[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-criminal-law-nl-2025":3},{"detail":4,"years":147},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":35,"page":14,"limit":146},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",2025,[13,16,18,21,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":17},2,{"month":19,"count":20},3,4,{"month":20,"count":14},{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":14},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,61,70,80,89,99,107,117,127,136],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"827","ECLI:NL:GHARL:2025:8237","ecli-nl-gharl-2025-8237","",72,"2025-10-15T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-002733-24\n\nUitspraak : 15 oktober 2025\n\nTEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 31 maart 2023, in de strafzaak met parketnummer 16-017691-23, alsmede de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 21-005774-19, tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,\n\nblijkens de Informatiestaat SKDB-persoon van 13 augustus 2025 ingeschreven op: [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het onder feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair en feit 4 primair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat telkens gekwalificeerd als ‘diefstal’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tot slot heeft de politierechter de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 weken – onder parketnummer 21-005774-19 – gelast.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.\n\nNamens de verdachte is door de raadsvrouw voor alle feiten primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de raadsvrouw het hof verzocht om – indien het hof tot een veroordeling komt – de proeftijd te verlengen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het bestreden vonnis, met aanvulling van de bewijsvoering en met aanvulling van de strafmotivering.\n\nAanvulling van de bewijsvoering\n\nAanvulling bewijsmiddelen feit 1\n\nIn verband met het ontbreken van de postcode vult het hof het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel ‘Proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens [bedrijf 1] [adres 2] , op ambtsbelofte en op ambtseed opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 4 maart 2022, p. 5 ev’ aan met:\n\nPlaats delict: [adres 2] .\n\nAanvulling bewijsmiddelen feit 2\n\nIn verband met het ontbreken van de postcode vult het hof het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel ‘Proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens [bedrijf 2] , [adres 3] , op ambtsbelofte en op ambtseed opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] op 24 maart 2022, p. 18 ev.’ aan met:\n\nPlaats delict: [adres 3] .\n\nAanvulling bewijsmiddelen feit 3\n\nIn verband met het ontbreken van het huisnummer, de postcode en de plaats vult het hof het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel ‘Proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens [bedrijf 3] , [adres 4] , op ambtsbelofte en op ambtseed opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] , p. 31 ev.’ aan met:\n\nPlaats delict: [adres 4] , binnen de gemeente West Betuwe.\n\nAanvulling bewijsmiddelen feit 4\n\nIn verband met het ontbreken van de postcode vult het hof het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel ‘Proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens [bedrijf 3] , [adres 5] , op ambtsbelofte opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 1] en op ambtseed ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] , p. 42 ev (gebezigd als geschrift in de zin van art. 344.1.5° WvSv)’ aan met:\n\nPlaats delict: [adres 5] .\n\nAanvulling strafmotivering\n\nHet hof verenigt zich met hetgeen door de rechtbank omtrent de op te leggen straf is overwogen en beslist. Het hof zal deze overwegingen aanvullen met de constatering dat in hoger beroep sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Namens de verdachte is immers op 11 april 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst heden, op 15 oktober 2025, arrest. Gelet daarop is niet binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM arrest gewezen en is de redelijke termijn in hoger beroep met zes maanden overschreden. Het hof overweegt dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep voornamelijk te wijten valt aan de verdachte. Het hof heeft de zaak immers eerder aangehouden op verzoek van de verdediging, omdat de verdachte in de file stond. Het hof zal zodoende geen consequenties verbinden aan de overschrijding van de redelijke termijn en zal volstaan met de enkele constatering daarvan.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep. met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. A. Muller, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap en mr. N. van Abeelen, griffiers,\n\nen op 15 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nmr. A.M.G. Smit, mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. N. van Abeelen zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8237","2025-12-18T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:50.021Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":51,"updatedAt":60},"831","ECLI:NL:GHARL:2025:8751","ecli-nl-gharl-2025-8751","Parketnummer : 20-002786-24\n\nUitspraak : 15 oktober 2025\n\nTEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 16 augustus 2023, in de strafzaak met parketnummer 96-271636-22 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem bij verstek veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van €1.000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden.\n\nNamens de verdachte is vrijspraak bepleit. Daarnaast is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het bestreden vonnis van de politierechter, met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met aanvulling van de strafmotivering\n\nVoorts zal het hof - nu de meervoudige strafkamer van het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerst volzin, van het Wetboek van Strafvordering - de inhoud van het door de politierechter opgesomde bewijsmiddel dat redengevend is voor de bewezenverklaring hieronder uitwerken.\n\nAanvulling en uitwerking van de bewijsvoering\n\nBewijsmiddelen\n\nHierna wordt verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie Landelijke Eenheid, zaakregistratienummer PL0900-2022311407, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent, gesloten d.d. 21 oktober 2022, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen en met doorgenummerde digitale dossierpagina’s 1-17.\n\n1. Het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 21 oktober 2022, digitale dossierpagina’s 4-5, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :\n\nControle rijden onder invloed\n\nOp 21 oktober 2022 om 01.45 uur bevond ik mij op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A1, ter hoogte van hectometerpaal 40.4 linker rijbaan, Amersfoort.\n\nOp bovengenoemde datum, tijd en plaats zag ik dat een persoon als bestuurder van een voertuig, personenauto, Volkswagen Polo, Nederland, kenteken [kenteken] , dit bestuurde.\n\nTer controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde\n\nvoorschriften heb ik, verbalisant, de bestuurder zijn voertuig doen stilhouden en een\n\nonderzoek ingesteld.\n\nBeginnende bestuurder\n\nHet betrof hier een bestuurder van een motorrijtuig waarvoor voor het besturen een rijbewijs vereist is. Bij controle bleek dat de bestuurder in het bezit was van een rijbewijs waarvan sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en dat hij op die datum van afgifte de leeftijd van 18 jaar of ouder had bereikt.\n\nVordering voorlopig onderzoek uitgeademde lucht\n\nIk heb op 21 oktober 2022 om 01.46 uur de bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek), alsmede de aanwijzingen die ik in dat kader heb gegeven, op te volgen.\n\nGeen medewerking voorlopig onderzoek uitgeademde lucht\n\nDe bestuurder verleende geen medewerking aan het voorlopig onderzoek van uitgeademde\n\nlucht, wat mij bleek uit: de verdachte wilde niet meewerken aan een ademtest. Ik hoorde de verdachte verklaren dat hij dit niet wilde doen.\n\nIdentiteitsgegevens van de verdachte\n\nDe verdachte gaf mij op te zijn genaamd:\n\nAchternaam: [verdachte] (het hof begrijpt [verdachte])\n\nVoornamen: [verdachte]\n\nGeboren: [geboortedag] 1995\n\nDe opgegeven personalia werden door mij geverifieerd aan de hand van zijn geldig rijbewijs.\n\nBevel tot medewerking aan ademanalyse\n\nOp 21 oktober 2022 om 01.47 uur heb ik de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Tevens heb ik hem meegedeeld dat hij verplicht was tijdens dit onderzoek gevolg te geven aan alle, door de bedienaar van het ademanalyseapparaat, ten dienste van dit onderzoek gegeven aanwijzingen. Vervolgens is de verdachte meegedeeld dat een weigering van dit onderzoek een misdrijf oplevert. Voor dit onderzoek is de verdachte overgebracht naar het bureau van politie in Amersfoort.\n\nGeen gevolg aan bevel tot medewerking ademanalyse\n\nDe verdachte gaf op 21 oktober 2022 om 01.48 uur geen gevolg aan dit bevel, wat mij bleek uit het volgende feit: er is door verbalisant [verbalisant 2] , rang Brigadier, het bevel gegeven voor de medewerking aan de ademanalyse. Gezien het feit dat de verdachte naar alcohol riekte en rood doorlopen ogen had. De verdachte verklaarde vervolgens niet mee te willen werken aan de ademanalyse.\n\n2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 21 oktober 2022, digitale dossierpagina’s 11-12, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte:\n\nV: verdachte\n\nP: verhoorder\n\nP: Er is je bevolen medewerking te verlenen aan een ademanalyse. Waarom weiger je hieraan medewerking te verlenen?\n\nV: Ik heb hier geen zin in.\n\nBewijsoverweging\n\nDe raadsvrouw van de verdachte heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat het bevel tot ademanalyse onbevoegd is gegeven. Verbalisant [verbalisant 1] heeft het bevel tot ademanalyse gegeven en hij is de enige die het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 21 oktober 2022 heeft ondertekend, echter zou [verbalisant 1] niet over de juiste rang beschikken. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onjuistheden in voornoemd proces-verbaal staan. Als gevolg daarvan heeft de raadsvrouw het hof verzocht het proces-verbaal niet tot het bewijs te bezigen, hetgeen tot vrijspraak dient te leiden.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nHet hof overweegt dat – ingevolge artikel 163 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) – bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8 WVW 1994, de opsporingsambtenaar hem kan bevelen om medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a WVW 1994. De onderdelen a in het tweede en derde lid van artikel 8 WVW 1994 zien op het alcoholgehalte in de uitgeademde lucht. Ingevolge artikel 163, lid 8 WVW 1994 worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels vastgesteld omtrent de wijze van uitvoering van dat artikel.\n\nDeze nadere regels zijn neergelegd in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Artikel 10, lid 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer bepaalt dat het ademonderzoek wordt verricht door een opsporingsambtenaar. Ingevolge artikel 1 onderdeel a van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer wordt in dit besluit onder opsporingsambtenaar verstaan een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge artikel 141 onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 2 onderdeel a van de Politiewet 2012 betreft dit ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.\n\nOp grond van het voorgaande komt het hof komt tot de conclusie dat verbalisant [verbalisant 1] bevoegd was om het bevel tot het verlenen van medewerking aan het ademonderzoek te geven. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen.\n\nTen aanzien van de door de raadsvrouw aangedragen onjuistheden in het proces-verbaal merkt het hof op dat, voor zover daar sprake van is, deze niet bijdragen aan het bewijs. Ten overvloede overweegt het hof dat deze door de raadsvrouw gestelde onjuistheden niet van dusdanige aard zijn dat het gehele proces-verbaal als onbetrouwbaar terzijde geschoven dient te worden. Dit verweer van de raadsvrouw wordt eveneens verworpen.\n\nAanvulling van de strafmotivering\n\nHet hof verenigt zich met hetgeen door de politierechter omtrent de op te leggen straf is overwogen en beslist. Het hof zal deze overwegingen aanvullen met de constatering dat in hoger beroep sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het hof stelt de aanvang van deze termijn op de datum van het instellen van het hoger beroep op 10 oktober 2023. Het einde wordt door het hof gesteld op 15 oktober 2025, zijnde de datum van de einduitspraak van het hof. Daarmee is de redelijke termijn van 2 jaren met enkele dagen overschreden. Gelet op deze zeer geringe overschrijding volstaat het hof met de constatering ervan en zal daaraan geen verdere consequenties verbinden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,\n\nmr. A.M.G. Smit en mr. A. Muller, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap en mr. N. van Abeelen, griffiers,\n\nen op 15 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nmr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, mr. A.M.G. Smit en mr. N. van Abeelen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8751","2026-02-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.161Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":51,"updatedAt":69},"1203","ECLI:NL:GHARL:2025:5647","ecli-nl-gharl-2025-5647",57,"2025-09-12T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-000211-25\n\nUitspraakdatum: 12 september 2025\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 20 januari 2025 met parketnummer 18-236412-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-234092-20, in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,\n\nwonende te [adres] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 augustus 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. A. Faber, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe politierechter heeft bij vonnis van 20 januari 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling afgewezen.\n\nHet hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. hij op of omstreeks 27 april 2024 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen \"je gaat binnenkort gekielhaald worden\" en\u002Fof \"Ik maak je kanker kapot als je de cel uitloopt\" en\u002Fof \"als je nog één keer bij mij komt maak ik je kankerdood\" en\u002Fof \"je wordt geget door de andere Marokkanen als je buiten komt\" en\u002Fof \"je krijgt een kogel door je kop\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n2. hij op of omstreeks 27 april 2024 te [plaats] , zich met geweld en\u002Fof bedreiging met geweld, heeft verzet, tegen een of meerdere ambtena(a)r(en), te weten: [slachtoffer 1] ( [functie 1] bij de politie Eenheid Noord-Nederland) en\u002Fof [slachtoffer 2] ( [functie 2] bij de politie eenheid Noord-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhun bediening, te weten ter aanhouding en\u002Fof overbrenging van verdachte, door\n\n- zijn armen los te trekken, althans deze te bewegen in een andere richting dan daar waar verbalisant(en) het trachtte(n) te bewegen,\n\n- schoppende bewegingen naar achteren te maken, en\u002Fof\n\n- één of meerdere kopstoten te geven;\n\n3. hij op of omstreeks 27 april 2024 te [plaats] , een ambtenaar, te weten verbalisant [slachtoffer 1] , werkzaam als [functie 1] bij politie Eenheid Noord-Nederland, gedurende en\u002Fof terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door een of meerdere schoppen tegen de benen, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] te geven.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverweging met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten omtrent de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof verenigt zich met de overwegingen van de politierechter omtrent de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten waar de politierechter overweegt (hierna cursief weergegeven):\n\nDe politierechter acht de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen en verwijst daartoe naar de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [verbalisant] , alsmede de omschrijving van de dashcam- en bodycambeelden.\n\nTen aanzien van het ten laste gelegde feit 1, de bedreiging, merkt de politierechter op dat de uitingen van dien aard waren en de bedreiging onder zodanige omstandigheden is gedaan dat bij verbalisant [slachtoffer 1] wel degelijk de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zal worden gepleegd. Dat verdachte op dat moment werd aangehouden en naar een cel werd gebracht, doet hier niet aan af. Immers, verdachte zou op enig moment ook weer uit detentie komen.\n\nBewezenverklaring\n\nDoor wettige bewijsmiddelen, die later zullen worden uitgewerkt indien tegen dit arrest cassatie wordt ingesteld en waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. hij op 27 april 2024 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen \"je gaat binnenkort gekielhaald worden\" en \"Ik maak je kanker kapot als je de cel uitloopt\" en \"als je nog één keer bij mij komt maak ik je kankerdood\" en \"je wordt geget door de andere Marokkanen als je buiten komt\" en \"je krijgt een kogel door je kop\";\n\n2. hij op 27 april 2024 te [plaats] , zich met geweld heeft verzet, tegen meerdere ambtenaren, te weten: [slachtoffer 1] ( [functie 1] bij de politie Eenheid Noord-Nederland) en [slachtoffer 2] ( [functie 2] bij de politie eenheid Noord-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding en overbrenging van verdachte, door\n\n- zijn armen te bewegen in een andere richting dan daar waar verbalisant(en) het trachtte(n) te bewegen, en\n\n- schoppende bewegingen naar achteren te maken;\n\n3. hij op 27 april 2024 te [plaats] , een ambtenaar, te weten verbalisant [slachtoffer 1] , werkzaam als [functie 1] bij politie Eenheid Noord-Nederland, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door meerdere schoppen tegen de benen van die [slachtoffer 1] te geven.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nwederspannigheid.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, de feiten 2 en 3 in eendaadse samenloop begaan.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht om oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het momenteel goed gaat met verdachte: hij is druk bezig met het aflossen van zijn schulden, heeft zich losgemaakt van zijn negatieve sociale netwerk en is de laatste tijd minder in contact gekomen met politie en justitie. Oplegging van een vrijheidsbenemende straf zou deze positieve ontwikkeling doorkruizen, aldus de raadsvrouw.\n\nOordeel van het hof\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven, wederspannigheid en mishandeling van een politieambtenaar. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. Dergelijk gedrag getuigt naar het oordeel van het hof ook van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag.\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging in strafverzwarende zin acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 augustus 2025. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.\n\nHet hof heeft voorts acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier blijken en ter terechtzitting in hoger beroep door zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht.\n\nAnders dan de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet volstaan kan worden met een geheel voorwaardelijke straf. Gelet op het voorgaande acht het hof, alles afwegende, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\nHet openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Noord-Nederland van 14 december 2020 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met parketnummer 18-234092-20. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling deels wordt toegewezen, te weten voor de duur van drie weken.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling af te wijzen omdat verdachte al geruime tijd niet meer politie en justitie in contact is gekomen en de tenlastegelegde feiten andersoortige feiten betreffen.\n\nOordeel van het hof\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden bevolen. In hetgeen de advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om de vordering af te wijzen dan wel slechts gedeeltelijk toe te wijzen.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 57, 180, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) weken.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 14 december 2020, parketnummer 18-234092-20, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) weken.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. L.T. Wemes, voorzitter,\n\nmr. M.C. Fuhler en mr. F.E.J. Goffin, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,\n\nen op 12 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:5647","2026-07-13T00:29:09.766Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":51,"updatedAt":79},"893","ECLI:NL:RBGEL:2025:12057","ecli-nl-rbgel-2025-12057",60,"2025-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-320181-25 en 05-020359-26 (gev. ttz)\n\nDatum uitspraak : 26 mei 2025\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .\n\nRaadsvrouw: mr. H.E.M. Lucas, advocaat in Arnhem.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25\n\n1. hij op of omstreeks 25 november 2025 te Ede, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 480,33 gram) van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde MDMA en\u002Fof - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 403,34 gram) van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijde amfetamine, althans (telkens) een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 september 2025 tot en met 25 november 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren en\u002Fof - het opzettelijk vervaardigen van amfetamine, zijnde amfetamine en\u002Fof MDMA, zijnde MDMA en\u002Fof een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - het regelen\u002Forganiseren van en\u002Fof bijdragen aan, dan wel het veelvuldig contact te hebben met andere personen (te weten onder andere afnemer(s)) die betrokken zijn bij het transport en\u002Fof de handel van de drugs (te weten onder meer amfetamine en\u002Fof MDMA) en\u002Fof - het aanbieden van de drugs (te weten onder meer amfetamine en\u002Fof MDMA) en\u002Fof - het voorhanden hebben van een (grote) hoeveelheid stoffen en\u002Fof materialen en\u002Fof goederen, te weten onder meer - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden gripzakje(s) en\u002Fof - een of meerdere weegschalen en\u002Fof - een keukenmixer (met kristalresten) en\u002Fof - contante geldbedragen (van in totaal €2630,-);\n\nOnder parketnummer 05-020359-26:\n\n1. hij op of omstreeks 9 september 2025 te Ede, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2316,61 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en\u002Fof ongeveer 43,29 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en\u002Fof MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks 9 september 2025 te Ede, althans in Nederland, een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nTen aanzien van parketnummer 05-320181-25\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-21;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 26 november 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 87-88, 92-94;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 6 januari 2026 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 95-96, 102-105;\n\n- de kennisgevingen van inbeslagneming, p. 142, 147, 153, 157, 160;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-21;\n\n- het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon verdachte, p. 80-85;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nAanvullende overwegingen\n\nDe rechtbank acht enkel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor zover deze zien op het verkopen en afleveren van harddrugs. Voor het overige zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.\n\nDe rechtbank acht voorts niet bewezen dat het contante geldbedrag dat door de politie in de woning van verdachte werd aangetroffen werd gebruikt voor de voorbereidingshandelingen. Ook kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte veelvuldigcontact heeft gehad met afnemers die betrokken zijn bij het transport en\u002Fof de handel van drugs. Evenmin is uit het dossier gebleken dat er sprake was van medeplegen. Ook van deze onderdelen van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van parketnummer 05-020359-26\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43-44;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 11 september 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 137, 144-145;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 24 oktober 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 120-121, 123, 131-135;\n\n- de kennisgevingen van inbeslagneming, p. 191, 194, 200, 203, 209, 221;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43-44;\n\n- het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 115-116;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25\n\n1. hij op of omstreeks25 november 2025 te Ede, althans in Nederland,opzettelijk aanwezig heeft gehad -een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 480,33 gram) van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde MDMA en\u002Fof-een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 403,34 gram) van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine,althans (telkens) een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op een of meerdere tijdstippeninof omstreeksde periode van 11 september 2025 tot en met 25 november 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierdeof vijfdelid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijktelen, bereiden, bewerken, verwerken,verkopenenafleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren en\u002Fof- het opzettelijk vervaardigenvan amfetamine, zijnde amfetamine en\u002FofMDMA, zijnde MDMA,en\u002Fof een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk gevaleen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s),wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoedendat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door -het regelen\u002Forganiseren van en\u002Fof bijdragen aan, dan wel het veelvuldigcontact te hebben met andere personen (te weten onder andere afnemer(s)) die betrokken zijn bij het transport en\u002Fofde handel van de drugs (te wetenonder meeramfetamine en\u002FofMDMA) en\u002Fof- het aanbieden van de drugs (te wetenonder meeramfetamine en\u002FofMDMA) en\u002Fof- het voorhanden hebben vaneen (grote) hoeveelheid stoffen en\u002Fof materialen en\u002Fofgoederen, te weten onder meer - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelhedengripzakje(s) en\u002Fof-een ofmeerdere weegschalen en\u002Fof- een keukenmixer (met kristalresten).en\u002Fof - contante geldbedragen (van in totaal €2630,-);\n\nOnder parketnummer 05-020359-26\n\n1. hij op of omstreeks9 september 2025 te Ede, althans in Nederland,opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2316,61 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende amfetamine en\u002Fofongeveer 43,29 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en\u002FofMDMA,(telkens)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks9 september 2025 te Ede, althans in Nederland,een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25:\n\nfeit 1:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nfeit 2:\n\nom een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit\n\nOnder parketnummer 05-020359-26:\n\nfeit 1:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nfeit 2:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadvrouw heeft bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, in combinatie\n\nmet een voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verdachte is bereid zich aan deze voorwaarden te houden. Daarnaast staat verdachte positief tegenover een alternatieve straf in de vorm van een taakstraf.\n\nVerder heeft de raadsvrouw verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen tot aan de datum van de einduitspraak, zodat hij in de gelegenheid is om tijdig zijn woning leeg te halen.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft grote hoeveelheden harddrugs en een bus pepperspray in zijn woning aanwezig gehad. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs grote risico’s voor de gezondheid oplevert. De verspreiding van en handel in drugs gaan bovendien gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en geweld. Met zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van dit ernstige maatschappelijke probleem.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte vaker is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder drugsfeiten.\n\nOok heeft de rechtbank acht geslagen op het advies van de reclassering van 11 mei 2026 en de aanvulling daarop van 19 mei 2026. Daaruit volgt dat bij verdachte sprake is van instabiliteit op alle leefgebieden. Meerdere levensgebieden worden gezien als risicoverhogend, onder andere het psychosociaal functioneren en middelengebruik. Er is sprake van een langdurige verslaving aan amfetamine en een gokverslaving. De woning van verdachte is op last van de gemeente gesloten. Dit maakt dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering acht zorgvuldige begeleiding en ondersteuning noodzakelijk om de re-integratie van betrokkene goed te laten verlopen. Daarnaast dienen praktische zaken te worden geregeld, zoals het uitzoeken van de situatie rondom de woning. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:\n\nmeldplicht bij de reclassering;\n\nambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;\n\nverblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;\n\nverbod op het gebruik van verdovende middelen;\n\nverbod op deelname aan kansspelen;\n\nambulante woonbegeleiding;\n\ndiagnostiek.\n\nBij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.\n\nDe rechtbank vindt het van doorslaggevend belang dat de overgang naar het reguliere leven voor verdachte zo goed mogelijk verloopt. Daarvoor is van belang dat verdachte bij invrijheidsstelling in een stabiele situatie terechtkomt. Ter terechtzitting is gebleken dat de structuur en het ritme in detentie verdachte goed hebben gedaan. Hij is afgekickt van de middelen en hij heeft aan zijn gezondheid gewerkt. Ter terechtzitting is echter ook gebleken dat verdachte niet direct geplaatst kan worden in een instelling voor begeleid wonen vanwege wachtlijsten. Omdat hij niet meer terug kan naar zijn woning, heeft dit tot gevolg dat verdachte bij invrijheidsstelling in een dag- en nachtopvang zou moeten verblijven. Dit is geen wenselijke situatie, gelet op het hoge risico op recidive. De rechtbank zal daarom niet volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals door de verdediging is bepleit.\n\nAlles overwegend acht de rechtbank een straf gelijk aan de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, zullen deze voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.\n\nDe tijd die verdachte al in verzekering heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de straf.\n\nTot slot zal de rechtbank het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Nu er op de zitting van 26 mei 2026 direct mondeling uitspraak is gedaan, is een schorsing tot aan de uitspraakdatum niet meer aan de orde. Verdachte kan om kortdurende strafonderbreking vragen bij de PI waar hij verblijft.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\n8. De beoordeling van het beslag\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 05-320181-25 is onder verdachte beslag gelegd op:\n\neen contant geldbedrag van € 2.630,00 (voorwerpnummer BZAU7248);\n\neen telefoontoestel van het merk Oppo (voorwerpnummer BZAU7228).\n\nDe officier van justitie heeft verzocht om beide goederen verbeurd te verklaren.\n\nDe raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de teruggave aan verdachte te gelasten van beide goederen. Ten aanzien van het geldbedrag is daartoe aangevoerd dat de ten laste gelegde feiten op zichzelf niet winstgevend zijn en dat niet is gebleken dat deze feiten zijn begaan of voorbereid met betrekking tot of met behulp van het geldbedrag. Evenmin is gebleken dat het inbeslaggenomen geldbedrag een rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van drugshandel of bij drugsbezit. Er is dus geen grond aanwezig als bedoeld in artikel 33a Wetboek van Strafrecht (Sr) waarop het geldbedrag verbeurd kan worden verklaard. Ten aanzien van de telefoon is bepleit dat verbeurdverklaring niet proportioneel is, omdat daar slechts een klein aantal berichten op is aangetroffen dat belastend kan zijn.