hij de onderhoudshistorie niet aan haar heeft verschaft. [eiser] stelt dat zij geen auto behoefde te verwachten met een schadeverleden zoals door DEKRA is vastgesteld. Zo blijkt uit het rapport dat diverse delen met lijm zijn vastgezet, dat de katalysator ernstig beschadigd is en dat de passagiersairbag aansluitstekker is verlijmd aan de airbagunit. [eiser] heeft de auto voor een marktconforme prijs van € 11.000,- gekocht. Als zij had geweten dat de auto een dergelijk schadeverleden kende, dan had zij de auto, mede gelet op de waardedaling, niet gekocht, zo stelt [eiser] .\n\n4.4.. Die laatste stelling wordt door [gedaagde] niet betwist. Ook betoogt [gedaagde] dat indien hij van het schadeverleden had geweten, hij dit had medegedeeld aan [eiser] . Vastgesteld wordt door de kantonrechter dat het schadeverleden van de auto een negatieve invloed heeft op de waarde en verhandelbaarheid van de door [eiser] aangeschafte auto.\n\n4.5.. \n [gedaagde] voert verder aan dat hij niet wist dat de auto een schadeverleden had. [gedaagde] verkocht de auto in opdracht van een derde (een zogenaamde consignatieverkoop) en daarvan was [eiser] volgens [gedaagde] op de hoogte. Verder voert [gedaagde] aan dat de auto weliswaar in het verleden schade heeft opgelopen, maar tijdens de koop volledig functioneerde en dat [eiser] veilig kon deelnemen aan het verkeer. Daarnaast heeft [eiser] vanaf het moment van aankoop tot het moment dat zij de auto liet onderzoeken door DEKRA ongeveer 3.000 kilometer gereden en heeft DEKRA tijdens haar proefrit in het kader van het onderzoek geen afwijkingen geconstateerd.\n\n4.6.. De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] op zichzelf terecht aanvoert dat bij de vraag of een tweedehands auto aan de overeenkomst beantwoordt, moet worden betrokken of het gebruik van de auto een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert. Dit betekent echter niet dat een verkeersveilige auto per definitie conform is. Hetgeen [eiser] mocht verwachten op grond van de koopovereenkomst wordt ingekleurd aan de hand van de aard van de zaak en de mededelingen die [gedaagde] in dat verband heeft gedaan. Verder gaat het hier om een consumentenkoop waarbij de consument van een professionele verkoper een dure en technisch complexe zaak koopt. Deze verhouding is onevenwichtig. In het geval een marktconforme prijs wordt betaald mag een consument er op vertrouwen dat de auto voldoet aan de verwachtingen. Dit kan verder gaan dan de vraag of de auto rijdt en geen gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert.\n\n4.7.. Het gaat hier om de aanschaf van een auto met een markconforme prijs. De consument is niet geïnformeerd over het feit dat het hier gaat om een schadeauto waarvan vast staat dat dit de waarde negatief beïnvloedt. Uit de koopovereenkomst volgt dat in het geval van schade hierover gerapporteerd zou worden (zie onder 3.4). Van een dergelijke rapportage is echter niet gebleken, terwijl wel degelijk sprake is van significante schade. Nu vast staat dat het schadeverleden belangrijke informatie betreft en door [gedaagde] op zijn minst is gesuggereerd dat van dergelijke schade geen sprake is, voldoet de auto niet aan hetgeen [eiser] mocht verwachten. Dat [gedaagde] de auto zou hebben verkocht in opdracht van een derde doet aan het voorgaande niets af. Daarbij blijkt uit niets dat [gedaagde] [eiser] voorafgaand aan de koop er van op de hoogte heeft gesteld dat het gaat om een consignatieverkoop.\n\n4.8.. Kortom, gelet op de aard van de zaak en de mededelingen van [gedaagde] ten tijde van de koop, behoefde [eiser] het ernstige schadeverleden niet te verwachten. Daarom wordt vastgesteld dat de auto non-conform is in de zin van artikel 7:17 BW. Overwogen is dat het schadeverleden invloed heeft op de waarde en verhandelbaarheid van de auto. Dit betekent dat herstel of vervanging in de zin van artikel 7:22 lid 2 BW onmogelijk was en [eiser] de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden op 27 juni 2024.\n\nTerugbetaling koopsom met rente\n\n4.9.. \n [eiser] mocht de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden. Het gevolg hiervan is dat [gedaagde] de betaalde koopsom moet terugbetalen en de auto terug moet naar [gedaagde] . [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 11.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf datum dagvaarding, (19 augustus 2024) tot de dag van volledige betaling. Het is aan [gedaagde] om de auto te komen ophalen, dan wel ervoor te kiezen dat [eiser] de auto op kosten van [gedaagde] bezorgt of laat bezorgen.\n\nHerstel- en onderzoekskosten met rente\n\n4.10.. \n\n [eiser] vordert ook vergoeding van schade bestaande uit herstelkosten van\n\n€ 137,34 en onderzoekskosten van € 695,75. De herstelkosten zien niet op het schadeverleden an sich, maar op de motorproblemen waar [eiser] op 23 april 2024 mee kampte (zie punt 3.7.). [gedaagde] heeft aangeboden dit gebrek te (laten) herstellen, zodat [eiser] niet gerechtigd is om het herstel door een derde laten plaatsvinden op kosten van [gedaagde] . Deze vordering zal daarom worden afgewezen.\n\n4.11.. De onderzoekskosten worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Daarom zal de vordering tot vergoeding van de onderzoekskosten van € 695,75 worden toegewezen. De wettelijke rente hierover zal worden toegewezen, te rekenen vanaf datum dagvaarding (zijnde 19 augustus 2024) tot de dag van volledige betaling.\n\nProceskosten\n\n4.12.. \n [gedaagde] wordt (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.Deze kosten komen ten laste van het Rijk. De proceskosten van [eiser] worden zodoende begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n87,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n812,00\n\n(2 punten × € 406,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n135,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.034,00.\n\n4.13.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.14.. De veroordeling in dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de verplichting om aan dit vonnis te voldoen ingaat op het moment dat het is uitgesproken, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 11.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf 19 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 695,75 aan onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf 19 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.034,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n5.4.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11498","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.728Z",{"id":93,"ecli":94,"slug":95,"caseNumber":43,"courtId":96,"decisionDate":97,"fullText":98,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":99,"sourceTimestamp":100,"parsedAt":51,"updatedAt":101},"1087","ECLI:NL:RBMNE:2025:323","ecli-nl-rbmne-2025-323",71,"2025-02-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F577570 \u002F HL ZA 24-176\n\nVonnis van 12 februari 2025\n\nin de zaak van\n\n1. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\n [eiseres sub 1] LLC,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 1] in Koeweit, 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\n [eiseres sub 2] LLC,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 2] in de Verenigde Arabische Emiraten,\n\neisende partijen,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] ,\n\nhierna samen te noemen: [eiseressen] ,\n\nadvocaat: mr. R.J.W. Pijls,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 3] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. S. Booij.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 t\u002Fm 17;\n\n- de conclusie van antwoord met producties 1 t\u002Fm 4;\n\n- de akte van [eiseressen] met aanvulling van de gronden, vermeerdering van eis en productie 18;\n\n- de mondelinge behandeling van 6 december 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;\n\n- de spreekaantekeningen van [eiseressen] ;\n\n- de spreekaantekeningen van [gedaagde] .\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] behoren toe aan dezelfde groep aan vennootschappen en leggen zich toe op de productie en levering van onder andere bakkerijgrondstoffen. [gedaagde] levert vloeibare zuivel, melkpoeder en boter aan verwerkers en eindgebruikers. [gedaagde] had een (niet exclusieve) samenwerking met [bedrijf] B.V. welke partij op 4 april 2023 in staat van faillissement is verklaard. Volgens [eiseressen] is [gedaagde] meerdere keren betaald voor een bestelling Ghee Butter, die [gedaagde] maar één keer heeft geleverd aan [eiseressen] vindt daarom dat [gedaagde] aan haar een gedeelte moet terugbetalen. Namelijk primair € 195.039,00 aan [eiseres sub 1] , subsidiair € 220.585,50 aan [eiseres sub 2] en meer subsidiair € 75.524,40 aan [eiseres sub 1] of [eiseres sub 2] . Verder maakt [eiseressen] aanspraak op betaling van de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. [gedaagde] ziet geen reden tot betaling van enig bedrag. De rechtbank is het eens met [gedaagde] . Dat betekent dat [eiseressen] ongelijk krijgt en dat haar vorderingen zullen worden afgewezen.\n\n3. De beoordeling\n\nWat is er aan de hand?\n\n3.1.. Volgens [eiseressen] heeft zij in reactie op een gezamenlijk aanbod van [bedrijf] en [gedaagde] in maart 2022 een bestelling Ghee Buttergeplaatst bij hen en heeft zij voor deze bestelling € 126.282,00 betaald aan [bedrijf] . Vanwege importproblemen kon de bestelling niet geleverd worden. In augustus 2022 heeft zij een vervangende bestellingGhee Buttergeplaatst bij [bedrijf] en [gedaagde] . Deze bestelling had een totale waarde van € 251.748,00. Maar gelet op de eerdere mislukte levering heeft zij slechts € 94.304,50 betaald. Ook deze bestellingen is niet geleverd, omdat een voor de levering vereist halal-certificaat ontbrak.\n\n3.2.. \n [eiseressen] heeft in december 2022 bij [gedaagde] een bestelling geplaatst voor een lading Ghee Butter. De levering van deze bestelling is wel gelukt. Volgens [eiseressen] hoefde zij niet te betalen aan [gedaagde] voor deze levering, omdat deze diende ter vervanging van de niet geleverde bestellingen in maart en augustus 2022. Per ongeluk heeft [eiseressen] de factuur voor de derde bestelling van € 195.039,00 wel aan [gedaagde] betaald, aldus [eiseressen]\n\n3.3.. Volgens [eiseressen] is de betaling daarom onverschuldigd gedaan aan [gedaagde] . Primair vordert [eiseressen] dat [gedaagde] dat bedrag aan haar terug betaald. Subsidiair stelt [eiseressen] zich op het standpunt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de verbintenis tegenover haar, omdat [gedaagde] haar leveringsverplichting van de eerste en de tweede bestelling Ghee Butterniet is nagekomen. Daarom vordert zij subsidiair een vervangende schadevergoeding van [gedaagde] ter hoogte van haar betaling voor de eerste en tweede bestelling van in totaal € 220.585,50. Meer subsidiair vordert [eiseressen] van [gedaagde] betaling van een bedrag van € 75.524,40 op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Volgens [eiseressen] heeft [gedaagde] dat bedrag ontvangen van [bedrijf] als betaling voor de tweede bestelling, terwijl zij daarvoor geen tegenprestatie heeft geleverd.\n\n3.4.. Volgens [gedaagde] heeft zij niet met [bedrijf] een gezamenlijk aanbod gedaan aan [eiseressen] voor een lading Ghee Butteren is zij niet betrokken geweest als partij bij de bestellingen van [eiseressen] bij [bedrijf] . [gedaagde] betwist dat er een verbintenis tussen haar en [eiseressen] tot stand is gekomen voor bestellingen in maart en augustus 2022. Volgens [gedaagde] heeft [eiseressen] in december 2022 voor het eerst een ladingGhee Butterbij haar besteld en is dat de eerste verbintenis die tussen hen tot stand is gekomen. [gedaagde] heeft conform die afspraakGhee Buttergeleverd en [eiseressen] heeft conform afspraak betaald, aldus [gedaagde] . Daarmee ontbreekt volgens [gedaagde] een rechtsgrond voor de vorderingen van [eiseressen]\n\n [gedaagde] geen contractspartij bij de bestellingen in maart en augustus 2022\n\n3.5.. Voorafgaand aan de beslissingen op de vorderingen, zal eerst de onderliggende vraag die partijen verdeeld houdt, worden beantwoord: Heeft [eiseressen] met [gedaagde] gecontracteerd voor de leveringen van Ghee Butterin maart en augustus 2022?\n\n3.6.. Omdat [eiseressen] zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde verbintenissen met [gedaagde] , en [gedaagde] die verbintenissen heeft betwist, is het aan [eiseressen] om aan te tonen dat de verbintenissen zijn aangegaan.\n\n3.7.. \n [eiseressen] heeft vier argumenten aangevoerd die zouden moeten maken dat zij met (onder andere) [gedaagde] heeft gecontracteerd, namelijk: (1) de (pro forma) facturen, (2) de bemanning van een gezamenlijke stand op [beurs] in Dubai door [bedrijf] en [gedaagde] en hun samenwerking, (3) de e-mailcorrespondentie tussen [gedaagde] en [bedrijf] en e-mailcorrespondentie tussen [eiseressen] en [gedaagde] en (4) een verklaring van de voormalig bestuurder van [bedrijf] . Deze argumenten slagen niet.