[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-criminal-procedure-nl-2024":3},{"detail":4,"years":219},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":217,"page":14,"limit":218},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},84,"criminal-procedure-nl","Criminal Procedure","NL","2026-07-08T16:55:34.252Z",2024,[13,16,18,20,23,25,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":22},4,6,{"month":24,"count":19},5,{"month":22,"count":15},{"month":27,"count":22},7,{"month":29,"count":17},8,{"month":31,"count":17},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":17},12,[39,53,63,71,81,89,97,104,113,120,130,138,146,155,163,172,181,190,199,208],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"765","ECLI:NL:RBAMS:2024:8776","ecli-nl-rbams-2024-8776","",56,"2024-12-23T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F296136-23\n\nDatum uitspraak: 23 december 2024\n\nVerkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\ningeschreven op het postadres [adres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van\n\n9 december 2024.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.D. Rijnsburger, naar voren hebben gebracht.\n\nTevens heeft de rechtbank kennisgenomen van wat het slachtoffer [slachtoffer] naar voren heeft gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat op 16 april 2023 te Amsterdam:\n\ndoor zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht, dan wel (subsidiair) hij zich dusdanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt;\n\nhij zich schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van de plaats van een verkeersongeval waarbij naar hij wist of redelijkerwijs kon vermoeden aan [slachtoffer] letsel en\u002Fof schade was toegebracht en [slachtoffer] in hulpeloze toestand werd achtergelaten;\n\nhij zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto na gebruik van een meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol (665 μg\u002Fl).\n\nDe tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\n3. Voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.\n\n4. Waardering van het bewijs\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie vindt dat de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Verdachte heeft zeer onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend gereden. Hij heeft geen voorrang gegeven aan het slachtoffer en hij reed onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol. Na het ongeval heeft verdachte zich onttrokken aan zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer door weg te rennen en het slachtoffer, dat verdachte gewond op de grond had zien liggen, in hulpeloze toestand achter te laten. Het letsel van het slachtoffer is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Er is geen sprake van een gedraging waaruit kan worden afgeleid dat verdachte zich bewust had moeten zijn van zeer ernstig gevaar dat door zijn buitengewoon onvoorzichtige gedraging in het leven is geroepen.\n\nVerdachte heeft een inschattingsfout gemaakt door plotseling naar links te sturen. Hij is daarbij de controle over zijn auto kwijt geraakt. Hij is met zijn auto over het fietspad gegleden en heeft daarmee onbedoeld geen voorrang verleend aan een fietser, die hij daarbij kennelijk heeft geraakt. Vervolgens is hij tegen een boom tot stilstand gekomen. Gedurende deze handelingen was verdachte onder invloed van alcohol en nadien heeft hij de benen genomen.\n\nVerdachte heeft voorafgaand aan het ongeval niet zodanig gereden dat daaruit enige opzet valt af te leiden. Er blijkt niet van slingerend of opvallend rijgedrag. Het enkele feit dat hij onder invloed van alcohol achter het stuur is gestapt, is daarvoor onvoldoende. Ook kan niet worden bewezen dat verdachte te hard heeft gereden.\n\nIndien de rechtbank wel tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde komt dan zou de mate van schuld moeten worden beperkt tot aanmerkelijke onvoorzichtigheid.\n\nHet letsel van het slachtoffer kan gezien de aard en de ernst van het letsel (hersenschudding en kneuzingen aan de benen) niet gelden als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nFeitelijke toedracht\n\nOp 16 april 2023 reed verdachte als bestuurder in zijn auto over de Cornelis Krusemanstraat te Amsterdam, komende uit de richting van de Amstelveenseweg en gaande in de richting van het Valeriusplein. Aangekomen bij de kruising met de Hendrik Jacobszstraat is verdachte linksaf geslagen. Daarbij is hij bij het oversteken van het fietspad tegen een op de Cornelis Krusemanstraat uit tegengestelde richting tegemoetkomende fietser (slachtoffer [slachtoffer] ) aangereden die rechtdoor wilde gaan. [slachtoffer] is hierdoor ten val gekomen en heeft een hersenschudding en kneuzingen aan zijn benen opgelopen.\n\nVerdachte heeft vervolgens de plaats van het ongeval verlaten, maar werd even later door een omstander alsnog staande gehouden. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte onder invloed van alcohol verkeerde.\n\nSchuld in de zin van artikel 6 WVW\n\nBij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.\n\nFeit 1 primair\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de bestuurder van de auto was ten tijde van het ongeval en dat hij zich, ondanks dat hij alcohol had gedronken, in staat voelde om de auto te besturen. Verdachte was ter plaatse bekend. Hij is met een vriend uit eten geweest en heeft daarna met die vriend nog wat drankjes genuttigd. Verdachte had zijn auto op een busbaan geparkeerd en wilde zijn auto naar eigen zeggen verplaatsen naar een paar straten verderop bij of in de buurt van zijn woning omdat zijn auto de volgende ochtend niet meer op die busbaan mocht staan. Uit een ademonderzoek, uitgevoerd bij verdachte kort na het ongeval, bleek dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte 665 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht was. Verdachte had aldus veel te veel alcohol gedronken voordat hij in de auto stapte. Het alcoholgehalte bedroeg meer dan drie keer de toegestane hoeveelheid, hetgeen ongetwijfeld nadelig van invloed is geweest op zijn rijvaardigheid.\n\nVerdachte bestuurde bovendien de auto terwijl op dat moment zijn rijbewijs was ingevorderd wegens het zes dagen ervoor (ook al) rijden onder invloed van alcohol, maar ook dat heeft hem er niet van weerhouden toch in de auto te gaan rijden.\n\nBij de Hendrik Jacobszstraat is verdachte bij het linksaf slaan de macht over het stuur verloren en is hij tegen [slachtoffer] aangereden. Verdachte heeft zich er voorafgaand aan en tijdens het linksaf slaan niet van vergewist of er sprake was van enig kruisend verkeer. Hij heeft in het geheel niet gekeken, zo heeft hij ter zitting verklaard. Hoewel zijn zicht ter plaatse niet werd beperkt door bijvoorbeeld geparkeerde auto’s of andere obstakels, zag hij het slachtoffer pas nadat hij tegen hem aan was gereden, en heeft hij dan ook niet nog geprobeerd om te remmen. Omdat [slachtoffer] op dezelfde weg rechtdoor reed, had de naar links afslaande verdachte hem voorrang moeten verlenen.\n\nSnelheid\n\nHet dossier bevat onvoldoende informatie over de door verdachte gereden snelheid ten tijde van het ongeval, zodat niet kan worden bewezen dat verdachte harder dan de maximaal toegestane snelheid ter plaatse heeft gereden of met een snelheid die te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse.\n\nLetsel\n\nDe rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het letsel dat [slachtoffer] ten gevolge van het ongeval heeft opgelopen, valt aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet. Het dossier bevat voldoende informatie over de aard en ingrijpendheid van de benodigde medische behandelingen en het zicht op volledig herstel, om tot deze vaststelling te kunnen komen. Het slachtoffer heeft zich mede als gevolg van aanhoudende klachten (constante hoofdpijn, duizeligheid, verstoorde oogmotoriek, slapeloosheid) na het ongeval onder behandeling moeten stellen van een neuroloog, een fysiotherapeut, een sportarts, een chiropractor en een ergotherapeut. Daarnaast volgt hij thans EMDR therapie in verband met mentale klachten ten gevolge van het ongeval. In december 2023 werd vastgesteld dat er sprake is van een zogenaamd postcommotioneel syndroom. Het slachtoffer ondervindt tot op heden verregaande beperkingen in zijn (sociale) leven. Of, en zo ja wanneer, er uiteindelijk sprake zal zijn van volledig herstel is vooralsnog niet vastgesteld.\n\nConclusie\n\nGelet op het geheel van de gedragingen van verdachte en de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden van het geval – zoals hiervoor overwogen – kwalificeert de rechtbank het verkeersgedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het ongeval aan de schuld van verdachte te wijten is.\n\nFeit 2\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in het dossier voldoende bewijs voorhanden is om ook tot een bewezenverklaring van feit 2 te komen. Nadat verdachte met zijn auto tegen een boom tot stilstand was gekomen en was uitgestapt, heeft hij het slachtoffer op de grond zien liggen en is weggerend. Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij na de botsing is weggerend.\n\nFeit 3\n\nOok feit 3 kan worden bewezen op grond van hetgeen hiervoor bij feit 1 met betrekking tot het alcoholgehalte is overwogen.\n\n5. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte\n\n1. primair\n\nop 16 april 2023 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende over de Cornelis Krusemanstraat, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en twee zwaar gekneusde benen, werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit:\n\nverdachte heeft gereden over de Cornelis Krusemanstraat, komende uit de richting van de Amstelveenseweg en gaande in de richting van het Valeriusplein,\n\n- terwijl het donker was,\n\n- terwijl verdachte ter plaatse zeer bekend was,\n\n- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,\n\n- terwijl het rijbewijs van verdachte was ingevorderd,\n\nverdachte is vervolgens linksaf geslagen naar de Hendrik Jacobszstraat,\n\nverdachte is vervolgens het fietspad voor tegemoetkomend verkeer overgestoken,\n\nverdachte heeft zich er bij het afslaan niet van vergewist dat het fietspad vrij was van enig kruisend verkeer,\n\nverdachte heeft vervolgens een rechtdoor gaande verkeersdeelnemer, te weten de bestuurder van een fiets, [slachtoffer] , geen voorrang verleend,\n\nverdachte heeft daarbij niet afgeremd en heeft de macht over het stuur verloren,\n\nverdachte is vervolgens tegen die [slachtoffer] aangereden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;\n\n2.\n\nals degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Amsterdam aan de Cornelis Krusemanstraat op 16 april 2023, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander, te weten [slachtoffer] , letsel was toegebracht en een ander, te weten [slachtoffer] , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;\n\n3.\n\nop 16 april 2023 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig, namelijk als bestuurder van een personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 665 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n6. Het bewijs\n\nDe rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.\n\n7. De strafbaarheid van het feit\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n8. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n9. Motivering van de straffen en maatregelen\n\nEis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, en tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen (OBM) voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.\n\nStrafmaatverweer van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar te volstaan met een (forse) taakstraf gecombineerd met voorwaardelijke sancties. Verdachte heeft na een lange periode van stress door financiële en zakelijke problemen en een kapotgelopen relatie, het faillissement van zijn horecaonderneming moeten aanvragen en zijn cateringbedrijf moeten verkopen. Verdachte is de komende anderhalf jaar nog wel werkzaam bij het cateringbedrijf. Verdachte hoopt te worden toegelaten tot schuldsanering via de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) en hoopt na afwikkeling van het faillissement verder te kunnen met het oplossen van zijn problemen. Een gevangenisstraf zou dit traject doorkruisen. Hij zal daardoor zijn baan verliezen en vreest voor eventuele consequenties met betrekking tot de overname van zijn onderneming. Dit geldt ook voor een onvoorwaardelijke rijontzegging. Verdachte heeft voor zijn werkzaamheden (het halen en brengen van apparatuur en voedingsmiddelen) zijn rijbewijs nodig.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.\n\nVerdachte is in zijn auto gaan rijden nadat hij zodanig veel alcohol had gedronken dat hij niet tot het behoorlijk kunnen besturen van zijn auto in staat kon worden geacht. Dat verdachte er voor koos om toch te gaan rijden is des te meer verwijtbaar, omdat het rijbewijs van verdachte slechts zes dagen eerder was ingevorderd wegens het rijden na het (eveneens) drinken van te veel alcohol. Dit rijbewijs had verdachte op 16 april 2023 nog niet terug. Door zo veel te drinken en zich daarna in het verkeer te begeven, heeft verdachte onverantwoorde risico’s genomen en de kans op een ongeval zeer vergroot. Verdachte was zich totaal niet bewust van de aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers. Zo kon het gebeuren dat hij bij een ondoordachte manoeuvre zijn auto niet meer onder controle kon houden en tegen het slachtoffer Van der Steen is aangereden die op zijn fiets op het fietspad reed.\n\nHoewel verdachte wist dat hij iemand had aangereden, en hij ook heeft gezien dat deze persoon gewond op de grond lag, heeft hij niet zijn verantwoordelijkheid genomen en heeft hij zich daarna niet om het slachtoffer bekommerd, maar is er vandoor gerend. Kort daarna is verdachte echter door een oplettende omstander staande gehouden en overgedragen aan de politie. Ook ter terechtzitting heeft verdachte zich in dit opzicht weinig schuldbewust getoond.\n\nHet slachtoffer [slachtoffer] ondervindt nog dagelijks – zowel fysiek als mentaal – de nadelige gevolgen van het ongeval. Zoals ook gebleken is uit zijn ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring wordt hij thans nog steeds aanzienlijk beperkt in zijn dagelijkse (sociale) leven.\n\nDe rechtbank houdt voorts rekening met de omstandigheid dat verdachte, zoals blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van 26 november 2024, in het verleden eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen voor de Wegenverkeerswet 1994 (rijden onder invloed en een snelheidsovertreding).\n\nBij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gekeken naar straffen die voor vergelijkbare gevallen door rechtbanken en gerechtshoven worden opgelegd en naar de geldende oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij sprake is van ernstige schuld, er een alcoholpercentage van meer dan 570 µg\u002Fl is vastgesteld en het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt als uitgangspunt een gevangenisstraf van zeven maanden en een onvoorwaardelijke OBM voor de duur van drie jaren opgelegd.\n\nGelet op het voorgaande, de mate van schuld die de rechtbank bewezen acht, de ernst van de verweten gedragingen en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, ziet de rechtbank, ook in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over de persoonlijke omstandigheden van verdachte, geen aanleiding hier al te zeer van af te wijken. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een taakstraf, en acht een gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal de officier van justitie volgen voor wat betreft de hoogte van die gevangenisstraf en daarmee een lagere gevangenisstraf dan de oriëntatiepunten opleggen, omdat de rechtbank mee laat wegen dat de aanrijding ruim anderhalf jaar geleden heeft plaatsgevonden en de strafzaak hem al die tijd boven het hoofd heeft gehangen.\n\nDaarnaast acht de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op zijn plaats. Anders dan door de officier van justitie geëist zal de rechtbank deze geheel onvoorwaardelijk opleggen, met name ook omdat verdachte in het verleden eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen, maar hiervan niet blijkt te hebben geleerd. Deze bijkomende straf strekt er daarom mede toe verdachte ervan te doordringen in de toekomst de grootst mogelijke voorzichtigheid in het verkeer in acht te nemen, en niet nogmaals lichtzinnig te besluiten in de auto te stappen en te gaan rijden in een toestand waarin hij dat niet mag doen en niet moet doen.\n\nDaarnaast is niet gebleken dat verdachte dusdanige werkzaamheden heeft die met het opleggen van een OBM niet meer uitvoerbaar zouden zijn.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikelen 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\n11. Beslissing\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het onder de feiten 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nMet betrekking tot feit 1 primair en feit 3:\n\nEendaadse samenloop van:\n\nOvertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.\n\nen\n\nOvertreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nMet betrekking tot feit 2:\n\nOvertreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.\n\nOntzegtverdachte terzake van het onder 1 primair bewezenverklaardede bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van3 (drie) jaren.\n\nBepaalt dat de tijd dat het rijbewijs in verband met de bewezen feiten 1 primair en 3 vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest, geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. G.M. Beunk, voorzitter,\n\nmrs. C.M. Degenaar en I. Mannen, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2024.\n\n […]\n\n ,\n\n […]\n\nZie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 1 juni 2004 ECLI:NL:HR:2004:AO5822 en van 29 april\n\n 2008, ECLI:NL:HR:2008: BD0544.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:8776","2025-03-10T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:47.076Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"852","ECLI:NL:GHSHE:2024:4140","ecli-nl-ghshe-2024-4140",72,"2024-12-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH\n\nParketnummer : 20-002537-19\n\nUitspraak : 17 december 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 juli 2019, in de strafzaak met parketnummer 02-996007-10 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1961,\n\nvolgens opgave ter terechtzitting in hoger beroep wonende te:\n\n [woonplaats] (Spanje, provincie [provincie] ), [woonadres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de dagvaarding partieel nietig verklaard, namelijk voor zover die betrekking heeft op de onder feit 1 vermelde zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’, het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde bewezenverklaard, de verdachte ter zake van het onder feit 4 sub A bewezenverklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging, de overige bewezenverklaarde feiten gekwalificeerd als:\n\n‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, van welke organisatie hij leider is’ (feit 1);\n\n‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’ (feit 2);\n\n‘opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ (feit 3) en\n\n‘medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen’ (feit 4),\n\nde verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van het voorarrest.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank partieel vrijgesproken van het in de tenlastelegging onder feit 3 impliciet cumulatief opgenomen strafbare verwijt met betrekking tot het onjuist doen van aangifte omzetbelasting over september 2006. Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.\n\nTegen het vonnis is bij akte van 7 augustus 2019 namens de verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld.\n\nIngevolge artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het tenlastegelegde is vrijgesproken.\n\nHet hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat tegen de beschermde vrijspraak is gericht.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:\n\n1. hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 7 december 2010 te Veen, gemeente Aalburg en\u002Fof in de gemeente(n) Heusden en\u002Fof Veghel en\u002Fof Zundert en\u002Fof Vianen en\u002Fof Hardinxveld-Giessendam en\u002Fof Oud-Beijerland en\u002Fof Sliedrecht en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof Duitsland en\u002Fof België en\u002Fof Spanje (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door hem verdachte, en\u002Fof - [medeverdachte 1] en\u002Fof - [medeverdachte 2] en\u002Fof - [medeverdachte 3] en\u002Fof - [medeverdachte 4] en\u002Fof - [autobedrijf 1] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 5] en\u002Fof - [autobedrijf 2] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 6] en\u002Fof - [autobedrijf 3] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 7] en\u002Fof - [autobedrijf 4] B.V. ( [autobedrijf 4] 2) en\u002Fof [autobedrijf 4] B.V. (per 22-01-2009) en\u002Fof - [autobedrijf 4] B.V. ( [autobedrijf 4] 3) en\u002Fof - [medeverdachte 8] en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het plegen van valsheid in geschrift (art. 225, lid 1 WvSr) en\u002Fof - het opzettelijk doen van onjuiste en\u002Fof onvolledige aangiften met betrekking tot de omzetbelasting (art. 69, lid 2 AWR) en\u002Fof - het opzettelijk niet doen van aangiften met betrekking tot de omzetbelasting (art. 69, lid 1 AWR) en\u002Fof - het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen en\u002Fof het opzettelijk niet bewaren van boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers (art. 68, lid 1 sub d en sub e jo. art. 69 lid 1 AWR) en\u002Fof - witwassen van (een) geldbedrag(en) (art. 420ter, art. 420bis Sr), zulks terwijl hij, verdachte, van bedoelde organisatie oprichter en\u002Fof leider en\u002Fof bestuurder was;\n\n2. hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 7 december 2010 te Veen, in de gemeente Aalburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een deel van) de (bedrijfs)administratie van zijn, verdachtes, onderneming, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , zijnde (dat deel van) de (bedrijfs)administratie voornoemd, (telkens) een (samenstel van) geschrift(en) die\u002Fdat bestemd waren\u002Fwas om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn medeverdachte(n), (telkens) opzettelijk valselijk en\u002Fof in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in (dat deel van) die (bedrijfs)administratie voornoemd opgenomen en\u002Fof verwerkt en\u002Fof doen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof verwerken, (circa) 1475 valse of vervalste inkoopfacturen en\u002Fof (circa) 1184 valse en\u002Fof vervalste verkoopfacturen, althans een (groot) aantal valse of vervalste (inkoop- en\u002Fof verkoop)facturen, waaronder * 3, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode 1 juni 2006 tot en met 31 december 2006 (te weten: F\u002F2527, F\u002F2528 en\u002Fof F-2536), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 1] en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 4, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de maand oktober 2006 (waaronder F\u002F2529 en\u002Fof F\u002F2530), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 2] en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 3, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode maart 2006 tot en met maart 2007 (waaronder F\u002F2511, F\u002F2503 en\u002Fof F\u002F1512), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 3] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 6, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van januari 2007 tot en met juli 2007 (waaronder F\u002F2062, F\u002F2082, F\u002F2104, F\u002F2139, F\u002F2137 en\u002Fof F\u002F2155), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 4] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode juli 2007 tot en met april 2008 (waaronder F\u002F1708, F\u002F1976, F\u002F1898 , F\u002F1670, F\u002F1827, F\u002F1787, F\u002F1924 en\u002Fof F\u002F1869), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 5] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 2, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode april 2008 tot en met mei 2008 (waaronder F\u002F2431 en\u002Fof F\u002F2441), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 6] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode mei 2008 tot en met februari 2009 (waaronder F\u002F1488, F\u002F1494, F\u002F1502, F\u002F1530, F\u002F1577, F\u002F1573, F\u002F1558 en\u002Fof 1599), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van (ZAP) [onderneming 7] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van februari 2009 tot en met september 2009 (waaronder F\u002F1344, F\u002F1375, F\u002F1399, F\u002F1401, F\u002F1414, F\u002F1425, F\u002F1440 en\u002Fof F\u002F1460), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 8] B.V. (h.o.d.n. [onderneming 8] ) en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van juli 2009 tot en met december 2009 (waaronder F\u002F1244, F\u002F1307, F\u002F1316 en\u002Fof F\u002F2335), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 9] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van december 2009 tot en met november 2010 (waaronder F\u002F0969, F\u002F0902, F\u002F1093, F\u002F1146, F\u002F1165, F\u002F1202, F\u002F1237 en\u002Fof F\u002F2266), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 10] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (verkoop)facturen, uit de periode van augustus 2006 tot en met november 2008 (waaronder F\u002F3391, F\u002F3389, F\u002F3416, F\u002F3400, F\u002F3570, F\u002F4012, F\u002F4464 en\u002Fof F\u002F4560), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [autobedrijf verdachte] en (telkens) gericht aan [autobedrijf 1] B.V. en\u002Fof * 10, in elk geval een of meer (verkoop)facturen, uit de periode januari 2009 tot en met december 2010 (waaronder F\u002F3731, F\u002F4960, F\u002F5249, F\u002F5322, F\u002F5420, F\u002F5439, F\u002F6782, F\u002F6855, F\u002F6889 en\u002Fof F\u002F7006), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [autobedrijf verdachte] en (telkens) gericht aan [autobedrijf 2] B.V., terwijl een inkoop van auto's en\u002Fof een verkoop van auto's zoals op die facturen vermeld, in werkelijkheid (telkens) niet tussen die voornoemde onderneming(en) heeft\u002Fhebben plaatsgevonden en\u002Fof terwijl in werkelijkheid geen sprake was van tussen die ondernemingen overeengekomen transacties zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en\u002Fof terwijl in werkelijkheid sprake was van door die onderneming(en) opgezette (schijn)transacties met het (vooropgezette) doel om (in het kader van een internationale BTW-fraude) de Nederlandse Staat financieel te benadelen (op het terrein van omzetbelasting) en\u002Fof zichzelf\u002Fhenzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat, zulks met het oogmerk om die\u002Fdat (samenstel van) geschrift(en) (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;\n\n3. hij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 december 2010 in de gemeente(n) Sprang-Capelle en\u002Fof Breda en\u002Fof Apeldoorn en\u002Fof (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), te weten aangifte(n) voor de omzetbelasting op naam van [verdachte] , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) over het\u002Fde (maandelijkse) aangiftetijdvak(ken) - maanden oktober 2006 tot en met december 2006 en\u002Fof - maanden januari 2007 tot en met december 2007 en\u002Fof - maanden januari 2008 tot en met december 2008 en\u002Fof - maanden januari 2009 tot en met december 2009 en\u002Fof - maanden januari 2010 tot en met oktober 2010, onjuist en\u002Fof onvolledig heeft gedaan, althans doen of laten doen, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn medeverdachte(n), toen aldaar (telkens) opzettelijk op\u002Fin het\u002Fde bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Breda en\u002Fof Apeldoorn, in elk geval in Nederland, (langs elektronische weg) ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) – zakelijk weergegeven – - (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, en\u002Fof - (telkens) een te laag belastbaar bedrag en\u002Fof een te laag\u002Fonjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, terwijl die\u002Fdat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;\n\n4. hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 2 april 2006 tot en met 22 oktober 2010 te Veen, gemeente Aalburg, en\u002Fof in de gemeente(n) Veghel en\u002Fof in Vianen en\u002Fof Zundert en\u002Fof (elders) in Nederland, en\u002Fof in Duitsland en\u002Fof in Spanje en\u002Fof in België, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft\u002Fhebben gemaakt, althans zich schuldig heeft\u002Fhebben gemaakt aan witwassen, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn mededader(s), (uit hoofde van die gewoonte) (telkens) in voornoemde periode van (een) voorwerp(en), te weten een of meer van de\u002Fhet navolgende geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing verborgen en\u002Fof verhuld, en\u002Fof (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer van de navolgende geldbedrag(en), (telkens) verworven en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof overgedragen en\u002Fof omgezet en\u002Fof gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) dat die\u002Fdat voorwerp(en) en\u002Fof dat\u002Fdie geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf, door:\n\nA) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) een (totaal)bedrag groot (circa) € 702.098,00, althans enig(e) geldbedrag(en), in contanten op te nemen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof pinbetalingen te verrichten en\u002Fof te laten verrichten vanaf die bankrekening en\u002Fof\n\n B) (een of meer van) de navolgende geldbedrag(en) als kasopname\u002Fkasuitgave in het kasboek van (het [autobedrijf verdachte] ) [verdachte] jaar 2008 te boeken en\u002Fof te laten boeken met als verantwoording \" [onderneming 6] BV\" en\u002Fof \" [onderneming 6] \", terwijl die \" [onderneming 6] BV \"en\u002Fof \" [onderneming 6] \" als onderneming(en) rechtens niet bestond(en), (het betrof(fen) het\u002Fde navolgende geboekte geldbedrag(en) (in euro's): - april 24 58.000,00 en\u002Fof - april 25 110.500,00 en\u002Fof - april 29 158.250,00 en\u002Fof - mei 6 55.050,00 en\u002Fof - mei 7 39.000, - mei 8 62.500,00 en\u002Fof\n\nC) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) een of meer van de navolgende geldbedrag(en) over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen bankrekening(en) ten name gesteld van het\u002Fde navolgende (plof)bedrijf\u002Fbedrijven, te weten: - in het jaar 2007 naar [onderneming 11] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 12.035.500,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in het jaar 2008 naar [onderneming 11] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 8.304.200,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in de periode van 1 december 2009 tot en met 24 december 2010 naar [onderneming 10] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 13.816.350,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 naar [onderneming 12] , een (totaal)bedrag groot (circa) € 2.804.600,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof\n\nJ) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 2] ) ten name gesteld van [onderneming 10] B.V. in de periode van 1 december 2009 tot en met 24 december 2010 een (totaal)bedrag groot (circa) € 8.896.670,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Belgische) bankrekening(en) ( [rekeningnummer 3] ) (DEXIA) ten name gesteld van [onderneming 13] BVBA en\u002Fof ( [rekeningnummer 4] (ING) ten name gesteld van [onderneming 13] BVBA, en\u002Fof\n\nL) vanaf de\u002Feen bankrekening ( [rekeningnummer 5] ) ten name gesteld van [onderneming 12] in de periode van 1 februari 2009 tot en met 30 juni 2010: - een (totaal)bedrag groot (circa) € 2.630.700,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Duitse) bankrekening ( [rekeningnummer 6] ) ten name gesteld van, althans in gebruik bij, [onderneming 14] (GmbH & Co KG) en\u002Fof - een (totaal)bedrag groot (circa) € 59.500,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Duitse) bankrekening ( [rekeningnummer 7] ) ten name gesteld van [onderneming 15] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nPartiële nietigheid van de dagvaarding\n\nHet onder feit 1 tenlastegelegde, voor zover het de zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’ betreft, behelst naar het oordeel van het hof, gelijk de rechtbank heeft geoordeeld, een onduidelijkheid, aangezien niet duidelijk is op welke (rechts)personen de steller der tenlastelegging doelt. De tenlastelegging is op dit punt in hoger beroep niet anders komen te luiden.\n\nNu in zoverre niet is voldaan aan de aan een dagvaarding te stellen eisen voor wat betreft duidelijkheid, is het hof mitsdien van oordeel dat de tenlastelegging, zoals vervat in de inleidende dagvaarding, voor wat betreft voormelde zinsnede, niet voldoet aan de daaraan in artikel 261, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Het hof zal derhalve, evenals de rechtbank, de dagvaarding in zoverre nietig verklaren.\n\nVrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde\n\nDe verdachte staat ingevolge hetgeen aan hem onder feit 1 ten laste is gelegd terecht ter zake van het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten valsheid in geschrift, belastingfraude en witwassen, terwijl de verdachte daarvan leider was.\n\nHet hof stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting vast dat er meer dan voldoende bewijs voorhanden is dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een grootschalige BTW-fraude in de autohandel. Die fraude heeft niet anders dan binnen een crimineel samenwerkingsverband kunnen plaatsvinden. Uit de heden eveneens uitgesproken en ten laste van medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] gewezen arresten komt naar voren dat zij een rol binnen dat samenwerkingsverband hebben gehad, welke rol in strafrechtelijke zin als deelneming aan een criminele organisatie moet worden aangemerkt. Uit het procesdossier komt verder naar voren dat medeverdachte [medeverdachte 1] een leidende rol binnen de gepleegde BTW-fraude heeft vervuld.\n\nIn de onderhavige zaak dient het hof evenwel de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze criminele organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is dienaangaande het volgende naar voren gekomen. Medeverdachte [medeverdachte 9] heeft verklaard dat hij onder meer voor de verdachte rechtstreeks auto’s heeft opgehaald bij [onderneming 15] in Duitsland. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij eveneens voor de verdachte auto’s bij dat Duitse bedrijf heeft opgehaald, meestal met een transporter van de verdachte, waarvoor hij door de verdachte contant werd betaald.\n\nDe directeur van [onderneming 15] , [directeur onderneming 15] , heeft als getuige verklaard dat de verdachte telefonisch contact met zijn [autobedrijf verdachte] had om te informeren naar bepaalde voertuigen. De verdachte zou ook voertuigen hebben besteld en hebben gemeld welke firma de voertuigen kwam afhalen en op welke firma de voertuigen moesten worden gefactureerd. De verdachte zou volgens [directeur onderneming 15] de auto’s zelf hebben uitgezocht. Medeverdachte [medeverdachte 1] kocht ook vaak bij hem in, aldus getuige [directeur onderneming 15] .\n\nDe verdachte heeft de verklaring van [directeur onderneming 15] waaruit zijn betrokkenheid bij het inkopen van auto’s in Duitsland ten overstaan van het hof ten stelligste bestreden. De verdachte stelt dat hij nimmer zelf voertuigen bij [onderneming 15] heeft ingekocht, maar dat hijzelf zijn voertuigen alleen inkocht via medeverdachte [medeverdachte 1] . De verdachte voelt zich misbruikt door medeverdachte [medeverdachte 1] en stelt dat [medeverdachte 1] en [directeur onderneming 15] de schuld op hem proberen af te schuiven, nadat zij zijn geconfronteerd met belastingcontroles. In dat verband heeft de verdachte aangevoerd dat [directeur onderneming 15] in 2010, nadat de FIOD bij de verdachte een inval had gedaan en [onderneming 15] onderzocht werd door de Duitse fiscus, bij hem op zijn bedrijf is geweest met een stapel door [medeverdachte 1] te tekenen koopcontracten om zijn administratie kloppend te maken. Bij die gelegenheid zou [directeur onderneming 15] de verdachte een beloning van € 25.000,00 in het vooruitzicht hebben gesteld als hij hem in contact zou kunnen brengen met [medeverdachte 1] om dit te bewerkstelligen.\n\nHet hof stelt vast dat getuige [directeur onderneming 15] pas in zijn tweede verhoor en in vrij algemene zin heeft verklaard over de rol van de verdachte en dat die verklaring geen nadere steun vindt in andere bewijsmiddelen. Weliswaar lijken de in 2010 aangetroffen voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte] met daarop handgeschreven (inkoop)bedragen op het eerste gezicht steun te bieden aan de verklaring van [directeur onderneming 15] , doch het hof heeft geconstateerd dat de daarop vermelde auto’s afkomstig zijn van [onderneming 14] in Duitsland en niet van [onderneming 15] . Daarbij komt dat [directeur onderneming 14] van [onderneming 14] als getuige niet heeft verklaard over de verdachte als zijnde de persoon die bij [onderneming 14] de auto’s inkocht. Dat was immers steeds medeverdachte [medeverdachte 1] . In de getuigenverklaring van [directeur onderneming 14] is aldus veeleer ondersteuning te vinden voor de verklaring van de verdachte, dan dat deze getuigenverklaring de verklaring van [directeur onderneming 15] ondersteunt.\n\nVoorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de getuigenverklaring van [getuige 1] , echtgenote van [echtgenoot getuige 1] , die heeft verklaard dat [directeur onderneming 15] haar – bij afwezigheid van haar echtgenoot omdat hij in de gevangenis zat – thuis onder druk heeft gezet om papieren met betrekking tot auto’s (onder meer afhaalverklaringen) te tekenen.\n\nHet voorgaande maakt dat er bij het hof twijfels zijn gerezen over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [directeur onderneming 15] . Om die reden kan niet zonder meer, zonder nadere ondersteuning, van de juistheid van zijn belastende getuigenverklaring met betrekking tot de rol van de verdachte uit worden gegaan, zodat die verklaring naar ’s hofs oordeel niet in doorslaggevende zin tot het bewijs in deze zaak kan bijdragen.\n\nMet betrekking tot een mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de gebruikte plofbedrijven die in de constructie van de BTW-fraude een essentiële rol hebben gespeeld heeft medeverdachte [medeverdachte 4] verklaard dat zij de bankrekening van [onderneming 10] B.V. op haar naam heeft laten zetten op verzoek van medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de verdachte. Het procesdossier ontbeert verdere concrete aanknopingspunten op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verdachte gedragingen heeft verricht in relatie tot de plofbedrijven die bij de BTW-fraude zijn gebruikt.\n\nHet hof is van oordeel dat aan de hiervoor beschreven gedragingen van de verdachte niet het wettige bewijs kan worden ontleend dat die gedragingen strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie. Dat maakt dat het bewijs ervoor tekort schiet om tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde te kunnen komen. Het hof zal de verdachte derhalve daarvan vrijspreken.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat er met betrekking tot de in- en verkoop van auto’s, waarop de onder feit 2 bedoelde facturen zien, grootschalige BTW-fraude is gepleegd. Om tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde te kunnen komen is onder meer vereist dat in rechte kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op de valsheid van de facturen betreffende de transactie(s) met betrekking tot een bepaalde auto. Daarvoor is noodzakelijk dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de valsheid van die betreffende facturen. Indien blijkt dat de verdachte wist dat in een opeenvolging van transacties met betrekking tot een bepaalde auto bij een transactie met betrekking tot die auto (in betrekkelijk korte tijd) sprake was van een prijsval ten opzichte van een eerdere transactie met betrekking tot diezelfde auto, dan draagt dat bij tot het bewijs daarvoor. In het handelsverkeer is immers een prijsdaling bij opvolgende verkooptransacties met betrekking tot hetzelfde voorwerp (auto) zonder dat concreet sprake is van een (aanwijsbare oorzaak voor een) waardedaling van dat voorwerp, zeer ongewoon. Het hof heeft daarom bij de in verband met de in de tenlastelegging opgenomen facturen aan de orde zijnde in- of verkooptransacties ten aanzien van desbetreffende voertuigen afzonderlijk beoordeeld of sprake is geweest van een dergelijke prijsval.\n\nHet hof is allereerst met de rechtbank van oordeel dat de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde verkoopfacturen (laatste twee gedachtestreepjes) niet als vals kunnen worden aangemerkt. De met [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V. gesloten verkopen waren voor de verdachte een middel om financiering te verkrijgen voor de aankopen die hij deed. Welke vennootschappen hem in dat kader financierden en op welke wijze zij die financiering regelden, was voor de verdachte niet belangrijk. [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V. zijn bij de litigieuze autotransacties betrokken geraakt door de relatie die zij hadden met [medeverdachte 8] , met wie de verdachte zaken deed. In de onherroepelijke vonnissen, door de rechtbank gewezen in de zaken tegen [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V., heeft de rechtbank geconcludeerd dat deze beide vennootschappen geacht moeten worden de beschikkingsmacht te hebben gehad over de door hen bij de verdachte gekochte auto’s, dat zij niet bekend waren met het bestaan van een prijsval of met de prijzen die in Duitsland werden betaald en dat zij geen wetenschap hadden van de BTW-fraude en tenslotte dat van een valselijk opgemaakte administratie bij deze vennootschappen geen sprake is. Op grond daarvan dienen de tussen de verdachte en [autobedrijf 1] B.V. respectievelijk [autobedrijf 2] B.V. gesloten verkopen als in het handelsverkeer gebruikelijke transacties te worden beschouwd. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van de in de tenlastelegging bedoelde verkoopfacturen.\n\nMet betrekking tot de inkoopfacturen geldt het volgende. Tijdens het vooronderzoek zijn voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte] uit de periode van 2 maart tot en met 6 december 2010 in beslag genomen, waarop in de linkermarge met pen handgeschreven bedragen zijn vermeld. Aan de hand van die voorraadlijsten met auto’s, van welke auto’s het merendeel is ingekocht bij [onderneming 14] in Duitsland en welke auto’s via de in de tenlastelegging genoemde (plof)bedrijven zijn verkocht aan [autobedrijf verdachte] , heeft het hof onderzocht of sprake was van een prijsval en of de verdachte daar wetenschap van had. Het hof heeft, zoals hierna onder B.4 en B.5 zal worden overwogen, met betrekking tot de voorraadlijst die in de jaszak van de verdachte is aangetroffen en waarvan aldus – in combinatie met de vaststelling dat het zijn handschrift betreft – kan worden vastgesteld dat hij daar gebruik van heeft gemaakt, geconcludeerd dat ter zake van vijf transacties sprake is geweest van een prijsval aan de inkoopzijde én dat de verdachte daarvan wetenschap moet hebben gehad. Het hof heeft die conclusie niet kunnen trekken ten aanzien van overige tenlastegelegde inkoopfacturen. Daarvoor is het wettige bewijs namelijk niet toereikend. In zoverre zal het hof de verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde\n\nNu, behoudens de hierna te bespreken vijf inkoopfacturen, het bewijs ervoor tekort schiet om te kunnen oordelen dat de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde facturen vals zijn en dat met het opnemen daarvan (een deel van) de bedrijfsadministratie van [autobedrijf verdachte] valselijk is opgemaakt, kan evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat de aangiften omzetbelasting over de maanden oktober 2006 tot en met april 2010 en juni 2010 tot en met oktober 2010 onjuist zijn gedaan. Die facturen liggen immers aan de aangiften over de genoemde aangiftetijdvakken ten grondslag. Het hof zal de verdachte dan ook partieel vrijspreken van het onder feit 3 tenlastegelegde.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 4 tenlastegelegde\n\nAangezien de verdachte partieel zal worden vrijgesproken van het onder feit 2 en onder feit 3 tenlastegelegde is het hof van oordeel dat de grondslag aan de witwasverdenking, zoals onder feit 4 in de aanhef en sub B, C, J en L aan de verdachte ten laste is gelegd, komt te ontvallen. Dat maakt dat het onder feit 4 tenlastegelegde in zoverre niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, reden waarom het hof de verdachte daarvan zal vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n2. hij, verdachte, op tijdstippen in de periode van 24 november 2010 tot en met 7 december 2010 te Veen, in de gemeente Aalburg, een deel van de bedrijfsadministratie van zijn onderneming, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , zijnde een samenstel van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk valselijk in die bedrijfsadministratie voornoemd doen of laten opnemen en\u002Fof verwerken, 5 valse inkoopfacturen, waaronder 2 inkoopfacturen uit de periode van november 2010, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [onderneming 10] B.V. en telkens gericht aan [autobedrijf verdachte] , terwijl in werkelijkheid geen sprake was van tussen die ondernemingen overeengekomen transacties zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en terwijl in werkelijkheid sprake was van door die ondernemingen opgezette transacties met het doel om henzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat, zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;\n\n3. hij, verdachte, op 25 juni 2010 in Nederland opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten aangifte voor de omzetbelasting op naam van [verdachte] , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten over het maandelijkse aangiftetijdvak mei 2010, onjuist heeft laten doen, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk in het bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn langs elektronische weg ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemd aangiftetijdvak een te hoog bedrag aan voorbelasting doen of laten opgeven en een te laag\u002Fonjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting doen of laten opgeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;\n\n4.\n\nhij, verdachte, in de periode van 25 juni 2010 tot en met 22 oktober 2010 in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode een voorwerp, te weten een bedrag groot € 207.371,00, althans enig geldbedrag, voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag geheel onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf, door vanaf de bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) geldbedragen in contanten op te nemen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof pinbetalingen te verrichten en\u002Fof te laten verrichten vanaf die bankrekening.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Daarin wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Belastingdienst\u002FFIOD, kantoor Rotterdam, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst\u002FFIOD, dossiernummer 45590, onderzoek ‘Kameleon’, gesloten d.d. 17 januari 2012, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de Belastingdienst\u002FFIOD met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-6299.\n\nBewijsoverwegingen\n\nA.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.\n\nDe verdachte kocht auto’s in bij de bedrijven van medeverdachte [medeverdachte 1] . De verdachte had geen wetenschap van de Duitse aankoopprijzen van die auto’s die [medeverdachte 1] bij de Duitse autohandelaren had betaald. Er zijn voorts in de visie van de verdediging verklaarbare legale redenen voor een prijsval in de facturenketen, waardoor de tussenverkopers (waaronder de verdachte) en de uiteindelijke afnemers van de auto’s geen argwaan hoefden te hebben dat er sprake zou zijn van fraude. Tevens is er volgens de raadsman geen bewijs voor de wetenschap aan de zijde van de verdachte dat de plofbedrijven betrokken waren bij BTW-fraude en evenmin dat hij op enigerlei wijze daarbij was betrokken. Het feit dat er uit de getapte telefoongesprekken van de verdachte niet valt op te maken dat prijsafspraken in het kader van BTW-fraude zijn gemaakt, is wat de raadsman betreft een sterke contra-indicatie voor hetgeen de verdachte wordt verweten. Het is in de visie van de verdediging juist medeverdachte [medeverdachte 1] geweest die de kwade genius was achter de BTW-fraude, waarbij hij door de zijnen werd geholpen.\n\nDe verdachte stelt zich op het standpunt dat de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst van 6 december 2010 (documentnummer D-0059-c, dossierpagina 2777) – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – niet de Duitse inkoopprijzen van de auto’s betreffen, maar de inkoopprijs die de verdachte heeft betaald aan de in de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gelieerde bedrijven. De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om de FIOD opdracht te geven om aan de hand van de chassisnummers de facturen van de betreffende transacties en de betalingen van de verdachte aan de betreffende bedrijven na te gaan om de stelling van de verdachte te kunnen verifiëren.\n\nMet betrekking tot het onder feit 3 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat de Belastingdienst bij het autobedrijf van de verdachte een boekenonderzoek heeft ingesteld en daarvoor meerdere keren bij het autobedrijf langs is geweest. De fiscus heeft echter nimmer onregelmatigheden in de facturen opgemerkt. De verdachte heeft telkens BTW teruggevraagd en teruggekregen van de Belastingdienst. Tegen die achtergrond vermag de verdediging niet in te zien waarom de verdachte het verwijt van het doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting kan worden gemaakt.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nB.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het procesdossier zijn met betrekking tot het onder feit 2, feit 3 en onder feit 4 tenlastegelegde de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Het hof zal hierna tevens ingaan op de door de verdediging gevoerde bewijsverweren.\n\nB.1Aanleiding onderzoek KameleonDe Belastingdienst heeft een controle in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme ingesteld bij [autobedrijf verdachte] , de eenmanszaak van de verdachte. Daarbij zijn in 2008 inkoopfacturen ten name van een aantal bedrijven meegenomen. Onderzoek naar deze facturen leverde het strafrechtelijke vermoeden op dat er sprake zou kunnen zijn van valse facturen en fiscale fraude. Daaropvolgend is op 3 juni 2010 onder leiding van de officier van justitie bij het Functioneel Parket door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart met de onderzoeksnaam ‘Kameleon’. Tijdens het onderzoek ontstond de verdenking dat auto’s die door [autobedrijf verdachte] werden ingekocht in Duitsland via een fictieve dan wel valse facturenstroom aan [autobedrijf verdachte] werden doorgefactureerd. Daarbij zouden de Duitse leveranciers tegen het 0% BTW-tarief – vanwege de omstandigheid dat het intracommunautaire leveringen betrof – factureren aan zogenoemde (Nederlandse) plofbedrijven, zijnde niet daadwerkelijk bestaande dan wel daadwerkelijk handelende bedrijven. Die bedrijven deden over de door hen bij verkoop van die ingekochte auto’s verkregen behaalde omzet – waarbij BTW aan de kopers in rekening werd gebracht – geen of onjuiste aangiften omzetbelasting en droegen verschuldigd geworden omzetbelasting niet op aangifte af. Op naam van deze plofbedrijven zouden de auto’s inclusief BTW worden gefactureerd aan [autobedrijf verdachte] , waarmee de plofbedrijven verlies zouden lijden aangezien deze bedrijven een netto-verkoopprijs (prijs exclusief BTW) hanteerden die lager lag dan hun inkoopprijs bij de Duitse leveranciers. Hierdoor ontstond een prijsval, omdat de plofbedrijven de verschuldigde BTW niet afdroegen, terwijl [autobedrijf verdachte] de aan hem in rekening gebrachte BTW wel als voorbelasting in aftrek bracht bij zijn aangiften omzetbelasting.\n\nB.2Voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte]\n\nDe verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat er binnen zijn autobedrijf gewerkt werd met voorraadlijsten. De lijsten met het opschrift ‘Voorrraadlijst’ komen hem bekend voor. De verdachte gebruikte die lijsten bij de verkooponderhandelingen met zijn afnemers. De verdachte was degene die steeds onderweg was om in auto’s te handelen. De broer van de verdachte, [broer verdachte] , deed op het autobedrijf van de verdachte in [plaats] de administratie en hij verwerkte de inkoopfacturen daarin. De verdachte gaf altijd aan zijn broer door welke prijs hij voor een auto had betaald. De verdachte keek ook wel eens naar een ingekomen factuur, maar heeft zich naar eigen zeggen niet met elke factuur bemoeid. De verdachte deed veel zaken met [medeverdachte 1] . De verdachte kreeg voor de auto’s die hij bij [medeverdachte 1] had gekocht van hem per fax een factuur toegestuurd. Die facturen waren volgens de verdachte afkomstig van de bedrijven van [medeverdachte 1] , waaronder [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA.\n\nUit het procesdossier komt naar voren dat er tijdens het vooronderzoek op 9 december 2010 in de woning van [zoon verdachte] , de zoon van de verdachte, aan de [adres] een doorzoeking heeft plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is in de jaszak van de verdachte een uitgeprinte of getypte voorraadlijst aangetroffen en in beslag genomen. Die voorraadlijst bestond uit twee pagina’s en had als opschrift ‘Voorrraadlijst 02-12-2010’.Op de voorraadlijst is per auto ‘opgetypt’ om welk merk, welk type, welke kleur, welk bouwperiode (maand en jaar), welke kilometerstand, welk chassisnummer en welke verkoopprijs c.q. vraagprijs het gaat. Bij elke auto is voorts in de linkermarge telkens handgeschreven een andere prijs vermeld. Die prijs is steeds aanmerkelijk lager dan de getypte verkoopprijs c.q. vraagprijs.\n\nB.3Voorraadlijst van 2 december 2010 en het daarop vermelde handschrift\n\nHet hof acht, gezien de locatie waar de voorraadlijst van 2 december 2010 is aangetroffen (te weten in de jaszak van de verdachte), met name die voorraadlijst van belang in relatie tot hetgeen de verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd. In dat verband heeft het hof zich de vraag gesteld of het handschrift waarmee de handgeschreven bedragen in de linkermarge zijn geschreven het handschrift van de verdachte betreft. Het hof acht dat aannemelijk en overweegt daartoe als volgt.\n\nAan getuige [getuige 2] is door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Middelburg, een voorraadlijst getoond die in gebruik was bij het [autobedrijf verdachte] van de verdachte.Getuige [getuige 2] heeft daarop verklaard dat hij die voorraadlijsten herkende als lijsten waarmee ‘ [broer verdachte] ’ bij het [autobedrijf verdachte] waar hij werkzaam was kwam om te kijken of zij in één of meer van de op die lijst vermelde auto’s geïnteresseerd waren.Het hof stelt vast dat in plaats van [broer verdachte] de verdachte bedoeld zal zijn, gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij steeds op weg was om in auto’s te handelen en in aanmerking genomen dat zijn broer [broer verdachte] uitsluitend de administratie van het [autobedrijf verdachte] verzorgde.\n\nVoorts zijn aan de getuige [getuige 2] lijsten getoond met bijlagenummers D-04 en D-05.Getuige [getuige 2] heeft daarop verklaard dat die lijsten hem bekend voorkomen. Daarop staan auto’s die van [verdachte] waren gekocht. Die lijst werd door [verdachte] gemaakt, aldus getuige [getuige 2] .\n\nHet hof heeft in raadkamer het handschrift in de tabellen op de lijsten met bijlagenummers D-04 en D-05 vergeleken met het handschrift op de voorraadlijst van 2 december 2010 en heeft geconstateerd dat daarin dusdanig grote overeenkomsten zijn te zien, dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat sprake is van hetzelfde handschrift. Daarbij heeft het hof onder meer acht geslagen op de kenmerkende wijze waarop de cijfers 7, 8 en 9 zijn geschreven. Gezien de verklaring van getuige [getuige 2] dat de verdachte deze lijsten heeft gemaakt en in aanmerking genomen dat hetzelfde handschrift te zien is op een door het [autobedrijf verdachte] van de verdachte per fax verstuurde handgeschreven notitie waarop zeven auto’s staan vermeld, is het hof van oordeel dat het steeds gaat om het handschrift van de verdachte. Het andersluidende standpunt van de verdachte, meer bepaald dat opsporingsambtenaren van de FIOD deze bedragen op de lijsten hebben bijgeschreven, welke stelling op geen enkele wijze is onderbouwd, wordt derhalve door het hof als zijnde onaannemelijk verworpen.\n\nHet voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat genoegzaam is gebleken dat de verdachte van de voorraadlijst van 2 december 2010 gebruik heeft gemaakt, aangezien hij de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst heeft geschreven en die lijst bij zich heeft gedragen. Dat laat naar ’s hofs oordeel geen andere conclusie toe dan dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de op die lijst vermelde gegevens.\n\nB.4Transacties met betrekking tot vijf op de voorraadlijst van 2 december 2010 vermelde auto’s\n\nHet hof heeft in raadkamer een nader onderzoek ingesteld naar de inkoopzijde van de op de voorraadlijst van 2 december 2010 vermelde auto’s en daarmee samenhangende facturenstroom. In dat kader is gebruik gemaakt van het door de FIOD opgestelde digitale Excelbestand.In het digitale bestand zijn de gegevens met betrekking tot alle tijdens het vooronderzoek aangetroffen facturen en koopovereenkomsten (onder de nummers F\u002F0001 t\u002Fm F\u002F7475) van de bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken bedrijven en personen opgenomen, waaronder de herkomst van de betreffende factuur, de meldcode van de op de factuur vermelde auto (de laatste 4 cijfers van het chassisnummer) en de op de factuur genoemde prijs (al dan niet inclusief BTW). Deze gegevens zijn overgenomen van de aan- en verkoopfacturen en koopovereenkomsten van de betrokken bedrijven en (mede)verdachte(n). Aan de hand van dit bestand zijn per auto dan wel per meldcode transacties geselecteerd en geanalyseerd, zodat telkens kon worden vastgesteld via welke facturenstroom een auto is verkocht. De tijdens het vooronderzoek aangetroffen facturen en koopovereenkomsten hebben betrekking op 1663 auto’s in de periode van 2006 tot en met 2010, bijna allemaal afkomstig uit Duitsland en voornamelijk van het merk Mercedes. De hierna te noemen auto’s die op de voorraadlijst van 2 december 2010 staan vermeld zijn ook te vinden in het digitale Excelbestand, edoch het hof heeft geconstateerd dat de facturen van de verkopen van die auto’s zelf door de officier van justitie niet aan het dossier zijn toegevoegd.\n\nHet hof heeft bij vorenbedoeld onderzoek in raadkamer geconstateerd dat vijf auto’s, via [onderneming 10] B.V. dan wel via [onderneming 13] BVBA, afkomstig zijn van [onderneming 14] in Duitsland en waarbij de handgeschreven bedragen in de linkermarge gelijkluidend zijn aan de prijzen waarvoor de auto door [onderneming 14] in Duitsland is verkocht. De bevindingen aangaande die auto’s zijn als volgt:\n\ni. De eerste auto is een Mercedes E 200 CDI, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 04\u002F10, kilometerstand 22000, met chassisnummer [chassisnummer 1] en een vraagprijs van € 31.500,00 inclusief BTW.Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 26.500,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202590 (in het dossier aangeduid als: F-2634) op 30 november 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 10] B.V. voor een bedrag van € 26.500,00.\n\nii. De tweede auto is een Mercedes E 250 T CGI, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 03\u002F10, kilometerstand 25500, met chassisnummer [chassisnummer 2] en een vraagprijs van € 34.750,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 30.600,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202570 (in het dossier aangeduid als: F-2627) op 24 november 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 10] B.V. voor een bedrag van € 30.600,00.\n\niii. De derde auto is een Mercedes E 350 CGI, kleur wit\u002Fzwart, bouwperiode 10\u002F09, kilometerstand 20000, met chassisnummer [chassisnummer 3] en een vraagprijs van € 47.500,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 42.600,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202198 (in het dossier aangeduid als: F-2726) op 11 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 42.600,00.\n\niv. De vierde auto is een Mercedes E 350 CGI, kleur wit\u002Fzwart, bouwperiode 11\u002F09, kilometerstand 12000, met chassisnummer [chassisnummer 4] en een vraagprijs van € 47.500,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 43.000,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202245 (in het dossier aangeduid als: F-2727) op 28 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 43.000,00.\n\nv. De vijfde auto is een Mercedes CL 500, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 10\u002F09, kilometerstand 17800, met chassisnummer [chassisnummer 5] en een vraagprijs van € 85.000,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 74.700,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 1209030 (in het dossier aangeduid als: F-2753) op 14 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 74.700,00.\n\nB.5Prijsval en valselijk opmaken van (een deel van) de bedrijfsadministratie\n\nWezenskenmerk van BTW-fraude is dat in de fraudeketen in de regel één keer een prijsdaling of prijsval plaatsvindt, waarbij door een ondernemer wordt verkocht voor een lagere nettoprijs dan waarvoor hij heeft ingekocht (exclusief BTW). De prijsval treedt veelal op bij het plofbedrijf, dat de BTW welke dat bedrijf in rekening brengt op zijn verkoop niet afdraagt aan de Belastingdienst. Door het niet afdragen van de BTW is het plofbedrijf, ondanks het verlies waarmee hij doorlevert, in staat om alsnog (een kleine) winst te maken.\n\n [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA hebben de betreffende auto’s volgens de daarvan opgemaakte facturen telkens ingekocht bij [onderneming 14] . Uit het vorenoverwogene volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte in ieder geval op de hoogte was van de inkoopprijzen van de vijf genoemde auto’s bij [onderneming 14] in Duitsland. De omstandigheid dat de door de verdachte handgeschreven bedragen met betrekking tot de vijf auto’s exact overeenkomen met de uit het dossier naar voren komende Duitse inkoopprijzen, laat immers geen andere conclusie toe dan dat de verdachte van die inkoopprijzen op de hoogte was. Het hof stelt aan de hand van de gehanteerde prijzen vast dat bij [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA een prijsval moet hebben opgetreden, omdat het verschil van de Duitse inkoopprijs en de door de verdachte gehanteerde verkoopprijs steeds minder dan 19% (zijnde het toentertijd geldende BTW-tarief) bedraagt en de door de verdachte gehanteerde verkoopprijzen exclusief BTW telkens lager zijn dan de Duitse inkoopprijs. Nu de verdachte wetenschap had van de Duitse inkoopprijs, kan het niet anders zijn dan dat hij – zeker als door de wol geverfde autohandelaar – moet hebben geweten dat de tussen de betrokken ondernemingen overeengekomen prijzen niet tot stand kunnen zijn gekomen op een wijze als gebruikelijk is in het handelsverkeer en waarbij aldus een prijsval moet zijn opgetreden. Daarmee heeft hij minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij betrokken is geraakt in een BTW-fraudeketen, waarbij in werkelijkheid sprake was van door die ondernemingen opgezette transacties met het doel om henzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat.\n\nDe door de raadsman ten verwere aangevoerde omstandigheid dat uit de getapte telefoongesprekken van de verdachte niet valt op te maken dat hijzelf prijsafspraken in het kader van BTW-fraude zou hebben gemaakt kan aan het voorgaande niet afdoen. Voorts zijn naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunten in het procesdossier te vinden die de conclusie kunnen wettigen dat sprake zou zijn van ‘legale redenen’ voor de prijsval, zoals de verdediging heeft beweerd. Nu dergelijke redenen ook overigens op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk zijn geworden, kan de conclusie geen andere zijn dan dat die prijsval heeft plaatsgehad in het kader van strafbare BTW-fraude.\n\n De inkoopfacturen afkomstig van de plofbedrijven [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA zijn naar het oordeel van het hof als intellectueel vals in de zin der wet aan te merken. De inhoud van die facturen stemt immers niet overeen met hoe een gebruikelijke transactie in het handelsverkeer tot stand zou zijn gekomen en de opmaak van die factuur heeft mede tot doel gehad om een frauduleuze prijsval te creëren teneinde, aan de hand van die facturen, BTW-fraude te kunnen plegen.\n\nDoor onder voormelde omstandigheden de valse facturen te doen of laten opnemen in de bedrijfsadministratie, is het hof van oordeel dat een deel van die administratie opzettelijk valselijk is opgemaakt. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde, voor zover dat betrekking heeft op de hiervoor aangehaalde facturen van [onderneming 10] B.V. (2 stuks) en [onderneming 13] BVBA (3 stuks).\n\nB.6Verzoek opdracht aan FIOD om de voorraadlijst van 6 december 2010 te controlerenHet verzoek om de FIOD aan de hand van de inkoopfacturen en betaalstromen te laten controleren of de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst van 6 december 2010 de Duitse inkoopprijzen van de auto’s betreffen, of – zoals de verdachte beweert – de inkoopprijs die hij heeft betaald aan de in de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gelieerde bedrijven, wordt door het hof als niet noodzakelijk zijnde afgewezen, aangezien enerzijds de op die voorraadlijst vermelde transacties geen verband houden met hetgeen onder feit 2 bewezen zal worden verklaard en anderzijds omdat het hof in raadkamer zelf in staat is geweest om de (on)juistheid van de stelling van de verdachte te onderzoeken.\n\nB.7Onjuiste aangifte omzetbelasting over mei 2010Uit het procesdossier komt naar voren dat fiscaal adviesbureau [fiscaal adviesbureau] de administratie van [autobedrijf verdachte] over de jaren 2006 tot en met 2010 verzorgde. Uit daarnaar ingesteld onderzoek volgt dat onder meer over de maand mei 2010 op aangifte teruggave van voorbelasting is verzocht op basis van facturen afkomstig van [onderneming 10] B.V.De aangifte over dat tijdvak is op 25 juni 2010 elektronisch binnengekomen bij de centrale administratie van de Belastingdienst te Apeldoorn.\n\nGetuige [getuige 3] van het gelijknamige fiscaal adviesbureau heeft verklaard dat in opdracht van de verdachte de aangiften omzetbelasting voor [autobedrijf verdachte] werden verzorgd. Er werd maandelijks aangifte gedaan via de computer. De bescheiden werden altijd aangeleverd door zijn broer [broer verdachte] .\n\nDe broer van de verdachte, [broer verdachte] , heeft als getuige verklaard dat de administratieve gegevens door hem werden gebracht naar [fiscaal adviesbureau] . Het kwam ook voor dat de administratie werd opgehaald. [broer verdachte] legde de administratieve bescheiden op volgorde en deed de bankbetalingen en de kasadministratie. De verkoopfacturen werden door hem opgemaakt. Dit alles gebeurde volgens hem in opdracht van de verdachte.