[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-criminal-procedure-nl-2022":3},{"detail":4,"years":71},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":70},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},84,"criminal-procedure-nl","Criminal Procedure","NL","2026-07-08T16:55:34.252Z",2022,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":17},12,[39,53,61],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"755","ECLI:NL:GHSHE:2022:4831","ecli-nl-ghshe-2022-4831","",72,"2022-12-01T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-002252-17\n\nUitspraak : 1 december 2022\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017, in de strafzaak met parketnummer 03-721227-13 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nDe verdachte is – kort gezegd – bij vonnis waarvan beroep door de rechtbank vrijgesproken ter zake van het onder 2B tenlastegelegde (het medeplegen van de handel in softdrugs) en ter zake van het tenlastegelegde onder\n\n1A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n1B (het medeplegen van de handel in harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n2A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van softdrugs, meermalen gepleegd),\n\n3 (deelneming aan een criminele organisatie),\n\n4 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne in een aantal panden, meermalen gepleegd) en\n\n5 (het medeplegen van voorbereidingshandelingen harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, meermalen gepleegd),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nVerder heeft de rechtbank met betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen de teruggave aan de verdachte gelast van geld en een personenauto verbeurd verklaard.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van hetgeen aan hem onder 2B is tenlastegelegd. Het onder 2 tenlastegelegde dient – gelet op de zinsnede ‘en\u002Fof’ – taalkundig als alternatief\u002Fcumulatief te worden opgevat. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en tevens in hoger beroep, leidt het hof af dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging klaarblijkelijk zo heeft willen opstellen dat een vrijspraak voor het ene feit, niet automatisch leidt tot een vrijspraak van het andere feit. Het hof zal aldus – in navolging van het oordeel van de rechtbank zoals deze in het vonnis waarvan beroep is vervat – uitgaan van een cumulatieve tenlastelegging.\n\nNu het gaat om gevoegde feiten, staat er – gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering – voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 2B tenlastegelegde geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep voornoemde gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en – in zoverre opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nDe verdediging heeft, op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht het inbeslaggenomen voertuig aan de verdachte terug te geven.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank en het ook overigens niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:\n\n1. \n\nA.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), (telkens) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, (telkens) opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, buiten het grondgebied van Nederland gebracht en\u002Fof met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, althans met bestemming naar het buitenland, vervoerd en\u002Fof doen vervoeren, (onder meer) hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA werd verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\u002Fof\n\nB.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof in België en\u002Fof in Frankrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), (telkens) (grote) hoeveelheden hennep en\u002Fof hasjiesj, zijnde hennep en\u002Fof hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II,immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,(telkens) opzettelijk die hennep en\u002Fof hasjiesj, buiten het grondgebied van Nederland gebracht en\u002Fof met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, althans met bestemming naar het buitenland, vervoerd en\u002Fof doen vervoeren, (onder meer) hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nhij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013, in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof in België en\u002Fof in Frankrijk, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een (duurzaam) samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof [medeverdachte 3] en\u002Fof [medeverdachte 4] en\u002Fof [medeverdachte 5] en\u002Fof\n\n [medeverdachte 12] en\u002Fof [medeverdachte 6] en\u002Fof [medeverdachte 7] en\u002Fof [verdachte] en\u002Fof\n\n [medeverdachte 8] en\u002Fof [medeverdachte 9] en\u002Fof [medeverdachte 10] en\u002Fof [medeverdachte 11] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid en\u002Fof artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\u002Fof\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\u002Fof\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nhij op of omstreeks 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en\u002Fof in de gemeente Eijsden-Margraten en\u002Fof in de gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 2] , ongeveer 878,6 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 70,55 gram cocaïne en\u002Fof\n\n- in een pand aan [adres 3] , ongeveer 510 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 422 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 19 gram cocaïne en\u002Fof\n\n- in een pand aan [adres 4] , ongeveer 3151 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 139 gram cocaïne,\n\nin elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en\u002Fof cocaïne, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n5. \n\nhij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in de gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, een of meerdere (speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en\u002Fof gewaarmerkte) mobiele telefoontoestel(len) met telefoonkaartje(s) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en\u002Fof verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat\u002Fdie mobiele telefoontoestel(len) en\u002Fof telefoonkaartje(s) bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en).\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nAanvullende overweging omtrent de verbeterde lezing van het onder feit 2A tenlastegelegde\n\nHet hof overweegt ter zake van de dagvaarding van het onder feit 2A tenlastegelegde ambtshalve het volgende.\n\nHet ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende artikel 2 van de Opiumwet houdt, voor zover relevant, in dat het verboden is een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, dan wel een dergelijk middel te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.\n\nOnder feit 2A wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en\u002Fof hasjiesj, door die hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen aan Belgische en\u002Fof Franse klanten. Het kernverwijt daarbij is de uitvoer van softdrugs, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof is van oordeel dat – tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van hennep en\u002Fof hasjiesj door deze hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten.\n\nGelet daarop zal het hof de tenlastelegging en bewezenverklaring verbeterd lezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden ‘of verstrekt’ zal toevoegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging is geschaad.\n\nVrijspraak feit 4\n\nDe verdachte wordt – kort gezegd – bij het onder feit 4 tenlastegelegde verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en), op of omstreeks 19 november 2013 heroïne en\u002Fof cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad in een drietal panden in Nederland (te Berg en Terblijt, Margraten en Rotterdam).\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte samen met anderen in een drietal panden harddrugs aanwezig heeft gehad, zodat het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde. Zij heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat bij de verdachte zowel betrokkenheid bij die panden, wetenschap als beschikkingsmacht over de aangetroffen harddrugs ontbreekt. De omstandigheid dat de verdachte mogelijk lid is geweest van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van Opiumwetdelicten maakt dat niet anders, nu een lid van een criminele organisatie niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor (alle) (handels)voorraad.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft, met de verdediging, uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat voor de vraag of de verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2, onder C van de Opiumwet, op grond van bestendige jurisprudentie vereist is dat: a) de drugs zich in de ‘machtssfeer’ van de verdachte bevinden en, b) dat de verdachte op de hoogte is van de aanwezigheid van de drugs.\n\nVoor wat betreft het eerste vereiste geldt dat om te kunnen aannemen dat verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden, uit feiten en omstandigheden – al dan niet in hun onderlinge samenhang beschouwd – dient te kunnen worden afgeleid dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de verdovende middelen dat de verdachte geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad. Daarbij is niet doorslaggevend aan wie die drugs toebehoren. Er hoeft daarnaast ook geen sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van die drugs.