[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-family-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":209},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":40,"total":207,"page":14,"limit":208},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",2026,[13,16,19,22,23,25,27,30,33,34,36,38],{"month":14,"count":15},1,4,{"month":17,"count":18},2,6,{"month":20,"count":21},3,5,{"month":15,"count":20},{"month":21,"count":24},84,{"month":18,"count":26},30,{"month":28,"count":29},7,9,{"month":31,"count":32},8,0,{"month":29,"count":32},{"month":35,"count":32},10,{"month":37,"count":32},11,{"month":39,"count":32},12,[41,55,63,70,79,86,94,102,110,118,125,133,141,149,157,165,173,181,191,199],{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":47,"fullText":48,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":54},"659","ECLI:NL:GHAMS:2026:1835","ecli-nl-ghams-2026-1835","",56,"2026-07-07T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht\n\nzaaknummers: 200.368.191\u002F01 en 200.368.191\u002F02\n\nzaaknummer rechtbank: C\u002F15\u002F375969 \u002F JU RK 26-477\n\nbeschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak van:\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,\n\nverzoekster in hoger beroep,\n\nhierna: de moeder,\n\nadvocaat: mr. S.L. Prass te Amsterdam,\n\nen\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\ngevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nhierna te noemen: de raad.\n\nHet hof heeft als belanghebbenden aangemerkt:\n\n- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] ;\n\n- [de vader] , wonende in [plaats B] , hierna: de vader,\n\nadvocaat: mr. E.M. Kooij te Noordwijkerhout;\n\n- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna: de GI.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1. De zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader.\n\n1.2. \n\nDe kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengd tot 20 juni 2026 en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\nDe moeder is het hier niet mee eens en wil dat [minderjarige] weer bij haar thuis komt wonen. De raad en de vader zijn het wel eens met de beschikking.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. \n\nDe moeder is op 24 april 2026 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, (hierna: de kinderrechter) van 30 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking). Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.368.191\u002F01.\n\nDe moeder heeft bij dat beroep tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend. Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.368.191\u002F02.\n\n2.2. De raad heeft op 29 mei 2026 een verweerschrift in beide zaken ingediend.\n\n2.3. De vader heeft op 2 juni 2026 een verweerschrift in beide zaken ingediend.\n\n2.4. \n\nBij het hof is verder het volgende stuk ingekomen:\n\n- een bericht van de moeder van 3 juni 2026, met als bijlagen producties 9-11.\n\n2.5. Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De GI heeft het hof op 4 juni 2026 laten weten dat [minderjarige] een brief zal opstellen. De vader heeft ter zitting de brief van [minderjarige] aan het hof overhandigd. Nu de inhoud van de brief op verzoek van [minderjarige] niet met partijen is gedeeld, zal het hof bij de beoordeling de brief buiten beschouwing laten.\n\n2.6. De mondelinge behandeling heeft op 5 juni 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- de raad, vertegenwoordigd door R.N. Planting;\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.\n\nDe advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nDe vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van:\n\n- [minderjarige] , geboren [in] 2014 in [plaats C] .\n\nDe ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .\n\n3.2. De moeder heeft uit een eerdere relatie een dochter, [dochter] , geboren [in] 2008.\n\n3.3. De moeder woont samen met haar partner [partner] , met wie zij [in] 2026 in het huwelijk is getreden. De vader woont samen met zijn vriendin en (deels) met haar twee kinderen uit een vorige relatie.\n\n3.4. \n\nDe kinderrechter heeft bij beschikking van 20 maart 2026, op verzoek van de raad, [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 20 juni 2026. Daarbij is ook een machtiging verleend om [minderjarige] met ingang van 20 maart 2026 tot 17 april 2026 uit huis te plaatsen bij de vader.\n\nHet overige deel van het verzoek, te weten een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor een langere duur, is aangehouden tot de zitting bij de rechtbank op 30 maart 2026.\n\nDe kinderrechter heeft in de in zoverre niet bestreden beschikking de op 20 maart 2026 uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling gehandhaafd.\n\n4. De omvang van het hoger beroep\n\n4.1. De kinderrechter heeft de op 20 maart 2026 verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing gehandhaafd en, uitvoerbaar bij voorraad, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengd tot 20 juni 2026.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01\n\n4.2. \n\nDe moeder verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, primair de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is verleend, en te bepalen dat [minderjarige] bij de moeder zal verblijven.\n\nSubsidiair verzoekt de moeder, indien het hof van oordeel is dat een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk blijft, te bepalen dat een minder ingrijpende maatregel wordt ingezet waarbij [minderjarige] bij de moeder kan verblijven, al dan in combinatie met concrete voorwaarden of (intensieve) hulpverlening.