\n\nHet hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte de aangifte omzetbelasting over mei 2010 ten name van hemzelf (zijn eenmanszaak) heeft laten doen. Die aangifte is onjuist gedaan, omdat ten onrechte tegen het tarief van 19% BTW voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek is genomen met betrekking tot de facturen die afkomstig waren van [onderneming 10] B.V.Als sprake is van fraude, zoals in casu aan de orde, had de verdachte – die bovendien van die fraude af heeft geweten, althans heeft moeten weten – niet dat bedrag aan voorbelasting in aftrek mogen nemen. Immers, naar bestendige jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient aan een belastingplichtige de toepassing te worden geweigerd van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de BTW, indien aan de hand van objectieve gegevens vast komt te staan dat deze belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de BTW in het kader van een keten van leveringen. Dit geldt niet alleen wanneer de belastingplichtige zich zelf schuldig maakt aan belastingfraude, maar ook wanneer een belastingplichtige wist of had moeten weten dat de handeling waaraan hij deelnam, onderdeel was van BTW-fraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen actief was.Mutatis mutandis is eveneens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. In aanmerking genomen dat de verdachte, zoals hiervoor onder B.5 is overwogen, wetenschap heeft gehad van de valsheid van de inkoopfacturen van [onderneming 10] B.V., kan naar ’s hofs oordeel eveneens worden vastgesteld dat de aan de hand van die facturen gedane aangifte omzetbelasting opzettelijk onjuist is gedaan. Het hof komt aldus eveneens tot een gedeeltelijke bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde.\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog aangevoerd dat de Belastingdienst in 2007 en 2008 een boekenonderzoek heeft uitgevoerd en toen geen onregelmatigheden heeft geconstateerd. Ter adstructie daarvan is een rapport van de fiscus overgelegd. Nog afgezien van het feit dat dit boekenonderzoek voornamelijk tot doel heeft om te controleren of de administratie aansluit op de ingediende aangiften omzetbelasting, behoeft dit verweer geen nadere bespreking omdat dit boekenonderzoek betrekking had op de aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting over de jaren 2003 tot en met 2006, terwijl de onjuiste aangifte ziet op het tijdvak mei 2010.\n\nB.8Witwassen van een bedrag van € 207.371,00\n\nHet hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van het onder feit 4 sub A in de tenlastelegging genoemde geldbedrag. In dat verband overweegt het hof als volgt.\n\nVoor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende in rechte komt vast te staan dat het desbetreffende geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.\n\nHet hof is van oordeel dat sprake is van voldoende bewijs op grond waarvan een rechtstreeks verband valt te leggen tussen (een deel van) het tenlastegelegde geldbedrag, te weten tot een bedrag van € 207.371,00, en een bepaald misdrijf. De verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting over mei 2010. Er is bij het doen van die aangifte op 25 juni 2010 ten onrechte voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek genomen. Daarmee heeft de verdachte eveneens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. Het hof stelt vast dat de verdachte aldus een besparing heeft gerealiseerd, omdat hij – na aftrek van de voorbelasting waarop hij geen recht had – slechts een bedrag een € 3.884,00 aan verschuldigde omzetbelasting aan de fiscus op aangifte heeft afgedragen, terwijl dat een bedrag van € 211.255,00 had moeten zijn.Hiermee is sprake van een gronddelict voor het witwassen.\n\nNiettegenstaande dat de Belastingdienst, naar aanleiding van de onjuist gedane aangifte omzetbelasting over mei 2010, geen gelden aan de verdachte heeft betaald omdat het saldo van de aangifte resulteerde in een positief en dus af te dragen bedrag aan omzetbelasting, is het hof van oordeel dat het niet aan de fiscus afgedragen bedrag (de hiervoor bedoelde besparing) kan worden aangemerkt als een ‘voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig uit enig misdrijf’ in de zin van artikel 420bis en artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht, welk voorwerp kan worden witgewassen. De verdachte is aldus, door het (laten) doen van onjuiste aangifte omzetbelasting over mei 2010, over een vermogensbestanddeel ter waarde van de ontdoken omzetbelasting de beschikking blijven houden, terwijl hij daartoe niet gerechtigd was. Dat niet afgedragen vermogensbestanddeel is daarmee als ware ‘van kleur verschoten’, te weten van – verondersteld – legaal geld naar crimineel geld. Daarmee is het bedrag van € 207.371,00 naar ’s hofs oordeel onmiddellijk afkomstig uit enig misdrijf.\n\nBij de Rabobank werd door de verdachte, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , een bankrekening aangehouden met nummer [rekeningnummer 1] .Het van misdrijf afkomstige geldbedrag ad € 207.371,00 is vermengd geraakt met de overige geldbedragen op die rekening die door middel van (verondersteld) legale activiteiten zijn verkregen, waardoor het aldus vermengde vermogen – en nadien elke betaling en opname daaruit – kan worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig.\n\nUit de bewijsmiddelen komt naar voren dat van voormelde bankrekening in 2010 contante geldopnamen zijn gedaan ten bedrage van € 195.830,00 en in datzelfde jaar betalingen bij betaalautomaten zijn gedaan ten bedrage van € 12.557,00.Voorts heeft in 2010 met betrekking tot die bankrekening tot een bedrag van € 87.500,00 aan contante kasopnamen bij de bank plaatsgevonden.Deze vaststellingen zijn gedaan aan de hand van de bankafschriften, waarvan de laatste is gedateerd op 22 oktober 2010.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg voor de rechtbank verklaard dat de contante opnamen van zijn rekening werden gedaan door zijn broer, in opdracht van hemzelf. Contante betalingen werden gedaan door hemzelf of door zijn broer, in zijn opdracht.\n\nHet hof is van oordeel, gelet op de omstandigheden dat het de bankrekening betrof van de eenmanszaak van de verdachte waarover hij als gerechtigde tot die bankrekening als heer en meester kon beschikken, hij het geldbedrag van € 207.371,00 voorhanden heeft gehad. Ten minste een deel van dit bedrag is eveneens omgezet, doordat de verdachte in ieder geval geldbedragen van zijn bankrekening heeft opgenomen, althans laten opnemen, en de bedragen daarmee van chartaal naar giraal geld heeft omgezet. Voorts zijn bij betaalautomaten betalingen gedaan vanaf de bankrekening.\n\nGelet op het voorgaande zien de witwashandelingen van de verdachte naar het oordeel van het hof zowel op het voorhanden hebben, omzetten als gebruik maken van het geldbedrag van € 207.371,00, althans in ieder geval van een deel daarvan. Het onder feit 4 tenlastegelegde kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.\n\nC.\n\nAldus falen alle tot vrijspraak strekkende verweren. Het hof verwerpt mitsdien de verweren van de verdediging in al hun onderdelen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nAangezien, zoals hiervoor onder B.8 is overwogen, naast het voorhanden hebben van het uit eigen misdrijf afkomstige geldbedrag ad € 207.371,00, eveneens sprake is geweest van omzettingshandelingen en van het gebruik maken van dat geldbedrag, vindt de kwalificatieuitsluitingsgrond ter zake van witwassen geen toepassing. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld en waartoe de advocaat-generaal heeft gerequireerd, zal het hof de verdachte dan ook niet in zoverre van het onder feit 4 tenlastegelegde ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nEr zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 2 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nvalsheid in geschrift.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 3 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 4 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nwitwassen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, het opzettelijk onjuist doen van een belastingaangifte en witwassen.\n\nDe verdachte was werkzaam als autohandelaar. Hij heeft vijf valse inkoopfacturen die te maken hadden met grootschalige BTW-fraude in zijn administratie laten opnemen en daarmee (een deel van) zijn bedrijfsadministratie valselijk opgemaakt. Voorts heeft de verdachte een onjuiste aangifte omzetbelasting laten doen. Bij die aangifte is voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek genomen, terwijl de verdachte daartoe niet gerechtigd was. Dat bedrag is vervolgens door de verdachte witgewassen, doordat hij dat bedrag – dat zich heeft vermengd met het overige aanwezige banksaldo – voorhanden heeft gehad, heeft omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt.\n\nDoor de bedrijfsadministratie valselijk op te maken heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. Het hof rekent het de verdachte eveneens aan dat hij een aangifte omzetbelasting onjuist heeft ingediend. Bij belastingheffing zijn immers in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met belastingheffing wordt beoogd de Staat der Nederlanden en de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor hun instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelwijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt er uiteindelijk toe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Voorts is het voor een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting essentieel dat uitgegaan kan worden van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Het systeem van de omzetbelasting is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan de verschuldigde omzetbelasting of teruggave daarvan vaststelt. De verdachte heeft hiervan misbruik gemaakt. Door een aangifte te doen die niet strookt met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven. Met het witwassen van criminele gelden, waaraan de verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt, wordt getracht om illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.\n\nHet hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 september 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezenverklaarde onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, zij het niet voor soortgelijke feiten als de onderhavige.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij thans samen met zijn vrouw woonachtig is in Spanje, hij vier kinderen heeft die niet meer thuis wonen, zijn autobedrijf ten onder is gegaan als gevolg van deze zaak, er naheffingsaanslagen voor de omzetbelasting aan hem zijn opgelegd en nog niet zijn afgewikkeld, hij zijn eigen woning heeft moeten verkopen en dat hij met het verrichten van diverse hand- en spandiensten zijn inkomen vergaart. De verdachte stelt voorts overspannen te zijn geraakt door deze strafzaak en heeft daardoor een tijd te kampen gehad met psychische klachten.\n\nAlles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht overeenkomstig de maatstraf van twee uren per in verzekering doorgebrachte dag, passend en geboden.\n\nHet hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 24 mei 2011, te weten de dag waarop de verdachte voor de eerste keer door de FIOD als verdachte is gehoord. De rechtbank heeft op 31 juli 2019 vonnis gewezen. Derhalve is sprake van een overschrijding van 6 jaren en ruim 2 maanden. Daarnaast is het hof gebleken dat ook de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is immers op 7 augustus 2019 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof heden – op 17 december 2024 en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep – eindarrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met ongeveer 3 jaren en iets meer dan 4 maanden overschreden. De totale overschrijding bedraagt aldus om en nabij 9 jaren en 6 maanden.\n\nBij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en\u002Fof zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel de onderhavige zaak zeer omvangrijk en complex van aard is en de verdediging diverse (door de rechtbank en het hof gehonoreerde) onderzoekswensen heeft ingediend, is het hof van oordeel dat die redenen niet het gehele tijdsverloop kunnen rechtvaardigen. Het hof zal de aanzienlijke overschrijding van de redelijk termijn mitsdien ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen taakstraf zal worden gematigd met 25 uren.\n\nHet voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 125 uren subsidiair 62 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht overeenkomstig de maatstaf van twee uren per in verzekering doorgebrachte dag.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nverklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde, namelijk voor zover dat ziet op de aangifte omzetbelasting over september 2006;\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nverklaart de dagvaarding partieel nietig, namelijk voor zover die betrekking heeft op de onder feit 1 vermelde zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’;\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van125 (honderdvijfentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door62 (tweeënzestig) dagen hechtenis;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. J. Platschorre, voorzitter,\n\nmr. J.M. van der Vegt en mr. W.F. Koolen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,\n\nen op 17 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Van der Vegt voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 19 november 2024, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .\n\n Proces-verbaal van aantreffen voorraadlijsten in pand [adres] AH-126-a, p. 1645; Proces-verbaal van doorzoeking [adres] , AH-18-b, p. 1136-1137; D-0059-b, p. 2775-2776; Bewijzen van inbeslaggenomen voorwerpen [adres] , AH-018-b-1, p. 1141.\n\n Voorraadlijst met documentnummer D-03-B, 49412 1\u002F2, p. 653.\n\n Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 9 mei 2016, p. 6 met bijlagen.\n\n Handgeschreven lijsten met documentnummers D-04, 49412, p. 669 en D-05, 4912, p. 670.\n\n Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 9 mei 2016, p. 6 met bijlagen.\n\n Handgeschreven notitie met zeven auto’s, per fax verstuurd vanuit [autobedrijf verdachte] , D-0140-C, p. 3184.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, welk bestand onderdeel uitmaakt van het procesdossier.\n\n De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat indien sprake was van een personenauto (zoals hier telkens aan de orde), de prijzen altijd inclusief BTW waren. Zie het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 19 november 2024, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-31, regel 3060. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar Nederland, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-31, regel 3053. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar Nederland, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3152. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2776.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3153. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2776.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3179. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Overzichtsproces-verbaal, p. 20.\n\n Proces-verbaal van nadeelberekening [autobedrijf verdachte] , AH-171, p. 1912-1916; Jaaroverzicht omzetbelasting 2006, B-0081-aa en Aangiftenoverzicht omzetbelasting B-0081-a, p. 5392-5397.\n\n Ambtsedige verklaring omzetbelasting januari 2006 tot en met juli 2010, B-0081, p. 5388-5391.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 3] d.d. 12 juli 2011, p. 2603-2604.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor van [broer verdachte] d.d. 6 juli 2011, p. 2427.\n\n Aangiftenoverzichten omzetbelasting, B-0081-a, p. 5395 in combinatie met het proces-verbaal inzake nadeelberekening [verdachte] , AH-171, p. 1912-1916.\n\n Vgl. Hof van Justitie van de EU 6 juli 2006, Kittel en Recolta, C-439\u002F04 en C-440\u002F04, ECLI:EU:C:2006:446, punten 45, 46, 56 en 61; Hof van Justitie van de EU 6 december 2012, Bonik, ECLI:EU:C:2012:774, punten 38‑40; Hof van Justitie van de 18 december 2014, Italmoda, ECLI:EU:C:2014:2455.\n\n Aangiftenoverzichten omzetbelasting, B-0081-a, p. 5395.\n\n Vgl. Hoge Raad 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774 en de daaraan voorafgaande conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 27 mei 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD2774, i.h.b. r.o. 11, 12 en 20, alsmede de conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:516, i.h.b. r.o. 40-44.\n\n Proces-verbaal onderzoek bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] , AH-124, p. 1630-1631.\n\n Vgl. Hoge Raad 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578.\n\n Proces-verbaal onderzoek naar opnamen bij geldautomaat en betalingen bij betaalautomaat, AH-124-b, p. 1634-1635.\n\n Proces-verbaal onderzoek naar kasopnamen bij de bank, AH-124-c, p. 1636.\n\n Proces-verbaal onderzoek bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] , AH-124, p. 1630.\n\n Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda van 13 mei 2019, 15 mei 2019 en 31 juli 2019, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] , p. 8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4140","2024-12-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:51.279Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":51,"updatedAt":70},"895","ECLI:NL:GHAMS:2024:3061","ecli-nl-ghams-2024-3061","2024-11-06T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000328-24\n\ndatum uitspraak: 6 november 2024\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 13 februari 2024- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-730037-14 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1974,\n\nzonder vaste woon-of verblijfplaats hier te lande,\n\n(post)adres: [adres 1] .\n\nProcesgang\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nHet gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 9 december 2021 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan, de verdachte vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en de verdachte ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,00.\n\nDe advocaat-generaal heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.\n\nDe Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 13 februari 2024 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde – kort gezegd: medeplegen van mensenhandel – en de strafoplegging en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024.\n\nDe verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover na terugwijzing door de Hoge Raad in hoger beroep nog aan de orde –ten laste gelegd dat:\n\n1. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 april 2014 te Uithoorn, in elk geval in Nederland en\u002Fof te Singapore en\u002Fof te Indonesië en\u002Fof te Frankrijk en\u002Fof te België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander of anderen, te weten [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] door dwang en\u002Fof geweld en\u002Fof één of meer andere feitelijkheden en\u002Fof door dreiging met geweld en\u002Fof dreiging met één of meer andere feitelijkheden en\u002Fof door afpersing en\u002Fof door fraude en\u002Fof door misleiding en\u002Fof door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en\u002Fof door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en\u002Fof opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5]\n\nen\u002Fof\n\nvoornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en\u002Fof bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: huishoudelijke werkzaamheden en\u002Fof au pair werkzaamheden)\n\ndan wel\n\nmet onder eerder genoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en\u002Fof (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] \u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: huishoudelijke werkzaamheden en\u002Fof au pair werkzaamheden)\n\nen\u002Fof\n\nopzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5]\n\nimmers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (ten aanzien van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] , terwijl hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] geen en\u002Fof weinig inkomsten hadden in hun land van herkomst en\u002Fof de financiële verantwoordelijkheid hadden voor hun gezin en\u002Fof niet beschikten over een geldige verblijfstitel in Nederland en\u002Fof in Nederland niemand kenden waarop zij terug konden vallen\u002Fof de Nederlandse en\u002Fof de Engelse taal niet machtig waren en\u002Fof de weg in Nederland niet kenden\n\n- ( (al dan niet via een tussenpersoon) contact gelegd met die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gevraagd of zij bij hem en\u002Fof zijn mededader(s) in Nederland in de huishouding en\u002Fof als au pair wilde(n)\u002Fkon(den) gaan werken en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gezegd dat zij 300 euro en\u002Fof 350 euro en\u002Fof zes miljoen roepia per maand zouden kunnen verdienen als kinderoppas en\u002Fof met (lichte) hulp in de huishouden en\u002Fof dat zij eens per week en\u002Fof eens per twee weken een vrije dag zou(den) hebben en\u002Fof tegen extra betaling elke dag zou(den) moeten werken en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gezegd dat hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), de reiskosten voor die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] van Singapore en\u002Fof Indonesië naar Nederland en\u002Fof Frankrijk en\u002Fof België zou(den) betalen en\u002Fof (vervolgens) het visum en\u002Fof het ticket voor de reis van Singapore en\u002Fof Indonesië naar Nederland en\u002Fof Frankrijk en\u002Fof België geregeld en\u002Fof bekostigd en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] van het vliegveld in Parijs en\u002Fof België en\u002Fof Schiphol opgehaald en\u002Fof (per auto en\u002Fof per trein) naar zijn, verdachtes, en\u002Fof zijn mededaders' woning gebracht en\u002Fof (vervolgens) aldaar gehuisvest (in de woning [adres 2] ) en\u002Fof\n\n- het paspoort van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] in bewaring genomen en\u002Fof op verzoek geweigerd dat paspoort terug te geven en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] zeven dagen per week, althans nagenoeg dagelijks van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat, laten werken en die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] duidelijk gemaakt dat zij pas zonder zijn, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) naar buiten mocht(en) gaan als het werk in huis klaar was (hetgeen nooit het geval was) en\u002Fof (zodoende) belet dat die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] sociale contacten opbouwde(n) en\u002Fof een afhankelijkheidspositie voor die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gecreëerd en\u002Fof in stand gehouden en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] , geen, althans weinig, salaris betaald en\u002Fof [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] duidelijk gemaakt dat zij hem, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) nog een groot geldbedrag moest(en) betalen vanwege de opgebouwde schuld als zij (voortijdig) weg zou(den) gaan en (zodoende) gedwongen en\u002Fof aangemoedigd om bij hem, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) te blijven wonen en\u002Fof te (blijven) werken onder bovengenoemde omstandigheden door welke feiten en\u002Fof omstandigheden voor die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] een (afhankelijkheids)situatie is ontstaan, waaraan zij zich niet heeft\u002Fhebben kunnen onttrekken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde. De verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) hebben tezamen en in vereniging door misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie de aangeefsters geworven, vervoerd en gehuisvest. De Hoge Raad heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat niet enkel de meest excessieve vormen van misbruik kunnen worden aangemerkt als arbeidsuitbuiting. Gelet op de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die aan de aangeefsters zijn opgelegd, en het economisch voordeel dat door verdachten is behaald, kan worden vastgesteld dat sprake was van arbeidsuitbuiting.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat ook zonder het vereiste van een ‘excessieve situatie’ vrijspraak dient te volgen. De aangeefsters hebben elkaar over en weer beïnvloed. Volgens de verdediging kan het oogmerk van uitbuiting niet worden bewezen. De aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die deze voor de aangeefsters meebracht, en het economisch voordeel dat de verdachten daarmee zouden hebben behaald waren niet dusdanig dat kan worden gesproken van uitbuiting. Het is de vraag of de aangeefsters daadwerkelijk vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week beschikbaar moesten zijn. Uit het dossier komt niet naar voren dat sprake was van complexe zorg voor de kinderen. Daarnaast zorgden [medeverdachte] en een andere oppas ook voor de kinderen. De aangeefsters hebben niet consistent verklaard over de beperkingen die de tewerkstelling voor hen meebracht. [medeverdachte] heeft de paspoorten van de aangeefsters niet onder zich gehouden met als doel de aangeefsters in haar macht te hebben. Daarnaast was het loon naar de maatstaven van de aangeefsters voldoende. Verder kan [verdachte] volgens de verdediging niet als medepleger worden aangemerkt.\n\nJuridisch kader mensenhandel\n\nIn artikel 273f, aanhef en eerste lid sub 1º, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is als mensenhandel strafbaar gesteld het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting door aanwending van dwangmiddelen.\n\nIngevolge sub 4º is tevens schuldig aan mensenhandel degene die een ander dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid dan wel enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid.\n\nIn artikel 273f, aanhef en eerste lid sub 6º, Sr is als mensenhandel strafbaar gesteld het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander. Voor een bewezenverklaring ter zake van het misdrijf als bedoeld in sub 6º is vereist dat het opzet van de verdachte behalve op het voordeel trekken ook (al dan niet voorwaardelijk) gericht was op de uitbuiting van een ander.\n\nDwangmiddelen\n\nOm tot een bewezenverklaring van mensenhandel te komen, moet naast deze strafbaar gestelde gedragingen sprake zijn van aanwending van de in sub 1º genoemde dwangmiddelen. Deze kunnen bestaan uit ‘misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’. Deze dwangmiddelen beïnvloeden de wil en dienen te leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid.\n\nEen nadere invulling voor het begrip ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ kan worden gevonden in de memorie van toelichting bij één van de voorlopers van de huidige bepaling. Daarin schrijft de wetgever dat een dergelijk misbruik wordt verondersteld indien de prostituee in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Met deze toelichting heeft de wetgever bedoeld het bestanddeel inzake misbruik te objectiveren en daarmee de bescherming van de bepaling uit te breiden.\n\nVolgens het zesde lid van artikel 273f Sr dient onder ‘kwetsbare positie’ mede te worden verstaan: “een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan”. Een kwetsbare positie kan onder meer het gevolg zijn van illegale binnenkomst of illegaal verblijf of ongedocumenteerde status.\n\nDe Hoge Raad heeft in zijn arresten van 5 februari 2002 en 27 oktober 2009 uiteen gezet dat uit de omstandigheid dat het slachtoffer illegaal in Nederland verblijft, volgt dat een afhankelijke positie mag worden verondersteld.\n\nUitbuiting\n\nHet in artikel 273f lid 1 Sr voorkomende bestanddeel ‘uitbuiting’ is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de ratio van dit (impliciete) bestanddeel van de bepaling is gelegen in strafbaarstelling van een verscheidenheid aan moderne vormen van slavernij. Daarbij kan worden gedacht aan tewerkstelling onder dwang of het misbruik maken van een afhankelijke positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken. Als voorbeeld wordt genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden.\n\nDe vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van deze bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt (in een geval als dit) onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.\n\nOpzet\n\nUit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor het bewijs van door ‘misbruik’-handelen toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer als bedoeld in die bepaling.\n\nNaast dit opzetvereiste geldt een ander, zwaarder opzetvereiste ten aanzien van de uitbuiting, namelijk in de vorm van het oogmerk van uitbuiting.\n\nFeiten en omstandigheden\n\nHet hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nDe medeverdachte [medeverdachte] is geboren in [geboorteland] en op haar negentiende naar Nederland geëmigreerd. Ten tijde van het tenlastegelegde woonde zij inmiddels zo’n 20 jaar in Nederland. Zij is getrouwd met de verdachte [verdachte] . Samen hebben zij drie kinderen: [naam 1] (geboren op [geboortedag 2] 2010), [naam 2] (geboren op [geboortedag 3] 2012) en [naam 3] (geboren in 2014, na de ten laste gelegde periode). [medeverdachte] heeft daarnaast nog een zoon uit een vorige relatie: [naam 4] (geboren op [geboortedag 4] 1992). In de ten laste gelegde periode was het gezin woonachtig op het adres [geboortedag 5] .\n\n [medeverdachte] en [verdachte] zochten hulp bij de verzorging van hun jonge kinderen. Vanwege de medische problemen van hun kinderen, zochten zij iemand die ook ’s nachts beschikbaar was. Omdat het in Nederland moeilijk was om dergelijke hulp te vinden, heeft [medeverdachte] daartoe contact gelegd met tussenpersonen in Indonesië. Uiteindelijk zijn de aangeefsters [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] (hierna: de aangeefsters) allen op enig moment in de ten laste gelegde periode naar Nederland gekomen, met als doel geld te verdienen met hun werkzaamheden voor [medeverdachte] en [verdachte] . Zij leefden in hun land van herkomst in armoedige omstandigheden en waren dringend op zoek naar werk om hun families financieel te ondersteunen. De aangeefsters zijn met toeristenvisa of transitvisa naar Nederland gereisd. Er is hen geen andere verblijfsrechtelijke titel verleend en er is voor hen geen tewerkstellingsvergunning aangevraagd. [medeverdachte] en [verdachte] hebben de reis naar Nederland bekostigd.\n\nVoorafgaand aan de komst naar Nederland heeft [medeverdachte] telefonisch contact gehad met elk van de aangeefsters. Voor geen van de aangeefsters is een schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. Er waren geen werktijden afgesproken. Wel werden de volgende mondelinge afspraken gemaakt. De aangeefsters zouden bij een werkweek van zeven dagen twee vrije dagen per maand krijgen. Als de aangeefsters op die vrije dagen toch werkten, zouden zij extra geld krijgen. [medeverdachte] heeft met de aangeefsters afgesproken dat zij een salaris van ongeveer 350 euro per maand zouden verdienen.\n\nToen de aangeefsters ieder voor zich op enig moment in de ten laste gelegde periode aankwamen in Europa (in Parijs, België of op Schiphol), haalde [medeverdachte] , al dan niet samen met [verdachte] , de aangeefsters op en bracht hen naar hun woning in [adres 2] . De aangeefsters hebben allen vervolgens enige tijd gewoond en gewerkt in die woning van de verdachten. De kosten van eten en inwoning werden door [medeverdachte] en [verdachte] gedragen. Hun salaris -voor zover dit werd uitbetaald- werd steeds overgemaakt op rekeningen van anderen dan van aangeefsters, zodat aangeefsters er zelf niet over beschikten.\n\nDe werkzaamheden van de aangeefsters bestonden uit het zorgen voor (één van) de kinderen van [medeverdachte] en [verdachte] , en taken van huishoudelijke aard. Zoals [medeverdachte] zelf heeft verklaard, moesten de aangeefsters zeven dagen per week beschikbaar zijn, met maximaal twee vrije dagen per maand. Overdag en ’s avonds verrichtten de aangeefsters huishoudelijke taken en\u002Fof pasten op de kinderen. Op grond van de verklaringen van de aangeefsters gaat het hof ervan uit dat dat minstens twaalf uur per dag het geval was. Dit aantal uur heeft de verdachte overigens ook niet betwist.\n\nHet hof sluit niet uit dat de aangeefsters, zoals door de verdediging is aangevoerd, tussendoor af en toe tijd hadden om op de bank te zitten, te eten of gebruik te maken van hun telefoon. Vaststaat echter dat de aangeefsters ook tijdens die momenten beschikbaar moesten zijn. Dit geldt ook voor het door de verdediging naar voren gebrachte rustmoment tijdens het slapen van de kinderen overdag. Op dat moment hadden de aangeefsters nog steeds niet de vrijheid om te doen wat zij wilden. Zij moesten in de kamer met de kinderen blijven en stil zijn om de kinderen niet wakker te maken.\n\nDe verdachten hielden er rekening mee dat een van de kinderen in de nacht naar het ziekenhuis gebracht moest worden en wilden voor die mogelijkheid dat er ook ’s nachts hulp van aangeefsters beschikbaar was.\n\nDe aangeefsters spraken de Nederlandse taal niet. Zij begaven zich doorgaans slechts in het bijzijn van [medeverdachte] of met de kinderen buiten de woning.\n\nOok moesten de aangeefsters hun paspoort aan [medeverdachte] afgeven. Het hof gaat, anders dan de verdediging, ervan uit dat de aangeefsters hierna niet de beschikking hadden over hun paspoort. In dat verband acht het hof met name van belang dat [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 heeft verklaard dat het veiliger was om de paspoorten onder haar te nemen omdat de aangeefsters haar kinderen dan niet konden meenemen naar Indonesië. Met deze doelstelling van het innemen van de paspoorten ligt het, naar het oordeel van het hof, in het geheel niet voor de hand dat de aangeefsters hun paspoort tot hun eigen beschikking hadden. Daar komt nog bij dat enkele aangeefsters het gezin hebben verlaten en daarna zijn aangetroffen zonder hun paspoort. Het hof hecht daarom waarde aan de verklaringen van de aangeefsters dat zij geen beschikking hadden over hun paspoort en deze ook niet kregen wanneer zij [medeverdachte] daar om vroegen.\n\n [slachtoffer 1] was in de periode van september 2011 tot ongeveer februari 2012 werkzaam voor [medeverdachte]\n\nen [verdachte] . In die periode werkte er drie à vier dagen per week ook een andere oppas: [naam 5] . [slachtoffer 1] heeft na de eerste maand van haar dienstverband twee maandsalarissen van in totaal 700 euro\n\nuitbetaald gekregen door overmaking van dat bedrag aan haar familie in Indonesië. [medeverdachte] heeft\n\ndaarna namens haar drie keer 200 euro betaald voor [naam 6] (het hof berijpt: een soort gezamenlijk\n\nspaarsysteem), maar dit geld heeft ze nooit teruggekregen. [slachtoffer 1] heeft tijdens haar dienstverband één vrije dag opgenomen. In december 2011 heeft [slachtoffer 1] [medeverdachte] laten weten dat ze weg wilde. [medeverdachte] heeft tegen haar gezegd dat ze dan 3.000 euro moest betalen wegens gemaakte kosten. De verklaring van [slachtoffer 1] op dit punt wordt ondersteund door sms’jes van [medeverdachte] waarin zij schrijft dat [slachtoffer 1] dit bedrag moet terugbetalen. [slachtoffer 1] is eind januari, begin februari 2012 vertrokken.\n\n [slachtoffer 2] heeft van 10 mei 2012 tot en met oktober 2012 bij [medeverdachte] en [verdachte]\n\ngewerkt. Zij heeft het salaris van drie maanden uitbetaald gekregen. Het geld is - op verzoek van [slachtoffer 2] - betaald aan een vriendin in Indonesië. De overige maanden heeft zij niet uitbetaald\n\ngekregen. Tijdens haar tewerkstelling heeft zij een maand samen met een tante voor de kinderen gezorgd.\n\n [slachtoffer 2] heeft voorts ook een periode gelijktijdig met [naam 5] gewerkt. Zij is in oktober 2012 vertrokken na een ruzie met [verdachte] . Later heeft [medeverdachte] haar gevraagd of ze weer wilde komen werken. Dat heeft ze gedaan, in december 2013. Ze werkte daar toen gelijktijdig met de hierna te noemen [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] heeft bij [medeverdachte] en [verdachte] verbleven en gewerkt in de periode van augustus 2013 tot\n\ndecember 2013. Zij heeft ongeveer 130 euro betaald gekregen. [slachtoffer 3] heeft dit geld voor extra gewerkte dagen ontvangen. Het geld is gestort op de rekening van de ouders van [slachtoffer 3] . Verder heeft ze geen salaris ontvangen. In een gedeelte van de periode dat [slachtoffer 3] bij [medeverdachte] en [verdachte] werkte, werkte er ook een andere oppas.\n\n [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben gelijktijdig bij [medeverdachte] en [verdachte] gewoond en gewerkt. Zij zijn samen in\n\nmaart 2014 begonnen en hebben daar gewerkt tot aan het moment van de aanhouding van de verdachten\n\nop 29 april 2014. Zij hebben het salaris voor de maand maart 2014 uitbetaald gekregen op een rekening in Indonesië. [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben geen vrije dagen gehad of opgenomen.\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster in hun geheel onbetrouwbaar zijn en daarom niet als bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof volgt dit standpunt niet, reeds omdat de inhoud van een zeer groot deel van de verklaringen overeenkomt met de inhoud van de verklaringen van de verdachte en door de verdediging dan ook niet wordt betwist. Waar de verklaringen wel zijn betwist en door het hof als bewijs worden gebruikt, heeft het hof hierboven gemotiveerd waarom het de verklaring op dat specifieke punt tevens betrouwbaar acht.\n\nWat de verdediging ten aanzien van de mogelijke onderlinge beïnvloeding van de aangeefsters heeft aangevoerd, doet evenmin af aan de feiten en omstandigheden zoals in het voorgaande door het hof vastgesteld. Daarbij geldt ook hier dat de hiervoor aangenomen feiten grotendeels niet worden betwist door de verdediging. Op de enkele punten waarop de feiten afwijken van het door de verdediging geschetste scenario, heeft het hof deze afwijking niet enkel gebaseerd op door de verdediging betwiste verklaringen van de aangeefsters.\n\nOordeel van het hof\n\nHandelingen en dwangmiddelen\n\nGelet op de bovenstaande vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat [medeverdachte] en [verdachte] door misbruik te maken van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters hen hebben geworven, vervoerd en gehuisvest, en hebben bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en au pair werkzaamheden.\n\nMet de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de aangeefsters zich in een situatie bevonden die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren. De aangeefsters verbleven illegaal in Nederland en hadden niet de beschikking over hun paspoorten. Zij spraken geen Nederlands, en waren onbekend met de Nederlandse cultuur en samenleving. Er was geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. De aangeefsters kwamen uit armoedige omstandigheden in Indonesië en hadden in Nederland geen beschikking over hun inkomen. Zij waren hierdoor voor huisvesting, eten en communicatie afhankelijk van de verdachten. Ook is een aantal aangeefsters voorgehouden dat zij een schuld moesten betalen aan verdachten als zij (voortijdig) zouden vertrekken. Met de advocaat-generaal concludeert het hof dat de aangeefsters zich in een kwetsbare positie bevonden en dat er sprake was van een uit de feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht.\n\nAnders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van misleiding van de aangeefsters door de verdachten.\n\nTen aanzien van de vraag of [medeverdachte] en [verdachte] zich bewust moeten zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de aangeefsters waaruit dit overwicht en deze kwetsbare positie voortvloeiden, overweegt het hof als volgt.\n\n [medeverdachte] komt uit [geboorteland] en woonde al geruime tijd in Nederland. Zij is getrouwd met [verdachte] , een Nederlandse man. Zij heeft enige tijd in Nederland gewerkt en kan dus bekend worden verondersteld met de arbeidsmarkt en werkomstandigheden die in Nederland de norm zijn. Zij wist ook dat vrouwen die in Indonesië als kinderoppas werken het niet breed hebben. Ook de overige hierboven genoemde omstandigheden waren haar bekend.\n\nOok [verdachte] wist dat de aangeefsters afkomstig waren uit Indonesië en de Nederlandse taal niet spraken. Ook moet hij kennis hebben gehad van de zeer lage bedragen die zijn uitbetaald aan de aangeefsters, zeker in verhouding tot de uren die zij werkten en beschikbaar moesten zijn. [verdachte] deed immers de financiële administratie van het gezin. Daarnaast wist [verdachte] dat de paspoorten van de aangeefsters niet door henzelf werden bewaard. Over de verblijfsstatus van de aangeefsters heeft [verdachte] verklaard dat hij er vanuit ging dat [medeverdachte] dit – al dan niet met de hulp van een bureau – goed geregeld had. Het hof hecht aan deze verklaring geen waarde. Aan de aanvraag voor een verblijfsvergunning en tewerkstellingsvergunning worden strenge voorwaarden gesteld. Dit is een algemeen bekend feit. Daar komt bij dat [verdachte] – blijkens aangetroffen formulieren en garantstellingen – veelvuldig betrokken was bij de IND-procedures van Indonesische familieleden die op bezoek kwamen bij [medeverdachte] . Hij was bovendien de kostwinner en degene die de administratie deed. Dat [verdachte] ervan uitging dat [medeverdachte] in een periode van enkele jaren voor vijf huishoudelijke hulpen een verblijfsstatus en een tewerkstellingsvergunning had kunnen verkrijgen zonder dat [verdachte] daarbij werd betrokken (in het bijzonder voor het aanleveren voor de administratieve bescheiden), acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. In dat kader is ook nog opvallend dat [verdachte] zich ook niet heeft bekommerd om de fiscale afwikkeling van de betalingen aan de aangeefsters. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan dan dat [verdachte] zich bewust is geweest van de verblijfsstatus van de aangeefsters. Met deze kennis moet [verdachte] hebben geweten dat de aangeefsters van de verdachten afhankelijk waren.\n\nHet hof concludeert dat beide verdachten misbruik hebben gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters.\n\n(Oogmerk van) uitbuiting\n\nVervolgens ligt de vraag voor of sprake was van (het oogmerk van) uitbuiting. Anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat gelet op de aard en de duur van de tewerkstelling, de beperkingen die deze voor de aangeefsters heeft meegebracht, en het economisch voordeel dat daarmee door [medeverdachte] en [verdachte] is behaald, kan worden vastgesteld dat sprake is van (het oogmerk van) uitbuiting.\n\nDe aangeefsters moesten vanaf ’s ochtens vroeg, zeven dagen per week beschikbaar zijn, met maximaal twee vrije dagen per maand. Ook verwachtten de verdachten dat er ’s nachts hulp beschikbaar was voor het geval een van de kinderen ziek was of naar het ziekenhuis moest. Voor deze zeer vergaande mate van beschikbaarheid en het werk dat gedaan moest worden, ontvingen de aangeefsters een naar Nederlandse maatstaven heel laag salaris, dat bovendien niet of slechts gedeeltelijk werd uitbetaald. De aangeefsters maakten lange dagen; zij hielden zich van ’s ochtends vroeg tot in de avond bezig met de verzorging van de kinderen en huishoudelijke werkzaamheden. Vanwege de gezondheidsproblemen van de kinderen hadden zij meer zorg nodig, hetgeen het werk intensiever maakte.\n\nDe aangeefsters begaven zich doorgaans slechts in het bijzijn van [medeverdachte] of met de kinderen buiten de woning. Alleen al omdat de aangeefsters in verregaande mate voor het gezin beschikbaar moesten zijn hadden zij weinig vrijheid. Daar komt bij dat de aangeefsters op uitnodiging van de verdachten illegaal in Nederland waren en door toedoen van de verdachten niet over hun paspoort en inkomen beschikten. Een aantal van hen is gezegd dat zij bij voortijdig vertrek een groot bedrag aan de verdachten zouden moeten terugbetalen. De aangeefsters bevonden zich bovendien in een land dat zij niet kenden en spraken geen Nederlands. Aldus werden de aangeefsters door de door de verdachten gecreëerde omstandigheden feitelijk sterk in hun bewegingsvrijheid beperkt. Dat het afgenomen paspoort drie van de aangeefsters uiteindelijk niet heeft belet bij de verdachten weg te gaan, doet daar niet aan af.\n\nDe verdachten hebben een aanzienlijk economisch voordeel behaald met de tewerkstelling van de aangeefsters. Omdat in Nederland geen specifieke en algemeen verbindende cao voor inwonend huispersoneel voor de uitvoering van huishoudelijke werkzaamheden en kinderverzorging bestaat, ziet het hof aanleiding om voor het bepalen van het economisch voordeel bij het minimumloon aansluiting te zoeken. Het minimumuurloon tussen 2011 en 2014 lag tussen de € 8,22 en € 8,63. [slachtoffer 1] heeft in totaal 146 dagen gewerkt, [slachtoffer 2] 174 dagen, [slachtoffer 3] 173 dagen en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] 43 dagen. Zoals reeds in het voorgaande besproken, gaat het hof ervan uit dat zij minstens twaalf uren per dag hebben gewerkt. Gelet op het aantal uren dat de aangeefsters hebben gewerkt, het minimumloon dat destijds gold, het beperkte salaris dat wel door [medeverdachte] is uitbetaald en de door de verdachten gemaakte kosten, is het hof van oordeel dat sprake was van een aanzienlijk economisch voordeel.\n\nHet hof is dan ook op grond van alle voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat sprake is van uitbuiting. Dat de verdachten hiertoe bovendien het oogmerk hebben gehad blijkt uit hun handelen. Nadat [medeverdachte] bemerkte dat een 24 uur per dag beschikbare hulp in Nederland moeilijk te verkrijgen is, ging zij daarnaar op zoek in Indonesië. Vervolgens hebben de verdachten de aangeefsters bewust de hiervoor genoemde lange dagen laten werken, hebben zij zelf in overwegende mate de beperkingen veroorzaakt en hebben zij aanzienlijk economisch voordeel behaald.\n\nOp grond van het voorgaande is het hof eveneens van oordeel dat het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van de aangeefsters bewezenverklaard kan worden.\n\nMedeplegen\n\nTen aanzien van het ten laste gelegde medeplegen overweegt het hof als volgt. Betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.\n\nOok wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en\u002Fof intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.\n\nBij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.\n\nUit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof het volgende af. [medeverdachte] was degene die, al dan niet met behulp van een tussenpersoon, contact legde met de aangeefsters in Indonesië en ervoor zorgde dat zij naar Nederland konden komen. Zij sprak dezelfde taal als de aangeefsters, zij stuurde hen aan en zij was hun aanspreekpunt. [verdachte] was zich bewust van de reden waarom gebruik is gemaakt van Indonesische vrouwen. Hij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij de kinderen niet naar een opvang in Nederland hadden gebracht. Dat had te maken met cultuurverschil en met opvattingen over hygiëne. Het inschakelen van Indonesische mensen die in Nederland woonden, werkte niet goed. Zij waren ’s nachts niet aanwezig, zo verklaarde [verdachte] , terwijl het mogelijk was dat de verdachten ’s nachts acuut naar het ziekenhuis moesten. [verdachte] heeft samen met [medeverdachte] [slachtoffer 1] opgehaald op Schiphol, en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in België. De aangeefsters woonden en werkten in het huis waar zowel [medeverdachte] als [verdachte] woonachtig waren. [verdachte] was dus dagelijks getuige van de omstandigheden waaronder de aangeefsters werkten, profiteerde van de door de aangeefsters verrichtte werkzaamheden en werkte mee aan hun huisvesting door de aangeefsters toe te staan in de woning te verblijven. Dat hij niet of nauwelijks met de aangeefsters communiceerde, doet daar niet aan af. [verdachte] deed de financiële administratie van het gezin en was kostwinner. Hij moet dus op de hoogte zijn geweest van de financiële situatie van het gezin, de kosten die ten behoeve van de aangeefsters zijn gemaakt en de salarissen die (deels) zijn uitbetaald aan de aangeefsters. Daarnaast wist [verdachte] ook waar de paspoorten van de aangeefsters werden bewaard. Dit vonden hij en [medeverdachte] naar eigen zeggen veilig.\n\n [verdachte] heeft hiermee bijgedragen aan de totstandkoming, de verdere verwezenlijking en de instandhouding van de uitbuiting van de aangeefsters. Dat het initiatief voor het werven mogelijk meer uitging van [medeverdachte] , doet hier niet aan af. De verdachten vervulden ieder een eigen, elkaar over en weer aanvullende rol. Het hof is dan ook van oordeel dat de nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] is komen vast te staan en dat het ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen verklaard.\n\nLex certa\n\nSubsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, indien het hof tot een bewezenverklaring van het oogmerk van uitbuiting komt, dit leidt tot schending van het lex certa-beginsel. De verdediging heeft zich in de onderbouwing van het verweer niet zozeer verzet tegen het oordeel van de Hoge Raad dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft toegepast en evenmin gesteld dat dit oordeel redelijkerwijs niet voorzienbaar was. De verdediging stelt, zo begrijpt het hof, dat het hof op basis van het arrest van de Hoge Raad niet tot een bewezenverklaring van mensenhandel hoeft te komen en dat een bewezenverklaring daarom – in samenhang met de onduidelijkheid omtrent de strekking van de wetsbepaling – tot een onaanvaardbare mate van rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid leidt.\n\nHet hof verwerpt dit beroep. Allereerst merkt het hof op dat het beginsel niet in de weg staat aan de geleidelijke verfijning van de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid langs de weg van rechterlijke uitlegging, zolang die uitlegging redelijkerwijs kan worden voorzien. De Hoge Raad heeft in zijn arrest overwogen dat het gehanteerde vereiste van een “excessieve situatie” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is een nadere invulling van de uitleg van de wetsbepaling die de Hoge Raad tot dan toe hanteerde. Er is dan ook sprake van een verfijning als hiervoor bedoeld. Dat het hof vervolgens op basis van die verfijning tot een andere weging van de feiten en omstandigheden komt, kan niet alsnog tot een schending van het beginsel leiden. Daarbij merkt het hof nog op dat de Hoge Raad niet enkel heeft overwogen dat een vereiste van een “excessieve situatie” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, maar ook dat de vrijspraak kennelijk berust op de onjuiste opvatting dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, geen bewezenverklaring van mensenhandel toelaten.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 april 2014 in Nederland en\u002Fof te Indonesië en\u002Fof te Frankrijk en\u002Fof te België tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en\u002Fof door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]\n\nen\n\nvoornoemde [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] telkens met één van de voornoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten: huishoudelijke werkzaamheden en\u002Fof au pair werkzaamheden,\n\nen\n\nopzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]\n\nimmers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander ten aanzien van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , terwijl hij, verdachte en zijn mededader wisten dat die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] weinig inkomsten hadden in hun land van herkomst en\u002Fof de financiële verantwoordelijkheid hadden voor hun gezin en niet beschikten over een geldige verblijfstitel in Nederland en\u002Fof in Nederland niemand kenden waarop zij terug konden vallen of de Nederlandse en\u002Fof de Engelse taal niet machtig waren en de weg in Nederland niet kenden\n\n- al dan niet via een tussenpersoon contact gelegd met die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gevraagd of zij bij hem en zijn mededader in Nederland in de huishouding en\u002Fof als au pair wilden werken en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gezegd dat zij 300 euro en\u002Fof 350 euro en\u002Fof zes miljoen roepia per maand zouden kunnen verdienen als kinderoppas en\u002Fof met (lichte) hulp in het huishouden en\u002Fof dat zij eens per twee weken een vrije dag zouden hebben en\u002Fof tegen extra betaling elke dag zouden werken en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gezegd dat hij, verdachte en zijn mededader, de reiskosten voor die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] van Indonesië naar Nederland zouden betalen en vervolgens het visum en het ticket voor de reis van Indonesië naar Nederland geregeld en bekostigd en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in Parijs en\u002Fof België en\u002Fof van Schiphol opgehaald en per auto of per trein naar zijn, verdachtes en zijn mededaders’ woning gebracht en vervolgens aldaar gehuisvest in de woning (aan de) [adres 2] en\n\n- het paspoort van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in bewaring genomen en op verzoek geweigerd dat paspoort terug te geven en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] nagenoeg dagelijks van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat laten werken en een afhankelijkheidspositie voor die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gecreëerd en in stand gehouden en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] weinig salaris betaald en [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] duidelijk gemaakt dat zij hem, verdachte en\u002Fof zijn mededader nog een groot geldbedrag moesten betalen vanwege de opgebouwde schuld als zij (voortijdig) weg zouden gaan en zodoende aangemoedigd om bij hem, verdachte en zijn mededader te blijven wonen en te blijven werken onder bovengenoemde omstandigheden door welke feiten en omstandigheden voor die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] een afhankelijkheidssituatie is ontstaan, waaraan zij zich niet hebben kunnen onttrekken.\n\nHetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nmensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4° en 6° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straf\n\nDe rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe raadsman heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan de duur van voorarrest, eventueel aangevuld met een volledig voorwaardelijke straf. Daarnaast heeft hij in strafmatigende zin verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de duur van de procedure, de overschrijding van de redelijke termijn en de beperktere rol die de verdachte in het tenlastegelegde heeft gehad.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nHet hof stelt voorop dat de Hoge Raad het arrest van het hof van 9 december 2021 heeft vernietigd wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging. Nu de Hoge Raad de strafoplegging in het geheel heeft vernietigd, dient het hof derhalve een straf op te leggen voor zowel het onder 1 bewezenverklaarde, als het reeds eerder door het hof onder 3 bewezenverklaarde.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel en het tewerkstellen van vijf illegaal in Nederland verblijvende vrouwen. Gedurende een langere periode heeft zijn echtgenote, de medeverdachte, op verschillende momenten vrouwen uit Indonesië laten overkomen om te laten werken in hun gezin. De vrouwen zorgden voor hun kinderen en verrichten huishoudelijke werkzaamheden. Zij maakten lange dagen en moesten zeven dagen per week beschikbaar zijn. Zij kregen niet of nauwelijks vrij en hun zeer lage salaris werd niet of slechts deels uitbetaald. De vrouwen spraken de Nederlandse taal niet en hun paspoorten waren door de verdachten ingenomen. Voor huisvesting, eten en communicatie waren de vrouwen afhankelijk van de verdachten, omdat zijzelf geen beschikking hadden over geld. Door aldus te handelen hebben de verdachten ernstig misbruik gemaakt van de afhankelijke en kwetsbare positie waarin zij de vrouwen hebben gebracht en hen in hun persoonlijke vrijheid aangetast. Als gevolg van de uitbuiting van deze goedkope arbeidskrachten waren de verdachten in staat aanzienlijk te besparen op arbeidskosten. Zij hebben kennelijk enkel oog gehad voor haar eigen financiële gewin en hebben zich niet bekommerd om de schade die hun handelen aan de vrouwen heeft toegebracht. Daarbij hebben zij bewust de garanties aan hun laars gelapt die de Nederlandse wetgeving biedt op het terrein van beloning en werktijden.\n\nHet hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, enkel een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf gerechtvaardigd is. Het hof heeft de indruk gekregen dat de verdachte het laakbare van zijn handelen niet inziet. Daarom acht het hof een voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw op deze wijze au pairs of huishoudelijke hulp voor zich te laten werken. In beginsel acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend. Het hof houdt echter in strafmatigende zin rekening met de volgende omstandigheden.\n\nBij de strafoplegging houdt het hof er ten voordele van de verdachten rekening mee dat artikel 273f Sr in 2013 is gewijzigd, waarbij onder meer de maximum straf is verhoogd. Deze wijziging trad op 15 november 2013 in werking. Nu het onder 1 ten laste gelegde deels voor die datum is gepleegd, zal het hof de eerdere bepaling als richtsnoer nemen.\n\nBlijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 oktober 2024 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. De verdachte kan daarom worden aangemerkt als first offender.\n\nVerder houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep zijn toegelicht en die uit het dossier naar voren komen. De lengte van de strafprocedure heeft haar sporen nagelaten op zijn mentale welzijn. Zijn werk viel weg en er werd beslag gelegd op de rekeningen van de verdachte en zijn echtgenote, de medeverdachte. Uiteindelijk zijn zij daarom met hun gezin naar [land] verhuisd waar zij nog steeds woonachtig zijn. De verdachte probeert werk te vinden als consultant en zijn echtgenote zorgt voor hun drie kinderen. Op dit moment hebben zij het niet breed.\n\nDaarnaast stelt het hof vast dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De verdachte is op 29 april 2014 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft op 29 juni 2017 vonnis gewezen. In eerste aanleg is aldus sprake geweest van een overschrijding van de redelijk termijn. Vervolgens heeft de verdachte hoger beroep ingesteld op 4 juli 2017, waarna het hof op 9 december 2021 arrest heeft gewezen. Ook in deze fase was aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Hierna heeft het openbaar ministerie op 16 december 2021 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 13 februari 2024 arrest gewezen, het arrest van het hof partieel vernietigd en teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam. Ook in de cassatiefase is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof zal deze overschrijdingen van de redelijke termijn – van in totaal 3 jaar en 9 maanden – verdisconteren in de strafmaat.\n\nHet hof acht alles afwegende, en in het bijzonder rekening houdende met de ouderdom van de feiten, de rol die de verdachte in het tenlastegelegde heeft gehad, de overschrijding van de redelijke termijn, de lange duur van de strafprocedure en de nadelige gevolgen die de procedure voor het leven van de verdachte heeft gehad, een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.\n\nVordering van de benadeelde partijen\n\nDe benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben zich ieder in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vorderingen zijn als volgt opgebouwd:\n\n [slachtoffer 1]:\n\nMaterieel: € 6.051,80 aan gederfde inkomsten;\n\nImmaterieel: € 1.000,00.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\n [slachtoffer 2]:\n\nMaterieel: € 7.119,00 aan gederfde inkomsten;\n\nImmaterieel: € 1.000,00.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\n [slachtoffer 3]:\n\nMaterieel: € 5.333,25 aan gederfde inkomsten;\n\nImmaterieel: € 7.500,00.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.333,35, bestaande uit € 5.333,25 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.\n\nOp 3 juli 2017 en 13 juli 2017 is onderscheidenlijk door de verdachte en het openbaar ministerie tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De benadeelde partij heeft zich in die fase van het proces niet opnieuw gevoegd. Op 20 juni 2020 is de benadeelde partij overleden. De advocaat van de benadeelde partij heeft namens de erfgenaam ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 te kennen gegeven dat de oorspronkelijke vordering wordt gehandhaafd. Na terugwijzing heeft de advocaat zich namens de erfgenaam opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering door middel van een wensenformulier van 3 april 2024.\n\nHet hof overweegt dat de vordering op de voet van artikel 6:106, tweede lid, tweede volzin, BW vatbaar is voor overgang onder algemene titel op de erfgenaam, maar dat het strafgeding niet voorziet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van de benadeelde partij overneemt. Dat brengt met zich dat, nu de vordering bij vonnis niet in haar geheel is toegewezen, deze voor het gedeelte dat in eerste aanleg is toegewezen kan worden beoordeeld, omdat deze op grond van het bepaalde in artikel 421, tweede lid, Sv in hoger beroep van rechtswege voortduurt.\n\n [slachtoffer 4]:\n\n- Materieel: € 1.807,10 aan gederfde inkomsten.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\n [slachtoffer 5]:\n\n- Materieel: € 1.807,10 aan gederfde inkomsten.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd de vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] volledig toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de advocaat-generaal gevorderd deze toe te wijzen tot een bedrag van € 7.833,25, bestaande uit € 5.333,25 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nOordeel van het hof\n\nMaterieel\n\nHet hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachten rechtstreeks materiële schade hebben geleden, bestaande uit gederfde inkomsten. De verdediging heeft de vorderingen inhoudelijk niet betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vorderingen tot de gevorderde bedragen aan materiële schade zullen worden toegewezen.\n\nImmaterieel\n\nDe benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben naast materiële schade ook vergoeding van immateriële schade gevorderd.\n\nVoor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals opgenomen in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW brengt mee dat de benadeelde partij onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast.\n\nIndien geen sprake is van lichamelijk letsel of van schade in de eer of goede naam, is het de vraag of een benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast in de zin van voornoemd artikel. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake als de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval geestelijk letsel is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor het aannemen van een aantasting in de persoon op andere wijze is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen.\n\nOok als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.\n\nDe benadeelde partijen hebben in hun vordering ieder voor zich - kort gezegd - aangevoerd dat zij hebben geleden doordat de situatie die hen van tevoren was voorgespiegeld, in werkelijkheid anders bleek te zijn. Zij moesten lange dagen maken, hadden weinig vrij en kregen niet of te weinig betaald. Zij hadden geen enkele privacy, voelden zich minderwaardig en de verstandhouding met de verdachten was slecht. [slachtoffer 3] heeft daarnaast aangevoerd dat zij gezondheidsklachten heeft gekregen door de omstandigheden waarin zij terecht is gekomen.\n\nDat [slachtoffer 3] lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het onder 1 tenlastegelegde, acht het hof onvoldoende onderbouwd. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben niet aangevoerd dat zij door het onder 1 tenlastegelegde lichamelijk letsel hebben opgelopen. Nu evenmin sprake is van schade in de eer of goede naam, ligt de vraag voor of de benadeelde partijen ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast. Gelet op het bovenstaande juridisch kader acht het hof hetgeen de benadeelde partijen hebben gesteld ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van voornoemd artikel. Zo zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid en doet zich hier niet een situatie voor waarin uit de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan reeds volgt dat van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Dat betekent dat in de onderhavige zaak geen wettelijke grondslag bestaat voor vergoeding van de gevorderde immateriële schade. De vorderingen zullen dan ook in zoverre worden afgewezen.\n\nConclusie\n\nHet voorgaande houdt in dat het hof als volgt beslist op de vorderingen.\n\n [slachtoffer 1]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.051,80, bestaande uit materiële schade. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.\n\n [slachtoffer 2]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 7.119,00, bestaande uit materiële schade. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.\n\n [slachtoffer 3]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 5.333,25, bestaande uit materiële schade. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.\n\n [slachtoffer 4]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.807,10, bestaande uit materiële schade.\n\n [slachtoffer 5]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.807,10, bestaande uit materiële schade.\n\nHet hof zal de vorderingen vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen data en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 197c en 273f van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van4 (vier) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.051,80 (zesduizend eenenvijftig euro en tachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.051,80 (zesduizend eenenvijftig euro en tachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 januari 2012.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.119,00 (zevenduizend honderdnegentien euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.119,00 (zevenduizend honderdnegentien euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 70 (zeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 oktober 2012.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.333,25 (vijfduizend driehonderddrieëndertig euro en vijfentwintig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.333,25 (vijfduizend driehonderddrieëndertig euro en vijfentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 61 (eenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 december 2013.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 april 2014.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 april 2014.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.I.M. van Bergen, mr. E. de Greeve en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2024.\n\nDe jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\n […]\n\n […]\n\nKamerstukken II, vergaderjaar 1988\u002F89, 21 027, nr. 3, p. 3 en 4 (MvT). Het dwangmiddel ‘misbruik van uit feitelijkeverhoudingenvoortvloeiend overwicht’ vindt zijn oorsprong in artikel 250a (oud) Sr, dat is geïncorporeerd in artikel 273a (oud) Sr; het huidige artikel 273f Sr, met dien verstande dat dit dwangmiddel in artikel 273f Sr als ‘misbruik van uit feitelijkeomstandighedenvoortvloeiend overwicht’ is terechtgekomen.\n\n Deze voorbeelden volgen uit: Kamerstukken II, vergaderjaar 2011\u002F12, 33 309, nr. 3, p. 16 (MvT).\n\nKamerstukken II, vergaderjaar 2003\u002F04, 29 291, nr. 3, p. 18 (MvT). Memorie van Toelichting bij artikel 273a (oud) Sr.\n\n HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, r.o. 2.6.1 (Chinese horeca); herhaald in HR 11 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:534\n\n HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, r.o. 2.5.1. (Chinese horeca)\n\n HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099 (Chinese horeca)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:3061","2026-07-13T00:28:53.418Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":51,"updatedAt":80},"776","ECLI:NL:GHDHA:2024:1681","ecli-nl-ghdha-2024-1681",58,"2024-09-18T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-000992-20\n\nParketnummers: 10-996716-17 en 10-993044-19\n\nDatum uitspraak: 18 september 2024\n\nTEGENSPRAAKGerechtshof Den Haag\n\nmeervoudige kamer voor strafzaken\n\nArrest\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de recht Rotterdam van 6 maart 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,\n\nadres: [woonadres], [woonplaats].\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder parketnummer 10-996716-17 1, 2 subsidiair en 3 en het onder parketnummer 10-993044-19 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:\n\n1. [bedrijf 1] in de periode van 1 april 2011 tot en met 1 mei 2013 te Rotterdam en\u002Fof Venlo en\u002Fof Apeldoorn en\u002Fof elders in Nederland (in haar hoedanigheid van algemeen fiscaal vertegenwoordiger) meermalen [bedrijf 2] (gevestigd te Hong Kong met BTW-nummer [BTWnummer]) heeft doen plegen het opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,te weten kwartaalaangiften omzetbelasting over de jaren 2011 en\u002Fof 2012 en\u002Fof het eerste kwartaal 2013, onjuist en\u002Fof onvolledig doen (DOC-050, 6 tot en met 14),\n\nimmers heeft [bedrijf 1] (in haar hoedanigheid van algemeen fiscaal vertegenwoordiger van [bedrijf 2]) telkens opzettelijk in die (digitale) aangiften ten name van [bedrijf 2] een te laag bedrag aan belaste prestaties (rubriek 1a) en\u002Fof een te laag bedrag aan (af te dragen) omzetbelasting (AMB-013 en AMB-004, tabel 11, dossier p. 424) opgegeven,\n\nterwijl dat feit er (telkens) toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n2.