\n\nVoor wat betreft het tweede vereiste geldt dat die wetenschap\u002Fhet opzet ook kan worden ingevuld in de vorm van voorwaardelijk opzet, waarbij de verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het aanwezig zijn van de drugs (vgl. HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985; HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903; HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312 en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696).\n\nIn het licht van deze vooropstelling, overweegt het hof als volgt.\n\nUit tapgesprekken tussen [medeverdachte 1] en de verdachte op 16 en 19 oktober en 14 november 2013 kan weliswaar worden afgeleid dat de verdachte ‘iets’ uit een voorraad pakt, maar het hof kan aan de hand van de genoemde tapgesprekken, of de overige inhoud van het procesdossier, niet vaststellen dat de verdachte op (om omstreeks) 19 november 2013 wetenschap had van – en beschikkingsmacht over – de aangetroffen heroïne en cocaïne in de panden aan [adres 2] , [adres 5] en [adres 4] . Dat de verdachte wel zal worden veroordeeld ter zake van deelneming aan een criminele organisatie in de periode van 20 september 2013 tot en met 19 november 2013 maakt dit niet anders.\n\nHet hof zal de verdachte aldus vrijspreken van hetgeen aan hem onder 4 tenlastegelegd is.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1.\n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 juni 2013 en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne, met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne werd verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\n\nB.\n\nmeermalen in de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, opzettelijk die hennep en hasjiesj met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nin de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 12] en\n\n [medeverdachte 6] en [verdachte] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n5. \n\nin de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van\n\nhoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en gewaarmerkte mobiele telefoontoestellen met telefoonkaartjes voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die mobiele telefoontoestellen en telefoonkaartjes bestemd waren tot het plegen van die feiten.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen en -overwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nHet hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de bewijsvoering en bewijsoverwegingen opnemen in een aanvulling op dit arrest, welke aanvulling dan aan dit arrest wordt gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 1B bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 2A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet.\n\nHet onder 5 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep – gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd, in die zin dat is bepleit om de aan de verdachte op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten, en dat daarnaast wordt volstaan met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf of de maximum taakstraf per bewezenverklaard feit. Volgens de verdediging is sprake van een excessieve overschrijding van de redelijke termijn waardoor de keuze voor de strafmodaliteit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet langer opportuun is. De verdediging heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat de verdachte na de onderhavige feiten niet met justitie in aanraking is geweest.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nHet gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en – in mindere mate – hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde ‘telefooncarrousel’ bestond en er cadeautjes – in de vorm van hennep of hasjiesj – werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij\u002Fzij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct – al dan niet in een reserveband – werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 7] , [verdachte] en [medeverdachte 8] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel.\n\nDoor deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.\n\nHet hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij gedurende een relatief korte periode betrokken is geweest bij de bewezenverklaarde feiten, en hij binnen de organisatie fungeerde als drugsrunner.\n\nvan verdachte heeft het hof voorts nog gelet op de inhoud van het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 augustus 2022, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, zij het niet voor soortgelijke feiten.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.\n\nIn hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. Dat verdachte sinds deze strafzaak niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie, werkt – anders dan de raadsman stelt – niet strafmatigend. Het niet plegen van strafbare feiten is immers de norm.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof nog als volgt.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nBij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.\n\nIn de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 19 december 2013, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 7 juli 2017. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer één jaar en zeven maanden.\n\nDe verdachte heeft op 13 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 1 december 2022. In hoger beroep is aldus tevens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn ongeveer bijna drie jaar en vijf maanden.\n\nEen deel van de overschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep vindt echter zijn rechtvaardiging in de omvang en de complexiteit van het onderzoek. Deze strafzaak maakt deel uit van het onderzoek Seville, een omvangrijk politieonderzoek waarbij in hoger beroep dertien verdachten gelijktijdig terechtstaan. In deze zaken zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele getuigen verzocht, en ook toegewezen, welke deels woonachtig zijn in het buitenland. Bovendien hebben de coronamaatregelen de voortgang van het onderzoek vertraagd. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – met één jaar verlengt. In eerste aanleg is derhalve nog sprake van termijnoverschrijding van zeven maanden en in hoger beroep van twee jaar en vijf maanden.\n\nHet hof ziet in voornoemde overschrijdingen aanleiding om een andere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijdingen. Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats zou zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van voorarrest, opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nInbeslaggenomen goederen\n\nDe verdediging heeft het hof met betrekking tot het beslag naar voren gebracht dat er nog altijd beslag rust op de Marokkaanse bankrekening en het appartement van de vader van de verdachte. Verzocht is om het onder de verdachte in beslag genomen voertuig – naar het hof begrijpt: de Audi A4 – gekentekend [kenteken] – aan hem terug te geven.\n\nOp pagina 81 van het vonnis heeft de rechtbank omtrent de inbeslaggenomen goederen het volgende overwogen.\n\n‘De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 473,00 dient te worden teruggegeven aan de beslagene. Het is op basis van het dossier immers niet duidelijk of dit geld afkomstig is uit de drugshandel of uit een legale bron, te weten zijn uitkering. In dat geval kan geen verbeurdverklaring van het geld worden uitgesproken.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen auto wel verbeurd dient te worden verklaard. Immers is dit de auto die [verdachte] op naam had genomen en uit het procesdossier blijkt dat met deze auto meerdere strafbare feiten zijn gepleegd.’\n\nHet hof sluit zich aan bij deze overweging en neemt deze beslissing over. In aanvulling daarop overweegt het hof nog dat het wat betreft het verbeurdverklaarde goed heeft gelet op de draagkracht van de verdachte.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2B tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1A, 1B, 2A, 3 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van16 (zestien) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVerklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- zie besl.portaal 1 1.00 STK Personenauto [kenteken] , AUDI A4 QUATRO VTG20.001;\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- zie lijst Ligom 23 Geld Nederlands WI067 03.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. C.P.J. Scheele en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid mr. J.P.T.G. van den Uithoorn, griffier,\n\nen op 1 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4831","2023-03-09T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:46.652Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":51,"updatedAt":60},"756","ECLI:NL:GHSHE:2022:4830","ecli-nl-ghshe-2022-4830","Parketnummer : 20-002168-17\n\nUitspraak : 1 december 2022\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017, in de strafzaak met parketnummer 03-721179-13 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nDe verdachte is – kort gezegd – bij vonnis waarvan beroep:\n\nvrijgesproken van het onder 2B tenlastegelegde en\n\nveroordeeld ter zake van het onder 1A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van harddrugs, meermalen gepleegd), 1B (het medeplegen van de handel in harddrugs, meermalen gepleegd), 2A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van softdrugs, meermalen gepleegd), 3 (deelneming aan een criminele organisatie), 4 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne in een aantal panden, meermalen gepleegd), 5 (het medeplegen van voorbereidingshandelingen harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten) en 6 (het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie) tenlastegelegde, – blijkens het dictum – tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van voorarrest.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van hetgeen aan hem onder 2B is tenlastegelegd. Het onder 2 tenlastegelegde dient – gelet op de zinsnede ‘en\u002Fof’ – taalkundig als alternatief\u002Fcumulatief te worden opgevat. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en tevens in hoger beroep, leidt het hof af dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging klaarblijkelijk zo heeft willen opstellen dat een vrijspraak voor het ene feit, niet automatisch leidt tot een vrijspraak van het andere feit. Het hof zal aldus – evenals en in navolging van het oordeel van de rechtbank zoals deze in het vonnis waarvan beroep is vervat – uitgaan van een cumulatieve tenlastelegging.\n\nNu het gaat om gevoegde feiten, staat er – gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering – voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 2B tenlastegelegde geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep voornoemde gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep voor zover aan zijn oordeel onderworpen zal bevestigen met inbegrip van de beslissing op het beslag en met uitzondering van de opgelegde straf en met aanvulling van bewijs en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. De advocaat-generaal heeft zich wat betreft het beslag op het standpunt gesteld dat het hof hieromtrent conform het vonnis van de rechtbank kan beslissen.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak van het onder 2A tenlastegelegde bepleit. Zij heeft partiële vrijspraak bepleit van het onder 1A, 1B en 2A tenlastegelegde. Met betrekking tot het onder 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft zich met betrekking tot het beslag eveneens gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof zal het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – gedeeltelijk vernietigen en gedeeltelijk bevestigen.\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, behalve voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 3 (met dien verstande dat die bewezenverklaring komt te luiden als hierna vermeld), de kwalificaties van het onder 1A, 1B, 3 en 5 bewezenverklaarde en de opgelegde hoofdstraf. In zoverre zal het beroepen vonnis worden vernietigd. Bijgevolg zullen de daarmee samenhangende overwegingen worden vervangen zoals hierna te melden. Omwille van de leesbaarheid zal het hof ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten de bewezenverklaring hieronder opnemen.\n\nHet hof ziet voorts aanleiding om:\n\nhet vonnis aan te vullen met een overweging omtrent het verbeterd lezen van de tenlastelegging voor wat betreft het onder 2A tenlastegelegde;\n\nde bewijsvoering te vervangen. Het hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen opnemen in een aanvulling op dit arrest, welke aanvulling dan aan dit arrest wordt gehecht;\n\n- de toepasselijke wettelijke voorschriften te vervangen;\n\n- een aanvullende overweging op te nemen met betrekking tot het beslag.\n\nVerbeterde lezing van het onder feit 2A tenlastegelegde\n\nHet hof overweegt ter zake van de dagvaarding van het onder feit 2A tenlastegelegde het volgende.\n\nHet ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende artikel 2 van de Opiumwet houdt, voor zover relevant, in dat het verboden is een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, dan wel een dergelijk middel te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.\n\nOnder feit 2A wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en\u002Fof hasjiesj, door die hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen aan Belgische en\u002Fof Franse klanten. Het kernverwijt daarbij is de uitvoer van softdrugs, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof is van oordeel dat – tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van hennep en\u002Fof hasjiesj door deze hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten.\n\nGelet daarop zal het hof de tenlastelegging verbeterd lezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden ‘of verstrekt’ zal toevoegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging geschaad.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:\n\n1.\n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne, met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne werd verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\n\nB.\n\nmeermalen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;2. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, opzettelijk die hennep en hasjiesj, met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nin de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [verdachte] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en\n\n [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en in de gemeente\n\nEijsden-Margraten en in de gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 2] , 878,5 gram heroïne en 70,55 gram cocaïne en\n\n- in een pand aan [adres 3] , ongeveer 510 gram heroïne en ongeveer 422 gram heroïne en ongeveer 19 gram cocaïne en\n\n- in een pand aan [adres 4] , ongeveer 3151 gram heroïne en ongeveer 139 gram cocaïne,\n\nzijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n5. \n\nin de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van\n\nhoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en gewaarmerkte mobiele telefoontoestellen met telefoonkaartjes voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die mobiele telefoontoestellen en telefoonkaartjes bestemd waren tot het plegen van die feiten;\n\n6. \n\nop 19 november 2013, in de gemeente Rotterdam, in een woning aan de [adres 5] , een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (Glock), en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde: vervanging van de kwalificaties van de feiten 1A, 1B, 3 en 5:\n\nDe kwalificaties van de navolgende bewezenverklaarde feiten worden vervangen, in die zin dat deze als volgt komen te luiden:\n\nHet onder 1A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 1B bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet.\n\nHet onder 5 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft daartoe naar voren gebracht dat de rol van de verdachte niet gelijk kan worden gesteld met die van medeverdachte [medeverdachte 1] en dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedragingen. Daarnaast is de redelijke termijn fors overschreden, hetgeen strafvermindering tot gevolg dient te hebben. De raadsman heeft in dat kader verwezen naar jurisprudentie hieromtrent. Voorts heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met de gewijzigde VI-regeling. Gelet op het vorenstaande, verzoekt zij het hof om aan de verdachte een maximale gevangenisstraf voor de duur van vier jaren op te leggen.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nHet gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en – in mindere mate – hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde ‘telefooncarrousel’ bestond en er cadeautjes – in de vorm van hennep of hasjiesj – werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij\u002Fzij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct – al dan niet in een reserveband – werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 10] , [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel. Daarnaast heeft de verdachte – in het kader van de criminele organisatie – met enkele medeverdachten op 19 november 2013 in een drietal panden in Nederland in totaal ongeveer 4,5 kilogram heroïne en ruim 200 gram cocaïne opzettelijk aanwezig gehad.\n\nDoor deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.\n\nHet hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij blijkens het dossier een belangrijke rol had. Net als de rechtbank, is het hof van oordeel dat zijn rol min of meer gelijkwaardig was aan die van [medeverdachte 1] . Hoewel hij hoog in de rangorde zat, had hij zelf ook een uitvoerende rol, door bijvoorbeeld drugs te verstrekken aan de buitenlandse klanten. Het hof weegt in strafmatigende zin mee dat de verdachte gedurende (ongeveer) één jaar niet heeft kunnen deelnemen aan de criminele organisatie vanwege de omstandigheid dat hij gedetineerd was.\n\nDaarnaast heeft de verdachte op 19 november 2013 een met veertien kogelpatronen half (door)geladen vuurwapen voorhanden gehad.\n\nTen aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof voorts nog gelet op de inhoud van het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 augustus 2022, waaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nMet de raadsman is het hof van oordeel dat in het vonnis sprake was van een kennelijke verschrijving in het dictum en dat de rechtbank heeft bedoeld aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar op te leggen. Het hof acht, met de rechtbank, een gevangenisstraf van acht jaar in beginsel passend en geboden.\n\nDe verdediging heeft in hoger beroep in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de Wet Straffen en beschermen, nu de feiten van vóór de inwerkingtreding van die wet dateren. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De wetgever heeft niet voorzien in overgangsrecht en daaruit leidt het hof af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat in gevallen waarin de feiten van vóór de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen dateren, rekening wordt gehouden met die wet, in die zin dat een lagere straf wordt opgelegd zodat de verdachte eenzelfde aantal jaren van zijn straf zou moeten uitzitten als wanneer hij niet in appel zou zijn gegaan. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om in afwijking daarvan wél rekening te houden met de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen.\n\nMet betrekking tot het procesverloop in deze zaak overweegt het hof nog als volgt.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nBij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.\n\nIn de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 19 november 2013, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 7 juli 2017. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna één jaar en acht maanden.\n\nVerdachte heeft op 11 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 1 december 2022. In hoger beroep is aldus tevens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt bijna drie jaren en vijf maanden.\n\nEen deel van de overschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep vindt echter zijn rechtvaardiging in de omvang en de complexiteit van het onderzoek. Deze strafzaak maakt deel uit van het onderzoek Seville, een omvangrijk politie onderzoek waarbij in hoger beroep dertien verdachten gelijktijdig terechtstaan. In deze zaken zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele getuigen verzocht, en ook toegewezen, welke deels woonachtig zijn in het buitenland. Bovendien hebben de coronamaatregelen de voortgang van het onderzoek vertraagd. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – met één jaar verlengt. In eerste aanleg is derhalve nog sprake van termijnoverschrijding van acht maanden en in hoger beroep van twee jaren en vijf maanden.\n\nHet hof ziet in voornoemde overschrijdingen aanleiding om een andere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijdingen. Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats zou zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nAanvullende overweging met betrekking tot het beslag\n\nHet hof heeft wat betreft de verbeurdverklaring van onderstaande goederen, gelet op de draagkracht van de verdachte:\n\n(2) één GSM, Nokia RH 130 + batterij LO079.06.04.002;\n\n(3) één GSM, Blackberry bold, LO079.06.01.002;\n\n(15) Geld Nederlands, LO079 06 03 001.\n\nVervanging van de toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2B tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3, de kwalificaties van het onder 1A, 1B, 3 en 5 bewezenverklaarde en de opgelegde hoofdstraf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVerklaart bewezen het onder 3 tenlastegelegde zoals hiervoor is overwogen.\n\nKwalificeert het onder feit 1A, 1B, 3 en 5 bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. C.P.J. Scheele en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.G. Gersen, griffier,\n\nen op 1 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4830","2023-03-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.692Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":51,"updatedAt":69},"1271","ECLI:NL:RBOBR:2022:312","ecli-nl-rbobr-2022-312","2022-02-02T00:00:00.000Z","tussenbeslissingRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nParketnummers:\n\n01\u002F993275-20 [verdachte 1]\n\n01\u002F993319-20 [verdachte 2]\n\n01\u002F993370-20 [verdachte 3]\n\n01\u002F993363-20 [verdachte 4]\n\n01\u002F993374-20 [verdachte 5]\n\n01\u002F993306-20 [verdachte 6]\n\n01\u002F993272-20 [verdachte 7]\n\n01\u002F993255-20 [verdachte 8]\n\n01\u002F993318-21 [verdachte 9]\n\nDatum beslissing: 2 februari 2022\n\nTegenspraak\n\nTussenbeslissing van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaken tegen de verdachten:\n\n [verdachte 1] ,\n\ngeboren [geboortejaar 1] 1981,\n\nwonende te [adres 1] ,\n\nraadslieden: mrs. [raadsman 1] en [raadsvrouw 1] ,\n\n [verdachte 2] ,\n\ngeboren [geboortejaar 2] 1971\n\nwonende te [adres 2] ,\n\nraadsvrouw: mr. [raadsvrouw 2] ,\n\n [verdachte 3] ,\n\ngeboren [geboortejaar 3] 1975,\n\nwonende te [adres 3] ,\n\nraadsman: mr. [raadsman 2] ,\n\n [verdachte 4] ,\n\ngeboren [geboortejaar 4] 1953,\n\nwonende te [adres 4] ,\n\nraadsman: mr. [raadsman 3] ,\n\n [verdachte 5] ,\n\ngeboren [geboortejaar 5] 1987,\n\nwonende [adres 5] ,\n\nraadsman: mr. [raadsman 4] , ter zitting waargenomen door mr. [raadsvrouw 3]\n\n [verdachte 6] ,\n\ngeboren [geboortejaar 6] 1967,\n\nwonende [adres 6] ,\n\nraadsman: mr. [raadsman 5] ,\n\n [verdachte 7] ,\n\ngeboren [geboortejaar 7] 1973,\n\nwonende [adres 7] ,\n\nraadsvrouw: mr. [raadsvrouw 4] ,\n\n [verdachte 8] ,\n\ngeboren [geboortejaar 5] 1987,\n\nthans verblijvende PI Vught,\n\nraadsman: mr. [raadsman 6] ,\n\n [verdachte 9] ,\n\ngeboren [geboortejaar 8] 1967,\n\nthans gedetineerd PI Achterhoek.\n\nraadsman: mr. [raadsman 7] , ter zitting waargenomen door mr [raadsman 8]\n\nInleiding\n\nDeze tussenbeslissing is gegeven naar aanleiding van de onderzoeken op de terechtzittingen van 12 januari 2022 en 13 januari 2022, van welke zittingen afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt. Dit betroffen regiezittingen in het onderzoek 26Hammond II, waarbij alle zaken van de verdachten voor regie zijn behandeld op de terechtzitting van 12 januari 2022, behoudens de zaak van verdachte [verdachte 9] die op 13 januari 2022 is behandeld. Voorafgaand aan de regiezittingen heeft een deel van de raadslieden schriftelijk onderzoekswensen ingediend en heeft de officier van justitie schriftelijk zijn standpunt met betrekking tot de ingediende onderzoekswensen kenbaar gemaakt. Op de regiezittingen zijn de onderzoekswensen aangevuld en besproken, en hebben de verdediging en de officier van justitie hun standpunten nader toegelicht.\n\nDe rechtbank zal hieronder eerst de onderzoekswensen behandelen die zien op EncroChat en Sky ECC (hoofdstuk 1) en wensen die zien op het Franse onderzoek en de samenwerking tussen Nederland en Frankrijk (hoofdstuk 2). Vervolgens zullen de overige verzoeken (in hoofdstuk 3 en 4) aan de orde komen.\n\n1. Verzoeken ten aanzien van EncroChat en Sky ECC\n\nDoor de raadslieden van de verdachten [verdachte 3] , [verdachte 1] en [verdachte 2] zijn onderzoekswensen ingediend met betrekking tot de communicatiediensten EncroChat en Sky ECC . Door mr. [raadsvrouw 1] zijn namens verdachte [verdachte 1] ten aanzien van deze onderwerpen 28 onderzoekswensen ingediend. Mr. [raadsvrouw 2] heeft drie onderzoekswensen ingediend die alle overlappen met de wensen van mr. [raadsvrouw 1] en raadsman mr. [raadsman 2] heeft zich namens zijn cliënt, verdachte [verdachte 3] , aangesloten bij de onderzoekswensen van mr. [raadsvrouw 1] . Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bij de bespreking en beslissing op deze onderzoekswensen de nummering van mr. [raadsvrouw 1] aanhouden. In de kern komen de onderzoekswensen er op neer dat de raadslieden de rechtmatigheid van de hack op de communicatiediensten EncroChat en Sky ECC en het gebruik van de aldus verkregen data in onderzoek 26Hammond II willen onderzoeken en hun betwisting van die rechtmatigheid nader willen onderbouwen.\n\nDe rechtbank zal in het navolgende eerst een aantal feiten en omstandigheden vaststellen met betrekking tot EncroChat en Sky ECC , ingaan op het juridisch kader en daarna per onderdeel een beslissing op de onderzoekswensen geven.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de verschillende beslissingen die in de afgelopen periode door deze en andere rechtbanken zijn gedaan ten aanzien van de EncroChat- en Sky ECC problematiek, welke problematiek in grote lijnen met elkaar vergelijkbaar is. Het is de rechtbank bekend dat de raadslieden in verschillende strafzaken die op dit moment in Nederland aanhangig zijn, contact met elkaar hebben en elkaar op de hoogte houden van de ontwikkelingen, en ook deels gebruik maken van elkaars stukken. Ook in deze zaak zijn pleitnotities en schrifturen met onderzoekswensen uit andere strafzaken als bijlagen bij ingediende onderzoekswensen gevoegd. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) maakt in verschillende zaken telkens gebruik van min of meer gelijkluidende stukken en standpunten. Gelet op die situatie en het feit dat de rechtbank in onderzoek 26Hammond II grotendeels tot dezelfde beslissingen komt als andere kamers van deze rechtbank en rechtbanken in den lande, heeft de rechtbank delen uit eerdere uitspraken overgenomen en aldus de daarin vervatte oordelen, bij wijze van een gelet op het karakter van een regiebeslissing voorlopig oordeel, tot de hare gemaakt.\n\n1.1. Inleiding\n\nEncroChat\n\nDe rechtbank gaat voorlopig uit van de volgende feiten. EncroChat was een communicatieaanbieder van telefoons, waarmee door middel van de EncroChat applicatie versleutelde chats – bestaande uit tekstberichten en afbeeldingen – konden worden verzonden en ontvangen en waarmee onderling gebeld kon worden. Ook was het mogelijk om notities te bewaren op de telefoontoestellen. De gebruiker had niet de mogelijkheid om zelf applicaties te installeren op het toestel en was dus aangewezen op de communicatieapplicaties die er door de leveranciers op gezet werden. Gebruikers kochten een telefoontoestel waarop de Encro applicaties vooraf geïnstalleerd waren in combinatie met een abonnement om de service te kunnen gebruiken. Een Encro-telefoon werd geleverd met een simkaart waarmee alleen dataverkeer verzonden en ontvangen kon worden. Deze simkaart had een wereldwijde dekking. Een Encro-telefoon kon door de gebruiker volledig worden gewist. Dit werd ook wel ‘panic-wipe’genoemd. Door EncroChat zijn diverse typen telefoontoestellen geleverd voor het gebruik van de EncroChat applicatie. Door middel van de EncroChat applicatie konden de EncroChat gebruikers alleen onderling en 1-op-1 communicatie voeren. Er konden dus geen groepsgesprekken worden gevoerd. Deze communicatie kon tot stand komen nadat een gebruiker zijn ‘username’stuurde naar een andere gebruiker, met het verzoek om toegevoegd te worden in diens contactenlijst. Gebruikers konden elkaars username opslaan in hun contactlijst onder een zelfgekozen omschrijving (‘nickname’). Er kon dus slechts gecommuniceerd worden met contacten in de contactenlijst en niet met elke EncroChat-gebruiker waarvan de EncroChat-gebruikersnaam bekend was. Een chat kon bestaan uit tekstberichten en foto’s. Ieder bericht verliep na een vooraf ingestelde tijd. Deze tijd was door de gebruiker aan te passen. Tevens kon er vanuit de chat een VoIP gesprek gevoerd worden. Het verzenden van een aldus versleutelde EncroChat-bericht van het ene naar het andere toestel verliep via een server. Deze server bevond zich in Roubaix, Frankrijk, bij het bedrijf [bedrijfsnaam] .