[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-criminal-law-nl-2022":3},{"detail":4,"years":103},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":27,"page":14,"limit":102},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",2022,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":23},12,[39,53,61,69,77,85,95],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"755","ECLI:NL:GHSHE:2022:4831","ecli-nl-ghshe-2022-4831","",72,"2022-12-01T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-002252-17\n\nUitspraak : 1 december 2022\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017, in de strafzaak met parketnummer 03-721227-13 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nDe verdachte is – kort gezegd – bij vonnis waarvan beroep door de rechtbank vrijgesproken ter zake van het onder 2B tenlastegelegde (het medeplegen van de handel in softdrugs) en ter zake van het tenlastegelegde onder\n\n1A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n1B (het medeplegen van de handel in harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n2A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van softdrugs, meermalen gepleegd),\n\n3 (deelneming aan een criminele organisatie),\n\n4 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne in een aantal panden, meermalen gepleegd) en\n\n5 (het medeplegen van voorbereidingshandelingen harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, meermalen gepleegd),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nVerder heeft de rechtbank met betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen de teruggave aan de verdachte gelast van geld en een personenauto verbeurd verklaard.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van hetgeen aan hem onder 2B is tenlastegelegd. Het onder 2 tenlastegelegde dient – gelet op de zinsnede ‘en\u002Fof’ – taalkundig als alternatief\u002Fcumulatief te worden opgevat. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en tevens in hoger beroep, leidt het hof af dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging klaarblijkelijk zo heeft willen opstellen dat een vrijspraak voor het ene feit, niet automatisch leidt tot een vrijspraak van het andere feit. Het hof zal aldus – in navolging van het oordeel van de rechtbank zoals deze in het vonnis waarvan beroep is vervat – uitgaan van een cumulatieve tenlastelegging.\n\nNu het gaat om gevoegde feiten, staat er – gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering – voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 2B tenlastegelegde geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep voornoemde gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en – in zoverre opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nDe verdediging heeft, op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht het inbeslaggenomen voertuig aan de verdachte terug te geven.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank en het ook overigens niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:\n\n1. \n\nA.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), (telkens) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, (telkens) opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, buiten het grondgebied van Nederland gebracht en\u002Fof met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, althans met bestemming naar het buitenland, vervoerd en\u002Fof doen vervoeren, (onder meer) hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA werd verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\u002Fof\n\nB.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof in België en\u002Fof in Frankrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), (telkens) (grote) hoeveelheden hennep en\u002Fof hasjiesj, zijnde hennep en\u002Fof hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II,immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,(telkens) opzettelijk die hennep en\u002Fof hasjiesj, buiten het grondgebied van Nederland gebracht en\u002Fof met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, althans met bestemming naar het buitenland, vervoerd en\u002Fof doen vervoeren, (onder meer) hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nhij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013, in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof in België en\u002Fof in Frankrijk, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een (duurzaam) samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof [medeverdachte 3] en\u002Fof [medeverdachte 4] en\u002Fof [medeverdachte 5] en\u002Fof\n\n [medeverdachte 12] en\u002Fof [medeverdachte 6] en\u002Fof [medeverdachte 7] en\u002Fof [verdachte] en\u002Fof\n\n [medeverdachte 8] en\u002Fof [medeverdachte 9] en\u002Fof [medeverdachte 10] en\u002Fof [medeverdachte 11] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid en\u002Fof artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\u002Fof\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\u002Fof\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nhij op of omstreeks 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en\u002Fof in de gemeente Eijsden-Margraten en\u002Fof in de gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 2] , ongeveer 878,6 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 70,55 gram cocaïne en\u002Fof\n\n- in een pand aan [adres 3] , ongeveer 510 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 422 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 19 gram cocaïne en\u002Fof\n\n- in een pand aan [adres 4] , ongeveer 3151 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 139 gram cocaïne,\n\nin elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en\u002Fof cocaïne, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n5. \n\nhij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in de gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, een of meerdere (speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en\u002Fof gewaarmerkte) mobiele telefoontoestel(len) met telefoonkaartje(s) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en\u002Fof verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat\u002Fdie mobiele telefoontoestel(len) en\u002Fof telefoonkaartje(s) bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en).\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nAanvullende overweging omtrent de verbeterde lezing van het onder feit 2A tenlastegelegde\n\nHet hof overweegt ter zake van de dagvaarding van het onder feit 2A tenlastegelegde ambtshalve het volgende.\n\nHet ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende artikel 2 van de Opiumwet houdt, voor zover relevant, in dat het verboden is een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, dan wel een dergelijk middel te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.\n\nOnder feit 2A wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en\u002Fof hasjiesj, door die hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen aan Belgische en\u002Fof Franse klanten. Het kernverwijt daarbij is de uitvoer van softdrugs, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof is van oordeel dat – tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van hennep en\u002Fof hasjiesj door deze hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten.\n\nGelet daarop zal het hof de tenlastelegging en bewezenverklaring verbeterd lezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden ‘of verstrekt’ zal toevoegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging is geschaad.\n\nVrijspraak feit 4\n\nDe verdachte wordt – kort gezegd – bij het onder feit 4 tenlastegelegde verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en), op of omstreeks 19 november 2013 heroïne en\u002Fof cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad in een drietal panden in Nederland (te Berg en Terblijt, Margraten en Rotterdam).\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte samen met anderen in een drietal panden harddrugs aanwezig heeft gehad, zodat het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde. Zij heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat bij de verdachte zowel betrokkenheid bij die panden, wetenschap als beschikkingsmacht over de aangetroffen harddrugs ontbreekt. De omstandigheid dat de verdachte mogelijk lid is geweest van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van Opiumwetdelicten maakt dat niet anders, nu een lid van een criminele organisatie niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor (alle) (handels)voorraad.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft, met de verdediging, uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat voor de vraag of de verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2, onder C van de Opiumwet, op grond van bestendige jurisprudentie vereist is dat: a) de drugs zich in de ‘machtssfeer’ van de verdachte bevinden en, b) dat de verdachte op de hoogte is van de aanwezigheid van de drugs.\n\nVoor wat betreft het eerste vereiste geldt dat om te kunnen aannemen dat verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden, uit feiten en omstandigheden – al dan niet in hun onderlinge samenhang beschouwd – dient te kunnen worden afgeleid dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de verdovende middelen dat de verdachte geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad. Daarbij is niet doorslaggevend aan wie die drugs toebehoren. Er hoeft daarnaast ook geen sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van die drugs.\n\nVoor wat betreft het tweede vereiste geldt dat die wetenschap\u002Fhet opzet ook kan worden ingevuld in de vorm van voorwaardelijk opzet, waarbij de verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het aanwezig zijn van de drugs (vgl. HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985; HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903; HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312 en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696).\n\nIn het licht van deze vooropstelling, overweegt het hof als volgt.\n\nUit tapgesprekken tussen [medeverdachte 1] en de verdachte op 16 en 19 oktober en 14 november 2013 kan weliswaar worden afgeleid dat de verdachte ‘iets’ uit een voorraad pakt, maar het hof kan aan de hand van de genoemde tapgesprekken, of de overige inhoud van het procesdossier, niet vaststellen dat de verdachte op (om omstreeks) 19 november 2013 wetenschap had van – en beschikkingsmacht over – de aangetroffen heroïne en cocaïne in de panden aan [adres 2] , [adres 5] en [adres 4] . Dat de verdachte wel zal worden veroordeeld ter zake van deelneming aan een criminele organisatie in de periode van 20 september 2013 tot en met 19 november 2013 maakt dit niet anders.\n\nHet hof zal de verdachte aldus vrijspreken van hetgeen aan hem onder 4 tenlastegelegd is.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1.\n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 juni 2013 en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne, met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne werd verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\n\nB.\n\nmeermalen in de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, opzettelijk die hennep en hasjiesj met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nin de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 12] en\n\n [medeverdachte 6] en [verdachte] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n5. \n\nin de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van\n\nhoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en gewaarmerkte mobiele telefoontoestellen met telefoonkaartjes voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die mobiele telefoontoestellen en telefoonkaartjes bestemd waren tot het plegen van die feiten.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen en -overwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nHet hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de bewijsvoering en bewijsoverwegingen opnemen in een aanvulling op dit arrest, welke aanvulling dan aan dit arrest wordt gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 1B bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 2A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet.\n\nHet onder 5 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep – gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd, in die zin dat is bepleit om de aan de verdachte op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten, en dat daarnaast wordt volstaan met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf of de maximum taakstraf per bewezenverklaard feit. Volgens de verdediging is sprake van een excessieve overschrijding van de redelijke termijn waardoor de keuze voor de strafmodaliteit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet langer opportuun is. De verdediging heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat de verdachte na de onderhavige feiten niet met justitie in aanraking is geweest.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nHet gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en – in mindere mate – hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde ‘telefooncarrousel’ bestond en er cadeautjes – in de vorm van hennep of hasjiesj – werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij\u002Fzij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct – al dan niet in een reserveband – werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 7] , [verdachte] en [medeverdachte 8] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel.\n\nDoor deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.