[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-data-protection-nl-2024":3},{"detail":4,"years":63},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":62},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},116,"data-protection-nl","Data Protection","NL","2026-07-08T16:57:11.243Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":14},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"533","ECLI:NL:RBOVE:2024:4278","ecli-nl-rbove-2024-4278","",57,"2024-08-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 23\u002F1891\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser], uit [woonplaats], eiser,\n\ngemachtigde: [gemachtigde],\n\nen\n\nde minister van Financiën, verweerder.\n\nInleiding\n\nBij besluit van 4 mei 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op eisers verzoek van 22 januari 2023 om inzage in zijn persoonsgegevens die in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) stonden. Tegen deze beslissing heeft eiser bezwaar gemaakt.\n\nOp 17 september 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn bezwaar.\n\nBij besluit van 6 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.\n\nArtikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.\n\nEiser heeft na het bestreden besluit aanvullende beroepsgronden ingediend, gericht tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft twee verweerschriften ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 25 juli 2024 op zitting behandeld. Namens eiser heeft zijn gemachtigde aan de zitting deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.D. Kortman, [naam 1] en [naam 2].\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nAanleiding\n\n1.1. Op 22 januari 2023 heeft eiser bij de Belastingdienst een verzoek ingediend om een overzicht van zijn persoonsgegevens die in de FSV stonden. Verweerder heeft dit verzoek aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). In het primaire besluit heeft verweerder het verzoek toegewezen en een overzicht van eisers persoonsgegevens in de FSV verstrekt.\n\n1.2. Bij brief van 2 juni 2023, door verweerder ontvangen op 8 juni 2023, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij brief van 15 juni 2023 heeft verweerder de ontvangst van dit bezwaar aan eiser bevestigd en de beslistermijn van zes weken op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb met zes weken verlengd.\n\n1.3. Bij brief van 28 juli 2023 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Daarna heeft het procesverloop plaatsgevonden dat is vermeld onder ‘Inleiding’.\n\nBeoordeling van het beroep wegens niet tijdig beslissen\n\n2. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit inmiddels heeft besloten op eisers bezwaar tegen het primaire besluit. Dat betekent dat eiser met zijn beroep wegens niet tijdig beslissen heeft bereikt wat hij wilde bereiken en dat zijn procesbelang bij dat beroep is komen te vervallen. De rechtbank zal daarom het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, niet-ontvankelijk verklaren.\n\nOp de vraag of eiser het beroep wegens niet tijdig beslissen terecht heeft ingesteld gaat de rechtbank verderop in deze uitspraak in.\n\nBeoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit\n\n3. In het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat, doordat aan eiser een overzicht van zijn persoonsgegevens is verstrekt, is voldaan aan de verplichtingen op grond van artikel 15 van de AVG en dat het primaire besluit inhoudelijk juist is.\n\nTermijn voor indienen gronden van bezwaar\n\n4.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit allereerst aangevoerd dat verweerder hem de gelegenheid had moeten geven om de gronden van het bezwaar aan te vullen. Volgens eiser heeft verweerder nu op een pro forma-bezwaarschrift besloten, zonder de redenen van het bezwaar te kennen.