[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-damage-compensation-nl-2026":3},{"detail":4,"years":103},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":27,"page":14,"limit":102},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},136,"damage-compensation-nl","Damage Compensation","NL","2026-07-08T16:58:07.457Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":23},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63,72,80,87,94],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"902","ECLI:NL:RBNNE:2026:2689","ecli-nl-rbnne-2026-2689","",80,"2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F19\u002F154149 \u002F HA RK 25-62\n\nBeschikking van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\nadvocaat: mr. S.B.W. du Plessis,\n\ntegen\n\n1. STICHTING SANQUIN BLOEDVOORZIENING,\n\nte Amsterdam, 2.AXA XL,\n\nte Amsterdam,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: Sanquin c.s.,\n\nadvocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van 13 november 2025 met producties 1 tot en met 13;\n\n- het verweerschrift van 10 februari 2026 met producties 1 tot en met 17;\n\n- de mondelinge behandeling van 9 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Du Plessis.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 14 december 2021 heeft [verzoekster] voor de eerste maal bloed gedoneerd en wel op de afnamelocatie van Sanquin in [plaats] . Na afloop van de donatie heeft [verzoekster] plaatsgenomen op een stoel in het donorcafé. Het donorcafé is de koffieruimte die in de hoek van de bloedafnameruimte is ingericht, op enkele meters afstand van de bloedafnamebedden. De rechtbank verwijst naar onderstaande overzichtsfoto waarop de bloedafnamebedden te zien zijn en achter een houten afscheidingswand het donorcafé.\n\n2.2.. \n\nIn het donorcafé was, naast [verzoekster] , een vrijwilligster van Sanquin aanwezig om\n\n- onder meer - eten en drinken voor de donoren te verzorgen.\n\n2.3.. \n [verzoekster] is flauwgevallen op enig moment nadat zij is gaan zitten in de donkere stoel aan de rechterkant (zie onderstaande afbeelding). Zij is vervolgens met stoel en al omgevallen. Hierbij heeft zij een incomplete dwarslaesie opgelopen.\n\n2.4.. \n [schaderegelingsbureau] heeft op verzoek van Sanquin een toedrachtsonderzoek uitgevoerd en de betrokken personen gehoord. Het rapport is verschenen op 13 juni 2022.\n\n2.5.. \n\nDe vrijwilligster heeft op 2 juni 2022 de volgende verklaring afgelegd bij [schaderegelingsbureau] :\n\n“ (…)\n\nAls vrijwilligster bied ik alle donoren actief wat te drinken aan en wijs ze ook op de snacks die liggen op de koffietafel. Ik ga ervan uit dat ik ook mevrouw [verzoekster] actief wat heb aangeboden om te eten en te drinken.\n\nZeker weten doe ik het niet, maar ik vermoed van wel. Immers, op het moment dat zij viel stond ik met mijn rug naar haar toe en was bezig met de koffieautomaat. Het kan bijna niet anders dat ik toen hetgeen zij wilde hebben, heb bereid met de koffieautomaat. Ik ga er derhalve vanuit dat ik haar actief wat heb aangeboden en zij ook wat gevraagd heeft om te drinken.\n\n(…)\n\nU vraagt wat ik mij nog kan herinneren van hetgeen er gebeurd is.\n\nZoals ik u net verteld heb was ik aanwezig in het donorcafé en had ik mevrouw [verzoekster] gevraagd of zij wat wilde drinken. Zij heeft toen waarschijnlijk \"ja\" gezegd want ik was bezig met de koffieautomaat. Op het moment dat ik bezig was met de koffieautomaat, en dus met mijn rug naar haar toestond, hoorde ik een hele diepe zucht. Ik draaide mij om en zag haar toen zitten in een vreemde houding. Die houding zie ik nog wel eens voor mij (in gedachten). Zij zat op de locatie waar nu de paarse stoel staat in het donorcafé, zat met haar rechterbeen over de rechter leuning en haar beide handen voor het gezicht. Exact dezelfde houding als mijn collega nu voordoet en waarvan u de foto maakt (zie afbeelding 3, aanvulling rechter). Op hetzelfde moment dat ik omkeek en haar zo zag zitten, zag ik haar naar rechts (de kant waar zij het been over de leuning had hangen) wegzakken, ik liep\u002Frende de drie tot vier meter vanaf mijn locatie naar haar toe. In die korte periode (enkele seconden) zakte mevrouw [verzoekster] echter verder wegover haar rechterzijkant en kantelde de stoel. Op het moment dat ik bij haar was heb ik nog getracht de stoel tegen te houden door de linker leuning te grijpen maar ik was net te laat. De stoel viel op de rechterzijkant en mevrouw [verzoekster] viel mee. Zij viel echter niet op haar rechterzijkant maar doordat zij gedraaid zat in de stoel (doordat haar been over de leuning lag) viel zij op haar linkerarm\u002Flinkerschouder in dezelfde positie als dat mijn collega nu gaat liggen (zie afbeelding 4, aanvulling rechter). Ik heb geen geluid gehoord dat een stoel werd verplaatst of voor- of achteruit werd geschoven. Toen ik naar de donor toe rende heb ik direct mijn collega's geroepen. Daarop kwamen [naam 1] en [naam 2] aan rennen. [naam 1] was iets eerder hier dan [naam 2] . Beiden waren namelijk nog werkzaam in de afnameruimte met opruimwerkzaamheden na de donaties.\n\n(…)\n\nZelf ben ik hier al vijf jaar werkzaam als vrijwilliger en ik denk dat ik het in die hele periode maximaal drie- tot viermaal heb meegemaakt. Meestal, indien ik zie dat het met donoren in het donorcafé niet goed gaat, roep ik een van de donorassistenten en wordt een donor retour gebracht naar een afnamebed.”\n\n(…)”\n\nAfbeelding 3\n\nAfbeelding 4\n\n2.6.. \n\n [donorassistente 1] heeft bloed afgenomen bij [verzoekster] . Zij heeft op 2 juni 2022 de volgende verklaring afgelegd.\n\n“(…)\n\nNa donatie\n\n(…)mevrouw [verzoekster] had nergens last van. Zij gaf aan dat het goed ging, had ook na de donatie “kleur”in haar gezicht en ik ben met haar naar de houten afscheidingswand gelopen. Vervolgens heeft zij het laatste deel naar de koffietafel (twee meter) zonder mij gelopen. Ik ben vervolgens verder gegaan met mijn werkzaamheden in de afnameruimte.\n\nIncident\n\nOp het moment dat ik bezig was met de opruimwerkzaamheden hoorde ik een harde “boem” en riep de vrijwilligster \u002F koffiedame om hulp.\n\n(…)”\n\n2.7.. \n\n [donorassistente 2] heeft op 2 juni 2022 het volgende verklaard:\n\n“(…)\n\nIncident\n\n(…)\n\nHet incident (de val) heb ik niet gezien. Ik was werkzaam op de afnameafdeling, hoorde een val en vrijwel direct hoorde ik dat de vrijwillgster om hulp riep. Ik ben toen snel naar de koffietafel gerend, samen met [naam 2] .\n\n(…)\n\nToedracht\n\n(…)\n\nDe donor vertelde (…) dat zij aan de koffietafel was gaan zitten, zich niet lekker voelde en met haar hoofd tussen de armen op tafel was gaan liggen. Hoe zij gevallen was, wist zij niet.\n\n(…)”\n\n2.8.. \n\n [verzoekster] heeft op 15 juni 2022 de volgende verklaring afgelegd bij [schaderegelingsbureau] :\n\n“(…)\n\nNadat de naald verwijderd was heb ik even schuin wat naar de tv gekeken die hing in de afnameruimte en na ongeveer een minuutje ben ik naar de koffietafel gelopen; alleen. Tijdens dat lopen van de grote stoel naar de koffietafel, voelde ik me raar: ik had een vaag gevoel in mijn lijf. Ik ben gaan zitten op een van de stoelen die aan de koffietafel stond en keek in de richting van de uitgang van de koffiekamer (…). Er was een dame aanwezig in de koffiekamer, die stond met haar rug naar mij toe bij de koffieautomaat.\n\nU vraagt of dat een medewerkster was van Sanwuin dan wel een donor.\n\nDat weet ik niet. Ik heb geen woord met haar gewisseld.\n\n(…)\n\nCafé\n\nIn de koffiekamer\u002Fdonorcafe liggen op de tafel veel koeken. (…)\n\nVan mijn werkgever (het Rode Kruis) hadden wij, ter voorbereiding op de kerst, een grote\n\nTony's Chocolonely chocoladereep meegekregen. Ik heb die uit mijn tas gepakt, brak een stukje af en at. Ik weet nog dat het de smaak 'puur' had terwijl ik liever melkchocolade had. Ik voelde mij niet happy en steeds leger worden. Bij het Rode Kruis heb ik geleerd dat ik mij in dergelijke situaties voorover op een tafel moet gaan leggen waarbij mijn handen gekruist onder mijn hoofd. In die houding ben ik ook op de tafel gaan liggen in het donorcafé. Toen ging 'het licht uit'.\n\n(…)”\n\n2.9.. Het door Sanquin opgestelde “profiel vrijwilliger op afnamelocatie” (hierna: het profiel) luidt als volgt:\n\n“Profiel vrijwilliger op afnamelocatie\n\nWERKZAAMHEDEN\n\nDe taken van de vrijwilliger op een afnamelocatie van Sanquin zijn divers en worden per keer dat de vrijwilliger aanwezig is afgestemd met de teamleider inzameling van Sanquin en\u002Fof de vrijwilligerscoördinator (zelf ook een vrijwilliger). Het vrijwilligerswerk op de afnamelocatie omvat onder andere de volgende activiteiten:\n\n het verwelkomen van donors op de afnamelocatie\n\n het verzorgen van koffie, thee en versnaperingen voor donors\n\n het op orde houden van het donorcafé\n\n het verstrekken van schriftelijk informatiemateriaal\n\n het doorverwijzen naar een medewerker van de bloedbank als een donor\n\ninhoudelijke vragen heeft\n\n het inschakelen van een medewerker van de bloedbank als een donor onwel wordt.\n\n(…)\n\nSanquin verwacht van de vrijwilliger dat zij\u002Fhij:\n\n enthousiast, betrokken en flexibel is\n\n goede sociale vaardigheden en een servicegerichte instelling heeft\n\n verantwoordelijkheidsgevoel heeft en zorgvuldig en oplettend handelt\n\n een 'vrijwillig maar niet vrijblijvend'-mentaliteit heeft”.”\n\n2.10.. Het Handboek Domaine is de weergave van het eindresultaat van een onderzoeksproject onder bloedbanken naar donormanagement (DonorManagement in Europe). In het handboek van 2010 staat onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\nDe donor observeren tijdens en na de donatie, (…) ervoor zorgen dat de donor zich helemaal goed voelt als hij de locatie verlaat. Het is belangrijk dat verpleegkundigen, donorassistenten en vrijwilligers de donor na zijn donatie goed in de gaten houden.\n\n(…)\n\n2.11.. In de ten tijde van de bloeddonatie geldende 20e editie van de WDQM Blood Guide van de Raad van Europa (hierna Blood Guide) staan geen regels opgenomen over het aanbieden of drinken van water en\u002Fof (na)zorg voor donoren.\n\n2.12.. \n [verzoekster] heeft Sanquin aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. Sanquin heeft de aansprakelijkheid afgewezen.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):\n\n1. voor recht te verklaren dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van de (behandel)overeenkomst (artikel 7:446 BW en\u002Fof 6:74 BW) dan wel onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld (artikel 6:162 BW) en aansprakelijk is voor het [verzoekster] overkomen ongeval en Sanquin c.s. gehouden zijn de reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade aan [verzoekster] te vergoeden;\n\n2. de kosten van [verzoekster] zoals bedoeld in artikel 1019 aa Rv te begroten op het onder V.2 (randnummer van het verzoekschrift, aanvulling rechter)begrote bedrag, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, en Sanquin c.s. te veroordelen – uitvoerbaar bij voorraad – dat de begrote kosten binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking moeten worden voldaan op rekening [rekeningnummer] ten name van Du Plessis Letselschade Advocatuur B.V. en te verklaren voor recht dat de wettelijke rente zonder aanzegging verschuldigd zal zijn als niet binnen deze termijn is voldaan.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n [verzoekster] is flauwgevallen in het donorcafé waar zij plaats had genomen om aan te sterken na haar bloeddonatie. Zij is met stoel en al op de grond gevallen en heeft hierdoor een incomplete dwarslaesie opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat Sanquin aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] heeft geleden, omdat Sanquin onvoldoende (na)zorg heeft geboden. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen.\n\n4.2.. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n4.3.. \n [verzoekster] wenst de aansprakelijkheidsvraag bij deelgeschil voor te leggen, omdat partijen buiten rechte in staat zullen zijn de zaak verder te behandelen en de schade te begroten.\n\n4.4.. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over of Sanquin aansprakelijk is of niet. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.5.. Aan het verzoek heeft [verzoekster] - samengevat - ten grondslag gelegd dat Sanquin niet heeft voldaan aan haar zorgplicht, namelijk de plicht om het risico voor donoren zo klein mogelijk te maken. Op het moment dat het ongeluk gebeurde bevonden alleen [verzoekster] en een vrijwilligster van Sanquin zich in het donorcafé. De vrijwilligster fungeerde als koffiedame en had als taak om, naast het verzorgen van eten en drinken voor de donoren, de donoren goed in de gaten te houden. Dat heeft de vrijwilligster volgens [verzoekster] niet gedaan. De vrijwilligster stond met de rug naar haar toe en daardoor heeft zij niet op tijd gezien dat [verzoekster] niet lekker werd. Ook de donorassistentes hebben niets gezien; zij hadden geen zicht op [verzoekster] door de scheidingswand. Sanquin had extra alert moeten zijn vanwege het risico op flauwvallen en verscherpt toezicht moeten houden omdat [verzoekster] een vrouw is en voor het eerst doneerde. [verzoekster] valt in de risicocategorie met een verhoogde kans op flauwvallen na meer dan 15 minuten na de donatie. Volgens [verzoekster] is haar ook geen drinken aangeboden voorafgaand en na de donatie, terwijl Sanquin op haar website donoren adviseert om water te drinken om flauwvallen te voorkomen. Dat dit helpt, blijkt ook uit een studie van Sanquin die zij op haar website heeft gepubliceeerd. Tot slot stelt [verzoekster] dat volgens het Domaine Handboek de ruimte zo moet zijn ingericht dat de veiligheid van zowel donoren als personeel gewaarborgd is. Er zijn geen relaxfauteuils geplaatst door Sanquin, danwel fauteuils die een stuk zwaarder zijn dan de stoelen op 4 hoge poten die gemakkelijk kunnen omvallen.