\n\nHet hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij gedurende een relatief korte periode betrokken is geweest bij de bewezenverklaarde feiten, en hij binnen de organisatie fungeerde als drugsrunner.\n\nvan verdachte heeft het hof voorts nog gelet op de inhoud van het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 augustus 2022, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, zij het niet voor soortgelijke feiten.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.\n\nIn hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. Dat verdachte sinds deze strafzaak niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie, werkt – anders dan de raadsman stelt – niet strafmatigend. Het niet plegen van strafbare feiten is immers de norm.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof nog als volgt.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nBij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.\n\nIn de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 19 december 2013, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 7 juli 2017. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer één jaar en zeven maanden.\n\nDe verdachte heeft op 13 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 1 december 2022. In hoger beroep is aldus tevens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn ongeveer bijna drie jaar en vijf maanden.\n\nEen deel van de overschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep vindt echter zijn rechtvaardiging in de omvang en de complexiteit van het onderzoek. Deze strafzaak maakt deel uit van het onderzoek Seville, een omvangrijk politieonderzoek waarbij in hoger beroep dertien verdachten gelijktijdig terechtstaan. In deze zaken zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele getuigen verzocht, en ook toegewezen, welke deels woonachtig zijn in het buitenland. Bovendien hebben de coronamaatregelen de voortgang van het onderzoek vertraagd. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – met één jaar verlengt. In eerste aanleg is derhalve nog sprake van termijnoverschrijding van zeven maanden en in hoger beroep van twee jaar en vijf maanden.\n\nHet hof ziet in voornoemde overschrijdingen aanleiding om een andere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijdingen. Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats zou zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van voorarrest, opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nInbeslaggenomen goederen\n\nDe verdediging heeft het hof met betrekking tot het beslag naar voren gebracht dat er nog altijd beslag rust op de Marokkaanse bankrekening en het appartement van de vader van de verdachte. Verzocht is om het onder de verdachte in beslag genomen voertuig – naar het hof begrijpt: de Audi A4 – gekentekend [kenteken] – aan hem terug te geven.\n\nOp pagina 81 van het vonnis heeft de rechtbank omtrent de inbeslaggenomen goederen het volgende overwogen.\n\n‘De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 473,00 dient te worden teruggegeven aan de beslagene. Het is op basis van het dossier immers niet duidelijk of dit geld afkomstig is uit de drugshandel of uit een legale bron, te weten zijn uitkering. In dat geval kan geen verbeurdverklaring van het geld worden uitgesproken.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen auto wel verbeurd dient te worden verklaard. Immers is dit de auto die [verdachte] op naam had genomen en uit het procesdossier blijkt dat met deze auto meerdere strafbare feiten zijn gepleegd.’\n\nHet hof sluit zich aan bij deze overweging en neemt deze beslissing over. In aanvulling daarop overweegt het hof nog dat het wat betreft het verbeurdverklaarde goed heeft gelet op de draagkracht van de verdachte.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2B tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1A, 1B, 2A, 3 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van16 (zestien) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVerklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- zie besl.portaal 1 1.00 STK Personenauto [kenteken] , AUDI A4 QUATRO VTG20.001;\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- zie lijst Ligom 23 Geld Nederlands WI067 03.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. C.P.J. Scheele en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid mr. J.P.T.G. van den Uithoorn, griffier,\n\nen op 1 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4831","2023-03-09T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:46.652Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":51,"updatedAt":60},"756","ECLI:NL:GHSHE:2022:4830","ecli-nl-ghshe-2022-4830","Parketnummer : 20-002168-17\n\nUitspraak : 1 december 2022\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017, in de strafzaak met parketnummer 03-721179-13 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nDe verdachte is – kort gezegd – bij vonnis waarvan beroep:\n\nvrijgesproken van het onder 2B tenlastegelegde en\n\nveroordeeld ter zake van het onder 1A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van harddrugs, meermalen gepleegd), 1B (het medeplegen van de handel in harddrugs, meermalen gepleegd), 2A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van softdrugs, meermalen gepleegd), 3 (deelneming aan een criminele organisatie), 4 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne in een aantal panden, meermalen gepleegd), 5 (het medeplegen van voorbereidingshandelingen harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten) en 6 (het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie) tenlastegelegde, – blijkens het dictum – tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van voorarrest.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van hetgeen aan hem onder 2B is tenlastegelegd. Het onder 2 tenlastegelegde dient – gelet op de zinsnede ‘en\u002Fof’ – taalkundig als alternatief\u002Fcumulatief te worden opgevat. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en tevens in hoger beroep, leidt het hof af dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging klaarblijkelijk zo heeft willen opstellen dat een vrijspraak voor het ene feit, niet automatisch leidt tot een vrijspraak van het andere feit. Het hof zal aldus – evenals en in navolging van het oordeel van de rechtbank zoals deze in het vonnis waarvan beroep is vervat – uitgaan van een cumulatieve tenlastelegging.\n\nNu het gaat om gevoegde feiten, staat er – gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering – voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 2B tenlastegelegde geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep voornoemde gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep voor zover aan zijn oordeel onderworpen zal bevestigen met inbegrip van de beslissing op het beslag en met uitzondering van de opgelegde straf en met aanvulling van bewijs en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. De advocaat-generaal heeft zich wat betreft het beslag op het standpunt gesteld dat het hof hieromtrent conform het vonnis van de rechtbank kan beslissen.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak van het onder 2A tenlastegelegde bepleit. Zij heeft partiële vrijspraak bepleit van het onder 1A, 1B en 2A tenlastegelegde. Met betrekking tot het onder 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft zich met betrekking tot het beslag eveneens gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof zal het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – gedeeltelijk vernietigen en gedeeltelijk bevestigen.\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, behalve voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 3 (met dien verstande dat die bewezenverklaring komt te luiden als hierna vermeld), de kwalificaties van het onder 1A, 1B, 3 en 5 bewezenverklaarde en de opgelegde hoofdstraf. In zoverre zal het beroepen vonnis worden vernietigd. Bijgevolg zullen de daarmee samenhangende overwegingen worden vervangen zoals hierna te melden. Omwille van de leesbaarheid zal het hof ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten de bewezenverklaring hieronder opnemen.\n\nHet hof ziet voorts aanleiding om:\n\nhet vonnis aan te vullen met een overweging omtrent het verbeterd lezen van de tenlastelegging voor wat betreft het onder 2A tenlastegelegde;\n\nde bewijsvoering te vervangen. Het hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen opnemen in een aanvulling op dit arrest, welke aanvulling dan aan dit arrest wordt gehecht;\n\n- de toepasselijke wettelijke voorschriften te vervangen;\n\n- een aanvullende overweging op te nemen met betrekking tot het beslag.\n\nVerbeterde lezing van het onder feit 2A tenlastegelegde\n\nHet hof overweegt ter zake van de dagvaarding van het onder feit 2A tenlastegelegde het volgende.\n\nHet ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende artikel 2 van de Opiumwet houdt, voor zover relevant, in dat het verboden is een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, dan wel een dergelijk middel te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.\n\nOnder feit 2A wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en\u002Fof hasjiesj, door die hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen aan Belgische en\u002Fof Franse klanten. Het kernverwijt daarbij is de uitvoer van softdrugs, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof is van oordeel dat – tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van hennep en\u002Fof hasjiesj door deze hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten.\n\nGelet daarop zal het hof de tenlastelegging verbeterd lezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden ‘of verstrekt’ zal toevoegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging geschaad.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:\n\n1.\n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne, met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne werd verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\n\nB.\n\nmeermalen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;2. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, opzettelijk die hennep en hasjiesj, met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nin de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [verdachte] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en\n\n [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en in de gemeente\n\nEijsden-Margraten en in de gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 2] , 878,5 gram heroïne en 70,55 gram cocaïne en\n\n- in een pand aan [adres 3] , ongeveer 510 gram heroïne en ongeveer 422 gram heroïne en ongeveer 19 gram cocaïne en\n\n- in een pand aan [adres 4] , ongeveer 3151 gram heroïne en ongeveer 139 gram cocaïne,\n\nzijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n5. \n\nin de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van\n\nhoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en gewaarmerkte mobiele telefoontoestellen met telefoonkaartjes voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die mobiele telefoontoestellen en telefoonkaartjes bestemd waren tot het plegen van die feiten;\n\n6. \n\nop 19 november 2013, in de gemeente Rotterdam, in een woning aan de [adres 5] , een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (Glock), en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde: vervanging van de kwalificaties van de feiten 1A, 1B, 3 en 5:\n\nDe kwalificaties van de navolgende bewezenverklaarde feiten worden vervangen, in die zin dat deze als volgt komen te luiden:\n\nHet onder 1A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 1B bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet.\n\nHet onder 5 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft daartoe naar voren gebracht dat de rol van de verdachte niet gelijk kan worden gesteld met die van medeverdachte [medeverdachte 1] en dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedragingen. Daarnaast is de redelijke termijn fors overschreden, hetgeen strafvermindering tot gevolg dient te hebben. De raadsman heeft in dat kader verwezen naar jurisprudentie hieromtrent. Voorts heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met de gewijzigde VI-regeling. Gelet op het vorenstaande, verzoekt zij het hof om aan de verdachte een maximale gevangenisstraf voor de duur van vier jaren op te leggen.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nHet gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en – in mindere mate – hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde ‘telefooncarrousel’ bestond en er cadeautjes – in de vorm van hennep of hasjiesj – werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij\u002Fzij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct – al dan niet in een reserveband – werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 10] , [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel. Daarnaast heeft de verdachte – in het kader van de criminele organisatie – met enkele medeverdachten op 19 november 2013 in een drietal panden in Nederland in totaal ongeveer 4,5 kilogram heroïne en ruim 200 gram cocaïne opzettelijk aanwezig gehad.\n\nDoor deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.\n\nHet hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij blijkens het dossier een belangrijke rol had. Net als de rechtbank, is het hof van oordeel dat zijn rol min of meer gelijkwaardig was aan die van [medeverdachte 1] . Hoewel hij hoog in de rangorde zat, had hij zelf ook een uitvoerende rol, door bijvoorbeeld drugs te verstrekken aan de buitenlandse klanten. Het hof weegt in strafmatigende zin mee dat de verdachte gedurende (ongeveer) één jaar niet heeft kunnen deelnemen aan de criminele organisatie vanwege de omstandigheid dat hij gedetineerd was.