\n\n(1) De (pro forma) facturen\n\n3.8.. \n [eiseressen] verwijst allereerst naar de (pro forma) facturen (overgelegd als producties 1 en 3 bij de dagvaarding) ter onderbouwing van haar stelling dat zij met [bedrijf] én [gedaagde] heeft gecontracteerd. Op de eerste factuur is naast het logo en adres van [bedrijf] , ook het logo van [gedaagde] te zien. Op de tweede factuur is naast het logo van [gedaagde] , ook het adres en bankrekeningnummer van [gedaagde] vermeld. [gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat zij niet bekend is met deze facturen en deze niet namens haar zijn opgesteld of verzonden. Volgens haar zijn deze facturen afkomstig van [bedrijf] , waaraan [bedrijf] kennelijk het logo van [gedaagde] heeft toegevoegd. De facturen zijn voorzien van een stempel van [bedrijf] en ondertekend namens [bedrijf] . Een handtekening namens en stempel van [gedaagde] ontbreken.\n\n3.9.. Omdat [gedaagde] haar betrokkenheid bij het opstellen van deze facturen betwist en de accordering van [gedaagde] niet uit de facturen kan worden afgeleid, kunnen de facturen niet de stelling dragen dat hieruit volgt dat [eiseressen] met [gedaagde] heeft gecontracteerd voor de bestellingen in maart en augustus 2022. [eiseressen] heeft geen andere stukken, bijvoorbeeld e-mailcorrespondentie, overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde] als contractspartij betrokken is bij (de onderhandeling en de totstandkoming van) de bestellingen in maart en augustus 2022. Evenmin zijn er stukken overgelegd waaruit volgt dat [gedaagde] een verplichting is aangegaan tegenover [eiseressen] om de bestellingen te leveren.\n\n(2) Partnerschap en een stand delen op een beurs is onvoldoende\n\n3.10.. \n [eiseressen] heeft ten tweede aangevoerd dat [gedaagde] en [bedrijf] als partners gezamenlijk naar buiten traden en gezamenlijk een stand hebben gedeeld op de beurs van [beurs] 2022 in Dubai. Dat laatste staat niet ter discussie tussen partijen. Dat [gedaagde] en [bedrijf] als partners naar buiten traden heeft [gedaagde] wel betwist. [gedaagde] heeft de handelsrelatie tussen hen als volgt toegelicht. [bedrijf] en zij waren in februari 2022 een samenwerking aangegaan. De afspraken tussen [gedaagde] en [bedrijf] hielden onder andere in dat alle verkoopcontracten door [gedaagde] worden gesloten, dat [gedaagde] factureert aan de klant en dat de klant 100% van de koopprijs betaalt aan [gedaagde] . De afspraken hielden dus niet in dat [bedrijf] als agent van [gedaagde] uit haar naam overeenkomsten kon aangaan met derden en bevoegd was [gedaagde] daaraan te binden.\n\n3.11.. \n [eiseressen] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat alle communicatie over de bestellingen in maart en augustus 2022 met [bedrijf] is geweest. Zij ging ervan uit dat [bedrijf] de agent was die namens [bedrijf] én [gedaagde] de overeenkomst mocht aangaan. Deze kennelijk onjuiste voorstelling van zaken blijft in dit geval voor rekening van [eiseressen] Het ligt immers op de weg van [eiseressen] om een veronderstelde vertegenwoordigingsbevoegdheid bij beoogde zakenpartners te controleren. [eiseressen] had niet op basis van de door haar gestelde omstandigheden er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat een verbintenis met [bedrijf] ook [gedaagde] zou binden. [eiseressen] heeft verder ook niet gesteld dat zij op grond van bepaalde gedragingen van [gedaagde] redelijkerwijs mocht verwachten dat de verbintenissen die zij aangingen met [bedrijf] ook [gedaagde] zou binden.\n\n(3) Verbintenis volgt niet uit de e-mailcorrespondentie tussen [gedaagde] en [bedrijf]3.12.. \n [eiseressen] heeft ten derde verwezen naar de e-mailcorrespondentie van 19 oktober 2022 en 2 december 2022 (overgelegd als productie 11 bij de dagvaarding) tussen [gedaagde] en [bedrijf] . Maar deze toont niet aan dat [gedaagde] een verbintenis met c.q. leveringsverplichting aan [eiseressen] had. In deze e-mailcorrespondentie wisselen [gedaagde] en [bedrijf] updates uit over de stand van zaken tussen hen en maken zij afspraken met elkaar. Als deze e-mailwisseling gaat over een lading Ghee Butterdie [bedrijf] bij [gedaagde] heeft besteld, dan is dat voor de rechtsverhouding tussen [eiseressen] en [gedaagde] niet relevant. Aan de afspraken tussen [bedrijf] en [gedaagde] kan [eiseressen] geen rechten ontlenen. Dit zou alleen anders zijn, als partijen daar afspraken over hebben gemaakt, maar dat blijkt niet uit de stukken.\n\n3.13.. Uit de andere e-mailcorrespondentie van december 2022 (overgelegd als productie 5 bij de dagvaarding) tussen [eiseressen] en [gedaagde] blijkt ook niet dat [eiseressen] met [gedaagde] een verbintenis is aangegaan voor de bestellingen Ghee Buttervan maart en augustus 2022. Anders dan [eiseressen] heeft betoogd, blijkt uit deze e-mailwisseling niet dat partijen refereren aan een eerdere bestelling die [eiseressen] bij [gedaagde] zou hebben geplaatst en waarvoor [eiseressen] aan [gedaagde] zou hebben betaald.\n\n(4) De verklaring van de voormalig bestuurder van [bedrijf]\n\n3.14.. \n [eiseressen] heeft ter vierde gewezen op een verklaring van de voormalig bestuurder van [bedrijf] , afgegeven per e-mail op 30 augustus 2023 aan [eiseressen] In deze verklaring wordt niet verklaard dat [eiseressen] met [bedrijf] én [gedaagde] heeft gecontracteerd voor de bestellingen in maart en augustus 2022. De verklaring van de bestuurder van [bedrijf] is om die reden geen onderbouwing van die stelling van [eiseressen] Daarbij is de rechtbank het met [gedaagde] eens dat de voormalig bestuurder van [bedrijf] een eigen belang kan hebben bij zijn verklaring. De verklaring is ook niet onder ede afgelegd.\n\nGeen sprake van onverschuldigde betaling\n\n3.15.. Tussen partijen staat vast dat [eiseres sub 2] in december 2022 per e-mail bij [gedaagde] 25.005 kg Ghee Butterheeft besteld voor een prijs van € 7,80 per kg. [gedaagde] heeft, zoals partijen hadden afgesproken, die bestelling laten leveren bij [eiseres sub 1] . [gedaagde] heeft voor deze levering een factuur van € 195.039,00 gezonden aan [eiseres sub 2] en op 24 januari 2023 is de factuur door [eiseres sub 1] betaald aan [gedaagde] .\n\n3.16.. Hieruit volgt dat aan de betaling van € 195.039 door [eiseressen] aan [gedaagde] een tussen partijen afgesproken levering van 25.005 kg voor € 7,80 kg Ghee Butterten grondslag ligt. Dat maakt dat de betaling van [eiseressen] aan [gedaagde] niet zonder rechtsgrond is gedaan. Om die reden kan er geen sprake zijn van een onverschuldigde betaling. Dat zou alleen anders zijn, als partijen zijn overeengekomen dat deze bestelling niet betaald hoefde te worden of omdat voor deze levering al betaald was.\n\n3.17.. Volgens [eiseressen] blijkt uit de e-mailcorrespondentie tussen [eiseressen] en [gedaagde] in december 2022 dat partijen zijn overeengekomen dat [eiseressen] de bestelling Ghee Butterniet aan [gedaagde] hoefde te betalen, omdat deze bestelling twee eerdere bestellingen zou vervangen. Een dergelijke afspraak is niet op te maken uit de e-mailcorrespondentie. Bovendien ligt een dergelijke afspraak niet in de rede. Uit de beoordeling onder 3.5 t\u002Fm 3.14 volgt dat, anders dan [eiseressen] stelt, [gedaagde] geen eerdere leveringsverplichtingen tegenover [eiseressen] heeft gehad.\n\n3.18.. Voor zover [eiseressen] met verwijzing naar de twee betaalafschriften, overgelegd als productie 2 en 4 bij de dagvaarding, heeft bedoeld aan te tonen dat zij [gedaagde] al had betaald voor de bestelling Ghee Butterin december 2022, volgt de rechtbank [eiseressen] hierin niet. Uit de betaalafschriften volgt dat [eiseres sub 2] aan [bedrijf] heeft betaald voor de bestellingen in maart en augustus 2022. Zoals geoordeeld, was [gedaagde] niet als contractspartij bij deze verbintenissen betrokken. Zonder nadere afspraak tussen partijen, waarvan niet is gebleken, kunnen deze betalingen dan ook niet worden opgevat als een betaling voor de bestelling van 25.005 kgGhee Butterin december 2022 bij [gedaagde] .\n\n3.19.. Dit betekent dat de primair gevorderde veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 195.039 aan [eiseressen] op grond van onverschuldigde betaling zal worden afgewezen.\n\nGeen sprake van een toerekenbare tekortkoming\n\n3.20.. De subsidiair gevorderde vervangende schadevergoeding van € 220.585,50 zal ook worden afgewezen. Deze vordering is gebaseerd op de stelling dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar leveringsverplichtingen tegenover [eiseressen] bij de bestellingen Ghee Buttervan maart en augustus 2022. Deze vordering strandt, omdat niet is gebleken dat [eiseressen] en [gedaagde] voor die bestellingen verbintenissen zijn aangegaan, op grond waarvan [gedaagde] moest leveren aan [eiseressen] Om die reden kan van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] geen sprake zijn.\n\nGeen sprake van ongerechtvaardigde verrijking\n\n3.21.. Ook de meer subsidiair gevorderde betaling van € 75.524,40 op grond van ongerechtvaardigde verrijking zal worden afgewezen.3.22.. Voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking is vereist a) dat sprake is van een verrijking (een vermogensvermeerdering) die b) ten koste van een ander heeft plaatsgevonden, zodat die ander schade heeft geleden (een verarming) en c) dat de verrijking ten koste van de ander ongerechtvaardigd is. Ten slotte geldt dat d) op de verrijkte slechts een verplichting tot op schadevergoeding rust, voor zover dit redelijk is.\n\n3.23.. Gelet op voornoemde vereisten is de enkele omstandigheid dat [bedrijf] een bedrag van € 75.524,40 aan [gedaagde] heeft betaald, onvoldoende om te kunnen vaststellen dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eiseressen] [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij het door [bedrijf] aan haar betaalde bedrag van € 75.524,40 heeft verrekend met de schulden die [bedrijf] aan [gedaagde] heeft. Dat betekent dat er geen verrijking heeft plaatsgevonden aan de zijde van [gedaagde] , nog los van de vraag of dat ten koste van [eiseressen] is gegaan. Kortom, [eiseressen] heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake is geweest ongerechtvaardigde verrijking bij [gedaagde] .\n\nGeen sprake van onrechtmatige daad\n\n3.24.. Volgens [eiseressen] heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld tegenover haar. Enige onderbouwing bij deze stelling ontbreekt. Zonder nadere toelichting ziet de rechtbank niet in op welke wijze [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseressen]\n\nAfwijzing nevenvorderingen\n\n3.25.. Omdat zowel de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire hoofvordering van [eiseressen] worden afgewezen, delen de daaraan gekoppelde nevenvorderingen dat lot. De gevorderde buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente zullen daarom ook worden afgewezen.\n\n [eiseressen] moet de proceskosten betalen\n\n3.26.. \n [eiseressen] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.617,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n5.428,00\n\n(2 punten × € 2.714,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n178,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n12.223,00\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n4.1.. wijst de vorderingen van [eiseressen] af,\n\n4.2.. veroordeelt [eiseressen] in de proceskosten van [gedaagde] , begroot op € 12.223,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW als de betaling niet binnen deze termijn plaats vindt,\n\n4.3.. de proceskosten worden vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseressen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2025.\n\n5340","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:323","2025-02-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.353Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":43,"courtId":106,"decisionDate":107,"fullText":108,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":51,"updatedAt":111},"1656","ECLI:NL:RBMNE:2025:176","ecli-nl-rbmne-2025-176",84,"2025-01-29T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Amersfoort\n\nZaaknummer: 10626668 \\ AC EXPL 23-1675\n\nVonnis van 29 januari 2025\n\nin de zaak van\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\n [eiseres],\n\ngevestigd in [gemeente] , Frankrijk,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\ngemachtigde: Juristu Incasso Juristen B.V.,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde sub 1] ,\n\n2. [gedaagde sub 2],\n\nbeiden wonend in [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] ,\n\ngemachtigde: mr. E.R. Jonker.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het incidenteel vonnis van 8 november 2023 - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6\n\n- de brief namens [eiseres] van 17 november 2023 met aanvullende producties 1 tot en met 6 - de brief namens [gedaagde sub 1] van 26 november 2024 met aanvullende productie 7 - de mondelinge behandeling van 6 december 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Namens [eiseres] zijn op de zitting verschenen [A] , voorzitter, en [B] , penningmeester. [gedaagde sub 1] was aanwezig, bijgestaan door mr. Jonker, gemachtigde. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Waar gaat de zaak over?