[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-dublin-transfer-nl-2026":3},{"detail":4,"years":196},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":194,"page":14,"limit":195},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},122,"dublin-transfer-nl","Dublin Transfer","NL","2026-07-08T16:57:28.069Z",2026,[13,16,17,19,21,23,25,28,31,33,35,37],{"month":14,"count":15},1,2,{"month":15,"count":14},{"month":18,"count":18},3,{"month":20,"count":14},4,{"month":22,"count":14},5,{"month":24,"count":18},6,{"month":26,"count":27},7,24,{"month":29,"count":30},8,0,{"month":32,"count":30},9,{"month":34,"count":30},10,{"month":36,"count":30},11,{"month":38,"count":30},12,[40,53,60,68,75,83,91,98,105,112,119,127,135,142,149,156,163,171,179,187],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"352","ECLI:NL:RBDHA:2026:18722","ecli-nl-rbdha-2026-18722","",65,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20807\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], verzoekster,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. Bij besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n2. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.\n\n4. De rechtspraak heeft vandaag uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van\n\nmr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep is geregistreerd onder kenmerk NL26.20806.\n\n Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18722","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:25.653Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":57,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":51,"updatedAt":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","2026-07-13T00:28:25.495Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":64,"fullText":65,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":51,"updatedAt":67},"1184","ECLI:NL:RBDHA:2026:18655","ecli-nl-rbdha-2026-18655","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20081\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam] eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.Op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffenwordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit van de minister in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening aanvaard.\n\nBeroepsgronden\n\n6. Eiser geeft aan in beroep al hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht te herhalen. Eiser blijft van mening dat Kroatië zich niet houdt aan de richtlijnen. Eiser heeft toegelicht hoe hij in Kroatië door de politie is behandeld. Hieruit blijkt dat asielzoekers in Kroatië niet welkom zijn. Het is een doorreisland. Door zijn ervaringen in Kroatië en die in zijn land van herkomst voelde hij zich genoodzaakt elders bescherming te zoeken. Eiser stelt dat hij niet kan worden overgedragen aan Kroatië en dat deze overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Volgens hem zullen hem bij terugkeer de voorzieningen en basishulp worden onthouden. Eiser stelt dat sprake is van structurele tekortkomingen op het gebied van de asielprocedure en voorzieningen inclusief opvang. De minister had toepassing moeten geven aan artikel 17 eerste lid van de Dublinverordening. Eiser wijst op AIDA-rapporten (updates 2023 en 2024) waaruit blijkt dat er in de jaren 2018 tot 2025 steeds maar vijf Soedanese asielzoekers waren. Sinds 2023 kreeg maar één Soedanese nationaal de Kroatische nationaliteit. Volgens eiser is sprake van structurele uitsluiting en moet in dit geval wel rekening worden gehouden met het verschil in beschermingsbeleid. Eiser vreest voor refoulement en het ontbreken van adequate bescherming. Volgens hem is sprake van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, in de zin van het arrest Jawo.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n7. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om aan te kunnen merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.\n\n7.1.. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdelingheeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024geoordeeld dat voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat niet is gebleken dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Kroatische asiel- en opvangsysteem. De Afdeling heeft dit nogmaals bevestigd in de uitspraken van 6 maart 2025, 21 november 2025en 8 december 2025. In laatstgenoemde uitspraak heeft de Afdeling overwogen – door het oordeel van de onderliggende rechtbankuitspraak over te nemen – dat het AIDA-rapport van augustus 2025 (update 2024) geen wezenlijk ander beeld geeft dan het eerdere AIDA-rapport. De Afdeling heeft in deze uitspraken toegelicht dat niet is gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië, waarvan de minister niet onkundig kon zijn en op grond waarvan de vreemdeling niet had mogen worden overdragen aan Kroatië.\n\n7.2.. Ook het persoonlijke relaas van eiser leidt niet tot de conclusie dat hij bij overdracht naar Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRMdan wel artikel 4 van het Handveststrijdige behandeling. Zijn verklaringen over de door hem ervaren slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaan namelijk over de wijze waarop hij bij aankomst in Kroatië (als asielzoeker) is behandeld en niet over de situatie dat hij als Dublin-claimant aan Kroatië zal worden overgedragen. Daar komt bij dat Kroatië het terugnameverzoek heeft geaccepteerd en daarmee garandeert dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Mocht eiser in Kroatië worden geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, ligt het op zijn weg hierover bij de (hogere of rechterlijke) Kroatische autoriteiten te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de Kroatische autoriteiten onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.\n\n7.3.. Voor zover verzoeker vreest voor indirect refoulement, verwijst de voorzieningenrechter naar het arrest van het Hofvan 30 november 2023en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024. Daaruit volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Alleen als aannemelijk is gemaakt dat ten aanzien van de verantwoordelijke lidstaat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan wegens systeemfouten in de asielprocedure of opvangvoorzieningen, bestaat aanleiding voor een verdere beoordeling van een gestelde schending van het verbod van refoulement. Zoals hiervoor is overwogen heeft eiser dergelijke systeemfouten niet aannemelijk gemaakt en kan ten aanzien van Kroatië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan.\n\n7.4.. De rechtbank overweegt ten slotte dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. De minister hoefde dan ook geen aanleiding te zien om de aanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in behandeling te nemen. De rechtbank stelt vast dat de door eiser aangevoerde omstandigheden ook al zijn betrokken bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister mag verwijzen naar zijn standpunt daarover.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Kroatië. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\nOp grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder kenmerk NL26.20082.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n ECLI:EU:C:2019:218.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:4037.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:919.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5635.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5901, waarbij de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 november 2025 (ECLI:NL:RBOVE:2025:6537) is bevestigd.\n\n Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\n Europese Hof van Justitie.\n\n ECLI:EU:C:2023:934.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2359.\n\n Zie uitspraken van de Afdeling van 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653, 30 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1778, 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860, 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2484, 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4853, 11 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:723 en 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18655","2026-07-13T00:29:08.710Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":64,"fullText":72,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":51,"updatedAt":74},"1177","ECLI:NL:RBDHA:2026:18654","ecli-nl-rbdha-2026-18654","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.19458\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek tegelijk met het beroep, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van de minister en de gemachtigde van verzoeker deelgenomen. Verzoeker is zelf niet verschenen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.19457.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18654","2026-07-13T00:29:08.238Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":44,"courtId":79,"decisionDate":64,"fullText":80,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":51,"updatedAt":82},"1183","ECLI:NL:RBDHA:2026:18656","ecli-nl-rbdha-2026-18656",58,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20082\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [naam], verzoeker\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\nProcesverloop\n\n1. Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n2. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nOverwegingen\n\n3. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.\n\n4. De rechtspraak heeft vandaag uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep is geregistreerd onder kenmerk NL26.20081.\n\n Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18656","2026-07-13T00:29:08.674Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":44,"courtId":87,"decisionDate":64,"fullText":88,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":51,"updatedAt":90},"683","ECLI:NL:RBDHA:2026:18681","ecli-nl-rbdha-2026-18681",62,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.35381\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. D. Schaap)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 25 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vwen de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\nDeze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.\n\nToetsingskader\n\n2. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-Vo)van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMB-Vo.In de AMB-Vo staat dat de lidstaten, wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.\n\n2. Op grond van het Vbkan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMB-Vo indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\n3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMB-Vo en een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nk. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;\n\np. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.