\n\n4.6.. \n\nSanquin c.s. verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe\n\n- samengevat - het volgende aan. Volgens Sanquin c.s. is sprake geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Sanquin heeft haar zorgplicht nageleefd en heeft alles gedaan zoals het hoort. Volgens Sanquin kon zij dit ongeval redelijkerwijs niet voorzien en ook niet voorkomen. Er is gehandeld als goed hulpverlener conform de wet- en regelgeving, de professionele standaard en de kwaliteitsstandaard. Ook alle Standard Operating Procedures (hierna: sop’s) zijn nageleefd. Volgens Sanquin c.s. heeft de vrijwilligster [verzoekster] in de gaten gehouden en direct geacteerd toen de vasovagale reactie (het flauwvallen) zich aandiende. Ze stond weliswaar met haar rug naar [verzoekster] toe omdat ze drinken voor [verzoekster] aan het bereiden was, maar voordat de koffie bereid was viel [verzoekster] al op de grond. Toen de vrijwilligster haar zucht hoorde die de val inluidde, is zij meteen naar [verzoekster] toegesneld. Volgens Sanquin valt niet in te zien wat de vrijwilligster redelijkerwijs anders had kunnen doen om de val te voorkomen. Uit het opgestelde profiel blijkt dat de taak van de vrijwilligers – onder andere – is om een medewerker in te schakelen als een donor onwel wordt en dat heeft de vrijwilligster ook gedaan. Zij heeft gelijk om hulp geroepen toen zij [verzoekster] zag wegzakken. Verder is er wel degelijk actief drinken aangeboden na de bloedafname op het bed en vervolgens in het donorcafé. [verzoekster] behoorde niet tot een risicogroep.\n\n4.7.. De rechtbank oordeelt als volgt. Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of Sanquin tekort is geschoten in de zorgplicht die zij jegens [verzoekster] in acht moest nemen. De rechtbank stelt bij de beantwoording van deze vraag voorop dat niet in geschil is dat de vrijwilligster in het donorcafé de taak heeft om de donoren iets te eten en te drinken aan te bieden zodat zij na de donatie kunnen aansterken. Evenmin is in geschil dat de kans bestaat dat een donor dan alsnog flauwvalt.\n\n4.8.. De rechtbank is van oordeel dat van Sanquin mag worden verwacht dat zij voldoende toezicht houdt op de donoren nadat de donatie heeft plaatsgevonden en dat zij voldoende maatregelen neemt om ongevallen te voorkomen, ondanks het feit dat het flauwvallen in de donorruimte minder vaak voor komt dan direct na de donatie en de gevolgen van het flauwvallen over het algemeen niet zo ernstig zijn als in deze zaak. Partijen zijn het erover eens dat de vrijwilligster de taak heeft om “op te letten”, maar het is de vraag of dat in voldoende mate is gedaan. Beoordeeld moet worden of Sanquin meer had kunnen en moeten doen dan ze nu gedaan heeft, zodat het ongeval dat heeft plaatsgevonden mogelijk voorkomen had kunnen worden.\n\n4.9.. Uit de diverse verklaringen die bij [schaderegelingsbureau] zijn afgelegd over de toedracht van het ongeval kan met voldoende mate van zekerheid het volgende worden afgeleid. [verzoekster] heeft de laatste meters vanaf de scheidingswand naar de stoel alleen afgelegd en is door de donorassistente niet bij de scheidingswand bij de vrijwilligster geïntroduceerd. [verzoekster] wist dan ook niet dat de enige andere aanwezige in de koffieruimte een vrijwilligster van Sanquin was en wat [verzoekster] van deze koffiedame kon en mocht verwachten. Volgens [verzoekster] stond de vrijwilligster met de rug naar haar toe toen zij in het donorcafé kwam en is er geen contact geweest met haar. De vrijwilligster heeft zelf ook verklaard dat ze met de rug naar [verzoekster] toe stond omdat zij met het koffiezetapparaat bezig was. De vrijwilligster ging er weliswaar vanuit gaat dat ze actief wat te drinken heeft aangeboden, maar zeker weten deed ze dat niet. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat ze dit daadwerkelijk heeft gedaan. Dat de vrijwilligster met het koffiezetapparaat “bezig was” hoeft immers nog niet te betekenen dat ze koffie aan het bereiden was voor [verzoekster] . Ze naderde het eind van haar dienst en was mogelijk bezig om alles netjes achter te laten. Uit de verklaring van [verzoekster] kan worden afgeleid dat zij nadat ze had plaatsgenomen nog een reep chocola uit haar tas heeft gepakt en dat ze één of meerder minuten later voorover is gaan zitten met haar hoofd op haar handen, omdat ze zich niet lekker voelde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] verklaard dat ze de koffiedame niet heeft benaderd toen ze zich niet lekker voelde, omdat ze niet wist wat ze van haar kon verwachten. Vaststaat dat de vrijwilligster niet heeft gezien dat [verzoekster] een reep chocolade pakte, zich vervolgens niet goed voelde, noch dat zij van houding veranderde in haar stoel. Zij heeft ook niet opgemerkt dat [verzoekster] mogelijk zou flauwvallen. De vrijwilligster heeft over de toedracht van het ongeval eerst verklaard dat zij met de rug naar het koffiezetapparaat stond op het moment dat [verzoekster] viel. Hierna heeft zij verklaard dat zij zich heeft omgedraaid op het moment dat zij een zucht hoorde en dat zij nog geprobeerd heeft om de stoel tegen te houden zodat hij niet om zou vallen. Vaststaat in ieder geval dat de vrijwilligster pas om hulp heeft geroepen nadat [verzoekster] al op de grond lag. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat van actief opletten van de vrijwilligster geen sprake is geweest. Dat Sanquin dit wel van de vrijwilligster verwachtte en de instructie heeft gegeven dat zij actief moest opletten is de rechtbank niet gebleken. In het profiel van de vrijwilliger op locatie staat slechts beschreven dat een medewerker van de bloedbank moet worden ingeschakeld als een donor onwel wordt. Er staat niet in het profiel beschreven dat een vrijwilliger moet letten op tekenen die erop kunnen wijzen dat een donor onwel wordt. Het verweer van Sanquin dat de vrijwilligster niet anders kon dan met de rug naar [verzoekster] toe staan omdat zij bezig was met het koffiezetapparaat wordt gepasseerd. Sanquin had de beschikbare ruimte voor donoren anders kunnen inrichten of thermoskannen met koffie en thee op tafel kunnen plaatsen. Daarnaast had Sanquin de vrijwilligster duidelijker kunnen en moeten wijzen op haar taak dat zij actief moest letten op de donor. De vrijwilligster was door de geplaatste scheidingswand namelijk de enige die zicht kon hebben op [verzoekster] tijdens haar herstel in het donorcafé. Dit geldt temeer omdat [verzoekster] voor de eerste maal bloed doneerde, dus onbekend was met de situatie\u002Fpersonen ter plaatse en er stoelen in de ruimte waren geplaatst die kennelijk zo instabiel waren dat ze in het geval van flauwvallen konden omvallen.\n\n4.10.. De rechtbank passeert het verweer van Sanquin dat het Domaine handboek verouderd is en dat zij alles heeft gedaan wat zij moest doen omdat zij aan alle geldende wet- en regelgeving heeft voldaan, dat zij de professionele standaard en de kwaliteitsstandaard heeft nageleefd en ook alle sop’s. Dit ontneemt haar namelijk niet de plicht om voldoende (na)zorg te bieden aan donoren die bloed geven of hebben gegeven en kans hebben om flauw te vallen. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht jegens [verzoekster] . Zij is aansprakelijk op grond van artikel 6:74 BW, omdat geen sprake is van een behandelrelatie.\n\n4.11.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten.\n\n4.12.. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.13.. \n\n [verzoekster] maakt, na vermeerdering van haar vordering ter zitting, aanspraak op € 8.942,50 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht van € 320,-.\n\nSanquin c.s. hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren hebben Sanquin c.s. in het verweerschrift aangevoerd dat 14,5 uur voor andere werkzaamheden dan het opstellen van het verzoekschrift bovenmatig is en dat de kosten voor het opstellen van het verzoekschrift niet voor vergoeding in aanmerking komen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Du Plessis de tijd voor het bestuderen van het verweerschrift verhoogd van 4 naar 16 uren, zodat er in totaal betaling van 36,5 uren wordt gevorderd. De reden voor deze vermeerdering is dat er 669 pagina’s bestudeerd moesten worden, waarvan een groot deel in het technisch Engels was. Sanquin c.s. hebben ter zitting geen verweer gevoerd tegen de vermeerdering van de vordering met 12 uren. De kosten voor het opstellen van het verzoekschrift komen volgens Sanquin ook niet voor vergoeding in aanmerking omdat het precies hetzelfde verzoekschrift is als [verzoekster] eerder heeft ingediend, maar vervolgens heeft ingetrokken.\n\n4.14.. De rechtbank overweegt als volgt. Voor een zaak met deze omvang en complexiteit is een tijdsbesteding van 36,50 uren naar het oordeel van de rechtbank redelijk. Er zijn immers diverse verslagen, omvangrijke handboeken en Standard Operating Procedures die bestudeerd moesten worden, naast de zeer omvangrijke EDQM Blood Guide die ook nog enkel in de Engelse taal is overgelegd. Ten aanzien van de 10 gevorderde uren voor het opstellen van het verzoekschrift is niet gesteld of gebleken dat Sanquin c.s. deze uren in de ingetrokken procedure reeds vergoed heeft. De procedure is ingetrokken omdat [verzoekster] verrast werd door de omvangrijke productie die door Sanquin werd ingediend en niet meer bestudeerd kon worden. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 36,5 uren × € 245,00 inclusief btw, dus op € 8.942,50 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 320,00.\n\n4.15.. Sanquin c.s. zullen hoofdelijk tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld. Dit houdt in dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Ten aanzien van Axa heeft te gelden, in verband met het eigen risico van Sanquin van € 25.000,00, dat Axa alleen maar hoeft te betalen als de schade het bedrag van € 25.000,00 te boven gaat. Indien de één betaalt zal de ander zijn bevrijd.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. verklaart voor recht dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht en aansprakelijk is voor het [verzoekster] overkomen ongeval;\n\n5.2.. verklaart voor recht dat Sanquin c.s. gehouden is de reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade aan [verzoekster] te vergoeden, met dien verstande dat Axa alleen maar gehouden is de reeds geleden en te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden indien en voor zover de schade een bedrag van € 25.000,00 te boven gaat en indien de één betaalt de ander zal zijn bevrijd;\n\n5.3.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 8.942,50 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 320,00 en veroordeelt Sanquin c.s. hoofdelijk tot betaling daarvan aan [verzoekster] ;\n\n5.4.. bepaalt dat de begrote kosten binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking moeten worden voldaan op rekening [rekeningnummer] ten name van Du Plessis Letselschade Advocatuur B.V., te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der voldoening indien de kosten niet binnen deze termijn zijn voldaan;\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.A. Werkema en in het openbaar uitgesproken door mr. S.B. van Baalen op 7 juli 2026.\n\n 547\u002FTG","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2689","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:53.788Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"1542","ECLI:NL:RBNNE:2026:2621","ecli-nl-rbnne-2026-2621",65,"2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F4715\n uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], uit Termunterzijl, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Blokzijl),\n\nen\n\nde minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (voorheen: staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – Herstel Groningen), Nationaal Coördinator Groningen, NCG\n\n(gemachtigde: mrs. R.M. Don en G.H. Poort).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door NCG van de aanvraag van eiser bij het ‘meldpunt kosten versterking’. Eiser heeft met de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) een schikking getroffen, welke is vastgelegd in het proces-verbaal van de comparitie van 25 september 2019. De woning van eiser is na deze schikking gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Eiser heeft zich op 19 oktober 2023 bij de NCG gemeld en in eerste instantie verzocht om een vergoeding van ca. € 45.000. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank stelt in deze uitspraak vast dat dat er naar aanleiding van de door eiser genoemde motie uit 2022 geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is, omdat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank verklaart zich verder onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 19 oktober 2023 een melding gedaan bij het ‘meldpunt kosten versterking’ en verzocht om een vergoeding van ca. € 45.000. Dit zijn volgens eiser de kosten die hij zelf heeft gemaakt in verband met de sloop-nieuwbouw van zijn woning. NCG heeft deze aanvraag met het besluit van 23 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is NCG bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. NCG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van NCG.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten\n\n3. Eiser is eigenaar van de woning aan [adres] in Termunterzijl. Eiser heeft met NAM een schikking getroffen, welke is vastgelegd in het proces-verbaal van de comparitie van 25 september 2019. De woning van eiser is na deze schikking gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Partijen hebben elkaar finale kwijting verleend. Volgens eiser heeft dit uiteindelijk meer gekost dan door NAM, NCG of een derde zijn vergoed. Eiser heeft tijdens de beroepsprocedure deze kosten becijferd op een bedrag van € 51.273,97. Het gaat volgens eiser om de volgende kosten:\n\nLegeskosten bouwvergunning: € 9.226,95\n\nFactuur Ritsma Ingenieurs: € 3.075\n\nFactuur impregneren: € 1.713,41\n\nEigen kosten schoor\u002Fstutplan: € 7.688,58\n\nEigen kosten herstel en versterken voorgevel van huis: € 15.000\n\nBetonvloer\u002Fschuimbeton\u002Finkassingen: € 14.570,03.\n\n3.1.. Vanaf 1 januari 2020 wordt de versterking van woningen in Groningen uitgevoerd door NCG.\n\n3.2.. Tijdens het wetgevingsoverleg van 6 december 2022 is door de leden Beckerman en Nijboer de volgende motieingediend:\n\n“(…) overwegende dat veel gedupeerden zelf kosten maken voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun huis; constaterende dat alle gedupeerden recht moeten hebben om terug te krijgen wat ze hadden; verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, een regeling voor te bereiden om deze kosten alsnog te vergoeden en deze aan de Kamer voor te leggen (…).”3.3.. Hierbij is door een van de indieners van de motie, in het debat met de staatssecretaris, naar voren gebracht dat hij bij een avond in Groningen was, waarbij een aantal bewoners kwamen met casuïstiek over zelf gemaakte kosten. In reactie hierop heeft de staatssecretaris het volgende naar voren gebracht:\n\n“Ik wil graag inventariseren hoe groot het probleem is, maar ik ga nu niet toezeggen dat ik een regeling ga voorbereiden voordat ik heb geïnventariseerd hoe groot het probleem is. Daar zit mijn probleem.”