\n\nIn Frankrijk liep voorafgaande aan de oprichting van een Joint Investigation Team (hierna: JIT) een strafrechtelijk onderzoek met als verdachten het bedrijf EncroChat en de natuurlijke personen daaraan gelieerd. In Nederland is ook een strafrechtelijk onderzoek gestart naar (onder meer) EncroChat (onderzoek 26Lemont). De verdenking tegen EncroChat bestaat – zo blijkt o.a. uit de brief van de officieren van justitie van 28 september 2020 – uit het deelnemen aan een criminele organisatie, (gewoonte)witwassen en medeplichtigheid aan de strafbare feiten die door klanten van EncroChat zijn gepleegd. Het Franse onderzoeksteam heeft uitgewisselde chatberichten alsmede informatie betreffende de contacten, notities en metadata van gebruikers van de communicatiedienst van EncroChat verzameld. Dit nadat hiertoe in Frankrijk daarvoor rechterlijke machtigingen waren gevorderd en afgegeven. Voornoemde informatie is verzameld door het op afstand (dat wil zeggen vanaf een informaticapunt van de politie te Pontoise, Frankrijk) plaatsen van een middel (de ‘interceptietool’) bestemd voor het vastleggen van uitgaande en inkomende communicatie middels EncroChat-telefoons op de server in Frankrijk. Het Franse onderzoeksteam verzamelde de EncroChat-telefoondata gedurende de periode van 1 april 2020 17.15 uur tot 20 juni 2020 omstreeks 17.20 uur. Het Franse politieteam sloeg deze data op gedurende deze periode op computersystemen in Frankrijk. Het Franse onderzoeksteam heeft de Nederlandse politie toegang gegeven tot de EncroChat-telefoondata over een beveiligde verbinding met die computersystemen in Frankrijk. De EncroChat-telefoondata zijn gedurende deze periode gekopieerd naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie. Om een zo actueel mogelijke kopie van de EncroChat-telefoondata van de Franse computersystemen te krijgen, gebruikte de politie een wijze van kopiëren, waarbij gedurende deze periode met een zo klein mogelijke vertraging de nieuwe EncroChat-telefoondata werden gekopieerd naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie. De aldus verkregen data vanuit Frankrijk, veelal bestaande uit EncroChat-berichten, is volgens de politie de dataset die de politie in Nederland heeft verkregen binnen het onderzoek 26Lemont, het strafrechtelijke onderzoek naar de medeplichtigheid van EncroChat zelf aan door de gebruikers van EncroChat gepleegde misdrijven.\n\nDe informatie die van belang is gebleken voor onderzoek 26Hammond II is op basis van door de officieren van justitie in onderzoek 26Lemont verleende toestemming op basis van artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) verstrekt aan onderzoek 26Hammond II.\n\nSky ECC\n\n [rechtspersoon] was een aanbieder van versleutelde smartphones en de versleutelde berichtenapp Sky ECC . Sky ECC is een chatapplicatie waarmee gebruikers op versleutelde wijze met elkaar kunnen communiceren en om dit te bereiken wordt er PGP-software (PGP staat voor Pretty Good Privacy) toegepast. De applicatie wordt op een mobiele telefoon geïnstalleerd waarna gebruikers met elkaar versleuteld kunnen communiceren. Bij Sky ECC kan dit door middel van het uitwisselen van chatberichten. Ook is het mogelijk om foto's en audioberichten uit te wisselen. Bellen is met een Sky-telefoon niet mogelijk. Om van Sky ECC gebruik te kunnen maken krijgt iedere gebruiker een unieke combinatie van zes tekens die bestaat uit cijfers en letters, de zogenoemde Sky-ID (User ldentifier). Dit unieke nummer is nodig om een gebruiker toe te voegen als contact.\n\n Op 1 november 2019 is het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek Werl gestart, dat zich richt op de [rechtspersoon] en zijn bestuurders en\u002Fof werknemers wegens verdenking van deelneming aan een criminele organisatie en witwassen. In die periode zijn ook in Frankrijk en België strafrechtelijke onderzoeken naar [rechtspersoon] gestart.\n\nDe Franse autoriteiten hebben in hun onderzoek naar [rechtspersoon] een ‘interceptietool’ingezet, waarvoor een Franse onderzoeksrechter een machtiging heeft verleend. Met de inzet van deze ‘interceptietool’is vanaf medio juni 2019 data van de toestellen van [rechtspersoon] verzameld. De Franse autoriteiten hebben deze informatie gedeeld met het OM.\n\nOp 13 december 2019 is een Joined Investigation Team (JIT)-overeenkomst gesloten tussen de met de vervolging belaste autoriteiten in Frankrijk, België en Nederland, met als doel het gezamenlijk onderzoeken van de verdenkingen tegen [rechtspersoon] , zijn bestuurders en werknemers, alsmede onderzoek naar de criminele samenwerkingsverbanden die gebruik maken van [rechtspersoon] voor het plegen en\u002Fof voorbereiden van hun strafbare feiten. Vanuit het OM is het onderzoek Werl in het JIT ingebracht.\n\nOnderzoek 26Argus is een in Nederland gestart opsporingsonderzoek dat zich richt op de criminele samenwerkingsverbanden van de NN-gebruikers van Sky ECC en heeft onder meer tot doel om aan de hand van de inhoudelijke data de criminele samenwerkingsverbanden die gebruikmaken van cryptotelefoons van Sky ECC in beeld te brengen en te analyseren.\n\nIn het onderzoek 26Argus is op 15 december 2020 door de rechter-commissaris bepaald dat de in dat onderzoek verkregen ontsleutelde informatie slechts kan worden gebruikt ter opsporing indien daartoe een aanvullende toestemming is verleend. Op voorhand is door de rechter-commissaris toestemming verleend om voor een gelimiteerd aantal categorieën misdrijven en met gebruik van een lijst met zoekwoorden onderzoek te doen aan de binnen het onderzoek 26Argus verkregen ontsleutelde informatie. De chatgesprekken die naar aanleiding van deze zoekslag uit de ontsleutelde informatie naar voren komen mogen - na voornoemde aanvullende toestemming van de rechter-commissaris - ter opsporing nader worden onderzocht.\n\nDe informatie die van belang is gebleken voor onderzoek 26Hammond II is op basis van door de officieren van justitie in onderzoek 26Argus verleende toestemming op basis van artikel 126dd Sv verstrekt aan onderzoek 26Hammond II.\n\n1.2. \n\nStrijd met het Unierecht\n\nDe rechtbank zal in de eerste plaats de verzoeken gericht op mogelijke strijd met het Unierecht bespreken. Er is door mr. [raadsvrouw 1] , waarbij mr. [raadsman 2] zich heeft aangesloten, in dit kader verwezen naar de EU-richtlijnen 2002\u002F58 en 2016\u002F680, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), en naar arresten van het Hof van Justitie. Hierbij is gesteld dat er in strijd met het Unierecht is gehandeld in onderzoek 26Lemont en – zo begrijpt de rechtbank – 26Argus, alsook in onderzoek 26Hammond II.\n\nEU-richtlijn 2002\u002F58\n\nZoals in artikel 3, eerste lid, van de EU-Richtlijn 2002\u002F58 is bepaald, is deze EU-richtlijn van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronische communicatiediensten over openbare communicatienetwerken in de Gemeenschap. De rechtbank overweegt dat uit artikel 1, derde lid, van EU-Richtlijn 2002\u002F58 blijkt dat deze richtlijn ‘in geen geval’ van toepassing is op de activiteiten van de staat op strafrechtelijk gebied. De aangehaalde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Digital Rights, Tele2, Ministerio Fiscal, La Quadrature du Net) maken dat niet anders. Zij brengen geen verandering in de werkingssfeer van de richtlijn. Zij hebben bovendien betrekking op een door nationale overheden opgestelde nationale regeling en zien dus op een andere situatie dan de onderhavige. In geen van de arresten werd, anders dan in de onderhavige situatie, de telecomaanbieder als verdachte aangemerkt. Ook het door de verdediging aangehaalde meest recente arrest H.K. tegen Estland (het Prokuratuur-arrest) en de implicaties daarvan voor de Nederlandse wetgeving leiden vooralsnog niet tot de conclusie dat in 26Lemont, 26Argus en 26Hammond II is gehandeld in strijd met het Unierecht. Voor zover de vereisten voortvloeiend uit dat arrest al van toepassing zouden zijn, stelt de rechtbank vast dat de rechters-commissaris immers voorwaarden hebben gesteld aan het gebruik van de gegevens. Een dergelijke toets voldoet naar het voorlopig oordeel van de rechtbank aan het toetsvereiste zoals het Hof van Justitie deze in het Prokuratuur-arrest heeft geformuleerd.\n\nEU-richtlijn 2016\u002F680\n\nDe EU-richtlijn 2016\u002F680 beoogt – kort weergegeven – te waarborgen dat gegevens die door rechtshandhavingsautoriteiten worden verzameld op een wettige en eerlijke wijze worden verwerkt, voor bepaalde legitieme doelen worden verzameld en verwerkt, en op passende wijze worden beschermd tegen ongeoorloofde en onrechtmatige verwerking. Deze richtlijn ziet, kort gezegd, ook op strafrechtelijk onderzoek en is door Nederland geïmplementeerd met wijzigingen in de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en daaronder vallende besluiten.\n\nDe stelling dat binnen de werkingssfeer van de richtlijn 2016\u002F680 hetzelfde toetsingskader geldt als binnen 2002\u002F58 kan de rechtbank zonder nadere onderbouwing van die stelling niet onderschrijven. Dat toetsingskader is door het Hof van Justitie immers ontwikkeld ten aanzien van de niet van toepassing zijnde richtlijn 2002\u002F58. Verder is niet aannemelijk geworden dat het verwerken van de Encro en Sky ECC chats in strijd zou zijn met de in Nederland geïmplementeerde wetgeving, dan wel dat de implementatie van de richtlijn onjuist of onvolledig zou zijn. De rechtbank merkt daarbij op dat het delen van de onderzoekinformatie gebaseerd is op artikel 126dd Sv en een onjuiste of onrechtmatige toepassing daarvan thans niet aannemelijk is.