\n\nDaarnaast heeft de verdachte op 19 november 2013 een met veertien kogelpatronen half (door)geladen vuurwapen voorhanden gehad.\n\nTen aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof voorts nog gelet op de inhoud van het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 augustus 2022, waaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nMet de raadsman is het hof van oordeel dat in het vonnis sprake was van een kennelijke verschrijving in het dictum en dat de rechtbank heeft bedoeld aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar op te leggen. Het hof acht, met de rechtbank, een gevangenisstraf van acht jaar in beginsel passend en geboden.\n\nDe verdediging heeft in hoger beroep in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de Wet Straffen en beschermen, nu de feiten van vóór de inwerkingtreding van die wet dateren. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De wetgever heeft niet voorzien in overgangsrecht en daaruit leidt het hof af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat in gevallen waarin de feiten van vóór de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen dateren, rekening wordt gehouden met die wet, in die zin dat een lagere straf wordt opgelegd zodat de verdachte eenzelfde aantal jaren van zijn straf zou moeten uitzitten als wanneer hij niet in appel zou zijn gegaan. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om in afwijking daarvan wél rekening te houden met de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen.\n\nMet betrekking tot het procesverloop in deze zaak overweegt het hof nog als volgt.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nBij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.\n\nIn de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 19 november 2013, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 7 juli 2017. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna één jaar en acht maanden.\n\nVerdachte heeft op 11 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 1 december 2022. In hoger beroep is aldus tevens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt bijna drie jaren en vijf maanden.\n\nEen deel van de overschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep vindt echter zijn rechtvaardiging in de omvang en de complexiteit van het onderzoek. Deze strafzaak maakt deel uit van het onderzoek Seville, een omvangrijk politie onderzoek waarbij in hoger beroep dertien verdachten gelijktijdig terechtstaan. In deze zaken zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele getuigen verzocht, en ook toegewezen, welke deels woonachtig zijn in het buitenland. Bovendien hebben de coronamaatregelen de voortgang van het onderzoek vertraagd. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – met één jaar verlengt. In eerste aanleg is derhalve nog sprake van termijnoverschrijding van acht maanden en in hoger beroep van twee jaren en vijf maanden.\n\nHet hof ziet in voornoemde overschrijdingen aanleiding om een andere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijdingen. Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats zou zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nAanvullende overweging met betrekking tot het beslag\n\nHet hof heeft wat betreft de verbeurdverklaring van onderstaande goederen, gelet op de draagkracht van de verdachte:\n\n(2) één GSM, Nokia RH 130 + batterij LO079.06.04.002;\n\n(3) één GSM, Blackberry bold, LO079.06.01.002;\n\n(15) Geld Nederlands, LO079 06 03 001.\n\nVervanging van de toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2B tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3, de kwalificaties van het onder 1A, 1B, 3 en 5 bewezenverklaarde en de opgelegde hoofdstraf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVerklaart bewezen het onder 3 tenlastegelegde zoals hiervoor is overwogen.\n\nKwalificeert het onder feit 1A, 1B, 3 en 5 bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. C.P.J. Scheele en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.G. Gersen, griffier,\n\nen op 1 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4830","2023-03-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.692Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":65,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":51,"updatedAt":68},"1167","ECLI:NL:GHSHE:2022:4833","ecli-nl-ghshe-2022-4833","Parketnummer : 20-002289-17\n\nUitspraak : 1 december 2022\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017, in de strafzaak met parketnummer 03-720824-13 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nDe verdachte is – kort gezegd – bij vonnis waarvan beroep door de rechtbank vrijgesproken ter zake van het onder 2B tenlastegelegde (het medeplegen van de handel in softdrugs) en ter zake van het tenlastegelegde onder\n\n1A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n1B (het medeplegen van de handel in harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n2A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van softdrugs, meermalen gepleegd),\n\n3 (deelneming aan een criminele organisatie),\n\n4 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne in een aantal panden, meermalen gepleegd) en\n\n5 (het medeplegen van voorbereidingshandelingen harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, meermalen gepleegd),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nVerder heeft de rechtbank twee inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen verbeurd verklaard.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van hetgeen aan hem onder 2B is tenlastegelegd. Het onder 2 tenlastegelegde dient – gelet op de zinsnede ‘en\u002Fof’ – taalkundig als een alternatief\u002Fcumulatief opgestelde tenlastelegging te worden opgevat. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, leidt het hof echter af dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging klaarblijkelijk zo heeft willen opstellen dat een vrijspraak voor het ene feit, niet automatisch leidt tot een vrijspraak van het andere feit. Het hof zal aldus – in navolging van het oordeel van de rechtbank zoals deze in het vonnis waarvan beroep is vervat – uitgaan van een cumulatieve tenlastelegging.\n\nNu het gaat om gevoegde feiten, staat er – gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering – voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 2B tenlastegelegde geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep voornoemde gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest.\n\nDe verdediging heeft, op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, partiële vrijspraak bepleit van het onder 1A, 1B, 2A en 3A en 3B tenlastegelegde, in die zin dat is verzocht de bewezenverklaring periode telkens te beperken op de wijze zoals door de rechtbank bewezen is verklaard. Voorts zijn stellingen ingenomen met betrekking tot stemherkenningen en het gebruik van (mede) aan de verdachte toegeschreven telefoonnummers. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof zal het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – gedeeltelijk vernietigen en gedeeltelijk bevestigen.\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, behalve voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 3 (met dien verstande dat die bewezenverklaring komt te luiden als hierna vermeld), de kwalificaties van het onder 1A, 1B en 3 bewezenverklaarde en de opgelegde straf. In zoverre zal het beroepen vonnis worden vernietigd. Bijgevolg zullen de daarmee samenhangende overwegingen worden vervangen zoals hierna te melden. Omwille van de leesbaarheid zal het hof ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten de bewezenverklaring hieronder opnemen.\n\nHet hof ziet voorts aanleiding om:\n\n- het vonnis aan te vullen met een overweging omtrent het verbeterd lezen van de tenlastelegging voor wat betreft het onder 2A tenlastegelegde;\n\n- de bewijsvoering te vervangen. Het hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen opnemen in een aanvulling op dit arrest, welke aanvulling dan aan dit arrest wordt gehecht;\n\n- de motivering van de rechtbank ten aanzien van het beslag (pagina 46 van het vonnis) te vervangen;\n\n- de toepasselijke wettelijke voorschriften te vervangen op de wijze als hierna vermeld.\n\nVerbeterde lezing van het onder feit 2A tenlastegelegde\n\nHet hof overweegt ter zake van de dagvaarding van het onder feit 2A tenlastegelegde ambtshalve het volgende.\n\nHet ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende artikel 2 van de Opiumwet houdt, voor zover relevant, in dat het verboden is een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, dan wel een dergelijk middel te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.\n\nOnder feit 2A wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en\u002Fof hasjiesj, door die hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen aan Belgische en\u002Fof Franse klanten. Het kernverwijt daarbij is de uitvoer van softdrugs, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof is van oordeel dat – tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van hennep en\u002Fof hasjiesj door deze hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten.\n\nGelet daarop zal het hof de tenlastelegging en bewezenverklaring verbeterd lezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden ‘of verstrekt’ zal toevoegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging is geschaad.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:\n\n1. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne werd(en) verkocht aan Belgische en Franse klanten\n\nen\n\nB.\n\nmeermalen in de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland en\u002Fof in België, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die hennep en\u002Fof hasjiesj met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd(en) verkocht of verstrekt aan Belgische en Franse klanten;\n\n3. \n\nin de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [verdachte] en [medeverdachte 3] , en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid en\u002Fof artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Eindhoven en de gemeente Gouda, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en\u002Fof cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen:\n\n- in een pand aan [adres 2] ongeveer 62.850 gram van een mengsel van coffeïne en paracetamol en\n\n- in een pand aan [adres 3] ongeveer 860 gram inositol,\n\nvoorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders telkens wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;\n\n5. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Gouda en de gemeente Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 3] ongeveer 1.000 gram cocaïne,\n\n- in een pand aan [adres 2] ongeveer 3.900 gram heroïne,\n\n- in een pand aan [adres 2] ongeveer 200 gram cocaïne,\n\nzijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n6. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres 2] ongeveer 123 gram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde: vervanging van de kwalificaties van de feiten 1A, 1B en 3\n\nDe kwalificaties van de navolgende bewezenverklaarde feiten worden vervangen, in die zin dat deze als volgt komen te luiden:\n\nHet onder 1A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 1B bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet.\n\nDe overige kwalificaties worden door het hof bevestigd en blijven aldus in stand.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep – gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd, in die zin dat is bepleit om de aan de verdachte op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht en dat daarnaast eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf wordt opgelegd. De verdediging heeft daarbij gewezen op het tijdsverloop in deze zaak, de omstandigheid dat de verdachte zijn leven heeft gebeterd en geen sprake is van recidive.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nHet gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en – in mindere mate – hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde ‘telefooncarrousel’ bestond en er cadeautjes – in de vorm van hennep of hasjiesj – werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij\u002Fzij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct – al dan niet in een reserveband – werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] en [medeverdachte 14] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel.\n\nDoor deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.\n\nHet hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij een belangrijke rol had, in zijn woning in Eindhoven forse hoeveelheden verdovende middelen en versnijdingsmiddelen zijn aangetroffen en hij ook een uitvoerende rol had, door bijvoorbeeld drugs te vervoeren.\n\nTen aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof voorts nog acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 augustus 2022, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.\n\nIn hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof nog als volgt.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nBij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.\n\nIn de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 19 november 2013, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 7 juli 2017. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna 28 maanden.\n\nDe verdachte heeft op 19 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 1 december 2022. In hoger beroep is aldus tevens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt bijna drie jaren en vijf maanden.