[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-criminal-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":200},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":41,"total":198,"page":14,"limit":199},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",2026,[13,16,18,19,22,25,28,31,34,36,37,39],{"month":14,"count":15},1,3,{"month":17,"count":17},2,{"month":15,"count":17},{"month":20,"count":21},4,13,{"month":23,"count":24},5,10,{"month":26,"count":27},6,59,{"month":29,"count":30},7,77,{"month":32,"count":33},8,0,{"month":35,"count":33},9,{"month":24,"count":33},{"month":38,"count":33},11,{"month":40,"count":33},12,[42,55,63,72,80,88,95,103,110,117,124,132,141,148,155,162,169,177,184,191],{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":46,"courtId":47,"decisionDate":48,"fullText":49,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":53,"updatedAt":54},"534","ECLI:NL:RBLIM:2026:6673","ecli-nl-rblim-2026-6673","",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.227940.25\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1997,\n\nthans verblijvende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. L.M.J. de Ruiter, advocaat kantoorhoudende te Venlo.1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 april 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Vervolgens is op 8 juli 2026 het onderzoek ter terechtzitting gesloten.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 25 augustus 2025 een kussen tegen het gezicht van haar baby heeft gedrukt en zodoende heeft geprobeerd om haar baby te doden (primair). Deze handelswijze is subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegd als een poging tot zware mishandeling dan wel een mishandeling\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft hierbij verwezen naar de bekennende verklaring van de verdachte, de aangifte van haar partner en de berichten die zijn gestuurd in de groepsapp van de familie op Whatsapp.\n\nVoorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een volledig verstoorde wil bij de verdachte, nu uit onderzoek is gebleken dat zij slechts verminderd en niet volledig ontoerekeningsvatbaar was.\n\n3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat er bij de verdachte sprake was van een verstoorde wil, waardoor de wilscomponent ontbreekt, hetgeen reeds om die reden tot vrijspraak moet leiden. Daarnaast heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood, dan wel zwaar lichamelijk letsel niet bewust aanvaard. Haar handelen was immers een uiting van onmacht, waardoor vrijspraak moet volgen voor het primair en subsidiair tenlastegelegde feit.\n\nDe verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde feit.3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe bewijsmiddelen\n\n [naam 1] , de vader van [naam 2]heeft namens hem aangifte gedaan en heeft – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:\n\nIk doe aangifte van poging doodslag.\n\nOns gezin bestaat uit mijn partner [verdachte] , mijn dochter [naam 3] (2 jaar) en mijn zoontje [naam 2] die geboren is op [geboortedatum 2] 2025. Wij wonen met zijn vieren op de [adres 2] , binnen de gemeente Venlo.\n\nOp 25 augustus 2025, om 17:45 uur, kwam [verdachte] naar beneden. Ik zat op de bank. [naam 2] lag in de box. Ik zag dat [verdachte] om de box liep naar de bank. Ik zag dat [verdachte] van de rechterhoek van de bank een kussen vastpakte. Ik zag dat [verdachte] het kussen vasthad met beide handen. Ik zag dat [verdachte] terugliep naar de box. Ik zag dat [verdachte] voor de box stond. Ik zag dat [naam 2] in het midden van de box lag. Ik zag dat [verdachte] voorovergebogen bij de box stond. Ik zag dat [verdachte] het kussen in een snelle beweging liet zakken. Ik zag dat [verdachte] met beide handen, het kussen tegen het gezicht van [naam 2] drukte. Ik zag dat [verdachte] het kussen hard drukte op het gezicht van [naam 2] . Dit zag ik doordat [verdachte] hard kneep in het kussen. Ze had witte knokkels en ik zag dat het matras\u002Fmatje werd ingedrukt. Ik hoorde dat ze niets zei. Ik zei: “Niet doen!” Ik zag dat [naam 2] met zijn beentjes begon te spartelen. Ik hoorde dat [naam 2] geen geluid maakte. Ik ben erop gevlogen om het te stoppen. Ik denk dat ik binnen ongeveer 4 seconden bij de box stond. Ik zag dat [verdachte] het kussen hard op het gezicht van [naam 2] bleef duwen en dat [naam 2] nog steeds spartelde met zijn benen. Ik heb [verdachte] vervolgens geslagen op haar rug, om het te stoppen. Ik zag dat [verdachte] niet stopte. Ik heb [verdachte] toen nogmaals geslagen. Ik sloeg haar tegen haar arm en of zij. Ik zag dat [verdachte] toen nog niet stopte. Ik heb toen nogmaals geslagen tegen haar arm en of zij. Daarna heb ik haar weggeduwd van de box. Ik denk dat dit ongeveer 8 tot 10 seconden heeft geduurd. Ik heb toen zelf het kussen van het gezicht van [naam 2] gehaald. Ik heb [naam 2] opgetild, want ik hoorde dat hij hard aan het huilen was. Dit klonk anders dan normaal. Ik heb dit ervaren als een paniek huil. Ik zag dat de tranen over zijn wangen rolden. Ik zag dat [naam 2] harder dan normaal ademde. Ik hoorde dat [naam 2] aan een stuk bleef huilen.\n\nIk was heel angstig dat [naam 2] iets zou overkomen. Ik kan niet inschatten of ze ermee was gestopt of dat ze het had doorgezet.\n\nVerbalisant [naam 4], die op 25 augustus 2025 aanwezig was bij de aanhouding van de verdachte, relateerde in het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte:\n\nIk vroeg aan [verdachte] : \"Ik heb gehoord dat jij een kussen op het gezicht van [naam 2] had gedrukt. Klopt dat?\" Ik hoorde dat [verdachte] zei: \"Ja dat klopt.\" Ik zag dat ze dit zei zonder emotie. Ik zei: \"Wilde je hem dood maken?” Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Ja, dat kan best.”\n\nDe verdachteheeft tijdens haar eerste verhoor bij de politie onder meer het volgende verklaard:\n\nOp 25 augustus 2025 knapte er iets in mij en toen heb ik het kussen op het hoofd van mijn jongste kind, [naam 2] , geduwd. [naam 1] duwde mij weg en ik begon te schreeuwen. Ik heb het kussen een paar seconden op zijn hoofd geduwd.\n\nTijdens haar tweede verhoor bij de politie heeft de verdachtehet volgende verklaard:\n\nV: Je dochtertje zat bij je he?\n\nA: Ze zat bij mij op de schoot.\n\nV: Waarom richtte je je niet tot haar in plaats van op je zoontje?\n\nA: Omdat hij zich nog niet kan verweren, dus dan is het makkelijker.\n\nV: Wat was dan makkelijker?\n\nA: Om me daar op af te reageren omdat hij zich toch niet kan verweren.\n\nV: Wat ging er door je heen toen je naar de box liep?\n\nA: Ik weet niet meer precies, het was alsof ik dat moest doen om overal vanaf te zijn.\n\n(…)\n\nV: Gisteren kwam het ‘achter het behang plakken’ ter sprake. Dat we dit gevoel allemaal wel kennen. Wanneer heb je voor het eerst gedacht je zoontje echt wat aan te willen doen? We bedoelen dus het gevoel dat verder gaat dan 'achter het behang plakken’.\n\nA: Ik heb het wel eens gedacht, maar niet tot actie om gezet.\n\nV: Wanneer heb je dit voor het eerst gedacht?\n\nA: Een paar weken terug.\n\nV: Hoe zagen die gedachtes eruit?\n\nA: Als dit zo door blijft gaan, dan doe ik hem dadelijk iets aan.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte op 25 augustus 2025 in haar woning een kussen op het gezicht van haar baby heeft gedrukt en gedrukt heeft gehouden. De partner van de verdachte heeft haar moeten wegduwen en slaan om haar te laten stoppen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kan deze gedraging, gelet op haar uiterlijke verschijningsvorm, worden aangemerkt als een gedraging die is gericht op het beëindigen van het leven van het slachtoffer. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat het drukken van een kussen op het hoofd de ademhaling belemmert en tot verstikking kan leiden. Dit geldt in het bijzonder voor een baby van zes maanden oud, die vanwege diens fysieke kwetsbaarheid en afhankelijkheid in het geheel niet in staat is zich aan een dergelijke situatie te onttrekken.\n\nDe rechtbank leidt uit deze uiterlijke verschijningsvorm af dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had op de dood van haar baby. De rechtbank slaat daarbij ook acht op de uitlatingen die de verdachte tegenover de politie heeft gedaan dat het best zou kunnen dat zij haar zoontje op dat moment wilde dood maken, dat zij sinds een paar weken gedachtes had dat zij haar zoontje iets aan kon doen en dat zij zich bewust tot haar zoontje richtte, omdat hij zich nog niet kan verweren.\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte handelde vanuit een geestelijke stoornis, waardoor sprake zou zijn geweest van een verstoorde wilsvorming. De rechtbank overweegt dienaangaande dat uit de onder 5 nader te noemen triple rapportage naar de persoon van de verdachte weliswaar volgt dat zij leed aan een psychische stoornis, maar dat niet is gebleken dat deze stoornis haar wilsvrijheid zodanig heeft aangetast dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of overeenkomstig die wil te handelen. Dat de verdachte nog in staat was om bewuste keuzes te maken, blijkt bovendien reeds uit de omstandigheid dat zij zich tot haar zoontje richtte omdat hij zich nog niet kan verweren. Dat de verdachte mogelijk vanuit haar stoornis heeft gehandeld, maakt niet dat haar wil volledig was uitgeschakeld.\n\nDe rechtbank verwerpt daarom het verweer en acht de poging tot doodslag zoals primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nPrimair\n\nop 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) van het leven te beroven, een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft gedrukt en gedrukt gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:\n\nPrimair\n\nPoging tot doodslag.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nGZ-psycholoog dhr. T. ’t Hoen, psychiater mw. C.M.A. Matton en forensisch milieuonderzoeker dhr. D.A. de Ruiter hebben op 18 december 2025 een triple rapportage uitgebracht over de persoon van de verdachte. In genoemd rapport is vermeld dat de verdachte een zeer kwetsbare, gesloten en getraumatiseerde vrouw is, bij wie een forse scheefgroei in haar persoonlijkheids- en identiteitsontwikkeling wordt gezien waarvoor de basis al is gelegd in haar problematische en belaste jeugd. Er is sprake van een op de voorgrond staande borderline-persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is bij de verdachte terugkerend sprake van een mengbeeld van stemmingsklachten en trauma-gerelateerde klachten, die ook in aanloop naar het feit op de voorgrond kwamen. Tevens kan er volgens de deskundigen worden gesproken van een stoornis in het gebruik van speed (amfetamine), licht van aard en thans in remissie in de gereguleerde omgeving van detentie.\n\nVolgens de deskundigen was van bovenstaande stoornissen ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde feit en werden de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde feit ook door de psychische stoornissen beïnvloed.\n\nIn aanloop naar het tenlastegelegde feit liepen de spanningen en psychische problemen bij de verdachte steeds meer op. Haar draagkracht schoot steeds meer tekort om de toenemende draaglast het hoofd te bieden, wat leidde tot een sterke toename van psychische klachten in de vorm van forse spannings- en stemmingsklachten (waaronder prikkelbaarheid). Doordat de spanningen en problemen bleven aanhouden en zelfs toenamen, lukte het haar niet langer om de afgesplitste woede en agressie te controleren. Dit kwam al tot uiting in de toenemende woede en agressie jegens zichzelf in de vorm van automutilatie en suïcidaliteit. Daarnaast lijkt de afgesplitste woede ook naar buiten te zijn geslagen in de vorm van de agressieve impulsdoorbraak jegens haar paar maanden oude zoontje. De verdachte was al met al als gevolg van haar ernstige persoonlijkheidspathologie op dat moment onvoldoende in staat om haar gedrag op een gezondere wijze bij te sturen en andere gedragskeuzes te maken. De deskundigen adviseren daarom het feit in verminderde mate toe te rekenen.\n\nOp grond van dit rapport is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, omdat zij het feit heeft begaan onder invloed van een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens.\n\nGelet op het voorgaande is er géén sprake van een omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte voor het bewezenverklaarde in het geheel uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\n6. De straf en de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie gaat ervan uit dat het feit in verminderde mate aan de verdachte is toe te rekenen. Daarnaast heeft zij in acht genomen dat het een zeer ernstig feit betreft, waar normaliter lange gevangenisstraffen tegenover staan. Zij heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Overeenkomstig het reclasseringsadvies heeft zij gevorderd om de aan de tbs te verbinden voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en om de voorlopige hechtenis te schorsen onder dezelfde voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte gebaat is bij hulp en behandeling en acht tbs met voorwaarden een passende sanctie. Wel heeft zij verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van de verdachte.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe ernst van het feit\n\nDe verdachte heeft een zeer ernstig feit gepleegd door een kussen op het gezicht van haar zes maanden oude baby te drukken en gedrukt te houden. Daarmee heeft zij de gezondheid en het leven van haar baby ernstig in gevaar gebracht. [naam 2] was als jonge baby compleet weerloos en volledig afhankelijk van de zorg en bescherming van zijn ouders. Door zo te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op haar ouderlijke plicht om haar baby te verzorgen en te beschermen en zich te onthouden van elk handelen dat het kind schade kan berokkenen. Dat het handelen van de verdachte geen blijvend letsel of het overlijden van de baby heeft veroorzaakt, is alleen te danken aan het ingrijpen van haar partner.\n\nDe rechtbank heeft er oog voor dat de verdachte heeft gehandeld vanuit frustraties en onmacht die een oorzaak vinden in haar trauma’s en stoornis. Dat kan helpen verklaren hoe het tot dit handelen is gekomen, maar rechtvaardigt het gedrag niet. Juist in zulke situaties mag van een moeder worden verwacht dat zij hulp zoekt of afstand neemt, in plaats van haar kind in gevaar te brengen.\n\nZoals reeds onder 5 is uiteengezet, komt de rechtbank op basis van de daar genoemde triple rapportage wel tot de conclusie dat het bewezenverklaarde verminderd aan de verdachte moet worden toegerekend, omdat de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het bewezenverklaarde feit door de psychische stoornissen van de verdachte werden beïnvloed. De rechtbank zal daar rekening mee houden bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregelen.\n\nDe straf\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee, dat zij van het begin af aan openheid van zaken heeft gegeven en ook ten volle heeft meegewerkt aan het triple onderzoek. Omdat de rechtbank van oordeel is dat in deze zaak de focus op de behandeling van de verdachte dient te liggen, zal zij de gevangenisstraf beperken tot een straf gelijk aan de duur van het voorarrest en aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 268 dagen. Omdat de voorlopige hechtenis van de verdachte inmiddels al is geschorst onder dezelfde voorwaarden als geadviseerd in het kader van de tbs met voorwaarden, betekent dat dat de verdachte niet meer terug naar de gevangenis hoeft.\n\nDe maatregel van terbeschikkingstelling\n\nIndien het bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, de rechtbank tot het oordeel komt dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechtbank gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld.\n\nHet bewezenverklaarde feit is een misdrijf waarop een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld en hiervoor heeft de rechtbank al geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde leed aan een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens. Ten aanzien van het risico voor de algemene veiligheid van personen of goederen (het recidiverisico) en de behandelmogelijkheden, komt in de triple rapportage naar voren dat bij de verdachte een matig risico aanwezig is op herhaling van een soortgelijk feit. De deskundigen achten een langdurige, intensieve behandeling binnen een forensische kliniek noodzakelijk om dat risico terug te dringen. Deze behandeling dient zich te richten op de borderlinepersoonlijkheidsstoornis van de verdachte en de bijkomende psychische klachten en symptomen. Middels behandeling dient het inzicht van de verdachte in haar emotionele binnenwereld te worden vergroot, moet er aandacht zijn voor haar emotieregulatie en het versterken van haar copingvaardigheden. De deskundigen adviseren om aan de verdachte een tbs-maatregel op te leggen. Zij zien enkele aanknopingspunten voor het opleggen van tbs met voorwaarden, maar zien hier ook de beperkingen van. Zij hebben namelijk zorgen of de verdachte een dergelijk intensief en langdurig behandeltraject aankan. De deskundigen hebben uiteindelijk geadviseerd om de reclassering onderzoek te laten doen naar de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden.\n\nDe reclassering heeft op 12 maart 2026 advies uitgebracht. De reclassering schat het risico dat de verdachte zich zal onttrekken aan de voorwaarden in als laag, maar spreekt wel haar twijfels uit over het antwoord op de vraag in hoeverre de verdachte zich vanuit haar ernstige persoonlijkheidspathologie langdurig weet te conformeren aan een ingrijpende en intensieve behandeling. Desalniettemin acht zij een tbs met voorwaarden wel uitvoerbaar. De reclassering heeft daarom geadviseerd om in dat kader aan de verdachte onder meer de volgende voorwaarden op te leggen: meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan een time-out, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in beschermd\u002Fbegeleid wonen, meewerken aan ambulante gezinsbegeleiding en een alcohol- en verdovende middelen verbod.\n\nDe rechtbank is op basis van de triple rapportage en het advies van de reclassering van oordeel dat adequate zorg rondom de verdachte opgezet zal moeten worden om te voorkomen dat zij niet of onvoldoende behandeld terugkeert in de maatschappij en om ervoor te zorgen dat zij langere tijd behandeld en gemonitord wordt.\n\nDe rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de genoemde wettelijke vereisten om de maatregel van tbs met voorwaarden te kunnen opleggen en zal ter bescherming van de veiligheid van anderen de voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte opleggen, zoals benoemd in het advies van de reclassering. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden. Uit de rapporten en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat zij het liefst zo snel mogelijk dient te beginnen met de klinische behandeling bij de Rooyse Wissel. Daarom heeft de rechtbank op de zitting van 29 april 2026 de voorlopige hechtenis geschorst met ingang van het moment dat deze behandeling is aangevangen onder dezelfde voorwaarden als geadviseerd door de reclassering in het kader van de tbs met voorwaarden.\n\nDe rechtbank stelt voorts vast dat deze maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe rechtbank zal bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zonder directe intensieve behandeling en begeleiding zal terugvallen in gedrag dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDe gedrag beïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel\n\nMede gelet op de inschatting van de deskundigen en de reclassering en hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om de verdachte, ook na beëindiging van de tbs met voorwaarden, langdurig onder toezicht te stellen, noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst naar een aanvaardbaar risico te kunnen terugdringen c.q. op een aanvaardbaar niveau te houden. Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank legt daarom de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr op aan de verdachte.\n\n7. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 37a, 38, 38a, 38z, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvan268 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrestis doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nMaatregel\n\ngelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met voorwaarden;\n\nstelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:\n\na. De veroordeelde werkt mee aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n De veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.\n\n De veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen.\n\n De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.\n\n De veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.\n\n De veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.\n\n De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners.\n\n De veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.\n\n De veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n De veroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door de Rooyse Wissel of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijk wonen gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;\n\n De veroordeelde laat zich – na afloop van een klinische behandeling – behandelendoor een nader te bepalenforensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n De veroordeelde verblijft na afloop van een klinische behandeling, indien nodig, gedurende de proefperiode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een nader te bepalen begeleid of beschermd woneninstelling of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n Als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, kan de veroordeelde voor een time-outworden opgenomen in een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;\n\n De veroordeelde gaat niet naar het buitenlandof het Caribisch gebied van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;\n\n De veroordeelde gebruikt geen verdovende middelengenoemd in lijst I (harddrugs), en\u002Fof lijst II (softdrugs) en\u002Fof geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n De veroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n De veroordeelde werkt, zolang de reclassering dit nodig acht, mee aan ambulante gezinsbegeleiding en\u002Fof jeugdbeschermingen houdt zich aan de afspraken met de betrokken hulpverlening. In het belang van de veiligheid van de veroordeelde zelf, de partner en de kinderen van de veroordeelde, is de veroordeelde open over haar psychische gesteldheid richting hulpverlening en de reclassering. De reclassering en de hulpverlening hebben overleg met elkaar;\n\nToezicht\n\n- geeft opdracht aan de reclassering om toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en de ter beschikking gestelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\n- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, dadelijk uitvoerbaaris;Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\n- legt aan de veroordeelde op de maatregelstrekkende totgedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking(artikel 38z Sr).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Feuth, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. R.M.M. Menting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z. Houkes, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. Menting is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nPrimair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\nopzettelijk een ander, te weten [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025)\n\nvan het leven te beroven, een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft\n\ngedrukt en\u002Fof gedrukt gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf\n\nniet is voltooid;\n\nSubsidiair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te\n\nweten [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) opzettelijk zwaar lichamelijk\n\nletsel toe te brengen een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft gedrukt\n\nen\u002Fof gedrukt gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is\n\nvoltooid,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nMeer subsidiair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\n [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) heeft mishandeld, door een kussen\n\ntegen het gezicht van die [naam 2] te drukken en\u002Fof gedrukt te houden, terwijl\n\nverdachte dit misdrijf beging tegen haar kind.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025143771, gesloten d.d. 30 oktober 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 182.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] mede namens [naam 2] van 25 augustus 2025, pg. 15 en 16.\n\n Het proces-verbaal van aanhouding verdachte van 26 augustus 2025, pg. 144 en 145.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 26 augustus 2025, pg. 162 en 163.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 27 augustus 2025, pg. 166-168.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6673","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:35.466Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":46,"courtId":59,"decisionDate":48,"fullText":60,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":53,"updatedAt":62},"300","ECLI:NL:GHDHA:2026:2249","ecli-nl-ghdha-2026-2249",58,"Rolnummer: 22-000722-24\n\nParketnummer: 09-238193-21\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 3 september 2021 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd en\u002Fof aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid, in ieder geval 271,3 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan de verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hiertoe heeft zij, kort en zakelijk weergegeven gesteld dat het gezien het feit dat de verdachte op enig moment bij de bestelbus is geweest, enkele (sport)tassen in de bestelbus open waren en de (sport)tassen in de bestelbus naar hun uiterlijke verschijningsvorm hoeveelheden verdovende middelen bevatten, niet anders kan zijn dan dat de verdachte moet hebben geweten dat er verdovende middelen in die tassen zaten.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nUit het dossier en de camerabeelden volgt dat de verdachte samen met twee medeverdachten meer dan twintig in plastic gewikkelde gesloten sporttassen, nadat deze uit een bestelbus waren geladen, in het appartementencomplex waar hij op dat moment woonachtig was, heeft binnengebracht en in en uit een lift heeft getild. De politieambtenaren die na een melding die nacht, kort daarna ter plaatse kwamen, troffen in die bestelbus een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne aan, in hoeveelheden van ongeveer één kilogram verpakt in (deels) vergelijkbare sporttassen, zoals die ook op camerabeelden van de lift achteraf zijn waargenomen, en in bigshoppertassen. Anders dan de op de camerabeelden van de lift waargenomen sporttassen, waren de in de bestelbus aangetroffen sporttassen geopend waardoor de daarin verpakte pakketten van een materiaal bevattende cocaïne zichtbaar waren. In de woning van de verdachte zijn de volgende dag lege sporttassen aangetroffen die uiterlijke gelijkenissen vertonen met de sporttassen die de verdachten het appartementencomplex in hebben gebracht. De speurhond verdovende middelen gaf bij deze sporttassen een signaal af. De verdachte heeft zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Op enig moment heeft hij verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de door hem en zijn medeverdachten naar binnengebrachte en gesjouwde sporttassen elektronica\u002F iPhones bevatten. Hoewel die verklaring vragen oproept, en er sprake is van uitermate verdachte omstandigheden die het strafvorderlijk ingrijpen jegens de verdachte op zichzelf zeker rechtvaardigden, bevat het strafdossier naar het oordeel van het hof niettemin onvoldoende wettig bewijs dat de verdachte wetenschap had van de inhoud van de (sport)tassen die in de bestelbus aan zijn getroffen, dan wel van de inhoud van de sporttassen die hij het appartementencomplex in heeft gebracht.\n\nIn dit verband is vooraleerst van belang dat de in het appartementencomplex gebrachte sporttassen niet zijn aangetroffen, zodat de inhoud daarvan niet onderzocht is en hoogstens op basis van de uit het dossier kenbare omstandigheden kan worden geoordeeld dat de inhoud van die tassen gelijk moet zijn geweest aan de inhoud van de in de bestelbus aangetroffen (sport)tassen. Daarvan in het hiernavolgende veronderstellenderwijs uitgaande oordeelt het hof als volgt.\n\nIn de laadruimte van de bestelbus zijn zwarte sporttassen en bigshoppertassen aangetroffen. Volgens de verbalisant die deze tassen aantrof en die met een zaklamp in de laadruimte scheen, waren diverse tassen open en waren daarin groene en grijze blokken van ongeveer 30x30 centimeter en ongeveer 10 centimeter dik te zien. Volgens verdere bevindingen is op camerabeelden, gericht op de bestelbus, zichtbaar dat de verdachte op enig moment een deurgreep van de bestelbus vast heeft gehouden en de deur van de bestelbus heeft geopend.\n\nHoewel de verdachte aldus op dat moment bij de bestelbus is te plaatsen, volgt uit deze bevindingen niet dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de verpakte hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne in de laadruimte van de bestelbus wel gezien moet hebben. Uit het overigens ter terechtzitting verhandelde volgt evenmin dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op andere gronden op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat de (sport)tassen in de bestelbus verdovende middelen bevatten, althans dat de verdachte redelijkerwijs de aanmerkelijke kans dat dit het geval was heeft aanvaard. Het dossier bevat op dit punt ook geen voor de verdachte belastende verklaringen van medeverdachten of getuigen of telefoonverkeer.\n\nNu voldoende bewijs ontbreekt voor de wetenschap van de verdachte, ook in voorwaardelijke zin, dat het hier om een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zou gaan kan niet worden bewezen dat de verdachte een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne opzettelijk, al dan niet in vereniging, heeft afgeleverd, verstrekt, vervoerd of aanwezig heeft gehad, zodat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nDit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, als voorzitter, mr. M.C. Bruining en mr. F.W. Pieters, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2249","2026-07-13T00:28:23.369Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":46,"courtId":67,"decisionDate":48,"fullText":68,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":71},"570","ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","ecli-nl-rbobr-2026-4793",72,"vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.243457.25\n\nDatum uitspraak: 08 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [2001] ,\n\nthans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2025, 11 maart 2026, 01 juni 2026 en 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 november 2025.\n\nNa wijziging van de tenlastelegging op 11 maart 2026 is aan verdachte ten laste gelegd dat:\n\n1hij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en\u002Fof aanhet opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende;( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende, heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenarenvan de justitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n2hij op of omstreeks 15 september 2025 te Uden, gemeente Maashorst,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [2010] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende,heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenaren van dejustitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,meermalen, althans eenmaal,door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld ofeen andere feitelijkheid, te weten- door [slachtoffer 3] mee te nemen naar en\u002Fof in zijn woning en\u002Fof- door het grote leeftijdsverschil en\u002Fof het fysieke en\u002Fof mentaleoverwicht dat hij op die [slachtoffer 3] had en\u002Fof- door op dwingende toon tegen die [slachtoffer 3] te praten en\u002Fof- door voorbij te gaan aan tekenen van verzet van die [slachtoffer 3] en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij geen seks (meer) methem, verdachte, zou hebben, hij, verdachte, haar familie, zou latenweten dat hij, verdachte, en die [slachtoffer 3] (eerder) seks hadden gehad en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij (tegen hem,verdachte) aangifte zou doen, hij verdachte, haar broer, althans haarfamilie, met een mes zou steken, althans iets zou aandoen,die [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meerhandelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueelbinnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,vingers en\u002Fof penis;( art 242 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jarenmaar nog niet die van zestien jaren had bereikt,(telkens) buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die\n [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof vingers;( art 245 Wetboek van Strafrecht )De formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nDe bewijsvraag.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht feit 3 primair niet wettig en overtuigend bewezen en heeft daarvoor vrijspraak gevorderd. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair omdat niet is gebleken dat hij het minderjarige meisje ( [slachtoffer 1] ) met opzet heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat zijn handelen daarop van beslissende invloed is geweest.\n\nHet onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde kan niet bewezen worden omdat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen waaruit het verbergen dan wel onttrekken van het minderjarige meisje heeft bestaan en welke rol verdachte hierin heeft gespeeld. Verdachte dient daarom ook van dit tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte enige wetenschap had dat het minderjarige meisje ( [slachtoffer 2] )was weggelopen en zich had onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat verdachte haar bewust verborgen heeft gehouden voor haar ouders of voor politie en justitie. Daarom dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank het proces-verbaal van bevindingen (p. 115-116 van het dossier) willen betrekken om tot een bewezenverklaring te komen, dan wordt door de verdediging in dat geval (en dus voorwaardelijk) bezwaar gemaakt tegen de inhoud van dit proces-verbaal en met name de stelling dat het hier om een verklaring van het vermeende slachtoffer zou gaan. De verdediging wenst in dat geval dat het onderzoek heropend wordt en dat van de door de officier van justitie ter zitting overhandigde en aan het dossier toegevoegde dvd met geluidsopnamen een transcriptie wordt opgemaakt.\n\nDe raadsman kan zich vinden in de door de officier van justitie wat betreft feit 3 primair gevorderde vrijspraak. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer 3] te wisselend en daardoor ongeloofwaardig zijn. [slachtoffer 3] is voorts de enige getuige ten aanzien van dit feit. Voldoende steunbewijs voor een bewezenverklaring ontbreekt en daarom dient verdachte van feit 3 primair te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van een bewezenverklaring van feit 3 subsidiair merkt de raadsman op dat verdachte en [slachtoffer 3] destijds een liefdesrelatie hadden en dat sprake was van een relatief gering leeftijdsgeschil. Daarom was geen sprake van ontuchtig handelen en moet verdachte ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\nUit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het procesdossier volgt dat de dertienjarige [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Zij heeft naar eigen zeggen in de avond van 4 september 2025 de laatste trein van Den Bosch naar haar woonplaats Oss gemist en is samen met anderen, waaronder verdachte, naar de woning van verdachte in Uden gegaan. Van verdachte mocht zij in zijn woning verblijven. Op 5 september 2025 is [slachtoffer 1] , nadat haar vader te weten was gekomen waar zij verbleef, door de politie uit de woning van verdachte gehaald en naar haar ouders teruggebracht.\n\nHet kan voorkomen dat een minderjarige zelf (actief) bijdraagt aan de onttrekking van het wettig over hem of haar gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem of haar uitoefent. Bijvoorbeeld door van huis of uit een instelling weg te lopen en daarna bij een ander te verblijven. Dat een minderjarige zelf hiertoe het initiatief heeft genomen staat aan een veroordeling van die ander voor strafbare onttrekking niet zonder meer in de weg.\n\nVoor een strafbaar onttrekken is volgens vaste rechtspraak in dat geval wel vereist dat komt vast te staan dat de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag of opzicht uitoefent, in dit geval de ouders van [slachtoffer 1] .\n\nVerdachte heeft steeds ontkend dat hij [slachtoffer 1] opzettelijk onttrokken heeft aan het wettig over haar gestelde gezag. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte wetenschap had dat [slachtoffer 1] zich onttrokken had aan het over haar gestelde wettig gezag.\n\nDe door de officier van justitie gestelde omstandigheden dat door verdachte invloed is uitgeoefend op [slachtoffer 1] om haar mee naar zijn woning te krijgen en dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] pas 14 jaar oud was, vinden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in het dossier. Ook de door de officier van justitie genoemde omstandigheid dat [slachtoffer 1] van een Syrische jongen haar telefoon op vliegtuigstand moest zetten maakt dit niet anders. Er is geen bewijs dat dit een opdracht van verdachte was, of dat verdachte hier zelf van af wist.\n\nHoewel er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de situatie in het huis van verdachte (waar het een komen en gaan leek van (al dan niet) minderjarige personen, is over verdachtes handelen niet meer komen vast te staan dan dat hij [slachtoffer 1] heeft toegestaan in zijn woning te verblijven, nadat zij de laatste trein naar huis had gemist. Het enkele feit dat iemand een minderjarige, die bij hem op bezoek is gekomen, gedurende enige tijd onderdak verleent, is nog niet voldoende om te kunnen spreken van een ‘opzettelijke onttrekking van een minderjarige aan het ouderlijke gezag’.\n\nDat verdachte door zo te handelen wetenschap had van en een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige [slachtoffer 1] en haar ouders als degenen die het wettelijk gezag over haar uitoefenen is niet komen vast te staan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 1 primair.\n\nTen aanzien van feit 1 subsidiair\n\nHet voorgaande werkt ook door bij de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde feit.\n\nDe enige handeling van verdachte in dit verband waarvoor wettig en overtuigend bewijs bestaat is dat hij [slachtoffer 1] in zijn woning heeft laten verblijven nadat zij haar laatste trein gemist had. Dat is onvoldoende om van het verbergen of aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken in de betekenis die artikel 280, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht aan dat begrip geeft (Hoge Raad 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1775).\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van feit 1 subsidiair.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nUit de inhoud van het procesdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat de vijftienjarige [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Op 15 september 2025 – ten tijde waarvan zij woonachtig was in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp – heeft zij met toestemming van verdachte in zijn woning verbleven.\n\nIn de vroege ochtend van 15 september 2025 heeft de politie de woning van verdachte doorzocht omdat er sterke aanwijzingen waren dat [slachtoffer 1] , die als vermist was opgegeven nadat zij niet thuis gekomen was, daar verbleef. Verdachte en andere aanwezigen zijn in de woning door de politie gehoord. [slachtoffer 2] was, zo bleek later, op dat moment eveneens in de woning aanwezig, maar gaf bij de controle aan de politie een valse naam op en toonde daarbij een vals\u002Fvervalst ID-bewijs. Vlak voor de tweede doorzoeking van de woning is [slachtoffer 2] de woning ontvlucht toen zij de politie aan zag komen.\n\nUit het dossier volgt niet dat verdachte wist dat [slachtoffer 2] zich onttrokken had over het over haar gestelde gezag of opzicht. Sterker nog, uit de verklaring van [slachtoffer 2] zelf bij de rechter-commissaris is het tegendeel af te leiden. Het was ook [slachtoffer 2] zelf die bij controle door de politie een valse naam en vals of vervalst ID-bewijs gaf. Gelet daarop acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte [slachtoffer 2] opzettelijk heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van justitie en politie heeft onttrokken.\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 2.\n\nVoorwaardelijk verzoek\n\nBij wijze van voorwaardelijk verzoek heeft de verdediging verzocht om een transscriptie van op een dvd geplaatste gesprekken die gevoerd zijn met [slachtoffer 2] . Aangezien de voorwaarde (voor zover de rechtbank niet aanstonds tot vrijspraak komt) niet in vervulling gaat, komt de rechtbank aan behandeling van dat verzoek niet meer toe.\n\nTen aanzien van feit 3 primair\n\nDe rechtbank moet de vraag beantwoorden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de verkrachting(en) waarvan verdachte wordt beschuldigd.\n\nIn zaken over zedendelicten in de relationele sfeer is er vaak weinig bewijs, vooral als de verdachte het feit ontkent.\n\nOver het algemeen zijn er geen getuigen van de gebeurtenissen, omdat ze zich veelal afspelen in de beslotenheid van een woning, buiten aanwezigheid van derden. De verklaringen van het vermeende slachtoffer nemen dan ook een belangrijke plaats in bij de beoordeling van het bewijs. Het is bij de beoordeling van het bewijs in dergelijke zaken daarom noodzakelijk dat de rechtbank eerst beoordeelt of de verklaringen van het vermeende slachtoffer betrouwbaar zijn.\n\nDaarnaast kan volgens de wet een feit niet worden bewezen op grond van één getuige. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar acht. Naast de betrouwbaarheid van de verklaringen van het vermeende slachtoffer is het daarom van belang of er voldoende ander bewijs is dat die verklaring ondersteunt; het zogenaamde steunbewijs. Dat steunbewijs moet van een andere bron afkomstig zijn dan van het vermeende slachtoffer. Volgens de Hoge Raad hoeven niet alle handelingen waarvan verdachte wordt beschuldigd, ondersteund te worden door ander bewijs. De verklaring van het vermeende slachtoffer moet wel op concrete, wezenlijke punten worden ondersteund. Ook mag het steunbewijs niet in een te ver verwijderd verband staan tot wat moet worden bewezen.\n\nGelet op de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 3] staat het niet ter discussie dat er (in ieder geval éénmaal) seksueel contact heeft plaatsgevonden.\n\nVoor een bewezenverklaring van “verkrachting” (zoals bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold in de ten laste gelegde pleegperiode) is echter een mate van dwang vereist.\n\nVerdachte ontkent dat sprake was van dwang. Volgens verdachte vond de seks plaats met wederzijdse toestemming en was sprake van een liefdesrelatie.\n\nDe rechtbank heeft geconstateerd dat de verklaringen van [slachtoffer 3] over het feit dat er sprake was van seksueel contact in de kern voldoende consistent zijn geweest, maar over het aspect ‘dwang’ kan dat niet gezegd worden. Mede gelet op het feit dat de dwang niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund en verdachte dit stellig ontkent, acht de rechtbank de ‘dwang’ niet bewezen.\n\nMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem primair onder 3 ten laste is gelegd.\n\nTen aanzien van feit 3 subsidiair\n\nDe vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de subsidiair ten laste gelegde ontuchtige handelingen, te weten het seksueel binnendringen bij een persoon die nog geen zestien jaar oud is, bewezen kunnen worden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\nIn artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud) is bepaald dat het niet is toegestaan om met iemand tussen de twaalf en zestien jaar ontuchtige handelingen te plegen, die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Onder het begrip ‘ontuchtig handelen’ heeft de wetgever begrepen handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, welke maatstaf ook door de Hoge Raad wordt gehanteerd. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Uit het voorgaande vloeit voort dat het – bij de beantwoording van de vraag of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt – in belangrijke mate aankomt op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Hiervoor heeft de rechtbank gekeken naar de inhoud van het dossier.\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd. Verdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd.\n\nVerdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] is zwanger geraakt van verdachte. Haar moeder ontdekte op enig moment dat zij niet meer menstrueerde. [slachtoffer 3] heeft gekozen tot abortus over te gaan, die plaatsvond op 26 september 2024. Zij was toen ongeveer 20 weken zwanger. Dat betekent dat de conceptie dan begin mei 2024 zou moeten hebben plaatsgevonden.\n\nVerdachte wist dat [slachtoffer 3] minderjarig was toen hij seks met haar had. Desgevraagd heeft verdachte ter zitting verklaard dat het klopt dat hij in zijn telefoon de password\u002Fkeychain-notitie “ [naam] ” had staan en dat hij wist dat “2009” stond voor het geboortejaar van [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] zou hem, aldus haar verklaring bij de rechter-commissaris, ook gezegd hebben dat zij vijftien jaar was.\n\nDe rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de verklaring van [slachtoffer 3] betrouwbaar is en in voldoende mate steun vindt in andere, van haar verklaring onafhankelijke, bewijsmiddelen, waaronder de (deels) bekennende verklaring van verdachte en het feit dat zij zwanger is geraakt. De conclusie is dat er sprake is geweest van meermalen seksueel binnendringen door verdachte van het lichaam van een persoon tussen de twaalf en de zestien jaar.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of voornoemde seksuele handelingen moeten worden aangemerkt als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud), anders gezegd: of de seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm of dat in dit geval het ontuchtige karakter ontbreekt.\n\nVerdachte was bij aanvang van de tenlastegelegde periode 22,5 jaar oud en [slachtoffer 3] vijftien jaar oud. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat een kalenderleeftijdsverschil van zeven en een half jaar oud in die leeftijdscategorie geen gering leeftijdsverschil is. Verdachte en [slachtoffer 3] bevonden zich in totaal andere levensfasen. Zo was verdachte getrouwd en woonde hij op zichzelf, terwijl [slachtoffer 3] schoolgaand was en nog bij haar ouders woonde. Dit maakt dat sprake was van een volkomen ongelijke verhouding tussen hen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] in deze omstandigheden niet aan de sociaal-ethische norm voldoen. De seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] zijn als ontuchtig aan te merken in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud).\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het onder 3 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nOmwille van de leesbaarheid van dit vonnis, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage bij dit vonnis.\n\nDe beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de in de bewijsbijlage bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair\n\nop tijdstippen in de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt,\n\nontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten\n\n-het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en\n\n-het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en vingers.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.Oplegging van straf en\u002Fof maatregel.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair te veroordelen tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 8 juni 2026.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen die onder verdachte in beslag zijn genomen en nog niet teruggegeven zijn aan hem geretourneerd kunnen worden.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat bij de oplegging van een straf rekening moet worden gehouden met de in de pleitnota genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdediging heeft verzocht om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal tien maanden op te leggen met daarbij een forse voorwaardelijk gevangenisstraf van bijvoorbeeld acht maanden. Verdachte is bereid om zich gedurende een proeftijd van 3 jaren te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals opgesteld in het reclasseringsadvies.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een destijds vijftienjarig meisje. Verdachte wist ook dat zij zo jong was. Vanwege het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hem en het slachtoffer en het feit dat zij zich in andere levensfasen bevonden , had verdachte moeten inzien dat er sprake was van een volkomen ongelijke verhouding. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke, maar ook de geestelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het slachtoffer is ongewenst zwanger geraakt en heeft een abortus ondergaan. Dat moet, zeker ook binnen de context van haar familiesituatie, grote indruk op haar hebben gemaakt. Verdachte heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de belangen, de gevoelens en het welzijn van het slachtoffer en heeft kennelijk enkel gehandeld ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 mei 2026 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.\n\nDe rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van negen maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nAan deze (deels) voorwaardelijke straf worden na te noemen bijzondere voorwaarden gekoppeld. De rechtbank acht de geadviseerde proeftijd van 3 jaren noodzakelijk om risicomanagement te kunnen toepassen en om verdachte de tijd te geven om echt aan een gedragsverandering te werken.\n\nHet advies van de reclassering om de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren neemt de rechtbank niet over, nu naar het oordeel van de rechtbank niet is voldaan aan de voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid. Het ontbreekt de rechtbank aan argumenten om vast te stellen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDe rechtbank legt met de genoemde straf een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de feiten 1 en 2, terwijl de officier van justitie die feiten wel in haar eis betrok. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nBij afzonderlijke beslissing heeft de rechtbank reeds het bevel voorlopige hechtenis opgeheven, vanwege het ontbreken van gronden.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair, subsidiair)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij (deels) toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.\n\nBeoordeling.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3 subsidiair).\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij integraal toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe benadeelde partij dient, aldus de raadsman, vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.\n\nSubsidiair wordt enige vorm van schade en aantasting in de persoon op andere wijze betwist en ook ontbreekt daarvoor iedere vorm van onderbouwing. Het is te ingewikkeld om de opgelopen psychische schade in deze strafzaak te beoordelen, zodat de benadeelde partij ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.\n\nMeer subsidiair is gesteld dat niet op de juiste wijze aansluiting is gezocht bij de Rotterdamse schaal. Verwezen wordt naar de uitspraken ECLI:NL:RBOBR:2026:2759 en ECLI:NL:RBOBR:2026:2798 waarin duidelijk andere bedragen zijn toegewezen. Daarom wordt verzocht om matiging van het toe te wijzen bedrag.\n\nBeoordeling.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een bedrag van 15.000,- euro aan immateriële schade.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106, sub b, van het BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn\u002Fhaar eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn\u002Fhaar persoon is aangetast.