\n\nHandvest\n\nBetoogd is dat de wijze van bewaren en gebruiken van de EncroChat- en Sky ECC -data onrechtmatig zou kunnen zijn wegens strijd met de artikelen 7 en 8 van het Handvest. De rechtbank overweegt dat vooralsnog niet gebleken is van enige onrechtmatigheid met betrekking tot het bewaren en gebruiken van de betreffende data, nog afgezien van de vraag welke gevolgen dat in deze zaak zou kunnen hebben. Bovendien heeft de verdediging ten aanzien van het onderzoek 26Lemont inmiddels de beschikking over de machtiging van de rechter-commissaris, waaruit blijkt welke afweging is gemaakt omtrent de waarborgen waar ook het Handvest op ziet. Een dergelijke machtiging of machtigingen ten aanzien van onderzoek 26Argus zal of zullen nog door de officier van justitie aan het dossier worden toegevoegd, gezien zijn toevoeging ten aanzien van onderzoekswens 18.\n\nConclusie ten aanzien van het Unierecht\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank op dit moment van oordeel dat voor zover de raadslieden ter onderbouwing van hun onderzoekwensen hebben verwezen naar de hiervoor aangehaalde EU-richtlijnen en het Handvest dit onvoldoende is voor toewijzing van de verzoeken.\n\n1.3. \n\nStrijd met het EVRM; artikel 8 in combinatie met artikel 6\n\nDoor mr. [raadsvrouw 1] – waarbij mr. [raadsman 2] is aangesloten – is, verkort weergegeven, gesteld dat het mogelijk is dat bij de EncroChat- en SkyECC -hack artikel 8 EVRM is geschonden en voorts dat die hack een ander doel diende dan naar buiten is gebracht. Vanuit deze veronderstellingen is betoogd dat het zeer goed mogelijk is dat ook artikel 6 EVRM is geschonden.\n\nTen aanzien van EncroChat\n\nIn zoverre de verdediging stelt dat de Nederlandse justitie betrokken is bij een ontoelaatbare inbreuk op artikel 8 EVRM en daaraan ten grondslag legt dat Nederland voorafgaand aan of tijdens de totstandkoming van het JIT heeft samengewerkt met de Franse autoriteiten of heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van de interceptietool overweegt de rechtbank als volgt.\n\nEen samenwerking in vorenbedoelde zin betekent niet dat de Nederlandse autoriteiten betrokken zijn geweest bij de daadwerkelijke inbreuk op het recht op privéleven in de zin van artikel 8 EVRM. Die inbreuk heeft plaatsgevonden door het feitelijk onderscheppen van de data op de servers van Encro die zich in Frankrijk bevonden. Bij het feitelijk onderscheppen in Frankrijk is de Franse en niet de Nederlandse justitie betrokken. Het ligt dan op de weg van de Franse autoriteiten om op grond van de beslissingen van de Franse rechter te toetsen of de inbreuk op het recht op privéleven voldoet aan de beperkingsclausule van artikel 8, tweede lid, van het EVRM en de op dat punt door het EHRM in de jurisprudentie ontwikkelde eisen. In het dossier zitten (vertalingen van) Franse processen-verbaal waaruit afgeleid kan worden dat een Franse rechter toestemming heeft gegeven voor het onderscheppen van EncroChat-gegevens en dat er periodieke rechterlijke controle heeft plaatsgevonden. Op grond van het voorstaande is thans niet aannemelijk dat de door de Franse autoriteiten verkregen data zijn verkregen in strijd met artikel 8 EVRM of dat de Nederlandse justitie bij de interceptie in strijd met artikel 8 EVRM heeft gehandeld.\n\nVoorafgaand aan de interceptie, zo stelt het OM, is ingezien dat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van gebruikers van EncroChat voorzienbaar was, maar dat dit noodzakelijk was om bewijs tegen het bedrijf EncroChat te verzamelen. De verdediging stelt daar tegenover dat de EncroChat-hack in werkelijkheid bedoeld was om bewijs te verkrijgen tegen individuele gebruikers van de EncroChat telefoons. De rechtbank overweegt met betrekking tot dat punt dat nu de verdenking jegens EncroChat ook betrekking had op de deelnemingsvorm medeplichtigheid, dit noodzakelijkerwijs meebracht dat het onderzoek mede betrekking had op de plegers van de feiten waaraan EncroChat, volgens de verdenking, medeplichtig was. De stelling van de verdediging acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.\n\nVoorafgaand aan de interceptie heeft het onderzoeksteam 26Lemont de (mogelijke) inbreuk op artikel 8 EVRM voorgelegd aan de rechter-commissaris te Rotterdam. De rechter-commissaris heeft de betreffende vordering getoetst en een machtiging als bedoeld in artikel 126uba, eerste lid, Sv verleend. Ook de (gezwarte) machtiging maakt intussen deel uit van de zich in het dossier bevindende stukken. De rechter-commissaris heeft in zijn beslissing, zo blijkt uit de machtiging, een aantal voorwaarden en kaders geformuleerd waaronder en waarbinnen gebruik mag worden gemaakt van de verkregen EncroChat-data. Gelet op ook deze (in dit geval Nederlandse) rechterlijke toets is niet voorshands aannemelijk dat er sprake is van een schending van artikel 8 EVRM in de onderhavige strafprocedures van de verdachten in het onderzoek 26Hammond II. Om een volledige beoordeling mogelijk te maken is de rechtbank evenwel van oordeel dat door de rechter-commissaris een proces-verbaal dient te worden opgemaakt waaruit blijkt dat in dit concrete geval (onderzoek 26Hammond II) aan de voorwaarden zoals in de machtiging zijn gesteld, is voldaan. Wanneer dit proces-verbaal wordt ontvangen bestaat er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond voor toewijzing van de (andere) onderzoekswensen die betrekking hebben op dit punt.\n\nVerder merkt de rechtbank op dat het dossier naar het oordeel van de rechtbank geen, althans onvoldoende, aanknopingspunten biedt voor de stelling van de verdediging, zoals onder meer door mr. [raadsman 2] tijdens de regiezitting naar voren is gebracht, dat bewust foutieve informatie naar buiten is gebracht door het OM. Dat in de stukken betreffende onderzoek 26Lemont niet steeds met zoveel woorden werd genoemd dat naast het bedrijf EncroChat ook de NN-gebruikers onderwerp waren van het onderzoek, maakt nog niet dat kan worden gesproken van misleiding. Zoals de officier van justitie heeft toegelicht, richtte het onderzoek zich namelijk op de mogelijke medeplichtigheid van EncroChat aan de criminele activiteiten van haar gebruikers. Dit houdt in dat het onderzoek zich ook moest richten op de strafbare feiten die werden gepleegd door die gebruikers, wat ook blijkt uit de inmiddels beschikbare stukken uit 26Lemont. Dat niet in elk proces-verbaal expliciet is benoemd dat het onderzoek was gericht op EncroChat en de NN-gebruikers, maakt niet dat deze processen-verbaal foutief zijn of dat er bewust foutieve informatie naar buiten is gebracht. Ook dit argument van de verdediging volgt de rechtbank daarom niet.\n\nVoor zover is aangevoerd dat als sprake zou zijn van een schending van het recht op privéleven die geen inbreuk op het recht op een eerlijk proces oplevert, dit nog altijd van belang zou kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv, in het bijzonder met betrekking tot de rechtsgevolgen van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv overweegt de rechtbank het volgende. In het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, met betrekking tot de doorwerking van vormverzuimen, is beslist dat de begrenzing van artikel 359a Sv tot vormverzuimen die zijn begaan bij ‘het voorbereidend onderzoek’ niet uitsluit dat een rechtsgevolg wordt verbonden aan een onrechtmatige handeling die buiten het bereik ligt van artikel 359a Sv, dus (onderzoeks)handelingen die buiten het kader van het voorbereidend onderzoek plaatsvinden. Echter, ook dan geldt onverkort dat het daarbij moet gaan om onrechtmatig handelen ‘jegens de verdachte’. Er is vooralsnog geen begin van aannemelijkheid dat er sprake is van een vormverzuim jegens verdachte(n) in onderzoek 26Lemont dat een rechtsgevolg in de huidige procedure zou moeten hebben.\n\nTen aanzien van Sky ECC\n\nMr. [raadsvrouw 1] heeft aangevoerd dat zij ten aanzien van mogelijke schendingen van artikel 8 EVRM bij de Sky ECC -hack aansluit bij hetgeen hierover is aangevoerd voor de EncroChat data. De rechtbank overweegt dat zij in dit kader aansluit bij de juridische overwegingen als hierboven weergegeven en dat zij in de tot op heden bekend zijnde feiten en omstandigheden ten aanzien van de Sky ECC -hack eveneens geen aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat er sprake is van een vormverzuim jegens verdachten in onderzoek 26Argus dat een rechtsgevolg in de huidige procedure dient te hebben.\n\nBeslissing op onderzoekswensen\n\nDe rechtbank beslist als volgt over de onderzoekswensen die samenhangen met hetgeen hiervoor is overwogen.\n\nDe rechtbank wijst af:\n\n- onderzoekswens 4, 5 en 6. Het aan het dossier toevoegen van een proces-verbaal opgemaakt door de zaaksofficieren van 26Lemont met betrekking tot de analyse van de informatie met betrekking tot het delen van de data met het onderzoeksteam dat belast is met 26Hammond II, een proces-verbaal over de wijze van opslag van de data en een proces-verbaal met uitleg over welke woordenlijsten en zoeklijsten zijn gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat – gelet op haar beslissing ten aanzien van onderzoekswens 7 en 8 – de onderbouwing ter zake de noodzakelijkheid hiervan te kort schiet.\n\nDe rechtbank wijst toe:\n\n- onderzoekswens 7 en 8,In zoverre dat aan het dossier (Hammond II, dus in de zaken van alle verdachten) toegevoegd moet worden een proces-verbaal van mr. [naam] , rechter-commissaris te Rotterdam betreffende diens beoordeling of onderzoek 26Hammond II op de lijst stond met strafrechtelijke onderzoeken die aan hem zijn voorgelegd, dan wel of in onderzoek 26Hammond II is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in de machtiging ex artikel 126uba.\n\n1.4. Strijd met artikel 6 van het EVRM; verdedigingsrechten\n\nTen aanzien van EncroChat\n\nDe verdediging heeft voorts gesteld dat er geen sprake is van een eerlijk proces nu haar de toegang tot de EncroChat-gegevens wordt ontzegd en het erop lijkt dat het OM bewust een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven over het doel van onderzoek 26Lemont.