\n\nPrematuur opgelegde vreemdelingenbewaring\u002Flichter middel\n\n6. Eiser voert aan dat de maatregel van vreemdelingenbewaring prematuur is opgelegd, omdat verweerder voorafgaand aan de inbewaringstelling eerst de overdracht aan Zwitserland had kunnen regelen en dan pas kort voorafgaand aan de overdracht tot inbewaringstelling had kunnen overgaan. Hij wijst daarbij op een andere zaak waarin eerst een concrete overdrachtsdatum met de betreffende lidstaat (Duitsland) was afgesproken en de vreemdeling daarna pas in vreemdelingenbewaring is gesteld. Niet is gebleken waarom een dergelijke handelwijze in eisers geval niet mogelijk was. Verder is onvoldoende rekening gehouden met eisers medische omstandigheden. Hij had in verband met letsel aan zijn oogkas een medische afspraak staan, die door zijn staandehouding niet kon doorgaan.\n\n7. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, bestaat er een risico op onderduiken. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser meermalen heeft verklaard niet mee te werken aan zijn overdracht aan Zwitserland. Zo heeft eiser tijdens het aanmeldgehoor Dublin van 21 mei 2026 verklaard dat hij niet van plan is om mee te werken aan de door DT&Vgeregelde overdracht en dat hij niet wil terugkeren naar Zwitserland, omdat hij daar zal worden opgepakt en in de gevangenis zal belanden.Verder volgt uit het proces-verbaal van gehoor van 25 juni 2026 dat eiser deze verklaringen heeft bevestigd en opnieuw heeft aangegeven niet terug te willen en kunnen keren naar Zwitserland.Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de inbewaringstelling noodzakelijk was om eisers overdracht aan Zwitserland veilig te stellen en dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Daarnaast blijkt uit de maatregel dat verweerder eisers medische situatie heeft betrokken bij de afweging of een lichter middel kon worden toegepast. Eiser heeft in het detentiecentrum toegang tot medische zorg die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft tot slot voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.\n\nAmbtshalve toets\n\n8. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 7 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1351.\n\n Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMB-Vo.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dienst Terugkeer en Vertrek.\n\n Aanmeldgehoor Dublin van 21 mei 2026, p. 7 van 7.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 25 juni 2026, p. 4 van 6.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18681","2026-07-13T00:28:43.078Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":64,"fullText":95,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":51,"updatedAt":97},"1325","ECLI:NL:RBDHA:2026:18674","ecli-nl-rbdha-2026-18674","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.13803 (beroep) en NL26.13804 (voorlopige voorziening)\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [naam] , eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser),\n\nv-nummer: [v-nummer],\n\n(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nProcesverloop\n\nMet het bestreden besluit van 12 maart 2026 heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt overgedragen totdat op het beroep is beslist.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Ook is er een tolk verschenen.\n\nNa afloop van de behandeling van de zaken heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep in de zaak met nummer NL26.13803 ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek in de zaak met nummer NL26.13804 af.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat het verzoek om internationale bescherming in het onderhavige geval vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, zodat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek wordt bepaald op grond van de in de Dublinverordeningvastgestelde criteria.Op grond van de Dublinverordening wordt een asielaanvraag niet in behandeling genomen als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland op 18 januari 2026 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 28 januari 2026 aanvaard.\n\n3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser wijst op recente AIDA-rapporten en het rapport van DRC van 2 juni 2024. Hieruit volgt dat ook Dublinclaimanten het risico lopen om door pushbacks het land uitgezet te worden. Deze pushbacks vinden op systematische wijze plaats en de Kroatische autoriteiten nemen geen maatregelen om dit te stoppen. Daarnaast zijn de opvangcapaciteiten in Kroatië zeer beperkt en zijn er ook geen plannen de opvangcapaciteiten uit te breiden. Eiser heeft verder concreet en gedetailleerd verklaard over zijn korte verblijf in Kroatië. Eiser heeft geen tolk gezien en kon daarom niet communiceren in Kroatië. Daarnaast werd hem niets uitgelegd. Eiser kan dus geen documenten hebben waarmee hij zijn belevenissen in Kroatië kan onderbouwen.\n\n4. De rechtbank overweegt dat de Afdelingin haar uitspraak van 9 oktober 2024 heeft geoordeeld dat de minister ten aanzien van Kroatië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.Hierbij is de Afdeling onder meer ingegaan op de pushbacks en de opvangvoorzieningen. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraken van 21 november 2025en 26 maart 2026. Het is daarom aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken. De door eiser aangehaalde bronnen laten geen wezenlijke andere informatie zien dan door de Afdeling al in de beoordeling is betrokken. Daar komt bij dat Kroatië het terugnameverzoek met het claimakkoord heeft geaccepteerd en hiermee gegarandeerd heeft eisers asielaanvraag in behandeling te nemen in overeenstemming met de internationale verplichtingen. De rechtbank ziet in de door eiser aangevoerde persoonlijke ervaringen geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank stelt voorop dat eiser deze ervaringen niet met stukken heeft onderbouwd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij geen documenten kan hebben die zijn ervaringen kunnen onderbouwen. Indien eiser geconfronteerd wordt met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, ligt het immers op zijn weg hierover bij de Kroatische autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. De stelling dat eiser in de enkele dagen dat hij in Kroatië was geen tolk heeft gezien, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De rechtbank ziet in de niet onderbouwde stelling van eiser op zitting dat hij bang is dat de mensensmokkelaar hem in Kroatië kan vinden en dat er bedreigingen richting eiser zijn geuit, evenmin aanleiding voor een ander oordeel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n6. Omdat er op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n7. Hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na ontvangst van het proces-verbaal van deze uitspraak. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026 door mr. R. Tesfai, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier.\n\nDit proces-verbaal is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Zie hiervoor artikel 84, tweede lid, van de AMB-verordening.\n\n Zie ook artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Zie de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5635.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:1667.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18674","2026-07-13T00:29:16.070Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":64,"fullText":102,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":51,"updatedAt":104},"1173","ECLI:NL:RBDHA:2026:18650","ecli-nl-rbdha-2026-18650","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20085\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. G.M. Bouius als waarnemer van de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\n1.2.. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024\u002F1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening).4.1.. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.\n\n4.2.. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 10 februari 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 12 februari 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, onder d van de Dublinverordening aanvaard.\n\nIs het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?\n\n5. Eiser stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Eiser betwist dat hij voor de gehoren uitnodigingen heeft ontvangen.\n\n5.1.. Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voert de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijk lidstaat is belast een persoonlijk onderhoud met de verzoeker.\n\n5.2.. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser is uitgenodigd voor de gehoren en dat het niet verschijnen voor zijn rekening en risico komt. In het verweerschrift van 29 juni 2026 is het verloop toegelicht. Subsidiair verzoekt de minister, als wel een gebrek wordt geconstateerd, artikel 6:22 van de Awb toe te passen. Op zitting is door eiser een reactie gegeven en is benadrukt dat (nog steeds) niet op deugdelijke wijze is onderbouwd dat eiser is uitgenodigd voor een persoonlijk onderhoud.\n\n5.3.. De rechtbank stelt vast dat in het dossier drie loopbrieven aanwezig zijn, welke niet zijn voorzien van een ondertekend ontvangstbewijs of andere verifieerbare bevestiging van ontvangst. Uit de door de minister in beroep overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat in het verwerkingssysteem Indigogeen officiële uitnodigingen zijn geregistreerd en dat evenmin ondertekende ontvangstbewijzen aanwezig zijn.\n\n5.4.. Gelet op deze informatie is naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid vast te stellen dat eiser daadwerkelijk op een deugdelijke wijze is uitgenodigd voor de gehoren. De e-mailcorrespondentie biedt onvoldoende inzicht in de wijze van uitreiking en de concrete gang van zaken rondom het bezorgen van de uitnodigingen. Ook de overige stukken in het dossier, waaronder de twee rapporten “niet verschenen voor gehoor”, bieden daarvoor onvoldoende verifieerbare aanknopingspunten. Daarmee is sprake van een gebrek in de besluitvorming.\n\n5.5.. \n\nOmdat geen persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank eiser ter zitting alsnog in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen de overdracht aan Duitsland toe te lichten.\n\nHierbij is -zakelijk weergegeven- het volgende gesprek met eiser gevoerd:\n\n“R: Eerst was u in Duitsland, daarna in Nederland. Waarom bent u naar Nederland gekomen?E: Ik had het daar heel moeilijk in Duitsland. De woonplek was ook moeilijk.\n\nR: Wat was de woonplek?E: Een klein dorp. Daar heb ik geen hulp gehad van de overheid, geen scholing en geen werk.\n\nR: Verveelde u zich daar?E: Dat klopt, het voelde als een gevangenis in eigen huis.\n\nR: Maar was het geen gevangenis?E: Dat klopt.\n\nR: Had u daar niets te doen?E: Nee, hier ga ik naar school en naar de sportschool.\n\nR: Is er verder nog iets waarom u niet naar Duitsland wilt?E: Nee.”