​\n\nNaar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit geldt temeer nu uit het dossier en het onderzoek op de zitting bovendien is gebleken dat de destijds vijftienjarige benadeelde partij zwanger is geraakt van verdachte en dat zij deze zwangerschap na ongeveer 4,5 maand middels een abortus heeft afgebroken.\n\nImmateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.\n\nVerder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.\n\nNaast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.\n\nDe rechtbank zoekt aansluiting bij categorie C onder 15.2 met bandbreedte 12.500,- euro en 32.000,- euro nu sprake is geweest van ontucht met binnendringen waarbij sprake is geweest van ernstige gevolgen voor de benadeelde, namelijk een afgebroken zwangerschap.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 1 januari 2024, de aanvangsdatum van de tenlastegelegde periode.\n\nSchadevergoedingsmaatregel.\n\nDe rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag der algehele voldoening.\n\nAangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 245 (oud) Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart niet bewezen de onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 primair aan verdachte tenlastegelegde feiten en spreekt hem daarvan vrij;\n\n- verklaart het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd\n\nDe rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 9 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nEn stelt als bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht bij reclassering\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.\n\nVoor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij het Leger des Heils, reclassering op het adres Dr. Cuyperslaan 80 te Eindhoven.\n\nAmbulante behandeling\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en behandelen door een nog nader te bepalen Forensische GGz-instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start na de intake procedure. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek en de daaruit\n\nvoortvloeiende problematiek. Gelet op de vastgestelde problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\nVerblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start direct na aanmelding en opname. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\nVerbod verdovende middelen\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit geschied middels Urineonderzoek.\n\nDe reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\nContactverbod\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:\n\n [slachtoffer 3] , geboren op [2009]\n\nDagbesteding\n\nVerdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur, nader te bepalen in overleg met de reclassering. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag.\n\nAflossing schulden\n\nVerdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\nVermijden contact met minderjarigen\n\nVerdachte zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk.\n\nGeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nT.a.v. feit 1 primair en subsidiair:\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :\n\nDe rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een maatregel tot schadevergoeding.\n\nDe rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro.\n\nBepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nVoormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]:\n\nDe rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.\n\nVerdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. C.A. Mandemakers, voorzitter,\n\nmr. E.L. Traag en mr. I.C. Meuris, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,\n\nen is uitgesproken op 08 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.269Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":46,"courtId":76,"decisionDate":48,"fullText":77,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":53,"updatedAt":79},"467","ECLI:NL:RBMNE:2026:4048","ecli-nl-rbmne-2026-4048",71,"RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nParketnummers: 16\u002F164779-25; 09\u002F203218-25 (t.t.z. gevoegd);\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [2006] in [geboorteplaats] ,\n\nverblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. N. Schipper;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. S.J. Jansen (hierna: de advocaat);\n\nde advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] : mr. A.J.W.F. Segeren, waarnemend voor mr. J.L. L’Homme;\n\nde gemachtigde van de benadeelde partij Univé Dichtbij Brandverzekering N.V..2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\n16\u002F164779-25\n\nfeit 1\n\nop 16 januari 2025 te Almere in vereniging, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een bedrijfspand, gelegen aan de [adres] , door met een steen een ruit van dat pand in te gooien en een explosief aan te steken, waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was;\n\nfeit 2\n\nop 16 januari 2025 te Almere in vereniging een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een IED (Improviced Explosieve Device) voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 3\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van kaliber 6.35Btr, een onderdeel van een pistool van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder van het merk FN, kaliber 40 S&W en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten, 50 scherpe patronen 44REM MAG (S&B), 2 scherpe patronen 9x19mm (Norma) en 1 scherp patroon 6.35Br (Geco), voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 4\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 332,6 gram MDMA en een hoeveelheid van ongeveer 2.000 zegels bevattende LSD;\n\nfeit 5\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk zonder registratie een hoeveelheid van ongeveer 465,4 gram Ketamine in voorraad heeft gehad;\n\n09\u002F203218-25\n\nfeit 1\n\nop 1 februari 2025 te Stolwijk in vereniging [slachtoffer] heeft geprobeerd op te lichten door haar te bewegen een tas met waardevolle spullen aan verdachte af te geven.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 3, 4 en 5 onder de zaak met parketnummer 16\u002F164779-25. Ten aanzien van de overige feiten refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Bewijsmiddelen\n\n16\u002F164779-25\n\nTen aanzien van feit 1 en 2\n\nDe verdachte bekent dat hij de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert. De bewijsmiddelen staan in bijlage II van dit vonnis.\n\nTen aanzien van feit 3, 4 en 5\n\nDe rechtbank oordeelt dat ook feiten 3, 4, en 5 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n09\u002F203218-25\n\nDe rechtbank oordeelt dat het ook onder dit parketnummer ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2.. \n\nBewijsoverwegingen\n\n16\u002F164779-25\n\nInleiding\n\nOp 16 januari 2025 heeft er in Almere bij de sportschool [benadeelde] een ontploffing plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze ontploffing heeft de politie een onderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek kwam de verdachte naar voren. Op 8 juli 2025 is de verdachte in zijn woning aangehouden door de politie. Op dezelfde dag is zijn woning ook doorzocht. Tijdens deze doorzoeking is in de slaapkamer van de verdachte een Basic Fit rugtas aangetroffen, waarin o.a. (onderdelen van) wapens, munitie, LSD-vellen, MDMA-pillen en ketamine is aangetroffen.\n\nWetenschap aanwezigheid drugs en wapens\n\nDe advocaat heeft aangevoerd dat de verdachte niet de eigenaar was van de rugtas en ook niet heeft geweten wat er in de tas zat. De verdachte zou de rugtas voor een vriend van een vriend in bewaring hebben genomen. Wie dat (precies) is, weet hij niet. Hij zou niet hebben gevraagd wat er in de tas heeft gezeten en hij zou ook niet in de tas hebben gekeken.\n\nVoor “opzettelijk aanwezig hebben” (van harddrugs), voor “opzettelijk voorhanden hebben” (van (onderdelen van) wapens) en voor “opzettelijk in voorraad hebben” (van ketamine) is steeds vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van die spullen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die goederen aanwezig zijn onder deze wetenschap kan worden geschaard. De verdachte heeft verklaard dat hij de tas voor een ander moest bewaren, maar dat hij ook niet wist wie dat was, slechts dat het om een vriend van een vriend ging. Die onbekende derde zou de tas ongeveer twee weken eerder bij de verdachte hebben gebracht en hij zou nog aan de verdachte laten weten wanneer hij de tas weer zou komen ophalen. Onder deze omstandigheden had de verdachte naar het oordeel van de rechtbank een onderzoeksplicht. Hij zegt dat hij geen vragen heeft gesteld over de inhoud van de tas en dat hij niet heeft gevraagd waarom het nodig was dat die tas nou juist op de slaapkamer van de verdachte werd ondergebracht. De tas is vervolgens twee weken bij hem gebleven, tot de politie deze heeft gevonden. De rechtbank is daarom van oordeel dat er ten minste sprake is van een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat in de tas illegale waren zaten. De rechtbank oordeelt dat in dit geval sprake is geweest van het opzettelijk aanwezig (respectievelijk voorhanden hebben en in voorraad hebben) hebben van drugs, wapens en munitie en ketamine.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank met betrekking tot de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 onder parketnummer 16\u002F164779-25 van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.\n\n16\u002F164779-25\n\nDe verdachte stelt dat hij op 1 februari 2025 wel iets wilde ophalen, maar dat hij niet wist dat het een oplichting betrof. De verdachte heeft verklaard dat hij via snapchat benaderd is om met een aantal personen ergens wat op te halen en dat hij hiervoor ook een geldbedrag zou krijgen. De verdachte geeft aan dat hij deze personen niet kende en dat hij de persoon die hem benaderd had ook niet kende. De verdachte zou enkel een code moeten doorgeven en een tas op moeten halen.\n\nDe rechtbank oordeelt het op basis van deze omstandigheden niet geloofwaardig dat de verdachte niet zou hebben geweten dat het een oplichting betrof. Het is ongeloofwaardig dat hij een dergelijke cruciale rol bij de oplichting zou vervullen, zonder precies te weten hoe hij zich moest gedragen en wat hij moest zeggen en doen, waaruit volgt dat hij wist dat het om oplichting ging.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank met betrekking tot het feit onder parketnummer 09\u002F203218-25 van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nTen aanzien van 16\u002F164779-25\n\nfeit 1\n\nop 16 januari 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen,opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht in een bedrijfspand (sportschool [benadeelde] ), gelegen aan de [adres] , door- met een steen een ruit van het pand in te gooien en- (vervolgens) een explosief tot ontbranding te brengen\n\nten gevolge waarvan dat pand gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor- dat pand en de inboedel van dat pand en- ( nabijgelegen bedrijfspanden en inboedel van die nabijgelegen bedrijfspanden,in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;\n\nfeit 2\n\nop 16 januari 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerde explosieve constructie (improvised explosive device (IED)), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing,voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 3\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam,- een wapen van categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van kaliber 6.35Br, zijnde een vuurwapen dat uiterlijk geleek op een ander voorwerp dan een wapen en- een onderdeel van een pistool van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder van het merk FN, kaliber 40 S&W en- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten• 50 scherpe patronen 44REM MAG (S&B) en• 2 scherpe patronen 9x19mm (Norma) en• 1 scherp patroon 6.35Br (Geco),voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 4\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad- ongeveer 880,5 pillen \u002F 332,6 gram, zijnde een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en- ongeveer 4 vellen \u002F 2.000 zegels, zijnde een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD,zijnde MDMA en LSD (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 5\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk zonder registratie een werkzame stof, te weten (ongeveer) 465,4 gram Ketamine in voorraad heeft gehad;\n\nTen aanzien van 09\u002F203218-25\n\nfeit 1\n\nop 1 februari 2025 te Stolwijk, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] , te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een tas met (waardevolle) spullen, - naar de vaste telefoonlijn van die [slachtoffer] heeft gebeld en zich telefonisch (tegenover [valse naam 1] ) heeft voorgedaan als politiemedewerker en- telefonisch heeft verteld dat er sprake is van een verdachte situatie in de omgeving van de woning van die [slachtoffer] en dat die [slachtoffer] en [valse naam 1] hun waardevolle spullen en sieraden en geld en creditcard en pinpassen in een tas moesten doen en dat politiemedewerker [valse naam 2] , die tas vervolgens zou komen ophalen en- die [slachtoffer] en [valse naam 1] een zogenaamde code heeft gegeven ter verificatie van de persoon die voornoemde goederen op zou komen halen en- (vervolgens) zich naar de woning van die [slachtoffer] heeft begeven en- zich aldaar als politiemedewerker [valse naam 2] , heeft voorgedaan en voornoemde code met die [slachtoffer] heeft geverifieerd en heeft gezegd dat hij voor de tas kwam en- heeft geprobeerd een tas van die [slachtoffer] aan te pakken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\n16\u002F164779-25\n\nde eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1\n\nin vereniging opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en\n\nfeit 2\n\nin vereniging handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nfeit 3\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nfeit 4\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nfeit 5\n\novertreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan;\n\n09\u002F203218-25\n\nfeit 1\n\npoging oplichting in vereniging.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:\n\n- een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd:\n\no meewerken aan reclasseringstoezicht;\n\no ambulante begeleiding;\n\no het meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding;\n\no het meewerken aan het aflossen van schulden;\n\no een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachten.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat het jeugdsanctierecht toegepast moet worden. De verdachte was op het moment van het plegen van de feiten nog een jonge verdachte. De verdachte woonde op dat moment nog bij zijn moeder thuis. Hij ging niet meer naar school, maar zijn opleiding had hij nog niet afgerond. Hij was een zoekende jongvolwassene. Zijn jeugdigheid en beïnvloedbaarheid hebben een grote rol gespeeld bij het betrokken raken bij het ten laste gelegde. De advocaat verzoekt om in ieder geval geen langere vrijheidsstraf op te leggen dan de dagen die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten. De advocaat verzoekt om daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen onder voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De advocaat verzoekt om rekening te houden met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten en neemt daar nauwelijks verantwoordelijkheid voor. De verdachte heeft een ontploffing teweeg gebracht bij een sportschool, waardoor grote schade is ontstaan, maar waarmee de verdachte ook heeft bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid. In de eerste plaats bij de sportschoolhouder en zijn naasten, maar ook breder in de maatschappij. De verdachte\n\nzegt dat hij onder druk is gezet om dit feit te plegen. Daar gaat de rechtbank niet in mee. Uit het dossier blijkt niet van enige dreiging. Sterker nog, de verdachte meldt zich bij de opdrachtgever en vraagt hoeveel pap (de rechtbank begrijpt: geld) hij ervoor krijgt. De verdachte heeft – een kleine twee weken later – geprobeerd een vrouw op leeftijd op te lichten door zich met een valse naam en een verificatiecode, die even daarvoor telefonisch door zijn handlangers aan het slachtoffer waren doorgegeven, bij haar te melden. De enige reden dat het bij een poging is gebleven is dat het slachtoffer en haar kleinzoon zo alert waren om direct de politie in te schakelen, zodat de verdachte op heterdaad kon worden aangehouden toen hij de tas van het slachtoffer wilde aannemen. De verdachte zegt dat hij enkel mee zou gaan om iets op te halen, maar dat hij niet wist dat het om een oplichting ging. Ook daar gaat de rechtbank niet in mee. Het is algemeen bekend dat deze werkwijze gebruikt wordt om mensen geld en spullen afhandig te maken. Dat moet ook de verdachte hebben geweten, al was het maar omdat hij in september 2024, slechts enkele maanden eerder, door de politie is aangehouden en verhoord in een soortgelijke oplichtingszaak. Ook ten aanzien van de aangetroffen drugs, wapens en munitie ontloopt de verdachte zijn verantwoordelijkheid. Hij zegt dat hij niet wist wat er in de tas zat en dat hij het gewoon voor iemand bewaarde zonder daarbij zelf verkeerde bedoelingen te hebben gehad. De verdachte noemt dit zelf achteraf dom, maar de rechtbank is van oordeel dat er meer aan de hand is en dat de verdachte zijn eigen rol in al deze feiten kleiner maakt dan deze in werkelijkheid is. De feiten zijn kort achter elkaar gepleegd en de verdachte lijkt zijn les niet geleerd te hebben. De houding van de verdachte baart de rechtbank dan ook zorgen.\n\nEendaadse samenloop\n\nDe rechtbank betrekt in de strafmaat verder dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop voor wat betreft het voorhanden hebben van het explosief.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte kennis genomen van:\n\n- het strafblad van 3 maart 2026;\n\n- een rapport van Reclassering Nederland van 20 mei 2026;\n\n- een rapport van Reclassering Nederland van 9 september 2025;\n\n- een Pro Justitia-rapport van 19 september 2025.\n\nDe advocaat heeft verzocht om toepassing van het jeugdsanctierecht. De rechtbank is – anders dan de raadsman – van oordeel dat er geen aanwijzingen in het dossier zijn voor toepassing van het jeugdsanctierecht. De ondersteuning van de reclassering lijkt van praktische aard en niet van pedagogische aard. De rechtbank volgt daarom ook het advies van de reclassering en de psycholoog om het volwassenstrafrecht toe te passen.\n\nUit het strafblad van de verdachte blijkt dat de verdachte voor soortgelijke feiten is veroordeeld na de pleegdata van onderhavige zaak. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan artikel 63 van het Wetboek van strafrecht.\n\nDe op te leggen straf\n\nGezien de aard en ernst van de strafbare feiten, zoals hiervoor uitvoerig is toelicht, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank oordeelt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur passend en geboden is. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur om herhaling te voorkomen.\n\nDe rechtbank wijkt af van de strafeis van de officier van justitie, omdat de rechtbank in strafverminderende zin rekening houdt met de jeugdige leeftijd van de verdachte. De rechtbank houdt ook rekening met wat er in vergelijkbare zaken is opgelegd.\n\nTenuitvoerlegging van de straf\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend6. In beslag genomen voorwerpen\n\n6.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslag genomen telefoon, simkaart, koffer en rugzak verbeurd te verklaren. Verder vordert de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen drugs, wapens en munitie.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat refereert zich ten aanzien van het beslag aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBeslag met betrekking tot 16\u002F164779-25\n\nVerbeurdverklaring\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:\n\n- een telefoontoestel;\n\n- een simkaart\n\n- een koffer en\n\n- een rugzak,\n\nverbeurd verklaren.\n\nMet behulp van deze voorwerpen zijn de bewezen verklaarde feiten voorbereid dan wel begaan.\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:\n\n4 stuks LSD;\n\neen wapen;\n\n50 stuks munitie;\n\npoeder;\n\n880 pillen;\n\n2 stuks munitie;\n\n1 stuk munitie en\n\neen patroonhouder;\n\nonttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit aangetroffen. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.7. Vordering benadeelde partij\n\n7.1.. Vordering van de benadeelde partijen\n\nVordering benadeelde partij [benadeelde]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 45.453,14 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 42.953,14 voor vergoeding van materiële schade en € 2.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nwerkzaamheden tot het ontruimen van het pand en reinigen: € 3.938,90;\n\nde aanschaf van nieuwe bokszakken en matten: € 29.887,-;\n\ngederfde winst: € 9.127,24.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nDe benadeelde partij vraagt ook een vergoeding van € 500,- voor gemaakte proceskosten.\n\nVordering benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V.\n\nUnivé Dichtbij brandverzekering N.V. heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 79.807,03 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van materiële schade.\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nbedrijfsschade door bedrijfsstilstand: € 25.000,-;\n\nhuurdersbelang: € 10,760,-\n\nroerende zaken: €44.047,03.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n7.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie verzoekt op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] volledig toe te wijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. De officier van justitie verzoekt op deze vordering hoofdelijk toe te wijzen.\n\nDe officier van justitie verzoekt om de benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V. niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.\n\n7.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt om de post ten aanzien van de BTW af te wijzen, nu deze betaald is door de onderneming en er de mogelijkheid bestaat om deze BTW terug te vragen aan de belastingdienst dan wel te verrekenen in de kwartaalaangifte. De advocaat verzoekt om ook de post met betrekking tot de bokszakken en matten primair af te wijzen, omdat niet uit de stukken blijkt dat de schadepost het rechtstreekse gevolg is van het handelen van de verdachte. Subsidiair verzoek de advocaat deze post te matigen en in ieder geval toe te wijzen exclusief BTW. Ten aanzien van de gederfde winst verzoekt de advocaat om deze post niet-ontvankelijk te verklaren, nu niet blijkt hoe deze post zich verhoudt tot de al door de verzekering vergoede gederfde winst. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de advocaat geen opmerkingen.\n\nDe advocaat verzoekt om de benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V. niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.\n\n7.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVordering benadeelde partij [benadeelde]\n\nDe rechtbank kan de vordering van de benadeelde partij niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank overweegt daarbij als volgt. Niet alleen betreft dit een complexe vordering, maar er zijn ook een aantal vragen die onbeantwoord zijn gebleven met betrekking tot de btw en de aanschaf van (zoveel) bokszakken en matten. In de vordering is ook geen onderbouwing ten aanzien van het geestelijke letsel opgenomen en slechts in algemene termen iets opgemerkt over de gevolgen voor het slachtoffer, terwijl de jurisprudentie een meer substantiële onderbouwing vraagt. Ten aanzien van de proceskosten is onduidelijk of de juridische bijstand is verleend in onderhavige zaak of een andere zaak. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nVordering benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V.\n\nAlleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, komt voor vergoeding in aanmerking. In dit geval is geen sprake van rechtstreekste schade. De rechtbank volgt hierbij het oordeel van de Hoge Raad dat een verzekeraar in beginsel geen rechtstreekse schade lijdt door het misdrijf. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.8. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\nArtikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 55, 57, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht;\n\nartikel 26 van de Wet wapens en munitie;\n\nartikelen 2 en 10 van de Opiumwet;\n\nartikel 38 van de Geneesmiddelenwet.9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder 16\u002F164779-25 1, 2, 3, 4 en 5 en het feit onder 09\u002F203218-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden;\n\n- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jarenvast;\n\n- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd:\n\no meldplicht\n\nzich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.\n\no ambulante behandeling\n\nzich laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra er plek is. De zorgverlener bepaalt de wijze van de behandeling. De behandeling is gericht op cognitieve en sociale vaardigheden.\n\no dagbesteding\n\nZich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\no aflossing schulden\n\nmeewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering\n\nNatuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\no contactverbod\n\nop geen enkele wijze – direct of indirect – contact op zal nemen, zal zoeken of hebben met de volgende personen:\n\n [A] (geboren [1981] );\n\n [B] (geboren [2003] );\n\n [C] (geboren [2007] )\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbeslag\n\n- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:\n\n1 STK telefoontoestel (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555787, Zwart,\n\nmerk: Apple);\n\n1 STK Simkaart van zaktelefoon (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555755,\n\nvodafone);\n\n1 STK koffer (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555725);\n\n1 STK rugzak (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555732));\n\n- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:\n\n4 STK LSD (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555718);\n\n1 STK wapen (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555721);\n\n50 STK munitie (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555724, S&B);\n\n1 STK poeder (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555729, Wit);\n\n880 STK pillen (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555740, Roze);\n\n2 STK munitie (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555742);\n\n1 STK munitie (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555825, FN);\n\n1 STK patroonhouder (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555737);\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde]\n\n- verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekeraar N.V.\n\n- verklaart Univé Dichtbij brandverzekeraar N.V. niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.A. Koorevaar, voorzitter, mr. V.A. Groeneveld en mr. A.J. Reitsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Brenker als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nMr. V.A. Groeneveld en mr. A.J. Reitsma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:\n\nin de zaak met parketnummer 16\u002F164779-25\n\nFeit 1hij op of omstreeks 16 januari 2025 te Almere,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen ontploffing teweeg heeft gebracht en\u002Fof brand heeft gesticht bij\u002Fin een bedrijfspand (sportschool [benadeelde] ), gelegen aan de [adres] , door- met een steen een ruit van het pand in te gooien en\u002Fof- (vervolgens) een explosief\u002Fvuurwerkbom, althans brandbaar en\u002Fof explosief voorwerp\u002Fmateriaal aan te steken en\u002Fof tot ontbranding te brengen, in elk geval met open vuur in aanraking te brengen,ten gevolge waarvan dat pand geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand en\u002Fof een ontploffing is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor- dat pand en\u002Fof de inboedel\u002Fhuisraad van dat pand en\u002Fof- (een) nabijgelegen bedrijfspand(en) en\u002Fof inboedel\u002Fhuisraad van die\u002Fdat nabijgelegen bedrijfspand(en),in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;\n\nFeit 2hij op of omstreeks 16 januari 2025 te Almere,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,te weten een geïmproviseerde explosieve constructie (improvised explosive device (IED)), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing,voorhanden heeft gehad;\n\nFeit 3hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam,- een wapen van categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van kaliber 6.35Br, zijnde een vuurwapen dat uiterlijk geleek op een ander voorwerp dan een wapen en\u002Fof- een onderdeel van een pistool van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder van het merk FN, kaliber 40 S&W en\u002Fof- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten• 50 scherpe patronen 44REM MAG (S&B en\u002Fof• 2 scherpe patronen 9x19mm (Norma) en\u002Fof• 1 scherp patroon 6.35Br (Geco),voorhanden heeft gehad;\n\nFeit 4hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam,opzettelijkaanwezig heeft gehad- ongeveer 880,5 pillen \u002F 332,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en\u002Fof- ongeveer 4 vellen \u002F 2.000 zegels, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD,zijnde MDMA en\u002Fof LSD (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nFeit 5hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam,opzettelijk zonder registratie een werkzame stof, te weten (ongeveer) 465,4 gram Ketamine in voorraad heeft gehad;\n\nin de zaak met parketnummer 09\u002F203218-25\n\nFeit 1\n\nhij, op of omstreeks 1 februari 2025 te Stolwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededaders voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en\u002Fof van een valse hoedanigheid en\u002Fof door listige kunstgrepen en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] , althans een ander, te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een tas met (waardevolle) spullen, - naar de vaste telefoonlijn van die [slachtoffer] heeft gebeld en\u002Fof zich telefonisch (tegenover [valse naam 1] ) heeft voorgedaan als politiemedewerker en\u002Fof- telefonisch heeft verteld dat er sprake is van een verdachte situatie in de omgeving van de woning van die [slachtoffer] en\u002Fof dat die [slachtoffer] en\u002Fof [valse naam 1] zijn\u002Fhaar\u002Fhun waardevolle spullen en\u002Fof sieraden en\u002Fof geld en\u002Fof creditcard en\u002Fof pinpassen in een tas moest\u002Fmoesten doen en\u002Fof dat politiemedewerker [valse naam 2] ,althans een persoon, die tas vervolgens zou komen ophalen en\u002Fof- die [slachtoffer] en\u002Fof [valse naam 1] een zogenaamde code heeft gegeven ter verificatie van de persoon die voornoemde goederen op zou komen halen en\u002Fof- (vervolgens) zich naar de woning van die [slachtoffer] heeft begeven en\u002Fof- zich aldaar als politiemedewerker [valse naam 2] , althans als een ander, heeftvoorgedaan en\u002Fof voornoemde code met die [slachtoffer] heeft geverifieerd en\u002Fof heeftgezegd dat hij voor de tas kwam en\u002Fof- heeft geprobeerd een tas van die [slachtoffer] aan te pakken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n16\u002F164779-25\n\nFeit 1 en 2\n\nde bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 24 juni 2026;\n\nhet in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf, inclusief bijlagen, van verbalisant [verbalisant 1] van 4 februari 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;\n\n- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingenvan verbalisant [verbalisant 2] van 13 juni 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;\n\nFeit 3, 4 en 5\n\nDe verklaring van de verdachte ter terechtzittingvan 24 juni 2026, zakelijk weergegeven:\n\nIk had de basic fit tas in bewaring voor een vriend van een vriend en het lag er ongeveer twee weken.\n\nVerbalisant [verbalisant 2] heeft in een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnamevan 8 juli 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nTijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen:1x basic fit rugtas, gevonden op de slaapkamer van verdachte naast het bed;1x patroon houder, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte2x losse patroon, scherp, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x doos met 50 STKs scherpe patronen .44 REMMINGTON, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x zwarte koffer, handformaat, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x plastic houder voor patronen, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x simkaart van Vodafone, aangetroffen in de zwarte koffer op de slaapkamer van de verdachte1x zwarte iPhone, aangetroffen op de slaapkamer van de verdachte, op het bureau\n\nIn de woning, in de slaapkamer van verdachte [verdachte] , werden tevens ook vermoedelijk drugs aangetroffen. Dit betrof:880,5 roze pillen, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte4 vellen, grijs van kleur, met daar in 2000 zegels, vermoedelijk een bepaald soort drug wat op deze vellen wordt gemaakt, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte.\n\nVerbalisant [verbalisant 3] heeft in een proces-verbaal van bevindingenvan 31 juli 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nDeze schietpen is een voorwerp bestemd om projectielen of stoffen door een loop af te schieten. De werking van deze schietpen berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Dit vuurwapen gelijkt qua uiterlijk op een ander voorwerp dan een wapen, namelijk een pen. Derhalve is dit wapen een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie.\n\nBovenvermeld voorwerp is een patroonmagazijn, merk FN, kaliber .40 S&W - .357 SIG, zijnde een wezenlijk en specifiek onderdeel van een wapen als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie. Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie worden onderdelen van en hulpSTKken voor wapens beschouwd als complete wapens in die zin dat daarop dezelfde regels van toepassing zijn. Dit voorkomt onder andere dat de wettelijke verboden kunnen worden ontdoken door wapens te demonteren, (toelichting Wet wapens en munitie) . Derhalve is een patroonmagazijn een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1e van de wet wapens en munitie, mede gelet op het gestelde in artikel 1 onder 3e en artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie. Gelet op bovenstaande worden onderdelen, een patroonmagazijn, in de Wet wapens en munitie, gelijk gesteld met een vuurwapen. Het voorhanden hebben is strafbaar gesteldin artikel 26 lid 1 en 55 lid 3 onder a van het Wet wapens en munitie. Dit patroonmagazijn behoort tot een vuurwapen, pistool, merk FN, model FNP, beschikbaar in zowel kaliber .40 S&W als .357 SIG.\n\n(a) 50 scherpe kogelpatronen , kaliber .44 magnum (foto's 7 t\u002Fm 10)Bovengenoemde 50 scherpe kogelpatronen kaliber .44 magnum, merk Sellier & Bellot, zijn munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van een scherpschietend vuurwapen kaliber .44 magnum af te schieten.(b) 2 scherpe kogelpatronen, kaliber 9xl9mm (foto's 11 & 12)Bovengenoemde 2 scherpe kogelpatronen, kaliber 9xl9mm, merk norma, zijn munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van een scherpschietend vuurwapen kaliber 9xl9mm af te schieten.(c) 1 scherp kogelpatroon , kaliber 6.35mm Br (foto's 13 & 14)Bovengenoemd scherp kogelpatroon, kaliber 6.35Br, merk Geco, is munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van het onder 1 genoemde vuurwapen en elk ander scherpschietend vuurwapen kaliber 6.35Br af te schieten.Derhalve zijn deze patronen munitie in de zin van artikel 1 aanhef onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie.\n\nVerbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben in een proces-verbaal van bevindingenvan 10 juli 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nOnderzoek aan '4x blottervellen met elk 500 zegels' (AARM3363NL)\n\nNettogewicht: 32,6 gram,Uniek voorwerp nummer: AASU7098NL\n\nResultaat: indicatie LSD\n\nOnderzoek aan 'sealbag met roze tabletten \"Punisher\"' (AARM3362NL)\n\nNetto gewicht 332,6 gramUniek voorwerp nummer: AASU7097NLResultaat: identificatie MDMA\n\nOnderzoek aan 'lx plastic zak (gevacuumeerd) met wit kristalachtig poeder (AARM3364NL)Nettogewicht: 2,34 gram,\n\nUniek voorwerp nummer: AASU7099NL\n\nResultaat: indicatie Ketamine\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555718\n\nCategorie omschrijving : Medicamenten\u002Fhulpmiddelen\n\nObject : Verdovende mid (LSD)\n\nAantal : 4 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 4 x een vel met daarop 500 kleine lsd zegels, dus 2000\n\nzegeltjes in totaal.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555721\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Vuurwapen (Loop)\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : Losse loop, mogelijk een zelfstandig wapen\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555724\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Munitie (Kogelpatroon)\n\nAantal : 50 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 50x .44 patronen in doos.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555729\n\nCategorie omschrijving : Medicamenten\u002Fhulpmiddelen\n\nObject : Poeders\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : Zak met wit poeder \u002F kristal.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555740\n\nCategorie omschrijving : Medicamenten\u002Fhulpmiddelen\n\nObject : Pillen\n\nAantal : 880 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 880 roze, driehoekige pillen.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PLO0900-2025015788-3555742\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Munitie (Kogelpatroon)\n\nAantal : 2 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 2 x los patroon.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555825\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Vuurwapen (Patroonhouder)\n\nSealbagnummer : 72308791\n\nUit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het NFiDENT van 10 juli 2025, volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:\n\n Kenmerk: AARM3362NL\n\nOmschrijving FO: tablet, roze, uit 332,6 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: een\n\nConclusie: bevat MDMA\n\nUit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het NFiDENT van 7 augustus 2025, volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:\n\n Kenmerk: AASU7099NL\n\nOmschrijving: monster witte kristallen\n\nConclusie: vrijwel zuivere ketamine HCI\n\nUit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het NFiDENT van 5 augustus 2025, volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:\n\n Kenmerk: AASU7098NL\n\nOmschrijving: monster, een STKje meerkleurig papier, door middel van perforatie te verdelen in 24 eenheden\n\nConclusie: bevat LSD\n\n09\u002F203218-25\n\nUit het proces-verbaal van aangiftevan 1 februari 2025 blijkt dat [slachtoffer] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard:\n\nIk moest waardevolle spullen en sieraden in een tas doen. Er zou een donkere jongen aan de deur komen om de tas op te halen. Ik moest aan de deur een code geven.\n\nDe man aan de telefoon zei dat er nu iemand aan de deur stond. Ik liep naar de deur en zag een jongen staan. Het was 20.15 uur. De jongen had een getinte huidskleur.\n\nHij zei ik kom voor de tas. Ik verifieerde de code met de jongen en strekte mijn hand met de tas uit.Ik zag dat de jongen de tas wilde pakken. Op dat moment kwam de politieagent uit de woning en heeft de jongen aangehouden.\n\nVerbalisant [verbalisant 6] heeft in een proces-verbaal van bevindingenvan 1 februari 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nIk hoorde een jongens- mannenstem aan de telefoon. Ik hoorde dat deze vloeiend ABN sprak. Ik hoorde dat hij zich voorstelde als medewerker van de recherche uit Gouda.\n\n(…)\n\nIk hoorde dat de man aan de telefoon zei dat er inbrekers actief waren en dat de kans groot was dat deze ook aan de [adres] zouden langskomen. Hierom moest melder waardevolle spullen in een tas stoppen en dichtknopen. Dit moest vooral geld en sieraden zijn.\n\n (…)\n\n Ik hoorde vervolgens dat de \"nep rechercheur\" aan de telefoon de lijn zou overgeven\n\naan iemand van het \"internetoplichtingteam\". Hierbij werden de namen [valse naam 2] en [valse naam 3] genoemd als de collega's die straks de sieraden zouden komen afhalen. Hierbij moest melder de volgende code aan de deur verifiëren: [code] .\n\n(…)\n\nIk hoorde dat melder de code op het briefje oplas. Ik hoorde de jongen voor de deur zeggen dat hij voor de tas kwam. Ik zag dat melder de tas pakte en uitstrekte naar de jongen. Ik zag dat de jongen zijn arm uitstak om de tas te pakken.\n\n(…)\n\nDe verdachte bleek later te zijn: [verdachte] geboren [2006] te [geboorteplaats] .\n\nVerbalisant [verbalisant 7] heeft in een proces-verbaal van bevindingenvan 15 februari 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nVerdachte [verdachte] verklaarde de gebruiker te zijn van zijn iPhone 16. In de Iphone is de accountnaam van Snapchat van de gebruiker ' [Snapchat accountnaam verdachte] '. Ten tijde van de oplichting van slachtoffer [slachtoffer] had ‘ [Snapchat accountnaam verdachte] ’ contact met ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’ en met ‘ [Snapchat accountnaam 2] ’.\n\nOp 1 februari 2025:\n\nOm 19.07 uur was er een inkomende oproep van ' [Snapchat accountnaam 1] '.\n\nDaarna nog een aantal uitgaande oproepen naar ' [Snapchat accountnaam 1] ', tot en met 19.10 uur.\n\nOm 19.12 uur waren er een aantal uitgaande berichten aan ‘ [Snapchat accountnaam 2] ’: \"Kom snel”, “Snle”, “Snel”.\n\nOm 19.13 uur was er daarna een uitgaande oproep naar ‘ [Snapchat accountnaam 2] ’.\n\nOm 19.13 uur stuurde ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’ een bericht: “ […] ”, waarop ‘ [Snapchat accountnaam verdachte] ’ reageerde met: “Kom nu”, en reactie van ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’: “Oke”\n\nOm 19.15 uur was er een uitgaande oproep naar ' [Snapchat accountnaam 1] ’ van 14 seconden.\n\nOm 20.07 uur kwam een bericht binnen van ' [Snapchat accountnaam 1] ’ met de tekst:\n\n“ [valse naam 2] [code] ”\n\nOm 20.18 uur komt een bericht binnen van ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’: “Yo kan je het vinden”\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met onderzoeksnaam Beagle, doorgenummerd pagina 1 tot en met 442. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\nPagina 65.\n\nPagina 143.\n\nPagina 187.\n\n Pagina 187.\n\n Pagina 188.\n\n Pagina 305.\n\n Pagina 305.\n\n Pagina 307.\n\n Pagina 193.\n\n Pagina 194.\n\n Pagina 195.\n\n Pagina 196.\n\n Pagina 427.\n\n Pagina 428.\n\n Pagina 428.\n\n Pagina 428.\n\n Pagina 429.\n\n Pagina 429.\n\n Pagina 432.\n\n Pagina 432.\n\n Pagina 437.\n\n Pagina 437.\n\n Pagina 438.\n\n Pagina 438.\n\n Pagina 442.\n\n Pagina 442.\n\n Pagina 197.\n\n Pagina 197.\n\n Pagina 232.\n\n Pagina 233.\n\n Pagina 234.\n\n Pagina 235.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Den Haag met proces-verbaal nummer DH7R025007, doorgenummerd pagina 1 tot en met 131. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 34.\n\n Pagina 34.\n\nPagina 35.\n\n Pagina 40.\n\nPagina 40.\n\nPagina 41.\n\n Pagina 58.\n\nPagina 59.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4048","2026-07-13T00:28:31.892Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":46,"courtId":84,"decisionDate":48,"fullText":85,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":53,"updatedAt":87},"568","ECLI:NL:RBAMS:2026:6929","ecli-nl-rbams-2026-6929",56,"vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeam Strafrecht\n\nParketnummers: 13\u002F297922-25 (zaak A) en 13\u002F262825-25 (zaak B)\n\nParketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13\u002F038698-23, 13\u002F221373-24 en\n\n15\u002F208785-24\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres\n\n [adres 1],\n\nthans gedetineerd te: [detentieadres],\n\nhierna: verdachte.\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. T.H.L. Kneepkens en mr. R.L.M. Meulman, naar voren hebben gebracht.\n\nDe rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat door en namens de benadeelde partij [benadeelde partij] en zijn advocaat, mr. R.G. van der Laan, naar voren is gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – na een wijziging in zaak A op de zitting van 20 februari 2026 – kort weergegeven - tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\nzaak A\n\ndiefstal van gouden kettingen van [benadeelde partij] met geweld en bedreiging met geweld in vereniging met een discriminatoir oogmerk op 14 oktober 2025 in Amsterdam\n\nzaak B\n\ndiefstal van geld en sieraden uit een woning door middel van braak op 30 juli 2025 in Amsterdam\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe tenlastelegging is opgenomen in bijlage Ibij dit vonnis.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. Standpunt van het openbaar ministerie\n\nDe officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de in zaak A en zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan, met uitzondering van het tonen van een vuurwapen in zaak A. Daarvoor heeft zij partieel vrijspraak gevorderd. Volgens de officier van justitie kan worden bewezen dat het tenlastegelegde in zaak A bovendien is gevolgd door gedragingen die haat en discriminatie tot uitdrukking brachten.\n\n3.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte in zaak A partieel moet worden vrijgesproken van het tonen van een vuurwapen. Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat verdachte in zaak A moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde discriminatie als strafverzwarende omstandigheid, nu verdachte ontkent dat hij ‘kanker koelie” heeft gezegd. Niet is gebleken dat hij zich heeft laten leiden door de afkomst, huidskleur, nationaliteit, godsdienst of enig ander persoonskenmerk van aangever. Voor zaak B heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3. Oordeel van de rechtbank\n\nPartiële vrijspraak (Zaak A)\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde in zaak A en zaak B is bewezen, met uitzondering van het tonen van een vuurwapen in zaak A. De verklaring van aangever vindt op dit punt geen steun in enig ander bewijsmiddel. Voor dit onderdeel van de tenlastelegging bevat het dossier onvoldoende bewijs, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.\n\nDiscriminatie (zaak A)\n\nArtikel 44bis Wetboek van strafrecht (Sr) bepaalt dat indien een strafbaar feit wordt gepleegd met een discriminatoir oogmerk (de a-variant) dan wel dat deze wordt voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door discriminerende uitlatingen of gedragingen (de b-variant), er sprake is van een strafverzwarende omstandigheid.\n\nDe rechtbank zal verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde onderdeel ‘dat het feit wordt begaan met een discriminatoir oogmerk’, nu de uitlatingen van verdachte, hoe verwerpelijk ook, in deze situatie niet zijn geëigend om te spreken van een discriminatoir oogmerk zoals bedoeld in art. 44bis. De rechtbank zal verdachte wel veroordelen voor de zogenaamde ‘b-variant’ en de rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\nVerdachte heeft beseft dat hij – door ‘kanker koelie’ te zeggen – noodzakelijkerwijs haat tegen en discriminatie van een groep mensen – te weten Hindoestanen – tot uitdrukking heeft gebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat het woord ‘koelie’ – in dit geval kracht bijgezet door daar ‘kanker’ aan toe te voegen – een beledigende en denigrerende term is die voor Hindoestanen zeer kwetsend is. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij weet wat het woord ‘koelie’ betekent en wat de strekking daarvan is. De rechtbank acht dan ook bewezen dat door het gebruik van deze term sprake is van een gedraging die haat tegen en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras tot uitdrukking bracht. Dat uit het dossier niet volgt dat verdachte de straatroof heeft gepleegd met het oogmerk om te discrimineren, maakt immers gelet op de b-variant van artikel 44b Sr voor de strafverzwarende werking niet uit.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in bijlage IIvervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat:\n\nzaak A\n\nhij op 14 oktober 2025 te Amsterdam, omstreeks 02:00, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, gouden kettingen, die aan [benadeelde partij] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- één of meerdere malen aan de kettingen van die [benadeelde partij], terwijl voornoemde goederen zich om de nek van [benadeelde partij] bevonden, te trekken en\n\n- die [benadeelde partij] te vegen en\u002Fof op de grond te gooien en\n\n- die [benadeelde partij] te slaan tegen het lichaam\n\nterwijl dit strafbare feit werd gevolgd door een gedraging die haat tegen en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, tot uitdrukking bracht;\n\nzaak B\n\nhij op 30 juli 2025 te Amsterdam, in een woning, te weten de [adres 2], alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en contant geld, die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n7. Motivering van de straf en maatregelen\n\n7.1. De eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Zij heeft verzocht daarbij als bijzondere voorwaarden op te leggen een contactverbod met de medeverdachte en aangever in zaak A.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht een lagere gevangenisstraf op te leggen dan de eis en aan te sluiten bij de straf die aan de medeverdachte is opgelegd (140 dagen jeugddetentie waarvan 30 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 120 uren).\n\n7.3. Oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nErnst van de feiten\n\nIn zaak A heeft verdachte zich ‘s nachts in het centrum van Amsterdam schuldig gemaakt aan het medeplegen van een straatroof. Hij is daarbij zeer berekenend te werk gegaan. Verdachte had het slachtoffer even daarvoor in een restaurant gezien, en nadat zijn vriend contact met het slachtoffer maakte, gezien dat hij twee gouden kettingen droeg. Deze wilde verdachte kennelijk kostte wat kost hebben. Hij heeft hulp ingeschakeld, is het slachtoffer gaan volgen en heeft vervolgens samen met de medeverdachte met geweld de kettingen van de nek van het slachtoffer getrokken waarbij verdachte het slachtoffer heeft gediscrimineerd. Verdachte heeft verklaard dat het niet goed met hem ging, dat hij lachgas gebruikte en geld nodig had, en de volgende dag heeft hij ten minste één van de kettingen verkocht aan een juwelier, die het goud heeft omgesmolten. De kettingen, die voor het slachtoffer van grote emotionele waarde zijn, zijn daarmee voor altijd weg. Verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit. Uit de slachtofferverklaring is gebleken dat de straatroof diepe indruk op het slachtoffer heeft gemaakt en dat hij nog altijd de vervelende gevolgen daarvan ondervindt. Daarnaast leiden dit soort straatroven in het algemeen tot onrust en angst in de maatschappij.\n\nIn zaak B heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan een woninginbraak, waarbij de deur en het slot zijn beschadigd en contant geld en een grote hoeveelheid sieraden is buitgemaakt. Door zijn handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de eigendom en persoonlijke leefomgeving van anderen. Een woningbraak kan nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woning als bij de buurtbewoners. Verdachte heeft geen enkele rekening gehouden met deze gevolgen en ook bij het plegen van dit feit alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nUit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 januari 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten. Hierdoor is sprake van recidive. Bovendien liep verdachte tijdens het plegen van de onderhavige feiten in drie proeftijden en hingen hem forse voorwaardelijke gevangenisstraffen boven het hoofd van 4 maanden, 6 weken en 159 dagen. Het is zeer zorgelijk dat zelfs drie voorwaardelijke straffen verdachte er niet van hebben kunnen weerhouden gewelds- en vermogensdelicten te plegen.