\n\nprimair hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 mei 2013 te Rotterdam en\u002Fof Venlo en\u002Fof elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,meermalen opzettelijk een hoeveelheid geld (tot een totaal van ongeveer 4,7 miljoen euro), die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 2] en\u002Fof [bedrijf 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem,verdachte, en\u002Fof [bedrijf 1] en\u002Fof [bedrijf 4] en\u002Fof [bedrijf 5] en\u002Fof [bedrijf 6],\n\nen welke hoeveelheid geld hij, verdachte, en\u002Fof [bedrijf 1] (telkens) uit hoofde van het beroep van algemeen fiscaal vertegenwoordiger van [bedrijf 2] en\u002Fof tegen geldelijke vergoeding (in het kader van de fiscale en financiële dienstverlening) onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;\n\n subsidiair [bedrijf 1] in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 mei 2013 te Rotterdam en\u002Fof Venlo en\u002Fof elders in Nederland meermalen opzettelijk\n\neen hoeveelheid geld (tot een totaal van ongeveer 4,7 miljoen euro), die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 2] en\u002Fof [bedrijf 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en\u002Fof [bedrijf 1]en\u002Fof [bedrijf 4] en\u002Fof [bedrijf 5] en\u002Fof [bedrijf 6],\n\nen welke hoeveelheid geld [bedrijf 1] (telkens) uit hoofde van het beroep van algemeen fiscaal vertegenwoordiger van [bedrijf 2] en\u002Fof tegen geldelijke vergoeding (in het kader van haar fiscale en financiële dienstverlening), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,\n\naan welke verboden gedragingen hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n3. [bedrijf 1] op verschillende tijdstippen in de periode 1 februari 2015 tot en met 31 mei 2017 te Rotterdam en\u002Fof elders in Nederland (telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken en\u002Fof bescheiden en\u002Fof ander gegevensdragers of de inhoud daarvan, deze (telkens) in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld, immers heeft [bedrijf 1]\n\n(op of omstreeks 25 februari 2015) rekeningafschriften op naam van [bedrijf 1](betreffende de rekening-courant bij de [bank] met nummer [bankrekeningnummer 1]) (DOC-027-01, DOC-063, DOC-027-02 en DOC-064) en\u002Fof\n\n(op of omstreeks 12 en 13 september 2016) (digitale bestanden met) Excel spreadsheets betrekking hebbende op de (Nederlandse) omzet\u002Fverkoopfacturen van [bedrijf 2] over de jaren 2011 en\u002Fof 2012 (DOC-004-D) en\u002Fof\n\n(op of omstreeks 20 september 2016) een drietal sets bescheiden met betrekking tot de currentnummers [currentnummer 1], [currentnummer 2] en [currentnummer 3]\n\nen\u002Fof de verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7] met nummer [factuurnummr 1] d.d. 8 september 2011 (DOC-010-01 blad 5, blz. 1024) en\u002Fof [factuurnummer 2] d.d. 28 september 2011 (DOC-010-02 blad 6, blz. 1031) en\u002Fof [factuurnummer 3] d.d. 9 september 2011 (DOC-010-03 blad 5, blz. 1037) en\u002Fof\n\n(op of omstreeks 22 september 2016) de verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7] betreffende currentnummers [currentnummer 4], [currentnummer 5], [currentnummer 6] en [currentnummer 7](DOC-014-01, 02, 03 en 04) en\u002Fof\n\n(op of omstreeks 17 maart 2017) (28) verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7]] (H14\u002F1; DOC-037-D) en\u002Fof\n\n(op of omstreeks 10 april 2017) (3 enveloppen met) verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7] (H15\u002F1 tot en met H15\u002F4; DOC-042-01 tot en met 04) en\u002Fof(in mei 2017) (17) verkoopfacturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7] (H15\u002F5; DOC-044-D)\n\nbeschikbaar gesteld en\u002Fof verstrekt aan de controlerende belastingambtenaren ([belastingambtenaar 1] en\u002Fof [belastingambtenaar 2]) (nadat op 22 april 2014 de eindcontrole omzetbelasting van [bedrijf 2] was aangezegd aan de vennootschap als fiscaal vertegenwoordiger en de Belastingdienst in de tussenliggende periode van ruim twee jaren op de voet van de artikelen 47 en 48 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en\u002Fof artikel 31a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 bij herhaling verzocht heeft om de administratie in te zien of beschikbaar te krijgen en\u002Fof om overlegging van spreadsheets en\u002Fof facturen en\u002Fof bankrekeningafschriften in samenhang met de omzetbelastingaangiften namens [bedrijf 2]),\n\nbestaande die valsheid of vervalsing uit - zakelijk weergegeven:\n\n-(onder meer) de wijziging van de naam [naam 1] in [bedrijf 2] op die rekeningafschriften en\u002Fof -(onder meer) de weglating en\u002Fof wijziging van verkoopomzet op de Excel spreadsheets en\u002Fof\n\n-(onder meer) de wijziging van factuurbedragen en\u002Fof in rekening gebrachte omzetbelasting op die verkoopfacturen,\n\nterwijl dat feit er (telkens) toe strekte dat er te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.\n\nParketnummer 101993044-19\n\nPrimair:\n\nhij in of omstreeks de periode van 7 november 2017 tot en met 8 januari 2018 te Venlo en\u002Fof Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),\n\nmet het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en\u002Fof van een valse hoedanigheid en\u002Fof door een of meer listige kunstgrepen en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels,\n\n[bedrijf 8] en\u002Fof [bedrijf 9] heeft bewogen tot het aangaan van een schuld (te weten het aangaan van een kredietovereenkomst ter hoogte van 50.000,- euro), en\u002Fof tot afgifte van een\n\ngeldbedrag (van 50.000; euro) door overmaking naar de bankrekening (met nummer [bankrekeningnummer 2]) ten name van hem, verdachte, hebbende hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) met voren omschreven oogmerk\n\n- zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en\u002Fof listiglijk en\u002Fof bedrieglijk in strijd met de waarheid via de website van [bedrijf 9] een kredietaanvraag voor een persoonlijke lening (ter grootte van 50.000,- euro)\n\ningediend en ter onderbouwing van deze aanvraag een (vals) pensioenoverzicht van mijnpensioenoverzicht.nl op naam van hem, verdachte, inhoudende een pensioen van 55.857,- euro per jaar (dossier p. 31) en\u002Fof een (vals)\n\nrekeningafschrift van rekeningnummer [bankrekeningnummer 2], inhoudende een\n\ncreditsaldo (van 9.012,29 euro op 30 november 2017) en\u002Fof een salarisbetaling van [bedrijf 10] aan hem, verdachte, over de maand november (dossier p. 39 - 46) ingediend, waardoor [bedrijf 8] en\u002Fof [bedrijf 9] werd(en) bewogen tot het aangaan van bovengenoemde schuld en\u002Fof afgifte;\n\nSubsidiair:\n\nhij in of omstreeks de periode van 7 november 2017 tot en met 8 januari 2018 te Venlo en\u002Fof Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),\n\nopzettelijk\n\n- een pensioenoverzicht op naam van hem, verdachte, van\n\nmijnpensioenoverzicht.nl, gedateerd 22 december 2017 (dossier p. 31) en\u002Fof\n\n- een rekeningafschrift (8 pagina's) van de [bank] op naam van hem, verdachte, en\u002Fof [naam 2] met rekeningnummer [bankrekeningnummer 3] (dossier p. 39-46),\n\n- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, zulks (telkens) met het\n\noogmerk om die\u002Fdat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken en\u002Fof dat vervalsen (telkens) hierin bestaan dat\n\n- op genoemd pensioenoverzicht was opgenomen dat hij, verdachte, een bedrag\n\nvan 44.743,00 euro bruto per jaar ontvangt van [levensverzekering] en\u002Fof een\n\ngezamenlijk pensioen van 55.857,- euro bruto per jaar ontvangt en\u002Fof\n\n- op genoemd rekeningafschrift was vermeld dat hij, verdachte, een salarisbetaling van [bedrijf 10] ten bedrage van 4.068,38 euro had\n\nontvangen over de maand november en\u002Fof de bankrekening een creditsaldo (van 9.012,29 euro op 30 november 2017) had.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met aanvulling van de gronden en behoudens de straf. De advocaat-generaal vordert dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf- en de motivering daarvan.\n\nHet vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.\n\nProcesverloop\n\nOp 22 maart 2023 heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden en verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde een deskundige te benoemen om onderzoek te doen naar – samengevat – de vraag of een tumor gedragsverandering kon veroorzaken bij de verdachte.\n\nDit heeft geresulteerd in een deskundigenrapport van dr. A.J.A. de Louw d.d. 12 oktober 2023 (hierna: het rapport De Louw).\n\nVerweren verdediging\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd – samengevat - dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten verminderd toerekeningsvatbaarheid was ten gevolge van (het groeien van) een tumor in zijn hoofd. Het gedrag van de verdachte zou daardoor de afgelopen jaren veranderd zijn en hierdoor zou hij niet de keuzes hebben gemaakt die hij anders waarschijnlijk wel gemaakt zou hebben. De verdediging heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar het rapport van De Louw.\n\nDe verdediging heeft verder aangevoerd dat de verdachte detentieongeschikt is. In dit verband heeft de verdediging de rapportages van arts en medisch adviseur Dienst Justitiële Inrichtingen [medisch adviseur] d.d. 27 maart 2024 en 23 augustus 2024, waarin deze concludeert dat de verdachte detentiegeschikt is, betwist. De verdediging heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat de medische situatie van de verdachte achteruitgaat, dat hij veel nazorg nodig heeft, dat er snel gereageerd moet kunnen worden bij een zeer wel te verwachten medisch incident en dat de verdachte regelmatig medische controles moet ondergaan. Volgens de verdediging is het medisch gezien een onacceptabel risico om de verdachte te detineren.\n\nVerder heeft de verdediging aangevoerd dat er geen strafdoel mee is gediend als de verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd.\n\nOordeel inzake verminderde toerekeningsvatbaarheid\n\nIn diens rapport concludeert De Louw dat de medische aandoening van de verdachte geleid zou kunnen hebben tot gedragsveranderingen, maar hij merkt ook op dat de gedragsmatige problematiek pas evident werd na de operatieve ingreep die de verdachte in augustus 2020 heeft ondergaan. Bovendien overweegt De Louw dat ‘Op basis van de ter beschikking gestelde medische gegevens het niet mogelijk [is] om vast te stellen dat de tumor bij verdachte heeft geleid tot aantasting van zijn mogelijkheden om weloverwogen besluiten te nemen.’\n\nHet hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan het rapport De Louw dat op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en het hof is voorts van oordeel dat de bevindingen van deze deskundige worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing.\n\nMede gelet op hetgeen De Louw, heeft geconcludeerd is het hof van oordeel dat hetgeen door en namens de verdachte ter onderbouwing van het beroep op verminderde toerekenbaarheid naar voren is gebracht onvoldoende aanknopingspunten bevat om te komen tot het oordeel dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar was. Het procesdossier en ook het onderzoek ter terechtzitting nopen evenmin tot een dergelijk oordeel. Het beroep op de verminderde toerekeningsvatbaarheid wordt daarom verworpen.\n\nOordeel hof inzake detentiegeschiktheid\n\n[Medisch adviseur], arts en medisch adviseur Dienst Justitiële Inrichtingen heeft twee rapportages uitgebracht (27 maart 2024 en 23 augustus 2024) en heeft, na raadpleging van een specialist ouderengeneeskunde, in beide rapportages – samengevat - geconcludeerd dat er in detentie voldoende mogelijkheden zijn om de verdachte de medische zorg te bieden die hij nodig heeft en dat de verdachte detentiegeschikt is.\n\nOok ten aanzien van deze rapportages geldt dat het hof geen aanleiding heeft om eraan te twijfelen dat deze op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De conclusies van de rapportages zijn voldoende gemotiveerd en navolgbaar.\n\nHet hof neemt deze conclusies over en is van oordeel dat de verdachte detentiegeschikt is. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ter onderbouwing van het standpunt dat de verdachte niet detentiegeschikt is, leidt het hof niet tot een ander oordeel.\n\nHet voorgaande betekent dat het hof ervan uitgaat dat de verdachte ten tijde van de feiten volledig toerekeningsvatbaar was en voorts dat de verdachte detentiegeschikt is.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting.\n\nJustitiële documentatie\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 augustus 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Dit is echter langer geleden en het hof stelt vast dat verdachte geen thans relevante eerdere veroordelingen heeft.\n\nPersoonlijke omstandigheden, redelijke termijn en tijdsverloop\n\nUit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat de verdachte met serieuze medische omstandigheden te kampen heeft. Het hof zal daarmee rekening houden in de bepaling van de hoogte van de straf in zoverre dat het hof 6 maanden minder zal opleggen dan de in beginsel passende en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden.\n\nHet hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden met ruim 2,5 jaar is overschreden, nu op 16 maart 2020 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld en het hof eindarrest wijst op 18 september 2024.\n\nHet hof zal deze overschrijding – alsmede het forse tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten - verdisconteren in de straf in die zin dat het hof op de in beginsel passende en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden andermaal 6 maanden in mindering zal brengen.\n\nHet voorgaande betekent dat het hof aan de verdachte een gevangenisstraf van (48 maanden minus tweemaal 6 maanden) 36 maanden zal opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 47, 51, 57 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van36 (zesendertig) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A. de Lange, mr. F.W. Pieters en mr. M. Pheijffer, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 september 2024.\n\nMr. M. Pheiffer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1681","2024-09-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.551Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":76,"fullText":85,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":51,"updatedAt":88},"777","ECLI:NL:GHSHE:2024:3585","ecli-nl-ghshe-2024-3585","Parketnummer : 20-003285-23\n\nUitspraak : 18 september 2024\n\nTEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-208912-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,\n\nzonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde en ter zake van ‘opzetheling’ (feit 1) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Voorts heeft de politierechter de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en heeft de politierechter bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen proceskosten dragen.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte in zoverre, opnieuw rechtdoende, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek van voorarrest.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de politierechter van het onder feit 2 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met aanvulling en verbetering van gronden, en met uitzondering van de opgelegde straf.\n\nAanvulling bewijsmiddelen\n\nHet hof ziet aanleiding om het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel 3.1.2., te weten het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 34 en 35, aan te vullen door na de zin “Zij hadden (…) fiets getroffen” in te voegen:\n\nOmstreeks 08:20 uur waren wij ter plaatse. Wij (het hof begrijpt: verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] )hoorden van de boa’s dat zij met een actie bezig waren tegen fietsendiefstallen. Zij hadden een man weg zien fietsen bij de [supermarkt] aan de Van Beethovenlaan. De boa’s waren achter de man aangefietst en controleerden hem. De man had geen identiteitsbewijs bij zich. Zij controleerden het chassisnummer van de fiets via de STOP heling app. Hieruit kwam naar voren dat de fiets gestolen was. De boa’s hebben toen via het operationele centrum de politie ter plaatse gevraagd.\n\nVerbetering van de bewijsoverwegingen\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is samengevat aangevoerd dat het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu sprake lijkt te zijn van een willekeurige staande houding van de verdachte door de verbalisanten, waarbij niet naar het identiteitsbewijs is gevraagd en vragen aan de verdachte zijn gesteld zonder dat de cautie is gegeven.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nGelet op hetgeen daaromtrent is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , concludeert het hof dat de boa’s [verbalisant 3] en [verbalisant 4] de verdachte, nadat zij hem hadden gestopt, hebben gevraagd naar zijn identiteitsbewijs. Op grond van de Wet op de identificatieplicht was de verdachte verplicht aan hun bevel gehoor te geven. Van een staandehouding op de voet van artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering was, anders dan de raadsman heeft betoogd, derhalve geen sprake. Toen de boa’s vervolgens evenwel waarnamen dat het slot van de (elektrische) fiets waarop de verdachte reed was doorgeslepen en achter op de bagagedrager hing, hebben zij hem bevraagd over de fiets. Omdat op dat moment wel een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bij de boa’s moet zijn gerezen, hadden ze de verdachte, alvorens hem naar aanleiding van hun verdenking te bevragen, de cautie moeten geven. Aan de omstandigheid dat zij dit hebben nagelaten verbindt het hof in het onderhavige geval evenwel geen consequenties omdat de verdachte, gelet op het door hem gegeven antwoord op de vraag van wie de fiets was, te weten dat hij de fiets had geleend van een vriend, niet in zijn belangen is geschaad.\n\nHet verweer van de verdediging wordt verworpen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van voorarrest, op te leggen.\n\nIndien het hof tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman van de verdachte bepleit aan te sluiten bij de straf zoals is gevorderd door de advocaat-generaal.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van een fiets. Door aldus te handelen heeft de verdachte meegewerkt aan het in stand houden van een afzetmarkt voor goederen die van misdrijf afkomstig zijn. Heling van gestolen goederen leidt ertoe dat plegers van diefstallen geldelijk voordeel kunnen trekken uit de door hen gepleegde strafbare feiten, terwijl deze feiten leiden tot financiële schade en overlast voor de eigenaren van de weggenomen goederen. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 juli 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk ter zake van (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nNaar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nverklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde;\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van2 (twee) weken;\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,\n\nmr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,\n\nen op 18 september 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Koning is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:3585","2024-11-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.586Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":93,"fullText":94,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":93,"parsedAt":51,"updatedAt":96},"775","ECLI:NL:GHAMS:2024:2335","ecli-nl-ghams-2024-2335","2024-08-22T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 23-003365-23 (ontneming)\n\nDatum uitspraak: 22 augustus 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 december 2023 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer\n\n13-086634-22 tegen de betrokkene\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,\n\nadres: [adres].\n\nProcesgang\n\nHet openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 151.215,96, welk bedrag ter terechtzitting in eerste aanleg is verlaagd tot een bedrag van € 108.165,72.\n\nDe betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 december 2023 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, het telen van hennep (feit 1) en de diefstal van elektriciteit (feit 2).\n\nDe politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 14 december 2023 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 69.615,48 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nDe betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.\n\nDe betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 augustus 2024 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, het telen van hennep (feit 1) en de diefstal van elektriciteit (feit 2).\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.\n\nSchatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nDe vordering\n\nDe advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 150.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal heeft zich gebaseerd op de inhoud van het Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel en is van mening dat sprake is geweest van vier oogsten.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft het hof primair verzocht bij vrijspraak de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in de vordering tot ontneming en subsidiair (bij een veroordeling) de vordering af te wijzen. Hij heeft daartoe aangevoerd, dat aannemelijk is dat één oogst is gestolen en dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor vier oogsten. Meer subsidiair is verzocht de vordering af te wijzen omdat, aannemende dat betrokkene de woning verhuurde ten behoeve van de hennepteelt, tegenover de contante stortingen en de huurinkomsten de door betrokkene betaalde huur en de kosten van Liander staan.\n\nIn geval het hof de ontnemingsmaatregel toewijst, heeft de raadsman verzocht uit te gaan van één eerdere oogst van 93 planten, met een opbrengst van € 10.673,98 en aftrek van kosten (onder meer € 1.567,50 aan huurkosten en € 1.483,15 aan kosten Liander netverlies), met een voordeel van in totaal € 6.758,16.\n\nDe grondslag\n\nDe betrokkene is veroordeeld bij arrest van het gerechtshof voor het telen van hennep in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit dat feit en uit andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene die heeft begaan.\n\nIn het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel(hierna: het rapport) zijn onder meer de volgende aanwijzingen opgenomen:\n\neen (grote) hoeveelheid potten met potgrond, in ruimte 1 hingen 13 assimilatielampen, in ruimte 2 zijn 11 van dit soort lampen aangetroffen, gedroogde resten van hennepplanten in een droognet, vervuiling met stof op de koolstoffilters en de kappen van de assimilatielampen, wortelresten van hennepplanten aangetroffen in de plantenpotten, productiedatum op gipsplaten (24 februari 2017), productiedatum trafo (27 november 2016) en lege verpakkingen van hennepstekken.\n\nUit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat in de woning een hennepkwekerij was ingericht in ieder geval van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019. Aan de hand van indicatoren, zoals productiedata op gipsplaten (24 februari 2017) en trafo (27 november 2016), aanslag op potten en vervuilde koolstoffilters, is vastgesteld dat sprake is geweest van meerdere teelten.\n\nOp de ING bankrekening op naam van de verdachte heeft hij in de periode van 25 juni 2018 tot 3 januari 2019 contante geldbedragen gestort, van in totaal € 10.660,00.\n\nVoor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het hof uit van het volgende:\n\nAantal oogsten\n\nVoor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal het hof uitgaan van 3 oogsten. In de kwekerij zijn (na een inbraak) geen hennepplanten meer aangetroffen; de vierde en dus laatste oogst wordt daarom niet meegenomen in de berekening.\n\nAantal planten\n\nDe aangetroffen lege potten zijn niet geteld door de verbalisanten. De stelling van de raadsman, dat gelet op de foto’s in het dossier niet meer dan 93 planten zijn gekweekt per oogst, is niet aannemelijk. Voor het aantal potten van de kwekerij baseert het hof zich op het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel.De hierin opgenomen uitgangspunten zijn gebaseerd op gegevens die jarenlang zijn verzameld. Het hof ziet geen reden hiervan af te wijken omdat niet aannemelijk is dat in dit geval (substantieel) meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Aannemelijk is dat 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2 zijn gekweekt, dat wil zeggen in totaal 360 hennepplanten.\n\nOpbrengst per oogst in grammen\n\nRuimte 1: uitgaande van een opbrengst van 28,20 gram per plant is de opbrengst per oogst:\n\n195 planten x 28,20 gram = 5.499 gram.\n\nRuimte 2: 165 planten x 28,20 gram = 4.653 gram.\n\nOpbrengst in geld\n\nUitgaande van een opbrengst van € 4,07 per gram is de totale opbrengst:\n\nRuimte 1: 5.499 gram x 4,07 = € 22.380,93 per oogst.\n\nRuimte 2: 4.653 gram x 4,07 = € 18.937,71 per oogst.\n\nKosten\n\nRuimte 1\n\nKosten investering € 150,00\n\nVariabele kosten € 1.499,55\n\nTotaal: € 1.649,55.\n\nOpbrengst € 22.380,93 minus kosten á € 1.649,55 = € 20.731,38 per oogst in ruimte 1.\n\nRuimte 2\n\nKosten investering € 150,00\n\nVariabele kosten € 1.268,85\n\nTotaal: € 1.418,85.\n\nOpbrengst € 18.937,71 minus kosten á € 1.418,85 = € 17.518,86 per oogst in ruimte 2.\n\nTotale opbrengst minus kosten per oogst\n\n€ 20.731,38 + € 17.518,86 = € 38.250,24 aan voordeel uit één oogst.\n\nUitgaande van drie oogsten is het voordeel in totaal:\n\n3x € 38.250,24 = € 114.750,72.\n\nAftrek energiekosten\n\nGezien het rapport op pagina 8, is op de nota van Liander een bedrag van € 5.932,61 genoemd als de totale kosten aan netverlies. Volgens een mededeling van de advocaat-generaal heeft betrokkene de volledige nota van Liander inmiddels voldaan. Anders dan in het rapport zal het hof daarom voor drie oogsten een bedrag van € 4.449,45 (3\u002F4 van € 5.932,61) aftrekken van het voordeel.\n\nAftrek huurkosten\n\nNiet aannemelijk is dat de woning, naast het telen van hennep, is gebruikt voor bewoning. De huur van de woning is betaald en het hof zal daarom de huurkosten van € 441,51 per maand voor een periode van 30 weken (3 oogsten; 3x (2,5 x 441,51=) € 1.103,77 = € 3.311,32) aftrekken van het wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nSchatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\n€ 114.750,72 minus € 4.449,45 (energiekosten) minus € 3.311,32 (huurkosten) = afgerond € 106.989,00.\n\nVerplichting tot betaling aan de Staat\n\nRedelijke termijn\n\nDe betrokkene is op 4 maart 2019 aangehouden en gehoord, het ontnemingsvonnis is uitgesproken op\n\n14 december 2023 en het hof wijst thans op 22 augustus 2024 arrest. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak als de onderhavige dient te zijn afgerond binnen twee jaren per rechterlijke instantie. Daarom is in dit geval de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg overschreden met twee jaar en 9 maanden. Aangezien in de strafzaak rekening is gehouden met de overschrijding van de termijn, zal het hof in de ontnemingszaak volstaan met de constatering daarvan.\n\nAan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 106.989,00.\n\nToepasselijk wettelijk voorschrift\n\nDe op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nStelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €106.989,00. (honderdzesduizend negenhonderdnegenentachtig euro).\n\nLegt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van€106.989,00. (honderdzesduizend negenhonderdnegenentachtig euro).\n\nBepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.A. Groenendijk, mr. A.P.M. van Rijn en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van\n\nmr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van\n\n22 augustus 2024.\n\nMr. I.A. Groenendijk en mr. A.P.M. van Rijn zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dossierpagina 1 tot en met 11.\n\n Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 15 maart 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina 30 tot en met 34 en het Rapport, pagina 4.\n\n Een geschrift, te weten een aangifte door fraudespecialist [naam] van Liander NV van 19 maart 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3], dossierpagina 1 tot en met 16.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de verbalisant [verbalisant 1], dossierpagina 28 tot en met 40.\n\n Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dossierpagina 1 tot en met 11.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:2335","2026-07-13T00:28:47.514Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":93,"fullText":101,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":93,"parsedAt":51,"updatedAt":103},"774","ECLI:NL:GHAMS:2024:2334","ecli-nl-ghams-2024-2334","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 23-003364-23\n\nDatum uitspraak: 22 augustus 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 december 2023 in de strafzaak onder parketnummer\n\n13-086634-22 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,\n\nadres: [adres 1] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. hij, in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 3 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een of meer, althans een grote hoeveelheid hennepplanten en\u002Fof delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\neen of meer (onbekend gebleven) personen in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 3 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft\u002Fhebben geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft\u002Fhebben gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een of meer, althans een grote hoeveelheid hennepplanten en\u002Fof delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en\u002Fof bij het plegen van welk(e) misdrijf\u002Fmisdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 3 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft en\u002Fof opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon\u002Fpersonen voornoemd pand voor het telen\u002Fbereiden\u002Fbewerken\u002Fverwerken van hennepplanten ter beschikking te stellen;\n\n2. hij, in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 03 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (uit een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Liander N.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich de toegang tot die\u002Fdat weg te nemen elektriciteit heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof die\u002Fdat weg te nemen elektriciteit onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak, verbreking en\u002Fof een valse sleutel (te weten een gemaakte extra en\u002Fof illegale aansluiting voor elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om);\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\neen of meer (onbekend gebleven) personen in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 03 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (uit een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan die (onbekend gebleven) personen en\u002Fof hun mededader(s) en\u002Fof aan verdachte toebehoorde, te weten aan Liander N.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die (onbekend gebleven) personen en\u002Fof hun mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof dat\u002Fdie weg te nemen goed\u002Fgoederen onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak en\u002Fof verbreking en\u002Fof een valse sleutel (te weten een gemaakte extra en\u002Fof illegale aansluiting voor elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om) bij en\u002Fof tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 03 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en\u002Fof opzettelijk gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft, door aan die (onbekend gebleven) personen voornoemd pand en\u002Fof de aldaar aanwezige elektriciteitsvoorziening(en) (voor de teelt\u002Fhet kweken en\u002Fof het bereiden en\u002Fof bewerken en\u002Fof verwerken van hennepplanten) ter beschikking te stellen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof anders overweegt en tot een andere strafoplegging komt dan de politierechter.\n\nStandpunten\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van de feiten zoals onder 1 en 2 tenlastegelegd.\n\nDe verdediging heeft het hof primair verzocht de verdachte integraal vrij te spreken. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte direct heeft verklaard dat hij de woning onderverhuurde aan [naam 1] , een Aziatische man. In dit geval is amper onderzoek gedaan ter controle van de verklaring van de verdachte. De contante stortingen die de verdachte op zijn bankrekening heeft gedaan, kunnen worden verklaard uit de huuropbrengsten en zijn spaargeld. Aangezien alleen de gegevens zijn gevorderd van na 24 mei 2018, is niet onderzocht hoe de financiële situatie van de verdachte was vóór die datum.\n\nSubsidiair heeft de verdediging gesteld, dat niet kan worden bewezen verklaard dat sprake was van een ‘grote hoeveelheid’ hennepplanten. De raadsman heeft de op de foto’s in het dossier zichtbare potten die gevuld waren met aarde geteld en is tot een aantal van 93 hennepplanten gekomen.\n\nBewijsoverwegingen\n\nRedengevende feiten en omstandigheden\n\nUit de inhoud van het dossier kan worden afgeleid dat op 4 maart 2019 een hennepkwekerij met twee kweekruimtes is aangetroffen in een woning aan de [adres 2] , die werd gehuurd door de verdachte. In de kwekerij werd een (grote) hoeveelheid potten met potgrond aangetroffen; de planten waren geoogst. In ruimte 1 hingen 13 assimilatielampen, in ruimte 2 zijn 11 van dit soort lampen aangetroffen. Geconstateerd is dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen; vanuit de hoofdverzekeringenkast is een kabel aangebracht buiten de meter om. De verbalisant trof omstandigheden aan die wijzen op één of meerdere opbrengsten uit de hennepkwekerij, zoals gedroogde resten van hennepplanten, vervuiling met stof op de koolstoffilters en de kappen van de assimilatielampen. Er zijn wortelresten van hennepplanten aangetroffen (in de plantenpotten) en lege verpakkingen van hennepstekken.\n\nLiander NV heeft aangifte gedaan van diefstal van stroom. De fraudespecialist zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Na het verwijderen van het deksel zag hij dat aan de onderzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Hij zag dat deze aansluiting buiten de meter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. Uit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat in de woning een hennepkwekerij was ingericht in ieder geval van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019. Aan de hand van indicatoren, zoals productiedata op gipsplaten (24 februari 2017) en trafo (27 november 2016), aanslag op potten en vervuilde koolstoffilters, is vastgesteld dat sprake is geweest van meerdere teelten. \n\nOp de ING bankrekening op naam van de verdachte zijn in de periode van 25 juni 2018 tot 3 januari 2019 contante geldbedragen gestort, van in totaal € 10.660,- \n\nVerklaringen verdachte\n\nDe verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard, dat hij staat ingeschreven op het adres [adres 2] en dat hij zijn woning sinds juni 2018 onderverhuurde aan een Aziatische man, die hij via zijn werkgever bij een project had ontmoet. In een huurovereenkomst die de verdachte bij zich had toen hij op 4 maart 2019 naar de politie ging, is de naam van [naam 1] , een geboortedatum en telefoonnummer vermeld.De verdachte heeft verklaard dat hij de gegevens van de identiteitskaart van de onderhuurder heeft overgenomen, maar daar geen kopie van heeft gemaakt. Als huurprijs is vermeld € 627,- per maand. Verdachte heeft verklaard dat hij in die tijd bij zijn toenmalige vriendin woonde.\n\nDe verdachte heeft 5 jaar gewerkt bij [bedrijf] en heeft verklaard uit die periode een bedrag van € 6.000,- te hebben gespaard. Hij bewaarde dat geldbedrag contant in huis. Als zijn bankrekening moest worden aangevuld, stortte hij daar contant geld op, afkomstig van spaargeld en van de huuropbrengsten.\n\nSinds 1 juli 2018 is de verdachte gestopt met werken.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij zich een jaar voor 1 juli 2018 ziek heeft gemeld bij [bedrijf] . Ter zitting verklaarde hij dat hij in de tenlastegelegde periode schulden had van tenminste € 45.000,- en BKR geregistreerd stond. Er was ook sprake van loonbeslag. Hij nam zijn salaris op van zijn bankrekening, bewaarde dat in huis en stortte bij op zijn rekening als dat nodig was.\n\nDe verdachte heeft verder verklaard, dat hij tot september 2018 nog af en toe in de woning is geweest; toen zag het er nog normaal uit. De huur ontving hij aanvankelijk contant van de huurder, daarna legde de huurder het geld in de brievenbus in het portiek waar de verdachte het dan uithaalde. Het contact werd steeds minder en op enig moment ontdekte de verdachte dat het slot van de woning was veranderd. De laatste keer dat hij huur heeft ontvangen was eind januari 2019.\n\nOverwegingen\n\nDe verdachte, die huurder was van de woning aan de [adres 2] in Amsterdam en die als enige in de Basisregistratie Personen op dit adres stond ingeschreven, had over deze woning de beschikking. De verdachte heeft evenwel betrokkenheid bij de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij ontkend en heeft daartoe een alternatief scenario gegeven, namelijk dat een Aziatische man, aan wie hij de woning heeft onderverhuurd, de kwekerij heeft opgezet.\n\nHet hof is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is. De summiere informatie die de verdachte over de onderhuurder heeft verstrekt, is door de politie opgezocht in de beschikbare politiesystemen. Deze persoon, alsmede het telefoonnummer dat op het huurcontract stond, kwamen hier niet in voor. Het telefoonnummer is door de politie gebeld, maar werd niet beantwoord en uit onderzoek bleek dat het nummer niet geregistreerd stond op naam en een prepaid nummer was.Een buurtbewoner heeft desgevraagd verklaard, dat hij geen Aziatische mensen in het trapportaal heeft gezien.\n\nOver de ontmoeting met de Aziatische man heeft de verdachte verklaard, dat hij met hem in contact is gekomen door zijn vorige werkgever. Hij werkte volgens de verdachte op hetzelfde terrein als waar hij werkte voor [bedrijf] .De politie heeft navraag gedaan bij [bedrijf] , maar dat heeft niets opgeleverd. Voor welk bedrijf de man werkte of waar hij woonde, wist de verdachte niet. Het hof acht deze verklaring van de verdachte over de manier waarop hij in contact zou zijn gekomen met de onderhuurder, ongeloofwaardig. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte namelijk verklaard, dat hij een jaar voordat hij ontslag nam bij [bedrijf] , in juli 2018, was ziekgemeld vanwege rugklachten. Daarom is niet aannemelijk, dat hij de man via zijn werk heeft ontmoet. Verder zou de verdachte niets hebben ondernomen toen hij ontdekte dat het slot van zijn woning was veranderd en de huur na eind januari niet meer werd betaald. Verder is in de periode van 25 juni 2018 tot en met 3 januari 2019 in totaal een bedrag van € 10.660,- contant gestort op de rekening van de verdachte.Deze stortingen zijn onregelmatig en meermaals betreft dit een bedrag van € 1.000,- ineens. Hierin ziet het hof een belangrijke aanwijzing dat de verdachte, die in die periode volgens zijn eigen verklaring schulden had en leefde van een uitkering, inkomen kreeg uit de hennepkwekerij. Een andere verklaring voor de contante stortingen is niet aannemelijk geworden.\n\nNaar het oordeel van het hof is de verdachte, die als enige stond ingeschreven in de woning en daarover de beschikkingsmacht had, degene geweest die de hennepplanten heeft gekweekt. Dat hij de woning zou hebben onderverhuurd aan een Aziatische man, is niet aannemelijk. Het door hem overgelegde huurcontract is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, volstrekt onvoldoende. Het alternatieve scenario kan daarom niet worden gevolgd.\n\nBij het kweken van de hennep is gebruik gemaakt van illegaal afgetapte elektriciteit. Het hof is op basis van de voorgaande feiten en omstandigheden van oordeel, dat de conclusie voor de hand ligt dat het eveneens de verdachte is geweest die de elektriciteit heeft weggenomen en daartoe door middel van verbreking een illegale aansluiting heeft geplaatst. Een verklaring die een aanknopingspunt zou kunnen bieden voor de gedachte dat deze voor de hand liggende conclusie niet juist is, ontbreekt. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de hiervoor genoemde voor de hand liggende conclusie de juiste is. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte bij het telen dan wel de diefstal van elektriciteit heeft samengewerkt met één of meer anderen.\n\nHoeveelheid hennepplanten\n\nIn de kwekerij zijn geen hennepplanten aangetroffen en de aangetroffen lege potten zijn niet geteld door de verbalisanten. De raadsman stelt dat op de foto’s in het dossier 93 potten met aarde kunnen worden geteld. De raadsman gaat er bij deze manier om het aantal potten te tellen aan voorbij, dat niet kan worden aangenomen dat op de foto’s alle in de woning aanwezige potten te zien zijn. Voor het aantal potten van de kwekerij baseert het hof zich daarom op het Rapport berekening wederrechtelijk voordeelin de gelijktijdig behandelde ontnemingszaak tegen de verdachte. Hierin is het aantal hennepplanten berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte. Het hof ziet geen reden hiervan af te wijken, omdat niet aannemelijk is dat meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Daarom wordt uitgegaan van 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2. In totaal komt dat op 360 hennepplanten en het hof zal, gelet op dit aantal, het telen van een grote hoeveelheid hennepplanten bewezen verklaren.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. primair hij, in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019 te Amsterdam, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres 2] een grote hoeveelheid hennepplanten en\u002Fof delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep;\n\n2. primair hij, in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019 te Amsterdam, uit een pand aan de [adres 2] een hoeveelheid elektriciteit, die toebehoorde aan Liander N.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot die weg te nemen elektriciteit heeft verschaft en die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, te weten een illegale aansluiting voor elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om.\n\nHetgeen onder 1 primair en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de redengevende feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de voetnoten onder het kopje Bewijsoverwegingen.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nHet onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straffen\n\nDe politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, met een proeftijd van twee jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uur, te vervangen door hechtenis van 30 dagen.\n\nDe raadsman heeft in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat de verdachte als zelfstandige werkt in de wegenbouw en zijn leven en inkomen goed op de rit heeft. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft in een woonwijk in een kleine bovenwoning een hennepkwekerij in werking gehad met een groot aantal planten. Hij heeft voor de kwekerij stroom gestolen door het aanleggen van een illegale elektriciteitsaansluiting. De verdachte is voorbijgegaan aan de risico’s (van brand en overlast door bijvoorbeeld lekkage van water) voor de omwonenden van een hennepkwekerij. De verdachte heeft alleen gehandeld om financieel voordeel te behalen. Daarbij komt dat het telen van hennep en de handel daarin vaak gepaard gaat met andere vormen van strafbaar gedrag. Het hof acht dit twee ernstige feiten en is daarom van oordeel dat een straf zoals opgelegd door de politierechter niet passend is.\n\nBlijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juli 2024 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld.\n\nHet hof heeft aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.\n\nHet hof ziet in hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, geen aanleiding tot matiging van de straf.\n\nHet hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren passend en geboden. Het hof zal de verdachte daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden een proeftijd van twee jaren opleggen, om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen en teneinde te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw strafbare feiten begaat.\n\nHet hof heeft tenslotte acht geslagen op de omstandigheid dat in dit geval in eerste aanleg de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De verdachte is op 4 maart 2019 aangehouden en gehoord, het vonnis dateert van 14 december 2023 en het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is op 27 december 2023 ingesteld. Het hof doet uitspraak op 22 augustus 2024. Bij de behandeling in eerste aanleg is de redelijke termijn overschreden met twee jaar en 9 maanden. Dit is reden om een korting op de taakstraf toe te passen van 20 uren.\n\nHet hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand, passend en geboden.\n\nBeslag\n\nDe in beslag genomen ruimlijst zal worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van1 (één) maand.\n\nBepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door50 (vijftig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een ruimlijst.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.A. Groenendijk, mr. A.P.M. van Rijn en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van\n\nmr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van\n\n22 augustus 2024.\n\n mr. A.P.M. van Rijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 15 maart 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina 30 tot en met 34.\n\n Een geschrift, te weten een aangifte door fraudespecialist [naam 2] van Liander NV van 19 maart 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , dossierpagina 1 tot en met 16.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de verbalisant [verbalisant 2] , dossierpagina 28 tot en met 40 (aanvullend procesdossier).\n\n Dossierpagina 37.\n\n Dossierpagina 45 (aanvullend dossier).\n\n Dossierpagina 42.\n\n Dossierpagina 45.\n\n Dossierpagina 28 (aanvullend dossier).\n\n Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , dossierpagina 1 tot en met 11.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:2334","2026-07-13T00:28:47.475Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":108,"fullText":109,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":110,"sourceTimestamp":111,"parsedAt":51,"updatedAt":112},"1172","ECLI:NL:GHSHE:2024:2467","ecli-nl-ghshe-2024-2467","2024-07-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000534-22\n\nUitspraak : 26 juli 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 februari 2022 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 82-205241-21 tegen:\n\n [verdachte]\n\nStatutair gevestigd te [adres] ,\n\nopgeroepen als:\n\n [verdachte] ,\n\nstatutair gevestigd te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel toegewezen, het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 9.000,00 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor datzelfde bedrag.\n\nNamens van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2024 alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\nDe verdediging heeft primair afwijzing van de vordering bepleit. Subsidiair heeft de verdediging – gelijk aan hetgeen in eerste aanleg aangevoerd – het hof verzocht de in verband met het verhuren van de stallen gemaakte kosten, e weten de\n\nwaterschapslasten (€ 708,- : 2 = € 359,-),\n\nverzekeringskosten (€ 4.341,60 : 2 = € 2.170,80) en,\n\nonroerendezaakbelasting (€ 1199,- : 2 = € 599,50)\n\nop het door de rechtbank vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen, zodat een bedrag van € 5.870,70 aan wederrechtelijk verkregen voordeel resteert, en vervolgens dat bedrag te matigen zodat recht wordt gedaan aan de feitelijke situatie waarbij het grootste deel van de door de betrokkene verhuurde stallen legaal in gebruik waren.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis en met de redengeving waarop dit berust en zal daarom het vonnis integraal bevestigen.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.J. Henzen, voorzitter,\n\nmr. W.F. Koolen en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,\n\nen op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. A.J. Henzen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2467","2024-07-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:08.020Z",{"id":114,"ecli":115,"slug":116,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":108,"fullText":117,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":111,"parsedAt":51,"updatedAt":119},"761","ECLI:NL:GHSHE:2024:2468","ecli-nl-ghshe-2024-2468","Parketnummer : 20-000535-22\n\nUitspraak : 26 juli 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 februari 2022, in de strafzaak met parketnummer 82-205241-21 tegen:\n\n [verdachte]\n\nStatutair gevestigd te [adres] ,\n\ngedagvaard als:\n [maatschap] ,\n\nstatutair gevestigd te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a, juncto artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht” veroordeeld tot betaling van een geldboete ter hoogte van € 9.000,00 waarvan € 4.500,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nGeldigheid van de dagvaarding\n\nAmbtshalve merkt het hof op dat de dagvaarding in hoger beroep, zoals ook in eerste aanleg het geval was, is gericht aan ‘ [maatschap] ’. Ter terechtzitting in eerste aanleg is reeds gebleken dat ‘ [maatschap] ’ niet bestaat. Ook is gebleken dat [vertegenwoordiger verdachte] – naast de besloten vennootschap [bedrijf 2] – maat is in de ‘ [verdachte] ’ en dat hij daarnaast enig aandeelhouder en bestuurder is van de besloten vennootschap [bedrijf 2] Dit komt overeen met de gegevens in het procesdossier. Gelet hierop, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de tenaamstelling in de dagvaarding berust op een kennelijke vergissing. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is hierdoor bij de maatschap geen verwarring ontstaan en was bekend welk strafrechtelijk verwijt haar werd gemaakt. Het hof leest daarom de op de dagvaarding vermelde naam van de verdachte ‘ [maatschap] ’ verbeterd als ‘ [verdachte] ’. De verdachte is hierdoor niet in haar belangen geschaad.\n\nUit het dossier blijkt ook dat [vertegenwoordiger verdachte] in persoon de huurovereenkomst van de stallen heeft getekend en dat de stallen bedrijfsmatig door hem werden verhuurd, terwijl blijkens de verklaring van de heer [vertegenwoordiger verdachte] als vertegenwoordiger van de [verdachte] (onder meer) activiteiten ontplooit op het gebied van de verhuur van vastgoed in de agrarische sector. Hieruit leidt het hof af dat [vertegenwoordiger verdachte] namens ‘ [verdachte] ’ de stallen heeft verhuurd. Dat komt overeen met wat [vertegenwoordiger verdachte] tijdens het laatste woord namens de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nprimair:\n\nzij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 29 april 2020, althans op of omstreeks 27 januari 2020, te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] , aldaar, waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, melk en\u002Fof eieren, al dan niet opzettelijk, in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\u002Fof,\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A;\n\nsubsidiair:[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 29 april 2020, althans op of omstreeks 27 januari 2020, te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] , aldaar, waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, melk en\u002Fof eieren, al dan niet opzettelijk, in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\u002Fof,\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A,\n\nbij\u002Ftot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, [medeverdachte] opzettelijk behulpzaam is geweest, althans opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen heeft verschaft door toen daar onder andere de stal 3a en\u002Fof de stal 4a aan [medeverdachte] te verhuren.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nVrijspraak\n\nMet de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als drijver van de inrichting in de stallen 3a en 4a aan de [adres] . Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt immers dat de verdachte geen enkele feitelijke zeggenschap had over de varkenshouderij die in die stallen werd geëxploiteerd. Die zeggenschap lag volledig bij [medeverdachte] , die het hof dan ook als drijver van de inrichting kwalificeert (zie hierna in het arrest). Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte niet desondanks als medepleger van het haar primair tenlastegelegde feit kan worden aangemerkt. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt geenszins dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] .\n\nGelet op het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het haar primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Het subsidiair aan de verdachte tenlastegelegde feit acht het hof wel wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna is uiteengezet.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, opzettelijk in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A,\n\nbij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, [medeverdachte] opzettelijk behulpzaam is geweest door toen daar de stal 3a en de stal 4a aan [medeverdachte] te verhuren.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nTen behoeve van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nBewijsoverwegingen\n\nIndien en voor zover in dit arrest wordt verwezen naar voorschriften uit wet- en regelgeving, wordt daarmee bedoeld de voorschriften uit wet- en regelgeving zoals die luidden ten tijde van het tenlastegelegde, dus in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020.\n\nJuridisch kader\n\nOp 1 augustus 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting in werking getreden. Dit besluit, dat was gericht aan de (intensieve) veehouderijen, bepaalde de maximale emissiewaarden voor ammoniak waaraan door deze veehouderijen moest worden voldaan. Landelijk werd echter een gedoogbeleid gevoerd, ook wel aangeduid als het Actieplan Ammoniak Veehouderij. Onderdeel van dit actieplan was de stoppersregeling. Veehouderijen die daarvoor waren aangemeld, werden tot 1 januari 2020 vrijgesteld van naleving van de huisvestingsvoorschriften uit het besluit. Wel dienden zij met andere maatregelen een reductie van ammoniakemissie te realiseren. Vanaf 1 januari 2020 moesten de voor de stoppersregeling aangemelde veehouderijen ofwel zijn beëindigd ofwel zodanig zijn aangepast dat alsnog werd voldaan aan de maximale emissiewaarden als opgenomen in het besluit. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit emissiearme huisvesting is dat besluit niet van toepassing op veehouderijen die maximaal het aantal dieren houden dat in de vierde kolom van de tabel onder bijlage I wordt genoemd. Voor houders van speenbiggen is dat aantal vastgesteld op 20.\n\nArtikel 5, eerste lid onder a, in combinatie met bijlage I van het Besluit emissiearme huisvesting schrijft voor dat degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, in een dierenverblijf, dat is opgericht op uiterlijk 30 juni 2015, voor de hoofdcategorie varkens geen huisvestingssystemen toepast met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan 0,21 kilogram NH3 per dierplaats per jaar.\n\nDe feiten en omstandigheden\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\n [medeverdachte] , opgericht op 16 december 2012, betreft een onderneming in het exploiteren en het doen exploiteren van intensieve veehouderij, in het bijzonder van fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven. [verdachte] is opgericht op 1 januari 2014 en houdt zich in haar – overigens reeds vanaf 1 januari 2004 bestaande – onderneming onder meer bezig met het verhuren van vastgoed in de agrarische sector. Sinds de oprichting van de maatschap heeft zij als maten de heer [vertegenwoordiger verdachte] en de besloten vennootschap [bedrijf 2] . Van deze laatste rechtspersoon is de heer [vertegenwoordiger verdachte] enig aandeelhouder en bestuurder.\n\nVan 1 augustus 2018 tot en met april 2020 huurde [medeverdachte] drie stallen – in het dossier aangeduid als stal 3, stal 4 en stal 6 – van [vertegenwoordiger verdachte] . Deze stallen waren gevestigd aan de [adres] . Uit de huurovereenkomst, gesloten tussen beide partijen, volgt dat van de stallen 3 en 4 enkel de kraamafdelingen en van stal 4 ook de opfokafdeling werden verhuurd. Stal 6 betrof de biggenstal en werd in het geheel aan [medeverdachte] verhuurd.\n\nOp 28 november 2011 is aan [vertegenwoordiger verdachte] een omgevingsvergunning (activiteit milieu) afgegeven voor het houden van onder meer 155 kraamzeugen inclusief biggen tot spenen (71 in stal 3a en 84 in stal 4a) en 1728 gespeende biggen (in stal 6). In oktober 2014 is aan [vertegenwoordiger verdachte] een omgevingsvergunning beperkte milieutoets verleend. Daarbij is het hiervoor genoemde, in de in 2011 verleende omgevingsvergunning opgenomen voorschrift ongewijzigd gebleven. Verder was [vertegenwoordiger verdachte] aangemeld voor de stoppersregeling van het Actieplan Ammoniak Veehouderij.\n\nOp 27 januari 2020 zijn de stallen 3a, 4a en 6 aan de [adres] door een toezichthouder van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant aan een controle onderworpen. Daarbij is geconstateerd dat in de stallen 3a en 4a meer dieren (speenbiggen) werden gehouden dan op grond van de aan [vertegenwoordiger verdachte] verleende omgevingsvergunning was toegestaan. Ook werd vastgesteld dat in stal 3a een huisvestingssysteem werd toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar en in stal 4a een huisvestingssysteem met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, met als gevolg dat de huisvestingssystemen van de stallen 3a en 4a niet voldeden aan het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nDrijver van de inrichting\n\nOp grond van artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting is degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, verplicht zich te houden aan de in bijlage I bij dat besluit genoemde maximale emissiewaarden voor ammoniak. De wetgever heeft niet bepaald op grond van welke criteria kan worden vastgesteld wie in een bepaald geval de drijver van een inrichting is. Het begrip “drijverschap” heeft derhalve nader invulling gekregen in de jurisprudentie en literatuur. Daaruit volgt dat, om te bepalen wie een inrichting drijft, van belang is wie feitelijk de zeggenschap heeft over (de exploitatie van) die inrichting en\u002Fof over haar activiteiten alsmede over het gebruik van het onroerend goed ten behoeve van het verrichten van deze activiteiten. De drijver kan zowel een natuurlijke als een rechtspersoon zijn.\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [medeverdachte] houder was van de biggen die in de periode van 1 januari 2020 tot en met de laatste week van april 2020 in stal 3a en stal 4a aan de [adres] waren gehuisvest en ook beschikte over de daarvoor benodigde varkensrechten. Het was [medeverdachte] die de varkenshouderij op de desbetreffende locatie exploiteerde.\n\nHet hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat [medeverdachte] de drijver was van de inrichting (in de stallen 3a en 4a) aan de [adres] , waarin speenbiggen werden gehouden. Op haar lag dan ook als drijver van de inrichting de plicht om te voldoen aan artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat zij aan die plicht in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 niet heeft voldaan.\n\nUit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte geen enkele feitelijke zeggenschap had over (de exploitatie van) de in de stallen 3a en 4a ingerichte varkenshouderij. Met de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat de verdachte niet (ook) als drijver van voornoemde inrichting kan worden aangemerkt.\n\nOpzet bij (de vertegenwoordiger van) [medeverdachte]\n\nDe vertegenwoordiger van [medeverdachte] heeft op 29 juli 2020 verklaard dat hij wist dat de huisvestingssystemen van stal 3a en 4a vanaf 1 januari 2020 niet aan het Besluit emissiearme huisvesting voldeden. Desalniettemin heeft hij tot de laatste week van april 2020 in deze stallen speenbiggen gehouden. Daarmee heeft de vertegenwoordiger van [medeverdachte] opzettelijk gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nToerekening van de verboden gedraging aan [medeverdachte]\n\nHet hof stelt voorop dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit, indien de (verboden) gedraging in kwestie redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.\n\nVan een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:\n\nhet gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,\n\nde gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,\n\nde gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.\n\n [medeverdachte] betreft een onderneming in het exploiteren en het doen exploiteren van intensieve veehouderij, in het bijzonder van fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven. In de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 huurde [medeverdachte] de stallen 3a en 4a aan de [adres] . In onder meer deze stallen hield zij speenbiggen en werd haar varkenshouderij geëxploiteerd. Het hof heeft hiervoor reeds vastgesteld dat de huisvestingssystemen in de stallen 3a en 4a aan de [adres] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 niet voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting. [medeverdachte] was, als drijver van de in de stallen gevestigde inrichting, verantwoordelijk voor de naleving van deze voorschriften. Bewust heeft zij nagelaten maatregelen te treffen om wel aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting te voldoen, terwijl zij daartoe wel de mogelijkheid had. Het hof is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat de verboden gedragingen, zoals tenlastegelegd, aan [medeverdachte] kunnen worden toegerekend.\n\nMedeplichtigheid [verdachte]\n\nVan 1 augustus 2018 tot en met april 2020 verhuurde [vertegenwoordiger verdachte] drie stallen – in het dossier aangeduid als stal 3a, stal 4a en stal 6 –, gelegen aan de [adres] , aan [medeverdachte] In de tussen beide partijen gesloten huurovereenkomst is opgenomen dat huurder gehouden is het gehuurde overeenkomstig de bestemming als varkensstallen te gebruiken en het gehuurde daartoe tot beëindiging van deze overeenkomst ook zo ingericht te houden.\n\nUit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat vanaf 1 januari 2020 de stallen 3a en 4a niet meer voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting. Blijkens zijn verklaring van 10 augustus 2020 was [vertegenwoordiger verdachte] hiervan op de hoogte. De latere ontkenning daarvan acht het hof niet overtuigend. Daarbij heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat in het controleverslag van 29 oktober 2018 – de stallen van [vertegenwoordiger verdachte] stonden op dat moment leeg – is opgenomen “dat stal 6 [mogelijk] nog een enkele keer zal worden gebruikt voor het houden van gespeende biggen, aangezien deze voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting maar dan zal hier wel een huurder voor moeten worden gevonden”. Bovendien leidt het hof uit een door [vertegenwoordiger verdachte] zelf opgestelde en ondertekende verklaring van 10 augustus 2020 af dat hij eind december 2019 wist dat de biggen met enige urgentie in de aan [medeverdachte] verhuurde stallen vóór 1 januari 2020 moesten zijn verwijderd en dat “zijn stal per 31-12-2019 dan leeg (zou) zijn”, terwijl – nota bene - de verhuurovereenkomst eigenlijk nog tot eind mei 2020 zou doorlopen.\n\nDoor een huurovereenkomst te sluiten met [medeverdachte] voor de periode van 1 augustus 2018 tot en met mei 2020, waarin expliciet is bepaald dat de gehuurde stallen – te weten de stallen 3a, 4a en 6 – overeenkomstig de bestemming als varkensstallen dienen te worden gebruikt, wetende dat de stallen 3a en 4a vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan het Besluit emissiearme huisvesting, heeft [vertegenwoordiger verdachte] minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door [medeverdachte] vanaf 1 januari 2020 met betrekking tot de stallen 3a en 4a in strijd zou worden gehandeld met dat besluit. Door het sluiten van de huurovereenkomst heeft [vertegenwoordiger verdachte] aan [medeverdachte] de gelegenheid en middelen verschaft tot het plegen van dat strafbare feit.\n\nHet hof merkt nog op dat [vertegenwoordiger verdachte] de huurovereenkomst met [medeverdachte] op persoonlijke titel heeft gesloten. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, zowel in eerste aanleg – zoals dat is beschreven in het proces-verbaal van die zitting – als in hoger beroep, volgt evenwel dat de stallen door [vertegenwoordiger verdachte] in het kader van zijn bedrijf, dat zich immers onder meer richt op het verhuren van vastgoed in de agrarische sector, werden verhuurd. Hieruit leidt het hof af dat [vertegenwoordiger verdachte] namens ‘ [verdachte] ’ de stallen heeft verhuurd. Dat komt overeen met wat [vertegenwoordiger verdachte] tijdens zijn laatste woord ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard.\n\nDe periode\n\nNa de controle op 27 januari 2020 is [medeverdachte] begonnen met het leeghalen van de stallen. Vanaf 1 januari 2020 mochten in de stallen 3a, 4a en 6 respectievelijk maximaal 20, 20 en 1728 biggen worden gehouden. Op de veesaldokaart is te zien dat voor het eerst op 20 april 2020 in totaal niet meer dan 1768 biggen werden gehouden op de locatie [adres] . Tot en met 19 april 2020 was daarom zonder meer sprake van een illegale situatie. Het hof acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 heeft gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nConclusie\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 als drijver van een inrichting aan de [adres] waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, in de stallen 3a en 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een hogere emissiefactor voor ammoniak dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A. Daarmee heeft [medeverdachte] gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting. Deze overtreding is op grond van artikel 1a van de Wet op de economische delicten in combinatie met artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer een economisch delict. Door het in voornoemde periode verhuren van de stallen 3a en 4a aan [medeverdachte] , die daarin een varkenshouderij exploiteerde, wetende dat deze stallen vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting, is de verdachte, [verdachte] , medeplichtig geweest aan de door [medeverdachte] begane overtreding van artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De in de huurovereenkomst opgenomen clausules die de verantwoordelijkheid voor het naleven van de vergunningvoorschriften en de toepasselijke wet- en regelgeving op de huurder leggen, ontslaan de verdachte niet van deze strafrechtelijke aansprakelijkheid.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmedeplichtigheid aan overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, alsmede op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon en haar draagkracht, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof verenigt zich in grote lijnen met de straf(maat)overwegingen, zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank, en heeft deze, voor zover het zich ermee verenigt, tot de zijne gemaakt. In dit arrest zijn de straf(maat)overwegingen uit het vonnis dan ook voor een groot deel letterlijk overgenomen. Het hof heeft de overwegingen van de rechtbank naar eigen inzicht verbeterd, aangevuld en\u002Fof genuanceerd.