\n\n5.6.. Gelet op het voorgaande heeft eiser zijn bezwaren tegen de overdracht in de beroepsfase alsnog ter zitting mondeling kunnen toelichten. Daarmee is het ontbreken van een persoonlijk onderhoud in de bestuurlijke fase in zoverre hersteld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ook reeds in de zienswijze en het beroepschrift de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt naar voren te brengen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 te passeren.\n\nPsychische gesteldheid eiser\n\n6. Eiser heeft in de gronden van beroep van 16 april 2026 naar voren gebracht dat hij kampt met psychische klachten en last heeft van suïcidale gedachten. Daarbij is vermeld dat eiser zich inspant om deze klachten nader te onderbouwen. Volgens eiser is het niet verantwoord hem aan Duitsland over te dragen zonder nader onderzoek naar zijn psychische gesteldheid.\n\n6.1.. De Afdelingheeft overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Vervolgens moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.WI 2021\u002F3sluit hierop aan. Daarbij is uiteengezet wanneer wel en wanneer niet een BMA-onderzoek wordt opgestart.6.2.. Eiser heeft in onderhavige procedure zijn patiëntendossier overgelegd. Hierin is op 18 mei 2026 melding gemaakt van slaapproblemen en is onder meer vermeld dat eiser denkt dat dat komt door zijn geschiedenis en dat hij veel heeft meegemaakt in Libië en Italië. Gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader heeft de minister in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding hoeven zien om een BMA-onderzoek te starten of om van overdracht aan Duitsland af te zien. Deze beroepsgrond faalt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en mag worden overgedragen aan Duitsland.\n\n8. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank wel aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank;\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.20086.\n\n Rectificatie van Verordening (EU) 2024\u002F1351, 2025\u002F90929, 25 november 2025.\n\n Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening.\n\n Vgl. Hof van Justitie 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, § 118.\n\n Vgl. rechtbank Den Haag, zp Groningen, 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16600.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).\n\n ABRvS 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845.\n\n Werkinstructie 2021\u002F3 “BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18650","2026-07-13T00:29:08.053Z",{"id":106,"ecli":107,"slug":108,"caseNumber":44,"courtId":79,"decisionDate":64,"fullText":109,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":110,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":51,"updatedAt":111},"1174","ECLI:NL:RBDHA:2026:18651","ecli-nl-rbdha-2026-18651","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20086\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het verzoek, gelijktijdig met het beroep, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. G.M. Bouius als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van de minister. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.20085.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18651","2026-07-13T00:29:08.085Z",{"id":113,"ecli":114,"slug":115,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":64,"fullText":116,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":117,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":51,"updatedAt":118},"1176","ECLI:NL:RBDHA:2026:18652","ecli-nl-rbdha-2026-18652","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.19457\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van de minister en de gemachtigde van eiser deelgenomen. Eiser is zelf niet verschenen.\n\n1.2.. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024\u002F1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening).4.1.. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.\n\n4.2.. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 12 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 16 maart 2026 op grond van artikel 18, eerste lid onder d, van de Dublinverordening aanvaard.\n\nZienswijze\n\n5. Voor zover eiser zijn zienswijze handhaaft, die ingaat op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, verwijst de rechtbank naar een eerder, op 19 juni 2026, gedane uitspraak.De rechtbank ziet geen aanleiding hierover thans anders te oordelen.\n\nArrest C.K.\n\n6. In de gronden van beroep heeft de gemachtigde van eiser zich toegespitst op de medische situatie van eiser en zich beroepen op het arrest C.K. tegen Slovenië. Daarbij is\n\nnaar voren gebracht dat eiser eerder, in Duitsland, is opgenomen na een suïcidepoging en\n\ndat er bij overdracht een reëel risico op decompensatie bestaat.6.1.. Eiser heeft in beroep medische stukken overgelegd over de behandeling in Duitsland. Uit een op 10 december 2025 gedateerde brief van een AMEOS-kliniek blijkt dat eiser van 2 tot 10 december 2025 is opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. In een op 22 januari 2026 gedateerde brief van een Helios-kliniek is vermeld dat eiser daar onder behandeling stond. Eiser is vervolgens naar Nederland gereisd en heeft hier op 31 januari 2026 (net als in Duitsland) asiel aangevraagd.6.2.. In het Nederlandse patiëntendossier is onder het kopje “psychische stoornissen”op 8 februari 2026 het volgende vermeld:“[eiser] gaf aan dat hij (…) nu geen acute zelfmoordneigingen heeft, maar dat hij meer toe is aan rust en veiligheid.”Verder is in het Nederlandse patiëntendossier onder het kopje“psychische stoornissen”op 17 maart 2026 het volgende vermeld:“Dhr zegt geen gedachten te hebben over zelfdoding, wil werken aan een betere toekomst.”\n\n6.3.. De Afdelingheeft overwogen dat uit het arrest C.K. volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, bijvoorbeeld door aan te tonen met stukken van zijn behandelaar(s) dat er een reëel of hoog risico op suïcide bestaat als gevolg van zijn overdracht. Vervolgens moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.WI 2021\u002F3sluit hierop aan. Wanneer er door de behandelaar niet wordt gesproken over een reëel risico of verhoogd suïciderisico of waar dit onvoldoende is gerelateerd aan de daadwerkelijke overdracht, zal er geen BMA-onderzoek worden opgestart.\n\n6.4.. De minister heeft ter zitting naar voren gebracht dat uit de stukken niet blijkt dat er sprake is van een actieve medische behandeling of een verhoogd suïciderisico speelt. De overgelegde gegevens gaan terug tot 9 april 2026. Uit die gegevens blijkt verder vooral wat eiser zelf heeft verteld. Daaruit volgt volgens de minister niet dat wordt voldaan aan het in WI 2021\u002F3 neergelegde kader. Daarom wordt ook geen advies aan het BMA gevraagd.\n\n6.5.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de door hem overgelegde stukken geen objectieve gegevens overgelegd als hiervoor beschreven.Zo is nergens in de medische stukken door een behandelaar ingegaan op wat een overdracht aan Duitsland voor de gezondheidstoestand van eiser zou betekenen. Reeds gelet hierom kan het beroep op het arrest C.K. niet slagen.\n\nTarakhel\n\n7. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij als bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakheldient te worden aangemerkt, zodat een individuele beoordeling van de zorg- en opvangsituatie bij overdracht is aangewezen.\n\n7.1.. In het arrest Tarakhelheeft het EHRMoverwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen. In dit arrest ging het om een echtpaar met zes jonge kinderen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015volgt dat het arrestTarakhelook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen.\n\n7.2.. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat eiser geen recente medische documenten heeft overgelegd. Wel is eiser er op gewezen dat hij in Duitsland toegang heeft kunnen krijgen tot medische zorg en dat eiser niet heeft aangetoond dat hij de medische behandeling die hij nodig zou hebben in Duitsland niet kan krijgen. Daarbij is opgemerkt dat indien eiser hiervoor toestemming geeft, er op grond van artikel 32 van de Dublinverordening een uitwisseling van zijn medische gegevens kan plaatsvinden tussen Nederland en Duitsland. De autoriteiten van Duitsland worden dan voor de overdracht over eventuele bijzondere medische behoeften geïnformeerd. De minister wijst er daarbij op dat er ten aanzien van Duitsland nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.\n\n7.3.. De minister heeft ter zitting verder nog naar voren gebracht dat dit uit de in beroep overgelegde stukken onvoldoende blijkt dat eiser op dit moment bijzonder kwetsbaar is en aanvullende individuele garanties moeten worden verkregen van Duitsland.7.4.. \n\nDe rechtbank leest in de overgelegde stukken dat eiser in Duitsland (het afgelopen jaar) een behandeling heeft gekregen in twee behandelklinieken. Het Nederlandse patiëntendossier gaat niet verder dan 9 april 2026. De minister heeft reeds vermeld dat de autoriteiten voor de overdracht kunnen worden geïnformeerd over eventuele bijzondere medische behoeften. Hiervoor is al overwogen dat ten aanzien van Duitsland kan worden\n\nuitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op basis van wat eiser heeft gesteld ziet de rechtbank dan ook geen grond te oordelen dat de minister voorafgaand aan de overdracht individuele garanties moet vragen.\n\nArtikel 17 Dublinverordening\n\n8. Eiser voert aan dat, gelet op de cumulatie van zijn individuele omstandigheden aanleiding bestaat voor toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.8.1.. De minister heeft op de zitting naar voren gebracht daar geen aanleiding toe te zien. Daarmee blijft de minister bij het in het bestreden besluit ingenomen standpunt.8.2.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. De minister is op de door eiser gestelde persoonlijke ervaringen in Duitsland gemotiveerd ingegaan en heeft daarbij mogen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.19458.\n\n Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:16626\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).\n\n ABRvS 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845.\n\n Werkinstructie 2021\u002F3 “BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.\n\n ABRvS 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.\n\n EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.\n\n Europees Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n ECLI:NL:RVS:2015:3806.\n\n Zie ook: ABRvS 20 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1595.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18652","2026-07-13T00:29:08.172Z",{"id":120,"ecli":121,"slug":122,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":123,"fullText":124,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":51,"updatedAt":126},"1738","ECLI:NL:RBDHA:2026:18585","ecli-nl-rbdha-2026-18585","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.22603\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met het bestreden besluit van 20 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek tegelijk met het beroep, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van de minister. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.22602.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18585","2026-07-13T00:29:36.457Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":44,"courtId":131,"decisionDate":123,"fullText":132,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":133,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":51,"updatedAt":134},"912","ECLI:NL:RBDHA:2026:18538","ecli-nl-rbdha-2026-18538",56,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.19327 (beroep) en NL26.19328 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n \n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1999, met de Nigeriaanse nationaliteit,\n\neiser en verzoeker, hierna: eiser\n\n(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak eisers verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. De minister heeft eisers aanvraag met het bestreden besluit van 27 maart 2026 niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.\n\n1.3.. De rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep samen met eisers verzoek om een voorlopige voorziening op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.\n\n1.4.. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser en eisers verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de gronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Ten tijde van eisers aanvraag stonden die in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.\n\n4.1.. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 16 november 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in België. De minister heeft daarom op 14 december 2025 de autoriteiten van België verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. De autoriteiten van België hebben dit verzoek op 16 december 2025 aanvaard. De verantwoordelijkheid van België voor eisers asielaanvraag is daarmee vast komen te staan.\n\nMag de minister ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?\n\n5. Eiser voert aan dat de minister in zijn geval ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdelingvan 23 juli 2025. Hieruit volgt dat de minister ten aanzien van België bij niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan. Niet-kwetsbare alleenstaande mannen krijgen namelijk geen plek in de opvang.\n\n6. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat hij wel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op 5 februari 2026 heeft de directeur-generaal van Fedasil (de Belgische variant van het COa) namelijk een brief gestuurd waaruit volgt dat er extra opvangplekken zijn gerealiseerd en dat niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten weer opvang krijgen, dan wel in de reguliere opvang dan wel in een tijdelijke opvangplaats tot er plek is in de reguliere opvang.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. In de brief van Fedasil van 5 februari 2026 (hierna: de Fedasilbrief) staat, voor zover relevant, het volgende:\n\n“In zijn huidige vorm voorziet het samenwerkingsakkoord in 2.000 humanitaire opvangplaatsen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Binnen dit totaal gaat het om 600 structurele opvangplaatsen en 1.400 bufferplaatsen die flexibel kunnen worden naargelang de opvangnoden. Deze capaciteit is niet exclusief bestemd voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en wordt ook ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.\n\nIn de reguliere federale opvang verbleven op 23 januari 2026 in totaal 9.742 alleenstaande mannen. Fedasil beschikt niet over een volledig overzicht van alle nood- en daklozenopvangplaatsen in België, aangezien dit geen federale bevoegdheid is.\n\nAlleenstaande mannelijke verzoekers die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, kunnen tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde ‘wachtlijst’ staan, die in de praktijk een ‘doorstroomlijst’ is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maanden na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Het aantal personen op deze lijst is op 1 jaar tijd bijna gehalveerd en zakte op 2 juni 2025 voor het eerst onder de 2.000. Op 27 januari 2026 stonden nog 1.535 personen op de lijst, met een dalende trend die zich structureel verderzet.\n\nAangezien het aantal personen op deze ‘doorstroomlijst’ reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, kan worden vastgesteld dat alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken.”\n\n7.1.. Uit de Fedasilbrief maakt de rechtbank op dat 200 van de 2.000 extra opvangplaatsen in ieder geval gereserveerd zijn voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Dat betekent dat er maximaal 1.800 opvangplekken overblijven, die aan niet-kwetsbare alleenstaande mannen maar ook aan ‘andere doelgroepen’ kunnen worden toegewezen. Op 27 januari 2026 stonden er 1.535 personen op de ‘doorstroomlijst’ voor deze opvangplekken, zodat er op dat moment nog 265 plekken beschikbaar waren voor alle doelgroepen. Het aantal mensen op deze lijst daalt structureel. De rechtbank maakt verder uit de Fedasilbrief op dat Fedasil niet beschikt over een volledig overzicht van alle nood- en daklozenopvangplaatsen en daarmee dus geen inzicht heeft in het aantal mensen dat daar verblijft in afwachting van een plek in de reguliere federale opvang.\n\n7.2.. De rechtbank is van oordeel dat de Fedasielbrief nog onvoldoende zekerheid geeft over de asielopvangcapaciteit van België. De rechtbank kan uit de brief niet opmaken of de asielzoekers die in heel België in de nood- en daklozenopvang zitten vanuit die tijdelijke opvang direct geplaatst kunnen worden in de reguliere federale opvang, of dat ook zij eerst via de ‘doorstroomlijst’ een plek toegewezen moeten krijgen in de extra gerealiseerde humanitaire opvangplaatsen. De brief geeft daarnaast ook geen inzicht in het aantal asielzoekers dat in heel België in de nood- en daklozenopvang zit. Hierdoor blijft er naar het oordeel van de rechtbank te veel onzekerheid bestaan over het aantal beschikbare plekken voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 ook al tot de conclusie kwam dat het onduidelijk was hoeveel plaatsen er daadwerkelijk beschikbaar waren in de nood- en daklozenopvang voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen, waardoor het ook onduidelijk was hoeveel van dit soort mannen daar verbleven.De Fedasilbrief heeft deze onduidelijkheid niet weggenomen. Het bestreden besluit is om die reden gebrekkig gemotiveerd.\n\n7.3.. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat het onzeker is wanneer meer duidelijkheid over de opvangcapaciteit van België valt te verwachten.\n\n8.1.. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.\n\n8.2.. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze proceskostenvergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak NL26.19327:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 27 maart 2026;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak NL26.19328:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDe rechtbank, in beide zaken:\n\n- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van €2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\nVerordening (EU) 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3305.\n\n Centraal Orgaan opvang asielzoekers.\n\n Onder 5.3.3 en 5.3.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18538","2026-07-13T00:28:54.235Z",{"id":136,"ecli":137,"slug":138,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":123,"fullText":139,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":140,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":51,"updatedAt":141},"1741","ECLI:NL:RBDHA:2026:18588","ecli-nl-rbdha-2026-18588","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.16105\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gestelde gemachtigde: mr. B. de Haan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. F.C. Vosman).\n\nProcesverloop\n\n1. Op 17 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd.\n\n2. De gestelde gemachtigde heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Ter zitting waren de gestelde gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.\n\n4, De rechtbank heeft op 1 juli 2026 het onderzoek heropend en aanvullende vragen gesteld over de volmacht.\n\n5. Op 2 juli 2026 heeft de gestelde gemachtigde hierop gereageerd.\n\n6. Op 3 juli 2026 heeft de minister hierop gereageerd.\n\n7. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 3 juli 2026 gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nVolmacht\n\n8. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of de gestelde gemachtigde van eiser gemachtigd is namens eiser op te treden in de beroepsprocedure. Op de zitting heeft de gestelde gemachtigde van eiser aangegeven dat hij geen contact heeft kunnen krijgen met eiser, maar dat hij niet gemachtigd is om het beroep in te trekken. In zijn aanvullende reactie van 2 juli 2026 heeft de gestelde gemachtigde laten weten dat hij zich niet als gemachtigd beschouwt om te kunnen optreden in de beroepsprocedure in verband met het ontbreken van contact van eiser.\n\n9. Uit het dossier blijkt dat de Raad voor Rechtsbijstand de gemachtigde op 23 januari 2026 heeft gekoppeld aan de zaak van eiser. De rechtbank stelt vast dat eiser op het moment van het instellen van beroep geen contact heeft gehad met de gemachtigde en dat eiser de gemachtigde dan ook niet heeft gemachtigd om namens hem beroep in stellen bij de rechtbank. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gestelde gemachtigde niet gerechtigd was om namens eiser beroep in te stellen bij de rechtbank. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18588","2026-07-13T00:29:36.568Z",{"id":143,"ecli":144,"slug":145,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":123,"fullText":146,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":147,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":51,"updatedAt":148},"1737","ECLI:NL:RBDHA:2026:18584","ecli-nl-rbdha-2026-18584","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.22602\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\n1.2.. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024\u002F1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening).4.1.. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.\n\n4.2.. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije op 11 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek op 17 maart 2026 aanvaard.\n\nInterstatelijk vertrouwensbeginsel\n\n5. Eiser stelt dat de minister ten aanzien van Bulgarije niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst hierbij naar het AIDA-rapport van maart 2025 (update 2024). Verder heeft eiser bij de zienswijze drie foto’s overgelegd, waarop onder meer verstopte wasbakken zijn te zien.\n\n5.1.. Bij uitspraak van 6 juli 2023 is de rechtbank ingegaan op soortgelijke gronden als die in onderhavige procedure zijn aangevoerd.De Afdelingheeft op 27 juni 2024en 20 april 2026geoordeeld dat ten aanzien van Dublinclaimanten in Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.