\n\nVerder heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten waaronder de rapporten van 26 mei 2026 en 3 februari 2026. Hierin wordt onder meer gerapporteerd dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Verdachte kent een uitgebreid reclasseringsverleden en staat sinds mei 2023 onder toezicht van de reclassering. Vanuit de reclassering is hij sterk ingebed in hulpverlening. Er is bewindvoering opgestart en hij heeft een zelfstandige woning bij [zorginstelling] gekregen. Vanuit de gemeente wordt hij begeleid om bestendige dagbesteding te vinden. Na de recidive in 2024 heeft hij een behandeling bij Inforsa succesvol afgerond. Kortom, op vrijwel alle leefgebieden is (forensische) hulpverlening betrokken geweest. Desondanks heeft dit hem er niet van weerhouden opnieuw te recidiveren en lijkt het zich wenden tot delictgedrag een keus. De reclassering ziet geen mogelijkheden meer om met interventies en toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert dan ook oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden, opheffing van de voorwaardelijke kaders en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen.\n\nTot slot stelt de reclassering dat de bekennende houding ten aanzien van de feiten de criminogene houding van verdachte niet verandert. Hij lijkt zichzelf onverminderd als slachtoffer van de situatie te zien en zegt dat zijn daadwerkelijke persoonlijkheid afwijkt van de persoon die uit zijn strafblad en daden naar voren komt. Hiermee toont hij wat betreft de reclassering weinig daderbewustzijn. [reclasseringsmedewerker], reclasseringswerker, is ter zitting als deskundige gehoord en heeft verklaard dat hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard niet tot een ander advies leidt.\n\nDe straf\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die strafrechters in Nederland hanteren en die voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging bij veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden als vertrekpunt vermelden. Voor woninginbraak geldt bij veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden als vertrekpunt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd en de persoon van verdachte uitsluitend strafverzwarende omstandigheden zijn gelegen. Gelet op het advies van de reclassering ziet de rechtbank bovendien geen aanleiding om een gedeelte van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Om die reden zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan is geëist en aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee jaar.\n\n8. Beslag\n\nOnder verdachte zijn vier flessen lachgas en een telefoon in beslaggenomen.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de flessen lachgas moeten worden onttrokken aan het verkeer en dat de telefoon aan verdachte kan worden teruggegeven.\n\nDe flessen lachgas die aan verdachte toebehoren dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf in zaak A en verdachte heeft verklaard dat hij dit strafbare feit heeft gepleegd omdat hij geld nodig had voor lachgas, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.\n\nDe rechtbank zal bepalen dat de telefoon aan verdachte moet worden teruggegeven.\n\n9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel in zaak A\n\nDe benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een vergoeding van materiële schade van primair € 29.535,99 (vervangingswaarde van de twee gouden kettingen), subsidiair € 14.366,- (intrinsieke goudwaarde) en meer subsidiair € 5.433,- (beleenwaarde). Aan vergoeding van immateriële schade vordert hij een bedrag van € 7.500,-.\n\n9.1. Standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair gevorderde bedrag aan materiële en immateriële schade geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n9.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft voor de materiële schade bepleit dat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Voor de immateriële schade heeft de verdediging, onder verwijzing naar jurisprudentie en het vonnis van de medeverdachte, bepleit dat het bedrag moet worden gematigd tot € 2.500,-.\n\n9.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.\n\nMateriële schade\n\nHet primair gevorderde bedrag aan vergoeding van materiële schade betreft de vervangingswaarde van de twee gouden kettingen. De benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat de totale kosten voor het opnieuw vervaardigen van de twee kettingen € 29.535,99 bedraagt. Deze begroting is gebaseerd op 22 karaat goud, een totaalgewicht van 136,4 gram, de actuele consumentenprijs van goud, een maakloon van 16,67 % en commerciële opslagen inclusief lokale BTW. De rechtbank is van oordeel dat de vervangingswaarde door de verdediging onvoldoende gemotiveerd is betwist en daarmee vaststaat.\n\nDe rechtbank is voorts van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd dat verdachte twee met de hand gemaakte gouden koningskettingen heeft weggenomen, die de benadeelde partij van zijn moeder heeft geërfd en dus van grote emotionele waarde zijn. Van ten minste één ketting is bekend dat een juwelier het goud heeft omgesmolten. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het redelijk en billijk is om de geleden en te vergoeden materiële schade te begroten aan de hand van de vervangingswaarde. De rechtbank zal daarom het gevorderde bedrag van € 29.535,99 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nImmateriële schade\n\nOp grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en hierdoor in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen, waarvoor de behandeling minimaal een jaar zal duren. Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, deel B Geestelijk letsel, 14.2 PTSS, onder d. Zij stelt de vergoeding naar billijkheid vast op € 5.000,-, zodat dit bedrag – vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2025– zal worden toegewezen. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.\n\nHoofdelijkheid\n\nVerdachte wordt hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de schade omdat verdachte het feit samen met anderen\u002Feen ander heeft gepleegd.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nIn het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.\n\n10. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen\n\nDe officier van justitie vordert tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen die zijn opgelegd in de zaken met parketnummers 13\u002F038698-23, 13\u002F221373-24 en 15\u002F208785-24. De vorderingen zijn op 15 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.\n\nDe zaak met parketnummer 13\u002F038698-23 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 5 april 2023 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bij vonnis van de politierechter Noord-Holland van 9 juli 2024 is de proeftijd met één jaar verlengd. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2024 zijn van de opgelegde 6 maanden 60 dagen tenuitvoer gelegd, zodat thans 4 maanden resteren.\n\nDe zaak met parketnummer 13\u002F221373-24 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 25 oktober 2024 van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 159 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe zaak met parketnummer 15\u002F208785-24 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 9 juli 2024 van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nIn voornoemde vonnissen is bepaald dat het deel van de straf dat voorwaardelijk is opgelegd niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wist dat hij in deze zaken tot de betreffende voorwaardelijke straffen is veroordeeld.\n\nGebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijden aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke strafdelen te bevelen.\n\n11. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 44bis, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n12. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nzaak A\n\ndiefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl deze diefstal gevolgd werd door een gedraging die haat en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras tot uitdrukking bracht.\n\nzaak B\n\ndiefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvan 2 (twee) jaar.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nVerklaart onttrokken aan het verkeer:\n\n4 STK Verdovende Middelen (goednummer G6732982).\n\nGelast de teruggave aan [verdachte] van:\n\n1 STK Telefoontoestel (goednummer G6732971)\n\nWijst de vorderingvan de benadeelde partij [benadeelde partij]gedeeltelijk toetot een bedrag van € 34.535,99 (vierendertigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 oktober 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVoormeld bedrag bestaat voor € 29.535,99 (negenentwintigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent) uit materiële schade en voor € 5.000,- (vijfduizend euro) uit immateriële schade.\n\nVeroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij], aan de Staat€ 34.535,99 (vierendertigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 173 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte en\u002Fof een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van het restant van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 5 april 2023 (parketnummer 13\u002F038698-23) namelijk 4 (vier) maanden gevangenisstraf.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 25 oktober 2024 (parketnummer 13\u002F221373-24) namelijk 159 (honderdnegenenvijftig) dagen gevangenisstraf.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 9 juli 2024 (parketnummer 15\u002F208785-24) , namelijk 6 (zes) weken gevangenisstraf.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. M.C. Danel, voorzitter,\n\nmrs. E.G. Fels en G. Oldekamp rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Madiol, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.\n\n […]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6929","2026-07-13T00:28:37.130Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":46,"courtId":59,"decisionDate":48,"fullText":92,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":53,"updatedAt":94},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","2026-07-13T00:28:23.180Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":46,"courtId":99,"decisionDate":48,"fullText":100,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":53,"updatedAt":102},"532","ECLI:NL:RBMNE:2026:4065","ecli-nl-rbmne-2026-4065",63,"RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16-317532-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1992] in [geboorteplaats] (India),\n\nadres: [adres] , [woonplaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. L.J.B.G. van Kleef (hierna: de advocaat);\n\nde benadeelde partij: [slachtoffer] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partij: mr. M.C. van Megen.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;\n\nfeit 2 primair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen [slachtoffer] heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 primair heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2 primair. De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feit 1 en feit 2 subsidiair.\n\nDe advocaat heeft een aantal opmerkingen gemaakt over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nBewijsmiddelen feit 1 en feit 2 subsidiair\n\nDe rechtbank oordeelt dat feit 1 en feit 2 subsidiair zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nOp 4 oktober 2024 is het slachtoffer naar het adres [adres] in [woonplaats] (de woning van de schoonouders van de verdachte) gegaan met het idee te hebben afgesproken met een meisje, namelijk getuige [getuige] (de schoonzus van de verdachte). Het slachtoffer had berichten ontvangen vanaf haar Instagramaccount, waarin zij hem uitnodigde bij haar thuis te komen. Toen het slachtoffer vervolgens op genoemd adres aankwam, is hij door meerdere personen aangevallen, vastgebonden en mishandeld. Het slachtoffer heeft fysiek letsel overgehouden aan het incident. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij is aangevallen door twee mannen, de vader en de broer (de rechtbank begrijpt: de zwager) van [getuige] . Een vrouw, de zus van [getuige] , heeft hem vastgebonden. [getuige] heeft verklaard dat zij de uitnodigende berichten niet naar het slachtoffer heeft gestuurd.\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe rechtbank vindt de verklaringen van de aangever betrouwbaar. De aangever heeft een verklaring afgelegd bij de politie en deze op een later moment aangevuld. De verklaringen zijn uitgebreid, gedetailleerd en op grote lijnen consistent. Daarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde geweldshandelingen, de daarvoor gebruikte middelen zoals een paraplu en een snoer en het vastbinden van de aangever.\n\nAlternatief scenario verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de zaak vanaf het begin ten onrechte een lading heeft gekregen van eerwraak. Het zou volgens de verdediging zo kunnen zijn dat [getuige] de situatie bewust heeft laten escaleren. Zij zou eerder melding hebben gedaan tegen haar familie van huiselijk geweld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachten niet wisten wie de aangever was en wat hij bij hen in huis kwam doen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. De rechtbank ziet voor dit scenario onvoldoende aanknopingspunten in het dossier en verwijst specifiek naar de verklaring van de aangever waar hij stelt dat hij een bericht van [getuige] heeft ontvangen waarin staat dat hij niet moest reageren op uitnodigingen om naar haar huis te komen, omdat haar vader en zwager hem daarheen wilden lokken. Daarnaast volgt uit het bewijs dat de verdachten wisten dat de aangever een jongen was met wie [getuige] contact had. Zo blijkt uit de verklaring van de overbuurman dat medeverdachte [medeverdachte 1] zei dat er een jongen in zijn huis was die met zijn jongste dochter appte. Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] volgt dat zijn schoonzoon, de verdachte, naar de aangever riep dat hij hem herkende van een filmpje. Ook heeft de overbuurman verklaard dat de verdachte precies wist waar de auto van de aangever geparkeerd stond. Dit is onmogelijk als waar is dat de verdachte in de woning werd verrast door de aanwezigheid van de aangever. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het aangevoerde alternatieve scenario ongeloofwaardig.\n\nWederrechtelijke vrijheidsberoving\n\nDe verdachte en de medeverdachten hebben de aangever wederrechtelijk van de vrijheid beroofd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever, nadat hij naar de woning aan de [adres] is gelokt, in de betreffende woning enige tijd van zijn vrijheid beroofd is geweest.\n\nVerdachte en zijn mededader hebben in de woning geweld tegen de aangever gebruikt, hij is vastgebonden en er is op meerdere momenten dreigend tegen hem gesproken. Doordat aangever op geen enkel moment alleen is gelaten kon hij de woning niet zelf verlaten.\n\nPoging zware mishandeling\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 2 primair (poging tot zware mishandeling). De rechtbank is namelijk van oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte geprobeerd heeft om aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond. Ook blijkt niet dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank heeft hierbij gekeken naar de bewezen geweldshandelingen en het daardoor toegebrachte letsel.\n\nMishandeling\n\nDe verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever (gedurende de wederrechtelijke vrijheidsberoving) meerdere malen met de blote hand en met voorwerpen geslagen, getrapt, aan het haar getrokken en de aangever bij zijn keel gepakt. Daardoor is de aangever onwel geworden, heeft hij pijn gehad en heeft hij letsel opgelopen. De rechtbank merkt dit geweld aan als een mishandeling.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte bij beide strafbare feiten de rol van medepleger had. Medeplegen kan worden bewezen als bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De (materiële en\u002Fof intellectuele) bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet daarbij van voldoende gewicht zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte(n) nauw en bewust hebben samengewerkt. De bijdrage van de verdachte aan de strafbare feiten is van zodanig gewicht, dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte en de medeverdachten hebben samen handelingen verricht om de aangever van zijn vrijheid te beroven. De aangever is naar de woning gelokt en de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever geslagen en getrapt en dreigende woorden geuit, terwijl de medeverdachte [medeverdachte 2] de aangever heeft vastgebonden. Hierdoor was de aangever niet in staat zich vrij te bewegen en uit de woning weg te gaan. De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben de aangever samen mishandeld, door hem te slaan met de blote hand, een paraplu een snoer en een schoen, hem te trappen, aan zijn haren te trekken en hem stevig bij de keel te pakken.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt feit 1 en feit 2 subsidiair van de beschuldiging bewezen. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij zijn\" en \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te zeggen,\n\n- de handen en voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, en\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en zich niet uit de woning kon verwijderen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]\n\n- in het gezicht te slaan en te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels te slaan,\n\n- met een snoer tegen de knieën te slaan,\n\n- met een schoen in het gezicht te slaan,\n\n- tegen het lichaam te trappen en\n\n- stevig bij zijn keel te pakken.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;\n\nfeit 2: medeplegen van mishandeling.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feiten en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Een eventuele gevangenisstraf voegt volgens de verdediging niets toe aan de doelen van het strafrecht. De rechtbank zou kunnen volstaan met een alternatieve sanctie of met een voorwaardelijke straf.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachten het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Tijdens deze vrijheidsberoving hebben zij hem geslagen en gestompt in zijn gezicht en op zijn lichaam, getrapt, aan zijn haren getrokken en geslagen met een paraplu, een snoer en een schoen. Voor het slachtoffer, een jongeman van net 18 jaar die dacht dat hij in de woning een afspraak met een hem bekend meisje zou hebben, is dit een enorm angstige ervaring geweest. Dit blijkt ook wel de slachtofferverklaring en de toelichting op het schadevergoedingsverzoek dat het slachtoffer heeft ingediend.\n\nMet hun handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachten fors inbreuk gemaakt op de vrijheid en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte en zijn medeverdachten zijn volledig voorbijgegaan aan de gevolgen voor het slachtoffer, die hij tot de dag van vandaag ervaart. Hoewel het slachtoffer van het lichamelijk letsel is hersteld, ondervindt hij nog dagelijks de psychische gevolgen van wat hem is overkomen. Het slachtoffer was volop bezig om zijn toekomst op te bouwen, maar heeft door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten dit toekomstbeeld moeten bijstellen. De rechtbank neemt verdachte kwalijk dat hij weinig verantwoordelijkheid neemt voor wat hij het slachtoffer heeft aangedaan.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 11 november 2025 met betrekking tot de verdachte. De reclassering concludeert dat de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden niet kunnen worden ingeschat, omdat niet duidelijk is geworden wat ten grondslag heeft gelegen aan het gewelddadige gedrag van de verdachte. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden en merkt op dat een eventuele detentie gevolgen zou hebben voor het privéleven van de verdachte. De verdachte is in staat om een werkstraf uit te voeren en een geldboete te betalen. Concrete signalen die wijzen op de noodzaak van een contact- en\u002Fof locatieverbod ziet de reclassering niet.\n\nStrafkader\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen variëren van taakstraffen tot gevangenisstraffen van korte en langere duur, en zijn voor een groot deel afhankelijk van de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd.\n\nDe rechtbank vindt dat bij de strafbare feiten waar het in deze zaak om gaat, rekening houdend met de aard en ernst daarvan zoals hiervoor omschreven, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden past. Dat is dan ook de straf die de rechtbank aan de verdachte oplegt. Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een taakstraf.\n\nTenuitvoerlegging van de straf\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank ziet niet langer aanleiding de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Om die reden zal het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.708,41 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd is en geheel kan worden toegewezen.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijzen van aankoop van de kledingstukken bij de vordering zijn gevoegd. De verdediging stelt zich om die reden op het standpunt dat niet kan worden nagegaan of het daadwerkelijk merkkleding betreft, of dat sprake is van namaak. Daarnaast brengt de verdediging naar voren dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn telefoon heeft teruggekregen. De verdediging vindt het argument dat dit lang duurde, waardoor het slachtoffer een nieuwe telefoon moest kopen, niet houdbaar. De verdediging wijst erop dat er geen bewijs van aankoop van de airpods bij de vordering is gevoegd.\n\nVoor het overige heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank wijst € 3.195,85 aan materiële schade toe voor de weggenomen airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten. De verdediging heeft het wegnemen van de airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten niet betwist. Ten aanzien van de kleding geeft de opmerking van de advocaat over de mogelijkheid dat het gaat om namaakkleding onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De verdediging heeft de feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist.\n\nDe kosten voor een nieuwe telefoon komen niet voor vergoeding in aanmerking. De aangever heeft zijn telefoon teruggekregen en de advocaat betwist dat schade is ontstaan aan de telefoon. Die schade is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat het alsnog nader onderbouwen ervan een onevenredige belasting zou vormen voor het strafproces. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nAls gevolg van de mishandeling heeft [slachtoffer] een hersenschudding en letsel aan zijn hoofd, rug, oren en gezicht opgelopen in de vorm van blauwe plekken en bloeduitstortingen . Ook heeft hij geestelijk letsel opgelopen: hij is na het incident gediagnosticeerd met PTSS.\n\nDe verdediging heeft de immateriële schade niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nGelet op de setting waarin het incident zich heeft afgespeeld, de doodsangsten die het slachtoffer heeft uitgestaan en de gestelde diagnose, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag ook rekening gehouden met de richtbedragen in de Rotterdamse schaal.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte of een ander de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nProceskosten\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 23.195,85, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Als de verdachte niet betaalt, wordt deze verplichting aangevuld met 135 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .\n\nHoofdelijk\n\nOmdat de verdachte de feiten waarvoor de schadevergoeding worden toegekend samen met zijn mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Dit betekent dat de verdachte tegenover [slachtoffer] voor het hele bedrag van € 23.195,85 aansprakelijk is.\n\nVoor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\n7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- artikelen 36f, 47, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\n- verklaart feit 2 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 subsidiair heeft gepleegd, zoals hierboven is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 subsidiair bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 23.195,85, bestaande uit € 3.195,85 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nverklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 135 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;voorlopige hechtenis\n\n- heft op het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. D.S. Terporten-Hop en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nDe oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk\n\n [slachtoffer]\n\nwederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd heeft gehouden,\n\ndoor\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten en\u002Fof\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, in elk geval gedurende enig tijd\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de\n\nwoning kon verwijderen;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen\n\nmisdrijf om\n\naan [slachtoffer]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] ,\n\n- in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- hard aan de haren heeft getrokken,\n\n- tegen het lichaam heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam heeft geschopt en\u002Fof getrapt en\u002Fof\n\n- stevig bij de keel heeft vastgepakt en\u002Fof de keel heeft dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,\n\n- in het gezicht te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof te trappen en\u002Fof\n\n- stevig bij zijn keel te pakken en\u002Fof zijn keel dicht te knijpen.\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n-de verklaring van de verdachte [verdachte] op de zitting van 24 juni 2026, zakelijk weergegeven:\n\nDie jongen heeft wel een paar klappen gehad van mij.\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\n Gisteren (de rechtbank begrijpt: 4 oktober 2024) zag ik zag een worsteling tussen mijn schoonzoon (de rechtbank begrijpt [verdachte] ) en een jongen. Ik heb de veters van de jongen vastgemaakt. Gewoon zijn veters aan elkaar zodat hij niet weg kon rennen.\n\n Mijn schoonzoon heeft zijn handen vastgebonden met een touwtje.\n\n Ik zag dat mijn schoonzoon die jongen aan het slaan was en mijn schoonzoon riep: “Ik heb jou op een filmpje gezien”. Toen snapte ik dus dat die jongen via social media was. Ik heb mijn schoen uitgetrokken en hem ook twee of drie keer geslagen met mijn schoen.\n\n Ik heb op zijn benen, billen geslagen en in zijn gezicht. Mijn zoon zei dat ze een filmpje hadden dat hij iets deed bij een meisje\n\n Ik heb hem met de schoen geslagen en met de paraplu.\n\n Ik heb wel een snoer gepakt.\n\n- een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 reed ik in Almere. Ik had contact met [getuige] via Instagram. [getuige] gaf haar straatnaam op. Toen ben ik naar de straat gereden waar [getuige] zou wonen.\n\nIk liep de [straat] in. Ik las op Instagram dat [getuige] mij een bericht stuurde, dat de voordeur open zou staan. Daarom dacht ik dat ik bij deze woning moest zijn.\n\n Ik liep de woning in. Ik hoorde opeens achter mij een geluid van voetstappen. Ik draaide mij om en er werd direct een hand voor mijn ogen gehouden. Ik voelde dat ik werd vastgepakt om mijn middel. Ik ben op de grond gegooid. Ik zag twee mannen en een vrouw voor me staan. Ik hoorde een man zeggen: “Jij gaat het vandaag niet meer halen”.\n\n Ik zag dat beide mannen mij sloegen. Ik voelde dat één van die mannen mij aan mijn haar trok. Dit zag ik ook. De andere man bleef met vuisten op mijn hoofd slaan.\n\nPersoon 1 noem ik ‘vader’.\n\n Persoon 2 noem ik ‘broer’.\n\n Ik hoorde broer zeggen: “Je weet niet wie wij zijn”. Ik voelde en zag dat broer mij op mijn hoofd trapte. Ik hoorde de broer zeggen: “Ik ga je mond afplakken met Duck tape”.\n\n Ik zag dat de broer mij bij mijn keel vastpakte. Ik voelde een sterke greep om mijn keel heen. Ik kreeg bijna geen adem.\n\n Ik zag vader met een paraplu op mijn beide enkels slaan. Ik zag dat broer mijn haar vastpakte met zijn rechterhand en ik zag dat broer mij met zijn linkerhand sloeg op mijn hoofd.\n\n Ik zag en voelde dat vader en broer mij ook trapten. In mijn gezicht, mijn buik en op mijn rug. Ik zag dat vader zijn hand naar achter bracht met daarin het witte snoer en zag dat vader met kracht met dit snoer op mijn knieën sloeg. Ik zag dat ik met mijn polsen aan elkaar werd vastgebonden met een wit touw. Ik zag dat dit ook gebeurde met mijn enkels. Dit ook met een wit touw. Dit werd gedaan door een vrouw. Ik zag dat vader mij met één hand bij mijn haren vasthield en trok over de vloer van de woonkamer richting de bank. Ik zag dat vader een schoen uittrok. Ik zag dat vader mij met deze schoen hard in mijn gezicht sloeg.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aanvullende informatie van de aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 11 oktober 2024 sprak ik telefonisch met het slachtoffer [slachtoffer] .\n\n Hij vertelde de volgende informatie die voor het onderzoek van belang is:\n\n De zus van [getuige] had in de woning zijn voeten met een verlengsnoer bij elkaar gebonden.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende contact met slachtoffer [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\n Het slachtoffer verklaarde dat hij op 5 oktober 2024 zag dat er op Snapchat een bericht was van [getuige] .\n\n Hierop zag hij een tekst welke hij nog niet eerder had gezien. In de tekst stond dat hij niet naar de woning moest komen omdat de vader en de broer hem naar de woning zouden hebben gelokt.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 zag ik dat de overbuurman (de rechtbank begrijpt de medeverdachte [medeverdachte 1] ) voor de deur stond.\n\n Zijn woning is [adres] . Ik holde met de buurman mee naar de overkant van de straat. Ik hoorde buurman [medeverdachte 2] iets zeggen van “die jongen appt ook steeds met dochter”.\n\n Ik zag dat de jongeman aan handen en voeten gebonden was middels veters en ik zag ook dat de jongeman meerdere verwondingen aan zijn gezicht had. Achter de jongen zag ik een deel van een paraplu liggen.\n\n Buurman [medeverdachte 2] liep op de jongen af en gaf hem een klap vol in zijn gezicht. Buurman [medeverdachte 2] gebruikte hiervoor een schoen.\n\n Ik zag in de keuken nog twee personen staan, die ik herkende als de oudste dochter van buurman [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2] , [1998] ) en zijn echtgenote.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik aan de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag in de woonkamer een jongen op de grond liggen. Deze jongen bleek mij te zijn: [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] divers zichtbaar letsel had.\n\n Verder zag ik in de ruimte op de grond een wit verlengsnoer liggen. Ook lag er een paraplu op de grond.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven:\n\n Op 4 oktober 2024 kwam ik ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag een zwarte autosleutel op tafel liggen. Ik vroeg van wie de sleutel was. Ik\n\nhoorde [slachtoffer] zeggen dat dit zijn autosleutel was. Ik besloot samen met een man naar de auto te lopen. Die man gaf aan dat hij wist waar de auto stond. Deze man bleek later te zijn:\n\n* [verdachte] , geboren op [1992] *\n\nDe sleutel werkte en de auto ging van zijn vergrendeling af.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , zakelijk weergegeven:\n\nNOOT verbalisant: Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de onderstaande berichten niet heeft verstuurd.\n\nChat 202 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 19:59:03 “Wil je komen”\n\nChat 205 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:25:19 “Ja ben alleen”\n\nChat 208 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:27:36 “ [straat] ”\n\nChat 223 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:02:23 “Je kan komen babe”\n\nChat 236 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:07:27 “Kom eventjes binnen”\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 9 oktober 2024, inhoudende de verklaring van de verdachte [verdachte] , zakelijk weergegeven:\n\nVraag: Is die jongen die in het huis was ( [slachtoffer] ) met een soort smoes naar de [adres] in [woonplaats] gekomen?\n\nAntwoord: Ja.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024315295, doorgenummerd pagina 1 tot en met 249. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 27-28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 29.\n\n Pagina 30.\n\n Pagina 101.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 153.\n\n Pagina 122.\n\n Pagina 111.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 86.\n\n Pagina 159.\n\n Pagina 165-166.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4065","2026-07-13T00:28:35.186Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":46,"courtId":84,"decisionDate":48,"fullText":107,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":53,"updatedAt":109},"634","ECLI:NL:RBAMS:2026:6949","ecli-nl-rbams-2026-6949","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F078137-26 Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13\u002F254175-25 en 16\u002F258789-25\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [de verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1975,\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\nop dit moment gedetineerd te: [detentieadres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.F. van Kregten, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.T. Laigsingh, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de deskundige [naam deskundige] , reclasseringswerker, ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 15 maart 2026 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer porseleinen artikelen (met een totale waarde van 7.737,85 euro), in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander te weten aan [winkel\u002Fbenadeelde partij] (gelegen aan het [adres] ) toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\n3. Waardering van het bewijs3.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde vernieling wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\n3.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag. De exacte hoogte van de geleden schade kan namelijk niet worden bewezenverklaard, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.\n\n3.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte het volgende vast.\n\nAangeefster [aangeefster] was op 15 maart 2026 aan het werk in het filiaal van [winkel\u002Fbenadeelde partij] op het [adres] te Amsterdam, toen zij een hoop kabaal uit de winkel hoorde komen. Ze zag op dat moment een man door de winkel lopen die met zijn armen om zich heen sloeg en daarmee verschillende producten kapot maakte. Samen met een collega en een omstander heeft ze de man in bedwang weten te krijgen, waarop de man door de politie is aangehouden.\n\nOp camerabeelden van de winkel is te zien dat een man, die door de verbalisant wordt herkend als verdachte [de verdachte] , de winkel binnenloopt en direct een stellage met goederen omver duwt. Ook wordt gezien dat de man een grote vaas omver duwt en meerdere goederen van een tafel in het midden van de winkel op de grond stuk gooit. Zelfs op het moment dat de man in een worsteling is met een toegesnelde medewerker van de winkel, probeert hij nog gericht verschillende goederen op de grond te gooien.\n\nVerdachte heeft op de zitting van 24 juni 2026 bekend dat hij de man is geweest die de porseleinen goederen in de winkel heeft vernield. Hij heeft verklaard dit opzettelijk te hebben gedaan, vanwege ‘criminele redenen’. Over wat deze redenen precies zijn, heeft verdachte niet verder willen verklaren.\n\nDe rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de op 15 maart 2026 gepleegde vernieling in het filiaal van [winkel\u002Fbenadeelde partij] te Amsterdam. Daarbij zal de rechtbank het geleden schadebedrag vaststellen op een bedrag van € 2.992,89, nu uit de uitdraai met schadebedragen, die bij de aangifte is verstrekt, volgt dat dit bedrag de inkoopwaarde is van de vernielde goederen.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in de bijlageopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat\n\nverdachte:\n\nop 15 maart 2026 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk porseleinen artikelen (met een totale waarde van 2.992,89 euro), die aan [winkel\u002Fbenadeelde partij] (gelegen aan het [adres] ) toebehoorden, heeft vernield.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n7. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders7.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\n7.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van verdachte heeft verzocht om de ISD-maatregel niet op te leggen en te volstaan met de oplegging van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de ISD-maatregel in voorwaardelijke zin op te leggen. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht te bepalen dat, indien de ISD-maatregel wordt opgelegd, er na een jaar een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel plaatsvindt.\n\n7.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nErnst van het feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vernielen van een grote hoeveelheid porseleinen goederen in een porseleinwinkel. Vrijwel direct na binnenkomst in de winkel heeft verdachte zoveel mogelijk goederen kapot geslagen en op de grond gegooid. Door deze zinloze vernielingen heeft hij een ongelooflijke ravage aangericht in de winkel en daarmee overlast en schade veroorzaakt. Verdachte heeft zich daarmee zowel letterlijk als figuurlijk gedragen als ‘een olifant in een porseleinkast’; door middel van zijn onbehouwen gedrag heeft hij flinke schade aangericht en laten zien dat hij zich niet heeft bekommerd om de gevolgen van zijn gedrag voor de eigendommen en de werknemers van de porseleinwinkel, die een flinke klus hebben gehad aan het opruimen van de door verdachte veroorzaakte schade.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nIn het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 19 mei 2026, waaruit volgt dat verdachte al meerdere keren is veroordeeld voor soortgelijke feiten.\n\nOok heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies betreffende verdachte van 28 mei 2026, waaruit volgt dat de reclassering het recidiverisico als hoog inschat. Er is sprake van een delictpatroon ten aanzien van vernielingen, waarbij het voor de reclassering onduidelijk is gebleven welke risico's of eventuele gedragskenmerken ten grondslag liggen aan het delictgedrag. De reclassering ziet geen mogelijkheden om reclasseringsinterventies binnen een voorwaardelijk kader in te zetten. Verdachte heeft een niet meewerkende houding en de reclassering heeft geen zicht kunnen krijgen op eventuele risicofactoren of beschermende factoren, waardoor er geen plan van aanpak kan worden opgesteld. Om die reden ziet de reclassering ook geen mogelijkheden voor het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel en wordt geadviseerd om bij een bewezenverklaring over te gaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Binnen het langdurige en strikte karakter van de maatregel kan er tijdens de intramurale fase mogelijk meer zicht verkregen worden op verdachte en kan hij gemotiveerd worden om zich open te stellen en inzicht te geven over zijn persoonlijke omstandigheden.\n\nDe deskundige, mevrouw [naam deskundige] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd.\n\nDe op te leggen maatregel\n\nDe rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezenverklaarde aan alle voorwaarden is\n\nvoldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor\n\nvoorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan\n\nhet door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk\n\nveroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde\n\nfeit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen.\n\nUit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies en het strafblad blijkt dat er ernstig rekening\n\nmee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit het\n\nstrafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor strafvordering bij\n\nmeerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer actieve\n\nveelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag\n\nworden voor ten minste tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf\n\nmaanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis bewezen verklaarde\n\nfeit.\n\nVerder is de rechtbank van oordeel dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de\n\nISD-maatregel bestaat. Eerder opgelegde straffen hebben niet geleid tot het terugdringen van het recidivegevaar. Zoals in het reclasseringsrapport is omschreven, blijkt een voorwaardelijk kader met reclasseringstoezicht, gelet op de niet meewerkende houding van verdachte, niet mogelijk. Ook op de zitting van 24 juni 2026 heeft verdachte geen inzicht willen geven in zijn beweegredenen. Hij heeft enkel verklaard het feit opzettelijk te hebben gepleegd om ‘criminele redenen’, maar heeft niet willen toelichten welke redenen dit zijn. Bij het niet opleggen van de (onvoorwaardelijke) ISD-maatregel bestaat aldus het risico dat verdachte zich vanwege deze zelfbenoemde ‘criminele redenen’ opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van vernielingen. Het belang van de samenleving, dat verdachte geen overlast en schade meer zal veroorzaken, staat nu voorop. De veiligheid van goederen eist daarom de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.\n\nDe rechtbank zal de vordering van de officier van justitie volgen en een ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaar. Om optimaal te kunnen werken aan het terugdringen van recidive en de problematiek van verdachte en de maatschappij te beschermen, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. De tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht, zal om die reden niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om te bevelen dat de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel na een jaar tussentijds dient te worden getoetst, als bedoeld in artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn – mede gelet op de houding van verdachte – op dit moment geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het recidivegevaar duidelijk eerder dan de op te leggen twee jaren voldoende zal zijn ingedamd. Mochten deze omstandigheden er in een later stadium wel zijn, dan kan door de verdediging alsnog om een tussentijdse toetsing worden verzocht.\n\n8. De vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [winkel\u002Fbenadeelde partij] vordert een bedrag van € 3.458,- aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit vernielde handelsgoederen (ter waarde van € 3.108,-) en een vernielde winkeldisplay (ter waarde van € 350,-).\n\n8.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n8.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van verdachte heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaring in de vordering tot schadevergoeding, nu niet ten aanzien van alle goederen is onderbouwd dat deze ook daadwerkelijk zijn beschadigd. Daarnaast zijn de gevorderde bedragen aan inkoopwaarde van de vernielde goederen volgens de raadsman onvoldoende onderbouwd.\n\n8.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit het procesdossier duidelijk blijkt dat [winkel\u002Fbenadeelde partij] schade heeft geleden als gevolg van het handelen van verdachte. Op de afbeeldingen van de winkel, die bij het procesdossier zijn gevoegd, is immers te zien dat er diverse porseleinen goederen in stukken op de grond liggen. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat de opgegeven vernielde goederen ook daadwerkelijk zijn vernield.\n\nIn de uitdraai met schadebedragen, die bij de aangifte is verstrekt, staat dat de totale schade vlak na de vernieling op een bedrag van € 2.992,89 aan inkoopwaarde werd geschat. Uit de bijlage bij de vordering tot schadevergoeding volgt dat het totale schadebedrag door [winkel\u002Fbenadeelde partij] uiteindelijk op een bedrag van € 3.457,89 is vastgesteld. Nu het verschil tussen deze twee bedragen niet nader is toegelicht, zal de rechtbank uitgaan van het aanvankelijk opgegeven schadebedrag van € 2.992,89. De rechtbank zal de vordering tot schadevergoeding daarom ten aanzien van dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 maart 2026 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij wordt voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.\n\n9. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen9.1.. \n\nDe vorderingen tenuitvoerlegging met parketnummers 13\u002F254175-25 en 16\u002F258789-25\n\nDe vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 13\u002F254175-25 betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 1 oktober 2025 van de politierechter van deze rechtbank. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een\n\ngevangenisstraf voor de duur van zeven dagen met aftrek, waarvan vier dagen voorwaardelijk en een proeftijd voor de duur van twee jaren.\n\nDe vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 16\u002F258789-25 betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 3 oktober 2025 van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen dagen met aftrek, waarvan zeven dagen voorwaardelijk en een proeftijd voor de duur van twee jaren.\n\n9.2.. \n\nDe standpunten van de officier van justitie en de raadsman\n\nDe officier van justitie heeft verzocht om de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen, gelet op de gevorderde ISD-maatregel.\n\nDe raadsman van verdachte heeft eveneens verzocht om de vorderingen tenuitvoerlegging af te wijzen, in het geval dat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de proeftijd van de vorderingen tot tenuitvoerlegging te verlengen, in het geval dat er geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel zou worden opgelegd.\n\n9.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel\n\nafwijzen, omdat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Hierdoor is de\n\ntenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel naar het oordeel van de rechtbank niet opportuun.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n en 350 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n11. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [de verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nLegt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van2 (twee) jaren.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [winkel\u002Fbenadeelde partij]\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.992,89 (tweeduizend negenhonderdtweeënnegentig euro en negenentachtig cent)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 maart 2026, het moment van het ontstaan van de schade, tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVeroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [winkel\u002Fbenadeelde partij] voornoemd.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijkin haar vordering is.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [winkel\u002Fbenadeelde partij] aan de Staat een bedrag van € 2.992,89 (tweeduizend negenhonderdtweeënnegentig euro en negenentachtig cent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 15 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 29 (negentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nDe vorderingen tot tenuitvoerlegging\n\nWijstde vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken met de parketnummers\n\n13\u002F254175-25 en 16\u002F258789-25 af.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. R.A. Overbosch, voorzitter,\n\nmrs. A.L. op ’t Hoog en C. Işıtman, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J.M. Bos, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.\n\n [--]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6949","2026-07-13T00:28:40.313Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":46,"courtId":27,"decisionDate":48,"fullText":114,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":116},"482","ECLI:NL:RBROT:2026:8128","ecli-nl-rbrot-2026-8128","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-341694-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nDatum zitting: 24 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1988 op [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),\n\ningeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. J. Dekker\n\nOfficier van justitie: mr. X. van Balen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van zijn vijftienjarige stiefdochter. Daarnaast heeft de verdachte kinderporno in zijn bezit gehad. Door de bekennende verklaring van de verdachte stond de bewijsvraag tijdens de zitting niet ter discussie. De rechtbank legt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op en de maximale taakstraf.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een meisje ouder dan twaalf, maar jonger dan zestien jaar, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Daarnaast beschuldigt de officier van justitie de verdachte van het bezit van kinderporno.\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat\n\n1.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 januari 2023 tot en met 29 april 2023 te Heenvliet,\n\nmet [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2007, die de leeftijd van twaalf jaren maar\n\nnog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten\n\n- het aanraken van haar billen, en\u002Fof\n\n- het brengen van zijn penis in haar vagina;\n\n2.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 januari 2023 tot en met 20 juli 2023 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, afbeeldingen, te weten (digitale) fotobestanden en\u002Fof (digitale) filmbestanden en\u002Fof een of meer gegevensdragers, te weten een telefoon, bevattende afbeeldingen, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2007, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verworven, in bezit gehad en\u002Fof zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en\u002Fof met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\nhet met de penis vaginaal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer]\n\n(pagina 9 en 20 van in toonmap opgenomen foto's)\n\nen\u002Fof\n\nhet geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van\u002Fdoor die [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] gekleed is en\u002Fof opgemaakt is en\u002Fof poseert in een omgeving en\u002Fof in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past en\u002Fof waarbij zij zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van haar kleding ontdoet en\u002Fof (waarna) door het camerastandpunt, de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van deze persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's\u002Ffilm(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling\n\n(pagina 2 tot en met 20 van in toonmap opgenomen foto's).2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor beide ten laste gelegde feiten, waarbij geldt dat er slechts bewijs is dat feit 1 één keer is gepleegd en dat feit 2 alleen ziet op het bezit van kinderporno.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, behalve voor zover ten laste is gelegd dat meermaals ontuchtige handelingen zijn gepleegd . Ten aanzien van feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank voor zover de tenlastelegging ziet op het bezit.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten 1 en 2 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangever\n\n3. Proces-verbaal van de politie, bevindingen\n\n4. Proces-verbaal van de politie, bevindingen2.3.2.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n1.\n\nhij in de periode van 1 januari 2023 tot en met 29 april 2023 te Heenvliet, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2007, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten\n\n- het aanraken van haar billen, en\n\n- het brengen van zijn penis in haar vagina;\n\n2.\n\nhij in de periode van 1 januari 2023 tot en met 20 juli 2023 in Nederland, afbeeldingen, te weten (digitale) fotobestanden en een (digitaal) filmbestand, waarbij iemand die de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2007, is betrokken, in bezit heeft gehad welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\nhet met de penis vaginaal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer]\n\nen\n\nhet geheel of gedeeltelijk naakt poseren door die [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] gekleed is en poseert in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past en door de (onnatuurlijke) pose en de wijze van kleden van deze persoon en nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;\n\nFeit 2\n\neen afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nAan de verdachte moet hoogstens een forse taakstraf worden opgelegd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten. Hij heeft ontuchtige handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, gepleegd met de vijftienjarige dochter van zijn toenmalige vriendin. Het slachtoffer woonde in een gezinshuis, maar verbleef wel regelmatig bij haar moeder. Zij is op enig moment verliefd geworden op de verdachte. Deze signalen zijn door het gezinshuis besproken met de verdachte en benadrukt is dat hij gelet op haar kwetsbaarheid afstand van haar dient te houden. Kennelijk is de verdachte ook verliefd geworden op de dochter van zijn vriendin. Vervolgens heeft hij vaginale seks met haar gehad. De vriendin van de verdachte heeft dat ontdekt toen zij een door de verdachte gemaakt filmpje daarvan in zijn mobiele telefoon zag. In de periode daarna hielden de verdachte en het slachtoffer in ieder geval via social media contact, waarbij de verdachte naaktfoto’s van haar ontving. Hij heeft zich daarmee ook schuldig gemaakt aan het bezit van kinderporno.