\n\nIndien en voor zover in dit arrest wordt verwezen naar voorschriften uit wet- en regelgeving, wordt daarmee bedoeld de voorschriften uit wet- en regelgeving zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde, dus in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij medeplichtig is geweest aan overtreding van artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting, begaan door [medeverdachte] . In de periode van 1 augustus 2018 tot en met april 2020 verhuurde de verdachte drie varkensstallen aan [medeverdachte] , wetende dat twee van deze stallen vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan het hiervoor genoemde besluit. Daarmee heeft zij minst genomen op de koop toegenomen dat vanaf 1 januari 2020 door [medeverdachte] met betrekking tot twee van de door verdachte verhuurde stallen een overtreding zou worden begaan. Dat is ook gebeurd. In de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 heeft [medeverdachte] in de desbetreffende stallen een huisvestingssysteem toegepast met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de destijds op grond van voornoemd besluit toegestane maximale emissiewaarde voor ammoniak. Het Besluit emissiearme huisvesting heeft onder meer tot doel de uitstoot van ammoniak te beperken en daarmee het milieu te beschermen. Met haar handelen heeft de verdachte zich van deze belangen weinig aangetrokken. Dit rekent het hof de verdachte aan.\n\nHet hof heeft acht geslagen op het, de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 mei 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.\n\nAlles afwegende, is het hof van oordeel dat de in eerste aanleg door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde straf, te weten een geldboete ter hoogte van € 6.000,00 waarvan € 3.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 48, 49, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 8.40 van de Wet milieubeheer en artikel 5 van het Besluit emissiearme huisvesting, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 6.000,00 (zesduizend euro);\n\nbepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 3.000,00 (drieduizend euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.J. Henzen, voorzitter,\n\nmr. W.F. Koolen en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,\n\nen op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. A.J. Henzen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2468","2026-07-13T00:28:46.913Z",{"id":121,"ecli":122,"slug":123,"caseNumber":43,"courtId":124,"decisionDate":125,"fullText":126,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":127,"sourceTimestamp":128,"parsedAt":51,"updatedAt":129},"1008","ECLI:NL:RBLIM:2024:4808","ecli-nl-rblim-2024-4808",66,"2024-07-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.206787.23\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 juli 2024\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1988,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. S.C.H. Rutjens, advocaat kantoorhoudende te Roermond.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 juli 2024. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nHet slachtoffer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. J. Rensen. De benadeelde partij [slachtoffer] zelf is niet op de zitting verschenen. Haar moeder was wel aanwezig. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1: in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 ontucht heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), bestaande uit onder meer het seksueel binnendringen van haar lichaam;\n\nFeit 2: in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 opzettelijk de minderjarige [slachtoffer] aan het wettig over haar gesteld gezag heeft onttrokken;\n\nFeit 3: in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 seksuele afbeeldingen via chats aan de eerder genoemde [slachtoffer] heeft verzonden, hetgeen primair ten laste is gelegd als het aanbieden van pornografie aan minderjarigen en subsidiair als het ongevraagd toezenden van pornografie;\n\nFeit 4: in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 kinderpornografische afbeeldingen van [slachtoffer] heeft verworven en deze in bezit heeft gehad.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van feit 3 acht de officier van justitie het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging refereert zich ten aanzien van feit 1 aan het oordeel van de rechtbank. Datzelfde geldt voor feit 4, met dien verstande dat de verdediging erop wijst dat er geen afbeeldingen in het dossier zitten. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Zij voert daartoe ten aanzien van feit 2 aan dat de verdachte in de eerste plaats niet wist dat [slachtoffer] minderjarig was en in de tweede plaats verdachte geen beslissende invloed heeft gehad op de (voortdurende) scheiding tussen haar en degene die het gezag over haar uitoefent. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde onder feit 3 geldt ook dat de verdachte niet op de hoogte was van de minderjarigheid van [slachtoffer] . Wat betreft het subsidiair tenlastegelegde onder feit 3 geldt dat [slachtoffer] zelf om “dingen” heeft gevraagd.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nInleiding\n\nOp 29 juli 2023 rond 19.30 uur heeft de toen 14-jarige [slachtoffer] de woning van haar moeder in [plaatsnaam] verlaten met de mededeling dat zij naar een vriendin zou gaan en hier zou overnachten. De moeder vertrouwde het niet en probeerde de hele avond contact met haar dochter te krijgen. Dat lukte niet. Moeder heeft de vader van [slachtoffer] ingelicht (die elders woont) en ze zijn op onderzoek uitgegaan. Via de app “find my phone” kwamen ze erachter dat hun dochter ergens in Weert zou moeten verblijven. Ze zijn naar Weert gegaan en hebben daar naar haar gezocht, maar konden haar niet vinden. Ze hebben zich gemeld bij het politiebureau in Weert. Ook de politie heeft gezocht, maar zonder resultaat.\n\nDe volgende ochtend, op 30 juli 2023, kwamen ze er achter dat [slachtoffer] via een tikkie geld had gekregen van ene [verdachte] . Ze meldden dit aan de politie in Weert. Uit onderzoek van de politie komt vervolgens onder die naam de verdachte naar voren, die woonachtig is in Weert, in de straat waar [slachtoffer] volgens de “find my phone”-app zou moeten verblijven. De politie gaat naar de woning van de verdachte. Daar treffen ze [slachtoffer] aan, in haar ondergoed en ze lijkt onder invloed van verdovende middelen te zijn. [slachtoffer] wordt herenigd met haar ouders. Zij doen aangifte tegen de verdachte van seksueel misbruik en onttrekking aan het ouderlijk gezag.\n\nBewijsmiddelen\n\nFeit 1\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 ontucht heeft gepleegd met de toen 14-jarige [slachtoffer] . De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het tenlastegelegde heeft bekend en door of namens hem met betrekking tot dit feit geen vrijspraak is bepleit:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juli 2024;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden.\n\nFeiten 2, 3 en 4\n\nDe aangifte van [naam 1]vermeldt – zakelijk weergegeven – onder meer:\n\nIk doe aangifte van onttrekken aan het ouderlijk gezag van mijn minderjarige dochter [slachtoffer] . [slachtoffer] is 14 jaar oud en is geboren op [geboortedatum] .\n\nGister, zaterdag 29 juli 2023, is [slachtoffer] omstreeks 19.30 uur vertrokken met de fiets. Zij zou bij een vriendin, [naam 2] , gaan logeren. Ik belde [slachtoffer] om 20.20 uur, maar ze nam niet op. Om 20.25 uur zag ik dat ik een bericht van [slachtoffer] kreeg waarin ze zei: 'Ik ben ff bezig, ik bel je zo wel'. Ik gaf aan dat ik nu meteen gebeld wilde worden. Ik zag dat [slachtoffer] enkele minuten later schreef: 'Mam wacht ff' . Ik bleef [slachtoffer] bellen en appen, maar kreeg geen contact met haar. Om 20.49 uur zag ik dat [slachtoffer] stuurde dat ze bij [naam 2] was en dat ik haar moest vertrouwen. Ik stuurde weer terug: 'Bel me nu'. Hierna kreeg ik helemaal geen contact meer. Ik ging vervolgens naar het politiebureau in Weert. We zijn blijven zoeken in Weert, samen met de politie, maar konden [slachtoffer] niet vinden.\n\nVanochtend, zondag 30 juli 2023, zag [naam 3] op de rekening van [slachtoffer] dat zij een Tikkie had gestuurd en dat er 18 euro op haar rekening was bijgeschreven, gestort door [verdachte] . [naam 3] heeft de politie gebeld en ik heb de naam [verdachte] en het rekeningnummer ook doorgegeven aan de politie in Weert. De politie is naar een adres gegaan en even later kwamen zij met [slachtoffer] terug.\n\nIn een informatief gesprek zeden heeft het slachtoffer [slachtoffer] , d.d. 3 augustus 2023– zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:\n\n [slachtoffer] is 14 jaar en woont in [plaatsnaam] .\n\n [verdachte] en [slachtoffer] hebben 2 keer eerder afgesproken, het ging goed, ze hadden een relatie en ze wilden een stapje verder gaan. Ze hebben elkaar via Snapchat leren kennen ongeveer 2 maanden geleden.\n\nOngeveer een week geleden heeft ze foto’s van de lul van [verdachte] ontvangen. [slachtoffer] heeft meerdere bikinifoto’s gestuurd naar [verdachte] . Ze heeft ook een foto van zichzelf naakt onder de douche gestuurd. Hierop is alles te zien.\n\n [verdachte] weet dat [slachtoffer] 14 jaar oud is. Dit hebben ze online al met elkaar besproken. [verdachte] had [slachtoffer] ouder ingeschat. [verdachte] is 35 volgens [slachtoffer] .\n\n [verdachte] heeft [slachtoffer] op zaterdag 29 juli 2023 om 19:30 uur opgehaald op het station in [plaatsnaam] . Hierna zijn ze met de trein terug naar Weert gegaan.\n\nVerbalisant [naam 4]heeft onderzoek gedaan naar de telefoon van het slachtoffer en relateert – zakelijk weergegeven – als volgt:\n\nOp zondag 30 juli 2023 heeft om 13.30 uur te Weert een informatief gesprek plaatsgevonden met [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum] ). In dit gesprek gaf [slachtoffer] aan dat de gesprekken met de verdachte [verdachte] (geboortedatum [geboortegegevens] ) hebben plaatsgevonden via Snapchat.\n\nIk zag dat er in de chat gesproken wordt over het kopen van een treinticket. Ik zag dat [verdachte] om 17.37 uur vroeg ‘Heb je ticket’ en dat [slachtoffer] om 17.37 uur antwoordde met ‘Thanksss’.\n\n [verdachte] :\n\nKoop nu wel. Welke e-mail moet die heen, je ticket\n\nIk ( [slachtoffer] )\n\n [e-mail]\n\nTijdens het studioverhoor heeft het slachtoffer [slachtoffer]– zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:\n\nV: Wat had jij [verdachte] over jezelf verteld voordat jullie elkaar ontmoet hadden?\n\nG: Dat ik veertien was. (…) Hij weet ook dat ik een zus heb. Dat m’n ouders zijn gescheiden. Dat ik op Mavo zit, in de toen, volgens mij nog tweede. (…)\n\nV: Toen jij op zaterdag 29 juli 2023 van huis vertrok, dacht je moeder dat je naar je vriendin [naam 2] ging.\n\nG: Ja\n\nV: Wat had jij daarover tegen [verdachte] gezegd?\n\nG: Hij wist wel dat ik tegen m’n ouders had gezegd dat ik had gezegd dat ik bij [naam 2] ging slapen.\n\nV: Heb je wel eens filmpjes van jezelf gestuurd naar [verdachte] , waarop seksuele handelingen te zien zijn?\n\nG: Ja\n\nDe verdachte verklaartin een verhoor bij de politie – zakelijk weergegeven – onder meer;\n\nV: Wat voor soort foto’s heb jij van haar ontvangen?\n\nA: Naaktfoto’s. (…)Toen kreeg ik een kort filmpje waarin ze met een haarborstel tekeer ging. Ze deed die in haar vagina. Toen zei ik al: doe eens rustig aan, straks maak je dingen kapot daar.\n\nV: Hoe weet je dat zij het was op dat filmpje?\n\nA: Ze had het echt constant over die borstel.\n\nV: Waarop je haar later kon herkennen?\n\nA: Ik herkende haar wel toen ik haar eenmaal zag afgelopen zaterdag.\n\nV: Welke foto’s heb jij naar haar gestuurd?\n\nA: Gewoon, mijn lul.\n\nV: Heb je ook video’s gestuurd?\n\nA: Korte video’s ja.\n\nV: Wat is daarop te zien?\n\nA: Video’s van mezelf en met mijn ex heb ik weleens een keer een video gemaakt.\n\nBewijsoverwegingen\n\nMinderjarigheid\n\nUit de bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer] ten tijde van de ten laste gelegde feiten 14 jaar oud was en derhalve minderjarig.\n\nDe rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit wist. [slachtoffer] heeft bij de politie in het informatief gesprek zeden verklaard dat zij haar leeftijd aan de verdachte heeft verteld en daarna tijdens het studioverhoor heeft zij deze verklaring herhaald. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer] . Daar komt bij dat de rechtbank de verklaring van de verdachte, dat hij niet wist dat [slachtoffer] minderjarig was en dat zij had gezegd 18 jaar te zijn, juist niet geloofwaardig acht. De rechtbank betrekt hierbij dat in het e-mailadres van [slachtoffer] dat in het bezit van de verdachte was het getal [geboortejaar] staat vermeld, zijnde het geboortejaar van [slachtoffer] . Ook wist de verdachte dat [slachtoffer] op de mavo zat en tegen haar moeder een smoesje had verzonnen, omdat zij anders geen toestemming zou krijgen elders te overnachten.\n\nT.a.v. feit 2: Opzettelijk onttrekken aan wettig gezag\n\nZoals gezegd volgt uit de bewijsmiddelen dat [slachtoffer] minderjarig was en dat de verdachte dit wist. Uit de bovengenoemde bewijsmiddelen volgt bovendien dat de ouders van [slachtoffer] in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 geruime tijd niet op de hoogte waren van haar verblijfplaats, geen contact met haar konden krijgen en haar niet konden vinden, terwijl [slachtoffer] (naar achteraf bleek) gedurende die tijd in gezelschap van de verdachte was en in zijn woning heeft verbleven. Dit brengt de rechtbank bij de vraag of de verdachte [slachtoffer] hierdoor heeft onttrokken aan het wettig gezag. De rechtbank overweegt dat in het geval een minderjarige zelf het initiatief neemt om de ouderlijke woning te verlaten, het niet van belang is of degene die de minderjarige opvangt \u002F of waar de minderjarige daarna verblijft, heeft bijgedragen aan de besluitvorming van de minderjarige om weg te lopen. Het is in die situatie vervolgens wel vereist dat de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de (voortdurende) scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag uitoefent.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een beslissende invloed door de verdachte. De verdachte is [slachtoffer] vanuit Weert in [plaatsnaam] gaan ophalen, heeft haar treinkaartje betaald en wist dat zij continu gebeld werd door haar bezorgde ouders en zus. De verdachte moet dus hebben geweten dat haar familie zich zorgen maakte. Van een volwassen man (zoals verdachte is) mag dan worden verwacht dat hij zelf de ouders van [slachtoffer] belt om de situatie te bespreken. De verdachte heeft dit echter niet gedaan. Integendeel. Hij heeft haar gedurende de nacht bij zich gehouden, seks met haar gehad, met haar drugs gebruikt en ook de volgende ochtend geen aanstalten gemaakt haar te overreden terug naar huis te gaan. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door te handelen zoals hij heeft gedaan, [slachtoffer] met (voorwaardelijk) opzet heeft onttrokken aan het wettig gezag.\n\nDe rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\nT.a.v. feit 3: Aanbieden pornografische afbeeldingen aan minderjarigen\n\nDe verdachte heeft bekend dat hij foto’s van zijn ontblote penis en een korte video waar hij seksuele handelingen verricht met zijn ex naar [slachtoffer] heeft gestuurd. [slachtoffer] was op dat moment 14 jaar oud. Zoals hiervoor reeds overwogen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte wist dat ze pas 14 was. De afbeeldingen zijn bovendien van zodanig expliciet seksuele aard, dat vertoning daarvan aan personen beneden de leeftijd van 16 jaar een risico op schade met zich brengt.\n\nDe rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\nT.a.v. feit 4: Bezitten en verwerven van kinderpornografie\n\nDe rechtbank overweegt dat de door [slachtoffer] verstuurde foto en filmpje binnen de context waarin zij zijn gestuurd een onmiskenbare seksuele strekking hadden. Het feit dat de beelden zich niet in het dossier bevinden acht de rechtbank in dit geval niet relevant, nu het slechts om een zeer geringe hoeveelheid gaat, duidelijk is wat hier op te zien is en met name om welke persoon het gaat. Doordat duidelijk is dat [slachtoffer] de persoon op de afbeeldingen is, is duidelijk dat het om een minderjarige gaat en dat de verdachte dit wist.\n\nDe rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nT.a.v. feit 1:\n\nin de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, meermalen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ;\n\nT.a.v. feit 2:\n\nin de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag;\n\nT.a.v. feit 3 primair:\n\nin de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in Nederland afbeeldingen, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar, te weten foto's en video's waarop zijn, verdachtes, ontblote penis te zien is en waarop te zien is dat hij, verdachte, seksuele handelingen verricht met\u002Fbij een (volwassen) vrouw, via Snapchat, althans via een chatprogramma heeft verstrekt aan een minderjarige van wie hij wist dat deze jonger was dan 16 jaar, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] );\n\nT.a.v. feit 4:\n\nop één of meer tijdstippen in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert afbeeldingen, te weten een foto en een video van seksuele gedragingen, waarbij [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) is betrokken heeft verworven en in bezit gehad, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\nhet met een borstel vaginaal penetreren van het eigen lichaam door die [slachtoffer] en\n\nhet geheel naakt poseren door die [slachtoffer] , waarbij de afbeelding telkens een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nT.a.v. feit 1:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam\n\nT.a.v. feit 2:\n\nopzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over haar gesteld gezag\n\nT.a.v. feit 3 primair:\n\neen afbeelding, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekken aan een minderjarige van wie hij weet dat deze jonger is dan zestien jaar\n\nT.a.v. feit 4:\n\neen afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken verwerven en in bezit hebben\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf en\u002Fof de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een locatieverbod voor het adres van de moeder, de vader, het werk en de school van [slachtoffer] .\n\nDe officier van justitie heeft bij de formulering van zijn strafeis rekening gehouden met de ernst van de feiten, de impact van het handelen op [slachtoffer] en haar omgeving en de persoonlijke omstandigheden en proceshouding van de verdachte. De officier van justitie acht als strafverzwarende omstandigheden het aanbieden van cocaïne aan [slachtoffer] en dat de verdachte haar heeft ontmaagd. Strafverminderend acht de officier van justitie dat de seks consensueel is geweest en de verdachte op eigen initiatief hulp heeft gezocht.\n\n6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest gecombineerd met een voorwaardelijk deel, waar de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd aan verbonden kunnen worden en daarnaast een taakstraf. Zij benadrukt dat het van groot belang is dat de verdachte niet naar de gevangenis gaat.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij de toentertijd 14-jarige [slachtoffer] , welke tevens bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De verdachte was op dat moment 35 jaar oud. Hij heeft haar meegenomen naar zijn huis om met haar seks te hebben en heeft haar daarbij cocaïne aangeboden. Zij heeft dit aanvankelijk geweigerd, maar nadat hij bleef aandringen heeft zij het toch gebruikt. Om seks met haar te kunnen hebben, heeft hij [slachtoffer] in [plaatsnaam] opgehaald en heeft haar treinkaartje naar Weert betaald. [slachtoffer] is vervolgens een hele avond, nacht en ochtend onbereikbaar geweest voor haar familie. De verdachte wist dit ook, omdat zij veelvuldig door hen gebeld werd. Dit heeft bij de ouders (en zus) enorme onrust en spanningen veroorzaakt. Daarnaast heeft hij als volwassen man foto’s van zijn ontblote penis en filmpjes waarop seksuele handelingen te zien zijn naar de minderjarige [slachtoffer] gestuurd. Confrontatie met dergelijke afbeeldingen en filmpjes kan schadelijk zijn voor de ontwikkeling van jeugdigen en zij dienen hiertegen beschermd te worden. Tot slot heeft de verdachte een naaktfoto en -filmpje van [slachtoffer] verworven en in zijn bezit gehad.\n\nDe bewezenverklaarde ontucht bestond onder meer uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . Hoewel van dwang niet is gebleken, dient een meisje op die leeftijd beschermd te worden. De wetgever heeft er juist voor gekozen om seks met personen onder de 16 jaar ongeclausuleerd strafbaar te stellen, omdat deze jongeren zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase bevinden en zij vaak onvoldoende in staat zijn om hun seksuele integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag te overzien.\n\nDoor zijn handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. De ervaring leert dat veel slachtoffers van dit soort feiten zich, vanwege hun jonge leeftijd, pas op latere leeftijd realiseren wat er daadwerkelijk is gebeurd en daarvan nog lang nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Dat de handelingen consensueel waren, doet daar niet aan af.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de soort en hoogte van de straf kennis genomen van het strafblad van 11 juni 2024 en rekening gehouden met het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 1 maart 2024. In dit rapport komt naar voren dat de verdachte een slecht sociaal ingebedde, eenzame, man is, die een problematische relatie heeft met zijn moeder en hoge behoefte heeft aan genegenheid. Het niet hebben van een relatie ervaart hij als een gemis. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.\n\nStraf\n\nDe eis van de officier van justitie begrijpt de rechtbank in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten wordt opgelegd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat een lagere straf dient te worden opgelegd, met name omdat van dwang geen sprake is geweest, het initiatief tot afspreken van beide kanten lijkt te zijn gekomen, er sprake was van een emotionele band tussen [slachtoffer] en de verdachte en mede gelet op de persoonlijke omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden volstaan met een straf zoals door de verdediging is bepleit. De bewezenverklaarde feiten zijn daarvoor te ernstig, waarbij de rechtbank in strafverzwarende zin met name meeweegt het forse leeftijdsverschil, dat de verdachte de 14-jarige [slachtoffer] meermaals cocaïne heeft aangeboden en samen met haar heeft gebruikt, alsmede het feit dat hij de familie van [slachtoffer] al die tijd in onzekerheid heeft gelaten over waar zij was.\n\nAlles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar passend en geboden is. De rechtbank zal daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen. De rechtbank zal geen locatieverbod opleggen, omdat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte [slachtoffer] heeft opgezocht of zal gaan opzoeken en de verdachte middels het contactverbod al op geen enkele wijze direct of indirect contact met [slachtoffer] mag opnemen.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.\n\n7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel7.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 117.045,78 euro. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:\n\nreis- en parkeerkosten voor de moeder van [slachtoffer] : 544,22 euro\n\nreis- en parkeerkosten voor de vader van [slachtoffer] : 490,07 euro\n\nmorning-after pil: 11,49 euro\n\nimmateriële schade: 16.000,- euro\n\nverhoging immateriële en materiële schade: 100.000,- euro.\n\nDe benadeelde partij heeft verzocht de post ‘verhoging immateriële en materiële schade’ niet ontvankelijk te verklaren omdat dit is opgenomen met het oog op een eventueel hoger beroep en nog niet voorziene schade.\n\nDe benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht de vordering ten aanzien van de onderbouwde materiële en immateriële schade geheel toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts heeft hij gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nTen aanzien van het voorschot, de verhoging immateriële en materiële schade voor een bedrag van 100.000,- euro, heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard.7.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade, gelet op de onvoldoende onderbouwing, dient te worden afgewezen. Niet is gebleken welke afspraken voor [slachtoffer] noodzakelijk waren, met bijvoorbeeld afspraakbevestigingen. De vordering ten aanzien van de immateriële schade wordt tot een bedrag van 10.000,- euro niet door de verdediging betwist.\n\nTen aanzien van de verhoging van de vordering met een bedrag van 100.000,- euro stelt de verdediging zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.7.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat door [slachtoffer] schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde.\n\nDe rechtbank acht een bedrag van 365,58 euro ten aanzien van de materiële schade toewijsbaar. Dit bedrag bestaat uit de kosten voor de morning-after pil en de reiskosten die de ouders van [slachtoffer] hebben gemaakt door op 29 en 30 juli van [plaatsnaam] naar Weert en terug te rijden. De rechtbank acht deze kosten aannemelijk en in zoverre voldoende onderbouwd. De verder opgegeven reiskosten zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, wanneer de benadeelde partij nu in de gelegenheid zou worden gesteld de vordering op dat onderdeel nader te onderbouwen.\n\nVoor het nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding omdat zij in haar persoon is aangetast. De rechtbank stelt de door de benadeelde partij geleden immateriële schade vast op een bedrag van 10.000,- euro. De vordering is in zoverre niet betwist en komt de rechtbank niet onredelijk of ongegrond voor. De rechtbank ziet in de onderbouwing van de vordering en gelet op de toegewezen schadebedragen in vergelijkbare zaken op dit moment geen aanleiding tot toewijzing van het meerdere en zal de benadeelde partij derhalve voor het overige niet ontvankelijk verklaren. Zij zal de benadeelde partij eveneens niet ontvankelijk verklaren in haar vordering voor zover deze ziet op de verhoging van de materiële en immateriële schade van een bedrag van 100.000,- euro nu dit deel van de vordering niet is onderbouwd.\n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling van de wettelijke rente over de toegewezen bedragen, te rekenen vanaf 30 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe rechtbank zal hiervoor tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.\n\n8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 240a, 240b, 245, 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van3 jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 3 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\nstelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:\n\nMeldplicht bij de reclassering\n\na. de veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij GGZ reclassering Limburg op het adres [adres 2] (telefoonnummer [telefoonnummer] ). De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nAmbulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)\n\nde veroordeelde laat zich behandelen door De Rooyse Wissel of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.\n\nBij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrisch ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;\n\nContactverbod\n\nde veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;\n\nMiddelencontrole\n\nde veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van cocaïne om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.\n\ngeeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\nten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmedewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;\n\nBenadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel\n\nwijst gedeeltelijk toede vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en veroordeelt de verdachte om aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van10.365,58 euro, bestaande uit 365,58 euro materiële schade en 10.000,- euro immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met dewettelijke rentevanaf30 juli 2023tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaaltdat [slachtoffer] voor de overige gevorderde schade niet-ontvankelijk is en zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 10.365,58 euro, te vermeerderen met dewettelijke renteover dat bedrag vanaf30 juli 2023tot aan de dag der algehele voldoening, subsidiair86 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nde verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. H.E.G. Peters en mr. L. Bastiaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.N.F. Roelofs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 juli 2024.\n\nBuiten staat\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\n1 hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ; ( art 245 Wetboek van Strafrecht )\n\n2 hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en\u002Fof aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende; ( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3 hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) afbeelding(en), een voorwerp of een gegevensdrager, bevattende (een) afbeelding(en), waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar, te weten een of meer foto('s) en\u002Fof video('s) waarop zijn, verdachtes, althans een ontblote (stijve) penis te zien is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man aan het masturberen is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man, seksuele handelingen verricht met\u002Fbij een (volwassen) vrouw, (via Snapchat, althans via een chatprogramma) heeft verstrekt en\u002Fof aangeboden en\u002Fof vertoond aan een minderjarige van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze jonger was dan 16 jaar, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ); ( art 240a Wetboek van Strafrecht)\n\nsubsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer afbeelding(en), waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die afbeelding(en) aanstotelijk is\u002Fzijn voor de eerbaarheid, te weten een of meer foto('s) en\u002Fof video('s) waarop zijn, verdachtes, althans een ontblote (stijve) penis te zien is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man, aan het masturberen is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man seksuele handelingen verricht met\u002Fbij een (volwassen) vrouw, anders dan op diens verzoek heeft toegezonden aan een persoon genaamd [slachtoffer] ; ( art 240 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht )\n\n4 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten foto's en\u002Fof video's en\u002Fof films - en\u002Fof een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen, te weten een telefoon - van seksuele gedragingen, waarbij [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), althans iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verworven en\u002Fof in bezit gehad en\u002Fof zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en\u002Fof met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit: het met (een) vinger(s)\u002Fhand en\u002Fof een borstel, althans (een) voorwerp(en) oraal, vaginaal en\u002Fof anaal penetreren van het eigen lichaam door die [slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\u002Fof het met (een) vinger(s)\u002Fhand en\u002Fof (een) voorwerp(en) betasten en\u002Fof aanraken van het eigen geslachtsdeel, de eigen anus, de eigen billen en\u002Fof borsten door die [slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\u002Fof het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van\u002Fdoor die [slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij die [slachtoffer] , althans deze persoon gekleed is en\u002Fof opgemaakt is en\u002Fof poseert in een omgeving en\u002Fof met (een) voorwerp(en) en\u002Fof in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past\u002Fpassen en\u002Fof waarbij die [slachtoffer] , althans deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van haar kleding ontdoet en\u002Fof (waarna) door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die [slachtoffer] , althans deze persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's \u002Ffilm(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die [slachtoffer] , althans deze persoon in beeld gebracht worden, (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling (één of meer foto('s) en \u002Fof video('s), omschreven en\u002Fof waarover verklaard door [slachtoffer] op p. 12 van het pv en\u002Fof door getuige [naam 1] op p. 17 van het pv en\u002Fof door verdachte op p. 60 van het pv en\u002Fof in het pv bevindingen op p. 23 van het pv); ( art 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023119700, gesloten d.d. 4 augustus, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 62.\n\n Proces-verbaal van bevindingen – informatief gesprek zeden d.d. 3 augustus 2023, pg. 12-14.\n\n Proces-verbaal van aangifte [naam 1] d.d. 3 juli 2023, pg. 7-10.\n\n Proces-verbaal van bevindingen – informatief gesprek zeden d.d. 3 augustus 2023, pg. 12-14.\n\n Proces-verbaal van bevindingen – onderzoek telefoon d.d. 31 juli 2023, pg. 22-26.\n\n (Aanvullend) proces-verbaal van studioverhoor met VRH-nummer 2024-05-661067 d.d. 15 mei 2024, pg. 1-18.\n\n Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 31 juli 2023, pg. 52-62.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:4808","2024-07-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.711Z",{"id":131,"ecli":132,"slug":133,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":134,"fullText":135,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":136,"sourceTimestamp":134,"parsedAt":51,"updatedAt":137},"1195","ECLI:NL:GHDHA:2024:1219","ecli-nl-ghdha-2024-1219","2024-07-16T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-002973-22\n\nParketnummer: 10-180764-21\n\nDatum uitspraak: 16 juli 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nGerechtshof Den Haag\n\nmeervoudige kamer voor strafzaken\n\nArrest\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,\n\nthans gedetineerd in P.I. Middelburg te Middelburg.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) opgelegd. Verder is een beslissing genomen op de vordering tot ontzetting van de verdachte uit het recht om het beroep uit te oefenen van beroepschauffeur, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:\n\n1. hij, op of omstreeks 7 juli 2021 te Rotterdam,\n\nals bestuurder van een vrachtauto (merk\u002Ftype: [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]), rijdende op de Waalhavenweg, een motoragent van de politie eenheid Rotterdam, genaamd [het slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven heeft beroofd, door op de openbare weg,\n\n- nadat die [het slachtoffer], rijdend op een als zodanig herkenbare politiemotorfiets, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, aan hem, verdachte, een aanwijzing\u002Fteken had gegeven om hem, verbalisant [het slachtoffer], te volgen,\n\n- vervolgens (achter die [het slachtoffer]) een rijstrook voor rechtsafslaand verkeer op te rijden, waarbij die [het slachtoffer] voor hem, verdachte, voldoende zichtbaar, op de voornoemde motorfiets reed en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) te accelereren en\u002Fof gas bij te geven, althans met onverminderde snelheid door te rijden en\u002Fof\n\n- ( daarna) in strijd met een voor hem, verdachte, geldend en rood licht uitstralend (driekleurig) verkeerslicht door te rijden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) die [het slachtoffer] met zijn vrachtwagen aan te rijden en\u002Fof te overrijden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) door te rijden en\u002Fof te blijven te accelereren en\u002Fof gas bij te geven waarbij\u002Fwaardoor (het aangereden\u002Foverreden lichaam van) die [het slachtoffer] door de vrachtwagen honderden meters werd meegesleurd, als gevolg waarvan die [het slachtoffer] is overleden;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij, op of omstreeks 7 juli 2021 te Rotterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een vrachtwagen (merk\u002Ftype: [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]), daarmede rijdende over de (openbare) weg, te weten de Waalhavenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten een dodelijk verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend te rijden, door\n\n- nadat die [het slachtoffer], rijdend op een als zodanig herkenbare politiemotorfiets, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, aan hem, verdachte, een aanwijzing\u002Fteken had gegeven om hem, verbalisant [het slachtoffer], te volgen, en\u002Fof\n\n- vervolgens (achter die [het slachtoffer]) een rijstrook voor rechtsafslaand verkeer op te rijden, waarbij die [het slachtoffer] voor hem, verdachte, voldoende zichtbaar, op de voornoemde motorfiets reed en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) te accelereren en\u002Fof gas bij te geven, althans met onverminderde snelheid door te rijden en\u002Fof\n\n- ( daarna) in strijd met een voor hem, verdachte, geldend en rood licht uitstralend (driekleurig) verkeerslicht door te rijden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) die [het slachtoffer] met zijn vrachtwagen aan te rijden en\u002Fof te overrijden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) door te rijden en\u002Fof te blijven te accelereren en\u002Fof gas bij te geven waarbij\u002Fwaardoor (het aangereden\u002Foverreden lichaam van) die [het slachtoffer] door de vrachtwagen honderden meters werd meegesleurd, waardoor die [het slachtoffer] werd gedood;\n\n2. hij, op of omstreeks 7 juli 2021 te Rotterdam,\n\nals degene die als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een vrachtwagen (merk\u002Ftype: [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]), betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op\u002Faan de Waalhavenweg, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [het slachtoffer]) levensgevaarlijk gewond was geraakt en\u002Fof was gedood.\n\nVordering van de advocaten-generaal\n\nDe advocaten-generaal hebben gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet primair zal worden vrijgesproken (moord) en ter zake het onder 1 primair impliciet subsidiair (doodslag) en het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest en dat aan de verdachte daarnaast een tbs-maatregel met dwangverpleging zal worden opgelegd. Voorts hebben de advocaten-generaal gevorderd dat aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de WVW, zal worden opgelegd en dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd. Tot slot hebben de advocaten-generaal gevorderd dat een beroepsverbod wordt opgelegd waarbij de verdachte gedurende 5 jaren het beroep als beroepschauffeur niet mag uitoefenen.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nHet hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet primair (moord) tenlastegelegde heeft begaan, en zal de verdachte daarvan vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. hij, op of omstreeks7 juli 2021 te Rotterdam,\n\nals bestuurder van een vrachtauto (merk\u002Ftype: [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]), rijdende op de Waalhavenweg, een motoragent van de politie eenheid Rotterdam, genaamd [het slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk,van het leven heeft beroofd, door op de openbare weg,\n\n- nadat die [het slachtoffer], rijdend op een als zodanig herkenbare politiemotorfiets, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, aan hem, verdachte, een aanwijzing\u002Fteken had gegeven om hem, verbalisant [het slachtoffer], te volgen,\n\n- vervolgens (achter die [het slachtoffer]) een rijstrook voor rechtsafslaand verkeer op te rijden, waarbij die [het slachtoffer] voor hem, verdachte, voldoende zichtbaar, op de voornoemde motorfiets reed en\u002Fof\n\n- (vervolgens) te accelereren en\u002Fof gas bij te geven, althansmet onverminderde snelheid door te rijden en\u002Fof\n\n- (daarna)in strijd met een voor hem, verdachte, geldend en rood licht uitstralend (driekleurig) verkeerslicht door te rijden en\u002Fof\n\n- (vervolgens)die [het slachtoffer] met zijn vrachtwagen aan te rijden en\u002Fofte overrijden en\u002Fof\n\n- (vervolgens)door te rijden en\u002Fof te blijvente accelereren en\u002Fofgas bij te gevenwaarbij\u002Fwaardoor(het aangereden\u002Foverreden lichaam van)die [het slachtoffer] door de vrachtwagen honderden meters werd meegesleurd, als gevolg waarvan die [het slachtoffer] is overleden;\n\n 2. hij, op of omstreeks7 juli 2021 te Rotterdam,\n\nals degene die als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een vrachtwagen (merk\u002Ftype: [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]), betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op\u002Faande Waalhavenweg, de(voornoemde)plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander,(te weten [het slachtoffer]), levensgevaarlijk gewond was geraakt en\u002Fof was gedood.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nBewijsoverweging feit 1\n\nI.Inleiding\n\nHet hof dient te beoordelen op welke wijze de gedragingen van de verdachte moeten worden geduid zoals die hebben plaatsgevonden op 7 juli 2021 in de haven van Rotterdam. Hierbij kwam, door toedoen van de verdachte, motoragent [het slachtoffer] (hierna ook: de motoragent) op 47-jarige leeftijd om het leven. De verdachte heeft hem op het einde van een uitrit voor afslaand verkeer naar rechts – en in plaats daarvan ineens rechtdoor gaand - in volle vaart aangereden met zijn vrachtwagen en daarna nog honderden meters onder zijn vrachtwagen meegesleurd. Verdachte is vervolgens doorgereden, zonder zich te melden bij de instanties. In de loop van het hoger beroep heeft de verdachte voor het eerst met zoveel woorden uitdrukkelijk bekend dat hij wel had gemerkt dat hij de motoragent had aangereden.\n\nDoor en namens de verdachte is aangevoerd dat bij deze aanrijding sprake is geweest van een noodlottig ongeval; de verdachte heeft daarbij niet opzettelijk gehandeld, in welke vorm dan ook. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de verdachte gesteld dat hij het eerdere volgteken van de motoragent niet had gezien, hem pas op of vlak voor de uitvoegstrook naar rechts heeft waargenomen, en daardoor verrast werd, waarbij de motoragent hem vervolgens “de remweg heeft ontnomen”. Om de motoragent te ontwijken heeft de verdachte zijn vrachtwagen op het laatst naar links gestuurd, naar de rijbaan bedoeld voor het rechtdoor gaande verkeer. Daardoor is naar stelling van de verdachte de botsing ontstaan. Mentale problemen, waarover hierna meer, speelden hierin mede een rol omdat de verdachte bij het begin van de uitvoegstrook naar rechts op het moment dat hij zag dat de motoragent voor hem reed “het overzicht” op de uitrit “kwijt was geraakt”.\n\nDoor de advocaten-generaal is gesteld dat de verdachte het eerder al gegeven volgteken van de motoragent wel moet hebben gezien en dat het daarop volgende handelen van de verdachte niet anders kan worden beschouwd dan in de sleutel van boos opzet bij de verdachte om motoragent [het slachtoffer] van het leven te beroven.\n\nOm deze uiteenlopende stellingen goed te kunnen wegen moet het hof zich eerst buigen over de vraag wat er allemaal precies is voorgevallen op die 7de juli 2021, kort voorafgaande aan de noodlottige aanrijding.\n\nII. Feiten en omstandigheden\n\nContextuele omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op 7 juli 2021 met de door hem bereden vrachtauto allereerst een container met big bags met meel opgehaald in Amsterdam, waarna hij rond de klok van 09:00 uur bijna was gearriveerd op het afleveradres in de Waalhaven in Rotterdam. Rijdend op de Waalhavenweg en komend uit de richting van de A15\u002FReeweg, was hij al van plan om op de na te noemen kruising rechtsaf te slaan, via een voorsorteerstrook, om zo de Ophemertstraat in te rijden. De plaats van bestemming was het Barge Center Waalhaven in Rotterdam. Verdachte heeft steeds verklaard dat de route op 7 juli 2021 naar het desbetreffende afleveradres een voor hem gebruikelijke route was. Op de kruising Waalhavenweg\u002FOphemertstraat bevinden zich verkeerslichten. Deze verkeerslichten waren ook die dag in werking. Het verkeerslicht voor de afslag naar rechts stond op rood. De afslag naar rechts aan het eind van de voorsorteerstrook op de genoemde kruising is een haakse bocht.\n\nEerste visuele contact\n\nVerdachtes eerste visuele contact met de motoragent vond plaats op de kruising Reeweg – Anthonie Bodaanweg, ter hoogte van het Douanekantoor, in de Waalhaven in Rotterdam. Verdachte zag op die plek een motoragent staan. Even later zag de verdachte de motoragent op het daar gelegen fietspad draaien, en verder in beweging komen.Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hier desgevraagd nog aan toegevoegd dat hij zich op dat moment realiseerde dat de motoragent wanneer het een beetje tegen zou zitten achterhemaan zou komen en dat dat angst bij hem veroorzaakte. De verdachte heeft ten gevolge van zijn verleden - een zeer zwaar ongeval met een motoragent in 2015 en een dodelijk ongeval met een oude dame in 2020, beide veroorzaakt met zijn vrachtwagen - een preoccupatie met de politie opgelopen. Hij vervolgt daarop zijn weg richting het Barge Centre Waalhaven.\n\nVolgteken motoragent\n\nTerwijl de verdachte verder reed op de Waalhavenweg heeft hij – op nog ruime afstand voor de eerder genoemde kruising en voorsorteerstrook naar rechts - ter hoogte van het bedrijf Frigocare een volgteken gekregen van dezelfde motoragent, zo blijkt uit camerabeelden van Frigocare. Deskundige [naam deskundige 1] plaatst in hoger beroep het volgteken en de inhaalactie van de motoragent voor Frigocare (op grond van de luchtfoto) op zo’n 210 meter voor aanvang van de uitvoegstrook Waalhavenweg-Ophemertstraat.De in eerste aanleg gehoorde deskundige ir. [naam deskundige 2] geeft aan dat het volgteken over een afstand van 90 meter heeft plaatsgevonden. Dat teken duurde 5 seconden. De gemiddelde snelheid van de vrachtwagen van de verdachte bedroeg met het oog op de tachograafgegevens voorafgaande aan het volgteken 64 km\u002Fu, vanaf het begin van het volgteken 61 km\u002Fu, en vanaf het einde van het volgteken 57 km\u002Fu.De motoragent reed tijdens en na het geven van dit volgteken op een zodanige afstand naast en voor de vrachtwagen dat hij zeer goed zichtbaar moet zijn geweest voor verdachte vanuit de cabine, aldus nader onderzoek in hoger beroep. Bij specifiek daarnaar verricht (zicht)onderzoek bleek dat vanaf een onderlinge afstand tussen beide voertuigen van 2 meter en meer, de (bestuurder van de) motorfiets vanaf de bestuurderszitplaats duidelijk zichtbaar was door de voorruit van de vrachtauto. Voor het benodigde zicht vanaf de zijkant van de vrachtwagen gold een afstand van 1 meter en meer.\n\nBepaalde getuigen hebben over dit volgteken specifiek het volgende verklaard. Getuige [getuige 1], die alles heeft gezien vanaf een afstand van zo’n 20 meter, heeft hierover het volgende gesteld. De getuige zag dat de motoragent de vrachtwagen inhaalde en voor de vrachtwagen kwam. De motoragent had eerst twee handen aan het stuur, draaide zijn hele torso, om nog met maar 1 hand aan het stuur naar de vrachtwagenchauffeur te wijzen. Daarbij gebaarde hij “jij, in zijn gezicht zo, met 1 hand, jij mee”. De motoragent keek in de cabine en wees de chauffeur echt aan, aldus getuige [getuige 1].Getuige [getuige 2] die als vrachtwagenchauffeur op de kruising Ophemertweg-Waalhavenweg reed zag dat het hoofd van de motoragent ter hoogte van de positie van de bestuurder van de vrachtwagen was, dat de motoragent zijn rechter hand opstak toen hij naast de vrachtwagen reed, waarna hij zijn motor vervolgens voor de vrachtwagen positioneerde.\n\nDe verdachte heeft van meet af aan stellig ontkend dat hij dit volgteken op deze plaats(tegenover de Frigocare) heeft waargenomen. De verdachte heeft evenwel benoemd in zijn eerste inhoudelijke (vierde) verhoor bij de politie dat hij de motoragent een beweging heeft zien maken, een mogelijke armbeweging, waaruit hij, verdachte, begreep dat hij “moest volgen mee naar rechts, want daar moest ik toch naar toe”.De verdachte heeft dit door hemzelf aangeduide volgteken ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd geplaatst (kort) “voorafgaande aan de uitvoegstrook”, maar dus niet al op het eerdere moment bij Frigocare, waar een volgteken te zien is op de beelden getuige het gememoreerde deskundigenonderzoek in hoger beroep en de locatie waarover de getuigen spreken. Opmerking verdient nog dat op de beelden geen volgteken te zien is van de motoragent op de door de verdachte geduide plaats kort voor de uitvoegstrook. In dit licht beschouwd verdient tot slot nog opmerking dat de verdachte in de Penitentiaire Inrichting waar hij verbleef al in een vroeg stadium tegen een (anonieme) verbalisant [kenmerknummer verbalisant] heeft gezegd “dat de motoragent hem voorbij reed om hem te controleren”.\n\nSituatie uitvoegstrook\n\nDe totale lengte van de genoemde voorsorteerstrook\u002Fuitvoegstrook naar rechts waarover een vrachtwagen kan rijden bedraagt 92,18 meter, zo is in hoger beroep gebleken.Na het insturen op de uitvoegstrook heeft de verdachte daarvan nog ongeveer 65 meter om te anticiperen op de feitelijke afslag naar rechts met zijn voertuig.Op het moment dat de beide voertuigen op deze uitvoegstrook arriveren, straalde het voor de desbetreffende rijrichting geldende verkeerslicht reeds gedurende minimaal 70,6 seconden rood licht uit.Tussen verdachtes voertuig en een andere vrachtautocombinatie die schuin achter hem reed en bleef rijden op het rijvak voor het rechtdoor gaande verkeer op de Waalhavenweg, was een afstand van tenminste 25,42 meter op het moment dat verdachtes vrachtwagen op de uitvoegstrook naar rechts over de middelste pijl reed. De verdachte had, zo luidt de conclusie van de politie, derhalve desgewenst al op een eerder moment op de uitvoegstrook kunnen uitwijken naar links (het hof begrijpt: om een aanrijding met motoragent [het slachtoffer] te voorkomen).\n\nOver de onderlinge posities tussen de motoragent en de verdachte is in hoger beroep nog meer vast komen te staan. De onderlinge posities halverwege de uitvoegstrook bedroegen 15 – 20 meter, en nabij het einde van de uitvoegstrook 10 – 15 meter onderlinge ruimte, zo luidt nader deskundigenonderzoek van ir. [naam deskundige 1]. Die onderlinge afstand wordt uiteindelijk nog versneld korter tot het moment van botsing. In deze fase was de snelheid van de vrachtwagen dus hoger dan die van de motoragent. De snelheid van de vrachtwagen over de uitvoegstrook tot aan de botsing was nagenoeg een gelijke snelheid van 43 a 44 km\u002Fu (politiedossier). Naar overtuiging van de deskundige [naam deskundige 1] is de bots-plaats van de vrachtwagen van de verdachte met de motoragent nog voorde stopstreep van deze uitvoegstrook gelegen.\n\n[Naam deskundige 1] heeft in zijn rapport verder als volgt verklaard. In het politie-onderzoek is vastgesteld dat de motorfiets aan de achterzijde in botsing is geweest met de linker-voorzijde van de vrachtauto van de verdachte. Hierbij kwam de politiemotor ten val op de rechterzijde en is de bestuurder van de motor op de rijbaan voor de vrachtauto beland. Gelijktijdig met de botsing accelereerde en wisselde de vrachtauto van de verdachte van rijstrook. De botsing vond plaats voor de stopstreep, in beeld op 09.11.24.776. Bij de volgafstand tussen beide voertuigen geldt voorts nog dat deze uiteindelijke korte volgafstand niet plotseling en eerst op dat moment is ontstaan en in wezen door de vrachtautobestuurder is gekozen; er wordt een locatie genaderd waarin het voor de hand ligt dat de motoragent zal afremmen, hetzij voor het rode verkeerslicht, hetzij om veilig de bocht naar rechts te kunnen nemen, aldus de deskundige mede op basis van het politie-onderzoek.\n\nNog meer ingezoomd is de remtijd en remweg van verdachtes vrachtwagen van belang. Met de voor de verdachte vereiste remvertraging bedraagt de remtijd vanuit 45 km\u002Fu precies 2.5 seconden en bedraagt de remweg 15,6 meter (uitgaande van een remvertraging van 5.0 m\u002Fs2). Ook belading kan van invloed zijn op de remvertraging, aldus de deskundige. Uitgaande van een gemiddelde remvertraging van 4.0 m\u002Fs2 zou de remtijd vanuit 45 km\u002Fu ca 3.1 seconden bedragen en de remweg ca 19.5 meter zijn. Bij (comfortabele) remming vanuit 44 km\u002Fu tot 5 km\u002Fu met de vertraging van 3,5\u002Fs2 wordt nog een afstand afgelegd van circa 21 meter.De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij – zoals ook volgt uit de tachograaf-gegevens van zijn voertuig - niet heeft geremd op de uitvoegstrook.\n\nTot zover de feiten zoals die in hoger beroep zijn komen vast te staan voor het hof, over welke feiten in hoger beroep overigens geen discussie heeft plaatsgevonden, noch van de zijde van de verdediging, noch van de zijde van het openbaar ministerie.\n\nIII. Standpunten verdachte en verweer zijdens de verdediging\n\nDe verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - anders dan in eerste aanleg - op het standpunt gesteld dat hij kort voor en op de uitvoegstrook de motoragent weliswaar voor zich heeft gezien, maar dat hij toen en daar niet heeft geremd omdat hij beelden op zijn netvlies kreeg van het eerdere noodlottig ongeval met zijn vrachtwagen en de oudere dame in 2020, waarbij het ook geen zin meer had om te remmen, aldus de verdachte. Door die verschrikkelijke beelden “raakte hij vervolgens het overzicht kwijt”, zo luidt de conclusie van de verdachte in appel.\n\nIn relatie hiermee heeft de verdediging in hoger beroep de volgende stellingen betrokken. Van (voorwaardelijk) opzet op de dood van de motorrijder is geen sprake, (a) omdat de verdachte van meet af aan heeft verklaard dat hij “juist de motoragent [heeft] willen ontwijken”. Aldus is niet voldaan aan het voor voorwaardelijk opzet noodzakelijk (wils)element dat de verdachte “de gevolgen van zijn handelen op de koop toe moet hebben genomen”. Verdachte was daarnaast (b) niet in staat op adequate wijze te handelen vanwege zijn psychopathologie, te weten de in hoger beroep door de deskundigen vastgestelde PTSS vanwege het nare ongeval in 2020 en verdachtes overspannenheid vanwege een en ander. De verdachte heeft op dit punt immers ook zelf aangegeven dat hij door zijn herbeleving van het noodlottige ongeval in 2020 eenmaal aangekomen op de uitvoegstrook naar rechts “het overzicht op dat moment niet meer had” om anders en\u002Fof adequater te reageren dan hij heeft gedaan, aldus de raadsman van de verdachte.\n\nIV. Beoordeling hof\n\nHet hof overweegt hiertoe als volgt.\n\nHet hof acht op de eerste plaats niet aannemelijk geworden dat de verdachte het volgteken van motoragent [het slachtoffer] niet heeft gezien al op de locatie van de Frigocare omdat zijn focus elders op zou zijn gericht. Ten eerste houdt dit verband met de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep uiteengezette verwachting dat hij al na de allereerste blik op de motoragent bij de Reeweg niet uitsloot dat de motoragent achter hem aan zou komen. Het hof acht deze gedachte in verdachtes situatie ook voorstelbaar bezien in relatie met de door verdachte opgebouwde grote mentale weerstand tegen de politie sinds zijn eerdere zware en fatale ongelukken uit 2015 en 2020. Het ligt dan juist niet in de lijn van verwachtingen dat de verdachte de motoragent in het geheel niet meer zou hebben gevolgd via zijn spiegels en vanuit zijn vrachtwagen, zoals verdachte steeds heeft geïmpliceerd. Zwaarwegender acht het hof evenwel verder in dit opzicht nog dat het volgteken is gegeven over een – op de rijbaan rijdende - afstand van 90 meter over de weg, waarin dit volgteken gedurende 5 seconden achtereen is gegeven, op de door de getuigen beschreven nadrukkelijke en niet mis te verstane wijze, klaarblijkelijk ook nog eens ongeveer ter hoogte van de cabine van verdachtes vrachtwagen. Bovendien schrijft de procedure van het geven van een volgteken voor dat een motoragent visueel contact zoekt met de bestuurder alvorens een volgteken te geven. In dit geval heeft de verdachte gedurende de loop van het volgteken ook daadwerkelijk zijn snelheid verminderd. Tot slot gaat het hof voorbij aan verdachtes stelling dat hij het volgteken niet al eerder zou hebben gezien op basis van de uitlatingen van de verdachte zelf over het “inhalen” van de motoragent om hem aan te houden, en vanwege de beschrijving van het volgteken “naar rechts” door de verdachte, dat hij erkent wel te hebben gezien. Naar ’s hofs oordeel kan het op grond van deze overwegingen niet anders zijn dan dat de verdachte het door hem beschreven volgteken van de motoragent niet alleen heeft gezien, maar ook dat dat al op de locatie tegenover de Frigocare heeft plaatsgevonden. Een ander, tweede, volgteken is immers in het geheel niet gegeven door de motoragent. Noch de beelden, noch de getuigen, maken hiervan gewag. Ook overigens is een tweede volgteken niet komen vast te staan. Weliswaar is op basis van de beschouwing van de beelden ter terechtzitting in eerste aanleg door deskundige [naam deskundige 2] gesproken over de potentiële mogelijkheid dat de motoragent uiterst kort voorafgaande aan of gelijktijdig met de fatale botsing nog een laatste stopteken met zijn hand heeft willen geven, maar dit maakt hetgeen hiervoor is overwogen door het hof niet anders. Het hof wijst hiervoor slechts op de tijds- en plaatsaanduiding van dat eventuele laatste stopteken, dat ten zeerste afwijkt van de locatie waar de verdachte het door hem beschreven volgteken heeft geplaatst. Vanaf het moment dat verdachte het volgteken kreeg, had zijn aandacht dus eens te meer gericht moeten zijn en blijven op de motoragent die zijn weg voor hem vervolgde. De verdachte had in die situatie vervolgens gedurende langere tijd goed zicht op de motoragent en al die tijd alle tijd en gelegenheid om zijn verkeersgedrag - zoals zijn snelheid en in relatie daarmee de onderlinge afstand - aan te passen aan dat van de motoragent en het naar rechts rood uitstralende verkeerslicht, om te anticiperen op de naderende uitvoegstrook en de afslag naar rechts. Een afslag welke verdachte bovenal ook zelf al voornemens was te nemen.\n\nOp de tweede plaats is het hof van oordeel dat - ook indien de verdachte het volgteken van de motoragent niet al eerder zou hebben gezien bij de Frigocare, maar pas op een later moment, zoals hij steeds zelf heeft aangegeven - dit de beoordeling van het daarop volgende handelen van de verdachte voor het hof niet anders zou maken. Immers, de verdachte had in concreto beschouwd voor hem op de uitvoegstrook met een lengte van 65 meter, met de door de verdachte gereden snelheid van 45 km\u002Fu, met een remvertraging van 4.0 m\u002Fs2, een remtijd van 3.1 seconden en een remweg van 19,5 meter. Zelfs bij comfortabele remming zou de remafstand circa 21 meter hebben bedragen. De verdachte had met andere woorden ruimschoots de tijd om zijn voertuig met lading tot stilstand te brengen, voordat hij in aanraking zou komen met de motoragent, nu hiervan pas ter hoogte van de stopstreep sprake was. De stellingen van de verdachte dat de aanrijding is ontstaan doordat de politiemotor “zijn remweg had ingepikt” en\u002Fof dat het “ook geen zin meer had om te remmen zoals in 2020”, snijden daarmee geen hout. Zou de verdachte hebben geremd, dan was een aanrijding voorkomen.\n\nDe verdachte had dit als ervaren vrachtwagenchauffeur kunnen en moeten weten. De stelling van en namens de verdachte rond zijn psychopathologie - de door deskundigen vastgestelde PTSS, zijn overspannenheid, maar ook diens stoornis vanuit het autisme spectrum en diens angst voor aanhouding door de politie - maken dit in het onderhavige geval niet anders. De slotconclusie van de deskundigen luidt immers dat het tenlastegelegde de verdachte bij bewezenverklaring tenminste in verminderde mate kan worden toegerekend. In het bijzonder bereiken de oordeel- en kritiekstoornissen van de verdachte niet het niveau van een waanstoornis; hooguit kleuren deze het denken van de verdachte. Verdachtes psychopathologie ten tijde van het tenlastegelegde - ook uitgelegd in de voor verdachte meest gunstige zin - disculpeert hem met andere woorden niet, althans niet volledig, voor zijn daden dat niet meer van (voorwaardelijk) opzet gesproken zou kunnen worden.\n\nTot slot en veeleer acht het hof het volgende van belang om te bezien of van opzet bij de verdachte sprake is geweest. Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van motoragent [het slachtoffer] – aanwezig is als de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, maar op dit punt is geen verweer gevoerd. Voor de wel door de raadsman geopperde vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo'n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden – hetgeen verder buiten beschouwing kan blijven vanwege zijn eerdere fatale ongeval - niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.\n\nUit het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting, en ’s hofs vaststellingen volgt dat de verdachte het volgteken van de motoragent heeft gezien op ruime afstand voor het begin van de voorsorteerstrook naar rechts. Vanaf dat moment heeft de verdachte qua afstand en tijdsverloop ruim voldoende tijd gehad om zijn rijgedrag en snelheid te verminderen, om daarmee de onderlinge afstand tussen hem en de motoragent te vergroten en in elk geval niet onnodig klein te maken. Ook nog op de uitvoegstrook naar rechts heeft de verdachte met een snelheid van 44 a 45 km\u002Fu zijn snelheid niet verder verminderd en\u002Fof zijn verkeersgedrag aangepast aan de voor hem rijdende en voor hem goed zichtbare motoragent, aan het onverminderd rood uitstralende verkeerslicht en de ras naderende (haakse) bocht naar rechts. Verdachte had daartoe moeten remmen, of had op een eerder moment naar links moeten uitwijken via de strook voor het rechtdoor gaande verkeer. Verdachte heeft dat evenwel beide niet gedaan. Integendeel, de verdachte heeft vervolgens zijn vrachtauto met onverminderde vaart op het laatste fatale moment naar links gestuurd en daarbij nog geaccelereerd. Dit handelen was naar zijn uiterlijke verschijningsvorm onmiskenbaar gericht op het aanrijden van en het daarmee toebrengen van fataal letsel aan [het slachtoffer]. Het hof is van oordeel dat deze gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het aanrijden en daardoor op de dood van motoragent [het slachtoffer] gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken. De niet nader met feiten en omstandigheden onderbouwde stelling van de verdediging dat de verdachte juist de motoragent heeft willen ontwijken acht het hof niet aannemelijk geworden. Hetzelfde geldt voor de stelling van de verdachte dat hij er juist alles aan heeft gedaan om een aanrijding te vermijden. Het tegenovergestelde is veeleer het geval. Het hof acht dan ook – minst genomen – bewezen dat de verdachte aldus met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld.\n\nHet hof acht het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde (de doodslag) ook in zoverre wettig en overtuigend bewezen.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStraffen en maatregelen\n\nHet hof heeft de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft als beroepsmatig vrachtwagenchauffeur op 7 juli 2021 op een kruising op de Waalhavenweg in Rotterdam een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan een motoragent - het slachtoffer - is komen te overlijden. Door het handelen van de verdachte heeft het slachtoffer tijdens de uitoefening van zijn werk als motoragent op een mensonterende en brute manier zijn leven verloren. De verdachte heeft met zijn vrachtauto het slachtoffer, dat reed op zijn politiemotor, in grote vaart van achteren aangereden en vervolgens honderden meters meegesleurd onder de vrachtauto van de verdachte en uiteindelijk zwaar verminkt en dood achtergelaten op het wegdek. De verdachte is vervolgens ook nog eens – met verhoogde snelheid – doorgereden van het ongeval zonder zijn identiteit te laten vaststellen, terwijl hij tot twee keer toe zonder te stoppen langs de plaats van het ongeval was gereden waar inmiddels meerdere omstanders en hulpdiensten ter plaatse waren gekomen. De verdachte heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om het slachtoffer.\n\nHet slachtoffer was een ambitieuze, gewaardeerde en geliefde man van slechts 47 jaar oud. De verdachte heeft het meest fundamentele recht – het recht op leven – aan het slachtoffer ontnomen. Aan de nabestaanden is een niet in woorden te vatten en onherstelbaar leed aangedaan. Leed dat zonder twijfel hun verdere bestaan zal blijven overschaduwen. Blijkens de slachtofferverklaringen zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep heeft het gebeurde nog altijd een enorme impact op het leven van de nabestaanden, alsook op ambtenaren van de Nationale Politie. Dagelijks worden zij geconfronteerd met het feit dat hun levenspartner, zoon, broer, oom, of collega er niet meer is. De nabestaanden hebben aangegeven dat zij dit ervaren alsof zij levenslang gestraft zijn. Het hof realiseert zich dat geen enkele straf die aan de verdachte zal worden opgelegd recht kan doen aan dit onherstelbare leed bij de nabestaanden. Daarnaast is volstrekt helder dat het ongeval ook grote impact heeft gehad op degenen die daarvan ongewild getuige zijn geweest.\n\nPersoon van de verdachte\n\nHet hof heeft in de eerste plaats acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van 12 juni 2024 betreffende de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder in 2018 terzake een ernstig verkeersdelict (artikel 6 WVW), waarbij een politieambtenaar zwaar gewond is geraakt. Ook dit verkeersongeval is veroorzaakt binnen de beroepsuitoefening van de verdachte als vrachtwagenchauffeur.\n\nVoorts zijn omtrent de persoon van de verdachte een aantal pro-Justitiarapporten en reclasseringsadviezen opgemaakt. Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan, in het bijzonder van:\n\neen aanvullende rapportage pro Justitia van 3 januari 2024, opgemaakt en ondertekend door H.T.J. Boerboom (psychiater), T.W. van de Kant (klinisch psycholoog) en R.L.F. de Kooter (forensisch milieuonderzoeker);\n\neen reclasseringsadvies tbs met voorwaarden van 21 mei 2024, opgemaakt door P.M.E. Pieterse, (reclasseringswerker);\n\neen rapportage pro Justitia van 25 februari 2022, opgemaakt door H.T.J. Boerboom (psychiater), T.W. van de Kant (klinisch psycholoog) en M.C.F. Hoes (GZ psycholoog) en\n\neen reclasseringsadvies tbs met voorwaarden van 22 april 2022, opgemaakt door E. Blokland (reclasseringswerker).\n\nDe deskundigen Boerboom, Van de Kant en Pieterse, de laatste bijgestaan door haar collega Van den Dries, zijn ter terechtzitting in hoger beroep gehoord en hebben hun recente rapportages daarbij desgevraagd nader toegelicht.\n\nIn het meest recente aanvullende pro Justitia rapport, opgemaakt na het vonnis in eerste aanleg, hebben de gedragsdeskundigen – kort gezegd - geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten lijdende was aan een psychische stoornis in de vorm van een autisme spectrumstoornis en een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. Deze bevindingen onderschrijven de conclusies uit het rapport van 2022. Daarnaast is sprake van een posttraumatische stressstoornis, waarvan ook al kenmerken zichtbaar waren vóór de ten laste gelegde feiten. Er was sprake van een ernstige overbelasting van de verdachte met gevolgen voor zijn stemming, cognities en gedrag. Gezien de ernst en massaliteit van de psychopathologie en de evidente doorwerking daarvan in de feiten, adviseren de deskundigen - net als in de eerste pro Justitia rapportage - de ten laste gelegde feiten bij bewezenverklaring in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.\n\nHet recidiverisico wordt door de gedragsdeskundigen – zonder nadere interventies – als hoog ingeschat. Het voornaamste risico is gelegen in de ernst en massaliteit van de psychopathologie en het gebrek aan inzicht van de verdachte. De gedragsdeskundigen achten, gelet op de met de psychopathologie gepaard gaande risicofactoren, een psychotherapeutisch behandeltraject (aanvankelijk) binnen een klinische setting geïndiceerd. Geadviseerd wordt om de behandeling, gelet op de ernst van de ten laste gelegde feiten, de forse psychopathologie en de kans op recidive, plaats te laten vinden binnen het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling. Vanuit gedragskundig oogpunt zien de deskundigen mogelijkheden de verdachte binnen het kader van een tbs met voorwaarden te behandelen, mits dat juridisch haalbaar zou zijn (het hof begrijpt: mits de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf bij een bewezenverklaring dit zou toelaten). Mocht een tbs met voorwaarden praktisch niet mogelijk zijn en\u002Fof juridisch niet haalbaar, dan rest een tbs met bevel tot verpleging van overheidswege, aldus de deskundigen.