\n\nEen deel van de overschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep vindt echter zijn rechtvaardiging in de omvang en de complexiteit van het onderzoek. Deze strafzaak maakt deel uit van het onderzoek Seville, een omvangrijk politieonderzoek waarbij in hoger beroep dertien verdachten gelijktijdig terechtstaan. In deze zaken zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele getuigen verzocht, en ook toegewezen, welke deels woonachtig zijn in het buitenland. Een deel van de toegewezen getuigen was bovendien niet (direct) traceerbaar. Ook hebben de coronamaatregelen de voortgang van het onderzoek vertraagd. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – met één jaar verlengt. In eerste aanleg is derhalve nog sprake van termijnoverschrijding van 16 maanden en in hoger beroep van twee jaren en vijf maanden.\n\nHet hof ziet in voornoemde overschrijdingen aanleiding om een lagere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijdingen. Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats zou zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijdingen van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis met betrekking tot het beslag overwogen:\n\nMet betrekking tot de voorwerpen op de beslaglijst van de verdachte, beslist de rechtbank als volgt.\n\nTwee geldbedragen van € 25.000,00 respectievelijk € 840,00 zijn inbeslaggenomen onder de verdachte op [adres 2] . Dit geld was (deels) verpakt in plastic en lag in de omgeving van de eveneens aldaar aangetroffen verdovende middelen.De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat tussen het geld en de handel in respectievelijk uitvoer van hard- en\u002Fof softdrugs een relatie bestond. De rechtbank acht daarom verbeurdverklaring van beide geldbedragen op zijn plaats.\n\nHet hof schrapt de laatste twee (door het hof onderstreepte) zinnen van deze overweging en vult het vonnis aan, in die zin dat het hof de navolgende overweging daarvoor in de plaats stelt:\n\n- ‘Tegen deze achtergrond en hetgeen overigens is gebleken, zijn deze geldbedragen vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn die de verdachte geheel of ten dele te eigen bate kon aanwenden en geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 1A en 2A bewezenverklaarde zijn verkregen.\n\nHet hof zal deze voorwerpen daarom verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.’\n\nVervanging van de toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet en zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2B tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3, de kwalificaties van het onder 1A, 1B en 3 bewezenverklaarde en de opgelegde straf.\n\nVerklaart bewezen het onder 3 tenlastegelegde zoals hiervoor is overwogen.\n\nKwalificeert het onder feit 1A, 1B en 3 bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van4 (vier) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. C.P.J. Scheele en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J.P.T.G. van den Uithoorn, griffier,\n\nen op 1 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4833","2023-03-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.798Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":73,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":51,"updatedAt":76},"1169","ECLI:NL:GHSHE:2022:4827","ecli-nl-ghshe-2022-4827","Parketnummer : 20-000840-18\n\nUitspraak : 1 december 2022\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 03-700688-13 en\n\n03-700254-14, tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nDe verdachte is – kort gezegd – bij vonnis waarvan beroep door de rechtbank in de zaak met parketnummer 03-700688-13 vrijgesproken ter zake van het onder 2B tenlastegelegde (het medeplegen van de handel in softdrugs) en ter zake van het tenlastegelegde onder\n\n1A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n1B (het medeplegen van de handel in harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n2A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van softdrugs, meermalen gepleegd),\n\n3 (deelneming aan een criminele organisatie),\n\n4 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne in een aantal panden, meermalen gepleegd),\n\n5 (het medeplegen van voorbereidingshandelingen harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, meermalen gepleegd),\n\n6 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van softdrugs),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. Verder heeft de rechtbank beslist op het beslag.\n\nTen slotte is de officier van justitie in de zaak met parketnummer 03-700254-14 niet-ontvankelijk verklaard.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang en ontvankelijkheid van het hoger beroep\n\nBij appelakte van 7 juli 2017 is namens de verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld in de zaak met parketnummer 03-700688-13.\n\nHet hoger beroep moet, blijkens het vorenoverwogene en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot hetgeen ten laste is gelegd onder parketnummer 03-700688-13 en niet tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in zijn vervolging van de dubbel ten laste gelegde feiten onder het gevoegde parketnummer 03-700254-14.\n\nDaarnaast is het onbeperkt appel van de verdachte mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 03-700688-13 onder 2B is tenlastegelegd. Het in de zaak met parketnummer 03-700688-13 onder 2 tenlastegelegde dient – gelet op de zinsnede ‘en\u002Fof’ – taalkundig als alternatief\u002Fcumulatief te worden opgevat. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, leidt het hof af dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging klaarblijkelijk zo heeft willen opstellen dat een vrijspraak voor het ene feit, niet automatisch leidt tot een vrijspraak van het andere feit. Het hof zal aldus –in navolging van het oordeel van de rechtbank zoals deze in het vonnis waarvan beroep is vervat – uitgaan van een cumulatieve tenlastelegging.\n\nNu het gaat om gevoegde feiten, staat er – gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering – voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 03-700688-13onder 2B tenlastegelegde geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep voornoemde gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal bevestigen met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf en – in zoverre opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1A, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde en partiële vrijspraak bepleit van het onder 1B tenlastegelegde. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof zal het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – gedeeltelijk vernietigen en gedeeltelijk bevestigen.\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, behalve voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 3 (met dien verstande dat die bewezenverklaring komt te luiden als hierna vermeld), de kwalificaties van het onder 1A, 1B en\n\n3 bewezenverklaarde, de door de rechtbank genomen beslagbeslissing met betrekking tot de beslagnummers 1 en 10 en de opgelegde straf. In zoverre zal het beroepen vonnis worden vernietigd. Bijgevolg zullen de daarmee samenhangende overwegingen worden vervangen zoals hierna te melden. Omwille van de leesbaarheid zal het hof ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten de bewezenverklaring hieronder opnemen.\n\nHet hof ziet voorts aanleiding om:\n\n- het vonnis aan te vullen met een overweging omtrent het verbeterd lezen van de tenlastelegging voor wat betreft het onder 2A tenlastegelegde;\n\n- de toepasselijke wettelijke voorschriften te vervangen op de wijze als hierna vermeld;\n\n- de bewijsvoering te vervangen. Het hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen opnemen in een aanvulling op dit arrest, welke aanvulling dan aan dit arrest wordt gehecht.\n\nVerbeterde lezing van het onder feit 2A tenlastegelegde\n\nHet hof overweegt ter zake van de dagvaarding van het onder feit 2A tenlastegelegde ambtshalve het volgende.\n\nHet ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende artikel 2 van de Opiumwet houdt, voor zover relevant, in dat het verboden is een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, dan wel een dergelijk middel te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.\n\nOnder feit 2A wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en\u002Fof hasjiesj, door die hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen aan Belgische en\u002Fof Franse klanten. Het kernverwijt daarbij is de uitvoer van softdrugs, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof is van oordeel dat – tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van hennep en\u002Fof hasjiesj door deze hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten.\n\nGelet daarop zal het hof de tenlastelegging en bewezenverklaring verbeterd lezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden ‘of verstrekt’ zal toevoegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging is geschaad.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:\n\n1. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 15 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne werd(en) verkocht aan Belgische en Franse klanten\n\nen\n\nB.\n\nmeermalen in de periode van 15 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland en\u002Fof in België, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 15 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die hennep en\u002Fof hasjiesj met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd(en) verkocht of verstrekt aan Belgische en Franse klanten;\n\n3. \n\nin de periode van 15 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid en\u002Fof artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Eindhoven en de gemeente Gouda, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en\u002Fof cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen:\n\n- in een pand aan [adres 2] ongeveer 62.850 gram van een mengsel van coffeïne en paracetamol en\n\n- in een pand aan [adres 3] 860 gram inositol,\n\nvoorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders telkens wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;\n\n5. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 2] ongeveer 3.900 gram heroïne,\n\n- in een pand aan [adres 2] ongeveer 200 gram cocaïne,\n\nzijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n6. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres 2] 123 gram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde: vervanging van de kwalificaties van de feiten 1A, 1B en 3\n\nDe kwalificaties van de navolgende bewezenverklaarde feiten worden vervangen, in die zin dat deze als volgt komen te luiden:\n\nHet onder 1A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 1B bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet.\n\nDe overige kwalificaties worden door het hof bevestigd en blijven aldus in stand.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep – gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft (subsidiair) een straftoemetingsverweer gevoerd, in die zin dat is verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de periode die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, en daarnaast eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf zal opleggen. Voorts heeft de verdediging in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de Wet straffen en beschermen, in werking getreden op 1 juli 2021, voor de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte alsmede met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nHet gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en – in mindere mate – hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde ‘telefooncarrousel’ bestond en er cadeautjes – in de vorm van hennep of hasjiesj – werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij\u002Fzij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct – al dan niet in een reserveband – werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] en [medeverdachte 14] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel.\n\nDoor deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.\n\nHet hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij een stashlocatie beheerde, “dingen” leverde, zijn auto - gezien het zuigmonster uit de kofferbak - kennelijk gebruikte of ter beschikking stelde om verdovende middelen mee te vervoeren en dat hij in het bezit was van een lijst met namen en telefoonnummers van kopers van verdovende middelen en daarmee over het klantenbestand van de organisatie beschikte.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.\n\nIn hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.\n\nDe verdediging heeft in hoger beroep in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de Wet Straffen en beschermen, nu de feiten van vóór de inwerkingtreding van die wet dateren. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De wetgever heeft niet voorzien in overgangsrecht en daaruit leidt het hof af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat in gevallen waarin de feiten van vóór de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen dateren, rekening wordt gehouden met die wet, in die zin dat een lagere straf wordt opgelegd zodat de verdachte eenzelfde aantal jaren van zijn straf zou moeten uitzitten als wanneer hij niet in appel zou zijn gegaan. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om in afwijking daarvan wél rekening te houden met de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen.\n\nHet verweer wordt verworpen.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof nog als volgt.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nBij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.