\n\nDe verdachte heeft met de bewezenverklaarde handelingen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van de dochter van zijn ex-vriendin. In zijn algemeenheid kunnen deze handelingen door een slachtoffer als (zeer) ingrijpend worden ervaren en nadelige fysieke en\u002Fof psychische gevolgen van mogelijk lange duur met zich meebrengen. Kinderen van deze jonge leeftijd bevinden zich nog volledig in de fase van hun (psycho)seksuele ontwikkeling en de verdachte heeft met zijn handelen bewerkstelligd dat zij dit niet in haar eigen tempo kon doormaken. Hij heeft zich kennelijk laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en de bevrediging daarvan vooropgesteld en zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen die dit op latere leeftijd voor het slachtoffer zou kunnen hebben. De ervaring leert dat seksueel misbruik van kinderen kan leiden tot grote psychische schade, waaronder verstoring van de seksuele ontwikkeling. De verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie, zijn overwicht ten opzichte van zijn stiefdochter en de tussen hen bestaande vertrouwensrelatie; een relatie waarbinnen het slachtoffer zich bij uitstek veilig had moeten kunnen voelen en waarbinnen zij bescherming mocht verwachten.\n\nTijdens de behandeling ter zitting heeft de verdachte meer openheid van zaken gegeven door de ten laste gelegde feiten te bekennen. Daarbij heeft de verdachte getoond dat hij enig inzicht heeft verkregen in het laakbare van zijn gedrag.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 2 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van Leger des Heils reclassering van 15 juni 2026 staat het volgende.\n\nDe verdachte heeft aan de reclassering geen hulpvraag. Voor praktische zaken heeft hij reeds begeleiding van Middin, daarmee heeft hij voldoende hulp in een vrijwillig kader. Hij ontvangt een Wajong uitkering. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. De verdachte zou een taakstraf kunnen uitvoeren bij de kringloopwinkel waar hij ook vrijwilligerswerk verricht.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nUit het dossier blijkt dat het ontwikkelingsniveau van de verdachte niet overeenkomt met zijn kalenderleeftijd. De verdachte heeft zijn leven inmiddels op orde; hij woont begeleid en hij krijgt begeleiding van Middin waar hij baat bij heeft.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 20 juli 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is sindsdien een periode van bijna drie jaar verstreken.\n\nOmdat er geen bijzondere omstandigheden zijn, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal daar bij de strafoplegging rekening mee houden, zowel in de strafmodaliteit als de duur van de op te leggen straffen.\n\n4.3.4.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.\n\nDe rechtbank betrekt bij de op te leggen straffen en de hoogte daarvan verder dat de verdachte niet functioneert conform zijn kalenderleeftijd, dat hij het kwalijke van zijn handelen lijkt in te zien en hij zijn leven inmiddels op orde heeft. Verder weegt mee dat de redelijke termijn met bijna een jaar is geschonden.\n\nGelet hierop acht de rechtbank het passend om de gevangenisstraf grotendeels in voorwaardelijke vorm op te leggen. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rest van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe rechtbank volgt het advies van de reclassering en verbindt, mede omdat het recidiverisico als laag wordt ingeschat en de verdachte geen hulpvraag aan de reclassering heeft, geen bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf.\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten wordt daarnaast een taakstraf van 240 uur opgelegd.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 240b en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 zijn omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 178 (honderdachtenzeventig) dagen gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J. de Lange, voorzitter,\n\nen mr. D.M. Douwes en mr. E.M. Moison, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 8 juli 2026.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] met onderzoeksnummer [nummer X] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 24 juni 2026.\n\n Pagina’s 4-21.\n\n Pagina’s 66-80.\n\n Pagina’s 81-97.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8128","2026-07-13T00:28:32.670Z",{"id":118,"ecli":119,"slug":120,"caseNumber":46,"courtId":59,"decisionDate":48,"fullText":121,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":123},"829","ECLI:NL:GHDHA:2026:2238","ecli-nl-ghdha-2026-2238","Rolnummer: 22-003380-25\n\nParketnummer: 10-180764-21\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,\n\nthans gedetineerd in [detentieadres].\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) opgelegd. Verder is een beslissing genomen op de vordering tot ontzetting van de verdachte uit het recht om het beroep uit te oefenen van beroepschauffeur, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nIn hoger beroep heeft het hof de verdachte bij arrest van 16 juli 2024 ter zake van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte opgelegd de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994. Tot slot zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals nader omschreven in het arrest van het hof van 16 juli 2024.\n\nTegen dat arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.\n\nBij arrest van 11 november 2025 heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van € 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor vergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij].\n\nDe Hoge Raad overwoog (onder meer):\n\n“3.5\n\nHet hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij niet als levensgezel in de zin van\n\nartikel 6:108 lid 4, aanhef en onder b, BW kan worden beschouwd, omdat zij niet duurzaam\n\nmet het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde, maar dat zij wel in een\n\n‘LAT-relatie’ stond met het slachtoffer. Volgens het hof heeft zij ‘daarmee’ in voldoende\n\nmate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de\n\nzin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW kan worden aangemerkt.\n\nDat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de onder 3.2.2\n\nweergegeven bijlage van het ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij\n\nweliswaar inhoudt dat sprake was van een ‘hechte en duurzame’ LAT-relatie tussen de\n\nbenadeelde partij en het slachtoffer, maar dat de daaraan door de benadeelde partij ten\n\ngrondslag gelegde stellingen door de verdediging zijn betwist onder verwijzing naar het\n\nontbreken van stukken waaruit dit blijkt. Bij die stand van zaken had het hof aan de hand\n\nvan de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en\n\nomstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden - in het bijzonder de\n\nonderbouwing door de benadeelde partij van de in de wetsgeschiedenis bedoelde duur en\n\nhechtheid van de relatie - in voldoende mate zijn komen vast te staan.\n\n3.6\n\nHet cassatiemiddel slaagt. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f lid 1\n\nvan het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel ten behoeve van de benadeelde partij\n\nniet in stand kan blijven (vgl. HR 18juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).\n\nIn de omstandigheid dat het hof – in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, rechtsoverweging 3.9 – bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding van schokschade rekening heeft gehouden met de hoogte van de vergoeding van de affectieschade, ziet de Hoge Raad aanleiding om de zaak ook terug te wijzen ten aanzien van de beslissing over de vergoeding van schokschade.\n\n4. Beslissing\n\nDe Hoge Raad:\n\n- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de\n\nvordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van\n\n€ 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor\n\nvergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij];\n\n- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien van de\n\nbeslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van\n\naffectieschade en schokschade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel\n\nten behoeve van [de benadeelde partij] opnieuw wordt berecht en afgedaan;\n\n- verwerpt het beroep voor het overige.”\n\nOmvang van de zaak\n\nGelet op het arrest van de Hoge Raad is de zaak aan het oordeel van het hof onderworpen, uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ten aanzien van de gevorderde affectieschade en schokschade en ten aanzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nVordering tot schadevergoeding [de benadeelde partij]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [de benadeelde partij], de partner van [het slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 52.068,19.\n\nGelet op de beslissing van de Hoge Raad is thans uitsluitend de vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 47.500,- aan de orde, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 30.000,- voor schokschade.\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in voldoende mate heeft aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was dat zij als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden aangemerkt. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 42.500,-, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor schokschade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdediging heeft het bestaan van een LAT-relatie tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet betwist, maar wel de intensiteit, de aard en de duur daarvan ter discussie gesteld. De verdediging betwist dat er sprake was van een langdurige, hechte LAT-relatie, zodat [de benadeelde partij] niet als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW kan worden aangemerkt.\n\nAffectieschade\n\nOp grond van de sinds 1 januari 2019 in werking getreden Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 BW en artikel 1 van het Besluit Vergoeding Affectieschade is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Ook staat daarin welke vaste, maximale bedragen per categorie toewijsbaar zijn. Het is een zogenoemd ‘forfaitair stelsel’. Indien een vordering niet onder een van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4 sub g BW), als een persoon meent toch als naaste in de zin van deze wet te moeten worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten aantonen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep na terugwijzing heeft de benadeelde partij, anders dan in eerste aanleg, de grondslag van de vordering tot vergoeding van affectieschade, beperkt tot artikel 6:108 lid 4 sub g BW.\n\nVoor vergoeding van affectieschade op deze grondslag dient te kunnen worden vastgesteld dat er een zodanige nauwe persoonlijke relatie tussen de benadeelde partij en het overleden slachtoffer bestond dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naaste wordt aangemerkt. Daarbij is niet de formele maar de feitelijke verhouding tussen betrokkenen beslissend. Of sprake is van een zodanige nauwe persoonlijke relatie dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard, de duur en de intensiteit van de relatie.\n\nTer onderbouwing van de aard, de duur en de intensiteit van de relatie heeft de benadeelde partij, in aanvulling op de eerder ingediende onderbouwing op de vordering, in WhatsApp met het slachtoffer gevoerde gesprekken over de periode 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 alsmede een aantal foto's van haar met het slachtoffer overgelegd.\n\nOp grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat tussen de benadeelde partij en het slachtoffer gedurende meerdere jaren sprake was van een hechte affectieve relatie. Ten aanzien van de aard van de relatie is niet betwist dat het een affectieve relatie betrof. Ten aanzien van de intensiteit van deze relatie was sprake van dagelijks - al dan niet telefonisch, via WhatsApp of FaceTime - contact tussen de benadeelde en het slachtoffer. Wat betreft de duur van die relatie neemt het hof in aanmerking dat uit de inhoud van de overgelegde WhatsApp-gesprekken blijkt dat zij in ieder geval in de periode van 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 (vrijwel) dagelijks contact met elkaar onderhielden via WhatsApp.\n\nMet betrekking tot de aard, de duur en de intensiteit van de relatie acht het hof voorts van belang dat uit de inhoud van de WhatsApp-gesprekken en de door de benadeelde partij gegeven toelichting blijkt dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een liefdesrelatie die verder ging dan een vriendschappelijke relatie. Er was sprake van wederzijdse affectie en intimiteit, zij verbleven meerdere malen per week bij elkaar en zij namen een belangrijke plaats in elkaars leven in. Ze waren elkaars steun en toeverlaat, aldus de benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof wijzen deze omstandigheden op een hechte affectieve relatie over tenminste een periode van drieënhalf jaar.\n\nVoorts vindt het bestaan van een affectieve relatie steun in de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021, opgesteld door [naam diagnostisch medewerker], diagnostisch medewerker, mede namens [naam psychiater], psychiater, waarin wordt gesproken over behandeling, gericht op trauma- en rouwklachten over het verlies van haar partner.\n\nUit de door de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering aangevoerde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, maakt het hof op dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie, te weten een langdurige, hechte LAT-relatie, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 jo lid 4 sub g BW als naaste wordt aangemerkt.\n\nGelet daarop zal het hof het voor naasten bepaalde forfaitaire schadebedrag van € 17.500,- wegens affectieschade toewijzen.\n\nSchokschade\n\nVan de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ kan sprake zijn als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond is geraakt (zogenoemde ‘schokschade’).\n\nVoor de toewijzing van schadevergoeding vanwege schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld\n\n(zie het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.7).\n\nOp grond van de toelichting op de vordering door de benadeelde partij en de stukken uit het dossier – kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij na het verongelukken van het slachtoffer als één van de eerste politieambtenaren ter plaatse was. De benadeelde partij heeft het zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat aangetroffen. Dit is door de verdediging niet betwist.\n\nZoals hiervoor reeds overwogen was sprake van een langdurige, hechte LAT- relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij. Uit de hiervoor genoemde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 is gebleken dat de benadeelde partij gediagnosticeerd is met een Posttraumatische stressstoornis (PTSS) die is ontstaan door de confrontatie met de gevolgen van het misdrijf. PTSS is een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 heeft de benadeelde partij toegelicht dat haar behandeling bij de psycholoog ongeveer een half jaar geleden is afgerond. Dit betreft een behandel periode van bijna 5 jaren na het misdrijf. Zij heeft thans nog gesprekken met een geestelijk medewerker.\n\nHet hof stelt vast dat bij de benadeelde partij psychische schade is ontstaan als gevolg van het misdrijf en stelt dan ook vast dat er sprake is van geestelijk letsel waardoor de benadeelde partij in haar persoon is aangetast. Op grond van deze feiten en omstandigheden staat in voldoende mate vast dat de benadeelde partij schokschade heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde.\n\nGelet op alle omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van het hof daarmee niet alleen jegens het (primaire) slachtoffer, maar ook jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en kan hij aansprakelijk worden gehouden voor de schade die als gevolg van deze hevige emotionele schok bij haar is ontstaan.\n\nTen aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag overweegt het hof het volgende.\n\nBij de benadeelde partij is sprake van een samenloop van aanspraken wegens schokschade en affectieschade. Als één van de eerste politieambtenaren die het zeer zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat heeft aangetroffen, is de emotionele schok zeer hevig geweest. Op grond van de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 kan lastig onderscheid worden gemaakt tussen de geestelijke problematiek die het gevolg is van het overlijden van het slachtoffer en de schade die het directe gevolg is van confrontatie met het slachtoffer.\n\nHet hof dient dan ook schattenderwijs naar billijkheid vast te stellen welk bedrag als vergoeding voor schokschade in aanmerking komt. Het hof acht daarbij van belang de hoogte van de toegewezen affectieschade, de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel en de ernst van het psychisch letsel van de benadeelde partij en de gevolgen daarvan voor haar. Voorts betrekt het hof in zijn oordeel hetgeen blijkens rechtspraak in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van schokschade. Al deze factoren in aanmerking nemend schat het hof naar billijkheid de geestelijke schade van de benadeelde partij op € 25.000,-.\n\nVoor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor wat betreft het gevorderde bedrag aan schokschade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [de benadeelde partij]\n\nNu het hof oordeelt dat de verdachte tot een bedrag van € 42.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [de benadeelde partij].\n\nBESLISSING\n\nHet hof, voor zover aan het oordeel van dit hof onderworpen:\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [de benadeelde partij], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 96 (zesennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van [de benadeelde partij] niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 7 juli 2021.\n\nDit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, mr. M.C. Bruining en mr. F.W. Pieters, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2238","2026-07-13T00:28:50.096Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":46,"courtId":128,"decisionDate":70,"fullText":129,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":131},"1227","ECLI:NL:RBROT:2026:8071","ecli-nl-rbrot-2026-8071",61,"Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F009948-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. N. Hendriksen\n\nOfficier van justitie: mr. W.L. van Prooijen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 20 december 2022 te Rotterdam (Maasvlakte)\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan 70,05 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn\u002Fhaar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door\n\n-de container van het haventerrein op te halen en\u002Fof\n\n-zich te begeven naar een loods te [plaats] en\u002Fof\n\n-in voornoemde loods de container heeft laten openen en\u002Fof betreden en\u002Fof\n\ndoorzoeken, teneinde\n\nde achterwand van de container te verwijderen om de aanwezigheid van de cocaïne te controleren en\u002Fof die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 19 december 2022 kwam container [containernummer] in de haven van Rotterdam aan met het containerschip [naam schip] . De container was geladen met druiven, afkomstig uit Peru en de ontvanger was het bedrijf [naam bedrijf 1] . te Ridderkerk. Na aankomst in de haven van Rotterdam werd de container gecontroleerd door de douane en tijdens deze controle werden er in de achterwand van deze container 70 pakketten (70.05 kilogram) cocaïne aangetroffen. Nadat de verdovende middelen waren verwijderd, werd de container weer teruggeplaatst op de ECT Delta Terminal.\n\nTevens bleek dat de container op 20 december 2022 omstreeks 08.03 uur was uitgehaald door chauffeur [verdachte] met gebruikmaking van zijn truck gekentekend [kentekennummer 1] , namens het transportbedrijf [naam bedrijf 2] . De container was na het uithalen vervoerd naar het bedrijf [naam bedrijf 3] . te Hoek van Holland. Uit de gegevens van het douanesysteem AFIS bleek dat de container diezelfde dag ook leeg was ingeleverd om 13.45 uur.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 19 december 2022 werd ik gebeld door de wachtcommandant van Douanekantoor Rotterdam Haven. Hij vertelde mij dat door speurhondengeleiders van Douane Rotterdam Haven, in een container, vermoedelijk verdovende middelen waren aangetroffen.\n\nTer plaatse aangekomen op wees een speurhondengeleider mij een container aan voorzien van een uniek nummer [containernummer]\n\nIk zag dat de lading was gelost. Wij hebben vervolgens een gedeelte van het kopschot verwijderd en zagen daarachter in de luchtkanalen een onbekende hoeveelheid pakketten vermoedelijk verdovende middelen zitten. Vervolgens heb ik de 70 pakketten vermoedelijk verdovende middelen in beslag genomen op grond van de Opiumwet.\n\nBerekening netto gewicht\n\nNetto gewicht van 1 pakket = 7005,5 \u002F 7 = 1000,78 gram\n\nNetto gewicht 70 pakketten = 1000,78 gram x 70 pakketten= 70.05 kilogram\n\nVervolgens maakte ik ter begeleiding van de 7 gripzakjes inhoudende circa 3 gram witte poederachtige substantie een aanvraagformulier ten behoeve van de analyse door Douanelaboratorium. Hierna werden alle gripzakjes aangeboden bij het Douanelaboratorium. D0115954NL, D0115953NL, D0115952NL, D0115951NL, D0115950NL, D0115949NL, D0115948NL.\n\n3. Deskundigenverslag\n\nOp 03-01-2023 ontving ik een verzegelde plastic zak met daarin:\n\nD011954NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011953NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011952NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011951NL) een plastic zakje met wit. korrelig materiaal\n\nD011950NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011949NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011948NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nHet materiaal werd onderzocht. Hierbij werd vastgesteld dat het materiaal van alle bovenvermelde SIN-nummers cocaïne bevatte. Deze substantie is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.\n\n4. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 13 juni 2023 werd in het kader van onderzoek 03Farao een doorzoeking gedaan in de woning van verdachte [medeverdachte] . Bij deze doorzoeking werd een Apple iPhone 7 in beslag genomen.\n\nIn dit proces-verbaal worden specifiek twee video's beschreven die zijn aangetroffen in de iPhone 7.\n\nDe twee video's zijn op 11 april 2023 door het telefoonnummer [gsm-nummer 1] met naam \" [naam 1] \" (geïdentificeerd als zijnde [medeverdachte] ) via Signal verstuurd\n\nBeschrijving videodeel 1\n\nIk zie vervolgens dat de vrachtwagen met de container achterwaarts verder het terrein op komt rijden. Ik zie tegelijkertijd linksboven in beeld een man aan komen lopen richting de ingang van de loods (NNman1).\n\nIk zie dat de vrachtwagen dichter naar de ingang van de loods rijdt. Ik zie nu op de container het containernummer [containernummer] en [kenmerk] staan. Ik zie dat de oplegger voorzien is van kenteken [kentekennummer 2] .\n\nIk zie dat de camera weer beweegt naar de achterzijde van de vrachtwagen. Ik zie aan de linkerzijde (bestuurderszijde) van de vrachtwagen een man in beeld komen (NNman2). Omdat hij van de bestuurderszijde van de vrachtwagen aan komt lopen vermoed ik dat hij de chauffeur van vrachtwagen is.\n\nIk zie dat NNman2 verder de loods in loopt. Vervolgens zie ik een andere man (NNman3) in beeld komen. Deze persoon draagt zwarte handschoenen en een zwarte bivakmuts over het hoofd. Ik zie dat NNman2 de man met de bivakmuts (NNman3) een hand geeft.\n\nIk zie dat NNman3 naar de container loopt en de vergrendeling van de container vast pakt. Ik zie dat tegelijkertijd NNman2 een andere persoon met zwarte handschoen en zwarte mouw (NNpersoon4) een boks geeft.\n\nIk zie dat NNman3 de vergrendeling van de container los maakt en de rechterdeur van de container opent.\n\nIk zie dat NNman3 richting de houten kast rechts in de loods loopt. Ik zie op deze kast een opengeklapte zwarte laptop en daarnaast een lichtblauwe weegschaal staan.\n\nIk zie dat NNman2 de container in kijkt. Ik zie vervolgens dat de inhoud van de container nog even gefilmd wordt. Ik zie dat de container geen lading in de laadruimte bevat.\n\nBeschrijving video deel 2\n\nIk zie dat Nnman3 naar de open container loopt. Ik zie dat hij een rood doosje, een schroefboormachine en nog wat gereedschap bij zich heeft en dit in de container zet. Ik zie dat hij via het keukentrapje in de container klimt.\n\nIk zie dat degene die aan het filmen is ook naar de container verplaatst, in de container komt en vervolgens de binnenzijde van de container filmt. Ik zie dat het containernummer [containernummer] , welke ook in de binnenzijde van de container staat, gefilmd wordt.\n\nIk zie dat NNman3 de schroefboormachine tegen de achterwand houdt.\n\nIk zie dat het NNman3 lukt om de schroef uit de achterwand te schroeven. Ik zie hem de schroef op de grond leggen en vervolgens met de schroefboormachine naar een andere schroef in de achterwand van de container gaan. Vervolgens wordt de video beëindigd.\n\nLocatie\n\nDoor mij is de locatie op de [adres 2] in [plaats] bekeken op Google maps \u002F streetview. Ik zag dat de omgeving van deze locatie overeenkwam met het bedrijventerrein wat zichtbaar is op de video. Hieruit maak ik op dat de video's zijn gemaakt in de loods van het bedrijf op de [adres 2] in [plaats] . Deze loods ligt op circa 24 kilometer afstand ten zuiden van de Rotterdamse haven.\n\nVrachtwagen\n\nIn de video wordt de container vervoerd met een vrachtwagen oplegger met het kenteken [kentekennummer 2] . Uit de politiesystemen blijkt dat dit kenteken sinds 01-09-2020 op naam staat van rechtspersoon [naam verhuurbedrijf] De gevolmachtigde van [naam verhuurbedrijf] is [verdachte] ( [geboortedatum] -1965).\n\nDoor mij is de rijbewijsfoto van [verdachte] bekeken. Ik zag hierbij zeer sterke gelijkenissen met NNman2 welke zichtbaar is in de video. Ik zie overeenkomsten in het donkere haar (op de video wordt het haar wat langer gedragen), de oren, wenkbrauwen, neus mond en kin\u002Fonderkin. Op basis van bovenstaande identificeer ik NNman2 als zijnde [verdachte] .\n\nDoor mij is in de iPhone 7 van [medeverdachte] gezocht op de roepnaam \" [naam 2] \" om te onderzoeken of hij mogelijk contact heeft gehad met [verdachte] . Ik zag in de contactenlijst van het toestel twee maal de naam [naam 2] staa:\n\n [naam 3] - [gsm-nummer 2]\n\n [naam 4] - + [gsm-nummer 3]\n\nMij is ambtshalve bekend dat met \"Tp\" transport bedoeld wordt. Dit sluit dus aan bij NNman2 die de chauffeur van de vrachtwagen met container lijkt te zijn. Het telefoonnummer [gsm-nummer 2] komt in de politiesystemen voor en is gekoppeld aan [verdachte] . Ik zag dat er op 10 april 2023 20 24 uur verzonden werden) door [accountnaam 1] ( [medeverdachte] ) het WhatsApp bericht \"Hey maat kan je op onze vriend reageren .!” gestuurd werd naar [accountnaam 2] .\n\n5. Verhoor van de verdachte\n\n0: Zoals reeds eerder in het vorige verhoor werd aangegeven was container [containernummer] beladen met druiven en moest deze in opdracht van [naam bedrijf 1] gelost worden bij [naam bedrijf 3] te Hoek van Holland en na lossing leeg weer ingeleverd worden op de Maasvlakte. U bent echter met deze lege container naar een loods gelegen aan de [adres 2] te [plaats] gereden.\n\n0: Wij tonen de verdachte drie snapshots uit de getoonde filmpjes en hebben deze snapshots genummerd en als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. 2408201255.D01, D02 en D03.\n\nV: Bent u dat op dat beeld?\n\nA: Ja dat ben ik.\n\nV: Waar kent u deze personen van?\n\nA: Ik heb ze in de loods gezien.\n\nV: Waarom moest de persoon met de bivakmuts de container openen, de container in klimmen en boren\u002Fschroeven in de achterwand van deze container?\n\nV: Vond je dat niet vreemd?\n\nA: Tuurlijk is dat vreemd, maar er zat niks achter die wand, ik heb gezien dat de achterwand werd los gemaakt.\n\n2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nStandpunt verdediging\n\nHet kan niet worden bewezen dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het plegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Met de verklaring van de verdachte bij de politie dient behoedzaam te worden omgegaan, omdat hem is gevraagd naar gebeurtenissen eind 2023 terwijl de zaak zich afspeelde eind 2022.\n\nVaststaande feiten\n\nOp 19 december 2022 is een container met containernummer [containernummer] (hierna: de container) in de haven van Rotterdam binnengekomen die afkomstig was uit Peru. De container is gecontroleerd en na het losschroeven van de achterwand werden 70 pakketten aangetroffen. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat deze pakketten in totaal 70,05 kilogram cocaïne bevatten. Nadat de pakketten waren verwijderd, werd de container weer teruggeplaatst op de ECT Delta Terminal. De verdachte heeft de container vervolgens op 20 december 2022 opgehaald met behulp van zijn vrachtwagen. In een in een ander strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen video is de truck met de container te zien terwijl deze een loods in [plaats] binnenrijdt. Ook de verdachte komt in beeld terwijl hij een hand geeft aan een persoon die een bivakmuts draagt. Deze persoon schroeft vervolgens de achterwand van de container los. Verder bevindt het telefoonnummer van de verdachte zich in de telefoon van diegene bij wie de video is aangetroffen.\n\nVerklaring verdachte\n\nDe verdachte heeft tijdens zijn politieverhoren verklaard dat hij inderdaad in de loods aanwezig is geweest, dat hij de container heeft vervoerd en naar de loods heeft gebracht, dat hij te zien is op de video, dat hij het wel vreemd vond dat in de loods door iemand met een bivakmuts over zijn gezicht de achterwand van de container werd opengeschroefd, maar dat hij dit alles onder bedreiging had gedaan. Ter terechtzitting heeft hij zijn verklaring deels gewijzigd in die zin dat hij niet onder bedreiging met de container naar de loods was gegaan en dat er niets uit de container zou worden gehaald maar dat hij de container daar in het kader van zijn reguliere werkzaamheden moest laten controleren. Hij heeft aangevoerd dat hem tijdens de verhoren ten onrechte het jaartal 2023 is voorgehouden, waardoor hij dacht dat de vragen betrekking hadden op een incident uit 2023. Daardoor zou hij gebeurtenissen met elkaar hebben verward.\n\nDe rechtbank acht deze verklaring op de terechtzitting niet geloofwaardig. Indien de verdachte daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde dat hem vragen werden gesteld over een andere gebeurtenis, had het op zijn weg gelegen dit reeds tijdens zijn tweede verhoor, dat ongeveer twee weken na het eerste verhoor plaatsvond, naar voren te brengen. Dat heeft hij niet gedaan. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat de verdachte heeft verklaard slechts eenmaal in [plaats] te zijn geweest en slechts eenmaal te zijn benaderd. Dat maakt zijn beroep op een vergissing ten aanzien van de gebeurtenissen des te minder geloofwaardig.\n\nDe rechtbank gaat daarom uit van de verklaring van de verdachte bij de politie, met dien verstande dat niet is gebleken van enige dwang of dreiging jegens de verdachte zoals de verdachte in eerste instantie heeft gesteld. De video toont dat de verdachte zich direct na aankomst in de loods begeeft naar de aanwezige personen, hun begroet door ze een hand dan wel een boks te geven en vervolgens aanwezig blijft terwijl de achterwand van de container wordt losgeschroefd. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet verenigbaar met de aanvankelijke stelling van de verdachte dat er sprake was van dwang of dreiging.\n\nTer zitting heeft de verdachte gezegd dat hij niet wist dat zich verdovende middelen in de vrachtwagen bevonden. Ook deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig. Alleen al niet omdat degene die in het bijzijn van de verdachte in de container de achterwand openschroefde een bivakmuts droeg, hetgeen duidt op illegale activiteiten. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat personen die betrokken zijn bij het vervoer van een zeer waardevolle illegale lading, zoals een grote hoeveelheid cocaïne, het transport daarvan in de regel niet overlaten aan een willekeurige of onwetende derde.\n\nOordeel rechtbank\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap had van het criminele karakter van het transport en nauw en bewust heeft meegewerkt aan het vervoer van de container naar een andere locatie dan het officiële afleveradres met als doel daar cocaïne uit te halen. Door als chauffeur het transport naar de loods in [plaats] te verzorgen, heeft hij een wezenlijke en significante bijdrage geleverd aan de voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne.\n\nDe rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op of omstreeks 20 december 2022 te Rotterdam (Maasvlakte)\n\ntezamen en in vereniging met een of meeranderen,althans alleen\n\nom een feit, bedoeld in het vierde ofvijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buitenhet grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan 70,05 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid enmiddelenen\u002Fof inlichtingentot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen,eenvervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fofzijn\u002Fhaarmededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoedendatzijhetbestemdwarenwastot het plegen van dat feit, door\n\n-de container van het haventerrein op te halen en\u002Fof\n\n-zich te begeven naar een loods te [plaats] en\u002Fof\n\n-in voornoemde loods de container heeft laten openen en\u002Fof betreden en\u002Fof\n\ndoorzoeken, teneinde\n\nde achterwand van de container te verwijderen om de aanwezigheid van de cocaïne te controleren en\u002Fof die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en een vervoermiddel voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het bestemd is tot het plegen van dat feit\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden een proeftijd voor de duur van 3 jaren.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte is als chauffeur betrokken geweest bij voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïne. Hij heeft een container opgehaald en naar een andere locatie gebracht voordat hij de container bij het officiële afleveradres afleverde, zodat op de tussenlocatie de cocaïne uit de container kon worden gehaald. Het is\n\nalgemeen bekend dat (hard)drugs schadelijk zijn en daarmee een ernstige bedreiging\n\nvormen voor de volksgezondheid. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit waarmee de maatschappij te maken heeft, direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. De verdachte heeft bij het plegen\n\nvan de feiten kennelijk alleen oog gehad voor zichzelf en zich laten leiden door zijn eigen financiële gewin, zonder zich te bekommeren om de gezondheidsrisico’s voor anderen of de\n\nnadelige gevolgen van de mogelijk daarmee gepaard gaande criminaliteit.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Verder volgt uit het strafblad van de verdachte dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf de enige passende straf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.\n\nGelet op het voorgaande wordt een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het voorwaardelijk strafdeel heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 10a van de Opiumwet.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 6 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 28 tot en met 29.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 36 tot en met 42.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met kenmerk [kenmerknummer] , pagina 53.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 tot en met 27.\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte op 13 september 2024, pagina’s 68 tot en met 72.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8071","2026-07-13T00:29:11.058Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":46,"courtId":136,"decisionDate":70,"fullText":137,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":53,"updatedAt":140},"1222","ECLI:NL:RBNNE:2026:2624","ecli-nl-rbnne-2026-2624",70,"RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nparketnummer 18.289851.25\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden.\n\nHet openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan [adres] , aldaar, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] , althans een persoon, van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen fors geweld uitgeoefend, te weten (onder meer) slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof schoppen en\u002Fof trappen en\u002Fof stampen en\u002Fof knijpen en\u002Fof drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht, althans het hoofd en\u002Fof in\u002Fop\u002Ftegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , althans een persoon, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] , althans een persoon, is overleden;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan [adres] , aldaar opzettelijk, [slachtoffer] , althans een persoon, van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen fors geweld uitgeoefend, te weten (onder meer) slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof schoppen en\u002Fof trappen en\u002Fof stampen en\u002Fof knijpen en\u002Fof drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht, althans het hoofd en\u002Fof in\u002Fop\u002Ftegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , althans een persoon, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] , althans een persoon, is overleden;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan [adres] , aldaar, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] , althans een persoon, zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) diverse breuken van het aangezicht, inclusief het neusbeen, beide oogkassen, beide jukbeenderen en de rechterzijde van de bovenkaak en\u002Fof bloed onder het harde hersenvlies en\u002Fof bloed onder de zachte hersenvliezen en\u002Fof een gebroken tongbeen, schildkraakbeen en\u002Fof ringkraakbeen en\u002Fof meerdere letsels\u002Fhuidverkleuringen in de hals en\u002Fof ander inwendig en\u002Fof uitwendig letsel, heeft toegebracht, door meermalen fors geweld uit te oefenen, te weten door (onder meer) te slaan en\u002Fof te stompen en\u002Fof te schoppen en\u002Fof te trappen en\u002Fof te stampen en\u002Fof te knijpen en\u002Fof te drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht, althans het hoofd en\u002Fof in\u002Fop\u002Ftegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , althans een persoon, terwijl het door hem gepleegde geweld de dood van die [slachtoffer] , althans een persoon, als gevolg heeft gehad.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor de primair ten laste gelegde moord en veroordeling gevorderd voor de subsidiair ten laste gelegde doodslag.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord. Er kan een bewezenverklaring volgen van de subsidiair ten laste gelegde doodslag.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak moord\n\nDe rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord, nu niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van voorbedachte rade. Zo verklaart verdachte dat hij enkel de stem en de beelden in zijn hoofd wilde stoppen, waarvan hij meende dat het slachtoffer die naar hem stuurde. Hij wilde het slachtoffer aanpakken, maar verklaart niet dat hij van plan was het slachtoffer te doden. Het is ook niet gebleken dat verdachte een voorwerp heeft meegenomen of heeft gebruikt bij het plegen van het geweld, wat zou kunnen duiden op een planmatige aanpak. Verder verklaart verdachte dat het geweld is gestopt omdat hij moe was. Hij is toen naar huis gegaan en op dat moment leefde het slachtoffer nog. Hij wist niet dat het slachtoffer dood was. Dat verdachte is gestopt met het plegen van geweld terwijl het slachtoffer nog leefde, is naar het oordeel van de rechtbank een contra-indicatie voor moord.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\neen deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.30.068, d.d. 17 april 2026 opgemaakt door drs. P.M.I. van Driessche, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nhij op 27 oktober 2025 te Leeuwarden in een woning gelegen aan [adres] , opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen fors geweld uitgeoefend, te weten slaan en\u002Fof stompen en schoppen en\u002Fof trappen en\u002Fof stampen en\u002Fof drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en in\u002Fop\u002Ftegen de hals van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nSubsidiair Doodslag.\n\nDit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de twee Pro Justitia-rapporten, gedateerd 12 maart 2026 en 9 maart 2026, opgesteld door drs. A. Banaei Kashani, psychiater en dr. M. ten Berge, GZ-psycholoog.\n\nBeide deskundigen stellen bij verdachte een psychische stoornis vast in de vorm van schizofrenie en een ernstige stoornis in het gebruik van amfetamine.\n\nDe psychiater beschrijft in het rapport dat verdachte ten tijde en in de aanloop tot het feit psychotisch was. Verdachte was de greep op de realiteit kwijt en heeft in blinde woede en onder invloed van forse psychotische ontregeling het slachtoffer om het leven gebracht. Ook al gebruikte verdachte amfetamine, wat de psychose wel heeft verergerd en onderhouden, primair is dit veroorzaakt door zijn schizofrenie. Omdat verdachte zodanig de grip op de realiteit kwijt was, kon van hem niet worden verwacht dat hij grip had op zijn gebruik. Geadviseerd wordt om verdachte het feit niet toe te rekenen omdat hij volledig heeft gehandeld vanuit zijn psychotische belevingen en hij daardoor geen controle heeft kunnen hebben over zijn gedrag en gedachten.\n\nDe psycholoog komt tot eenzelfde advies. Verdachte heeft gehandeld vanuit zijn sterk aanwezige, vanuit de schizofrenie voortkomende psychotische belevingen en overtuigingen. Het betreffen overtuigingen waarvan hij ook nu nog geen afstand ervaart.\n\nDe rechtbank kan zich met de adviezen van de deskundigen verenigen.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van deze deskundigen over, maakt deze tot de hare en oordeelt dat het bewezenverklaarde vanwege de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet aan hem kan worden toegerekend.\n\nDe rechtbank acht verdachte daarom niet strafbaar en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nMotivering van de maatregel\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van de subsidiair ten laste gelegde doodslag de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging van overheidswege zal worden\n\nopgelegd. De duur van deze maatregel is ongemaximeerd.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft gepleit voor oplegging van de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege.\n\nOordeel van de rechtbank toerekeningsvatbaarheid\n\nBij de bepaling van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia-rapportages van psychiater drs. A. Banaei Kashani d.d. 12 maart 2026 en van GZ-psycholoog dr. M. ten Berge d.d. 9 maart 2026, het reclasseringsrapport d.d. 27 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft in een psychotische toestand het slachtoffer met fors geweld om het leven gebracht. Daarmee heeft hij het slachtoffer, die verdachte in het geheel niet kende, zijn kostbaarste bezit -zijn leven-ontnomen. En moeten de nabestaanden, met name zijn moeder, tante en nicht, zonder hem verder leven, wat voor hen een groot gemis is en veel verdriet veroorzaakt.\n\nHet advies van de deskundigen\n\nIn de eerder vermelde Pro Justitia-rapportages adviseren de deskundigen om aan verdachte een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen. Om het hoog ingeschatte recidiverisico te beperken is een intensieve en langdurige behandeling en begeleiding van verdachte in een kliniek noodzakelijk, gelet op de chronische, hardnekkige en ernstige problematiek waar hij mee kampt. Het ontbreekt verdachte volledig aan inzicht en tot op heden is het, ondanks (medicamenteuze) hulpverlening, niet gelukt om stabilisatie te bereiken en tot gedragsverandering te komen. De psychotische stoornis van verdachte dient optimaal behandeld te worden waarbij abstinentie van middelen noodzakelijk is. Daarbij is het belangrijk dat verdachte niet wordt overschat en wordt er geadviseerd om te waken voor schijnaanpassing. Verdachte kan bij een kort gesprek een adequate en stabiele indruk maken; pas bij doorvragen verzandt hij in uitspraken die duidelijk wijzen op psychotische ontregeling.\n\nStevige en duidelijke kaders zijn nodig om stabilisatie en gedragsverandering te bereiken en om een gedegen risicomanagement uit te voeren. Verdachte wordt, gezien zijn ontregelde psychotische toestandsbeeld en zijn verlies van de realiteit, niet in staat geacht om zich aan voorwaarden te houden, ook al zou hij dat willen.\n\nOndanks de depotmedicatie heeft verdachte nog steeds psychotische belevingen, is er een gebrek aan inzicht, ontbreekt er bij verdachte besef voor wat hij heeft gedaan, is er een hoog recidiverisico en heeft hij onvoldoende openheid gegeven tijdens de eerdere behandeling. Derhalve wordt niet geadviseerd om aan verdachte een TBS met voorwaarden op te leggen. Een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege is volgens hen het enige passende kader.\n\nOordeel van de rechtbank maatregel\n\nDe rechtbank stelt op grond van de hiervoor al genoemde psychiatrische en psychologische rapportages vast dat bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond. Het door verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het gaat bovendien om een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer\n\npersonen. Verder eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van die maatregel.\n\nGelet op het advies van de gedragsdeskundigen is de rechtbank van oordeel dat uitsluitend een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege een passende afdoening van deze zaak is. Deze maatregel zal de rechtbank dan ook opleggen aan verdachte. De maatregel wordt opgelegd wegens doodslag, een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, zodat de TBS niet in duur is beperkt.\n\nBenadeelde partij\n\n[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 17.500,00 aan affectieschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.\n\nDe rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat deze vordering moet worden toegewezen. Het slachtoffer is als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit overleden. [benadeelde partij] heeft recht op vergoeding van affectieschade omdat zij de moeder van het slachtoffer is. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding 17.500,00. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2025.\n\nNu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar. Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nGelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nWijst de vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde partij] te betalen:\n\nhet bedrag van 17.500,00 (zegge: zeventien duizend vijfhonderd euro);\n\nde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\nde proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.\n\nLegt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat te betalen een bedrag van 17.500,00 (zegge: zeventien duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag betreft affectieschade.\n\nBepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 112 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. L.T.A. Fokkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2624","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:10.818Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":46,"courtId":59,"decisionDate":70,"fullText":145,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":147},"1207","ECLI:NL:RBDHA:2026:18604","ecli-nl-rbdha-2026-18604","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 09\u002F230926-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum 1] 1968 te [geboorteplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd.\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie\n\nmr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. E.A. Breetveld naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding en de op de terechtzitting van 23 juni 2026 toegelaten vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.\n\nKort samengevat is het verwijt dat de verdachte zich over een periode van meerdere jaren schuldig heeft gemaakt aan het heimelijk filmen en vervaardigen, bezitten en in sommige gevallen ook verspreiden van kinderpornografisch materiaal van achttien minderjarige meisjes op de basisschool waar hij als conciërge werkzaam was, het plegen van ontuchtige handelingen met vier van die meisjes en de aanranding van drie van die meisjes. Daarnaast is het verwijt dat de verdachte een zeer grote hoeveelheid ander kinderpornografisch materiaal in bezit heeft gehad en heeft verspreid. Tot slot wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij meerdere kindersekspoppen in bezit heeft gehad en dat hij een hoeveelheid GHB aanwezig heeft gehad.\n\n3. De geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1\n\n3.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 partieel nietig is, nu daarin niet per verweten handeling is gespecificeerd of deze onder de oude of de nieuwe wetgeving van het Wetboek van Strafrecht (Sr) valt. Het onderscheid tussen het begrip ‘ontuchtige handelingen’ in artikel 247 Sr (oud) en het begrip ‘seksuele handelingen’ in artikel 249 Sr (nieuw) is volgens de verdediging materieel relevant, zodat de keuze voor het toepasselijk recht niet als een louter technische kwestie kan worden afgedaan.\n\n3.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is en dat het verweer daarom moet worden verworpen.\n\n3.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nOp grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) moet de dagvaarding een opgave inhouden van de ten laste gelegde feiten, met vermelding van de tijd en plaats waar de feiten zijn begaan en de wettelijke voorschriften waarbij de feiten strafbaar zijn gesteld. Die opgave mag niet innerlijk tegenstrijdig zijn en moet voldoende feitelijk en duidelijk zijn, in die zin dat de verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen en duidelijk is wat de rechtbank precies moet onderzoeken.\n\nIn de tenlastelegging is per verweten gedraging aangegeven of de bewuste gedraging onder het oude dan wel onder het nieuwe recht valt en op welk slachtoffer (zaaksdossier) de gedraging betrekking heeft. Het moet de verdachte daarmee duidelijk zijn geweest tegen welke beschuldigingen hij zich moest verdedigen. Ter zitting is ook niet gebleken dat de verdachte niet zou weten welke verwijten hem worden gemaakt.\n\nDe rechtbank is dan ook van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 voldoet aan de vereisten van artikel 261 Sv en dus geldig is. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.\n\n4. De bewijsbeslissing\n\n4.1.. Inleiding\n\nMedio 2025 is het strafrechtelijk onderzoek 15Mombas gestart naar aanleiding van op\n\n26 juni 2025 bij het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme van de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies binnengekomen informatie dat een gebruiker van de applicatie Teleguard diverse videobestanden had gedeeld waarop kinderpornografisch beeldmateriaal was te zien.