\n\nP.M.E. Pieterse, reclasseringswerker, heeft zich in het meest recente advies van de reclassering en ter terechtzitting in hoger beroep - in tegenstelling tot het eerdere advies van de reclassering - thans (voorzichtig) positief uitgelaten over de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden, omdat de verdachte inmiddels openstaat voor een behandeling en bereid is daaraan zijn medewerking te verlenen. In het advies wordt het recidiverisico als gemiddeld tot hoog ingeschat. Wel wordt in haar advies benadrukt dat de motivatie van de verdachte om mee te werken sterk extern is ingegeven - waarbij het de vraag is of hij zijn medewerking op de lange duur zal kunnen blijven volhouden - en op de lange termijn niet voldoende zal zijn om de recidivekans te verkleinen. Zijn hulpvragen zijn momenteel enkel gericht op het verwerken van zijn eigen trauma en niet op het voorkomen en verminderen van recidive. Een hogere responsiviteit en meer zelfinzicht zijn nodig om hieraan daadwerkelijk te kunnen werken.\n\nMaatregel terbeschikkingstelling\n\nNu de conclusies van de psychiater en de psycholoog met betrekking tot de toerekenbaarheid van de ten laste gelegde feiten gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen het hof ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt het hof die conclusies over en maakt die tot de zijne. Op grond van deze conclusies is het hof van oordeel dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogen als bedoeld in artikel 37a, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bestond.\n\nDe bewezenverklaarde feiten worden de verdachte om die reden in verminderde mate toegerekend.\n\nHet hof is van oordeel dat gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, alsmede hetgeen hiervoor omtrent de persoon van de verdachte is overwogen en de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling ook eist.\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde (doodslag) betreft voorts een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.\n\nHet hof constateert dat aldus aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan.\n\nDe vraag of de behandeling van de verdachte binnen het kader van een tbs met voorwaarden of een tbs met dwangverpleging dient plaats te vinden, is in de eerste plaats afhankelijk van de hoogte van de op te leggen vrijheidsstraf. Immers, op grond van artikel 38, derde lid, Sr kan de maatregel van tbs met voorwaarden slechts worden uitgesproken indien de op te leggen vrijheidsstraf ten hoogste vijf jaar bedraagt.\n\nHet hof is evenwel – conform het standpunt van de advocaten-generaal – van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de eerdere onherroepelijke veroordeling, het recidiverisico en hetgeen het hof ook overigens uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon en de persoonlijkheid van de verdachte nopen tot oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Hoewel de verdachte anders dan in eerste aanleg meer inzicht toont in zijn problematiek en hij inmiddels openstaat voor een behandeling en bereid is daaraan zijn medewerking te verlenen, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaar. Gelet op de hierna te noemen duur van de op te leggen gevangenisstraf is de mogelijkheid van een tbs met voorwaarden dan ook in casu niet aan de orde. Het hof zal gelet op de noodzakelijke behandeling van de verdachte daarom een tbs met dwangverpleging opleggen.\n\nHet hof acht het daarbij - in navolging van de ter terechtzitting gehoorde deskundigen - van het grootste belang dat de behandeling van de verdachte zo spoedig mogelijk en bij voorkeur direct aansluitend aan de hem op te leggen duur van de gevangenisstraf een aanvang neemt. Het hof realiseert zich hierbij terdege dat dit betekent dat de verdachte ruimschoots eerder voor het einde van de duur van de op te leggen gevangenisstraf moet worden aangemeld om op de wachtlijst te worden geplaatst van de instelling waar de voorkeur van de selecteurs en behandelaars naar uitgaat en adviseert de betrokken instanties dit te bewerkstelligen.\n\nOp de voet van het bepaalde in artikel 359, zevende lid, Sv jo 38e, eerste lid, Sr stelt het hof vast dat de bewezenverklaarde doodslag gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De totale duur van de tbs met dwangverpleging kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan (artikel 38e, eerste lid, Sr).\n\nGevangenisstraf\n\nGelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van het hof - zoals hiervoor vermeld - niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij zijn oordeel omtrent de aard en omvang van de op te leggen straf betrekt het hof voorts dat de maatschappij van politiemedewerkers verwacht dat zij optreden in gevaarlijke en risicovolle situaties, waarbij hoort dat dit optreden door de individuele leden van de maatschappij wordt getolereerd en gerespecteerd. Deze politiemedewerkers (en andere hulpdiensten) verdienen (mede) om die reden bijzondere bescherming, om zoveel mogelijk te voorkomen dat zij bij de uitoefening van hun functie van enig strafbaar handelen het slachtoffer worden. Naar het oordeel van het hof dient dit tot uitdrukking te komen in de op te leggen straf. Tevens houdt het hof in het nadeel van de verdachte rekening met het hierboven genoemde uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens het begaan van een zeer ernstig verkeersdelict (artikel 6 WVW). Het hof houdt bij de op te leggen gevangenisstraf ten gunste van de verdachte voorts rekening met het hiervoor overwogene omtrent de verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.\n\nAlles afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen jaren passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nOntzegging bevoegdheid motorrijtuigen te besturen\n\nHet opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen is daarnaast geboden om enerzijds recht te doen aan de ernst van het bewezenverklaarde feit (doodslag, begaan in het wegverkeer) en anderzijds om de veiligheid van overige verkeersdeelnemers voor een zo lang mogelijke periode te beschermen tegen de verdachte. Derhalve zal het hof aan de verdachte opleggen de maximale ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, te weten een ontzegging voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs van verdachte al ingevorderd en ingehouden is geweest.\n\nDe gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\nHet hof acht het opportuun om naast de ongemaximeerde tbs met dwangverpleging tevens de maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.\n\nBeroepsverbod\n\nMet de rechtbank is het hof van oordeel dat het opleggen van een verbod om als vrachtwagenchauffeur werkzaam te zijn in onderhavig geval niet noodzakelijk is. Gelet op het bepaalde in artikel 31 Sr gaat de duur van de ontzegging van rechten bij een veroordeling tot een tijdelijke gevangenisstraf de duur van de hoofdstraf ten hoogste vijf jaren te boven. Hetzelfde artikel bepaalt dat het verbod ingaat op de dag dat de veroordeling onherroepelijk is geworden. Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf in combinatie met de niet gemaximeerde tbs met dwangverpleging en de maximale ontzegging van de rijbevoegdheid ziet het hof met andere woorden in dit geval geen materiële meerwaarde in het opleggen van een beroepsverbod.\n\nSchending redelijke termijn\n\nTot slot constateert het hof dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in hoger beroep is overschreden, nu de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een termijn van 16 maanden, gelet op het feit dat de bedoelde termijn is aangevangen op 25 oktober 2022 en het eindvonnis op 16 juli 2024 is gewezen. De redelijke termijn is derhalve met ruim 4 maanden overschreden. Naar het oordeel van het hof is deze overschrijding onder meer het gevolg van omstandigheden die (deels) voor rekening van de verdediging komen. Het hof is van oordeel dat gelet op de relatief geringe overschrijding in hoger beroep kan worden volstaan met de enkele constatering van deze overschrijding.\n\nConclusie\n\nHet hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur in combinatie met de oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging en de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel een passende en geboden reactie vormen.\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen\n\n[Benadeelde partij 1] (de moeder van het slachtoffer), de heer [benadeelde partij 2] (de broer van het slachtoffer), mevrouw [benadeelde partij 3] (de schoonzus van het slachtoffer), mevrouw [benadeelde partij 4] (een nicht van het slachtoffer) en haar partner, de heer [benadeelde partij 5], mevrouw [benadeelde partij 6] (de partner van het slachtoffer) en de Nationale Politie Eenheid Rotterdam hebben zich in het onderhavige strafproces ieder gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en\u002Fof immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde.\n\nDe rechtbank heeft de vorderingen van de benadeelde partijen vrijwel integraal toegewezen - mede op de grond dat de materiële posten van de gevorderde schadevergoedingen onvoldoende gemotiveerd waren weersproken - met uitzondering van de vorderingen tot vergoeding van toekomstschade. Voorts zijn onderdelen van alle individuele vorderingen van de benadeelde partijen afgewezen. De benadeelde partijen hebben hun vorderingen in hoger beroep gehandhaafd, zodat deze thans opnieuw aan de orde zijn.\n\nDe advocaten-generaal hebben het hof verzocht om de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen, gelijk de rechtbank heeft gedaan, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente.\n\nDe verdediging heeft – anders dan de verdediging in eerste aanleg - op de verschillende vorderingen verweer gevoerd.\n\nHet hof zal de vorderingen waar mogelijk gezamenlijk behandelen. Voor de overblijvende posten, zal het hof deze per benadeelde partij behandelen.\n\nAffectieschade\n\n[Benadeelde partij 1] heeft een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade gevorderd en [benadeelde partij 6] een bedrag van\n\n€ 20.000,- subsidiair € 17.500,-.\n\nOp grond van de sinds 1 januari 2019 in werking getreden Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 1 van het Besluit Vergoeding Affectieschade is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Ook staat daarin welke vaste, maximale bedragen per categorie toewijsbaar zijn. Het is een zogenoemd ‘forfaitair stelsel’. Indien een vordering niet onder een van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4 sub g BW), als een persoon meent toch als naaste in de zin van deze wet te moeten worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten aantonen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden.\n\nTen aanzien van mevrouw [benadeelde partij 1], de moeder van het slachtoffer, dient in dat verband het gevorderde bedrag van € 17.500,- te worden toegewezen.\n\nMevrouw [benadeelde partij 6] kan niet als ‘levensgezel’ in de zin van artikel 6:108, lid 4 sub b BW worden beschouwd, nu zij niet duurzaam met het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde. Wel staat vast dat zij in een LAT-relatie met het slachtoffer stond. Zij heeft daarmee in voldoende mate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108, lid 4 BW onder g kan worden aangemerkt. Onder deze omstandigheden dient het hof in haar geval het voor deze categorie forfaitaire bedrag van € 17.500,- wegens affectieschade toe te wijzen.\n\nSchokschade\n\n[Benadeelde partij 1] (€ 40.000,-), [benadeelde partij 2]\n\n(€ 25.000,-), [benadeelde partij 3] (€ 20.000,-), [benadeelde partij 4](€ 15.000,-) en [benadeelde partij 6] (€ 30.000,-) hebben ieder een vordering wegens schokschade ingediend.\n\nBij de beoordeling van deze vorderingen stelt het hof het volgende voorop.\n\nIemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel.\n\nGezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:\n\n- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.\n\n- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.\n\n- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.\n\nDe feitenrechter moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.\n\nHet recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.\n\nAls sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.\n\nNaast een aanspraak op vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door een hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, kan een secundair slachtoffer ook, als naaste van het primaire slachtoffer, een aanspraak hebben op een vaste vergoeding op grond van de artikelen 6:107 lid 1, aanhef en onder b BW en 6:108 lid 1 in verbinding met artikel 6:108 lid 3 BW (‘affectieschade’). In zo’n geval van samenloop van deze aanspraken zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs moeten afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door de hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, rekening wordt gehouden met die aanspraak op affectieschade (zie ECLI:HR:2022:958)\n\nUit de toelichting op de vorderingen is het hof gebleken dat de hierboven genoemde benadeelde partijen zijn geconfronteerd met het zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer en dat zij kort na het ongeval de plek hebben bezocht waar het incident zich heeft voorgedaan. Voor mevrouw [benadeelde partij 6] geldt zelfs dat zij als één van de eerste politieambtenaren haar partner zwaar verminkt op die plek heeft aangetroffen. Zij hebben ook de zeer confronterende beelden gezien waarop te zien is hoe het slachtoffer is aangereden en is meegesleurd door de vrachtwagen van de verdachte. In alle gevallen is sprake van een zeer hechte relatie tussen het primaire en het secundaire slachtoffer. Ook in alle gevallen is sprake van een naaste tussen het primaire en het secundaire slachtoffer. Voldoende aannemelijk is geworden dat de genoemde confronterende gebeurtenissen bij al deze personen een hevige emotionele schok teweeg hebben gebracht. Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat de benadeelde partijen aan de hand van verklaringen van hun behandelend psycholoog voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij als gevolg van de confronterende gebeurtenissen geestelijk letsel (in de vorm van PTSS) hebben opgelopen.\n\nGelet op alle omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van het hof daarmee niet alleen jegens het (primaire) slachtoffer, maar ook jegens de hierboven genoemde benadeelde partijen onrechtmatig gehandeld en kan hij aansprakelijk worden gehouden voor de schade die als gevolg van deze hevige emotionele schok bij ieder van hen is ontstaan.\n\nTen aanzien van de hoogte van de toe te wijzen bedragen overweegt het hof het volgende.\n\nBij mevrouw [benadeelde partij 1] en mevrouw [benadeelde partij 6] is sprake van een samenloop van aanspraken wegens schokschade en affectieschade. Met name voor mevrouw [benadeelde partij 6] die als één van de eerste politieambtenaren het gruwelijk verminkte lichaam van het slachtoffer op de weg heeft aangetroffen, is de emotionele schok zeer hevig geweest. Op grond van de overgelegde medische stukken kan in beide gevallen lastig onderscheid worden gemaakt tussen de geestelijke problematiek die het gevolg is van het overlijden van het slachtoffer en de schade die het directe gevolg is van confrontatie met de beelden van het ongeval en met het stoffelijk overschot van het slachtoffer. Het hof dient dan ook schattenderwijs vast te stellen welk bedrag als vergoeding voor schokschade in aanmerking komt. Het hof acht daarbij van belang de hoogte van de toegewezen affectieschade, de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel en de ernst van het psychisch letsel van de benadeelde partijen en de gevolgen daarvan voor hen. Voorts betrekt het hof in zijn oordeel hetgeen blijkens de jurisprudentie in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van schokschade. Al deze factoren in aanmerking nemend schat het hof naar billijkheid de geestelijke schade van mevrouw [benadeelde partij 1] op\n\n€ 20.000,- en die van mevrouw [benadeelde partij 6] op\n\n€ 25.000,-.\n\nOp dezelfde wijze, doch zonder rekening te moeten houden met de samenloop met geleden affectieschade, schat het hof de hoogte van de geleden schokschade van de overige benadeelde partijen als volgt in: voor de heer [benadeelde partij 2] op een bedrag van € 17.500,- en voor mevrouw [benadeelde partij 4] en mevrouw [benadeelde partij 3] – wegens het iets verder verwijderde familieverband – op € 15.000,- elk.\n\nVoor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kunnen de benadeelde partijen daarom thans niet in hun vordering worden ontvangen en kunnen zij hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nHet hof zal hierna overgaan tot de bespreking van de afzonderlijke vorderingen, voor zover zij hierboven nog niet aan de orde zijn geweest.\n\nHet hof stelt daarbij voorop dat, ingevolge artikel 51f, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 6:108 Burgerlijk Wetboek (BW) de benadeelde partij in haar hoedanigheid van nabestaande van het slachtoffer naast affectieschade en schokschade enkel de kosten van het gederfde levensonderhoud en de kosten van lijkbezorging in het strafgeding van de verdachte kan vorderen.\n\nDe vordering van [benadeelde partij 1]\n\n[Benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 60.472,04 waarvan, zoals gezegd, een deel van\n\n€ 57.500,- aan immateriële schade (affectie- en shockschade) en een deel van € 2.972,04 aan materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft het hof hierboven reeds een oordeel gegeven.\n\nDe gevorderde materiële schade bestaat uit een bedrag van\n\n€ 734,52 wegens het plaatsen van een rouwadvertentie, een bedrag van € 237,52 aan medicatie en een bedrag van\n\n€ 2.000,- als toekomstschade.\n\nDe kosten van de medicatie ziet het hof als zodanig samenhangend met de door de benadeelde gevorderde schokschade, dat deze, gelet op het hierboven overwogene, kunnen worden toegewezen.\n\nDe kosten van het plaatsen van een rouwadvertentie schaart het hof onder de kosten van lijkbezorging, zodat dit onderdeel van de vordering eveneens kan worden toegewezen.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 38.472,04 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].\n\nDe vordering van [benadeelde partij 2]\n\n[benadeelde partij 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot\n\n€ 35.100,67 waarvan, zoals gezegd, een deel van € 25.000,- aan immateriële schade (schokschade) en een deel van € 10.100,67 aan materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft het hof hierboven reeds een oordeel gegeven.\n\nDe gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:\n\nKosten van lijkbezorging:\n\n€ 309,- urn\n\n€ 500,- sieraden met as\n\n€ 200,- rouwboeket\n\n€ 350,- kleding\n\n€ 122,36 grastrimmer\n\nVoorts:\n\n€ 15,25 medicatie\n\n€ 600,- tatoeage\n\n€ 750,- isoleren schuur motor [naam slachtoffer]\n\n€ 82,90 vignet\n\n€ 2.171,16 verlofdagen\n\n€ 5.000,- toekomstschade\n\nBehalve de urn en het rouwboeket, kunnen naar het oordeel van het hof de gemaakte sieraden, de gekochte uitvaartkleding en de grastrimmer niet als kosten van lijkbezorging worden aangemerkt; zij staan daartoe in een te ver verwijderd verband. Dat betekent dat de vordering ten aanzien van deze kosten niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nDe kosten van de medicatie ad € 15,25 ziet het hof als zodanig samenhangend met de door de benadeelde partij gevorderde schokschade, dat deze, gelet op het hierboven overwogene, kunnen worden toegewezen.\n\nTen aanzien van de kosten voor het zetten van een tatoeage, het isoleren van de schuur voor de motor van [naam slachtoffer], het kopen van een vignet en het opnemen van verlofdagen, kan niet worden gezegd dat artikel 6:108 BW voor vergoeding van deze kosten een grondslag biedt. Dat betekent dat de benadeelde partij in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 18.024,25 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]\n\nDe vordering van [benadeelde partij 3]\n\n[benadeelde partij 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 29.502,99 waarvan, zoals gezegd, een deel van\n\n€ 20.000,- aan immateriële schade (schokschade) en een deel van € 9.502,99 aan materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft het hof hierboven reeds een oordeel gegeven.\n\nDe gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:\n\nKosten van lijkbezorging:\n\n€ 2.500,- steen monument\n\n€ 208,12 graveren monument\n\n€ 363,- plaatsen monument\n\n€ 440,94 reiskosten\n\n€ 67,60 parkeerkosten\n\nVoorts:\n\n€ 900,58 opgenomen verlofdagen\n\n€ 22,75 medicatie\n\n€ 5.000,- toekomstschade\n\nHet hof heeft begrip voor de wens van de nabestaanden om een monument op de Heijplaat voor het slachtoffer op te richten, echter, de kosten van het monument, het graveren en het plaatsen daarvan staan in te ver verwijderd verband om als kosten van lijkbezorging te kunnen worden aangemerkt. Het hof zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.\n\nTen aanzien van de reis- en parkeerkosten overweegt het hof het volgende.\n\nDe gevorderde reiskosten, voor zover betrekking hebbend op de uitvaart, kunnen worden geschaard onder de kosten van lijkbezorging, zijn redelijk en kunnen derhalve worden toegewezen tot een bedrag van (300 x 0,30 =)\n\n€ 90,-.\n\nDe gevorderde reiskosten ten behoeve van bezoek aan een psycholoog acht het hof redelijk en ziet het hof als zodanig samenhangend met de door de benadeelde gevorderde schokschade, dat deze, gelet op het hierboven overwogene, kunnen worden toegewezen tot een bedrag van (14 x 0,30 =) € 4,20. Hetzelfde geldt voor de medicatie ad € 22,75.\n\nTen aanzien van de overige gevorderde reiskosten is het hof van oordeel dat deze niet in zodanig samenhangend verband met de door de benadeelde gevorderde schokschade kunnen worden beschouwd. In zoverre verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nDe reis- en verblijfkosten die de benadeelde partij heeft gemaakt ten behoeve van het bijwonen van de zittingen kunnen ook niet als proceskosten worden aangemerkt, nu de benadeelde partij met een gemachtigde procedeert. Het hof begrijpt dat deze kosten desondanks wel degelijk zijn gemaakt, maar ziet op grond van bestendige rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt geen ruimte de gevraagde vergoeding toe te kennen. Dat betekent dat de vordering ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nVoor wat betreft de gevorderde loonderving is het hof van oordeel dat deze, voor zover betrekking hebbende op de kosten van het bezoeken van een psycholoog, kunnen worden toegewezen tot een bedrag van (6 x 12,17 =) € 73,02, nu deze nauw samenhangen met de door de benadeelde partij gevorderde schokschade. Voor vergoeding van het overige gederfde loon biedt de wet geen grondslag, zodat de benadeelde partij ook op dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 15.189,97 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3].\n\nDe vordering van [benadeelde partij 6]\n\n[benadeelde partij 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 52.068,19 waarvan zoals gezegd een deel van € 50.000,- althans € 47.500,00 aan immateriële schade (affectie- en schokschade) en een deel van € 2.068,19 aan materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft het hof hierboven reeds een oordeel gegeven.\n\nDe gevorderde materiële schade bestaat uit een bedrag van\n\n€ 68,19 wegens reis- en parkeerkosten en een bedrag van\n\n€ 2.000,- als toekomstschade.\n\nDe gevorderde reis- en parkeerkosten ten behoeve van bezoek aan een psycholoog acht het hof redelijk en ziet het hof als zodanig samenhangend met de door de benadeelde gevorderde schokschade, dat deze, gelet op het hierboven overwogene, kunnen worden toegewezen.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 42.568,19 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 6].\n\nDe vordering van [benadeelde partij 4]\n\n[benadeelde partij 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 24.987,52 waarvan zoals gezegd een deel van\n\n€ 15.000,- aan immateriële schade (schokschade) en een deel van € 9.987,52 aan materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft het hof hierboven reeds een oordeel gegeven.\n\nDe gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:\n\nKosten lijkbezorging:\n\n€ 84,95 kleine urn\n\n€ 514,- ketting met vingerafdruk\n\n€ 75,- tatoeage\n\n€ 33,14 fotoboek oma\n\n€ 730,40 reiskosten\n\n€ 65,72 parkeerkosten\n\nVoorts\n\n€ 18,27 medicatie\n\n€ 90,- ontspanning\n\n€ 82,90 vignet\n\n€ 490,- Memori toekomst\n\n€ 823,14 fotoboek herinneringen Memori\n\n€ 1.980,- verlies aan verdienvermogen door verlofdagen\n\n€ 5.000,- toekomstschade\n\nBehalve de urn, kunnen de kosten van de ketting met vingerafdruk, de tatoeage en het fotoboek oma niet als kosten van lijkbezorging worden aangemerkt; zij staan daartoe in een te ver verwijderd verband. De benadeelde partij zal op deze onderdelen niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.\n\nDe gevorderde reiskosten voor zover betrekking hebbend op de uitvaart kunnen worden geschaard onder de kosten van lijkbezorging, zijn redelijk en kunnen derhalve worden toegewezen tot een bedrag van (180,4 x 0,30 =) € 54,12.\n\nDe gevorderde reiskosten ten behoeve van bezoek aan een psycholoog acht het hof redelijk en ziet het hof als zodanig samenhangend met de door de benadeelde gevorderde schokschade, dat deze, gelet op het hierboven overwogene, kunnen worden toegewezen tot een bedrag van (950,6 x 0,30 =) € 285,18. Hetzelfde geldt voor de medicatie ad\n\n€ 18,27.\n\nTen aanzien van de overige gevorderde reis- en parkeerkosten is het hof van oordeel dat deze niet als zodanig samenhangend met de door de benadeelde partij gevorderde schokschade en kosten van lijkbezorging kunnen worden beschouwd. In zoverre verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nDe reis- en verblijfkosten die de benadeelde partij heeft gemaakt ten behoeve van het bijwonen van de zittingen kunnen niet als proceskosten worden aangemerkt, nu de benadeelde partij met een gemachtigde procedeert. Het hof verwijst hiervoor naar zijn overweging op hetzelfde onderdeel bij de bespreking van de vordering van [benadeelde partij 3]. Dat betekent dat de vordering ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nTen aanzien van de kosten van ontspanning, het vignet en het digitale fotoboek en een daarop betrekking hebbend abonnement is het hof van oordeel dat deze niet vallen onder de kosten van lijkbezorging zodat de vordering op deze onderdelen niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nVoor vergoeding van gederfde inkomsten als nabestaande biedt de wet geen grondslag, zodat de benadeelde partij ook op dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 15.442,52 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4].\n\nDe vordering van [benadeelde partij 5]\n\n[benadeelde partij 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 8.011,- aan materiële schade. Deze schade bestaat uit een bedrag van € 539,- wegens een zogenaamd Memori abonnement en een bedrag van € 2.472,- wegens verlies aan verdienvermogen. Ten slotte vordert de benadeelde partij een bedrag van € 5.000,- aan toekomstschade.\n\nHet hof heeft reeds beslist dat de kosten van het abonnement op Memori niet vallen onder de kosten van lijkbezorging, zodat de vordering van de benadeelde partij op dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nVoor vergoeding van gederfde inkomsten in het kader van het strafgeding komen alleen in aanmerking de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt in verband met de uitvaart. Deze kosten kunnen worden geschaard onder de kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 6:108 BW. De benadeelde partij heeft zijn vordering op dit punt genoegzaam onderbouwd en het hof schat die kosten op een bedrag van (3 x € 290,- - 40% =) € 522,-. Voor vergoeding van de overige gederfde inkomsten biedt de wet geen grondslag, zodat de benadeelde partij op dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 522,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5].\n\nDe vordering van de Nationale Politie Eenheid Rotterdam\n\nDe Nationale Politie Eenheid Rotterdam heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 194.979,75 aan materiële schade.\n\nHet betreft de schade aan de motor waarop het slachtoffer reed ten tijde van de aanrijding ad € 8.820,- en een bedrag ad € 186.159,75 wegens het betalen van de kosten van de uitvaart van het slachtoffer. Deze kosten heeft de benadeelde partij als werkgever van het slachtoffer voldaan.\n\nHet hof is van oordeel dat de schade aan de motor als een rechtstreeks gevolg van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde feit kan worden aangemerkt, nu deze het gevolg is van het handelen van de verdachte dat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde feit staat. De vernieling van de motorfiets ligt immers besloten in de ten laste gelegde en bewezenverklaarde aanrijding van een motoragent die tot diens dood heeft geleid.\n\nDe schade aan de motor is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en kan derhalve worden toegewezen.\n\nDe kosten van de uitvaart kunnen als kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108 BW worden beschouwd en komen daarmee in beginsel voor vergoeding in aanmerking, mits zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Bij de beoordeling wat in een concreet geval redelijk is komt onder andere gewicht toe aan de maatschappelijke stand en de inkomens- en vermogenspositie van de overledene en zijn (culturele en religieuze) achtergrond.\n\nVan belang is dat het slachtoffer een goed functionerend motoragent was en geliefd was binnen de Nationale Politie en dat de – alleszins begrijpelijke - wens bij de nabestaanden en de werkgever bestond om, gelet op de gruwelijke manier waarop het slachtoffer tijdens de uitoefening van zijn werk is overleden, op indrukwekkende wijze afscheid van hem te nemen. Dat is, zo blijkt uit de uitgebreide onderbouwing van de vordering, ook gebeurd. Het hof acht het redelijk dat in dat verband de kosten van de uitvaart die voor vergoeding in aanmerking komen hoger uitvallen dan een gemiddelde uitvaart (die grosso modo tussen de € 8.000,- en € 11.000,- kost). Het hof acht, gelet op alle omstandigheden van het geval, in dit verband een bedrag van € 35.000,- redelijk en billijk, meer in het bijzonder kosten die in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene terwijl die kosten op de voet van artikel 6:108, tweede lid, BW kunnen worden aangemerkt als kosten die in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Nu de Nationale Politie reeds een bedrag van in totaal € 15.021,66 aan verzekeringsuitkeringen heeft ontvangen, resteert een bedrag van € 19.978,34. Dit bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige zal de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 28.798,34 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer Politie Eenheid Rotterdam.\n\nResumerend\n\nHet hof wijst de volgende bedragen toe:\n\n[benadeelde partij 1]: € 37.500,- aan immateriële schade en € 972,04 aan materiële schade;\n\n[benadeelde partij 2]: € 17.500,- aan immateriële schade en\n\n€ 524,25 aan materiële schade;\n\n- [ [benadeelde partij 3]: € 15.000,- aan immateriële schade en € 189,97 aan materiële schade;\n\n- [ [benadeelde partij 6]: € 42.500,- aan immateriële schade en\n\n€ 68,19 aan materiële schade;\n\n- [ [benadeelde partij 4]: € 15.000,- aan immateriële schade en\n\n€ 442,52 aan materiële schade;\n\n[benadeelde partij 5]: € 522,- aan materiële schade;\n\nNationale Politie Eenheid Rotterdam: € 8.820,- (motor) en € 19.978,34 (uitvaart) aan materiële schade.\n\nWettelijke rente\n\nVoor zover de vorderingen tot schadevergoeding door het hof zullen worden toegewezen, zullen deze worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van het overlijden van het slachtoffer, 7 juli 2021, tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit geldt niet ten aanzien van de toegewezen schadepost uitvaartkosten van de Nationale Politie Eenheid Rotterdam. Hiervoor geldt de factuurdatum van 10 november 2021.\n\nBurgerlijke rechter\n\nVoor zover de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, kunnen zij deze vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nProceskosten\n\nDaar waar de verdachte wordt veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen tot schadevergoeding hebben gemaakt, wordt hij tevens veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nNu vast staat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 159.017,31 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partijen.\n\nAnders dan de verdediging heeft betoogd, zal het hof daarbij niet bepalen dat de duur van de gijzeling die kan worden toegepast maximaal één dag bedraagt. De stelling van de verdediging dat de verdachte niet in staat is om binnen redelijke termijn op dit punt aan zijn verplichtingen te voldoen, is in dit verband niet onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij zal gaan. De enkele omstandigheid dat aan de verdachte een tbs-maatregel die mogelijk lang kan duren wordt opgelegd, acht het hof daarvoor in ieder geval niet redengevend.\n\nBeslag\n\nDe advocaten-generaal hebben zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen vrachtauto (merk\u002Ftype [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]) verbeurd verklaard moet worden. Subsidiair vorderen de advocaten-generaal de vrachtauto te onttrekken aan het verkeer wegens strijd met het algemeen belang.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen vrachtauto aan de rechtmatige eigenaar [naam broer verdachte] (de broer van de verdachte) dient te worden teruggegeven. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat aan de vereisten voor verbeurdverklaring uit artikel 33a lid 2 Sr niet wordt voldaan, nu de eigenaar van de vrachtauto – [broer verdachte] – niet redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat met deze vrachtauto strafbare feiten begaan zouden worden. Voorts stelt de raadsman zich op het standpunt dat het ongecontroleerde bezit van de vrachtwagen niet in strijd is met de wet of het algemeen belang en dat de vrachtauto derhalve niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer.\n\nMet betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet teruggeven vrachtauto overweegt het hof als volgt.\n\nVast staat dat de bewezenverklaarde strafbare feiten met behulp van de inbeslaggenomen vrachtauto zijn begaan. Omdat de verdachte niet de eigenaar is van de vrachtauto kan deze enkel verbeurd worden verklaard indien aan de vereisten van artikel 33 lid 2 sub a Sr wordt voldaan. Echter, aan deze vereisten wordt naar het oordeel van het hof niet voldaan. De eigenaar van de vrachtauto, had immers niet redelijkerwijs kunnen vermoeden dat – toen hij als werkgever de verdachte na een eerder ernstig verkeersongeval weer in de vrachtauto liet rijden – de verdachte met die vrachtauto opzettelijk een motoragent zou doodrijden en\u002Fof een overtreding van artikel 7 WVW zou begaan. Aan de vereisten van artikel 33a lid 2 sub a Sr wordt dan ook niet voldaan, waardoor de vrachtauto niet vatbaar is voor verbeurdverklaring.\n\nAnders dan de advocaten-generaal is het hof van oordeel dat de vrachtauto evenmin vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. Niet is gebleken dat de vrachtauto van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.\n\nGelet op het vorenstaande zal het hof de teruggave gelasten aan de rechthebbende van de vrachtauto, te weten [broer verdachte].\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 176 en 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair impliciet subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nOntzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van10 (tien) jaren.\n\nBepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteldenbeveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nLegt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.\n\nGelast de teruggaveaan [broer verdachte] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- vrachtauto merk [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken].\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 38.472,04 (achtendertigduizend vierhonderdtweeënzeventig euro en vier cent) bestaande uit € 972,04 (negenhonderdtweeënzeventig euro en vier cent) materiële schade en € 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan materiële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 38.472,04 (achtendertigduizend vierhonderdtweeënzeventig euro en vier cent) bestaande uit € 972,04 (negenhonderdtweeënzeventig euro en vier cent) materiële schade en € 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 87 (zevenentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 18.024,25 (achttienduizend vierentwintig euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 524,25 (vijfhonderdvierentwintig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en\n\n€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 18.024,25 (achttienduizend vierentwintig euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 524,25 (vijfhonderdvierentwintig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 41 (eenenveertig) dagen.Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.442,52 (vijftienduizend vierhonderdtweeënveertig euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 442,52 (vierhonderdtweeënveertig euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan materiële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 15.442,52 (vijftienduizend vierhonderdtweeënveertig euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 442,52 (vierhonderdtweeënveertig euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 522,00 (vijfhonderdtweeëntwintig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan materiële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 522,00 (vijfhonderdtweeëntwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.189,97 (vijftienduizend honderdnegenentachtig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit € 189,97 (honderdnegenentachtig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan materiële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.189,97 (vijftienduizend honderdnegenentachtig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit € 189,97 (honderdnegenentachtig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 34 (vierendertig) dagen.Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 42.568,19 (tweeënveertigduizend vijfhonderdachtenzestig euro en negentien cent) bestaande uit € 68,19 (achtenzestig euro en negentien cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan materiële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 6], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 42.568,19 (tweeënveertigduizend vijfhonderdachtenzestig euro en negentien cent) bestaande uit € 68,19 (achtenzestig euro en negentien cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 96 (zesennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij Politie Eenheid Rotterdam\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Politie Eenheid Rotterdam ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 28.798,34 (achtentwintigduizend zevenhonderdachtennegentig euro en vierendertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Politie Eenheid Rotterdam, ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 28.798,34 (achtentwintigduizend zevenhonderdachtennegentig euro en vierendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 juli 2021, met uitzondering van de toegewezen uitvaartkosten, waarvoor de wettelijke rente op 10 november 2021 een aanvang neemt.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden,\n\nmr. H.C. Plugge en mr. W.J. van Boven, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 juli 2024.\n\n Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2024.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte bij de politie d.d. 19 juli 2021, blz. 97 e.v..\n\n Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2024.\n\n Gerechtelijk deskundige ir. [naam deskundige 1], MVOA, d.d. 24 januari 2024.\n\n E-mail deskundig ir. [naam deskundige 2] d.d. 6 september 2022, gevoegd bij het aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Verhoor getuige [getuige 1], proces-verbaal van politie, blz. 393 e.v.\n\n Verhoor getuige [getuige 2], proces-verbaal van politie, blz. 441 e.v.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte bij de politie d.d. 19 juli 2021, blz. 97 e.v..\n\n Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2024. De verdachte heeft hieraan ter zitting toegevoegd dat dat “kort” voorafgaande aan de uitvoegstrook was, waarover hierna meer.\n\n Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juli 2021, politiedossier blz. 1551, welke uiting van de verdachte dus al plaatsvond voordat de videocompilatie aan hem is getoond ten tijde van zijn verhoren van in het bijzonder op 19 juli 2021 en 31 augustus 2021.\n\n Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Aanvullend proces-verbaal camerabeelden d.d. 20 juni 2022, blz. 4 en bijlage 9 bij het Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Gerechtelijk deskundige ir. [naam deskundige 1], MVOA, d.d. 24 januari 2024.\n\n Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Schriftelijke reactie deskundige ir [naam deskundige 2] naar aanleiding van vragen van het openbaar ministerie in eerste aanleg d.d. 3 september 2022, gevoegd bij het Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2024.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1219","2026-07-13T00:29:09.297Z",{"id":139,"ecli":140,"slug":141,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":142,"fullText":143,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":144,"sourceTimestamp":142,"parsedAt":51,"updatedAt":145},"760","ECLI:NL:GHAMS:2024:1861","ecli-nl-ghams-2024-1861","2024-07-05T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001432-23\n\ndatum uitspraak: 5 juli 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-025188-22 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1984,\n\nthans gedetineerd in [detentieadres] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de nabestaanden naar voren hebben gebracht. Ook heeft het hof kennis genomen van de verklaring die door de nabestaande [benadeelde 1] is afgelegd.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 25 januari 2022, althans in of omstreeks de periode van 24 januari 2022 tot en met 27 januari 2022 te Amsterdam, althans in Nederland,\n\n [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een mes, in elk geval met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, meermalen te steken en\u002Fof te snijden in\u002Ftegen de hals en\u002Fof borst(kas) en\u002Fof buik en\u002Fof rug, althans het lichaam van voornoemde [benadeelde 1] ;\n\nsubsidiair hij op of omstreeks 25 januari 2022, althans in of omstreeks de periode van 24 januari 2022 tot en met 27 januari 2022 te Amsterdam, althans in Nederland,\n\n [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een mes, in elk geval met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, meermalen te steken en\u002Fof te snijden in\u002Ftegen de hals en\u002Fof borst(kas) en\u002Fof buik en\u002Fof rug, althans het lichaam van voornoemde [benadeelde 1] , welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en\u002Fof voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een telefoon en\u002Fof bankpas, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en\u002Fof het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\nmeer subsidiair\n\nhij op of omstreeks 25 januari 2022, althans in of omstreeks de periode van 24 januari 2022 tot en met 27 januari 2022 te Amsterdam, althans in Nederland,\n\n [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een mes, in elk geval met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, meermalen te steken en\u002Fof te snijden in\u002Ftegen de hals en\u002Fof borst(kas) en\u002Fof buik en\u002Fof rug, althans het lichaam van voornoemde [benadeelde 1] .\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie bezigt en tot een andere straf en andere beslissingen op de vordering van de benadeelde partijen komt.\n\nVrijspraak\n\nMet de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.\n\nBewijsoverweging\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de meer subsidiair ten laste gelegde doodslag kan worden bewezen.\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken. De verdachte heeft een alternatief scenario gepresenteerd. De verdediging meent dat geenszins kan worden uitgesloten dat niet de verdachte, maar een ander persoon [slachtoffer] heeft gedood. De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van de zus van de verdachte onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zijn, gelet op haar psychische problematiek waarvoor zij Mirtazapine slikt, een medicijn met de nodige bijwerkingen. Het is daardoor aannemelijk dat zij hetgeen de verdachte tegen haar heeft gezegd verkeerd heeft begrepen.\n\nOp grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nOp 27 januari 2022 kreeg de politie een melding binnen om naar een woning aan de [adres 1] te gaan, omdat de melder al enkele dagen geen contact kreeg met de bewoner [slachtoffer] en dit zeer ongebruikelijk was. De melder was een collega van [benadeelde 1] . Omstreeks 18:55 uur trof de politie het levenloze lichaam van [benadeelde 1] aan, achter de voordeur van zijn appartement. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat het slachtoffer met geweld om het leven is gebracht. Er zijn in totaal 61 steekletsels en 26 snijletsels aangetroffen aan het lichaam van het slachtoffer. De forensische bevindingen impliceren dat het slachtoffer enkele dagen voor 27 januari 2022 moet zijn overleden. Volgens de werkgever van [benadeelde 1] had [benadeelde 1] op 25 januari 2022 om 01:29 uur voor het laatst ingelogd.\n\nDe verdachte heeft bij de politie (proces-verbaal verhoor verdachte van 10 februari 2022, F 03 50 e.v.) en op de terechtzitting in eerste aanleg (proces-verbaal van 13 april 2023, p. 2) verklaard dat hij de nacht van 24 januari op 25 januari 2022 met [slachtoffer] heeft doorgebracht in de woning van [slachtoffer] .\n\nOmwonenden hebben verklaard dat zij op 25 januari 2022 in de ochtend opvallende geluiden hebben gehoord. Getuige [getuige 1] heeft verklaard over harde geluiden die klonken als heftige seks of alsof er iemand werd vermoord. Ook getuige [getuige 2] beschrijft de geluiden als ‘harde sadistische seks’. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij harde geluiden en geschreeuw hoorde, gevolgd door de woorden ‘let me out’ of ‘let me go’. [getuige 3] heeft verder verklaard dat zij en haar partner echt gealarmeerd werden door de geluiden, omdat het als ruzie, bang of boos klonk. [getuige 3] was die dag jarig, waardoor zij er zeker van is dat zij op 25 januari 2022 deze geluiden heeft gehoord. De tijdstippen waarover de omwonenden verklaren lopen wat uiteen, maar alle omwonenden plaatsen de harde geluiden in de vroege ochtend van 25 januari 2022, op zijn laatst rond 08:00 uur die ochtend.\n\nUit onderzoek naar de telefoongegevens van de verdachte blijkt dat op 25 januari 2022 om 01:46, 06:08 en 07:23 uur de telefoon van de verdachte de [locatie] opsloeg als locatie en dat om 08:36 uur de verbinding van de telefoon met een wifi-netwerk werd verbroken, waarschijnlijk dat van de woning van het slachtoffer. Op camerabeelden is te zien dat de verdachte om 08:41 uur de fietsenstalling bij het appartement van het slachtoffer verlaat.\n\nIn de woning van het slachtoffer is bloed van de verdachte aangetroffen op de vloer (in de woonkamer, tussen de keuken en de bank) en op een frisdrankblikje in de badkamer. Op dezelfde ochtend is op camerabeelden van NS-stations in Amsterdam en Utrecht om 09:02 en 12:04 uur te zien dat verdachtes rechterwijsvinger rood gekleurd is.\n\nDe verdachte verplaatste zich die ochtend per trein van Amsterdam uiteindelijk naar Rotterdam en arriveerde daar om 12:45 uur op station Rotterdam Alexandrium. De verdachte vervolgde zijn weg naar de woning van zijn moeder aan de [adres 2] .\n\nUit politiegegevens blijkt dat de zus van de verdachte [naam 1] , om 13:01 uur het alarmnummer 112 heeft gebeld. In dat gesprek heeft zij kenbaar gemaakt dat haar broer tegen haar had gezegd dat hij iemand had vermoord. Op camerabeelden in de lift van de woning van de moeder van de verdachte is de verdachte op 25 januari 2022 om 19:35 uur te zien met een pleister om zowel zijn rechter- als linker wijsvinger. Bij zijn aanhouding op 28 januari 2022 bleek de verdachte verwondingen te hebben aan beide handen.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof stelt vast dat excessief geweld is toegepast op het slachtoffer door hem 61 keer te steken en 26 keer te snijden, hetgeen tot harde geluiden en\u002Fof geschreeuw (in ieder geval) van het slachtoffer moet hebben geleid. Verschillende omwonenden hebben in de ochtend van 25 januari 2022 voor 08:00 uur opvallende harde geluiden gehoord, die klonken als sadistische seks en\u002Fof iemand die werd vermoord.\n\nHet hof stelt vast op basis van de bewijsmiddelen dat op het moment waarop de opvallend harde geluiden door omwonenden zijn gehoord, de verdachte nog in de woning van het slachtoffer was.\n\nHet alternatieve scenario van de verdachte, inhoudende dat een andere man dan de verdachte het slachtoffer moet hebben omgebracht nádat de verdachte de woning heeft verlaten, wordt derhalve weerlegd door de bewijsmiddelen en de hiervoor genoemde conclusie die het hof daaruit heeft getrokken.\n\nHet hof overweegt verder dat valt te verwachten dat de dader bij de uitoefening van het onderhavige excessieve steek- en snijgeweld ook zelf verwondingen aan de handen heeft opgelopen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat hiervan op 25 januari 2022 bij de verdachte sprake was. Niet alleen is de verdachte met een bebloede vinger naar Rotterdam gereisd nadat hij de woning van het slachtoffer had verlaten, ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat er sprake was van verwondingen aan beide handen. Die dag had de verdachte in Rotterdam op beide handen pleisters, hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd. Als contra indicatie geldt dat naast bloedsporen van het slachtoffer en de verdachte geen andere bloedsporen zijn aangetroffen in de woning.\n\nHet hof hecht tot slot waarde aan de omstandigheid dat de zus van de verdachte zich - kort na de aankomst van de verdachte in de woning van zijn moeder - kennelijk genoodzaakt zag om 112 te bellen, met de mededeling dat haar broer tegen haar had gezegd dat hij iemand had vermoord.\n\nHet hof is van oordeel dat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de nadien afgelegde verklaringen niet afdoet aan de betrouwbaarheid van de 112-melding als zodanig.\n\nHet hof acht op grond van de in de bijlage bij dit arrest opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [benadeelde 1] in de ochtend van 25 januari 2022 door middel van messteken om het leven heeft gebracht.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiairtenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 25 januari 2022 te Amsterdam [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, meermalen te steken en te snijden in de hals en borst(kas) en buik en rug van voornoemde [benadeelde 1] .\n\nHetgeen meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage bij dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straf en maatregel\n\nDe rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg meer subsidiair bewezenverklaarde (doodslag) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging) aan de verdachte opgelegd.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het meer subsidiair tenlastegelegde (doodslag) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest, en tot dezelfde, niet gemaximeerde, tbs-maatregel als door de rechtbank is opgelegd.\n\nDe verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de op te leggen straf en\u002Fof maatregel.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft het slachtoffer op een gruwelijke wijze om het leven gebracht. De verdachte onderhield met het slachtoffer al geruime tijd een relatie en werd door [benadeelde 1] toegelaten in zijn woning en mocht daar overnachten. Een woning is een plek waar een mens zich bij uitstek veilig dient te voelen. Uitgerekend daar is het slachtoffer door middel van excessief geweld van het leven beroofd. Dit is een zeer ernstig misdrijf.\n\nDe spreekrechtverklaringen van de zus van het slachtoffer in eerste aanleg en in hoger beroep geven blijk van het verdriet en de grote impact die het overlijden van [slachtoffer] heeft gehad op de hele familie. Daarnaast roepen dit soort misdrijven ook voor de omwonenden en in de rest van de samenleving gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid op.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte beschikt het hof, evenals de rechtbank, over een Pro Justitia triple-rapport dat over de verdachte is uitgebracht door [psycholoog] , psycholoog, [psychiater] , psychiater en milieuonderzoeker [onderzoeker] , gedateerd 16 juni 2022. Met instemming van het openbaar ministerie en de verdediging wordt hierop ook in hoger beroep acht geslagen. De psychiater heeft op de terechtzitting in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – het door de deskundigen in het triplerapport gegeven advies, het de verdachte ten laste gelegde, indien bewezen, hem in verminderde mate toe te rekenen, nader toegelicht.\n\nUit het psychologisch onderzoek van [psycholoog] blijkt dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens in de vorm van stoornissen in het gebruik van alcohol, cocaïne en GHB. Daarnaast is bij de verdachte een persoonlijkheidsstoornis aanwezig. Uit het psychiatrisch onderzoek van [psychiater] blijkt dat sprake is van een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met (met name) antisociale kenmerken. Uit de multidisciplinaire forensisch gedragskundige beschouwing blijkt dat het aannemelijk wordt geacht dat de verdachte psychotisch was ten tijde van het tenlastegelegde. De deskundigen achten het zeer aannemelijk dat de vastgestelde stoornissen een rol speelden in het ten laste gelegde. De kans is zeer reëel dat de verdachte onder invloed van een psychose door middelen en\u002Fof agressie als direct effect van de middelen die hij gebruikte heeft gehandeld.\n\nDe psychiater heeft ter terechtzitting in eerste aanleg nader toegelicht dat er normaliter geen sprake is van verminderde toerekenbaarheid bij middelengebruik. In de situatie van de verdachte is de middelenproblematiek echter dusdanig ernstig dat niet gesproken kan worden van vrijheid in gebruik. Verder stond het intellectueel functioneren van de verdachte onder druk vanwege cognitieve schade door middelen gebruik en de psychotische klachten. De psycholoog en psychiater hebben daarom geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.\n\nHet hof neemt de adviezen van voornoemde deskundigen over en maakt deze tot de hare. Op grond daarvan oordeelt het hof dat de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens (stoornissen in het gebruik van alcohol, cocaïne en GHB en een persoonlijksheidsstoornis met antisociale kenmerken), dat het aannemelijk is dat deze stoornissen een rol speelden in de bewezen geachte tenlastelegging en dat het bewezen geachte tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte moet worden toegerekend. Het hof zal met het vorenstaande rekening houden bij de strafoplegging.\n\nGevangenisstraf\n\nDoodslag is één van de zwaarste misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht (Sr), waar een maximum gevangenisstraf van 15 jaar op staat. Het hof heeft bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf gelet op straffen die in de rechtspraak worden opgelegd voor geweldsfeiten die tot op zekere hoogte vergelijkbaar zijn met het bewezen verklaarde feit. In dit geval is onmiskenbaar strafverzwarend dat de verdachte het slachtoffer op een gruwelijke, zeer gewelddadige wijze heeft gedood in zijn eigen woning, een plek waar het slachtoffer veilig zou moeten zijn. De aard en ernst van het bewezenverklaarde en met name de wijze waarop door de verdachte geweld is gebruikt rechtvaardigen naar het oordeel van het hof een hogere straf dan in eerste aanleg door de rechtbank is opgelegd. Alles afwegende, en in aanmerking genomen de verminderde toerekening van het feit aan de verdachte en hetgeen hierna wordt overwogen over de op te leggen maatregel, ziet het hof geen reden om af te wijken van de vordering van de advocaat-generaal en acht het hof een gevangenisstraf van 9 jaren in dit geval passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.\n\nTbs-maatregel\n\nDe deskundigen zijn blijkens de rapportage van mening dat de kans op geweldsrecidive sterk bepaald wordt door de persoonlijkheidsstoornis in combinatie met de middelenproblematiek en daardoor de psychotische kwetsbaarheid en mogelijke cognitieve schade die zijn coping vaardigheden beïnvloedt. De deskundigen komen op basis van het gebruik van de risicotaxatieinstrumenten gecombineerd met het klinische oordeel tot de inschatting van een hoog recidiverisico op geweld in het algemeen waarbij het niet goed mogelijk is om de kans op een recidive van een delict als het tenlastegelegde te bepalen, aangezien de verdachte dit ontkent en hypothesen erover niet met hem besproken konden worden. Er zijn amper beschermende factoren aanwezig. Het toekomstbeeld van de verdachte lijkt weinig reëel en er zijn geen aanwijzingen dat hij zich dat realiseert. De deskundigen adviseren om de verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen. Zijn verslavingsgedrag is dermate ernstig en langdurig dat hij in een vrijwillig kader onbehandelbaar blijkt en ook niet in staat is hier afspraken over te maken. Daarnaast lijkt hij er psychotisch door te decompenseren en is er waarschijnlijk cognitieve schade ontstaan waardoor hij nog sneller psychotisch decompenseert (zoals in het Huis van Bewaring onder invloed van stress). Anderen kunnen een psychose bij de verdachte niet goed aan zien komen en de verdachte geeft er geen openheid over. Hij is een emotioneel en cognitief beschadigde man die middelen gebruikt om zich staande te houden en er blijkt geen enkele werkelijke behandelbereidheid te bestaan om op enige andere wijze met zijn problemen te leren omgaan. Een minder vergaand ingrijpen behoeft enig inzicht in eigen dynamiek, in achterliggende problematiek en de mogelijkheid tot enige zelfreflectie. Zijn persoonlijkheidsstoornis werkt hierin duidelijk complicerend, o.a. omdat hij vanuit deze stoornis sterk geneigd is tot externaliseren van problemen en onbetrouwbaar, prikkelbaar, agressief en onverantwoordelijk kan zijn, hetgeen een behandeling bemoeilijkt.\n\nHet hof stelt samenvattend vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in artikelen 37a en 37b Sr is voldaan. Zoals hiervoor is vastgesteld, was bij de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit sprake van een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens en wordt het feit de verdachte in verminderde mate toegerekend. Het bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en het aanwezige hoge gevaar van recidive – voortvloeiend uit de psychische problematiek van de verdachte – maakt dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging eist. Een behandeling in een minder streng kader is – gelet op het gebrek aan ziektebesef en behandelmotivatie bij de verdachte – niet aan de orde.\n\nHet hof zal dan ook gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nGelet op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt het hof vast dat de maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.\n\nBeslag\n\nStandpunten Openbaar Ministerie en verdediging\n\nHet Openbaar Ministerie heeft verzocht op het beslag te beslissen conform het vonnis van de rechtbank. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.\n\nOordeel van het hof\n\nDe rechtbank oordeelt dat – conform de beslissingen van de rechtbank - de goederen 34 tot en met 36 moeten worden teruggegeven aan de verdachte. De rechtbank gelast van de overige goederen op de beslaglijst de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden.\n\nVordering van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 1]\n\nAlgemeen\n\nVast staat dat de verdachte een strafbaar feit heeft begaan als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. Artikel 51f, tweede lid, Sv bepaalt – voor zover hier van belang – dat als het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit is overleden, de personen bedoeld in artikel 6:108, eerste tot en met vierde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) zich kunnen voegen ter zake van de daar bedoelde vorderingen. Op grond van artikel 6:108, tweede lid, BW is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.\n\nOp grond van artikel 6:108, derde lid, BW is, wanneer iemand overlijdt door een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander gehouden tot vergoeding van zogenoemde affectieschade aan de in het vierde lid van dat artikel genoemde naasten, waaronder de ouders van de overledene.\n\nVordering\n\nDe benadeelde partijen [benadeelde 2] (moeder van het slachtoffer), [benadeelde 3] (vader van het\n\nslachtoffer), [benadeelde 1] (zus van het slachtoffer) en [benadeelde 4] (broer van het slachtoffer) hebben\n\nzich in hoger beroep opnieuw gevoegd als benadeelde partij. Zij worden bijgestaan door hun gemachtigde mr. F.M.N. Janssen. De oorspronkelijk ingediende vordering – waarop in eerste instantie is beslist – is in hoger beroep verlaagd; de vordering ten aanzien van de reis- en verblijfskosten en de post ‘belastingen’ van € 33.324,00 worden niet gehandhaafd. Namens de benadeelde partijen wordt in hoger beroep een bedrag van € 15.186,73 aan materiële schade, gevorderd, bestaande uit de volgende posten:\n\n€ 4.815,37 kosten van het mortuarium Schiphol\n\n€ 2.302,00 kosten uitvaart\n\n€ 1.464,00 kosten begraafplaats\n\n€ 3.869,36 notariskosten\n\n€ 408,00 medische kosten dr. [naam 2]\n\n€ 2.298,00 medische kosten dr. [naam 3]\n\nVoorts wordt in hoger beroep primair een bedrag van € 32.465,56 (excl. btw) aan advocaatkosten (juridische kosten) gevorderd. Subsidiair wordt verzocht om uitsluitend de advocaatkosten van de strafzaak te vergoeden, zijnde een bedrag van € 17.600,00 (excl. btw), waarbij de advocaat kenbaar heeft gemaakt dat hij dit bedrag niet kan uitsplitsen naar werkzaamheden. Meer subsidiair heeft de advocaat verzocht om in redelijkheid het bedrag aan proceskosten vast te stellen op € 3.400,00, voor het opstellen van de vordering en het bijwonen van zittingen in de strafzaak. De advocaat heeft ter terechtzitting in hoger beroep toegelicht dat hij in redelijkheid schat dat hij daaraan 17 uren heeft gespendeerd à € 200,00 per uur. Meest subsidiair heeft hij het hof verzocht om het liquidatietarief toe te passen.\n\nDe benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , ouders van het overleden slachtoffer, vorderen\n\nieder afzonderlijk € 17.500,00 aan vergoeding van immateriële schade, bestaande uit affectieschade.\n\nDaarnaast vorderen [benadeelde 1] (zus) en [benadeelde 4] (broer) ieder afzonderlijk € 10.000,00 aan shockschade.\n\nDe benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke\n\nrente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nStandpunten Openbaar Ministerie en verdediging\n\nDe advocaat-generaal acht de materiële schade toewijsbaar ten aanzien van de posten 1, 2 en 3 en daarnaast een bedrag van € 3.400,00 aan proceskosten. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de advocaat-generaal het hof om de ouders van het slachtoffer ieder € 17.500,00 aan affectieschade toe te wijzen. De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de gevorderde shockschade geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid.\n\nDe verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schade\n\nHet hof stelt vast dat het verzoek tot schadevergoeding deels (kennelijk) een vordering betreft die namens de benadeelde partijen (als familie) is ingediend. Niet duidelijk is gemaakt of deze namens de nalatenschap van het slachtoffer is gedaan dan wel namens de individuele familieleden. Het hof gaat om pragmatische redenen – nu een verklaring van erfrecht door de benadeelde partijen niet is overgelegd - van dit laatste uit. Het hof zal om die reden vergoeding van de posten 1, 2 en 3 toewijzen aan [benadeelde 3] (vader), nu de facturen voor de uitvaart en grafsteen aan hem geadresseerd zijn en hij degene is die de kosten voor het mortuarium Schiphol per pin heeft betaald. Deze posten zien op de lijkbezorging, als bedoeld in artikel 6:108, tweede lid, BW en zijn derhalve voor toewijzing vatbaar. Dit ligt anders ten aanzien van de gevorderde notariskosten (post 4), nu onvoldoende is onderbouwd dat deze kosten zien op een van de in artikel 6:108 BW bedoelde vorderingen. Ook posten 5 en 6 zullen om redenen hieronder genoemd niet worden toegewezen. Het toelaten van nadere bewijslevering van de posten (4, 5 en 6) zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen kunnen daarom thans niet in dit deel van de vordering worden ontvangen en kunnen de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nProceskosten\n\nTen aanzien van de gevorderde proceskosten (juridische kosten) overweegt het hof dat slechts de advocaatkosten die zien op het opstellen en indienen van de vordering tot schadevergoeding in het strafproces en het bijwonen van zittingen voor toewijzing in aanmerking kunnen komen. Ten aanzien van het primaire en subsidiaire verzoek is het hof van oordeel dat deze niet toewijsbaar zijn, nu onduidelijk is in hoeverre die kosten zien op de onderhavige schadevergoedingsvorderingsprocedure in het strafproces.\n\nMet de advocaat-generaal is het hof evenwel van oordeel dat de meer subsidiaire schatting van de advocaat van redelijke omvang is. Het hof zal de proceskosten derhalve begroten op € 3.400,00. Dit bedrag ligt daardoor voor toewijzing klaar.\n\nImmateriële schade\n\nAffectieschade\n\nOp grond van artikel 6:108 lid 3 en lid 4 onder c BW, in combinatie met de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade, hebben [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , als ouders van de overledene, ieder recht op vergoeding van € 17.500,00 aan affectieschade. Het hof wijst dit deel van de vordering dan ook toe.\n\nShockschade\n\nVolgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is toekenning van zogenoemde schok- of shockschade mogelijk (o.a. Hoge Raad 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958). Het recht op vergoeding van schade bestaat als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ten laste gelegde is gedood of gewond. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.\n\nGezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht zijn onder meer:\n\nDe aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.\n\nDe aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer.\n\nDe wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de ernst van de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.\n\nTer beoordeling van het hof ligt voor of er voor [benadeelde 1] (zus van het slachtoffer) en [benadeelde 4] (broer van het slachtoffer) een recht op vergoeding van shockschade bestaat. Hiervan is sprake – gegeven voornoemde vaste jurisprudentie – indien objectief kan worden vastgesteld dat bij hen een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de directe confrontatiemet de ernstige gevolgen van het strafbare feit dat tegen hun broer is gepleegd (en waaruit voor hen geestelijk letsel is ontstaan).\n\nDe gemachtigde van de benadeelde partijen heeft betoogd en toegelicht dat er sprake was van een directe confrontatie als hiervoor bedoeld omdat zij beiden door het rechercheteam van de politie (tijdens twee besprekingen in 2022) op de hoogte zijn gebracht van de gewelddadige dood van hun broer en zij in detail kennis hebben genomen van het strafdossier en de brute wijze waarop hun broer om het leven is gebracht. Ook volgt dit uit de omstandigheid dat zij in het appartement van hun broer zijn geweest en daar de sporen hebben gezien van het geweld (en het appartement hebben mogen schoonmaken). Ter adstructie van het geestelijk letsel dat bij hen is ontstaan zijn in hoger beroep twee psychiatrische rapporten van prof. [naam 3] overgelegd waaruit blijkt dat bij beiden ( [benadeelde 1] en [benadeelde 4] ) sprake is van een aanpassingsstoornis met chronisch depressieve stemming van ernstig niveau, ten gevolge waarvan psychische schade is ontstaan.