\n\nDe rechtbank zal de teruggave van het geldbedrag aan verdachte gelasten, omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet. Er is geen grond aanwezig zoals bedoeld in artikel 33a Sr waarop het geldbedrag verbeurd kan worden verklaard.\n\nDe rechtbank zal beslissen dat het telefoontoestel verbeurd wordt verklaard, omdat het tenlastegelegde onder feit 2 met behulp van dit telefoontoestel is begaan.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2, 10 en 10a van de Opiumwet;\n\n- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden;\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n- Meldplicht bij reclassering\n\nVerdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Tactus Reclassering. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n- Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname\n\nVerdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en\u002Fof verslavingsproblematiek, Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\nIndien er sprake is van een terugval in middelengebruik\u002Fbij overmatig middelengebruik en\u002Fof een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;\n\n- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nVerdachte verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n- Verbod verdovende middelen\n\nVerdachte gebruikt gedurende de proeftijd geen verdovende middelen als genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles (urineonderzoek, ademonderzoek en\u002Fof een speekseltest). De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n- Verbod kansspelen\n\nVerdachte neemt gedurende de proeftijd niet deel aan kansspelen;\n\n- Ambulante woonbegeleiding\n\nVerdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan ambulante woonbegeleiding, zolang de reclassering deze begeleiding nodig vindt;\n\n- Diagnostiek\n\nVerdachte verleent gedurende de proeftijd zijn medewerking aan diagnostiek, zolang de reclassering dit nodig vindt. Verdachte dient zich daarbij te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de diagnostiek door of namens degene die het onderzoek verricht zullen worden gegeven;\n\n stelt als overige voorwaardendat verdachte:\n\n- zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;\n\n- zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;\n\n geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;\n\n beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n wijst af het verzoek tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis;\n\nBeslissing op het beslag\n\n verklaart verbeurd het telefoontoestel van het merk Oppo (voorwerpnummer BZAU7228);\n\n gelast de teruggave aan verdachte van het contante geldbedrag ter waarde van € 2.630,00 (voorwerpnummer BZAU7248).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2026.\n\nmr. Goossens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025571803, gesloten op 10 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025436710, gesloten op 9 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12057","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:53.284Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":43,"courtId":84,"decisionDate":85,"fullText":86,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":51,"updatedAt":88},"881","ECLI:NL:GHARL:2025:2164","ecli-nl-gharl-2025-2164",70,"2025-04-09T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-002640-24\n\nUitspraak d.d.: 9 april 2025\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 7 juni 2024 met parketnummer 16-306213-22 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,\n\nwonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,\n\nverblijvende te [verblijfadres] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 maart 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:\n\nveroordeling van verdachte voor de onder 1 primair (voor doodslag) en onder 2 (bedreiging) tenlastegelegde feiten;\n\nontslag van alle rechtsvervolging van verdachte ten aanzien van beide bewezenverklaarde feiten;\n\noplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met de voorwaarden zoals die ook zijn opgelegd door de rechtbank Midden-Nederland in haar vonnis van 7 juni 2024, alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel, met bepaling dat die terbeschikkingstelling niet gemaximeerd is als die wordt omgezet in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege;\n\noplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr).\n\nDaarnaast heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen dient te worden tot een bedrag van € 19.516,03 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] toegewezen dient te worden tot een bedrag van € 4.226,46 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;\n\nten aanzien van het beslag: onttrekking aan het verkeer van het alarmpistool en het stroomstootwapen en teruggave aan de rechthebbende van de overige inbeslaggenomen goederen.\n\nDeze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,\n\nmr. Y. Moszkowicz, en de advocaat van de benadeelde partijen, mr. F.J.M. Hamers, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 7 juni 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld, de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en daarbij de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden en de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr opgelegd.\n\nTen aanzien van de benadeelde partijen heeft de rechtbank:\n\n de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 19.516,03, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vordering voor het overige afgewezen;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] toegewezen tot een bedrag van\n\n€ 4.226,46, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vordering voor het overige afgewezen.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank het inbeslaggenomen stroomstootwapen onttrokken aan het verkeer en ten aanzien van de overige inbeslaggenomen voorwerpen teruggave aan de rechthebbende gelast.\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank grotendeels op juiste wijze heeft beslist, maar zal het vonnis vernietigen, omdat het tot een enigszins andere bewezenverklaring komt en een andere beslissing neemt over de duur van de gijzeling in verband met de schadevergoedingsmaatregel en het beslag voor wat betreft het alarmpistool.\n\nOmdat het hof de bewijsmotivering in het vonnis deels volgt, zal het hof hierna telkens de passages uit het vonnis aanhalen waarmee het zich verenigt en telkens aanduiden op welke punten het tot een ander oordeel komt.\n\nHet hof komt, ondanks die gewijzigde bewezenverklaring, tot een aan het vonnis gelijkluidende kwalificatie van het bewezenverklaarde. Ook het oordeel over de strafbaarheid van de feiten en van de verdachte, over de oplegging van de maatregel en de vorderingen van de benadeelde partijen zijn gelijk aan de beslissingen van de rechtbank.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg tenlastegelegd dat:\n\n1. hij op of omstreeks 23 november 2022 te [plaats] , in elk geval in Nederland\n\n [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] een medicijn althans een (genees)middel toe te dienen en\u002Fof geweld toe te passen op die [slachtoffer] door op die [slachtoffer] te gaan zitten en\u002Fof ( met kracht) de keel van die [slachtoffer] ( met zijn handen en\u002Fof zijn arm) dicht te knijpen en\u002Fof duwen en\u002Fof dicht te houden en\u002Fof uitwendige druk op de borstkas uit te oefenen, althans de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd te beletten en\u002Fof te belemmeren, ( aldus) die [slachtoffer] te wurgen en\u002Fof te smoren en\u002Fof te versmachten ten gevolge waarvan zij op 30 november 2022 te [plaats] is overleden;\n\n1. subsidiair hij op of omstreeks 23 november 2022 te [plaats] , in elk geval in Nederland aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in het schildkraakbeen, heeft toegebracht, door geweld toe te passen op die [slachtoffer] door op die [slachtoffer] te gaan zitten en\u002Fof ( met kracht) de keel van die [slachtoffer] ( met zijn handen en\u002Fof zijn arm) dicht te knijpen en\u002Fof te duwen en\u002Fof dicht te houden en\u002Fof uitwendige druk op de borstkas uit te oefenen, althans de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd te beletten en\u002Fof te belemmeren, ( aldus) die [slachtoffer] te wurgen en\u002Fof te smoren en\u002Fof te versmachten, terwijl het feit op 30 november 2022 te [plaats] de dood ten gevolge heeft gehad;\n\n2. hij op of omstreeks 23 november 2022 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen \"het is een dikke overdosis he. Als ik je laat liggen zo. Dit is al 30 keer meer. Dit is gewoon zo’n bek hek erin gooid. Dus ik denk als ik je even laat liggen zo dat je weg bent\" en\u002Fof En je vader is ook zo dood gegaan he.’’ en\u002Fof ‘’ik maak je van kant, echt waar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant.’’ althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof door op die [slachtoffer] te gaan zitten ten gevolge waarvan de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd werd belet.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverweging met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot veroordeling van verdachte voor zowel het onder 1 primair en het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde, in die zin dat verdachte veroordeeld wordt voor de onder 1 primair impliciet tenlastegelegde doodslag.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor alle tenlastegelegde feiten en heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd.\n\nMet betrekking tot het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het procesdossier niet kan worden bewezen dat verdachte een medicijn heeft toegediend aan het slachtoffer [slachtoffer] (hierna verder: [slachtoffer] ) en dat uit toxicologisch onderzoek volgt dat de in het bloed van [slachtoffer] aangetroffen olanzapine niet de doodsoorzaak van [slachtoffer] is geweest.\n\nDe raadsman heeft daarnaast meerdere alternatieve scenario’s naar voren gebracht. Eén van\n\ndeze alternatieve scenario’s houdt in dat het op basis van de inhoud van het procesdossier\n\nwaarschijnlijk is dat [slachtoffer] zelf het in haar bloed aangetroffen middel buspiron heeft ingenomen, ten gevolge waarvan zij zou zijn overleden. Een ander alternatief scenario betreft de mogelijkheid dat [slachtoffer] is overleden door intoxicatie door middel van een koolmonoxidevergiftiging.\n\nMet betrekking tot de ten laste gelegde geweldshandelingen (wurgen, smoren en\n\nversmachten) in het onder feit 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde heeft de raadsman het navolgende bepleit. Niet kan worden uitgesloten dat het breukje in het schildkraakbeen is ontstaan door reanimatiehandelingen of samen met de blauwe plekken is ontstaan op het moment dat [slachtoffer] na de schermutseling in de keuken op de grond is gevallen of later, toen zij naast het bed is gevallen, en dat het letsel dus geen enkel verband houdt met door verdachte toegepast geweld en het overlijden van [slachtoffer] een week later. Daarnaast heeft hij bepleit dat het aangetroffen letsel niet als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr kan worden gedefinieerd.\n\nVerder heeft de raadsman ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde bepleit dat het causale verband tussen het eventuele handelen van verdachte en het latere overlijden van [slachtoffer] onvoldoende vast is komen te staan en dat verdachte geen opzet heeft gehad op haar dood. Uit de gedragingen die wel bewezen kunnen worden verklaard, kan niet worden afgeleid dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op voornoemde gevolgen heeft aanvaard.\n\nTot slot heeft de raadsman met betrekking tot de onder feit 1 primair ten laste gelegde moord gesteld dat niet is voldaan aan de vereisten voor voorbedachte raad.\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van feit 2 (bedreiging) betoogd dat verdachte weliswaar de woorden heeft uitgesproken die in de tenlastelegging staan, maar dat bij [slachtoffer] daardoor niet redelijkerwijs de vrees kon ontstaan dat deze bewoordingen daadwerkelijk zouden worden waargemaakt. Van een strafrechtelijke bedreiging is dus geen sprake geweest.\n\nHet oordeel van het hof\n\nFeit 1 primair\n\nVrijspraak moord\u002Fvoorbedachte raad\n\nHet hof heeft overeenkomstig de standpunten van de advocaat-generaal en de raadsman uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht. Het is het hof niet gebleken dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft beraden op het genomen besluit om zijn echtgenote te doden en dat hij dus niet zou hebben gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van moord, zoals onder 1 primair is tenlastegelegd.\n\nVaststelling van de feiten\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis over de vaststelling van de feiten, het onderdeel ‘toedienen van het medicijn’ en de oorzaak van de reanimatiebehoeftige toestand het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVaststelling van de feiten\n\nOp 23 november 2022 omstreeks 02:17 uur is bij de meldkamer een melding binnengekomen van verdachte dat hij zich samen met zijn vrouw (hierna: [slachtoffer] ) in hun woning in [plaats] bevond. [slachtoffer] zou een overdosis hebben gehad en op dat moment bewusteloos zijn. Als de politie enkele minuten later ter plaatse komt, wordt [slachtoffer] in de slaapkamer naast het bed in een reanimatiebehoeftige toestand aangetroffen. De hulpdiensten zijn daar gestart met de reanimatie van [slachtoffer] , waarna zij is overgebracht naar het ziekenhuis in [plaats] . Vervolgens is [slachtoffer] op 30 november 2022 in het ziekenhuis overleden.\n\nUit een geluidsopname die verdachte heeft gemaakt in de avond van 22 november 2022 omstreeks 22:30 uur en uit de verklaring van verdachte zelf, volgt dat verdachte en [slachtoffer] die avond een handgemeen hebben gehad en dat verdachte toen [slachtoffer] bij haar keel heeft vastgepakt. Ook is verdachte op [slachtoffer] gaan zitten, waarna [slachtoffer] heeft aangegeven dat zij moeite had met ademhalen. Hoewel [slachtoffer] na deze geweldshandelingen nog aanspreekbaar lijkt te zijn, moet zij ergens tussen dit moment en het moment enkele uren later waarop de politie ter plaatse kwam (omstreeks 02:20 uur) in een reanimatiebehoeftige toestand zijn terechtgekomen.\n\nPartiële vrijspraak: toedienen medicijn\n\nDe rechtbank overweegt dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door haar een geneesmiddel toe te dienen. Verdachte zal dan ook partieel worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onderdeel ‘toedienen van een medicijn, althans een geneesmiddel’.\n\nOorzaak reanimatiebehoeftige toestand\n\nUit het rapport van de patholoog volgt dat zowel stomp botsende, (samen)drukkende en\u002Fof toesnoerende krachtinwerking op de hals kunnen hebben geleid tot of bijgedragen hebben aan de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] . Uit het rapport van de toxicoloog blijkt dat een bijdrage van buspiron aan het overlijden niet kan worden geconcludeerd noch kan worden uitgesloten. Nu de oorzaak van het reanimatiebehoeftig worden (en het overlijden) van [slachtoffer] niet met 100% zekerheid kan worden vastgesteld, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de rechtbank ondanks deze onzekerheid tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag kan komen.\n\nHet hof neemt bovenstaande overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nAlternatieve scenario’s\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting bij het hof twee alternatieve scenario’s aangevoerd. Die zijn ook aangevoerd in eerste aanleg. De rechtbank heeft in haar vonnis over het eerste alternatieve scenario ‘inname buspiron door [slachtoffer] ’ het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVan belang is allereerst dat in het bloed van [slachtoffer] buspiron en het omzettingsproduct hydroxybuspiron zijn aangetoond. Het scenario dat de verdediging heeft benoemd is dat [slachtoffer] een toxische hoeveelheid buspiron kan hebben ingenomen.\n\nDe gemeten concentratie (van ongeveer 0,0020 mg\u002F1) is een therapeutisch (werkzame) concentratie. Het bewustzijn\u002Fgedrag van [slachtoffer] was ten tijde van het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand dus waarschijnlijk (therapeutisch) beïnvloed door het aanwezige buspiron. Hoeveel hoger de concentratie was ten tijde van het reanimatiebehoeftig worden kan volgens de deskundige moeilijk worden ingeschat, omdat de omzetting en uitscheiding van buspiron tussen personen verschilt en beïnvloed kunnen zijn tijdens de ziekenhuisopname.\n\nNu namens verdachte is aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] door inname van een toxische concentratie Buspiron om het leven is gekomen, wijst de rechtbank op de inhoud van het rapport van de forensisch toxicoloog van 29 februari 2024 naar aanleiding van aanvullende vragen die de rechtbank heeft gesteld. Daaruit volgt dat het in theorie mogelijk is dat de[toen] gemeten buspironconcentratie van ongeveer 0,0020 mg\u002Fl bloed ten tijde van het reanimatiebehoeftig worden een toxische concentratie is geweest. Het kan echter ook nog steeds een therapeutische concentratie zijn geweest. Verder wordt uitgelegd dat in de literatuur voor zover bekend geen gevallen zijn beschreven waarbij personen reanimatiebehoeftig zijn geworden door inname van buspiron of zijn overleden door (overdosering met) buspiron.[…] De rechtbank acht dit door de verdediging geschetste alternatieve scenario dan ook niet aannemelijk geworden.\n\nHet hof overweegt dat, nu niet aannemelijk is geworden dat buspiron de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] is geweest, het voor het oordeel van het hof niet relevant is of [slachtoffer] zelf deze medicatie heeft ingenomen of dat de medicatie op andere wijze (zoals toegediend door verdachte) in haar bloed is gekomen.\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis omtrent het alternatieve scenario ‘koolstofmonoxide’ het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nDe rechtbank vindt eveneens onvoldoende aannemelijk geworden dat [slachtoffer] door een koolmonoxidevergiftiging in een reanimatiebehoeftige toestand terecht is gekomen en uiteindelijk is overleden. Hiervoor bestaan geen aanwijzingen. Daar komt bij dat uit het dossier volgt dat er in de nacht van 23 november 2022 - direct na het aantreffen van [slachtoffer] - en de daaropvolgende dag meerdere politiefunctionarissen voor langere tijd in de woning aanwezig zijn geweest ten behoeve van het verrichten van (forensisch) onderzoek. Het had dan ook voor de hand gelegen dat één of meerdere van deze personen onwel zouden zijn geworden in het geval er daadwerkelijk sprake was geweest van hoge koolmonoxide waarden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niets gebleken.\n\nHet hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nGeweldshandelingen en causaliteit\n\nVervolgens staat het hof voor de vraag of verdachte in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022 opzettelijk de in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen tegen [slachtoffer] heeft verricht, ten gevolge waarvan zij op 30 november 2022 is overleden.\n\nDe rechtbank heeft hieromtrent onder meer het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVoorop staan de bevindingen uit het forensische dossier. De forensisch patholoog komt tot de conclusie dat de krachtinwerking op de hals van [slachtoffer] , in de vorm van stomp botsende, (samen)drukkende en\u002Fof toesnoerende krachtinwerking op de hals, wat heeft geleid tot een breuk van de linker bovenste hoorn van het schildkraakbeen, kan hebben geleid tot of bijgedragen hebben aan het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] .\n\nDaar komen op basis van de bewijsmiddelen in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten bij. In de avond en nacht van 22 op 23 november 2022 bevond verdachte zich samen met [slachtoffer] in hun gezamenlijke woning. Er zijn geen aanwijzingen dat er die avond nog andere personen aanwezig zijn geweest in de woning. Verdachte heeft daarover ook niets verklaard. Verdachte en [slachtoffer] hadden in de periode voorafgaand aan 23 november 2022 relatieproblemen en hadden het voornemen om van elkaar te scheiden. Verdachte verkeerde daarbij al langere tijd, ook in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022, in de waan dat [slachtoffer] hem wilde vergiftigen met ketamine. Uit de geluidsopname blijkt dat verdachte [slachtoffer] hiervan beschuldigde, dat [slachtoffer] dit bleef ontkennen en dat verdachte gefrustreerd raakte. Ook heeft verdachte tijdens de opname meerdere keren tegen [slachtoffer] gezegd dat hij haar dood wilde maken. Verder blijkt uit de geluidsopname dat hij dusdanig geweld tegen haar gebruikte dat zij in haar adem werd belemmerd.\n\nBij [slachtoffer] is enkele uren later, kort nadat zij in reanimatiebehoeftige toestand is\n\naangetroffen, letsel vastgesteld; er zijn verspreid over haar lichaam meerdere\n\nbloeduitstortingen geconstateerd. Over deze blauwe plekken verklaart de schouwarts dat een aantal, maar zeker niet alle, verklaard kunnen worden door medisch handelen in het AMC.\n\nDaarnaast was [slachtoffer] een relatief jonge vrouw en hebben de patholoog en schouwarts gerapporteerd dat zij gezond was. Ook kon er volgens voornoemde deskundigen geen ziekelijke oorzaak voor het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand worden vastgesteld en was er waarschijnlijk geen sprake van natuurlijk overlijden. (…)\n\nHet hof neemt ook deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nIn aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.\n\nUit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte fors geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] . Volgens het forensische rapport van drs. D.J. Rijken, arts en forensisch patholoog, was sprake van een breuk van de linker bovenste hoorn van het schildkraakbeen, die veroorzaakt is door stomp botsende, (samen)drukkende en\u002Fof toesnoerende krachtinwerking, met zwelling in de omliggende wekedelen. Het is daarnaast volgens de patholoog zeer onwaarschijnlijk dat deze breuk het gevolg is van reanimatiehandelingen.\n\nHet hof constateert dat het letsel typerend is voor verwurgingshandelingen. Daar komt bij dat uit een geluidsopname blijkt dat verdachte eerder die dag al tegen het slachtoffer heeft gezegd dat hij haar om het leven zou brengen. Op die geluidsopname is onder meer het volgende te horen:\n\nM (het hof begrijpt: verdachte): Nee, nee ik maak je van kant hoor\n\nV(het hof begrijpt: [slachtoffer] ): Ja nou… dat\n\nM: Nee, nee. [slachtoffer] luister, ik maak je van kant, echt woar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant.\n\nUit de geluidsopname blijkt niet dat verdachte op het moment van dat handgemeen al de keel van [slachtoffer] vastgepakt heeft. Op dezelfde geluidsopname is te horen dat verdachte en [slachtoffer] na het handgemeen normaal met elkaar spraken. Het hof gaat er daarom vanuit dat het letsel aan het schildkraakbeen niet toen al is ontstaan maar dat er daarna een incident moet zijn geweest waarbij [slachtoffer] kennelijk zodanig is verwurgd dat een breuk is ontstaan in haar schildkraakbeen en zij in een reanimatiebehoeftige toestand is geraakt. Daarnaast zijn rondom haar ogen en op meerdere plaatsen op haar lichaam blauwe plekken aangetroffen. Dergelijke verwondingen, en vooral de hoeveelheid ervan, dragen bij aan de overtuiging van het hof dat een later incident moet hebben plaatsgevonden, waarbij ook dit letsel aan [slachtoffer] is toegebracht.\n\nVerdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat er in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022, voor zover hij weet, geen andere mensen binnen in de woning zijn gekomen. Het is het hof niet gebleken dat er andere mensen in de woning waren die nacht.\n\nHet hof is gelet op voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat [slachtoffer] door verwurgingshandelingen van verdachte in een reanimatiebehoeftige toestand is gekomen. Die gedragingen zijn in de keten van gebeurtenissen een noodzakelijke factor geweest voor het ingetreden gevolg, te weten het overlijden van [slachtoffer] .\n\nVoorts is het hof van oordeel dat het overlijden van [slachtoffer] redelijkerwijs aan de gedragingen van verdachte kunnen worden toegerekend. Zonder zijn handelingen zou [slachtoffer] niet in een reanimatiebehoeftige toestand zijn gekomen en zou zij niet in een zodanige toestand zijn geraakt dat haar nabestaanden de moeilijke, maar medisch en ethisch navolgbare beslissing hebben genomen de apparatuur die haar in leven hield uit te laten zetten.\n\nOpzet\n\nDe gedragingen van verdachte zijn zozeer gericht geweest op het dodelijk verwonden van [slachtoffer] , dat dit naar het oordeel van het hof vol opzet op het dodelijk letsel bij haar oplevert. Verdachte heeft de keel van [slachtoffer] kennelijk zo lang en met zodanige kracht dichtgeknepen dat zij in een reanimatiebehoeftige toestand is geraakt en daardoor letsel heeft opgelopen. Het dichtknijpen van de keel op de wijze waarop verdachte dat gedaan heeft, is naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van [slachtoffer] , dat het niet anders kan dan dat de verdachte haar met deze handeling heeft willen doden. Deze wens heeft verdachte tijdens het handgemeen in de keuken, dat auditief is opgenomen, zelfs meermalen uitgesproken. Het hof is daarom van oordeel, anders dan de rechtbank, dat de verdachte zogenaamd vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .\n\nConclusie\n\nHet hof is dan ook van oordeel dat verdachte zich op 23 november 2022 in [plaats]\n\nschuldig heeft gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] , zoals hierna weergegeven.\n\nFeit 2\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVoor een succesvolle vervolging ter zake van bedreiging is vereist dat de bedreiging\n\nplaatsvindt met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling en dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou laten dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.\n\nAnders dan in de meeste zaken waarin bedreiging wordt ten laste gelegd, kan het slachtoffer hier niet navertellen of zij angstig was door de gedragingen van verdachte. Maar uit de geluidsopnames kan dit wel worden afgeleid. Niet in geschil is dat verdachte meerdere keren tegen [slachtoffer] heeft gezegd \"ik maak je van kant\" en \"het is een dikke overdosis he. (..) Ik denk als ik je even laat liggen zo dat je weg bent\" of woorden van die strekking. Die woorden in combinatie met de omstandigheden dat verdachte op [slachtoffer] zat en zij moeilijk kon ademen, moet bij [slachtoffer] redelijkerwijs de vrees hebben opgewekt dat verdachte zijn aangekondigde voornemen om [slachtoffer] ‘van kant te maken’ zou uitvoeren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat daarmee sprake is van bedreiging, zoals onder feit 2 ten laste is gelegd.\n\nHet hof neemt deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt daaraan toe dat de vrees bij [slachtoffer] ook duidelijk te horen is in haar eigen bewoordingen, zoals op de geluidsopname te horen is. Onder andere zegt [slachtoffer] : ‘ik ben ook bange veur joe’en ‘ik ben echt bange veur joe’‘hoe jij nou mij behandelt’.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof is aldus van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 tenlastegelegde feiten wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nHet hof heeft, anders dan de rechtbank, niet kunnen vaststellen dat het overlijden van [slachtoffer] is veroorzaakt doordat verdachte op [slachtoffer] is gaan zitten en daarmee uitwendige druk op haar borstkas heeft uitgeoefend waardoor haar ademhaling enige tijd zou zijn belet of belemmerd. Die handelingen vonden kennelijk plaats ten tijde van de eerdergenoemde geluidsopname. Het hof acht, zoals hiervoor is uiteengezet, wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met kracht de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en dicht heeft gehouden, ten gevolge waarvan zij is overleden.\n\nHet hof komt tot de volgende bewezenverklaring ten aanzien van het onder feit 1 primair tenlastegelegde, te weten dat\n\nhij omstreeks 23 november 2022 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft\n\nberoofd, door geweld toe te passen op [slachtoffer] door met kracht de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en dicht te houden, ten gevolge waarvan zij op 30 november 2022 te [plaats] is overleden.\n\nEn ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde dat\n\nhij omstreeks 23 november 2022 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen \"het is een dikke overdosis he. Als ik je laat liggen zo. Dit is al 30 keer meer. Dit is gewoon zo’n bek heb ik\n\nerin gooid. Dus ik denk als ik je even laat liggen zo dat je weg bent\", \"En je vader is ook zo\n\ndood gegaan he.\" en \"Ik maak je van kant, echt waar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je\n\necht van kant. Ik maak je echt van kant.\" en door op die [slachtoffer] te gaan zitten, ten gevolge\n\nwaarvan de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd werd belet.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nZowel de raadsman als de advocaat-generaal hebben gesteld dat het hof de verdachte in geval van een bewezenverklaring van een of beide feiten dient te ontslaan van alle rechtsvervolging. Het hof kan verdachte de feiten namelijk als gevolg van een psychische stoornis niet toerekenen.\n\nArtikel 39 Sr luidt sinds de inwerkingtreding van de wet van 24 januari 2018, houdende regels voor het kunnen verlenen van verplichte zorg aan een persoon met een psychische stoornis (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, Stb. 2018, 37) op 1 januari 2020:\n\n“Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend.”\n\nDe rechter kan op grond van artikel 39 Sr beslissen dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.\n\nDe rechtbank heeft het volgende overwogen (cursief opgenomen).\n\nOver verdachte zijn de volgende rapporten opgemaakt:\n\n- een Pro Justitia rapport psychiatrisch onderzoek van 17 april 2023, opgemaakt door dr. S. Dragt , psychiater (hierna ook: de psychiater);\n\n- een Pro Justitia rapport psychologisch onderzoek van 22 februari 2023, opgemaakt door E.I.J. Peeters , GZ-psycholoog (hierna ook: de psycholoog).\n\nDe psycholoog en psychiater stellen vast dat verdachte lijdt aan een psychische stoornis, te weten schizofrenie. Daarnaast komt de psychiater tot de conclusie dat eveneens sprake is van een lichte stoornis in het gebruik van cannabis. Deze stoornissen waren ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig. Sinds de zomer van 2022 was er sprake van toenemende paranoïde symptomen, mogelijk geluxeerd door medicatie ontrouw en (deels door) chronisch cannabisgebruik. Deze paranoïde symptomen bestonden uit achterdocht jegens zijn vrouw, waarbij hij steeds meer overtuigd raakte van het feit dat zij hem wilde vergiftigen. Verdachte handelde in de avond van het tenlastegelegde volledig vanuit deze paranoïde waan. Zowel de psycholoog als de psychiater concluderen daarom dat de ten laste gelegde feiten verdachte niet kunnen worden toegerekend.\n\nHet hof neemt deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nHet hof verbetert de motivering van de rechtbank als volgt.\n\nHet hof stelt vast dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten bij verdachte sprake was van een floride paranoïde psychose die wordt geclassificeerd als schizofrenie. Het hof acht aannemelijk geworden dat deze stoornis van verdachte tot gevolg heeft gehad dat hij de wederrechtelijkheid van de bewezenverklaarde feiten niet kon begrijpen.\n\nNet als de rechtbank acht het hof verdachte ontoerekeningsvatbaar en zal het verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nOplegging van maatregelen\n\nDe raadsman van verdachte heeft, in het geval dat het hof tot een bewezenverklaring komt, verzocht aan verdachte geen maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) op te leggen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat geen recidiverisico bestaat zolang verdachte zijn medicatie slikt en dat het enorme belang van het blijvend gebruiken van zijn medicijnen hem duidelijk is geworden tijdens de behandeling die al heeft plaatsgevonden. Mocht het hof dit standpunt passeren dan is bepleit dat wordt volstaan met het opleggen van een tbs-maatregel met voorwaarden, zoals ook door de rechtbank is opgelegd.\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien hiervan het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nErnst van de feitenVerdachte heeft zich in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022 schuldig gemaakt aan doodslag op zijn vrouw ( [slachtoffer] ). Nadat verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood, heeft hij haar in hun gezamenlijke woning om het leven gebracht door haar te wurgen[…]. Het kan daarbij niet anders dan dat [slachtoffer] in de laatste minuten van haar leven doodsangsten heeft uitgestaan. Dat dit feit is gepleegd juist door haar partner - iemand die je per definitie zou moeten kunnen vertrouwen - in hun gezamenlijke woning - een plek waar je bij uitstek veilig zou moeten zijn - maakt het allemaal nog wranger. In het dossier komt naar voren dat verdachte volledig handelde vanuit een paranoïde waan, waardoor verdachte er al langere tijd van overtuigd was dat [slachtoffer] hem wilde vergiftigen. Dat verdachte, terwijl hij in een dergelijke waan verkeert, kennelijk in staat is om zulk extreem geweld toe te passen, is zeer zorgelijk.