\n\n4.3. De raad en de vader verzoeken de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02\n\n4.4. De moeder verzoekt een voorlopige voorziening te treffen ingevolge artikel 223 Rv, inhoudende dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt geschorst voor de duur van het hoger beroep.\n\n4.5. De raad en de vader verzoeken het schorsingsverzoek af te wijzen.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01\n\nDe standpunten van partijen\n\n5.1. De moeder verzet zich niet tegen de door de kinderrechter uitgesproken ondertoezichtstelling, omdat zij deze maatregel in het belang van [minderjarige] acht. De kinderrechter heeft volgens haar echter ten onrechte geoordeeld dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader noodzakelijk is vanwege de zorgen over het functioneren van de moeder. De zorgen van de raad zijn onvoldoende feitelijk onderbouwd en grotendeels gebaseerd op aannames. De moeder heeft een lastige periode doorgemaakt, mede doordat zij onder druk stond door het controlerende en intimiderende gedrag van de vader. Inmiddels heeft zij hulpverlening en behandeling aanvaard en is ook haar thuissituatie verbeterd. Daarnaast staat de moeder open voor opvoedondersteuning en hulp bij het zo goed mogelijk aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De omgangsmomenten van de moeder met [minderjarige] verlopen goed, zoals ook blijkt uit de overgelegde omgangsverslagen. De moeder en [minderjarige] genieten van de tijd die zij samen doorbrengen, maar de omgangsmomenten zijn kort en beperkt. De moeder maakt zich grote zorgen over [minderjarige] . Voor de uithuisplaatsing ging het beter met [minderjarige] , maar sinds zijn verblijf bij de vader is sprake van een negatieve ontwikkeling. Ook gaat het niet goed met [minderjarige] op school. Bovendien informeren de GI en de vader de moeder onvoldoende over [minderjarige] en zijn functioneren op school. De plaatsing bij de vader is niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] voelt zich niet veilig bij de vader, hij ervaart stress en wordt belast met de conflicten tussen de ouders. [minderjarige] heeft aangegeven zijn vader wekelijks te willen blijven zien, maar weer bij de moeder te willen wonen. Daarnaast is onvoldoende onderzocht of met een minder ingrijpende maatregel dan een uithuisplaatsing kon worden volstaan. Daarmee is niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De noodzaak van de uithuisplaatsing ontbreekt. Tot slot heeft de kinderrechter onvoldoende gewicht toegekend aan de zorgen over de opvoedsituatie bij de vader en aan de mening van [minderjarige] .\n\n5.2. De raad voert het volgende verweer. De raad betwist dat het raadsonderzoek eenzijdig is gebaseerd op informatie van de vader. Alle relevante omstandigheden zijn onderzocht en betrokken bij de besluitvorming. De raad wijst op de langdurige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] waaronder zijn schoolverzuim, te laat komen op school, het feit dat hij wordt belast met volwassenproblematiek en de beperkte mate waarin hij toekomt aan zijn ontwikkelingstaken. De zorgen van de moeder over de opvoedsituatie bij de vader worden door de raad onvoldoende herkend. De GGD is op huisbezoek geweest en trof een verzorgde en veilige woonomgeving bij de vader aan. De vader staat open voor hulpverlening en werkt samen met de betrokken instanties. [minderjarige] heeft recent negatieve uitlatingen over de vader gedaan en dergelijke uitlatingen moeten serieus worden genomen, maar tegelijkertijd zorgvuldig worden geduid. Zo bevindt [minderjarige] zich in een ingewikkeld loyaliteitsconflict en hij heeft in het verleden uitspraken gedaan die aantoonbaar onjuist waren. Dat neemt niet weg dat door middel van nadere hulpverlening dient te worden onderzocht wat aan zijn uitlatingen ten grondslag ligt. De hulpverlening dient te zijn gericht op het verminderen van zijn loyaliteitsproblematiek en het creëren van ruimte voor de eigen gevoelens en behoeften van [minderjarige] . Het staat niet vast dat de recente gedragsveranderingen van [minderjarige] het gevolg zijn van zijn verblijf bij de vader, maar het is wel gebleken dat [minderjarige] al langere tijd meer hulp nodig heeft dan momenteel voor hem beschikbaar is.\n\n5.3. De vader onderschrijft het standpunt van de raad. Bij de vader thuis ervaart [minderjarige] rust en duidelijkheid, waardoor hij op dit moment redelijk stabiel is. Het gaat echter niet goed op school omdat [minderjarige] spanningen ervaart door de voortdurende procedures tussen de ouders en de wisselingen in de omgangsregeling. De vader betwist dat [minderjarige] op school is geschorst. Wel laat [minderjarige] na de omgang met de moeder meer probleemgedrag op school zien. De uitlatingen van [minderjarige] over zijn verblijf bij de vader laten vooral zien hoe belastend de huidige situatie voor hem is. [minderjarige] dient de ruimte te krijgen om zich op zijn eigen ontwikkeling te richten en de vader kan hem de benodigde rust, tijd en aandacht bieden die daarvoor nodig zijn. De vader heeft zijn werktijden aangepast om beschikbaar te zijn voor [minderjarige] . Daarnaast ontvangt de vader opvoedondersteuning van Levvel en zal binnenkort verdere hulpverlening worden opgestart. Ook acht de vader het van belang [minderjarige] zo min mogelijk te belasten met de procedures tussen de ouders door hem daarover geen inhoudelijke informatie te verstrekken. Omdat op dit moment directe communicatie tussen de ouders niet mogelijk is, zou ondersteuning bij de onderlinge communicatie helpend kunnen zijn volgens de vader.