\n\nIn de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 22 april 2014, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 7 juli 2017. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna één jaar en twee maanden.\n\nVerdachte heeft op 7 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 1 december 2022. In hoger beroep is aldus tevens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt bijna drie jaren en vijf maanden.\n\nEen deel van de overschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep vindt echter zijn rechtvaardiging in de omvang en de complexiteit van het onderzoek. Deze strafzaak maakt deel uit van het onderzoek Seville, een omvangrijk politie onderzoek waarbij in hoger beroep dertien verdachten gelijktijdig terechtstaan. In deze zaken zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele getuigen verzocht, en ook toegewezen, welke deels woonachtig zijn in het buitenland. Bovendien hebben de coronamaatregelen de voortgang van het onderzoek vertraagd. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – met één jaar verlengt. In eerste aanleg is derhalve nog sprake van termijnoverschrijding van twee maanden en in hoger beroep van twee jaren en vijf maanden.\n\nHet hof ziet in voormelde overschrijdingen aanleiding om een andere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijdingen. Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats zou zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis omtrent de inbeslaggenomen geldbedragen – blijkens het dictum en voor zover hier relevant – als volgt beslist:\n\n- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de rechthebbende [betrokkene 1] : 30-459324 1 Geld Nederlands ME060.02.03.015;\n\n- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de rechthebbenden [betrokkene 2] en [betrokkene 3] :30-459324 10 Geld Nederlands ME060.04.02.001;\n\nAnders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat van de geldbedragen onder beslagnummers 1 en 10 – welke telkens niet onder de verdachte in beslag zijn genomen – de bewaring ten behoeve van de rechthebbende dient te worden gelast. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.\n\nVervanging van de toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet en zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-700688-13 onder 2B tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3, de kwalificaties van het onder 1A, 1B en 3 bewezenverklaarde, de beslagbeslissing ten aanzien van de beslagnummers 1 en 10 en de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVerklaart bewezen het onder 3 tenlastegelegde zoals hiervoor is overwogen.\n\nKwalificeert het onder feit 1A, 1B en 3 bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van18 (achttien) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n30-459324 1 Geld Nederlands ME060.02.03.015;\n\n30-459324 10 Geld Nederlands ME060.04.02.001;\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. C.P.J. Scheele en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.G. Gersen en mr. J.P.T.G. van den Uithoorn, griffiers,\n\nen op 1 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4827","2023-03-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.890Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":81,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":51,"updatedAt":84},"1168","ECLI:NL:GHSHE:2022:4829","ecli-nl-ghshe-2022-4829","Parketnummer : 20-002169-17\n\nUitspraak : 1 december 2022\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017, in de strafzaak met parketnummer 03-721524-13 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nDe verdachte is – kort gezegd – bij vonnis waarvan beroep door de rechtbank vrijgesproken ter zake van het onder 2B tenlastegelegde (het medeplegen van de handel in softdrugs) en ter zake van het tenlastegelegde onder\n\n1A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n1B (het medeplegen van de handel in harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n2A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van softdrugs, meermalen gepleegd),\n\n3 (deelneming aan een criminele organisatie),\n\n4 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne in een aantal panden, meermalen gepleegd) en\n\n5 (het medeplegen van voorbereidingshandelingen harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, meermalen gepleegd),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest. Verder heeft de rechtbank beslist op het beslag.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van hetgeen aan hem onder 2B is tenlastegelegd. Het onder 2 tenlastegelegde dient – gelet op de zinsnede ‘en\u002Fof’ – taalkundig als alternatief\u002Fcumulatief te worden opgevat. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en tevens in hoger beroep, leidt het hof af dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging klaarblijkelijk zo heeft willen opstellen dat een vrijspraak voor het ene feit, niet automatisch leidt tot een vrijspraak van het andere feit. Het hof zal aldus – in navolging van het oordeel van de rechtbank zoals deze in het vonnis waarvan beroep is vervat – uitgaan van een cumulatieve tenlastelegging.\n\nNu het gaat om gevoegde feiten, staat er – gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering – voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 2B tenlastegelegde geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep voornoemde gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal bevestigen met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf en – in zoverre opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nDe verdediging heeft, op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, partiële vrijspraak bepleit van het onder 4 tenlastegelegde. Met betrekking tot het onder 1A, 1B, 2A, 3 en 5 heeft de verdediging zich gerefereerd ten aanzien van de bewezenverklaring van de rechtbank. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank en het ook overigens niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n1. \n\nA.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), (telkens) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,(telkens) opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, buiten het grondgebied van Nederland gebracht en\u002Fof met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, althans met bestemming naar het buitenland, vervoerd en\u002Fof doen vervoeren, (onder meer) hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA werd verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\u002Fof\n\nB.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof in België en\u002Fof in Frankrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), (telkens) (grote) hoeveelheden hennep en\u002Fof hasjiesj, zijnde hennep en\u002Fof hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, (telkens) opzettelijk die hennep en\u002Fof hasjiesj, buiten het grondgebied van Nederland gebracht en\u002Fof met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, althans met bestemming naar het buitenland, vervoerd en\u002Fof doen vervoeren, (onder meer) hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nhij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013, in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof in België en\u002Fof in Frankrijk, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een (duurzaam) samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof [medeverdachte 3] en\u002Fof [medeverdachte 4] en\u002Fof [verdachte] en\u002Fof\n\n [medeverdachte 5] en\u002Fof [medeverdachte 6] en\u002Fof [medeverdachte 7] en\u002Fof [medeverdachte 8] en\u002Fof\n\n [medeverdachte 9] en\u002Fof [medeverdachte 10] en\u002Fof [medeverdachte 11] en\u002Fof [medeverdachte 12] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid en\u002Fof artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\u002Fof\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\u002Fof\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nhij op of omstreeks 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en\u002Fof in de gemeente Eijsden-Margraten en\u002Fof in de gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 2] , ongeveer 878,6 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 70,55 gram cocaïne en\u002Fof\n\n- in een pand aan [adres 3] , ongeveer 510 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 422 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 19 gram cocaïne en\u002Fof\n\n- in een pand aan [adres 4] , ongeveer 3151 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 139 gram cocaïne,\n\nin elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en\u002Fof cocaïne, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n5. \n\nhij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in de gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, een of meerdere (speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en\u002Fof gewaarmerkte) mobiele telefoontoestel(len) met telefoonkaartje(s) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en\u002Fof verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat\u002Fdie mobiele telefoontoestel(len) en\u002Fof telefoonkaartje(s) bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en).\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nVerbeterde lezing van het onder feit 2A tenlastegelegde\n\nHet hof overweegt ter zake van de dagvaarding van het onder feit 2A tenlastegelegde het volgende.\n\nHet ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende artikel 2 van de Opiumwet houdt, voor zover relevant, in dat het verboden is een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, dan wel een dergelijk middel te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.\n\nOnder feit 2A wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en\u002Fof hasjiesj, door die hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen aan Belgische en\u002Fof Franse klanten. Het kernverwijt daarbij is de uitvoer van softdrugs, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof is van oordeel dat – tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van hennep en\u002Fof hasjiesj door deze hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten.\n\nGelet daarop zal het hof de tenlastelegging verbeterd lezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden ‘of verstrekt’ zal toevoegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging geschaad.\n\nPartiële vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde feit ( [adres 4] )\n\nDe verdachte wordt – kort gezegd – bij het onder feit 4 tenlastegelegde onder meer verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en), op of omstreeks 19 november 2013 heroïne en\u002Fof cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad in het pand\n\naan [adres 4] .\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte samen met anderen in een drietal panden harddrugs aanwezig gehad, zodat het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het opzettelijk aanwezig hebben van heroïne en cocaïne in het pand aan [adres 4] , nu niet kan worden bewezen dat de verdachte betrokkenheid heeft gehad met betrekking tot dit pand en aldus – zo begrijpt het hof – wetenschap c.q. beschikkingsmacht ten aanzien van de aangetroffen verdovende middelen ontbreekt.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof stelt voorop dat voor de vraag of de verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2, onder C van de Opiumwet, op grond van bestendige jurisprudentie vereist is dat: a) de drugs zich in de ‘machtssfeer’ van de verdachte bevinden en, b) dat de verdachte op de hoogte is van de aanwezigheid van de drugs.\n\nVoor wat betreft het eerste vereiste geldt dat om te kunnen aannemen dat verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden, uit feiten en omstandigheden – al dan niet in hun onderlinge samenhang beschouwd – dient te kunnen worden afgeleid dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de verdovende middelen dat de verdachte geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad. Daarbij is niet doorslaggevend aan wie die drugs toebehoren. Er hoeft daarnaast ook geen sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van die drugs.\n\nVoor wat betreft het tweede vereiste geldt dat die wetenschap\u002Fhet opzet ook kan worden ingevuld in de vorm van voorwaardelijk opzet, waarbij de verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het aanwezig zijn van de drugs (vgl. HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985; HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903; HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312 en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696).\n\nNaar het oordeel van het hof is uit het dossier onvoldoende gebleken dat de verdachte op (of omstreeks) 19 november 2013 wetenschap c.q. beschikkingsmacht had van de aangetroffen heroïne en cocaïne in het pand in [adres 4] .\n\nDat de verdachte wel zal worden veroordeeld ter zake van deelneming aan een criminele organisatie in de periode van 20 september 2013 tot en met 19 november 2013 maakt dit\n\nniet anders.\n\nHet hof is van oordeel dat wat betreft de panden aan [adres 5] en aan [adres 2] wel een bewezenverklaring kan volgen en verwijst hiertoe naar de uit de bewijsmiddelen voortkomende feiten en omstandigheden.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1.\n\nA.\n\nmeermalen omstreeks de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne, met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne werd(en) verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\n\nB.