\n\nOnderzoek naar onder meer het IP-adres van deze gebruiker leidde de politie naar de verdachte. De verdachte was sinds 2019 werkzaam als conciërge op basisschool [naam school] in [plaats] . Zijn woning is doorzocht en daar zijn onder meer gegevensdragers in beslag genomen, waar door de politie onderzoek naar is gedaan. Dat onderzoek leidde de politie onder meer tot de conclusie dat de verdachte beeldmateriaal had vervaardigd van meisjes op [naam school] , waar hij werkzaam was. In onderzoek 15Mombas zijn uiteindelijk zeventien meisjes geïdentificeerd, van één meisje is de identiteit niet bekend geworden.\n\n4.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.\n\n4.3.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 en 5 ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde met betrekking tot sommige onderdelen vrijspraak bepleit en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n4.4.. Bewijsoverwegingen\n\nTen aanzien van feit 1 (ontucht en aanranding)\n\nDe rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte bij de meisjes 1, 2, 5 en 6 ontuchtige handelingen in de zin van artikel 247 Sr (oud) heeft verricht en of de verdachte bij de meisjes 3, 8 en 9 seksuele handelingen in de zin van artikel 249 Sr (nieuw) heeft verricht.\n\nJuridisch kader\n\nOntuchtige handelingen en seksuele handelingen in de zin van de genoemde bepalingen zijn handelingen gericht op seksueel contact, althans contact van seksuele aard in strijd met de sociaal ethische norm. Een precieze afbakening van wat wel en niet onder ontuchtige dan wel seksuele handelingen valt, kan niet worden gegeven. De beoordeling of een handeling als ontuchtig of seksueel heeft te gelden, hangt niet alleen af van de subjectieve beleving van het slachtoffer, maar onder meer ook van de aard van de handeling, de context waarbinnen de handeling plaatsvindt, het betrokken lichaamsdeel en de omstandigheden van het geval. Ook de bedoeling van de dader en de verhouding tussen dader en het slachtoffer zijn daarbij relevante factoren.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nOp grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte zeven minderjarige meisjes heeft aangeraakt op (intieme) lichaamsdelen, waaronder hun bovenbenen, billen en vagina.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat deze aanrakingen hebben plaatsgevonden in het kader van zijn werkzaamheden, waarbij hij de meisjes onder andere hielp met het verschonen na een plasongelukje of het plakken van een pleister. De verdachte stelt daarbij niet verder te zijn gegaan dan noodzakelijk in het kader van die werkzaamheden. Hij heeft aangevoerd dat hij weliswaar seksuele intenties had bij het filmen van de meisjes, maar dat de aanrakingen daar los van staan en onderdeel uitmaakten van de reguliere uitvoering van zijn werkzaamheden. Seksuele fantasieën hierover kwamen pas achteraf, aldus de verdachte.\n\nDe rechtbank ziet dit anders. De door de verdachte heimelijk gemaakte filmopnames van de handelingen laten namelijk een evident ander beeld zien. De rechtbank heeft deze opnames bekeken en merkt op dat de wijze waarop de zedenrechercheurs de beelden hebben beschreven, overeenstemt met wat de rechtbank heeft gezien. Op de beelden is te zien dat de verdachte gericht op zoek gaat naar de meisjes. De verdachte benadert de meisjes, blijft met hen in gesprek, en in de gevallen waarin hij helpt bij omkleden of het plakken van een pleister, is te zien dat de verdachte veel tijd rekt en de meisjes bewust zodanig positioneert dat hij bepaalde lichaamsdelen – voornamelijk bovenbenen, billen en vagina – zo duidelijk en zo lang mogelijk in beeld kan brengen. Het is binnen deze context van tijd rekken en expliciete beelden maken, dat de verdachte ook zoekt naar gelegenheid om de meisjes op de genoemde plekken aan te raken. Hij merkt bijvoorbeeld op dat ergens nog een stukje wc-papier moet worden weggehaald of dat er nog een pleister op een andere plek moet worden geplakt. In een andere zaak plaatst hij meermaals de hand van een meisje zo ongemerkt mogelijk op of nabij zijn geslachtsdeel.\n\nGezien deze context van het bewust zoeken naar gelegenheid, het tijd rekken en het zo veel mogelijk in beeld brengen, ziet de rechtbank ook in de aanrakingen onmiskenbaar seksuele intenties. Op de inbeslaggenomen gegevensdragers bevinden zich chatgesprekken waarin de verdachte zeer expliciet met anderen praat over zijn handelingen met de meisjes. Hieruit komen zijn seksuele bedoelingen, alsmede zijn welbewuste pogingen om ongemerkt zo veel mogelijk aanrakingen van de intieme delen van de meisjes te laten plaatsvinden, zonneklaar naar voren. Van een scheidslijn tussen het verrichten van werkzaamheden zonder enige bijbedoeling en het daarover achteraf fantaseren is geen enkele sprake en kan in een geval als dit ook geen sprake zijn. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de verdachte meermaals is verzocht om het behulpzaam zijn bij het verschonen aan anderen over te laten. De verdachte heeft deze verzoeken welbewust naast zich neergelegd.\n\nDat, zoals de verdachte heeft verklaard, de meisjes hem vaak zelf opzochten, maakt het voorgaande op geen enkele wijze anders – in tegendeel. Uit het dossier is gebleken dat het de verdachte zelf is geweest die, in plaats van de vereiste professionele distantie in acht te nemen, deze situatie heeft gecreëerd, door de meisjes veel aandacht te geven, knuffels en aanrakingen aan te moedigen met lieve woordjes en in sommige gevallen snoepjes en cadeautjes aan de meisjes te geven. De rechtbank wenst hier met zo veel woorden op te merken dat wat er is gebeurd op geen enkele wijze, en dus ook niet indirect, aan de nog zeer jonge slachtoffertjes is te wijten.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop en de plaatsen waar de meisjes zijn aangeraakt, in onderlinge samenhang bezien met de overige omstandigheden, maken dat sprake is geweest van het plegen van ontuchtige handelingen (artikel 247 (oud) Sr) en seksuele handelingen (artikel 249 lid 2 (nieuw) Sr).\n\nDe rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van de beschreven handelingen genoemd in gedachtestreepje 4 inzake meisje 1. Zij heeft verklaard dat de verdachte haar heeft opgetild en een kus op de mond heeft gegeven. Van deze handeling zijn geen beelden aangetroffen. De verklaring van het meisje wordt slechts ondersteund door de verklaring van haar moeder, aan wie zij heeft verteld dat dit incident zich heeft voorgedaan. Deze verklaring is afgeleid van wat het meisje haar heeft verteld en vindt geen steun in ander onafhankelijk bewijsmateriaal. Nu de verklaring uit één bron afkomstig is, acht de rechtbank dit onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde – voor het overige – wettig en overtuigend bewezen.\n\nTen aanzien van feit 2 (vervaardigen, bezitten en verspreiden kinderpornografisch materiaal)\n\nDe rechtbank is – anders dan de verdediging heeft bepleit – van oordeel dat de verdachte, ook wat betreft het materiaal waarop de meisjes gekleed zijn, kinderpornografisch materiaal heeft vervaardigd. De strafbaarheid van het materiaal dient te worden beoordeeld aan de hand van de inhoud en strekking van de opnames in samenhang met de wijze van vervaardiging daarvan. De beelden hebben onmiskenbaar een seksuele strekking. Zo wordt er ingezoomd op bepaalde lichaamsdelen, met name op de bovenbenen, billen en vagina. Waar het gaat om de wijze van vervaardiging neemt de rechtbank in aanmerking dat deze beelden heimelijk zijn gemaakt. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte drie van deze kinderpornografische afbeeldingen ook heeft verspreid.\n\nDe rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht daarbij, gelet op de grote hoeveelheid materiaal en de lange periode, ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.\n\nTen aanzien van feit 4 (kinderpornografisch materiaal)\n\nDe rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om te twijfelen aan de door de politie gehanteerde telling en de wijze waarop de afbeeldingen en video’s zijn geïnventariseerd.\n\nDe rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht daarbij, gelet op de grote hoeveelheid materiaal en de lange periode, ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.\n\nTen aanzien van feit 5 (kindersekspoppen)\n\nHet onder 5 ten laste gelegde feit is toegesneden op artikel 253a Sr. Dit artikel omvat – kort gezegd – een verbod op seksattributen, zoals poppen, die een uiterlijke verschijningsvorm hebben van een kind.\n\nBij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn onder meer vijf poppen aangetroffen. De rechtbank moet beoordelen of dit poppen zijn met de uiterlijke verschijningsvorm van een kind dat de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt en die bestemd zijn om seksuele handelingen mee te verrichten. Artikel 253a Sr is een (relatief) nieuwe bepaling, die in werking is getreden op 1 januari 2025. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van dit feit kijken naar de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 253a Sr.\n\nBij de vraag of sprake is van een voorwerp met de uiterlijke verschijningsvormen van een kind jonger dan zestien jaren, geldt dat gekeken moet worden naar de uiterlijke kenmerken van het desbetreffende voorwerp. Er hoeft geen sprake te zijn van een anatomisch correcte replica of een volledige pop. Vereist is een realistische uiterlijke verschijningsvorm van een kind of een lichaamsdeel van een kind. In geval van kindersekspoppen kunnen bijvoorbeeld de lichaamsafmeting en -verhouding van belang zijn. Dat aan het voorwerp lichaamskenmerken zijn toegevoegd die passen bij een volwassene (bijvoorbeeld, (grote) borsten, billen of volle lippen), hoeft niet in de weg te staan aan de vaststelling dat sprake is van een uiterlijke verschijningsvorm van een kind (of een lichaamsdeel van een kind) jonger dan zestien jaren.\n\nBij de vraag of een voorwerp bestemd is om seksuele handelingen mee te verrichten, gaat het om de aard van het voorwerp en niet om de intentie van degene die het in bezit heeft. Of het voorwerp bestemd is voor het verrichten van seksuele handelingen moet worden beoordeeld op basis van zijn uiterlijke kenmerken, zoals aanwezige lichaamsopeningen geschikt voor seksueel binnendringen of andere functies voor seksueel gebruik (bijvoorbeeld geslachtsorganen).\n\nVerder moet ten minste sprake zijn van voorwaardelijk opzet. Dit betekent dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat hij een op een kind gelijkend voorwerp als bedoeld in artikel 253a Sr in bezit heeft. Het opzet van de verdachte hoeft zich niet uit te strekken tot de daadwerkelijke kinderleeftijd die aan het voorwerp op basis van zijn uiterlijke kenmerken kan worden toegekend. Voor een bewezenverklaring is enkel van belang dat de pop op basis van zijn uiterlijke kenmerken als kind is aan te merken en dat de verdachte hierop (voorwaardelijk) opzet heeft gehad.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nIn de woning van de verdachte zijn in de slaapkamer twee poppen (pop 1 en 2) en in de voorraadkamer drie poppen (pop 3, 4 en 5) aangetroffen. Volgens de verdachte zijn geen van deze poppen kindersekspoppen, maar zijn pop 1, 2, en 3 normale sekspoppen en zijn pop 4 en 5 normale babypoppen.\n\nPop 1, 2 en 3\n\nNiet ter discussie staat dat de poppen die de verdachte in bezit had bestemd zijn om seksuele handelingen mee te verrichten.\n\nDe rechtbank overweegt ten aanzien van pop 2 en pop 3 dat hun uiterlijke verschijningsvorm die van een kind jonger dan zestien jaar is. De rechtbank neemt daarbij met name de afmetingen van de poppen en de platte borst in aanmerking. Deze kenmerken geven de poppen het uiterlijk van een minderjarige jonger dan zestien jaar. Anders dan de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat voor beide poppen geldt dat deze eerder geassocieerd worden met een kind jonger dan zestien jaren dan met een volwassene, zodat de gemiddelde kijker aanstonds meent dat de poppen het lichaam van een minderjarige beneden de zestien jaren moeten voorstellen.\n\nTen aanzien van pop 1 komt de rechtbank tot een ander oordeel. Gelet op de omvang van de borstpartij, en het ontbreken van duidelijke uiterlijke kenmerken die passen bij een minderjarige, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze pop naar haar uiterlijke verschijningsvorm een kind jonger dan zestien jaren voorstelt.\n\nUit de omstandigheden dat de poppen 2 en 3 aanstonds lijken op lichamen van kinderen jonger dan zestien jaren, iets waarvan de verdachte zich bewust had moeten zijn, leidt de rechtbank voorts af dat de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een op een kind gelijkend voorwerp als bedoeld in artikel 253a Sr in bezit heeft gehad. Dat de verdachte pop 2 en 3 vóór de inwerkingtreding van artikel 253a Sr op een reguliere website heeft aangeschaft, doet hieraan niets af.\n\nPop 4 en 5\n\nNiet ter discussie staat dat de poppen die de verdachte in bezit had naar hun uiterlijke verschijningsvorm een kind jonger dan zestien jaren – namelijk een baby – betreffen.\n\nDe rechtbank overweegt dat het niet gaat om normale speelgoed babypoppen, maar dat uit hun uiterlijke kenmerken blijkt dat de poppen zijn bestemd om seksuele handelingen mee te verrichten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de poppen zijn vervaardigd van siliconen, een materiaal dat niet gebruikelijk is voor een normale speelgoed babypop. Daarnaast beschikken de poppen over anatomische kenmerken, waaronder een opening bij de mond en weergegeven geslachtsdelen. Deze kenmerken maken dat de rechtbank van oordeel is dat de poppen zijn bestemd om seksuele handelingen mee te verrichten. Dat de opening van de mond slechts beperkt van omvang is, doet aan dat oordeel niet af. De seksuele handelingen hoeven immers niet beperkt te zijn tot (volledige) penetratie van de pop.\n\nDe verdachte had uit de uiterlijke kenmerken van de poppen kunnen afleiden dat de poppen een seksuele bestemming hadden. Dat geldt des te meer nu hij zelf heeft verklaard dat hij de poppen in huis had voor een seksdate met andere mensen, waarbij die poppen werden gebruikt. Daaruit leidt de rechtbank af dat de verdachte op z’n minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een op een kind gelijkend voorwerp als bedoeld in artikel 253a Sr in bezit heeft gehad. Dat pop 4 en 5 naar zeggen van de verdachte niet door hemzelf zijn aangeschaft, doet aan dat oordeel niets af.\n\nConclusie\n\nAlleen pop 1 is niet aan te merken als een kindersekspop als bedoeld in artikel 253a Sr. De overige vier poppen zijn dat wel. De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde bezit van meerdere kindersekspoppen dus wettig en overtuigend bewezen.\n\n4.5.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n1.\n\nhij in de periode van 1 december 2019 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] meermalen, met meerdere kinderen die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt en aan zijn zorg en waakzaamheid waren toevertrouwd, te weten:\n\n* Zaaksdossier 1: meisje 1, geboren op [geboortedatum 2] 2015,\n\n* Zaaksdossier 2: meisje 2, geboren op [geboortedatum 3] 2019,\n\n* Zaaksdossier 5: meisje 5, geboren op [geboortedatum 4] 2019,\n\n* Zaaksdossier 6: meisje 6, geboren op [geboortedatum 5] 2018,\n\nbuiten echt, een of meerdere ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten door:\n\n* Zaaksdossier 1:\n\n- meermalen de trui van meisje 1 omhoog te schuiven en met zijn vingers onder de trui van meisje 1 te gaan en (daarbij) haar rug aan te raken en\n\n- meisje 1 bij haar middel te pakken en tegen zich aan te trekken waarbij hij haar beide\n\nbenen over zijn benen heen legt, waardoor meisje 1 zijdelings op schoot bij de verdachte\n\nkomt te zitten en waarbij hij, verdachte, zijn benen op en neer beweegt, waardoor meisje\n\n1. met haar billen tussen de benen van de verdachte valt en met haar bovenlichaam tegen het kruis en\u002Fof de buik van de verdachte komt te liggen en\n\n- meermalen de hand van meisje 1 op zijn, verdachtes, geslachtsdeel te leggen en te houden en\n\n* Zaaksdossier 2:\n\n- de trui van meisje 2 omhoog te trekken en het onderbroekje van meisje 2 (deels) naar\n\nbeneden te trekken en met zijn hand en\u002Fof vinger(s) aan de binnenzijde van haar onderbroek, langs de rand ter hoogte van haar billen, te wrijven en meermalen over de onderbroek op haar billen te wrijven en\n\n* Zaaksdossier 5:\n\n- met zijn hand en\u002Fof vinger(s) over de onderbroek van meisje 5 te wrijven ter hoogte van\n\nhaar billen en aan de binnenzijde van haar onderbroek, langs de rand ter hoogte van haar\n\nbillen, te wrijven en\n\n* Zaaksdossier 6:\n\n- meisje 6 met ontbloot onderlichaam op een stoel in het voorraadhok te plaatsen en met wc-\n\npapier over de binnenzijde van haar been en over haar vagina te wrijven, waarbij de\n\nbuitenste schaamlip(pen) naar buiten werden geduwd en\n\n- de billen van meisje 6 vast te pakken en te spreiden, waardoor er zicht is op haar anus en\n\n- over de (ontblote) billen van meisje 6 te wrijven en\n\nmet meerdere kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten:\n\n* Zaaksdossier 3: meisje 3, geboren op [geboortedatum 6] 2019,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 9: meisje 9, geboren op [geboortedatum 8] 2015,\n\neen of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten:\n\n* Zaaksdossier 3:\n\n- meisje 3 met beide armen (toestaan) hem, verdachte, ter hoogte van zijn heupen\u002Fbillen vast te laten houden en meermalen tegen meisje 3 te zeggen \"Je mag wel zitten, maar niet happen en wil je even niet aan mijn jas eten, of wel?\" en “niet happen” (en haar daarbij uit te dagen), waarop meisje 3 meermalen haar hoofd tegen de jas van verdachte drukt, ter\n\nhoogte van zijn kruis\u002Fgeslachtsdeel, en daarbij haar hoofd heen en weer beweegt en\n\n* Zaaksdossier 8:\n\n- het jurkje van meisje 8 omhoog te trekken en meermalen over de binnenzijde van het\n\n(ontblote) bovenbeen van meisje 8 te wrijven en\n\n* Zaaksdossier 9:\n\n- zijn, verdachtes, arm om meisje 9 heen te slaan en te zeggen: \"He kutje, hoe is het?\" en\n\nhierbij met zijn hand over haar rug te wrijven en meermalen op de billen van meisje 9 te\n\nslaan,\n\nen welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang:\n\n- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en\n\n- er sprake was van een afhankelijkheidsrelatie tussen de verdachte in zijn hoedanigheid als\n\nconciërge\u002Fmedewerker van de school en de meisjes in hun hoedanigheid als leerlingen;\n\n2.\n\nhij in de periode van 1 december 2019 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] , meermalen, telkens\n\n(in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2024)\n\n- een (zeer grote) hoeveelheid afbeeldingen, te weten foto’s en video’s en\n\n- meerdere digitale gegevensdragers, waaronder laptops, externe harde schijven, telefoons\n\nen SD-kaarten, bevattende (een grote hoeveelheid) afbeeldingen, te weten foto’s en video’s,\n\nvan (een) seksuele gedraging(en), waarbij:\n\n* Zaaksdossier 1: meisje 1, geboren op [geboortedatum 2] 2015,\n\n* Zaaksdossier 2: meisje 2, geboren op [geboortedatum 3] 2019,\n\n* Zaaksdossier 5: meisje 5, geboren op [geboortedatum 4] 2019,\n\n* Zaaksdossier 6: meisje 6, geboren op [geboortedatum 5] 2018,\n\n* Zaaksdossier 7: meisje 7, geboren op [geboortedatum 9] 2011,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 10: meisje 10, geschatte leeftijd van tussen de 4 en 6 jaar,\n\n* Zaaksdossier 11: meisje 11, geboren op [geboortedatum 10] 2013,\n\n* Zaaksdossier 12: meisje 12, geboren op [geboortedatum 11] 2016,\n\n* Zaaksdossier 13: meisje 13, geboren op [geboortedatum 12] 2019,\n\n* Zaaksdossier 14: meisje 14, geboren op [geboortedatum 13] 2017,\n\n* Zaaksdossier 15: meisje 15, geboren op [geboortedatum 14] 2016,\n\n* Zaaksdossier 16: meisje 16, geboren op [geboortedatum 15]2017,\n\n* Zaaksdossier 17: meisje 17, geboren op [geboortedatum 16] 2017,\n\n* Zaaksdossier 18: meisje 18, geboren op [geboortedatum 17] 2013,\n\nzijnbetrokken of schijnbaarzijnbetrokken, heeft vervaardigdenin bezit gehad en\n\n(in de periode 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025)\n\nvisuele weergaven van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij:\n\n* Zaaksdossier 3: meisje 3, geboren op [geboortedatum 6] 2019,\n\n* Zaaksdossier 4: meisje 4, geboren op [geboortedatum 18] 2015,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 9: meisje 9, geboren op [geboortedatum 8] 2015,\n\nwaren betrokken of schijnbaar waren betrokken, heeft vervaardigd enin bezit gehad,\n\nwelke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - (telkens) bestonden uit:\n\n* Zaaksdossier 1:\n\n- de bilspleet van meisje 1 (gericht) te filmen (zaaksdossier 1, #01 in toonmap) en\n\n- meermalen (gericht) de onderbroek en\u002Fof de ontblote billen en\u002Fof vagina van meisje 1 te\n\nfilmen (zaaksdossier 1, #02 en #03 in toonmap) en\n\n- onder het rokje van meisje 1 te filmen, waardoor haar onderbroek en billen in beeld\n\nkomen (zaaksdossier 1, #04 in toonmap) en\n\n- meerdere screenshots van een filmpje waarop (onder andere) de ontblote vagina van meisje 1 te zien is (zaaksdossier 1, #05 in toonmap)\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meermalen, de trui van meisje 1 omhoog schuift en met zijn vingers onder de trui van meisje 1 gaat en (daarbij) haar rug aanraakt (zaaksdossier 1, #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meisje 1 bij haar middel pakt en tegen zich aan trekt waarbij hij haar beide benen over zijn benen heen legt, waardoor meisje 1 zijdelings op schoot bij de\n\nverdachte komt te zitten en waarbij hij, verdachte, zijn benen op en neer beweegt, waardoor meisje 1 met haar billen tussen de benen van de verdachte valt en met haar bovenlichaam tegen het kruis en\u002Fof de buik van de verdachte komt te liggen (zaaksdossier 1, #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meermalen de hand van meisje 1 op zijn, verdachtes, geslachtsdeel legt en houdt (zaaksdossier 1, #06 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 2:\n\n- de ontblote billen en vagina van meisje 2 (gericht) te filmen, waarbij hij, verdachte, de\n\nbenen van meisje 2 uit elkaar haalt (zaaksdossier 2, #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, de trui van meisje 2 omhoog trekt en het onderbroekje van\n\nmeisje 2 (deels) naar beneden trekt en met zijn hand en\u002Fof vinger(s) aan de binnenzijde van\n\nhaar onderbroek, langs de rand ter hoogte van haar billen, wrijft en meermalen over de onderbroek op haar billen wrijft (zaaksdossier 2, #02 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 3:\n\n- meermalen meisje 3 te filmen in haar onderbroek en hemd, waarbij de nadruk ligt op haar onderbroek, vagina en billen (zaaksdossier 3, #01 t\u002Fm #04 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meisje 3 met beide armen (toestaat) hem, verdachte, ter hoogte van zijn heupen\u002Fbillen vast te houden en meermalen tegen meisje 3 zegt \"Je mag wel zitten, maar niet happen en wil je even niet aan mijn jas eten, of wel?\" en\u002Fof “niet happen” (en haar daarbij uit te dagen), waarop meisje 3 meermalen haar hoofd tegen de jas van verdachte drukt, ter hoogte van zijn kruis\u002Fgeslachtsdeel, en daarbij haar hoofd heen en weer beweegt (zaaksdossier 3, #05 en #06 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 4:\n\n- onder het rokje, de blote benen en de blote buik van meisje 4 te filmen (zaaksdossier 4,\n\n#03 in toonmap) en\n\n- te filmen dat verdachte zich aftrekt en (waarbij hij) zijn penis\u002Feikel naast de foto van\n\nmeisje 4 houdt (zaaksdossier 4, #04 in toonmap) en\n\n- foto’s van een penis die naast de (digitale) foto van het gezicht van meisje 4 wordt\n\ngehouden en met een witte substantie gelijkend op sperma op de (digitale) foto van het\n\ngezicht van meisje 4 (zaaksdossier 4, #05 t\u002Fm #07),\n\n* Zaaksdossier 5:\n\n- meermalen de ontblote bovenlijf, bilspleet, billen, borsten en onderbroek (gericht) te\n\nfilmen (zaaksdossier 5, #01 t\u002Fm #03 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, over de onderbroek van meisje 5 wrijft ter hoogte van haar\n\nbillen en met zijn hand en\u002Fof vinger(s) aan de binnenzijde van haar onderbroek, langs de\n\nrand ter hoogte van haar billen, wrijft (zaaksdossier 5, #02 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 6:\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meisje 6 met ontbloot onderlichaam op een stoel in het\n\nvoorraadhok plaatst (zaaksdossier 6, #01 en #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meermalen het rokje van meisje 6 omhoog tilt\u002Fschuift en haar benen uit elkaar trekt en daarbij de ontblote billen en vagina van meisje 6 (gericht) filmt (zaaksdossier 6, #01 en #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, met wc-papier over de binnenzijde van haar been en over\n\nhaar vagina wrijft, waarbij de buitenste schaamlippen naar buiten worden geduwd\n\n(zaaksdossier 6, #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, de billen van meisje 6 vastpakt en spreidt, waardoor er zicht is\n\nop haar anus (zaaksdossier 6, #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, over de (ontblote) billen van meisje 6 wrijft (zaaksdossier 6, #02 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemde filmpjes van meisje 6, waarbij de nadruk ligt op\n\nhaar vagina en billen (zaaksdossier 6, #03 t\u002Fm #07 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 7:\n\n- een foto van het gezicht van meisje 7 meermalen te bewerken (onder andere) met stijve\n\npenissen op haar gezicht en een witte substantie gelijkend op sperma op haar gezicht en de tekst “Cum Slut” en\n\n“Daddy slut” op haar gezicht, in elk geval voornoemde bewerkte foto’s in bezit heeft gehad\n\n(zaaksdossier 7, #05 en #06 in toonmap) en\n\n- een foto waarin een stijve penis bij de foto van meisje 7 wordt gehouden heeft gemaakt, in\n\nelk geval in bezit heeft gehad (zaaksdossier 7, #07 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 8:\n\n- meermalen onder het rokje en jurkje van meisje 8 te filmen, waardoor zicht is op haar\n\nonderbroek, vagina en billen (zaaksdossier 8, #01, #02, #03, #06 en #07 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, het rokje en jurkje van meisje 8 omhoog schuift en gericht\n\nhaar onderbroek, vagina en billen filmt, waarbij wordt ingezoomd op de vagina en billen van meisje 8 (zaaksdossier 8 #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, het jurkje van meisje 8 omhoog trekt en meermalen over de\n\nbinnenzijde van het (ontblote) bovenbeen van meisje 8 wrijft (zaaksdossier 8, #07 in\n\ntoonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje van meisje 8 (zaaksdossier 8, toonmap #03),\n\nwaarbij de nadruk ligt op de ontblote bovenbenen van meisje 8 (zaaksdossier 8, #04 en 05\n\nin toonmap),\n\n* Zaaksdossier 9:\n\n- meermalen onder het rokje van meisje 9 te filmen, waardoor zicht is op haar billen en\n\nonderbroek (zaaksdossier 9, #05 en #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, zijn arm om meisje 9 heen slaat en te zeggen: “He kutje, hoe is\n\nhet?” en hierbij met zijn hand over haar rug wrijft en meermalen op de billen van meisje 9\n\nslaat (zaaksdossier 9, #02 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 10:\n\n- de onderbroek van meisje 10 (gericht) te filmen (zaaksdossier 10, #03 in toonmap),\n\n*Zaaksdossier 11:\n\n- onder het rokje van meisje 11 (gericht) te filmen, waardoor zicht is op haar onderbroek\n\n(zaaksdossier 11, #01 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de onderbroek van\n\nmeisje 11 (zaaksdossier 11, #02 en #03 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 12:\n\n- meermalen onder het rokje en\u002Fof jurkje van meisje 12 te filmen, waardoor zicht is op haar onderbroek en\u002Fof vagina (zaaksdossier 12, #01 en #08 in toonmap) en\n\n- de (geklede) billen van meisje 12 (gericht) te filmen (zaaksdossier 12, #03 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de billen en het\n\nonderlichaam van meisje 12 (zaaksdossier 12, #02 t\u002Fm 07 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 13:\n\n- de (geklede) billen\u002Fonderlichaam van meisje 13 (gericht) te filmen (zaaksdossier 13, #01 in\n\ntoonmap),\n\n* Zaaksdossier 14:\n\n- meisje 14 te filmen in haar onderbroek en hemd (zaaksdossier 14, #01 en #03 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 15:\n\n- onder het rokje van meisje 15 te filmen, waardoor zicht is op haar onderbroek en (de\n\ncontouren van) haar vagina en billen (zaaksdossier 15, #01 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de onderbroek en (de contouren van) de vagina en\u002Fof billen van meisje 15 (zaaksdossier 15, #02 en #03 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 16:\n\n- meisje 16 te filmen in haar onderbroek en hemd en (daarbij) gericht op haar billen\n\n(zaaksdossier 16, #01 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de onderbroek en billen van meisje 16 (zaaksdossier 16, #02 t\u002Fm #04 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 17:\n\n- meisje 17 te filmen in haar onderbroek en hemd (zaaksdossier 17, #01 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 18:\n\n- de (geklede) billen van meisje 18 (gericht) te filmen (zaaksdossier 18, #01 in toonmao) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de billen en buik van meisje 18 (zaaksdossier 18, #02 t\u002Fm #04 in toonmap),\n\nen via social media heeft verspreid:\n\n* Zaaksdossier 1:\n\n- een screenshot van een door verdachte vervaardigde video waarop de ontblote vagina van\n\nmeisje 1 te zien is (zaaksdossier 1, vervolg zaak 1, #01 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 4:\n\n- foto’s van een penis die naast de (digitale) foto van het gezicht van meisje 4 wordt\n\ngehouden en met een witte substantie gelijkend op sperma op de (digitale) foto van het\n\ngezicht van meisje 4 (zaaksdossier 4, #05 t\u002Fm #07),\n\n* Zaaksdossier 8:\n\n- ( een) screenshots van een filmpje van meisje 8 (zaaksdossier 8, toonmap #03), waarbij de\n\nnadruk ligt op de ontblote bovenbenen van meisje 8 (zaaksdossier 8, #04 en 05 in toonmap),\n\nwaarbij die afbeelding(en) (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking had(den) en strekte(n) tot seksuele prikkeling,\n\nvan welk misdrijf hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt;\n\n3.\n\nhij in de periode van 1 december 2019 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] , gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt opzettelijk en wederrechtelijk van meerdere kinderen:\n\n* Zaaksdossier 1: meisje 1, geboren op [geboortedatum 2] 2015,\n\n* Zaaksdossier 2: meisje 2, geboren op [geboortedatum 3] 2019,\n\n* Zaaksdossier 3: meisje 3, geboren op [geboortedatum 6] 2019\n\n* Zaaksdossier 4: meisje 4, geboren op [geboortedatum 18] 2015\n\n* Zaaksdossier 5: meisje 5, geboren op [geboortedatum 4] 2019,\n\n* Zaaksdossier 6: meisje 6, geboren op [geboortedatum 5] 2018,\n\n* Zaaksdossier 7: meisje 7, geboren op [geboortedatum 9] 2011,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 9: meisje 9, geboren op [geboortedatum 8] 2015\n\n* Zaaksdossier 10: meisje 10, geschatte leeftijd van tussen de 4 en 6 jaar,\n\n* Zaaksdossier 11: meisje 11, geboren op [geboortedatum 10] 2013,\n\n* Zaaksdossier 12: meisje 12, geboren op [geboortedatum 11] 2016,\n\n* Zaaksdossier 13: meisje 13, geboren op [geboortedatum 12] 2019,\n\n* Zaaksdossier 14: meisje 14, geboren op [geboortedatum 13] 2017,\n\n* Zaaksdossier 15: meisje 15, geboren op [geboortedatum 14] 2016,\n\n* Zaaksdossier 16: meisje 16, geboren op [geboortedatum 9]2017,\n\n* Zaaksdossier 17: meisje 17, geboren op [geboortedatum 16] 2017,\n\n* Zaaksdossier 18: meisje 18, geboren op [geboortedatum 17] 2013,\n\naanwezig op een niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten het schoolgebouw van\n\n [naam school] meerdere afbeeldingen heeft vervaardigd;\n\n4.\n\nhij in de periode van 28 april 2009 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] , meermalen, telkens\n\n- een (zeer grote) hoeveelheid afbeeldingen (ongeveer 199.105 afbeeldingen), te weten foto’s en video’s en\n\n- meerdere digitale gegevensdragers, waaronder laptops, externe harde schijven, telefoons,\n\nSD-kaarten, desktops en USB-sticks bevattende (een grote hoeveelheid) afbeeldingen, te\n\nweten foto’s en video’s, van seksuele gedragingen en visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft:\n\n- verspreid via social media (waaronder via Telegram en Teleguard)\n\n- aangeboden,\n\n- verworven,\n\n- in bezit gehad en\n\n- zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een\n\ncommunicatiedienst de toegang heeft verschaft,\n\nwelke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\n- het met de penis, vinger\u002Fhand, voorwerp en\u002Fof mond\u002Ftong oraal, vaginaal en\u002Fof anaal\n\npenetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet\n\nhad bereikt en\n\n- het met de penis, mond\u002Ftong en\u002Fof vinger\u002Fhand oraal, vaginaal en\u002Fof anaal penetreren van\n\nhet lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar\n\nnog niet had bereikt en\n\n- het met de vinger\u002Fhand en\u002Fof voorwerp vaginaal en\u002Fof anaal penetreren van het eigen\n\nlichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n* zie toonmap reguliere KP #01 t\u002Fm 08, #34, #35 en #37\n\n- het met de penis, vinger\u002Fhand, tong betasten en\u002Fof aanraken van de geslachtsdelen, billen, borsten en\u002Fof andere lichaamsdelen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n- het met de hand en\u002Fof mond\u002Ftong betasten en\u002Fof aanraken van het geslachtsdeel van een ander persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n- het met de hand betasten en\u002Fof aanraken van het eigen geslachtsdeel, de billen en\u002Fof borsten door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n* zie toonmap reguliere KP #09 t\u002Fm #16\n\n- het door een dier likken van het geslachtsdeel van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n* zie toonmap reguliere KP #17\n\n- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en\u002Fof opgemaakt is en\u002Fof poseert in een omgeving en\u002Fof met een voorwerp en\u002Fof in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past\u002Fpassen en\u002Fof door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van deze persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's \u002Ffilm(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van deze persoon in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling en\n\n* zie toonmap reguliere KP #18 t\u002Fm #27\n\n- het masturberen boven\u002Fbij en\u002Fof ejaculeren op het gezicht en\u002Fof lichaam van een persoon\n\ndie kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt\n\n- het houden van een (stijve) penis bij\u002Fnaast het gezicht en\u002Fof lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij op dat gezicht\u002Flichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is\n\n* zie toonmap reguliere KP #28 t\u002Fm #33, #36 en #38\n\nwaarbij de afbeelding telkens een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;\n\n5.\n\nhij op 9 juli 2025 te [plaats] voorwerpen met een uiterlijke verschijningsvorm van een kind of van een lichaamsdeel van een kind dat de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, die bestemd warenom seksuele handelingen mee te verrichten, te weten meerdere kindersekspoppen, voorzien van een anus en\u002Fof vagina en\u002Fof een opening bij de mond, in bezit heeft gehad;\n\n6.\n\nhij op 9 juli 2025 te [plaats] opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten 680 milliliter GHB aanwezig heeft gehad.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n7. De oplegging van straffen en maatregel\n\n7.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging). Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ingevolge artikel 38z Sr wordt opgelegd.\n\nVerder heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen in de vorm van een contactverbod met alle slachtoffers voor de duur van vijf jaren, en een locatieverbod voor twee postcodes in [plaats] voor de duur van tien jaren. De officier van justitie heeft verzocht deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Tot slot vordert de officier van justitie op te leggen dat de verdachte wordt ontzet uit het recht tot uitoefening van elk beroep waardoor de verdachte in aanraking met minderjarigen onder de twaalf jaar zou kunnen komen, voor de duur van tien jaren.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straffen en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vijfeneenhalf jaar schuldig gemaakt aan het heimelijk filmen en aan het vervaardigen, bezitten en verspreiden van kindermisbruikmateriaal\u002Fkinderporno van jonge meisjes op een basisschool. In zijn hoedanigheid van conciërge heeft hij ernstig misbruik gemaakt van zijn positie door deze meisjes te filmen, onder meer wanneer zij naar het toilet gingen of geholpen moesten worden met verschonen na een plasongelukje. Daarbij lag de focus telkens op de intieme lichaamsdelen. In zeven gevallen heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen en seksuele handelingen, door de slachtoffers op (intieme) lichaamsdelen aan te raken. Hiermee heeft hij hun lichamelijke en geestelijke integriteit ernstig geschonden. De verdachte is planmatig en doelgericht te werk gegaan. Hij gaf de meisjes regelmatig snoepjes en knuffels en wist op die manier een vertrouwensband met hen op te bouwen. De verdachte heeft hen daarnaast bewust opgezocht, aangestuurd en zodanig gepositioneerd dat hij hen beter kon filmen.\n\nDe rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat de slachtoffers in hem mochten hebben en van het overwicht dat hij als volwassene had op de nog zeer jonge slachtoffertjes. Te meer wordt dit de verdachte aangerekend nu hij reeds in behandeling was voor zijn pedofiele stoornis, maar er desondanks en tegen het dringende advies van zijn behandelaar in, toch voor heeft gekozen een baan aan te nemen op een basisschool waar hij in contact zou komen met veel minderjarige meisjes. Dat de verdachte, zoals hij zelf naar voren heeft gebracht, geen andere keuze had dan de baan als conciërge te accepteren omdat hij anders zijn uitkering zou verliezen, is niet geloofwaardig en miskent zijn eigen verantwoordelijkheid in de gang van zaken. Zou de verdachte immers open kaart hebben gespeeld over zijn stoornis, dan had geen enkele uitkeringsinstantie hem naar nota bene een basisschool gestuurd. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat hun kinderen op school in een veilige omgeving verblijven en dat hen daar niets overkomt. Door het handelen van de verdachte is dat vertrouwen ernstig geschonden. Zijn handelen heeft diepe sporen nagelaten in de betrokken gezinnen. Wat de precieze gevolgen voor de meisjes zullen zijn, zal de toekomst moeten uitwijzen. De gevolgen voor de ouders en naasten van de betrokken kinderen, zijn naar voren gekomen uit het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht. Uit de verklaringen van de ouders komt naar voren dat het handelen van de verdachte ook hen veel pijn en verdriet heeft toegebracht. De ouders hebben toegelicht dat zij kampen met schuldgevoelens en onzekerheid met betrekking tot de vraag of en in welke mate dit gevolgen zal hebben op de verdere ontwikkeling van hun kinderen.\n\nDaarnaast heeft de verdachte gedurende een periode van meer dan zestien jaar een gewoonte gemaakt van het bezitten en verspreiden van een grote hoeveelheid kinderpornografisch materiaal. Op de aangetroffen afbeeldingen en video’s zijn verregaande seksuele handelingen met (jonge) kinderen te zien. Bij de vervaardiging van dergelijk materiaal worden kinderen seksueel misbruikt en uitgebuit, met alle emotionele en lichamelijke schadelijke gevolgen voor hen van dien. Zij kunnen nog lange tijd achtervolgd worden door de gevolgen van de verspreiding van de beelden, doordat het vrijwel onmogelijk is om een afbeelding of video die op het internet is gezet, daarvan af te halen. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de vraag naar dergelijk kindermisbruikmateriaal en daarmee aan de instandhouding van dat misbruik en de uitbuiting van minderjarigen. Met de gevolgen voor de kinderen heeft hij geen rekening gehouden.\n\nDe verdachte heeft verder meerdere kindersekspoppen in bezit gehad. Het bezit van dergelijke seksattributen draagt bij aan het in stand houden van een markt voor voorwerpen die seksualisering van kinderen in de hand werken en het creëren van een subcultuur die seks met kinderen als normaal gedrag afspiegelt. Tot slot heeft de verdachte een hoeveelheid GHB aanwezig gehad.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 oktober 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 3 april 2026, opgesteld door psychiater dr. [psychiater] en van de Pro Justitia-rapportage van 8 april 2026, opgesteld door klinisch psycholoog drs. [klinisch psycholoog] .\n\nDe psychiater komt tot de conclusie dat de verdachte lijdt aan een pedofiele stoornis. In het verleden is een aandachtsdeficiëntie- en hyperactiviteitsstoornis vastgesteld en de verdachte gebruikt medicatie die verschijnselen van deze stoornis onderdrukt. De pedofiele stoornis was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Het uit de pedofiele stoornis voortkomende sterke verlangen naar seksueel contact met prepuberale meisjes, in combinatie met de cognitieve vertekeningen, zorgde ervoor dat de verdachte doorging met het verzamelen van kinderporno, het filmen en ontuchtig aanraken van de kinderen op de school. De psychiater adviseert de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Om het door de psychiater op matig ingeschatte risico op recidive te verlagen wordt geadviseerd een behandeling op te leggen en deze klinisch te laten beginnen. Daarna zullen toezicht en begeleiding een grote rol moeten spelen. De psychiater adviseert deze behandeling, indien de strafmaat dit toelaat, op te leggen in het kader van tbs met voorwaarden. Een behandeling op basis van een voorwaardelijk strafdeel zal onvoldoende bescherming bieden tegen recidive. Het opleggen van tbs met dwangverpleging wordt niet geadviseerd.\n\nDe psycholoog concludeert, net als de psychiater, dat de verdachte lijdt aan een pedofiele stoornis. Daarnaast is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met paranoïde, schizoïde, vermijdende, dwangmatige en antisociale trekken. Er is sprake van een doorwerking van deze stoornissen in aanloop tot en ten tijde van het plegen van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde. Om deze reden adviseert de psycholoog het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het risico op een nieuw hands-ondelict wordt ingeschat als matig, maar dit risico stijgt indien het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard. Om het risico op recidive terug te dringen is het wenselijk dat de verdachte behandeld wordt voor zijn pedofiele stoornis. Dit kan middels cognitieve gedragstherapie of andere vormen van psychotherapie. De psycholoog adviseert om deze behandeling klinisch te laten starten. Een behandeling als onderdeel van een voorwaardelijke straf is hiervoor onvoldoende; wanneer de verdachte niet zou meewerken, resteert de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegd strafdeel. Dat is volgens de psycholoog zorgelijk, zeker omdat het recidiverisico matig is. Er is langdurige zorg en toezicht nodig, maar er is geen hoog beveiligingsniveau nodig. Om die reden lijkt volgens de psycholoog, indien de strafmaat dit toelaat, tbs met voorwaarden meer passend dan tbs met dwangverpleging. Daarnaast wordt geadviseerd om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.\n\nNu de conclusies van de psychiater en de psycholoog worden gedragen door hun bevindingen, neemt de rechtbank de conclusies van de psychiater en de psycholoog, dat het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde de verdachte in verminderde mate moet worden toegerekend, over en maakt die tot de hare. De rechtbank rekent het bewezen verklaarde dus in zoverre in verminderde mate aan de verdachte toe, maar houdt daarbij ook rekening met het feit dat de verdachte geraffineerd te werk ging door telkens heimelijk opnames te maken met speciale software om niet te worden betrapt. De verdachte was er dus van doordrongen dat wat hij deed onacceptabel was.\n\nDe rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 2 juni 2026. Uit de rapportage volgt dat de reclassering zich in grote lijnen aansluit bij hetgeen door de psychiater en psycholoog is geconcludeerd. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld. De reclassering heeft bij een veroordeling positief geadviseerd over tbs met voorwaarden. Ondanks de ambivalente houding van de verdachte ten aanzien van een klinische opname, is de reclassering van mening dat alleen een langdurig traject met een stevige stok achter de deur de verdachte kan helpen om niet opnieuw de fout in te gaan. De reclassering adviseert deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast wordt geadviseerd een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking aan de verdachte op te leggen, vanwege de problematiek bij de verdachte die langdurig zal blijven bestaan en een langdurig toezicht zal vragen na de tbs-maatregel.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting en bij wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd. De oriëntatiepunten gaan voor het maken van een gewoonte van het vervaardigen van kinderporno uit van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. Voor het maken van een gewoonte van het verspreiden van kinderporno geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar. Voor ontucht en seksuele handelingen met minderjarigen zoals in deze zaak aan de orde zijn geen oriëntatiepunten voorhanden. Ook is er geen oriëntatiepunt voor het bezit van de kindersekspoppen. Tot slot staat op het bezit van 680 milliliter GHB volgens de oriëntatiepunten een taakstraf.\n\nNaast de oriëntatiepunten neemt de rechtbank de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd – zoals hiervoor al besproken – in aanmerking. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat de verdachte, terwijl hij wist dat hij leed aan een pedofiele stoornis en daarvoor in behandeling was, voor een basisschool is gaan werken. Hij heeft een basisschool, wat een veilige plek voor jonge kinderen moet zijn, gebruikt om zijn eigen lustgevoelens te bevredigen. Het vertrouwen dat men moet kunnen hebben in een basisschool als een veilige plaats voor kinderen, is beschaamd. De zaak heeft mede daarom tot veel maatschappelijke beroering en onbegrip geleid.\n\nGelet op het voorgaande, in het bijzonder de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de lange periode waarover de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en het grote aantal slachtoffers, concludeert de rechtbank dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nDe eis van de officier van justitie doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal aan de verdachte dan ook een gevangenisstraf opleggen voor de duur van zeven jaren.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe op te leggen maatregel\n\nAan de wettelijke vereisten voor het opleggen van tbs is voldaan. De onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 2°, Sr. Ten tijde van het begaan van deze feiten was bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Op grond van de aard van de feiten, de inhoud van de Pro Justitia-rapportages en het reclasseringsadvies, is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op het gemiddelde recidiverisico, de veiligheid van anderen eist dat aan de verdachte tbs wordt opgelegd.\n\nDe rechtbank onderkent dat beide deskundigen van de Pro Justitia-rapportages en de reclassering tbs met voorwaarden (en niet tbs met dwangverpleging) hebben geadviseerd. Dit lijkt dan ook het meest passende kader voor de verdachte te zijn. De oplegging van een gevangenisstraf van meer dan vijf jaren staat echter aan het opleggen van tbs met voorwaarden in de weg. Doordat een gevangenisstraf van zeven jaar aan de verdachte wordt opgelegd, is het op grond van de wet niet mogelijk om tbs met voorwaarden op te leggen. De rechtbank is daarmee beperkt in haar mogelijkheden. Aangezien geen lichter of ander kader resteert om de noodzakelijke behandeling dwingend vorm te geven en het risico op recidive te beperken, eist de veiligheid van anderen het opleggen van de maatregel van tbs met dwangverpleging.\n\nDe maatregel wordt (mede) opgelegd voor zedenfeiten, en derhalve voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel is dus niet gemaximeerd en kan daarom langer duren dan vier jaren.\n\nDe 38v- en 38z-maatregel\n\nNu de verdachte eerst het resterende deel van de opgelegde gevangenisstraf moet ondergaan\n\nen daarna zal worden behandeld in het kader van de tbs met dwangverpleging, ziet de rechtbank geen aanleiding om een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de vorm van een contact- en locatieverbod op te leggen. Hetzelfde geldt voor de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.\n\nBeroepsverbod\n\nDe verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten in de uitoefening van zijn beroep begaan. Om het gevaar in te perken dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van soortgelijke feiten, legt de rechtbank een verbod op aan de verdachte tot het uitoefenen van elk beroep waarbij sprake is van direct contact, een gezagsverhouding of een afhankelijkheidsrelatie met minderjarigen. De rechtbank acht een duur van tien jaren passend en geboden.\n\n8. De vorderingen van de benadeelde partijen\n\nIn totaal hebben negentien benadeelde partijen zich gevoegd in dit strafproces. Deze benadeelde partijen vorderen de verdachte te veroordelen om een schadevergoeding te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nIn de tabel hieronder wordt het door hen gevorderde weergegeven.\n\nBenadeelde partij\n\nMateriële schade\n\nImmateriële schade\n\nTotaal\n\nZaak 1: [benadeelde 1]\n\n€ 8.612,15\n\n€ 135.712,50\n\n€ 144.324,65\n\nZaak 1: [benadeelde 2]\n\n€ 5.564,06\n\n€ 20.000,-\n\n€ 25.564,06\n\nZaak 2: [benadeelde 3]\n\n€ 8.100,-\n\n€ 16.000,-\n\n€ 24.100,-\n\nZaak 3: [benadeelde 4]\n\n€ 6.526,90\n\n€ 16.125,-\n\n€ 22.651,90\n\nZaak 4: [benadeelde 5]\n\n-\n\n€ 5.000,-\n\n€ 5.000,-\n\nZaak 5: [benadeelde 6]\n\n€ 12.946,04\n\n€ 10.000,-\n\n€ 22.946,04\n\nZaak 6: [benadeelde 7]\n\n€ 5.112,05\n\n€ 13.750,-\n\n€ 18.862,05\n\nZaak 6: [benadeelde 8]\n\n€ 13,86\n\n€ 10.000,-\n\n€ 10.013,86\n\nZaak 6: [benadeelde 9]\n\n€ 206,80\n\n€ 10.000,-\n\n€ 10.206,80\n\nZaak 7: [benadeelde 10]\n\n€ 6.553,39\n\n€ 11.250,-\n\n€ 17.803,39\n\nZaak 8: [benadeelde 11]\n\n-\n\n€ 6.000,-\n\n€ 6.000,-\n\nZaak 11: [benadeelde 12]\n\n€ 15,04\n\n€ 3.125,-\n\n€ 3.140,04\n\nZaak 12: [benadeelde 13]\n\n€ 12.038,72\n\n€ 3.125,-\n\n€ 18.288,72\n\nZaak 13: [benadeelde 14]\n\n€ 3.125,-\n\nZaak 14: [benadeelde 15]\n\n-\n\n€ 3.500,-\n\n€ 3.500,-\n\nZaak 15: [benadeelde 16]\n\n€ 5.274,97\n\n€ 3.125,-\n\n€ 8.399,97\n\nZaak 16: [benadeelde 17]\n\n-\n\n€ 3.500,-\n\n€ 3.500,-\n\nZaak 17: [benadeelde 18]\n\n€ 5.327,-\n\n€ 1.875,-\n\n€ 7.202,-\n\nZaak 18: [benadeelde 19]\n\n-\n\n€ 4.000,-\n\n€ 4.000,-\n\n8.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade in de zaken 2 en 11 geheel kan worden toegewezen. De gevorderde materiële schade in zaak 1 kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.827,20 voor het slachtoffer en € 24,51 voor haar moeder, in zaak 3 tot € 1.526,90, in zaak 5 tot € 154,06, in zaak 7 tot € 1.553,39 en in zaak 17 tot € 327,-. Voor het overige dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.\n\nDe officier van justitie heeft zich ten aanzien van de gevorderde immateriële schade op het standpunt gesteld dat deze in de zaken 2, 4, 5, 8, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 geheel kan worden toegewezen. De gevorderde immateriële schade in zaak 1 kan worden toegewezen tot een bedrag van € 28.000,- voor het slachtoffer en € 3.000,- voor haar moeder, in zaak 3 tot € 7.500,- en in zaak 6 tot € 10.000,-. De ouders van slachtoffer 6 dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding, nu geen sprake lijkt te zijn van shockschade.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft met betrekking tot de gevorderde materiële schadevergoeding ten aanzien van de vorderingen in de zaken 1, 3 en 7 zich primair op het standpunt gesteld dat deze te complex zijn voor behandeling en dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, en subsidiair dat deze dienen te worden afgewezen. Met betrekking tot de gevorderde reis- en parkeerkosten in de zaken 5, 6, 11, 12, 13, 15 en 17 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade in de zaken 2, 5, 6, 12, 13 en 17 dienen de benadeelde partijen (voor het overige) niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.