\n\n5.4. \n\nDe GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de (begeleide) omgang tussen de moeder en [minderjarige] positief verloopt en gefaseerd is uitgebreid. Sinds kort vindt de omgang plaats bij de moeder thuis, waarbij haar partner aanwezig is. De GI is voornemens de omgang tussen de moeder en [minderjarige] verder uit te breiden. Voorafgaand en na afloop van de omgangsmomenten ervaart [minderjarige] echter spanning. Deze spanning is ook zichtbaar op school. De GI acht het daarom van belang aanvullende hulpverlening en begeleiding voor [minderjarige] in te zetten.\n\nDe samenwerking van de GI met de vader verloopt goed, maar de samenwerking met de moeder verloopt moeizaam. [minderjarige] geeft aan dat hij terug wil naar de moeder, maar het is onduidelijk in hoeverre zijn wens voortkomt uit een loyaliteitsconflict. Het loyaliteitsconflict van [minderjarige] wordt versterkt door de moeizame communicatie tussen de ouders. De GI benadrukt dat het voor [minderjarige] van belang is dat de ouders informatie met elkaar delen en, waar mogelijk, samenwerken in zaken waar het [minderjarige] betreft.\n\nDe beoordeling door het hof\n\nHet wettelijk kader\n\n5.5. \n\nUit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. De machtiging kan ingevolge het tweede lid van dit artikel ook worden verleend op verzoek van de raad of het openbaar ministerie.\n\nUit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging telkens met een jaar kan verlengen. Indien de gecertificeerde instelling niet overgaat tot een verzoek, kan verlenging plaatsvinden op verzoek van de raad of het openbaar ministerie.\n\n5.6. Het hof constateert dat de periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is verleend inmiddels is verstreken. De moeder heeft een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging te laten toetsen gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven. Het hof dient te beoordelen of de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] van 20 maart 2026 tot 20 juni 2026 aanwezig waren.\n\n5.7. \n\nHet hof overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] niet plotseling zijn ontstaan, maar al langere tijd bestonden. Vanaf 2024 zijn verschillende instanties betrokken geraakt vanwege zorgen over de thuissituatie bij de moeder, het schoolverzuim van [minderjarige] en zijn emotionele belasting vanwege de voortdurende strijd tussen de ouders.\n\nIn december 2024 is het gezin aangemeld bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) met als doel veiligheidsafspraken te maken met de ouders en meer structuur en voorspelbaarheid voor [minderjarige] te creëren. In februari 2025 heeft de school van [minderjarige] een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege zijn schoolverzuim en zorgen over de thuissituatie. Vervolgens zijn in 2025 diverse vormen van hulpverlening ingezet. Zo is in juli 2025 Parent Management Training Oregon (PMTO)-begeleiding vanuit Levvel voor moeder gestart met onder meer als doel de moeder positief en met regie te leren opvoeden. In juni, augustus en oktober 2025 is multidisciplinair overleg (MDO) met alle betrokkenen gevoerd waarin de zorgen werden besproken en afspraken zijn gemaakt. In september 2025 is de vader gestart met PMTO-begeleiding met onder meer als doel te leren hoe hij [minderjarige] kan ondersteunen als [minderjarige] lastig gedrag laat zien. In september 2025 heeft [minderjarige] een melding gedaan bij Veilig Thuis. Uit het daaropvolgende gesprek met het CJG bleek dat hij voortdurend belast werd met volwassenenproblematiek en de strijd tussen zijn ouders. In oktober 2025 heeft de school een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege de uitblijvende schoolgang van [minderjarige] , waarop het CJG de raad heeft verzocht een beschermingsonderzoek uit te voeren. In november 2025 is ambulante hulpverlening voor de ouders gestart vanuit Levvel. Bij de start van het traject uitte Levvel na een huisbezoek bij de moeder grote zorgen over de opvoedsituatie. De hulpverlening kwam vanuit Levvel niet goed op gang. In november 2025 heeft een beschermingstafel plaatsgevonden met de ouders, het CJG, Levvel en de school van [minderjarige] . Na de beschermingstafel zijn veiligheidsafspraken gemaakt, waaronder de afspraak dat de ouders PMTO blijven volgen. Op 15 januari 2026 heeft [minderjarige] contact opgenomen met de GI na een volgens hem uit de hand gelopen ruzie met de moeder. De moeder was het er niet mee eens dat [minderjarige] op school vertelde over een incident in de thuissituatie. Op 17 februari 2026 gaf de school van [minderjarige] aan een verandering in zijn gedrag te zien. [minderjarige] vertoonde meer gedragsproblemen en de moeder bracht hem niet op de afgesproken tijden naar school.\n\nVervolgens is [minderjarige] bij beschikking van 20 maart 2026 door de kinderrechter met spoed uit huis geplaatst bij de vader. Aan deze beslissing lagen de door de raad geuite ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder ten grondslag. De acute zorg van de raad zag op de gevolgen voor [minderjarige] indien hij naar de moeder zou terugkeren, omdat de wijze van reageren door de moeder eerder tot gevoelens van onveiligheid bij [minderjarige] heeft geleid. Daarnaast bestonden zorgen over de stabiliteit van de moeder en haar vermogen om emoties te reguleren.