\n\n3.4.. Vervolgens is op 13 december 2022 een gewijzigde motievoorgelegd, waarbij de derde zin (red: vanaf ‘verzoekt’) nu als volgt luidt:\n\n“verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, en de Kamer daarover in het eerste kwartaal van 2023 te informeren”\n\n3.5.. Op 6 september 2023 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, in antwoord op Kamervragen, naar voren gebracht dat een meldpunt zal worden ingericht waar bewoners zich kunnen melden die menen dat zij zelf kosten hebben gemaakt voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen of kosten die daar direct uit voortkomen en dat dit meldpunt uiterlijk per 1 oktober 2023 bij de NCG wordt opengesteld. \n\n3.6.. Na openstelling van het meldpunt is door eiser de in deze zaak aan de orde zijnde melding gedaan.\n\nStandpunten partijen\n\n4. NCG heeft besloten om de kosten niet te vergoeden omdat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. NCG stelt zich op het standpunt dat NCG op grond van de Tijdelijke Wet Groningen (TwG) alleen bevoegd is om de schade te vergoeden als een deskundige – in opdracht van NCG – heeft geconstateerd dat de woning niet voldoet aan de veiligheidsnorm en NCG daaropvolgend een versterkingsbesluit heeft genomen. NCG heeft met betrekking tot de woning van eiser geen versterkingsbesluit genomen. Omdat geen versterkingsbesluit is genomen, komt NCG niet toe aan de uitzondering genoemd in artikel 13j, zevende lid, aanhef en onder a, van de TwG.\n\n4.1.. Eiser voert aan dat het ‘meldpunt kosten versterking’ is opgericht naar aanleiding van de motie van de leden Beckerman en Nijboer voor bewoners die eigen geld hebben moeten inzetten voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun (door de gaswinning beschadigde) woning (zie 3.2 en 3.4). Uit het antwoord van de staatssecretaris op de vragen van de Tweede Kamer blijkt volgens eiser dat het meldpunt is ingericht zonder inperking tot specifieke categorieën. Het vereiste van een versterkingsbesluit leidt volgens eiser tot onevenredig nadelige gevolgen voor eiser. Het primaire doel is volgens eiser herstel van de rechten van individuele gedupeerden. Dit doel wordt volgens hem gefrustreerd door afwijzing van de aanvraag op grond van een formeel vereiste, terwijl de staatssecretaris expliciet heeft toegezegd dat bewoners zoals eiser hun kosten vergoed krijgen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 1979en doet een beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel.\n\nBeoordeling\n\n5. De rechtbank stelt vast dat er naar aanleiding van de in 2022 ingediende motie geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. Het op 6 september 2023 door de staatssecretaris gegeven antwoord kan niet gelijk worden gesteld met een, naast de TwG, opgezette, publiekrechtelijke regeling waarmee in de hier aan de orde zijnde casus een vergoeding van de NCG kan worden afgedwongen. Voor zover eiser zich in dit kader beroept op het vertrouwensbeginsel leest de rechtbank in het antwoord niet een aan eiser gerichte toezegging dat zijn casus op grond van de TwG zal worden afgewikkeld.Ook uit het door eiser aangehaalde arrest van de Hoge Raad kan in een casus als onderhavige geen bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal worden afgeleid.\n\n5.1.. Als het gaat om de bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal in zaken waarin geen publiekrechtelijke regeling is opgetuigd kent de Awb de Wet nadeelcompensatie (Wns).\n\n5.2.. Voor inwerkingtreding van de Wns was, bij de beantwoording van de vraag of een beslissing van een bestuursorgaan over schadevergoeding wegens gesteld onrechtmatig overheidshandelen kan worden aangemerkt als besluit in de zin van de Awb, van belang of was voldaan aan de vereisten van de zogenoemde materiële en processuele connexiteit. Aan het vereiste van materiële connexiteit was voldaan, indien de beweerdelijk geleden schade was veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening door het bestuursorgaan dat de schadebeslissing neemt, van een door dat orgaan aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. Alleen in een dergelijk geval leverde een schriftelijke beslissing omtrent schade die niet was gebaseerd op een in een wet of een beleidsregel voorziene specifieke schadevergoedingsregeling, in beginsel een zogenoemd zelfstandig of zuiver schadebesluit op.\n\n5.3.. Op 1 juli 2013 is de Wns in werking getreden.Hierbij is de Awb gewijzigd, onder meer door toevoeging van een nieuw onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, en door toevoeging van de artikelen 8:88 tot en met 8:95. Met deze wijziging is beoogd de toegankelijkheid van de bestuursrechter voor een schadeprocedure te verbeteren door de introductie van een verzoekschriftprocedure. Waar een oordeel van de bestuursrechter over schadeveroorzakend handelen door het bestuursorgaan vóór de inwerkingtreding van de Wns enkel kon worden verkregen door bij het bestuursorgaan een zelfstandig schadebesluit uit te lokken en daartegen bezwaar te maken en beroep in te stellen, kan nu door middel van de verzoekschriftprocedure rechtstreeks bij de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding worden ingediend wegens (bepaald) onrechtmatig overheidshandelen. De verzoekschriftprocedure is daarmee in de plaats gekomen van het zelfstandig schadebesluit en het zelfstandig schadebesluit is door de toevoeging van onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, van de Awb op de lijst van besluiten gekomen waartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.\n\n5.4.. De rechtbank ziet ten eerste in het betoog van eiser geen grond voor het oordeel dat de beslissing van de NCG voldoet aan de eisen om te kunnen spreken van een zelfstandig schadebesluit. Maar ook als dat wel zo zou zijn komt de rechtbank, gelet op artikel 8:4, eerste lid aanhef en onder f, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb tot het oordeel dat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.Uit de wet volgt namelijk dat tegen deze besluiten geen beroep openstaat bij de bestuursrechter (zie 5.3). Omdat NCG het bezwaar heeft afwezen in plaats van niet-ontvankelijk te verklaren komt het bestreden besluit daarom voor vernietiging in aanmerking.\n\n5.5.. De rechtbank overweegt dat de per 1 juli 2013 in werking getreden Wns in onderhavige procedure evenmin kan leiden tot een vergoeding. De bestuursrechter is op grond van artikel 8:88 van de Awb bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:\n\neen onrechtmatig besluit\n\neen onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;\n\nhet niet tijdig nemen van een besluit;\n\neen andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbenden zijn.\n\n5.6.. \n\nDe hiervoor onder 5.5 opgesomde lijst is limitatief, wat betekent dat de bestuursrechter alleen bevoegd is om een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een van de hiervoor in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, vermelde oorzaken. Eiser heeft in beroep geen onrechtmatig besluit of een ander in\n\nartikel 8:88, eerste lid, van de Awb vermelde schadeoorzaak aangewezen ten gevolge waarvan hij stelt schade te hebben geleden. Eiser koppelt de door hem veronderstelde schade aan de vaststellingsovereenkomst die hij heeft gesloten met NAM. NCG heeft geen rol gehad bij de totstandkoming van deze vaststellingsovereenkomst, dan wel de versterking van de woning van eiser. De vaststellingsovereenkomst die eiser heeft gesloten kan ook niet - zoals hij heeft aangevoerd - gelijkgesteld worden met een versterkingsbesluit als bedoeld in de TwG. Bovendien is ingevolge artikel 8:89 van de Awb de bestuursrechter enkel bevoegd op een verzoek om schadevergoeding te beslissen, voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000 bedraagt.Het door eiser verzochte bedrag gaat het maximum van € 25.000 te boven zodat de bestuursrechter ook om die reden niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de bestuursrechter onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\nHet beroep op het gelijkheidsbeginsel\n\n6. Met betrekking tot het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank nog het volgende.\n\n6.1.. Eiser stelt dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van andere gedupeerden die wel aanvullende vergoeding hebben ontvangen, zonder deugdelijke motivering voor dit onderscheid.\n\n6.2.. NCG stelt zich op het standpunt dat eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet voldoende heeft onderbouwd met concrete voorbeelden. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval dat ongelijk behandeld wordt, zonder dat hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Er zijn geen regels opgesteld die eiser in onderhavige procedure te gelde kan maken. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat er andere gedupeerden zijn die wél een vergoeding hebben ontvangen, ondanks dat er geen versterkingsbesluit is genomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond omdat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is, moet NCG het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. NCG moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten x € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 13 oktober 2025;\n\n- bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;\n\n- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding;\n\n- bepaalt dat NCG het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt NCG tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. J.Y.B. Jansen en mr. L.M. Praamstra, leden, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nKamerstukken II2020\u002F21, 33 529, nr. 866\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 94\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 118, blz. 82-83.\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 115; de gewijzigde motie is aangenomen (stemmingen moties Groningen, 13 december 2022).\n\nAanhangsel Handelingen II2022\u002F23, nr. 3575, p. 2.\n\n HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595.\n\n ABRvS 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, r.o. 4.5.\n\n ABRvS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2195, r.o. 3.1.\n\n Stb. 2013, 50.\n\n ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1824: vergelijk de geschiedenis van de totstandkoming van de Wns, Kamerstukken II, 2010\u002F11, 32 621, nr. 3, blz. 40 en blz. 46-47\n\n Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1348, r.o. 3.1.\n\n ABRvS 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1050, r.o. 8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2621","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:26.217Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":58,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"597","ECLI:NL:RBROT:2026:7538","ecli-nl-rbrot-2026-7538",61,"RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F8091\n uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [bedrijf] V.O.F., uit [plaats] , eiseres\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college\n\n(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van nadeelcompensatie die aan eiseres is toegekend vanwege de werkzaamheden bij knooppunt Roseknoop in Rotterdam . Eiseres is het niet eens met de wijze waarop de hoogte van het nadeel is vastgesteld. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank de vaststelling van het nadeel.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college vanwege de coronacrisis uit heeft kunnen gaan van één referentiejaar, in dit geval 2022. Er zijn verder geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van het normaal maatschappelijke risico van 25% had moeten afwijken. Wel heeft het college ten onrechte geen kosten van rechtsbijstand van eiseres in bezwaar vergoed. Eiseres krijgt op dit punt gelijk en het beroep is dus in zoverre gegrond. Het bestreden besluit wordt, voor zover de proceskosten in bezwaar niet zijn vergoed, vernietigd. De rechtbank zal die proceskostenvergoeding zelf vast stellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft het college verzocht om nadeelcompensatie voor omzetdaling door de werkzaamheden aan knooppunt Roseknoop. Het college heeft met het besluit van 8 januari 2025 het verzoek toegewezen en het nadeel vastgesteld op € 16.849,- (exclusief € 245,- wettelijke rente, uitgaande van het moment van het volledig aangevulde verzoek).\n\n2.1.. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 4 september 2025 is het bezwaar voor zover gericht tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente gegrond verklaard. Het college heeft de ingangsdatum van de wettelijke rente bepaald op de datum van ontvangst van het verzoek en gelet daarop de wettelijke rente verhoogd en vastgesteld op € 1.593,96. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] , de gemachtigde van het college en mr. A. Şengür van Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) als deskundige namens het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Eiseres heeft een woninginrichtingszaak aan [straat] in [plaats] . Als gevolg van de werkzaamheden aan het knooppunt Roseknoop heeft eiseres nadeel geleden (omzetderving). Op 23 augustus 2023 heeft eiseres voor het jaar 2023 een verzoek om nadeelcompensatie ingediend bij het college.\n\n3.1.. Met het besluit van 8 januari 2025 heeft het college het nadeel van eiseres voor het jaar 2023 vastgesteld op € 17.094 (inclusief wettelijke rente). Het college baseert zich daarbij op het rapport van de SAOZ van 18 december 2024. Voor zover relevant voor dit beroep is de hoogte van het nadeel vastgesteld aan de hand van de omzetdaling in 2023 ten opzichte van het referentiejaar 2022. Volgens de SAOZ is de werkelijke omzet over 2023 (€ 300.175,-) € 77.042,- lager uitgevallen dan mocht worden verwacht op basis van 2022, rekening houdend met de branchecorrectie van 3,1% voor de groei in 2023. Het nadeel is vervolgens vastgesteld aan de hand van de brutowinstmarge waarop de korting voor het normaal maatschappelijk risico van 25% is toegepast. Het voor vergoeding in aanmerking komend nadeel bedraagt € 16.849,-. De wettelijke rente is berekend vanaf het moment dat het verzoek van eiseres volledig was voorzien van de juiste gegevens (29 oktober 2024) en bedraagt € 245,-.\n\n3.2.. In het bestreden besluit houdt het college onder verwijzing naar het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie van 5 augustus 2025 vast aan het hiervoor vastgestelde nadeel. Wel wordt de wettelijke rente opnieuw berekend omdat de datum van ontvangst van het verzoek om nadeelcompensatie (23 augustus 2023) als uitgangspunt moet worden genomen. De wettelijke rente wordt daarom vastgesteld op € 1.593,96. Het college heeft niet beslist op het verzoek van eiseres om een proceskostenvergoeding in bezwaar.