\n\nAan de nabestaanden van [slachtoffer] , waaronder haar zus en haar moeder, is onherstelbaar leed en verdriet toegebracht. Zij hebben het afgelopen anderhalf jaar enorm geleden. Sinds de dood van [slachtoffer] heerst bij de moeder een enorm verdriet, waardoor zij nog maar een schim van zichzelf is. De zus van [slachtoffer] zit met vele vragen over wat er is gebeurd; vragen waarop zij, omdat verdachte geen openheid van zaken geeft en blijft ontkennen dat hij iets met het overlijden van [slachtoffer] te maken heeft, waarschijnlijk nooit een antwoord zal krijgen. Ook andere nabestaanden zullen met deze vragen blijven zitten. Natuurlijk zijn niet alleen de zus en moeder van [slachtoffer] geraakt door haar gewelddadige dood. Dit geldt ook voor anderen, zoals de buren, vriendinnen en andere bekenden van [slachtoffer] . Daarnaast is ook de samenleving geschokt door dit soort feiten.\n\nDe persoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte, naast de[…]genoemde rapportages van de psychiater en psycholoog, kennisgenomen van:\n\n- een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie ('strafblad') van 16 april 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten;\n\n- een reclasseringsadvies van 9 juni 2023, opgemaakt door [naam] ,\n\nreclasseringswerker van Tactus verslavingszorg;\n\n- een voortgangsverslag schorsingstoezicht, opgemaakt door [naam] ,\n\nreclasseringswerker van Verslavingsreclassering Inforsa.\n\nRapportages psychiatrisch en psychologisch onderzoek\n\nDe psychiater en psycholoog komen in hun rapportages tot de volgende conclusies. Het recidiverisico wordt geheel bepaald door de (ernstige en chronische) psychotische stoornis en wordt ingeschat als matig in het geval verdachte geen adequate behandeling krijgt. Geadviseerd wordt om de psychotische stoornis van verdachte te behandelen in een klinische setting, onder andere door verdachte in te stellen op medicatie. De verwachting is dat deze behandeling ten minste enkele maanden zal duren en dat aansluitend ambulante vervolgbehandeling nodig is. Hieruit volgend wordt een behandeling (van voldoende lengte) in een gedwongen kader noodzakelijk geacht en oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden geadviseerd. De inschatting is dat verdachte zal meewerken aan behandeling binnen dit kader en dat dit kader het recidiverisico voldoende zal terugdringen. De deskundigen geven daarnaast oplegging van een GVM in overweging, zodat deze maatregel eventueel aansluitend op de tbs-maatregel ten uitvoer kan worden gelegd en toezicht kan worden gehouden op de inname van medicatie en behandeltrouw.\n\nReclasseringsadvies\n\nUit het reclasseringsadvies van 9 juni 2023 volgt dat de reclassering het risico op recidive, letselschade en onttrekking aan voorwaarden inschat als gemiddeld. De reclassering acht behandeling in een langdurige, forensische setting in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden noodzakelijk. De reclassering adviseert daarnaast de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs-maatregel met voorwaarden, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is. Ten slotte geeft de reclassering ter overweging mee om een GVM op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs-maatregel. Een GVM biedt de mogelijkheid om toezicht te kunnen houden op de inname van medicatie, daar verdachte zijn ziektebeeld ontkent en in het verleden zonder overleg de inname van zijn medicatie heeft gestaakt.\n\nDe op te leggen maatregelen\n\nBij het bepalen van de maatregel(en) houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder deze feiten door verdachte zijn begaan. De rechtbank houdt ten slotte nadrukkelijk rekening met de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.\n\nTbs-maatregel met voorwaarden\n\nOmdat verdachte ten tijde van de bewezen geachte feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was, kan aan hem geen straf worden opgelegd. Wel kan een maatregel aan verdachte worden opgelegd.[…]\n\nVoor de rechtbank staat vast dat het in het belang is van en ter bescherming van de\n\nmaatschappij, maar zeker en misschien nog wel meer in het belang van verdachte zelf, dat hij de noodzakelijke en passende hulpverlening krijgt. Uit het voortgangsverslag blijkt ook dat hij baat heeft bij de inmiddels gestarte behandelgesprekken. Uit de deskundigenrapporten volgt duidelijk dat verdachte een intensieve behandeling van ten minste enkele maanden nodig heeft in een kliniek om het recidiverisico terug te dringen en de deskundigen adviseren een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Alles afwegend acht de rechtbank onder\n\ndeze omstandigheden een tbs-maatregel met voorwaarden het meest passend en\n\nnoodzakelijk. De rechtbank overweegt dat wordt voldaan aan de eisen die de wet aan oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden stelt, te weten:\n\n- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;\n\n- op het door hem begane misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;\n\n- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.\n\nDe rechtbank zal de door de reclassering geadviseerde voorwaarden overnemen, zoals vermeld in het dictum. Verdachte heeft zich ook bereid verklaard tot naleving van die voorwaarden.[…]\n\nGeen gemaximeerde terbeschikkingstelling\n\nDe maatregel zal worden opgelegd wegens doodslag. Dit heeft te gelden als een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zodat de duur van de terbeschikkingstelling, indien in de toekomst alsnog zal worden bevolen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, niet op voorhand is gemaximeerd.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid tbs-maatregel met voorwaarden\n\nNu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder behandeling en begeleiding opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank tevens bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.\n\nOplegging van gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr)\n\nVerdachte heeft onder invloed van zijn ziekte een zeer zwaar en uiteindelijk dodelijk\n\ngeweldsdelict gepleegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bescherming van de samenleving vereist dat toereikende maatregelen genomen worden om recidive te voorkomen. Aangezien er op dit moment een matig risico op recidive bestaat en voorkomen moet worden dat dit na ommekomst van de (eindige) tbs-maatregel met voorwaarden tot onveiligheid voor de samenleving leidt, is de rechtbank van oordeel dat de door de reclassering geadviseerde GVM moet worden opgelegd. Aan de voorwaarden voor oplegging van deze maatregel is voldaan, omdat een tbs-maatregel met voorwaarden wordt opgelegd.Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, gelet op de ernst van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit en het in de rapportages geschatte matige recidiverisico indien verdachte geen adequate behandeling krijgt. De rechtbank acht het van belang dat na het beëindigen van de tbs-maatregel toezicht kan worden gehouden op de inname van medicatie.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank derhalve van oordeel dat oplegging van deze maatregel in dit geval aangewezen is. Na afloop van de opgelegde tbs-maatregel kan beoordeeld worden in hoeverre het recidiverisico nog aanwezig is en of en zo ja, welke voorwaarden moeten worden opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen.\n\nHet hof neemt deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nIn aanvulling hierop overweegt het hof het volgende.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van een recentere reclasseringsrapportage, gedateerd 12 maart 2025, en hetgeen ter terechtzitting van het hof is verklaard door de deskundige [naam] van de reclassering.\n\nTer zitting heeft de deskundige verklaard dat extern risicomanagement nodig is om het medicijngebruik van verdachte te monitoren. Hij merkte daarbij op dat het contact met verdachte reactief is en verdachte in het begin zeer passief was. Inmiddels maakt verdachte een ontwikkeling door en geniet hij een aantal vrijheden. [naam] concludeert dat verdachtes behandeling voorspoedig verloopt, maar dat er zorgen zijn over de intrinsieke motivatie van verdachte omtrent zijn medicijngebruik, zeker als hij zelfstandig zou gaan wonen. Verdachte is nog steeds een stressgevoelig persoon en zelfstandig wonen zou daarom een te grote stap zijn.\n\nHet hof heeft hetgeen door de deskundige ter zitting is verklaard ook betrokken in zijn oordeel. Het hof heeft op basis van deze verklaring bevestigd gezien dat het recidivegevaar nog steeds aanwezig is. Hoewel dat gevaar door de deskundigen niet als hoog wordt ingeschat, betreft het wel een (matig) risico voor een zeer ernstig feit. Het hof schat het gevaar dat verdachte opnieuw zeer ernstige feiten pleegt daarom nog groot genoeg in om oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden noodzakelijk te doen zijn.\n\nIn hoger beroep heeft verdachte opnieuw verklaard zich aan de door de reclassering voorgestelde voorwaarden te zullen houden, mocht het hof die voorwaarden stellen.\n\nHet hof zal vaststellen dat de tbs met voorwaarden ingegaan is op 7 juni 2024, nu de rechtbank deze maatregel en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar heeft verklaard.\n\nVordering van de benadeelde partijen\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van de benadeelde partijen het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nDe vordering van [benadeelde 1]\n\nMateriële schade\n\nTen aanzien van de gestelde materiële schade(bedragen) overweegt de rechtbank het volgende.\n\nKosten voor lijkbezorging\n\nDe schade voor zover die betrekking heeft op de kosten voor lijkbezorging komt voor vergoeding in aanmerking. Deze schade is veroorzaakt door het handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft de hoogte van dit schadebedrag voldoende onderbouwd en de verdediging heeft deze schade niet weersproken. Nu de benadeelde partij geen bedrag heeft gevorderd voor de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de ring met vingerafdruk (as-sieraad), maar enkel voor de kosten van de urn, zal het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 769,01 in zijn geheel worden toegewezen.\n\nKosten verblijf ziekenhuis\n\nDe rechtbank overweegt dat het hier geen verplaatste schade betreft, maar schade die de moeder van [slachtoffer] stelt zelf te hebben geleden ten gevolge van het handelen van verdachte. De moeder en zus van [slachtoffer] behoorden tot de kring van directe naasten van [slachtoffer] . Gelet op de toestand waarin [slachtoffer] verkeerde als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit jegens haar, acht de rechtbank het voorstelbaar en redelijk dat haar moeder en zus in de directe nabijheid van [slachtoffer] wilden zijn. De moeder van [slachtoffer] heeft daarvoor reis- en verblijfskosten moeten maken. Ten aanzien van de gevorderde kosten die zijn gemaakt voor eten en drinken tijdens het verblijf in het ziekenhuis (€ 141,26) en de reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt van en naar het ziekenhuis (€ 845,76) geldt dat zij voldoende zijn onderbouwd en in rechtstreeks verband staan tot de door verdachte gepleegde strafbare feiten, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen. De omstandigheid dat de benadeelde partij een hotelverblijf heeft geboekt en vervolgens heeft geannuleerd, omdat zij bij nader inzien toch liever in haar vertrouwde omgeving wilde slapen, dient volgens de rechtbank niet voor rekening van verdachte te komen. De vordering ten aanzien van deze post (€ 260,-) zal daarom worden afgewezen.\n\nToekomstige schade\n\nDe rechtbank is van oordeel dat voor de post die ziet op de toekomstige schade (€ 5.000. -) geldt dat op geen enkele wijze is onderbouwd waaruit deze kosten zouden bestaan. Daarmee staat ook onvoldoende vast dat deze kosten daadwerkelijk gemaakt zullen worden. De rechtbank zal de vordering op dit punt afwijzen.\n\nImmateriële schade (affectieschade)\n\nHet vorderen van affectieschade in het strafproces is sinds 1 januari 2019 mogelijk voor de in artikel 6:108, vierde lid, BW genoemde naasten van een door een misdrijf overleden slachtoffer. De vergoeding ziet op het leed en verdriet dat nabestaanden is aangedaan. De wetgever heeft in het Besluit vergoeding affectieschade (hierna: het Besluit) per categorie nabestaanden vaste bedragen opgenomen. De ouders van een door misdrijf overledene komen op grond van artikel 6:108, lid 4 sub c BW in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. De hoogte van de door de moeder van [slachtoffer] gevorderde schadevergoeding (€ 17.500,-) is in overeenstemming met het Besluit en zal door de rechtbank worden toegewezen.[…]\n\nConclusie\n\nAl met al betekent dit dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden materiële en immateriële schade (affectieschade) tot een totaalbedrag van € 19.256,03 zal toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.\n\nVeroordeling in de kosten\n\nVerdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het (als vergoeding voor immateriële en materiële schade samen toe te wijzen) bedrag van € 19.256,03, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.[…]\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de\n\nbenadeelde partij [benadeelde 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.\n\nDe vordering van [benadeelde 1] (in hoedanigheid van erfgenaam)\n\nDe benadeelde partij vordert hier schade van het [slachtoffer] en doet dit in haar hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] . De raadsman heeft betwist dat zij erfgenaam is. De advocaat van de benadeelde partij heeft laten weten dat er geen stukken zijn waaruit blijkt dat de benadeelde partij erfgenaam is, maar dat verdachte zelf een onwaardige erfgenaam is op grond van artikel 4:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\nDe rechtbank overweegt dat op dit moment niet kan worden vastgesteld dat [benadeelde 1] de hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] heeft. Ook dat verdachte een onwaardige erfgenaam is, kan nu niet worden vastgesteld omdat daarvoor een onherroepelijke veroordeling ter zake van het ombrengen van de overledene vereist is. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in haar vordering en bepalen dat deze bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nDe vordering van [benadeelde 2]\n\nMateriële schade (kosten voor lijkbezorging)\n\nTen aanzien van de schadepost ‘kosten voor lijkbezorging’ overweegt de rechtbank dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt. Deze schade is veroorzaakt door het handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft de hoogte van dit schadebedrag voldoende onderbouwd en de verdediging heeft deze schade niet weersproken. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 4.226,46 zal in zijn geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.\n\nToekomstige schade\n\nDe rechtbank is van oordeel dat voor de post die ziet op de toekomstige schade (€ 5.000. -) geldt dat op geen enkele wijze is onderbouwd waaruit deze kosten zouden bestaan. Daarmee staat ook onvoldoende vast dat deze kosten daadwerkelijk gemaakt zullen worden. De rechtbank zal de vordering op dit punt afwijzen.\n\nVeroordeling in de kosten\n\nVerdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 2] aan\n\nverdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag van € 4.226,46, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.[…]\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de\n\nbenadeelde partij [benadeelde 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.\n\nHet hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nAanvullend overweegt het hof dat het, anders dan de rechtbank, het aantal dagen gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel op nul dagen zal vaststellen, nu een eventuele gijzeling de door het hof noodzakelijk geachte en voortdurende behandeling op een onwenselijke manier zal kunnen doorkruisen.\n\nBeslag\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van het beslag het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nBlijkens een \"Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met\n\nstrafrechtelijke beslagtitel' van 21 september 2023 is beslag gelegd op:\n\n1 1 STK GSM. grijs, merk: Cat, nummer G3080002;\n\n2 1 STK GSM. inclusief hoesje, zwart, merk: ONEPLUS, nummer G3080001;\n\n3 1 STK Harddisk, inclusief USB kabel, merk: Lacie, nummer G3094287;\n\n4 1 STK GSM. inclusief hoesje, WIT, nummer G3094294;\n\n5 1 STK Harddisk. Zwart, merk: Intenso, nummer G3094298:\n\n6 1 STK Harddisk, incl. adapter. Zwart, merk: Medion, nummer G3094301;\n\n7 1 STK Computer, incl. oplader. Zwart, merk: Lenovo, nummer G3094308;\n\n8 1 STK Computer, incl. lader en usb. Grijs, merk: Dell, nummer G3094297;\n\n9 1 STK Computer, met adaptor\u002Fzonder accu, merk: Acer, nummer G3094307;\n\n10 1 STK Harddisk, Zwart, merk: Medion, nummer G3094282;\n\n11 1 STK Videorecorder, met voedingstekker. Zwart, nummer G3080651:\n\n12 1 STK Shirt, zwart, nummer G3080069;\n\n13 1 STK Trui. Grijs, nummer G3080065;\n\n14 1 STK Broek, blauw, nummer G3080052;\n\n15 1 STK Broek, blauw, nummer G30800I 8;\n\n16 1 STK Ondergoed, zwart, nummer G3080020;\n\n17 1 STK Geldkist, nummer G3093980;\n\n18 1 STK Stroomstootwapen, nummer G3093924;\n\n19 1 STK Medicijn, nummer G3080025;\n\n20 1 STK Kwitantieboekje, zat in geldkist, nummer G3121632.\n\n(…)\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank zal het in beslag genomen stroomstootwapen, hierboven genoemd onder 18, onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Dit voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten aangetroffen. Het in beslag genomen voorwerp kan bovendien dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.\n\nTeruggave aan de rechthebbende(n)\n\nDe rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen voorwerpen zoals hiervoor omschreven onder 1 tot en met 17, 19 en 20 aan degene(n) die redelijkerwijs als rechthebbende(n) van deze voorwerpen kan\u002Fkunnen worden aangemerkt.\n\nHet hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. In aanvulling hierop overweegt het hof het volgende.\n\nBlijkens het dossier is ook een alarmpistool, goednummer G3093927, inbeslaggenomen. Het hof zal deze onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang en kan bovendien dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:\n\n1. Verdachte zal meewerken aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat verdachte:\n\n* zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt waar en hoe vaak dat nodig is;\n\n* zich houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;\n\n* de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is, die nodig is\n\nvoor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;\n\n* meewerkt aan huisbezoeken;\n\n* inzicht geeft aan de reclassering in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door\n\nandere instellingen of hulpverleners;\n\n* zich niet op een ander adres vestigt zonder toestemming van de reclassering;\n\n* meewerkt aan en het geven van toestemming voor het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n2. Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.\n\n3. Verdachte laat zich opnemen in Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) [locatie] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, zal verdachte meewerken aan de indicatiestelling of plaatsing.\n\n4. Verdachte laat zich - na afloop van de klinische behandeling - behandelen door een forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding. Het innemen van medicatie kan onderdeel zijn van de begeleiding.\n\n5. Verdachte verblijft - na afloop van de klinische behandeling - in een nader te bepalen instelling voor beschermd\u002Fbegeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor\n\nhem heeft opgesteld.\n\n6. Als de reclassering dat nodig acht en verdachte daarmee instemt, zal verdachte voor een time-out worden opgenomen in Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) [locatie] of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.\n\n7. Verdachte gebruikt geen drugs en alcohol en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt door middel van urine- en ademonderzoek (blaastest). De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.\n\n8. Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van (on)betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\n9. Verdachte geeft inzicht in zijn financiële situatie en conformeert zich aan de afspraken die met de reclassering worden gemaakt ten aanzien van zijn financiën.\n\n10. Verdachte geeft openheid omtrent zijn sociale contacten met betrekking tot familie, vrienden en kennissen.\n\nGeeft de reclassering opdracht aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.\n\nHeft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.\n\nBeveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nBeveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van het arrest onderworpen is geweest aan de dadelijk uitvoerbaar verklaarde terbeschikkingstelling met voorwaarden bij de uitvoering van de opgelegde terbeschikkingstelling met voorwaarden in mindering zal worden gebracht.\n\nLegt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.\n\nBeveelt de onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n1. STK Stroomstootwapen, nummer G3093924;\n\n1. STK Alarmpistool, nummer G3093927.\n\nGelast de teruggaveaan de rechthebbende(n) van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n1. STK GSM. grijs, merk: Cat, nummer G3080002;\n\n1. STK GSM. inclusief hoesje, zwart, merk: ONEPLUS, nummer G3080001;\n\n1. STK Harddisk, inclusief USB kabel, merk: Lacie, nummer G3094287;\n\n1. STK GSM. inclusief hoesje, WIT, nummer G3094294;\n\n1. STK Harddisk. Zwart, merk: Intenso, nummer G3094298:\n\n1. STK Harddisk, incl. adapter. Zwart, merk: Medion, nummer G3094301;\n\n1. STK Computer, incl. oplader. Zwart, merk: Lenovo, nummer G3094308;\n\n1. STK Computer, incl. lader en usb. Grijs, merk: Dell, nummer G3094297;\n\n1. STK Computer, met adaptor\u002Fzonder accu, merk: Acer, nummer G3094307;\n\n1. STK Harddisk, Zwart, merk: Medion, nummer G3094282;\n\n1. STK Videorecorder, met voedingstekker. Zwart, nummer G3080651:\n\n1. STK Shirt, zwart, nummer G3080069;\n\n1. STK Trui. Grijs, nummer G3080065;\n\n1. STK Broek, blauw, nummer G3080052;\n\n1. STK Broek, blauw, nummer G30800I 8;\n\n1. STK Ondergoed, zwart, nummer G3080020;\n\n1. STK Geldkist, nummer G3093980; 1 STK Medicijn, nummer G3080025;\n\n1. STK Kwitantieboekje, zat in geldkist, nummer G3121632.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 19.256,03 (negentienduizend tweehonderdzesenvijftig euro en drie cent) bestaande uit € 1.756,03 (duizend zevenhonderdzesenvijftig euro en drie cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.256,03 (negentienduizend tweehonderdzesenvijftig euro en drie cent) bestaande uit € 1.756,03 (duizend zevenhonderdzesenvijftig euro en drie cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgename van [slachtoffer]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgename van [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.226,46 (vierduizend tweehonderdzesentwintig euro en zesenveertig cent) ter zake van materiële schade.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.226,46 (vierduizend tweehonderdzesentwintig euro en zesenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. J.A.M. Kwakman, voorzitter,\n\nmr. J. Hielkema en mr. E.C.M. Wolfert, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. I.I. Buitenhuis, griffier,\n\nen op 9 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n Hoge Raad 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:2164","2026-07-13T00:28:52.668Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":43,"courtId":93,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":51,"updatedAt":98},"1838","ECLI:NL:RBROT:2025:15805","ecli-nl-rbrot-2025-15805",61,"2025-03-28T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 2\n\nParketnummer: 10-155418-24\n\nDatum uitspraak: 28 maart 2025\n\nTegenspraak\n\nVerkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres\n\n [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,\n\nten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in\n\nde Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] ,\n\nraadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.1. Onderzoek op de terechtzitting\n\nGelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 maart 2025.2. Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op\n\nde terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.\n\nDe tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.3. Procesafspraken\n\nHet Openbaar Ministerie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, hebben op 3 maart 2025 een overeenkomst gesloten waarbij procesafspraken zijn gemaakt over de afdoening van deze strafzaak. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming daarvan. De procesafspraken zijn voorafgaand aan de zitting naar de rechtbank gestuurd.\n\nOp zitting hebben de verdachte en de officier van justitie bevestigd dat het - voor zover relevant - gaat om de volgende afspraken:\n\nhet Openbaar Ministerie zal bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde vorderen;\n\nhet Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting een gevangenisstraf van 38 maanden vorderen met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 100.000,=;\n\nde verdachte\u002Fde verdediging ziet af van het indienen van onderzoekswensen, zal geen bewijsverweren voeren en doet afstand van alle inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen;\n\ndoor de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte\u002Fde verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken en de verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken.\n\nTijdens de zitting heeft de rechtbank de gemaakte afspraken met de verdachte, zijn raadsman en de officier van justitie, mr. B.J.G. Leeuw, besproken. De verdachte heeft vervolgens verklaard dat hij betrokken is geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken en dat hij goed begrijpt wat de gemaakte afspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak kunnen hebben.\n\nOordeel rechtbank\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Ook is sprake van een eerlijk proces en wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het EVRM stelt. De beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering in deze strafzaak is leidend. Die beantwoording volgt hierna.4. Bewijs\n\nStandpunt officier van justitie\n\nDe officier van justitie mr. B.J.G. Leeuw heeft gevorderd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging refereert zich voor de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank, voor zover dit aansluit bij de inhoud van de gemaakte procesafspraken.\n\nBewezenverklaring\n\nDe overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage, met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:\n\n1.\n\nhij in of omstreeksde periode van 29 januari 2021 tot en met 8 maart 2021te Rotterdam, althansin Nederland, tezamen en in vereniging met(een)ander(en),althans alleen (van)\n\neen voorwerp, althans een of meervoorwerpen, te weten:\n\n- een contant geldbedrag van € 499.900,- op 3 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 1.065.000,- op 5 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 1.000.000,- op 13 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 267.000,- op 24 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 721.350,- op 25 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 384.900,- op 1 maart 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 855.000,- op 6 maart 2021;sub a\n\n- de werkelijke aard, de herkomst de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)sub b\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,en\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt,terwijl hij, verdachte, en\u002Fofzijn mededader(s)wist(en)datdat\u002Fdie voorwerp(en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstigwas\u002Fwaren uit enig misdrijf en hij, verdachte en\u002Fofzijn mededader(s)van het plegen van witwassen een gewoonteheeft\u002Fhebben gemaakt.\n\n2.\n\nhij op of omstreeks4 december 2024 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\nongeveer 49,3kilogram cocaïne,in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,zijndecocaïneeen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.,\n\ndan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.5. Strafbaarheid feiten\n\nDe bewezen feiten leveren op:\n\n1.\n\nmedeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken;\n\n2.\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van\n\nde feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.6. Strafbaarheid verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.7. Strafmotivering\n\nEis officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft een gevangenisstraf geëist voor de duur van 38 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 100.000,=, subsidiair 365 dagen hechtenis.\n\nStandpunt verdediging\n\nDe verdediging verzoekt primair de rechtbank om de procesafspraken op het punt van de gevorderde gevangenisstraf te volgen en om de gevorderde geldboete met 25% te matigen.\n\nSubsidiair verzoekt de verdediging de procesafspraken - en daarmee de eis van de officier van justitie - te volgen.\n\nOordeel rechtbank\n\nDe straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten,\n\nde omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten en straffen in soortgelijke zaken\n\nDe verdachte heeft in zijn woning en de daarbij behorende berging ruim 49,3 kilogram cocaïne voorhanden gehad. Daarnaast heeft hij zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het (gewoonte)witwassen van grote contante geldbedragen. Cocaïne vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Verdovende middelen zijn verslavend en kunnen de gezondheid schaden. Bovendien hangt het gebruik van en de handel in en verspreiding van verdovende middelen samen met allerlei bijkomende vormen van schadelijke en overlastgevende (zware) criminaliteit.\n\nHet witwassen van crimineel geld faciliteert de onderliggende criminaliteit en tast het vertrouwen aan dat men moet kunnen hebben in het financieel-economische verkeer. Daarmee wordt ook het legale handelsverkeer ondermijnd en gecorrumpeerd. Bij de bepaling van de soort en duur van de straffen heeft de rechtbank ook rekening gehouden\n\nmet straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 20 februari 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit betekent dat het strafblad niet strafverzwarend meeweegt. In strafverminderende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte geen sturende rol had binnen de organisatie en op de zitting openheid van zaken heeft gegeven.\n\nConclusies\n\nAlles afwegend, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. Het primaire verzoek van de raadsman zal daarom worden afgewezen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.8. In beslag genomen voorwerpen\n\nTer zitting heeft de verdachte bevestigd dat hij afstand heeft gedaan van alle onder hem in beslag genomen goederen.\n\nDit brengt met zich dat er binnen deze procedure geen beslag meer ligt waarover de rechtbank een beslissing moet nemen.9. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nGelet is op de artikelen 23, 24c, 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.10. Bijlage\n\nDe in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.11. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 (achtendertig) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nveroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 100.000,= (honderdduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 365 (driehonderd-vijfenzestig dagen) hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,\n\nen mr. H. Wielhouwer en mr. J.C. Oord, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting op 28 maart 2025.\n\nDe oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I\n\nTekst gewijzigde tenlastelegging\n\nAan de verdachte wordt ten laste gelegd dat\n\n1.