\n\n4.2. \n\nDe rechtbank stelt vast dat in het bezwaarschrift van 2 juni 2023 niet staat dat dat een zogenoemd pro forma-bezwaarschrift is en daarin is ook niet gevraagd om een termijn voor het indienen van de gronden van bezwaar. Ook na het indienen van dat bezwaarschrift heeft eiser verweerder niet om een dergelijke termijn gevraagd en evenmin heeft hij of zijn gemachtigde op een later moment in de bezwaarfase aanvullende bezwaargronden ingediend of aangekondigd. Verder is eiser in het bezwaarschrift van 2 juni 2023 inhoudelijk ingegaan op het primaire besluit en heeft hij aangegeven dat hij het daarmee niet eens is. Daarnaast heeft hij bij zijn bezwaarschrift een kopie van het primaire besluit gevoegd, waarop hij tekstgedeelten heeft omcirkeld, leestekens heeft geplaatst en een opmerking heeft geschreven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hierin een bezwaargrond kunnen lezen. Voor het oordeel dat verweerder nog niet op het bezwaar had mogen beslissen, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.\n\nDeze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHoorplicht\n\n5.1. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, omdat zijn gemachtigde in de bezwaarfase ten onrechte niet is uitgenodigd voor een hoorzitting.\n\n5.2.1. Aan het einde van zijn bezwaarschrift heeft eiser het volgende geschreven:\n\n‘Aangezien bezwaar maken een goed recht is van iedere burger in Nederland en dit in de wet is geregeld, dien ik dat bezwaarschrift in middels deze brief. Derhalve verzoek ik u mij te bellen omtrent dit bezwaarschrift en het bezwaarschrift gegrond te verklaren. Tevens wil ik laten weten dat dhr. [gemachtigde] mijn gemachtigde is in deze procedure. Zijn adres is [adres].’\n\n5.2.2. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat in de bezwaarfase diverse keren is geprobeerd om contact op te nemen met eiser over zijn bezwaarschrift. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een print screen van alle telefonische contactpogingen en enkele sms-berichten overgelegd. Verweerder heeft in de bezwaarfase niet geprobeerd om contact op te nemen met eisers gemachtigde. Ter zitting heeft verweerder hierover verklaard dat hij in zaken waarin het gaat om persoonsgegevens extra voorzichtig is en dat als een betrokkene niet wordt bijgestaan door een advocaat, steeds om een officiële machtiging wordt gevraagd. Bovendien heeft eiser in zijn bezwaarschrift zelf gevraagd om daarover te worden gebeld. Om deze redenen heeft verweerder eerst geprobeerd om contact op te nemen met eiser. Dat is, ondanks meerdere pogingen daartoe, echter niet gelukt. Daardoor heeft verweerder niet bij eiser kunnen verifiëren of [gemachtigde] daadwerkelijk zijn gemachtigde is.\n\n5.2.3. \n\nVerder blijkt uit de stukken dat verweerder eiser per brief van 30 juli 2023 heeft meegedeeld dat hij het voornemen heeft om het bezwaar ongegrond te verklaren. In deze brief is eiser tevens meegedeeld dat meerdere keren hebben is geprobeerd om hem te bellen, maar dat het niet is gelukt om hem te bereiken. Ook is eiser gevraagd om, als hij gebruik wil maken van zijn hoorrecht, daarover contact op te nemen.\n\nOp 21 september 2023 heeft verweerder een soortgelijke brief naar eiser gestuurd. In die brief is eiser uitgenodigd voor een hoorgesprek op 3 oktober 2023.\n\n5.3. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en wat ter zitting is besproken blijkt dat verweerder van alles heeft geprobeerd om met eiser contact op te nemen over zijn bezwaarschrift, maar dat het onmogelijk is gebleken om hem te bereiken. Verder is de rechtbank van oordeel dat eisers bezwaarschrift wel een machtiging bevat en dat eiser daarin [gemachtigde] heeft gemachtigd om in de bezwaarfase op te treden als zijn gemachtigde. Eiser heeft, ondanks dat hij een officiële gemachtigde heeft, daarin echter ook gevraagd om hem te bellen over zijn bezwaarschrift. Hiermee heeft eiser gevraagd om hem ook persoonlijk te benaderen over het bezwaarschrift. Gelet op deze omstandigheden (eisers verzoek om hem persoonlijk te benaderen, de gebleken onmogelijkheid om hem te bereiken en de gevoelige aard van zaken over persoonsgegevens) is de rechtbank van oordeel dat verweerder de correspondentie aan eiser heeft kunnen richten. Verweerder mocht ervan uitgaan dat eiser zijn gemachtigde op de hoogte zou stellen van de brieven die hij van verweerder ontving en die naar hem zou doorsturen. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser en zijn gemachtigde in de bezwaarfase wel degelijk de mogelijkheid heeft geboden om te worden gehoord over het bezwaarschrift, zodat van een schending van de hoorplicht geen sprake is. Daarbij stelt de rechtbank vast dat eiser de ontvangst van de brieven van verweerder van 30 juli 2023 en 21 september 2023 niet heeft ontkend. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie over het bezwaar\n\n6. Eiser heeft de rechtbank gevraagd om het bestreden besluit te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar verweerder voor een nieuw besluit op bezwaar. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat voor dit laatste in ieder geval geen reden bestaat. Daarbij stelt de rechtbank vast dat eiser in beroep alleen procedurele gronden heeft aangevoerd en het bestreden besluit inhoudelijk niet heeft bestreden.\n\nDwangsom wegens niet tijdig beslissen\n\n7.1. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet de dwangsom heeft vastgesteld die is verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Eiser heeft de rechtbank gevraagd om die dwangsom alsnog vast te stellen. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat van een prematuur ingediende ingebrekestelling geen sprake is, omdat de verdagingsbeslissing van 15 juni 2023 ten onrechte niet naar zijn gemachtigde is gestuurd. Subsidiair heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij deze verdagingsbeslissing niet heeft ontvangen.\n\n7.2. Verweerder heeft in het verweerschrift van 6 oktober 2023 geconcludeerd dat eiser de ingebrekestelling van 28 juli 2023 te vroeg heeft ingediend, omdat in de verdagingsbeslissing van 15 juni 2023 de beslistermijn met zes weken is verlengd. Als gevolg hiervan is de ingebrekestelling ingediend voordat de beslistermijn was afgelopen.\n\n7.3. In rechtsoverweging 5.3 van deze uitspraak heeft de rechtbank al geconcludeerd dat verweerder in dit geval de correspondentie aan eiser heeft kunnen richten. Dat geldt ook voor de verdagingsbeslissing van 15 juni 2023, zeker gezien het verzoek van eiser om met hem contact op te nemen over het bezwaarschrift. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder met deze beslissing de beslistermijn met zes weken heeft verlengd, zodat de ingebrekestelling van 28 juli 2023 is ingediend voordat verweerder in gebreke was om tijdig een besluit te nemen op het bezwaar. Verweerder mocht er ook van uitgaan dat eiser zijn gemachtigde op de hoogte zou stellen van deze verdagingsbeslissing. Overigens stelt de rechtbank vast dat eiser de ingebrekestelling zelf heeft opgesteld en ingediend.\n\n7.4. Dat eiser de verdagingsbeslissing van 15 juni 2023 niet zou hebben ontvangen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Eiser heeft deze (subsidiaire) stelling pas in het aanvullend beroepschrift van 12 juli 2024 aangevoerd. Dat is dusdanig laat, dat de rechtbank hier niet in meegaat.\n\n7.5.. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat hij geen dwangsom wegens niet tijdig beslissen is verschuldigd. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nBeroep wegens niet tijdig beslissen terecht ingesteld?\n\n8. Omdat eiser de ingebrekestelling heeft ingediend voordat verweerder in gebreke was om tijdig op het bezwaar te beslissen, is niet voldaan aan de voorwaarden uit\n\nartikel 6:12, tweede lid, van de Awb voor het instellen van beroep wegens niet tijdig beslissen. Daarom is er geen reden om een proceskostenveroordeling uit te spreken of om verweerder op te dragen het griffierecht aan eiser te vergoeden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\nVoor het uitspreken van een proceskostenveroordeling of het opdragen van verweerder om het griffierecht aan eiser te vergoeden bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;\n\nverklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. P.J.H. Bijleveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\n de rechter is verhinderd deze\n\n uitspraak te ondertekenen\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2024:4278","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:35.255Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":50,"updatedAt":61},"571","ECLI:NL:RBNHO:2024:3060","ecli-nl-rbnho-2024-3060",67,"2024-02-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 22\u002F6332\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 februari 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nDe Minister van Veiligheid en Justitie, Justitiële Informatiedienst, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M. Moddejonge).