\n\n2.1.. In de gemeente [gemeente] in Frankrijk ligt een villawijk (quartier), aangeduid als ‘ [...] ’. [eiseres] is een vereniging met als doel onder meer het beheer en het onderhoud van de gemeenschappelijke terreinen, bouwwerken en voorzieningen die deel uitmaken van [...] , met uitzondering van de privégedeeltes van de verschillende leden. De familie [gedaagde sub 1] is eigenaar van een woning die is gelegen in het quartier van [eiseres] (de woning).\n\n2.2.. \n\n [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] op 1 januari 2023 een factuur gestuurd voor het algemeen beheer van de woning voor de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 van € 1.354,96. Omdat [gedaagde sub 1] de factuur niet op tijd heeft betaald, heeft [eiseres] [gedaagde sub 1] daarna ook aanmaningskosten en rente in rekening gebracht, in totaal € 1.490,96. Op 28 april 2023 heeft [gedaagde sub 1] € 325,00 aan [eiseres] betaald. Het resterende bedrag van (€ 1.490,96 - € 325,00 =)\n\n€ 1.165,96, is door [gedaagde sub 1] niet betaald. [eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde sub 1] tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten.\n\n2.3.. Naar aanleiding van de door [gedaagde sub 1] hiertegen opgeworpen incidenten heeft de kantonrechter op 8 november 2023 beslist dat de Nederlandse rechter bevoegd is, dat [eiseres] naar het voorlopig oordeel ontvankelijk is in haar vordering en dat [eiseres] [gedaagde sub 1] afschriften dient te verstrekken van de notulen en financiële jaarverslagen van de afgelopen drie boekjaren.\n\n2.4.. \n [gedaagde sub 1] voert als belangrijkste verweer dat [eiseres] niet-ontvankelijk is omdat zij niet bestaat. [gedaagde sub 1] is ook geen lid van [eiseres] maar lid van de vereniging ‘ [..] [.] ’ ( [.] ). Niet is gebleken dat [eiseres] rechtsgeldig wordt vertegenwoordigd. [gedaagde sub 1] betwist verder de aard en omvang van de beheerskosten. [gedaagde sub 1] voert ook verweer tegen de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en tegen de hoogte van de gevorderde wettelijke rente.\n\n3. De beoordeling\n\nDe Nederlandse rechter is bevoegd3.1.. De kantonrechter stelt voorop dat in het incidenteel vonnis van 8 november 2023 (zie daarin punt 3.1) al uitdrukkelijk is geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat [gedaagde sub 1] woonplaats heeft in [plaats] . [gedaagde sub 1] heeft in de conclusie van antwoord opnieuw gesteld dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft. De rechter die in een tussenuitspraak één of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist is hieraan in beginsel - uit een oogpunt van goede procesorde - in het verdere verloop van het geding gebonden. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] in de conclusie van antwoord geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd tegen het oordeel over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De kantonrechter heeft ook geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat de beslissing over de bevoegdheid in het incidenteel vonnis op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om op dit oordeel terug te komen. De Nederlandse kantonrechter is dus bevoegd om over de vordering van [eiseres] te oordelen.\n\nOp de zaak is het Nederlandse recht van toepassing3.2.. Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De kantonrechter begrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van partijen, dat partijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.\n\n [eiseres] is ontvankelijk in haar vordering3.3.. \n\n [gedaagde sub 1] voert aan dat [eiseres] niet kan worden ontvangen in haar vordering omdat zij als rechtspersoon niet bestaat. In het incidenteel vonnis heeft de kantonrechter hierover al voorlopig geoordeeld dat [eiseres] ontvankelijk is in haar vordering. Daarbij heeft de kantonrechter meegewogen dat [eiseres] niet ingeschreven hoeft te zijn in het handelsregister, haar statuten geregistreerd zijn bij de Prefet en gepubliceerd zijn in de Staatscourant. [gedaagde sub 1] heeft zijn stelling dat [eiseres] als rechtspersoon toch niet bestaat, niet onderbouwd. [gedaagde sub 1] voert ook aan dat [eiseres] niet rechtsgeldig wordt vertegenwoordigd door de bevoegde beheerder. Naar Nederlands recht hoeft [eiseres] niet vertegenwoordigd te worden door een beheerder. Uit artikel 13 van de door [eiseres] overgelegde vertaling van haar statuten blijkt dat het bestuur bevoegd is de vereniging te vertegenwoordigen en deel te nemen aan procedures. Uit de door [eiseres] overgelegde notulen van de algemene ledenvergadering van\n\n1 april 2023 blijkt dat [A] als voorzitter en [B] deel uitmaken van het bestuur van [eiseres] . Ter zitting is gebleken dat zij nog steeds bestuurder zijn van [eiseres] . De kantonrechter ziet dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat [A] en [B] onbevoegd zijn om de vordering van [eiseres] in rechte op te eisen. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] ontvankelijk is in haar vordering.\n\n [gedaagde sub 1] moet de ledenbijdrage betalen3.4.. \n [gedaagde sub 1] voert als belangrijkste inhoudelijk verweer tegen de vordering dat zij op grond van de aankoop van de woning wel lid is van een vereniging, genaamd “ [..] [.] ”, maar geen lid is van [eiseres] . De kantonrechter volgt dit niet. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde sub 1] in 2006 eigenaar is geworden door koop van een perceel met daarop een woning en dat hij toen lid is geworden van een vereniging van eigenaren voor 52 woningen. [gedaagde sub 1] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de vereniging “ [..] [.] ” een andere vereniging is dan [eiseres] . [B] heeft ter zitting toegelicht dat “ [..] [.] ” de oorspronkelijke naam was van [eiseres] . [B] heeft erop gewezen dat in de bijlage bij zijn koopovereenkomst uit 2006 in de wijk (uiteindelijk) 122 woningen werden beoogd, die op dat moment niet, of gedeeltelijk, klaar waren. Tijdens de ledenvergadering in 2007 is de naam van [eiseres] gewijzigd in ‘ [..] ’. Uit de in 2015 gewijzigde statuten van [eiseres] blijkt dat het aantal woningen aanzienlijk is uitgebreid. Niet is betwist door [gedaagde sub 1] dat hij daarna op de vergadering aanwezig is geweest en de jaarlijkse ledenbijdrage tot en met 2022 steeds heeft betaald. Inmiddels is fase 2 klaar en staan er 94 huizen in de wijk. De kantonrechter begrijpt hieruit dat in de loop der tijd de naam en de omvang van de vereniging door uitbreiding van de wijk is gewijzigd. Deze uitbreiding van de wijk was al voorzien bij de verkoop van de eerste percelen met woningen, onder andere aan [gedaagde sub 1] . Dat de uitbreiding was voorzien blijkt ook uit het feit dat de oorspronkelijke naam van de vereniging bestond uit de toevoeging ‘ [.] ’. De omstandigheid dat een vereniging van omvang verandert door het toetreden van nieuwe leden, brengt niet mee dat het lidmaatschap van [gedaagde sub 1] daardoor op enig moment stopt. Bovendien staat onvoldoende betwist vast dat nieuwe eigenaren van woningen in de wijk steeds lid worden van [eiseres] en dat de notaris hun gegevens daartoe na de aankoop ook doorgeeft aan [eiseres] en niet aan een andere vereniging. Als een woning uit de wijk wordt verkocht neemt de notaris contact op met [eiseres] om te controleren of er een betalingsachterstand is.\n\n3.5.. \n\n [gedaagde sub 1] voert verder aan dat de bijdrage niet is verschuldigd omdat deze niet volgt uit de statuten van [eiseres] . De ledenbijdrage is volgens [gedaagde sub 1] ook te hoog omdat daarin kosten zijn verwerkt voor zaken waarvan hij geen of onvoldoende nut ervaart. De bijdrage ziet volgens [gedaagde sub 1] niet op redelijke kosten en beheerkosten. De kantonrechter volgt deze stelling niet. In de factuur wordt verwezen naar de algemene vergadering van 2 april 2022. Uit de notulen van deze vergadering blijkt dat de ledenbijdrage na een stemming van de leden is vastgesteld. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] de ledenbijdrage moet betalen. Indien [gedaagde sub 1] het niet eens was met dit besluit had het op de weg van [gedaagde sub 1] gelegen om zich hierover in de ledenvergadering uit te laten en zonodig tegen de voorgestelde ledenbijdrage te stemmen. [gedaagde sub 1] heeft hiervan kennelijk geen gebruik gemaakt. De kantonrechter kan bij de beoordeling van de vordering tot betaling van de factuur niet meer betrekken of het besluit van [eiseres] tot vaststelling van de ledenbijdrage juist is omdat daarvoor een afzonderlijke procedure geldt, als bedoeld in artikel 5:130 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat uit de artikelen 15 en 16 van de statuten, waaruit volgt dat de eigenaren gezamenlijk alle kosten zullen dragen met betrekking tot de totstandkoming en het onderhoud van de gemeenschappelijke voorzieningen en dat de lasten worden verdeeld naar rato van de bebouwde oppervlakte, niet blijkt dat de ledenbijdrage geen betrekking heeft op beheerskosten. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [gedaagde sub 1] de ledenbijdrage voor 2023 moet betalen. De vordering van [eiseres] bedraagt\n\n(€ 1.490,96, bestaande uit de factuur, aanmaningskosten en rente verminderd met het door [gedaagde sub 1] al betaalde bedrag van € 325,00, =) € 1.165,96.\n\n [gedaagde sub 1] moet ook wettelijke rente betalen3.6.. Nu [gedaagde sub 1] de factuur niet tijdig en volledig heeft betaald, is hij in verzuim. Hij moet daarom ook de wettelijke rente over het openstaande bedrag betalen.\n\n3.7.. \n [gedaagde sub 1] stelt dat [eiseres] een vergoeding van de wettelijke rente van 12,7% vordert waarvoor de grondslag niet duidelijk is. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] in de brief aan [gedaagde sub 1] van 22 maart 2023 over een periode van 2,7 maanden € 36,00 aan rente heeft berekend op basis van 1% per kalendermaand. Voor de hoogte van de rente heeft [eiseres] verwezen naar artikel 16 van haar statuten. De hoogte van de op 22 maart 2023 in rekening gebrachte rente is naar het oordeel van de kantonrechter daarmee voldoende duidelijk. Uitgaande van 1% rente per kalendermaand gaat de kantonrechter er vanuit dat de rente van € 36,00 ziet op de periode van 1 januari 2023 tot 1 april 2023. De wettelijke rente over het openstaande bedrag van € 1.165,96 is daarom toewijsbaar met ingang van 1 april 2023 tot de datum van volledige betaling.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten3.8.. \n [eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Het verzuim is op of na 1 juli 2012 ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat de familie [gedaagde sub 1] consument is (natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten (artikel 6:96 leden 5 en 6 BW). [eiseres] heeft aan [gedaagde sub 1] aanmaningen verstuurd die niet voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaningen is namelijk niet zowel het bedrag vermeld dat als vergoeding voor de incassokosten in rekening zal worden gebracht als de juiste betalingstermijn van veertien dagen die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde sub 1] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW (Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.\n\nProceskosten3.9.. \n [gedaagde sub 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n130,57\n\n- griffierecht\n\n€\n\n322,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n408,00\n\n(2 punten × € 204,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n102,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n962,57\n\n3.10.. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. \n\nveroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.165,96, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van\n\n1 april 2023 tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk in de proceskosten van € 962,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2025.\n\n40160","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:176","2025-01-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:31.925Z",{"id":113,"ecli":114,"slug":115,"caseNumber":43,"courtId":116,"decisionDate":117,"fullText":118,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":119,"sourceTimestamp":120,"parsedAt":51,"updatedAt":121},"367","ECLI:NL:RBOVE:2025:229","ecli-nl-rbove-2025-229",57,"2025-01-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam kanton en handelsrecht\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nzaaknummer : C\u002F08\u002F314333 \u002F HA ZA 24-195\n\nVonnis van 15 januari 2025\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats 1],\n\neisende partij, verder te noemen ‘[eiser]’,\n\nadvocaat: mr. D.A. IJpelaar,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] en\n\n2. [gedaagde 2],\n\nbeiden wonende te [woonplaats 2],\n\ngedaagde partijen, verder te noemen ‘[gedaagde 1] en [gedaagde 2]’,\n\nadvocaat: mr. A.A. Bos.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding,\n\nde conclusie van antwoord,\n\nde door [eiser] op 27 november 2024 in het geding gebrachte aanvullende productie (9),\n\nde mondelinge behandeling van 28 november 2024 en de daarvan door de griffier gemaakte aantekeningen,\n\nde spreekaantekeningen van mr. Bos.\n\n1.2.. Vervolgens is vonnis bepaald.\n\n2. Waar gaat deze zaak over?