\n\nToetsingskader\n\n4. Tot de inwerkingtreding van de wettelijke regeling voor nadeelcompensatie in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd nadeelcompensatie toegekend op grond van vaste rechtspraak.Uitgangspunt is dat als een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico (onevenredig nadeel) en die de benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, dit nadeel wordt vergoed. De gemeente Rotterdam heeft in de destijds toepasselijke Algemene Verordening Nadeelcompensatie (AVN) en de bijbehorende Beleidsregel nadere regels opgenomen om de hoogte van de nadeelcompensatie vast te stellen.\n\n4.1.. Het wettelijk kader van deze zaak is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nIs de juiste referentieperiode tot uitgangspunt genomen en is de normomzet daarmee correct vastgesteld?\n\n5. Eiseres stelt dat het college ten onrechte is afgeweken van het uitgangspunt dat voor de berekening van het nadeel een referentieperiode van drie jaar voorafgaand aan het schadejaar wordt gebruikt. Doordat het college uitsluitend 2022 als referentiejaar heeft genomen, is de normomzet aanzienlijk lager dan wanneer was uitgegaan van de periode 2020-2022 of een gemiddelde van de jaren 2020 en 2022 zonder piekjaar 2021. In dat verband heeft eiseres erop gewezen dat bij 50-60 andere ondernemers in de omgeving voor de berekening van het nadeel wel is uitgegaan van een referentieperiode van drie jaar.\n\n5.1.. Het college stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van het nadeel gebruik is gemaakt van het rapport van de SAOZ en zij kon uitgaan van de juistheid van dit advies. Het college wijst er verder op dat voor de berekening van het nadeel in beginsel een referentieperiode van drie jaar wordt aangehouden, maar dat dit niet is voorgeschreven. De SAOZ heeft in het rapport van 18 december 2024 aangegeven dat hiervan kan worden afgeweken vanwege evidente maatschappelijke en\u002Fof economische ontwikkelingen en\u002Fof omstandigheden en de omzet van verzoeker als gevolg daarvan een autonome (bestendige) daling dan wel stijging heeft laten zien. De SAOZ stelt in dat verband dat niet voorbij kan worden gegaan aan de invloed van de coronacrisis (2020-2022). Door de maatregelen die de overheid heeft getroffen in 2020 en 2021, stelt de SAOZ dat die boekjaren niet representatief zijn. Voor 2022 ligt dat anders omdat de invloed van de coronacrisis en de bijbehorende maatregelen vanaf begin 2022 is afgenomen.\n\n5.2.. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan als sprake is van een onpartijdige en onafhankelijk deskundige en op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn.Het bestuursorgaan dient zich ervan te vergewissen dat daaraan is voldaan. Als voldoende concrete aanknopingspunten worden aangevoerd om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies, kan het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de deskundige om een reactie op wat over het advies is aangevoerd.\n\n5.3.. De rechtbank stelt voorop dat volgens artikel 4 van de AVN het nadeel in beginselwordt bepaald door uit te gaan van een referentieperiode vanzo mogelijkdrie jaar. In de toelichting op de AVN is opgenomen dat het kan voorkomen dat de omzetten uit de drie jaar voorafgaande aan de schadeperiode niet beschikbaar zijn of niet voldoende representatief zijn. Ook kan het voorkomen dat de omzet in de jaren voorafgaande aan de schadeperiode een dusdanig trendmatig verloop vertoont, dat het gemiddelde van deze omzetten geen objectief beeld oplevert. In die gevallen zal de normomzet anderszins moeten worden berekend. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of in dit geval kon worden uitgegaan van referentieperiode van één jaar, te weten het jaar 2022. De rechtbank overweegt in dit verband dat de SAOZ kwalificeert als deskundige en het college in dit geval heeft kunnen uitgaan van het advies van de SAOZ. Het college heeft – onder verwijzing naar de adviezen van de SAOZ – voldoende gemotiveerd dat de coronacrisis zo een uitzonderlijke situatie betrof dat die jaren niet als referentieperiode kunnen gelden. Omdat deze crisis volgens de SAOZ een dusdanige invloed (in positieve en negatieve zin) heeft gehad op de omzetontwikkeling van bedrijven, en iedere branche \u002F bedrijf een eigen unieke reactie heeft gehad op de coronamaatregelen, kan in algemene zin niet meer gesproken worden van representatieve omzetten voor het vaststellen van het nadeel. De rechtbank betrekt daarbij dat eiseres tijdens de hoorzitting van de SAOZ de invloed van de coronacrisis zelf heeft erkend. Zij heeft destijds aangegeven dat de verkopen in 2020 en 2021 behoorlijk zijn gestegen omdat mensen door de coronacrisis meer thuis zaten (omzetgroei van 42,5% respectievelijk 19,3%). De omzet in 2022 was volgens eiseres juist weer gekrompen (daling van 22% ten opzichte van 2021) en als het ware genormaliseerd ten opzichte van de fors positieve coronajaren. Tegen de achtergrond van de uitzonderlijke omstandigheden van de coronacrisis is de rechtbank van oordeel dat het college in dit geval heeft kunnen uitgaan van een referentieperiode van één (1) jaar en daarvoor 2022 als uitgangspunt heeft kunnen nemen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en, zoals ter zitting is gebleken, het evenredigheidsbeginsel, leidt niet tot een andere conclusie. In dat verband heeft eiseres weliswaar aangevoerd dat bij andere ondernemingen wel is uitgegaan van een referentieperiode van drie jaar, maar eiseres heeft dat niet geconcretiseerd en met stukken onderbouwd. Ter zitting heeft de SAOZ desgevraagd bevestigd dat slechts in een enkel geval is uitgegaan van een referentieperiode van drie jaar, maar dat daar sprake was van een stabiele omzet gedurende de referentieperiode. Omdat eiseres het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet anders heeft onderbouwd dan dat zij op dezelfde wijze behandeld wil worden als andere ondernemingen en vindt dat een langere referentieperiode had moeten worden aangehouden, leidt dat standpunt onder verwijzing naar het voorgaande niet tot een andere uitkomst. Verder is ter zitting komen vast te staan dat met de toegepaste branchecorrectie van 3,1% in het voordeel van eiseres het hoogste groeipercentage is toegepast, zodat eiseres geen belang heeft bij de beoordeling van de vraag of de winkel van eiseres in een andere branche valt. Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het college de normomzet juist heeft vastgesteld.\n\n5.4.. \n\nDeze beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs het toegepaste normaal maatschappelijk risico van 25% disproportioneel?\n\n6. Eiseres stelt dat, gelet op de grote hinder en de lange duur van de werkzaamheden, sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het normaal maatschappelijk risico lager moet worden vastgesteld (bijvoorbeeld 10%) dan het toegepaste percentage van 25% waar het college op grond van de AVN standaard van uitgaat. Eiseres stelt in dat verband dat de Roseknoop één van de drukste verkeersknooppunten is van Rotterdam en dat het kruispunt volledig afgesloten was voor het autoverkeer, tram- en buslijnen niet reden en fietsers en voetgangers grote omwegen moesten maken via drukke routes, met een structurele vermindering van bezoekersstromen en omzetdaling voor omliggende ondernemingen tot gevolg. Daarbij stelt eiseres dat er in de eerste maanden van de werkzaamheden geen adequate bewegwijzering en informatievoorziening voor bezoekers en winkeliers was, zodat geen mitigerende maatregelen konden worden getroffen.\n\n6.1.. Het college geeft aan dat bij het vaststellen van het normaal maatschappelijk risico beoordelingsruimte bestaat. Daarbij is als uitgangspunt gekozen voor 25%, welk percentage – zo bevestigt de SAOZ in het rapport van 18 december 2024 – overeenkomt met de stand van het recht en de algemene praktijk. Van dat percentage kan worden afgeweken in bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld als de werkzaamheden langer duren dan normale infrastructurele werken of onderhoudswerken. Het college stelt dat uit vaste rechtspraakvolgt dat reconstructieve beheersmatige- en\u002Fof onderhoudswerkzaamheden aan de openbare infrastructuur en de publieke ruimte, zoals de werkzaamheden rondom de Roseknoop, niet uitzonderlijk zijn en worden aangemerkt als een normale maatschappelijke ontwikkeling.\n\n6.2.. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van het gebruikelijke percentage van 25% had moeten afwijken. Voor de vraag of gelet op de aard, omvang en duur van de werkzaamheden sprake was van bijzondere omstandigheden die hadden moeten leiden tot een lager kortingspercentage, heeft het college zich onder meer kunnen baseren op rechtspraak over vergelijkbare werkzaamheden.Ook daar was – ondanks bijvoorbeeld een duur van 23 maanden voor werkzaamheden, veel langer dan in dit geval – geen sprake van bijzondere omstandigheden die konden leiden tot een lager normaal maatschappelijk risico.Het is de rechtbank verder niet gebleken dat de winkel van eiseres door de werkzaamheden helemaal niet meer toegankelijk was. Ook voor het overige is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat het college niet mocht uitgaan van een normaal maatschappelijk risico van 25%. De rechtspraak waar eiseres naar verwijst voor een andersluidend standpunt, ziet niet op vergelijkbare situaties en blijft om die reden buiten bespreking.\n\n6.3.. \n\nDeze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft het college de juiste startdatum voor de wettelijke rentevergoeding gehanteerd?\n\n7. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat het college ten onrechte heeft bepaald dat de wettelijke rente pas begint te lopen bij het verzoek om nadeelcompensatie (23 augustus 2023) en niet op het moment van aanvang van het schadeveroorzakend handelen (9 januari 2023).\n\n7.1.. Uit zowel artikel 7, aanhef en onder b, van de AVN als rechtspraakvolgt dat de wettelijke rente aanvangt op het moment van het verzoek om nadeelcompensatie dan wel – als het nadeel later ontstaat – op het moment dat dat nadeel ontstaat. Hieruit kan niet worden afgeleid dat – voor zover later om nadeelcompensatie is verzocht dan het nadeel is ontstaan – de wettelijke rente met terugwerkende kracht tot aan de aanvang van het schadeveroorzakend handelen moet worden berekend. Dat volgt ook niet uit de rechtspraak waar eiseres naar verwijst. De rechtbank is van oordeel dat het college voor het bepalen van de wettelijke rente in het bestreden besluit terecht is uitgegaan van het moment van het verzoek om nadeelcompensatie.\n\n7.2.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHad het college de kosten voor rechtsbijstand in bezwaar moeten vergoeden?\n\n8. Eiseres heeft tot slot verzocht om vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt in bezwaar. Die kosten zien op het inschakelen van een deskundige en een advocaat en haar eigen tijdsbesteding.\n\n8.1.. De rechtbank heeft het beroep zo opgevat dat eiseres stelt dat het college ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in bezwaar. In bezwaar is daar wel om verzocht. Ter zitting heeft het college onderkend dat hier in het bestreden besluit niet op is besloten, maar dat geen aanleiding bestaat om de proceskosten te vergoeden. Het college stelt dat het besluit van 8 januari 2025 is gehandhaafd, omdat daarin ook al wettelijke rente is toegekend. In het bestreden besluit is uitsluitend de datum voor de berekening verschoven en dat leidt maar tot een beperkte aanpassing van de toegekende wettelijke rente.\n\n8.2.. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb vergoedt het bestuursorgaan op verzoek de kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moet maken voor de behandeling van het bezwaar voor zover het bestreden besluit wordt herroepen door een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Uit vaste rechtspraak volgt dat van herroeping alleen sprake is als een ontvankelijk bezwaar leidt tot intrekking of wijziging van het primaire besluit (zodanig dat het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het daarbij beoogde rechtsgevolg).Van ‘herroepen’ is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank sprake. Met het bestreden besluit heeft het college de aanvangsdatum – conform de voorschriften als beschreven onder 7.1 – voor het bepalen van de wettelijke rente immers gewijzigd. Dat is – anders dan het college betoogt – een materiële wijziging van het primaire besluit als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en heeft tot gevolg dat – door de aanpassing van die aanvangsdatum – eiseres een hoger bedrag aan wettelijke rente krijgt vergoed. Dat de wijziging van het primaire besluit volgens het college heeft geleid tot een beperkte aanpassing van de wettelijke rente, maakt voorgaande niet anders. Uit het dossier volgt dat dit punt in bezwaar is aangevoerd door de advocaat van eiseres, die tevens aanwezig was bij de hoorzitting op 23 juni 2025. De rechtbank oordeelt daarom dat het college ten onrechte de kosten voor voornoemde professionele rechtsbijstand niet heeft vergoed. Omdat de deskundige geen bijdrage heeft geleverd aan dit onderdeel, komen deze kosten niet in aanmerking voor vergoeding. De eigen tijdsbesteding van eiseres is geen kostenpost die onder het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) valt. Omdat het Bpb uitputtend opsomt welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, is het college niet verplicht deze kosten te vergoeden.\n\n8.3.. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Voor zover het beroep van eiseres ziet op de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar slaagt het beroep. De overige beroepsgronden slagen niet.\n\n9.1.. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb vernietigen voor zover daarbij de kosten van rechtsbijstand van eiseres in bezwaar niet zijn vergoed.Dat betekent dat de overige onderdelen van het bestreden besluit (omvang van het nadeel en de uiteindelijk vastgestelde wettelijke rente) in stand blijven.\n\n9.2.. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en de proceskostenvergoeding in bezwaar vast te stellen. De rechtbank beschouwt de zaak als van gemiddeld gewicht waarvoor een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd. De rechtbank zal daarom de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken onder toepassing van het huidige Bpb vaststellen op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, € 666,- per punt, wegingsfactor 1). Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit.\n\n9.3.. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verweerder opdragen het door eiseres betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in beroep, omdat in beroep geen bijstand is verleend door een professioneel rechtsbijstandverlener en alleen bij professionele rechtsbijstandverlening een proceskostenvergoeding aan de orde is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de gemaakte kosten van rechtsbijstand in bezwaar niet zijn vergoed;\n\n- bepaalt dat het college aan eiseres een bedrag van € 1.332,- aan kosten van rechtsbijstand in bezwaar vergoedt;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;\n\n- bepaalt dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 385,- vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, voorzitter, en mr. A.M.J. Adriaansen en mr. A. Dingemanse, leden, in aanwezigheid van A. Ay, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: het wettelijk kader van deze uitspraak\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 7:15\n\n2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.\n\nAlgemene Verordening Nadeelcompensatie Rotterdam\n\nArtikel 2 Recht op nadeelcompensatie\n\nHet bestuursorgaan kent op aanvraag van degene die schade heeft geleden ten gevolge van de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak een vergoeding toe, voor zover de benadeelde daardoor in het bijzonder en in abnormale mate wordt getroffen.\n\nNiet voor vergoeding komt in aanmerking schade die behoort tot het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico.\n\nHet college van B&W kan nadere regels stellen met betrekking tot de omvang van het normaal ondernemersrisico en het normaal maatschappelijk risico.\n\nIndien een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 1 voor de aanvrager naast schade tevens voordeel oplevert, dan wordt dit, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in mindering gebracht.\n\nArtikel 4 Winst- of inkomstenderving\n\n1. Indien de schade bestaat uit winst- of inkomstenderving, wordt de omvang daarvan in beginsel bepaald door:\n\na. de gemiddelde omzet gedurende een periode van zo mogelijk drie jaar te vergelijken met de omzet in het jaar waarin de schade is geleden. Daarbij wordt een inflatiecorrectie toegepast en waar mogelijk een branchecorrectie of een trendcorrectie;\n\nb. van de vastgestelde gemiste omzet worden afgetrokken de kosten van het product of de dienst alsmede de kosten die ten gevolge van de omzet- of inkomstenderving bespaard zijn of redelijkerwijs bespaard hadden kunnen worden.\n\nArtikel 7 Andere voor nadeelcompensatie in aanmerking komende kosten\n\nVoor vergoeding komen tevens in aanmerking:\n\n(…)\n\nb. de wettelijke rente vanaf de ontvangst van de aanvraag of indien het nadeel op een later tijdstip is ontstaan, vanaf dat tijdstip;Artikelsgewijze toelichting op de AVN\n\nArtikel 4\n\n(…)\n\nNormomzet\n\nHet uitgangspunt bij de omzetbenadering wordt gevormd door de ‘normomzet' die wordt bepaald aan de hand van in het verleden gerealiseerde omzetten. Als normomzet wordt beschouwd de omzet die naar redelijke verwachting behaald zou zijn in de schadeperiode, de schadeveroorzakende omstandigheid weggedacht. De berekening van de normomzet gebeurt in 3 stappen. In de eerste plaats wordt een referentieperiode vastgesteld. Vervolgens worden de in de referentieperiode behaalde omzetten gecorrigeerd voor inflatie naar een peildatum voorafgaand aan het eerste schadejaar (inflatiecorrectie). Tenslotte wordt van deze gecorrigeerde omzetten het gemiddelde genomen en wordt op dat gemiddelde een branchecorrectie toegepast die representatief wordt verondersteld voor de gemiddelde bedrijfsontwikkeling in de betreffende branche sedert de peildatum.\n\nReferentieperiode\n\nVoor de bepaling van de normomzet wordt een referentieperiode vastgesteld die bij voorkeur bestaat uit de drie jaar voorafgaande aan de schadeperiode. Het kan voorkomen dat de omzetten uit de drie jaar voorafgaande aan de schadeperiode niet beschikbaar zijn of niet voldoende representatief zijn. Ook kan het voorkomen dat de omzet in de jaren voorafgaande aan de schadeperiode een dusdanig trendmatig verloop vertoont, dat het gemiddelde van deze omzetten geen objectief beeld oplevert. In die gevallen zal de normomzet anderszins moeten worden berekend\n\nBeleidsregel behorende bij de Algemene Verordening Nadeelcompensatie Rotterdam\n\nNormaal maatschappelijk risico\n\nGroei, ontwikkeling en verbetering zijn in een stad als Rotterdam voortdurend aan de orde en noodzakelijk om aan de behoeften van alle gebruikers van de stad te blijven voldoen. Veel van de (onder-houds)werkzaamheden die in de stad worden uitgevoerd, gelden dan ook als normale maatschappelijke ontwikkeling, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de daardoor getroffene(n) mogen worden gelaten. Dit verschijnsel wordt aangeduid met het begrip 'normaal maatschappelijk risico'.\n\nVoor de gemeente Rotterdam geldt dat in ieder geval tot de normale maatschappelijke ontwikkelingen behoren alle periodieke en reguliere werkzaamheden en onderhoud aan de infrastructuur in de stad (zoals wegen, fiets- en voetgangerspaden, straatverlichting, bruggen, riolering, kabels en leidingen). Maar ook nieuwbouw en herinrichting van wijken en straten en al dan niet tijdelijke verkeersmaatregelen, gelden als normaal maatschappelijk verschijnsel.\n\nNormaal ondernemersrisico\n\nVoor bedrijven geldt daarnaast het normale bedrijfs- of ondernemersrisico. Uitgangspunt is dat elke zelfstandige ondernemer zijn onderneming drijft voor zijn eigen risico en ook zelf verantwoordelijk is voor zijn beslissingen. Tot het normale ondernemersrisico behoren nadelen die direct samenhangen met de keuze voor een bepaald type bedrijfsvoering of een bepaalde inrichting van het bedrijf inclusief de keuze voor een bepaalde locatie (bijv. garages die in drukke straten gevestigd zijn, horeca die rekening moet houden met wijzigingen in sluitingstijdenbeleid, supermarkten gelegen in gebieden met beperkte laad en losmogelijkheden). Ondernemers hebben te maken met een uitgebreidere risicotoerekening. Alleen als de maatregel sterk afwijkt van het normale verwachtingspatroon, waarop elke ondernemer bedacht dient te zijn, kan een aanspraak op nadeelcompensatie bestaan.\n\nKortingspercentage\n\nWanneer sprake is van overlast of nadeel dat het normaal maatschappelijk risico en dus de drempelwaarde van 8% overstijgt, komt een verzoek om nadeelcompensatie wel voor behandeling in aanmerking. De berekening van de schade zal in deze gevallen plaatsvinden aan de hand van de algemene regels voor wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding (Boek 6, Titel 1, afdeling 10 BW). Dit betekent dat ook aspecten als causaal verband, verrekening van voordeel, eigen schuld en de plicht tot schadebeperking, worden meegewogen.\n\nBij toekenning van nadeelcompensatie wordt – van oudsher – de aanwezigheid van enig normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico vervolgens verdisconteerd door middel van een korting in de vorm van een percentage van het schadebedrag. Bij de kortingspercentages gaat het om de vraag in welke mate een eenmaal vastgesteld onevenredig nadeel voor rekening van de getroffene dient te blijven. Dus in die gevallen waarin vaststaat dat sprake is van een onevenredig nadeel, wordt niet alle schade vergoed, omdat een deel daarvan tot het normaal maatschappelijk of het normaal ondernemersrisico wordt gerekend. Het College van B&W heeft gekozen voor een kortingspercentage van 25%. Dit deel van het nadeel blijft zo, vanwege normaal maatschappelijk risico of normaal ondernemersrisico, voor rekening van de benadeelde.\n\nBijzondere omstandigheden\n\nOp grond van bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de drempelwaarde van 8% en het kortingspercentage van 25%. Het is niet mogelijk om in alle gevallen de daar genoemde percentages te hanteren, gezien het brede toepassingsbereik van deze verordening. Het is lastig om thans een uitspraak te doen over de vraag hoe de genoemde percentages zullen uitpakken en daarom is in de AVN de mogelijkheid opgenomen om deze percentages te kunnen bijstellen.\n\nIn bijzondere omstandigheden kan het college er voor kiezen een aanvullende regeling vast te stellen. Dit doet zich voor als te verwachten is dat de ingreep zodanig is dat deze langer gaat duren dan normale infrastructurele werken of onderhoudswerken. Daarbij kan gedacht worden aan grote herinrichtingsplannen of aanleg van ingrijpende verkeers- en vervoersinfrastructuur.\n\n Per 1 januari 2024 is de regeling voor nadeelcompensatie vastgelegd in artikel 4:126 e.v. van de Awb. Tot die datum volgde de regeling uit rechtspraak over het ongeschreven égalitébeginsel (zie hieronder). Voor de toepasselijkheid van de wettelijke regeling wordt gekeken naar de datum van het schadeveroorzakend besluit. Dat ligt hier voor 1 januari 2024. Dit betekent dat het toepasselijk kader in deze zaak wordt bepaald door de rechtspraak.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2317), onder 9.\n\n Dit volgt uit artikel 3:2 van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3623), onder 16.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1650).\n\n Zoals bijvoorbeeld voornoemde uitspraak van de Afdeling\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:124), onder 30.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1969).\n\n Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:941), onder 3.2 en de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:716).\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 14 maart 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:1254), onder 4.3.\n\n Dit volgt uit artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7538","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.632Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":58,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":79},"370","ECLI:NL:GHARL:2026:4273","ecli-nl-gharl-2026-4273",60,"GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.357.164\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11419496\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nhierna: [appellant]\n\nadvocaat: mr. E.Tj. van Dalen\n\nen\n\nStichting Reclassering Nederland\n\ndie is gevestigd in Utrecht\n\nhierna: Reclassering Nederland\n\nadvocaat: mr. J. Stikkelbroeck\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 18 juni 2025 tussen partijen is uitgesproken door de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht.Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven\n\n• de memorie van antwoord\n\n• het proces-verbaal (verslag) van de mondelinge behandeling die op 2 juni 2026 is gehouden\n\nHierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n [appellant] woonde, in verband met de voorwaardelijke beëindiging van zijn TBS met dwangverpleging, op het terrein van [de instelling1] in [plaats1] (hierna: [de instelling1] ). Op 13 april 2016 heeft [de instelling1] de zorg per direct beëindigd, waarna [appellant] uiteindelijk op de longstay-afdeling in [de instelling2] in [plaats2] is geplaatst. [appellant] is van mening dat dit komt doordat Reclassering Nederland hem destijds – kort gezegd – onvoldoende hulp en steun heeft geboden en wil daarom dat Reclassering Nederland hem een schadevergoeding betaalt. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Het hof komt tot dezelfde slotsom en bekrachtigt het vonnis. Hoe het hof tot deze beslissing is gekomen, zal hieronder worden toegelicht.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nFeiten en achtergrond van de zaak\n\n3.1. Het hof gaat uit van dezelfde feiten als de kantonrechter heeft vastgesteld in r.o. 3.1 tot en met 3.6 van het vonnis, waar geen grieven tegen zijn gericht. Deze feiten komen op het volgende neer.\n\n3.2. In 2002 is [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en TBS met dwangverpleging vanwege het seksueel misbruiken van minderjarige jongens. In januari 2015 heeft de rechtbank de TBS met dwangverpleging voorwaardelijk beëindigd. De voorwaarden hielden onder andere in dat [appellant] zou worden opgenomen in een instelling voor begeleid wonen (en zich daar aan de huisregels zou houden) en dat [appellant] , mede voor zijn eigen veiligheid, niet zijn pedoseksuele voorkeur met andere derden dan zijn begeleiders zou bespreken. Reclassering Nederland werd belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden door [appellant] .\n\n3.3. \n [appellant] werd vervolgens opgenomen in [de instelling1] waar hij dagelijks werd begeleid. [appellant] woonde hier in een zelfstandige woning, werkte bij een agrariër in de buurt en bezocht de lokale kerk. [appellant] had begin 2016 de verwachting dat Reclassering Nederland de rechtbank op korte termijn zou adviseren tot zijn onvoorwaardelijk ontslag uit de TBS.\n\n3.4. In maart 2016 heeft een persoonlijk begeleider van [appellant] aan Reclassering Nederland laten weten dat hij op de computer van [appellant] heeft gezien dat bepaalde websites zijn bezocht, die erop duiden dat [appellant] heeft gezocht naar kinderporno. De politie heeft de computer meegenomen, heeft geconstateerd dat deze is ‘geschoond’ en heeft op basis van de gevonden zoektermen geconstateerd dat [appellant] inderdaad heeft gezocht naar kinderporno.\n\n3.5. Begin april 2016 vond een gesprek plaats tussen de afdeling Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente [gemeentenaam] , de politie, [de instelling1] en de contactfunctionaris van Reclassering Nederland. Tijdens dit gesprek vertelde de wijkagent dat hem ter ore was gekomen dat [appellant] (destijds nog bekend onder een andere naam, een geruchtmakende zaak met veel media-aandacht indertijd) in [de instelling1] verbleef. Hij benoemde daarbij het risico dat bepaalde inwoners van [plaats3] in staat zouden zijn tot een afrekening als het verhaal van [appellant] bij hen bekend zou worden. Niet veel later zou een medewerker van [de instelling1] op een verjaardagsfeestje gevraagd zijn of [appellant] bij [de instelling1] woonde. Vanwege het door de wijkagent geschetste scenario en het daarbij behorende risico voor zowel [appellant] als de andere bewoners en de medewerkers van [de instelling1] , heeft [de instelling1] besloten de zorg aan [appellant] op 13 april 2016 te beëindigen.\n\n3.6. Reclassering Nederland heeft daarna onderzoek gedaan naar eventuele doorplaatsingsmogelijkheden, maar heeft geen vergelijkbare setting gevonden die de mate van controle en veiligheid biedt zoals [de instelling1] . Reclassering Nederland heeft daarom, in combinatie met het feit dat [appellant] heeft gezocht naar kinderporno, de rechtbank geadviseerd de TBS met dwangverpleging te hervatten. Op 15 juni 2016 heeft de rechtbank hervatting gelast van de TBS met dwangverpleging. Deze uitspraak is op 6 april 2017 door het hof vernietigd, omdat er nog een alternatief werd gezien en daarmee mogelijk een longstay-traject kon worden afgewend. [appellant] heeft daardoor nog een periode TBS met (gewijzigde) voorwaarden gehad.