\n\n5.8. Uit het vorenstaande is het hof gebleken dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] met name zagen op zijn emotionele belasting bij de moeder thuis, de volwassenenproblematiek waarmee hij werd belast en zijn schoolverzuim. Daarbij heeft de raad zorgen geuit over verschillende uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan en over zijn loyaliteitsconflict. Ook gaf [minderjarige] op school aan dat de moeder regelmatig tegen hem schreeuwde. [minderjarige] heeft tegenover verschillende betrokkenen en instanties verklaard dat hij voorzichtig was met het uiten van zijn gevoelens omdat hij bang was voor de reactie van zijn moeder. Ook werd [minderjarige] voortdurend belast met de strijd tussen zijn ouders. Tegen deze achtergrond acht het hof voldoende aannemelijk dat ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] .\n\n5.9. \n\nHet hof overweegt verder dat ondanks de inzet van (vrijwillige) hulpverlening, de hiervoor genoemde zorgen ten tijde van de bestreden beschikking onvoldoende verminderd waren. Zowel de GI, Veilig Thuis als de school van [minderjarige] gaven aan dat de moeder bepaalde afspraken niet nakwam. Zo lukte het de moeder niet om structureel uitvoering te geven aan de afspraken rondom de schoolgang van [minderjarige] . De moeder gaf hierover aan dat zij vanwege haar medicatie ’s ochtends lastig uit bed kon komen, waardoor [minderjarige] regelmatig te laat op school kwam.\n\nDe moeder brengt in hoger beroep naar voren dat zij openstaat voor hulpverlening. Het hof stelt echter vast dat de ingezette hulpverlening bij de moeder moeizaam, dan wel niet van de grond is gekomen. De ambulante hulpverlening heeft geen doorgang gevonden omdat de moeder verschillende afspraken, zoals twee huisbezoeken, om wisselende redenen heeft afgezegd. De moeder heeft één keer een gesprek gevoerd met de ambulante hulpverlening. De inzet van [X] voor [minderjarige] is vertraagd omdat de moeder niet aanwezig was bij het kennismakingsgesprek. Ook is de PMTO-begeleiding vroegtijdig beëindigd. Over de reden van de beëindiging bestaan verschillende lezingen. Volgens de moeder was het traject op dat moment ongeschikt, de betrokken hulpverlening, waaronder Levvel, gaf echter aan dat het traject stopte omdat de afspraken te vaak door de moeder werden afgezegd. Vast staat dat het traject niet tot het beoogde resultaat heeft geleid.\n\nDaar komt bij dat de moeder beperkt inzicht heeft gegeven in haar eigen problematiek. Zo heeft zij tegenover de raad en de GI geen openheid willen geven over haar eventuele behandeling binnen de GGZ. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij voor de uithuisplaatsing gedurende zeven jaar psychische hulpverlening heeft ontvangen, maar die mededeling neemt niet weg dat de moeder over de aard en resultaten van deze behandeling de raad en de hulpverlenende instanties niet heeft geïnformeerd. Door het gebrek aan openheid van de zijde van de moeder konden de betrokken instanties onvoldoende zicht krijgen op de achterliggende problematiek. Hierdoor kon passende hulpverlening niet, dan wel onvoldoende worden vormgegeven. Het ontbreken van openheid van de moeder over haar problematiek heeft eraan bijgedragen dat de bestaande zorgen niet konden worden weggenomen.\n\nBij de moeder leek verder sprake te zijn van beperkt probleembesef. Zij erkende de naar voren gebrachte zorgen niet en zij richtte zich voornamelijk op haar zorgen om de (opvoed)situatie bij de vader. Ook heeft de moeder meermaals haar wantrouwen richting de betrokken hulpverlening geuit. Zo wilde zij ten tijde van de spoeduithuisplaatsing in maart 2026 niet meewerken met de raadsonderzoekers, noch met hen communiceren, en in mei 2026 gaf zij aan geen vertrouwen te hebben in de raad. Ook ten aanzien van het CJG heeft de moeder meermaals aangegeven weinig vertrouwen te hebben in deze instantie.\n\n5.10. \n\nDe betrokken partijen, waaronder de beide ouders, de raad en de GI, zijn het erover eens dat [minderjarige] nadere hulpverlening nodig heeft. In februari 2026 is [minderjarige] gestart met gesprekken bij [X] via jeugdhulporganisatie Jij&Co. De betrokken hulpverlener ziet signalen van mogelijk traumagerelateerde problematiek bij [minderjarige] . Verder volgt [minderjarige] sinds februari 2026 cognitieve gedragstherapie gericht op stabilisatie, het leren verwoorden van gevoelens en gedachten en het versterken van zijn veerkracht. Daarnaast ontvangt [minderjarige] oplossingsgerichte psychotherapie en is hij door de GI aangemeld bij Cardea voor hulpverlening gericht op omgang en hechting.\n\nDe vader geeft aan dat de gesprekken van [minderjarige] bij [X] helpend zijn, maar dat er meer (intensievere) hulpverlening voor hem nodig is. Het hof overweegt dat [minderjarige] een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedomgeving nodig heeft om optimaal van de hulpverlening te kunnen profiteren. Het hof is van oordeel dat de vader deze rust en stabiliteit kan bieden, terwijl daarover bij de moeder thuis structureel zorgen bestaan, zoals hiervoor beschreven. Zowel de raad als de GI hebben aangegeven dat de vader openstaat voor hulpverlening, in de vorm van opvoedondersteuning, en dat hij het belang van hulpverlening voor [minderjarige] onderkent. Ook staat de vader open voor verdere hulpverlening zoals Basic Trust. De vader heeft regelmatig contact met de GI en Levvel en hij is goed bereikbaar voor school. Daarnaast blijkt uit de informatie van school dat [minderjarige] rustiger oogt sinds hij bij de vader verblijft. Ook wordt [minderjarige] door de vader op tijd naar school gebracht en hij heeft sindsdien geen afgesproken schooldag meer gemist. Hoewel [minderjarige] nog een aanzienlijke leerachterstand heeft en nadere hulpverlening noodzakelijk blijft, is er sprake van een stabiele en meer voorspelbare situatie voor hem bij de vader thuis.