\n\n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben van [eiser] een vakantiewoning op Curaçao gekocht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kregen de financiering daarvan echter niet rond. [eiser] vordert in deze zaak de tussen partijen afgesproken boete. De rechtbank wijst die vordering toe omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet hebben voldaan aan de voorwaarden voor het inroepen van het financieringsvoorbehoud. Er is geen grond voor matiging.3. De feiten3.1.. \n [eiser] is eigenaar van een vakantiewoning, plaatselijk bekend als [adres], op Curaçao (hierna ook te noemen ‘de vakantiewoning’).\n\n3.2.. Op de website ‘[website]’ heeft [eiser] haar vakantiewoning te koop aangeboden. Als verkoopbemiddelaar van [eiser] trad op [bedrijf 1] B.V. (hierna te noemen ‘[bedrijf 1]’).\n\n3.3.. Tussen [eiser] als verkoopster en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als kopers is op 16 augustus 2023 een koopovereenkomst met betrekking tot de vakantiewoning gesloten. De koopprijs bedroeg € 650.000,-. Namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft [naam 1], verbonden aan [bedrijf 2] B.V. gevestigd op Curaçao (hierna te noemen ‘[bedrijf 2]’), bemiddeld bij het tot stand komen van een hypothecaire geldlening.\n\n3.4.. In artikel 5 van de koopovereenkomst tussen partijen is het volgende overeengekomen:\n\n“Deze koopovereenkomst kan door koper worden ontbonden indien uiterlijk: op 6 oktober 2023 koper voor de financiering van de onroerende zaak voor een bedrag van maximaal\n\n€ 455.000,- (…) geen bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening van een geldverstrekkende bankinstelling heeft verkregen (…) Koper verplicht zich al het redelijk mogelijke te doen ten einde het hierboven bedoelde te verkrijgen. Indien aanspraak wordt gedaan op hierboven genoemde ontbindende voorwaarden dient koper er voor zorg te dragen dat de mededeling dat de ontbinding wordt ingeroepen, uiterlijk op de eerste werkdag na de datum waarvan in de betreffende ontbindende voorwaarde sprake is door de wederpartij of diens makelaar is ontvangen. Deze mededeling dient schriftelijk en goed gedocumenteerd via de gangbare communicatiemiddelen te geschieden. Indien koper de ontbinding wenst in te roepen als gevolg van het (tijdig) ontbreken van een financiering (…) wordt, tenzij partijen anders overeenkomen, onder ‘goed gedocumenteerd’ verstaan dat de afwijzing van een geldverstrekkende instelling aan verkoper of diens makelaar dient te worden overgelegd.”\n\n3.5.. Artikel 15 van de koopovereenkomst bepaalt, voor zover van belang, het volgende:\n\n“1. Bij niet of niet tijdige nakoming van de overeenkomst anders dan door niet toerekenbare tekortkoming (overmacht) is de nalatige aansprakelijk voor alle daaruit voor de wederpartij ontstane schade met kosten en rente (…)\n\n2. Indien een van de partijen, na bij deurwaardersexploit in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen tekortschiet in de nakoming van een of meer van zijn verplichtingen is deze partij in verzuim en heeft de wederpartij de al dan niet subsidiaire keus tussen:\n\n(…)\n\nb. de overeenkomst door een schriftelijke verklaring voor ontbonden te verklaren en betaling van een onmiddellijk opeisbare boete te vorderen van tien procent (…) van de koopprijs.”\n\n3.6.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een bedrag van € 65.000,00 ten titel van waarborgsom gestort onder de met de levering belaste notaris, [bedrijf 3] B.V. te Curaçao.\n\n3.7.. \n [bedrijf 2] heeft bij e-mail van 21 september 2023 een financieringsaanvraag gedaan bij Orco Bank N.V. te Curaçao.\n\n3.8.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben [bedrijf 1] bij e-mail van 3 oktober 2023 onder meer geschreven:\n\n“We hebben net met [naam 1] gesproken. De bank op Curaçao heeft de financiering goedgekeurd. Dus dat is echt heel fijn.”\n\n3.9.. Bij e-mail van 6 oktober 2023 heeft [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] bericht:\n\n“Hierbij willen wij u op de hoogte stellen van de beslissing van de familie [gedaagde 1] om de aankoop van het pand [adres] (…) in te trekken op basis van de ontbindende voorwaarde zoals vastgelegd in Artikel 5 van genoemde koopovereenkomst. Helaas is het niet gelukt om een bindend financieringsaanbod te verkrijgen voor het bedrag van Euro 455.000.”\n\n3.10.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bij e-mail van 7 oktober 2023 aan [bedrijf 1] geschreven:\n\n“Met pijn in ons hart hebben we toch moeten besluiten om van de koop af te zien. Gisteren kregen we een financiële tegenvaller te horen waardoor het onmogelijk is om de koop door te laten gaan.”\n\n3.11.. \n [bedrijf 1] heeft daarop bij e-mail van gelijke datum als volgt geantwoord:\n\n“Beste [gedaagde 2],Zoals vanochtend telefonisch is besproken bevestigde jij nogmaals (…) dat de financiering op Curaçao van € 455.000,- t.b.v. de aankoop van [adres] akkoord is, maar dat jullie als gevolg van de afwijzing van een tweede financiering bij de Rabobank in Nederland toch van de aankoop zouden willen afzien.”\n\n3.12.. Orco Bank heeft bij e-mail van 9 oktober 2023 aan [bedrijf 2] geschreven:\n\n“We hereby inform you that the mortgage request for Mr. [gedaagde 1] for the financing of [adres] has been declined as it does not sufficiently meet our credit criteria.”\n\n3.13.. \n\nBij e-mail van 19 oktober 2023 heeft [eiser] de koopovereenkomst met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ontbonden en aanspraak gemaakt op de overeengekomen boete van\n\n€ 65.000,00.\n\n3.14.. \n\nBij deurwaardersexploot van 17 april 2024 is aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een brief van de advocaat van [eiser] d.d. 16 april 2024 betekend waarin hij hen – kort gezegd – sommeert om binnen acht dagen de koopovereenkomst na te komen door de woning alsnog af te nemen. In deze brief is [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook de contractuele boete aangezegd voor het geval aan de sommatie niet wordt voldaan.\n\n4. Het geschil4.1.. \n [eiser] vordert dat de rechtbank [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat indien de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt om aan [eiser] een bedrag van € 65.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening, alsmede om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n4.2.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de vordering betwist.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt – waar nodig – hierna ingegaan.\n\n5. De beoordelingBezwaar tegen overleggen (aanvullende) productie 9\n\n5.1.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ter comparitie bezwaar gemaakt tegen het door [eiser] in het geding brengen van de aanvullende productie 9. Zij achten dit in strijd met het Procesreglement dat voorschrijft dat stukken waarop een partij zich ter zitting wil beroepen uiterlijk tien dagen voor de zitting moeten worden overgelegd. [eiser] heeft haar productie één dag voor de zitting in het geding gebracht en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] achten dat in strijd met de goede procesorde. Deze productie had volgens hen ook reeds bij de dagvaarding kunnen worden overgelegd.\n\n5.2.. \n [eiser] heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n5.3.. Op grond van artikel 4.9 van het Landelijk Procesreglement, in verbinding met artikel 87 lid 6 Rv, dient een partij die bij gelegenheid van een mondelinge behandeling, getuigenverhoor of descente nog producties of andere bewijsstukken in het geding wenst te brengen ervoor zorg te dragen dat de rechtbank en de wederpartij uiterlijk tien kalenderdagen voor de zitting een afschrift van de in het geding te brengen producties of (andere) bewijsmiddelen hebben ontvangen. In deze procedure staat vast dat productie 9 van [eiser] niet tijdig is ingediend. Alhoewel aan de voorschriften van het Landelijk Procesreglement in het algemeen strak de hand moet worden gehouden zal de rechtbank aan het verzuim van [eiser] geen gevolg verbinden. Redengevend daartoe is dat de rechtbank de inhoud van dit stuk niet bij haar oordeelsvorming betrekt en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] derhalve niet in enig (proces)belang zijn geschaad. Het bezwaar van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt daarom verworpen.\n\nSchending waarheidsplicht ex artikel 21 Rv?\n\n5.4.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben tot hun verweer onder meer aangevoerd dat [eiser] de op haar rustende waarheidsplicht heeft geschonden door in haar dagvaarding niets te vermelden over de correspondentie die partijen na 7 oktober 2023 hebben gevoerd.\n\n5.5.. Partijen zijn op grond van artikel 21 Rv verplicht de voor de beslissing zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Als hieraan niet wordt voldaan kan de rechtbank hieruit de gevolgtrekking maken die haar geraden voorkomt.\n\n5.6.. Het verweer faalt echter. [eiser] heeft naar het oordeel van de rechtbank alle voor de beslissing ter zake dienende feiten en omstandigheden in haar dagvaarding opgenomen. De correspondentie waarop [gedaagde 1] en [gedaagde 2] doelen zou, wanneer deze wel door [eiser] in het geding zou zijn gebracht, naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andersluidend oordeel hebben geleid.\n\nKern van de zaak\n\n5.7.. De hoofdvraag die in deze procedure voorligt is of de koopovereenkomst op 6 oktober 2023 is ontbonden toen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het financieringsvoorbehoud inriepen. [eiser] heeft primair aan haar vordering de grondslag gelegd de stelling dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun beroep op de ontbindende voorwaarde niet (voldoende) hebben gedocumenteerd omdat er geen afwijzing van de geldverstrekker heeft plaatsgevonden, althans dat deze niet bij het inroepen van het financieringsvoorbehoud is overgelegd.\n\nHet financieringsvoorbehoud\n\n5.8.. De rechtbank moet allereerst dus de vraag beantwoorden wat partijen bedoeld hebben overeen te komen in artikel 5 van de koopovereenkomst en aan welke voorwaarden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moesten voldoen om zich hierop te kunnen beroepen.\n\n5.9.. Bij de uitleg van artikel 5 van de koopovereenkomst moet worden gekeken naar de gekozen formulering van dit artikel, de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs hieraan mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.\n\n5.10.. \n\nIn artikel 5 van de koopovereenkomst is bepaald dat indien [gedaagde 1] en [eiser] uiterlijk op 6 oktober 2023 geen bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening van een erkende geldverstrekkende bankinstelling hebben verkregen voor een bedrag van\n\n€ 455.000,00), zij de koopovereenkomst kunnen ontbinden.\n\n5.11.. Uit de tekst van artikel 5 volgt vervolgens dat de mededeling dat de ontbinding wordt ingeroepen, uiterlijk op de eerste werkdag ná deze datum moet zijn ontvangen. Dit was dus 7 oktober 2023. Dit betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich met de e-mail van [bedrijf 2] van 6 oktober 2023 tijdig op het financieringsvoorbehoud hebben beroepen.\n\n5.12.. Vervolgens is in artikel 5 van de koopovereenkomst bepaald dat indien [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de ontbinding wensen in te roepen als gevolg van het ontbreken van financiering dit “goed gedocumenteerd” moet gebeuren. Daaronder wordt volgens datzelfde artikel verstaan dat een afwijzing van één erkende geldverstrekkende bankinstelling moet worden overgelegd. De eis, dat een beroep op ontbinding goed gedocumenteerd dient te worden gedaan, strekt ertoe dat de verkoper moet kunnen controleren of een beroep op de juiste gronden wordt gedaan. De documentatieplicht is daarmee ondersteunend aan de inspanningsplicht en om de gedane “inspanning” aan te tonen. Uit de redactie van artikel 5 volgt naar het oordeel van de rechtbank dat deze afwijzing gelijktijdig met de mededeling waarbij de ontbinding van de overeenkomst werd ingeroepen moest worden overgelegd en niet pas op een later moment. Tussen partijen staat echter vast dat de afwijzing van Orco Bank noch bij de e-mail van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] van 6 oktober 2023, noch bij de e-mail van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan [bedrijf 1] van 7 oktober 2023, was gevoegd. Dat kon ook niet omdat de formele afwijzing van de Orco Bank dateert van 9 oktober 2023.\n\n5.13.. Daarmee hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de ontbinding dus niet op de daarvoor overeengekomen wijze en dus niet rechtsgeldig ingeroepenen faalt hun verweer dat zij aan hun documentatieplicht hebben voldaan. Dat de afwijzing van Orco Bankinhoudelijkwel aan de gestelde voorwaarden voldoet, zoals door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt aangevoerd, doet daar niet aan af.\n\n5.14.. Vast staat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning niet binnen de hen daartoe in de ingebrekestelling gestelde termijn hebben afgenomen. Daarmee zijn zij in verzuim geraakt en zijn zij toerekenbaar geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de koopovereenkomst. Daaruit volgt dat [eiser] de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden en tevens dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om die reden de overeengekomen boete verschuldigd zijn.