\n\nmeermalen omstreeks de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nmeermalen omstreeks de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, opzettelijk die hennep en hasjiesj met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nomstreeks de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en\n\n [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 13] en [medeverdachte 10] en [verdachte] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en in de gemeente\n\nEijsden-Margraten en in de gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 2] , 878,5 gram heroïne en 70,55 gram cocaïne en\n\n- in een pand aan [adres 5] , ongeveer 510 gram heroïne en ongeveer 422 gram heroïne en ongeveer 19 gram cocaïne,\n\nzijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n5. \n\nomstreeks de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en gewaarmerkte mobiele telefoontoestellen met telefoonkaartjes voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die mobiele telefoontoestellen en telefoonkaartjes bestemd waren tot het plegen van die feiten.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen en -overwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nHet hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de bewijsvoering en bewijsoverwegingen opnemen in een aanvulling op dit arrest, welke aanvulling dan aan dit arrest wordt gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 1B bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 2A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet.\n\nHet onder 4 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 5 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep – gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft daartoe naar voren gebracht dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedragingen. Daarnaast is de redelijke termijn fors overschreden, hetgeen strafvermindering tot gevolg dient te hebben. De raadsman heeft in dat kader verwezen naar jurisprudentie hieromtrent. Voorts heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met de gewijzigde VI-regeling. Gelet op het vorenstaande, verzoekt zij het hof om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de reeds in voorarrest doorgebracht tijd overstijgt, al dan met oplegging van (daarnaast) een voorwaardelijke straf met een proeftijd van 1 jaar.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nHet gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en – in mindere mate – hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde ‘telefooncarrousel’ bestond en er cadeautjes – in de vorm van hennep of hasjiesj – werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij\u002Fzij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct – al dan niet in een reserveband – werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 13] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel.\n\nDoor deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.\n\nHet hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij een belangrijke rol heeft vervuld als uitvoerder en het gaat om aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen.\n\nTen aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof voorts nog gelet op de inhoud van het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 augustus 2022, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.\n\nIn hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.\n\nDe verdediging heeft in hoger beroep in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de Wet Straffen en beschermen, nu de feiten van vóór de inwerkingtreding van die wet dateren. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De wetgever heeft niet voorzien in overgangsrecht en daaruit leidt het hof af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat in gevallen waarin de feiten van vóór de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen dateren, rekening wordt gehouden met die wet, in die zin dat een lagere straf wordt opgelegd zodat de verdachte eenzelfde aantal jaren van zijn straf zou moeten uitzitten als wanneer hij niet in appel zou zijn gegaan. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om in afwijking daarvan wél rekening te houden met de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen.\n\nHet verweer wordt verworpen.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof nog als volgt.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nBij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.\n\nIn de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 19 november 2013, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 7 juli 2017. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna één jaar en acht maanden.\n\nDe verdachte heeft op 12 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 1 december 2022. In hoger beroep is aldus tevens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt bijna drie jaar en vijf maanden.\n\nEen deel van de overschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep vindt echter zijn rechtvaardiging in de omvang en de complexiteit van het onderzoek. Deze strafzaak maakt deel uit van het onderzoek Seville, een omvangrijk politieonderzoek waarbij in hoger beroep dertien verdachten gelijktijdig terechtstaan. In deze zaken zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele getuigen verzocht, en ook toegewezen, welke deels woonachtig zijn in het buitenland. Bovendien hebben de coronamaatregelen de voortgang van het onderzoek vertraagd. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – met één jaar verlengt. In eerste aanleg is derhalve nog sprake van termijnoverschrijding van acht maanden en in hoger beroep van twee jaar en vijf maanden.\n\nHet hof ziet in voornoemde overschrijdingen aanleiding om een andere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijdingen. Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats zou zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nInbeslaggenomen goederen\n\nOp pagina 78 van het vonnis heeft de rechtbank omtrent de inbeslaggenomen goederen het volgende overwogen.\n\n‘De aangetroffen valse ID-kaart en een vals rijbewijs (beslagnummers 8 en 9) dienen te worden onttrokken aan het verkeer vanwege die valsheid.\n\nTijdens de doorzoeking in de woning waar de verdachte is aangetroffen, is € 420,75 in beslag genomen (beslagnummer 19). Nu de rechtbank bewezen heeft verklaard dat de verdachte betrokken is bij de handel in verdovende middelen, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte dit bedrag heeft verdiend met de drugshandel. Daarom zal dit bedrag verbeurd worden verklaard.\n\nVan de in beslag genomen gsm’s, het verpakkingsmateriaal, het oplaadapparaat en de notities (beslagnummers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 10 tot en met 18) is komen vast te staan dat zij gebruikt zijn tijdens het onderzoek en dat met behulp hiervan de drugshandel is gepleegd of voorbereid. Deze voorwerpen zal de rechtbank daarom ook verbeurd verklaren.’\n\nHet hof sluit zich aan bij deze overweging en neemt deze beslissing over. In aanvulling daarop overweegt het hof nog dat het wat betreft de verbeurdverklaarde goederen heeft gelet op de draagkracht van de verdachte.2\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2B tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1A, 1B, 2A, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van3 (drie) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVerklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\nzie beslagportal 1 2.00 STK Oplaadapparaat NOKIA + ONBEKEND EU052.01.02.003;\n\nzie beslagportal 2 1.00 STK verpakkingsmateriaal LYCAMOBIEL EU052.01.04.010;\n\nzie beslagportal 3 1.00 STK Document EU052.01.04.011;\n\nzie beslagportal 4 1.00 STK Brief EU052.01.04.012;\n\nzie beslagportal 5 1.00 STK Papier met notities en tel.nrs EU052.01.04.013;\n\nzie beslagportal 6 1.00 STK Oplaadapparaat NOKIA EU052.01.06.001;\n\nzie beslagportal 7 1.00 STK Papier kwitantie EU052.01.07.007;\n\nzie beslagportal 10 1.00 STK verpakkingsmateriaal LYCAMOBIEL EU052.03.02.001;\n\nzie beslagportal 11 1.00 STK GSM BLACKBERRY 9780 EU052.01.07.001;\n\nzie beslagportal 12 1.00 STK GSM NOKIA 100 EU052.01.02.001;\n\nzie beslagportal 13 1.00 STK GSM NOKIA 100 EU052.01.02.002;\n\nzie beslagportal 14 1.00 STK GSM NOKIA 103 EU052.01.04.001;\n\nzie beslagportal 15 1.00 STK GSM NOKIA 1280 EU052.02.05.001;\n\nzie beslagportal 16 1.00 STK GSM NOKIA EU052.01.05.002;\n\nzie beslagportal 17 1.00 STK GSM NOKIA 100 + lader EU052.02.05.005;\n\nzie beslagportal 18 1.00 STK GSM NOKIA 1280 356359\u002F05\u002F490353\u002F9 EU052.01.07.002;\n\nzie beslagportaal 19 Geld Nederlands 30-556590;\n\nBeveelt de onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\nzie beslagportal 8 1.00 STK Identiteitsbewijs VALSE ID-kaart Belgisch EU052.03.01.001;\n\nzie beslagportal 9 1.00 STK Rijbewijs VALS RIJBW. Belgisch EU052.03.01.002.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. C.P.J. Scheele en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.G. Gersen en mr. J.P.T.G. van den Uithoorn, griffiers,\n\nen op 1 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4829","2023-03-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.848Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":43,"courtId":89,"decisionDate":90,"fullText":91,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":93,"parsedAt":51,"updatedAt":94},"979","ECLI:NL:RBMNE:2022:6656","ecli-nl-rbmne-2022-6656",63,"2022-10-31T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F242298-21 (P)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 31 oktober 2022\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte]\n\ngeboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan de [adres] , [postcode] te [plaats] ,\n\nhierna verdachte.1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 oktober 2022.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T.M. van Wanrooij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. A.M.P.M. Adank, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.2. TENLASTELEGGING\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:\n\nFeit 1\n\nop 8 september 2021 te Utrecht [aangever 1] heeft bedreigd;\n\nFeit 2\n\nop 9 juli 2021 te Utrecht [aangever 2] heeft bedreigd;\n\nFeit 3\n\nop 8 juli 2021 te Utrecht [aangever 3] heeft bedreigd;\n\nFeit 4\n\nop 5 september 2021 te Utrecht [aangever 4] heeft bedreigd;\n\nFeit 5\n\nop 2 september 2021 te Utrecht [aangever 5] heeft bedreigd.3. VOORVRAGEN\n\nDe dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.4. WAARDERING VAN HET BEWIJS\n\n4.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie voert ten aanzien van feit 2 aan dat de getuigen op 9 juli 2021 niet hebben gehoord dat verdachte aangever [aangever 2] ook heeft bedreigd met de woorden “ [aangever 2] . Jouw vrouwtje die pak ik net zo makkelijk mee”. Verdachte heeft echter in september 2021, ten laste gelegd onder feit 4, ook de vrouw van een beveiliger bedreigd met de woorden “Je vrouw gaat eraan!”. Aangezien de getuigen deze bewoordingen van verdachte hebben gehoord richting de beveiliger over zijn vrouw en deze getuigenverklaringen zijn opgenomen in het dossier, kunnen deze verklaringen worden gebruikt en zijn deze verklaringen voldoende redengevend als schakelbewijs met betrekking tot feit 2, inhoudende de bewoordingen over de vrouw van [aangever 2] .\n\n4.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld het standpunt van de officier van justitie grotendeels te kunnen volgen, met uitzondering van het volgende. Verdachte heeft van meet af aan ontkent dat hij “Ik ga je neersteken” heeft gezegd (zoals ten laste gelegd onder feit 1). Verder ontkent verdachte dat hij de vrouw van de heer [aangever 2] heeft bedreigd (zoals ten laste gelegd onder feit 2). Verder voert de raadsman aan dat de getuigenverklaringen ten aanzien van feit 4 niet kunnen worden gebruikt als schakelbewijs ten aanzien van feit 2, omdat de beveiliger tegen wie de bedreiging is geuit niet is gehoord.\n\n4.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nBewijsoverweging partiële vrijspraak feit 2\n\nDe rechtbank is van oordeel dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de bewoordingen over de vrouw van aangever [aangever 2] , ten laste gelegd onder feit 2. De ten laste gelegde bewoording wordt uitsluitend genoemd in de aangifte en niet in enig ander bewijsmiddel. Hoewel voor een bewezenverklaring niet is vereist dat alle onderdelen van de tenlastelegging dubbel moeten worden belegd met bewijsmiddelen, heeft de rechtbank door de verklaring van verdachte ter zitting in dit geval niet de overtuiging dat verdachte deze bewoording heeft geuit. Het door de officier van justitie genoemde schakelbewijs, is daarvoor onvoldoende overtuigend.\n\nBewijsoverweging feiten 1 tot en met 5\n\nDe rechtbank is van oordeel dat verdachte zich in juli en september 2021 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging, met enig misdrijf tegen het leven gericht, tegenover vijf medewerkers van Altrecht. De rechtbank komt als volgt tot dit oordeel.\n\nTen aanzien van de bewoording “Ik ga je neersteken”, baseert de rechtbank haar overtuiging op de volgende verklaringen.\n\n“Ik zag dat [verdachte] mij aankeek, de handdoeken uit mijn handen pakte en hard in mijn richting schreeuwde: \"Ik ga je neersteken!\". Ik vond dat zeer intimiderend. Ik voelde mij direct bedreigd door de bedreiging met de dood.”\n\nEn\n\n“Ik zag dat [verdachte] zich richtte op [aangever 1] . Ik hoorde dat [verdachte] schreeuwde: \"Ik ga je\n\nsteken!