\n\n5.11. Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat ten tijde van de beslissing van de kinderrechter minder ingrijpende alternatieven beschikbaar waren voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] . Daarbij neemt het hof in aanmerking dat gedurende langere tijd verschillende vormen van hulpverlening zijn ingezet, maar de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] niet werden weggenomen. De zorgen over zijn emotionele belasting, schoolgang, loyaliteitsconflict en de opvoedsituatie bij de moeder bleven bestaan. Ook kwam, zoals hiervoor beschreven, de hulpverlening onvoldoende van de grond. Onder deze omstandigheden waren minder ingrijpende maatregelen uitgeput geraakt. De uithuisplaatsing vormde daarom een ultimum remedium en was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .\n\n5.12. Alles afwegende komt het hof tot de conclusie dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende de periode van 20 maart 2026 tot 20 juni 2026 noodzakelijk was in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Voldoende is komen vast te staan dat ten tijde van de bestreden beschikking geen, althans onvoldoende alternatieve – minder ingrijpende – maatregelen bestonden voor de uithuisplaatsing. Dit leidt tot de slotsom dat het hof het primaire en subsidiaire verzoek van de moeder afwijst en de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bekrachtigen.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02\n\n5.13. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het schorsingsverzoek ingetrokken. Nu het verzoek niet langer wordt gehandhaafd, zal het hof de moeder daarin niet-ontvankelijk verklaren.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nin de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01:\n\nbekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 30 maart 2026, voor zover daarin de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is gehandhaafd en verlengd tot 20 juni 2026;\n\nwijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02:\n\nverklaart de moeder niet-ontvankelijk in het schorsingsverzoek.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. L.M. Mons, mr. J.M. van Baardewijk en\n\nmr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1835","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.621Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":45,"courtId":59,"decisionDate":47,"fullText":60,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":53,"updatedAt":62},"1175","ECLI:NL:RBNNE:2026:2630","ecli-nl-rbnne-2026-2630",65,"RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Groningen\n\nZaaknummers: C\u002F18\u002F256236 \u002F JE RK 26-847 (vots en muhp)\n\n C\u002F18\u002F256347 \u002F FA RK 26-3093 (schorsing gezag)\n\nC\u002F18\u002F257460 \u002F FA RK 26-3759 (beëindiging gezag)\n\nBeschikking van 7 juli 2026 over de beëindiging van het gezag over\n\n [Naam minderjarige],\n\ndie is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2019 in de gemeente [geboorteplaats] ,\n\nen die hierna ' [de minderjarige] ' wordt genoemd,\n\nnaar aanleiding van de verzoeken van:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\nregio Noord Nederland, locatie Groningen,\n\ndie hierna 'de Raad' wordt genoemd.\n\nDe kinderrechter wijst als belanghebbenden aan:\n\n [Naam van de moeder],\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nen die hierna 'de moeder' wordt genoemd,\n\nadvocaat: mr. [naam van de advocaat] , die kantoor houdt in [plaatsnaam] ,\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,\n\ndie is gevestigd in Groningen,\n\nen die hierna 'de GI' wordt genoemd.\n\n1. Het (verdere) verloop van de procedure\n\nIn de zaken met zaaknummers C\u002F18\u002F256236 \u002F JE RK 26-847 en C\u002F18\u002F256347 \u002F FA RK 26-30931.1.. Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 13 mei 2026.\n\nIn de zaak met zaaknummer C\u002F18\u002F257460 \u002F FA RK 26-37591.2.. Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de Raad, dat de rechtbank heeft ontvangen op 5 juni 2026.\n\nIn alle zaken1.3.. Op 10 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaken gelijktijdig mondeling behandeld. Hij heeft toen gesproken met de moeder, haar advocaat, drs. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , die de Raad vertegenwoordigen, en [naam 4] en [naam 5] , die de GI vertegenwoordigen.\n\n1.4.. Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.\n\n1.5.. Omdat de wet bepaalt dat de “kinderrechter” het verzoek over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing behandelt en de “rechtbank” beslist over de verzoeken met betrekking tot het gezag, moet in deze beschikking onder “de kinderrechter” worden verstaan: de kinderrechter of de rechtbank, afhankelijk van het behandelde verzoek.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De kinderrechter kan bij de beoordeling van de verzoeken uitgaan van de volgende feiten die onweersproken blijken uit wat de Raad en de GI hebben gerapporteerd en wat in toelichting en reactie daarop is verteld tijdens de mondelinge behandeling van de zaken.