\n\nMatiging boete?\n\n5.15.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren, subsidiair, aan dat de gevorderde boete moet worden gematigd omdat [eiser] als gevolg van de ontbinding van de koopovereenkomst geen schade heeft geleden. Er is volgens hen sprake van een wanverhouding tussen de schade en de boete.\n\n5.16.. \n [eiser] betwist dat zij geen schade heeft geleden als gevolg van het inroepen van de ontbindende voorwaarde. Volgens [eiser] ligt haar schade in het feit dat haar vakantiewoning van de markt moest worden gehaald waardoor zij is geconfronteerd met dubbele woonlasten en extra makelaarskosten.\n\n5.17.. \n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding de gevorderde contractuele boete te matigen. Voor matiging is ingevolge artikel 6:94 BW alleen grond, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Deze maatstaf brengt volgens de Hoge Raad (arrest van 27 april 2007, NJ 2007\u002F262) mee dat de rechter pas, als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van haar bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken. Verder is relevant dat het hier gaat om een overeenkomst tussen particulieren met betrekking tot de verkoop van een woning, waarbij het opnemen van een boetebeding van 10% van de koopprijs gebruikelijk is.\n\nDaargelaten dat volgens de parlementaire geschiedenis het enkele uiteenlopen van schade en boete onvoldoende grond vormt voor matiging zodat dit verweer enkel om die reden al moet stranden, heeft [eiser] door het benoemen van specifieke schadeposten voldoende aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden. In het licht van deze verklaring hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun standpunt onvoldoende onderbouwd. Onder die omstandigheden bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen rechtvaardiging voor matiging van de contractuele boete.\n\nConclusie\n\n5.18.. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de vordering van [eiser] toewijsbaar is. De rechtbank zal [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarom veroordelen tot betaling van de overeengekomen boete van € 65.000,00. De subsidiaire grondslag van de vordering, namelijk dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet voldoende aan hun inspanningsverplichting om tot de gewenste financiering te komen hebben voldaan, behoeft om die reden geen bespreking meer.\n\n5.19.. De rechtbank zal de veroordeling echter niet hoofdelijk uitspreken. Hoofdelijke verbondenheid tussen schuldenaren vloeit ingevolge artikel 6:6, tweede lid, BW immers uit wet, gewoonte of rechtshandeling voort. In deze procedure is niet gebleken dat de hoofdelijkheid uit de wet of de gewoonte voortvloeit en evenmin dat hoofdelijkheid is overeengekomen.\n\nProceskosten\n\n5.20.. Ten slotte worden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als de – in overwegende mate – in het ongelijk te stellen partijen in de kosten van de procedure veroordeeld. Ook ten aanzien van de proceskosten dient een hoofdelijke veroordeling achterwege te blijven. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding € 137,47\n\n- griffierecht € 1.325,00\n\n- salaris advocaat € 2.428,00 (2,00 punten x tarief VI € 1.214,00)\n\n- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in\n\nhet dictum)\n\n __________\n\nTotaal € 4.068,47\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 65.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op 4.068,47, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag indien zij de proceskosten niet binnen tien dagen na heden aan [eiser] hebben voldaan en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daadwerkelijk wordt betekend;\n\n6.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4.. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier (CdJ).\n\n(BJ(O)\n\nZie in dit verband o.m. Hof ‘s-Hertogenbosch 23 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:143, en Rechtbank Midden-Nederland 1 november 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:5696.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:229","2025-01-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.343Z",{"id":123,"ecli":124,"slug":125,"caseNumber":43,"courtId":126,"decisionDate":127,"fullText":128,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":129,"sourceTimestamp":130,"parsedAt":51,"updatedAt":131},"1077","ECLI:NL:RBGEL:2025:2790","ecli-nl-rbgel-2025-2790",60,"2025-01-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F431023 \u002F HA ZA 24-52\n\nVonnis van 8 januari 2025\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\nte [woonplaats] , 2. [eiser 2],\n\nte [woonplaats] , 3. [eiser 3],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers] ,\n\nadvocaat: mr. E.M. Uijttewaal,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\nte [woonplaats] , 2. [gedaagde 2],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden] ,\n\nadvocaat: mr. B.P.J.M.L. Vliexs.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 2 oktober 2024\n\n- het bericht van 6 november 2024 met productie(s) van [gedaagden] - het bericht van 8 november 2024 met productie(s) van [eisers] - de mondelinge behandeling van 21 november 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn broer en zus. [gedaagden] zijn eigenaar van een perceel landbouwgrond gelegen te [plaats] , kadastraal bekend als [perceel 1] (hierna: de landbouwgrond). [vader] (hierna: [vader] ) is hun vader.\n\n2.2.. \n [eiser 2] en [eiser 3] hebben een grondpositie in een potentieel ontwikkelgebied. De landbouwgrond ligt in dat gebied. [eiser 1] is voornemens in het potentiële ontwikkelgebied woningen te bouwen.\n\n2.3.. \n [eisers] hebben [gedaagden] benaderd met de vraag of [gedaagden] de landbouwgrond aan [eisers] willen verkopen. Het eerste gesprek tussen [eisers] en [gedaagden] over de verkoop van de landbouwgrond vond plaats op 3 februari 2021.\n\n2.4.. \n [gedaagden] hebben na dit gesprek [naam 1] (hierna: [naam 1] ) in de arm genomen. [naam 1] is voormalig notaris, thans als senior juridisch adviseur verbonden aan [bedrijf 1] en adviseert veelvuldig over (agrarische) grondtransacties.\n\n2.5.. \n\n [eisers] en [gedaagden] hebben op 22 juni 2021 opnieuw gesproken over de verkoop van de landbouwgrond. Tijdens dit gesprek is gesproken over een koopprijs van € 65,00 per vierkante meter, wat neerkomt op een koopprijs voor de landbouwgrond van € 6.362.200,00. Op 30 juni 2021 stuurde [naam 2] (hierna: [naam 2] ), namens [eisers] betrokken bij de gesprekken met [gedaagden] , per e-mail aan [gedaagden] en [vader] het volgende bericht:\n\n“(…)\n\nZoals op 22\u002F6 afgesproken, heb ik een brief gemaakt met daarin de afspraken die wij gemaakt hebben. Zie bijgevoegd.\n\nIk heb nadrukkelijk concept door de brief heen gezet, omdat hetniet de bedoeling is dat jullie deze brief werkelijk tekenen. Wij hebben immers afgesproken dat jullie alles nog eens zouden laten bezinken en nog eens na zouden gaan of jullie niets vergeten waren. Wij zouden dan in een vervolgbespreking (zo nodig) het document nog eens met elkaar bespreken.(…)\n\nParallel aan de verzending aan jullie, leg ik de brief tegelijk voor aan [bedrijf 2] voor advies.\n\n(…)”\n\n2.6.. \n\nIn de bijgevoegde brief (hierna: de conceptbrief) die aan [gedaagden] is gericht, staat voor zover relevant:\n\n“(…)\n\nOp 22 juni 2021 hebben [vader] en [gedaagde 2] gesproken met [eiser 3] , [eiser 2] en ondergetekende[rechtbank: [naam 2] ], op kantoor bij [bedrijf 3] in [plaats] . We hebben gesproken over de koop en verkoop van jullie perceel.\n\n(…)\n\nOvereengekomen is dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] het betreffende perceel verkopen en dat [eiser 3] , [eiser 2] en [eiser 1] in onverdeeld eigendom ieder voor 1\u002F3 deel kopen.\n\n(…)\n\nDe koopprijs bedraagt € 65,- per m2 kosten koper. De totale koopsom bedraagt derhalve € 6.362.200,-.\n\n(…)”\n\n2.7.. Op 25 augustus 2021 vond een gesprek plaats tussen [eisers] en [gedaagden] naar aanleiding waarvan de conceptbrief in track changes is aangepast. Op 10 september 2021 stuurde [naam 2] de aangepaste conceptbrief aan [gedaagden]\n\n2.8.. Op of omstreeks 13 september 2021 is namens [gedaagden] door [naam 1] gereageerd. [naam 1] heeft in track changes aanpassingen gedaan in de brief, waaronder de toevoeging dat [gedaagden] onder bepaalde voorwaarden zouden kunnen participeren in de door [eisers] beoogde ontwikkeling van de landbouwgrond.\n\n2.9.. \n\nOp 6 oktober 2021 stuurde [naam 2] de volgende e-mail aan [gedaagden] :\n\n“(…)\n\nAfgelopen week hebben [eiser 3] en ik met [vader] gesproken naar aanleiding van het commentaar van zijn adviseur. Wij hebben [vader] beloofd om onze brief aan te passen op basis van het besprokene. Zie bijgevoegd. [eiser 3] plant een afspraak met [vader] , zijn adviseur en ons drieën, om de brief nog een laatste maal met elkaar te bespreken.\n\n(…)”\n\n2.10.. \n\nEveneens op 6 oktober 2021 reageerde [eiser 3] per e-mail:\n\n“(…)\n\nZou het as dinsdag 12 om 9.30 uur oktober schikken te overleggen om voor alle partijen tot een goede vastlegging te komen.\n\nWe moeten samen met name nog even naar een geschikte formulering eind datum komen.\n\nDeze moet voor [vader] duidelijkheid verschaffen m.b.t. de eindtermijn en voor de kopers gelegenheid geven niet te sneuvelen voor de finish.\n\n(…)”\n\n2.11.. \n [eisers] en [gedaagden] hebben op 15 oktober 2021 wederom met elkaar gesproken. In dit gesprek hebben [gedaagden] voorgesteld dat [eisers] de koopprijs deels voldoen in geld en deels door een aantal op de landbouwgrond te bouwen woningen aan [gedaagden] te leveren, met het idee dat [gedaagden] die woningen zou kunnen verhuren.\n\n2.12.. \n\nOp 15 november 2021 stuurde [naam 2] de reactie namens [eisers] op dit voorstel:\n\n“(…)\n\nBeste [vader] ,\n\nVandaag heb je [eiser 3] gesproken. Jouw voorstel bleek voor ons gecompliceerder dan wij dachten.(…)\n\nZoals je vernomen hebt: in onze financiële uitwerking kwamen wij tot de conclusie dat wij, naast het geldbedrag van € 1.725.000,- een aantal van 18,5 woningen kunnen leveren om uit te komen op de afgesproken koopsom van € 6.362.200,-. Dit heeft onder meer te maken met de recent sterk gestegen bouwkosten.\n\nWij hebben echter ook jouw signaal aan [eiser 3] goed begrepen en vinden het van belang om er nu op eenvoudige wijze uit te komen met elkaar. Ik stel voor dat we elkaar nog éénmaal ontmoeten om het geheel tot een afronding te brengen en de brief te tekenen.\n\n(…)”2.13.. \n\nOp 17 november 2021 stuurde [naam 2] de volgende e-mail aan [vader] :\n\n“(…)\n\nConform afspraak vandaag met [eiser 3] , ontvang je bij deze e-mail de aangepaste afsprakenbrief.\n\n(…)”\n\n2.14.. \n\nOp 19 november 2021 stuurde [naam 1] namens [gedaagden] de volgende e-mail aan [eisers] :\n\n“(…)\n\nIk heb gekeken naar het concept van de brief van [naam 2] c.s. Inhoudelijk heb ik de navolgende punten die tenminste in de brief opgenomen moeten worden:\n\nEen minimale bouwkavel oppervlak. Ik verwacht van de koper dat zij een concreet en aanvaardbaar voorstel doen;\n\nEen minimale woonoppervlak voor de huurwoningen;\n\nEen opleverdatum van de huurwoning binnen een bepaalde periode na eerste omgevingsvergunning, deze dient realistisch te zijn en zodanig dat er tijdig over de huurinkomsten kan worden beschikt.\n\nOplevering van de woning dient te zijn: gebruikelijke toilet beneden, boven toilet en douche inclusief keuken, betegeling. De woningen dienen gebruiksklaar te zijn, door verkoper dient de vloerbedekking en het sauzen of behangen van de muren nog plaats te vinden.\n\nDe bestemming dient binnen 8 jaar na datum overeenkomst te zijn verleend. Geen verlening betekent een ontbinding koopovereenkomst zonder boete en verrekening van kosten.\n\nBinnen de genoemde 10 jaar dient er een aanvang te zijn gemaakt met de bouw van de huurwoningen en deze bouw dient in een bouwstroom te worden gebouwd.\n\nOntbindingen na 10 jaar kan onder de navolgende voorwaarden (wederkerige ontbinding):\n\nOntbinding dient te geschieden door een schriftelijke verklaring aan verkoper onder overlegging van de aanvragen tot het wijzigen van de bestemmingsplan voor de betreffende percelen van voornoemde 100ha. Deze aanvragen dienen uiterlijk …………………… na het vooroverleg volledig te zijn ingediend, en tevens bij een afwijzende beslissing tijdig bezwaar en beroep te zijn aangetekend en de betreffende procedures adequaat te zijn gevoerd van elke procedure inclusief het vooroverleg, aanvraag, bezwaar en beroep dienen alle drukken inclusief de rapporten en onderbouwingen door koper aan verkoper te worden aangeleverd binnen 2 maanden na het indienen. Indien koper aan het vorenstaande niet of niet tijdig heeft voldaan, dan wel de stukken niet volledig zijn, is koper verplicht aan verkoper uit te keren een bedrag van € 7 miljoen euro.\n\n8. Contractsovername:\n\nIedere partij kan door middel van contractsovername de overeenkomst overdragen aan de bloedverwant, aanverwant of juridische entiteit, onder borgstelling van de huidige partij gedurende de periode dat het perceel niet onvoorwaardelijk geleverd is en de woningen ten behoeve van verkoper niet zijn gebouwd.