\n\nHet hof wil niets afdoen aan de hevige emoties die zijn ontstaan na kennisneming van de gruwelijke dood van hun broer door de gesprekken die met de politie zijn gevoerd en na hun bezoeken in zijn appartement. Ook acht het hof voldoende aangetoond dat er sprake was van een hechte relatie met hun broer en dat bij beiden psychisch leed en schade is ontstaan na het overlijden van hun broer. Deze feiten en omstandigheden zijn echter onvoldoende om te oordelen dat de verdachte ook jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en daartoe jegens hen een schadeplicht is ontstaan. De lat voor de vaststelling – als in de vaste jurisprudentie bedoeld – dat er sprake is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het strafbare feit ligt hoog; hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval dat de betrokkene vrijwel onmiddellijk nadat het strafbare feit is gepleegd ter plaatse van het delict met de gevolgen hiervan is geconfronteerd, ofwel in het geval dat de betrokkene het lichaam van de overledene heeft moeten identificeren. De omstandigheden die thans namens de benadeelde partijen zijn aangevoerd – hoe begrijpelijk ook dat hierdoor ook hevige emoties zijn ontstaan die langdurig en nog steeds doorwerken– halen voornoemde lat niet.\n\nEen nadere onderzoek en beoordeling van deze kostenpost leveren een onevenredige belasting van het strafgeding op. Ditzelfde geldt voor de gevorderde materiële kosten (posten 5 en 6) die (in ieder geval deels) zijn gemaakt ter onderbouwing van de vorderingen tot vergoeding van shockschade.\n\nDe benadeelde partijen [benadeelde 1] (zus) en [benadeelde 4] (broer) kunnen voor zover het de vorderingen tot vergoeding van shockschade betreft daarom thans niet in deze vorderingen worden ontvangen en kunnen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nConclusie\n\nHet hof concludeert dat aan materiële schadevergoeding € 8.611,37 toewijsbaar is aan [benadeelde 3]\n\n (vader). Verder acht het hof € 17.500,00 aan immateriële schadevergoeding toewijsbaar aan [benadeelde 2] (moeder) en € 17.500,00 aan immateriële schadevergoeding toewijsbaar aan [benadeelde 3] (vader). De schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente, waarbij ten aanzien van de materiële schade de datum van het indienen van de vordering als ingangsdatum wordt genomen en ten aanzien van de immateriële schade de pleegdatum van het strafbare feit. Daarnaast zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Het hof begroot de proceskosten op € 3.400,00. Het hof verklaart de benadeelde partijen voor het overige van de vorderingen niet-ontvankelijk.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n34. 1 STK Muts niet goednummer G6147097;\n\n36. 1 STK Broek met goednummer G6146857.\n\nGelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n1. STK Fust met goednummer G6146092;\n\n2. 1 STK Snoer met goednummer G6146093;\n\n3. 1 STK Pas met goednummer G6146098;\n\n4. 1 STK Pas;\n\n5. 1 STK Voorbehoedsmiddel met goednummer G6146019;\n\n6. 1 STK Voorbehoedsmiddel met goednummer G6146020;\n\n7. 1 STK Fust met goednummer G6146028;\n\n8. 1 STK Voorbehoedsmiddel met goednummer G6146021;\n\n9. 1 STK Fust met goednummer G6146029;\n\n10. 2 STK Kleding met goednummer G6146389;\n\n11. 1 STK Kleding met goednummer G6146390;\n\n12. 1 STK Kleding met goednummer G6146391;\n\n13. 1 STK Kleding met goednummer G6146392;\n\n14. 1 STK Kleding met goednummer G6146394;\n\n15. 1 STK Kleding met goednummer G6146393;\n\n16. 1 STK Broek met goednummer G6147634;\n\n17. 4 STK Mes met goednummer G6147065;\n\n18. 1 STK Mes met goednummer G6147068;\n\n19. 1 STK Aansteker met goednummer G6147070;\n\n20. 1 STK Mes met goednummer G6147073;\n\n21. 1 STK Pet met goednummer G6 147074;\n\n21. 1 STK Trui met goednummer G6147075;\n\n23. 1 STK Handdoek met goednummer G6147078;\n\n24. 1 STK Fust met goednummer G6147079;\n\n25. 1 STK Fust met goednummer G6147080;\n\n26. 1 STK Fust met goednummer G6147081;\n\n27. 1 STK Fust met goednummer G6147082;\n\n28. 1 DS Doos met goednummer G6147083;\n\n29. 1 STK Fust met goednummer G6147084;\n\n30. 1 STK Papier met goednummer G6147086;\n\n31. 1 STK Voorbehoedsmiddel met goednummer G6147090;\n\n32. 1 FLS Fles met goednummer G6147091;\n\n33. 3 STK poeder met goednummer G6147097;\n\n35. 1 STK Broek met goednummer G6146856;\n\n37. 1 STK Mes met goednummer G6146853;\n\n38. 1 STK Tas met goednummer G6147136;\n\n39. 2 STK Medicijn met goednummer G6147519;\n\n40. 1 STK Voorbehoedsmiddel met goednummer G6147524;\n\n41. 3 STK Sierraad met goednummer G6147525.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 122 (honderdtweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 januari 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 26.111,37 (zesentwintigduizend honderdelf euro en zevenendertig cent) bestaande uit € 8.611,37 (achtduizend zeshonderdelf euro en zevenendertig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 3.400,00(drieduizend vierhonderd euro).\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 26.111,37 (zesentwintigduizend honderdelf euro en zevenendertig cent) bestaande uit € 8.611,37 (achtduizend zeshonderdelf euro en zevenendertig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 165 (honderdvijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 april 2022\n\nen van de immateriële schade op 25 januari 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M.P. Geelhoed, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. M. Koek, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 juli 2024.\n\nMr. A.M.P. Geelhoed en mr. M. Koek zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:1861","2026-07-13T00:28:46.869Z",{"id":147,"ecli":148,"slug":149,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":150,"fullText":151,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":152,"sourceTimestamp":153,"parsedAt":51,"updatedAt":154},"762","ECLI:NL:GHSHE:2024:2187","ecli-nl-ghshe-2024-2187","2024-07-03T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-002672-23\n\nUitspraak : 3 juli 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 september 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-110821-21, 03-136274-23 en 03-173579-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03-192020-19, tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,\n\nthans uit anderen hoofde verblijvende in [PI] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder feit 2 tenlastegelegde. De verdachte is ter zake van:\n\n ‘ ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (parketnummer 03-110821-21 feit 1 en parketnummer 03-136274-23);\n\n ‘ ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’ (parketnummer 03-110821-21 feit 3);\n\n ‘ ‘wederspannigheid’ (parketnummer 03-110821-21 feit 4);\n\n ‘ ‘diefstal’ (parketnummer 03-173579-23 feit 1);\n\n ‘ ‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels’ (parketnummer 03-173579-23 feit 2),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen, te weten tot € 494,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2023, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering voor het meerdere afgewezen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is gedeeltelijk toegewezen, te weten tot € 9,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2021, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het meerdere afgewezen. Tot slot heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 03-192020-19, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met aftrek van voorarrest.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep voor zover het is gericht tegen het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder feit 2 tenlastegelegde. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de overige tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging zal gelasten van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 weken onder parketnummer 03-192020-19. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] toe zal wijzen conform de wijze waarop de politierechter dat heeft gedaan.\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten en de vorderingen van de benadeelde partijen gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de verdediging primair bepleit dat deze dient te worden afgewezen en subsidiair bepleit dat de proeftijd dient te worden verlengd.\n\nOntvankelijkheid hoger beroep\n\nDe verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde – tenlastegelegd dat:\n\nonder parketnummer 03-110821-21:\n\n 1. hij op of omstreeks 22 februari 2021 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 75,81 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof ongeveer 877,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en\u002Fof heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n3. hij in of omstreeks de periode van 16 januari 2021 tot en met 22 januari 2021 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een enkelband, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt;\n\n4. hij op of omstreeks 22 februari 2021 te Maastricht, zich met geweld en\u002Fof bedreiging met geweld, heeft verzet tegen (een) ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 3] (aspirant van Politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 4] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 5] (brigadier van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 6] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhun bediening, te weten aanhouding van verdachte, door zich met kracht los te rukken en\u002Fof zich te bewegen in tegengestelde richting dan daar waar voornoemde ambtena(a)re(en) hem trachtte(n) te bewegen;\n\nonder parketnummer 03-136274-23:\n\n hij op of omstreeks 2 juni 2023 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine en\u002Fof ongeveer 2,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof 0,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde methamfetamine en\u002Fof heroïne en\u002Fof cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nonder parketnummer 03-173579-23:\n\n 1. hij op of omstreeks 13 juli 2023 te Maastricht een pinpas, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze\u002Fhet zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n2. hij op of omstreeks 13 juli 2023 te Maastricht een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die\u002Fhet zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en\u002Fof dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door onbevoegd gebruik te maken van de bankpas van die [benadeelde 1] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1, 3 en 4, het in de zaak met parketnummer 03-136274-23 en het in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\nonder parketnummer 03-110821-21:\n\n 1. hij op 22 februari 2021 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad 75,81 gram cocaïne en 877,5 gram heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n3. hij in de periode van 16 januari 2021 tot en met 22 januari 2021 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een enkelband die aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield;\n\n4. hij op 22 februari 2021 te Maastricht, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 3] (aspirant van Politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 4] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 5] (brigadier van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 6] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten aanhouding van verdachte, door zich met kracht los te rukken en zich te bewegen in tegengestelde richting dan daar waar voornoemde ambtenaren hem trachtten te bewegen;\n\nonder parketnummer 03-136274-23:\n\nhij op 2 juni 2023 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad 10 gram methamfetamine en 2,5 gram heroïne en 0,6 gram cocaïne, zijnde methamfetamine en heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nonder parketnummer 03-173579-23:\n\n 1. hij op 13 juli 2023 te Maastricht een pinpas die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n2. hij op 13 juli 2023 te Maastricht een hoeveelheid geld die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door onbevoegd gebruik te maken van de bankpas van die [benadeelde 1] .\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nNu de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering:\n\nIn de zaak met parketnummer 03-110821-21:\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 22 februari 2021 (p. 1-3);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] d.d. 22 februari 2021 (p. 4-5);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 6-7);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 8-9);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 10-11);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 12-13);\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] d.d. 9 maart 2021, inclusief bijlagen (rapporten NFiDENT) (p. 24-38);\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [aangever] d.d. 2 februari 2021, inclusief bijlagen (p. 39-48);\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 19 juni 2024.\n\nIn de zaak met parketnummer 03-136274-23:\n\nHet proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 2 juni 2023 (p. 5-6);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] d.d. 2 juni 2023 (p. 8-11);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 26-27);\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] d.d. 2 juni 2023 (p. 35);\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 8] d.d. 26 juni 2023 (p. 37-40);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 43);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 44);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 45);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 46);\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 19 juni 2024.\n\nIn de zaak met parketnummer 03-173579-23:\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 1] d.d. 13 juli 2023 (p. 6-10);\n\nHet proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [benadeelde 1] d.d. 14 juli 2024 (p. 12);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] d.d. 13 juli 2023 (p. 17-18);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16] d.d. 13 juli 2023 (p. 20-21);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 13 juli 2023 (p. 23);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 19] en [verbalisant 16] d.d. 13 juli 2023 (p. 25-26);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 13 juli 2023 (p. 28-29);\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 19 juni 2024.Bewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1 en in de zaak met parketnummer 03-136274-23 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nwederspannigheid.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\ndiefstal.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\ndiefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat het hof – gelet op de geest en strekking van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en dat aan de verdachte aldus geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat aan de verdachte bij vonnis van de rechtbank Limburg d.d. 12 juni 2024 de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren is opgelegd en dat hij gemotiveerd is om behandelingen te volgen. Indien en voor zover aan de verdachte een straf zou worden opgelegd, dan zou dat de behandelingen van de ISD-maatregel doorkruizen. Subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht om oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf of een onvoorwaardelijke taakstraf.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs, het vernielen van een enkelband, wederspannigheid, diefstal van een pinpas en diefstal van een grote hoeveelheid geld door die pinpas te gebruiken. Met de diefstallen en vernieling heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendomsrecht. Ook zorgen deze feiten voor schade en hinder bij de betrokkenen. Door zich met kracht los te rukken uit de handen van politieambtenaren en zich in een andere richting te bewegen, heeft de verdachte blijk gegeven zich niets aan te trekken van het openbaar gezag en heeft hij de politieambtenaren gehinderd in de rechtmatige uitoefening van hun taak. Voorts heeft de verdachte opzettelijk hoeveelheden harddrugs aanwezig gehad. Hiermee heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit, welke handel vaak allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten bevordert, onder meer de daarmee gepaard gaande criminaliteit. Daarnaast is het algemeen bekend dat harddrugs grote gevaren voor de gezondheid van de gebruikers opleveren. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof heeft bij de straftoemeting gelet op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 april 2024, reeds eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich schuldig te maken aan de tenlastegelegde feiten. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat artikel 63 van het Wetboek van Strafecht van toepassing is.\n\nTevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. In dat kader heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij spijt heeft van zijn daden, momenteel clean is, aan zichzelf wil werken en zelf om oplegging van de ISD-maatregel heeft gevraagd.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden:\n\n- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder ter zake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld;\n\n- de mate waarin het bewezenverklaarde schade bij de betrokkenen teweeg heeft gebracht;\n\n- de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan 6 strafbare feiten en\n\n- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.\n\nIn het gegeven dat de verdachte bij vonnis van de rechtbank Limburg van 12 juni 2024 (parketnummer 03-327366-23) de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren is opgelegd en dat de verdachte in dat kader een behandeling zal gaan volgen, ziet het hof, anders dan de verdediging, geen aanleiding om aan de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde handelen geen straf of maatregel op te leggen. Een dergelijke afdoening doet onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.\n\nGelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, kan naar het oordeel van het hof eveneens niet worden volstaan met een taakstraf of geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de verdediging is bepleit. Het hof ziet echter, met het oog op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde zijn gekomen, wel aanleiding om een groot gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.\n\nAlle omstandigheden afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek, passend en geboden. Daarbij zal een proeftijd van 1 jaar worden opgelegd omdat daarmee naar het oordeel van het hof kan worden volstaan.\n\nMet oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingediend. Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 494,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.\n\nHet procesdossier bevat geen gespecificeerde vordering tot schadevergoeding. De vordering is ter terechtzitting ook niet nader toegelicht door de benadeelde partij. Het is het hof daardoor niet duidelijk wat het totaalbedrag van de vordering is, uit welke schadeposten de vordering is opgebouwd en of deze schadeposten het rechtstreekse gevolg zijn van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Het hof is daarom van oordeel dat behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nProceskosten\n\nDe benadeelde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van de verdachte en begroot deze op nihil.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10,96. Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 9,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering is voor het meerdere afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.\n\nDe verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet betwist.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht. De verdachte heeft immers ter terechtzitting verklaard dat hij de strap van de enkelband heeft vernield. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof zal de vordering dan ook volledig toewijzen. De vordering is niet weersproken en komt het hof ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor.\n\nWettelijke rente\n\nAangezien geen factuur is overgelegd, zal het hof het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021, zijnde de dag waarop de vordering is ingediend.\n\nProceskosten\n\nHet hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nOp grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 10,96. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.\n\nHet hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\nDe officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 17 januari 2020 onder parketnummer 03-192020-19. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nHet hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen aanleiding om de vordering af te wijzen dan wel de bij voormeld vonnis vastgestelde proeftijd te verlengen.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 180, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 2 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1, 3 en 4, het in de zaak met parketnummer 03-136274-23 en het in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1, 3 en 4, het in de zaak met parketnummer 03-136274-23 en het in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10,96 (tien euro en zesennegentig cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10,96 (tien euro en zesennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 1 (één) dag kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 17 januari 2020, parketnummer 03-192020-19, te weten van: een gevangenisstrafvoor de duur van3 (drie) weken.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. dr. A.R. Hartmann, voorzitter,\n\nmr. A.J. Henzen en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,\n\nen op 3 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2021027903, sluitingsdatum 9 april 2021, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 64. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.\n\n Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023084417, sluitingsdatum 25 juli 2023, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 46. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.\n\n Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023109016, sluitingsdatum 17 juli 2023, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 77. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2187","2024-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.959Z",{"id":156,"ecli":157,"slug":158,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":159,"fullText":160,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":161,"sourceTimestamp":159,"parsedAt":51,"updatedAt":162},"1202","ECLI:NL:GHSHE:2024:1598","ecli-nl-ghshe-2024-1598","2024-05-13T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001573-23\n\nUitspraak : 13 mei 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 31 mei 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-208048-22 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] (Filipijnen) op [geboortedatum] ,\n\nwonende te [adres verdachte] .\n\nHoger beroep\n\nDe rechtbank heeft de verdachte ter zake van:\n\n‘met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 1);\n\n‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 2);\n\n‘met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 3),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nVoorts heeft de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.\n\nDe verdediging heeft primair partiële vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en\u002Fof de anus van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en\u002Fof zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en\u002Fof Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en\u002Fof anus van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en\u002Fof zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n3. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2022 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en\u002Fof Terneuzen, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borst(en) van die [slachtoffer] en\u002Fof het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en\u002Fof het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en\u002Fof het kussen van die [slachtoffer] en\u002Fof het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1.\n\nhij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n2. hij in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n3. hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en Terneuzen, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borsten van die [slachtoffer] en het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en het kussen van die [slachtoffer] en het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] .\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\n1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 28 juni 2021 (p. 7-9), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant I] en [verbalisant II] :\n\nInformatie over het gesprek:\n\nInformatief gesprek met: [slachtoffer] (vrouw), geboren op [geboortedag slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] , nationaliteit Filipijnse, [adres] .\n\nDatum gesprek: 22 juni 2021\n\nWoonsituatie:\n\n [slachtoffer] woont samen met haar vader, moeder en broer, [broer] , in de [adres]\n\n . Zij zijn ongeveer 3 jaar geleden vanuit Dubai naar Nederland verhuisd.\n\nWat is er gebeurd:\n\n [slachtoffer] is vanaf haar 9e jaar regelmatig verkracht door haar vader. Dit is begonnen in Dubai en is frequent doorgegaan ook toen zij in Nederland kwam wonen.\n\nDe verkrachting bestond uit het vaginaal penetreren. Hij gebruikte geen condooms. Tevens moest zij hem regelmatig aftrekken. Hij pakte dan haar hand met kracht vast en legde haar hand op zijn geslachtsdeel.\n\nIn Dubai vonden de seksuele handelingen plaats in een kamer waar het hele gezin bij elkaar sliep. In Nederland hebben de seksuele handelingen plaatsgevonden op de slaapkamer van [slachtoffer] .\n\n [slachtoffer] geeft aan dat zij vorig jaar voor het laatst vaginaal gepenetreerd is door haar vader. Tevens wordt [slachtoffer] dagelijks betast door haar vader. Hij wrijft met zijn handen over haar kleding, over haar vagina en billen.\n\n2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juni 2021 (p. 10-14), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :\n\nO: opmerking verbalisant\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord aangeefster\n\nAangeefster deed aangifte namens het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] ), [adres] .\n\nO: Wij hebben begrepen dat het gezin al 3 jaar in Terneuzen woont.\n\nV: Klopt dat?\n\nA: Ja, de kinderen zijn geboren en getogen in [geboorteplaats slachtoffer] .\n\nV: Wat kun jij vertellen over het seksuele misbruik?\n\nA: [slachtoffer] vertelde dat ze vanaf haar negende (9) tot haar veertiende (14) seksueel werd misbruikt door haar vader. Zij gaf aan dat zij tot haar elfde (11) werd verkracht. Tot haar elfde (11) bestond het seksueel misbruik onder andere uit verkrachten. Na haar elfde (11) is het verkrachten gestopt en bleef vader aan haar zitten. Dit bestond uit kussen en voelen aan haar vagina en borsten. [slachtoffer] gaf tijdens het gesprek aan dat hij een dag voor de melding voor het laatst aan haar had gezeten.\n\nO: Toen [slachtoffer] het vertelde, hoe was haar gemoedstoestand toen?\n\nA: Ik zag een meisje dat erg timide en ingedoken op een stoel zat. De hoofdemotie kwam op mij over als opluchting.\n\n3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] d.d. 19 juli 2021 (p. 16-20), voor zover inhoudende:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord getuige\n\nV: [slachtoffer] , tegen wie doe je aangifte?\n\nA: Tegen mijn vader, [verdachte] . Hij is mijn biologische vader (het hof begrijpt: de verdachte).\n\nV: Wanneer heeft het feit plaats gevonden?\n\nA: Ongeveer 6 jaar geleden is het begonnen, in 2015 tot 21 juni 2021.\n\nV: Ok, [slachtoffer] kan jij ons eens alles vertellen wat er is gebeurd?\n\nA: Het is ongeveer 6 jaar geleden begonnen in Dubai, in het appartement waar ik toen woonde. Ik was toen 9 jaar. We sliepen in die tijd allemaal in dezelfde kamer en het gebeurde ook in die kamer. Mijn moeder en broer waren aan het slapen. Mijn vader liep naar mijn bed. Toen begon hij mij aan te raken en mijn pyjama uit te trekken. Ik wilde me verzetten, maar ik heb niet echt geprobeerd om hem te stoppen. Ik was slaperig en wilde hem niet boos maken. Ik wilde ook geen weerstand bieden omdat ik bang was dat hij me iets aan zou doen. Toen heeft hij mijn pyjamabroek uitgetrokken en hij zijn short, en toen heeft hij zijn penis in mijn vagina gedaan. Hij heeft me toen verkracht. Daarna heeft hij het nog vaak gedaan. Ik denk niet elke nacht, maar wel heel vaak.\n\nV: Zijn er ook nog andere dingen gebeurd?\n\nA: Ja, hij pakte me vast aan mijn borsten om mijn middel of kont en dan begon hij tegen mij aan te schuren.\n\nV: Zijn er nog andere seksuele handelingen gebeurd?\n\nA: Hij probeerde mijn borsten aan te raken, hij probeerde ook mijn borsten met zijn mond aan te raken en dan beet hij daar heel hard in. Hij raakte mijn vagina aan met zijn handen. Dat was misschien wel het ergste. Dan pakte hij mijn schaamhaar vast en trok er hard aan. Dat deed heel veel pijn. Hij probeerde ook mijn clitoris aan te raken, maar die kon hij niet vinden en duwde hij heel hard tegen het bot wat daar zit. Als hij daar beneden greep trok hij ook heel hard aan mijn schaamlippen dat ze eruit werden getrokken. Mijn schaamlippen kwamen daardoor naar buiten en dit heeft lang zo gezeten. Nu de laatste tijd is dit aan het genezen. Het was erg pijnlijk. Hij liet mij hem ook aftrekken. Hij pakte mij bij mijn polsen met twee handen, waardoor ik mijzelf niet kon lostrekken. Dit gebeurde vaak, hij deed dit altijd voordat hij me verkrachtte. Hij zat eerst met zijn mond aan mijn borsten, daarna pakte hij mijn hand om hem af te trekken en daarna verkrachtte hij mij.\n\nV: Alle keren dat je verkracht bent, wat is het hetgeen je het meest geraakt\n\nheeft?\n\nA: Er zijn twee ernstige keren geweest. Een keer dat hij heel hard aan mijn\n\nschaamhaar trok. Hij trok mijn knie opzij en begon heel hard tegen mijn clitoris te wrijven. De tweede vreselijkste keer was dat hij zijn penis via achteren naar binnen probeerde te brengen. Ik weet niet of het hem echt gelukt is om naar binnen te brengen, maar ik weet wel dat het heel veel pijn deed. Ik heb nog nooit zoveel pijn gehad.\n\nV: En dit heeft allemaal plaatsgevonden in Dubai?\n\nA: Het ergste in Dubai, maar hier is hij ermee doorgegaan. Mij seksueel misbruiken, verkrachten.\n\nV: Kun je me vertellen over de ergste keer in Nederland?\n\nA: Hier zijn er ook twee slechtste momenten geweest. De ene keer niet echt fysiek maar meer emotioneel. In de [straat] . Mijn broer en ik hadden een kamer en mijn ouders hadden een kamer. Op een nacht kwam mijn vader naar mijn kamer. Mijn broer was in slaap gevallen. Mijn vader heeft mij verkracht vlak bij mijn broer. De tweede meest vreselijke keer was dat hij in mij klaar kwam. Vaak deed hij dit buiten mijn lichaam en moest ik het van hem schoonmaken. Die keer kwam hij in mij klaar. Ik was bang dat ik zwanger zou raken.\n\nV: Wanneer was de laatste keer dat er iets is gebeurd?\n\nA: De laatste keer was dat hij me verkrachtte. Dat was vorig jaar. Toen is hij ook in mij klaargekomen. De laatste keer dat hij me seksueel heeft aangeraakt was de dag voordat ik erover ben gaan vertellen wat hij deed.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 35-42), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord verdachte\n\nV: Wanneer zijn jullie verhuisd naar Nederland?\n\nA: Op 30 december 2018.\n\n5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 45-54), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord verdachte\n\nV: Je weet al langere tijd dat er aangifte tegen je is gedaan door een medewerkster\n\nvan Veilig Thuis in verband met seksueel misbruik dat door jou gepleegd zou zijn\n\nmet je dochter [slachtoffer] . Wat vind je van deze beschuldiging?\n\nA: Ik heb geen tegenwerpingen.\n\nV: Wat gebeurde er de eerste keer?\n\nA: Ze was natuurlijk jong, een kind. Ik raakte haar ‘private parts’ aan.\n\nV: Wat bedoel je met de ‘private parts’?\n\nA: Haar vagina. Ik had toen ook seks met haar.\n\nV: Waar en wanneer gebeurde dit?\n\nA: Ik weet dat het gebeurde als we in het huis waren, ik bedoel in het huis in Dubai. Het was op haar bed.\n\nV: Hoe ging het met het aanraken van [slachtoffer] (het hof begrijpt hierna telkens: [slachtoffer])?\n\nA: lk begon eerst met haar borst te strelen.\n\nV: Had dit aanraken een seksuele lading voor jou?\n\nA: Ja.\n\nV: Wanneer ging je dan verder en raakte je de vagina van [slachtoffer] aan?\n\nA: Het gebeurde gewoon. Het stapelde zich maar op. Het gebeurde een tweede, een derde keer. Het leek al een gewoonte te worden. Ik bleef het doen. Toen gebeurde het weer. In 2016.\n\nV: Op welke momenten gebeurde het?\n\nA: We sliepen met het hele gezin in dezelfde kamer. Het gebeurde ook wel daar. Iedereen sliep dan. Ook mijn vrouw sliep en dan lukte het mij om het toch te doen met [slachtoffer] . Ik stapte dan bij [slachtoffer] in bed. Ik had dan geslachtsgemeenschap met mijn dochter. Penetratie. Met mijn penis in haar vagina. Ik deed het dan langs de achterkant. Het bleef zich maar herhalen. Toen we in Nederland kwamen zei ik tegen mezelf dat het niet meer mocht gebeuren. Maar de drang blies in mijn oren.\n\nV: Wanneer had je voor het laatst geslachtsgemeenschap met [slachtoffer] ?\n\nA: In 2020 in Nederland.\n\nV: [slachtoffer] verklaarde ook dat zij je moest aftrekken en dat je daarbij haar handen pakte\n\nen naar je penis bracht.\n\nA: Ja dat klopt, dat is gebeurd.\n\nV: [slachtoffer] heeft zich een keer verdedigd door tegen je aan te stompen. Je tegen haar\n\nzei dat ze dat goed deed, maar dat je haar daarna wel weer verkrachtte. Wat kun je\n\ndaar over zeggen?\n\nA: Ik kon mezelf niet meer in de hand houden. Wat ze vertelde is waar, ik deed dat.\n\nV: [slachtoffer] verklaarde dat het seksueel handelen doorging, ook na de verhuizing naar\n\nNederland. Toen sliepen [slachtoffer] en [broer] (het hof begrijpt: de broer van [slachtoffer]) op dezelfde kamer. Dat je haar hebt verkracht waar haar broer vlakbij lag. Reageer hier eens op.\n\nA: In het nieuwe huis in Nederland is er één keer een situatie geweest waarbij dit\n\ngebeurd is. [broer] was inderdaad in dezelfde kamer toen ik geslachtsgemeenschap\n\nmet [slachtoffer] had.\n\nV: De laatste periode penetreerde je [slachtoffer] niet meer, maar bleef je haar wel betasten.\n\nDe laatste keer was zelfs op de dag voor ze het meldde bij de zorg coördinator van\n\nschool, melding 22 juni 2021.\n\nA: Ja dat klopt, ik heb dat gedaan.\n\n6. Een geschrift, te weten een geboorteakte, die als bijlage achter het politiedossier is gevoegd, voor zover inhoudende:\n\nName: [slachtoffer]\n\nName of Father: [verdachte]\n\nNationality: FILIPINO\n\nName of Mother: [naam moeder slachtoffer]\n\nNationality: FILIPINO\n\nDate of Birth: [geboortedag slachtoffer]\n\nPlace of Birth: [geboorteplaats slachtoffer]\n\n7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, d.d. 17 mei 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nHet is gebeurd in Dubai en later in Nederland. Ik beken dat ik met mijn penis in haar vagina ben binnengedrongen. Het klopt dat er penetratie heeft plaatsgevonden in de periode van 2015 tot 2020. Het klopt dat ik tegen de politie heb gezegd dat ik haar vagina heb betast. Ik heb met mijn mond en mijn handen haar borst betast en ik heb haar gekust. U vraagt mij of ze ook mijn penis heeft moeten betasten. Dat is gebeurd ja.\n\n8. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 29 april 2024, voor zover inhoudende:\n\nHet klopt dat ik tot en met 10 april 2018 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heb gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd\u002Fgebracht.\n\nHet klopt dat ik in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd\u002Fgebracht.\n\nHet klopt dat ik tot en met 21 juni 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, en Terneuzen, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borsten van die [slachtoffer] , het betasten van de vagina van die [slachtoffer] , het kussen van die [slachtoffer] en het laten betasten van mijn penis door die [slachtoffer] .\n\nIk weet nu wat de schaamlippen zijn. Ik heb mijn vingers tussen de schaamlippen van [slachtoffer] geduwd.\n\nHet klopt dat [slachtoffer] ook [slachtoffer] werd genoemd.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte partieel van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de verdachte ontkent dat hij zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd en dat hij hard aan de schaamlippen van zijn dochter heeft getrokken. Gelet op de proceshouding van de verdachte, waarbij hij direct openheid van zaken heeft gegeven, is het aannemelijk dat verdachtes verklaringen (ook) op deze punten juist zijn. Bovendien was de verdachte gericht op seksuele bevrediging en niet op het op een sadistische wijze pijn doen van [slachtoffer] . Voor wat betreft de startdatum van de onder feit 1 en onder feit 3 opgenomen pleegperiode heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nPartiële vrijspraak\n\nHet hof acht met de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd. [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte ‘zijn penis via achteren naar binnen probeerde te brengen’. Tevens heeft zij verklaard ‘Ik weet niet of het hem echt gelukt is om (zijn penis)naar binnen te brengen’. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij met zijn penis in de vagina van [slachtoffer] ging en dat hij dat ‘langs de achterkant’ deed. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat hij daarbij zijn penis in de vagina van [slachtoffer] heeft geduwd\u002Fgebracht. Gelet op hetgeen zowel [slachtoffer] als de verdachte heeft verklaard kan naar het oordeel van het hof niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd. De verdachte zal derhalve in zoverre van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nAnders dan de verdediging acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hard aan de schaamlippen van [slachtoffer] heeft getrokken. Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid en juistheid van hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard. Zij heeft consistent en consequent verklaard over de aard van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, alsmede over de voor haar pijnlijke gevolgen van die handelingen. Bovendien vinden haar verklaringen steun in de andere bewijsmiddelen. Het verweer strekkende tot partiële vrijspraak van het tenlastegelegde wordt derhalve in zoverre verworpen.\n\nTen aanzien van de pleegperiode van de onder 1 en onder 3 tenlastegelegde feiten stelt het hof vast dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij negen jaar oud was toen het misbruik begon. Uit hetgeen de verdachte bij de politie heeft verklaard blijkt dat hij zich kan herinneren dat [slachtoffer] tien jaar oud was toen het begon en niet negen jaar oud. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat hij niet zich niet herinnert of het misbruik op tienjarige leeftijd begon. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij geen antwoord kan geven op de vraag of het misbruik in 2015 of in 2016 begon. Gelet op de verklaring van [slachtoffer] en het feit dat de verdachte niet meer precies weet vanaf welk moment de aan hem verweten gedragingen hebben plaatsgevonden, stelt het hof de begindatum van het onder 1 en onder 3 bewezenverklaarde vast op 1 januari 2015.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – naar voren gebracht dat de tenlastegelegde feiten een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, doch dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de straffen die in vergelijkbare strafzaken zijn opgelegd – te hoog is. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft de verdediging in het bijzonder naar voren gebracht dat hij het misbruik direct heeft erkend, dat hij zelf in therapie is gegaan en dat hij de therapie inmiddels heeft afgerond. Bovendien ondersteunt de verdachte zijn vrouw en kinderen op financieel gebied en werkt hij hard om de kosten van de studies van zijn kinderen en de studentenkamers te betalen. Indien de verdachte gedetineerd raakt, ontstaan grote financiële problemen. De verdachte vreest dat zijn kinderen hun studies dan zullen moeten staken. De verdediging heeft het hof verzocht om de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan bij voorkeur 2 jaren en anders 1 jaar voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en als bijzondere voorwaarden (betreffende het gedrag van de verdachte) een contactverbod met [slachtoffer] en dat hij contacten met minderjarigen dient te vermijden.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nBij de bepaling van de op te leggen sanctie heeft het hof gelet op:\n\n- de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan,\n\n- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en\n\n- de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nHet hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nAard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich gedurende een zeer lange periode, een periode van ruim zes jaren, met grote regelmaat schuldig heeft gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met zijn minderjarige dochter [slachtoffer] . De seksuele handelingen bestonden onder andere uit vaginale penetratie met zijn penis, het betasten van de borst(en) van [slachtoffer] , het trekken aan haar schaamlippen en het laten betasten van verdachtes penis door [slachtoffer] . De handelingen vonden plaats vanaf het moment dat [slachtoffer] nog maar negen jaar oud was, onder meer in de door het hele gezin gedeelde slaapkamer in Dubai. [slachtoffer] kon zich zelfs in haar eigen bed niet veilig voelen. In sommige gevallen waren de moeder en\u002Fof de broer van [slachtoffer] tijdens het misbruik in dezelfde kamer aanwezig.\n\nDe verdachte heeft met zijn handelen op een buitengewoon ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Ook heeft hij daarbij grovelijk het vertrouwen geschonden dat zij in hem als vader mocht stellen. Daar komt nog bij dat [slachtoffer] bang was voor haar vader. Zij heeft bijvoorbeeld verklaard dat de verdachte haar en haar broer regelmatig sloeg, onder meer met een riem. Ter terechtzitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat dit onderdeel uitmaakte van de opvoeding en de Filipijnse cultuur. Zoals ook door de rechtbank is overwogen, kon dit geweld voor [slachtoffer] echter niet los worden gekoppeld van het seksueel misbruik, zodat er ook op deze wijze sprake is geweest van forse dwang. Het gaat bovendien om jarenlang misbruik. Het hof rekent het de verdachte dan ook zeer zwaar aan dat hij zijn dochter, een klein meisje dat weerloos was ten overstaan van haar volwassen vader op de bewezenverklaarde wijze jarenlang en onder grote druk seksueel heeft misbruikt. De verdachte heeft daarbij geen oog gehad voor de belangen van [slachtoffer] en voor de gevolgen van zijn handelen voor zijn eigen dochter. Hij heeft slechts zijn eigen lustgevoelens vooropgesteld. Bovendien is het misbruik pas aan het licht gekomen doordat [slachtoffer] zelf op school over het misbruik heeft verteld.\n\nHet is algemeen bekend dat slachtoffers van dit soort delicten langdurig, mogelijk hun hele verdere leven, nadelige, psychische gevolgen daarvan (kunnen) ondervinden. Uit de gedingstukken blijkt dat dat ook bij [slachtoffer] het geval is. Verdachtes handelen heeft niet alleen grote impact gehad op [slachtoffer] , maar eveneens op het gezin. De verdachte heeft niet alleen het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem mocht stellen geschonden, maar eveneens het vertrouwen dat de andere gezinsleden in hem als vader en partner mochten hebben.\n\nPersoon van de verdachte\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 maart 2024. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen en ook daarna niet ter zake van een ander strafbaar feit met politie en\u002Fof justitie in aanraking is gekomen. In zijn justitieel verleden is daarmee geen strafverzwarende omstandigheid gelegen.\n\nVoorts heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van een reclasseringsadvies d.d. 17 april 2023. Door de reclassering wordt het risico op recidive ingeschat als laag-gemiddeld.\n\nDe heimelijkheid van het delict, het ontbreken van een sociaal netwerk dat de verdachte kan steunen en het feit dat hij zijn seksualiteit onderdrukt, vindt de reclassering aandachtspunten en risico's. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waaraan als bijzondere voorwaarden onder andere een meldplicht en een contactverbod met [slachtoffer] worden verbonden.\n\nStrafoplegging\n\nGelet op de hierboven beschreven aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van een aanzienlijke duur met zich brengt. Naar het oordeel van het hof kan gelet daarop evenmin worden volstaan met een straf als door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen daarin onvoldoende tot uitdrukking komen. In dit verband heeft het hof in het bijzonder nog de zeer lange duur van het ingrijpende misbruik in aanmerking genomen, alsmede de ernstige wijze waarop inbreuk is gemaakt op zowel de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] als het vertrouwen dat [slachtoffer] bij uitstek in de verdachte, als haar vader, mocht stellen.\n\nAlle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nIn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen grond om tot een andere beslissing te komen. Ook de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep genoemde uitspraken brengen het hof niet tot een ander oordeel.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 6, 7, 57, 244, 245, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nHeft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,\n\nmr. J.F. Dekking en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,\n\nen op 13 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie Midden- en West-Brabant, Unit Zeden, onderzoek Marine, onderzoeksnummer ZBRBC21119, proces-verbaalnummer PL2000-2021161821, p. 1 tot en met pagina 56, met daarachter bijlagen. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:1598","2026-07-13T00:29:09.704Z",{"id":164,"ecli":165,"slug":166,"caseNumber":43,"courtId":167,"decisionDate":168,"fullText":169,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":170,"sourceTimestamp":159,"parsedAt":51,"updatedAt":171},"772","ECLI:NL:GHARL:2024:3277","ecli-nl-gharl-2024-3277",70,"2024-05-08T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-000613-22\n\nUitspraak d.d.: 8 mei 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 25 januari 2022 met parketnummer 16-289945-21 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,\n\nwonende te [woonplaats]\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 april 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte voor het tenlastegelegde feit tot een taakstraf van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,\n\nmr. F.N. Dijkers, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe politierechter heeft verdachte bij vonnis van 25 januari 2022, waartegen het hoger beroep is gericht, veroordeeld voor het tenlastegelegde feit - mishandeling - tot een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis.\n\nHet hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 15 oktober 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem bij de keel te grijpen en daarin te knijpen en\u002Fof door een nekklem aan te leggen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverweging met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft verzocht om het beroep op noodweer te verwerpen. Indien al uitgegaan zou worden van een noodweersituatie, dan is er volgens de advocaat-generaal geen sprake van een rechtmatige verdediging. De advocaat-generaal heeft daartoe naar voren gebracht dat verdachte kon en moest weglopen en dat niet heeft gedaan, waardoor verdachte is meegegaan in een fysieke confrontatie met aangever.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer en heeft in dat kader vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Volgens de raadsman moest verdachte zich verdedigen tegen de aanval van aangever en heeft verdachte gehandeld binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De raadsman heeft naar voren gebracht dat aangever begon met slaan, waardoor verdachte aangever bij zijn keel heeft gepakt. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn spullen uit de auto wilde halen en handelde uit zelfverdediging nadat aangever begon te slaan. Verdachte erkent dat hij aangever bij zijn keel heeft gepakt, maar ontkent dat hij daarin heeft geknepen. Verdachte betwist ook dat het letsel in de nek van aangever door zijn handelen is ontstaan.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nWettelijk kader noodweer\n\nVooropgesteld dient te worden dat van noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, sprake is indien het strafbare handelen van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Voor de beoordeling daarvan is onder meer van belang of de aan het verweer strekkende tot noodweer ten grondslag liggende feiten en omstandigheden voor het hof aannemelijk zijn geworden.\n\nWat betreft culpa in causa en noodweer(exces) moet het volgende worden vooropgesteld. Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel bij voorbeeld van een wapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456)\n\nFeiten en omstandigheden\n\nIn het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van 16 oktober 2021, waarin de camerabeelden van dit incident in stills zijn weergegeven en beschreven. Bij de beoordeling van het verweer van de verdediging gaat het hof, op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van de volgende feiten en omstandigheden en stelt deze vast.\n\nOp 15 oktober 2021 is verdachte, samen met zijn broer - [naam broer] - en een vriend - [naam vriend] - bij het bergingsbedrijf [naam bergingsbedrijf] in [plaats] , omdat de auto van verdachte daar naartoe is gebracht. Verdachte is naar het bergingsbedrijf gekomen om spullen uit zijn auto te halen. Aangever [slachtoffer] is autoberger bij dat bedrijf en geeft aan dat zij even moeten wachten, omdat hij eerst andere klanten moet helpen. Verdachte en de twee anderen zijn het daar niet mee eens en willen direct de spullen uit de auto gaan halen. Vervolgens besluiten zij - tegen de regels van het bedrijf in - om achter aangever aan te lopen richting de loods waar de auto staat. Aangever is met het oog daarop voornemens om de politie te bellen en staat op dat moment in een halletje, waarvan hij de deur sluit. De broer van verdachte - [naam broer] - wil voorkomen dat de deur wordt gesloten, waardoor er bij die deur tussen aangever en [naam broer] een worsteling ontstaat. Door die worsteling is het raam van die deur gebarsten. Verdachte mengt zich vervolgens in die worsteling en op een gegeven moment staat de deur naar buiten weer open. Ondanks dat de deur weer openstaat, blijven verdachte en zijn broer in het halletje staan. Tussendoor is de tevens aanwezige [naam vriend] meerdere keren naar een andere ruimte gelopen. Opnieuw ontstaat er in het halletje een (verhitte) discussie tussen aangever, verdachte en diens broer [naam broer] . Verdachte pakt dan zijn telefoon erbij en besluit deze op aangever te richten om hem te filmen en\u002Fof te fotograferen. In reactie daarop pakt aangever de telefoon uit verdachtes hand en gooit deze weg. Daarna ontstaat er een handgemeen tussen verdachte en aangever, waarbij verdachte aangever bij zijn keel pakt en deze heeft dichtgeknepen. Aangever pakt verdachte vervolgens vast aan zijn kleding bij zijn hals en daarna hebben beiden elkaar vast bij de nek en geeft aangever verdachte een klap. Terwijl aangever slaat, blijft verdachte hem bij zijn nek vasthouden. Verdachte en aangever blijven in een worsteling, totdat [naam vriend] erbij komt en ingrijpt. Vervolgens is verdachte met zijn gezelschap alsnog - tegen de regels en instructies in - de spullen uit de auto gaan pakken en zijn ze vertrokken.\n\nAangever heeft van dit incident aangifte gedaan en had ten gevolge van dit incident last van zijn adamsappel en zichtbaar letsel aan zijn nek, waarvan foto’s zijn opgenomen in het dossier. Ten aanzien van het letsel stelt het hof vast dat het letsel dat aangever heeft opgelopen past bij de hiervoor beschreven handeling van verdachte, waarbij hij aangever bij zijn nek vast pakt. Het hof acht het, mede gelet op de beschrijving van de camerabeelden, niet aannemelijk geworden dat dit letsel door de eerdere worsteling of anderszins is ontstaan.\n\nBeoordeling beroep op noodweer\n\nUit voorgaande feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat er, nadat een worsteling heeft plaatsgevonden tussen aangever en de broer van verdachte, een kort moment van relatieve rust is zonder uitoefening van geweld. Vervolgens is het aangever geweest die de telefoon van verdachte afpakt en weggooit. In zoverre is er sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van een goed van verdachte.\n\nVerdachte heeft als reactie op deze gedraging vervolgens aangever bij zijn keel gepakt en deze dichtgeknepen.\n\nMet betrekking tot de vraag of verdachte ten aanzien van deze gedragingen succesvol een beroep kan doen op noodweer overweegt het hof als volgt. Verdachte, zijn broer en vriend luisterden niet naar aangever en hebben zich niet gehouden aan de algemene regels die golden binnen het bedrijf. Op het moment dat verdachtes auto - na berging daarvan - op dat bedrijf staat, is het bedrijf daarvoor verantwoordelijk. Bovendien heeft aangever aanwijzingen gegeven en verdachte en zijn gezelschap gevraagd om even te wachten, waaraan door hen geen gehoor is gegeven. Verdachte wilde zijn spullen uit de auto halen en was niet bereid om daarvoor te wachten. Vervolgens volgden zij aangever naar de andere ruimte en ontstaat er in de hal uiteindelijk een worsteling. Uit het dossier valt af te leiden dat verdachte, samen met de twee anderen, dwingend was in zijn wens om zijn spullen uit zijn auto te halen en ook dat hij weinig boodschap had aan de binnen het bedrijf van aangever geldende regels en de door aangever gegeven instructies. Verdachte had tussendoor ook steeds de gelegenheid om naar buiten te gaan en te wachten maar heeft er desondanks bewust voor gekozen om in het halletje te blijven staan. Op een gegeven moment besluit verdachte dan om aangever - zonder diens toestemming en terwijl aangever in de uitoefening van zijn functie is - met zijn telefoon visueel vast te leggen. Verdachte heeft dat gedaan met de kennelijke wens om aangevers gedrag te sturen en heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook erkend dat hij dat heeft ingezet als een in zijn ogen “legitiem wapen”. Het hof is van oordeel dat deze gedragingen escalerende handelingen van verdachte zijn geweest, tijdens een al gespannen situatie en nadat er eerder al een worsteling bij de deur heeft plaatsgevonden tussen aangever en de broer van verdachte. Verdachte heeft daarmee naar het oordeel van het hof willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer ten aanzien van de telefoon uitgelokt.\n\nGelet op alle voorgaande feiten en omstandigheden, de uiterlijke verschijningsvorm en in het bijzonder de wijze van handelen en het provocerende gedrag van verdachte, is het hof van oordeel dat verdachte zelf een prominent aandeel heeft gehad in zowel het ontstaan als in het laten escaleren van de situatie. Het hof merkt daarbij op dat verdachte de confrontatie eenvoudig had kunnen vermijden door naar de aanwijzingen van aangever te luisteren en rustig (buiten) te wachten totdat hij aan de beurt was, zelfs nog nadat de deur naar buiten weer opnieuw open stond. Verdachte was echter niet bereid om te wachten, luisterde niet en is direct de discussie met aangever aangegaan. Bovendien is verdachte bewust binnen blijven staan en heeft hij - tijdens de al gespannen situatie - zijn telefoon doelbewust als middel ingezet om zijn zin te krijgen en daarmee zelf (en opnieuw) de confrontatie met aangever opgezocht. Naar het oordeel van het hof is er daarom in het onderhavige geval sprake van bijzondere omstandigheden, waarbij de gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, in de weg staan aan het kunnen slagen van een beroep op noodweer. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt en zal dit daarom verwerpen.\n\nConclusie\n\nGelet op voorgaande overwegingen, acht het hof het tenlastegelegde feit - mishandeling - wettig en overtuigend bewezen. Het verweer strekkende tot vrijspraak wordt verworpen.\n\nBewezenverklaring\n\nDoor wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 15 oktober 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem bij de keel te grijpen en daarin te knijpen.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.\n\nOplegging van straf\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever [slachtoffer] , door hem bij zijn keel vast te pakken en deze dicht te knijpen. Door aldus te handelen heeft verdachte het slachtoffer pijn en letsel bezorgd. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien versterkt dergelijk handelen de in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid. Het hof merkt daarbij op dat dit feit heeft plaatsgevonden bij een bedrijf, waar aangever - terwijl hij in de uitoefening was van zijn functie - door verdachte is mishandeld. Verdachte had in plaats daarvan naar de aanwijzingen van aangever moeten luisteren en niet zijn zin moeten doordrukken.\n\nTen aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 25 maart 2024, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld ter zake van (onder meer) mishandelingen. Dat heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij momenteel fulltime werkzaam is als kok en bezig is met een overstap naar de zorg om als persoonlijk begeleider met jongeren te gaan werken. Verdachte heeft hiervoor een opleiding afgerond en heeft voor de uitoefening van die functie onlangs een ‘Verklaring Omtrent het Gedrag’ (VOG) ontvangen. Verder heeft verdachte naar voren gebracht dat hij een relatie heeft, dat hij geen schulden heeft en dat er geen bijzonderheden zijn met betrekking tot middelengebruik.\n\nTen aanzien van de strafoplegging heeft de raadsman verzocht om, in geval van een bewezenverklaring, de LOVS-oriëntatiepunten te volgen. De raadsman heeft primair verzocht om een schuldigverklaring zonder oplegging van straf en subsidiair om aan verdachte een voorwaardelijke geldboete op te leggen.\n\nMet betrekking tot het verzoek van de raadsman om toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht overweegt het hof als volgt. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht in deze situatie geen recht doet aan de aard en de ernst van het feit. Het hof zal dat verzoek daarom niet volgen.\n\nVoorts stelt het hof vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof is, mede gelet op de op te leggen straf, van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.\n\nAlles afwegende, acht het hof voor dit feit het opleggen van een taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door20 (twintig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. G.A. Versteeg, voorzitter,\n\nmr. P.S. Bakker en mr. M.C. van Linde, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M.F. Bijlsma, griffier,\n\nen op 8 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:3277","2026-07-13T00:28:47.369Z",{"id":173,"ecli":174,"slug":175,"caseNumber":43,"courtId":176,"decisionDate":177,"fullText":178,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":179,"sourceTimestamp":177,"parsedAt":51,"updatedAt":180},"298","ECLI:NL:RBGEL:2024:2693","ecli-nl-rbgel-2024-2693",60,"2024-05-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-337531-23; 20-000823-21 (tul)\n\nDatum uitspraak : 3 mei 2024\n\nTegenspraak (art. 279 Sv)\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nraadsman: mr. T. van Nimwegen, advocaat in Tilburg\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 april 2024.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fof heeft vervoerd, ongeveer 310 flessen van 3,3 liter\u002F2 kilogram, in elk geval een hoeveelheid\n\ndistikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fof heeft vervoerd, ongeveer 6,05 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, nu voor de aanwezigheid en het vervoeren van lachgas wettig bewijs ontbreekt. Daartoe voert de officier van justitie aan dat niet kan worden vastgesteld dat het om lachgas gaat nu niet door het NFI is onderzocht welke stof zich in de in het voertuig van verdachte aangetroffen cilinders bevond.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van cocaïne\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor beide feiten. Daartoe is aangevoerd dat de doorzoeking in het voertuig en de kennisname van de pallets met cilinders en het boterhamzakje met wit poeder onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Bewijsuitsluiting moet daarop volgen, waardoor niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat ten aanzien van feit 1 in ieder geval vrijspraak moet volgen omdat niet kan worden vastgesteld dat in de cilinders lachgas zat, nu geen onderzoek is gedaan naar de daadwerkelijke inhoud van de cilinders.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nRechtmatigheid onderzoekshandelingen\n\nOp 23 september 2023 kwam een melding binnen van een eenzijdig ongeval op de A12 ter hoogte van hectometerpaal 125.0 in Arnhem. Ter plaatse bleek dat een bestelbusje tegen de vangrail stond en dat de bestuurder met gesloten ogen op zijn stoel zat en nergens op reageerde. Toen hij later de ogen opende, kon hij geen antwoord geven op vragen, waarop ambulancepersoneel de verzorging overnam en hem meenam naar het ziekenhuis.\n\nDe verbalisant zag op de bus geen enkele naam aanduiding of een andere indicatie met betrekking tot wat er in de bus vervoerd zou kunnen worden. Vervolgens heeft hij de achterkant van de bus geopend om te kijken of er goederen aanwezig waren en zo ja welke goederen. Vervolgens zag hij twee pallets staan, waarvan de inhoud was ingepakt met zwart plastic met daaromheen witte spanbanden. De pallets waren voorzien van meerdere stickers met daarop een gevarendiamant. Doordat het de verbalisant vanwege zijn ervaring meteen duidelijk was dat het hoogst waarschijnlijk zou gaan om pallets met lachgas flessen, is het vermoeden ontstaan dat zich in de bus verdovende middelen bevonden.\n\nDe vraag is of het openen van de achterdeur van het voertuig en de kennisname van de daarin aangetroffen cilinders en harddrugs rechtmatig is geweest.\n\nIn artikel 3 Politiewet is bepaald dat de politie tot taak heeft de rechtsorde te handhaven en hulp te verlenen aan hen die deze nodig hebben. Nu de bestuurder van het voertuig met de ambulance was afgevoerd, had de politie de zorg over het voertuig. Ter handhaving van de openbare orde kan het voor de politie van belang zijn te weten wat er in het voertuig werd vervoerd. Nu dat aan de buitenkant niet zichtbaar was, heeft de verbalisant de achterdeur geopend. Op het moment van het openen van de achterdeur was nog geen sprake van een doorzoeking, maar het openen van de achterkant van het voertuig valt onder de bevoegdheid van artikel 3 Politiewet. Mocht immers blijken dat er gevaarlijke chemicaliën of explosieve stoffen vervoerd zouden worden, moeten direct adequate maatregelen worden genomen om allerlei onheil te voorkomen. Dat is ook de taak van de politie. Na het aantreffen van de twee pallets met een gevarendiamant en de ervaring van de verbalisant is volgens de rechtbank een verdenking ontstaan en heeft men het voertuig kunnen doorzoeken op basis van artikel 96b Wetboek van Strafvordering.\n\nDe rechtbank zal het verweer van de verdediging dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting dan ook afwijzen.\n\nTen aanzien van feit 1\n\nDe verbalisant heeft na het aantreffen van de twee pallets een stukje van het plastic opengescheurd en zag de hem ambtshalve bekende kartonnen dozen waarin ‘wegwerp’ lachgas flessen worden verpakt. Ook zag hij twee kartonnen dozen met zwarte ballonnen, die hij herkende als ballonnen die worden gebruikt om met lachgas te vullen. In totaal zijn er 310 cilinders met vermoedelijk lachgas in het voertuig aangetroffen.\n\nDe inhoud van de cilinders is niet onderzocht door het NFI en verdachte heeft geen verklaring afgelegd over de in zijn voertuig aangetroffen cilinders. Noch is onderzoek gedaan naar de fabrikant van de cilinders\n\nDe rechtbank is van oordeel dat een enkele ambtshalve herkenning van de cilinders als lachgascilinders door verbalisant, zonder enig nader onderzoek en zonder een verklaring van verdachte dat het lachgas betreft, onvoldoende is om tot wettig en overtuigend bewijs te komen dat zich in de cilinders lachgas bevond. De cilinders kunnen immers ook leeg zijn of op een later moment gevuld met een andere substantie.\n\nDe rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder feit 1 tenlastegelegde.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 11-12;\n\n- het rapport NFiDENT van 13 november 2023, p. 20;\n\n- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 41-42;\n\nNadere bewijsmotivering\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken nu sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in die zin dat de doorzoeking onrechtmatig heeft plaatsgevonden.\n\nDe rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat het openen van de achterkant van het voertuig in onderhavig geval onder de bevoegdheid van artikel 3 Politiewet valt. Door het zoekend rondkijken in het voertuig is vervolgens een verdenking ontstaan dat zich in het voertuig verdovende middelen bevonden. Daartoe is het hele voertuig doorzocht en is in de linker portier een boterhamzakje met wit poeder aangetroffen.\n\nDe rechtbank is – mede gelet op het hiervoor overwogene – van oordeel dat de doorzoeking rechtmatig heeft plaatsgevonden en verwerpt het verweer van de verdediging.\n\nDe rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van 6,05 gram van een materiaal bevattende cocaïne.\n\nDe rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n2.\n\nhij op of omstreeks23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fofheeft vervoerd, ongeveer 6,05 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nEr is sprake van eendaadse samenloop, nu het vervoeren en aanwezig hebben dezelfde cocaïne betreft, op dezelfde plaats en tijd is geschied en hetgeen is strafbaar gesteld in artikel 2, onder B en C van de Opiumwet dezelfde strekking heeft.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\neendaadse samenloop van\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod\n\nen\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren en aanwezig hebben van 6,05 gram cocaïne. Ook heeft hij verklaard dat hij sinds kort cocaïne gebruikt. Het is algemeen bekend dat harddrugs in het algemeen zeer schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat de handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door in het bezit te raken van harddrugs.\n\nDe rechtbank heeft gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie van 29 maart 2024, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor delicten van de Opiumwet. De rechtbank merkt op dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van 18 maart 2024. Het is de reclassering niet gelukt om met verdachte in contact te komen. De reclassering maakt op basis van de beschikbare gegevens de inschatting dat verdachte gebaat zou kunnen zijn bij begeleiding\u002Fbehandeling van een forensisch FACT-team van Fivoor. Tijdens het traject dient er aandacht te zijn voor het middelengebruik en het stabiliseren van criminogene leefgebieden. De reclassering adviseert daarom een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling\u002Fbegeleiding.\n\nDe rechtbank heeft daarnaast gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het vervoeren van 0 tot 10 gram harddrugs wordt doorgaans een taakstraf voor de duur van 30 uren opgelegd.\n\nGelet op het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf niet passend is. Verdachte liep nog in een proeftijd toen hij het feit pleegde en de reclassering heeft geen contact met hem kunnen krijgen. Zij adviseren bijzondere voorwaarden, maar verdachte heeft via zijn raadsman te kennen gegeven daar niet aan mee te willen werken. De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en zal dat aan verdachte opleggen.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 20-000823-21)\n\nHet gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte op 17 juni 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van deze straf.\n\nDe raadsman heeft geen standpunt ingenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd. Er zijn geen redenen om dat niet te doen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2 en 10 van de Opiumwet.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde feit;\n\n verklaart bewezen dat verdachte het overige ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstrafvoor de duur vanéén (1) maand;\n\nVordering na voorwaardelijke veroordeling\n\n beveelt de tenuitvoerlegging van de op 17 juni 2022 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand(parketnummer 20-000823-21).