\n\n5.2.. De door eiser overgelegde foto’s, die niet door hem zelf zijn gemaakt, zijn onvoldoende om anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan. De foto’s zijn zonder enige context ingebracht. Zo is niet vermeld waar en wanneer deze foto’s zijn genomen.\n\n5.3.. \n\nDe rechtbank heeft op de zitting aan eiser voorgelegd of het rapport van AIDA van mei 2026 informatie bevat die een ander beeld geeft dan waar de Afdeling van uit is gegaan.\n\nEiser heeft -na een onderbreking van de zitting- gewezen op de een op bladzijde 22-23 opgenomen passage in het AIDA-rapport: “In many cases, they failed to provide even the most essential services, including adequate nutrition and sanitation in both personal and communal spaces. Access to regular and hot water, as well as maintenance and repairs in bathrooms, rooms, and common areas, remained highly problematic due to the absence of a dedicated budget for upkeep. Long-standing issues such as infestations of bedbugs, lice, cockroaches, and rats persisted across facilities. The Ovcha Kupel shelter in Sofia, the oldest reception centre, deteriorated to such an extent that at one point, the previous SAR management considered its complete closure. By the end of 2025, the only remaining functional space within the facility continued to be the safe zone for unaccompanied children, managed by the IOM. Residents across all reception centres, except for the Pastrogor transit centre, which remained closed for the duration of 2025 until December, continued to express concerns about poor living conditions, in particular the persistent issue of bedbug infestations, which frequently led to health problems such as chronic skin inflammations and allergic reactions. Despite regular disinfections throughout 2025, the issue, which first emerged in 2013 and was largely neglected until 2023, remained a serious and ongoing concern.”\n\n5.4.. De minister heeft erop gewezen dat deze passage vrijwel exact hetzelfde is als de passage op bladzijde 17 van het eerdere AIDA-rapport van maart 2025 (update 2024), welke reeds door de Afdeling is betrokken. Daarnaast heeft de minister erop gewezen dat ook ten aanzien van de state of facilitiesop bladzijde 96 van het meest recente AIDA-rapport (van mei 2026) geen wezenlijke wijziging is te zien ten opzichte van bladzijde 83 van het eerdere rapport (update 2024). Tot slot heeft de minister erop gewezen dat het nieuwe rapport eveneens vergelijkbaar is met het eerdere rapport ten aanzien van de informatie over de huisvesting van Dublinclaimanten die de asielprocedure definitief hebben doorlopen.\n\n5.5.. De rechtbank leest in de door eiser aangehaalde passage geen verslechtering ten opzichte van het eerdere rapport. Het gaat om informatie die in het rapport van maart 2025 is genoemd, maar onder state of facilitiesook is te vinden in de in het bestreden besluit aangehaalde rapporten van maart 2023 (update 2022, blz. 76-77) en april 2024 (update 2023, blz. 83-84). Als het gaat om de huisvesting leest de rechtbank op de door eiser aangehaalde bladzijde 22 verder dat budget is vrijgemaakt voor renovatie:“In 2025 however, due to the political appointment of a SAR leadership by the government, the SAR received a budget of BGN 16,000,000, of which BGN 3,900,000 solely for capital investments and refurbishment.”5.6.. \n\nAlles overwegende ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de hiervoor aangehaalde uitspraken is gedaan.\n\nArtikel 17 Dublinverordening\n\n6. In het bestreden besluit is overwogen dat de IND, ook al is Bulgarije verantwoordelijk, op grond van artikel 17 van de Dublinverordening en paragraaf C2\u002F5 Vc kan besluiten om de asielaanvraag zelf te behandelen.\n\n6.1.. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordeningmoet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eisers toch in Nederland te behandelen.\n\n6.2.. Paragraaf C2\u002F5. van de Vcbepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister, gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd, in het besluit van 20 april 2026 deugdelijk heeft gemotiveerd waarom -onder het destijds geldende beleid- geen aanleiding is gezien om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en mag worden overgedragen aan Bulgarije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.22603.\n\n Rectificatie van Verordening (EU) 2024\u002F1351, 2025\u002F90929, 25 november 2025.\n\n Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Asylum Information Database.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2023:9791.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2647.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:2133.\n\n Vergelijkbaar met artikel 35 van de AMB-verordening.\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n In WBV 2026\u002F8 (Stcrt. 2026, nr. 17856) is dit verder ingeperkt. Artikel 35 is niet genoemd in art. 43 AMB-Verordening (dat de draagwijdte van een rechtsmiddel beperkt).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18584","2026-07-13T00:29:36.414Z",{"id":150,"ecli":151,"slug":152,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":123,"fullText":153,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":154,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":51,"updatedAt":155},"1736","ECLI:NL:RBDHA:2026:18583","ecli-nl-rbdha-2026-18583","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.24770\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [naam] , eiser,\n\nv-nummer: [v-nummer:] ,\n\n(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n 1. De minister heeft verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met het bestreden besluit van 1 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek tegelijk met het beroep, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.24769","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18583","2026-07-13T00:29:36.373Z",{"id":157,"ecli":158,"slug":159,"caseNumber":44,"courtId":79,"decisionDate":123,"fullText":160,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":161,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":51,"updatedAt":162},"1735","ECLI:NL:RBDHA:2026:18582","ecli-nl-rbdha-2026-18582","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.24769\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nvan Algerijnse nationaliteit,\n\nv-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de minister deelgenomen. Eiser is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\n1.2.. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser mede aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024\u002F1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening).4.1.. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.\n\n4.2.. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 24 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 25 maart 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening aanvaard.\n\nPersoonlijk onderhoud\n\n5. Eiser stelt dat het besluit van de minister ondeugdelijk is, omdat eiser niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Eiser betwist dat hij hiervoor uitnodigingen heeft ontvangen.5.1.. Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voert de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijk lidstaat is belast een persoonlijk onderhoud met de verzoeker.5.2.. Eiser heeft zich op 1 maart 2026 -volgens zijn gemachtigde samen met zijn echtgenote- in Ter Apel gemeld voor het doen van een verzoek om internationale bescherming. Uit Eurodac blijkt kort daarna dat eiser op 27 oktober 2023 al een verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft ingediend. Uit een in het dossier opgenomen loopbrief blijkt dat op 13 maart 2026 om 08.00 uur een afspraak is ingepland voor een persoonlijk onderhoud met eiser. Het bewijs van ontvangst is op 12 maart 2026 ondertekend. Op 13 maart 2026 wordt een rapport niet verschijnen voor gehoor opgemaakt. Eiser heeft de reden van zijn afwezigheid niet kenbaar gemaakt. Hierop wordt een nieuwe afspraak ingepland op 18 maart 2026 om 08.00 uur. Op 16 maart 2026 is een bewijs van ontvangst door eiser ondertekend. Op 18 maart 2026 wordt opnieuw een rapport niet verschijnen voor gehoor opgemaakt. Eiser heeft de reden van zijn afwezigheid wederom niet kenbaar gemaakt.5.3.. Uit de overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat de minister de insteek had om met eiser een persoonlijk onderhoud te voeren en hiervoor twee momenten heeft ingeruimd. In een op 8 april 2026 uitgebracht voornemen is eiser bericht dat Duitsland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag en Duitsland op 26 maart 2026 positief heeft gereageerd op het verzoek hem terug te nemen. Eiser is er op gewezen dat hij op 13 en 18 maart 2026 niet op zijn afspraak voor het aanmeldgehoor is gekomen en in de gelegenheid gesteld om in een zienswijze meer informatie te geven. Op 20 april 2026 is door de gemachtigde van eiser een zienswijze gegeven, waarna op 1 mei 2026 het bestreden besluit is genomen.\n\n5.4.. De rechtbank is van oordeel dat eiser met voornoemde uitnodigingen voldoende gelegenheid is geboden voor een persoonlijk onderhoud. Uit de door de minister overgelegde stukken blijkt dat deze uitnodigingen eiser hebben bereikt. Eiser is daarnaast nog de gelegenheid geboden een zienswijze te geven. Deze beroepsgrond faalt.\n\nInterstatelijk vertrouwensbeginsel\n\n6. Eiser heeft in zijn zienswijze betoogd dat de minister ten onrechte stelt dat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In beroep heeft eiser dit herhaald.\n\n6.1.. Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, is bij uitspraak van 9 april 2026 al ingegaan op soortgelijke gronden als die in onderhavige procedure zijn aangevoerd.De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan in deze uitspraak is gedaan. Eiser dient de vrees voor refoulement in Duitsland aan te kaarten.\n\nAsielaanvraag echtgenote\n\n7. De gemachtigde van eiser heeft naar voren gebracht dat de aanvraag van de echtgenote van eiser, die hij eveneens als advocaat bijstaat, op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 buiten behandeling is gesteld. In het besluit is bepaald dat zij dient terug te keren naar Algerije. Het hiertegen ingestelde beroep, met zaaknummer NL26.24562, is nog niet op een zitting gepland. In de zienswijze, waar eiser in zijn gronden expliciet naar verwijst, is bepleit dat beide zaken op dezelfde grondslag beoordeeld dienen te worden en dat dat in casu artikel 30c Vw 2000 is.7.1.. De rechtbank stelt voorop dat eiser op meerdere momenten in de gelegenheid is gesteld om meer inzicht te bieden in zijn situatie. Niet alleen op 13 en 18 maart 2026, maar ook via een op 15 mei 2026 verzonden uitnodiging voor deze zitting. Ook van deze laatste mogelijkheid is geen gebruik gemaakt, hoewel de gemachtigde van eiser op 2 juni 2026 nog heeft bericht contact te onderhouden met eiser.