\n\nIn het door het EHRM gehanteerde toetsingskader ten aanzien van de vraag of sprake is van een eerlijk proces, is uiteindelijk beslissend of de procedure in zijn totaliteit, met inachtneming van de vraag op welke wijze het bewijs is verkregen, als eerlijk kan worden aangemerkt. In dit beginstadium van het proces oordeelt de rechtbank slechts over de ingediende onderzoekswensen, maar een beslissing in dit stadium kan mede bepalend zijn voor de te beoordelen ‘overall fairness’. Uit de casuïstiek van de rechtspraak (EHRM Einarsson and Others v. Iceland, 4 juni 2019, § 90-91) blijkt dat onder omstandigheden het onvoldoende toegang verschaffen aan de verdediging tot elektronische data die voor de beoordeling van de strafzaak relevant zijn, op gespannen voet kan staan met het vereiste dat er voldoende ‘time and facilities’ moeten zijn voor de voorbereiding van de verdediging.\n\nUit de rechtspraak blijkt echter ook dat de toegang tot bewijsmateriaal en de gehanteerde onderzoeksmethode niet onbeperkt zijn. Beperkingen zijn mogelijk in het belang van onder meer de nationale veiligheid, het geheimhouden van onderzoeksmethodes van de politie en de bescherming van rechten van derden (onder meer EHRM 19 februari 2009, 3455\u002F05, A. and others v. the United Kingdom § 205).\n\nTen aanzien van Sky ECC\n\nTen aanzien van mogelijke strijd met artikel 6 EVRM bij Sky ECC gegevens heeft mr. [raadsvrouw 1] zich aangesloten bij hetgeen hierover is aangevoerd voor EncroChat gegevens. De rechtbank sluit zich voor wat betreft mogelijke schendingen van artikel 6 EVRM bij de verkrijging en het gebruik van Sky ECC -data eveneens aan bij hetgeen zij in dit kader heeft overwogen ten aanzien van EncroChat.\n\nBeslissing op onderzoekswensen\n\nMr. [raadsman 2] heeft ter zitting verzocht tot verkrijging van de volledige datasets, hetgeen mr. [raadsvrouw 1] ook heeft verzocht bij onderzoekswens 15. De officier van justitie heeft op de terechtzitting toegelicht dat de dataset die specifiek ziet op de (vermeende) communicatie van verdachte, dus berichten die hij zou hebben verzonden of ontvangen, kan worden verstrekt als Excel-bestand, en dat de verdediging inzage in de dataset van onderhavig onderzoek kan verkrijgen middels het Hansken-systeem van het NFI. Hiermee wordt de verdediging voldoende in staat gesteld om de te verdediging op adequate wijze te voeren.\n\nDe rechtbank ziet geen belang voor de verdediging om inzicht te krijgen in de concrete onderzoeksmethodes, terwijl het geheimhouden van deze onderzoeksmethodes van de politie van groot belang is (voor de nationale veiligheid), zodat het verzoek in zoverre wordt afgewezen.\n\nGelet op al het voorgaande worden de verzoeken van de verdediging met betrekking tot EncroChat- en Sky ECC -data afgewezen, behoudens de verzoeken die hiervoor zijn toegewezen en de verzoeken waarop gelet op de verstrekking van stukken door en de toezeggingen van de officier van justitie met betrekking tot het aanleveren van een (op de desbetreffende verdachte toegespitste) dataset in Excelbestand dan wel inzage in de dataset in het Hansken-systeem bij het NFI alsook een afschrift van alle verkeers- en locatiegegevens die zien op de gsm en het EncroChat-account die zijn toegeschreven aan de betreffende verdachte (onderzoekswens 15, 16 en 26) geen beslissing meer behoeft te worden genomen.\n\nOok heeft de officier van justitie toegezegd dat het rapport van het NFI ter zake de betrouwbaarheid van de Sky ECC data (onderzoekswens 17) en het bevel ex artikel 126uba Sv op basis waarvan is binnengedrongen in geautomatiseerd werk en de 149b-machtiging (onderzoekswens 18) aan de betreffende raadslieden -indien gereed- zal worden verstrekt. De rechtbank zal ten aanzien van onderzoekswensen 17 en 18, gelet op de gedane toezeggingen, eveneens geen beslissing nemen.\n\n2. Verzoeken met betrekking tot het Franse onderzoek en de samenwerking tussen Nederland en Frankrijk\n\nDoor de raadslieden mr. [raadsvrouw 1] , mr. [raadsvrouw 2] en mr. [raadsman 2] zijn verzoeken ingediend die zien op het onderzoek door de Franse autoriteiten, de samenwerking tussen Nederland en Frankrijk, de JIT-overeenkomsten betreffende EncroChat en Sky ECC , de onderliggende stukken daarvan en de wijze waarop Nederland de data uit de EncroChat- en Sky-hack heeft verkregen. Meer expliciet is gevraagd om verstrekking van alle documenten aangaande de wijze waarop de vergaarde informatie is verzameld en de wettelijke basis daarvan, de JIT-overeenkomsten zelf, alsook de notulen die aan de JIT-overeenkomst betreffende EncroChat ten grondslag liggen. Ook is verzocht om een of meer officieren van justitie die betrokken waren bij de onderzoeken 26Lemont en 26Argus te horen, alsmede politiefunctionarissen uit verschillende landen.\n\nDergelijke verzoeken zijn ook in verschillende andere onderzoeken gedaan. Het OM heeft zich daarbij steeds op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen omdat – kort gezegd – het in het internationale rechtshulpverkeer geldende vertrouwensbeginsel met zich brengt dat er – ook bij het sluiten van een JIT-overeenkomst – vanuit mag worden gegaan dat de informatie die de Frans justitiële autoriteiten binnen de voor hen geldende kaders aan het OM hebben verstrekt, rechtmatig is verkregen. De verzoeken zijn steeds op die grond afgewezen. De rechtbank ziet vooralsnog geen aanleiding om in het kader van het onderzoek 26 Hammond II anders te oordelen. De verzoeken zullen dan ook worden afgewezen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat, ook in hetgeen ter terechtzitting van 12 januari 2022 is aangevoerd, thans onvoldoende is onderbouwd waarom aan het vertrouwensbeginsel voorbij moet worden gegaan. Evenmin is er een begin van aannemelijkheid dat de wijze waarop van de resultaten van voornoemd onderzoek in de strafzaak tegen de verdachten gebruik wordt gemaakt, een inbreuk maakt op het recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.\n\nTen aanzien van het verzoek tot het horen van een of meer officieren van justitie zoals door mr. [raadsman 2] , [raadsvrouw 1] en [raadsvrouw 2] is verzocht overweegt de rechtbank nog het volgende. Hierbij is door de verdediging onder meer gewezen op de beslissingen inzake onderzoeken 26Del Rio en Goudhaan van respectievelijk 8 juli 2021 en 15 september 2021, waarin het verzoek tot het horen van de officier van justitie LAP0797 is toegewezen. De raadslieden in deze zaak, 26Hammond II, wensen de officieren werkend onder nummers LAP0796, LAP0797 en LAP0798 te horen met betrekking tot de Nederlandse betrokkenheid bij de hackoperatie. Zij hebben verzocht dat, voor zover die verzoeken worden afgewezen, in elk geval het proces-verbaal van het horen van officier van justitie LAP0797 in onderzoeken 26Del Rio en Goudhaan bij de stukken wordt gevoegd.\n\nDe rechtbank overweegt dat er thans onvoldoende aanwijzingen zijn dat de EncroChat-hack onder (mede-)verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten heeft plaatsgevonden en ervan moet worden uitgegaan dat een en ander in Frankrijk volgens de geldende regelgeving heeft plaatsgevonden. Er is dus geen reden om een of meer officieren van justitie hierover te horen. Tot slot geldt bovendien het uitgangspunt dat de officier van justitie ter terechtzitting tegenover de rechtbank verantwoording kan afleggen over het opsporingsonderzoek. Van dat uitgangspunt wordt slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden en bij dringende noodzaak afgeweken, met name als de gewenste informatie betrekking heeft op wat zich buiten het kader van de reguliere opsporing heeft afgespeeld. Te denken valt aan bijzondere getuigentrajecten, getuigenbescherming en de inwinning van criminele inlichtingen. Daarvan is hier geen sprake. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het verzoek om de officieren van justitie LAP0796, LAP0797 en LAP0798 als getuigen te horen, afwijzen. In het verlengde hiervan ziet de rechtbank ook geen aanleiding om te gelasten dat het proces-verbaal uit de onderzoeken 26DelRio en Goudhaan bij gereed zijn van het getuigenverhoor aan het onderzoek 26Hammond II moet worden gehecht en wijst zij ook dat verzoek af.\n\nGelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek tot voeging van de volgende stukken af:\n\nhet JIT contract tussen Nederland en Frankrijk en de notulen van de JIT overleggen of de overleggen die tot JIT hebben geleid;\n\nalle documenten met betrekking tot de Frans-Nederlandse samenwerking;\n\nalle Nederlandse en Franse vorderingen (vertaald) inclusief de bevelen van de officier van justitie, rechterlijke machtigingen en onderliggende processen-verbaal van de politie die zien op de hack;\n\n19. buitenlandse bevelen van de betrokken rechters en officieren van justitie die zien op de aanvragen en afwijzingen met betrekking tot Sky ECC ;\n\n20. de JIT-overeenkomst;\n\n24 de onderliggende Franse rechterlijke beslissingen.\n\nGelet op het voorgaande en aangezien onvoldoende is gebleken dat het horen van de verzochte getuigen van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing, wijst de rechtbank tevens af het verzoek tot horen van de volgende getuigen, gedaan onder onderzoekswens nummer:\n\n9, 27 de officieren van justitie bekend onder LAP0796, LAP0797, LAP0798,\n\nLAP0813, LAP0814 en LAP0832;\n\n10 rechter-commissaris [naam] ;\n\n11 [persoon 1] , Franse politieagent;\n\n12 [persoon 2] , medewerker NCA;\n\n13 [persoon 3] , prosecutor;\n\n14, [persoon 4] , hoofd landelijke recherche.\n\nVoor wat betreft de verzoeken tot het horen van de rechter-commissaris verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen De rechtbank ziet hierin reden om de verzoeken tot het horen van deze getuige af te wijzen.