\n\nIk verwacht van de koper dat zij een concreet en aanvaardbaar voorstel doen, zodat de bijeenkomst van volgende week kan leiden tot een slot van de onderhandelingen. Mijns inziens zijn er nu te grote punten, om te spreken dat er een overeenkomst is.\n\n(…)”2.15.. \n\nOp 25 november 2021 bespraken [eisers] en [gedaagden] de aangepaste conceptbrief. Tijdens die bespreking zijn op verzoek van [gedaagden] nog twee handgeschreven zinnen toegevoegd aan de conceptbrief. De conceptbrief luidt dan als volgt:\n\n“(…)\n\nGeachte heer en mevrouw [gedaagde 1] , beste [gedaagde 2] en [gedaagde 1] ,\n\nDe afgelopen periode hebben [vader] en [gedaagde 2] gesproken met [eiser 3] , [eiser 2] en ondergetekende[rechtbank: [naam 2] ], op kantoor bij [bedrijf 3] in [plaats] . We hebben gesproken over de koop en verkoop van jullie perceel. Het perceel ligt tussen de [straat] , de boemelspoorlijn en [straat] en wordt kadastraal aangeduid als: [perceel 1] . De grond is agrarisch bestemd en agrarisch in gebruik. Er is geen bebouwing op de grond aanwezig.\n\nOvereengekomen is dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] het betreffende perceel verkopen en dat [eiser 3] , [eiser 2] en [eiser 1] in onverdeeld eigendom ieder voor 1\u002F3 deel kopen. Het perceel is momenteel verpacht. De pacht eindigt op 31 december 2025. Gedurende de periode dat er nog geen grondbewerkingen plaatsvinden heeft de pachter het gebruiksrecht.\n\nDe koopprijs bedraagt € 1.725.000, exclusief belastingen, kosten koper. Het bedrag wordt niet geïndexeerd. Levering en betaling van het perceel vindt plaats zodra de eerste onherroepelijke bouwvergunning voor woningbouw op de te leveren gronden verkregen is. De koopprijs bestaat voorts uit de levering van koper aan verkoper, om niet, bij eerste oplevering van woningen op het perceel, van 20 middenhuur-woningen van minimaal 100 m2 go, op een kavel van minimaal 110 mr en met Woningborg kwaliteitsniveau (inclusief (fietsen)berging, toilet beneden, toilet en douche boven, basisopstelling keukenmeubel zonder apparatuur, betegeling sanitaire ruimten, behangklaar, cementdekvloer o.g.). levering van deze woningen vindt fiscaal optimaal plaats (beoogd: betreffende percelen blijven op het moment van levering achter bij verkoper en worden door koper bebouwd).\n\nDe overeengekomen koop en verkoop heeft een looptijd van 10 jaar. Is binnen 8 jaar geen bestemming en binnen 10 jaar geen onherroepelijke bouwvergunning verkregen, dan wordt de overeenkomst ontbonden. Zodra de bouwvergunning verkregen is, zal de realisatie direct aanvangen en zijn Woningborg termijnen voor bouwtijd van toepassing.\n\n [eiser 3] , [eiser 2] en [eiser 1] kopen het perceel met het doel om dit voor eigen rekening en risico te ontwikkelen naar woonfuncties en aanverwante functies. Kopers zullen verkopers op de hoogte houden van de voortgang van de ontwikkeling en relevante stukken verstrekken.\n\n [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn geen ondernemer voor de btw, zijn geen ontwikkellaar en nemen in deze ontwikkeling geen deel. Zij hebben de grond momenteel als onroerende goed in bezit in box 3 en wensen de grond als zodanig te vervreemden.\n\nOp het perceel rusten op het moment van levering geen rechten van derden of belemmeringen, die het gebruik of de ontwikkeling beperken.\n\nDe koopprijs is gebaseerd op een goede staat van het perceel. Er zijn geen verborgen gebreken, bodemvervuilingen, asbestvervuilingen, archeologische resten of explosieven aanwezig. De kopers krijgen voorafgaand aan de levering, doch uiterlijk 1,5 jaar na ondertekening van deze brief, gelegenheid om due diligence te verrichten op de staat van de locatie. Zij zullen zich hiertoe baseren op eigen onderzoek, dat zij voor eigen rekening uitvoeren. Als de resultaten niet conveniërend zijn, treden partijen in overleg en hebben kopers tot uiterlijk 1,5 jaar na de datum van ondertekening van deze brief het recht de koop te ontbinden.\n\nVerkopers en kopers leggen deze overeenkomst(brief) nader vast in een koopovereenkomst. [eiser 1] zal daartoe zo spoedig mogelijk een concept voorleggen ter beoordeling. Indien niet binnen 1 maand na ondertekening van deze brief een conveniërend concept is overlegd zal verkoper 1,5 maand na datum van deze brief een concept overeenkomst voorleggen.\n\nEr wordt één koopovereenkomst opgesteld met [gedaagde 2] en [gedaagde 1] samen als verkoper en [eiser 3] , [eiser 2] en [eiser 1] samen als koper. Deze respectievelijke vijf partijen kunnen ieder een bloedverwant, aanverwant of juridische entiteit, waarin zij een minimaal belang van 50% houden en minimaal 50% zeggenschap hebben, aanwijzen die bij notariële levering daadwerkelijk optreedt als afnemer, onder borgstelling van de huidige partij gedurende de periode dat het perceel niet onvoorwaardelijk geleverd is en de woningen ten behoeve van verkoper niet zijn gebouwd. De rechten en plichten van verkoop en koop zijn niet overdraagbaar aan een derde, anders dan na schriftelijke goedkeuring van de overige vier partijen.\n\nVerkopers verlenen medewerking aan fiscaal optimale levering, mits zij hier geen nadeel van ondervinden, zulks ter beoordeling van verkopers. Medewerking zal niet op onredelijke gronden worden geweigerd.\n\nKopers houden verkoper eens per half jaar op de hoogte over de vorderingen in de planontwikkeling middels een bijeenkomst waar verslag van gemaakt wordt.\n\n[rechtbank: begin handgeschreven toevoeging]\n\nHet half jaar te rekenen vanaf de datum van ondertekening van de overeenkomsten daaropvolgende vanaf elke bijeenkomst\u002Fverslag\n\n[rechtbank: eind handgeschreven toevoeging]\n\nKoper zal de plannen voor de huurwoningen schriftelijk goedkeuren op gezette moment, of hier gemotiveerd zijn goedkeuring op onthouden, waaronder in ieder geval het stedenbouwkundig plan, de aanvraag omgevingsvergunning en de oplevering.\n\nTot slot; nogmaals dank voor de prettige contacten tot op heden. Wij zetten deze graag voort in de nadere uitwerking van koop, verkoop en levering.\n\nGraag ontvang ik deze brief getekend retour, ter bevestiging van hetgeen wij overeengekomen zijn.\n\n[rechtbank: ruimte voor handtekeningen]\n\n[rechtbank: begin handgeschreven toevoeging]\n\nBij het tekenen van de overeenkomst vergoeden kopers aan verkoper € 5.000,- totaal aan advieskosten (zonder factuur) 25\u002F11\u002F2021. Huissen.\n\n[rechtbank: eind handgeschreven toevoeging]\n\n(…)”2.16.. \n\nOp 25 november 2021, de dag van de laatste bespreking, stuurde [eiser 3] de door [eisers] ondertekende en op iedere pagina geparafeerde brief per e-mail aan [gedaagden] en [vader] :\n\n“(…)\n\nOnderwerp:Overeenkomst [plaats]\n\nBijlagen:Overeenkomst 25 nov 2021 [gedaagde 1] [eiser 3] [eiser 1] [eiser 2] .pdf\n\n(…)\n\nZie in de bijlage de (gescande) door kopers getekende overeenkomst.\n\nGraag getekend retour zenden.\n\n(…)”\n\n2.17.. Op 30 november 2021 stuurde [vader] de ook door [gedaagden] ondertekende en op iedere pagina geparafeerde brief (met de inhoud zoals weergegeven in overweging 2.15 en overgelegd als productie 9 bij dagvaarding) (hierna: de brief) aan [eisers]\n\n2.18.. \n [eisers] hebben vervolgens een notaris opdracht gegeven om de brief nader uit te werken. Op 26 januari 2022 is een eerste concept aan [gedaagden] gestuurd en op 24 februari 2022 is daarover bij de notaris een bespreking geweest. Op 3 mei 2022 stuurde de notaris een aangepast concept aan partijen (zoals overgelegd als productie 12A bij dagvaarding). Daarna wisselden partijen nog enkele e-mails over een te houden bespreking naar aanleiding van het concept.\n\n2.19.. Op 22 juli 2022 lieten [gedaagden] per e-mail aan [eisers] weten dat er volgens hen weinig schot in de zaak zit, dat zij weinig vertrouwen hebben in een adequate voortzetting van de onderhandelingen en een sluitende vastlegging van het resultaat daarvan in een koopovereenkomst. [gedaagden] geven aan de onderhandelingen te willen staken.\n\n2.20.. Bij e-mail van 27 juli 2022 vroegen [eisers] om een gesprek met [gedaagden] Op 16 september 2022 lieten [gedaagden] weten daarvoor open te staan, maar alleen voor een fatsoenlijke afsluiting van de contacten. Op 23 september 2022 vond dat gesprek plaats. [gedaagden] heeft toen aangegeven moeite te hebben met de notaris. [eisers] stelde daarop voor om de brief te laten uitwerken door een andere notaris. [gedaagden] stemden daarmee in maar gaven aan dat te zien als ‘een laatste en uiterste mogelijkheid om tot een akkoord te komen’. Op 4 november 2022 lieten [gedaagden] per e-mail weten dat zij akkoord gingen met de door [eisers] voorgestelde notaris en herhaalden zij dit te zien als een uiterste mogelijkheid om tot een akkoord te komen.\n\n2.21.. \n\nVervolgens hebben [eisers] en [gedaagden] – al dan niet via hun adviseurs – gecorrespondeerd over de nadere uitwerking van de brief. De advocaat van [eisers] heeft in zijn brief van 16 maart 2023 een tiental punten opgesomd die volgens [gedaagden] nadere uitwerking behoeven in de koopovereenkomst:\n\n“(…)\n\n1.\n\nAls we het goed zien dan vallen de uitgangspunten uiteen in twee onderdelen:(…)\n\nHet eerste onderdeel is een koopovereenkomst en het tweede deel is dat niet. het lijkt een aannemingsovereenkomst te zijn.\n\n2.\n\nVoor de koopovereenkomst is het gebruikelijk dat een waarborgsom\u002Fbankgarantie wordt gesteld. Zijn hier afspraken over gemaakt?(…)\n\n3.\n\n(…)\n\nIs er exclusiviteit afgesproken? Is afgesproken dat de 20 woningen als eerste zullen worden gebouwd? Wat als verkopers de gronden in de tussentijd willen overdragen?(…)\n\n4.\n\nWat is de uiterste datum waarop de bestemmingsplanwijziging moet zijn aangevraagd?(…)\n\n5.\n\nWat bedoelen partijen met middenhuur woningen?(…)\n\n6.\n\nWij adviseren om als zekerheid voor de nakoming van de aannemingsovereenkomst te zijner tijd een eerste recht van hypotheek te bedingen op de gronden die aan kopers zullen worden overgedragen.(…)\n\n7.\n\nHoe worden de twintig woningen verdeeld?(…)\n\n8.\n\nIn de overeenkomst zal moeten worden opgenomen dat de woningen vrij op naam worden geleverd.(…)\n\n9.\n\nBij start bouw zal voldoende zekerheid moeten zijn gesteld door kopers over de afbouw van de woningen.(…)\n\n10.\n\nVoor wiens rekening komen de kadastrale splitsingen ten aanzien van de percelen van de huur-\u002Fbeleggingswoningen? Welk stuk grond gaat niet worden overgedragen in verband met de bouw van de twintig woningen?\n\n(…)”\n\n2.22.. Op 9 juli 2023 lieten [gedaagden] via hun advocaat weten dat zij de onderhandelingen definitief staken. Daarna hebben (de advocaten van) [eisers] en [gedaagden] nog gecorrespondeerd over onder meer de vraag of tussen partijen reeds een overeenkomst tot stand is gekomen en over het voortzetten van de onderhandelingen.\n\n2.23.. Op 17 april 2024 hebben [eisers] in verband met hetgeen zij in deze procedure vorderen conservatoir beslag laten leggen op de landbouwgrond.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n\n [eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad\n\nprimair\n\nI. verklaart voor recht dat tussen [eisers] enerzijds en [gedaagden] anderzijds op 25 november 2021 dan wel 28 november 2021 dan wel 30 november 2021, althans op enige andere in goede justitie vast te stellen datum een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot het perceel landbouwgrond, gelegen te [plaats] , kadastraal bekend als [perceel 1] , welke koopovereenkomst woordelijk is opgenomen in productie 9 van de dagvaarding;\n\nII. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot nakoming van de onder I genoemde koopovereenkomst door het perceel landbouwgrond, gelegen te [plaats] , kadastraal bekend als [perceel 1] conform de bepaling van de onder I genoemde koopovereenkomst aan [eisers] te leveren, tegen ontvangst van de in de koopovereenkomst bepaalde koopprijs en [eisers] toe te laten de benodigde onderzoeken te verrichten;\n\nIII. te bepalen dat, indien [gedaagden] niet aan de onder II genoemde veroordeling voldoen dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de wilsverklaring van [gedaagden] voor de medewerking aan het opmaken en passeren van de notariële leveringsakte en de toestemming om het perceel te betreden voor de benodigde onderzoeken;\n\nsubsidiair\n\nIV. [gedaagden] hoofdelijke veroordeelt om binnen veertien (14) dagen na de datum van dit vonnis met [eisers] een koopovereenkomst te sluiten, zoals deze als productie 12A van de dagvaarding is overgelegd, zulks op straffe van een dwangsom groot € 10.000,00 per dag, ingaande op de vijftiende (15e) dag na de datum van dit vonnis, tot aan de dag dat [gedaagden] aan deze veroordeling voldoen, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen groot € 3.000.000,00;\n\nmeer subsidiair\n\nV. verklaart voor recht dat de onderhandelingen tussen [eisers] en [gedaagden] in een zodanig stadium zijn geraakt dat het [gedaagden] niet langer vrij stond de onderhandelingen af te breken en [gedaagden] hoofdelijke veroordeelt om met [eisers] door te onderhandelen over de koopovereenkomst tot aankoop van het perceel landbouwgrond, gelegen te [plaats] , kadastraal bekend als [perceel 1] , waarbij de door partijen op 25 november 2021 gemaakte afspraken, zoals woordelijk opgenomen in productie 9 van de dagvaarding, reeds vaststaan, zulks op straffe van een dwangsom groot € 10.000,00 per dag, ingaande op de vijftiende (15e) dag na de datum van dit vonnis, tot aan de dag dat [gedaagden] aan deze veroordeling voldoen, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen groot € 3.000.000,00;\n\nmeest subsidiair\n\nVI. verklaart voor recht dat de onderhandelingen tussen [eisers] en [gedaagden] in een zodanig stadium zijn geraakt dat het [gedaagden] niet langer vrij stond de onderhandelingen af te breken althans niet zonder (schade)vergoeding, met veroordeling van [gedaagden] tot vergoeding van de door [eisers] geleden en nog te lijden schade, waaronder de gederfde winst, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nzowel primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair\n\nVII. [gedaagden] hoofdelijk, voor zover de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt in de kosten van onderhavig geding en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze (proces)kosten vanaf de vijftiende dag na de dag van dit vonnis.