\n\n7.2.. Eiser heeft daarmee geen inzicht geboden in het spoor dat hij en zijn gestelde partner hebben bewandeld. Uit het dossier van eiser wordt de rechtbank duidelijk dat hij in 2023 in Duitsland asiel heeft gevraagd. Of dat ook voor de gestelde partner geldt is onbekend en ook niet gesteld. Dit kan het verschil in afdoeningswijze verklaren.In het pleidooi zoals dat nu is aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende grond om te oordelen dat beide zaken met artikel 30c zouden moeten worden afgedaan. Daarbij zij opgemerkt dat een afdoening met artikel 30c ook zou betekenen dat de aanvraag van eiser buiten behandeling zou zijn gesteld. Hem zou dan zijn medegedeeld dat hij naar Algerije moet vertrekken.\n\nArtikel 17 Dublinverordening\n\n8. Eiser heeft in de gronden van beroep van 9 mei 2026 naar voren gebracht dat de minister artikel 17 van de Dublinverordening onjuist heeft toegepast omdat eiser in de gelegenheid dient te worden gesteld om bij zijn gehoor zijn bijzondere individuele omstandigheden, het ontbreken van een sociaal netwerk in Duitsland en de reëele vrees voor refoulement naar Algerije na overdracht aan Duitsland toe te lichten.\n\n8.1.. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordeningwordt bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eisers toch in Nederland te behandelen. Paragraaf C2\u002F5 van de Vreemdelingencirculaire bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht.\n\n8.2.. De uitoefening van de in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde bevoegdheid is aan de minister overgelaten. Besluiten die vallen onder de Dublinverordening moeten daarom door de rechter terughoudend worden getoetst.8.3.. De minister heeft er in het bestreden besluit op gewezen dat eiser meermaals niet is verschenen op het aanmeldgehoor, waardoor hij geen inhoudelijke bezwaren tegen de overdracht naar voren heeft gebracht. Dit komt volgens de minister voor zijn rekening en risico. Daarbij is er op gewezen dat de afspraken in een taal staan die eiser kan lezen (Arabisch) en bovendien is getekend voor ontvangst. Verder is gewezen op de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.\n\n8.4.. Gelet op hetgeen hiervoor al is overwogen ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de minister niet tot dit standpunt kon komen.\n\nZitting 2 juli 20269. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting naar voren gebracht te hebben vernomen dat de echtgenote van eiser per 19 mei 2026 gedwongen is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij in haar dossier op 2 juni 2026 hierover een bericht heeft gestuurd.9.1.. De minister heeft in de op zitting gegeven reactie -zakelijk weergegeven- naar voren gebracht dat er door eiser weinig tot geen informatie wordt gegeven. Zo ziet hij niets terug over de gestelde behandeling. De minister ziet geen aanleiding om te concluderen dat Nederland de verantwoordelijkheid zou moeten accepteren voor de behandeling van de aanvraag van eiser. De minister noemt daarbij dat zonder enige onderbouwing niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van onevenredige hardheid. Hij verzoekt daarom het beroep ongegrond te verklaren.9.2.. De rechtbank stelt vast dat -zoals de minister ook stelt- elke informatie van eiser over de situatie ontbreekt. Zo is niet bekend in welk psychiatrisch ziekenhuis de gestelde echtgenote (ruim zes weken geleden) zou zijn opgenomen, wat haar actuele (gezondheids)situatie (na de mededeling van ruim vier weken geleden) is en wat dat (thans) betekent voor eiser. Ook is bijvoorbeeld niet gebleken dat is verzocht om op grond van artikel 64 van de Vw uitstel van vertrek te vragen. Het standpunt van de minister is daarom navolgbaar.\n\n9.3.. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en eiser in de gelegenheid te stellen nadere informatie in te brengen. Eiser is die gelegenheid meermalen geboden en heeft daar zonder opgaaf van redenen geen gebruik van gemaakt.\n\n10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.24770.\n\n Rectificatie van Verordening (EU) 2024\u002F1351, 2025\u002F90929, 25 november 2025.\n\n Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:8411.\n\n Vgl. ABRvS 13 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:52.\n\n Vgl. ABRvS 12 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:438.\n\n Vergelijkbaar met artikel 35 van de AMB-verordening.\n\n In WBV 2026\u002F8 (Stcrt. 2026, nr. 17856) is dit verder ingeperkt. Artikel 35 is niet genoemd in art. 43 AMB-Verordening (die de draagwijdte van een rechtsmiddel beperkt).\n\n ABRvS 21 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1666","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18582","2026-07-13T00:29:36.337Z",{"id":164,"ecli":165,"slug":166,"caseNumber":44,"courtId":87,"decisionDate":167,"fullText":168,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":169,"sourceTimestamp":167,"parsedAt":51,"updatedAt":170},"1761","ECLI:NL:RBDHA:2026:18236","ecli-nl-rbdha-2026-18236","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35072\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. H. Toonders).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft eiser op 23 juni 2026 om 14:21 uur opgehouden. Op 23 juni 2026 omstreeks 19:45 uur is de vrijheidsbeneming van eiser beëindigd omdat aan hem een bevel om zich onmiddellijk te begeven naar het grondgebied van Spanje is opgelegd.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen de ophouding.\n\nEiser heeft zich akkoord verklaard met een schriftelijke behandeling van het beroep. Op 26 juni 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 1 juli 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 2 juli 2026 het onderzoek gesloten.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Turkse nationaliteit te hebben.\n\n2. Eiser voert aan dat hij niet kan toetsen of sprake is geweest van een verkapt vreemdelingrechtelijke staandehouding, omdat het dossier te beperkt is.\n\n3. Verweerder heeft bij brief van 1 juli 2026 meegedeeld dat de vreemdelingrechtelijke ophouding volgde op een strafrechtelijke aanhouding op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Verweerder heeft hierbij een proces-verbaal van bevindingen en een proces-verbaal van aanhouding verdachte geüpload in het digitale dossier. Hierin staat dat twee verbalisanten het voertuig waarin eiser zich bevond hebben gestopt vanwege een ANPR-melding. De toelichting daarbij was dat het een voertuig van een malafide verhuurbedrijf betrof. Bij controle van het voertuig is hennep aangetroffen in het dashboardkastje. Eiser is vervolgens aangehouden vanwege het rijden onder invloed en het niet voldoen aan de vordering om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden.\n\n4. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen en het proces-verbaal van aanhouding aanhouding afdoende dat sprake was van een strafrechtelijke aanleiding om eiser naar zijn identiteitsdocumenten te vragen en ook dat de verbalisanten in het kader van hun algemene politietaak hebben gehandeld. Het is niet aan de rechter in vreemdelingenzaken om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 toegekende bevoegdheden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n5. Het beroep is ongegrond.\n\n6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is op 3 juli 2026 gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18236","2026-07-13T00:29:37.546Z",{"id":172,"ecli":173,"slug":174,"caseNumber":44,"courtId":175,"decisionDate":167,"fullText":176,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":177,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":51,"updatedAt":178},"694","ECLI:NL:RBDHA:2026:18469","ecli-nl-rbdha-2026-18469",60,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20364\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. E. Derksen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nHeeft de minister de asielaanvraag van eiseres aan zich getrokken door de machtiging op grond van artikel 34 van de Dublinverordening te laten ondertekenen door eiseres?\n\n5. Eiseres betoogt dat de minister de asielaanvraag van eiser inhoudelijk moet behandelen omdat eiseres een machtiging op grond van artikel 34 van de Dublinverordening heeft ondertekend. Hierin is expliciet vermeld dat Nederland als verantwoordelijke lidstaat wordt aangemerkt en dat de machtiging strekt tot het opvragen van informatie met het oog op de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Dit duidt niet op een beoordeling in het kader van de Dublinverordening. Eiseres betwist niet dat een dergelijke machtiging kan worden gebruikt om informatie op te vragen bij een andere lidstaat, maar de machtiging die eiseres heeft ondertekend heeft een andere strekking. Eiseres beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Na ondertekening van de machtiging is het gehoor beëindigd, zonder dat is verteld dat alsnog een claimverzoek bij Frankrijk zou worden gedaan. Onder deze omstandigheden heeft de minister het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk door Nederland in behandeling werd genomen. Dit is niet kenbaar in de besluitvorming betrokken.\n\n5.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de minister is aangevangen met de inhoudelijke beoordeling van haar asielaanvraag doordat eiseres de hiervoor bedoelde machtiging heeft ondertekend. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State(Afdeling) volgt dat niet snel wordt aangenomen dat Nederland is aangevangen met de inhoudelijke behandeling van een asielverzoek, zolang de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek nog niet is afgerond. Ook volgt uit deze rechtsspraak dat de toestemmingsverklaring is bedoeld om informatie op te kunnen vragen bij andere lidstaten, zodat kan worden vastgesteld welk land verantwoordelijk is. Het enkele feit dat het nader gehoor van eiseres na ondertekening van de machtiging is beëindigd, maakt dit niet anders. Ook is het vertrouwensbeginsel niet geschonden. Anders dan eiseres betoogt is geen sprake geweest van een toezegging zoals de minister terecht stelt. De door eiseres ondertekende toestemmingsverklaring is een stap in een standaardprocedure die enkel ziet op het uitwisselen van informatie tussen lidstaten in het kader van de Dublinverordening. Uit deze handeling kan niet worden afgeleid dat Nederland de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk zal behandelen. Bovendien heeft de minister geen uitlatingen gedaan waaruit een dergelijke toezegging blijkt.\n\nHeeft de minister ten onrechte het interstatelijk vertrouwensbeginsel getoetst ten opzichte van Kroatië?\n\n6. Eiseres betoogt dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte het interstatelijk vertrouwensbeginsel toetst ten opzichte van Kroatië. Eiseres voert aan dat dit onbegrijpelijk is, aangezien de minister in hetzelfde besluit stelt dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is. Dit betreft geen kennelijke verschrijving, aangezien de beoordeling of kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel een essentieel onderdeel is van de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit. Door te toetsen aan Kroatië in plaats van aan Frankrijk heeft de minister nagelaten om te beoordelen of een overdracht aan Frankrijk in lijn is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daardoor ontbreekt een dragende motivering voor het besluit. Dit gebrek kan niet worden gepasseerd met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat niet kan worden vastgesteld dat eiseres hierdoor niet in haar belangen is geschaad. Ook kan het gebrek niet in beroep worden hersteld, omdat het gaat om een essentiële inhoudelijke beoordeling.