\n\n2.2.. \n [De minderjarige] (7) is geboren uit de relatie van zijn ouders. De vader heeft hem erkend. De ouders hebben niet geregeld dat zij samen het ouderlijk gezag over hem uitoefenen: de moeder oefent daarom van rechtswege dat gezag alleen uit.\n\n2.3.. Tot voor kort woonde [de minderjarige] bij de moeder en zag hij de vader vrijwel alle weekenden, waarbij [de minderjarige] geregeld bij de vader logeerde. De moeder werkte niet en ontving een uitkering; de vader werkt in de wegenbouw en verblijft doordeweeks (maandag tot en met donderdag) in Duitsland, waarna hij op donderdag naar huis komt. De ouders hebben een zogeheten “latrelatie”.\n\n2.4.. De moeder had een intensieve vriendschapsrelatie met vriendin [voorletter 1] , die samen met haar dochter [voorletter 2] veelvuldig in de woning van de moeder verbleef.\n\n2.5.. Op 1 mei 2026 ontvangt de GI via het ouder-kind-huis waar vriendin [voorletter 1] op dat moment verblijft, onthullingen van vriendin [voorletter 1] over de aanleiding van [voorletter 2] haar ziekenhuisopname in februari 2026.\n\n2.6.. In het weekend van 2 en 3 mei 2026 vertelt vriendin [voorletter 1] in het ouder-kind-huis over ernstige strafbare kindermishandeling, door haar en de moeder gepleegd ten aanzien van [voorletter 2] Dat geeft aanleiding om een spoedrapportage op te stellen dat op 4 mei 2026 bij de Raad terechtkomt. Daarin wordt beschreven dat vriendin [voorletter 1] verklaart dat [voorletter 2] onder invloed van de moeder gedurende langere periode in de kelder van de woning van de moeder is opgesloten, met kabelbinders is vastgebonden aan een verwarmingsbuis, geen eten kreeg, werd geslagen en geschopt en alleen voor school uit de kelder mocht; deze handelingen zouden door de moeder zijn gefilmd.\n\n2.7.. Naar aanleiding van deze informatie wordt de kelder van de woning van de moeder door de Raad bekeken; het betreft een kleine, donkere kelder zonder raam, waar een volwassen persoon niet rechtop kan staan, met enkele opgeslagen spullen en een deken.\n\n2.8.. De moeder en vriendin [voorletter 1] zijn op 14 mei 2026 aangehouden en verblijven sindsdien in voorlopige hechtenis op verdenking van onder meer poging tot doodslag, vrijheidsberoving, zware mishandeling en het in hulpeloze toestand brengen en laten van [voorletter 2] De tenlastelegging ziet op de ernstige ondervoeding, het vastbinden in de kelder, het slaan en schoppen en andere mishandelingen.\n\n2.9.. Hoewel de moeder geen gezag heeft over [voorletter 2] , speelt de strafbare mishandeling zich volgens justitie hoofdzakelijk af in haar woning en heeft zij zich veelal bemoeid met de zorg en opvoeding van [voorletter 2] , zodat ook jegens haar een verantwoordelijkheid wordt aangenomen voor het leed dat door de moeder van [voorletter 2] aan [voorletter 2] is toegebracht.\n\n2.10.. Op 4 mei 2026 maakt de Raad op basis van de beschikbare informatie de inschatting dat [de minderjarige] getuige moet zijn geweest van de ernstige mishandelingen van [voorletter 2] en daardoor zelf ernstig in zijn ontwikkeling en veiligheid is en wordt bedreigd. De Raad gaat op grond van zijn onderzoeksbevindingen ervan uit dat [de minderjarige] langdurig en structureel is blootgesteld aan zeer ernstige kindermishandeling en verwaarlozing van [voorletter 2] in zijn directe woonomgeving, waarbij de ernstige mishandelingen van [voorletter 2] zich veelal in de woning van de moeder hebben afgespeeld.\n\n2.11.. De Raad heeft (nog) niet definitief vastgesteld of, en zo ja, op welke wijze en in welke mate [de minderjarige] zelf direct fysiek slachtoffer is geweest van mishandeling. De Raad constateert gelijktijdig dat de gevolgen van het getuige zijn van fysieke mishandeling van [voorletter 2] , voor de ontwikkeling van [de minderjarige] vergelijkbaar is met die van eigen fysieke mishandeling. [De minderjarige] wordt volgens de Raad daardoor ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd.\n\n2.12.. Gezien de ernst van de bedreiging acht de Raad direct ingrijpen noodzakelijk en hij verzoekt op 4 mei 2026 een voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [de minderjarige] .\n\n2.13.. De kinderrechter wijst deze verzoeken toe. [De minderjarige] wordt diezelfde dag geplaatst in een gezinshuis op een geheimgehouden adres.\n\n2.14.. Op basis van aanvullende informatie verzoekt de Raad vervolgens om schorsing van het gezag van de moeder en in samenhang daarmee een voorlopige voogdijmaatregel, met benoeming van de GI als voogd. Ook deze maatregelen worden door de kinderrechter uitgesproken.\n\n2.15.. Uit wat verder wordt gerapporteerd over [de minderjarige] voor zijn uithuisplaatsing, wordt duidelijk dat hij bekend was met lichamelijke problemen, waaronder darm‑ en plasproblemen; er was contact met een kinderarts en er werden darmspoelingen voorbereid.\n\n2.16.. Uit wat wordt gerapporteerd over [de minderjarige] na zijn uithuisplaatsing, wordt duidelijk dat [de minderjarige] in het gezinshuis goed eet, voor hem nieuw eten probeert en dat hij opvallend weinig voedsel kent. Ook valt op dat zijn eerdere darm‑ en plasproblemen in het gezinshuis niet meer worden waargenomen, waardoor de geplande darmspoelingen niet nodig zijn.\n\n2.17.. Bij [de minderjarige] wordt in het gezinshuis een seksuele preoccupatie gezien die niet passend is voor zijn leeftijd: hij pakt veelvuldig zijn geslachtsdeel vast aan tafel, spreekt over “neukende mensen” en bekijkt en ‘liked’ filmpjes op sociale media waarin mensen seks hebben.