\"\n\nVerdachte heeft voor het overige de bewezen verklaarde feiten (zie hierna onder rubriek 5) bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor de feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 oktober 2022;\n\neen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een Aangifteformulier voor werknemers instellingen d.d. 9 juli 2021 (blz. 7 tot en met 12 van proces-verbaal nr. PL0900-2021219358);\n\neen ambtsedig proces-verbaal van aangifte nr. PL0900-2021219197-2 d.d. 9 juli 2021, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] (blz. 3 en 4 van proces-verbaal nr. PL0900-2021219358), inhoudende de verklaring van aangever [aangever 2] ;\n\neen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een Aangifteformulier voor werknemers instellingen d.d. 10 september 2021 (blz. 40 tot en met 45 van proces-verbaal nr. PL0900-2021296347);\n\neen ambtsedig proces-verbaal van aangifte nr. PL0900-2021288427-2 d.d. 9 september 2021, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] (blz. 30 en 33 van proces-verbaal nr. PL0900-2021296347), inhoudende de verklaring van aangeefster [aangever 4] ;\n\neen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een niet ondertekend proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 13 september 2021 (blz. 36 en 37 van proces-verbaal nr. PL0900-2021296347);\n\neen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een Aangifteformulier voor werknemers instellingen d.d. 8 september 2021 (blz. 5 tot en met 10 van proces-verbaal nr. PL0900-2021287380).\n\nDe hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.\n\n5. BEWEZENVERKLARING\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:\n\nFeit 1\n\nop 8 september 2021 te Utrecht [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever 1] dreigend de woorden toe te voegen “Ik ga je neersteken” en “Jullie staan allemaal op mijn dodenlijst”;\n\nFeit 2\n\nop 9 juli 2021 te Utrecht [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen “Ik maak jullie allemaal kapot. Ik steek de boel in de fik” en “Ik maak jullie dood, ik maak jullie kapot”;\n\nFeit 3\n\nop 8 juli 2021 te Utrecht [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen “Ik wil naar afdeling HC2 en als ik\n\nniet ga dan maak ik jullie allemaal af.”;\n\nFeit 4\n\nop 5 september 2021 te Utrecht [aangever 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever 4] dreigend de woorden toe te voegen “rotwijf, ik maak je af” en “jullie gaan er allemaal aan, een voor een wordt het jullie dood, ik hak jullie\n\nkoppen eraf”, terwijl hij, hierbij met zijn hand een snijdende beweging langs zijn keel\n\nmaakte;\n\nFeit 5\n\nop 2 september 2021 te Utrecht [aangever 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [aangever 5] dreigend de woorden toe te voegen “ik ga jou killen [aangever 5] ”, terwijl hij, verdachte, hierbij met zijn hand een snijdende beweging langs zijn keel maakte.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:\n\nT.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5: telkens, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE\n\nEr is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.8. OPLEGGING VAN STRAF\n\n8.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 28 dagen, met aftrek van het voorarrest.\n\n8.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman stelt zich op het standpunt dat een gevangenisstraf conform het voorarrest zoals door de officier van justitie is gevorderd een passende straf is.\n\n8.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft vijf medewerkers van GGZ-instelling Altrecht ernstig bedreigd. Deze bedreigingen zullen het veiligheidsgevoel van de medewerkers van de instelling, en in het bijzonder de vijf medewerkers die ernstig werden bedreigd, hebben aangetast. Werknemers met een zorgtaak dienen in hun werk niet geconfronteerd te worden met onnodig verbaal agressief gedrag en moeten hun werk zonder angst voor hun cliënten kunnen uitvoeren.\n\nPersoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van 2 oktober 2022, waaruit blijkt dat verdachte eerder is schuldig bevonden voor soortgelijke strafbare feiten zonder dat hij daarvoor een straf heeft gekregen.\n\nDe rechtbank heeft ook acht geslagen op het Pro Justitia-rapport van 31 december 2021, opgesteld door E.A.M. Schouten, psychiater. Hieruit blijkt dat er sprake is van schizofrenie. De schizofrenie was ook aanwezig in de periode van het ten laste gelegde. Onduidelijk is of verdachte tijdens deze periode alcohol of drugs gebruikt heeft, maar het delictgedrag van verdachte kan worden gerelateerd aan de psychiatrische problematiek. Of het ten laste gelegde in een verminderde mate dan wel in het geheel niet toe te rekenen is aan verdachte door de schizofrenie kan de rapporteur niet beantwoorden omdat verdachte ten tijde van het rapport de feiten heeft ontkend. De rapporteur adviseert om geen straf op te leggen, omdat het kader van de zorgmachtiging (die tot november 2022 loopt) meer passend is.\n\nDe rechtbank ziet in de bevindingen van de rapporteuraanleiding om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen, nu het delictgedrag volgens de rapporteur kan worden gerelateerd aan de psychiatrische problematiek. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat de bewezen verklaarde feiten in het geheel niet aan verdachte zijn toe te rekenen.\n\nVoorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 18 augustus 2022. Uit dit advies blijkt dat de laatste jaren een patroon van verbale bedreigingen naar beroepsbeoefenaars in de psychiatrische zorginstelling waar verdachte verblijft, zichtbaar is. In het verleden is verdachte herhaaldelijk opgenomen geweest, zowel vrijwillig als gedwongen. Verdachte voelt zich niet serieus genomen door de hulpverleners in de psychiatrie. Verdachte verblijft sinds 6 oktober 2021 in het kader van een bijzondere voorwaarde bij schorsing van de preventieve hechtenis, met een zorgmachtiging in de Van der Hoevenkliniek. De behandeling verloopt positief. Het is onbekend of de zorgmachtiging na november 2022 wordt verlengd, maar er zijn geen signalen dat deze beëindigd kan of zal worden. De reclassering sluit zich aan bij het advies van het NIFP. De reclassering adviseert bij een veroordeling om geen straf of bijzondere voorwaarden op te leggen, aangezien zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.\n\nOp te leggen straf\n\nGelet op de hiervoor besproken ernst van de bewezenverklaarde feiten in combinatie met het strafblad van verdachte acht de rechtbank een straf passend. De rechtbank is in dit concrete geval van oordeel dat een gevangenisstraf van 28 dagen met aftrek van het voorarrest, zoals gevorderd door de officier van justitie, passend en geboden is. De rechtbank houdt hierbij rekening met de omstandigheid dat de feiten in verminderde mate aan verdachte moeten worden toegerekend en dat verdachte reeds in het kader van een zorgmachtiging wordt begeleid en behandeld. Verdachte is geschorst uit de voorlopige hechtenis en hoeft met de opgelegde straf niet meer terug naar de gevangenis.9. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN\n\nDe beslissing berust op de artikelen 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.10. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het onder feit 1 tot en met feit 5 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;\n\n- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart het onder feit 1 tot en met feit 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nOplegging straf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 28 dagen;\n\n- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nVoorlopige hechtenis\n\n- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.M.M. Lemmen, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en mr. L.C. Michon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2022.\n\nMr. A.M.M. Lemmen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage: de tenlastelegging\n\nAan verdachte wordt ten laste gelegd dat:\n\n1\n\nhij op of omstreeks 8 september 2021 te Utrecht\n\n [aangever 1] heeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [aangever 1] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik ga je neersteken\" en\u002Fof\n\n\"Jullie staan allemaal op mijn dodenlijst\", althans woorden van gelijke dreigende\n\naard of strekking;\n\n( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n2\n\nhij op of omstreeks 9 juli 2021 te Utrecht\n\n [aangever 2] heeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik maak jullie allemaal kapot.\n\nIk steek de boel in de fik\" en\u002Fof Ik maak jullie dood, ik maak jullie kapot\" en \"Jij gaat\n\ner ook aan, [aangever 2] . Jouw vrouwtje die pak ik net zo makkelijk mee\", althans woorden\n\nvan gelijke dreigende aard of strekking;\n\n( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3\n\nhij op of omstreeks 8 juli 2021 te Utrecht\n\n [aangever 3] heeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik wil naar afdeling HC2 en als ik\n\nniet ga dan maak ik jullie allemaal af.\", althans woorden van gelijke dreigende aard\n\nof strekking;\n\n( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n4\n\nhij op of omstreeks 5 september 2021 te Utrecht\n\n [aangever 4] heeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [aangever 4] dreigend de woorden toe te voegen “rotwijf, ik maak je af”\n\nen\u002Fof “jullie gaan er allemaal aan, een voor een wordt het jullie dood, ik hak jullie\n\nkoppen eraf” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,\n\nterwijl hij, verdachte, hierbij met zijn hand een snijdende beweging langs zijn keel\n\nmaakte;\n\n( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n5\n\nhij op of omstreeks 2 september 2021 te Utrecht\n\n [aangever 5] heeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [aangever 5] dreigend de woorden toe te voegen “ik ga jou killen [aangever 5] ”, althans\n\nwoorden van gelijke dreigende aard of strekking,\n\nterwijl hij, verdachte, hierbij met zijn hand een snijdende beweging langs zijn keel\n\nmaakte;\n\n( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een Aangifteformulier voor werknemers instellingen d.d. 8 september 2021 (proces-verbaal nr. PL0900-2021287380 met de aangifte van [aangever 1] ), p. 8.\n\n Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een Aangifteformulier voor werknemers instellingen d.d. 8 september 2021 (proces-verbaal nr. PL0900-2021287380 met de getuigenverklaring van [getuige 2] ), p. 9.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:6656","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:57.297Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":43,"courtId":89,"decisionDate":90,"fullText":99,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":93,"parsedAt":51,"updatedAt":101},"984","ECLI:NL:RBMNE:2022:6657","ecli-nl-rbmne-2022-6657","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F086277-22 (P)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 31 oktober 2022\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,\n\nhierna: verdachte.1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 juli 2022 en 17 oktober 2022. Op laatst genoemde datum is de zaak inhoudelijk behandeld.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.M. Rademaker en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. B.H.J. van Rhijn, advocaat te Doorn, naar voren hebben gebracht.2. TENLASTELEGGING\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:\n\nFeit 1in de periode van 1 juni 2021 tot en met 6 april 2022 te Utrecht en\u002Fof Nieuwegein heeft deelgenomen aan een organisatie welke tot oogmerk heeft gehad misdrijven als bedoeld in de Opiumwet;Feit 2in de periode van 1 juni 2021 tot met 6 april 2022 te Utrecht en\u002Fof Nieuwegein samen met (een) ander(en) in cocaïne en\u002Fof heroïne heeft gehandeld;\n\nFeit 3in de periode van 2 augustus 2021 tot en met 6 april 2022 te Utrecht en\u002Fof Nieuwegein samen met (een) ander(en) aanwezig heeft gehad cocaïne en heroïne.3. VOORVRAGEN\n\nDe dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.4. WAARDERING VAN HET BEWIJS\n\n4.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.\n\n4.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde. Hij voert aan dat er geen sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 11b Opiumwet, omdat verdachte niet duurzaam en structureel heeft samengewerkt met anderen en er geen sprake was van een hiërarchie. Volgens de raadsman bestaat het samenwerkingsverband dat uit het dossier naar voren komt min of meer uit toevalligheden.\n\n4.3. Het oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1. \n\nVrijspraak van het onder feit 1 ten laste gelegde\n\nUit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot een samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk, te weten het plegen van een aantal misdrijven uit de Opiumwet.\n\nVoor de bewezenverklaring van 'een organisatie' als bedoeld in art. 11b van de Opiumwet is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur. Het feit dat op 6 april 2022 nadat afnemer [A ] een bericht heeft gestuurd naar een dealernummer en er een deal heeft plaatsgevonden met verdachte, is onvoldoende om te spreken van een dergelijk samenwerkingsverband.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de in beslag genomen iPhone XS zijn telefoon is. Op deze telefoon is een Telegrambericht aangetroffen waarin ene [B ] aangeeft dat hij alleen snuif verkoopt. Ook dit bericht is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de verdachte behoorde tot een samenwerkingsverband of een aandeel had in of ondersteuning bood aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie. Daarnaast is onvoldoende komen vast te staan dat verdachte wetenschap had van de deelname aan een criminele organisatie. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij alleen en gedurende maar twee weken heeft gehandeld in cocaïne. Bovendien heeft medeverdachte [medeverdachte] verklaard, toen hij en verdachte zijn opgepakt met verdovende middelen, dat hij alleen heeft gehandeld en verdachte van niets afwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het dossier onvoldoende overtuigend bewijs bevat dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband in vorenbedoelde zin, waaraan verdachte heeft deelgenomen.\n\nDe rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.\n\n4.3.2. \n\nBewezenverklaring van het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde\n\nVerdachte heeft het onder feit 2 en 3 ten laste gelegde bekend voor zover het de handel in cocaïne en het aanwezig hebben van cocaïne een kortere periode betreft. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 oktober 2022;\n\neen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 Wetboek van Strafvordering, te weten een NFI-rapport d.d. 21 oktober 2021 (pag. 284 van proces-verbaal nr. PL0900-2021303210);\n\neen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 Wetboek van Strafvordering, te weten een NFI-rapport d.d. 21 oktober 2021 (pag. 285 van proces-verbaal nr. PL0900-2021303210);\n\neen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 Wetboek van Strafvordering, te weten een NFI-rapport d.d. 21 oktober 2021 (pag. 287 van proces-verbaal nr. PL0900-2021303210);\n\neen ambtsedig proces-verbaal van bevindingen nr. PL0900-2022076606-14 d.d. 26 april 2022, opgemaakt door [verbalisant] (blz. 44 van proces-verbaal nr. PL0900-2022076606), inhoudende de bevindingen van voornoemde verbalisant;\n\neen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 Wetboek van Strafvordering, te weten een NFI-rapport d.d. 14 april 2022 (pag. 91 van proces-verbaal nr. PL0900-2022076606-A);\n\neen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 Wetboek van Strafvordering, te weten een NFI-rapport d.d. 19 april 2022 (pag. 335 van proces-verbaal nr. PL0900-2022076606).\n\nDe hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.\n\nPartiële vrijspraak feit 2 en 3\n\nDe rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte opzettelijk cocaïne aanwezig heeft gehad tijdens zijn aanhoudingen, op 6 april 2022, gedurende twee weken voor zijn aanhouding en op 20 oktober 2021. Daarnaast heeft hij zich, zo blijkt uit zijn bekennende verklaring ter terechtzitting, op laatstgenoemde datum ook schuldig gemaakt aan het vervoeren van cocaïne waar een ander, medeverdachte [medeverdachte] , bij aanwezig is geweest. Uit het dossier is echter onvoldoende gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] of enig samenwerkingsverband tussen verdachte en anderen. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten in het dossier te vinden die erop wijzen dat verdachte wetenschap had van de drugs die medeverdachte [medeverdachte] bij zich had. Dit geldt te meer nu medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij alleen heeft gehandeld en verdachte van niets afwist. De rechtbank zal verdachte daarom ten aanzien van feit 2 en feit 3 partieel vrijspreken van het medeplegen.\n\nDe rechtbank is ten aanzien van feit 2 van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte langer dan een periode van twee weken in cocaïne heeft gehandeld, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren en verstrekken. Weliswaar staat vast dat verdachte op 6 april 2022 cocaïne heeft verkocht aan afnemer [A ] , terwijl die [A ] een bestelling had gedaan bij een dealertelefoon, maar het dossier bevat geen andere bewijsmiddelen waaruit kan worden afgeleid dat verdachte langer dan twee weken heeft gehandeld. Uit het dossier blijkt namelijk geen rechtstreeks verband tussen verdachte en de dealertelefoon(s). De IMEI-nummers van de telefoons van verdachte zijn op geen enkele wijze gekoppeld aan de dealertelefoon(s) -of nummers. De rechtbank zal daarom bij de bewezenverklaring uitgaan van de, door de verdachte bekende dealperiode van twee weken voor zijn aanhouding op 6 april 2022 en zal verdachte voor het resterende gedeelte van de ten laste gelegde periode vrijspreken.5. BEWEZENVERKLARING\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:\n\n2\n\nop 20 oktober 2021 te Utrecht opzettelijk heeft vervoerd en op één of meerdere tijdstippen in de periode van 23 maart 2022 tot en met 6 april 2022 te Utrecht en\u002Fof Nieuwegein, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n3\n\nOp 20 oktober 2021 en op één of meerdere tijdstippen in de periode van 23 maart 2022 tot en met 6 april 2022 te Utrecht en Nieuwegein, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nfeit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE\n\nEr is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.8. OPLEGGING VAN STRAF\n\n8.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, deelname aan gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en dagbesteding.\n\n8.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman verzoekt om het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk te stellen aan het voorarrest, zodat verdachte niet meer terug hoeft naar de gevangenis. Daarbij bepleit de raadsman een lange voorwaardelijke gevangenisstraf met eventueel een proeftijd van drie jaren. Verdachte heeft een flinke stok achter de deur nodig, aldus de raadsman. Verder verzoekt de raadsman om rekening te houden met het feit dat verdachte een jonge verdachte is waarbij het jeugdstrafrecht van toepassing zou kunnen zijn en verdachte first offender is.\n\n8.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. Daarnaast heeft verdachte gedurende een periode van twee weken in cocaïne gehandeld en op één dag in oktober 2021 cocaïne vervoerd. Het is algemeen bekend dat harddrugs, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. Ook is het gebruik van drugs, onder andere door de daarmee gepaard gaande gewelddadige criminaliteit, bezwarend voor de samenleving. Verdachte heeft zich van deze gevolgen niets aangetrokken en kennelijk uitsluitend gedacht aan de opbrengsten van de cocaïnehandel. Daar komt bij dat verdachte in december 2021 een last onder dwangsom voor de handel in verdovende middelen opgelegd heeft gekregen van de burgemeester van Utrecht, maar dit hem niet heeft weerhouden om harddrugs te gaan verkopen. De rechtbank rekent het verdachte in hoge mate aan dat hij na de last onder dwangsom alsnog harddrugs is gaan verkopen en door het handelen in en aanwezig hebben van de harddrugs heeft bijgedragen aan het in stand houden van de drugscriminaliteit en het in gevaar brengen van de gezondheid van de gebruikers.\n\nPersoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van 4 juli 2022, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en geen relevante documentatie heeft.\n\nVoorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 12 oktober 2022. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat de reclassering meerwaarde ziet in een toezichtkader om de jeugdige verdachte te monitoren en eventuele risicofactoren te verlagen door middel van een COVA-training. De reclassering adviseert om het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat er geen doorslaggevende factoren zijn voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden de meldplicht, deelname aan gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en dagbesteding.\n\nOp te leggen straf\n\nGelet op de hiervoor besproken ernst van de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank een gevangenisstraf passend. Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de vastgestelde landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor het verkopen van harddrugs op straat. Volgens de vastgestelde oriëntatiepunten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden het oriëntatiepunt voor het verkopen van harddrugs op straat gedurende minder dan een maand. Omdat de rechtbank aanleiding ziet om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, zal zij het eerdergenoemde oriëntatiepunt voor verkopen van harddrugs als uitgangspunt nemen voor het onvoorwaardelijke deel van de straf wat ongeveer gelijk is aan het voorarrest van verdachte. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte first offender is en dat de reclassering meerwaarde ziet in een toezichtkader. Daarbij heeft verdachte ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat hij mee wil werken aan het reclasseringstoezicht en openstaat voor de bijzondere voorwaarden.\n\nAlles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 63 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering.9. BESLAG\n\n9.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert tot verbeurdverklaring van de auto, de telefoon en het geld, en tot onttrekking aan het verkeer van de verdovende middelen en de weegschaal.\n\n9.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het beslag.\n\n9.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nVerbeurdverklaring\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen telefoon en personenauto (nummers 2 en 3 op de beslaglijst) verbeurd verklaren. Met behulp van deze voorwerpen is het onder feit 2 bewezen verklaarde begaan.\n\nDe rechtbank zal tevens het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- (nummer 1 op de beslaglijst) verbeurd verklaren. Dit voorwerp is geheel of grotendeels door middel van of uit baten van het strafbare feit verkregen.\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen verdovende middelen en weegschaal onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht aangetroffen. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.10. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN\n\nDe beslissing berust op de artikelen\n\n14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n2, 10 en 13a van de Opiumwet,\n\nzoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.11. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- verklaart het onder feit 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;\n\n- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart het onder feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nOplegging straf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 150 dagen;\n\n- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 63 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jarenvast;\n\n- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:\n\n* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:\n\n* zich meldt binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2 te Utrecht. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\n* actief deelneemt aan de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheden of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer\u002Fbegeleider;\n\n* over dagbesteding beschikt over een nader te bepalen aantal dagdelen per week, zulks ter beoordeling van de reclassering. Het volgen van onderwijs kan hier onderdeel van zijn;\n\nGeeft aan genoemde instelling opdracht veroordeelde toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nBeslag\n\n- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:\n\nde telefoon (G2972620);\n\nde personenauto, [kenteken] (G481914);\n\nhet geldbedrag, 100 EURO (G2972649);\n\n- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:\n\nde verdovende middelen (G2972620);\n\nde weegschaal (G2972682);\n\nVoorlopige hechtenis\n\n- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L.C. Michon, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en mr. A.M.M. Lemmen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2022.\n\nMr. A.M.M. Lemmen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage: de tenlastelegging\n\nAan verdachte wordt ten laste gelegd dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juni 2021 tot en met 6 april 2022 te Utrecht\n\nen\u002Fof Nieuwegein, althans in het arrondissement Midden-Nederland,\n\nin elk geval in Nederland,\n\nheeft deelgenomen aan een organisatie,\n\nbestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten hij,\n\nverdachte, en\u002Fof één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en),\n\nwelke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als\n\nbedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en\u002Fof\n\n11a Opiumwet;\n\n( art 11b lid 1 Opiumwet )\n\n2\n\nhij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2021 tot en\n\nmet 6 april 2022 te Utrecht en\u002Fof Nieuwegein, althans in het arrondissement\n\nMidden-Nederland,\n\nin elk geval in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\n(telkens)\n\nopzettelijk\n\nheeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof\n\nverstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\neen hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\neen hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de\n\nOpiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel\n\n3a van die wet;\n\n( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf\u002Fond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek\n\nvan Strafrecht )\n\n3\n\nhij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 augustus 2021\n\ntot en met 6 april 2022 te Utrecht en\u002Fof Nieuwegein, althans in het arrondissement\n\nMidden-Nederland,\n\nin elk geval in Nederland, tezamen en vereniging met een of meer anderen, althans\n\nalleen,\n\nopzettelijk\n\naanwezig heeft gehad\n\nongeveer 10,43 gram en\u002Fof 27,55 gram en\u002Fof 0,88, in elk geval een hoeveelheid van\n\neen materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\nongeveer 5,17 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende\n\nheroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne\n\nin elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende\n\nlijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf\u002Fond C Opiumwet )","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:6657","2026-07-13T00:28:57.479Z",20,[104,105,106,107,11,108,109,110],2026,2025,2024,2023,2018,2016,1993]