\n\n6.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op de zitting heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat dit een kennelijke verschrijving is. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om een gebrek aan te nemen. Uit het bestreden besluit blijkt evident dat de minister het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk heeft getoetst. Zoals de minister op zitting terecht heeft gesteld wordt in het bestreden besluit immers verwezen naar vaste rechtspraak van de Afdeling ten aanzien van Frankrijk. Ook is het door eiseres aangehaalde AIDA-rapport dat ziet op Frankrijk besproken.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n7. Eiseres betoogt dat de minister ten opzichte van Frankrijk niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de vaste rechtspraak van de Afdeling waar de minister naar verwijst volgt niet dat in alle individuele gevallen zonder nadere beoordeling tot overdracht kan worden overgegaan. Eiseres behoort tot de LHBTI-gemeenschap, wat haar een kwetsbaar persoon maakt en waardoor de minister een verzwaarde onderzoeksplicht heeft. Uit het AIDA-rapport, update 2024,blijkt dat er aanhoudende problemen zijn met betrekking tot de positie van LHBTI-asielzoekers in Frankrijk. De minister heeft ten onrechte niet onderzocht wat dit in het individuele geval van eiseres betekent bij overdracht aan Frankrijk. Bovendien heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat een terugkeer naar Frankrijk niet leidt tot een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.\n\n7.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft recent nog bevestigd dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan . In deze uitspraak is het AIDA-rapport, update 2024, besproken. De Afdeling heeft hierover geoordeeld dat uit dit rapport niet blijkt dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Uit het rapport blijkt dat problemen bestaan omtrent de positie van LHBTI-asielzoekers in Frankrijk, maar hieruit volgt niet dat homoseksuele en transgender asielzoekers in een nadeligere positie dan andere asielzoekers terecht komen. Ook ten aanzien van de opvang van asielzoekers is niet gebleken dat er structurele problemen bestaan die bij overdracht een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest opleveren. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\nIs er sprake van een situatie zoals in het arrest C.K.?\n\n8. In de aanvullende gronden van 17 juni 2026 doet eiseres een beroep op het arrest C.K. van het Hof.Uit de aanvullende documenten blijkt dat eiseres kampt met ernstige psychische klachten en zich suïcidaal heeft geuit. Het is niet in het belang van eiseres dat de medische behandeling die zij ondergaat, alsmede de specialistische psychische hulp waarvoor zij is verwezen, wordt stilgezet. Op de zitting heeft eiseres betoogd dat de minister ten onrechte geen BMA-advies heeft opgevraagd en dat de minister alsnog opgedragen moet worden om dat te doen. Dit had wel op de weg van de minister gelegen, aangezien de minister zelf niet medisch deskundig is en het risico niet zelf kan inschatten.\n\n8.1.. Uit het arrest C.K. volgt dat, ook als van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, overdracht in het kader van de Dublinverordening op zichzelf een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest kan opleveren. Dit kan met name voorkomen als de overdracht van een vreemdeling met bijzonder ernstige psychische of lichamelijke problemen een ernstige verslechtering van zijn of haar gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben, zodat er een situatie ontstaat zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Of dit zo is, moet worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die vreemdeling. Als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn of haar gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zou kunnen leiden, moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten, de gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van het Handvest als gevolg van de overdracht zelf wegnemen, maar kan daar niet altijd mee volstaan.\n\n8.2.. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiseres niet met objectieve documenten heeft onderbouwd dat zij bijzonder ernstige psychische problemen heeft die tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen bij overdracht zouden kunnen leiden. Hierdoor komt de minister niet toe aan de vergewisplicht, aangezien het suïcide-risico als gevolg van de overdracht niet als reëel of hoog is ingeschat door een medisch deskundige. Om die reden heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om een BMA-advies op te vragen. Hoe treurig ook, is de enkele omstandigheid dat eiseres een suïcidale poging heeft gedaan onvoldoende om aan te nemen dat de overdracht een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling oplevert. In dit kader heeft de minister op de zitting toegelicht dat ten tijde van de overdracht maatregelen getroffen kunnen worden wanneer dit nodig wordt geacht.\n\nHad de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?\n\n9. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De minister heeft ten onrechte niet beoordeeld of de kwetsbaarheid, de positie van eiseres als LHBTI-persoon, de omstandigheid dat eiseres in Nederland onder medische behandeling staat en een sociaal netwerk heeft opgebouwd, aanleiding geven om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening.\n\n9.1.. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De door eiseres gestelde kwetsbaarheid, de positie van eiseres als LHBTI-persoon en het feit dat zij in Nederland onder medische behandeling staat en een sociaal leven heeft opgebouwd, zijn geen zodanige bijzondere individuele omstandigheden waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nDit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n ABRvS 11 september 2014, ECLI:NL:RVS:2015:3385.\n\n AIDA-rapport Frankrijk, update 2025 (juni 2025).\n\n ABRvS 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.\n\n HvJEU, arrest C.K. 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18469","2026-07-13T00:28:43.597Z",{"id":180,"ecli":181,"slug":182,"caseNumber":44,"courtId":87,"decisionDate":183,"fullText":184,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":185,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":51,"updatedAt":186},"691","ECLI:NL:RBDHA:2026:18465","ecli-nl-rbdha-2026-18465","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.19668\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. R.E. Temmen)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nHet onderzoek ter zitting is geopend op 28 mei 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.H.P.M. Kelderman. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst omdat partijen weliswaar tijdig en correct waren uitgenodigd, maar verweerder feitelijk niet op de hoogte bleek te zijn van de planning en de inhoud van de zaak.\n\nHet onderzoek ter zitting is hervat op 18 juni 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Hartog.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser is volgens zijn eigen opgave geboren op [geboortedag] 2007 en heeft de Iraakse nationaliteit.\n\n2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw.In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordeningis vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 1 juni 2022 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 12 februari 2026 een verzoek om terugname gezonden aan Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 17 februari 2026 aanvaard.\n\n3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte geen toepassing gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Verweerder heeft overwogen dat de gezinsband van eiser met zijn ouders en broers en zussen niet voldoende is onderbouwd. Dit standpunt heeft verweerder pas bij het bestreden besluit ingenomen zodat eiser hierop in de bestuursrechtelijke fase niet heeft kunnen reageren. Eiser overlegt in beroep alsnog kopieën van paspoorten van zijn gezinsleden, en kopieën van de aanmeldgehoren van zijn vader en zijn moeder, waaruit blijkt dat zij eiser noemen als hun zoon, die met het gezin is meegereisd naar Nederland. Er is daarom geen reden om te twijfelen aan de gezinsband tussen eiser en zijn overige in Nederland verblijvende gezinsleden. Het is in het belang van eiser en van zijn gezinsleden dat zij niet gescheiden worden. Ook overlegt eiser documenten ter onderbouwing van de medische situatie van zijn moeder; zij heeft psychische problemen als gevolg van het verlies van de oudste dochter van het gezin in Griekenland, en kan niet van eiser gescheiden worden. Door in deze omstandigheden geen toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening is het bestreden besluit onvoldoende onderbouwd.\n\nEiser voert daarnaast aan dat het bestreden besluit een risico op refoulement inhoudt, nu eiser in Duitsland al eerder een negatieve beschikking heeft gekregen. Hij vreest daarom dat hij bij overdracht aan Duitsland zonder verdere inhoudelijke behandeling zal worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst, waar hij te vrezen heeft voor zijn leven. Ook om deze reden kan het bestreden besluit niet in stand blijven.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n4. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.\n\n5. In Eurodac staat alleen van eiser een eerdere asielaanvraag geregistreerd in Duitsland. Daarom is alleen voor eiser een terugnameverzoek aan Duitsland gezonden en worden de aanvragen van de andere gezinsleden in de nationale procedure in Nederland behandeld. Verweerder betwist niet dat eiser als onderdeel van een gezin is ingereisd, maar hecht daar geen doorslaggevende betekenis aan. Het gegeven dat een vreemdeling familie heeft in Nederland is voor verweerder niet genoeg om toepassing te geven aan zijn discretionaire bevoegdheid. Dat eiser in de beroepsfase kopieën van identiteitsbewijzen van de verschillende gezinsleden heeft overgelegd maakt het besluit daarom niet anders.