\n\nGelet op de jurisprudentie die ziet op het contact met de rechter-commissaris en beslissingen die de rechter-commissaris heeft genomen en de voorwaarden die daaraan zijn gesteld wijst de rechtbank toe onderzoekswensen 22, 23 en 25in zoverre dat een proces-verbaal wordt opgemaakt waarin antwoord op deze vragen wordt gegeven, met dien verstande dat dat antwoord zich kan beperken tot hetgeen onderzoek 26Hammond II betreft. De rechtbank zal de officier van justitie verzoeken dit proces-verbaal aan het dossier Hammond II, dus in de zaak van alle verdachten, toe te voegen.\n\nDe noodzaak voor het onderzoek zoals gevraagd onder 21 is de rechtbank onvoldoende gebleken, zodat dit verzoek wordt afgewezen.\n\n3. Verzoeken met betrekking tot het horen van overige getuigen.\n\nVerzoeken ten aanzien van het horen van medeverdachten\n\nIn de zaken van verdachten [verdachte 9] , [verdachte 5] , [verdachte 3] [verdachte 1] en [verdachte 2] zijn verzoeken gedaan tot het horen van medeverdachten als getuigen. De rechtbank ziet aanleiding om deze verzoeken toe te wijzen. Het betreft het verzoek om getuigen te horen die tevens als verdachten van deelname aan een crimineel samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 11b Opiumwet zijn aangemerkt. Hoewel sommigen van deze verdachten tot op heden niet of zeer beperkt inhoudelijk hebben verklaard, ziet de rechtbank ten aanzien van deze getuigen een verdedigingsbelang. De getuigen zullen telkens worden toegewezen in de zaak waarin zij zijn verzocht.\n\nDe rechtbank wijst toe het verzoek tot horen van de getuigen:\n\n [verdachte 8] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 3] , [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 9] ;\n\n [verdachte 6] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 1] , [verdachte 2] ;\n\n [verdachte 7] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 3] , [verdachte 1] , [verdachte 2] ;\n\n [verdachte 3] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 9] ;\n\n [verdachte 9] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 1] , [verdachte 2] ;\n\n [verdachte 2] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 1] ;\n\n [verdachte 1] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 2] ;\n\n [verdachte 4] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 2] ;\n\n [getuige 1] , in de zaken [verdachte 1] , [verdachte 2] ;\n\n [getuige 2] , in de zaken [verdachte 1] , [verdachte 2] ;\n\n [verdachte 5] , in de zaak van [verdachte 2] .\n\nDe rechter-commissaris zal de raadslieden van bovengenoemde verdachten op de hoogte (laten) stellen wanneer de getuigen worden gehoord. De raadslieden dienen vervolgens uiterlijk 7 dagen voorafgaand aan de verhoren aan de rechter-commissaris aan te geven of zij aanwezig zullen zijn.\n\nOok zal de rechter-commissaris voorafgaand aan het horen van deze getuigen bij de verdediging informeren naar de verklaringsbereidheid van deze getuigen.\n\nDe agenda van de rechter-commissaris is bij de planning van de verhoren leidend; indien de raadslieden verhinderd zijn, zullen zij voor vervanging zorg moeten dragen.\n\nDe overige raadslieden zal worden toegestaan als toehoorder bij de verhoren aanwezig te zijn. De bevoegdheid tot het stellen van vragen aan een getuige waarvan het horen niet is toegewezen in de zaak van de verdachte namens wie de raadsvrouw\u002F-man het verhoor bijwoont, is steeds beperkt tot het geval dat de inhoud van de verklaring van de getuige tijdens het verhoor relevant is voor de uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden vragen in de zaak tegen de verdachte voor wie de raadsvrouw\u002F-man het verhoor bijwoont. De rechter-commissaris beoordeelt deze relevantie.\n\nTen aanzien van het verzoek van mr. [raadsman 3] namens verdachte [verdachte 4] , te weten het horen van [persoon 5] , wijkagent in Hattem, als getuige.\n\n [persoon 5] heeft verklaard dat er in het verleden meerdere keren panden van [verdachte 4] met daarin hennepkwekerijen zouden zijn opgerold. Verdachte [verdachte 4] betwist met klem de juistheid van die informatie, aldus de raadsvrouw. De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om een zogeheten ‘rechtmatigheidsgetuige’ (een getuige die kan verklaren over de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging of het opsporingsonderzoek). De jurisprudentie vereist dat door de verdediging wordt uiteengezet welke onrechtmatigheid aan de orde zou zijn, welke gevolg dit zou moeten hebben en wat de verzochte getuige daarover zou kunnen verklaren. De rechtbank stelt vast dat dit ontbreekt. Ook betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat door de getuige [persoon 5] op 11 januari 2022 omtrent de bewering van [verdachte 4] een aanvullend ambtsedig proces-verbaal is opgemaakt.\n\nGelet hierop wijst de rechtbank het verzoek tot het horen van [persoon 5] af.\n\n4. Overige verzoeken\n\nTen aanzien van de verzoeken van mr. [raadsman 6] namens verdachte [verdachte 8] , te weten verstrekking van alle Spaanstalige OVC- en tapgesprekken van [verdachte 8] , alsmede de verkeersgegevens met betrekking tot gesprekken en berichten van de aan verdachte toegeschreven PGP-telefoons en ten aanzien van het verzoek van mr. [raadsvrouw 3] namens verdachte [verdachte 5] om alle OVC- en tapgesprekken waaraan [verdachte 5] gelinkt wordt aan de verdediging te verstrekken.\n\nDe officier van justitie heeft toegezegd om voornoemde stukken te verstrekken. De officier van justitie en de raadslieden treden nog met elkaar in overleg om te bezien op welke wijze daar invulling aan wordt gegeven.\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van deze verzoeken, gelet op de gedane toezegging, hierover geen beslissing nemen.\n\nTen aanzien van het verzoek van mr. [raadsman 6] namens verdachte [verdachte 8] , mr. [raadsvrouw 4] namens verdachte [verdachte 7] en mr. [raadsman 5] namens verdachte [verdachte 6] , te weten afzonderlijke behandeling van hun zaken van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting.\n\nHoewel het invoelbaar is dat verdachte [verdachte 8] de verschillende zaken waarin hij als verdachte is aangemerkt zoveel mogelijk gelijktijdig of gevoegd ter terechtzitting behandeld wil zien, en verdachten [verdachte 7] en [verdachte 6] zo snel mogelijk duidelijkheid willen hebben, ziet de rechtbank hiertoe onvoldoende aanleiding, gelet op de bezwaren die daartegen uit praktisch en organisatorisch oogpunt bestaan en omdat er onderlinge verwevenheid bestaat tussen de verdachten en de hen ten laste gelegde feiten, zodat afzonderlijke behandeling niet in het belang van het onderzoek is.\n\nGelet hierop wijst de rechtbank de verzoeken tot afzonderlijke behandeling af.\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst toena te noemen personen te horen als getuigen in de zaak van\n\n [verdachte 5] parketnummer 01.993374.20:\n\n [verdachte 8] ;\n\n [verdachte 6] ;\n\n [verdachte 7] ;\n\n [verdachte 3] ;\n\n [verdachte 9] ;\n\n [verdachte 2] ;\n\n [verdachte 1] ;\n\n [verdachte 4] ;\n\n [verdachte 3] parketnummer 01.993370.20:\n\n [verdachte 8] ;\n\n [verdachte 7] ;\n\n [verdachte 1] parketnummer 01.993319.20:\n\n [verdachte 8] ;\n\n [verdachte 6] ;\n\n [verdachte 7] ;\n\n [verdachte 3] ;\n\n [verdachte 9] ;\n\n [verdachte 2] ;\n\n [getuige 1] ;\n\n [getuige 2] ;\n\n [verdachte 2] parketnummer 01.993319.20:\n\n [verdachte 8] ;\n\n [verdachte 6] ;\n\n [verdachte 7] ;\n\n [verdachte 3] ;\n\n [verdachte 9] ;\n\n [verdachte 1] ;\n\n [getuige 1] ;\n\n [getuige 2] ;\n\n [verdachte 5] ;\n\n [verdachte 4] ;\n\n [verdachte 9] parketnummer 01.993318.21:\n\n [verdachte 8] ;\n\n [verdachte 3] ;\n\n- verwijstvoornoemde zaken naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde de hiervoor toegewezen getuigen in de desbetreffende zaken te horen;\n\n- bepaaltdat de overige advocaten als toehoorder aanwezig mogen zijn bij de verschillende verhoren. De bevoegdheid tot het stellen van vragen aan een getuige waarvan het horen niet is toegewezen in de zaak van de verdachte namens wie de raadsvrouw\u002F-man het verhoor bijwoont, is steeds beperkt tot het geval dat de inhoud van de verklaring van de getuige tijdens het verhoor relevant is voor de uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden vragen in de zaak tegen de verdachte voor wie de raadsvrouw\u002F-man het verhoor bijwoont. De rechter-commissaris beoordeelt deze relevantie;\n\n- draagtde officier van justitie op na te noemen stukken aan het dossier Hammond II toe te voegen:\n\n ten aanzien van EncroChat: een proces-verbaal van de rechter-commissaris mr. [naam] te Rotterdam betreffende diens beoordeling of onderzoek 26Hammond II op de lijst stond met strafrechtelijke onderzoeken die aan hem zijn voorgelegd, dan wel of in onderzoek 26Hammond II is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in de machtiging ex artikel 126uba;\n\n ten aanzien van Sky ECC : een proces-verbaal van de rechter(s)-commissaris te Amsterdam betreffende de zoeksleutels en resultaten en het toevoegen van onderzoek 26Hammond II aan de RC-lijst en waarin antwoord wordt gegeven op de vraag of in onderhavig onderzoek aan voorwaarde 6 van de machtiging ex artikel 126uba is voldaan, met dien verstande dat dat antwoord zich kan beperken tot hetgeen onderzoek 26Hammond II betreft.\n\n- wijst afde overige verzoeken voorzover deze niet zijn toegewezen, danwel toegezegd door de officier van justitie, één en ander zoals hiervoor is overwogen.\n\nDit (tussen)beslissing is genomen door:\n\nmr. C.A. Mandemakers, voorzitter,\n\nmr. T. Kraniotis en mr. C.M. Zandbergen, leden,\n\nin tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,\n\nen is uitgesproken op 2 februari 2022.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:312","2022-02-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:13.150Z",20,[72,73,74,75,11,76],2026,2025,2024,2023,2016]