\n\n3.2.. \n [eisers] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. Tussen [eisers] en [gedaagden] is een koopovereenkomst zoals overgelegd als productie 9 bij dagvaarding tot stand gekomen op grond waarvan [gedaagden] onder meer ertoe zijn gehouden de landbouwgrond te leveren aan [eisers] en [eisers] toe te laten tot de landbouwgrond om de overeenkomen onderzoeken uit te (laten) voeren (primair). Indien voormelde koopovereenkomst niet tot stand is gekomen, was zijdens [eisers] sprake van gerechtvaardigd vertrouwen dat (de nadere uitwerking van) de koopovereenkomst in de vorm van de concept koopovereenkomst zoals overgelegd als productie 12A bij dagvaarding tot stand zou komen, zodat het [gedaagden] niet vrijstond de onderhandelingen af te breken. [gedaagden] zijn daarom gehouden de concept koopovereenkomst zoals overgelegd als productie 12A bij dagvaarding te sluiten (subsidiair), daarover door te onderhandelen (meer subsidiair) dan wel de schade die is veroorzaakt door het afbreken van de onderhandelingen te vergoeden (meest subsidiair).\n\n3.3.. \n [gedaagden] betwisten dat met [eisers] een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Volgens [gedaagden] is geen sprake van wilsovereenstemming over de koop\u002Fverkoop van de landbouwgrond, is geen sprake van wilsovereenstemming over de essentialia van een koopovereenkomst en is de door [eisers] gestelde wederprestatie om 20 middenhuur-woningen te leveren niet voldoende bepaalbaar. Volgens [gedaagden] houdt de brief die [eisers] als productie 9 bij dagvaarding heeft overgelegd niet meer in dan een intentie die afhankelijk is van de voorwaarde dat de nadere uitwerking van de brief in een koopovereenkomst naar tevredenheid is van [gedaagden] Die nadere uitwerking is er nooit gekomen, althans niet naar tevredenheid van [gedaagden] , ook niet in de vorm van de conceptkoopovereenkomst die [eisers] als productie 12A heeft overgelegd. [gedaagden] betwisten dat sprake is van gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen bij [eisers] [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.\n\nin reconventie\n\n3.4.. \n [gedaagden] vorderen in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,\n\n [eisers] veroordeelt om het door hen ten laste van [gedaagden] gelegde beslag binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom aan ieder van hen van € 10.000,00 per dag met een maximum van € 500.000,00 dat [eisers] of één van hen in gebreke blijft; en\n\n [eisers] veroordeelt tot betaling aan [gedaagden] van alle schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet die [gedaagden] hebben geleden en\u002Fof nog zullen lijden als gevolg van de conservatoire beslaglegging door [eisers] ten laste van [gedaagden] ; en\n\n [eisers] veroordeelt in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.\n\n3.5.. \n [gedaagden] leggen aan hun vorderingen in reconventie kort gezegd ten grondslag hetgeen [gedaagden] in conventie als verweer voeren: er is geen koopovereenkomst totstandgekomen en van gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen bij [eisers] is geen sprake, zodat de vorderingen van [eisers] moeten worden afgewezen. Daarom is het conservatoire beslag van [eisers] op de landbouwgrond onrechtmatig.\n\n3.6.. \n [eisers] voeren verweer. Dat verweer komt kort gezegd erop neer dat de vorderingen van [eisers] in conventie toewijsbaar zijn, zodat van onrechtmatige beslaglegging geen sprake is. Daarnaast dient het gevorderde te worden afgewezen omdat [gedaagden] niet heeft gesteld of onderbouwd dat het beslag tot schade heeft geleid, aldus [eisers] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagden] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.\n\n3.7.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nIn conventie en reconventie\n\n4.1.. In het licht van de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zal de rechtbank deze gelijktijdig beoordelen.\n\n4.2.. \n [eisers] stellen dat zij met [gedaagden] in november 2021 in de vorm van de brief een koopovereenkomst hebben gesloten waaruit onder meer voor [gedaagden] de verbintenis volgt om de landbouwgrond te leveren aan [eisers] en voor [eisers] de verbintenissen volgen om daarvoor de koopprijs van € 1.725.000,00 te betalen en 20 middenhuur-woningen te leveren. Uit de totstandkoming en ondertekening van de brief volgt volgens [eisers] dat wilsovereenstemming is bereikt over de inhoud van de brief, die de essentialia van een koopovereenkomst bevat. De verbintenis om 20 middenhuur-woningen te leveren is voldoende bepaalbaar omdat uit de brief blijkt aan welke eisen de woningen moeten voldoen en levering fiscaal optimaal dient plaats te vinden, aldus [eisers] Uit de brief en de totstandkoming daarvan blijkt volgens [eisers] ook dat van een intentieovereenkomst of een voorwaardelijke overeenkomst geen sprake is.\n\n4.3.. \n [gedaagden] betwisten dat een koopovereenkomst ter zake de landbouwgrond tot stand is gekomen. Partijen hebben geen wilsovereenstemming bereikt over de essentialia van een koopovereenkomst, waaronder over de prijs, het te leveren object en alle punten die zijn opgesomd in de brief van 16 maart 2023 van de advocaat van [gedaagden] Daarnaast is de overeenkomst volgens [gedaagden] nietig, omdat niet wordt voldaan aan de eisen die de wet stelt aan een koopovereenkomst. De afspraak dat [eisers] 20 middenhuur-woningen leveren is volgens [gedaagden] niet voldoende bepaalbaar. In dit verband wijzen [gedaagden] eveneens op voormelde brief van de advocaat van [gedaagden] en stellen zij dat onduidelijk is op welke wijze de woningen geleverd zullen worden en wat in dat verband en anderszins de fiscale implicaties zijn. Daar komt bij dat [eisers] niet het bedrag van € 5.000,00 hebben betaald aan [gedaagden] terwijl dat betaald zou worden bij ondertekening van de overeenkomst. Daaruit, en uit het ontbreken van een sluitingsdatum in de concepten van de nadere uitwerking van de overeenkomst die de notaris heeft opgesteld, blijkt dat de brief niet kan worden beschouwd als een koopovereenkomst. Als al wel een koopovereenkomst tot stand is gekomen, is het een intentieovereenkomst die uitsluitend afspraken op hoofdlijnen bevat en is aangegaan onder de voorwaarde van nadere uitwerking van die afspraken. Die nadere uitwerking is er nooit gekomen, zodat geen sprake is van een totstandgekomen onvoorwaardelijke koopovereenkomst, aldus [gedaagden]\n\nHet juridisch kader\n\n4.4.. In artikel 6:217 BW is bepaald dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Het doen van een aanbod en de aanvaarding daarvan zijn rechtshandelingen. In artikel 3:33 BW is bepaald dat een rechtshandeling een op rechtsgevolg gerichte wil vereist die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Uit artikel 3:35 BW blijkt dat tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, geen beroep kan worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil. Blijkens artikel 3:37 lid 1 BW kunnen verklaringen, met inbegrip van mededelingen, in iedere vorm geschieden, en kunnen zij in een of meer gedragingen besloten liggen.\n\n4.5.. Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen en hoe een overeenkomst moet worden uitgelegd, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard, uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden (de Haviltex-maatstaf; zie Hoge Raad 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5352 en Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2213).\n\nWilsovereenstemming\n\n4.6.. Tussen partijen is de inhoud en de wijze van totstandkoming van de brief niet in geschil. Wel in geschil is of de brief een koopovereenkomst inhoudt, zoals [eisers] heeft gesteld en [gedaagden] heeft betwist. De rechtbank zal daarom eerst aan de hand van voormelde Haviltex-maatstaf beoordelen welke betekenis moet worden toegekend aan de brief.\n\n4.7.. Uit de onder de feiten vermelde omstandigheden over de totstandkoming en de inhoud van de brief en hetgeen partijen in dat verband over en weer hebben verklaard (zie overwegingen 2.3-2.17), trekt de rechtbank de volgende conclusies. Vast staat dat [eisers] reeds in het eerste gesprek met [gedaagden] duidelijk hebben gemaakt dat zij de landbouwgrond van [gedaagden] wilden kopen, zoals [gedaagden] ook ter zitting hebben bevestigd, en dat partijen daarover ongeveer tien maanden hebben onderhandeld. [eisers] hebben in juni 2021 een eerste concept van de brief aan [gedaagden] voorgelegd waarna partijen daarin over en weer aanpassingen hebben gedaan. [eisers] boden aanvankelijk een kale koopprijs voor de landbouwgrond. [gedaagden] hebben evenwel bedongen dat zij konden participeren in de beoogde ontwikkeling van de landbouwgrond door een deel van de koopprijs voldaan te krijgen in de vorm van 20 middenhuur-woningen. Hierover is door partijen onderhandeld. Op 19 november 2021 is namens [gedaagden] aan [eisers] gevraagd om een concreet en aanvaardbaar voorstel te doen zodat de bespreking van een week later tot een slot van de onderhandelingen zou kunnen leiden. De brief is naar aanleiding hiervan door [eisers] aangepast en op 25 november 2021 wederom besproken. [eisers] en [gedaagden] hebben in die bespreking naar het oordeel van de rechtbank wilsovereenstemming bereikt over de inhoud van de brief. Dat blijkt uit het voorgaande, de e-mail van [eiser 3] van 25 november 2021 aan [gedaagden] (zie overweging 2.16) en de ondertekening van de brief en de parafering van iedere pagina door beide partijen (zie overweging 2.17).\n\n4.8.. In de brief staat dat is overeengekomen dat [gedaagden] de landbouwgrond verkopen aan [eisers] tegen betaling van de koopprijs van € 1.725.000,00 en de levering van 20 middenhuur-woningen door [eisers] (zie overweging 2.15). Uit het samenstel van de door [gedaagden] en [eisers] over en weer afgelegde verklaringen gedurende de onderhandelingen (zie overwegingen 2.3-2.17, waarvan de kern hiervoor in overweging 4.7 is weergegeven) moet [gedaagden] redelijkerwijs hebben afgeleid dat de wil van [eisers] op voormelde koop was gericht en heeft [eisers] redelijkerwijs mogen afleiden dat de wil van [gedaagden] op voormelde verkoop was gericht. Derhalve komt vast te staan dat partijen wilsoverstemming hebben bereikt over de koop en verkoop van de landbouwgrond.\n\n4.9.. Dat [gedaagden] geen ervaring met of kennis van grondtransacties hebben, zoals [gedaagden] ter zitting onweersproken hebben aangevoerd, maakt het voorgaande niet anders. [gedaagden] hebben zich gedurende de onderhandelingen immers laten bijstaan door [naam 1] , wiens ervaring en kennis derhalve aan [gedaagden] kan worden toegerekend. [eisers] hebben onweersproken gesteld dat [naam 1] deskundig en ervaren is op het gebied van agrarische grondtransacties (zie overweging 2.4).\n\nIntentieovereenkomst en voorwaardelijke overeenkomst\n\n4.10.. Niet in geschil is dat de brief nader zou worden uitgewerkt. De brief vermeldt daarover: “Verkopers en kopers leggen deze overeenkomst(brief) nader vast in een koopovereenkomst.” en “Er wordt één koopovereenkomst opgesteld met [gedaagde 2] en [gedaagde 1] samen als verkoper en [eiser 3] , [eiser 2] en [eiser 1] samen als koper.”\n\n4.11.. \n [gedaagden] worden echter niet gevolgd in hun stelling dat de inhoud van de brief voorwaardelijk is overeengekomen, in die zin, dat een overeenkomst pas tot stand zou komen als de afspraken in de brief nader waren uitgewerkt of dat sprake is van een intentieovereenkomst. Uit hetgeen partijen gedurende de onderhandelingen over en weer hebben verklaard (zie overweging 2.3-2.17), blijkt immers niet dat partijen hebben beoogd om de door [gedaagden] gestelde voorwaardelijke overeenkomst of intentieovereenkomst aan te gaan. De inhoud van de brief wijst daar evenmin op, zoals [eisers] terecht hebben gesteld. In de brief staat immers dat de koop “is overeengekomen” (tweede alinea), “de overeengekomen koop en verkoop” (vierde alinea) en dat “deze overeenkomst(brief)” nader wordt vastgelegd in een koopovereenkomst (negende alinea). Een nadere vastlegging staat als zodanig niet in de weg aan de totstandkoming van een onvoorwaardelijke overeenkomst. Ook staat in de brief dat de overeenkomst wordt ontbonden als niet binnen 10 jaar een onherroepelijke bouwvergunning is verkregen en bevat de brief de mogelijkheid voor [eisers] om binnen anderhalf jaar na ondertekening van de brief de koop te ontbinden als de staat van de landbouwgrond daartoe aanleiding geeft. Dit alles wijst naar het oordeel van de rechtbank op de totstandkoming van een onvoorwaardelijke overeenkomst. Dat [naam 2] de brief voor advies zou voorleggen aan [bedrijf 2] (zie overweging 2.5) en een ‘afsprakenbrief’ heeft genoemd (zie overweging 2.13), zoals [gedaagden] in dit verband onweersproken hebben gesteld, maakt dat niet anders.