\n\nhij in of omstreeks de periode van 29 januari 2021 tot en met 8 maart 2021 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (van)\n\neen voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten:\n\n- een contant geldbedrag van € 499.900,- op 3 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 1.065.000,- op 5 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 1.000.000,- op 13 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 267.000,- op 24 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 721.350,- op 25 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 384.900,- op 1 maart 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 855.000,- op 6 maart 2021;\n\nsub a\n\n- de werkelijke aard, de herkomst de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\nsub b\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat dat\u002Fdie voorwerp(en) -\n\nonmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf en hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft\u002Fhebben gemaakt.\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 4 december 2024 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\nongeveer 49,3kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,\n\ndan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15805","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:41.277Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":103,"fullText":104,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":51,"updatedAt":106},"1208","ECLI:NL:GHARL:2025:1430","ecli-nl-gharl-2025-1430","2025-03-12T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003130-22\n\nUitspraak van 12 maart 2025\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 19 juli 2022 met parketnummer 05-780013-20 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1978,\n\nwonende te [adres] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft daarnaast kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,\n\nmr. E. Manders, naar voren is gebracht.\n\nVerder heeft het hof kennisgenomen van hetgeen naar voren is gebracht door de advocaat van de benadeelde partijen, mr. P.M. Breukink.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nVerdachte is door de rechtbank vrijgesproken van alle ten laste gelegde vormen van betrokkenheid bij de dood van zijn partner [slachtoffer] .\n\nDe rechtbank heeft – kort gezegd – geoordeeld dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van het door verdachte samendrukken van haar hals. De rechtbank heeft echter overwogen dat aannemelijk is geworden dat verdachte geen opzet heeft gehad op het overlijden van [slachtoffer] , ook niet in voorwaardelijke zin, en dat sprake is geweest van een ongeluk.\n\nDe benadeelde partijen, [moeder slachtoffer] en [dochter slachtoffer] , de moeder respectievelijk de dochter van [slachtoffer] , zijn als gevolg van deze integrale vrijspraak in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHet hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:\n\nprimair hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door op het hoofd en\u002Fof de hals en\u002Fof de borst van die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld\u002Fgeweldshandeling(en) toe te passen\u002Fuit te oefenen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;\n\nsubsidiair hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door op het hoofd en\u002Fof de hals en\u002Fof de borst van die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld\u002Fgeweldshandeling(en) toe te passen\u002Fuit te oefenen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;\n\nmeer subsidiair hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten kneuzingen aan het hoofd, halsspierbloedingen en\u002Fof uitgebreide stuwingsverschijnselen, heeft toegebracht, door op het hoofd en\u002Fof de hals en\u002Fof de borst van die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld\u002Fgeweldshandeling(en) toe te passen\u002Fuit te oefenen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;\n\nmeest subsidiair hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, op het hoofd en\u002Fof de hals en\u002Fof de borst van deze [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld\u002Fgeweldshandeling(en) heeft toegepast\u002Fuitgeoefend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.\n\nStandpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. Hij heeft daarom vrijspraak gevorderd van de primair ten laste gelegde moord.\n\nHij heeft betoogd dat wel bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde doodslag.\n\nHij heeft daartoe aangevoerd dat uit de deskundigenrapportages volgt dat het slachtoffer door samendrukkend geweld op de hals, ook wel: verwurging, om het leven is gekomen.\n\nNu verdachte de enige persoon is die bij het slachtoffer aanwezig was in het tijdsbestek waarin het fatale letsel moet zijn ontstaan, gaat de advocaat-generaal ervan uit dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft gewurgd.\n\nDe advocaat-generaal acht de verklaringen van verdachte en het door hem geschetste alternatieve scenario niet alleen onvoldoende om het letsel te verklaren maar ook volstrekt ongeloofwaardig. Bij gebreke van een aannemelijke verklaring van verdachte moet volgens de advocaat-generaal worden geconcludeerd dat het verwurgen van het slachtoffer zodanig op de dood gericht is geweest dat het niet anders kan dan dat verdachte dat gevolg willens en wetens heeft aanvaard.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het slachtoffer opzettelijk om het leven heeft gebracht.\n\nDe combinatie van extreme GHB-intoxicatie, een fysieke interactie waarbij verdachte probeerde zijn partner in bedwang te houden en de daarmee gepaard gaande mogelijkheid van een verstikkingshouding, maken het scenario aannemelijk dat sprake is geweest van een ongeluk.\n\nBovendien ontbreken objectieve aanknopingspunten die duiden op een motief voor verdachte om het slachtoffer te doden en het door hem gepleegde geweld vervolgens te verhullen, aldus de raadsman.\n\nDe verklaring van verdachte\n\nVerdachte is op 9 april, 13 april, 14 april, 15 april, 14 mei, 29 mei, 23 juli en 24 juli 2020 en op 20 april 2021 door de politie verhoord.\n\nOp de zitting van de rechtbank op 16 juni 2022 heeft verdachte voor het eerst een verklaring afgelegd over de momenten waarop hij het slachtoffer voor het laatst in leven heeft gezien. Hij heeft deze verklaring op de zitting van het hof van 6 februari 2025 herhaald en op sommige punten aangevuld.\n\nDe verklaring van verdachte houdt in de kern het volgende in.\n\nVerdachte en het slachtoffer hebben vanaf zondag 5 april 2020 tot donderdag 9 april 2020 samen veel drugs (GHB en amfetamine), lachgas en alcohol gebruikt en weinig geslapen. Zij deden dit in “de kantine”, zoals zij een ruimte in hun woning aan [straat] in [plaats] noemden.\n\nOp 9 april 2020 zag verdachte op een gegeven moment dat het slachtoffer voor hem op de grond zat en dat zij “bijna outging”, waarmee verdachte bedoelt dat zij heel erg druk was, begon te blazen en te kreunen, onsamenhangend sprak en alsmaar extra GHB wilde pakken.\n\nVerdachte wilde het slachtoffer tegen zichzelf in bescherming nemen. Om te voorkomen dat zij opnieuw GHB zou innemen, heeft hij haar toen beetgepakt. Verdachte deed dit door van de bank op te staan, naar beneden te reiken om het op dat moment nog op de grond zittende slachtoffer van achteren met zijn armen rond haar middel en om haar armen te omklemmen, haar tegen zich aan omhoog te trekken en, nadat hij zelf in zittende houding op de bank was gekomen, haar op de bank te leggen.\n\nTijdens deze handelingen hield verdachte het slachtoffer omklemd omdat zij bleef tegenstribbelen, wild om zich heen sloeg en opnieuw GHB wilde pakken.\n\nVerdachte is vervolgens op de bank in slaap gevallen terwijl hij, denkt hij, het slachtoffer nog altijd vasthield. Hij heeft op dat moment niet gezien dat zij in slaap viel. Verdachte heeft verklaard dat hij zich kan voorstellen dat zijn arm tijdens het op de bank trekken van het slachtoffer in de richting van haar hals is verschoven, waarbij haar hoofd plotseling dan wel geleidelijk met de nodige kracht naar achteren is getrokken waardoor hyperextensie is veroorzaakt die enige tijd heeft aangehouden, zoals door de rechtbank is overwogen. Hierdoor zouden de halsspierbloedingen en de stuwingsverschijnselen dan zijn ontstaan. Verdachte heeft aan het naar boven verschuiven van zijn arm richting de hals van het slachtoffer echter geen herinnering.\n\nToen verdachte wakker werd, is hij naar de wc gegaan. Toen hij daarvan terugkwam, probeerde hij het slachtoffer wakker te maken. Toen zij niet reageerde, maakte verdachte zich in eerste instantie nog geen zorgen omdat hij dacht dat ze nog outwas (waarmee hij in deze context bedoelt dat zij sliep door de GHB).\n\nVerdachte heeft het slachtoffer opgepakt en heeft haar vervolgens naar de slaapkamer getild, omdat hij weg wilde uit het “junkenhok” zoals hij de kantine op dat moment typeerde.\n\nToen verdachte het slachtoffer optilde, merkte hij dat ze koud en klam was en niet meewerkte. Ook reageerde ze niet op pijnprikkels.\n\nNadat verdachte haar naar de slaapkamer had gebracht en haar op het bed had gelegd, zag hij dat het slachtoffer er “rood, blauw of misschien wel paars” uitzag en constateerde hij voor het eerst dat ze letsel aan haar hoofd had en dat er bloed uit haar neus kwam.\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij denkt dat het slachtoffer, nadat hij haar had beetgepakt en op de bank had gelegd, op enig moment wakker is geworden, opnieuw GHB heeft gepakt en mogelijk “laveloos tegen een muur aan is gelopen”. Verdachte vermoedt dat de letsels aan het gezicht op dat moment zijn ontstaan, maar hij weet dat niet zeker.\n\nVerdachte heeft het slachtoffer mond-op-mondbeademing gegeven. Toen dat geen effect had, realiseerde hij zich dat het “foute boel” was en dat het slachtoffer mogelijk was overleden. Verdachte is toen gedurende enige tijd naast haar gaan liggen en heeft afscheid van haar genomen. Ook heeft hij haar omgekleed, het bed verschoond, de wasmachine aangezet en de kantine opgeruimd. Daarna heeft verdachte eerst zijn ouders en vervolgens het alarmnummer gebeld.\n\nBewijsmiddelen\n\nInleiding\n\nNiet ter discussie staat dat verdachte en het slachtoffer dagen achter elkaar (vanaf zondag 5 april 2020 tot en met donderdag 9 april 2020) samen veel drugs (in het bijzonder amfetamine en grote hoeveelheden GHB) en daarnaast (veel) lachgas hebben gebruikt.\n\nIn de avond van woensdag 8 april 2020 en in de nacht van woensdag 8 op donderdag 9 april 2020 hebben beiden ook alcohol gedronken.\n\nDit gebruik heeft plaatsgevonden in één van de ruimtes in de woning aan [straat] in [plaats] , in het proces-verbaal aangeduid als “de kantine”.\n\nUit de verklaringen van verdachteen de bevindingen van het onderzoek aan de telefoon van het slachtoffervolgt dat zij op woensdag 8 april 2020 nog in leven was.\n\nHet hof zal daarom hierna enkel ingaan op de (relevante) gebeurtenissen van ná 8 april 2020.\n\nFeiten en omstandigheden op donderdag 9 april 2020\n\nUit onderzoek aan de telefoon van het slachtoffer (een Samsung Galaxy S10) volgt dat daarmee – voor zover relevant – op donderdag 9 april 2020 de volgende handelingen zijn verricht:\n\n- om 00.00 uur is een WhatsAppbericht gelezen;\n\nom 02.11 uur is het toestel ontgrendeld, en is onder andere de Marktplaatsapplicatie gebruikt;\n\nom 09.09 uur registreerde de telefoon surfgedrag dat gekoppeld is aan de activiteitentijdslijn van Google;\n\nom 12.43 uur is het toestel uitgeschakeld door handelen van de gebruiker. Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer haar telefoon zelf heeft uitgezet omdat zij geen zin had om [naam] [het hof begrijpt: haar ex-partner, [naam] ]te woord te staan die op dat moment belde;\n\nom 18.09 uur is het toestel weer ingeschakeld;\n\ntussen 18.47 uur en 18.53 uur is er in totaal negen keer een foutief toestelwachtwoord opgegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment probeerde in de telefoon van het slachtoffer te komen zodat hij het nummer van de huisarts kon opzoeken.\n\nOp 9 april 2020 tussen 18.56 uur en 19.20 uur is op de laptop (een Apple MacBook) via Googlegezocht naar de zoekterm “huisarts [plaats] ”.Verdachte heeft verklaard dat hij degene is geweest die deze handeling heeft verricht.\n\nOp 9 april 2020 om 19.14 uur heeft verdachte met de vaste telefoonlijn naar huisarts [huisarts 1] gebeld.Verdachte belde naar eigen zeggen voor advies naar de huisarts, nadat hij had geconstateerd dat het slachtoffer niet meer reageerde, ook niet op pijnprikkels, en dat zij er “rood, blauw of misschien wel paars” uitzag en koud was. Verdachte heeft de huisarts niet gesproken.\n\nUit de verklaring van verdachte volgt verder dat hij zag dat er bloed op het shirt van het slachtoffer zat. Hij heeft het shirtje en broekje van het slachtoffer vervolgens uitgetrokken, een ander shirt en een ander broekje gepakt en deze bij haar aangedaan. Tijdens het omkleden voelde het slachtoffer volgens verdachte “hard”, “klam” en “heel stijf”, en het was alsof zij “tegendruk” gaf.\n\nDe politie heeft geconstateerd dat er over de rand van de wasmand een wit topje en een kussensloop hingen. Aan de voorzijde van het topje zat bloed.\n\nOok zag verdachte dat er bloed op het onderlaken van het bed zat. Hij heeft het beddengoed daarom in de wasmachine gedaan en de wasmachine aangezet.\n\nDe politie heeft geconstateerd dat de wasmachine ingeschakeld was. De stand van de wasmachine stond op: “Snel & Mix” en “40 graden”, de status stond op “einde”.\n\nDe wasmachine was gevuld met een theedoek, een kussensloop, een dekbedovertrek, een gastendoekje en drie hoeslakens. De goederen voelden vochtig aan.\n\nVerder heeft verdachte verklaard dat hij na het omkleden van het slachtoffer en het verschonen van het beddengoed in afwachting van de ouders van [slachtoffer] en de politie nog wat heeft opgeruimd door de gebruikte lachgasballonnen en wat andere rommel onder de bank in de kantine te schuiven.\n\nDoor de medewerkers van de afdeling Forensische Opsporing is onderzoek in de woning aan [straat] verricht. Op een aantal foto’s die naar aanleiding van dit onderzoek in de garage van de woning zijn gemaakt, is een lachgas-cilinder zichtbaar. Die cilinder was afgedekt met een doek. De wijze van aantreffen maakte op de verbalisant een zorgvuldig opgeruimde indruk waarvoor de tijd was genomen.\n\nVijftig minuten nadat verdachte het nummer van de huisarts had opgezocht (maar deze niet had gesproken), om 20.04 uur, heeft verdachtezijn ouders gebeld.Hij heeft verklaard dat hij op dat moment al wist dat het slachtoffer was overleden.\n\nOmstreeks 20.05 uur heeft verdachte gebeld naar het alarmnummer 112. Tijdens het gesprek met de centralist van de meldkamer heeft verdachte gezegd dat zijn vrouw raar deed, dat ze heel slecht ademde en dat het leek alsof ze blauw zag. Verder heeft verdachte gezegd dat ze buiten bewustzijn leek en dat hij haar middenrif niet meer op en neer zag gaan.\n\nOm 20.08 uur kreeg getuige [getuige] als burgerhulpverlener een melding van een reanimatie. Hij is ter plaatse gegaan en liep achter een man aan de woning binnen, naar een kamer waar het helemaal donker was. Naast het bed lag een vrouw op de grond. [getuige] heeft de man gevraagd een lamp aan te doen. Toen hij de reanimatie wilde starten, constateerde hij dat de vrouw ijskoud aanvoelde, dat haar arm stijf was en dat ze een gestuwd bovenlichaam had.\n\nDe politie arriveerde omstreeks 20.15 uur. Zij zagen in de slaapkamer het levenloze lichaam van een vrouw liggen. Van de ambulancemedewerkers hoorden zij dat reanimeren geen zin meer had omdat het slachtoffer al was overleden en koud aanvoelde.\n\nOmstreeks 21.30 uur arriveerde de huisarts [huisarts 2] . Na onderzoek aan het slachtoffer deelde de huisarts mee dat hij gelet op het aantal bevindingen geen verklaring van natuurlijk overlijden wilde afgeven en hij de zaak wilde overdragen aan een forensisch arts.\n\nOp 9 april 2020 omstreeks 22.00 uur is door de politie forensisch onderzoek verricht. De verbalisanten zagen dat het slachtoffer forse stuwing in het gezicht en de hals vertoonde. Verder zagen zij dat er bloed in het rechterneusgat zichtbaar was en dat er twee bloedspoortjes vanaf de neus naar het rechteroor liepen. Ook zagen de verbalisanten in de huid van het hoofd petechiae (puntbloedingen) en vibices (puntvormige veranderingen).\n\nDe verbalisanten constateerden dat de temperatuur van het slachtoffer op 9 april 2020 omstreeks 23.30 uur 27.3 °C bedroeg bij een omgevingstemperatuur van 18.0 °C.\n\nBij een afname van ongeveer 10.0 °C, uitgaande van een normale lichaamstemperatuur van 37.0 °C, zou het postmortale interval volgens de verbalisanten zeer waarschijnlijk aanzienlijk groter zijn dan de tijd tussen de melding van het overlijden en het uitvoeren van de meting.\n\nOp basis van de gemeten temperatuur van het slachtoffer, de omgevingstemperatuur en het geschatte gewicht van het slachtoffer, is geconcludeerd dat het tijdstip van overlijden hoogstwaarschijnlijk tussen donderdag 9 april 2020 om 05.30 uur en donderdag 9 april 2020 om 14.30 uur heeft gelegen.\n\nHet slachtoffer is geïdentificeerd als [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1980.\n\nForensische bevindingen\n\nOp 10 april 2020 omstreeks 01.18 uur heeft schouwarts [schouwarts] in het bijzijn van de politie een lijkschouw verricht. Bij deze schouw werden diverse hematomen en huidbeschadigingen op de linkerzijde van het voorhoofd en bij de haargrens geconstateerd.\n\nDaarnaast vertoonde het gelaat forse stuwing en had het slachtoffer petechiae in de slijm-\u002Fbindvliezen van beide ogen, in het oogwit van het linkeroog en in de slijmvliezen in de mond.\n\nOp 11 april 2020 heeft patholoog dr. [patholoog 1] (hierna: [patholoog 1] ) samen met patholoog [patholoog 2] sectie verricht op het lichaam van het slachtoffer. De voorlopige conclusie naar aanleiding van deze sectie houdt in dat het intreden van de dood van het slachtoffer verklaard kan worden door het volgende:\n\n1. Uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (verwurging).\n\nBij de sectie werden inwendige letsels (bloeduitstortingen) in de schuine halsspieren beiderzijds vastgesteld, reikend tot aan beide sleutelbeenderen.\n\nOok werden tekenen van bij leven ontwikkelde stuwing vastgesteld. Deze letsels\u002Fbevindingen zijn ontstaan ten gevolge van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals. Samendrukkend geweld op de hals leidt doorgaans tot zuurstofgebrek in de hersenen (cerebrale hypoxie).\n\n2. ( (Samen)drukken van de mond en neus (smoren).\n\nBij de sectie werden letsels aan de neus en de onderlip vastgesteld. Deze letsels waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld (zoals door stoten, vallen, slaan, tegen iets aankomen), (samen)drukken van de mond en neus (smoren) of een combinatie van voornoemde oorzaken.\n\n3. Mechanische traumatische asfyxie (drukuitoefening op de borst met verstikkingseffecten tot gevolg).\n\nBij de sectie werden uitwendige letsels van de borst vastgesteld. Deze letsels waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend, mogelijk deels comprimerend geweld en deels zuigend geweld (zuigen aan de borstklieren).\n\nHiermee wordt gedacht aan drukuitoefening (traumatische mechanische compressie) op de borst zoals door stompen, zitten, duwen tegen de borst. Dit kan hebben geleid tot zuurstofgebrek en de dood.\n\nDe combinatie van geweld op de mond\u002Fneus (smoren) en drukuitoefening op de borst (traumatische mechanische compressie) kan gelijktijdig hebben plaatsgehad, ook wel ‘burking’ genoemd.\n\nTeneinde een toxicologische mede-doodsoorzaak of beïnvloeding te onderzoeken, is een toxicologisch onderzoek uitgevoerd.\n\nUit het rapport van toxicoloog drs. [toxicoloog] volgt dat in het lichaamsmateriaal van het slachtoffer de volgende stoffen zijn aangetoond:\n\n Ethanol (alcohol): 0,86 mg\u002Fml in het femoraalbloed.\n\nDe gemeten ethanolconcentratie in het femoraalbloed is een concentratie waarbij, bij een gematigde gebruiker, onder andere opgewektheid, enige ontremming, verhoogde spraakzaamheid, verstoorde waarneming en vertraagde reactietijd kunnen optreden;\n\n GHB: 530 mg\u002Fl.\n\nDe gemeten GHB-concentratie in het femoraalbloed is een hoge concentratie waarbij toxische verschijnselen kunnen optreden, waaronder diepe coma-achtige slaap. Gelijktijdig gebruik van dempende stoffen (GHB en ethanol) leidt tot een sterker dempend effect op het centraal zenuwstelsel dan de stoffen afzonderlijk doen. In dit geval kunnen de effecten van GHB worden versterkt door de aanwezigheid van ethanol;\n\nBenzodiazepinen: diazepam en omzettingsproduct desmethyldiazepam in lage concentraties (0,019 mg\u002Fl en 0,013 mg\u002Fl);\n\nAmfetamine in een lage concentratie.\n\nDe toxicoloog heeft verder het volgende gerapporteerd.\n\nIn het hartbloed is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van salicylzuur (dat is een stof met een pijnstillende, koortsverlagende, ontstekingsremmende werking), maar het is niet met zekerheid in het hartbloed aangetoond. Er zijn geen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van andere geneesmiddelen, drugs en\u002Fof bestrijdingsmiddelen.\n\nDe gemeten GHB-concentratie is volgens de toxicoloog een concentratie die beter past bij GHB-concentraties die zijn gemeten bij personen die zijn overleden aan een GHB-overdosis dan bij GHB-concentraties gemeten bij personen die niet zijn overleden.\n\nDe effecten zijn echter afhankelijk van de mate van gewenning aan GHB. De toxicoloog concludeert dat de GHB-concentratie een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden, onder andere door de dempende werking op de ademhaling en het centraal zenuwstelsel, en kan bij uitsluiting van een meer waarschijnlijke doodsoorzaak het overlijden verklaren.\n\nUit het definitieve sectierapport van 11 september 2020 van patholoog [patholoog 1] volgt onder andere het volgende.\n\nBij sectie werden tekenen van bij leven ontwikkelde stuwingsverschijnselen vastgesteld, met rood-paarse verkleuring van het gelaat en de hals, talrijke puntvormige bloeduitstortingen (petechiae) onderhuids in het gelaat, grotere bloeduitstortingen (ecchymosen) in de bindvliezen en het oogwit boven- en onderwaarts beiderzijds en puntvormige bloeduitstortingen in het tandvlees rechtsboven.\n\nDoorgaans worden stuwingsverschijnselen (petechiae en ecchymosen en rode verkleuring van het gelaat en de hals) opgeleverd door:\n\nbij leven doorgemaakt uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (verwurging). De halsspierbloedingen passen hier ook goed bij;\n\neen plotse (acute) hartdood (maar daar was gezien de sectiebevindingen geen sprake van), en\n\nintensieve reanimatie door medici (maar daar was gezien de verkregen informatie geen sprake van).\n\nBij leven opgelopen samendrukkend geweld op de hals (verwurging) dient, mede gezien de halsspierbloedingen en de uitgebreidheid van de stuwingsverschijnselen, daarom als oorzaak voor de stuwingsverschijnselen te worden overwogen.\n\nIndien dat aan de orde is geweest, wordt verwurging aangewezen als (mede)oorzaak van of als bijdrage aan het overlijden.\n\nMevrouw [patholoog 1] heeft verder gerapporteerd dat, indien er geen sprake is geweest van samendrukkend geweld op de hals (verwurging) als oorzaak van de stuwingsverschijnselen, het volgende als zeldzame, maar niet uitgesloten oorzaak moet worden overwogen (mede gelet op de houding van de overledene (rondom\u002Fkort na het overlijden) en de uitkomsten van het uitgebreid toxicologisch onderzoek).\n\nIn het licht van de omstandigheden dat:\n\nde overledene gezien de uitkomst van het toxicologisch onderzoek bij leven\u002Frondom het overlijden onder invloed van dempende stoffen is geweest (dat, al of niet gecombineerd met de hoofdletsels, tot een verminderd bewustzijn kan hebben geleid);\n\nde overledene in deze toestand mogelijk gedurende een bepaalde tijd in verminderd bewustzijn en in een bepaalde houding heeft gelegen (posturale asfyxie: bijvoorbeeld rugligging of buikligging met omlaag afhangen van het hoofd\u002Fde hals (denk bijvoorbeeld aan met het hoofd langs de rand van een bank of bed, waarmee ook de distributie van lijkvlekken kan worden verklaard; echter de uitgebreidheid van de beiderzijds in de hals vastgestelde bloeduitstortingen past daar niet goed bij)), en\n\ner mogelijk sprake is geweest van gebruik van aspirine (aspirine is niet met zekerheid aanwezig geacht door de toxicoloog; aspirine heeft mede een effect op de bloedplaatjes waardoor bloedverdunning kan zijn ontstaan en daardoor de uitgebreidheid en grootte van de petechiae en ecchymosen (enigszins) kan zijn beïnvloed); kan het gehele beeld van stuwing ook worden verklaard zonder dat er sprake geweest is van samendrukkend geweld (verwurging) als oorzaak.\n\nDe patholoog vat haar bevindingen als volgt samen.\n\nHet intreden van de dood kan goed en volledig worden verklaard op toxicologische gronden, namelijk door de effecten van een hoge concentratie GHB.\n\nHet overlijden kan op grond van de sectiebevindingen echter op traumatische gronden, namelijk door samendrukkend geweld op de hals (verwurging), niet worden uitgesloten.\n\nVanwege het totale beeld van letsels\u002Fbevindingen die bij leven waren ontstaan (waaronder kneuzingen aan het hoofd, de halsspierbloedingen en de uitgebreide stuwingstekenen met onder andere vele petechiën), die niet kunnen worden verklaard op grond van een intoxicatie, gaat voor wat betreft de doodsoorzaak de voorkeur in het onderhavige geval uit naar geweldpleging door een andere persoon door middel van samendrukkend, toesnoerend geweld op de hals bij een zwaar geïntoxiceerd persoon (waarbij GHB-intoxicatie een bijdrage kan hebben gehad).\n\nNaast de hiervoor weergegeven bevindingen heeft de patholoog tijdens de sectie talloze overige letsels vastgesteld:\n\n Letsels hoofd uitwendig (voorhoofd, neus, mond en behaarde hoofd: letsels A,B, CenN):\n\nA: Aan het voorhoofd links en deels aan het behaarde hoofd links waren er 3 letsels\n\nbestaande uit roodbruine tot zwarte huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen met plaatselijk indroging en geringe oppervlakkige\n\nhuidbeschadiging. De grootste was maximaal 2 bij 1,1 centimeter. Wonddateringsonderzoek toonde aan dat dit letsel vitaal was (dus bij leven opgeleverd) met een reactie passend bij een meerdere uren vóór het overlijden ontstaan letsel.\n\nB: Verspreid aan de neus waren circa 14 kleine oppervlakkige huidbeschadigingen\n\nmet roodheid van in de huid gelegen bloeduitstortingen, maximaal circa 0,3 bij 0,1 centimeter.\n\nC: In het slijmvlies van de onderlip (onder de lipriem) en daarnaast rechts waren in\n\ntotaal 3 bloeduitstortingen.\n\nN: Aan het behaarde hoofd links, aan het voorhoofd links, doorlopend tot aan het\n\nlinkeroor voorwaarts, was er letsel met een bepaald patroon. Het betrof een gebied\n\nvan circa 20 bij 7,5 centimeter met daarin circa 37 oppervlakkige krasvormige huidbeschadigingen van circa 4 bij 0,1 centimeter met roodheid van in de huid gelegen bloeduitstortingen. Ze lagen op een onderlinge afstand van circa 0,2-1,4 centimeter en verliepen iets schuin op de lengteas van het lichaam.\n\nWonddateringsonderzoek van dit letsel toonde geen overtuigende kenmerken van vitaal (bij leven opgeleverd) letsel, maar wel lichtmicroscopisch plaatselijk uitgetreden rode bloedcellen (extravasatie van erythrocyten). Macroscopisch\n\nwas bij sectie evident vitaal letsel zichtbaar. De uitkomst van wonddateringsonderzoek van dit letsel is dus niet in lijn met datgene dat\n\nmacroscopisch is vastgesteld (mogelijke oorzaken van deze discrepantie zijn:\n\ninadequate bemonstering van het letsel of rondom het overlijden ontstaan letsel met\n\ndaardoor uitblijven van zichtbare wondreactie). Letsel hoofd inwendig: in relatie met de letsels AenNwas er een uitgebreide bloeduitstorting binnenwaarts in de schedelhuid links, in het botvlies en in een groot deel van de linkerslaapspier.\n\nLetsels romp: er waren aan de borst, buik en de rechter bil enkele huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen, maximaal circa 6,2 bij 2 centimeter.\n\nLetsels hals inwendig: inwendig waren in beide schuine halsspieren in lengterichting verlopende vrijwel over de gehele lengten van die spieren verlopende bloeduitstortingen, reikend tot aan beide sleutelbeenderen en hoog tot onder de kaaklijnen. Ook in de spieren langs en voorwaarts van de halswervels waren enkele bloeduitstortingen.\n\nLetsels ledematen: verspreid aan de ledematen (strek- en buigzijde, zij- en binnenwaarts) waren talloze rode, paarse, blauwe, groene huidverkleuringen en 1 gele huidverkleuring van onderhuidse bloeduitstortingen (hematomen). Wonddateringsonderzoek van letsel aan de strekzijde van de rechteronderarm toonde een vitaal (bij leven ontstaan) letsel met een reactie passend bij meerdere uren vóór het overlijden ontstaan letsel.\n\nDeze letsels zijn volgens de patholoog bij leven ontstaan door uitwendig mechanisch stomp botsend, al of niet drukkend geweld zoals door stoten (vallen, slaan, tegen iets aankomen) en hebben geen rol van betekenis gespeeld bij het intreden van de dood.\n\nTen aanzien van de letsels aan het behaarde hoofd en voorhoofd (letsels AenN), die tot aan de binnenzijde van de schedelhuid en tot in het botvlies van het schedeldak en de linkerslaapspier reikten, heeft de patholoog opgemerkt dat deze letsels bij leven zijn ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend, al of niet tevens drukkend geweld zoals door hevig slaan (al of niet met een voorwerp, zie in dat kader ook het typisch patroon van letselN) of hevig vallen (waarbij gezien letselNhevig vallen op een structuur met een bepaald patroon dient te worden overwogen). Deze letsels hebben niet geleid tot letsels inwendig in de schedelholte en zijn niet van belang voor de dood, maar kunnen wel geleid hebben tot bewustzijnsstoornissen.\n\nIn een aanvullend rapport van 2 februari 2021 heeft de toxicoloog nog het volgende opgemerkt. Op basis van de snelheid van de klaring van GHB [het hof begrijpt: de snelheid waarmee het lichaam het middel verwerkt]past de hoogte van de gemeten concentratie bij een inname in de uren voorafgaand aan het overlijden van het slachtoffer en niet bij een inname van GHB tijdens de dag(en) daarvoor.\n\nNaar aanleiding van nader onderzoek naar de bevindingen van de patholoog en de toxicoloog heeft professor [forensisch patholoog] , forensisch patholoog, in zijn rapport van 16 juni 2021 het volgende geconcludeerd.\n\nZowel GHB als alcohol heeft een cardiorespiratoir onderdrukkend effect [het hof begrijpt: een onderdrukkend effect op het hart en de ademhaling].GHB heeft een nauwe toxische marge en een snel effect na inname. De aangetroffen GHB-concentratie in dit geval is, conform de NFI-rapportage, zeker van dien aard om het overlijden te kunnen verklaren. Er kan aldus worden besloten dat de vastgestelde GHB-concentratie, indien deze al niet fataal was, op zijn minst ernstige symptomen met een indaling van het bewustzijn moet hebben veroorzaakt. De combinatie van de vastgestelde letsels kan op zich de dood veroorzaken volgens de mechanismen van smoring, geweld op de hals, dooddrukking of een combinatie van deze mechanismen. In dit geval kan noch worden uitgesloten, noch worden bewezen, dat deze mechanismen hebben bijgedragen tot de dood. Desalniettemin kan, op basis van de huidige, aan de deskundigen beschikbaar gestelde elementen in het dossier, onvoldoende alternatieve verklaring worden gegeven voor de stuwingsverschijnselen en traumatische letsels, zoals vastgesteld bij de inwendige lijkschouwing.\n\nVerhoren van de deskundigen tijdens de zitting van 14 januari 2022\n\nOp de zitting van de rechtbank van 14 januari 2022 zijn de deskundigen [patholoog 1] , [forensisch patholoog] , [toxicoloog] en [deskundige] zeer uitvoerig gehoord over hun bevindingen. De verklaringen van de deskundigen op de zitting houden – voor zover relevant – het volgende in.\n\nDeskundige [patholoog 1] heeft meermalen benadrukt dat, waar het gaat om de vraag naar de oorzaak van de letsels, naar het geheel van de letsels moet worden gekeken en dat deze niet los van elkaar kunnen worden beoordeeld.\n\nDe verschillende vaststellingen moeten met elkaar in verband worden gebracht om daarvoor een logische, aanvaardbare en in de wetenschappelijke literatuur erkende verklaring te vinden, aldus ook deskundige [deskundige] .\n\nVolgens deskundige [forensisch patholoog] mag de discussie over de oorzaak van de bloedingen in de halsspieren niet los worden gezien van de begeleidende fenomenen, zoals de stuwingsverschijnselen: de betreffende bevindingen moeten samen worden gezien en beoordeeld.\n\nDeskundige [deskundige] heeft verklaard dat de halsspierbloedingen een traumatische oorsprong hebben. Hij meent dat, kijkend naar de forensische literatuur, de meest voorkomende oorzaak van halsspierbloedingen (zoals ze bij het slachtoffer beschreven en vastgesteld zijn) wordt gevormd door samendrukkend of toesnoerend geweld tegen de hals. Bijkomende argumenten zijn de uitgebreide stuwingstekenen in het gelaat. Vaak zijn er puntvormige bloedingen in oogbindvliezen maar in dit geval zijn ook puntbloedingen, petechiën, aangetroffen in de gelaatshuid. Dat wordt niet vaak gezien en wijst op een uitgesproken stuwing, veroorzaakt door hetzelfde mechanisme als waardoor halsspierbloedingen worden veroorzaakt, namelijk het toedrukken van de hals.