\n\n6. Ter zitting is de vraag besproken in hoeverre de Dublinverordening verweerder verplicht om rekening te houden met de gezinsband, nu eiser meerderjarig is, en of dit een element is dat moet worden meegewogen bij toepassing van de discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17, van de Dublinverordening. Op grond van overweging 14, van de preambule bij de Dublinverordening dient voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening immers de eerbiediging van het familie- en gezinsleven voorop te staan. Deze, en andere uit de preambule van de Dublinverordening voortvloeiende waarborgen met betrekking tot het familie- en gezinsleven hebben, waar deze bepalend zijn voor het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat, hun weerslag gevonden in de artikelen 8, 9, 10, 11 en 16 van de Dublinverordening. De Afdeling heeft eerder bepaald dat de genoemde waarborgen in de preambule verweerder niet verplichten om in gezinsbanden die de Dublinverordening in voormelde artikelen niet beoogt te beschermen, aanleiding te zien om de behandeling van een aanvraag onverplicht aan zich te trekken.Nu vaststaat dat eiser meerderjarig was op het moment van de indiening van de asielaanvraag in Nederland en hij daarom geen beroep kan doen op de genoemde artikelen in de Dublinverordening die de gezinsband beschermen, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verweerder op grond van de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden gehouden was gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid.\n\n7. Verweerder maakt terughoudend gebruik van zijn bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken.Hij beoordeelt of in het voorliggende geval sprake is van zodanige humanitaire gronden dat het in de rede ligt om het asielverzoek van de vreemdeling over te nemen. De rechter mag die beoordeling slechts terughoudend toetsen.Dit betekent dat de rechter het bestreden besluit op dit punt moet toetsen aan de eisen die het recht daaraan stelt, met name wat betreft de zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering, maar staat eraan in de weg dat de rechter bij die toetsing zijn eigen oordeel in de plaats stelt van dat van verweerder.\n\n8. De rechtbank heeft begrip voor de wens van eiser om bij het gezin te verblijven, maar is gezien het bestreden besluit en de behandeling ter zitting van oordeel dat verweerder het besluit zorgvuldig heeft voorbereid en deugdelijk heeft gemotiveerd. Verweerder heeft bij de beoordeling of toepassing moest worden gegeven aan zijn bevoegdheid op grond van artikel 17 van de Dublinverordening kunnen betrekken dat het verblijf van familie in Nederland geen doorslaggevende betekenis toekomt en dat ook als eisers betoog over de medische problemen van de moeder en de verdwijning van zijn oudste zus in Griekenland gevolgd wordt, dit niet tot een situatie van onevenredige hardheid leidt. De moeder krijgt in Nederland immers de behandeling die zij nodig heeft en eiser kan vanuit Duitsland contact onderhouden met het gezin.\n\n9. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar het arrest van het Europese Hof van Justitie van 30 november 2023en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024.Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land. Eiser heeft voor dit laatste geen aanknopingspunten gegeven. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien op dit punt tot een ander oordeel te komen en nu eiser ook in beroep zijn standpunt niet nader heeft onderbouwd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder hier in het bestreden besluit onvoldoende op is ingegaan of dat de motivering van verweerder het standpunt niet kan dragen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2385, punt 5.\n\n Dit is vastgelegd in onderdeel C2\u002F5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die gold ten tijde van het beroep.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1666, recent bevestigd in de uitspraak van 11 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3293.\n\n ECLI:EU:C:2023:934.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2359.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18465","2026-07-13T00:28:43.446Z",{"id":188,"ecli":189,"slug":190,"caseNumber":44,"courtId":87,"decisionDate":183,"fullText":191,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":192,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":51,"updatedAt":193},"695","ECLI:NL:RBDHA:2026:18468","ecli-nl-rbdha-2026-18468","Uitspraak buiten zitting\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32656\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden), en\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.2\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1988 en de Turkse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 24 februari 2026 asiel aangevraagd in Nederland.\n\nDe Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.3 Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.4 Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 16 november 2021 in België een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. Verweerder heeft op 4 april 2026 de Belgische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Op 13 mei 2026 heeft België, na een verzoek om een second opinion, het verzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening Hiermee staat de verantwoordelijkheid van België vast.\n\n1. Op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n2 Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n3 Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n4 Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n3. Eiser voert aan dat ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State5 van 23 juli 2025.6 Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in België systeemfouten bevatten, welke leiden tot een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM7 en artikel 4 van het Handvest.8 Eiser heeft gedurende zijn verblijf in België een zwervend bestaan geleid en is verstoken gebleven van opvang. Eisers psychische problemen zijn hierdoor ernstig verslechterd en hij is opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. Hiervan heeft eiser geen stukken kunnen overleggen. Eiser is kwetsbaar vanwege zijn psychische problemen. Zonder garanties voorafgaand aan eisers overdracht aan België, is het voorzienbaar dat hij in dezelfde omstandigheden terecht zal komen. Verder heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Een overdracht aan België getuigt in zijn geval van onevenredige hardheid gelet op zijn psychische toestand en zijn bijzondere kwetsbaarheid. Daarnaast vreest eiser te worden uitgezet naar Turkije na te zijn overgedragen aan België, zonder dat daar een inhoudelijke asielprocedure aan vooraf zal gaan.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n4. Vaststaat dat België in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Uitgangspunt is verder dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit wordt gegaan dat de EU-lidstaten hun unierechtelijke en internationale verplichtingen tegenover asielzoekers nakomen. Hoewel de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 over Dublinoverdrachten aan België heeft geoordeeld dat voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon worden uitgegaan, omdat zij geen toegang hadden tot opvangvoorzieningen, heeft verweerder met zijn verwijzing in het bestreden besluit naar de brief van 5 februari 2026 van de Belgische autoriteiten voldoende gemotiveerd dat alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten feitelijk weer toegang hebben tot een (nood)opvangplaats in België. Eiser heeft geen andersluidende informatie ingebracht. Gelet hierop is voor bedoelde uitzondering op het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het geval van België geen aanleiding meer.\n\n5. Ten aanzien van eisers gestelde ervaringen in België heeft verweerder terecht geconcludeerd dat deze geen reden zijn om niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt immers aangenomen dat eiser in België kan klagen indien de Belgische autoriteiten tekortschieten in de naleving van hun verplichtingen tegenover eiser. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. Aldus is niet aannemelijk geworden dat overdracht van eiser naar België zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.\n\n6. Voor zover eiser in dit kader nog heeft aangevoerd dat hij vreest voor indirect refoulement omdat België hem zal terugsturen naar Turkije overweegt de rechtbank als\n\n5 Afdeling.\n\n6 ECLI:NL:RVS:2025:3305.\n\n7 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n8 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\nvolgt. Uit de uitspraak van het Hof van 30 november 2023 9en de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 12 juni 202410 volgt dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het beschermingsbeleid, en dat ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gezien hetgeen daarover hiervoor overwogen is, kan ten aanzien van België nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van indirect refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7. Uit het arrest Tarakhel volgt dat verweerder, in het geval van bijzondere kwetsbaarheid van een vreemdeling, om individuele garanties kan vragen voordat verweerder de vreemdeling overdraagt. 11 Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. Eiser is hierin niet geslaagd. Eiser heeft niet met concrete en objectieve stukken aannemelijk gemaakt dat hij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties geen toegang zal krijgen tot adequate zorg- en opvangvoorzieningen in België. Voor zover eiser zich beroept op de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit vermeld dat op grond van artikel 32 van de Dublinverordening, waar nodig en met toestemming van eiser, de relevante medische gegevens aan de Belgische autoriteiten worden overgedragen alvorens de overdracht van eiser zal plaatsvinden. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voorafgaand aan de overdracht aanvullende individuele garanties had moeten verkrijgen.\n\n8. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd overwogen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening door de asielaanvraag van eiser onverplicht inhoudelijke te beoordelen. Door eiser is ook in dit verband gewezen op zijn gestelde slechte ervaringen in België. Eisers verklaringen hierover zijn beoordeeld bij de vraag of er aanwijzingen zijn dat België zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 201412 is er geen aanleiding voor een beoordeling van dezelfde omstandigheden bij de vraag of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eisers van een onevenredige hardheid getuigt. Voor zover eiser zich beroept op zijn psychische toestand, overweegt de rechtbank dat eiser dit niet met objectieve stukken heeft onderbouwd.\n\n9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.\n\n10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\n9 ECLI:EU:C:2023:934.\n\n10 ECLI:NL:RVS:2024:2359.\n\n11 ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712 r.o. 100-105.\n\n12 ECLI:NL:RVS:2014:3164. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860 en 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M. L. Weerkamp rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\nDocumentcode: 024-573-028-293","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18468","2026-07-13T00:28:43.635Z",35,20,[11,197,198],2025,2024]