\n\nTer onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde onvoorziene kosten (zaken 1, 3, 4, 6, 7, 12, 13, 15 en 17) niet zijn onderbouwd, onvoldoende blijkt dat de uitjes (zaak 1) noodzakelijk waren, er onvoldoende verband is tussen de studievertraging (zaak 2) en de ten laste gelegde feiten, en dat de kosten van het opnemen van verlof (zaak 5) geen direct gevolg zijn van het handelen van de verdachte.\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding in het algemeen opgemerkt dat de Rotterdamse schaal als uitgangspunt genomen moet worden bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding. De raadsman heeft dit vervolgens nader geconcretiseerd en bepleit dat de volgende bedragen aan immateriële schade passend zijn:\n\n- een bedrag van € 2.500,00 voor elk van de benadeelde partijen in de zaken 2, 4, 7, 12 en 13;\n\n- een bedrag van € 2.000,00 voor de benadeelde partij in zaak 6;\n\n- een bedrag van € 1.500,00 voor de benadeelde partij in zaak 1;\n\n- een bedrag van € 1.000,00 voor elk van de benadeelde partijen in de zaken 3, 5, 8, 11, 14, 15, 16 en 17;\n\n- een bedrag van € 500,00 voor de benadeelde partij in zaak 18.\n\nVerder heeft de raadsman ten aanzien van de vorderingen van de ouders in de zaken 1 en 6 verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Daartoe heeft de raadsman het standpunt ingenomen dat geen sprake kan zijn van shockschade, nu geen sprake was van een directe confrontatie met de seksuele handelingen tussen de verdachte en hun dochter.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nDe ouders van de slachtoffers in de zaken 1, 2, 3, 5, 6, 7, 11, 12, 13, 15 en 17 hebben namens hen materiële schade gevorderd. De ouders in de zaken 1 en 6 hebben daarnaast zelf ook materiële schade gevorderd.\n\nVerplaatste schade: wettelijk kader\n\nHet wettelijk kader voor een vergoeding van de verplaatste schade is artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het gaat om kosten die een derde ten behoeve van het slachtoffer heeft gemaakt en die het slachtoffer zelf had kunnen claimen als het slachtoffer de kosten zelf zou hebben gemaakt. Om deze schade te kunnen verhalen op de verdachte, moet er een direct oorzakelijk verband bestaan tussen het strafbare feit en de schade.\n\nReis- en parkeerkosten\n\nDe benadeelde partijen in de zaken 1, 3, 5, 6, 7, 11, 12, 13, 15 en 17 hebben materiële schade gevorderd voor reis- en parkeerkosten.\n\nTen aanzien van de reiskosten in het kader van een medische behandeling overweegt de rechtbank dat dit schade is die rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten en dat deze in redelijkheid zijn gemaakt. De verdediging heeft deze kosten niet betwist. De rechtbank zal dit deel van de vordering van zaak 1 dan ook toewijzen. Uit het bij de vordering gevoegde overzicht blijkt dat de benadeelde partij 24 keer reiskosten heeft gemaakt voor een medische behandeling, waarbij per bezoek een afstand van 2,6 kilometer is afgelegd. De rechtbank hanteert een kilometervergoeding van € 0,33. De voor vergoeding in aanmerking komende reiskosten bedragen derhalve 24 x 2,6 x € 0,33, in totaal € 20,59.\n\nDe overige reis- en parkeerkosten zien op het bijwonen van zittingen, bezoeken aan het politiebureau voor het doen van aangifte en bezoeken aan een advocaat, slachtofferhulp of de school. Al deze overige opgevoerde reiskosten zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, Sv. Uit vaste rechtspraak blijkt verder dat reis- en verblijfkosten voor het bijwonen van een zitting op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen voor zover door de benadeelde partij zonder gemachtigde (advocaat) wordt geprocedeerd. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partijen met een gemachtigde (advocaat) procederen. Het wettelijk stelsel biedt in dat geval geen ruimte voor vergoeding van de hier gevorderde reiskosten. De overige kosten zijn in het geheel niet toewijsbaar als proceskosten, omdat zij niet worden genoemd in de civiele proceskostenregeling (zie gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4540 en Hoge Raad 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414). In zoverre worden de vorderingen dan ook afgewezen.\n\nOnvoorziene kosten\n\nDe vorderingen zijn met betrekking tot de post ‘onvoorziene kosten’ van € 5.000,- niet (voldoende) onderbouwd. Vanwege dit gebrek aan onderbouwing zal de rechtbank de benadeelde partijen in de zaken 1, 3, 5, 6, 7, 12, 13, 15 en 17 in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen de gelegenheid geven de vorderingen nader te onderbouwen levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nKosten opstellen rapportage\n\nIn de zaken 1, 3 en 7 zijn kosten gevorderd die verband houden met het opstellen van een rapportage door een deskundige inzake de sociaal emotionele ontwikkelingsrisico’s van de slachtoffers. De rechtbank overweegt dat een dergelijk rapport in voorkomende gevallen inzicht kan geven in de mogelijke gevolgen van het handelen van de verdachte voor de ontwikkeling van de slachtoffers op langere termijn. De rechtbank is echter van oordeel dat in de overgelegde rapporten op verschillende punten wordt uitgegaan van aannames waarvan de juistheid in deze procedure niet kan worden vastgesteld. De rechtbank zal deze rapporten daarom niet aan haar beoordeling ten grondslag leggen en daarmee komen de kosten voor deze rapporten ook niet voor vergoeding in aanmerking.\n\nIn zaak 7 was het deskundigenrapport ten tijde van de behandeling van de vordering nog niet opgesteld. Reeds daarom kan de rechtbank dit rapport niet betrekken bij haar beoordeling en kunnen de daarvoor gevorderde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De benadeelde partijen zullen ten aanzien van dit deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard.\n\nStudievertraging\n\nDoor de ouders in zaak 2 is een vergoeding voor studievertraging gevorderd, omdat hun kind een schooljaar is blijven zitten. De rechtbank is van oordeel dat niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate, de bewezen verklaarde feiten de studievertraging tot gevolg hebben gehad. De vaststelling of de bewezen verklaarde feiten studievertraging hebben opgeleverd voor de benadeelde partij, brengt een onevenredige belasting van het strafgeding met zich. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van de vordering.\n\nOverige gevorderde materiële schade\n\nIn zaak 1 zijn kosten voor door de moeder met het slachtoffer ondernomen uitjes opgevoerd. Deze kosten staan naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband met de bewezen verklaarde feiten om te kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade. Nu het rechtstreekse verband tussen de bewezen verklaarde feiten en de gestelde schade niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering tot schadevergoeding\n\nIn zaak 5 is een vergoeding voor verlofopname van de ouders gevorderd, omdat zij niet hebben kunnen werken vanwege de afhandeling van de zaak en hun dochter hebben moeten ondersteunen. Deze gevorderde kosten betreffen geen schade die door hun dochter zelf is geleden en vervolgens naar de ouders is verplaatst. Er is dus geen sprake van verplaatste schade als bedoeld in 6:107, eerste lid, onder a, BW. Ook de gevorderde schade wegens gederfde inkomsten van de ouders in de zaken 12, 13 en 17, die verband houdt met de tijd die zij hebben besteed aan het doen van aangifte en het bijwonen van de zitting, betreft geen schade die door hun kinderen zelf is geleden. Ten aanzien van deze schade zullen de benadeelde partijen daarom in de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nGevorderde materiële schade door ouders\n\nDoor de moeder van slachtoffer 1 en de ouders van slachtoffer 6 is vergoeding van (eigen) materiële schade gevorderd. Ten aanzien van de kosten voor het raadplegen van de huisarts of een specialist in verband met klachten die zouden zijn ontstaan na de bewezen verklaarde feiten, alsmede de daarmee samenhangende reiskosten, overweegt de rechtbank dat onvoldoende uit de onderbouwing is gebleken dat deze schadeposten in een rechtstreeks verband staan met de bewezen verklaarde feiten. Hetzelfde geldt voor de gevorderde schoonmaakwerkzaamheden in de woning, reiskosten voor het volgen van therapie en parkeerkosten vanwege een spoedopname in het ziekenhuis. Deze kosten kunnen dan ook niet als rechtstreekse schade worden aangemerkt. De benadeelde partijen zullen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.\n\nImmateriële schade\n\nDe slachtoffers in de zaken 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 hebben immateriële schade gevorderd. De ouders in de zaken 1 en 6 hebben schadevergoeding verzocht vanwege het bestaan van shockschade.\n\nWettelijk kader\n\nVoor toewijzing van immateriële schadevergoeding moet op grond van artikel 6:106 BW – voor zover hier relevant – sprake zijn van een aantasting in de persoon van benadeelden op andere wijze, veroorzaakt door het bewezen verklaarde gedrag van de verdachte.\n\nVan de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).\n\nOntucht en aanranding\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in deze gevallen meebrengen dat de in dit verband door de benadeelden ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen in de zaken 1, 2, 3, 5, 6 en 8 rechtstreeks immateriële schade hebben geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is welk bedrag passend is om toe te wijzen als vergoeding voor de geleden schade. Bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schade maakt de rechtbank gebruik van de per categorie genoemde bedragen in de Rotterdamse schaal. De rechtbank heeft voor het nadeel als gevolg van het ontucht aansluiting gezocht bij categorie 15.3 ‘aanranding’. Daarin is een bandbreedte van € 1.000,- tot € 6.500,- opgenomen. De rechtbank neemt verder de jonge leeftijd van de slachtoffers in aanmerking en de omstandigheden dat sprake is geweest van meerdere ontuchtige en seksuele handelingen. De rechtbank acht een bedrag van € 2.000,- per benadeelde partij billijk. De benadeelde partijen worden voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.\n\nHeimelijk filmen en vervaardigen kinderpornografisch materiaal\n\nAnders dan het geval is voor de hiervoor besproken ontuchtige handelingen en aanranding, is de rechtbank van oordeel dat wat betreft het heimelijk filmen een onderbouwing van de vordering nodig is op basis waarvan een aantasting in de persoon en daarbij behorende schade kan worden vastgesteld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het filmen heimelijk is gebeurd, onduidelijk is hoeveel de slachtoffers van het maken van de opnames hebben gemerkt en wat de gevolgen daarvan voor hen zijn of zullen zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat een dergelijke onderbouwing in de zaken 4, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 ontbreekt. De rechtbank kan op basis van de gegeven onderbouwing niet vaststellen dat sprake is van een aantasting in de persoon en schade als gevolg daarvan. De benadeelde partijen de gelegenheid geven om de geleden schade nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van dit strafproces op. De benadeelde partijen zullen daarom ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nBeoordelingskader shockschade\n\nVolgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is toekenning van zogenoemde shockschade mogelijk. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het ten laste gelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het ten laste gelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.\n\nBeoordeling van de vorderingen van de ouders\n\nDe moeder van slachtoffer 1 heeft gesteld dat zij als gevolg van de handelingen die de verdachte jegens haar dochter heeft begaan, psychische klachten heeft ontwikkeld en haar werkzaamheden in omvang heeft moeten verminderen.\n\nDe ouders van slachtoffer 6 hebben gesteld dat zij psychische klachten hebben ontwikkeld nadat zij door de politie werden geconfronteerd met het handelen van de verdachte jegens hun dochter. De vader is als gevolg daarvan uitgevallen op werk en de moeder stelt verlies van arbeidsvermogen te hebben geleden.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank komt de ouders van de slachtoffers geen vergoeding van shockschade toe. De rechtbank stelt vast dat in meerdere opzichten geen sprake is van een situatie als door de Hoge Raad in zijn jurisprudentie beschreven, hoe zeer overigens ook invoelbaar is dat de bewezen verklaarde feiten voor de ouders in emotioneel opzicht zeer belastend zijn.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partijen derhalve ter zake van de gevorderde immateriële niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.\n\nConclusie\n\nAl het voorgaande betekent dat de rechtbank de volgende bedragen zal toewijzen.\n\nBenadeelde partij\n\nMateriële schade\n\nImmateriële schade\n\nTotaal\n\nZaak 1: [benadeelde 1]\n\n€ 20,59\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.020,59\n\nZaak 1: [benadeelde 2]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 2: [benadeelde 3]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 3: [benadeelde 4]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 4: [benadeelde 5]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 5: [benadeelde 6]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 6: [benadeelde 7]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 6: [benadeelde 8]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 6: [benadeelde 9]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 7: [benadeelde 10]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 8: [benadeelde 11]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 11: [benadeelde 12]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 12: [benadeelde 13]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 13: [benadeelde 14]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 14: [benadeelde 15]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 15: [benadeelde 16]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 16: [benadeelde 17]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 17: [benadeelde 18]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 18: [benadeelde 19]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank zal de wettelijke rente voor iedere benadeelde partij toewijzen vanaf de datum waarop de (eerste) video-opname met de ten aanzien van die benadeelde partij onder feit 1 bewezen verklaarde handelingen is vervaardigd, aangezien de schade geacht wordt op dat moment te zijn ontstaan.\n\nProceskosten\n\nTen aanzien van de vorderingen van de slachtoffers die gedeeltelijk worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.\n\nMet betrekking tot de overige vorderingen moeten de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nDe rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die is toegebracht. De rechtbank zal de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel steeds opleggen ter hoogte van het toegewezen bedrag.\n\nAls door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze betalingsverplichting worden aangevuld met het aantal dagen gijzeling dat blijkt uit het dictum van dit vonnis, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.\n\nBEM-clausule\n\nDe rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak door de verdachte te betalen schadevergoeding en rente daarover zullen worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partijen te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de benadeelde partijen nu zij allen nog minderjarig zijn. De benadeelde partijen en hun wettelijke vertegenwoordigers kunnen slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen beschikken tot het moment waarop de benadeelde partijen de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.\n\n9. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n- 28, 31, 36 f, 37a, 37b, 57, 139f, 240b (oud), 247 (oud), 248 (oud), 249, 252, 253a en 254 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2 en 10 van de Opiumwet.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feit 1:\n\n in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2024:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;\n\nen\n\n in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025:\n\ngekwalificeerde aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, begaan jegens een kind in een situatie van afhankelijkheid, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 2:\n\n in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2024:\n\nafbeeldingen en gegevensdragers bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;\n\nen\n\n in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025:\n\nvisuele weergaven van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt;\n\nten aanzien van feit 3:\n\ngebruik makend van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 4:\n\nin de periode van 28 april 2009 tot en met 30 juni 2024:\n\nafbeeldingen en gegevensdragers bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, aanbieden, in bezit hebben of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaft, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;\n\nen\n\n in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025:\n\nvisuele weergaven van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden en aanbieden en verwerven en in bezit hebben en zich de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt;\n\nten aanzien van feit 5:\n\nvoorwerpen met een uiterlijke verschijningsvorm van een kind dat de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dat bestemd is om seksuele handelingen mee te verrichten, in bezit hebben;\n\nten aanzien van feit 6:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van7 (ZEVEN) JAREN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\ngelast de terbeschikkingstellingvan de verdachte;\n\nbeveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd;\n\nontzetde verdachte van het recht tot uitoefening van elk beroep waarbij sprake is van direct contact, een gezagsverhouding of een afhankelijkheidsrelatie met minderjarigen, voor de duur van10 (TIEN) JAREN;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.020,59, bestaande uit € 20,59 aan materiële schade (reiskosten in het kader van een medische behandeling) en € 2.000,- aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 november 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 1] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten, niet betrekking hebbende op reiskosten in het kader van een medische behandeling, af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.020,59, bestaande uit € 20,59 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 november 2022 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 1] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2015) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 3] ;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 3] (geboren op [geboortedatum 3] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 4] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 4] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 4] (geboren op [geboortedatum 6] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 6] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 6] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 6] (geboren op [geboortedatum 4] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 7] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2022 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 7] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 7] (geboren op [geboortedatum 5] 2018) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 11] ;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2025\n\ntot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 11] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 11] (geboren op [geboortedatum 7] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vorderingen van de overige benadeelde partijen\n\nbepaalt dat de benadeelde partijen:\n\n- [benadeelde 2] ;\n\n- [benadeelde 5] ;\n\n- [benadeelde 8] ;\n\n- [benadeelde 9] ;\n\n- [benadeelde 10] ;\n\n- [benadeelde 12] ;\n\n- [benadeelde 13] ;\n\n- [benadeelde 14] ;\n\n- [benadeelde 15] ;\n\n- [benadeelde 16] ;\n\n- [benadeelde 17] ;\n\n- [benadeelde 18] ;\n\n- [benadeelde 19] ;\n\nniet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;\n\nde inbeslaggenomen goederen\n\nverstaat dat van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen afstand is gedaan door de verdachte en dat er geen beslag meer open staat.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. B.J. van de Griend, voorzitter,\n\nmr. S. Pereth, rechter,\n\nmr. C.A.W. Zijlstra, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. K.Z. Zeeman, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2026.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.7.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.11.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.10-11.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.13.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.11.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18604","2026-07-13T00:29:09.991Z",{"id":149,"ecli":150,"slug":151,"caseNumber":46,"courtId":128,"decisionDate":70,"fullText":152,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":153,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":154},"1224","ECLI:NL:RBROT:2026:8069","ecli-nl-rbrot-2026-8069","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F043912-23\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. S.D. Polat\n\nOfficier van justitie: mr. T. Lucas\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van valsheid in geschrift, het medeplegen van witwassen en meineed. Hij wordt veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Aan de verdachte wordt een taakstraf opgelegd van 30 uren met aftrek van voorarrest. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het geldbedrag dat bij de verdachte in beslag is genomen zal aan hem worden teruggegeven.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,\n\nopzettelijk\n\nheeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 11,51 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal\n\nbevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2\n\nHij in of omstreeks de periode van 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te Leusden en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland,\n\n(van) een Rolex horloge, althans een voorwerp- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft\n\nverborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie\n\nvoorwerp(en) was\u002Fwaren,\n\nen\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,\n\nen\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt\n\nterwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.\n\n3\n\nHij in of omstreeks de periode 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te\n\nRotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nmeermalen althans eenmaal\n\nopzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en\u002Fof vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten\n\neen (afschrift van) een factuur met datum 11 februari 2021 van [horlogewinkel] met\n\nfactuurnummer [factuurnummer]\n\nals ware het echt en onvervalst, door\n\ndeze aan de politie over te leggen, althans te doen overleggen.\n\n4\n\nHij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\nin een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde\n\nen\u002Fof daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten\n\nter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam op 20 december 2023 (zaaknr.\u002Frolnr. C\u002F10\u002F652291 \u002F HA ZA 23-129) als getuige gehoord zijnde in een civielrechtelijke procedure tegen [medeverdachte] , althans enige rechter,\n\nmondeling, persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, te weten – zakelijk weergegeven – dat hij begin 2021 aanwezig was bij de verkoop van een Rolex horloge, door [naam 1] aan [medeverdachte] .2. Bewijs feit 1 \u002F vrijspraak feiten 2 tot en met 42.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten.2.3.. Oordeel van de rechtbank\n\nFeit 12.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit 1 is gebaseerd op de opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 18 januari 2022 waren wij, verbalisanten, belast met algemene surveillance op en rond autosnelweg A28.\n\nOmstreeks 16.45 uur stonden wij geparkeerd in een parkeervak bij de foodcourt. Wij zagen dat een voertuig, van het merk Mercedes, voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] , de foodcourt op reed. Wij zagen dat er zich in het voertuig een persoon bevond. Dit bleek later de verdachte: [verdachte] te zijn. (..)\n\nWij zagen dat de genoemde Mercedes naast een Fiat Punto, voorzien van het kenteken, [kentekennummer 2] geparkeerd stond. Nadat wij nog geen minuut later in onze binnen spiegel keken, zagen wij dat er inmiddels een andere man als bijrijder in de Mercedes zat. Deze bijrijder bleek later [naam 2] te zijn. Wij zagen dat [naam 2] uit de Mercedes stapte. Wij zagen dat [naam 2] vervolgens in de naast gelegen genoemde Fiat Punto stapte.\n\n(..) Op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 gaven wij een stopteken, aan de bestuurder van de Fiat Punto. Hieraan werd door de bestuurder voldaan.\n\n(..) Hierop verklaarde [naam 2] uit zichzelf dat hij zojuist 17 ponypacks met cocaïne had gekocht van de bestuurder van de Mercedes. Wij zagen dat [naam 2] een klein zakje uit zijn zak haalde. Later bleken daar 17 zogenoemde ponypacks in te zitten.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\n(..)Op 18 augustus 2022 is [verdachte] staande gehouden.\n\n(..) Ik heb vervolgens genoemde Mercedes doorzocht. Ik trof enkele getekende aantekeningen welke over bedragen gingen.\n\nIk heb vervolgens een transportfouillering uitgevoerd bij verdachte [verdachte] . Hierna trof ik in de linker broekzak van verdachte een gebundeld contant geldbedrag aan van totaal 2775 Euro. Dit bedrag bestond uit diverse biljetten van 5 en 50 euro.\n\n3. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]\n\nV: Wie was de man waarbij jij in de Mercedes bent gestapt?\n\nA: Dat is [naam 3] .\n\nV: Hoeveel geld had u afgegeven aan [naam 3] ?\n\nA: Dat weet ik niet precies, maar ik dacht ongeveer 3000 euro. Bij benadering dan.\n\nV: Wanneer heeft u die 17 cachetjes gekregen?\n\nA: Vrijdag\n\nV: Hoe hebben jullie een afspraak gemaakt, McDonalds Amersfoort?\n\nA: Telegram.\n\nO: Je hebt aan een collega van de politie de code van de telefoon gegeven die je bij je had. Hierin zijn chatberichten aangetroffen vanaf 17 januari 2022 vanaf 13.06 uur.\n\nV: Wat kun je verklaren over deze chatberichten en dan bedoel ik de berichten die van belang zijn betreffende hetgeen jij wordt verdacht?\n\nA: Het ging in ieder geval over het ophalen van deze cocaïne en het wegbrengen en collecteren. Waar het heen moest etc. Ik had alleen met [naam 3] contact via Telegram.\n\n4. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]\n\n0: In het voertuig van uw medeverdachte zijn briefjes aangetroffen, verbalisant toont 4 foto's bijgevoegd als fotobijlage 1. Herkent u deze briefjes?\n\nA: Ja.\n\nV: Wat kan u vertellen over deze briefjes, wat betekenen ze of kunnen we lezen op deze briefjes?\n\nA: Nou ja.\n\nFoto 1, van fotobijlage 1:\n\naanvang 34, betreft dan aanvang 34 ponypacks.\n\nEinde 12, betreft wat er over is na 1 dag.\n\n3 zijn er dan weggegeven zonder te betalen. Of later terug te betalen. 1 was met korting voor 40 euro. Dan bleven er 18 over. Die zijn verkocht voor 50 euro per stuk waardoor je uit komt op 940 euro.\n\nV: Heeft u deze briefjes geschreven en overhandigd aan \" [naam 3] \"?\n\nA: Ja.\n\nV: De persoon bij wie u in de auto, een Mercedes-Benz, bent gestapt op 18 januari 2022 op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort, waarna u bent uitgestapt en bent weggereden betreft deze persoon in de Mercedes Benz deze \" [naam 3] \"?\n\nA: Ja.\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 20 januari 2022 was ik, belast met het testen, wegen en bemonsteren van de vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen bij verdachte [naam 2] op 18 januari 2022.\n\nIk zag dat er 17 ponypacks in beslag waren genomen onder goednummer [beslagnummer] .\n\n6. Proces-verbaal van de politie\n\nDe aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:\n\nGoednummer: [beslagnummer]\n\nSIN: AAQA1727NL\n\nRelatie met SIN: AAQW1827NL\n\nAantal: 17\n\nOmschrijving: wikkels met wit poeder\n\nBijzonderheden: 17 ponypacks met opschrift van pinguïn en smart seal de luxe\n\nGewicht netto: 11,51 gram\n\nRuybal: positief op cocaïne\n\n7. Deskundigenverslag\n\nKenmerk\n\nOmschrijving FO\n\nConclusie\n\nAAQW1827NL\n\nPoeder, wit, uit 11,51 gram; aantal 3 bemonsteringen in onderzoek\n\nBevat cocaïne\n\n8. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 20 januari 2022 heb ik, [naam 4] , de navolgende zaken bekeken:\n\n- Verhoor van verdachte [naam 2] ,\n\n- Chatgesprek op Telegram, op de telefoon behorende bij [naam 2] ,\n\n- Bevindingen van verbalisanten ter plaatse McDonalds Amersfoort,\n\n- Telefoon behorende bij [naam 2]\n\nIn de telefoon wordt bevestigd dat verdachte [naam 2] met ene \" [naam 3] \" communiceert via de\n\ndienst Telegram.\n\nOp 18 januari 2022 hebben deze [naam 3] en verdachte [naam 2] een gesprek.\n\n [naam 3] 06:04: Goedemorgen als je de enveloppen meeneemt dan ik je op de terugweg rond\n\n16:00 meeten ergens kalm an\n\nBij1 09:51: Isg\n\n [naam 3] 14:55: Geef je ff een gil als je vertrokken bent\n\n [naam 3] 15:27: Maat je hebt bestelling 17:05 Comschate\n\nWaar zie ik je tussendoor en Hoelaat kan je waar zijn\n\n(..)\n\n [naam 3] 15:47: Beter als je naar Mcdonald's huis ter heide rijdt\n\nNu is dat nog op je heenweg\n\nJe rijdt daar toch langs\n\n [naam 2] 15:47: Red ik nooit\n\nAank 16:30\n\nRed ik colm niet\n\n [naam 3] 15:49 Oke ik kom Amersfoort\n\nJooo\n\n [naam 2] : 1620\n\nZorg dat je er bent\n\n [naam 2] 16:22 Ik ben er\n\nWaar rij je\n\n [naam 3] 16:22 Onderweg\n\nHaal maar broodje voor jezelf\n\neerder rijd afspreken\n\nNiet 45 min van te voren tot zo\n\n [naam 2] 16:23: Als ik nu vertrek ben ik pas om 17:06 in colm\n\njij schreef rond 16 uur\n\nMaatje\n\n [naam 3] 16:23: Het is jou schuld\n\nNiet\n\nDus don't worry\n\n [naam 2] 16:23: Ik doe mijn best\n\nIn deze chat is te zien dat [naam 3] en verdachte [naam 2] afspreken op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort op 18 januari 2022. Deze [naam 3] geeft aan er niet om 16.00\n\nuur te kunnen zijn maar rond 16.30 uur. Gezien de bevindingen van de collega's bij de McDonalds Amersfoort kan worden aangenomen dat deze \" [naam 3] \" verdachte [verdachte] is.\n\nTevens blijkt uit de telefoon van verdachte [naam 2] dat er zeker vanaf 14 januari dagelijks meermaals contact is tussen deze \" [naam 3] \" en verdachte [naam 2] . Tevens hebben verbalisanten onderzoek gedaan in het voertuig van verdachte [verdachte] . Daarop werden onder andere een viertal briefjes aangetroffen zoals deze ook is verstuurd tussen verdachte [naam 2] en verdachte [verdachte] via de app Telegram.\n\nDit betreft exact hetzelfde briefje als is gestuurd tussen Verdachte [naam 2] en \" [naam 3] \" via de Telegram app.\n\nZondag 16\u002F1\u002F22\n\nAanvang: 23\n\nEinde: 12\n\n-------------------\n\n11 x 50 = 550\n\nRetour P ---- 50\n\nCash 6002.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ‘ [naam 3] ’ is. De rechtbank verwerpt dit verweer. [naam 2] heeft verklaard dat hij de drugs heeft ontvangen van de man in de Mercedes die hij kent als ‘ [naam 3] ’ en waar hij contact mee heeft via Telegram. Deze verklaring wordt gestaafd door de bevindingen van de politie. Zij zien een ontmoeting tussen [naam 2] en de verdachte en uit het onderzoek naar de telefoon van de [naam 2] volgt dat hij met ‘ [naam 3] ’ afspreekt rond het tijdstip op de locatie waar door de politie een ontmoeting wordt gezien tussen de verdachte en [naam 2] . Bovendien heeft [naam 2] verklaard dat de getekende aantekeningen die in de auto van de verdachte zijn aangetroffen hem bekend voorkomen, omdat hij deze briefjes aan ‘ [naam 3] ’ heeft gegeven en komt de inhoud van de briefjes ook terug in het gesprek tussen [naam 2] en ‘ [naam 3] ’ op Telegram. Op basis van deze bevindingen gaat de rechtbank ervan uit dat [naam 2] de cocaïne heeft gekregen van de verdachte.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode samen met de medeverdachte 11,51 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. Ten aanzien van het ten laste gelegde verstrekken en verhandelen van de cocaïne bevat het dossier onvoldoende bewijs.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeksde periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althanseenmaal,\n\nopzettelijk\n\nheeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijkaanwezig heeft gehad,\n\nongeveer11,51 gram,in elk geval een hoeveelheid van een materiaal\n\nbevattendecocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2.3.4.. Vrijspraak feiten 2 tot en met 4\n\nFeit 2 (Witwassen)\n\nVaststaande feiten\n\nBij de aanhouding op 18 januari 2022 voor bovengenoemd feit droeg de verdachte een Rolex-horloge. De verdachte heeft bij zijn staandehouding verklaard dat het horloge van zijn moeder is (medeverdachte [medeverdachte] ). Uit onderzoek volgt dat het betreffende Rolex-horloge een marktwaarde heeft van tussen de € 71.000,- en € 95.000,-. Uit bevraging van de Infodesk Crimineel & Onverklaarbaar Vermogen (ICOV) bleek niet dat de verdachte over zodanig legaal inkomen of vermogen beschikte dat die een dergelijke uitgave zouden kunnen verklaren.\n\nBeoordelingskader\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel \"afkomstig uit enig misdrijf\", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp \"afkomstig is uit enig misdrijf\" kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.\n\nAls door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer na dit onderzoek een legale herkomst met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten, staat vast dat het voorwerp een criminele herkomst heeft.\n\nBeoordeling\n\nHet gegeven dat de verdachte werd verdacht van het medeplegen dan wel aanwezig hebben van cocaïne tezamen met de resultaten van de ICOV-bevraging met betrekking tot de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bieden zonder meer grondslag voor een vermoeden van witwassen. Daar staat tegenover dat de verklaring van de verdachte dat het horloge van zijn moeder is, wordt ondersteund door de verklaring van zijn moeder, tevens medeverdachte, [medeverdachte] . Zij heeft verklaard dat zij in aanwezigheid van de verdachte het horloge heeft gekocht bij [horlogewinkel] voor € 36.500,-, waarbij zij een ander horloge heeft ingeruild en een bedrag van € 19.500,- contant heeft bijbetaald. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij dit horloge heeft kunnen kopen van het geld (de overwaarde) dat zij na verkoop van een woning op haar rekening gestort heeft gekregen. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft zij (schermopnames van) bankafschriften verstrekt waaruit volgens haar zou moeten volgen dat zij een groot bedrag heeft ontvangen van de notaris en in een korte periode meermaals contante bedragen heeft opgenomen. Ook heeft zij de onder feit 3 ten laste gelegde factuur verstrekt van de aankoop van genoemde Rolex bij [horlogewinkel] .\n\nDeze verklaring is naar oordeel van de rechtbank concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht naar de verklaring van de medeverdachte.\n\nUit het onderzoek volgt dat de medeverdachte € 115.438,27 op haar bankrekening gestort heeft gekregen na verkoop van haar woning en zij daarna in een korte periode meerdere keren grote bedragen contant van haar bankrekening heeft opgenomen.\n\nDaarnaast is nader onderzoek verricht door de eigenaar van [horlogewinkel] , de heer [naam 1] , als getuige te horen. [naam 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij de door de medeverdachte aangeleverde factuur niet heeft opgesteld, dat hij de medeverdachte niet kent, dat de handtekening op de factuur niet van hem is en dat hij maar één horloge heeft verkocht van het type dat bij de verdachte is aangetroffen en dat dat aan een man was. [naam 1] is ook gehoord als getuige in een civielrechtelijke procedure die de medeverdachte is gestart bij de rechtbank om het horloge terug te krijgen. [naam 1] heeft toen verklaard dat hij twee horloges van dat type heeft verkocht, waarvan hij er één heeft verkocht aan een zekere [naam 5] . Na zijn verhoor bij de politie heeft [naam 1] een factuur met hetzelfde factuurnummer overgelegd aan de politie. Die factuur verschilt op meerdere punten van de door de verdachte overgelegde factuur.\n\nVerder onderzoek heeft het Openbaar Ministerie niet verricht.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam 1] , met name bezien zijn tweede, op sommige punten tegenstrijdige, verklaring in de civiele procedure, aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek. Zo had de administratie van [naam 1] kunnen worden onderzocht of de heer [naam 5] worden gehoord. Dat is echter niet gebeurd. Het dossier bevat ook geen objectieve gegevens die de verklaring van [naam 1] ondersteunen, noch gegevens waaruit volgt dat de door de medeverdachte gegeven verklaring onmogelijk of onjuist is anders dan de verklaring van [naam 1] . Daarmee resteert in essentie de verklaring van de medeverdachte tegenover de verklaring van [naam 1] .\n\nGelet op het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie naar oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. Dat betekent dat niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat het horloge een legale herkomst heeft, waardoor niet kan worden bewezen dat het horloge afkomstig is uit enig misdrijf. Dat betekent dat niet is bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte het ten laste gelegde horloge heeft witgewassen, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nFeit 3 (valsheid in geschrift)\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde valsheid in geschrift overweegt de rechtbank als volgt. Het verrichte onderzoek heeft niet uitgewezen dat de inhoud van de factuur onjuist is. De door de medeverdachte gegeven uitleg is weliswaar niet bevestigd, maar evenmin voldoende weerlegd. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek, dat hiervoor duidelijkheid had kunnen verschaffen, ontbreekt.\n\nOnder deze omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de factuur vals of vervalst is. De verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nFeit 4 (meineed)\n\nTen aanzien van de onder feit 4 ten laste gelegde meineed overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte tijdens de civielrechtelijke procedure omtrent de teruggave van het Rolex-horloge aan de medeverdachte onder ede onjuist heeft verklaard over zijn aanwezigheid bij de aankoop van het horloge.\n\nZoals hiervoor reeds is overwogen, bevat het dossier onvoldoende objectieve aanknopingspunten om de verklaring van de verdachte als onwaar aan te merken. Nu aldus niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard, volgt vrijspraak.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1\n\nMedeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor alle feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat drugs ontwrichtend werken in levens van veel mensen en daarmee ontwrichtend zijn voor de samenleving. Ook is veel criminaliteit verbonden aan drugs.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit en volgt verder dat artikel 63 Sr van toepassing is.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 19 januari 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim vier jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die doorgaans bij het voorhanden hebben van dergelijke hoeveelheden verdovende middelen worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In het geval van het voorhanden hebben van de bewezenverklaarde hoeveelheid cocaïne wordt een taakstraf voor de duur van 80 uren als oriëntatiepunt genoemd. Omdat artikel 63 Sr van toepassing is en er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank aanleiding om een lagere straf op te leggen.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 30 uren met aftrek van voorarrest passend en geboden.5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag van € 2.775,- dat in beslag is genomen verbeurd moet worden verklaard.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft gelet op het pleidooi tot vrijspraak bepleit dat het geldbedrag dient te worden teruggeven aan de verdachte.5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nOp grond van artikel 33a, eerste lid, onder a, Sr zijn vatbaar voor verbeurdverklaring onder meer voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.Ten laste van de verdachte wordt bewezenverklaard het medeplegen van het aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs. Het in beslag genomen geldbedrag van € 2.775,- kan niet door middel van of uit de baten van dit strafbare feit zijn verkregen. Om die reden zal dit geldbedrag worden teruggegeven aan de verdachte.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 2, 3 en 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 30 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 24 uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 12 dagen;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n-gelast de teruggave aan de verdachte van een geldbedrag van € 2.775,-.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 tot en met 3\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 24 tot en met 26\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 69 tot en met 75.\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 76 tot en met 80.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 52 tot en met 58.\n\n Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, pagina’s 94 tot en met 96.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 97.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 64 tot en met 69.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8069","2026-07-13T00:29:10.921Z",{"id":156,"ecli":157,"slug":158,"caseNumber":46,"courtId":128,"decisionDate":70,"fullText":159,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":160,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":53,"updatedAt":161},"1188","ECLI:NL:RBROT:2026:7973","ecli-nl-rbrot-2026-7973","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-051220-26\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1948 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam],\n\ngedetineerd in [naam P.I.].\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. R.G. van der Laan\n\nOfficier van justitie: mr. P.J. Wijnands\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaat van de benadeelde partij: mr. J.J. van Horen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft over een periode van ruim anderhalf jaar kinderporno verspreid, aangeboden, verworven en in zijn bezit gehad. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met daaraan gekoppeld een proeftijd van drie jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en vermijding van digitale omgevingen die betrekking hebben op seksueel kindermisbruik. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – in de periode van 20 januari 2023 tot en met 23 oktober 2025 kinderporno in zijn bezit heeft gehad en heeft verspreid. Daarnaast beschuldigt zij de verdachte ervan ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met een (meerderjarig) persoon in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2016.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 20 januari 2023 tot en met 23 oktober 2025 te\n\n [plaatsnaam], in elk geval in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\neen of meer afbeeldingen en\u002Fof - gegevensdragers, te weten USB-sticks en\u002Fof\n\nmobiele telefoons en\u002Fof een harde schijf en\u002Fof een laptop, bevattende afbeeldingen\n\nvan een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien\n\njaar nog niet had bereikt was betrokken en\u002Fof schijnbaar was betrokken\n\nheeft\n\nverspreid en\u002Fof\n\naangeboden en\u002Fof\n\nverworven en\u002Fof\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof\n\nzich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een\n\ncommunicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft,\n\nen\u002Fof\n\neen of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele\n\nstrekking\n\nwaarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,\n\nwas betrokken of schijnbaar was betrokken\n\nheeft\n\nverspreid en\u002Fof\n\naangeboden en\u002Fof\n\nverworven en\u002Fof\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof\n\nzich daartoe de toegang heeft verschaft,\n\nte weten afbeeldingen en\u002Fof gegevensdragers, te weten USB-sticks en\u002Fof mobiele\n\ntelefoons en\u002Fof een harde schijf en\u002Fof een laptop,\n\nbevattende afbeeldingen,\n\nwaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis\n\nen\u002Fof\n\neen ander persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof\n\nvoorwerp door die persoon\n\nen\u002Fof\n\nhet eigen lichaam vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand\n\nen\u002Fof voorwerp door die persoon\n\n(afbeeldingsnummers 1 tot en met 14)\n\nen\u002Fof\n\nde geslachtsdelen van die persoon met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand worden\n\naangeraakt\n\nen\u002Fof\n\nde geslachtsdelen van een ander kind\u002Fpersoon met een vinger\u002Fhand en\u002Fof\n\nmond\u002Ftong worden aangeraakt door die persoon\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon de eigen geslachtsdelen met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n(afbeeldingsnummers 15 tot en met 20)\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof\n\n- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar\n\nkleding ontdoet en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze\n\nvan kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms\n\nnadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld\n\nworden gebracht\n\n(afbeeldingsnummers 19, 22 tot en met 25)\n\nen\u002Fof\n\n- dat bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd\n\nen\u002Fof\n\n- bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof\n\nzichtbaar wordt gemaakt\n\n(afbeeldingsnummer 21)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt;\n\n2\n\nhij in of omstreeks 1 januari 2005 tot en met 31 december 2016 te Zwijndrecht en\u002Fof\n\n [plaatsnaam], in elk geval in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\ndoor geweld of andere feitelijkheden en\u002Fof bedreiging met geweld of andere\n\nfeitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en\u002Fof dulden van een of\n\nmeer ontuchtige handelingen,\n\nbestaande uit het (onverhoeds) betasten van de penis van die [slachtoffer] en\u002Fof het\n\naanraken van de lippen en\u002Fof het gezicht van die [slachtoffer]\n\nen bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en\u002Fof die bedreiging met\n\ngeweld of die andere feitelijkheden uit\n\n- het onverhoeds uitvoeren van die ontuchtige handelingen en\u002Fof\n\n- het voorbijgaan aan zijn (verbale en\u002Fof non-verbale) protesten en\u002Fof\n\n- het feit dat hij, verdachte, wetenschap had van de psychische problematiek van\n\ndie [slachtoffer] en\u002Fof de kwetsbaarheid van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het benadrukken dat de relatie tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer] geheim moest\n\nblijven en\u002Fof\n\n- het (regelmatig) geven van cadeau’s, althans een of meer goederen, en\u002Fof geld aan\n\ndie [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het misbruik maken van het uit feitelijke verhoudingen en\u002Fof uit omstandigheden\n\nvoortvloeiend overwicht, te weten het (voormalig) burgemeesterschap van\n\nverdachte en\u002Fof\n\n- het (aanzienlijke) leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer].2. Bewijs \u002F Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit voor feit 2. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 ten laste gelegde. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 1 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Proces-verbaal van de politie, beschrijving kinderpornografisch materiaal aanwezig op inbeslaggenomen gegevensdragers\n\n3. Proces-verbaal van de politie, duiden pleegperiode2.3.2.. \n\nVolledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1\n\nhij in de periode van 20 januari 2023 tot en met 23 oktober 2025 te [plaatsnaam],\n\nmeermalen,\n\n(in de periode van 20 januari 2023 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek van\n\nStrafrecht)\n\nmeer afbeeldingen en een gegevensdrager, te weten een mobiele telefoon, bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken\n\nheeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft,\n\nen\n\n(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 23 oktober 2025 artikel 252 Wetboek van\n\nStrafrecht)\n\nmeer visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof verworven en in bezit heeft gehad en zich daartoe de toegang heeft verschaft, te weten afbeeldingen en gegevensdragers, te weten USB-sticks en mobiele telefoons en een harde schijf en een laptop, bevattende afbeeldingen, waarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en anaal wordt gepenetreerd met een penis\n\nen\n\neen ander persoon oraal en anaal wordt gepenetreerd met een penis en voorwerp door die persoon\n\nen\n\nhet eigen lichaam vaginaal en anaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand en voorwerp door die persoon\n\n(afbeeldingsnummers 1 tot en met 14)\n\nen\n\nde geslachtsdelen van die persoon met een penis en vinger\u002Fhand worden aangeraakt\n\nen\n\nde geslachtsdelen van een ander kind\u002Fpersoon met een vinger\u002Fhand en mond\u002Ftong worden aangeraakt door die persoon\n\nen\n\ndie persoon de eigen geslachtsdelen met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n(afbeeldingsnummers 15 tot en met 20)\n\nen\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\n\n- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar\n\nkleding ontdoet en\n\n- door het camerastandpunt en de (onnatuurlijke) pose en de wijze van kleden van die persoon en de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en billen van die persoon in beeld worden gebracht\n\n(afbeeldingsnummers 19, 22 tot en met 25)\n\nen\n\n- dat bij het gezicht en het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd\n\nen\n\n- op het gezicht en het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en zichtbaar wordt gemaakt\n\n(afbeeldingsnummer 21)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een gewoonte werd gemaakt;\n\n2.3.3.. \n\nVrijspraak\n\nHet onder 2 ten laste gelegde is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.\n\nVooraf\n\nZedenstrafzaken worden vaak gekenmerkt door het feit dat er slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de (veronderstelde) handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Ook hier is er geen getuige die de ten laste gelegde ontuchtige handelingen heeft waargenomen. In dit geval wordt de waarheidsvinding verder bemoeilijkt door het gegeven dat de vermeende gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden over een tijdspanne van ruim tien jaar, waarbij het laatste incident tien jaar geleden zou hebben plaatsgevonden.\n\nBewijsminimum\n\nOp grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige, oftewel in dit geval enkel op grond van de verklaring van aangever. Van belang is dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel. Niet vereist is dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.\n\nNiet is vereist dat het zedendelict als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal. Het is voor het bewijs afdoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd.\n\nVerklaringen van aangever\n\nAangever heeft verklaard dat hij de verdachte ergens tussen 2004 en 2006 heeft leren kennen toen hij ongeveer vierentwintig of vijfentwintig was. Aangever was in die periode kwetsbaar. Hij werd namelijk in 2006 en 2007 opgenomen in een kliniek, waarna hij afgekeurd is voor werk. De ten laste gelegde gebeurtenissen zouden volgens aangever vanaf 2005 zijn gestart. De verdachte zou aangever op meerdere momenten hebben aangeraakt op een manier die aangever niet fijn vond. Zo zou de verdachte aangever heel vaak hebben aangeraakt aan zijn gezicht, waaronder bij zijn mond, lippen en wang. Ook zou de verdachte aangever één keer aan zijn geslachtsdeel hebben geraakt. Aangever zou de verdachte steeds hebben afgeweerd en hebben aangegeven dat hij de aanrakingen niet fijn vond, maar de verdachte zou telkens geen gehoor hebben gegeven aan de bezwaren van aangever.