\n\nDe belangrijkste reden om een stoot, een val of een stomp uit te sluiten is de aanwezigheid van puntbloedingen. Gelet op de combinatie van de halsspierbloedingen met de zeer uitgesproken stuwingsverschijnselen in het gelaat, schuift deskundige [deskundige] samendrukkend of toesnoerend geweld tegen de hals als meest waarschijnlijke oorzaak naar voren, waarbij hij spreekt van hoogst waarschijnlijk, zijnde de hoogste graad van bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Daarbij kan niet gezegd worden of het gaat om strangulatie, een armklem of wurging.\n\nHet kan volgens deskundige [patholoog 1] , gelet op de stuwingsverschijnselen en de bloedingen in de halsspieren, niet zo zijn dat het slachtoffer zichzelf op verschillende plaatsen in de hals heeft gebotst, zichzelf halsspierbloedingen heeft toegebracht of zichzelf heeft gewurgd.\n\nWaar [patholoog 1] in het definitieve sectierapport heeft gesteld dat “de voorkeur in het onderhavige geval uit[gaat] naar geweldpleging door een ander persoon door middel van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals bij een zwaar geïntoxiceerd persoon”, heeft zij ter zitting van de rechtbank, gevraagd naar een mate van waarschijnlijkheid van dit scenario, verklaard: “Iedereen heeft zijn eigen schaal en woorden waarmee hij iets in waarschijnlijkheden wil uitdrukken. Ik denk dat het overduidelijk is wat [deskundige] en ik bedoelen: hoogst waarschijnlijk.”\n\nOver het verband tussen de halsspierbloedingen en stuwingsverschijnselen heeft [patholoog 1] verklaard dat ze de halsspierbloedingen ziet als een onderdeel van geweld op de hals, waarbij ook het substraat van stuwing, in dit geval petechiën en ecchymosen, is ontstaan.\n\nDeskundige [deskundige] heeft hierover verklaard dat de petechiën en de halsspierbloedingen eenzelfde oorzaak hebben, wat ook impliceert dat ze tegelijk of in nauw tijdsverband met elkaar zijn ontstaan.\n\nHij heeft verder verklaard dat op basis van de bloedingen in de hals niet kan worden uitgemaakt hoe krachtig het geweld is geweest. Er kan alleen worden vastgesteld dat er samendrukkend geweld tegen de hals is geweest. De effecten van die toesnoering worden weerspiegeld in de petechiën. Men sterft dus niet aan de petechiën en ook niet aan de halsspierbloedingen, maar men sterft aan de handeling die deze verschijnselen veroorzaken, namelijk het langdurig dichtknijpen van bloedvaten in de hals.\n\nOp basis van de bevindingen kan gezegd worden dat de hals voldoende lang toegeknepen is geweest om een stuwingsfenomeen in het hoofd te veroorzaken. In de literatuur spreekt men van 15 tot 30 seconden als het om geleidelijk drukken gaat; het vraagt enige tijd. Om daaraan te sterven moet men de hals minutenlang toeknijpen. Die duur kan niet uit de geconstateerde petechiën of halsspierbloedingen worden afgeleid.\n\nMen moet de hals dichtknijpen of samendrukken tot voorbij de grens van bewusteloosheid. Als het slachtoffer al bewusteloos is, is dat geen maatstaf. Daaruit kan niet de duur of de kracht worden vastgesteld, maar wel dat het voldoende krachtig geweest kan zijn om de dood te veroorzaken of het overlijden te verklaren.\n\nDeskundige [toxicoloog] heeft verklaard dat de gemeten concentratie GHB bij het slachtoffer heel hoog is en wordt gezien bij mensen die overleden zijn. In uitzonderlijke gevallen komt deze concentratie voor bij mensen die nog leven. Op basis daarvan is de conclusie dat de concentratie GHB het overlijden kan verklaren, indien al het andere is uitgesloten. Als in dit geval een andere meer waarschijnlijke doodsoorzaak wordt vastgesteld, dan gaat dat voor zijn bevindingen.\n\nVolgens deskundige [patholoog 1] zou het slachtoffer, gelet op het pathologisch substraat (de tekenen van samendrukkend geweld op de hals), ook zonder de GHB-intoxicatie aan het samendrukkend geweld op de hals zijn overleden.\n\nRegiebijeenkomst in de appelfase op 25 januari 2024\n\nTijdens de regiebijeenkomst bij het hof op 25 januari 2024 heeft mevrouw [patholoog 1] desgevraagd verklaard dat de kracht waarmee de letsels aan de hals zijn veroorzaakt, niet exact bepaald kan worden. Zij heeft verder verklaard dat het evident is dat er veel samendrukkend geweld is uitgeoefend op de hals, waarbij voor het slachtoffer een probleem in de hals is ontstaan. Het gaat er volgens haar om dat er behoorlijk wat kracht nodig is geweest om dit substraat te veroorzaken.\n\nDeskundigenverhoor tijdens de zitting van het hof van 6 februari 2025\n\nDe verklaring van deskundige [patholoog 1] tijdens de zitting van het hof op 6 februari 2025 houdt – voor zover relevant – het volgende in.\n\nHet door verdachte geschetste alternatieve scenario (dat door de rechtbank op pagina 16 van het vonnis is opgenomen, aangevuld en als aannemelijk is aangenomen) past volgens de deskundige niet bij de geconstateerde stuwingsverschijnselen en de letsels aan de hals, die voor het intreden van de dood van belang zijn geweest.\n\nIn het onderhavige geval is sprake van een niet-normale krachtsinwerking op de hals, ook wel verwurgen genoemd.\n\nBij de beoordeling door de rechtbank is niet de kracht betrokken waarmee de krachtsinwerking heeft plaatsgevonden. Het onder controle houden van een persoon en het daarbij even verplaatsen van een arm tegen de hals kan dit substraat van letsels, de puntbloedingen en de stuwingseffecten niet verklaren. Er moet een substantiële krachtsinwerking zijn geweest om stuwing van deze aard te veroorzaken.\n\nVerder heeft de deskundige verklaard dat door pathologen dagelijks gevallen worden gediagnosticeerd waarbij hetzelfde substraat (bloedingen, stuwingsverschijnselen) als bij het slachtoffer in deze zaak wordt vastgesteld en er geen andere mogelijke doodsoorzaak is.\n\nIn die gevallen kan worden vastgesteld dat het samendrukkend geweld op de hals de dood heeft veroorzaakt. In het onderhavige geval is er echter nog een andere mogelijke doodsoorzaak, namelijk een oorzaak van toxicologische aard, zodat niet met zekerheid gezegd kan worden dat het samendrukkend geweld op de hals de of de enigedoodsoorzaak is geweest. Dit neemt echter niet weg dat het samendrukkend geweld op de halseendoodsoorzaak is geweest bij het slachtoffer. Daarbij geldt dat de krachtsinwerking op de hals bij leven heeft plaatsgevonden en dat de hoeveelheid GHB op dat moment dus nog niet dodelijk was.\n\nHet samendrukken van de hals zorgt voor een zuurstoftekort. De hersenen kunnen dan niet genoeg zuurstof meer aan het weefsel bieden. Daardoor vallen andere organen, zoals de longen en het hart, ook uit.\n\nNaar het oordeel van de deskundige moeten de beide doodsoorzaken dan ook niet los van elkaar worden gezien: er is sprake van geweldpleging door een persoon bij een andere zwaar geïntoxiceerde persoon.\n\nTen slotte heeft de deskundige benadrukt dat de aangetroffen (niet-dodelijke) letsels ook om een verklaring vragen. Zij heeft daarbij opgemerkt dat bij de sectie bloedingen in de linkerslaapspier en het botvlies zijn aangetoond. Dit zijn structuren die niet zomaar letsels oplopen door bijvoorbeeld tegen iets aan te vallen of tegen iets aan te komen. Daar hoort behoorlijk wat kracht bij. Het moet een stompe, botsende krachtsinwerking aan de linkerzijde van het hoofd zijn geweest.\n\nHet geconstateerde letsel bij de neus en de lip kan ook zijn ontstaan door stomp, botsend geweld, maar het kan volgens de deskundige ook een aanwijzing zijn voor het samendrukken van de mond en neus (smoren).\n\nOverwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nHet tijdstip van overlijden\n\nHet hof stelt op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat het slachtoffer op donderdag 9 april 2020 tussen 12.43 uur (het moment dat zij haar telefoon uitschakelde) en 20.04 uur (het moment dat verdachte zijn ouders belde) is overleden.\n\nDaarbij merkt het hof op dat het op basis van de gemeten lichaamstemperatuur van het overleden slachtoffer (27.3 °C op 9 april 2020 omstreeks 23.30 uur) aannemelijker is dat zij in de tijdsperiode kort na 12.43 uur is overleden dan dat zij in de tijdsperiode kort voor 20.04 uur is overleden.\n\nDe oorza(a)k(en) van het overlijden\n\nUit de bevindingen van de deskundigen volgt dat de dood van het slachtoffer vanuit medisch oogpunt zowel verklaard kan worden op traumatische als op toxicologische gronden.\n\nHiervoor is al aangehaald dat uit het rapport van toxicoloog [toxicoloog] blijkt dat de gemeten GHB-concentratie (530 mg\u002Fl) een concentratie is die beter past bij personen die zijn overleden aan een overdosis dan bij personen die aan dezelfde GHB-concentratie niet zijn overleden. [toxicoloog] heeft geconcludeerd dat de GHB-concentratie een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden, onder andere door de dempende werking daarvan op de ademhaling en het centraal zenuwstelsel.\n\nDaarnaast is door patholoog [patholoog 1] gerapporteerd dat het intreden van de dood van het slachtoffer ook verklaard kan worden door uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (verwurging), het samendrukken van de mond en neus (smoren) of mechanische traumatische asfyxie (drukuitoefening op de borst met verstikkingseffecten tot gevolg).\n\nVolgens deskundige [deskundige] is samendrukkend of toesnoerend geweld op de hals de meest voorkomende oorzaak van halsspierbloedingen zoals die bij het slachtoffer zijn vastgesteld. De uitgebreide stuwingstekenen in het gelaat zijn bijkomende argumenten voor de stelling dat de dood van het slachtoffer in deze zaak is veroorzaakt door dergelijk samendrukkend of toesnoerend geweld.\n\nPatholoog [patholoog 1] heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat de beide voornoemde doodsoorzaken niet los van elkaar gezien en beoordeeld moeten worden. De oorzaken moeten volgens haar tezamen worden beoordeeld, in die zin dat sprake is geweest van geweldpleging bij een zwaar geïntoxiceerd persoon.\n\nHet hof neemt de bevindingen en de conclusies van de deskundigen over.\n\nOp grond daarvan stelt het hof vervolgens vast dat zich bij het slachtoffer een samendrukkende en\u002Fof toesnoerende krachtsinwerking op de hals heeft voorgedaan, terwijl zij ernstig geïntoxiceerd was met GHB en alcohol. Daarbij stelt het hof op basis van de bevindingen en verklaringen van de deskundigen vast, dat de krachtsinwerking dus bij leven heeft plaatsgevonden; er is sprake van vitaal letsel, en dat de GHB op dat moment nog niet tot haar dood kan hebben geleid.\n\nNu er naast verdachte en het slachtoffer geen derden in de woning zijn geweest op de dag dat het slachtoffer overleed en daarnaast door de deskundigen is verklaard dat een scenario waarbij het slachtoffer zichzelf het geconstateerde letsel aan de hals heeft toegebracht, niet aannemelijk is, moet naar het oordeel van het hof worden geconcludeerd dat verdachte degene is die het geweld op de hals van het slachtoffer heeft toegepast.\n\nCausaal verband\n\nOm tot een bewezenverklaring van moord dan wel doodslag te kunnen komen, moet worden vastgesteld dat een causaal verband bestaat tussen het door verdachte gepleegde geweld en het overlijden van het slachtoffer. Of er sprake is van een causaal verband wordt beoordeeld aan de hand van de vraag of het gevolg (de dood) redelijkerwijs als het gevolg van het handelen van verdachte (het geweld) aan verdachte kan worden toegerekend.\n\nHet hof heeft hiervoor overwogen dat het intreden van de dood van het slachtoffer volgens deskundigen zowel het gevolg kan zijn geweest van – kort gezegd – de effecten van een overdosis GHB als van het door verdachte gepleegde geweld op de hals (verwurging).\n\nNu in dit geval niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de gedragingen van de verdachte (het toegepaste geweld) in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor zijn geweest voor het ingetreden gevolg (de dood), is voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan de gedragingen van verdachte ten minste vereist dat:\n\nwordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kanhebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, en;\n\ndat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid is veroorzaakt door de gedragingen van de verdachte.\n\nBij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar zijn aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat die gedraging het vermoeden wettigt dat die heeft geleid tot het intreden van het gevolg (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BT6362 en ECLI:NL:HR:2017:585).\n\nHet hof overweegt in dit verband het volgende.\n\nDoor patholoog [patholoog 1] is vastgesteld dat bij het slachtoffer sprake was van inwendige bloeduitstortingen in de schuine halsspieren aan beide zijden, reikend tot aan beide sleutelbeenderen, en van bij leven ontwikkelde tekenen van stuwing. Deze letsels (of bevindingen) zijn volgens de patholoog ontstaan ten gevolge van mechanisch samendrukkend geweld op de hals. Zulk geweld leidt tot zuurstofgebrek in de hersenen. Door zuurstoftekort kan de hersenfunctie uitvallen die de andere organen (zoals de longen en het hart) aanstuurt, waardoor een slachtoffer komt te overlijden.\n\nDe patholoog heeft vastgesteld dat het samendrukkend geweld op de hals ook in het onderhavige geval een doodsoorzaak kan zijn geweest.\n\nHet hof concludeert op basis van het voorgaande dat het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid.\n\nHet hof dient vervolgens te beoordelen of aannemelijk is dat de dood van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheiddoor de gedragingen van verdachte is veroorzaakt.\n\nHet hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daarover het volgende.\n\nHet hof stelt voorop dat het toegepaste geweld, het met substantiële kracht en gedurende enige tijd dichtknijpen of samendrukken van de hals, naar zijn aard geschikt is om het intreden van de dood teweeg te brengen. Dit volgt uit de bevindingen van de deskundigen en staat in deze zaak overigens ook niet ter discussie.\n\nDe deskundige [toxicoloog] heeft geconcludeerd dat de gemeten GHB-concentratie het overlijden kan verklaren indien al het andere is uitgesloten.\n\nHij heeft verder verklaard dat als in dit geval een andere, meer waarschijnlijke, doodsoorzaak wordt vastgesteld, dit voorzijn bevindingen gaat.\n\nHet hof overweegt in dit verband dat deskundigen [deskundige] en [patholoog 1] tijdens de zitting bij de rechtbank hebben verklaard dat het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk (waarmee door [deskundige] de hoogste graad van bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wordt bedoeld) is overleden als gevolg van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was. Bovendien heeft [patholoog 1] verklaard dat het slachtoffer gelet op het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie, dat de samendrukkende of toesnoerende krachtsinwerking op de hals bij levenheeft plaatsgevonden en dat de GHB op dat moment nog niet tot de dood van het slachtoffer had geleid.\n\nHet hof acht het gelet op het voorgaande aannemelijk dat het overlijden van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het door verdachte gepleegde geweld is veroorzaakt.\n\nGelet op het feit dat het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid, en nu aannemelijk is dat de dood met aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het geweld is veroorzaakt, is het hof van oordeel dat de dood van het slachtoffer in redelijkheid aan verdachte kan worden toegerekend.\n\nDe vraag die vervolgens door het hof moet worden beantwoord, is of verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.\n\nOpzet\n\nHet hof is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad.\n\nOpzet bij verdachte op de dood van het slachtoffer kan echter ook worden aangenomen als sprake is van voorwaardelijk opzet. Er is sprake van voorwaardelijk opzet indien verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer als gevolg daarvan zou overlijden.\n\nVoor de vraag of sprake is van de bewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans geldt dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschapheeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ookbewust heeft aanvaard.\n\nEr kan immers ook sprake zijn van bewuste schuld.\n\nBepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens aanwijzingen van het tegendeel – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg, in dit geval de dood van het slachtoffer, bewust heeft aanvaard.\n\nHet hof overweegt het volgende.\n\nDeskundige [deskundige] heeft verklaard dat op basis van de bevindingen kan worden gesteld dat de hals voldoende lang toegeknepen is geweest om een stuwingsfenomeen in het hoofd te veroorzaken. Daarnaast heeft deskundige [patholoog 1] verklaard dat er “behoorlijk wat kracht” nodig is geweest om het pathologisch substraat te veroorzaken. Tijdens de zitting van het hof heeft zij verklaard dat sprake geweest moet zijn van een “substantiële krachtsinwerking”. [patholoog 1] heeft verder verklaard dat het slachtoffer gelet op het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie.\n\nHet hof stelt vast dat verdachte een vorm van samendrukkend geweld op de hals van het slachtoffer heeft toegepast die zodanig krachtig is geweest dat dat heeft geleid tot letsel dat ook zonder de GHB-intoxicatie tot de dood van het slachtoffer zou hebben geleid.\n\nNu het slachtoffer ten tijde van het toepassen van het geweld nog in leven was, schiep het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor zou overlijden.\n\nDaarbij is het hof van oordeel dat de specifieke gedraging van verdachte – het toepassen van een vorm van samendrukkend geweld op de hals– kan worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.\n\nDit betekent dat verdachte naar het oordeel van het hof ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.\n\nBespreking van het alternatieve scenario\n\nHet hof acht het alternatieve scenario waarin verdachte de hals van het slachtoffer onbedoeld en onbewust, dus per ongeluk, heeft samengedrukt of toegesnoerd, niet aannemelijk.\n\nHet hof overweegt daarover het volgende.\n\nAllereerst is van belang dat verdachte heeft verklaard zelf geen herinnering te hebben aan een gang van zaken waarbij zijn arm bij het op de bank trekken van het slachtoffer richting haar hals is verschoven en waarbij haar hoofd plotseling dan wel geleidelijk met de nodige kracht naar achteren is getrokken waardoor een hyperextensie kan zijn veroorzaakt. Verdachte heeft enkel verklaard dat hij zich kan voorstellendat deze gang van zaken zich heeft voorgedaan.\n\nDaarnaast merkt het hof op dat deskundige [patholoog 1] tijdens de zitting in hoger beroep heeft verklaard dat het geschetste alternatieve scenario niet past bij de aard en de ernst van het door haar beschreven letsel (de halsspierbloedingen en de stuwingsverschijnselen). Het even verplaatsen van een arm tegen de hals vormt geen verklaring voor het geconstateerde letsel. Er moet naar haar oordeel sprake zijn geweest van een substantiële krachtsinwerking om de vastgestelde vorm van stuwing te veroorzaken.\n\nVerder geldt dat de handelingen van verdachte en de bevindingen van de deskundigen naar het oordeel van het hof eerder steun bieden voor het scenario waarin verdachte opzettelijk heeft gehandeld dan voor het scenario waarin sprake is van een ongeluk.\n\nHet hof overweegt in dit verband dat het slachtoffer naast de letsels aan haar hals ook talloze andere letsels had (letsels aan haar voorhoofd, neus, mond en behaarde hoofd (de hierboven beschreven letsels A, B, CenN) en aan haar romp en inwendige letsels aan het hoofd.\n\nOok deze letsels zijn volgens de patholoog bij leven ontstaan en zijn veroorzaakt door inwerking van mechanisch stomp botsend geweld, zoals door heftig slaan (al of niet met een voorwerp), hevig vallen of smoren.\n\nDeze letsels, in het bijzonder de inwendige letsels aan het hoofd, zijn volgens de patholoog niet ontstaan doordat het slachtoffer ergens tegenaan is gelopen of is gevallen, aangezien voor het ontstaan van deze letsels “behoorlijk wat kracht” nodig is geweest. Verdachte heeft over deze letsels verklaard dat hij denkt dat het slachtoffer ergens tegenaan gelopen moet zijn, maar heeft geen concrete aannemelijke verklaring voor de letsels gegeven.\n\nHet is naar het oordeel van het hof echter onwaarschijnlijk dat het slachtoffer, nadat verdachte haar op de bank had gelegd, waarbij zijn handelen in zijn lezing de doodsoorzaak zou (kunnen) hebben opgeleverd, nog kan zijn opgestaan en zichzelf letsel zou hebben kunnen toebrengen.\n\nTot slot stelt het hof vast dat de verklaring van verdachte met betrekking tot het moment waarop het slachtoffer moet zijn overleden, niet past bij de bevindingen van de verbalisanten. Zij hebben immers geconstateerd dat het slachtoffer op basis van de gemeten lichaamstemperatuur hoogstwaarschijnlijk tussen 05.30 uur en 14.30 uur moet zijn overleden.\n\nIn ieder geval stelt het hof vast dat er geruime tijd verstreken moet zijn tussen het moment waarop verdachte constateerde dat het slachtoffer was overleden en het moment waarop hij de hulpdiensten heeft gebeld of op andere wijze om hulp heeft gevraagd.\n\nDe bevindingen van de politie over de aangetroffen situatie in de woning van verdachte duiden er verder op dat hij die middag en avond weloverwogen en rationeel heeft gehandeld en heeft geprobeerd om sporen van hetgeen zich die dag in de woning heeft afgespeeld zo veel mogelijk te wissen.\n\nZo heeft verdachte niet alleen het slachtoffer verkleed, nadat ze al was overleden, en het beddengoed verschoond en in de wasmachine gedaan maar heeft hij ook de kantine opgeruimd, rotzooi in een vuilniszak gedaan en deze weggegooid in de container. Ook heeft hij een cilinder met lachgas keurig onder een doek in de garage gezet. Toen hij uiteindelijk wel 112 belde, heeft hij gedaan alsof het slachtoffer nog in leven was terwijl hij op dat moment al geruime tijd wist dat ze was overleden.\n\nHet hof ziet in het handelen van verdachte geen aanwijzingen dat hij, zoals hij heeft verklaard, vanaf het moment dat hij constateerde dat er iets niet in orde was met het slachtoffer, in een roes verkeerde.\n\nHet hof is dan ook van oordeel dat de voornoemde omstandigheden, wanneer deze in onderling verband en samenhang worden beschouwd, verder afbreuk doen aan het alternatieve scenario van de verdediging.\n\nGelet op het voorgaande schuift het hof dit alternatieve scenario als niet aannemelijk terzijde.\n\nConclusie\n\nHet hof is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk doden van het slachtoffer.\n\nDe omstandigheid dat, zoals de verdediging naar voren heeft gebracht, op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld wat het motief van verdachte voor zijn handelen is geweest, doet hier niet aan af.\n\nVrijspraak moord\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen niet vaststaat dat verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade heeft gedood. Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair tenlastegelegde moord.\n\nBewezenverklaring doodslag\n\nHet hof acht de subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.\n\nBewezenverklaring\n\nDoor wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nsubsidiair hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] ,althans in de gemeente [gemeente], [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door op het hoofd en\u002Fof de halsen\u002Fof de borst van die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld\u002Fgeweldshandeling(en) toe te passen\u002Fuit te oefenen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.\n\nOplegging van straf\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft ter zitting gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van twaalf jaar wordt opgelegd. Hij heeft daarbij gesteld dat hij die ook in eerste aanleg gevorderde straf nog steeds gerechtvaardigd vindt.\n\nDe aan het eind van de zitting door hem overgelegde schriftelijke vordering vermeldt echter een eis van zes jaar gevangenisstraf.\n\nHet hof gaat uit van de eis zoals die mondeling ter zitting is geformuleerd en beschouwt de eis van zes jaar op de schriftelijke vordering als een ongelukkige verschrijving.\n\nVerder heeft de advocaat-generaal gevorderd de gevangenneming van verdachte te bevelen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen straf moet worden opgelegd in verband met de bepleite vrijspraak.\n\nOordeel van het hof\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nHet hof overweegt het volgende.\n\nDe ernst van het feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op zijn partner.\n\nNadat verdachte en het slachtoffer dagenlang drugs, lachgas en andere verdovende middelen hadden gebruikt in de kantine van hun woning, is er op 9 april 2020 abrupt een einde gekomen aan dit “feesten”, zoals verdachte hun gedrag in de dagen voorafgaand aan en op de dag van het overlijden van het slachtoffer heeft getypeerd.\n\nWat er zich die dag preciesin de woning van verdachte en het slachtoffer heeft afgespeeld en wat verdachte ertoe heeft bewogen het slachtoffer te doden, is niet duidelijk geworden.\n\nOver de gebeurtenissen rondom het overlijden van het slachtoffer en in de uren daarna heeft verdachte geen duidelijkheid verschaft, waardoor de nabestaanden deels in het ongewisse blijven omtrent de omstandigheden die tot de dood van het slachtoffer hebben geleid. Verdachte heeft enkel verklaard dat de dood van het slachtoffer het gevolg moet zijn geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarin hij onbewust en onbedoeld een rol heeft gespeeld.\n\nHet hof is echter van oordeel dat van een ongeluk geen sprake was maar dat verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd.\n\nNa het geweld en het overlijden van het slachtoffer heeft verdachte geprobeerd zijn sporen te wissen door het slachtoffer te verkleden, haar kleding in de wasmand en het beddengoed in de wasmachine te doen en de sporen van hun drugsgebruik in de kantine op te ruimen. Bovendien heeft verdachte het tegenover de centralist van de meldkamer doen voorkomen alsof het slachtoffer nog leefde, terwijl hij wist dat zij was overleden en hij naar eigen zeggen ook al afscheid van haar had genomen.\n\nDoor zijn handelen, waarover hij geen duidelijkheid heeft verschaft, heeft verdachte de destijds twaalfjarige dochter van het slachtoffer, [dochter slachtoffer] , haar moeder ontnomen. [dochter slachtoffer] is inmiddels zeventien jaar oud en moet haar moeder missen tijdens belangrijke ontwikkelingsfasen in haar nog prille leven.\n\nOp de zitting in hoger beroep is namens [dochter slachtoffer] aan het hof te kennen gegeven dat haar gevoelens van boosheid inmiddels hebben plaatsgemaakt voor verdriet en “rauwe rouw”. Zij spreekt hierover niet gemakkelijk met anderen, een – voor het hof invoelbare – situatie waarover bij haar naasten zorgen bestaan.\n\nDaarnaast heeft verdachte de moeder en de broer van het slachtoffer respectievelijk een dochter en een zus ontnomen. Zij kunnen slechts gissen naar het motief van verdachte om het slachtoffer om het leven te brengen en de omstandigheden waaronder dat is gebeurd.\n\nOok de overige familieleden en naaste vrienden van het slachtoffer moeten zonder haar verder. Al deze vormen van gemis zijn zonder meer tragisch te noemen.\n\nDe persoon van verdachte\n\nTot het dossier behoort een Pro Justitia-rapportage van 11 juli 2020, die inhoudt dat de persoonlijkheid van verdachte narcistische en histrionische trekken vertoont. Verdachte staat graag in het centrum van de belangstelling en wil gezien en erkend worden.\n\nHij is zelfverzekerd en heeft het gevoel dat hij zijn leven tot het moment waarop het bewezenverklaarde feit plaatsvond goed op orde had en dat hij controle had over zijn leven. Volgens de rapporteur kunnen frustraties en negatieve gevoelens vanuit een dergelijke opstelling soms lang worden ontkend, maar dan vrij plotseling doorbreken in de vorm van acting out. Bij verdachte lijkt geen sprake te zijn van een psychische stoornis, persoonlijkheidsproblematiek of problemen in de kindertijd. Ook heeft verdachte geen voorgeschiedenis van gewelddadig gedrag. Verdachtes middelengebruik is volgens de rapporteur in feite de enige factor die het recidiverisico in statistische zin negatief beïnvloedt.\n\nUit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 januari 2025 volgt dat verdachte niet eerder voor geweldsdelicten met politie of justitie in aanraking is geweest. Het hof constateert verder dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is in verband met twee strafbeschikkingen in 2022.\n\nVerdachte heeft tijdens de zitting van het hof verklaard dat hij zijn leven na zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis weer heeft opgepakt. De dood van het slachtoffer was voor hem een “wake-up call”, zoals hij dat ter zitting van het hof typeerde, waardoor hij nu geen drugs, anabolen en testosteron meer gebruikt.\n\nVerdachte heeft een goedlopend dakdekkersbedrijf en heeft ook personeel in dienst.\n\nHij woont samen met zijn nieuwe partner, met wie hij vorig jaar is getrouwd en met wie hij een gezin wil stichten.\n\nStrafbepaling en redelijke termijn\n\nHet hof is gelet op de ernst van het feit en de onomkeerbare gevolgen daarvan van oordeel dat een lange gevangenisstraf de enige passende strafmodaliteit is.\n\nHet hof acht een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar in beginsel passend en geboden.\n\nHet hof heeft echter geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft op 25 juli 2022 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 12 maart 2025 einduitspraak.\n\nHet hof stelt vast dat de behandeling van het hoger beroep niet is afgerond binnen twee jaren.\n\nDit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM in hoger beroep met acht maanden is overschreden. Het hof zal de op te leggen gevangenisstraf om die reden enigszins matigen.\n\nAlles afwegende zal het hof aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden opleggen, met aftrek van het voorarrest.\n\nTenuitvoerlegging\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nGevangenneming\n\nHet hof zal op vordering van het Openbaar Ministerie bij afzonderlijke beslissing de gevangenneming van verdachte bevelen.\n\nVordering van de benadeelde partij [dochter slachtoffer] ( [dochter slachtoffer] )\n\nEerste aanleg\n\nDe benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt € 20.000,00, bestaande uit immateriële schade in de vorm van affectieschade. De benadeelde partij is in verband met de gegeven vrijspraak in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHoger beroep\n\nDe benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De vordering is ter terechtzitting in hoger beroep door haar advocaat toegelicht.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering moet worden toegewezen, met vermeerdering met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.\n\nOordeel van het hof\n\nOp grond van artikel 6:107, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 6:108, eerste en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek kan aan een beperkte kring van personen een schadevergoeding worden toegekend voor het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste.\n\nTot de kring van gerechtigden behoren – kort gezegd – de partner of levensgezel van de overledene (sub a en b), de ouders en kinderen van de overledene (sub c en d) en degenen die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft (sub e) dan wel degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft (sub f).\n\nDe benadeelde partij is de dochter van het slachtoffer en behoort daarmee tot de in de wet genoemde kring van vergoedingsgerechtigde personen.\n\nVerder is vereist dat het overlijden het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Het slachtoffer is overleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit, waarvoor verdachte aansprakelijk is.\n\nHet hof stelt vast dat daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor het toekennen van een vergoeding vanwege affectieschade.\n\nHet hof constateert dat het gevorderde bedrag niet is betwist. Nu het hof dit bedrag voldoende onderbouwd en niet onredelijk acht, zal de vordering worden toegewezen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] (moeder van het slachtoffer)\n\nEerste aanleg\n\nDe benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.168,13, bestaande uit € 2.668,13 aan materiële schade en € 17.500,00 aan immateriële schade in de vorm van affectieschade.\n\nDe materiële schadepost bestaat uit kosten voor de begrafenis en daarbij behorende kosten.\n\nDe benadeelde is door de rechtbank in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHoger beroep\n\nDe benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De vordering is ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat van de benadeelde partij toegelicht.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering moet worden toegewezen, met vermeerdering met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schade\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor dit onderdeel zal worden toegewezen.\n\nAffectieschade\n\nZoals hiervoor is overwogen, geldt dat aan een beperkte kring van personen een schadevergoeding kan worden toegekend voor het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste.\n\nDe benadeelde partij is de moeder van het slachtoffer en behoort daarmee tot de in de wet genoemde kring van vergoedingsgerechtigde personen. Daarnaast geldt dat het overlijden van het slachtoffer het gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, waarvoor hij ook aansprakelijk is.\n\nHet hof stelt vast dat daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor het toekennen van een vergoeding vanwege affectieschade.\n\nHet hof constateert dat het gevorderde bedrag niet is betwist. Nu het hof dit bedrag voldoende onderbouwd en niet onredelijk acht, zal ook dit onderdeel van de vordering volledig worden toegewezen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) jaren en 6 (zes) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [dochter slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [dochter slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [dochter slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 135 (honderdvijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 april 2020.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.168,13 (twintigduizend honderdachtenzestig euro en dertien cent) bestaande uit € 2.668,13 (tweeduizend zeshonderdachtenzestig euro en dertien cent) materiële schade en\n\n€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.168,13 (twintigduizend honderdachtenzestig euro en dertien cent) bestaande uit € 2.668,13 (tweeduizend zeshonderdachtenzestig euro en dertien cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 135 (honderdvijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n19 mei 2020 en van de immateriële schade op 9 april 2020.\n\nBeveelt de gevangenneming van verdachte, welk bevel afzonderlijk zal worden opgemaakt.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,\n\nmr. J. Corthals en mr. D.R. Sonneveldt, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. C.D. Maris, griffier,\n\nen op 12 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 12 maart 2025.\n\nmr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,\n\nmr. J.E. van Spanje, advocaat-generaal,\n\nmr. C.D. Maris, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de Politie Eenheid [locatie] , genummerd 2020156668, Onderzoek NEPAL (met onderzoeksnummer ONRAB20003) opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , gesloten en getekend op 12 november 2020. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2022 en het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 6 februari 2025.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2022 en het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 6 februari 2025.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2020, pagina 684 en 685.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2020, pagina 680, 685, 686 en 687.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2022, pagina 9.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 6 februari 2025.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2020, pagina 687.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2020, pagina 63.\n\n Het proces-verbaal van historische gegevens telefoonnummers en telefoontoestel [verdachte] , pagina 1633, 1634 en 1637.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 februari 2025, pagina 9 en 10.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2020, pagina 64.\n\n Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning, pagina 2208.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2020, pagina 64 en 65.\n\n Het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict, onderzoek wasruimte (ruime 2), testen verdovende middelen en uitleggen kleding, pagina 1993, 1996 en 1997.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 16 juni 2022, pagina 5.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen aantreffen fles lachgas, pagina 2249.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 14 mei 2020, pagina 352 en 353.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen tijdlijn gebeurtenissen in en rondom de PD, pagina 954 en 956.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 februari 2025, pagina 10.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen 112-melding, pagina 2573.\n\n Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 667 tot en met 673.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2020, pagina 658.\n\n Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek [slachtoffer] , pagina 1739 tot en met 1745.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2020, pagina 660.\n\n Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek [slachtoffer] , pagina 1743 en 1744.\n\n Een geschrift, te weten een voorlopig sectierapport van 11 april 2020, opgemaakt door dr. [patholoog 1] , pagina 1809, 1810 en 1811.\n\n Een geschrift, te weten het rapport toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal [slachtoffer] van 25 juni 2020, opgemaakt door drs. [toxicoloog] , pagina 2305 tot en met 2315.\n\n Een geschrift, te weten het sectierapport van 11 september 2020, opgemaakt door dr. [patholoog 1] , pagina 2280 tot en met 2290.\n\n Een geschrift, te weten het rapport met de beantwoording van aanvullende vragen naar aanleiding van toxicologisch onderzoek van 21 februari 2021, opgemaakt door drs. [toxicoloog] .\n\n Een geschrift, te weten het definitief deskundig verslag van 16 juni 2021, opgemaakt door prof. dr. [forensisch patholoog] .\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 19, 21, 22, 28 en 42.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 32.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 14.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 12.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 13 en 26.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 36.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 28.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 32.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 32.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 15.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 30.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 27 en 28.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van de regiebijeenkomst bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 25 januari 2024 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 3.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 16.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 17.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 14.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 22.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 19 en 20.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:1430","2026-07-13T00:29:10.089Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":43,"courtId":111,"decisionDate":112,"fullText":113,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":114,"sourceTimestamp":115,"parsedAt":51,"updatedAt":116},"1200","ECLI:NL:GHARL:2025:1333","ecli-nl-gharl-2025-1333",63,"2025-03-07T00:00:00.000Z","Parketnummer: 20-002730-24\n\nUitspraak : 7 maart 2025\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 23 maart 2023 met parketnummer 96-114519-22 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 96-265625-20, in de strafzaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als\n\n‘eendaadse samenloop van overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 1 en feit 4)\n\n‘overtreding van artikel 20 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990’ (feit 2)\n\n‘overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (510 microgram)’ (feit 3),\n\nde verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken (feit 1, feit 3 en feit 4), alsmede een geldboete ter hoogte van € 960,00 subsidiair 19 dagen hechtenis (feit 2). Aan de verdachte is tevens de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest (feit 1, feit 3 en feit 4). Tot slot is de tenuitvoerlegging gelast van de in de zaak met parketnummer 96-265625-20 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van een week.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van tien weken ten aanzien van feiten 1, 3 en 4 en dat het hof voor het overige tot dezelfde beslissingen komt als de politierechter.\n\nDe verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde feiten. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de onder parketnummer 96-265625-20 voorwaardelijk opgelegde straf primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, subsidiair dat deze dient te worden afgewezen en meer subsidiair dat de proeftijd dient te worden verlengd dan wel dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf wordt omgezet in een taakstraf. Tot slot heeft de verdediging het hof verzocht om een eventuele ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet in onvoorwaardelijke, maar in voorwaardelijke zin op te leggen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. hij op of omstreeks 11 augustus 2021 te Nieuwegein, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorie(ën) van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Zandveldseweg, als bestuurder een motorrijtuig, (driewielig motorrijtuig), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;\n\n2. hij op of omstreeks 11 augustus 2021 te Nieuwegein, binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (driewielig motorrijtuig), op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Zandveldseweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 105 kilometer per uur, in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden;\n\n3. hij op of omstreeks 11 augustus 2021 te Nieuwegein, als bestuurder van een motorrijtuig, (driewielig motorrijtuig), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 510 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;\n\n4. hij op of omstreeks 11 augustus 2021 te Nieuwegein, op de weg, de Zandveldseweg, als bestuurder een motorrijtuig (driewielig motorrijtuig), van categorie B heeft bestuurd, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid had verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, en aan hem geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nVrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde\n\nHet hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1.\n\nhij op 11 augustus 2021 te Nieuwegein, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Zandveldseweg, als bestuurder een motorrijtuig, (driewielig motorrijtuig), van die categorie heeft bestuurd;\n\n 2. hij op 11 augustus 2021 te Nieuwegein, binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (driewielig motorrijtuig), op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Zandveldseweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 105 kilometer per uur, in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden;\n\n3. op 11 augustus 2021 te Nieuwegein, als bestuurder van een motorrijtuig, (driewielig\n\nmotorrijtuig), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 510 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Midden-Nederland, dienst Regionale Operationele Samenwerking, afdeling Infrastructuur, team Verkeer, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , surveillanten van politie, gesloten d.d. 12 augustus 2021, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met digitaal genummerde dossierpagina’s 1-31. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.\n\n1. Het proces-verbaal verkeersovertredingen d.d. 12 augustus 2021, dossierpagina’s 3-6, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :\n\nOp 11 augustus 2021 om 21:32 uur bevond ik mij in uniform gekleed en met snelheidscontrole belast op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [locatie] .\n\nDaar zag ik, [verbalisant 2] (…), een bestuurder van een 2\u002F3-wielig voertuig, een (…) Piaggio, type M64, voorzien van het kenteken [kenteken] , rijden over de rijbaan van [locatie] . Deze kwam uit de richting Jachtmonde.\n\n(…)\n\nDe Zandveldseweg is gelegen binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom. Voor deze weg dan wel dit weggedeelte geldt een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. (…)\n\nIk, [verbalisant 2] (…), zag dat deze bestuurder met dat motorvoertuig reed met een door mij gemeten snelheid van 109 kilometer per uur, die na correctie overeenkomt met een werkelijke snelheid van 105 kilometer per uur, in elk geval met een grotere snelheid dan de ter plaatse toegestane 50 kilometer per uur, in feite een overschrijding van 55 kilometer per uur.\n\nDeze snelheid is door mij, [verbalisant 2] (…), vastgesteld met behulp van een voor de meting getest, op de voorgeschreven wijze gebruikt en op 6 april 2021 tot 322 kilometer per uur geijkt verkeersmeetmiddel (…).\n\nOp 11 augustus 2021, te 21:33 uur, hield ik, [verbalisant 1] (…), op de openbare weg, Zandveldseweg te Nieuwegein, de man als verdachte staande en vroeg hem naar zijn identiteitsgegevens. De verdachte gaf op te zijn genaamd:\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [verdachte]\n\nGeboren : [geboortedag] 1991\n\nGeboorteplaats : [geboorteplaats] in Nederland\n\nAdres : [adres]\n\nPostcode plaats : [adres]\n\nBRP-nummer : [documentnummer 1]\n\nDe verdachte identificeerde zich met een Belgische verblijfstitel, document nummer: [documentnummer 2]\n\n .\n\n2. Het proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeersweg 1994 d.d. 12 augustus 2021, dossierpagina’s 9-10, voor zover inhoudende als verklaring van verbalisant [verbalisant 1] :\n\nDatum feit : 11 augustus 2021 (…)\n\nLocatie : op de openbare weg, [locatie]\n\nEr is een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een snelheidsovertreding, namelijk honderdnegen kilometer per uur ongecorrigeerd binnen de bebouwde kom rijden waar vijftig is toegestaan.\n\nVerdachte\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [verdachte]\n\nGeboren : [geboortedag] 1991\n\nGeboorteplaats : [geboorteplaats] in Nederland\n\n(…)\n\nMotorrijtuig\n\n(…)\n\nKenteken : [kenteken]\n\nMerk\u002Ftype : Piaggio M64\n\n(…)\n\nRijbewijscategorie\n\nVoor het besturen van bovenstaand motorrijtuig is een rijbewijs vereist van de categorie(ën):\n\nB\n\nNa onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.\n\n3. Een schriftelijk bescheid, te weten een uitdraai BVI-IB d.d. 12 augustus 2021, dossierpagina’s 13-16;\n\nIdentiteit [verdachte]\n\n Geboren [geboortedag] 1991 (30) te [geboorteplaats]\n\n(…)\n\nRijbewijsnummer [documentnummer 3]\n\nLand uitgifte Nederland\n\nDatum uitgifte 10-07-2014\n\n(…)\n\nMaatregelen\n\nNr\n\nRegistratie\n\nEinde reg.\n\nGevorderde\n\ninleverdatum\n\nSoort\n\nAutoriteit\n\nInleversoort\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n2\n\n24-01-2017\n\n19-09-2018\n\nVorderingsprocedure\n\nCbr Divisie Vorderingen\n\nVolledig ongeldig rijbewijs\n\nCATEGORIEËN\n\nCategorie\n\nSoort\n\nAM\n\nOngeldigheid\n\nB\n\nOngeldigheid\n\n4. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van het CBR gericht aan de verdachte d.d. 24 januari 2017, voor zover inhoudende:\n\nAANGETEKEND\n\nDe heer [verdachte]\n\n(…)\n\n(…) Datum\n\n 24 januari 2017\n\nOnderwerp Besluit: onderzoek naar uw alcoholgebruik, voorlopig geen rijbewijs\n\nGeachte heer [verdachte] ,\n\nU bent aangehouden met te veel alcohol op. (…)\n\nDaarom hebben we besloten dat u een onderzoek moet laten doen naar uw alcoholgebruik. Ook mag u voorlopig niet meer rijden. In elk geval niet tot de uitslag van het onderzoek. (…)\n\nHet onderzoek is niet vrijblijvend. Werkt u niet mee, dan wordt uw rijbewijs ongeldig.\n\n(…)\n\n5. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van het CBR gericht aan de verdachte d.d. 12 september 2018, voor zover inhoudende:\n\nOnderwerp Besluit: rijbewijs ongeldig\n\nGeachte heer [verdachte] ,\n\nOp 24 januari 2017 hebben we u een brief gestuurd. In die brief stond dat u een onderzoek naar uw alcoholgebruik moest laten doen. Helaas heeft u dit onderzoek niet, of niet op tijd betaald. U bent dus ook niet onderzocht. Daarom verklaren we uw rijbewijs ongeldig vanaf 19 september 2018. En mag u niet meer rijden. (…)\n\n6. Proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 14 augustus 2021, dossierpagina’s 22-24, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 2] en [verbalisant 1] :\n\nOp 11 augustus 2021 zag ik, [verbalisant 2] (…), dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een voertuig motorrijtuig, Piaggio M64, Nederland, kenteken [kenteken] , reed op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [locatie] .\n\n(…)\n\nIk, [verbalisant 2] (…), heb op 11 augustus 2021 om 21:45 uur de bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek), alsmede de aanwijzingen die ik in dat kader heb gegeven, op te volgen.\n\nMet medewerking van de bestuurder heb ik, [verbalisant 2] (…), hem dit voorlopig ademonderzoek afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen ademtestapparaat.\n\nAls resultaat van deze test zag ik, [verbalisant 2] (…), dat het ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van: A\u002FG.\n\nHet resultaat van de ademtest werd direct aan de verdachte meegedeeld. Dat resultaat leidde tot een verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.\n\nDe verdachte gaf mij, [verbalisant 1] (…), op te zijn genaamd:\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [verdachte]\n\nGeboren : [geboortedag] 1991\n\nGeboorteplaats : [geboorteplaats] in Nederland\n\n(…)\n\nOp 11 augustus 2021 (…) heeft de verdachte zich onder leiding van mij, [verbalisant 3] (…), opsporingsambtenaar als bedoeld in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 4, onder a, Wegenverkeerswet 1994. (…)\n\n7. Het schriftelijk bescheid, te weten een resultaat ademonderzoek, dossierpagina 27, voor zover inhoudende:\n\nStartdatum: 11 augustus 2021\n\nStarttijd: 22:08\n\nEindtijd: 22:14\n\nAchternaam verdachte: [verdachte]\n\nVoornaam verdachte: [verdachte]\n\nAdemonderzoek-resultaat: 510 ug\u002Fl\n\n8. Het proces-verbaal van de in de zaak gehouden terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, d.d. 23 maart 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nHet klopt dat ik de avond van 11 augustus 2021 alcohol had gedronken. Ik was uit geweest. Het klopt ook dat ik toen wist dat mijn rijbewijs ongeldig was verklaard.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. Daartoe is in de kern aangevoerd dat het niet de verdachte, maar zijn (achter)neef [betrokkene 1] is geweest die op 11 augustus 2021 door de politie is aangehouden ter zake van de tenlastegelegde feiten. De verdachte zou die dag samen met [betrokkene 1] op een door die [betrokkene 1] bestuurd motorrijtuig naar een beachclub in Nieuwegein zijn gereden, waar de verdachte later op de avond zou zijn opgehaald door zijn ex-partner. Later zou [betrokkene 1] zijn aangehouden door de politie terwijl hij het motorrijtuig bestuurde, waarbij [betrokkene 1] zich tegenover de politie zou hebben gelegitimeerd met een Belgisch identiteitsbewijs van de verdachte dat op dat moment in een tasje onder de buddyseat van het motorrijtuig lag. Zowel de verdachte als [betrokkene 1] zijn van Hindoestaanse afkomst en vertonen uiterlijke gelijkenissen. Een persoonsverwarring wordt door de verdediging dan ook zeer wel mogelijk geacht. Het alternatieve scenario van de verdachte is in de visie van de verdediging voldoende concreet en gedetailleerd en vindt op onderdelen steun in de overige bewijsmiddelen, zodat vrijspraak dient te volgen.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nOp verzoek van de verdediging zijn op 21 februari 2024 [betrokkene 1] , zijnde de (achter)neef van de verdachte die zich volgens de verdediging ten tijde van het tenlastegelegde als de verdachte zou hebben voorgedaan, en [betrokkene 2] , zijnde de ex-partner van de verdachte die volgens de verdediging de verdachte op de tenlastegelegde datum bij een beachclub in Nieuwegein zou hebben opgehaald, door de raadsheer-commissaris als getuigen gehoord.\n\nGetuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij zich in het verleden nooit voor de verdachte heeft uitgegeven. Ook heeft hij verklaard dat hij niet kan motorrijden en dat hij nooit met de verdachte op een motor heeft gereden. De rechter-commissaris heeft tijdens het verhoor vastgesteld dat getuige [betrokkene 1] geen sterke gelijkenissen vertoont met de persoon die is afgebeeld op pagina 13 van het procesdossier (hof: een foto van de verdachte).\n\nGetuige [betrokkene 2] heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat zij de verdachte in het verleden wel eens heeft afgezet en opgehaald bij een industrieterrein in Nieuwegein, maar dat zij dat nooit heeft gedaan als de verdachte uitging. De Beachclub was volgens de getuige de favoriete plek van de verdachte, maar zij heeft de verdachte daar nooit opgehaald.\n\nHet hof stelt vast dat de alternatieve lezing van de verdachte, inhoudende dat niet hij, maar de heer [betrokkene 1] degene is geweest die op 11 augustus 2021 door de politie is aangehouden, geen steun vindt in de hiervoor bedoelde getuigenverklaringen.\n\nHet hof overweegt voorts dat de verbalisanten in hun proces-verbaal van 12 augustus 2021 relateren dat zij de bestuurder van het motorrijtuig naar zijn identiteitsgegevens hebben gevraagd, dat door de aangehouden persoon die gegevens toen zijn verstrekt - waaronder de geboortedatum, geboorteplaats en het woonadres van de verdachte - en dat deze persoon zich daarnaast identificeerde met een Belgische verblijfstitel, waarvan de verdachte erkent dat deze van hem is. Het hof constateert dat de identificerende gegevens die door de aangehouden persoon kennelijk mondeling zijn verstrekt overeenkomen met de persoonsgegevens van de verdachte. Het hof constateert verder dat de foto op het Belgische bewijs (pagina 19 digitale procesdossier) sterke gelijkenissen vertoont met een andere foto van de verdachte in het dossier (pagina 13, foto rijbewijs 10 juli 2014). De raadsheer-commissaris heeft aan de hand van deze laatste foto opgemerkt dat dhr. [betrokkene 1] daarmee geen sterke gelijkenis vertoont. Het hof begrijpt hieruit dat dhr. [betrokkene 1] dus ook geen sterke gelijkenis vertoont met de persoon die is afgebeeld op het Belgische bewijs op pagina 19 van het procesdossier, dat door de aangehouden persoon ter identificatie aan de politie is getoond..\n\nNaar het oordeel van het hof kan het dan ook niet anders zijn dan dat het de verdachte is geweest die ten tijde en ter zake van het tenlastegelegde door de politie is aangehouden.\n\nHetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander standpunt.\n\nHet hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\novertreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\novertreding van het bepaalde bij artikel 20, aanhef en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\novertreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (510 microgram).\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sancties\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van tien weken ten aanzien van feiten 1, 3 en 4, en dat het hof voor het overige tot dezelfde beslissingen komt als de politierechter.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat aan de verdachte geen straf in de vorm van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd, maar een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf. Daarnaast is bepleit om een ontzegging van de bevoegdheid om de motorrijtuigen te besturen geheel voorwaardelijk op te leggen. Daartoe is gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nMeer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 11 augustus 2021 – kort gezegd – schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs voor categorie B ongeldig was verklaard (feit 1), waarbij hij de ter plekke toegestane maximumsnelheid heeft overschreden (feit 2), en hij onder invloed van alcohol verkeerde (feit 3). Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard. Met zijn handelen heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.\n\nHet hof heeft gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Zij gaan als vertrekpunt voor de straftoemeting bij het besturen van een motorrijtuig in geval van een (gedeeltelijk) ongeldig verklaard rijbewijs (feit 1) uit van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Ter zake van het rijden onder invloed in auto’s en motoren (feit 3) gaan de oriëntatiepunten – in geval van een hoeveelheid alcohol van 510 microgram in combinatie met relevante recidive binnen een periode van vijf jaar, waarbij sprake is van een onherroepelijke veroordeling voor een soortgelijk feit – als vertrekpunt uit van een geldboete van € 650,00 en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om mottorijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden.\n\nHet hof heeft ook acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 december 2024. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Daarbij zijn aan hem eerder onder meer (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen opgelegd. Die eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te begaan. Bovendien volgt hieruit dat de verdachte zich niets aantrekt van beslissingen tot ongeldigverklaring die tot doel hebben de verkeersveiligheid te bevorderen. Het hof weegt deze omstandigheden ten nadele van de verdachte mee bij de strafoplegging.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdediging heeft in dat verband naar voren gebracht dat de verdachte zijn rijbewijs op dagelijkse basis nodig heeft om zijn werkzaamheden uit te kunnen voeren, reden waarom een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen door de verdachte onwenselijk wordt geacht.\n\nAlles afwegende – en gegeven de vrijspraak van feit 4 – acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 wekenvoor feit 1 en feit 3 en de oplegging van eengeldboete ter hoogte van € 960,00, subsidiair 19 dagen hechtenisvoor feit 2, passend en geboden. Hetgeen in hoger beroep omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht, brengt het hof niet tot een ander oordeel.\n\nGelet op de eerder aan de verdachte opgelegde sancties - oplopende gevangenisstraffen - en de omstandigheden waaronder de verdachte opnieuw de fout in is gegaan - veel te hard rijden, wederom met alcohol op, is het hof van oordeel dat ten aanzien feit 1 en feit 3 niet kan worden volstaan met oplegging van een andere straf dan een die vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nHet hof overweegt dat de politierechter de bijkomende straf van de ontzegging van de rijbevoegdheid heeft opgelegd voor een combinatie van de bewezenverklaarde feiten, terwijl de wet niet voorziet in de mogelijkheid tot het opleggen van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor meer dan één misdrijf of voor een combinatie van een misdrijf en een overtreding. Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof ter zake van feit 1 en voor de duur van 6 maandenaan de verdachtede bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.\n\nHet verweer dat de verdachte, kort gezegd, het rijbewijs niet kan missen, wordt door het hof verworpen omdat het belang van de bescherming van de verkeersveiligheid in dit geval zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij behoud van het rijbewijs in het tijdvak van 6 maanden. Daarnaast is de verdachte reeds eerder ter zake van verkeersovertredingen veroordeeld. Het hof acht een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid noodzakelijk om de verdachte de onjuistheid van de bewezenverklaarde handelwijze te doen inzien. Daarnaast is het hof niet gebleken dat de verdachte voor zijn werk geen gebruik kan maken van andere (openbaar) vervoersmogelijkheden.\n\nVordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 96-265625-20\n\nHet Openbaar Ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één (1) week, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Midden-Nederland van 14 januari 2021 onder parketnummer 96-265625-20. Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 december 2024 is de startdatum van deze proeftijd 28 januari 2021 en is de einddatum daarvan 27 januari 2023. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nDe verdediging heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie vanwege de bepleite vrijspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, subsidiair dat deze dient te worden afgewezen en meer subsidiair dat de proeftijd dient te worden verlengd dan wel dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf wordt omgezet in een taakstraf.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging – anders dan de verdediging – van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde schuldig heeft gemaakt.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 20 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, de artikelen 23, 24, 24c, 57 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nten aanzien van het in de zaak met parketnummer 96-114519-22 onder 1 en onder 3 bewezenverklaarde\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) weken;\n\nontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van6 (zes) maanden;\n\nten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde\n\nveroordeelt de verdachte tot een geldboetevan€ 960,00 (negenhonderdzestig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door19 (negentien) dagen hechtenis;\n\nten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging\n\nbeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 14 januari 2021, parketnummer 96-265625-20, te weten een gevangenisstrafvoor de duur van1 (één) week.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,\n\nmr. S.V. Pelsser en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. drs. A. Burgmeijer, griffier,\n\nen op 7 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:1333","2025-03-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:09.598Z",{"id":118,"ecli":119,"slug":120,"caseNumber":43,"courtId":121,"decisionDate":122,"fullText":123,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":124,"sourceTimestamp":125,"parsedAt":51,"updatedAt":126},"1212","ECLI:NL:GHDHA:2025:1019","ecli-nl-ghdha-2025-1019",58,"2025-03-05T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-002424-23\n\nParketnummer: 71-283795-22\n\nDatum uitspraak: 5 maart 2025\n\nTEGENSPRAAKGerechtshof Den Haag\n\nmeervoudige kamer voor strafzaken\n\nArrest\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 augustus 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,\n\nadres: [woonadres], [woonplaats].\n\nOnderzoek: 26Copal\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 juni 2014 tot en met 2 november 2022 in één of meer plaats(en) in Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), danwel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) en\u002Fof heeft\u002Fhebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,\n\nA. het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nB. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nC. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nD. de samenspanning en\u002Fof opzettelijke voorbereiding van en\u002Fof bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en\u002Fof 289a en\u002Fof 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nE. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en\u002Fof munitie van de categorieën II en\u002Fof III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en\u002Fof lid 5 van de Wet wapens en munitie)\n\n2. zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 juni 2014 tot en met 2 november 2022 in één of meer plaats(en) in Turkije en\u002Fof Syrië, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om (een) misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 83 en\u002Fof 157 en\u002Fof 176a en\u002Fof 176b en\u002Fof 289(a) en\u002Fof 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten:\n\n- moord en\u002Fof doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof\n\n- het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\n1. een ander heeft getracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen en\u002Fof om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen, en\u002Fof\n\n2. gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich en\u002Fof anderen heeft getracht te verschaffen, en\u002Fof\n\n3. een of meer voorwerpen, voorhanden heeft gehad waarvan zij, verdachte, wist dat deze bestemd waren tot het plegen van het misdrijf, door,\n\nA. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door terroristische organisaties zoals Islamitische Staat (IS), danwel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) eigen te maken en\u002Fof\n\nB. zich te laten informeren over het afreizen naar en\u002Fof verblijven in het strijdgebied in Syrië en\u002Fof Irak en\u002Fof\n\nC. de reis naar Syrië te maken teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar een, door een terroristische organisatie zoals IS(IS\u002FIL) gecontroleerd gebied en\u002Fof gedurende enige tijd te verblijven in het (strijd)gebied in Syrië en\u002Fof\n\nD. een gezamenlijke huishouding te voeren met een of meer person(en) die (eveneens) deelnam(en) aan IS(IS\u002FIL), althans (telkens) (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan en\u002Fof\n\nE. met één of meer mededader(s) in Syrië deel te nemen en\u002Fof bij te dragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de terroristische organisatie IS(IS\u002FIL), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan, in welke gewapende Jihadstrijd moord en\u002Fof doodslag en\u002Fof brandstichting en\u002Fof het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak feiten 1 en 2\n\nFeit 1: deelname terroristische organisatie\n\nAan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat zij – kort gezegd – in de periode van 1 juni 2014 tot en met 2 november 2022, al dan niet in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten IS\u002FISIS\u002FISIL, althans organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte het medeplegen van deelname aan IS\u002FISIS wordt verweten.\n\nJuridisch kader artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht\n\nDeelneming aan – kort gezegd - een terroristische organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Alvorens te beoordelen of daarvan in dit geval sprake is, zal hierna worden ingegaan op enkele relevante juridische kaders.\n\nTerroristische organisatie\n\nVolgens artikel 140a, eerste lid, Sr moet het gaan om een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het oogmerk van de organisatie - een samenwerkingsverband in al dan niet wisselende samenstelling - moet derhalve zijn gericht op het plegen van (specifieke) misdrijven die zijn opgesomd in artikel 83 Sr, mits begaan met het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk.\n\nOnder terroristisch oogmerk wordt ingevolge artikel 83a Sr verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.\n\nVoor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.\n\nHet gaat bij het misdrijf van artikel 140a Sr dus niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van terroristische misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van die misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van terroristische misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.\n\nDeelneming\n\nVan deelneming aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr kan slechts dan sprake zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband én een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.\n\nDe deelnemingsgedraging behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te worden. Wel zal feitelijk moeten worden vastgesteld waaruit de deelneming precies heeft bestaan. De deelneming moet voor de betrokkene steeds op zichzelf worden beoordeeld.\n\nEen aandeel als hiervoor bedoeld kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand-en-spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.\n\nOf daarvan in een concreet geval sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van dat geval.\n\nTen aanzien van het voor de bewezenverklaring vereiste opzet op het terroristische oogmerk van de organisatie geldt dat voldoende is dat betrokkene in zijn algemeenheid - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.\n\nIS\u002FISIS\u002FISIL\n\nHet gerechtshof Den Haag heeft in eerdere uitspraken al geoordeeld dat IS\u002FISIS\u002FISIL (hierna in zijn algemeenheid ook wel aangeduid als IS) het oogmerk had om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van IS met zich meebrengt het plegen van terroristische misdrijven.Strijdgroepen als IS bereikten in de tenlastegelegde periode hun doelen, waaronder het vervangen van de bestaande politieke structuur door een structuur gebaseerd op de sharia, mede door angst, dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. Zij kunnen aldus worden aangemerkt als organisaties die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, als bedoeld in artikel 140a Sr.\n\nStandpunt Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig het schriftelijk requisitoir, op het standpunt gesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander heeft deelgenomen aan een organisatie met een terroristisch oogmerk in de periode van 1 september 2014 tot 13 maart 2018.\n\nDaartoe is – kort samengevat – het volgende aangevoerd.\n\nDe verdachte heeft zich vanuit een jihadistische\u002Fextremistische ideologie in het kalifaat gevestigd en heeft zich aldaar onder het gezag van het IS-bewind en de daaraan verbonden regels van de sharia gesteld. Zij heeft zich ingelaten met een terroristische organisatie en heeft het collectief getalsmatig versterkt. Zij heeft een gemeenschappelijke huishouding gevoerd met een lid van een terroristische organisatie en heeft gebruikt gemaakt van een woning die door IS ter beschikking is gesteld. Ten slotte heeft zij loon of toelagen ontvangen van IS.\n\nHet Openbaar Ministerie concludeert tevens dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking heeft gehandeld met haar man [echtgenoot verdachte], die lid was van IS, en dat de verdachte het benodigde opzet had; zij was zich bewust van het terroristische oogmerk van IS.\n\nHet Openbaar Ministerie stelt uitdrukkelijk dat elke bijdrage ter verwezenlijking van het oogmerk van IS – waaronder het zorgen voor man, kind en huishouden – gelet op de context die daaraan moet worden gegeven, een deelnemingshandeling is ten behoeve van de terroristische organisatie IS.\n\nIS waardeerde volgens deskundigen immers elkedoor vrouwen geleverde bijdrage, binnen en buiten het strijdgebied, alswezenlijk.Het Openbaar Ministerie heeft in dit verband verzocht het rapport van dr. Jolen over de positie van de vrouw bij IS, alsook de verklaringen van deskundigen drs. F. El-Kamouni-Janssen en dr. M. Coster, die het standpunt van dr. Jolen onderschrijven, bij dit oordeel te betrekken.\n\nOok de wetgever heeft beoogd elke bijdrage aan een terroristische organisatie strafbaar te stellen, aldus het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft in dit kader verzocht bij de beoordeling van het voorgaande het volgende uit de Memorie van Toelichting van 2023 omtrent de verhoging van het strafmaximum voor artikel 140a Sr te betrekken:\n\n“Voor de verwezenlijking van hun doelen zijn terroristische organisaties afhankelijk van deelnemers. Deelnemers aan terroristische organisaties leveren een onmisbare - en onmiskenbare - bijdrage aan de misdadige doelen van die organisatie. Dat doen zij bijvoorbeeld door het plegen of ondersteunen van aanslagen en andere ernstige misdrijven in naam van deze organisaties. Maar ook alleen al door zich in te laten met een terroristische organisatie versterken deelnemers het collectief getalsmatig, waarmee zij tevens de aantrekkingskracht van die organisatie op anderen doen toenemen. (…) Door zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie versterken de deelnemers deze organisatie ook getalsmatig. Daarmee wint die organisatie aan kracht en wordt deze (nog) bedreigender.”\n\nStandpunt verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nDaartoe is – kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte niet tot IS behoorde en dat evenmin gebleken is dat de verdachte een aandeel heeft gehad in, dan wel ondersteuning zou hebben geboden aan gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de IS. Het voeren van een gemeenschappelijk huishouding an sichis onvoldoende om de verdachte als deelnemer van IS aan te kunnen merken.\n\nOordeel van het hof\n\nFeiten\n\nAan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nDe verdachte is in september 2014 tezamen met haar echtgenoot vanuit Turkije naar Syrië vertrokken en heeft daar gewoond in een dorp in de provincie Deir Es-Zor. Dat gebied was toen in handen van de terroristische organisatie Islamitische Staat (hierna: IS). Zij hebben daar tot ongeveer 1 december 2017 gewoond, in welke periode zij twee kinderen kregen, en leefden van het geld dat zij uit Turkije hadden meegenomen. Toen de bombardementen dichterbij kwamen zijn zij gevlucht. Zij zijn onderweg naar Turkije opgepakt en vervolgens gedetineerd. De verdachte heeft met haar kinderen daarna vastgezeten in onder meer kamp al Roj en is op 2 november 2022 aangehouden op Vliegbasis Eindhoven. Van haar echtgenoot is niet meer vernomen.\n\nVoor haar vertrek naar Syrië wist de verdachte dat daar een burgeroorlog gaande was. Verdachtes echtgenoot wilde naar de Islamitische Staat in Syrië verhuizen om zijn geloof te praktiseren. De verdachte is hem in zijn voornemen gevolgd.\n\nGedurende het verblijf van de verdachte in Deir al Zor heeft zij hoofdzakelijk huishoudelijke taken verricht. Zij heeft verder niet gewerkt in Syrië. Haar man hielp in het huishouden en was daarnaast werkzaam als verkeerscontroleur op straat. Volgens de verdachte kan het zijn dat dat voor IS was.\n\nNiet kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte en haar echtgenoot verbleven in een huis dat door IS ter beschikking was gesteld. Alleen de broer van de verdachte heeft als getuige in 2018 bij de politie verklaard dat het huis waarin verdachte en haar echtgenoot verbleven en de auto waarin zij reden, waren achtergelaten door mensen die waren gevlucht. Over die verklaring heeft deze getuige bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij toen verdovende middelen gebruikte en onder invloed kan zijn geweest. Hij weet niet of wat hij bij de politie heeft verklaard klopt. Hij heeft de verdachte nooit gesproken toen zij in Syrië woonde en haar echtgenoot één keer, maar toen hebben zij het over niets gehad. Zij hebben elkaar geen berichten gestuurd. Hij verklaarde verder bij de raadsheer-commissaris dat hij niets wist over het dagelijks leven van de verdachte noch over waar zij heeft gewoond in Syrië. Evenmin wist deze getuige hoe buitenlanders in IS gebied aan huizen of vervoermiddelen kwamen. Het hof acht de bij de politie afgelegde verklaringen van deze getuige onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te bezigen. Het hof kan daardoor niet vaststellen dat de verdachte in Syrië in het huis woonde of in de auto reed van iemand die was gevlucht.\n\nEvenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte zich in het kalifaat heeft gevestigd vanuit een jihadistische\u002Fextremistische ideologie. Tot slot kan niet worden vastgesteld dat de verdachte loon of een toelage van IS heeft ontvangen, zoals de advocaat-generaal heeft aangevoerd.\n\nBehoren tot de organisatie\n\nAls eerste vereiste voor het deelnemen als bedoeld in artikel 140a lid 1 Sr geldt, zoals hiervoor aangegeven, dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband van de organisatie. Indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat daarvan sprake is geweest, dan volgt reeds daaruit dat de verdachte de organisatie getalsmatig heeft versterkt. Daarmee is echter op zichzelf nog niet gegeven dat zij aan de organisatie heeft deelgenomen in de zin van artikel 140a lid 1 Sr. Daarvoor geldt immers nog een ander vereiste. Het hof overweegt daarover het volgende.\n\nDeelnemingsgedraging\n\nAls tweede vereiste geldt dat de verdachte een aandeel heeft in gedragingen, dan wel deze ondersteunt, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande in art. 140a lid 1 Sr bedoelde oogmerk.\n\nElke bijdrage of ondersteuning aan een organisatie kan strafbare deelneming aan die organisatie opleveren. Welke deelnemingsgedragingen aan dit criterium voldoen is in zijn algemeenheid niet te zeggen.\n\nNiet iedere bijdrage van een persoon, behorende tot het samenwerkingsverband van de organisatie, leidt aldus tot deelneming in de zin van die bepaling. Er dient een aantoonbare relatie te bestaan tussen de deelnemingsgedraging en het oogmerk van de organisatie. Verder wordt de deelneming voor de verdachte op zichzelf beoordeeld.Of bijvoorbeeld haar echtgenoot een belangrijker rol vervulde dan de verdachte is niet van belang.\n\nIn de literatuur over artikel 140 Sr. benadrukt De Vries-Leemans dat het ‘ondersteunen van’ méér impliceert dan alleen de zogenaamde ‘moral support’, het ermee instemmen dat strafbare feiten worden gepleegd. De deelnemer dient activiteiten te ontplooien, gericht op de verwezenlijking van het misdadig oogmerk.De deelnemingsgedragingen kunnen zich zeer ver in het voorveld van de te plegen misdrijven afspelen.Hoe verder evenwel een gedraging verwijderd is van de uiteindelijke verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, hoe meer zich de vraag opdringt of die gedraging voor de organisatie van zo wezenlijke betekenis is dat nog van strafbare deelneming aan die organisatie kan worden gesproken.Buruma stelt zich op het standpunt dat sprake moet zijn van het plegen van enigszins concrete feiten. Hij schrijft: “Je moet iets gedaan hebben dat als het ware vooruit wees naar het delict. Strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat niet reeds met het aanwezig zijn in fout gezelschap, zelfs als men dezelfde opvattingen erop nahoudt als de leden van de foute groep.”In de conclusie vóór HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:448 stelde de advocaat-generaal: “de deelnemers aan een organisatie die in de criminele tak ervan geen enkele rol spelen [blijven] buiten schot.” Volgens Lintz blijft het schoonmaken en koffiezetten in een bedrijfspand van een autobedrijf dat tot oogmerk heeft zijn klanten op te lichten buiten het bereik van art. 140 Sr.\n\nOok uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat – hoewel ook minder actieve gedragingen onder deelneming kunnen worden gebracht- niet ieder mogelijk verband tussen de activiteiten van een deelnemer aan de organisatie en het oogmerk volstaat om te kunnen spreken van het hebben van een aandeel in dan wel ondersteunen van gedragingen die strekken tot of rechtsreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.\n\nIn HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161 (Hofstadgroep) stond vast dat de verdachte:\n\nmeermalen bijeenkomsten heeft bijgewoond waarbij over de gewelddadige verspreiding van de islam werd gesproken en waarbij beeldmateriaal is vertoond waarop onthoofdingen en liquidaties te zien zijn;\n\ngeschriften heeft verzameld en documenten van internet heeft gedownload met betrekking tot de gewelddadige jihad;\n\naan elektronisch berichtenverkeer heeft deelgenomen waarin die gewelddadige jihad wordt gepropageerd; en ook\n\nbeeldmateriaal en vlaggen heeft verzameld die met de gewelddadige jihad in verband te brengen zijn.\n\nDe Hoge Raad oordeelde dat uit deze gedragingen van de verdachte niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in gedragingen, of deze heeft ondersteund, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisaties bestaande oogmerk en derhalve aan die organisaties heeft \"deelgenomen\" in de hiervoor bedoelde betekenis.Dat aan het bewijs van het delictsbestanddeel “deelneming” hogere eisen worden gesteld volgt ook uit HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:400, waarin niet meer was vastgesteld dan dat de verdachte als (voormalig) leidinggevende of baliemedewerker betrokken is geweest bij een coffeeshop en dat hij in familierelatie staat tot medeverdachten van de handel in hennep en hasjiesj.\n\nOver het begrip “ondersteunen van” schreef N. Keijzer in zijn noot bij HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012: BW5178, NJ 2012\u002F658 (Hofstadgroep): “evenals van strafbare medeplichtigheid slechts sprake kan zijn indien het desbetreffende misdrijf is bevorderd, veronderstelt mijns inziens de term “ondersteunt”, dat de betrokkene het plegen van misdrijven als door de organisatie beoogd bevordert, in die zin dat het gevaar van verwezenlijking van die misdrijven wordt vergroot.”Volgens De Hullu strekken de zware strafbedreigingen van art. 140 en 140a Sr zich dan niet tevens uit tot onschadelijke activiteiten.\n\nVoor zover het standpunt van het Openbaar Ministerie aldus moet worden begrepen, dat de aangehaalde passage in de Memorie van Toelichting van 2023 omtrent de verhoging van het strafmaximum voor artikel 140a Sr dwingt tot een andere uitleg van het begrip deelneming dan hiervoor is weergegeven, waarbij reeds het behoren tot het samenwerkingsverband – waarmee deze getalsmatig wordt versterkt – voldoende is, zonder dat daarnaast sprake hoeft te zijn van een deelnemingsgedraging in vorenbedoelde zin, volgt het hof het OM daarin niet.\n\nVerder overweegt het hof dat de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van deelneming in de zin van artikel 140a Sr, is voorbehouden aan de rechter en dient te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval, zoals deze uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Dat een terroristische organisatie zelf bepaalde handelingen in het algemeen als van groot belang voor de organisatie beschouwt – zoals uit het rapport van dr. Jolen naar voren komt - is daarvoor niet zonder meer bepalend.\n\nDe onderhavige zaak\n\nIn de onderhavige zaak heeft – zoals hiervoor reeds is vastgesteld - de in IS gebied woonachtige verdachte zorggedragen voor de huishouding, die zij deelde met haar man die daar – mogelijk voor IS – verkeerscontroleur was.\n\nMede gelet op de omstandigheden die onvoldoende waren voor een bewezenverklaring in het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad uit 2012, is het hof van oordeel dat de gedraging van de verdachte – het verrichten van huishoudelijk werk – niet kwalificeert als gedraging die bijdraagt aan de verwezenlijking van het oogmerk van IS. Dit huishoudelijk werk is verder verwijderd van de verwezenlijking van het terroristisch oogmerk van IS dan het deelnemen aan berichtenverkeer van de Hofstadgroep, waarin de gewelddadige Jihad werd gepropageerd van het oogmerk van die organisatie.\n\nAnders dan het Openbaar Ministerie aanvoert miskent het hof daarmee niet dat ook min of meer onschuldige hand- en spandiensten een strafbare deelneming kunnen opleveren. Evenmin miskent het hof de stelling dat IS elke door vrouwen geleverde bijdrage, binnen en buiten het strijdgebied, waardeerde als wezenlijk – ook het verrichten van huishoudelijk werk. Het verrichten van huishoudelijk werk door de verdachte voldoet echter niet aan het criterium “het hebben van een aandeel in of bieden van ondersteuning aan gedragingen die strekken tot of rechtsreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk” omdat deze gedraging te ver verwijderd is van de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van IS.\n\nHet voorgaande betekent dat niet is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht en dat zij van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.\n\nFeit 2: voorbereidings- en bevorderingshandelingen\n\nOnder feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat zij – kort gezegd – al dan niet in vereniging met een ander of anderen, voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen heeft verricht om misdrijven te plegen als brandstichting, doodslag en\u002Fof moord met een terroristisch oogmerk.\n\nJuridisch kader artikel 96 lid 2 Sr\n\nDe in artikel 96, tweede lid, Sr beschreven voorbereidings- en bevorderingshandelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. Voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet.\n\nHet misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen kunnen in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van het terroristisch misdrijf worden afgeleid.\n\nStandpunt Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de in het schriftelijk requisitoir vermelde feiten en omstandigheden de onder 2 tenlastegelegde gedragingen zoals weergegeven onder A, B, C en D bewezen kunnen worden verklaard.\n\nUit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte (waar de familie van de verdachte over heeft verklaard) en de vaststelling dat de verdachte een bepaalde versie van de jihad aanhing, trekt het Openbaar Ministerie de conclusie dat sprake is van het oogmerk op het voorbereiden van terroristische misdrijven. Indien geen oogmerk in de zin van bedoeling of naaste doel kan worden vastgesteld, is in ieder geval sprake van oogmerk in de zin van noodzakelijkheidsbewustzijn.\n\nHet Openbaar Ministerie acht niet bewezen hetgeen ten laste gelegd is onder E.\n\nStandpunt verdediging\n\nDe raadsman heeft zich overeenkomstig zijn pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Voor de onderdelen A tot en met E ontbreekt wettig en overtuigend bewijs. Daarnaast kan niet worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om terroristische misdrijven te bevorderen of voor te bereiden, aldus de raadsman.\n\nOordeel van het hof\n\nDe onder E (het deelnemen of bijdragen aan de gewapende jihadstrijd) tenlastegelegde gedraging acht het hof - met het Openbaar Ministerie en de verdediging - niet bewezen.\n\nOnder A, B, C en D is — verkort weergegeven — tenlastegelegd dat de verdachte zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de door IS gevoerde Jihadstrijd heeft eigen gemaakt (A), zich heeft laten informeren over afreizen naar en\u002Fof verblijven in het strijdgebied in Syrië (B), dat zij is afgereisd naar het strijdgebied (C) en dat zij zich gevoegd heeft bij een IS strijder en\u002Fof met hem een gezamenlijk huishouden heeft gevoerd (D).\n\nHet hof acht niet bewezen dat de verdachte de onder A genoemde gedraging heeft begaan. Anders dan het Openbaar Ministerie, is het hof van oordeel dat niet uit het dossier blijkt dat de verdachte zich extremistisch gedachtegoed eigen heeft gemaakt. Enkel uit de berichten die de verdachte aan het einde van haar verblijf in het IS-gebied heeft verstuurd, waarin zij sprak over ‘ongelovigen’ en ‘martelaar’, kan dit niet volgen.\n\nIndien er vervolgens veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat de feitelijke gedragingen van de onderdelen B, C en D kunnen worden bewezen, dan is daarmee nog niet het bewijs geleverd dat de verdachte deze gedragingen heeft gedaan met het oogmerk om de in de tenlastelegging genoemde terroristische misdrijven voor te bereiden of te\n\nbevorderen, ook niet indien deze onderdelen in onderlinge\n\nsamenhang worden beschouwd.\n\nDat de verdachte samen met haar man naar Syrië is afgereisd, daar in IS gebied heeft verbleven en een huishouding met haar (mogelijk voor IS werkende) man heeft gevoerd, betekent niet zonder meer dat bij de verdachte het hiervoor bedoelde oogmerk bestond. Om een dergelijke conclusie te kunnen trekken is meer informatie nodig over de beweegredenen van de verdachte, bijvoorbeeld dat zij een bepaalde versie van de jihad aanhing en\u002Fof naar Syrië vertrok om op enigerlei wijze deel te nemen of bij te dragen aan de gewapende strijd. Het procesdossier bevat dergelijke informatie niet en dit is evenmin op grond van het verhandelde ter terechtzitting duidelijk geworden.\n\nOver de beweegredenen van de verdachte om uit te reizen naar Syrië kan het hof niet meer vaststellen, dan dat zij haar man is gevolgd. De verdachte heeft hieromtrent in eerste aanleg verklaard: “Mijn man zei op enig moment dat hij naar Syrië wilde. Ik zei toen: dat is goed. Wij wilden daar gaan wonen. (…) Ik deed wat hij zei. Hij was liefdevol en zorgzaam en hij wilde zijn geloof praktiseren. Hij pushte mij niet, ik deed met hem mee. Ik wilde gewoon aandacht en liefde van hem”en “Ik wilde gewoon bij mijn man zijn. Als hij naar China was gegaan, was ik ook meegegaan.”\n\nHet hof acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het oogmerk had om een of meer van de terroristische misdrijven, bedoeld in het onder 2 tenlastegelegde, voor te bereiden of te bevorderen, noch dat de verdachte moet hebben beseft dat dit een noodzakelijk, en dus door haar gewild gevolg was van haar handelen. De verdachte zal dan ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nHeft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.\n\nDit arrest is gewezen door mr. D.M. Thierry, als voorzitter, en, leden, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. M.A.J. van de Kar, in bijzijn van de griffier\n\nmr. F.A. Janse.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 maart 2025.\n\nZie o.a. Gerechtshof Den Haag 25 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2024:2298, Gerechtshof Den Haag 6 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3879; Gerechtshof Den Haag 18 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2492; Gerechtshof Den Haag 26 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:102.\n\nKamerstukken 36 460 nr. 3, Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de verhoging van het strafmaximum voor deelneming aan een terroristische organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van de meest ernstige terroristische misdrijven (aanscherping artikel 140a Sr) van 15 november 2023.\n\n HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969 rov. 2.4.3.\n\n M.J.H.J. de Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht, 1995, blz. 149.\n\n Ibid. blz. 150\n\n Ibid. blz. 188.\n\n Y. Buruma, De gedraging als element van het strafbare feit, DD 2006\u002F58.\n\n J.M. Lintz, De plaats van de Wet terroristische misdrijven in het materiele strafrecht, 2007, blz. 152\u002F153.\n\n Zie HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264. Het passief consumeren van radicaal gedachtengoed volstaat echter niet, zie de conclusie advocaat-generaal vóór HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:448.\n\n Zo ook in een andere Hofstadgroepzaak: HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5132.\n\n Zie ook de conclusie van de advocaat-generaal (onder nr. 16) vóór HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1741.\n\n J. de Hullu, Materieel strafrecht, 2021, VII.1.5.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:1019","2025-05-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:10.255Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":131,"fullText":132,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":133,"sourceTimestamp":134,"parsedAt":51,"updatedAt":135},"1196","ECLI:NL:GHARL:2025:1106","ecli-nl-gharl-2025-1106","2025-02-17T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-002796-24\n\nUitspraak : 17 februari 2025\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittinghoudende te Arnhem, van 23 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 05-054319-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis van 23 november 2023 waarvan beroep heeft de politierechter, onder vernietiging van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, de verdachte ter zake van ‘bedreiging met zware mishandeling’ (feit 1) en ‘wederspannigheid’ (feit 2), veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis, waarbij de politierechter heeft bepaald dat voormelde geldboete mag worden voldaan in vijf termijnen van elk € 100,00 per maand.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een geldboete van € 500,00, al dan niet te voldoen in vijf maandelijkse termijnen van elk € 100,00.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde vrijspraak bepleit en zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde – naar het hof begrijpt – gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. zij op of omstreeks 28 januari 2023 te Nijmegen [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen:\n\n- “ je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en\u002Fof\n\n- ( meermalen) “Ik sla je kop kapot”,\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n2. zij op of omstreeks 28 januari 2023 te Nijmegen, zich met geweld en\u002Fof bedreiging met geweld, heeft verzet tegen (een) politieambtena(a)r(en) [verbalisant 1] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en\u002Fof [verbalisant 2] , hoofdinspecteur van de politie-eenheid Oost-Nederland, en\u002Fof [verbalisant 3] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en\u002Fof [verbalisant 4] , hoofdagent van de politie-eenheid Oost-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhaar\u002Fhun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door:\n\n- met een van haar armen slaande bewegingen te maken richting voornoemde verbalisant(en),\n\n- meermaals met kracht (proberen) zich los te rukken en te draaien in de tegenovergestelde richting als waarin voornoemde verbalisant(en) haar probeerden te brengen,\n\n- meermaals met kracht richting voornoemde verbalisant(en) te schoppen en daarbij verbalisant [verbalisant 2] te raken, en\u002Fof\n\n- verbalisant [verbalisant 3] te krabben en\u002Fof te bijten.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. zij op 28 januari 2023 te Nijmegen [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen:\n\n- “ je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en\u002Fof\n\n- ( meermalen) “Ik sla je kop kapot”,\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n2. zij op 28 januari 2023 te Nijmegen, zich met geweld, heeft verzet tegen politieambtenaren [verbalisant 1] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 2] , hoofdinspecteur van de politie-eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 3] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 4] , hoofdagent van de politie-eenheid Oost-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door:\n\n- met (een van) haar armen slaande bewegingen te maken richting voornoemde verbalisant(en),\n\n- meermaals met kracht proberen zich los te rukken en te draaien in de tegenovergestelde richting als waarin voornoemde verbalisant(en) haar probeerde(n) te brengen,\n\n- meermaals met kracht richting voornoemde verbalisant(en) te schoppen en daarbij verbalisant [verbalisant 2] te raken.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Nederland, op ambtsbelofte opgesteld door verbalisant [verbalisant 5] , hoofdagent van politie, registratienummer PL0600-2023043906, gesloten d.d. 2 maart 2023, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 90.\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 januari 2023 (pg. 6-9), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde] :\n\nFeit: Bedreiging\n\nPlaats delict: [adres 2]\n\nPleegdatum\u002Ftijd: Tussen zaterdag 28 januari 2023 om 21:13 uur en\n\nzaterdag 28 januari 2023 om 21:23 uur\n\nMijn naam is [benadeelde] en ik ben werkzaam als beveiliger en toezichthouder bij [bedrijf 1]\n\n . In opdracht van de Nederlandse Spoorwegen stond ik bij het centraal station\n\nin Nijmegen. Vanavond (het hof begrijpt: 28 januari 2023) stond ik omstreeks 21.10 uur op het centraal station bij de poortjes voor de [bedrijf 2] . Ik stond daar om te controleren of mensen ook met een toegangsbewijs het station op kwamen. Ik zag 3 personen die mij opvielen. Ze vielen mij op omdat ze er onverzorgd uitzagen. Het waren twee mannen en één vrouw.\n\nvrouw:\n\n- lang blond haar;\n\n- slank postuur;\n\n- blanke huidskleur;\n\n- ongeveer 1 meter 75 cm lang;\n\n- lichtkleurige winterjas.\n\nDe vrouw die sprak mij aan en vertelde mij iets over dat ze tegen doktersadvies uit\n\nhet ziekenhuis was gelopen, dat ze niet mobiel was en geen puf meer had om een\n\nkaartje te kopen. Ik heb haar toen uitgelegd dat ze een kaartje moest kopen omdat ze\n\nanders niet mee mocht reizen.\n\nZe pakte haar pinpas en gaf deze aan man 2 en vertelde daarbij mondeling haar\n\npincode. Omdat mevrouw haar pincode luid opnoemde, zei ik tegen haar dat het\n\nmisschien niet zo handig was, omdat anderen dit mee konden luisteren.\n\nDit was het moment dat mevrouw verbaal agressief werd in mijn richting. (…) Ze was erg kwaad. Ze schreeuwde door de hele hal heen en iedereen kon het horen. Het was erg druk op het station op dit moment. Ik vond het respectloos hoe ze tegen mij praatte. Het ging van 0 naar 100 in enkele seconden. We liepen op dat moment in de richting van de kaartjesautomaat.\n\nHet was op dit moment dat ik onze meldkamer had ingeschakeld, dat ik politie met spoed\n\ndeze kant op wilde hebben. Ik had het gevoel dat het uit de hand zou lopen.\n\nVanwege haar agressieve en storende gedrag zei ik tegen haar dat ze niet met de trein\n\nmee mocht. Dit heb ik gedaan vanwege het gedrag wat zij vertoonde.\n\nDit mag ik doen als toezichthouder op het station.\n\nDe vrouw was telkens de confrontatie aan het opzoeken en ging steeds dicht op mij\n\nstaan.\n\nDe vrouw uitte meerdere opmerkingen in mijn richting, zoals:\n\n- “ je moet je rug in de gaten houden want ik onthoud je gezicht”;\n\n- “ ik sla je kop kapot”;\n\n- of woorden van gelijke strekking.\n\nZe herhaalde steeds dat ze mijn kop kapot zou slaan. Met name dat maakte mij angstig.\n\nIk had het gevoel dat ze dit misschien ook echt wel zou kunnen doen omdat ze met zijn\n\ndrieën waren.\n\nAan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.\n\n2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 februari 2023 (pg. 10-12), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :\n\nOp zaterdag 28 januari 2023, omstreeks 21.15 uur, was ik aan het werk bij de\n\nsnackbar de [bedrijf 3] . Deze snackbar van [bedrijf 3] is gelegen in de hal van het station\n\nNijmegen. Deze snackbar staat in een openverbinding met de stationshal en is niet\n\nafgesloten door middel van een deur of iets dergelijks. De stationshal is goed\n\nverlicht en vanuit de snackbar heb ik goed zicht in de stationshal in het gedeelde (het hof begrijpt: gedeelte) tussen de ingang van het station en de toegangspoortjes.