\n\n3.7. Op 6 februari 2019 heeft de rechtbank Midden-Nederland alsnog hervatting van de TBS met dwangverpleging gelast. Deze beslissing is in hoger beroep op 19 september 2019 bekrachtigd. [appellant] is vervolgens (uiteindelijk) op de longstay-afdeling in [de instelling2] in [plaats2] geplaatst.\n\n3.8. \n [appellant] heeft tussen 2021 en 2023 – tevergeefs – rechtszaken gevoerd tegen [de instelling1] en tegen de Staat over de door hem gestelde onrechtmatige gebeurtenissen in 2016.\n\nGeen onrechtmatige daad Reclassering Nederland\n\n3.9. Met zijn grieven (bezwaren) legt [appellant] het geschil opnieuw integraal voor in hoger beroep. [appellant] vordert om te beginnen een verklaring voor recht dat Reclassering Nederland onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld. Net als de kantonrechter wijst het hof deze vordering af. Dat legt het hof hierna uit.\n\n3.10. \n [appellant] stelt dat Reclassering Nederland in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht, doordat zij [appellant] niet de hulp en steun heeft geboden die van haar mocht worden verwacht in het kader van de voorwaardelijk beëindigde dwangverpleging (art. 38 lid 2 en 38g Wetboek van Strafrecht (oud)). Reclassering Nederland heeft volgens [appellant] niets ondernomen tegen zijn onmiddellijke verwijdering op 13 april 2016 van het terrein van [de instelling1] en heeft zich daarna onvoldoende ingespannen om hem teruggeplaatst te krijgen bij [de instelling1] , althans hem ergens anders in Nederland bij een soortgelijke zorgverlener onder te brengen. De overplaatsing was volgens [appellant] bovendien onterecht omdat hij zich aan alle voorwaarden heeft gehouden, wat extra reden had moeten zijn voor Reclassering Nederland om hem (meer) hulp en steun te bieden. Ook heeft Reclassering Nederland de rechtbank onterecht geadviseerd de TBS met dwangverpleging te hervatten. De reden dat [de instelling1] heeft besloten tot het beëindigen van de zorg was volgens [appellant] namelijk niet het feit dat [appellant] verdacht werd van het zoeken naar kinderporno, maar dat [de instelling1] vreesde voor imagoschade als mensen wisten dat [appellant] bij haar verbleef. [appellant] verwijst hierbij naar een e-mail van Reclassering Nederland waarin staat dat zij de rechtbank mogelijk niet negatief geadviseerd zou hebben als het alleen zou gaan om de kinderporno. Het beëindigen van de zorg door [de instelling1] is dus beslissend geweest voor het advies, terwijl die beëindiging plaatsvond op grond van dreigende imagoschade van [de instelling1] , die niet aan [appellant] kan worden toegerekend, aldus [appellant] .\n\n3.11. Net als de kantonrechter volgt het hof [appellant] niet. Reclassering Nederland heeft de verwijten van [appellant] gemotiveerd betwist, met verwijzing naar haar verslagen van 9 mei 2016 (voortgangsverslag) en 4 november 2016 (adviesrapport), en heeft toegelicht wat zij heeft ondernomen en welke maatregelen binnen haar mogelijkheden liggen (en destijds lagen). Reclassering Nederland heeft terecht aangevoerd dat zij geen zeggenschap heeft over de beslissing van [de instelling1] om het verblijf van [appellant] te beëindigen. Daar kon zij binnen haar taak om hulp en steun aan [appellant] te bieden dus niets aan doen. Daar komt bij dat [appellant] indertijd met verschillende personen in de lokale gemeenschap openlijk sprak over zijn pedoseksuele voorkeur. Dat was buiten de kring van zijn begeleiders, en daarmee handelde [appellant] niet volgens de toen geldende voorwaarden. [appellant] is door [de instelling1] voor de risico’s van openheid aan derden gewaarschuwd, maar was daarin niet te corrigeren. Hij wist, of heeft althans kunnen begrijpen, dat hij daardoor zijn verblijf in gevaar bracht. Het ging [de instelling1] ook niet alleen om imagoschade; het bekend worden van het verblijf van [appellant] en de daarmee verbonden maatschappelijke onrust werd tevens als een veiligheidsrisico gezien voor de bewoners en medewerkers van [de instelling1] . Dit alles betekent dat als Reclassering Nederland al iets had kunnen ‘vinden’ van de beslissing van [de instelling1] om het verblijf van [appellant] te beëindigen, [appellant] het er zelf toe heeft geleid dat deze ruimte werd beperkt. Reclassering Nederland was in dat kader ook niet in een positie om bewijs te verlangen van [de instelling1] van een concrete dreiging van ‘pedojagers’ uit de buurt. Dat [appellant] zelf geen bewijs zegt te hebben gevonden voor zo’n dreiging, betekent niet dat die er niet was. Gezien de gebeurtenissen begin april 2016 (zie 3.5 hierboven) is hoe dan ook gebleken dat er ‘iets’ aan de hand was.\n\n3.12. Volgens [appellant] blijft staan dat Reclassering Nederland op 12 of 13 april 2016 een alternatief voor verwijdering had moeten voorstellen, zoals een time-out of tijdelijke opvang bij [naam1] (waar [appellant] destijds een dag per week werkte). Het hof gaat hier niet in mee. Uit het verslag van Reclassering Nederland van 9 mei 2016 blijkt dat de situatie van [appellant] vroeg om professionele begeleiding en opschaling in het niveau van toezicht en controle. [naam1] kon dat niet bieden. Daar komt bij dat [appellant] was betrapt op het zoeken naar kinderporno. [appellant] heeft ook erkend dat hij de op zijn computer gevonden zoektermen heeft ingevoerd. Die erkenning was ter gelegenheid van de zitting bij de rechtbank die op 15 juni 2016 de TBS met dwangverpleging heeft hervat. Het hof hecht daarom geen waarde aan de ontkenning van [appellant] in de huidige procedure dat hij naar kinderporno heeft gezocht. Het zoeken door [appellant] naar kinderporno beperkte de (verzorgings-)alternatieven voor [appellant] . Ondanks deze omstandigheid heeft Reclassering Nederland niet stilgezeten, maar heeft voor [appellant] een tijdelijke plek geregeld bij [de instelling3] in [plaats4] , geprobeerd om met [de instelling1] een tussenoplossing te vinden, en vervolgens breed onderzoek gedaan naar eventuele doorplaatsingsmogelijkheden; de vraag hiernaar is – zo vermeldt het verslag van 9 mei 2016 – “uitgezet bij leden van het TBS-casusoverleg, de contactfunctionarissen TBS in het land, [naam2] , plaatsingsloket van [naam3] (dat als geen ander op de hoogte is van zorginstellingen in het land), [naam4] . Het resultaat is dat er geen vergelijkbare setting is gevonden die de mate van controle en veiligheid biedt als [de instelling1] .” Reclassering Nederland heeft later nogmaals contact gehad met [de instelling1] , over de mogelijkheid tot een verzoeningsgesprek en eventuele terugkeer, maar [de instelling1] stond daar niet voor open. [appellant] trekt in twijfel dat Reclassering Nederland zich werkelijk voor hem heeft ingezet, maar het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verslagen. [de instelling3] is weliswaar een gesloten tbs-kliniek, maar er was blijkbaar geen instelling voor begeleid wonen te vinden die [appellant] wilde opnemen. Er is ook nog gesproken over mogelijke verscherpte voorwaarden (met medicatie), maar [appellant] heeft dat geweigerd. Reclassering Nederland heeft in het verslag van 9 mei 2016 geconcludeerd dat [appellant] niet kan terugkeren in [de instelling1] en dat er geen voorzieningen zijn die een vergelijkbare waarborg bieden ter voorkoming van recidive. In de e-mail waar [appellant] naar verwijst zegt Reclassering Nederland inderdaad dat zij de rechtbank mogelijk niet negatief geadviseerd zou hebben “als er alleen sprake was geweest van het zoeken naar kinderporno”. Maar het ging dus om méér dan dat; [appellant] kon ook niet voldoen aan de voorwaarde van het verblijven in een instelling voor begeleid wonen en wilde niet aan verscherpte (extra) voorwaarden meewerken, terwijl uit bedoelde e-mail blijkt dat Reclassering Nederland dat voor een eventuele doorstart wel noodzakelijk achtte. Het hof betrekt hier nog bij – zoals blijkt uit de beslissing van de rechtbank van 15 juni 2016 – dat voor het negatieve advies ook heeft meegewogen dat de psychiater die [appellant] heeft onderzocht heeft geconcludeerd dat hij “zonder het huidig kader en strikte controle en toezicht (...) het risico hoog [acht] dat [appellant] zijn pedoseksuele gevoelens omzet in handelingen”.\n\n3.13. Gelet op de gemotiveerde betwisting van Reclassering Nederland heeft [appellant] zijn stellingen – ook in hoger beroep – onvoldoende onderbouwd. Niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van onrechtmatig handelen of nalaten van Reclassering Nederland. Het hof is dan ook van oordeel dat de gevorderde verklaring voor recht terecht is afgewezen door de kantonrechter.\n\nGeen grond voor schadevergoeding\n\n3.14. \n [appellant] vordert € 20.000,- aan schadevergoeding, met als grondslag onrechtmatig handelen van Reclassering Nederland. Nu Reclassering Nederland niet onrechtmatig heeft gehandeld, is de gevorderde schadevergoeding eveneens terecht afgewezen.\n\n3.15. Daar komt bij dat niet is gebleken dat [appellant] schade heeft geleden door enig handelen of nalaten van Reclassering Nederland. [appellant] stelt, onder verwijzing naar artikel 6:106 sub b BW, dat hij in zijn persoon is aangetast en vergelijkt hierbij de situatie in februari 2016 waarin hij (volgens hem) bijna onvoorwaardelijk uit de TBS zou komen met de uitzichtloze situatie waarin hij nu zit: TBS met dwangverpleging op een longstay-afdeling. Die vergelijking rust echter op een keten van aannames, in plaats van een voor de hand liggend hypothetisch scenario. Zelfs als Reclassering Nederland [de instelling1] in 2016 ertoe had kunnen bewegen om het verblijf als tussenoplossing voort te zetten, is immers niet gezegd dat [appellant] daar had kunnen blijven, gegeven de schending van de voorwaarden, laat staan dat de TBS dan definitief zou zijn beëindigd. Daar sluit op aan dat de beslissing om de TBS met dwangverpleging te hervatten, op 15 juni 2016 genomen door de rechtbank, is terug te voeren op de eigen gedragingen van [appellant] . De rechtbank overwoog immers: “wat er zij van de handelwijze van [de instelling1] , vast staat dat veroordeelde ondanks aanwijzing én waarschuwing van de reclassering op internet gezocht heeft naar kinderporno. Hiermee heeft hij zich niet gehouden aan de bijzondere voorwaarden én zich weer in het delict scenario begeven. Dit maakt het naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat de verpleging van overheidswege wordt hervat.” Weliswaar is dit vonnis vernietigd in hoger beroep, waarna nog even de TBS onder voorwaarden is voorgezet, maar uiteindelijk is op 6 februari 2019 de TBS met dwangverpleging hervat. Daarna is deze nog meermaals verlengd. Door [appellant] is onvoldoende onderbouwd dat deze herhaalde voortzetting van zijn TBS met dwangverpleging niet zou hebben plaatsgevonden als Reclassering Nederland in 2016 anders zou hebben gehandeld. Al met al ontbreekt dus een (voldoende direct) causaal verband tussen het gestelde handelen\u002Fnalaten van Reclassering Nederland en de situatie waarin [appellant] zich nu bevindt. Ook dat is een reden voor afwijzing van de gevorderde schadevergoeding.\n\nDe conclusie\n\n3.16. \n\nHet hoger beroep slaagt niet. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat [appellant] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1. bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 18 juni 2025;\n\n4.2. \n\nveroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Reclassering Nederland:\n\n€ 2.255,- aan griffierecht\n\n€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van Reclassering Nederland (2 procespunten x tarief II)\n\n4.3. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. G.R. den Dekker, J.P.H. van Driel van Wageningen en L. Spronck, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:4015.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2911; Hof Den Haag 20 juni 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1226.\n\n HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4273","2026-07-13T00:28:26.452Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":84,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":86},"1539","ECLI:NL:RBNNE:2026:2618","ecli-nl-rbnne-2026-2618","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F3616\n uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], uit Zeerijp, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Blokzijl),\n\nen\n\nde minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (voorheen: staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – Herstel Groningen), Nationaal Coördinator Groningen, NCG\n\n(gemachtigden: mrs. R.M. Don en G.H. Poort).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door NCG van de aanvraag van eiser bij het ‘meldpunt kosten versterking’. Eiser heeft in 2016 met de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) een vaststellingsovereenkomst gesloten. De woning van eiser is na deze vaststellingsovereenkomst gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Tussen eiser en NAM is overeengekomen dat eiser voor de sloop-nieuwbouw zelf een bedrag van € 120.000 zou betalen. Eiser heeft zich op 9 februari 2024 bij de NCG gemeld en verzocht om een vergoeding van deze €120.000. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank stelt in deze uitspraak vast dat dat er naar aanleiding van een door eiser genoemde motie uit 2022 geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is, omdat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank verklaart zich verder onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 9 februari 2024 een melding gedaan bij het ‘meldpunt kosten versterking’ en verzocht om een vergoeding van € 120.000. Dit zijn de kosten die hij zelf heeft gemaakt in verband met de sloop-nieuwbouw van zijn woning. NCG heeft deze aanvraag met het besluit van 2 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is NCG bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. NCG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van NCG.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] in Zeerijp. Eiser heeft in 2016 met NAM een vaststellingsovereenkomst gesloten. De woning is in het kader van deze vaststellingsovereenkomst gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Tussen partijen is overeengekomen dat NAM de kosten voor de sloop-nieuwbouw tot een bepaald bedrag\n\nzou vergoeden en dat eiser zelf een bedrag van € 120.000 zou meebetalen aan de sloop-nieuwbouw. Partijen hebben elkaar finale kwijting verleend.