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 mei 2024.\n\nmrs. W. Bruins en A.J.H. Steenweg zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023440563, gesloten op 5 oktober 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:2693","2026-07-13T00:28:23.279Z",{"id":182,"ecli":183,"slug":184,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":185,"fullText":186,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":187,"sourceTimestamp":188,"parsedAt":51,"updatedAt":189},"797","ECLI:NL:RBDHA:2024:6009","ecli-nl-rbdha-2024-6009","2024-04-26T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 71\u002F098061-22\n\nDatum uitspraak: 26 april 2024\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte] ,\n\n geboren op [geboortedag 1] 1993 te [geboorteplaats] ,\n\n BRP-adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nInhoud\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting22. De tenlastelegging23. Inleiding en opsporingsonderzoek54. Bevoegdheid van de rechtbank en rechtsmacht55 De beoordeling van de tenlastelegging65.1.. Het standpunt van de officier van justitie 65.2.. Het standpunt van de verdediging 65.3.. Feitelijke vaststellingen en tussenconclusies 65.4.. Ten aanzien van feit 1 – plundering 125.5.. Ten aanzien van feit 2 – deelname aan terroristische organisatie 145.6.. Ten aanzien van feit 3 – voorbereidingshandelingen 175.7.. Ten aanzien van feiten 4 en 5 – bedreiging met terroristisch misdrijf 185.8.. De bewezenverklaring 216. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde237. De strafbaarheid van de verdachte238 De strafoplegging238.1.. De vordering van de officier van justitie 238.2.. Het standpunt van de verdediging 248.3.. Het oordeel van de rechtbank 249 De vorderingen van de benadeelde partijen299.1.. Het standpunt van de officier van justitie 309.2.. Het standpunt van de verdediging 309.3.. Het oordeel van de rechtbank 3010. De toepasselijke wetsartikelen3111 De beslissing33\n\nBijlage37\n\nBewijsmiddelenoverzicht 37\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 8 juli 2022 (pro forma), 1 maart 2024 (inhoudelijke behandeling) en 12 april 2024 (sluiting van het onderzoek).\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie\n\nmr. G. Sannes en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouwen mr. M.C. Levy en mr. A.M.S. Jumelet naar voren is gebracht.\n\nVoorts heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en hun raadsman mr. R.A. Korver naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 1 maart 2024 - ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nzij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 april\n\n2014 tot en met 30 november 2016 te Atme en\u002Fof Tallabyad en\u002Fof Raqqa, althans (op\n\néén of meer plaatsen) in Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nin verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van\n\nSyrië, een stad of plaats heeft geplunderd,\n\ndoor in of omstreeks de periode van 1 april 2014 tot en met 30 april 2014 in Atme het toe-eigenen van een huis en andere eigendommen, zoals matrassen, pannen en een kookplaat, zonder toestemming van de eigenaar(s), met de intentie deze voor zichzelf en\u002Fof voor anderen te gebruiken en met de intentie de eigenaar(s) te onteigenen,\n\nen\u002Fof\n\ndoor in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot en met 31 januari 2015 in Tallabyad, het toe-eigenen van een huis met dakterras, en andere eigendommen, waaronder bankstellen, matjes en een koelkast, zonder toestemming van de eigenaar(s), met de intentie deze voor zichzelf en\u002Fof voor anderen te gebruiken en met de intentie de eigenaar(s) te onteigenen, en\u002Fof\n\ndoor in of omstreeks de periode van 1 februari 2015 tot en met 30 november 2016 in Raqqa het toe-eigenen van huizen, zoals het zogenaamde ‘verfhuisje’, de flatwoning bij het grote blauwe ziekenhuis en de woning in de villawijk, en andere eigendommen, zoals een bank, stoelen en kastjes, zonder toestemming van de eigenaar(s), met de intentie deze voor zichzelf en\u002Fof voor anderen te gebruiken en met de intentie de eigenaar(s) te onteigenen;\n\n2.\n\nzij in of omstreeks de periode van 16 maart 2014 tot en met 5 januari 2018 in een of\n\nmeer plaats(en) in Syrië en\u002Fof Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een (terroristische) organisatie, te weten Islamitische Staat\n\n(IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and\n\nLevant (ISIL), althans (telkens) een aan IS gelieerde organisatie, althans (een)\n\norganisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie tot oogmerk\n\nhad en\u002Fof heeft het plegen van terroristische misdrijven, te weten,\n\nA. het opzettelijke brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl\n\ndaarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel\n\nen\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten\n\ngevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met\n\neen terroristisch oogmerk en\u002Fof\n\nB. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a\n\nvan het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nC. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel\n\n289\u002F289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nD. de samenspanning en\u002Fof opzettelijke voorbereiding van en\u002Fof bevordering tot\n\neerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en\u002Fof 289a en\u002Fof 96 lid 2\n\nvan het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nE. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en\u002Fof munitie van de\n\ncategorieën II en\u002Fof III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en\n\nmunitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof met het oogmerk om een\n\nterroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in\n\nartikel 55 lid 1 en\u002Fof lid 5 van de Wet wapens en munitie);\n\n3.\n\nzij in of omstreeks de periode van 4 augustus 2013 tot en met 5 januari 2018 in een\n\nof meer plaats(en) in Nederland, en\u002Fof in Syrië en\u002Fof in Irak, tezamen en in vereniging met een of andere, althans alleen, met het oogmerk om ter voorbereiding en\u002Fof ter bevordering van de\u002Fhet (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):\n\n- het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl\n\ndaarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel\n\nen\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten\n\ngevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met\n\neen terroristisch oogmerk en\u002Fof\n\n- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a\n\nvan het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel\n\n289\u002F289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht)\n\n- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of\n\nmede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid,\n\nmiddelen of inlichtingen te verschaffen en\u002Fof\n\n- gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich\n\nof aan anderen heeft verschaft en\u002Fof\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd zijn tot het\n\nplegen van het misdrijf,\n\nimmers heeft\u002Fhebben zij, verdachte, en\u002Fof haar mededader(s)\n\nA. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met\n\neen terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie zoals\n\nIslamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of\n\nIslamic State of Iraq and Levant (ISIL) althans een aan voornoemde organisatie(s)\n\ngelieerde Jihadistische strijdgroep, althans (een) organisatie die de gewapende\n\nJihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en\u002Fof\n\nB. zich laten informeren over het afreizen naar Syrië en\u002Fof Irak en\u002Fof het aansluiten\n\nbij de terroristische organisatie IS\u002FISIS\u002FISIL en\u002Fof\n\nC. de reis gemaakt naar Syrië en\u002Fof Irak ten behoeve van het zich begeven naar het\n\nstrijdgebied aldaar en\u002Fof zich te voegen bij de terroristische organisatie IS\u002FISIS\u002FISIL\n\nen\u002Fof\n\nD. deelgenomen aan ideologische en gevechtstrainingen van de terroristische\n\norganisatie IS\u002FISIS\u002FISIL ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd in Syrië en\u002Fof\n\nIrak en\u002Fof\n\nE. zich gevoegd bij één of meer mededader(s) en\u002Fof IS\u002FISIS\u002FISIL strijder(s), althans\n\nperso(o)n(en) gelieerd aan (een) terroristische organisatie die de gewapende\n\nJihadstrijd voorstaat en\u002Fof is zij (op Islamitische wijze) (een) huwelijk(en)\n\naangegaan met een of meer IS\u002FISIS\u002FISIL strijder(s), althans (een) perso(o)n(en) die\n\n(eveneens) deelnam(en) aan een terroristische organisatie die de gewapende\n\nJihadstrijd voorstaat en\u002Fof\n\nF. in Syrië en\u002Fof Irak deelgenomen en\u002Fof bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd\n\ngevoerd door de terroristische organisatie IS\u002FISIS\u002FISIL, althans aan IS\u002FISIS\u002FISIL\n\ngelieerde terroristische organisaties, althans (een) terroristische organisatie die de\n\ngewapende Jihadstrijd voorstaat,\n\nG. zich (middels internet\u002Fsocial mediakana(al(en)\u002Fmediaplatform(s)) geuit en\u002Fof\n\nmet (een) ander(en) perso(o)n(en) gechat\u002Fgecommuniceerd en\u002Fof berichten en\u002Fof\n\nafbeeldingen geplaatst en\u002Fof gedeeld, met betrekking tot en\u002Fof inhoudende (onder\n\nmeer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en\u002Fof (pro)IS-gerelateerde content,\n\nH. (vuur)wapens en\u002Fof een bomgordel gebruikt en\u002Fof gedragen en\u002Fof voorhanden gehad,\n\nin welke gewapende Jihadstrijd moord en\u002Fof doodslag en\u002Fof brandstichting en\u002Fof\n\nhet teweegbrengen van ontploffingen wordt gepleegd, telkens met een terroristisch\n\noogmerk;\n\n4.\n\nzij op of omstreeks 9 januari 2015 te Syrië en\u002Fof Nederland [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, althans enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door op\u002Fvia het (openbaar toegankelijke Twitteraccount ‘ [account 1] ’ een bericht (tweet) te plaatsen, welk bericht een foto van een AK 47, althans een (semi)automatisch vuurwapen bevat en waarbij de tekst vermeld staat: “Voorbereidingen treffen om @ [naam 9] van het leven te beroven. Met vriendelijke groet, vanuit het khalifaat”;\n\n5.\n\nzij in of omstreeks de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 mei 2015 te Syrië en\u002Fof\n\nNederland [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, althans enig\n\nmisdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door met het Facebookaccount [account 2] een bericht (post) op de openbare tijdlijn van de\n\nFacebookpagina van [benadeelde partij 2] te plaatsen, welk bericht een foto van\n\neen AK 47, althans een (semi)automatisch vuurwapen bevat en waarbij de volgende\n\ntekst(en) vermeld staan: - “Hoe kom je aan onze profielen? Aan alle info? Het is dat je niet om de hoek bent, anders kwam ik wel eventjes met mijn ak-47 op je af lopen. Ja en dit is een dreigement lelijke nakomeling van de apen en zwijnen. Jou kop zou ik ook maar al\n\nte graag willen laten rollen. Lelijk wijf bah.”; - “Staat met smart op jou te wachten. Beter voor jou dat je alles weg haalt van je Twitter account En verwijder je uit onze lijsten”.3. Inleiding en opsporingsonderzoek\n\nOp 16 maart 2014 heeft de stiefmoeder van de verdachte haar bij de politie als vermist opgegeven, omdat zij vermoedde dat zij naar Syrië was vertrokken. De politie is vervolgens een opsporingsonderzoek gestart, hetgeen geresulteerd heeft in het onderzoek 26Chico.\n\nVaststaat dat de verdachte van 17 maart 2014 tot 1 januari 2018 in Syrië heeft verbleven, waarna zij naar Turkije is gereisd. In Turkije is de verdachte aangehouden en in eerste aanleg en in hoger beroep veroordeeld wegens lidmaatschap van een terroristische organisatie. Deze veroordeling is niet onherroepelijk. De verdachte heeft in Turkije in detentie gezeten. Enige tijd nadat zij in vrijheid is gesteld is zij in Turkije in vreemdelingendetentie geplaatst en op 19 november 2019 onder begeleiding van de Koninklijke Marechaussee van Istanbul naar Nederland gevlogen en aangehouden.\n\nDeze strafzaak, gebaseerd op het onderzoek 26Chico, is op 27 februari 2020 aangebracht bij de rechtbank Rotterdam. Na een wijziging van de tenlastelegging – de tenlastelegging werd uitgebreid met het oorlogsmisdrijf ‘plundering’ – heeft de rechtbank Rotterdam zich, gelet op artikel 15 Wet internationale misdrijven (hierna ook: Wim), onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de ten laste gelegde feiten. De zaak is vervolgens op 8 juli 2022 aangebracht bij de rechtbank Den Haag.\n\n4. Bevoegdheid van de rechtbank en rechtsmacht\n\nDe rechtbank Den Haag is ingevolge artikel 15 Wim bevoegd kennis te nemen van de ten laste gelegde misdrijven.\n\nDe verdachte wordt onder meer verweten dat zij in de periode van 2014 tot en met 2016 betrokken is geweest bij het oorlogsmisdrijf plundering in Syrië. Dit feit is strafbaar gesteld in de Wim. Krachtens artikel 2, eerste lid, onder c, Wim is de Nederlandse strafwet van toepassing op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan misdrijven uit die wet. Nu de verdachte gedurende de gehele ten laste legde periode de Nederlandse nationaliteit bezat, berust de rechtsmacht voor dit feit op de hiervoor genoemde bepaling.\n\nDe verdachte wordt ook, kort gezegd en voor zover thans van belang, verweten - onder feit 2 - dat zij in de periode van 16 maart 2014 tot 5 januari 2018 in Syrië en\u002Fof Irak heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie met het oogmerk om terroristische misdrijven te plegen. De verdenking beslaat vijf onderdelen (A t\u002Fm E).\n\nAnders dan voor onderdelen A-D volgt voor onderdeel E de rechtsmacht niet uit een verdragsverplichting tot het vestigen van rechtsmacht ex artikel 6 Sr. Ten aanzien van de rechtsmacht voor onderdeel E overweegt de rechtbank het volgende.\n\nOp grond van artikel 7 en artikel 5 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) is de Nederlandse strafwet van toepassing op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.\n\nDe rechtbank kan niet vaststellen of de Irakese wetgeving straf stelt op de aan de verdachte, die de Nederlandse nationaliteit heeft, in de tenlastelegging verweten gedraging onder E. In zoverre is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 7, onder 1, Sr en ontbreekt de rechtsmacht op grond van deze bepaling.\n\n5. De beoordeling van de tenlastelegging\n\n5.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde en met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde tot vrijspraak van de onder D ten laste gelegde gedragingen.\n\nOp specifieke standpunten zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.\n\n5.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1, 4 en 5 ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor zover het de periode betreft dat de verdachte met [naam 1] (hierna ook: [naam 1] ) getrouwd was. Voor de overige periode dient zij te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde dient de verdachte te worden vrijgesproken van de onder D en F ten laste gelegde gedragingen.\n\nOp specifieke standpunten zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.\n\n5.3.. Feitelijke vaststellingen en tussenconclusies\n\nDe rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengegeven feiten en omstandigheden. Op grond van deze bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast.\n\n5.3.1.. \n\nVoorbereiding uitreis naar Syrië\n\nIn augustus 2013 is de verdachte bekeerd tot de Islam en heeft zij ‘Imane’ als islamitische naam aangenomen. Vlak voor en na haar bekering heeft de verdachte om informatie te vergaren verschillende zoekslagen gedaan op Google, waaronder:\n\n\"trouwen met een broeder\" op 15-08-2013,\n\n\"leden van de sharia 4 belgium\" op 12-10-2013,\n\n\"mujahideen\" op 17-11 -2013,\n\n\"women muhajideen\" op 17-11-2013,\n\n\"Mufti lsmail Menk\" op 26-11-2013,\n\n\"hadith over trouwen\" op 01-12-2013,\n\n\"niqaab sisters\" op 04-01-2014,\n\n\"who is Abu Al-Yazeed\" op 20-01-2014,\n\n\"salifi moskee den haag\" op 20-01-2014,\n\n\"hadith over huwelijk\" op 21-01-2014,\n\n\"landen waar sharia wordt toegepast\" op 26-01-2014,\n\n\"jezelf opblazen\" op 09-02-2014,\n\n\"anwar al awlaki lectures\" op 06-02-1014,\n\n\"kalashnikov\" op 10-02-1014,\n\n\"sjiieten ontmaskerd\" op 11-02-2014.\n\nOp de computer van de verdachte zijn bij de “Facebook pictures” verschillende foto’s aangetroffen, waaronder een foto van de vlag van IS (afkorting voor Islamitische Staat), een foto van een groep vrouwen in een zwarte boerka met geweren in hun hand en een foto van een groep vrouwen in een zwarte boerka met vlaggen van IS. De verdachte heeft verklaard dat zij op YouTube meerdere lezingen van Mufti Ismail Menk, een salafistische prediker, heeft bekeken.\n\nDe verdachte heeft haar bekering in augustus 2013 op Facebook bekendgemaakt waarna zij veel nieuwe Facebookcontacten heeft gekregen. Eén van deze contacten betrof [naam 2] . De verdachte en [naam 2] hebben na hun kennismaking via Facebook meermalen afgesproken. De verdachte en [naam 2] spraken tijdens hun ontmoetingen onder meer over de Islam en de verschillende stromingen daarbinnen. Zo had [naam 2] de verdachte verteld over een overlevering die inhoudt dat de overwinnaars op de dag des oordeels in Syrië samenkomen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat deze overlevering haar aansprak. [naam 2] heeft de verdachte op het idee gebracht om naar Syrië uit te reizen en heeft de verdachte in contact gebracht met [naam 1] , omdat een ongetrouwde vrouw niet alleen zou mogen (uit)reizen. De verdachte en [naam 1] hebben vervolgens via Skype contact gehad en zijn drie dagen na hun kennismaking via Skype islamitisch getrouwd. De verdachte had [naam 1] toen zij trouwde enkel op een foto gezien. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij met [naam 1] was getrouwd zonder hem verder te leren kennen, omdat het in de islam zo werkt, zij zich op haar geloof had gericht en daar vertrouwen in had.\n\nTer voorbereiding op haar reis naar Syrië heeft de verdachte een soort actielijst gemaakt waarop stond ‘wachten op pasje bank’, ‘geld opzetten’, ‘vertrekken zsm’, ‘spullen inpakken’ en ‘spiraaltje bellen eruit’. In ditzelfde schriftje staan ook de teksten ‘woensdag vertrek ik’, ‘ [naam 1] lekkerding van me’ en ‘ [naam 14] & [naam 11] ’. Om haar uitreis te betalen heeft de verdachte haar camera verkocht. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij haar spiraaltje heeft laten verwijderen, omdat [naam 1] tegen haar had gezegd dat hij kinderen wilde en dat dit een verplichting was.\n\nDe verdachte is vervolgens op woensdag 12 maart 2014 naar Syrië vertrokken, waar zij op 17 maart 2014 aankwam. [naam 1] heeft de verdachte met de auto bij de Turks-Syrische grens opgehaald. Op de achterbank van de auto lag een kalasjnikov.\n\n5.3.2.. \n\nVerblijf in Syrië\n\nDe verdachte heeft verklaard dat zij zich gedurende haar huwelijk met [naam 1] hield aan de regels die gesteld werden. Zij accepteerde alles wat er over IS werd gezegd en stond achter de shariaregels die IS handhaafde. De verdachte zag iedereen die niet tot IS behoorde als haar vijand en vond het terecht dat mensen die zich niet aan de regels hielden werden gestraft. Haar taak was het zorgen voor [naam 1] en het krijgen van kinderen. De verdachte heeft verklaard dat zij in de tijd dat zij samen met [naam 1] in IS-gebied woonde, werden gefinancierd door IS. [naam 1] kreeg maandelijks geld en daar onderhield hij haar en zijn andere vrouwen van. In Tallabyad kreeg [naam 1] honderd euro per persoon en in Raqqa vijftig euro per persoon. De verdachte heeft, nadat [naam 1] was overleden, in haar rouwperiode ook geld ontvangen van IS.\n\nDe verdachte heeft in Syrië in verschillende plaatsen gewoond. [naam 1] heeft de verdachte na aankomst meegenomen naar zijn huis in Teftenaz, waar zij twee à drie weken heeft verbleven. Vervolgens is de verdachte verhuisd naar Atme waar zij van april 2014 tot mei 2014 heeft gewoond. Daarna heeft de verdachte van mei 2014 tot februari 2015 in Tallabyad gewoond. In de periode dat de verdachte in Tallabyad verbleef is [naam 1] getrouwd met zijn tweede vrouw, [naam 3] (hierna ook: [naam 3] ). [naam 3] is in november 2014 bij de verdachte en [naam 1] komen wonen. Vervolgens zijn de verdachte, [naam 1] en [naam 3] in Raqqa gaan wonen. De verdachte heeft tot december 2016 in Raqqa in verschillende huizen gewoond. [naam 1] is in de tijd dat zij in Raqqa woonden ook getrouwd met [naam 4] en [naam 5] . [naam 1] is in december 2016 omgekomen door een door hem uitgevoerde zelfmoordaanslag.\n\nNa het overlijden van [naam 1] en het doormaken van de iddah (de rouwperiode) is de verdachte op 29 april 2017 islamitisch getrouwd met [naam 6] , ook bekend onder de naam [naam 7] , (hierna ook: [naam 6] ). De verdachte is via het IS-trouwkantoor in contact gekomen met [naam 6] . [naam 6] stond in een trouwboek met beschikbare mannen. De verdachte heeft met [naam 6] in Raqqa en Mayadeen gewoond. De verdachte is met [naam 6] naar Turkije gevlucht en is daar op 1 januari 2018 aangekomen. Vervolgens is zij op 5 januari 2018 aangehouden door de Turkse autoriteiten.\n\nDat de verdachte ook gedurende haar huwelijk met [naam 6] achter de denkwijze van IS stond, volgt uit het whatsappgesprek dat zij op 26 mei 2017 met haar moeder [moeder] had. In dit whatsappgesprek zegt de verdachte immers dat zij als moslima verplicht is om onder een Islamitische Staat te leven en dat deze er in Syrië is.\n\n5.3.3.. \n\nT.a.v. de partners van de verdachte\n\n [naam 1]\n\n is op 10 december 2015 door de rechtbank Den Haag bij verstek veroordeeld wegens het voorbereiden\u002Fbevorderen\u002Fdeelnemen aan misdrijven met een terroristisch oogmerk. De rechtbank overwoog dat [naam 1] was afgereisd naar Syrië en zich aldaar had aangesloten bij ISIL\u002FISIS, Jahbat al-Nusra en later – na de naamswijziging van ISIL op 29 juni 2014 – bij IS.\n\nAnders en eerder dan de verdachte heeft verklaard ten aanzien van het lidmaatschap van [naam 1] van IS, heeft [naam 3] op 17 november 2014 in een whatsapp-gesprek gezegd dat zij verblijft in IS-gebied en dat haar man elke maand geld krijgt. Ook is alles gratis volgens [naam 3] omdat [naam 1] vecht voor IS. De ouders van [naam 3] hebben op 4 maart 2015 tegen de politie gezegd dat [naam 3] getrouwd is met [naam 1] en dat [naam 1] reeds twee jaar bij IS zou zitten. [naam 3] had tegen haar familie gezegd dat zij in Raqqa woonde en dat [naam 1] vanaf daar als strijder telkens voor een paar dagen naar het slagveld ging om te vechten.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [naam 1] binnen IS emir was, hij was verantwoordelijk voor een groep mannen die vochten voor IS. Nadat [naam 1] gewond was geraakt, heeft hij zich bezig gehouden met het plannen van droneaanvallen. [naam 1] had aanvankelijk één vuurwapen, maar had er uiteindelijk twee. Een van deze vuurwapens betrof een kalasjnikov met een witte cirkel en zwarte strepen erop, aldus de verdachte. In de tijd dat de verdachte samen met [naam 1] woonde, had [naam 1] op enig moment ook een bomgordel in hun woning liggen. Deze bomgordel had de verdachte samen met een kalasjnikov van [naam 1] na zijn dood geërfd.\n\n [naam 6]\n\nBlijkens een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna ook: AIVD) is [naam 6] omstreeks juli 2015 uitgereisd naar door IS gecontroleerd gebied. [naam 6] heeft zich volgens de AIVD aangesloten bij IS en deelgenomen aan de gewapende strijd.\n\nDe politie heeft onderzoek gedaan naar [naam 6] op Facebook. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2019 waren er op 5 februari 2017 op de tijdlijn van het Facebookaccount Abou Khataab Zizo verschillende foto’s van [naam 6] geplaatst. Ook betrof de profielfoto een foto van [naam 6] . De verbalisant herkende [naam 6] aan zijn uiterlijk. Op deze foto’s zag de verbalisant [naam 6] met twee kalasjnikovs en om zijn lichaam hingen munitiegordels. Op twee andere foto’s was [naam 6] te zien in gevechtskleding, waaronder een zogenaamd combatvest. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de kunya van [naam 6] [naam 14] was.\n\nOok heeft de politie vastgesteld dat [naam 6] te zien is in de documentaire “De Lokroep”. [naam 6] is geïnterviewd en dit interview is in de derde aflevering van bovengenoemde documentaire te zien. De politie heeft deze aflevering bekeken en beschrijft in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 april 2020 dat in de aflevering meerdere foto’s worden getoond. Op één van deze foto’s staat [naam 6] afgebeeld met een automatisch vuurwapen en poseert hij voor een IS-vlag. Ook wordt blijkens het proces-verbaal een foto van [naam 6] getoond waarop hij gekleed is in een blauwe overal en hij te midden van een groep mannen zit die allemaal in een groen “uniform” waren gekleed. Een aantal van deze mannen maakt het “Tahweed-gebaar” met hun wijsvinger. De verbalisant verklaart dat dit gebaar veelvuldig wordt gebruikt door poserende IS-strijders. Verder verklaart de verbalisant dat uit de positie van [naam 6] en de afwijkende kleding die hij draagt ten opzichte van de overige groepsleden valt af te leiden dat hij mogelijk een leidinggevende rol had binnen deze groep.\n\nOp 26 januari 2018 is door het Turkse nieuwsbureau YeniKapiHaber6 een artikel geplaatst. Blijkens dit artikel heeft [naam 6] in zijn verklaring bij de Afdeling Terrorismebestrijding verklaard dat hij gedurende de twee jaren die hij bij IS had doorgebracht de codenaam [codenaam] had gebruikt.\n\nGelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat [naam 6] in ieder geval in de periode vóór zijn huwelijk met de verdachte streed voor IS.\n\n5.3.4.. \n\nKennisvergaring gedurende verblijf in Syrië\n\nTijdens haar verblijf in Syrië heeft de verdachte zich onder andere beziggehouden met het vergaren van kennis over haar geloof en over het gewelddadig salafisme en de jihad. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij in Syrië heeft geleerd dat bloedvergieten is toegestaan als het gaat om ongelovigen, geweld tegen sjiieten legitiem is, takfir is toegestaan, aanslagen plegen is toegestaan, en dat de regels enkel moeten worden afgeleid uit de koran en de soenna. Deze kennis heeft de verdachte onder andere verkregen van de vrouwen die de verdachte in Syrië had ontmoet, waaronder [naam 5] (de vierde vrouw van [naam 1] ) en [naam 6] . Ook heeft de verdachte kennis opgedaan via de laptop van [naam 1] . De verdachte heeft blijkens haar verklaring het volgende op de laptop bestudeerd:\n\nde tenietdoeners van Abdul Wahhab;\n\nlezingen over de Tahwid van Ahmed Jibril;\n\nde Tawhid ur-Roeboebiyyah, Tawhid ul-Oeloehiyyah en Tawhid ul-Asmaa was Sifaat;\n\nde drie fundamenten van Abdulwahhab;\n\nlezingen van de salafistische predikers Al-Fawzaan en Aboe Ismail.\n\n5.3.5.. \n\nBedreiging [benadeelde partij 1]\n\nOp 9 januari 2015 heeft een persoon die zich op Twitter uitgeeft als [account 1] de volgende tweet geplaatst: “Voorbereidingen treffen om @ [naam 9] van het leven te beroven. Met vriendelijke groet, vanuit het khalifaat”. Aan deze tweet was een foto toegevoegd waarop een vuurwapen en meerdere reisdocumenten te zien zijn. [naam 9] is het Twitteraccount van de journalist [benadeelde partij 1] (hierna ook: [benadeelde partij 1] ). [benadeelde partij 1] heeft op 30 juni 2020 aangifte gedaan van bedreiging. In haar aangifte heeft zij verklaard dat zij de tweet direct had gezien en zich toen zeer bewust was van de ernst van de situatie en van de vrees dat iemand haar van het leven zou willen beroven.\n\nDe politie heeft vastgesteld dat het vuurwapen dat op de foto staat afgebeeld een\n\n(semi-)automatisch vuurwapen betreft, namelijk een AK47. De houten kolf van het vuurwapen is voorzien van een witte stip met twee zwarte tekens. De verdachte heeft verklaard dat zij het afgebeelde vuurwapen herkent als het vuurwapen van [naam 1] .\n\n5.3.6.. \n\nBedreiging [benadeelde partij 2]\n\n (hierna ook: [benadeelde partij 2] ) heeft op 17 juli 2020 aangifte gedaan van bedreiging. [benadeelde partij 2] is journalist en heeft verklaard dat zij een artikel heeft geschreven waarin zij de kunya van een Nederlandse jihadist genaamd [naam 10] , de broer van [naam 1] , heeft genoemd. De betreffende jihadist was hierover kwaad geworden en daarna heeft de aangeefster onder andere berichten van [account 2] ontvangen. Eind 2014\u002Fbegin 2015 heeft een persoon die zich op Facebook uitgeeft als [account 2] meerdere berichten geplaatst op de openbare tijdlijn van [benadeelde partij 2] , namelijk:\n\n“Hoe kom je aan onze profielen? Aan alle info? Het is dat je niet om de hoek bent, anders kwam ik wel eventjes met mijn ak-47 op je af lopen. Ja en dit is een dreigement lelijke nakomeling van de apen en zwijnen. Jou kop zou ik ook maar al te graag willen laten rollen. Lelijk wijf bah”;\n\n“Eerst contacteer je me familie voor interview dit dat, en dan ga je undercover te werk”;\n\n“Staat met smart op jou te wachten Beter voor jou dat je alles weg haalt van je Twitter account”;\n\n“En verwijder je uit onze lijsten.”\n\nNaast bovenstaande berichten had de gebruiker van het Facebookaccount [account 2] op de tijdlijn van [benadeelde partij 2] een foto geplaatst van een vuurwapen. De politie heeft vastgesteld dat het vuurwapen dat op de foto staat afgebeeld het uiterlijke voorkomen heeft van een (semi-)automatisch vuurwapen, namelijk een AK47.\n\n [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat zij door de berichten bang en angstig was geworden, nu in diezelfde periode - te weten eind 2014 - veel journalisten door IS werden onthoofd.\n\n5.3.7.. \n\nSociale media\n\nDe AIVD heeft een ambtsbericht opgesteld met betrekking tot de verdachte. In dit ambtsbericht is opgenomen dat de verdachte in ieder geval in het begin van 2015 gebruik maakte van de Twitteraccounts @ [account 3] en @ [account 4] . De rechtbank stelt aan de hand van de bijlage bij het ambtsbericht vast dat de profielnaam van het account @ [account 3] [naam 11] is en dat de profielnaam van het account @ [account 4] The Real [naam 11] betreft. Ook is opgenomen dat de verdachte eind 2014 en begin 2015 gebruikmaakte van het Facebookaccount [naam 12] en eind 2014 zeer waarschijnlijk van het Facebookaccount [naam 11] .\n\nDe verdachte heeft verklaard dat het Twitteraccount [naam 11] van haar is. Op het Twitteraccount zijn de volgende tweets geplaatst:\n\n“The love of Jihad, till martyrdom do us part zawji”; en\n\n“Van een leuk leventje onder de Islamitische Staat thee drinken met moi, kennis opdoen. Naar daarul kufar in de cel o.O.”\n\nOok heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat het Twitteraccount [account 1] van haar is.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de verdachte de gebruiker is van het Facebookaccount [naam 11] . Tot dit oordeel komt de rechtbank op grond van het volgende. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij in Syrië [naam 11] heette. Blijkens de informatie die bij het Facebookaccount staat vermeld woont de gebruiker van het account in Raqqa en komt die persoon uit Apeldoorn. De verdachte heeft in Raqqa en Apeldoorn gewoond. Uit het proces-verbaal Onderzoek Facebook d.d. 10 juli 2014 volgt verder dat iemand met dezelfde achternaam als de verdachte heeft gereageerd op een foto.\n\nOp de tijdlijn is blijkens een screenshot van het Facebookaccount [naam 11] op 6 juli 2014 het volgende bericht geplaatst:\n\n“Abu Bakr radi Allahu 'anhu zei bij zijn eerste toespraak als khalief: \"Oh mensen, mij werd gezag over jullie gegeven, maar ik ben niet de beste van jullie. Als ik het goed doe, ondersteun me dan en als ik iets verkeerd doe, verbeter me dan. Waarheid is trouw en liegen is bedriegerij. De zwakke onder jullie, zal sterk in mijn ogen zijn totdat ik zijn rechten verzeker, In Shaa Allah; en de sterke onder jullie, zal zwak in mijn ogen zijn totdat ik de rechten van anderen van hem afpers, In Shaa Allah. Als een volk de Djihaad voor de zaak van Allah opgeeft, zal Allah hen met vernedering straffen. En als de vuile woorden doordringen tot een volk, zal Allah hun met rampen bezoeken. Gehoorzaam mij zolang ik Allah gehoorzaam en als ik ongehoorzaam ben aan Allah en Zijn boodschapper dan ben je me geen gehoorzaamheid verschuldigd. Sta op voor de Salaat, moge Allah medelijden met jullie hebben.\"\n\nDe rechtbank stelt voorts vast dat de verdachte de gebruiker is van het Facebookaccount [naam 12] . Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. De AIVD heeft in het hierboven genoemde ambtsbericht vermeld dat de verdachte eind 2014 en begin 2015 gebruikmaakte van het Facebookaccount [naam 12] . De politie heeft nader onderzoek gedaan naar dit account, waaruit volgt dat de geboortedatum van de gebruiker van het account overeenkomt met de geboortedatum van de verdachte. Voorts heeft de moeder van de verdachte op 27 januari 2015 berichten geplaatst op de tijdlijn van dit account, namelijk “Hou van jou dikke kusssssssss mamma xxx” en “Kind van mij in je tuin groeit onkruid kind van mij ik ik heb dit niet geplant.”\n\nOp de tijdlijn van het Facebookaccount [naam 12] zijn blijkens het relaas van de politie d.d. 18 januari 2022 op 23 november 2014 en 5 januari 2015 de volgende berichten geplaatst:\n\n\"Wij van #IS wensen de NL soldaten van harte welkom in 2015!\". De politie heeft beschreven dat bij dit bericht een foto van een vermoedelijke executie wordt getoond;\n\n\"Dawlah heeft helicopters uit de lucht geschoten!! Takbier!!!!! Dawlatul Islam Baqiyah Bi lndi Allah ...\" De zinssnede “Dawlatul Islam Baqiyah Bi lndi Allah” is vertaald en betekent \"De Islamitische Staat zal blijven bestaan met de toestemming van Allah\".\n\nEen spotprent waarin IS als 'mujahidin defending ummah' vermanend worden toegesproken en wordt aangeduid als 'takfiri's';\n\nEen afbeelding van een colonne van IS voertuigen met de tekst \"the dogs bark, but the caravan moves on\" met als bijschrift \"Baqiyah Baqiyah Baqiyah Bi lndi Allah\".\n\n5.4.. Ten aanzien van feit 1 – plundering\n\nInleiding\n\nOnder feit 1 wordt de verdachte verweten zich, al dan niet in vereniging met anderen, te hebben schuldig gemaakt aan plundering. Zij zou in de periode 1 april 2014 tot en met 30 november 2016 in de Syrische plaatsen Atme, Tallabyad en Raqqa woningen en andere eigendommen (i.c. huisraad) hebben geplunderd.\n\nDe tenlastelegging is toegesneden op artikel 6, derde lid, onder e, Wim dat het plunderen van een stad of plaats strafbaar stelt. Deze bepaling weerspiegelt artikel 8, tweede lid, onder e (v), van het Statuut van Rome. In dat artikel wordt plundering (‘pillaging’) aangemerkt als oorlogsmisdrijf.\n\nJuridisch kader\n\nIn de Wim is plundering niet nader omschreven. De rechtbank heeft acht geslagen op uitspraken van de internationale straftribunalen en het Internationaal Strafhof. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de Elementen van Misdrijven (in het Engels aangeduid als ‘Elements of Crimes’) met betrekking tot artikel 8, tweede lid, onder e (v), van het Statuut van Rome. Voor een bewezenverklaring van ‘pillaging’ is vereist dat:\n\n1. The perpetrator appropriated certain property.\n\n2. The perpetrator intended to deprive the owner of the property and to appropriate it for private or personal use.\n\n3. The appropriation was without the consent of the owner.\n\n4. The conduct took place in the context of and was associated with an armed conflict not of an international character.\n\n5. The perpetrator was aware of the factual circumstances that established the existence of an armed conflict.\n\nBeoordeling\n\nAldus dient de rechtbank onder meer vast te stellen of er sprake is geweest van het toe-eigenen van eigendom zonder toestemming van de eigenaar.\n\nAtme\n\nDe verdachte heeft verklaard dat [naam 1] de woningen regelde en dat ze gedurende de periode april-mei 2014 heeft verbleven in een woning in Atme. Gedurende die periode was Atme onder controle van Jabhat al-Nusra, nadat ISIL zich in januari 2014 uit Atme had teruggetrokken. De verdachte heeft over de woning in Atme verklaard dat er spullen van andere mensen in de woning aanwezig waren, dat er nog eten in de pannen zat en dat zij de indruk had dat de eigenlijke bewoners nog wel terug hadden kunnen komen. De spullen werden weggegooid en [naam 1] heeft nieuwe spullen gekocht, aldus de verdachte. De verdachte heeft voorts verklaard dat zij er verder niet over nadacht dat de eigenaren van het huis gevlucht waren, omdat ze dacht dat die mensen zich niet aan de regels gehouden hadden en het er dan bij hoorde.\n\nUit het dossier, noch uit de verklaring van de verdachte ter zitting volgt aan wie de woning in eigendom toebehoorde. Evenmin is het duidelijk geworden op welke wijze de verdachte en [naam 1] de woning hebben verkregen: de verdachte heeft hier niet meer over verklaard dan dat [naam 1] die woning ‘geregeld’ had. Ook bevat het dossier geen informatie over de plaats Atme nadat ISIL daar is weggetrokken in januari 2014, in de periode dat de verdachte daar verbleef.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de verdachte gedurende een maand gebruik heeft gemaakt van de woning in Atme. Hoewel er ten aanzien van deze woning wel omstandigheden zijn die kunnen duiden op gevluchte eigenaren, zijn er geen gegevens in het dossier waaruit afgeleid kan worden aan wie de woning toebehoorde of onder welke omstandigheden zij vertrokken zijn. Nu het niet evident duidelijk is dat de woning van plundering afkomstig is, is bij die stand van zaken meer informatie nodig over de herkomst van de woning om tot een dergelijke vaststelling te komen. Daarom kan niet gezegd worden dat de verdachte, al dan niet samen met anderen, zich de woning heeft toegeëigend zonder toestemming van de eigenaren.\n\nTallabyad en Raqqa\n\nDe verdachte heeft na haar verblijf in Atme verbleven in een woning in Tallabyad, gedurende de periode mei 2014 tot februari 2015. Tallabyad stond sinds 2013 onder controle van IS. Over deze woning heeft de verdachte verklaard dat de woning mooier was dan de woning in Atme en dat de woning gemeubileerd was. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat [naam 1] deze woning had geregeld en dat zij verder geen vragen heeft gesteld.\n\nNa Tallabyad heeft de verdachte vanaf februari 2015 tot december 2016 verbleven in meerdere woningen in Raqqa. De stad Raqqa kwam in het begin van 2014 geheel onder controle van IS en werd beschouwd als de hoofdstad van het in juni 2014 uitgeroepen kalifaat.\n\nOok over de woningen in Tallabyad en Raqqa heeft de verdachte verklaard dat [naam 1] de woningen regelde. Uit het dossier blijkt niet wie de eigenaren waren van de woningen (inclusief de inboedel) waar de verdachte verbleef, op welke wijze [naam 1] de woningen heeft geregeld en onder welke omstandigheden de eigenaar het huis heeft verlaten. Dat maakt dat de enkele omstandigheid dat de eigenaar niet aanwezig is onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat de toe-eigening zonder de toestemming van de eigenaar heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan net zomin als bij de woning in Atme van de woningen in Tallabyad en Raqqa worden gezegd dat de verdachte deze, al dan niet in vereniging, heeft toegeëigend zonder toestemming van de eigenaar.\n\nDe rechtbank merkt verder op dat het zich in het dossier bevindende kennisdocument ‘De Islamitische Staat: (Oorlogs)buit en plundering’ en de verklaring van de getuige Moussa die conclusie niet anders maken. Uit het kennisdocument en de getuigenverklaring volgt weliswaar dat IS op grote en systematische schaal plunderde, maar daaruit kan niet zonder meer volgen dat de woningen in Tallabyad en Raqqa waarin de verdachte heeft verbleven van plundering afkomstig zijn. Dit geldt nog minder voor de woning in Atme, omdat IS daar in de periode dat de verdachte daar verbleef niet aan de macht was.\n\nConcluderend is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte, al dan niet in vereniging met anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan het oorlogsmisdrijf plundering. De verdachte zal van het onder 1 ten laste gelegde worden vrijgesproken.\n\nVoorwaardelijk verzoek horen getuige [getuige]\n\nDe verdediging heeft verzocht om de getuige [getuige] te horen indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het onder 1 ten laste gelegde voor zover dit betrekking heeft op de periode dat de verdachte in Tallabyad verbleef. Nu de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde behoeft dit voorwaardelijk verzoek geen bespreking. De voorwaarde is immers niet vervuld.\n\n5.5.. Ten aanzien van feit 2 – deelname aan terroristische organisatie\n\nInleiding\n\nAan de verdachte is onder 2 – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij, in de periode van 16 maart 2014 tot en met 5 januari 2018 in Syrië, al dan niet tezamen en in vereniging, heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie IS.\n\nJuridisch kader\n\nTerroristische organisatie\n\nVolgens artikel 140a, eerste lid, Sr moet het gaan om een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het oogmerk van de organisatie – een samenwerkingsverband in al dan niet wisselende samenstelling – moet derhalve zijn gericht op het plegen van (specifieke) misdrijven die zijn opgesomd in artikel 83 Sr, mits begaan met het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk.\n\nOnder terroristisch oogmerk wordt ingevolge artikel 83a Sr verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.\n\nVoor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.\n\nHet gaat bij het misdrijf van artikel 140a Sr dus niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van terroristische misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van die misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van terroristische misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.\n\nDeelneming\n\nVan deelneming aan een terroristische organisatie kan slechts dan sprake zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven of als de verdachte vorenbedoelde gedragingen ondersteunt.\n\nEen dergelijk aandeel kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de terroristische organisatie. Voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid — in de zin van onvoorwaardelijk opzet – weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat de verdachte zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.\n\nBeoordeling\n\nIS als terroristische organisatie\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet kwam tegen het regime van president Bashar al-Assad. In de loop van 2012 wordt duidelijk dat jihadistische strijdgroepen zoals IS, met zowel lokale als buitenlandse strijders in hun gelederen, in toenemende mate betrokken zijn geraakt bij de opstand in Syrië.\n\nHet is inmiddels bestendige jurisprudentie dat IS in de ten laste gelegde periode het oogmerk had om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van IS het plegen van terroristische misdrijven met zich brengt.IS bereikte in de ten laste gelegde periode haar doelen, waaronder het vervangen van de bestaande politieke structuur door een structuur gebaseerd op de sharia, mede door dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. IS kan aldus worden aangemerkt als een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, als bedoeld in artikel 140a Sr.\n\nDeelneming verdachte aan IS\n\nDe rechtbank is op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de wettige bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte heeft deelgenomen aan IS, en zal hierna uiteenzetten waarom.\n\nOp grond van de voorgaande vastgestelde feiten staat niet ter discussie dat [naam 1] , de eerste echtgenoot van de verdachte, in de ten laste gelegde periode in Syrië als strijder heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie IS. Hij was bij deze organisatie aangesloten en heeft gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van deze organisatie. Hij was strijder, leidinggevende en deed de planning van aanvallen met drones. Door een zelfmoordaanslag te doen in naam van IS is hij eind 2016 om het leven gekomen.\n\nOp grond van de voorgaande vastgestelde feiten staat niet ter discussie dat de tweede echtgenoot van de verdachte [naam 6] (of: [naam 7] ) tijdens de periode vóór hun huwelijk streed voor IS. Ter discussie staat of hij tijdens hun huwelijk ook nog strijder was voor IS. Volgens de verdachte was hij niet meer bij IS, maar werkte hij enkel als bakker. De rechtbank acht deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig. Het door verdachte alternatief geschetste scenario vindt ook geen enkele steun in het dossier. Het is op voorhand al volstrekt onaannemelijk dat in het strijdgebied van IS [naam 6] als IS-strijder uit de strijd kon stappen om enkel bakker te worden. De verdachte heeft verder bij de politie verklaard dat zij met [naam 6] in contact is gekomen via een IS-trouwkantoor alwaar hij stond ingeschreven als potentiële huwelijkskandidaat. Uit het kennisdocument ‘Vrouwen van de Islamitische Staat’ blijkt dat bij dergelijke kantoren alleenstaande vrouwen en weduwen werden geregistreerd om te kunnen trouwen met een IS-strijder. Ook daaruit leidt de rechtbank af dat [naam 6] een IS-strijder was. Dat [naam 6] ook tijdens hun huwelijk IS-strijder is gebleven vindt naar het oordeel van de rechtbank bovendien bevestiging in een bericht dat verdachte op 3 juni 2017 schrijft aan haar moeder als zij Raqqa is ontvlucht. Zij vertelt dan immers dat haar man daar is achtergebleven omdat hij ‘de stad moet beschermen’. Op 23 juli 2017 stuurt de verdachte een whatsapp-bericht naar haar moeder waarin zij aangeeft dat zij op 24 januari 2018 is uitgerekend, waarna zij op 30 juli 2017 naar haar moeder stuurt dat zij maandelijks nog maar vijfendertig dollar ontvangt. De rechtbank leidt daaruit af dat de verdachte ten tijde van haar huwelijk met [naam 6] ook gefinancierd werd door IS. De rechtbank gaat er gelet op al het voorgaande vanuit dat [naam 6] , de tweede echtgenoot van de verdachte, ook ten tijde van hun huwelijk een IS-strijder was.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, terwijl zij al enige kennis had van de jihadistische ideologie, islamitisch is getrouwd en vervolgens is afgereisd naar Syrië alwaar zij zich eerst met haar eerste echtgenoot en later haar tweede echtgenoot onder het gezag en de daaraan verbonden regels van de sharia heeft gesteld van de terroristische organisatie IS. De verdachte heeft met haar echtgenoten een gezamenlijk huishouden gevoerd, terwijl [naam 1] en [naam 6] actief hebben deelgenomen als strijders voor IS en daartoe salaris hebben ontvangen van IS. De verdachte heeft ten tijde van haar verblijf in Syrië de jihadistische ideologie van IS bestudeerd en stond hier destijds volledig achter. Zij plaatste ook berichten op social media die het leven onder de vlag van IS verheerlijkten. De verdachte heeft door zo te handelen de invloedssfeer van IS getalsmatig versterkt en anderen mogelijk op het idee gebracht om zich ook bij IS aan te sluiten. Daarnaast heeft de verdachte samen met haar eerste echtgenoot vuurwapens en een bomgordel voorhanden gehad. De verdachte heeft aldus gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristisch oogmerk van IS. De verdachte was blijkens haar verklaring ter terechtzitting van het terroristisch oogmerk van IS in zijn algemeenheid op de hoogte. Zo heeft zij verklaard dat zij tijdens haar verblijf in Syrië op de hoogte was van de executies die plaatsvonden in Raqqa. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aan de terroristische organisatie heeft deelgenomen als bedoeld in artikel 140a Sr.\n\nVanaf 6 juli 2014\n\nDe rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte in ieder geval vanaf 6 juli 2014 heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie IS, de dag waarop de verdachte via haar Facebookaccount [naam 11] de woorden van Abu Bakr Al Baghdadi citeert die op 29 juni 2014 het kalifaat had uitgeroepen en zichzelf als kalief had gepresenteerd.\n\nPartiële vrijspraak\n\nMet de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gehandeld. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde medeplegen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de verdachte in de periode van 6 juli 2014 tot en met 1 januari 2018 in Syrië heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten IS.\n\n5.6.. Ten aanzien van feit 3 – voorbereidingshandelingen\n\nInleiding\n\nAan de verdachte is onder feit 3 – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij, in de periode van 4 augustus 2013 tot en met 5 januari 2018 in Nederland, Syrië en\u002Fof Irak alleen dan wel in vereniging met een ander of anderen, voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen heeft verricht om misdrijven te plegen als brandstichting, doodslag en\u002Fof moord met een terroristisch oogmerk.\n\nJuridisch kader\n\nDe in artikel 96, tweede lid, Sr beschreven voorbereidings- en bevorderingshandelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen.\n\nVoorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet. Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen kunnen in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van een misdrijf worden afgeleid.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank overweegt onder verwijzing naar de overwegingen met betrekking tot feit 2 als volgt.\n\nGelet op de hiervoor weergegeven feitelijke vaststellingen in samenhang met de overige door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen acht de rechtbank de onder A, B, C, E, F, G en H ten laste gelegde gedragingen wettig en overtuigend bewezen, zoals aangegeven in de bewezenverklaring. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat dit niet geldt voor de gedragingen die onder D ten laste zijn gelegd. De verdachte zal van dit onderdeel worden vrijgesproken.\n\nAnders dan de raadsvrouw komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van de onder F ten laste gelegde gedragingen. De verdachte heeft zich bij IS aangesloten, haar echtgenoten gefaciliteerd bij hun bijdrage aan de gewapende jihadstrijd van IS en via social media uitgedragen dat het leven onder de vlag van IS goed is. Door zo te handelen heeft de verdachte deelgenomen en een bijdrage geleverd aan de gewapende jihadstrijd gevoerd door IS.\n\nDoor aldus te handelen heeft de verdachte zichzelf of anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaft tot het plegen van de in de tenlastelegging onder 3 genoemde terroristische misdrijven en – door het voorhanden hebben van een vuurwapen en een bomgordel – voorwerpen voorhanden gehad waarvan zij wist dat deze bestemd waren tot het plegen van een dergelijk misdrijf.\n\nUit de combinatie van de onder A, B, C, E, F, G en H bewezen verklaarde gedragingen in onderlinge samenhang beschouwd, kan tenslotte het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van deze misdrijven worden afgeleid.\n\nPartiële vrijspraak\n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gehandeld. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde medeplegen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat de verdachte in de periode van 15 augustus 2013 tot 1 januari 2018 voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen heeft verricht om misdrijven te plegen als brandstichting, doodslag en\u002Fof moord met een terroristisch oogmerk.\n\n5.7.. Ten aanzien van feiten 4 en 5 – bedreiging met terroristisch misdrijf\n\nInleiding\n\nAan de verdachte is onder 4 en 5 – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in Syrië en\u002Fof Nederland heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf dan wel met een misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling.\n\nBedreiging [benadeelde partij 1]\n\nOp 9 januari 2015 heeft een persoon die zich op Twitter uitgeeft als [account 1] de volgende tweet geplaatst: “Voorbereidingen treffen om @ [naam 9] van het leven te beroven. Met vriendelijke groet, vanuit het khalifaat”. Aan deze dreigtweet was een foto toegevoegd waarop een vuurwapen en meerdere reisdocumenten te zien zijn. “ [naam 9] ” is het twitteraccount van de journalist [benadeelde partij 1] (hierna ook: [benadeelde partij 1] ).\n\nDe verdachte die in Syrië [naam 11] heette, had een twitteraccount genaamd [account 1] . Zij woonde van mei 2014 tot februari 2015 in Tallabyad waar zij, zo heeft zij verklaard, toegang tot internet en social media had. De zus van de verdachte, [zus verdachte] , heeft ook verklaard dat zij op een bepaald moment toegang had tot internet en dat zij via Whatsapp contact hadden.\n\nDe vraag is of de verdachte zelf de dreigtweet aan [benadeelde partij 1] heeft geplaatst of iemand anders, zoals de verdachte heeft verklaard daarbij verwijzend naar haar echtgenoot [naam 1] die ook gebruik maakte van haar social media accounts.\n\nOp 9 januari 2015 heeft de verdachte zelf, zo heeft zij verklaard, met het account [account 1] de volgende tweet geplaatst: “Krijg nog steeds brieven DUO of ik even van een halfjaar stufi wil terugbetalen +- €7200, jullie kunnen de boom in #jihadbruid#IS”. Deze tweet volgt direct op 9 januari 2015 onder het artikel van geenstijl.nl genaamd “Kalifaatbruid kondigt aanslag op [benadeelde partij 1] aan” en de betreffende dreigtweet aan [benadeelde partij 1] . Direct daarna zijn nog twee andere tweets geplaatst waarbij [benadeelde partij 1] is getagged: “@ [account 5] @ [naam 9] nee hoor, dan kan ik het in de praktijk brengen om vanuit het khalifaat haar even op te zoeken en terug te keren” en “@ [account 5] @ [naam 9] ze zijn nog niet ingenomen dus klaar voor gebruik”. De rechtbank begrijpt de zinssnede “ze zijn nog niet ingenomen dus klaar voor gebruik” aldus dat wordt gedoeld dat de afgebeelde reisdocumenten feitelijk niet zijn ingenomen en kunnen worden gebruikt om te reizen.\n\nNu de tweet inzake DUO en de tweets inzake het opzoeken van [benadeelde partij 1] persoonlijke informatie over de verdachte bevatten, immers had de verdachte een studieschuld bij DUO en was haar paspoort op 18 februari 2014 ingenomen, en deze tweets direct geplaatst zijn na de dreigtweet aan [benadeelde partij 1] is het niet aannemelijk geworden dat een ander dan de verdachte de dreigtweet heeft geplaatst. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het de verdachte was die dat heeft gedaan.\n\nDe vraag is voorts of de dreigtweet aan [benadeelde partij 1] kan worden aangemerkt als een bedreiging met een terroristisch misdrijf.\n\nJuridisch kader – bedreiging met een terroristisch misdrijf\n\nBedreiging met een terroristisch misdrijf is strafbaar gesteld in artikel 285, derde lid, Sr. Dit artikel stelt de eis dat wordt gedreigd met een terroristisch misdrijf. Daaruit volgt dat het bij dit dreigen om een van de in artikel 83 Sr genoemde misdrijven moet gaan. Voor zover uit artikel 83 Sr volgt dat dit terroristisch misdrijf het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk vereist, brengt die omstandigheid echter niet mee dat de verdachte van de in artikel 285, derde lid, Sr bedoelde bedreiging met een terroristisch misdrijf zelf ook met dit terroristische oogmerk moet hebben gehandeld. Wel is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan (a) dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd een terroristisch misdrijf betreft en (b) dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd. Gelet op de omschrijving van een terroristisch oogmerk in artikel 83a Sr brengt dit voor de terroristische misdrijven die dit oogmerk vereisen mee dat voor een veroordeling wegens bedreiging met zo een terroristisch misdrijf is vereist dat uit de bewijsvoering blijkt dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf dat zou worden uitgevoerd erop was gericht (i) de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel (ii) een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel (iii) de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of vernietigen. Daarnaast is voor zo een veroordeling vereist dat het - tenminste voorwaardelijke - opzet van de verdachte erop was gericht deze vrees te laten ontstaan.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank overweegt dat het misdrijf waarmee door de verdachte werd gedreigd – het om het leven brengen van [benadeelde partij 1] (moord) – is opgenomen in artikel 83, sub 1, Sr. Dit betekent dat het misdrijf kan worden gekwalificeerd als een terroristisch misdrijf als het wordt begaan met een terroristisch oogmerk in de zin van artikel 83a Sr. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt hiertoe als volgt.\n\nDe dreigtweet is geplaatst in een tijd waarin IS journalisten gijzelde, executeerde en beelden van deze executies via internet verspreidde. Gebeurtenissen en beelden die ook Nederland hebben bereikt en uitgebreid zijn besproken in het nieuws, zoals de onthoofding van de persfotograaf James Foley in augustus 2014. De verdachte heeft zich door de dreigtweet af te sluiten met “met vriendelijke groet, vanuit het khalifaat” en door de IS vlag als profielfoto te gebruiken voorgedaan als een IS-deelnemer, hetgeen zij destijds ook was. Dit in samenhang bezien met het feit dat de verdachte de uitlating heeft geplaatst op Twitter, een openbaar social media platform, maakt dat het misdrijf “het om het leven brengen van [benadeelde partij 1] ” naar objectieve maatstaven kan worden aangemerkt als een misdrijf dat tot oogmerk heeft om de Nederlandse bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kon bij de bedreigde ook in redelijkheid de vrees ontstaan dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd erop was gericht de Nederlandse bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen en dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd.\n\nTot slot is de rechtbank ook van oordeel dat de verdachte gelet op de aard en bewoordingen van de uitlating en de omstandigheden waaronder de verdachte deze woorden heeft gebruikt op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze vrees bij de bedreigde zou ontstaan.\n\nBedreiging [benadeelde partij 2]\n\nEind 2014\u002Fbegin 2015 heeft een persoon die zich op Facebook uitgeeft als [account 2] meerdere berichten geplaatst op de openbare tijdlijn van [benadeelde partij 2] , namelijk:\n\n“Hoe kom je aan onze profielen? Aan alle info? Het is dat je niet om de hoek bent, anders kwam ik wel eventjes met mijn ak-47 op je af lopen. Ja en dit is een dreigement lelijke nakomeling van de apen en zwijnen. Jou kop zou ik ook maar al te graag willen laten rollen. Lelijk wijf bah”;\n\n“Eerst contacteer je me familie voor interview dit dat, en dan ga je undercover te werk”;\n\n“Staat met smart op jou te wachten Beter voor jou dat je alles weg haalt van je Twitter account”;\n\n“En verwijder je uit onze lijsten.”\n\nNaast bovenstaande berichten had de gebruiker van het Facebookaccount [account 2] op de tijdlijn van [benadeelde partij 2] een foto geplaatst van een vuurwapen waarvan de politie heeft vastgesteld dat het een AK47 betreft.\n\nDe vraag is eerst of de verdachte de gebruiker is van het Facebookaccount [account 2] . De verdachte ontkent dit.\n\nZoals hiervoor al vastgesteld woonde de verdachte van mei 2014 tot februari 2015 in Tallabyad en had zij toen toegang tot internet en sociale media. Een onderdeel van de berichten die op de tijdlijn van [benadeelde partij 2] zijn geplaatst, namelijk die met de tekst “Eerst contacteer je me familie voor interview dit dat, en dan ga je undercover te werk” kan in verband worden gebracht met de verdachte zelf. Immers, de verdachte en haar stiefmoeder hebben verklaard dat [benadeelde partij 2] zich bij de woning van de moeder van de verdachte heeft voorgedaan alsof ze van de politie was om informatie in te winnen, in andere woorden: ‘undercover te werk is gegaan’. Dat [benadeelde partij 2] informatie wilde inwinnen blijkt ook uit een whatsappgesprek op 4 augustus 2019 tussen de verdachte en haar moeder, waarin haar moeder schrijft “dat is wat ze wil… dat jij of ik reageer…ze heeft nooit gelregen wat ze wilde want ze belde mij zelfs op werk vroeger en ik wou haar nooit te woord staan”. Ook volgt uit dit whatsappgesprek dat beiden boos op haar zijn. In dit verband is nog opvallend dat de verdachte in één van de berichten het woord “zwijnen” gebruikt en de verdachte in een whatsappgesprek met haar moeder op 4 augustus 2019 het volgende over [benadeelde partij 2] heeft gezegd “Dat zwijn wil alleen maar geld verdienen”.\n\nTot slot acht de rechtbank van belang dat de AIVD heeft vastgesteld dat de verdachte eind 2014 zeer waarschijnlijk gebruik heeft gemaakt van het Facebookaccount [account 2] .\n\nGelet op dit alles en in onderlinge samenhang bezien stelt de rechtbank vast dat de verdachte de gebruiker was van het Facebookaccount [account 2] en dat zij de bedreigende teksten op de openbare tijdlijn van [benadeelde partij 2] heeft geplaatst.\n\nOok hier is de vraag aan de orde of de ten laste gelegde teksten in combinatie met de foto van de AK47 kunnen worden aangemerkt als een bedreiging met een terroristisch misdrijf.\n\nDe rechtbank overweegt dat het misdrijf waarmee door de verdachte werd gedreigd – het neerschieten van [benadeelde partij 2] (moord) – is opgenomen in artikel 83, sub 1, Sr. Dit betekent dat het misdrijf kan worden gekwalificeerd als een terroristisch misdrijf als het wordt begaan met een terroristisch oogmerk in de zin van artikel 83a Sr. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat hiervan wel sprake is en overweegt hiertoe als volgt.\n\nZoals hierboven ook is overwogen, zijn de berichten op Facebook geplaatst in een tijd waarin IS journalisten gijzelde, executeerde en beelden van deze executies via internet verspreidde. De verdachte verbleef ten tijde van het plaatsen van de berichten in Syrië en was IS-deelnemer. Dit in samenhang bezien met het feit dat de verdachte de uitlating heeft geplaatst op de openbare tijdlijn van de aangeefster, die journalist is en heeft geschreven over het Midden-Oosten, maakt dat het dreigen met een AK47 neerschieten van [benadeelde partij 2] naar objectieve maatstaven kan worden aangemerkt als een misdrijf dat tot oogmerk heeft om de Nederlandse bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen. Verder is de rechtbank van oordeel dat dit maakt dat bij de bedreigde ook in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd erop was gericht de Nederlandse bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen en dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd. Des te meer nu de aangeefster door de verdachte is benaderd, nadat zij heeft geschreven over een Nederlandse jihadist en deze jihadist hier niet van gediend was. Tot slot is de rechtbank ook van oordeel dat de verdachte gelet op de aard en bewoordingen van de uitlating en de omstandigheden waaronder de verdachte deze woorden heeft gebruikt op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze vrees bij de bedreigde zou ontstaan.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de verdachte op 9 januari 2015 [benadeelde partij 1] en eind 2014\u002Fbegin 2015 [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf.\n\n5.8.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n2\n\nzij in de periode van 6 juli 2014tot en met1januari 2018 in plaatsen in Syrië, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten,\n\nA. het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl\n\ndaarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel\n\nen\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten\n\ngevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met\n\neen terroristisch oogmerk en\n\nB. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a\n\nvan het Wetboek van Strafrecht) en\n\nC. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel\n\n289\u002F289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en\n\nD. de samenspanning en\u002Fof opzettelijke voorbereiding van en\u002Fof bevordering tot\n\neerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en\u002Fof 289a en\u002Fof 96 lid 2\n\nvan het Wetboek van Strafrecht) en\n\nE. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en\u002Fof munitie van de\n\ncategorieën II en\u002Fof III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en\n\nmunitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof met het oogmerk om een\n\nterroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in\n\nartikel 55 lid 1 en\u002Fof lid 5 van de Wet wapens en munitie);\n\n3\n\nzij in de periode van 15augustus 2013 tot en met1januari 2018 in een\n\nof meer plaatsen in Nederland, en in Syrië, met het oogmerk om ter voorbereiding en\u002Fof ter bevordering van de\u002Fhet (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):\n\n- het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl\n\ndaarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel\n\nen\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten\n\ngevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met\n\neen terroristisch oogmerk en\u002Fof\n\n- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a\n\nvan het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel\n\n289\u002F289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht)\n\n- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of\n\nmede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid,\n\nmiddelen of inlichtingen te verschaffen en\u002Fof\n\n- gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich\n\nof aan anderen heeft verschaft en\u002Fof\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd zijn tot het\n\nplegen van het misdrijf,\n\nimmers heeft zij, verdachte,\n\nA. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de terroristische organisatie Islamitische Staat (verder IS), eigen gemaakt;\n\nB. zich laten informeren over het afreizen naar Syrië en\u002F het aansluiten bij de terroristische organisatie IS;\n\nC. de reis gemaakt naar Syrië ten behoeve van het zich begeven naar het strijdgebied aldaar en zich te voegen bij de terroristische organisatie IS;\n\nE. zich gevoegd bij IS strijders, en is zij (op Islamitische wijze) huwelijken aangegaan met IS strijders;\n\nF. in Syrië deelgenomen en bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de terroristische organisatie IS;\n\nG. zich (middels internet\u002Fsocial mediakanalen\u002Fmediaplatforms) geuit en\n\nmet (een) ander(en) perso(o)n(en) gecommuniceerd en berichten en afbeeldingen geplaatst en gedeeld, met betrekking tot en\u002Fof inhoudende (onder meer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en\u002Fof (pro)IS-gerelateerde content;\n\nH. vuurwapens en een bomgordel voorhanden gehad,\n\nin welke gewapende Jihadstrijd moord en\u002Fof doodslag en\u002Fof brandstichting en\u002Fof\n\nhet teweegbrengen van ontploffingen wordt gepleegd, telkens met een terroristisch\n\noogmerk;\n\n4\n\nzij op 9 januari 2015 te Nederland [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf door via het openbaar toegankelijke twitteraccount [account 1] een bericht (tweet) te plaatsen, welk bericht een foto van een AK 47, bevat en waarbij de tekst vermeld staat: “Voorbereidingen treffen om @ [naam 9] van het leven te beroven. Met vriendelijke groet, vanuit het khalifaat”;\n\n5\n\nzij in de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 mei 2015 te Nederland [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf door met het Facebookaccount [account 2] een bericht (post) op de openbare tijdlijn van de Facebookpagina van [benadeelde partij 2] te plaatsen, welk bericht een foto van een AK 47, bevat en waarbij de volgende\n\nteksten vermeld staan:\n\n- “ Hoe kom je aan onze profielen? Aan alle info? Het is dat je niet om de hoek bent,\n\nanders kwam ik wel eventjes met mijn ak-47 op je af lopen. Ja en dit is een\n\ndreigement lelijke nakomeling van de apen en zwijnen. Jou kop zou ik ook maar al\n\nte graag willen laten rollen. Lelijk wijf bah.”;\n\n- “ Staat met smart op jou te wachten. Beter voor jou dat je alles weg haalt van je Twitter account En verwijder je uit onze lijsten”.\n\n6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n7. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.\n\n8. De strafoplegging\n\n8.