\n\nDiezelfde dag, omstreeks dezelfde tijd, hoorde ik hard geschreeuw vanuit de\n\nstationshal. Ik zag dat er vanaf de toegangspoortjes een blonde vrouw liep, richting\n\nde uitgang van het station. Ik zag dat deze vrouw er slecht gekleed uitzag. Ik\n\nvermoedde dat zij dakloos was. Ik zag dat achter haar een vrouw van de beveiliging\n\nliep, in uniform gekleed.\n\nIk zag dat er bij de blonde vrouw twee mannen liepen met haar in de zelfde richting. Zij liepen vlak naast haar. Ik hoorde en zag dat het geschreeuw wat ik hoorde van de blonde vrouw afkwam. Ik zag aan haar gezichtsrichting en het wijzen dat zij zich richtte tot de beveiligster. Ik liep vervolgens de snackbar uit. Ik zag dat de blonde vrouw en de beveiligster, nog in de stationshal, bij de ticketmachine, vlakbij de uitgang van het station stonden. Ik was erg nieuwsgierig wat er aan de hand was. Ik liep hierop nonchalant langs de\n\nblonde vrouw en de beveiligster. Toen ik ter hoogte van de broodjes zaak liep, in de stationshal, waren de blonde vrouw en de beveiligster op ongeveer 5 meter afstand van mij. Ik hoorde de blonde vrouw roepen, op een schreeuwende\u002Fboze toon naar de beveiligster: “Ik zou maar achterom blijven kijken als ik jou was” Ook hoorde ik de blonde vrouw roepen “Ik ga je slaan”, of woorden van gelijke strekking.\n\nIk zag dat de blonde vrouw door de twee mannen werd tegen gehouden en zij haar vasthielden.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 januari 2023 (pg. 13-15), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 6] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :\n\nOp 28.01.2023 waren wij, verbalisanten [verbalisant 6] , [verbalisant 4] en [verbalisant 3] in herkenbaar\n\ndienstuniform gekleed en waren wij belast met de incidentenafhandeling voor het\n\ngebied Nijmegen-Zuid. Omstreeks 21.12 uur kregen collega’s een melding van overlast dronken personen op [adres 2] . Wij vroegen aan de meldkamer of zij ons wilden koppelen aan de melding. Hierop zijn wij gaan rijden naar het desbetreffende adres.\n\nEenmaal aangekomen op [adres 2] zag ik, verbalisant [verbalisant 6] , een man naar\n\nons zwaaien. Ik hoorde dat de man zei “De mensen waar jullie voor komen lopen daar.”\n\nIk zag dat de man wees in de richting van de Van Oldenbarneveltstraat. Ik hoorde dat\n\n(…) dat het ging om twee heren en een blonde dame.\n\nIk, verbalisant [verbalisant 6] , hoorde dat [verdachte] zei dat ze niet met de trein mocht. Ik\n\nhoorde dat ze zei dat er een beveiliger was op het centraal treinstation Nijmegen\n\nwelke haar had verteld dat ze niet met de trein mocht reizen. Ik, verbalisant [verbalisant 6] , hoorde via het operationeel centrum dat de 51.01 en de 51.02 op het centraal treinstation van NS te Nijmegen waren om een aangifte van bedreiging op te nemen. [verdachte] zou deze bedreigingen hebben geuit. Ik, verbalisant [verbalisant 6] zag dat de collega’s van de 51.02 ter plaatse kwamen. Ik zag dat de collega’s onze kant op liepen. Ik hoorde dat de collega’s van de 51.02 zeiden “Ja die kan worden aangehouden”. Ik hoorde dat de collega’s van de 51.02 zeiden dat [verdachte] was aangehouden voor bedreiging.\n\nWij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , ondersteunden direct de collega’s van de 51.02\n\ndoor [verdachte] onder controle te brengen. Ik, [verbalisant 3] , zag en voelde dat [verdachte]\n\nvolledig in het verzet ging. Ik zag en voelde dat zij zich niet onder controle wilde\n\nlaten brengen. Wij, [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , probeerden samen met de politiecollega’s van\n\nde 51.02 [verdachte] verder onder controle te brengen. Hierop hebben wij\n\ncontroletechnieken gebruikt. Ik zag dat [verdachte] mij en mijn collega’s probeerde te schoppen. Ik, [verbalisant 4] , heb een polsklem aangelegd (…). Daarnaast heb ik een overstrekking van de duim toegepast omdat verdachte met een hand de handboeien vasthield, waardoor ik de handboeien niet om haar tweede hand kon vastmaken. De absolute controle konden wij, [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en politiecollega’s van de 51.02, niet krijgen. Hierop hebben wij uiteindelijk besloten om ook de handboeien om haar enkels te doen om [verdachte] horizontaal te kunnen vervoeren.\n\nVoor verdere details omtrent de aanhouding verwijzen wij naar het proces-verbaal\n\nvan aanhouding binnen dit procesnummer.\n\nVerdachte:\n\nAchternaam: [verdachte]\n\nVoornamen: [verdachte]\n\nGeboren: [geboortedag] 1975\n\nGeboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland\n\n [verbalisant 3] , werkzaam als brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n [verbalisant 4] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n4. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 28 januari 2023 (pg. 67-69), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :\n\nOp zaterdag 28 januari 2023 om 21:25 uur, werd door ons op de locatie [adres 2]\n\n , aangehouden als verdachte:\n\nAchternaam: [verdachte]\n\nVoornamen: [verdachte]\n\nGeboren: [geboortedag] 1975\n\nGeboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland\n\nGrond aanhouding\n\nOp heterdaad als verdachte van overtreding van artikel 285\u002F1 Wetboek van Strafrecht.\n\nBevindingen\n\nWij verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waren belast met de noodhulpsurveillance en als\n\nzodanig ook in politie uniform gekleed. Ons roepnummer was 51-02. De politie\n\nmeldkamer stuurde ons naar [adres 2] . Aldaar zou een medewerkster\n\nvan de beveiliging van de NS bedreigd worden. Ter plaatse zagen wij dat een andere\n\neenheid met roepnummer 52-01 reeds ter plaatse was en met de beveiliger van de NS in\n\ngesprek was. Wij hoorden dat de collega’s van deze eenheid aangaven dat de\n\nmedewerkster van de NS bedreigd was met de dood. Wij kregen een signalement te horen\n\nvan de verdachte, te weten een blanke vrouw met blond haar vergezeld van 2 mannen.\n\nEven later zagen wij een andere eenheid, naar later bleek de 52-02 met collega’s\n\n [verbalisant 3] en [verbalisant 4] op [adres 2] rijden vlak bij de Van Oldenbarneveltstraat.\n\nZe zeiden dat ze de personen getroffen hadden die betrokken waren geweest bij de\n\nbedreiging.\n\nWij gingen er naar toe.\n\nWij [verbalisant 1] en [verbalisant 2] reden naar de collega’s in gesprek met de bedreigde NS\n\nmedewerkster. Collega vertelde dat de NS medewerkster aangifte wilde doen. Ze was\n\nbedreigd met de woorden: “Ik sla je kop eraf, ik maak je dood.” Althans woorden van\n\ngelijke strekking.\n\nHierna reden we terug naar de 52-02 waar de vrouw met de twee mannen stond te\n\nwachten.\n\nIk [verbalisant 1] sprak de vrouw aan en deelde haar mede dat de NS medewerker aangifte deed\n\nomdat zij haar bedreigd had. Ik deelde haar ook mede dat ze was aangehouden en dat ze\n\nmee moest naar het politiebureau ter voorgeleiding bij een hulpofficier van politie.\n\nIk hoorde de vrouw meteen luider sprekend: “Jullie nemen mij helemaal niet mee, dat\n\ngaat niet gebeuren.” Ik, [verbalisant 1] , pakte de vrouw vast bij haar rechteronderarm en\n\nbewoog haar in de richting van de achter mij staande politiebus. De vrouw begon\n\nvrijwel meteen te schreeuwen dat ze niet mee ging en maakte slaande bewegingen met\n\nhaar vrije arm en probeerde zich los te rukken en te draaien in de tegenovergestelde\n\nrichting als waarin ik haar wilde brengen. Mijn collega [verbalisant 2] pakte haar andere\n\narm vast en hierna bleef ze schreeuwen en draaien en begon ze in onze richting te\n\nschoppen. Deze schoppen konden wij ontwijken en ik [verbalisant 1] bracht de vrouw naar de\n\ngrond om haar verzet te laten ophouden. Dit is haar meermalen gezegd, maar ze bleef\n\nzogezegd wild spartelen om los te komen. Ik [verbalisant 1] kreeg uiteindelijk haar\n\nrechterarm onder controle nadat collega [verbalisant 4] de vrouw op de grond drukte. Ik heb\n\ndeze arm geboeid en daarna bleef de vrouw spartelen, (…) bleef ze schoppen. De andere handboei werd aangelegd en collega [verbalisant 2] hield hierna de benen vast.\n\nWij wilden haar naar de politiebus brengen en [verbalisant 2] liet haar benen los zodat ze\n\nzelf zou kunnen lopen. Meteen hierna begon ze weer in onze richting te schoppen en\n\n [verbalisant 2] werd daarbij geraakt, zonder dat dit overigens pijn deed (opm. [verbalisant 2] ).\n\nHierna heb ik [verbalisant 1] haar op de buik gedraaid en collega [verbalisant 4] ging op de vrouw\n\nzitten, waarna ik samen met [verbalisant 2] de enkels van de vrouw met een andere set\n\nhandboeien aan elkaar kon vastmaken, waarna ze stopte met trappen.\n\n [verbalisant 1] , werkzaam als brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n [verbalisant 2] , werkzaam als hoofdinspecteur bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n5. Het proces-verbaal van de in de zaak gehouden terechtzitting in hoger beroep, van 3 februari 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :\n\nDe verdachte verklaart op vragen van de voorzitter als volgt:\n\nHet klopt dat ik op 28 januari 2023 omstreeks 21:25 uur aanwezig was op het centraal station in Nijmegen en dat ik toen ben aangesproken door een medewerkster van de beveiliging. Ik moest van haar een kaartje kopen. Het klopt dat de politie ter plaatse is gekomen en dat ik door de politie ben aangehouden. Daarop ontstond een worsteling en ben ik op enig moment op de grond beland. Ik ben toen gaan spinnen\u002Fdraaien en daarbij heb ik van mij afgetrapt.\n\nBewijsoverwegingen\n\nI.\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nII.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 1 tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsman – in de kern weergegeven – aangevoerd dat op grond van de stukken in het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de in de tenlastelegging vermelde woorden heeft gebezigd. Meer in het bijzonder kan het steunbewijs daarvoor niet worden gevonden in de getuigenverklaring (van het hof begrijpt: getuige [getuige]), nu die getuige niet heeft verklaard dat hij de tenlastegelegde uitingen heeft gehoord. Hoewel kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft gezegd dat zij aangeefster ging slaan, kunnen die woorden noch de woorden “ik sla je kop kapot” gekwalificeerd worden als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, aldus de raadsman.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nOp grond van de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat er op 28 januari 2023 in de stationshal van het centraal station in Nijmegen een conflict c.q. woordenwisseling is ontstaan tussen de verdachte en aangeefster [benadeelde] , waarbij de verdachte zich verbaal agressief heeft opgesteld jegens aangeefster. Aangeefster heeft in haar aangifte verklaard dat de verdachte haar daarbij heeft toegevoegd: “je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en (meermalen) de woorden: “ik sla je kop kapot”, althans woorden van gelijke strekking. De getuige [getuige] heeft verklaard dat de verdachte naar aangeefster schreeuwde: “Ik zou maar achterom blijven kijken als ik jou was” en “Ik ga je slaan” of met woorden van gelijke strekking.\n\nGelet op de inhoud van het procesdossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de aangifte van aangeefster. Uit de getuigenverklaring van de onafhankelijke getuige [getuige] volgt dat de verdachte heeft gedreigd om aangeefster te slaan, althans woorden van gelijke strekking. Ook volgt uit de getuigenverklaring dat de verdachte tegen aangeefster heeft gezegd dat – kort gezegd – zij achterom moest blijven kijken. Naar het oordeel van het hof vindt de aangifte aldus voor wat betreft de kern van de bedreiging, namelijk de genoemde geweldshandeling (het slaan) van de verdachte – alsook op het punt van de andere door aangeefster benoemde bedreigende uiting, kort gezegd: het achterom kijken – voldoende steun in de getuigenverklaring van getuige [getuige] . Aldus acht het hof bewezen dat de verdachte de in de tenlastelegging vermelde woorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, heeft gebezigd. Dat de getuigenverklaring op het punt van de precieze door verdachte gebezigde woorden niet geheel overeenstemt met de aangifte, doet daar niet aan af.\n\nIn weerwil van het verweer van de raadsman is het hof voorts van oordeel dat de bewoordingen “je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en “ik sla je kop kapot” – in onderlinge samenhang bezien en de betekenis daarvan naar algemeen taalgebruik in aanmerking nemend – een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling behelst.\n\nHet hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.\n\nGelet op hetgeen in hoger beroep ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde aan de orde is gekomen, ziet het hof reden om nog het volgende te overwegen.\n\nOp grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat naar aanleiding van de hierboven omschreven melding van bedreiging van aangeefster agenten van politie ter plaatse zijn gekomen op het centraal station te Nijmegen. Op enig moment is de politie overgegaan tot aanhouding van de verdachte ter zake van bedreiging. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich daarop met geweld tegen haar aanhouding heeft verzet. In aanmerking genomen dat de agenten werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding op heterdaad van de verdachte, komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde. Het door de raadsman verwoorde verweer van de verdachte inhoudende dat zij zich heeft verdedigd tegen onrechtmatig politiegeweld wordt derhalve verworpen. Dat de aanhouding voorts gepaard zou zijn gegaan met buitenproportioneel geweld is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Uit de ter zake opgemaakte processen-verbaal van politie of anderszins uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kunnen geen aanknopingspunten worden ontleend die de enkele verklaring van de verdachte met die strekking ondersteunen. Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van die processen-verbaal.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling.\n\nHet onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nWederspannigheid, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte zal opleggen een geldboete van € 500,00, al dan niet te voldoen in termijnen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft – onder verwijzing naar de wijze waarop de verdachte is aangehouden, de omstandigheid dat zij te laat in verzekering is gesteld en een dag in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – bepleit dat het hof zal volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag, met daarnaast oplegging van een taakstraf, zulks als stok achter de deur.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nDe raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte te laat in verzekering is gesteld en het hof verzocht om dat vormverzuim ten gunste van de verdachte in de strafoplegging te verdisconteren.\n\nBlijkens het dossier is de verdachte op 28 januari 2023 om 21:25 uur aangehouden ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling, zijnde een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering). De verdachte is die dag om 21:46 uur opgehouden voor onderzoek. Op 29 januari 2023 om 15:40 uur is de verdachte in verzekering gesteld.\n\nOp grond van artikel 56a van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte ter zake van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten ten hoogste negen uur worden opgehouden voor onderzoek. De tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens wordt voor de berekening van deze termijnen niet meegerekend.\n\nUit het vorenstaande volgt aldus dat de verdachte 8 uur en 56 minuten na het bevel ophouding in verzekering is gesteld. Mitsdien is aan de vereisten van strafvordering voldaan en is van een vormverzuim geen sprake. Het andersluidende verweer mist derhalve feitelijke grondslag, zodat het niet kan slagen.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling van aangeefster. Aangeefster was ten tijde van de bedreiging werkzaam als beveiligster op het centraal station in Nijmegen. Toen de verdachte vanwege haar gedrag door aangeefster werd verboden om met de trein te reizen, heeft zij aangeefster bedreigd. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en bij haar gevoelens van onveiligheid en onbehagen teweeggebracht. Naar aanleiding van de bedreiging zijn agenten van politie ter plaatse gekomen en overgegaan tot aanhouding van de verdachte. Daarop heeft de verdachte zich met aanmerkelijk geweld tegen haar aanhouding verzet. Door aldus te handelen heeft de verdachte het gezag van de opsporingsambtenaren ondermijnd en hun werk onnodig en op hinderlijke wijze bemoeilijkt. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 november 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat zij op 21 december 2021 door de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant wegens mishandeling is veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis. Die eerdere veroordeling heeft de verdachte er ogenschijnlijk niet van weerhouden om andermaal een soortgelijk strafbaar feit te plegen.\n\nVerder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte in dat verband verklaard dat zij geen werk heeft en dat sprake is van schulden ten bedrage van € 5.000,- à € 6.000,-.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, passend en geboden. Aldus komt het hof tot een hogere straf dan door de advocaat-generaal gevorderd, nu de door de advocaat-generaal gevorderde straf, naar het oordeel van het hof, onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, in aanmerking genomen dat de feiten waren gericht tegen respectievelijk politieambtenaren in functie en een beveiligingsmedewerkster. Bij dit oordeel heeft het hof voorts nog betrokken dat het hof oplegging van een geldboete, gelet op verdachtes draagkracht, niet opportuun acht.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 180 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nvernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 2 maart 2023 onder CJIB nummer 1132 5420 0501 1866;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door15 (vijftien) dagen hechtenis.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. T. van de Woestijne, voorzitter,\n\nmr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,\n\nen op 17 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Lavrijssen voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:1106","2025-02-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:09.385Z",{"id":137,"ecli":138,"slug":139,"caseNumber":43,"courtId":140,"decisionDate":141,"fullText":142,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":143,"sourceTimestamp":144,"parsedAt":51,"updatedAt":145},"711","ECLI:NL:GHARL:2025:911","ecli-nl-gharl-2025-911",68,"2025-02-10T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-002793-24\n\nUitspraak : 10 februari 2025\n\nTEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 25 oktober 2023 van in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 05-242022-23 en 05-186252-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummers 09-209763-21 en 09-286167-19, tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 1 tenlastegelegde en is hij ter zake van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 7,11 gram cocaïne en ongeveer 1,82 gram heroïne (in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 2 tenlastegelegde) en tweemaal ter zake van belediging van een ambtenaar in functie (in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 3 en in de zaak met parketnummer 05-186252-23 tenlastegelegde) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis.\n\nVoorts heeft de politierechter de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte gelast.\n\nTot slot heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de in de zaak met parketnummer 09-209763-21 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 89 dagen en de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder in de zaak met parketnummer 09-286167-19 opgelegde voorwaardelijke werkstraf afgewezen.\n\nNamens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden, behoudens de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 09-209763-21 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 89 dagen en tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder in de zaak met parketnummer 09-286167-19 opgelegde voorwaardelijke werkstraf.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep voor zover deze is gericht tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 1 is tenlastegelegde.\n\nVoorts heeft de verdediging het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een geldboete.\n\nTot slot heeft de verdediging bepleit dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging met het parketnummer 09-286167-19 zal afwijzen en ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met het parketnummer 09-209763-21 primair bepleit dat het hof deze zal afwijzen en subsidiair dat het hof de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie zal omzetten naar een taakstraf.\n\nOntvankelijkheid hoger beroep\n\nDe verdachte is door politierechter in de rechtbank Gelderland vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\nZaak met parketnummer 05-242022-23:2. hij op of omstreeks 4 juli 2023 te Zutphen opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 7,27 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\n- ongeveer 1,82 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n3. hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 4 juli 2023 te Zutphen, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meerdere ambtena(a)r(en), te weten\n\n [benadeelde 1] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland en\u002Fof\n\n [benadeelde 2] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhaar\u002Fhun bediening, in zijn\u002Fhaar\u002Fhun tegenwoordigheid, een of meerdere malen mondeling heeft beledigd, door hem\u002Fhaar\u002Fhen de woorden toe te voegen: \"Kanker wouten\" en\u002Fof \"Kanker flikker\" en\u002Fof \"Krijg de kanker\", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en\u002Fof strekking.\n\nZaak met parketnummer 05-186252-23 (gevoegd):hij op of omstreeks 19 juli 2023 te Zutphen opzettelijk (een) (politie)ambtena(a)r(en), te weten [benadeelde 2] (hoofdagent Eenheid Oost-Nederland) en\u002Fof [benadeelde 1] (hoofdagent Eenheid Oost-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhaar\u002Fhun bediening, in zijn\u002Fhaar\u002Fhun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem\u002Fhaar\u002Fhen de woorden toe te voegen: \"Jullie zijn kankerlijers\" en\u002Fof \"Flikkers\" en\u002Fof \"Kankerflikkers\", althans woorden van gelijke beledigende aard en\u002Fof strekking.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 05-186252-23 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\nZaak met parketnummer 05-242022-23:2. hij op 4 juli 2023 te Zutphen opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- 7,27 gram cocaïne en\n\n- 1,82 gram heroïne,\n\nzijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n 3. hij op 4 juli 2023 te Zutphen opzettelijk meerdere ambtenaren, te weten\n\n [benadeelde 1] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland en\n\n [benadeelde 2] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: \"Kanker wouten\" en \"Kanker flikker\" en \"Krijg de kanker.\n\nZaak met parketnummer 05-186252-23 (gevoegd):hij op 19 juli 2023 te Zutphen opzettelijk politieambtenaren, te weten [benadeelde 2] (hoofdagent Eenheid Oost-Nederland) en [benadeelde 1] (hoofdagent Eenheid Oost-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: \"Jullie zijn kankerlijers\" en \"Flikkers\" en \"Kankerflikkers\".\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nIndien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nHet in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\neenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.\n\nHet in de zaak met parketnummer 05-186252-23 bewezenverklaarde levert op:\n\neenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nDe politierechter heeft de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de verdachte alle kansen heeft gehad van justitie, maar desondanks zijn leven niet heeft gebeterd.\n\nDe verdediging heeft met een verwijzing naar de LOVS-oriëntatiepunten het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een geldboete.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 7,27 gram cocaïne en 1,82 gram heroïne. Daarnaast heeft hij zich op twee verschillende data schuldig gemaakt aan het beledigen van ambtenaren in functie. Niet alleen getuigt dit gedrag van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag, ook heeft de verdachte de ambtenaren aangetast in hun eer en goede naam. Ambtenaren met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en veiligheid – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen. Dit geldt temeer omdat hun werk het in de regel niet toelaat dat zij zich distantiëren van een situatie waarin zulke gedragingen zich zouden kunnen voordoen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.\n\nHet hof is van oordeel dat in het algemeen genomen bij het bepalen van de strafoplegging aansluiting kan worden gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Voor een belediging is het uitgangspunt de oplegging van een geldboete ter hoogte van € 150,00. Voor zover het feit is begaan tegen (onder andere) een – kort gezegd – ambtenaar in functie, kan de in het oriëntatiepunt genoemde straf worden verhoogd met 33% tot 100%. Ter zake van het opzettelijk voorhanden hebben van harddrugs tussen 0 en 10 gram is het oriëntatiepunt in beginsel een geldboete ter hoogte van € 750,00. In de gevallen waarin het verkopen, afleveren of verstrekken niet te bewijzen is, maar dealen wel aannemelijk is, kan – met de nodige terughoudendheid – ook aansluiting worden gezocht bij het oriëntatiepunt voor dealen van harddrugs vanuit een pand of op straat. Dit oriëntatiepunt gaat uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.\n\nHet hof is van oordeel dat er goede gronden zijn om in de onderhavige zaak af te wijken van voornoemde oriëntatiepunten voor belediging en het voorhanden hebben van harddrugs en motiveert deze afwijking als volgt.\n\nIn de eerste plaats heeft de verdachte zich niet eenmaal schuldig gemaakt aan de belediging van een enkele ambtenaar in functie, waar het voornoemde oriëntatiepunt van uitgaat, maar heeft hij op twee verschillende data twee agenten beledigd.\n\nIn de tweede plaats is het hof van oordeel dat het dossier ten laste van de verdachte meerdere dealerindicaties bevat. Zo was de heroïne verpakt in 9 en de cocaïne in 34 gripzakjes (p. 31 en 32 van het politiedossier). Daarnaast bestond het geldbedrag dat de verdachte bij zich had voornamelijk uit kleine coupures (p. 20 van het politiedossier). Tot slot werd door verbalisanten tijdens het kort volgen van de verdachte waargenomen dat de verdachte zesmaal in contact is geweest met drugsgebruikers of woningen is binnengegaan waarin drugsgebruikers wonend zijn (p. 14 van het politiedossier).\n\nTot slot heeft het hof acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 14 november 2024, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte. Blijkens dit uittreksel heeft de verdachte ondanks zijn nog relatief jonge leeftijd al de nodige justitiële contacten gehad. Bovendien bevond de verdachte zich ten tijde van de pleegdata in de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijk jeugddetentie voor de duur van 89 dagen. Zelfs de dreiging van de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsbenemende straf heeft de verdachte er niet van kunnen weerhouden zich op twee verschillende data schuldig te maken aan strafbare feiten. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.\n\nGelet op voornoemde feiten en omstandigheden hof is van oordeel dat de door de verdediging verzochte strafafdoening, te weten het opleggen van een geldboete, geen recht doet aan de ernst van de gedragingen van de verdachte en acht het hof, met de advocaat-generaal, vanuit het oogpunt van juiste normhandhaving de oplegging van een gevangenisstraf passend en geboden.\n\nTot slot heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken ter terechtzitting in hoger beroep. Het enkele feit dat de verdachte thans werkzaam is in Duitsland, acht het hof van onvoldoende gewicht om van voornoemde normhandhaving af te wijken.\n\nAl het vorenstaande afwegende is het hof van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, passend is bij de persoon van de verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan.\n\nBeslag\n\nConform de rechtbank en de vordering van de advocaat-generaal, zal het hof de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, nader beschreven in het dictum van dit arrest, aan de verdachte gelasten.\n\nVordering tenuitvoerlegging (09-209763-21)\n\nDe officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland heeft bij vordering van\n\n24 oktober 2023 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 december 2022 onder parketnummer 09-209763-21 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 89 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nDe politierechter heeft deze vordering toegewezen en de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 89 dagen gelast.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof conform de politierechter zal beslissen.\n\nDe verdediging heeft primair bepleit dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen, nu voornoemde voorwaardelijk straf is opgelegd ter zake van een geheel ander soort strafbaar feit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie zal omzetten naar een taakstraf.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat de rechter met de oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf enerzijds beoogt de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Immers, als algemene voorwaarde bij een voorwaardelijke straf is gesteld dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Ten overvloede merkt het hof hierbij op dat ziet op een strafbaar feit in het algemeen en derhalve niet is vereist dat de verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een soortgelijk strafbaar feit. De veroordeelde heeft derhalve te gelden als een gewaarschuwd man en dient zich ervan bewust te zijn dat, indien hij zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit, de opgelegde voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer wordt gelegd.\n\nDit heeft ook te gelden in onderhavige zaak. De verdachte wist dat deze eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 89 dagen boven zijn hoofd hing en heeft er desondanks zelf voor gekozen om zich wederom meerdere malen schuldig te maken aan een strafbaar feit en hiermee derhalve de algemene voorwaarde te overtreden met als gevolg dat deze eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie ten uitvoer zou kunnen worden gelegd.\n\nIn beginsel heeft dan ook te gelden dat deze eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd. Dit kan anders zijn in het geval er sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden die de tenuitvoerlegging niet wenselijk zouden maken. Nu daarvan in onderhavige zaak niet is gebleken, ziet het hof geen reden om af te wijken van de vordering tot tenuitvoerlegging en zal deze derhalve gelasten.\n\nVordering tenuitvoerlegging (09-286167-19)\n\nDe officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland heeft bij vordering van\n\n24 oktober 2023 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 9 juli 2021 onder parketnummer 09-286167-19 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie.\n\nNu gebleken is dat deze eerder voorwaardelijk opgelegde straf reeds is tenuitvoergelegd, zal het hof de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 57, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 05-186252-23 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 05-186252-23 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van4 (vier) weken.\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n- een zwarte Nokia telefoon (goednr. PL0600-2023303852-3009779);\n\n- € 501,05 (goednr. PL0600-2023303852-3009446);\n\n- een zwarte Apple iPhone (goednr. PL0600-2023303852-3009782) .\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 december 2022, parketnummer 09-209763-21, te weten van jeugddetentievoor de duur van89 (negenentachtig) dagen.\n\nWijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland van\n\n24 oktober 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 9 juli 2021, parketnummer 09-286167-19, voorwaardelijk opgelegde een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,\n\nmr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,\n\nen op 10 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. M. van der Horst zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:911","2025-02-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:44.262Z",20,[148,11,149,150,151,152,153,154],2026,2024,2023,2022,2018,2016,1993]