\n\nInleiding\n\n1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de vraag of verweerder het verzoek van eiser, om verwijdering van zijn gegevens uit het Justitieel Documentatie Systeem te verwijderen, kon afwijzen.\n\n1.2. Eiser heeft op 31 maart 2022 verweerder verzocht om gegevens te verwijderen uit het JDS.\n\n1.3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser met het primaire besluit van 9 mei 2022 afgewezen.1.4. Met het bestreden besluit van 19 september 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.\n\n1.5. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.6. De rechtbank heeft het beroep op 21 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2.1. Bij e-mail van 31 maart 2022 vraagt eiser aan verweerder of zijn gegevens kunnen worden verwijderd uit het JDS. In een moeilijke periode van zijn leven heeft hij onder invloed van alcohol een [object 1] en een [object 2] van zijn buren vernield. De buren hebben aangifte gedaan van vernieling, maar deze aangifte ook weer ingetrokken. De zaak is vervolgens geseponeerd door het Openbaar Ministerie (OM), omdat de gevolgen van de gebeurtenis onderling zijn opgelost. Volgens eiser staan de gevolgen die hij vandaag de dag nog ondervindt van de registratie van het sepot in het JDS niet in verhouding tot het voorval dat heeft plaatsgevonden.3.2. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. De persoonlijke belangen van eiser wegen niet zwaarder dan het belang om een volledig historisch overzicht te behouden voor een goede strafrechtspleging. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die verwijdering van de registratie rechtvaardigen. Daarbij is overwogen dat eiser niet zeer jong was ten tijde van het gepleegde delict, dat succesvolle vervolging technisch haalbaar zou zijn geweest, dat het feit relatief recentelijk is gepleegd en dat het feit gekwalificeerd wordt als misdrijf. Daarnaast is niet gebleken van meer dan normale carrièrehinder of van een specifiek genoten opleiding.\n\n3.3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Volgens verweerder leiden de bezwaren van eiser niet tot een ander oordeel. Daarbij is overwogen dat de genoemde omstandigheden waaronder het delict heeft plaatsgevonden niet relevant zijn, omdat bij de beoordeling van het verzoek van eiser bekeken moet worden of er huidige bijzondere omstandigheden zijn die verwijdering van de justitiële registratie rechtvaardigen. Dat eiser nooit op de hoogte is gesteld van de registratie is geen bijzondere persoonlijke omstandigheid. Ook het mogelijk ontstaan van hinder is geen bijzondere persoonlijke omstandigheid. Daarnaast is de bewaartermijn wettelijk vastgelegd, en kan niet per geval beoordeeld worden of deze termijn al dan niet passend is.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4.1. De rechtbank beoordeelt of verweerder het verzoek van eiser in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n4.2. Het beroep is ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n4.3. De regels en wetten die op deze zaak van toepassing zijn staan opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nOntvankelijkheid5. In het kader van de ontvankelijkheid overweegt de rechtbank dat eiser met zijn e-mail van 19 oktober 2022 aan de centrale balie van de rechtbank kenbaar heeft gemaakt in beroep te willen gaan tegen een ontvangen besluit. Uit navraag is gebleken dat dit beroep gericht was tegen het besluit van 19 september 2022. Het beroepschrift is dus verzonden binnen zes weken na ontvangst van dit besluit. Daarmee is het beroep tijdig ingediend. Daarom gaat de rechtbank hierna over tot een inhoudelijke beoordeling.