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 860 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 720 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, wonen bij forensisch beschermd wonen Transfore, een ambulante behandeling, begeleiding bij zelfstandig wonen, andere voorwaarden het gedrag betreffende en een contactverbod met [naam 13] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft namens de verdachte de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de reeds lange duur van de schorsing van de voorlopige hechtenis, de forse overschrijding van de redelijke termijn, de reeds ondergane hechtenis in zowel Nederland als Turkije en de vrijheidsbeperkende maatregelen die de afgelopen vier jaren zijn opgelegd. Voorts heeft de verdediging de rechtbank verzocht om rekening te houden met de conclusies van de Pro Justitia-rapportages ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Verder is aangevoerd dat de verdachte zich kan vinden in de voorwaarden zoals die thans door de reclassering zijn omschreven, met uitzondering van de geadviseerde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte is in maart 2014 uitgereisd naar Syrië waar zij zich heeft aangesloten bij haar eerste man met wie zij enkele dagen voor haar vertrek islamitisch was getrouwd. Op 6 juli 2014 heeft de verdachte zich vervolgens aangesloten bij de terroristische organisatie IS. Na het overlijden van haar eerste man is zij korte tijd later opnieuw islamitisch getrouwd met een andere IS-strijder. Zij heeft beide mannen gedurende haar huwelijk gefaciliteerd door het gezamenlijke huishouden te doen en voor haar echtgenoten te zorgen. Tot het einde van haar verblijf in Syrië heeft de verdachte deelgenomen aan IS. Daarnaast heeft de verdachte ter voorbereiding en bevordering van misdrijven met een terroristisch oogmerk zich het gedachtegoed van IS eigen gemaakt, is zij afgereisd naar het strijdgebied in Syrië, is zij islamitisch getrouwd met IS-strijders, heeft zij bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd van IS, heeft zij propaganda gevoerd voor IS via internet dan wel socialfter media, en heeft zij vuurwapens en een bomgordel voorhanden gehad.\n\nStrijdgroepen als IS hebben tot doel het vestigen van een islamitische staat, waarin de rechten van andersdenkenden op systematische en zeer gewelddadige wijze worden geschonden. Door deze strijdgroepen worden op grote schaal ernstige mensenrechtenschendingen begaan zoals standrechtelijke executies, moord, marteling en verminking van krijgsgevangenen en burgers. Veel van die misdrijven worden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen en zijn daarmee ontegenzeggelijk terroristische misdrijven.\n\nTerrorisme wordt internationaal gezien als één van de ernstigste misdrijven. De verdachte is aan dit alles geheel voorbij gegaan en heeft geen oog gehad voor het onbeschrijfelijke leed dat velen in het strijdgebied en daarbuiten treft.\n\nDaarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een terroristisch misdrijf door – kort gezegd – via social media aan te kondigen dat zij twee journalisten om het leven gaat brengen. Deze berichten waren gericht aan de twee journalisten, maar konden door iedereen gelezen worden aangezien ze geplaatst waren op de openbare platforms Twitter en Facebook. De verdachte verbleef ten tijde van het sturen van de berichten in Syrië en heeft deze uitlatingen gedaan terwijl kort daarvoor onder andere de persfotograaf James Foley was geëxecuteerd door IS. De berichten die de verdachte heeft gestuurd, hebben – hetgeen blijkt uit de aangiftes en de slachtofferverklaringen – gevoelens van angst veroorzaakt bij de aangeefsters. Een angst die ze niet alleen voelden ten tijde van het ontvangen van de berichten, maar ook juist jaren na dato toen bekend was dat de verdachte in Nederland teruggekeerd was. Bedreiging met een terroristisch misdrijf is een ernstig en buitengewoon angstaanjagend delict, al helemaal in een tijdsgewricht waarin (ook) andere landen worden geconfronteerd met terroristische aanslagen of de dreiging daarvan. De verdachte heeft miskend wat haar daden hebben aangericht bij de slachtoffers en bij de rest van de maatschappij. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 januari 2024. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht geslagen op de volgende stukken:\n\nhet triple onderzoek Pro Justitia betreffende [verdachte] d.d. 25 oktober 2020;\n\nde brief Aanvullende vragen inzake [verdachte] ;\n\nhet psychologisch en psychiatrisch aanvullend onderzoek Pro Justitia betreffende [verdachte] d.d. 21 december 2022;\n\nhet reclasseringsadvies TBS met voorwaarden d.d. 5 juli 2023;\n\nhet reclasseringsadvies Rechtszitting d.d. 26 februari 2024.\n\nStoornissen en\u002Fof gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens\n\nDe deskundigen Grochowska en Van Casteren komen in de Pro Justitia rapportage van 25 oktober 2020 tot de conclusie dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van de onder 2 en 3 ten laste gelegde misdrijven sprake was van een borderline persoonlijkheidsstoornis. De deskundigen concluderen dat deze psychiatrische stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde hebben beïnvloed.\n\nDe borderline persoonlijkheidsstoornis manifesteerde zich bij de verdachte in een instabiel zelfbeeld, instabiele persoonlijke relaties en een weinig geïntegreerd gevoelsleven. Dit heeft geleid tot een weinig uitgerijpte identiteit en een beperkte autonomie. Vanuit de behoefte van de verdachte aan veiligheid, rust, stabiliteit en houvast is de verdachte op zoek gegaan naar iets wat haar dat kan bieden. De islam bood de verdachte een houvast, een duidelijke richtlijn in haar leven. Met name de fundamentalistische versie die IS propageert met zijn eenduidige regels waar geen discussie over mogelijk is en waar niet van af geweken kan worden sprak de verdachte aan. De verdachte heeft zich gestort op alle geboden en verboden en is razendsnel geradicaliseerd. Toen jeugdzorg haar zoontje bij haar weghaalde, stortte de wereld van de verdachte in. Ze leek zich in haar eenzaamheid en wanhoop nog meer aan het geloof vast te klampen en zag als enige oplossing een leven in Syrië, waar ze ongestoord als moslima kon leven zonder dat jeugdzorg en andere instanties iets over haar te zeggen hadden. Dat ze dan haar zoontje in Nederland moest achterlaten, nam ze op de koop toe. De verdachte was hem in haar beleving al kwijt. De deskundigen concluderen dat dit haar wanhoop tekent.\n\nIn het aanvullend psychologisch en psychiatrisch rapport van 21 december 2022 concluderen de deskundigen ten aanzien van het onder 1, 4 en 5 ten laste gelegde dat gesteld kan worden dat haar gedrag gedeeltelijk is voortgekomen uit haar borderline persoonlijkheidsstoornis. Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde is het standpunt van de deskundigen niet gewijzigd.\n\nToerekeningsvatbaarheid\n\nDe deskundigen Grochowska en Van Casteren adviseren de rechtbank om de verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. De persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte heeft haar denken, voelen en handelen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde in grote mate beïnvloed. Er was echter geen sprake van een volledig gebrek aan wilsvrijheid en een dermate verstoord oordeelsvermogen dat gesproken kan worden van volledige ontoerekeningsvatbaarheid.\n\nRecidivegevaar\n\nIn de Pro Justitia rapportage van 25 oktober 2020 schatten de deskundigen Grochowska en Van Casteren het risico op gewelddadig extremistisch geweld in als matig tot hoog. Op de korte termijn schatten de deskundigen het risico, gelet op het toezicht dat wordt uitgeoefend en de beperkingen die zijn opgelegd, in als laag, maar dit kan op de lange termijn oplopen tot hoog. Ter onderbouwing hebben de deskundigen aangevoerd dat de verdachte door haar persoonlijkheidsstoornis en haar weinig uitgerijpte identiteit zeer veel moeite heeft om afstand te nemen van oude denkkaders. De verdachte is zeer beïnvloedbaar en zeer bevattelijk voor met name moslimextremistische opvattingen. Ook identificeert zij zich volgens de deskundigen sterk met de IS-versie van de islam. De verdachte is door haar weinig kritische houding geneigd om klakkeloos over te nemen wat men haar vertelt. Ook heeft zij een sterkte behoefte om geaccepteerd te worden, erbij te horen en goedgekeurd te worden. De deskundigen concluderen verder dat de kans groot wordt geacht dat de verdachte opnieuw geen weerstand kan bieden als zij in de toekomst opnieuw onder de invloed van moslimextremistische personen\u002Fgroeperingen komt.\n\nIn het aanvullend psychologisch en psychiatrisch onderzoek van 21 december 2022, ruim twee jaar later, schatten de deskundigen het risico op herhaling in als matig tot laag. Bij het huidige onderzoek wordt door de deskundigen gezien dat de verdachte zich heeft afgewend van de IS-ideologie en ook in haar geloofsbeleving een grote verandering heeft doorgemaakt. De verdachte is door de behandeling die ze de afgelopen twee jaar heeft doorlopen veel minder star in haar opvattingen en staat meer open voor andere meningen en overtuigingen. Ook kan de verdachte meer op zichzelf reflecteren, heeft meer oog voor de ander en diens rechten en behoeften en toont empathie voor de ander. Daarnaast zijn er ten tijde van het opstellen van het rapport veel protectieve factoren aan te wijzen. Naast de persoonlijke groei die de verdachte heeft doorgemaakt, die haar identiteit heeft versterkt en haar beter bestand heeft gemaakt tegen negatieve beïnvloeding door mensen met extreem gedachtengoed, is er sprake van een goed lopend intensief behandelkader binnen een juridisch kader, beschermd wonen en veel toezicht en begeleiding vanuit de reclassering. De verdachte staat open voor behandeling en zet zich goed in en er is duidelijk sprake van een positieve ontwikkeling. Daarnaast is er een steunend sociaal netwerk, met name met haar familie. Ook is het contact met haar kinderen goed. De verdachte is vooral bezig in het hier en nu en gericht op haar behandeling en haar kinderen, maar ze is al wel voorzichtig bezig met het vormgeven van haar toekomst.\n\nBehandelmogelijkheden\n\nDe deskundigen Grochowska en Van Casteren komen in de Pro Justitia rapportage van 25 oktober 2020 tot de conclusie dat gezien de ernstige persoonlijkheidsproblematiek bij de verdachte en matig tot hoge recidivegevaar een intensieve en langdurige klinische behandeling geïndiceerd is. Daarnaast achten de deskundigen een deradicaliseringstraject noodzakelijk om de extremistische denkbeelden van de verdachte te veranderen. De deskundigen adviseren om terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen, opdat de noodzakelijk geachte behandeling van de verdachte wordt veiliggesteld mocht de verdachte onvoldoende meewerken of een behandeling voortijdig afbreken. Als de verdachte geen bereidheid of motivatie toont om een behandeling aan te gaan, dan zou het kader van terbeschikkingstelling met dwangverpleging overwogen kunnen worden, aldus de deskundigen. Voorts ontraden de deskundigen met klem om een eventuele gevangenisstraf ten uitvoer te leggen binnen een speciale afdeling voor mensen met een geschiedenis van moslimextremistisch geweld\u002Fgedachtengoed nu de verdachte zeer beïnvloedbaar is en sterk vasthoudt aan een moslimextremistisch denkkader.\n\nIn het aanvullend psychologisch en psychiatrisch onderzoek van 21 december 2022 concluderen de deskundigen dat de borderline problematiek van de verdachte een langdurige behandeling noodzakelijk maakt. De deskundigen adviseren om de huidige ambulante behandeling bij Transfore en het beschermd woontraject te continueren. De (ambulante) behandeling kan opgelegd worden binnen het juridisch kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel of binnen het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. De deskundigen hebben een voorkeur voor een terbeschikkingstelling met voorwaarden, omdat – hoewel de verdachte in een beschermde omgeving goed functioneert – pas in het verdere resocialisatietraject duidelijk zal worden in hoeverre de veroordeelde daadwerkelijk bestand is tegen radicale netwerken waar zij eerder onderdeel van was. De achtergrond van de verdachte als Syriëgangster en de daarmee samenhangende strafzaak kunnen belemmerend werken bij haar maatschappelijke integratie in Nederland waardoor zij gefrustreerd kan raken en terug kan vallen in oude gedragspatronen en haar heil kan gaan zoeken in oude netwerken. Een zo langdurig mogelijk juridisch behandelkader is daarom aangewezen, waarbij zij nog langere tijd ambulante behandeling kan ontvangen, goed gevolgd kan worden en er bij terugval in oude patronen onmiddellijk ingegrepen kan worden. Verder achten de deskundigen een plaatsing in een penitentiaire inrichting, en zeker een plaatsing op een Terroristenafdeling, risicoverhogend, omdat de protectieve factoren dan wegvallen en ook haar behandeling zou stagneren, waardoor zij terug zou kunnen vallen in oude (denk)patronen en risicofactoren die nu meer op de achtergrond zijn komen te staan.\n\nDe reclassering heeft in het advies van 26 februari 2024 het standpunt ten opzichte van het reclasseringsrapport van 5 juli 2023 gewijzigd. Gelet op de houding, inzet en positieve ontwikkeling van de verdachte over de gehele duur van de schorsing van de voorlopige hechtenis, vanaf 8 mei 2020 tot heden, adviseert de reclassering om een voorwaardelijke straf op te leggen in plaats van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Geadviseerd wordt om, net als de eerder voorgestelde terbeschikkingstelling met voorwaarden, de bijzondere voorwaarden die aan de voorwaardelijke straf gekoppeld dienen te worden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Dit omdat in hun ogen de kans op een misdrijf met schade voor personen aanwezig wordt geacht. De reclassering concludeert dat zonder forensisch kader het huidige woon- en begeleidingstraject vervalt wat zeer onwenselijk zou zijn aangezien de kans op een terugval en recidive dan, mede gelet op de kwetsbaarheid van de verdachte, wordt verhoogd. Verder wordt geadviseerd om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.\n\nDe reclassering deelt de visie van de deskundigen dat plaatsing in een penitentiaire inrichting, en zeker een plaatsing op een Terroristenafdeling, risico verhogend is. De protectieve factoren die thans wel aanwezig zijn vallen weg bij detentie en de persoonlijke ontwikkeling van de verdachte zal stagneren. Het valt volgens de reclassering niet uit te sluiten dat dan het ongewenste effect optreedt dat de verdachte terug zou kunnen vallen in oude (denk)patronen, zoals haar beïnvloedbaarheid en haar sub assertiviteit, die nu door de behandeling meer op de achtergrond zijn komen te staan.\n\nConclusie\n\nNaar het oordeel van de rechtbank zijn de rapportages van bovengenoemde deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en worden de conclusies gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt deze conclusies dan ook over en maakt deze tot de hare.\n\nGezien het vorenstaande overweegt de rechtbank dat haar voldoende is gebleken dat verdachte ten tijde van de feiten leed aan een borderline persoonlijkheidsstoornis, dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en dat het recidivegevaar met het huidige kader aan schorsingsvoorwaarden matig tot laag is.\n\nStrafmodaliteit en strafmaat\n\nBij het bepalen van de strafmodaliteit en strafmaat heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken doorgaans worden opgelegd. De rechtbank hanteert voor de overtreding van de artikelen 140a en 96 Sr als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en voor de overtreding van artikel 285, derde lid, Sr per bedreiging een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.\n\nBij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het volgende. De verdachte heeft in Turkije achttien maanden in detentie gezeten en heeft in Nederland vijf maanden in voorlopige hechtenis verbleven. Ook heeft zij met veel inzet en goed gevolg een langdurige klinische behandeling gevolgd. Voorts staat de verdachte sinds de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis op 2 april 2020 onder ambulante behandeling. De verdachte heeft gedurende de schorsing meegewerkt aan alle opgelegde bijzondere voorwaarden, waaronder het gedurende een periode dragen van een enkelband, en heeft zij een positieve ontwikkeling laten zien. Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat het recidivegevaar met het huidige kader aan schorsingsvoorwaarden matig tot laag is en dat het ten laste gelegde verminderd aan de verdachte kan worden toegerekend.\n\nDe rechtbank kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Gelet echter op de positieve ontwikkeling die de verdachte blijkens bovengenoemde rapporten heeft doorgemaakt acht de rechtbank het niet passend om de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die het aantal dagen dat de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten overschrijdt. Uit de over de verdachte opgemaakte rapportages volgt dat de positieve ontwikkeling die zij heeft doorgemaakt ernstig wordt verstoord indien de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. De rechtbank hecht in dit verband veel waarde aan het speciaal-preventieve effect van de op te leggen straf: door de verdachte een straf op te leggen waarvan een groot deel bestaat uit een voorwaardelijk deel met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, beoogt de rechtbank de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Zoals uit de overgelegde rapportages blijkt, zou het speciaal-preventieve karakter van de straf teniet worden gedaan indien de verdachte opnieuw gedetineerd raakt.\n\nDe rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden met een proeftijd van vijf jaren. De rechtbank acht een proeftijd van vijf jaren passend en geboden, zodat de verdachte voor langere tijd wordt begeleid in het behouden van een stabiele en veilige leefomgeving. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, zoals geadviseerd door de reclassering, niet mogelijk is: deze maatregel is per 1 januari 2018 ingevoerd en het legaliteitsbeginsel verzet zich tegen oplegging van deze maatregel voor feiten die zijn gepleegd voor die datum.\n\nDe rechtbank zal daarnaast om uitdrukking te geven aan de ernst van de feiten voor het onder 4 en 5 bewezenverklaarde de maximale taakstraf per feit opleggen.\n\nTot slot houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting. Die termijn is aangevangen op 20 november 2019, de datum van inverzekeringstelling van de verdachte. Als uitgangspunt geldt in gevallen als het onderhavige dat de berechting in eerste aanleg in beginsel binnen twee jaar dient te zijn afgerond met een eindvonnis. Dit betekent dat de redelijke termijn ongeveer twee jaar en vijf maanden is overschreden. Deze overschrijding is niet aan de verdediging te wijten en kan ook niet worden gerechtvaardigd door de ingewikkeldheid van de zaak.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden\n\nDe verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen, te weten deelname een terroristische organisatie en – kort gezegd – voorbereiding en\u002Fof bevordering van misdrijven met een terroristisch oogmerk. Gelet op het verhoogde recidivegevaar bij het wegvallen van de schorsingsvoorwaarden is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\n9. De vorderingen van de benadeelde partijen\n\n [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]\n\n [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vorderen elk voor zich een schadevergoeding van € 2.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Voorts wordt een vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand gevorderd tot een bedrag van € 1.210,00.\n\nOnderbouwing van de vorderingen\n\nDe raadsman heeft namens de benadeelde partijen ter onderbouwing van de vorderingen aangevoerd dat de benadeelde partijen “op andere wijze” in hun persoon zijn aangetast ex artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna ook: BW). Deze aantasting bestaat uit de schending van het recht op vrijheid van meningsuiting in de zin van artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna ook: EVRM). De raadsman heeft bepleit dat een schending van een dergelijk fundamenteel mensenrecht, met name voor een journalist, van rechtswege een recht op immateriële schadevergoeding oplevert. Verder is aangevoerd dat voor de toekenning van immateriële schadevergoeding voldoende is dat door die schending een zeer ernstige inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde. De raadsman heeft bepleit dat gelet op de gedane bedreigingen en de gevolgen hiervan voor de benadeelde partijen aan dit vereiste is voldaan.\n\nTen aanzien van de gevorderde kosten voor rechtsbijstand heeft de raadsman de rechtbank verzocht om af te wijken van het liquidatietarief aangezien deze zaak veel dieper ingrijpt dan een gewone bedreiging, de benadeelde partijen moeite hebben moeten doen om in beeld te komen bij de autoriteiten, en het gaat om een bedreiging van journalisten met een terroristische achtergrond.\n\n9.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de kosten voor rechtsbijstand.\n\n9.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft – voor zover van belang – bepleit dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen, omdat de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd. Het bestaan van psychische schade is onvoldoende met concrete gegevens onderbouwd. Ook betwist de verdediging het causale verband. Verder zijn onvoldoende concrete gegevens aangedragen waaruit anderszins een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden afgeleid. Bovendien is er in onderhavige zaak geen sprake van een dermate evident geval dat een dergelijke onderbouwing niet is vereist.\n\nVerder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat indien het vaststellen van de causaliteit te ingewikkeld is voor de strafrechtelijke procedure moet worden geoordeeld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.\n\nDe verdediging heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat de hoogte van de vordering niet is onderbouwd en dat de verzochte bedragen, gelet op de bedragen die normaliter in bedreigingszaken worden toegekend, bovenmatig is. De verdediging verzoekt de rechtbank om de vorderingen te matigen tot een bedrag tussen de € 400,- en € 500,-. Bij toewijzing van de vordering moet de vergoeding rechtsbijstand worden gematigd en aansluiting worden gezocht bij de “liquidatietarieven kantonzaken”.\n\n9.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank overweegt dat in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna ook: BW) een limitatieve opsomming van gevallen wordt gegeven waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Blijkens artikel 6:106, aanhef en onder b, BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In onderhavige zaak ligt de vraag voor of de benadeelde partijen “op een andere wijze” in hun persoon zijn aangetast.\n\nDe Hoge Raad heeft in het overzichtsarrest van 28 mei 2019 ten aanzien van de aantasting in de persoon “op andere wijze” het navolgende overwogen:\n\n“Van de [in artikel 6:106, aanhef en onder B] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”\n\nDe rechtbank is op grond hiervan, en anders dan de raadsman van de benadeelde partijen heeft bepleit, van oordeel dat de enkele schending van het recht op vrijheid van meningsuiting onvoldoende is om te spreken van een aantasting in de persoon “op andere wijze”. De benadeelde partijen dienen daarom aan te tonen aan de hand van concrete gegevens dat sprake is van psychische schade of de aard en de ernst van de normschending moet meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen voor de hand liggen. De rechtbank overweegt, indachtig de korte termijn waarin de benadeelde partijen een vordering hebben kunnen indienen, dat de benadeelde partijen hun vorderingen op dit moment onvoldoende hebben kunnen onderbouwen om een aantasting in de persoon door het handelen van deze verdachte “op andere wijze” vast te kunnen stellen. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan niet zo evident zijn dat een zodanige aantasting kan worden aangenomen. De benadeelde partijen de gelegenheid geven om hun vorderingen nader te onderbouwen zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren mede gelet op het feit dat in deze zaak de redelijke termijn ook al ruimschoots is overschreden. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen. De benadeelde partijen kunnen hun vordering nog wel aanbrengen bij de burgerlijke rechter.\n\nNu de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaart in hun vorderingen komt zij niet toe aan de beoordeling van de gevorderde kosten voor rechtsbijstand.\n\n10. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:\n\n- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 96, 140a en 285 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n11. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de officier van justitie met betrekking tot de onder 2 onder E ten laste gelegde gedragingen, voor zover deze gedragingen hebben plaatsgevonden in Irak, niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte;\n\nverklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.8. bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feit 2:\n\ndeelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;\n\nten aanzien van feit 3:\n\nmet het oogmerk om opzettelijk brand stichten en\u002Fof ontploffingen teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft, en\u002Fof moord en\u002Fof doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, zich en een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen tot het plegen van het misdrijf en voorwerpen voorhanden te hebben waarvan zij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf.\n\nten aanzien van feiten 4 en 5, telkens:\n\nbedreiging met een terroristisch misdrijf;\n\nverklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 860 (ACHTHONDERDZESTIG) DAGEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 720 (ZEVENHONDERDTWINTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op5 (VIJF) JARENvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nen onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n- zich meldt bij Reclassering Nederland en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Hieronder valt het meewerken aan huisbezoeken. De reclassering bepaalt welke gespreksonderwerpen van belang zijn om een inschatting te kunnen maken van de recidive- en veiligheidsrisico’s, waarbij de privacy van de veroordeelde zoveel mogelijk gerespecteerd zal worden;\n\n- blijft wonen bij Forensisch Beschermd Wonen Transfore. De veroordeelde laat zich hierin begeleiden en houdt zich aan de afspraken en regels van Transfore. Deze bijzondere voorwaarde dient ter overbrugging naar zelfstandig wonen en duurt tot het moment dat de veroordeelde een zelfstandige woonruimte krijgt;\n\n- zich ambulant laat behandelen door Transfore, of een soortgelijke zorgverlener. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. De behandeling duurt zolang de reclassering en\u002Fof het openbaar ministerie dat nodig vindt;\n\n- meewerkt aan de indicatiestelling en de plaatsing indien de reclassering de overgang naar ambulante begeleiding bij zelfstandig wonen gewenst\u002Fnoodzakelijk vindt. Ook werkt de veroordeelde mee aan de betreffende begeleiding en houdt zij zich aan de aanwijzingen van de betreffende instantie. Deze begeleiding vindt plaats door een nader te bepalen instantie en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\n- de reclassering inzicht geeft in de voortgang van de begeleiding en\u002Fof de behandeling van andere betrokken instellingen of hulpverleners;\n\n- zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering. Wanneer de veroordeelde van Forensisch Beschermd Wonen Transfore uitstroomt naar een andere woonruimte dan wel een zelfstandige woonruimte zal zij hierbij, indien en voor zolang de reclassering dat nodig acht, samenwerken met de gemeente en\u002Fof met andere instanties;\n\n- meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die met haar contact hebben, wanneer dat van belang is voor het toezicht;\n\n- geen – direct of indirect – contact legt of laat leggen, zoekt en\u002Fof heeft met onderstaande personen, zolang het openbaar ministerie dit noodzakelijk acht:\n\n [naam 13] , ook bekend als [naam 6] , geboren op [geboortedag 2] 1981 te [geboorteplaats 2] (Algerije);\n\n [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedag 3] 1970 te [geboorteplaats 3] ;\n\n [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedag 4] 1984 te [geboorteplaats 4] ;\n\ngeeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.\n\nbeveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;\n\nveroordeelt de verdachte voorts tot:\n\neen taakstraf voor de tijd van 480 (VIERHONDERDTACHTIG) UREN;\n\nbeveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) DAGEN;\n\nde voorlopige hechtenis\n\nheft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]\n\nbepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]\n\nbepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. E.C. Kole, voorzitter,\n\nmr. J. Holleman, rechter,\n\nmr. K.C.J. Vriend, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. F. Kok en mr. K. Muijsert, griffiers,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april 2024.\n\nZie onder andere gerechtshof Den Haag 25 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1249 en rechtbank Rotterdam 29 oktober 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:9659.\n\n ECLI:NL:HR:2019:1890.\n\n ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:6009","2024-04-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:48.710Z",{"id":191,"ecli":192,"slug":193,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":194,"fullText":195,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":196,"sourceTimestamp":197,"parsedAt":51,"updatedAt":198},"769","ECLI:NL:GHSHE:2024:1420","ecli-nl-ghshe-2024-1420","2024-04-22T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001821-18\n\nUitspraak : 22 april 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 18 mei 2018, in de strafzaak met parketnummer 03-866365-13 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1972,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte partieel vrijgesproken van het tweede gedeelte van de tenlastelegging en ter zake van ‘een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe rechtbank heeft de verdachte partieel vrijgesproken, te weten van het tweede gedeelte van de tenlastelegging, ziende op de afbeeldingen met bestandsnamen LC-351751 en LC-351752 en LC-351753 (de foto’s 6,7 en 8 in proces-verbaal PL2300-2016228368-4).\n\nDe verdachte heeft aanvankelijk onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, maar heeft bij akte van 31 januari 2022 – tijdig, immers voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting – het hoger beroep ingetrokken voor zover het tegen deze vrijspraak was gericht.\n\nHet hof heeft ter terechtzitting van 31 januari 2022 geoordeeld dat voornoemde partiële vrijspraak dient te worden aangemerkt als een beschermde vrijspraak. Voorts heeft het hof bepaald dat dit deel van het beroep partieel namens de verdachte kon worden ingetrokken en dat dit deel van de tenlastelegging derhalve niet aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte voor het tenlastegelegde zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbetering van gronden en met uitzondering van de kwalificatie en de opgelegde straf. Voorts zal het hof de door de rechtbank opgenomen wettelijke voorschriften vervangen op de wijze zoals hierna is vermeld.\n\nHet hof zal de overwegingen van de rechtbank onder de kopjes inleiding, bewijs en overwegingen in het geheel verbeteren en vervangen op na te melden wijze. Het hof heeft daarbij deels aansluiting gezocht bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen.\n\nVerbetering van de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman, overeenkomstig de overgelegde pleitnota, bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken. Daartoe is samengevat aangevoerd dat de tenlastegelegde afbeeldingen niet kunnen worden aangemerkt als kinderporno; de tenlastegelegde afbeeldingen bevatten op zichzelf geen seksuele gedraging. Ook uit de wijze van het tot stand komen van de tenlastegelegde afbeeldingen kan niet worden geconcludeerd dat deze onmiskenbaar strekken tot het opwekken van een seksuele prikkeling. Verder stelt de verdediging dat uit het dossier volgt dat [medeverdachte] de foto’s heeft genomen en dat medeplegen niet kan worden bewezen, hetgeen wel nodig is om tot een veroordeling van de verdachte te komen. Uit het enkele feit dat de verdachte (mede) op de afbeeldingen is te zien, kan niet volgen dat er van samenwerking ten aanzien van de totstandkoming van de foto’s sprake is.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nInleiding\n\nIn maart 2012 ontving het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme van de nationale recherche (hierna: TBKK) afbeeldingen van de Deense politie, waarop onder andere een man, een vrouw, drie jongens en twee meisjes in wisselende samenstellingen te zien waren. Een aantal van die afbeeldingen werd aangemerkt als kinderporno. Op de afbeeldingen waren aanwijzingen te zien dat deze in Nederland zouden zijn gemaakt. Door het TBKK werd een onderzoek ingesteld naar de herkomst van die foto’s. Op de foto’s werden onder andere de verdachte, haar dochter [slachtoffer] en haar partner [medeverdachte] , herkend.Op 17 juni 2013 werden de verdachte en [medeverdachte] aangehouden.\n\nBewijsmiddelen\n\nTijdens het onderzoek werden de foto’s bekeken. Een aantal zijn genoemd respectievelijk beschreven met volgnummers 1 tot en met 34 in de proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4 respectievelijk -5. De afbeeldingen met de bestandsnamen HH Public Sample 001.jpg (het hof begrijpt: volgnummer 16),LC-351904 (het hof begrijpt: volgnummer 3)en LC-351905(het hof begrijpt: volgnummer 2)werden door verbalisant [verbalisant 1] , destijds werkzaam als gecertificeerd kinderpornorechercheur, als kinderpornografisch aangemerkt. Op deze afbeeldingen zijn te zien de verdachte en [slachtoffer] . [slachtoffer] ligt rechts van de verdachte en [slachtoffer] heeft de tepel van de rechterborst van de verdachte in haar mond. De verdachte heeft met haar rechterhand het hoofd van haar dochter vast. [slachtoffer] ’s bovenlichaam is ontbloot. Deze foto met volgnummer 3 is nagenoeg identiek aan de foto met volgnummer 2.Verder is de foto met volgnummer 16 identiek aan de foto met volgnummer 2.\n\nUit onderzoek op basis van zogenaamde exif-informatie is gebleken dat de afbeeldingen LC-351904 (volgnummer 3) en LC-351905 (volgnummer 2) werden gemaakt op – respectievelijk – 2004-01-09 om 07:35:15 uur en 2004-01-09 om 07:35:28 uur.Uit de exif-informatie volgt verder dat op 2004-01-09 tussen 07:15:40 uur en 07:50:54 uur in totaal 14 foto’s werden gemaakt.Al deze foto’s werden in het politieonderzoek als kinderpornografisch aangemerkt.Hieronder volgt, met uitzondering van de hiervoor beschreven foto’s met volgnummers 2 en 3, een beschrijving van die foto’s:\n\n- Foto met volgnummer 28: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje ligt op een zitbank. Het meisje ligt op haar rug, heeft haar rechterhand onder haar hoofd, de linkerhand in haar zij, heeft haar linkerbeen opgetrokken en draagt een wit onderbroekje met een roze bies en een afbeelding van een blauw bloemetje. Het camerastandpunt is gericht op de borsten en het kruis van het meisje.Volgens de exif-informatie is de foto gemaakt op 2004-01-09 om 07:15:40 uur.\n\n- Foto met volgnummer 34: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje zit geheel ontkleed op een speelkleed. Het meisje betast met haar rechterhand haar vagina en houdt met haar linkerhand haar blauwe onderbroekje vast.Deze foto is volgens de exif-informatie gemaakt op 2004-01-09 om 07:29:27 uur.\n\n- Foto met volgnummer 4: afgebeeld zijn de verdachte en [slachtoffer] . Beiden liggen op hun rug in een tweepersoonsbed. Het meisje ligt rechts van haar moeder, heeft haar hoofd naar links, reikt met haar rechterhand naar de rechterborst van haar moeder. Het meisje heeft haar benen opgetrokken en draagt een blauw onderbroekje. Het camerastandpunt is gericht op het kruis van het meisje.Blijkens de exif-informatie is deze foto gemaakt op 2004-01-09 om 7:35:05.\n\n- Foto met volgnummer 1: afgebeeld zijn de verdachte en [slachtoffer] . Het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug, heeft haar benen opgetrokken, houdt met beide handen haar voeten vast en kijkt tussen haar benen door in de camera. Ze draagt een blauw onderbroekje en heeft een ontbloot bovenlichaam. Het camerastandpunt is gericht op het kruis van het meisje. Naast haar ligt haar moeder, de verdachte. Zij heeft dezelfde houding als haar dochter [slachtoffer] .Uit de exif-informatie volgt dat de foto is genomen op 2004-01-09 om 7:36:17 uur.\n\n- Foto met volgnummer 27: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug, heeft haar benen opgetrokken en kijkt daar tussendoor in de camera. Ze draagt een blauw onderbroekje dat zij in de knieholte heeft zitten. Het camerastandpunt is gericht op de anus en vagina van het meisje.Volgens de exif-informatie is deze foto genomen op 2004-01-09 om 7:41:09.\n\n- Foto met volgnummer 29: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug en heeft haar benen gespreid. Ze draagt een blauw onderbroekje dat zij met beide handjes omlaag brengt. Het camerastandpunt is gerecht op de vagina van het meisje.De foto is volgens de exif-informatie genomen op 2004-01-09 op 7:41:25.\n\n- Foto met volgnummer 14: het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug, met haar benen gespreid. Ze draagt een blauw onderbroekje dat zij op haar enkels heeft zitten. Het camerastandpunt is gericht op de vagina van het meisje. Het meisje is [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 2] .Volgens exif-informatie is de foto genomen op 2004-01-09 om 07:42:22.\n\n- Foto met volgnummer 11: op deze foto staat [slachtoffer] , Op de afbeelding is ingezoomd op de vagina van [slachtoffer] welke alleen zichtbaar is. Het meisje heeft het rechterpijpje van haar blauwkleurige onderbroekje naar links geschoven en trekt met haar vingers haar grote schaamlipjes uit elkaar waardoor er zicht is op haar kleine schaamlipjes.De foto is volgens exif-informatie genomen op 2004-01-09 om 07:43:38.\n\n- Foto met volgnummer 13: het meisje staat met de rug naar de camera, er is ingezoomd op haar billen en de bovenkant van haar lichtblauwe onderbroekje zit ter hoogte van haar knieën. Met haar handen steunt ze op de achterkant van een bed. Het afgebeelde meisje is [slachtoffer] .Volgens exif-informatie is de foto genomen op 2004-01-09 om 7:42:42.\n\n- Foto met volgnummer 12: op de afbeelding is ingezoomd op de vagina van [slachtoffer] welke alleen zichtbaar is. Het meisje heeft het rechterpijpje van haar blauwkleurig onderbroekje naar links geschoven en trekt met haar vingers de grote schaamlipjes uit elkaar waardoor er zicht is op haar kleine schaamlipjes.De foto is volgens exif-informatie genomen op 2004-01-09 om 07:43:14.\n\n- Foto met volgnummer 9: het is een afbeelding van de vagina van [slachtoffer] . Het meisje ligt op haar rug met opgetrokken benen. Het meisje trekt met haar vingers haar vagina open.Blijkens exif-informatie is de foto genomen op 2004-01-09 om 7:44:12 uur.\n\n- Foto met volgnummer 30: op deze foto afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje zit met haar knieën op een bed. Het meisje heeft haar bovenlichaam ontbloot en draagt een roze onderbroekje. Het camerastandpunt is gericht op de borstjes van het meisje. Het meisje steekt haar tong uit en houdt deze in de linker mondhoek.Volgens exif-informatie is de foto gemaakt op 2004-01-09 om 7:50:54.\n\n [slachtoffer] is, zoals hiervoor al is vermeld, geboren op [geboortedatum] .\n\nIn het herziene rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 11 mei 2023 is onderzoek gedaan naar de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de metadata, en in het bijzonder de tijdstempels, aanwezig in de aangeleverde fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004. Op 10 oktober 2022 is volgens opgaaf de meest origineel beschikbare versie van het onderzoeksmateriaal, als collectie van 353 fotobestanden [AAPT7154NL] waarvan het grootste deel ook exif-metadata bevat, bij het Nederlands Forensisch Instituut aangeleverd. Deze collectie bevat 110 bestanden met een tijdstempel van 9 januari 2004. In het onderzoek is gebruik gemaakt van de volgende hypothesen:\n\nHypothese B1: De tijdstempels in de fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004, komen (ongeveer) overeen met het moment van opname van foto’s.\n\nHypothese B2: De tijdstempels in de fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004, komen niet overeen met het moment van opname van de foto’s.\n\nUit het onderzoek volgt dat de bevindingen van het onderzoek van de aangeleverde fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004 zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer hypothese B2 waar is, dan wanneer hypothese B1 waar is.\n\nVerder volgt samenvattend uit het onderzoek dat de metadata eruit zien zoals je zou verwachten bij originele, niet aangepaste metabestanden die zijn gemaakt met een Kodak DX7630. Er zijn binnen het onderzoek geen aanwijzingen gevonden die wijzen op manipulatie van de tijdstempels en metadata in de fotobestanden met exif-tijdstempeldatum 9 januari 2004.\n\nAan de verdachte zijn in haar verhoor bij de politie op 18 juni 2013 16 foto’s getoond. De getoonde foto’s komen overeen met de nummers in het proces-verbaal beeldmateriaal van het KLPD.In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018 is nader uitgewerkt welke foto’s aan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn getoond. Dat betreffen de foto’s 1 tot en met 16 uit dit proces-verbaal waarbij de nummering in de tabellen is bijgevoegd.De verdachte heeft in haar verhoor bij de politie verklaard dat zij vanaf mei 2006 tot januari 2007 woonde aan de [adres 2] . Haar partner [medeverdachte](het hof begrijpt: [medeverdachte] )kwam daar geregeld. Zij heeft verder verklaard dat de foto’s met nummering 1 tot en met 6 zijn gemaakt op de [straatnaam 1] en dat zij zich deze foto’s kan herinneren omdat zij daar zelf bij was. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de foto’s met nummering 1 tot en met 6 de foto’s uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4 met respectievelijk volgnummers 3, 1, 4, 2, 15 en 13 betreffen.De foto’s waar de verdachte zelf op staat, zijn volgens haar gemaakt in 2006.In haar verhoor bij de politie op 20 maart 2023 heeft de verdachte met betrekking tot de foto’s met volgnummers 17-34 verklaard dat zij geen manipulatie ziet.\n\nMedeverdachte [medeverdachte] heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij de foto’s 1, 2, 3 en 4 heeft gemaakt.Dat zijn blijkens het proces-verbaal van bevindingen de foto’s met respectievelijk volgnummers 3, 1, 4 en 2.Verder heeft hij verklaard dat hij een onderbroekenfetisj had en een dwangmatige verzamelaar is van afbeeldingen van meisjes en vrouwen in onderbroeken.\n\n Op 24 oktober 2023 is [slachtoffer] gehoord bij de raadsheer-commissaris. Daar heeft zij onder meer verklaard dat zij zich kan herinneren dat er naaktfoto’s van haar zijn gemaakt als kind zijnde, dat [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] )deze foto’s maakte en dat [verdachte](het hof begrijpt: de verdachte)hierbij stond. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij zich de situatie kan herinneren dat zij op een bed ligt met haar knieën omhoog waarbij haar onderlichaam is ontkleed. Verder heeft zij verklaard dat zij zich kan herinneren dat er foto’s van haar vagina zijn gemaakt. Ze lag dan op bed en er werden foto’s gemaakt. [medeverdachte] spreidde haar schaamlippen, en maakte dan met één hand de foto. Haar moeder(het hof begrijpt: de verdachte)was er ook bij als er zo’n foto van haar vagina werd gemaakt.\n\nBewijsoverwegingen\n\nSeksuele gedraging\n\nHet hof heeft de tenlastegelegde afbeeldingen, mede op verzoek van de verdediging, in raadkamer bekeken. Daarbij heeft het hof waargenomen dat de afbeeldingen van onderaf in een ongebruikelijk camerastandpunt zijn genomen. Op de afbeeldingen zijn de ontblote bovenlichamen van de verdachte en [slachtoffer] te zien. De verdachte heeft haar hand op het achterhoofd van [slachtoffer] en duwt\u002Fhoudt [slachtoffer] hiermee in de gefotografeerde positie. Het hof neemt verder waar dat de verdachte haar mond gedeeltelijk open heeft, dat zij haar hoofd (deels) heeft weggedraaid en dat haar ogen (op een van de twee afbeeldingen) naar boven zijn gedraaid. Verder heeft het hof waargenomen, gelijk de verbalisanten hebben gerelateerd, dat [slachtoffer] de tepel van de verdachte in haar mond heeft. Het hof is gelet op het voorgaande, in tegenstelling tot de verdediging, maar met gecertificeerd kinderpornorechercheur [verbalisant 1] , van oordeel dat de tenlastegelegde afbeeldingen wel degelijk afbeeldingen zijn met daarop een gedraging die van expliciet seksuele aard is en derhalve als kinderpornografisch kunnen worden aangemerkt. Dat de afbeeldingen van kinderpornografische aard zijn, vindt bovendien bevestiging in het feit dat deze afbeeldingen onderdeel uitmaken van een reeks van 14 afbeeldingen welke in een tijdsbestek van ongeveer 35 minuten zijn gemaakt en welke overige afbeeldingen eveneens als kinderpornografisch zijn aangemerkt. Met betrekking tot het moment waarop en de locatie waar de afbeeldingen zijn gemaakt, gaat het hof weliswaar uit van de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat de foto’s waarop zij zelf is te zien, zijn gemaakt aan de [adres 2] en dat zij daar woonachtig was in de periode van mei 2006 tot januari 2007. Daarmee wordt bevestigd hetgeen is gerelateerd in voormeld rapport van het NFI van 11 mei 2023, te weten dat de tijdstempels van de afbeeldingen (zeer veel waarschijnlijker) niet overeenkomen met het moment van het maken van de foto’s. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof echter van oordeel dat die afbeeldingen wel zijn gemaakt in een tijdsbestek van 35 minuten. Het hof wijst daarbij op de conclusie van het NFI daaromtrent, namelijk dat de metadata eruit zien zoals je zou verwachten bij originele, niet aangepaste metadata van fotobestanden en er geen aanwijzingen zijn gevonden die wijzen op manipulatie van de tijdstempels en metadata in de fotobestanden met exif-tijdstempeldatum 9 januari 2004. Dat de verdachte niet alleen aanwezig was bij de tenlastegelegde afbeeldingen, maar ook bij het maken van voormelde overige (kinderpornografische) afbeeldingen, vindt zijn bevestiging in de hiervoor bij het bewijs opgenomen verklaring van [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris. Het verweer van de verdediging, voor zover inhoudende dat die verklaring van [slachtoffer] ziet op een later moment en aldus niet op de overige hiervoor genoemde afbeeldingen, wordt door het hof niet gevolgd. [slachtoffer] heeft in haar verhoor bij de raadsheer-commissaris immers verklaard dat zij zich een situatie zoals afgebeeld op een van de foto’s kon herinneren, maar dat zij dacht dat ze op dat moment ouder was. Ook heeft zij verklaard dat zij niet zeker weet hoe oud ze was en dat ze eerder in het verhoor gokte dat ze toen ongeveer 12 jaar moet zijn geweest. Ten slotte maakt de door [slachtoffer] geschetste context waarin het maken van de foto’s plaatsvond – welke context overeenkomt met de inhoud van de hiervoor omschreven pornografische afbeeldingen – dat het hof van oordeel is dat [slachtoffer] in haar verhoor voormelde afbeeldingen, waarbij zij ongeveer 8\u002F9 jaar oud was, heeft bedoeld.\n\nMedeplegen\n\nMet betrekking tot het door de verdediging gevoerde verweer omtrent het medeplegen, overweegt het hof nog als volgt. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat medeverdachte [medeverdachte] de tenlastegelegde afbeeldingen, waarop zowel de verdachte als [slachtoffer] zijn te zien, heeft genomen. Het hof is van oordeel dat er op die afbeeldingen doelbewust is geposeerd en dat er geen sprake was van een spontaan ‘grappig’ moment, zoals de verdediging heeft betoogd. Daarbij wijst het hof onder meer op de setting waarin de afbeeldingen zijn genomen, namelijk op een bed, waarbij zowel het bovenlijf van [slachtoffer] als van de verdachte is ontbloot, maar ook op de (seksuele) pose die door zowel de verdachte als [slachtoffer] daarop zijn aangenomen. Naar ‘s hofs oordeel kan het de verdachte niet zijn ontgaan dat deze afbeeldingen door medeverdachte [medeverdachte] zijn genomen, mede gelet op haar aanwezigheid bij de andere 12 in een totaal tijdsbestek van 35 minuten genomen kinderpornografische afbeeldingen van [slachtoffer] . Dat maakt dat het hof van oordeel is dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij het bewezenverklaarde feit, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.\n\nHet hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals in de bewezenverklaring van de rechtbank is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmedeplegen van een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, op te leggen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft bepleit aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met haar partner medeplegen van het vervaardigen van kinderpornografische afbeeldingen van haar destijds minderjarige dochter [slachtoffer] . De afbeeldingen zijn onderdeel van een reeks van afbeeldingen waarin [slachtoffer] poseerde in seksueel prikkelende houdingen en die zijn ontdekt tijdens een onderzoek naar kinderporno op het internet door de Deense autoriteiten. Uit dat onderzoek is gebleken dat de afbeeldingen van [slachtoffer] via het internet zijn verspreid en door verzamelaars van kinderporno worden gedeeld. Het hof is van oordeel dat de verdachte haar zeer jonge dochter heeft misbruikt ten behoeve van de perverse seksuele behoeften van haar toenmalige maar ook nog huidige partner. Hierbij merkt het hof op dat [slachtoffer] kennelijk om aan de fetisj van de medeverdachte tegemoet te komen, heeft geposeerd in verschillende onderbroeken. Het is weerzinwekkend dat de verdachte eraan heeft meegewerkt dat haar dochter, in alle onschuld en totaal onwetend, op deze wijze is gefotografeerd en geëxploiteerd. Zij heeft daarmee het vertrouwen dat een kind in een ouder moet kunnen hebben op zeer ernstige wijze misbruikt en heeft slechts oog gehad voor haar eigen seksuele verlangens en\u002Fof die van haar partner. Daar komt bij dat het een feit van algemene bekendheid is dat slachtoffers van een feit als het onderhavige gedurende lange tijd de negatieve psychische gevolgen kunnen ervaren. [slachtoffer] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat haar moeder haar heeft bedreigd dat ze niks over de zaak mocht vertellen en dat haar leven een hel zou worden als ze dat wel zou doen. Het hof neemt dit de verdachte bijzonder kwalijk.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het haar betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 februari 2024, waaruit volgt dat zij niet eerder ter zake van strafbare feiten is veroordeeld.\n\nTevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nHet hof heeft daarnaast acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Deze oriëntatiepunten gaan bij het vervaardigen van kinderporno uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.\n\nNaar het oordeel van het hof kan – gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat de verdachte naar ’s hofs oordeel geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen – niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof het navolgende.\n\nHet hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder mee toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.\n\nHet hof stelt vast dat in eerste aanleg en in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden, te weten een overschrijding van in totaal ongeveer 7 jaren. Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de op te leggen straf.\n\nZoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van één jaar passend en geboden is. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. In hetgeen de raadsman heeft bepleit, ziet het hof geen redenen om anderszins te beslissen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie en de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;\n\nkwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor vermeld;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. C.M. Hilverda, voorzitter,\n\nmr. drs. M.C.C. van de Schepop en mr. R. Lonterman, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,\n\nen op 22 april 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , hoofdagent van politie-eenheid Limburg en [verbalisant 2] , brigadier van politie-eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2012085827, gesloten d.d. 27 juni 2013, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met doorgenummerde dossierpagina’s 1-307. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.\n\n Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming ex artikel 110 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] d.d. 23 januari 2013, proces-verbaalnummer 2012085827.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 2\u002F8 en pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4 niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 2 en 3.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4 niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeeldingen 28, 34, 4, 3, 2, 1, 27, 29, 14, 13, 12, 11, 9 en 30.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 1\u002F8 (afbeelding 1), 2\u002F8 (afbeelding 2, 3 en 4), 3\u002F8 (afbeelding 9, 11 en 12), 4\u002F8 (afbeelding 13 en 14), 6\u002F8 (afbeeldingen 27, 28 en 29) en 7\u002F8 (afbeelding 30 en 34).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 6\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 28.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 7\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 34.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 2\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 4.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 1\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 1\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 1\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 1.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 6\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 27.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 6\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 29.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 14.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 3\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 11.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 13.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 12.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 3\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 9.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 7\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 30.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juli 2012, p. 71.\n\n Het herzien rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 11 mei 2023, nummer 2022.05.13.109, opgemaakt door de NFI-deskundige ir. R. Zoun.\n\n Het proces-verbaal van zaakgericht verhoor van verdachte [verdachte] , dossierpagina 293; het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2015, proces-verbaalnummer 20122085827, pagina 2\u002F2, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] .\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, steeds kolom 5, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 18 juni 2013, dossierpagina’s 291 en 293.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 20 maart 2023, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-toonmapB\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 18 juni 2013, dossierpagina 258.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 18 juni 2013, dossierpagina’s 262-263.\n\n Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [slachtoffer] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 24 oktober 2023, pagina’s 2 en 3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:1420","2024-04-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.232Z",{"id":200,"ecli":201,"slug":202,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":203,"fullText":204,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":205,"sourceTimestamp":206,"parsedAt":51,"updatedAt":207},"625","ECLI:NL:GHDHA:2024:2949","ecli-nl-ghdha-2024-2949","2024-04-09T00:00:00.000Z","Gerechtshof Den Haag\n\nenkelvoudige kamer voor strafzaken\n\nRolnummer: 22-001250-23\n\nParketnummer: 96-272766-22\n\nVERSTEK\n\nUitspraak van mr. A.M.P. Gaakeer van 9 april 2024 in de zaak tegen de verdachte:\n\nnaam: [achternaam verdachte] ,\n\nvoornamen: [voornamen verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] (Colombia),\n\nwonende te [woonplaats] , [adres] .\n\nOntvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep\n\nDe verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.\n\nmr. A.M.P. Gaakeer","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:2949","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.857Z",{"id":209,"ecli":210,"slug":211,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":212,"fullText":213,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":214,"sourceTimestamp":215,"parsedAt":51,"updatedAt":216},"759","ECLI:NL:GHAMS:2024:997","ecli-nl-ghams-2024-997","2024-04-08T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000758-21 (ontneming)\n\ndatum uitspraak: 8 april 2024\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 maart 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met nummer 15-741296-11 tegen de betrokkene:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1982,\n\nadres: [adres].\n\nProcesgang\n\nHet openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 134.671,28.\n\nDe betrokkene is bij vonnis in de strafzaak van de rechtbank Noord-Holland van 31 mei 2013 – kort gezegd – onherroepelijk veroordeeld ter zake van telkens mensenhandel terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, medeplegen van witwassen en deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.\n\nDe rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis in de ontnemingsprocedure van 16 maart 2021 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 134.671,28 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nTegen het vonnis in de ontnemingszaak is namens de betrokkene hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2023, 25 maart 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.\n\nSchatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene wordt geschat op een bedrag van € 117.971,00.\n\nTer onderbouwing heeft zij aangevoerd dat de betrokkene en [naam] een economische eenheid vormden. Het totale bedrag aan contante opbrengsten van de betrokkene en [naam] bedraagt, overeenkomstig het ontnemingsrapport, € 332.510,00. Dit bedrag is opgebouwd uit contante stortingen op de rekeningen van de betrokkene en [naam], money transfers en het contante geldbedrag dat bij de betrokkene is aangetroffen. Het totale bedrag aan verdiensten van de betrokkene bedraagt, overeenkomstig het ontnemingsrapport, € 63.167,43. De onherroepelijk toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen bedragen, voor zover het materiële schade betreft en zij betrekking hebben op de verdiensten van de slachtoffers, in totaal € 33.400,00.\n\nUit het voorgaande volgt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en [naam] tezamen (332.510,00 - 63.167,43 - 33.400,00 =) (afgerond) € 235.942,00 bedraagt. Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de betrokkene uitkomt op (235.942,00 \u002F 2 =) (afgerond) € 117.971,00.\n\nOordeel van het hof\n\nGrondslag van de vordering\n\nHet hof is van oordeel dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van de strafbare feiten waarvoor zij is veroordeeld (artikel 36e, tweede lid, Sr).\n\nBerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nBij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof acht geslagen op de\n\nbevindingen uit het ontnemingsrapporten op hetgeen de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht.\n\nIn het ontnemingsrapport wordt uitgegaan van de periode van 26 mei 2008 tot 24 april 2012.Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel inzake de betrokkene en [naam] worden de contante opbrengsten afgezet tegen de legale inkomsten van zowel de betrokkene als [naam]. Hierbij zij opgemerkt dat de legale inkomsten van [naam] worden vastgesteld op nihil.\n\nContante opbrengsten\n\nHet hof gaat – evenals het ontnemingsrapport – wat betreft het bedrag dat de betrokkene en [naam] aan contante opbrengsten hebben gegenereerd uit van in totaal € 332.510,00.\n\nDit bedrag is opgebouwd uit twee bedragen. Ten eerste het bedrag van € 331.490,00 dat is vermeld in onderstaande tabel uit het ontnemingsrapport. Hierbij gaat het om de contante stortingen op de bankrekening van [naam] in Nederland, de contante stortingen op de bankrekening van [naam] in Duitsland, de contante stortingen op de bankrekeningen van de betrokkene en de money transfers via Moneygram en Western Union. In deze tabel uit het ontnemingsrapport staat in welke jaren contante geldbedragen zijn gestort dan wel er een money transfer heeft plaatsgevonden.\n\nTevens was de betrokkene op de dag van haar aanhouding nog in het bezit van € 1.020,00 aan contant geld.\n\nDit maakt dat het totale bedrag aan contante opbrengsten uitkomt op (331.490,00 + 1.020,00 =) € 332.510,00.\n\nLegale inkomsten van de betrokkene\n\nHet hof gaat – evenals het ontnemingsrapport – wat betreft het bedrag dat de betrokkene en [naam] aan legale inkomsten hebben gegenereerd uit van in totaal € 63.167,43.\n\nDe betrokkene heeft legale inkomsten gehad uit prostitutiewerkzaamheden in Nederland. Voor een berekening van deze inkomsten worden de tijdens de doorzoeking in beslaggenomen aantekeningen van maart\u002Fapril 2012 en 18 mei tot en met 3 november 2011 als uitgangspunt genomen. Uit de aantekeningen, die op het woonadres van de betrokkene zijn aangetroffen, bleek dat de betrokkene in 28 dagen 185 klanten (is gemiddeld 6,6 klanten per dag) heeft ontvangen en in de tweede periode in 14 dagen 39 klanten (is gemiddeld 2,8 klanten per dag) heeft ontvangen. Gezien het grote verschil in aantal klanten tussen beide periodes wordt een gemiddelde als aanname genomen, dus ((6,6 + 2,8) \u002F 2 =) gemiddeld 4,7 (afgerond 5) klanten per dag. Tijdens de doorzoeking in de woning van de betrokkene werden aantekeningen aangetroffen die van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] bleken te zijn. Uit deze aantekeningen bleek het gemiddelde aantal klanten van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] 5,4 klanten (14 dagen) en 7,3 klanten (71 dagen) per dag te zijn.\n\nVoor de betrokkene, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] betekent dit een gemiddeld aantal van (4,7 + 5,4 + 7,3 =) 17,4 \u002F 3 = 5,8 (afgerond 6) klanten per dag. Uitgaande van een verdienste van € 50,00 per klant\n\nbetekent dit een bruto verdienste van (6 x 50,00 =) € 300,00 per dag.Aan de hand van deze aanwijzingen is een berekening gemaakt van het mogelijk door de betrokkene verdiende geld als prostituee. Daartoe werd in de plaatsen Haarlem, Utrecht en Eindhoven bij kamerverhuurbedrijven informatie betreffende de huur en de daaraan verbonden kosten van een kamer door de betrokkene opgevraagd.\n\nUit de opgevraagde informatie bleek het volgende.\n\nBij de weekhuur te Utrecht wordt ervan uitgegaan dat de betrokkene 6 dagen per week werkt. Met persoonlijke verzorging per dag wordt bedoeld de uitgaven voor bijvoorbeeld kleding, make-up, condooms en glijmiddel ten behoeve van haar werkzaamheden als prostituee. Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat deze kosten ongeveer € 20,00 per dag bedragen. Hierbij zijn ook de kosten van het eten en drinken tijdens haar werk mee verrekend.\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is dat de totale legale inkomsten van de betrokkene uitkomen op € 63.167,43 en zal dit bedrag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in aftrek brengen op de hiervoor genoemde contante opbrengsten.\n\nVorderingen benadeelde partijen\n\nHet hof is van oordeel dat de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen in de strafzaak – voor zover het materiële schade betreft en deze schade voortvloeit uit de bewezenverklaarde feiten – in mindering moeten worden gebracht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gaat hierbij om een bedrag van in totaal (22.400 + 9.000 + 2.000 =) € 33.400,00. De bewezenverklaarde feiten in de strafzaak zijn voorafgaand aan de wetswijziging van 1 januari 2014 gepleegd, waardoor de voorwaarde dat de vorderingen door de betrokkene moeten zijn voldaan nog niet van toepassing is. Dit betekent dat het gezamenlijke wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en [naam] uitkomt op (269.342,57 - 33.400,00 =) € 235.942,57.\n\nToerekening\n\nDe betrokkene heeft met een ander, [naam], van strafbare feiten geprofiteerd. Aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt echter geen indicatie te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst. De betrokkene heeft geen inzicht gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel en ook overigens zijn er geen concrete aanknopingspunten voorhanden voor een afwijkende verdeelsleutel tussen de betrokkene en [naam] dan op basis van gelijke verdeling. Dit zou slechts anders zijn indien de betrokkene aannemelijk zou hebben gemaakt dat feitelijk van een andere verdeling moet worden uitgegaan. Het hof zal daarom het totale wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs toerekenen. Dit betekent dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de betrokkene schat op (235.942,57 \u002F 2 =) € 117.971,28.\n\nVerplichting tot betaling aan de Staat\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat aan de\n\nbetrokkene de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 112.971,00.\n\nTer onderbouwing heeft zij aangevoerd dat in verband met de overschrijding van de redelijke termijn een bedrag van € 5.000,00 op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moet worden gebracht.\n\nOordeel van het hof\n\nIn artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere betrokkene gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Uitgangspunt is dat een termijn van 2 jaren per instantie als redelijk is aan te merken.\n\nIn eerste aanleg geldt als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in dit geval\n\nhet moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, te weten op 25 februari 2015. De rechtbank heeft na ruim 6 jaren – namelijk op 16 maart 2021 – vonnis gewezen zodat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 4 jaren is overschreden.\n\nOp 24 maart 2021 is hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 8 april 2024 arrest, zodat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 1 jaar is overschreden.\n\nGelet op de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep zal voor de betalingsverplichting een bedrag van € 5.000,00 in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nAan de betrokkene dient, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de\n\nverplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van (117.971,28 - 5.000 =) € 112.971,28.\n\nToepasselijk wettelijk voorschrift\n\nDe op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.\n\nStelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 117.971,28 (honderdzeventienduizend negenhonderdeenenzeventig euro en achtentwintig cent).\n\nLegt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van€ 112.971,28 (honderdtwaalfduizend negenhonderdeenenzeventig euro en achtentwintig cent).\n\nBepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. P. Greve en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van\n\n8 april 2024.\n\n=========================================================================\n\n […]\n\n Een proces-verbaal strafrechtelijk financieel onderzoek van 5 november 2014, inclusief bijlagen, door verbalisant [verbalisant] (hierna: het ontnemingsrapport).\n\n Ontnemingsrapport, par. 2.1 (pagina 2).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.7 (pagina 15).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.6 (pagina 14).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.6 (pagina 14).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.6 (pagina 14).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.3.2 (pagina’s 11-12).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.3.2 (pagina 12).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.3.2 (pagina 12).\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.3.2 (pagina 13). In deze tabel in het ontnemingsrapport wordt voor de periode van 18 november tot en met 7 december 2011 uitgegaan van 12 hele dagen en 4 halve dagen. Dit betekent een totaal van 14 (hele) dagen. In de tabel wordt dan ook ten onrechte uitgegaan van 16 (hele) dagen. Het aantal van 16 (hele) dagen leidt tot een bruto inkomen van (16 x € 300,00 =) € 4.800,00 (zoals vermeld in de tabel), terwijl het aantal van 14 (hele) dagen zou leiden tot een bruto inkomen van (slechts) (14 x € 300,00 =) € 4.200,00. In het voordeel van de betrokkene zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden uitgegaan van 16 (hele) dagen.\n\n Ontnemingsrapport, par. 4.3.2 (pagina 13).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:997","2024-04-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.815Z",24,20,[220,221,11,222,223,224],2026,2025,2023,2022,2016]