\n\n4.12.. Na ondertekening van de brief hebben [eisers] aan een notaris opdracht gegeven om de brief nader uit te werken (zie overweging 2.18). In de concepten die de notaris in dat verband heeft opgesteld, is de sluitingsdatum opengelaten. Voor zover [gedaagden] hebben gesteld dat daaruit blijkt dat de brief het door [gedaagden] gestelde voorwaardelijke of intentionele karakter heeft, worden [gedaagden] daarin niet gevolgd. De sluitingsdatum in de concepten heeft naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend betrekking op die concepten. Dat de nadere uitwerking van de brief van een latere datum is dan de brief zelf is inherent aan een nadere uitwerking en doet niet af aan de reeds op 25 november 2021 totstandgekomen onvoorwaardelijke overeenkomst.4.13.. Aan het slot van de brief is handgeschreven toegevoegd: “Bij het tekenen van de overeenkomst vergoeden kopers aan verkoper € 5.000,- totaal aan advieskosten(…)” (zie overweging 2.15). [gedaagden] hebben onweersproken gesteld dat [eisers] dat bedrag nog niet hebben betaald. Als partijen zijn overeengekomen dat die betaling zou worden gedaan na ondertekening van de nader uitgewerkte overeenkomst, zoals [gedaagden] lijken te stellen, dan brengt dat nog niet mee dat de brief het door [gedaagden] gestelde voorwaardelijke of intentionele karakter heeft. Een dergelijke afspraak kan immers ook worden gemaakt als partijen reeds een onvoorwaardelijke overeenkomst hadden gesloten, zoals hier naar het oordeel van de rechtbank het geval is.\n\nDe essentialia\n\n4.14.. De afspraak dat [gedaagden] de landbouwgrond aan [eisers] leveren en dat [eisers] daarvoor € 1.725.000,00 aan [gedaagden] betalen, is een koopovereenkomst in de zin van artikel 7:1 BW. In dat artikel is immers bepaald dat koop de overeenkomst is waarbij de een zich verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een prijs in geld te betalen. De afspraak dat [gedaagden] de landbouwgrond aan [eisers] leveren en dat [eisers] daarvoor 20 middenhuur-woningen aan [gedaagden] leveren, is een ruilovereenkomst in de zin van artikel 7:49 BW. In dat artikel is immers bepaald dat ruil de overeenkomst is waarbij partijen zich verbinden elkaar over en weer een zaak in de plaats van een andere te geven. Uit het voorgaande volgt dat [eisers] en [gedaagden] wilsovereenstemming hebben bereikt over de essentialia van koop en ruil, zodat sprake is van een gemengde overeenkomst in de zin van artikel 6:215 BW.\n\n4.15.. Het verweer van [gedaagden] dat de koopovereenkomst nietig is omdat niet is voldaan aan de eisen die de wet daaraan stelt, wordt op grond van het voorgaande verworpen.\n\n4.16.. De punten die de advocaat van [gedaagden] in zijn brief van 16 maart 2023 opsomt (zie overweging 2.21), behoren niet tot de essentialia van koop of ruil. Voor zover [gedaagden] hebben bedoeld te stellen dat die punten voor hen zo essentieel waren dat [eisers] redelijkerwijs niet had mogen verwachten dat een overeenkomst tot stand zou komen totdat ook over die punten overeenstemming was bereikt, worden [gedaagden] in dat verweer niet gevolgd. Gesteld noch gebleken is immers dat [gedaagden] die punten onder de aandacht hebben gebracht van [eisers] voorafgaand aan het bereiken van wilsovereenstemming op 25 november 2021. Voor hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs uit elkaars verklaringen hebben mogen afleiden, zijn die punten derhalve niet van belang. Daar komt nog bij dat de in de brief van 16 maart 2023 opgesomde punten met name betrekking hebben op de levering door [eisers] van 20 middenhuur-woningen en dat is nu juist in de brief terechtgekomen op voorstel van [gedaagden] Tegen deze achtergrond lag het des te meer op de weg van [gedaagden] om tijdig – voorafgaand aan het bereiken van wilsovereenstemming – aan [eisers] kenbaar te maken over welke punten volgens [gedaagden] (minimaal) overeenstemming zou moeten worden bereikt. Dat hebben [gedaagden] nagelaten.\n\n4.17.. \n\nTer zitting hebben [gedaagden] nog opgemerkt dat de brief uitsluitend is overeengekomen zodat ‘ [eisers] een verhaal zouden hebben bij de gemeente’. [eisers] hebben dit ter zitting betwist en [gedaagden] hebben niet nader toegelicht wat zij hiermee bedoelen. Deze stelling wordt daarom gepasseerd.\n\nDe bepaalbaarheid en de uitvoerbaarheid\n\n4.18.. In artikel 6:227 BW is bepaald dat de verbintenissen die partijen op zich nemen bepaalbaar moeten zijn. Bepaalbaar zijn de verbintenissen, wanneer de vaststelling naar van tevoren vaststaande criteria en zo nodig mede naar de eisen van redelijkheid en billijkheid kan geschieden. Aan de bepaalbaarheid worden niet al te strenge eisen gesteld.\n\n4.19.. \n\nTussen partijen staat niet ter discussie dat in de brief (zie overweging 2.15) het volgende is bepaald over de door [eisers] te leveren woningen:\n\n“(…) De koopprijs bestaat voorts uit de levering van koper aan verkoper, om niet, bij eerste oplevering van woningen op het perceel, van 20 middenhuur-woningen van minimaal 100 m2 go, op een kavel van minimaal 110 mr en met Woningborg kwaliteitsniveau (inclusief (fietsen)berging, toilet beneden, toilet en douche boven, basisopstelling keukenmeubel zonder apparatuur, betegeling sanitaire ruimten, behangklaar, cementdekvloer o.g.). Levering van deze woningen vindt fiscaal optimaal plaats (beoogd: betreffende percelen blijven op het moment van levering achter bij verkoper en worden door koper bebouwd).(…)”.\n\n4.20.. \n [eisers] hebben onweersproken gesteld dat het Woningborg kwaliteitsniveau op detailniveau voorschrijft aan welke eisen een nieuwbouwwoning moet voldoen en dat het Woningborg kwaliteitsniveau van toepassing is op de aan [gedaagden] te leveren woningen, zodat dat komt vast te staan.\n\n4.21.. Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verbintenis van [eisers] om 20 middenhuur-woningen te leveren aan [gedaagden] aan de hand van de in de brief opgenomen en derhalve vooraf vaststaande criteria voldoende bepaalbaar is. Immers bestaat geen twijfel over het aantal te leveren woningen, staat niet ter discussie dat de woningen gebouwd moeten worden op de landbouwgrond en is aan de hand van de in de brief vastgestelde criteria, waaronder het Woningborg kwaliteitsniveau, en zo nodig mede naar de eisen van redelijkheid en billijkheid vast te stellen aan welke eisen de woningen ten minste moeten voldoen. Ook volgt uit de brief dat de woningen worden geleverd bij eerste oplevering van woningen op de landbouwgrond.\n\n4.22.. Aan [gedaagden] kan worden toegegeven dat de verbintenis om 20 middenhuur-woningen te leveren meer in detail had kunnen worden uitgewerkt en dat bepaalde aspecten summier of niet geregeld zijn. Dat brengt op zichzelf echter niet mee dat de verbintenis in haar huidige vorm niet voldoende bepaalbaar is. Dat in de brief niet alle fiscale consequenties uitputtend worden geregeld en [gedaagden] nog vragen hadden over onder meer overdrachtsbelasting en btw, zoals [gedaagden] onweersproken hebben gesteld, maakt dat niet anders. Zoals [eisers] onweersproken hebben gesteld, bevat de brief immers afspraken op hoofdlijnen over de fiscale aspecten. Zo dient levering van de landbouwgrond fiscaal optimaal plaats te vinden en bovendien volgt uit de brief dat de koopprijs exclusief belastingen is en dat de woningen ‘om niet’ worden geleverd aan [gedaagden] , zodat de fiscale implicaties ter zake de koopprijs en de levering van de woningen [gedaagden] niet raken. Dat de wijze waarop de woningen uiteindelijk aan [eisers] geleverd worden – door het bebouwen van landbouwgrond die bij [gedaagden] is achtergebleven of door het terugleveren van bebouwde grond – niet is geregeld in de brief, zoals [gedaagden] onweersproken hebben gesteld, is niet van belang voor de beantwoording van de vraag of de verbintenis om 20 middenhuur-woningen te leveren voldoende bepaalbaar is. Het is immers in beginsel aan [eisers] om te bepalen op welke wijze zij de op hun rustende verbintenissen nakomen. Dat geldt ook voor de verbintenis om 20 middenhuur-woningen te leveren aan [gedaagden]\n\n4.23.. Voor zover [gedaagden] hebben gesteld dat het object van koop niet voldoende bepaalbaar is, worden zij daarin niet gevolgd. Op [gedaagden] rust immers de verbintenis om de landbouwgrond te leveren (zie overweging 2.1 en 2.15). Dat de nakoming door [eisers] van de op hun rustende verbintenis om de woningen te leveren aan [gedaagden] eventueel meebrengt dat een deel van de landbouwgrond bij [gedaagden] ten behoeve van de bebouwing achterblijft of bebouwd wordt teruggeleverd, doet daar niet aan af.\n\nDe conclusie\n\n4.24.. Uit het voorgaande volgt dat tussen [eisers] en [gedaagden] een koopovereenkomst tot stand is gekomen zoals overgelegd als productie 9 bij dagvaarding. [gedaagden] hebben geen verweer gevoerd tegen het onderzoek naar de staat van de landbouwgrond dat [eisers] willen (laten) uitvoeren. Dit betekent dat in conventie de primaire vorderingen onder I, II en III van [eisers] zullen worden toegewezen.\n\n4.25.. \n [eisers] hebben in verband met hetgeen zij in conventie hebben gevorderd beslag laten leggen op de landbouwgrond. [gedaagden] hebben gesteld dat dit beslag onrechtmatig is. Uit hetgeen in conventie is overwogen, volgt dat de primaire vorderingen van [eisers] zullen worden toegewezen. Het beslag is dus niet onrechtmatig. De vorderingen van [gedaagden] in reconventie zullen daarom worden afgewezen.\n\n(Proces)kosten\n\n4.26.. De rechtbank begrijpt dat [eisers] de beslagkosten van [gedaagden] willen vorderen. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 344,52 en € 98,32 voor kosten deurwaardersexploten, € 688,00 voor griffierecht en € 614,00 voor salaris advocaat, derhalve in totaal € 1.744,84.\n\n4.27.. \n [gedaagden] zijn in conventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden in conventie begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n112,37\n\n- griffierecht\n\n€\n\n688,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.228,00\n\n(2 punten × € 614,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n178,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.206,37\n\n4.28.. \n [gedaagden] zijn in reconventie eveneens in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden in reconventie begroot op € 614,00 (1 punt x € 614,00).\n\n4.29.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie en reconventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.30.. De veroordeling in conventie en in reconventie wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. verklaart voor recht dat dat tussen [eisers] enerzijds en [gedaagden] anderzijds op 25 november 2021 een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot het perceel landbouwgrond, gelegen te [plaats] ), kadastraal bekend als [perceel 1] , welke koopovereenkomst woordelijk is opgenomen in productie 9 van de dagvaarding,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot nakoming van de onder 5.1 genoemde koopovereenkomst door het perceel landbouwgrond, gelegen te [plaats] , kadastraal bekend als [perceel 1] conform de bepaling van de onder 5.1 genoemde koopovereenkomst aan [eisers] te leveren, tegen ontvangst van de in de koopovereenkomst bepaalde koopprijs en [eisers] toe te laten de benodigde onderzoeken te verrichten;\n\n5.3.. bepaalt dat, indien [gedaagden] niet aan de onder 5.2 genoemde veroordeling voldoen, dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de wilsverklaring van [gedaagden] voor de medewerking aan het opmaken en passeren van de notariële leveringsakte en de toestemming om het perceel te betreden voor de benodigde onderzoeken;\n\n5.4.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.744,84, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.206,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.6.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.7.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nin reconventie\n\n5.9.. wijst het gevorderde af,\n\n5.10.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 614.00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.11.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.12.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het betreft de proceskostenveroordeling.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:2790","2025-04-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:02.902Z",20,[134,11,135],2026,2024]