\n\nHeeft verweerder het verzoek van eiser tot verwijdering van zijn gegevens in redelijkheid kunnen weigeren?6.1. Eiser voert aan dat de nadelige consequenties van de registratie in relatie tot het voorval te zwaar zijn. Ondanks het feit dat de strafzaak is geseponeerd, ondervindt hij door de registratie nog steeds hinder in zijn carrière en in zijn privéleven. Zo moet hij voor zijn werk regelmatig [faciliteit] bezoeken, waarbij het hem in vergelijking met zijn collega’s vaak meer moeite kost om toegang te krijgen. Ook krijgt hij geen visum om buiten de Europese Unie te reizen. De registratie legt daarnaast ten onrechte de focus op het voorval zelf, en niet op de omstandigheden waaronder het voorval plaatsvond. Hij zat in een moeilijke periode van zijn leven en heeft de vernieling gedaan onder invloed van alcohol. Hij heeft het goed gemaakt met zijn buurman en momenteel drinkt eiser niet meer. Ook stelt eiser dat de langdurige registratie niet in verhouding staat tot de ernst van het delict.\n\n6.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden bij eiser die zwaarder wegen dan het belang van strafrechtspleging. Omdat eiser [leeftijd] jaar was ten tijde van het plegen van het delict, mag worden aangenomen dat hij de gevolgen van zijn handelen heeft kunnen overzien. De leeftijd is één criterium die in samenhang met de overige criteria is afgewogen. Niet valt in te zien hoe toepassing van dit criterium in het geval van eiser leidt tot leeftijdsdiscriminatie. Ook staat de sepotbeslissing op de juiste wijze in het JDS geregistreerd. Het voorval betrof vernieling, dat volgens artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is aangemerkt als misdrijf. Tot slot is de registratie niet bedoeld als straf. Dat eiser dit wel zo ervaart en hier emotionele hinder door heeft kan zoals blijkt uit de wetgeschiedenis niet worden gezien als bijzondere persoonlijke omstandigheid die verwijdering van de registratie rechtvaardigt. Verweerder heeft ook maar beperkt ruimte om de betrokken belangen af te wegen. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4610).\n\n6.3.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het verzoek tot verwijdering van de justitiële gegevens van eiser in redelijkheid kunnen weigeren. Op grond van artikel 7 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in samenhang met artikel 2 van de Wet justitiële en strafvorderlijke (Wjsg) gegevens wordt een sepot van het OM als hier aan de orde 20 jaar bewaard. Eiser ontkent niet dat het voorval heeft plaatsgevonden en dat sprake is geweest van een sepot. De inhoudelijke juistheid van de registratie staat dus niet ter discussie.6.3.2. De bijzondere omstandigheden die eiser aanvoert zijn geen omstandigheden die maken dat verweerder in het geval van eiser toch de gegevens had moeten verwijderen. De rechtbank zal dit uitleggen. In de uitspraak waar verweerder ook naar verwijst, overweegt de Afdeling het volgende:\n\n4.1.. De verwerking van justitiële gegevens heeft tot doel een goede strafrechtspleging te bevorderen (Kamerstukken II 1999-2000, 24 797, nr. 7, p. 12-13). Wil de rechter of officier van justitie een compleet beeld krijgen van iemands strafrechtelijk verleden, dan is het volgens de wetgever van belang dat de gegevens over alle delicten die tot een afdoening door de officier van justitie of de rechter hebben geleid gedurende de in de wet genoemde termijnen beschikbaar blijven. Niet van belang is of degene van wie de gegevens zijn verwerkt hieronder emotioneel gebukt gaat. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 26 Wjsg dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen de verwerking van de gegevens moet worden gestaakt (vergelijk de uitspraak van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1148). Het moet volgens de wetgever gaan om zeer bijzondere gevallen, waarbij de aard van de zaak zwaarder weegt dan het beginsel dat de justitiële documentatie een volledige registratie bevat ten behoeve van een goede strafrechtspleging (Kamerstukken II 2001-2002, 24797, nr. 13, p. 2).\n\n4.2.. \n\nDe minister heeft beoordelingsruimte bij de behandeling van een verzet op grond van artikel 26, eerste lid, van de Wjsg. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de vaste gedragslijn (zie ook de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:618). Volgens die vaste gedragslijn weegt de minister de volgende criteria in samenhang:\n\n - hoe specifiek de desbetreffende opleiding is en of er meer dan normale (carrière)hinder wordt ondervonden;\n\n - de leeftijd ten tijde van het delict;\n\n - de ernst van het delict;\n\n - de aard van de beslissing door het OM of de rechter;\n\n- het tijdstip wanneer het delict heeft plaatsgevonden (tijdsverloop tussen het delict en aanvragen verzet);\n\n - het bestaan\u002Fontbreken van andere delicten op het uittreksel.6.3.3. In de hierboven beschreven vaste lijst met criteria die verweerder afweegt bij het beoordelen van een verzoek tot verwijderen van gegevens uit het JDS staan de omstandigheden van het voorval zelf, in dit geval dus de vernieling en de omstandigheden waaronder die vernieling heeft plaatsgevonden, niet genoemd. Dat betekent dat verweerder die omstandigheden niet kan meewegen in zijn afweging.\n\n6.3.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder wel mee kunnen laten weten dat eiser ten tijde van de vernieling [leeftijd] jaar was en dus geen jonge leeftijd had. Van een [leeftijd] -jarige mag worden verwacht dat hij de gevolgen kan overzien van zijn acties. Van leeftijdsdiscriminatie is hier geen sprake.\n\n6.3.5. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder bij zijn afweging ook aandacht heeft besteed aan het feit dat de strafzaak is geseponeerd en dat de vernieling het enige geregistreerde feit is. Ook is meegewogen dat, hoewel sprake is van een misdrijf, sprake is van een gering feit (afgezet tegen andere misdrijven). Verweerder heeft daarnaast aandacht besteed aan de hinder die eiser ondervindt van de registratie. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van meer dan normale (carrière)hinder. Bovendien stelt eiser dat hij hinder ondervindt in zijn werk, dit hij heeft dit niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Het feit dat eiser zich beperkt voelt in zijn doen en laten is onvoldoende om over te gaan tot verwijdering van de gegevens. Daarom heeft verweerder in redelijkheid het belang van een juiste en volledige registratie in het JDS zwaarder kunnen wegen. Daarbij kan de emotionele hinder die eiser van de registratie ondervindt ook niet tot een ander oordeel leiden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van mr. N.L. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage\n\nWet justitiële en strafvorderlijke gegevens\n\nArtikel 2\n\n1. Onze Minister verwerkt in de justitiële documentatie justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging.\n\nArtikel 4\n\n1. Justitiële gegevens van verdachten en veroordeelden wegens misdrijven worden vernietigd:\n\nb. twintig jaar nadat een beslissing om niet te vervolgen is genomen, nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld, en in het kader van het misdrijf de justitiële gegevens zijn verwerkt of nadat een strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, dan wel twaalf jaar na het overlijden van betrokkene, of\n\n[…]\n\nArtikel 22\n\n1. De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende justitiële gegevens te verkrijgen en, rekening houdend met het doel van de verwerking, onvolledige justitiële gegevens te laten aanvullen. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.\n\n2 De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onnodige vertraging vernietiging van de hem betreffende justitiële gegevens te verkrijgen, indien de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of een wettelijk voorschrift tot vernietiging verplicht.\n\n[…]\n\nArtikel 26\n\n1. Betrokkene kan bij Onze Minister verzet aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden.\n\n[…]\n\nBesluit justitiële en strafvorderlijke gegevens\n\nArtikel 7\n\n1. Voor zover van toepassing worden als justitiële gegevens als bedoeld in de artikelen 2, 3, 4 en 9 aangemerkt:\n\na. alle beslissingen die door het Openbaar Ministerie of de rechter zijn genomen, met uitzondering van:\n\n1˚. de beslissing tot niet vervolgen omdat de betrokken persoon ten onrechte als verdachte is aangemerkt;\n\n2˚. de beslissing tot niet vervolgen na vaststelling van een rechtmatige geweldsaanwending van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren;\n\n[…]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:3060","2024-03-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.342Z",20,[64,11],2026]