\n\n3.1.. Vanaf 1 januari 2020 wordt de versterking van woningen in Groningen uitgevoerd door NCG.\n\n3.2.. Tijdens het wetgevingsoverleg van 6 december 2022 is door de leden Beckerman en Nijboer de volgende motieingediend:\n\n“(…) overwegende dat veel gedupeerden zelf kosten maken voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun huis; constaterende dat alle gedupeerden recht moeten hebben om terug te krijgen wat ze hadden; verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, een regeling voor te bereiden om deze kosten alsnog te vergoeden en deze aan de Kamer voor te leggen (…).”3.3.. Hierbij is door een van de indieners van de motie, in het debat met de staatssecretaris, naar voren gebracht dat hij bij een avond in Groningen was, waarbij een aantal bewoners kwamen met casuïstiek over zelf gemaakte kosten. In reactie hierop heeft de staatssecretaris het volgende naar voren gebracht:\n\n“Ik wil graag inventariseren hoe groot het probleem is, maar ik ga nu niet toezeggen dat ik een regeling ga voorbereiden voordat ik heb geïnventariseerd hoe groot het probleem is. Daar zit mijn probleem.”\n\n3.4.. Vervolgens is op 13 december 2022 een gewijzigde motievoorgelegd, waarbij de derde zin (red: vanaf ‘verzoekt’) nu als volgt luidt:\n\n“verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, en de Kamer daarover in het eerste kwartaal van 2023 te informeren”\n\n3.5.. Op 6 september 2023 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, in antwoord op Kamervragen, naar voren gebracht dat een meldpunt zal worden ingericht waar bewoners zich kunnen melden die menen dat zij zelf kosten hebben gemaakt voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen of kosten die daar direct uit voortkomen en dat dit meldpunt uiterlijk per 1 oktober 2023 bij de NCG wordt opengesteld. \n\n3.6.. Na openstelling van het meldpunt is door eiser de in deze zaak aan de orde zijnde melding gedaan.\n\nStandpunten partijen\n\n4. NCG heeft besloten om de kosten niet te vergoeden omdat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. NCG stelt zich op het standpunt dat NCG op grond van de Tijdelijke Wet Groningen (TwG) alleen bevoegd is om de schade te vergoeden als een deskundige – in opdracht van NCG – heeft geconstateerd dat de woning niet voldoet aan de veiligheidsnorm en NCG daaropvolgend een versterkingsbesluit heeft genomen. NCG heeft met betrekking tot de woning van eiser geen versterkingsbesluit genomen. Omdat geen versterkingsbesluit is genomen, komt NCG niet toe aan de uitzondering genoemd in artikel 13j, zevende lid, aanhef en onder a, van de TwG.\n\n4.1.. Eiser voert aan dat het ‘meldpunt kosten versterking’ is opgericht naar aanleiding van de motie van de leden Beckerman en Nijboer voor bewoners die eigen geld hebben moeten inzetten voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun (door de gaswinning beschadigde) woning (zie 3.2 en 3.4). Uit het antwoord van de staatssecretaris op de vragen van de Tweede Kamer blijkt volgens eiser dat het meldpunt is ingericht zonder inperking tot specifieke categorieën. Het vereiste van een versterkingsbesluit leidt volgens eiser tot onevenredig nadelige gevolgen voor eiser. Het primaire doel is volgens eiser herstel van de rechten van individuele gedupeerden. Dit doel wordt volgens hem gefrustreerd door afwijzing van de aanvraag op grond van een formeel vereiste, terwijl de staatssecretaris expliciet heeft toegezegd dat bewoners zoals eiser hun kosten vergoed krijgen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 1979en doet een beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel.\n\nBeoordeling\n\n5. De rechtbank stelt vast dat er naar aanleiding van de in 2022 ingediende motie geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. Het op 6 september 2023 door de staatssecretaris gegeven antwoord kan niet gelijk worden gesteld met een, naast de TwG, opgezette, publiekrechtelijke regeling waarmee in de hier aan de orde zijnde casus een vergoeding van de NCG kan worden afgedwongen. Voor zover eiser zich in dit kader beroept op het vertrouwensbeginsel leest de rechtbank in het antwoord niet een aan eiser gerichte toezegging dat zijn casus op grond van de TwG zal worden afgewikkeld.Ook uit het door eiser aangehaalde arrest van de Hoge Raad kan in een casus als onderhavige geen bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal worden afgeleid.\n\n5.1.. Als het gaat om de bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal in zaken waarin geen publiekrechtelijke regeling is opgetuigd kent de Awb de Wet nadeelcompensatie (Wns).\n\n5.2.. Voor inwerkingtreding van de Wns was, bij de beantwoording van de vraag of een beslissing van een bestuursorgaan over schadevergoeding wegens gesteld onrechtmatig overheidshandelen kan worden aangemerkt als besluit in de zin van de Awb, van belang of was voldaan aan de vereisten van de zogenoemde materiële en processuele connexiteit. Aan het vereiste van materiële connexiteit was voldaan, indien de beweerdelijk geleden schade was veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening door het bestuursorgaan dat de schadebeslissing neemt, van een door dat orgaan aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. Alleen in een dergelijk geval leverde een schriftelijke beslissing omtrent schade die niet was gebaseerd op een in een wet of een beleidsregel voorziene specifieke schadevergoedingsregeling, in beginsel een zogenoemd zelfstandig of zuiver schadebesluit op.\n\n5.3.. Op 1 juli 2013 is de Wns in werking getreden.Hierbij is de Awb gewijzigd, onder meer door toevoeging van een nieuw onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, en door toevoeging van de artikelen 8:88 tot en met 8:95. Met deze wijziging is beoogd de toegankelijkheid van de bestuursrechter voor een schadeprocedure te verbeteren door de introductie van een verzoekschriftprocedure. Waar een oordeel van de bestuursrechter over schadeveroorzakend handelen door het bestuursorgaan vóór de inwerkingtreding van de Wns enkel kon worden verkregen door bij het bestuursorgaan een zelfstandig schadebesluit uit te lokken en daartegen bezwaar te maken en beroep in te stellen, kan nu door middel van de verzoekschriftprocedure rechtstreeks bij de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding worden ingediend wegens (bepaald) onrechtmatig overheidshandelen. De verzoekschriftprocedure is daarmee in de plaats gekomen van het zelfstandig schadebesluit en het zelfstandig schadebesluit is door de toevoeging van onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, van de Awb op de lijst van besluiten gekomen waartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.\n\n5.4.. De rechtbank ziet ten eerste in het betoog van eiser geen grond voor het oordeel dat de beslissing van de NCG voldoet aan de eisen om te kunnen spreken van een zelfstandig schadebesluit. Maar ook als dat wel zo zou zijn komt de rechtbank, gelet op artikel 8:4, eerste lid aanhef en onder f, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb tot het oordeel dat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.Uit de wet volgt namelijk dat tegen deze besluiten geen beroep openstaat bij de bestuursrechter (zie 5.3). Omdat NCG het bezwaar heeft afwezen in plaats van niet-ontvankelijk te verklaren komt het bestreden besluit daarom voor vernietiging in aanmerking.\n\n5.5.. De rechtbank overweegt dat de per 1 juli 2013 in werking getreden Wns in onderhavige procedure evenmin kan leiden tot een vergoeding. De bestuursrechter is op grond van artikel 8:88 van de Awb bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:\n\neen onrechtmatig besluit\n\neen onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;\n\nhet niet tijdig nemen van een besluit;\n\neen andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbenden zijn.\n\n5.6.. \n\nDe hiervoor onder 5.5 opgesomde lijst is limitatief, wat betekent dat de bestuursrechter alleen bevoegd is om een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een van de hiervoor in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, vermelde oorzaken. Eiser heeft in beroep geen onrechtmatig besluit of een ander in\n\nartikel 8:88, eerste lid, van de Awb vermelde schadeoorzaak aangewezen ten gevolge waarvan hij stelt schade te hebben geleden. Eiser koppelt de door hem veronderstelde schade aan de vaststellingsovereenkomst die hij heeft gesloten met NAM. NCG heeft geen rol gehad bij de totstandkoming van deze vaststellingsovereenkomst, dan wel de versterking van de woning van eiser. De vaststellingsovereenkomst die eiser heeft gesloten kan ook niet - zoals hij heeft aangevoerd - gelijkgesteld worden met een versterkingsbesluit als bedoeld in de TwG. Bovendien is ingevolge artikel 8:89 van de Awb de bestuursrechter enkel bevoegd op een verzoek om schadevergoeding te beslissen, voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000 bedraagt.Het door eiser verzochte bedrag gaat het maximum van € 25.000 te boven zodat de bestuursrechter ook om die reden niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de bestuursrechter onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\nHet beroep op het gelijkheidsbeginsel\n\n6. Met betrekking tot het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank nog het volgende.\n\n6.1.. Eiser stelt dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van andere gedupeerden die wel aanvullende vergoeding hebben ontvangen, zonder deugdelijke motivering voor dit onderscheid.\n\n6.2.. NCG stelt zich op het standpunt dat eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet voldoende heeft onderbouwd met concrete voorbeelden. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval dat ongelijk behandeld wordt, zonder dat hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Er zijn geen regels opgesteld die eiser in onderhavige procedure te gelde kan maken. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat er andere gedupeerden zijn die wél een vergoeding hebben ontvangen, ondanks dat er geen versterkingsbesluit is genomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond omdat de NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is, moet NCG het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. NCG moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten x € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 28 augustus 2025;\n\n- bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;\n\n- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding;\n\n- bepaalt dat NCG het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt NCG tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. J.Y.B. Jansen en mr. L.M. Praamstra, leden, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nKamerstukken II2020\u002F21, 33 529, nr. 866\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 94\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 118, blz. 82-83.\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 115; de gewijzigde motie is aangenomen (stemmingen moties Groningen, 13 december 2022).\n\nAanhangsel Handelingen II2022\u002F23, nr. 3575, p. 2.\n\n HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595.\n\n ABRvS 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, r.o. 4.5.\n\n ABRvS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2195, r.o. 3.1.\n\n Stb. 2013, 50.\n\n ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1824: vergelijk de geschiedenis van de totstandkoming van de Wns, Kamerstukken II, 2010\u002F11, 32 621, nr. 3, blz. 40 en blz. 46-47\n\n Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1348, r.o. 3.1.\n\n ABRvS 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1050, r.o. 8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2618","2026-07-13T00:29:26.090Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":91,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":93},"1541","ECLI:NL:RBNNE:2026:2622","ecli-nl-rbnne-2026-2622","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F4750\n uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], uit Borgsweer, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Blokzijl),\n\nen\n\nde minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (voorheen: staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – Herstel Groningen), Nationaal Coördinator Groningen, NCG\n\n(gemachtigde: mrs. R.M. Don en G.H. Poort).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door NCG van de aanvraag van eiser bij het ‘meldpunt kosten versterking’. Eiser heeft in 2018 met de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) een vaststellingsovereenkomst gesloten. De woning van eiser is na deze vaststellingsovereenkomst gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Eiser heeft zich op 21 december 2023 gemeld bij het ‘meldpunt kosten versterking’ en verzocht om een aanvullende vergoeding van € 19.600. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank stelt in deze uitspraak vast dat dat er naar aanleiding van de door eiser genoemde motie in 2022 geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is, omdat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank verklaart zich verder onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 21 december 2023 een melding gedaan bij het ‘meldpunt kosten versterking’ en verzocht om een vergoeding van € 19.600. NCG heeft deze aanvraag met het besluit van 23 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 november 2025 op het bezwaar van eiser is NCG bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. NCG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de NCG.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten\n\n3. Eiser is eigenaar van de woning aan [adres] in Borgsweer. Eiser heeft in 2018 met NAM een vaststellingsovereenkomst gesloten. De woning is in het kader van deze vaststellingsovereenkomst gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Tussen partijen is overeengekomen dat NAM de kosten voor de sloop-nieuwbouw zou vergoeden tot een bepaald bedrag. Partijen hebben elkaar finale kwijting verleend. Tijdens de bouw is volgens eiser gebleken dat de vergoeding van NAM onvoldoende was. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij hierdoor werkzaamheden in eigen beheer heeft moeten uitvoeren. In het ingediende beroepschrift heeft eiser een bedrag van € 19.600 als eigen kosten genoemd en is vermeld dat hij deze kosten bij akte nader zal specificeren.\n\n3.1.. Vanaf 1 januari 2020 wordt de versterking van woningen in Groningen uitgevoerd door de NCG.