\n\nDe verdachte heeft vanaf zijn eerste politieverhoor stellig ontkend dat hij het geslachtsdeel van aangever heeft aangeraakt. De verdachte heeft verklaard dat, als hij het gezicht en de lippen van aangever heeft aangeraakt, deze aanrakingen niet in een seksuele context hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft verklaard dat hij een soort begeleider en vaderfiguur was voor aangever en dat de aanrakingen binnen die context moeten worden bezien.\n\nNu de verklaringen van aangever en de verdachte haaks op elkaar staan voor wat betreft het plaatsvinden van aanrakingen, dan wel de ontuchtige context waarin dat zou zijn gebeurd, is voor een eventuele bewezenverklaring van belang dat de verklaring van aangever steun vindt in ander objectief bewijsmateriaal.\n\nVerklaringen van de ouders van aangever\n\nDe moeder van aangever heeft bij de politie verklaard dat de aangever zich soms heel boos uitliet over de verdachte. Ze noemt daarbij als voorbeeld dat aangever eens een boek en een beeldje die hij van de verdachte had gekregen in de tuin had gesmeten en daarbij had gezegd dat hij de verdachte wel wilde killen. Zij heeft aan aangever gevraagd wat er is gebeurd met de verdachte. Aangever zou toen hebben geantwoord. “Ja, vieze handen”. Ze stelde vervolgens de vraag of de verdachte hem had aangerand. Aangever heeft toen als antwoord gegeven dat zijn hoofd ermee vol zat.\n\nOok de vader van aangever heeft bij de politie een verklaring afgelegd. Hij verklaarde dat aangever wel heeft gedeeld dat er iets zou zijn gebeurd, maar aangever zou toen niet hebben gezegd wat precies.\n\nUit de verklaringen van de ouders van aangever wordt duidelijk dat aangever (een lange tijd) met vele tegenslagen en moeilijkheden heeft geworsteld in zijn leven. Over de tenlastegelegde gebeurtenissen bieden de verklaringen van de ouders echter onvoldoende duidelijkheid. Wat er precies met aangever heeft plaatsgevonden, is voor zijn ouders nooit duidelijk geworden. De verklaringen van de ouders bevatten daardoor te weinig concrete details of eigen waarnemingen, die vervolgens steun kunnen bieden aan de verklaringen van aangever.\n\nNu het dossier verder geen ander bewijsmateriaal bevat dat steun biedt aan de verklaring van aangever, komt de rechtbank tot de conclusie dat de onder feit 2 tenlastegelegde aanranding niet kan worden bewezen, omdat er met het aanwezige bewijsmateriaal niet wordt voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. Ten aanzien van handelingen die op zichzelf door de verdachte worden erkend (het aanraken van het hoofd van aangever) kan de rechtbank niet zonder twijfel vaststellen dat die een ontuchtig karakter hebben gehad.\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van dit feit.3. Kwalificatie en strafbaarheid\n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1\n\nin de periode van 20 januari 2023 tot en met 30 juni 2024:\n\neen afbeelding en gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, aanbieden, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;\n\nin de periode van 1 juli 2024 tot en met 23 oktober 2025:\n\neen visuele weergave van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, verspreiden, aanbieden, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt.\n\n3.1.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet (voor beide feiten) worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met daaraan verbonden een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarden die door de reclassering worden geadviseerd, waaronder een contactverbod met minderjarigen. De bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard en de reclassering moet toezicht houden op de naleving van deze voorwaarden.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat, gezien de aard en de ernst van de feiten, de leeftijd van de verdachte, de impact van de publiciteit van de zaak op de verdachte, en de justitiële documentatie van de verdachte, de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht reeds volstaat. De verdediging verzoekt de rechtbank om, indien zij daar aanleiding toe ziet, de voorlopige hechtenis zo spoedig mogelijk op te heffen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft een gewoonte gemaakt van het verspreiden, aanbieden, verwerven en bezitten van kinderporno, een zeer ernstig strafbaar feit. Op de inbeslaggenomen gegevensdragers van de verdachte zijn in totaal 1.036 visuele weergaven, waaronder 632 foto’s en 404 video’s, aangetroffen waarop te zien is dat seksuele handelingen met, soms zeer jonge, kinderen worden verricht. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij vanwege zijn leeftijd steeds minder seksueel opgewonden raakte en dat hij daardoor op zoek is gegaan naar erotische prikkels. In zijn zoektocht naar nieuwe prikkels is verdachte kennelijk beland in de verwerpelijke wereld van kinderporno. Voor de verdachte lag de focus enkel op de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeftes. Hij heeft in dat kader beelden bekeken, bewaard en doorgestuurd. Het is een feit van algemene bekendheid dat de kinderen bij de vervaardiging van kinderpornografische afbeeldingen veelvuldig seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Kinderen die seksuele handelingen moeten verrichten of moeten ondergaan ten behoeve van de kinderporno-industrie kunnen aanzienlijke psychische schade oplopen die ook vele jaren later nog diepe sporen nalaat. Door de verspreiding van het beeldmateriaal wordt de schade voor de afgebeelde jeugdigen nog vergroot. Beelden zijn niet eenvoudig te verwijderen van het internet en blijven daar vaak nog jarenlang circuleren, waardoor de slachtoffers ook jaren nadat het misbruik heeft plaatsgevonden, daarmee kunnen worden geconfronteerd. Daarnaast heeft verdachte in een chat met een contact genaamd ‘[naam 1]’ actief gefantaseerd over de wijze waarop bij name genoemde jonge kinderen misbruikt konden worden. De teksten die daarbij door verdachte zijn geuit, zijn bijzonder schokkend te noemen. Door handelingen zoals die door de verdachte zijn gepleegd wordt de vraag naar kinderporno en daarmee het misbruik van kinderen in stand gehouden. Daarbij komt dat de verdachte de kinderporno niet enkel voor zichzelf heeft bewaard, maar op meerdere momenten heeft doorgestuurd en daarmee verder heeft verspreid. De verdachte heeft daarmee een actieve bijdrage geleverd aan de instandhouding van deze illegale markt.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft ter zitting weliswaar iets meer inzicht gegeven in zijn seksuele beleving dan voorheen, maar hij nam voor zijn handelen onvoldoende verantwoordelijkheid. Hij beriep zich meerdere keren op zijn onkunde op digitaal gebied, gaf geen verklaring voor het aantreffen van een grote hoeveelheid bestanden op meerdere gegevensdragers en schoof het merendeel van de verantwoordelijkheid af op de voor de rechtbank onbekend gebleven persoon met de Snapchat-gebruikersnaam ‘[naam 1]’. De rechtbank heeft daardoor niet het volle vertrouwen verkregen dat de verdachte zichzelf in de toekomst in bedwang kan houden.4.3.3.. \n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 23 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nHet strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.4.3.4.. \n\nRapporten van deskundigen en de reclassering\n\nIn het rapport van psycholoog [naam 2] van 19 mei 2026 staat het volgende.\n\nDe verdachte heeft over de onderwerpen seksualiteit en het ten laste gelegde nauwelijks met onderzoekers in gesprek willen gaan. De indruk bestaat dat hij niet het achterste van zijn tong wil laten zien. De verdachte lijkt zich te verschuilen achter naïviteit en onwetendheid. Er is geen sprake van een psychische stoornis, verstandelijke handicap en\u002Fof psychogeriatrische aandoening. Omdat er geen zicht is gekomen op de seksualiteitsbeleving van de verdachte en het ten laste gelegde nauwelijks besproken heeft kunnen worden, is het niet mogelijk om een uitspraak te kunnen doen over het recidiverisico. Er zijn wel veel beschermende factoren aanwezig. Ondanks dat er geen stoornis is vast te stellen, maar ook niet geheel uit te sluiten, en er geen recidiverisico kan worden bepaald, komen uit het strafdossier de nodige zorgen naar voren. Het is van belang dat na veroordeling een nadere delictanalyse wordt uitgevoerd, die mogelijk, na het los kunnen laten van de procespositie, beter bewerkt kan worden. Het is van belang dat de seksuele belevingen en gedragingen van betrokkene nader onderzocht en geduid worden. Het is van belang dat seksuele thema’s bespreekbaar worden gemaakt en dat er meer openheid komt. Genoemde behandeling kan worden gerealiseerd bij een forensische polikliniek als De Waag of een soortgelijke instelling. Naast het bewerken van het delictscenario en seksualiteit, is nader onderzoek aangewezen naar een parafiele stoornis en er dient aandacht te zijn voor cognitieve achteruitgang, waarbij zo nodig nader neuropsychologisch onderzoek kan worden ingezet. De behandeling kan bij een bewezenverklaring worden opgelegd in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld een reclasseringstoezicht.\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 12 juni 2026 staat het volgende.\n\nUit het diagnostisch onderzoek door een gedragsdeskundige is naar voren gekomen dat een stoornis niet kan worden vastgesteld, maar ook niet geheel kan worden uitgesloten. Ook kan er geen recidiverisico worden bepaald. Wel wordt geconstateerd dat uit het strafdossier de nodige zorgen naar voren komen, waardoor het van belang wordt geacht dat er nadere delictsanalyse wordt uitgevoerd en dat seksuele belevingen en gedragingen worden onderzocht. De reclassering adviseert daarom ook een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek gespecialiseerd in seksueel delictgedrag. Verder worden als bijzondere voorwaarden geadviseerd een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod, het vermijden van digitale omgevingen met seksueel kindermisbruik en een verbod op bepaalde werkzaamheden.\n\n4.3.5.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In strafverminderende zin is in aanmerking genomen dat de verdachte een first offender is en op gevorderde leeftijd is.\n\nDe officier van justitie heeft haar eis gebaseerd op bewezenverklaring van beide feiten. Hoewel de rechtbank slechts tot bewezenverklaring van één feit komt, zal zij niettemin de door de officier van justitie geëiste straf opleggen. Een lagere straf doet onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit, de proceshouding van de verdachte en de gevaarzetting die daarvan uitgaat.\n\nDit betekent concreet dat een gevangenisstraf van twaalf maanden wordt opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden vier maanden voorwaardelijk opgelegd, omdat de rechtbank het van belang acht dat de verdachte in de toekomst de nodige behandelingen volgt en meewerkt aan nadere diagnostisch onderzoek, zodat daarmee een eventueel risico op herhaling kan worden beperkt.\n\nHet onvoorwaardelijk deel van deze straf is langer dan verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Bovendien zijn de bezwaren en gronden die tot het bevel voorlopige hechtenis hebben geleid nog aanwezig. Er is dus geen aanleiding om de voorlopige hechtenis thans op te heffen.\n\nHet voorwaardelijk deel van de straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf enkele bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.\n\nDe bijzondere voorwaarden zijn: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en vermijding van digitale omgevingen met betrekking tot seksueel kindermisbruik. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod ten aanzien van direct aanwijsbare slachtoffers, een verbod op bepaalde werkzaamheden of het vermijden van contact met minderjarigen als bijzondere voorwaarde op te leggen. Het is de rechtbank immers niet gebleken dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan kindermisbruik, in welk geval dergelijke voorwaarden wel aangewezen zouden zijn.\n\nGelet op het reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 240b (oud) en 252 van het Wetboek van Strafrecht.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 4 (vier) maandenniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\n1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 5 (vijf) dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n2. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n3. de verdachte gedurende de proeftijd:\n\na. digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;\n\nb. digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;\n\nc. geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);\n\nd. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder a en b zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.\n\nHet toezicht op de naleving van de onderdelen a. tot en met c. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en\u002Fof waarmee internet kan worden benaderd en die de verdachte in gebruik heeft. De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet. De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen. De controles mogen gedurende de proeftijd maximaal (circa) 6 (zes) keer worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nmeewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nbeveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. A.M.H. Geerars, voorzitter,\n\nen mrs. J.L. Luiten en R.P.W. van de Meerakker, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S.E. Jacobino, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [nummer].\n\n Afgelegd tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Pagina’s 31-51\n\nPagina’s 58-60.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7973","2026-07-13T00:29:08.883Z",{"id":163,"ecli":164,"slug":165,"caseNumber":46,"courtId":59,"decisionDate":70,"fullText":166,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":167,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":53,"updatedAt":168},"839","ECLI:NL:GHDHA:2026:2247","ecli-nl-ghdha-2026-2247","Rolnummer: 22-003495-25\n\nParketnummer: 10-134474-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2025 alsmede het herstelvonnis van 12 november 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] ,\n\nthans gedetineerd in [verblijfplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met bevel tot verpleging van overheidswege. Ook is aan de verdachte opgelegd gedragsbeïnvloedende maatregel zoals bedoeld in artikelen 38z van het Wetboek van Strafrecht. Tot slot is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n hij op 29 april 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te verrichten, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging,\n\n- tegen de vagina en\u002Fof de billen en\u002Fof het dijbeen van die [slachtoffer] heeft geslagen,\n\n- die [slachtoffer] tegen een hek heeft geduwd en\u002Fof vastgehouden,\n\n- die [slachtoffer] op haar armen gekrabd heeft,\n\n- heeft geprobeerd de legging van die [slachtoffer] naar beneden te trekken,\n\n- zijn broek heeft uitgetrokken en\u002Fof zijn geslachtsdeel uit zijn broek heeft gehaald, en\u002Fof\n\n- zijn geslachtsdeel tegen de (bedekte) billen van die [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\n hij op 29 april 2025 te Rotterdam, met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het\n\n- slaan met zijn hand tegen de vagina en\u002Fof de billen en\u002Fof het dijbeen van die [slachtoffer] , en\u002Fof\n\n- duwen met zijn geslachtsdeel tegen de (bedekte) billen van die [slachtoffer] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en\u002Fof gevolgd door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging, door - die [slachtoffer] tegen een hek te duwen,\n\n- te proberen de legging van die [slachtoffer] naar beneden te trekken,\n\n- zijn broek uit te trekken en\u002Fof zijn geslachtsdeel uit zijn broek te halen, en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] op haar armen te krabben.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behalve ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de beslissing met betrekking tot de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de motivering daarvan.\n\nIn dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis en het herstelvonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden aanvullingen aanbrengt.\n\nVerzoek tot het horen van de reclasseringsambtenaar\n\nDe raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de reclasseringsambtenaar als deskundige te horen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte sinds de behandeling van de zaak in eerste aanleg een andere houding heeft aangenomen en thans bereid is mee te werken aan eventueel op te leggen voorwaarden. Volgens de raadsvrouw is het daarom van belang de reclasseringsambtenaar te bevragen over de mogelijkheden van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, ondanks het eerder door de reclassering uitgebrachte negatieve advies.\n\nHet hof wijst dit verzoek af. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.\n\nUit de zich in het dossier bevindende Pro Justitia-rapportages, alsmede uit hetgeen de verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft verklaard, blijkt dat bij hem geen sprake is van een intrinsieke bereidheid tot behandeling. De verdachte heeft meermalen te kennen gegeven geen behandeling te willen ondergaan, omdat hij niet inziet dat sprake is van problematiek waarvoor behandeling noodzakelijk is. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan ziekte- en probleeminzicht. Dat de verdachte thans, anders dan in eerste aanleg, heeft verklaard bereid te zijn mee te werken aan voorwaarden, maakt dit oordeel niet anders. Het hof begrijpt deze verklaring, mede gelet op de overige inhoud van het dossier en zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, aldus dat deze bereidheid voortkomt uit zijn wens om in vrijheid te worden gesteld en niet uit een daadwerkelijke behandelmotivatie. Zo heeft de verdachte over een klinische opname, hetgeen volgens de rapportage van de reclassering een van de voorwaarden bij een eventuele terbeschikkingstelling met voorwaarden zou zijn, verklaard dat er zo geen verschil is met een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, dat niemand kan zeggen dat er een probleem is en heeft hij de vraag gesteld wat er dan onderzocht moet worden. De verdachte heeft verder verklaard dat hij zich wil richten op de toekomst, “dit” allemaal achter zich wil laten en dat hij geen zin heeft in een gesprek met de reclassering hierover.\n\nHier komt bij dat de verdachte blijkens het reclasseringsrapport van 17 oktober 2025 meermalen heeft geweigerd met de reclassering in gesprek te gaan ten behoeve van het opstellen van een maatregelenrapport, ondanks het feit dat de reclassering aan de verdachte het belang van zijn medewerking heeft uitgelegd en de verdachte eerder ter terechtzitting van 8 augustus 2025 had aangegeven mee te zullen werken aan de reclasseringsrapportage. Verder heeft de verdachte in het kader van de onderzoeken naar zijn persoonlijkheid op de vraag van de psychiater of hij bereid is zich aan voorwaarden te houden geantwoord \"off the record, nee, on the record ja\".\n\nOnder deze omstandigheden tezamen beschouwd ziet het hof geen noodzaak tot het horen van de reclasseringsambtenaar inzake de haalbaarheid van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.\n\nAanvulling bewijsmiddelen\n\nHet hof vult bewijsmiddel 1 aan door de datum van de terechtzitting toe te voegen, te weten 28 oktober 2025.\n\nVoorts wordt als bewijsmiddel toegevoegd:\n\n7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2025 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. [nummer proces-verbaal] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 14 t\u002Fm 16):\n\nhet relaas van één van de verbalisanten:\n\nIk hoorde dat [slachtoffer] (hof: aangeefster [slachtoffer] ) mij het volgende vertelde:\n\n“Toen de man voor mij stond zag ik dat hij zijn arm in de richting van de binnenkant van mijn dijbeen deed. Ik voelde dat hij mij raakte aan de binnenkant van mijn dijbeen ter hoogte van mijn schaamstreek. (…) Ik stond tussen de man en het hek in. Ik zag dat de man zijn geslachtsdeel uit zijn broek haalde. Ik voelde dat hij zijn geslachtsdeel tegen mijn billen aan duwde.”\n\nHet hof zal vonnis waarvan beroep - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling en verbetering van gronden bevestigen.\n\nVordering tot schadevergoeding [slachtoffer]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 6.820,-. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering deels gehandhaafd in die zin dat het opgevoerde nader te onderbouwen bedrag van € 2.500,- voor immateriële schade komt te vervallen.\n\nIn hoger beroep is deze vordering derhalve aan de orde tot een bedrag van € 4.320,-, zijnde een bedrag van € 320,- voor materiële schade en een bedrag van € 4.000,- voor immateriële schade.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de gelede immateriële schade is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist.\n\nDe benadeelde partij heeft naar het oordeel van het hof aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 320,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor wat betreft de immateriële schade geldt het volgende. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft te gelden dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nNaar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast. Uit informatie van de huisarts volgt dat zij slaapproblemen en stemmingsklachten ervoer. Ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gebracht dat de benadeelde partij nog steeds behandelingen ondergaat. Het hof is los daarvan van oordeel dat de aard en ernst van de normschending – de bewezen verklaarde poging tot opzetverkrachting van de benadeelde partij als hardloopster, gepleegd in de late avond - meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nGelet op hetgeen door en namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal het hof het gevorderde bedrag voor de gelede immateriële schade geheel toewijzen, te weten een bedrag van € 4.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het toewijzen van dit bedrag heeft het hof aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof heeft nu sprake is van een poging tot opzetverkrachting als richtsnoer genomen de bedragen die zijn genoemd in de categorie “ernstig” bij “aanranding” , te weten € 1.000,- tot € 5.000,-. De feiten in het onderhavige geval passen naar het oordeel van het hof bij de bovenste laag van deze categorie.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.320,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .\n\nGelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.320,- (vierduizend driehonderdtwintig euro) bestaande uit € 320,- (driehonderdtwintig euro) materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.320,- (vierduizend driehonderdtwintig euro) bestaande uit € 320,- (driehonderdtwintig euro) materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 43 (drieënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 29 april 2025.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep inclusief het herstelvonnis voor het overige, met inachtneming van de in dit arrest overwogene.\n\nDit arrest is gewezen door mr. C. Fetter, als voorzitter, mr. K. Versteeg en mr. F.W. Pieters, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2247","2026-07-13T00:28:50.534Z",{"id":170,"ecli":171,"slug":172,"caseNumber":46,"courtId":173,"decisionDate":70,"fullText":174,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":175,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":53,"updatedAt":176},"1197","ECLI:NL:RBZWB:2026:6059","ecli-nl-rbzwb-2026-6059",64,"Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nParketnummer: 02-162374-23\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres\n\n [adres] ,\n\nraadsman mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda.1. Onderzoek op de terechtzitting\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Kikkert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de handel in verdovende middelen (feiten 1, 2 en 3) en het bezit van ketamine (feit 4).3. De procesafspraken\n\nDeze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging zogeheten procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst gedateerd 17 juni 2026, die zij voorafgaand aan de inhoudelijke zitting, en voorzien van de handtekeningen van zowel de officier van justitie als die van verdachte en zijn raadsman, hebben overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.\n\nHet afdoeningsvoorstel houdt, samengevat en voor zover hier relevant, het volgende in:\n\nDe verdediging\n\n- verdachte zal geen (nadere) onderzoekswensen indienen en\u002Fof (inhoudelijke) verweren voeren. De reeds ingediende onderzoekswensen zullen per ommegaande, na het ondertekenen van de overeenkomst, schriftelijk worden ingetrokken;\n\n- verdachte erkent geen schuld en legt geen bekennende verklaring af; doch de verdediging en verdachte geven door ondertekening van de procesafspraken richting rechtbank en het Openbaar Ministerie aan dat de feiten en kwalificaties zoals tussen het Openbaar Ministerie en verdediging vastgesteld in de bijlage A, (juridisch gezien) bewezen kunnen worden verklaard en dat er geen inhoudelijk verweer zal worden gevoerd. Verdachte bevestigt door deze procesafspraken daarmee niet de juistheid van de door het Openbaar Ministerie in bijlage A geschetste bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van de zijde van het Openbaar Ministerie;\n\n- verdachte doet schriftelijk afstand van de in bijlage B benoemde (klassiek) in beslag genomen goederen, conform de als bijlage C bijgevoegde schriftelijke afstandsverklaring;\n\n- verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging (hoogstwaarschijnlijk) zal leiden tot een veroordeling van de strafbare feiten als omschreven in de tenlastelegging;\n\n- de verdediging zal gedurende het proces in eerste aanleg geen aanhoudingsverzoeken indienen, tenzij onvoorziene omstandigheden\u002Feen acute situatie van persoonlijke aard ontstaat die niet wordt voorzien;\n\n- verdachte zal bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aanwezig zijn, zodat hij kan worden gehoord over de procesafspraken;\n\n- verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken en meewerken aan de tenuitvoerlegging van de op te leggen straf.\n\nHet Openbaar Ministerie\n\n- het Openbaar Ministerie zal ter zitting requireren tot:\n\n - bewezenverklaring van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten (conform de\n\n inhoud van bijlage A);\n\n - een strafoplegging als hieronder weergegeven:\n\n • een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden (met aftrek);\n\n • een geldboete ter hoogte van € 22.500,-, bij niet betalen te vervangen door 147\n\n dagen vervangende hechtenis;\n\n • onttrekking aan het verkeer van de goederen waarvan verdachte afstand heeft\n\n gedaan;\n\n- het Openbaar Ministerie heeft geen ontnemingsvordering tegen de verdachte aanhangig gemaakt en zal dat – indien aan de termen van de schikking wordt voldaan en de gezamenlijke procesafspraken door de rechtbank worden gevolgd – ook niet meer doen;\n\n- het Openbaar Ministerie zal zich ter zitting refereren aan het (nog in te dienen) verzoek van de verdediging tot hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis.\n\nVerder is onderdeel van de overeenkomst dat door de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep zal worden ingesteld, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de gemaakte procesafspraken.\n\nDe gehele overeenkomst is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nBeoordeling van de procesafspraken door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (vgl. ECLI:NL:HR:2022:1252).\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 23 juni 2026, waar de inhoud van het afdoeningsvoorstel is besproken.\n\nDe rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank heeft immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Hierbij staat met name de beantwoording van de vragen conform artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering centraal.\n\nDe officier van justitie, de raadsman en verdachte hebben ter zitting allen bevestigd achter de procesafspraken te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij deze met zijn raadsman heeft besproken en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor hem is. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank de procesafspraken volgt – in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten – en hij accepteert de op te leggen straf zoals deze is voorgesteld.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.4. De voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig.\n\nDe rechtbank is bevoegd.\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.\n\nEr is geen reden voor schorsing van de vervolging.5. De beoordeling van het bewijs5.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals neergelegd in de procesafspraken.5.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om de procesafspraken te volgen en heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.5.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nNu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen, die tevens kort samengevat zijn voorgehouden ter zitting, wettig en overtuigend bewezen acht, zullen de feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.5.4.. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte\n\nfeit 1\n\nop tijdstippen in de periode van 8 juni 2020 tot en met 11 juni 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van die feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een of meer hoeveelheden cocaïne te ontvangen en\u002Fof versturen;\n\nfeit 2\n\nop tijdstippen in de periode van 4 april 2020 tot en met 20 mei 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder apaan en\n\nN-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder apaan en N-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot het opzetten en\u002Fof inrichten van een (productie)laboratorium en\u002Fof de verdeling van de productiekosten en\u002Fof winst en\u002Fof betaling\u002Fverdeling daarvan,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een (mogelijke) loods\u002Flocatie voor het opzetten van een (productie)laboratorium en een tekening waarin de ruimtes van die loods\u002Flocatie zijn ingedeeld te ontvangen en\u002Fof versturen;\n\nfeit 3\n\nop tijdstippen in de periode van 1 oktober 2022 tot en met 3 februari 2023 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (meth)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie\n\nfeit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Exclu account ( [account 2] (gebruikersnaam [gebruikersnaam] )),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en metanol en zoutzuur en aceton en caustic soda en citroenzuur,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en metanol en zoutzuur en aceton en caustic soda en citroenzuur;\n\nfeit 4\n\nop 26 februari 2024 te Breda opzettelijk, zonder registratie een of meer hoeveelheden ketamine in voorraad heeft gehad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.6. De strafbaarheid\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.\n\nVerdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.7. De strafoplegging7.1.. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert, conform de procesafspraken, aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 32 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete ter hoogte van € 22.500,-.7.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de procesafspraken.7.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVerdachte heeft zich samen met anderen beziggehouden met het plegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de handel in en productie van harddrugs. De wetgever beschouwt de productie van harddrugs als een ernstig strafbaar feit. Het is immers algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs kan leiden tot een geestelijke of lichamelijke verslaving en bij overdosis zelfs tot de dood van de gebruiker. Daarnaast wordt het chemisch afval dat ontstaat bij de productie vrijwel altijd illegaal gedumpt, waardoor het milieu schade ondervindt en belast wordt en waarbij er in de regel veel geld, tijd en energie geïnvesteerd moet worden om de negatieve gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk ongedaan te maken. Bovendien legt het opsporen, ontmantelen en vervolgen van de producenten van synthetische drugs een fors beslag op het opsporingsapparaat, als gevolg waarvan de opsporing van andere misdrijven in het gedrang komt. Kortom, de productie van synthetische drugs heeft op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed. Door deel te nemen aan een samenwerkingsverband dat zich hiermee bezighoudt, heeft verdachte zijn eigen geldelijk gewin boven het maatschappelijk belang en de daarop gebaseerde wettelijke normen gesteld. Daarbij heeft verdachte gedurende enkele dagen getracht blokken cocaïne te verhandelen (als tussenpersoon) en had verdachte op 26 februari 2024 een grote hoeveelheid ketamine in zijn bezit.\n\nGelet op de aard en ernst van deze feiten kan naar het oordeel van de rechtbank, in beginsel, niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur heeft de rechtbank allereerst acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Deze feiten vallen echter buiten de recidivetermijn. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), straffen in soortgelijke zaken en de rol van verdachte.\n\nDe rechtbank acht gelet op het voorgaande, evenals de officier van justitie, in beginsel een gevangenisstraf van 54 maanden onvoorwaardelijk passend en geboden. Ten voordele van verdachte wordt meegewogen dat de feiten een korte(re) pleegperiode kennen en dat wat betreft de feiten 1, 2 en 3 niet is gebleken dat verdachte tot voltooide feiten is gekomen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de procesafspraken in onderhavige zaak nopen tot een andere afweging. Zij overweegt daartoe als volgt. Er is sprake van een groot tijdsverloop waardoor de redelijke termijn is geschonden. Daarnaast heeft verdachte meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De verdediging heeft geen (nieuwe) onderzoekswensen ingediend, waardoor de rechter-commissaris geen verder onderzoek heeft moeten verrichten. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is voortvarend verlopen, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert veel tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.\n\nUit de procesafspraken volgt dat de verdediging en de officier van justitie een gevangenisstraf van 32 maanden zijn overeengekomen. Dat komt neer op een strafvermindering van 10% voor het overschrijden van de redelijke termijn en vervolgens een strafvermindering van een derde deel. Gelet op de stand van zaken van de procedure komt onderhavige zaak wat het Openbaar Ministerie betreft niet (zonder) meer in aanmerking voor strafkorting. Om die reden, en omdat de door verdachte gepleegde delicten in de regel geld gedreven zijn, zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie overeengekomen dat er een (aanzienlijke) financiële prikkel aan de overeengekomen gevangenisstraf wordt toegevoegd, in de vorm van een geldboete van € 22.500,-. Deze geldboete wordt (direct) geëffectueerd vanuit het conservatoir beslag. De door de verdediging en de officier van justitie overeengekomen gevangenisstraf en geldboete zijn bij procesafspraken (zowel in nationaal als in internationaal verband) geen uitzondering en wordt door de rechtbank in deze zaak als een passende vorm van strafafdoening beschouwd.\n\nDe rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de in de procesafspraken overeengekomen straf onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vertolkt. De rechtbank legt dan ook aan verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht. Daarnaast legt zij aan verdachte op een geldboete van € 22.500,-.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 46, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10a van de Opiumwet, artikel 38 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.9. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4 is omschreven;\n\n- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nfeit 1:medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\n Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden\n\nhebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij\n\nbestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nen\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\nOpiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nfeit 2:medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\n Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden\n\nhebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij\n\nbestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nen\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\nOpiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nfeit 3:medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\n Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden\n\nhebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij\n\nbestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nen\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\nOpiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nfeit 4:opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid,\n\n van de Geneesmiddelenwet;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nStrafoplegging\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 32 maanden;\n\n- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;\n\n- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 22.500,-;\n\n- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechteniszal worden toegepast van147 dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\n- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, en mr. C.H.M. Pastoors en mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 juli 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\n1\n\nVoorbereidingshandelingen, Sky-ECC feiten D en E\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 juni 2020 tot en met 11 juni 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een of meer hoeveelheden cocaïne te ontvangen en\u002Fof versturen\n\n( art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 1 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 2 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 3 alinea Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n2\n\nVoorbereidingshandelingen, Sky-ECC feiten C en F\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 april 2020 tot en met 20 mei 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder apaan en\n\nN-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder apaan en N-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot het opzetten en\u002Fof inrichten van een (productie)laboratorium en\u002Fof de verdeling van de productiekosten en\u002Fof winst en\u002Fof betaling\u002Fverdeling daarvan,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een (mogelijke) loods\u002Flocatie voor het opzetten van een (productie)laboratorium en\u002Fof een tekening waarin de ruimtes van die loods\u002Flocatie zijn ingedeeld te ontvangen en\u002Fof versturen;\n\n( art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 1 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 2 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 3 alinea Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3\n\nVoorbereidingshandelingen EXCLU feiten A en B\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 september 2022 tot en met 3 februari 2023 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (meth)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie\n\nfeit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Exclu account ( [account 2] (gebruikersnaam [gebruikersnaam] )),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en\u002Fof metanol en\u002Fof zoutzuur en\u002Fof aceton en\u002Fof caustic soda en\u002Fof citroenzuur,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en\u002Fof metanol en\u002Fof zoutzuur en\u002Fof aceton en\u002Fof caustic soda en\u002Fof citroenzuur;\n\n( art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 2 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 3 Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n4\n\nBezit ketamine ( [garage] )\n\nhij op of omstreeks 26 februari 2024 te Breda , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, zonder registratie een of meer hoeveelheden ketamine, in elk geval een werkzame stof, in voorraad heeft gehad en\u002Fof heeft bereid en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof te koop aan geboden en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof uitgevoerd of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied gebracht, dan wel in werkzame stoffen een groothandel gedreven;\n\n( art 38 lid 1 Geneesmiddelenwet )","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6059","2026-07-13T00:29:09.467Z",{"id":178,"ecli":179,"slug":180,"caseNumber":46,"courtId":128,"decisionDate":70,"fullText":181,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":182,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":53,"updatedAt":183},"1193","ECLI:NL:RBROT:2026:8030","ecli-nl-rbrot-2026-8030","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-292536-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres:\n\n [adres] [postcode] [woonplaats]\n\ngedetineerd in [naam P.I.] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M. Schmit\n\nOfficier van justitie: mr. K. Broere\n\nBenadeelde partijen: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , bijgestaan door advocaat mr. F.J.M. Hamers en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] , bijgestaan door advocaat\n\nmr. S. Epema\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft op 1 november 2025 een vuurwapen in handen genomen, geladen en doorgeladen en dat vuurwapen is op enig moment afgegaan. Hierdoor is het slachtoffer [slachtoffer] in de borst geraakt en ten gevolge daarvan overleden. De verdachte wordt vrijgesproken van doodslag. De verdachte wordt veroordeeld voor dood door schuld (roekeloosheid) tot een gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen worden gedeeltelijk toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd (primair) dan wel dat het aan zijn schuld te wijten is dat het slachtoffer [slachtoffer] een schotwond in de borst heeft opgelopen, als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Daarnaast wordt hij ervan beschuldigd dat hij een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat:\n\n1 primair\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel af te vuren\u002Faf te schieten in de borst, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer] ;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, roekeloos in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend heeft gehandeld, zulks terwijl hij zich samen met [slachtoffer] bevond in de keuken van zijn - verdachtes - woning, door: - een vuurwapen in zijn handen te nemen, - dit vuurwapen door te laden, - dit vuurwapen te richten en\u002Fof te houden in de richting van die [slachtoffer] en\u002Fof - vervolgens het vuurwapen af te laten gaan, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat die [slachtoffer] een schotwond in de borst, althans het bovenlichaam heeft bekomen, met als gevolg dat deze [slachtoffer] is overleden;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, - een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 van categorie II en\u002Fof III van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber en\u002Fof - munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de categorie II onder 1º en\u002Fof categorie III, te weten één of meer kogelpatr(o)on(en) van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber, voorhanden heeft gehad.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 primair en 2.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair, omdat het vereiste opzet op de dood van het slachtoffer ontbreekt. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging bepleit dat vrijspraak moet volgen, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de trekker heeft overgehaald. Het wapen kan zomaar zijn afgegaan en dan kan niet worden gesproken van enige verwijtbaarheid. In ieder geval kan de ten laste gelegde roekeloosheid niet worden bewezen. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak feit 1 primair\n\nAnders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd. Op basis van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting is niet vast te stellen dat de verdachte de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte, zoals tenlastegelegd, met (voorwaardelijk) opzet een kogel heeft afgevuurd of afgeschoten. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte\n\n1. subsidiair\n\nop 1 november 2025 te Rotterdam roekeloos heeft gehandeld, zulks terwijl hij zich samen met [slachtoffer] bevond in de keuken van zijn - verdachtes - woning, door: - een vuurwapen in zijn handen te nemen, - dit vuurwapen door te laden, - dit vuurwapen te houden in de richting van die [slachtoffer] en\n\n- het vuurwapen af te laten gaan, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat die [slachtoffer] een schotwond in de borst heeft bekomen, met als gevolg dat deze [slachtoffer] is overleden;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam - een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 van categorie II van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber en\n\n- munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de categorie III, te weten kogelpatronen van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber, voorhanden heeft gehad.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 2 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\nFeit 2\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Deskundigenverslag\n\n3. Proces-verbaal van politie\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 subsidiair is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.\n\nFeit 1 subsidiair\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 1 november 2025 zat ik met drie personen waaronder [slachtoffer] in de keuken van mijn woning in Rotterdam. De keuken is een kleine ruimte met een tafel in het midden. Ik had veel sterke drank gedronken die avond en nacht. Ik heb het vuurwapen uit mijn kelderbox gepakt om stoer te doen. Ik zat een beetje te spelen met het vuurwapen. Ik heb het vuurwapen in mijn handen genomen en vastgehouden. Ik heb het magazijn, dat gevuld was met kogels, er meerdere keren in gedaan en er uit gehaald. Ik heb de slede naar achteren gehaald. Ik heb de anderen laten zien hoe je een vuurwapen doorlaadt. Op een gegeven moment ging het wapen af toen ik het vasthad. Het slachtoffer was toen ongeveer 2 meter van mij vandaan, de tafel zat ertussen.\n\nHet vuurwapen heb ik niet eerder in mijn handen gehad.\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 1]\n\nHet geweer ging van de oom naar de vader en weer terug. Ze deden alsof ze op elkaar aan het richten waren. Ze zeiden ik ga je schieten. [naam 2] en ik zeiden dat ze moesten stoppen. Toen hoorde ik een knal. Ik zag [naam 2] zijn vader zijn hoofd naar achteren vallen.\n\n3. Proces-verbaal van politie\n\nDe medewerkers van de ambulancedienst zagen op 1 november 2025 te Rotterdam dat het slachtoffer een gat in zijn lichaam had ter hoogte van zijn linkerborst. Ik hoorde een van de ambulancemedewerkers zeggen dat het een schotwond was. Ik zag een gat in zijn rug.\n\n4. Deskundigenverslag\n\nBij forensisch pathologisch onderzoek op het lichaam van [slachtoffer] wordt het overlijden zonder meer verklaard door één doorschot door de borstkas.\n\nBewijsmotivering\n\nDe vraag die mede gelet op het gevoerde verweer moet worden beantwoord is of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als - kort gezegd - roekeloos of (zeer) aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat\n\n [slachtoffer] als gevolg van dat handelen is overleden. Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat de dood van [slachtoffer] een ongeluk is geweest. Hoewel voor de rechtbank met voldoende zekerheid vaststaat dat de verdachte nooit heeft gewild dat het wapen zou afgaan en het slachtoffer zou komen te overlijden, zijn de fatale gevolgen wel aan zijn schuld te wijten.\n\nDoor zijn handelen heeft de verdachte de voorwaarden geschapen voor het laten afgaan van het vuurwapen. De verdachte heeft bewust meerdere handelingen verricht met een vuurwapen, zoals het met kogels gevulde magazijn erin doen en het vuurwapen door te laden. Het slachtoffer is door een uit het vuurwapen verschoten kogel in de borstkas geraakt, wat maakt dat de verdachte het wapen in de richting van het slachtoffer heeft gehouden. Dit heeft hij gedaan in een relatief kleine keuken waarin zich drie anderen personen bevonden, terwijl hij sterk onder invloed was van alcohol. De verdachte had het wapen nooit eerder in handen gehad, wat maakt dat hij de werking van dit vuurwapen niet kende. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door zo te handelen zich buitengewoon onvoorzichtig heeft gedragen waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en de verdachte had zich daarvan bewust moeten zijn. De verdachte had het risico van zijn handelen in behoren te zien en hij had anders moeten en kunnen handelen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat dit gedrag als de zwaarste vorm van onvoorzichtig en gevaarzoekend gedrag is aan te merken en daarmee als schuld in de zin van roekeloosheid. Feit 1 subsidiair is daarmee bewezen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\n1. subsidiair\n\naan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid;\n\nde eendaadse samenloop van\n\n2.\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II;\n\nen\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van het voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in strafverminderende zin te laten meewegen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft nadat hij veel sterke drank had gedronken, in een kleine ruimte met een door hem doorgeladen vuurwapen gespeeld in het bijzijn van zijn zwager (het latere slachtoffer), diens 18-jarige zoon (neef van de verdachte) en diens 17-jarige vriend. Als gevolg van dit roekeloze gedrag is het wapen afgegaan en is een kogel in de borst van het slachtoffer terecht gekomen, waardoor het slachtoffer is overleden. Het is daarmee aan de schuld van de verdachte te wijten dat het slachtoffer op deze tragische wijze zijn leven is ontnomen.\n\nOp de zitting hebben de vrouw van het slachtoffer, de ouders en de neef van het slachtoffer verteld hoeveel verdriet en onherstelbaar leed de onverwachte dood van het slachtoffer bij hen, zijn kinderen en andere familie en vrienden heeft veroorzaakt. De nabestaanden voelen de pijn van het verlies van het slachtoffer dagelijks.\n\nDe verdachte heeft daarnaast een vuurwapen met munitie voorhanden gehad. Deze zaak laat zien dat het bezit van een vuurwapen gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan. Alleen al daarom moet tegen vuurwapenbezit streng worden opgetreden. De vrouw van het slachtoffer (tevens zus van de verdachte) heeft in haar verklaring op zitting het gevaar van vuurwapens treffend verwoord. Zij heeft opgeroepen uit de buurt te blijven van wapens, geen wapens voor anderen te bewaren en wapens niet vast te pakken uit nieuwsgierigheid, omdat één moment van onoplettendheid of één verkeerde keuze levens voorgoed kan verwoesten.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 26 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.\n\nRapport van deskundige\n\nIn het rapport van psycholoog drs. T. ’t Hoen van 26 maart 2026 staat het volgende. Bij de verdachte is sprake van een lichte stoornis in het gebruik van alcohol waarvan ook sprake was tijdens de ten laste legde feiten. Het advies is om de feiten volledig toe te rekenen aan de verdachte, omdat bij de verdachte mag worden aangenomen dat hij zich voldoende bewust is van de invloed die alcohol op hem heeft.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de aard en ernst van de strafbare feiten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank zal aan de verdachte een lagere straf opleggen dan geëist, omdat de rechtbank niet uitgaat van doodslag zoals de officier van justitie. De maximale gevangenisstraf voor dood door schuld door roekeloos handelen, is vier jaar. De rechtbank houdt rekening met de impact die deze zaak op de verdachte heeft; hij zal moeten leven met het besef dat het slachtoffer, die zijn zwager was en iemand die de verdachte als een broer beschouwde, door zijn handelen is overleden. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte spijt heeft en oog voor het verdriet en het leed dat door zijn handelen bij de nabestaanden is veroorzaakt. Alles afwegend wordt een gevangenisstraf van drie jaren opgelegd.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.5. Vordering van de benadeelde partijen5.1.. \n\nDe vorderingen\n\nIn dit strafproces hebben zeven nabestaanden, te weten de partner, de vier kinderen, de vader en de moeder van het slachtoffer immateriële schadevergoeding van de verdachte gevorderd voor feit 1. Al deze partijen hebben verzocht om de toegekende bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en om de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de vorderingen samengevat in het hieronder opgenomen overzicht.\n\nBenadeelde partij\n\nImmateriële schade\n\nTotaal\n\n [benadeelde 1]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500\n\n [benadeelde 2]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade) +\n\n€ 40.000 (schokschade)\n\n€60.000\u002F€ 57.500\n\n [benadeelde 3]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade) +\n\n€ 30.000 (aantasting in de persoon ‘op andere wijze’)\n\n€50.000\u002F€ 47.500\n\n [benadeelde 4]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500\n\n [benadeelde 5]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500\n\n [benadeelde 6]\n\n€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 17.500\n\n [benadeelde 7]\n\n€ 17.500 (affectieschade) + € 20.000 (schokschade)\n\n€ 37.5005.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie is van oordeel dat de vorderingen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de hoogte van de bedragen heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe benadeelde partijen moeten primair niet-ontvankelijk verklaard worden in de vorderingen gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair voert de verdediging geen verweer tegen de vorderingen.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. Algemene uitgangspunten\n\nAffectieschade\n\nAffectieschade is de immateriële schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon waarmee men een affectieve band heeft, overlijdt. In artikel 6:108 lid 4 BW staat een opsomming van personen die hiervoor in aanmerking komen. Indien een persoon niet onder één van deze categorieën valt, kan een beroep worden gedaan op de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW waarin de mogelijkheid tot het toekennen van affectieschade is geopend voor een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat deze persoon voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naaste wordt aangemerkt.\n\nSchokschade\n\nIemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt kan - afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan plaatsvinden - ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt. Dit wordt schokschade genoemd.\n\nGezichtspunten die hierbij een rol spelen zijn:\n\nde aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad;\n\nde wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan;\n\nde aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer.\n\nAan de hand van (onder meer) deze gezichtspunten dient de rechtbank van geval tot geval te beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid en daarmee of de nabestaanden in aanmerking komen voor vergoeding van schokschade. Het recht op vergoeding van schokschade is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel.\n\nAantasting in de persoon ‘op andere wijze’\n\nVan aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als bij de benadeelde partij geestelijk letsel is vastgesteld, dan wel indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat van een dergelijke aantasting zonder meer kan worden uitgegaan. Buiten die (uitzonderlijke) situaties zal de benadeelde partij de aantasting in persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.5.4.2.. \n\nBeoordeling van de vorderingen\n\nHieronder zal de rechtbank de vorderingen achtereenvolgens bespreken.\n\n [benadeelde 1]\n\nDe benadeelde partij is de levensgezel van de overledene. Vast is komen te staan dat zij met de overledene ruim twintig jaar een affectieve relatie had en dat zij samen duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voerden. Zij hadden op papier beiden een eigen woning, maar leefden met elkaar en hun kinderen als gezin samen. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\n [benadeelde 2]\n\nAffectieschade\n\nDe benadeelde partij is de (meerderjarige) thuiswonende zoon van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van\n\n€ 20.000,-.\n\nSchokschade\n\nVast is komen te staan dat er tussen de benadeelde (zoon van het slachtoffer) en het slachtoffer een nauwe relatie bestond. De benadeelde was bij het slachtoffer toen hij door de kogel in zijn borst werd geraakt. De benadeelde heeft geprobeerd het slachtoffer te reanimeren, maar het slachtoffer is in zijn bijzijn overleden. Het recht op vergoeding van schokschade is beperkt tot de schade die het gevolg is van geestelijk letsel dat in voldoende mate is geobjectiveerd. Onvoldoende is onderbouwd dat van dergelijk letsel sprake is. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n [benadeelde 3]\n\nAffectieschade\n\nDe benadeelde partij is de minderjarige dochter van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\nAantasting in de persoon ‘op andere wijze’\n\nDe benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor schade door aantasting in de persoon op andere wijze, bestaande uit het verlies van een vaderfiguur, wat een ernstige inbreuk op haar zelfvertrouwen en ontwikkeling oplevert.\n\nIn het vonnis van 21 maart 2024heeft de rechtbank Rotterdam met verwijzing naar de totstandkoming van de wettelijke systematiek van derdenschade, overwogen dat de afzonderlijke kwalificatie van aantasting in de persoon op andere wijze wegens het verlies van een ouder als grond voor toekenning van vergoeding van immateriële schade niet voor toewijzing in aanmerking komt. Om als derde boven op de regeling van de affectieschade aanspraak te kunnen maken op een hogere vergoeding van immateriële schade, dient sprake te zijn van een zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid. Dat daarvan sprake is, kan zonder nadere concrete onderbouwing, die ontbreekt, niet worden aangenomen. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n [benadeelde 4] en [benadeelde 5]\n\nDe benadeelde partijen zijn de kinderen van de levensgezel van de overledene. Zij hebben een andere biologische vader dan de overledene. Vast is komen te staan dat het slachtoffer duurzaam in gezinsverband voor de benadeelde partijen heeft gezorgd vanaf dat zij één jaar oud waren. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen voor een bedrag van € 20.000,-.\n\n [benadeelde 6]\n\nDe benadeelde partij is de vader van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding\n\naffectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, nu het slachtoffer niet bij\n\nhem inwoonde.\n\n [benadeelde 7]\n\nAffectieschade\n\nDe benadeelde partij is de moeder van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding\n\naffectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, nu het slachtoffer niet bij\n\nhaar inwoonde.\n\nSchokschade\n\nVast is komen te staan dat er tussen de benadeelde partij, de moeder van het slachtoffer, en het slachtoffer een nauwe relatie bestond. Zij stelt dat zij bij de uitvaartverzorger is geconfronteerd met de verwondingen aan het lichaam van haar zoon en de gevolgen van het pathologisch onderzoek. Ook stelt zij dat zij vlak nadat zij had vernomen dat haar zoon was overleden via de media informatie vernam over wat zou zijn voorgevallen. De rechtbank begrijpt dat het op deze wijze verliezen van een kind onbegrijpelijk is en kan leiden tot geestelijk letsel. De rechtbank moet echter vaststellen dat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd, anders dan de voorlopige diagnose door een psycholoog dat sprake is van een rouwstoornis, depressieve klachten en trauma-gerelateerde klachten. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, voortvloeiend uit een hevige emotionele schok door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het strafbare feit. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel nadere bewijslevering vraagt en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n5.4.3.. \n\nConclusie\n\nDe verdachte moet de benadeelde partijen een schadevergoeding betalen zoals hieronder vermeld. De schadevergoedingen zullen vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 1 november 2025. Daarnaast wordt oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. De gijzeling wordt, rekening houdend met artikel 36f, vijfde lid van het Wetboek van Strafrecht, bepaald op 364 dagen. Het aantal dagen gijzeling per vordering zal naar evenredigheid worden vastgesteld.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen immateriële schade\n\nTotaal\n\n [benadeelde 1]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 2]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 3]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 4]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 5]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 6]\n\n€ 17.500\n\n€ 17.500\n\n [benadeelde 7]\n\n€ 17.500\n\n€ 17.500\n\n€ 135.0006. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 55, 57 en 307 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 1 primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVorderingen benadeelde partijen\n\n [benadeelde 1]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 2]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 3]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 3] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 4]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 4] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 5]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 5] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 6]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 6] (feit 1), te betalen een bedrag van € 17.500,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 6] aan de staat€ 17.500,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal47 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 7]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 7] (feit 1), te betalen een bedrag van € 17.500,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 7] aan de staat€ 17.500,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal47 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. C. Sikkel, voorzitter,\n\nen mrs. W.J. de Veld en M.C. Spoormaker, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. Spoormaker is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 209 e.v. van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Pagina 98 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1] van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n pagina 53 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Pagina 15 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 3] van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 46 e.v. van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405.\n\nECLI:NL:RBROT:2024:2282.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8030","2026-07-13T00:29:09.115Z",{"id":185,"ecli":186,"slug":187,"caseNumber":46,"courtId":84,"decisionDate":70,"fullText":188,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":189,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":190},"773","ECLI:NL:GHAMS:2026:1862","ecli-nl-ghams-2026-1862","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000367-25\n\ndatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 13-324122-24 en\n\n23-003943-18 (TUL) tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,\n\nadres: [adres 1] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n23 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:\n\nhet hof het eerste bewijsmiddel (de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg) aanpast in die zin dat het de laatste zin nietoverneemt, inhoudende “Dit familielid zei tegen mij….. vond dat aannemelijk”).\n\nde navolgende passage uit het bewijsmiddel op p. 18 “Een verslag zijnde een laboratoriumrapport van 21 oktober 2024 etc” nietoverneemt:\n\n“Item: 6561241\n\nOmschrijving: 1 plastic zak met 1,00 kg witte kristallen en poeder\n\nBevat:\n\nKetamine”\n\nhet hof het bewijsmiddel “Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL 13000-2024216652-38, opgemaakt door [persoon 1] en [persoon 2] (KVI’s onderzoek BETON, ongenummerd) op p. 19 onderaan, aanpast in die zin dat het hof het goed nummer PL1300-2024216652-656135 gewijzigd leest als: PL1300-2024216652-6561335;\n\nhet hof het vonnis aanvult met de hierna volgende bewijsoverweging;\n\nde verdachte op de terechtzitting in hoger beroep afstand heeft gedaan van de onder hem in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zodat het hof ten aanzien van het beslag geen beslissing meer hoeft te nemen.Aanvullende bewijsoverweging\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de volgende verklaring afgelegd.\n\nOp het moment dat de doorzoeking in zijn woning aan de [adres 2] op 1 oktober 2024 plaatsvond verbleef de verdachte sinds vijf á zes dagen met zijn vriendin in België. De tas met wapens en munitie – die is gevonden in de slaapkamer van de woning – heeft de verdachte bewaard voor zijn neef [persoon 3] . Daarnaast heeft de verdachte voor een andere neef: [persoon 4] (fonetisch)een groene Nike tas met daarin sportsupplementen bewaard. Deze tas met sportsupplementen isvoordatde verdachte naar België is afgereisd (en dus voordat de doorzoeking in de woning van de verdachte op\n\n1 oktober 2024 heeft plaatsgevonden) door deze neef weer opgehaald. De verdachte weet niets over de koffer en tas met daarin MDMA en ketamine die in de berging van zijn woning zijn gevonden en weet ook niet wie deze daar heeft neergezet. De koffer en de tas stonden daar nog niet op het moment dat de verdachte naar België is afgereisd en deze moeten daar dus – op het moment dat de verdachte met zijn vriendin in België verbleef – door een derde zijn neergezet. De verdachte heeft het vermoeden uitgesproken dat de tas en de koffer door een familielid in zijn berging zijn neergezet om hem erin te luizen. Aanleiding hiervoor zou een slepende familievete zijn geweest. De verdachte heeft verder geen namen willen noemen. Op de vraag van het hof waarom verdachte dan tijdens de terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij aan hetzelfde familielid (aan wie hij toestemming had gegeven om de vuurwapens in zijn huis te bewaren) toestemming had gegeven om een koffer bij hem op te slaan in de berging van zijn woning, heeft verdachte geantwoord dat hij gewoon was gaan “meepraten” met de rechtbank.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nTijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte aan de [adres 2] op 1 oktober 2024 is in de slaapkamer een tas met twee vuurwapens, drie patroonmagazijnen met patronen en handschoenen aangetroffen. In de ‘berging’ – aan de linkerkant van de open keuken – stond naast de wasmachine een donkergrijze koffer. Voor die koffer stond een vuilnisbak. In de hoek naast de koffer stond op de grond een blauwe boodschappentas. In de koffer en de tas zijn stoffen, bevattende MDMA en ketamine, aangetroffen.\n\nTijdens de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg op 23 januari 2025 heeft de verdachte over de tas met wapens en munitie en de koffer en tas met (verdovende) middelen een specifieke, gedetailleerde en aannemelijke verklaring afgelegd, die past bij de overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van zijn zus (bewijsmiddel 2). De verdachte heeft verklaard dat hij wetenschap en beschikkingsmacht had over de wapens, dat de vuurwapens van een familielid waren en dat hij aan dit familielid toestemming heeft gegeven om de vuurwapens tijdelijk in zijn woning te bewaren. Daarnaast heeft hij voor wat betreft de donkergrijze koffer met daarin de (verdovende) middelen verklaard dat hij aan hetzelfdefamilielid toestemming had gegeven om de koffer bij hem op te slaan in de berging bij de keuken omdat hij het idee had dat dat familielid in de problemen zat, dat hij weet dat hij dit niet had moeten doen en dat het familielid tegen hem had gezegd dat er sport-supplementen in de koffer zaten. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij moeite heeft met ‘nee’ zeggen tegen zijn familie door de druk die zij opleggen. In het kader van zijn laatste woord heeft de verdachte een op schrift gestelde verklaring voorgelezen waarin de verdachte heeft verklaard dat hij begrijpt dat hij verantwoordelijk is voor wat er is gebeurd, dat hij verantwoordelijk is voor zijn woning en dat zijn betrokkenheid voortkwam uit een verkeerde inschatting.\n\nHet hof stelt vast dat de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep wisselende verklaringen heeft afgelegd over (de herkomst van) de koffer en tas met (verdovende) middelen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst een verklaring afgelegd over een groene Nike tas met daarin sportsupplementen die hij zou hebben bewaard voor een (niet eerder genoemde) neef [persoon 4] (fonetisch). Volstrekt onduidelijk is gebleven hoe deze groene Nike tas – die zich volgens de verdachte al niet meer in het huis van de verdachte bevond op het moment van de doorzoeking van zijn woning op\n\n1 oktober 2024 – verband houdt met de onderhavige zaak en evenmin is duidelijk hoe deze verklaring zich moet verhouden tot zijn eerdere verklaring (afgelegd tegenover de rechtbank tijdens de ter terechtzitting in eerste aanleg) namelijk dat de verdachte in de veronderstelling was dat juist in de koffer in zijn berging sportsupplementen zaten.\n\nDaarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst verklaard over een onbekend gebleven derde – maar waarschijnlijk een familielid – die de koffer en de tas met (verdovende) middelen in de berging van zijn huis moet hebben gezet om de verdachte erin te luizen in verband met een slepende familievete. Dit deel van zijn verklaring heeft de verdachte – hoewel het hof hierop bij de verdachte heeft doorgevraagd – niet nader geconcretiseerd. Het hof overweegt in dat kader dat het niet valt in te zien dat en waarom een ander een dergelijke grote hoeveelheid (verdovende) middelen met een aanzienlijke straatwaarde zonder medeweten van de verdachte op een dusdanig zichtbare plek waar – naar mag worden aangenomen – de bewoner vaak komt, in de woning van de verdachte zou verbergen. Deze verklaring wordt dan ook als onaannemelijk terzijde geschoven. Dat deze spullen daar enkel zouden zijn neergezet om de verdachte erin te luizen – kennelijk door de politie te tippen – acht het hof eveneens volstrekt onaannemelijk, reeds gelet op de waarde die de bewuste spullen vertegenwoordigen.\n\nIn reactie op het verweer dat de rechtbank de (strekking van de) verklaring van de verdachte verkeerd heeft begrepen en verkeerd heeft verwoord, overweegt het hof volledigheidshalve nog dat daarvoor geen enkel aanknopingspunt is. Zoals uit het voorgaande volgt, wijkt de verklaring van de verdachte in hoger beroep op meerdere punten wezenlijk af van zijn verklaring in eerste aanleg. De stelling dat de verdachte in eerste aanleg maar is gaan “meepraten” met de rechtbank, is onaannemelijk, reeds gelet op het feit dat verdachte op die zitting zelf met details is gekomen, zoals de opmerking dat het betreffende familielid tegen hem zei dat hij de koffer niet bij zijn ouders kon opslaan. Dat iets dergelijks hem in de mond zou zijn gelegd door de rechtbank, is mede gezien het proces-verbaal van de ter terechtzitting in eerste aanleg niet aannemelijk.\n\nGelet op het hiervoor overwogene schuift het hof de nieuwe verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd als onaannemelijk en niet onderbouwd terzijde en is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht is uitgegaan van de verklaring van de verdachte zoals verwoord in haar bewijsoverweging en de bewijsmiddelen.\n\nOplegging van straf\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zijn diverse bijzondere voorwaarden gesteld.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daarbij gesteld diverse bijzondere voorwaarden.\n\nDe raadsvrouw heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht om aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen die de door hem reeds ondergane hechtenis overstijgt.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens inclusief munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en versterkt bovendien in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid, omdat vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid MDMA en het in voorraad hebben van een grote hoeveelheid ketamine. De werkzame stof ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassingen onder de Geneesmiddelenwet. Ketamine wordt echter steeds vaker buiten het medische circuit voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel, anders gezegd: als partydrug. Dit betekent een lucratieve afzetmarkt voor criminelen. Gezien de aangetroffen hoeveelheid kan het niet anders dan dat deze stof bestemd was om als recreatieve drug verder te worden verhandeld. Ketamine is verslavend en bij langdurig en frequent gebruik schadelijk voor de gezondheid, waardoor de werking van ketamine vergelijkbaar is met harddrugs. Harddrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs samengaat met ernstige vormen van criminaliteit, met vaak veel geweld, schade en overlast in de samenleving als gevolg. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door deze\n\ngrote hoeveelheden MDMA en ketamine bij hem thuis te (laten) bewaren.\n\nDe ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen, mede gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur, zoals door de rechtbank in eerste aanleg ook is opgelegd.\n\nHet hof zal echter in strafmatigende zin rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft in verband met de onderhavige strafzaak reeds ruim een jaar in voorlopige hechtenis doorgebracht. Sinds zijn schorsing op 10 december 2025 heeft de verdachte zich goed gehouden aan de gestelde bijzondere voorwaarden. Uit een begeleidingsverklaring van Kansrijk Toekomst van 23 juni 2026 blijkt dat de ambulante behandeling van de verdachte op 9 maart 2026 is gestart. De verdachte heeft – ondanks zijn fysieke beperking – dagbesteding gevonden die hij goed kan uitvoeren. Daarnaast volgt de verdachte een behandeltraject bij Forlight, gericht op traumaverwerking en cognitieve behandeling. De verdachte heeft gedurende het gehele begeleidingstraject een consistente, gemotiveerde en coöperatieve houding getoond. Hij is aanwezig geweest bij alle afspraken, heeft actief meegewerkt aan de gestelde doelen en heeft zich open opgesteld in zowel praktische - als persoonlijke gesprekken. Tot slot heeft de verdachte herhaaldelijk en overtuigend laten zien dat hij zijn leven wil opbouwen, zijn positie in de samenleving wil herstellen en een positieve bijdrage wil leveren aan zijn omgeving. Het hof acht het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat deze kennelijk positieve ontwikkelingen niet worden doorkruist door een straf die meebrengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Om die reden zal het hof in dit bijzondere geval, alles afwegende en zoals gevorderd door de advocaat-generaal, overgaan tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van\n\n24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daarbij gesteld diverse bijzondere voorwaarden.\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\nHet openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf die bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 november 2023 is opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gedeeltelijk ten uitvoer moet worden gelegd in de vorm van twee maanden gevangenisstraf en dat die twee maanden gevangenisstraf moeten worden omgezet naar een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair twee maanden hechtenis.\n\nDe raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen omdat het in die zaak gaat om oude feiten met een heel ander feitencomplex en omdat het tenuitvoerleggen van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf desastreuze gevolgen voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte kan hebben.\n\nGebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de bij het arrest van het gerechtshof Amsterdam van\n\n20 november 2023 vastgestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Als uitgangspunt geldt dat het voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende voorwaarden, essentieel is dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan consequenties worden verbonden. Het hof acht het in dit bijzondere geval echter niet wenselijk als de verdachte op dit moment weer komt vast te zitten. Het hof zal daarom in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf, een deel van deze vrijheidsstraf (te weten: vier maanden) omzetten in een taakstraf en van het overgebleven deel van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf (te weten: twee maanden) de proeftijd verlengen met één jaar. Daarbij heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juni 2026 naar voren zijn gebracht. Op die manier wordt aan de verdachte het vertrouwen en de kans gegeven de ingezette positieve ontwikkeling in zijn leven te bestendigen.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van24 (vierentwintig) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.\n\nStelt als bijzondere voorwaardendat:\n\nde verdachte zich meldt op afspraken met reclassering Inforsa, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nde verdachte zich laat behandelen door forensische polikliniek Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;\n\nde verdachte zich in spant voor het vinden en behouden van een dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\nde verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.\n\nVan rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmeewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;\n\nGeeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 november 2023 met parketnummer 23-003943-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden, een taakstrafvoor de duur van240 (tweehonderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door4 (vier) maanden hechtenis.\n\nVerlengt de proeftijd voor het overige als vermeld in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van\n\n20 november 2023, parketnummer 23-003943-18 (namelijk een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden), met een termijn van 1 (een) jaar.\n\nBevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige.\n\nHeft ophet reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.A. Boom, mr. T. de Bont en mr. E.J. Hofstee in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1862","2026-07-13T00:28:47.436Z",{"id":192,"ecli":193,"slug":194,"caseNumber":46,"courtId":128,"decisionDate":70,"fullText":195,"summary":46,"language":50,"source":51,"sourceUrl":196,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":53,"updatedAt":197},"1221","ECLI:NL:RBROT:2026:8067","ecli-nl-rbrot-2026-8067","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10\u002F073695-26, 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 (gevoegd ter terechtzitting)\n\nParketnummers vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , [detentieafdeling] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.R. de Kok\n\nOfficier van justitie: mr. R.J.E. Planken\n\nBenadeelde partij: [benadeelde]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere vermogensdelicten, vernieling en het overtreden van een gedragsaanwijzing. Omdat de vernieling niet aan de verdachte is toe te rekenen, wordt hij ten aanzien daarvan ontslagen van alle rechtsvervolging. De overige feiten worden de verdachte in verminderde mate toegerekend. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden bijzondere voorwaarden verbonden. De vorderingen tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1\n\nhij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n50 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 1] en\u002Fof gleuf van de\n\npinautomaat te grissen en\u002Fof weg te pakken en\u002Fof zich te verzetten tegen die [slachtoffer 1] en\u002Fof zich los te rukken.\n\n2\n\nhij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n150 euro, althans een geldbedrag bestaande uit meerdere bankbiljetten, in elk geval\n\nenig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan de Albert Heijn (vestiging [adres 2] , Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft\n\nweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- onverhoeds in de kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam was te graaien, en\u002Fof\n\n- vervolgens voormeld geldbedrag uit die kassa te grissen en\u002Fof rukken.\n\n3\n\nhij op of omstreeks 10 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n100 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft weggenomen met het\n\noogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 3] te grissen en\u002Fof trekken\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nhij op of omstreeks 29 december 2025 te Rotterdam,\n\nopzettelijk en wederrechtelijk\n\neen of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een\n\nander, te weten aan [slachtoffer 4] en\u002Fof Woningstichting Woonstad Rotterdam,\n\ntoebehoorde\n\nheeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nhij op of omstreeks 8 januari 2026 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel\n\n509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de\n\ngedragsaanwijzing d.d. 30 december 2025, gegeven door de officier van justitie te\n\nRotterdam\n\ndoor kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte:\n\n- zich niet zal ophouden in\u002Fop\u002Frond de Josephstraat 52 te Rotterdam en\n\n- zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 2] 2002, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012,\n\n [naam 2] , geboren [geboortedatum 4] 2019,\n\n [naam 3] , geboren [geboortedatum 5] 1974,\n\n [naam 4] , geboren [geboortedatum 6] 2008,\n\ndoor zich op te houden in\u002Fop\u002Frond de [adres 3] en\u002Fof contact op te nemen\n\nmet die [naam 4] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten. Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 10\u002F073695-26 heeft zij vrijspraak gevorderd voor het bestanddeel geweld.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 10\u002F073695-26 en de feiten onder parketnummers 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 heeft de verdediging aangevoerd dat het bestanddeel geweld niet kan worden bewezen en daarvoor vrijspraak bepleit.\n\n2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nDe volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten onder parketnummers 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven. Ook ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 10\u002F073695-26 wordt volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\nFeit 2\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte nummer [nummer proces-verbaal 1] (pagina’s 40 en 41 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van de aangever [naam 5] ;\n\nHet proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 2] (pagina’s 1 en 2 van het aanvullend proces-verbaal behorende bij het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisant [naam 6] .\n\nParketnummer 10\u002F008304-26\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 3] , (pagina’s 9 en 10 van het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisanten [naam 7] en [naam 8] of één van hen;\n\nEen ander geschrift, te weten een gedragsaanwijzing in de zaak met parketnummer 10\u002F353396-25.\n\nParketnummer 10\u002F353396-25\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte nummer [nummer proces-verbaal 4] , (pagina’s 7 en 8 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van de aangeefster [slachtoffer 4] .\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 en feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\nFeit 1\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 9 maart 2026 was ik bij de Geldmaat in Rotterdam. Ik heb toen 50 euro gepakt uit de gleuf van een geldautomaat terwijl dat geld van iemand anders was.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 9 maart 2026, omstreeks 08:30 uur bevond ik mij op het Binnenwegplein 6A te Rotterdam. Ik liep bij de Geldmaat naar binnen. Ik stond bij de pinautomaat en ik wilde 100 euro contant storten op mijn bankrekening. Ik voelde en zag ineens achter mij een man. Ik zag dat de man zijn hand bij de gleuf van de pinautomaat hield, om mijn contante geld te pakken. Ik draaide mij om en ik pakte de man bij zijn jas vast. De man probeerde naar de uitgang te lopen. Dit is de man uiteindelijk gelukt. De man heeft uiteindelijk 50 euro contant bij zich kunnen houden.\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 9 maart 2026, omstreeks 08.29 uur, vond er bij de Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam een diefstal plaats. Van de diefstal zijn camerabeelden aanwezig van Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam. De camerabeelden voor de diefstal op 9 maart 2026 betreffen camerabeelden op de datum van 9 maart 2026 tussen de tijdstippen 08.15 uur en 08.45 uur.\n\nBestandnaam stream 3:\n\n(..)\n\n08.30: Ik zie dat de persoon zijn zwarte rugtas op zijn borst draagt en naar de vrouw bij de geldautomaat kijkt. Ik zie dat de persoon naast haar gaat staan bij de geldautomaat. Ik zie dat de persoon veel om zich heen kijkt. Ik zie dat de persoon een snelle beweging naar de vrouw maakt bij de geldautomaat. Ik zie dat de man naar het geld grijpt uit de geldautomaat waar de vrouw bij staat. Ik zie dat de vrouw de persoon tegen wil houden. Ik zie dat de persoon zich verzet en zich losrukt en vervolgens de Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam uitrent. Ik zie dat de vrouw verbaasd om zich heen kijkt en vervolgens weer verder achter de persoon loopt die weggerend is.\n\nFeit 3\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 10 maart 2026 was ik bij de Geldmaat in Rotterdam. Ik heb toen 100 euro gepakt uit de handen van een mevrouw die daar net geld had gepind.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 10 maart 2026 omstreeks 09:45 uur, stond ik binnen bij de geldautomaat welke is gevestigd op het Binnenwegplein 6A Rotterdam. Ik had mijn bankpas in de automaat gestopt. Ik voerde mijn pincode in en drukte op 100 euro en koos voor twee biljetten van 50 euro. Ik zag dat er twee biljetten van 50 euro uit de automaat kwam. Ik haalde de biljetten eruit en begon de biljetten te vouwen. Terwijl ik aan het vouwen was met mijn beide handen draaide ik mij om richting de uitgang omdat ik naar buiten wilde lopen. Ik zag opeens dat de twee biljetten welke ik net had gevouwen uit mijn handen werd getrokken. Ik tilde mijn hoofd op en ik zag dat er een jongen tegenover mij stond. Ik zag dat de dader zich omdraaide en naar buiten rende.\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 10 maart 2026, om 09.44 uur, vond er een diefstal met geweld plaats bij de Geldmaat op het Binnenwegplein. Van de diefstal met geweld zijn camerabeelden aanwezig.\n\nIk, verbalisant, zag op stream 4 het volgende: Ik zag dat er een vrouw de ruimte inliep. Ik zag dat zij door de ingang liep om 09.43 uur in de richting van de automaten.\n\nIk, verbalisant, herkende haar door het signalement uit de aangifte als: [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 7] -1980 te [geboorteplaats 2] .\n\nIk zag dat er een man de ruimte inliep. Ik zag dat hij door de ingang liep om 09.44 uur in de richting van de automaten.\n\n Ik, verbalisant, herkende deze man onmiddellijk als zijnde aangehouden verdachte: [verdachte] , geboren op [verdachte] -2005 te [geboorteplaats 1] .\n\nIk zag [slachtoffer 3] om 09.43 uur in beeld komen. Ik zag dat [slachtoffer 3] vanaf de ingang naar een automaat liep. Ik zag dat ze een pas in de automaat stopte. Ik zag om 09.44 dat [voornaam verdachte] vanaf de ingang naar binnen liep. Ik zag dat [slachtoffer 3] met haar rechterhand iets uit de automaat pakte. Ik zag dat [voornaam verdachte] linksachter op ongeveer een meter afstand van [slachtoffer 3] ging staan. Ik zag dat [slachtoffer 3] iets uit de automaat pakte dat leek op biljetten en deze met beide handen vastpakte. Ik zag dat [voornaam verdachte] zich verplaatste en rechtsachter op ongeveer een meter afstand van [slachtoffer 3] ging staan en tegelijk nog steeds constant naar [slachtoffer 3] keek. Ik zag dat [slachtoffer 3] zich rechtsom wegdraaide van de automaat. Ik zag dat [voornaam verdachte] met veel kracht met 2 handen iets uit [slachtoffer 3] haar handen pakte. Ik zag dat hierdoor [slachtoffer 3] een stukje werd meegetrokken. Ik zag dat [voornaam verdachte] zich met de biljetten in zijn hand omdraaide en wegrende naar de uitgang. Ik zag dat [slachtoffer 3] achter [voornaam verdachte] aanrende.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank is gelet op de inhoud van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte bij feit 1 en feit 3 ook geweld heeft gebruikt bij de diefstal. In geval van feit 1 bestond het geweld uit het weggrissen van het geld en het zich lostrekken uit de greep van de aangeefster. In geval van feit 3 bestond het geweld uit het (met kracht) trekken van het geld uit de handen van de aangeefster waardoor deze een stukje werd meegetrokken. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het gebruiken van geweld bij het plegen van feit 2.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1\n\nhij op of omstreeks9 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n50 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n)heeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan,vergezeld en\u002Fofgevolgd van gewelden\u002Fof\n\nbedreiging met geweldtegen die [slachtoffer 1] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fofgemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fofom, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 1] en\u002Fofgleuf van de\n\npinautomaat te grissen en\u002Fofweg te pakken en\u002Fofzich te verzetten tegen die [slachtoffer 1] en\u002Fofzich los te rukken.\n\n2\n\nhij op of omstreeks9 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n150 euro, althans een geldbedrag bestaande uit meerdere bankbiljetten, in elk geval\n\nenig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan de Albert Heijn (vestiging\n\n [adres 2] , Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft\n\nweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- onverhoeds in de kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam was te graaien, en\u002Fof\n\n- vervolgens voormeld geldbedrag uit die kassa te grissen en\u002Fof rukken.\n\n3\n\nhij op of omstreeks10 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n100 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n)heeft weggenomen met het\n\noogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan,vergezelden\u002Fof gevolgdvan gewelden\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fofgemakkelijk te maken,en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door voornoemd geldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 3] tegrissen en\u002Foftrekken\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nhij op of omstreeks29 december 2025 te Rotterdam,\n\nopzettelijk en wederrechtelijk\n\neen ofmeerdere ruiten,in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een\n\nander, te weten aan [slachtoffer 4] en\u002Fof Woningstichting Woonstad Rotterdam, toebehoorden\n\nheeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nhij op of omstreeks8 januari 2026 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 30 december 2025, gegeven door de officier van justitie te Rotterdam\n\ndoorkort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte:\n\n- zich niet zal ophouden in\u002Fop\u002Frond de Josephstraat 52 te Rotterdam en\n\n- zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 1] 2002, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012,\n\n [naam 2] , geboren [geboortedatum 4] 2019,\n\n [naam 3] , geboren [geboortedatum 5] 1974,\n\n [naam 4] , geboren [geboortedatum 1] 2008,\n\ndoor zich op te houden in\u002Fop\u002Frond de [adres 3] en\u002Fofcontact op te nemen\n\nmet die [naam 4] .3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1. diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;\n\n2. diefstal;\n\n3. diefstal, vergezeld van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nopzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.3.3.. \n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is onderzocht door psychiater [naam 9] . Uit zijn rapport van 15 mei 2026 volgt dat bij de verdachte sprake is van een psychotische stoornis met gehoorhallucinaties en achtervolgingswaandenkbeelden, een stoornis in het gebruik van cannabis en zwakbegaafdheid dan wel een licht verstandelijke beperking. Ten tijde van de feiten waren deze stoornissen aanwezig. Ten aanzien van de vernieling (parketnummer 10\u002F008304-25) overweegt de psychiater dat de verdachte door waandenkbeelden ervan overtuigd was dat zijn zussen en moeder werden aangevallen en dat de verdachte hen wilde beschermen door de ruiten in te gooien. De psychiater adviseert daarom dit feit bij een bewezenverklaring in het geheel niet aan de verdachte toe te rekenen. Met betrekking tot de overige feiten kan aan de ene kant een materieel motief in overweging worden genomen en anderzijds de floride psychotische ziekteverschijnselen van de verdachte, met affectieve en cognitieve beperkingen, ook van zijn vermogen tot oordeel en kritiek. De psychiater adviseert bij een bewezenverklaring deze feiten in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte.\n\nDe rechtbank verenigt zich met bovenstaande conclusies van de psychiater en neemt deze over. De vernieling kan daarom niet aan de verdachte worden toegerekend. Dat betekent dat de verdachte voor dat feit niet strafbaar is en dat hij daarvoor zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van de overige feiten is de rechtbank van oordeel dat deze feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De verdachte is echter wel strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid volledig uitsluiten. De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de verminderde mate van toerekenbaarheid.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de reclassering.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. De verdediging is van mening dat de verdachte al langer in voorarrest heeft gezeten dan de straf die moet worden opgelegd, maar de verdediging vindt het belangrijker dat de verdachte niet op straat wordt gezet zonder hulp.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks strafbare feiten. Ten eerste heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van een gedragsaanwijzing die de verdachte was opgelegd. Daarmee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de personen ten aanzien van wie het contact- en locatieverbod was opgelegd. Daarnaast heeft de verdachte zich in twee dagen tijd schuldig gemaakt aan drie vermogensdelicten, te weten twee diefstallen met geweld en een winkeldiefstal. Dergelijke diefstallen zorgen voor gevoelens van angst en onrust bij de slachtoffers en in de samenleving. Met zijn handelen heeft de verdachte laten zien dat hij de lichamelijke integriteit en het eigendom van anderen niet respecteert.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer een vermogensdelict.\n\nPro Justitia rapport en reclasseringsadvies\n\nUit het rapport van de psychiater dat hiervoor is besproken volgt dat bij de verdachte sprake is van meerdere stoornissen. De psychiater acht het van belang dat de verdachte hiervoor wordt behandeld. De verdachte dient aanvankelijk klinisch te worden behandeld in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) voor zijn psychotische stoornis. Aansluitend dient resocialisatie plaats te vinden via beschermd of begeleid wonen en ambulante nazorg onder toezicht van de reclassering. Dit dient vormgegeven te worden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel naast de eerder afgegeven zorgmachtiging.\n\nUit het reclasseringsadvies van Leger des Heils van 15 juni 2026 volgt dat de reclassering op vrijwel alle leefgebieden van de verdachte problemen ziet. De psychische problematiek van de verdachte is het meest prominent aanwezig en behoeft direct behandeling in een klinische vorm. Het vanaf januari 2025 lopende toezicht bij de reclassering heeft niet geleid tot verbetering van de situatie van de verdachte. De opname die in de afgegeven zorgmachtiging is opgenomen, wordt als niet toereikend geacht. Tevens wordt de verdachte bij elke instelling waar hij is aangemeld afgewezen, omdat zij niet de passende hulp kunnen bieden bij de aanwezige problematiek. Een klinische opname wordt als enige haalbare mogelijkheid gezien. Vanwege de reeds lopende zorgmachtiging kan de FPK waar de verdachte is aangemeld hem op dit moment niet opnemen. Zij hebben de verdachte op een wachtlijst geplaatst. Daarna kunnen zij de verdachte wel opnemen in de kliniek. Derhalve acht de reclassering het van belang dat de verdachte in detentie zal verblijven tot de zorgmachtiging is afgelopen. De zorgmachtiging loopt tot 2 september 2026. De reclassering adviseert het volwassenstrafrecht toe te passen en om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.4.3.3.. Oplegging straf\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast. De rechtbank ziet gelet op de persoon van de verdachte en de uitgebrachte rapportages hiertoe geen aanleiding.\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het\n\nbepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die\n\nin soortgelijke zaken zijn opgelegd, het strafblad van de verdachte en het gegeven dat de feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Ook is rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie aan de hoge kant is. Aan de verdachte wordt daarom een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest,\n\nwaarvan 3 maanden voorwaardelijk, opgelegd. De rechtbank verbindt aan de\n\nvoorwaardelijke straf een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden die de\n\nreclassering heeft geadviseerd. De voorwaardelijke straf en bijzondere voorwaarden zijn\n\nbedoeld om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag van € 100,- dat in beslag is genomen in de zaak met parketnummer 10\u002F073695-26 aan de rechthebbende moet worden teruggegeven.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nTeruggave\n\nDe rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk [slachtoffer 3] .6. Vordering van de benadeelde partij6.1.. \n\nVordering [benadeelde]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 € 100,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.6.2.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nUit hetgeen hiervoor onder hoofdstuk 5 is overwogen, volgt dat het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- aan de benadeelde partij zal worden teruggeven. Daarmee is er niet langer sprake van de door artikel 361 Wetboek van Strafvordering vereiste rechtstreekse schade, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.\n\n6.3.. \n\nProceskosten\n\nDe rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.7. Vordering tot tenuitvoerlegging7.1.. \n\nVordering\n\nParketnummer 10\u002F329152-22\n\nDe officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 77 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.\n\nParketnummer 10\u002F201224-24\n\nDe officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 13 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden dat de verdachte mee zou werken aan een behandelverplichting en zich zou inzetten voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald wek en\u002Fof vrijetijdsbesteding.7.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen en dat de in de zaken met parketnummers 10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24 gesteldevoorwaarden moeten worden gewijzigd naar de voorwaarden die in dit vonnis worden opgelegd.7.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat de vorderingen moeten worden afgewezen.7.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd en door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de onder parketnummer 10\u002F329152-22 gestelde voorwaarde geen strafbare feiten te plegen. Blijkens het advies van 4 november 2025 van de reclassering heeft de verdachte zich onvoldoende gehouden aan meerdere bijzondere voorwaarden die hem waren opgelegd.\n\nDe rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, omdat zij dit niet opportuun acht gezien de op te leggen straf en het daarnaast in het belang van de verdachte is dat hij zo snel mogelijk behandeling ondergaat. De vorderingen worden dus afgewezen. Wel zullen de voorwaarden worden gewijzigd, omdat in dit vonnis ook voorwaarden aan de verdachte worden opgelegd en het in het belang van de verdachte is dat de voorwaarden die zijn verbonden aan de drie vonnissen gelijkluidend zijn.\n\nDe voorwaarden opgelegd in de vonnissen van 15 oktober 2024 en 26 oktober 2023 worden gewijzigd, namelijk zoals hieronder omschreven bij het in dit vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel.8. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 184a, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.9. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder parketnummers 10\u002F073695-26, 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde feit onder parketnummer 10\u002F353396-25 niet strafbaar en ontslaat de verdachte voor dat feit van alle rechtsvervolging;\n\nverklaart de verdachte ten aanzien van de andere strafbare feiten strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 3 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar,waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\nde verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;\n\nde verdachte zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door De Woenselse Poort of een soortgelijke Forensische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op behandeling van de psychotische stoornis, de stoornis in het gebruik van cannabis, ondersteuning ten aanzien van zwakbegaafdheid en in het herstellen van de relatie met zijn ouders en zus. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;\n\nde verdachte zich aansluitend aan de klinische opname, gedurende de proeftijd laat behandelen door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend op de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en ondersteuning op praktische leefgebieden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\nde verdachte aansluitend op de klinische opname, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader door de reclassering te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Het verblijf start aansluitend op de klinische opname. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\nde verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\nde verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\nde verdachte spant zich na de klinische opname in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nmeewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n- beveelt de teruggave van een geldbedrag van € 100,- aan de rechthebbende;\n\nTenuitvoerlegging voorwaardelijke straffen (parketnummers10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24)\n\nwijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in de vonnissen van 15 oktober 2024 en 26 oktober 2023 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen;\n\nwijzigt de voorwaarden verbonden aan deze vonnissen, als volgt, namelijk zoals hierboven omschreven bij het in dit vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel;\n\nVordering benadeelde partij\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26);\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.\n\n10. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer]\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 1] van 9 maart 2026, pagina’s 9 tot en met 12.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 34 tot en met 36.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Proces-verbaal aangifte van 10 maart 2026, pagina’s 16 tot en met 18.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 29 tot en met 31.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8067","2026-07-13T00:29:10.777Z",166,20,[11,201,202,203,204,205,206,207],2025,2024,2023,2022,2018,2016,1993]