\n\n3.2.. Tijdens het wetgevingsoverleg van 6 december 2022 is door de leden Beckerman en Nijboer de volgende motieingediend:\n\n“(…) overwegende dat veel gedupeerden zelf kosten maken voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun huis; constaterende dat alle gedupeerden recht moeten hebben om terug te krijgen wat ze hadden; verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, een regeling voor te bereiden om deze kosten alsnog te vergoeden en deze aan de Kamer voor te leggen (…).”3.3.. Hierbij is door een van de indieners van de motie, in het debat met de staatssecretaris, naar voren gebracht dat hij bij een avond in Groningen was, waarbij een aantal bewoners kwamen met casuïstiek over zelf gemaakte kosten. In reactie hierop heeft de staatssecretaris het volgende naar voren gebracht:\n\n“Ik wil graag inventariseren hoe groot het probleem is, maar ik ga nu niet toezeggen dat ik een regeling ga voorbereiden voordat ik heb geïnventariseerd hoe groot het probleem is. Daar zit mijn probleem.”\n\n3.4.. Vervolgens is op 13 december 2022 een gewijzigde motievoorgelegd, waarbij de derde zin (red: vanaf ‘verzoekt’) nu als volgt luidt:\n\n“verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, en de Kamer daarover in het eerste kwartaal van 2023 te informeren”\n\n3.5.. Op 6 september 2023 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, in antwoord op Kamervragen, naar voren gebracht dat een meldpunt zal worden ingericht waar bewoners zich kunnen melden die menen dat zij zelf kosten hebben gemaakt voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen of kosten die daar direct uit voortkomen en dat dit meldpunt uiterlijk per 1 oktober 2023 bij de NCG wordt opengesteld. \n\n3.6.. Na openstelling van het meldpunt is door eiser de in deze zaak aan de orde zijnde melding gedaan.\n\nStandpunten partijen\n\n4. NCG heeft besloten om de kosten niet te vergoeden omdat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. NCG stelt zich op het standpunt dat NCG op grond van de Tijdelijke Wet Groningen (TwG) alleen bevoegd is om de schade te vergoeden als een deskundige – in opdracht van NCG – heeft geconstateerd dat de woning niet voldoet aan de veiligheidsnorm en NCG daaropvolgend een versterkingsbesluit heeft genomen. NCG heeft met betrekking tot de woning van eiser geen versterkingsbesluit genomen. Omdat geen versterkingsbesluit is genomen, komt NCG niet toe aan de uitzondering genoemd in artikel 13j, zevende lid, aanhef en onder a, van de TwG.\n\n4.1.. Eiser voert aan dat het ‘meldpunt kosten versterking’ is opgericht naar aanleiding van de motie van de leden Beckerman en Nijboer voor bewoners die eigen geld hebben moeten inzetten voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun (door de gaswinning beschadigde) woning (zie 3.2 en 3.4). Uit het antwoord van de staatssecretaris op de vragen van de Tweede Kamer blijkt volgens eiser dat het meldpunt is ingericht zonder inperking tot specifieke categorieën. Het vereiste van een versterkingsbesluit leidt volgens eiser tot onevenredig nadelige gevolgen voor eiser. Het primaire doel is volgens eiser herstel van de rechten van individuele gedupeerden. Dit doel wordt gefrustreerd door afwijzing van de aanvraag op grond van een formeel vereiste, terwijl de staatssecretaris expliciet heeft toegezegd dat bewoners zoals eiser hun kosten vergoed krijgen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 1979en doet een beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel.\n\nBeoordeling\n\n5. De rechtbank stelt vast dat er naar aanleiding van de in 2022 ingediende motie geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. Het op 6 september 2023 door de staatssecretaris gegeven antwoord kan niet gelijk worden gesteld met een, naast de TwG, opgezette, publiekrechtelijke regeling waarmee in de hier aan de orde zijnde casus een vergoeding van de NCG kan worden afgedwongen. Voor zover eiser zich in dit kader beroept op het vertrouwensbeginsel leest de rechtbank in het antwoord niet een aan eiser gerichte toezegging dat zijn casus op grond van de TwG zal worden afgewikkeld.Ook uit het door eiser aangehaalde arrest van de Hoge Raad kan in een casus als onderhavige geen bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal worden afgeleid.\n\n5.1.. Als het gaat om de bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal in zaken waarin geen publiekrechtelijke regeling is opgetuigd kent de Awb de Wet nadeelcompensatie (Wns).\n\n5.2.. Voor inwerkingtreding van de Wns was, bij de beantwoording van de vraag of een beslissing van een bestuursorgaan over schadevergoeding wegens gesteld onrechtmatig overheidshandelen kan worden aangemerkt als besluit in de zin van de Awb, van belang of was voldaan aan de vereisten van de zogenoemde materiële en processuele connexiteit. Aan het vereiste van materiële connexiteit was voldaan, indien de beweerdelijk geleden schade was veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening door het bestuursorgaan dat de schadebeslissing neemt, van een door dat orgaan aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. Alleen in een dergelijk geval leverde een schriftelijke beslissing omtrent schade die niet was gebaseerd op een in een wet of een beleidsregel voorziene specifieke schadevergoedingsregeling, in beginsel een zogenoemd zelfstandig of zuiver schadebesluit op.\n\n5.3.. Op 1 juli 2013 is de Wns in werking getreden.Hierbij is de Awb gewijzigd, onder meer door toevoeging van een nieuw onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, en door toevoeging van de artikelen 8:88 tot en met 8:95. Met deze wijziging is beoogd de toegankelijkheid van de bestuursrechter voor een schadeprocedure te verbeteren door de introductie van een verzoekschriftprocedure. Waar een oordeel van de bestuursrechter over schadeveroorzakend handelen door het bestuursorgaan vóór de inwerkingtreding van de Wns enkel kon worden verkregen door bij het bestuursorgaan een zelfstandig schadebesluit uit te lokken en daartegen bezwaar te maken en beroep in te stellen, kan nu door middel van de verzoekschriftprocedure rechtstreeks bij de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding worden ingediend wegens (bepaald) onrechtmatig overheidshandelen. De verzoekschriftprocedure is daarmee in de plaats gekomen van het zelfstandig schadebesluit en het zelfstandig schadebesluit is door de toevoeging van onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, van de Awb op de lijst van besluiten gekomen waartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.\n\n5.4.. De rechtbank ziet ten eerste in het betoog van eiser geen grond voor het oordeel dat de beslissing van de NCG voldoet aan de eisen om te kunnen spreken van een zelfstandig schadebesluit. Maar ook als dat wel zo zou zijn komt de rechtbank, gelet op artikel 8:4, eerste lid aanhef en onder f, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb tot het oordeel dat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.Uit de wet volgt namelijk dat tegen deze besluiten geen beroep openstaat bij de bestuursrechter (zie 5.3). Omdat NCG het bezwaar heeft afwezen in plaats van niet-ontvankelijk te verklaren komt het bestreden besluit daarom voor vernietiging in aanmerking.\n\n5.5.. De rechtbank overweegt dat de per 1 juli 2013 in werking getreden Wns in onderhavige procedure evenmin kan leiden tot een vergoeding. De bestuursrechter is op grond van artikel 8:88 van de Awb bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:\n\neen onrechtmatig besluit\n\neen onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;\n\nhet niet tijdig nemen van een besluit;\n\neen andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbenden zijn.\n\n5.6.. \n\nDe hiervoor onder 5.5 opgesomde lijst is limitatief, wat betekent dat de bestuursrechter alleen bevoegd is om een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een van de hiervoor in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, vermelde oorzaken. Eiser heeft in beroep geen onrechtmatig besluit of een ander in\n\nartikel 8:88, eerste lid, van de Awb vermelde schadeoorzaak aangewezen ten gevolge waarvan hij stelt schade te hebben geleden. Eiser koppelt de door hem veronderstelde schade aan de vaststellingsovereenkomst die hij heeft gesloten met NAM. NCG heeft geen rol gehad bij de totstandkoming van deze vaststellingsovereenkomst, dan wel de versterking van de woning van eiser. De vaststellingsovereenkomst die eiser heeft gesloten kan ook niet - zoals hij heeft aangevoerd - gelijkgesteld worden met een versterkingsbesluit als bedoeld in de TwG. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de bestuursrechter onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\nHet beroep op het gelijkheidsbeginsel\n\n6. Met betrekking tot het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank nog het volgende.\n\n6.1.. Eiser stelt dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van andere gedupeerden die wel aanvullende vergoeding hebben ontvangen, zonder deugdelijke motivering voor dit onderscheid.\n\n6.2.. NCG stelt zich op het standpunt dat eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet voldoende heeft onderbouwd met concrete voorbeelden. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval dat ongelijk behandeld wordt, zonder dat hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Er zijn geen regels opgesteld die eiser in onderhavige procedure te gelde kan maken. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat er andere gedupeerden zijn die wél een vergoeding hebben ontvangen, ondanks dat er geen versterkingsbesluit is genomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond omdat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is, moet NCG het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. NCG moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten x € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 3 november 2025;\n\n- bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;\n\n- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding;\n\n- bepaalt dat NCG het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt NCG tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. J.Y.B. Jansen en mr. L.M. Praamstra, leden, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nKamerstukken II2020\u002F21, 33 529, nr. 866\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 94\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 118, blz. 82-83.\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 115; de gewijzigde motie is aangenomen (stemmingen moties Groningen, 13 december 2022).\n\nAanhangsel Handelingen II2022\u002F23, nr. 3575, p. 2.\n\n HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595.\n\n ABRvS 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, r.o. 4.5.\n\n ABRvS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2195, r.o. 3.1.\n\n Stb. 2013, 50.\n\n ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1824: vergelijk de geschiedenis van de totstandkoming van de Wns, Kamerstukken II, 2010\u002F11, 32 621, nr. 3, blz. 40 en blz. 46-47\n\n Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1348, r.o. 3.1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2622","2026-07-13T00:29:26.171Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":98,"fullText":99,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":51,"updatedAt":101},"945","ECLI:NL:RBDHA:2026:9242","ecli-nl-rbdha-2026-9242","2026-04-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.18135\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft op 10 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\n1.1.. Eiser heeft op 1 april 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n1.2.. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.\n\n1.3.. De minister heeft de maatregel van bewaring op 9 april 2026, na een belangenafweging, opgeheven.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen via een telefoonverbinding. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 februari 2026volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 23 februari 2026, de maatregel van bewaring rechtmatig is.\n\n3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de bewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\nWat vindt eiser?\n\n4. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig was. Hiertoe voert eiser aan dat er na de meest recente uitspraak van 24 februari 2026 geen sprake meer was van zicht op uitzetting, omdat nog steeds geen reactie van de Algerijnse autoriteiten was ontvangen op lp-aanvraag. Eiser heeft bovendien aangegeven dat hij bereid is terug te keren en dat hij wil meewerken. Eiser stelt dat het argument dat de minister afhankelijk is van de medewerking van Algerije niet valide is. Daarnaast voert eiser aan dat de minister in de afgelopen maanden volstrekt onvoldoende heeft gedaan om de uitzetting te bevorderen. De minister had eerder op dossierniveau moeten informeren naar de stand van zaken en aandacht moeten vragen voor deze zaak. Tot slot voert eiser aan dat, gelet op het voorgaande, de minister al eerder de belangenafweging in het voordeel van eiser had moeten laten uitvallen.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdelingvan 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt.De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lpvoor eiser te zullen verstrekken. Het lp-traject liep bovendien niet dusdanig lang dat dit de conclusie rechtvaardigt dat er alleen daarom al geen sprake meer was van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.\n\n5.1.. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat op 9 maart 2026 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd en dat op 12 maart 2026 is gerappelleerd ten aanzien van de lp-aanvraag. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om te concluderen dat de minister op dossierniveau had moeten rappelleren.\n\n5.2.. In het kader van de verzwaarde belangenafweging heeft de minister op de zitting toegelicht dat op 9 april 2026 een belangenafweging is gemaakt en deze in het voordeel van eiser heeft laten uitvallen, waarna de maatregel is opgeheven. De rechtbank is niet gebleken van feiten en omstandigheden die voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om de bewaring bij een afweging van de belangen eerder op te heffen.\n\n5.3.. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 23 februari 2026 op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n NL26.8870, ECLI:NL:RBDHA:2026:3697.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ECLI:NL:RVS:2024:2842.\n\n Laissez-passer.\n\n Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9242","2026-07-13T00:28:56.138Z",20,[11,104,105,106],2025,2024,2023]