\n\n2.18.. \n [De minderjarige] vertelt wisselend en vaak warrig over belastende thuissituaties, zoals het smeren met ontlasting waarin [voorletter 2] zou moeten liggen, het bonken van [voorletter 2] haar hoofd op de grond, de aanwezigheid van drugs in de woning en spinnen en slangen in de kelder. [De minderjarige] geeft aan bang te zijn voor die kelder.\n\n2.19.. \n [De minderjarige] weigert een gesprek met de politie, kan niet goed uitleggen waarom en wil ook niet met de GI in gesprek of reageert met ontwijkende antwoorden; hij is alleen naar de gezinshuismoeder opener.\n\n2.20.. Na plaatsing in het gezinshuis had [de minderjarige] aanvankelijk frequent (beeld)belcontact met de moeder, deels via zijn eigen telefoon, waarbij hij zijn locatie aan haar doorstuurde. Naar aanleiding hiervan is zijn eigen telefoon ingenomen en is een AOL op het adres van het gezinshuis geplaatst.\n\n2.21.. In het contact tussen de moeder en [de minderjarige] wordt door het gezinshuis een dynamiek gezien die eerder op een gelijkwaardige partner‑interactie lijkt dan op een moeder‑kindinteractie die past bij de leeftijd van [de minderjarige] . Daarbij blijkt dat [de minderjarige] gezien zijn leeftijd veel weet van wat er speelt.\n\n2.22.. Sinds de aanhouding van de moeder op 14 mei 2026 is er geen contact tussen [de minderjarige] en zijn ouders; [de minderjarige] reageert op de uitleg dat de moeder “bij de politie is om haar kant van het verhaal te vertellen” relatief passief, stelt geen nadere vragen en heeft in de daaropvolgende weken niet gevraagd wanneer hij zijn ouders weer mag zien of spreken.\n\n2.23.. In de eerste week na de uithuisplaatsing vraagt [de minderjarige] wel of hij “voor altijd” in het gezinshuis mag blijven wonen.\n\n2.24.. In gesprekken met de Raad, de GI en tijdens de mondelinge behandeling erkent de moeder dat [voorletter 2] ernstig en structureel is mishandeld door vriendin [voorletter 1] in haar woning, maar ontkent zij daaraan zelf actief deel te hebben genomen. Zij stelt dat zij soms wel wat heeft gezegd, maar geen mogelijkheden zag om in te grijpen vanwege angst en bedreiging door vriendin [voorletter 1]\n\n2.25.. De moeder ontkent dat [de minderjarige] door haar is mishandeld en stelt dat hij niet is geslagen.\n\n2.26.. De moeder is thans gedetineerd; het strafrechtelijk onderzoek zal naar verwachting veel tijd in beslag nemen en er is geen zicht op beëindiging van haar detentie binnen een afzienbare termijn.\n\n2.27.. De Raad is op grond van deze feiten en omstandigheden tot de slotsom gekomen dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder wordt beëindigd en de GI tot voogd over hem wordt benoemd.\n\n3. De (verdere) beoordeling\n\n3.1.. Het gaat in de gevoegd behandelde zaken over de nu zeven jaar oude [de minderjarige] . Ten aanzien van [de minderjarige] zijn uiteenlopende kinderbeschermingsmaatregelen verzocht en genomen. Inmiddels is de Raad tot de slotsom gekomen dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder over hem wordt beëindigd en heeft de Raad een daarop gericht verzoek gedaan. De Raad heeft daarbij verzocht om de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen.\n\n3.2.. De kinderrechter zal beide verzoeken in deze beschikking toewijzen. Hij legt hierna uit waarom hij vindt dat de gezagsbeëindiging in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is en waarom op grond van de nu bekende feiten en omstandigheden hij vindt, net als de Raad, dat de GI (eerst) tot voogd over [de minderjarige] moet worden benoemd.\n\nWaarom vindt de Raad dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd?3.3.. De Raad acht het uitermate zorgwekkend dat de moeder een situatie van zeer ernstige en langdurige onveiligheid in haar woning heeft laten voortbestaan, zonder de mishandelingen te stoppen of tijdig adequate hulp in te schakelen, terwijl zij als primaire opvoeder van [de minderjarige] een fundamentele verantwoordelijkheid had voor een veilige opvoedomgeving.\n\n3.4.. De Raad stelt vast dat [de minderjarige] hierdoor gedurende langere tijd is blootgesteld aan extreem geweld en een chronisch onveilige opvoedomgeving, met ingrijpende gevolgen voor zijn fysieke, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling, ook op de langere termijn.\n\n3.5.. De Raad ziet geen reëel perspectief dat de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn alsnog in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding op een veilige en adequate wijze te dragen, mede gezien de ernst van de verdenkingen tegen haar, de te verwachten duur van het strafproces, haar detentie en het ontbreken van voldoende probleembesef en beschermend handelen.\n\n3.6.. Om [de minderjarige] duidelijkheid te bieden over zijn woon‑ en opvoedperspectief en zijn veiligheid duurzaam te waarborgen, acht de Raad het noodzakelijk dat dit perspectief niet langer bij de moeder wordt gezocht, maar bij een neutrale derde.\n\n3.7.. De Raad verzoekt daarom de kinderrechter het gezag van de moeder over [de minderjarige] te beëindigen.\n\nWaarom wil de Raad dat de GI de voogd over [de minderjarige] wordt?3.8.. Ten aanzien van de vader acht de Raad het op dit moment, gelet op de ernst en complexiteit van de situatie en de nog bestaande zorgen over zijn veiligheidsinschatting, te vroeg om hem met het gezag te belasten. De Raad meent dat binnen de voogdijmaatregel moet worden onderzocht welke rol de vader op langere termijn in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] kan vervullen.\n\n3.9.. De Raad acht in dit verband bovendien het vrijwillige hulpverleningskader gezien de ernst van de zorgen en de ontkennende\u002Fbagatelliserende houding van de ouders volstrekt ontoereikend om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen.\n\n3.10.. De Raad verzoekt de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen, zodat een onafhankelijke professionele instantie zijn belangen kan behartigen, de regie kan voeren over contacten en passende hulpverlening kan inzetten.\n\nWaar vindt de Raad dat [de minderjarige] moet wonen?3.11.. Zowel de moeder als de vader geven aan dat zij kunnen instemmen met onderzoek naar plaatsing bij opa en oma vaderszijde, met [de minderjarige] in de weekenden bij de vader. De Raad acht het echter aangewezen dat de GI binnen het kader van de voogdijmaatregel onderzoekt wat het duurzame woonperspectief van [de minderjarige] is: bij zijn vader, bij zijn grootouders of elders, en welke rol de ouders nog kunnen spelen in het leven van [de minderjarige] , steeds beoordeeld vanuit het belang van [de minderjarige] .\n\nWat vindt de moeder van het verzoek?3.12.. De moeder heeft verteld, samengevat weergegeven, dat zij [de minderjarige] mist en dat zij bij de vorige mondelinge behandeling op advies van haar strafrechtadvocaat nauwelijks heeft kunnen verklaren, maar nu haar verhaal wil doen.\n\n3.13.. De moeder erkent vervolgens een aandeel in de gebeurtenissen, maar betwist dat zij [de minderjarige] zelf heeft mishandeld en ontkent ook dat hij in de kelder heeft gezeten. De moeder ervaart dat zij net als beide kinderen, zelf slachtoffer is van het geweld van vriendin [voorletter 1] , die haar sloeg, haar hand brak en tegen wie [de minderjarige] vaak moest ingrijpen.\n\n3.14.. Volgens de moeder zijn haar herhaalde zorgen over [voorletter 2] niet serieus genomen, heeft zij achteraf grote spijt dat zij [voorletter 2] niet zelf uit de situatie heeft gehaald, en werden de door haar geuite zorgen door vriendin [voorletter 1] gebagatelliseerd en door de omgeving “door de vingers gezien”.\n\n3.15.. Zij voert verder verschillende signalen aan waarin [voorletter 2] uitspraken deed over seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader van [voorletter 2] De moeder verwijst naar derden die zij ook bij naam noemt, die hierover iets zouden hebben gehoord of (bij haar) gemeld, waarmee zij de stelling van vriendin [voorletter 1] weerspreekt dat alle verhalen over seksueel misbruik zouden zijn gelogen. De moeder beschrijft ook een ernstig incident waarbij vriendin [voorletter 1] een groot mes aan [voorletter 2] gaf en haar aanspoorde haar te steken, waarna [de minderjarige] het mes afpakte, en zij schetst vriendin [voorletter 1] als iemand die plots agressief kan worden en ook fysiek geweld tegen [voorletter 2] gebruikt wanneer [voorletter 2] bijvoorbeeld verwijst naar de vader van [voorletter 2]\n\n3.16.. In haar voorstelling speelt zich rond 2024 een complex relatieverloop af tussen vriendin [voorletter 1] en de vader van [voorletter 2] en anderen, waarbij de vader van [voorletter 2] volgens haar rond augustus 2024 definitief bij vriendin [voorletter 1] is vertrokken en vriendin [voorletter 1] daarna met [voorletter 2] bij haar kwam, wat gepaard ging met geweld tegen [voorletter 2]\n\n3.17.. Ten aanzien van [de minderjarige] benadrukt de moeder dat zij hem niet heeft mishandeld en dat zijn ontlastingsproblemen al langer bestaan en samenhangen met angst sinds het overlijden van zijn opa in februari 2024. De moeder herkent het geschetste beeld van een seksuele preoccupatie en online zoekgedrag van [de minderjarige] niet, mede omdat hij thuis geen vrije toegang tot zijn telefoon had.\n\n3.18.. De moeder stelt dat zij momenteel geen contact met haar partner heeft, licht toe dat zij samen hebben afgezien van het formaliseren van zijn gezag om praktische redenen, dat zij begrijpt dat zij vanuit detentie geen gezag kan uitoefenen, maar vindt dat de vader dat wel zou kunnen. De moeder geeft tot slot aan opgelucht te zijn dat zij nu meer heeft kunnen vertellen dan bij de vorige mondelinge behandeling.\n\nWat vindt de vader van het verzoek?3.19.. De vader oefent geen gezag uit over [de minderjarige] . De verzochte maatregel die nu wordt genomen betreft uitsluitend de beëindiging van het gezag van de moeder en grijpt rechtstreeks en uitsluitend in in de rechtsbetrekking tussen de moeder en [de minderjarige] . De rechtspositie van de vader wordt hierdoor niet rechtstreeks geraakt. Zijn eventueel nog te realiseren wens om zelf met het gezag over [de minderjarige] te worden belast, kan hij desgewenst in een afzonderlijke procedure aan de orde stellen.\n\n3.20.. De kinderrechter acht de vader daarom in deze gezagsbeëindigingsprocedure niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 798, lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kinderrechter heeft wel kennisgenomen van het standpunt van de vader zoals dat kenbaar is uit het onderzoeksrapport van de Raad en de daarop door hemzelf gegeven reactie, die in het onderzoeksrapport integraal is opgenomen. Die reactie vertaalt zich echter niet in een relevant argument dat in de beoordeling kan worden betrokken, behoudens voor zover de vader opmerkt dat hij doordeweeks in Duitsland werkt en daardoor in de huidige situatie beperkt beschikbaar is voor de dagelijkse verzorging en dat hij daarom ook een optie ziet waarin zijn ouders als pleegouders fungeren, met [de minderjarige] in de weekenden bij hem.\n\nWat beslist de kinderrechter?3.21.. De kinderrechter stelt op grond van de hiervoor onder de kop “De feiten” weergegeven feiten en omstandigheden vast dat bij [de minderjarige] sprake is van een zeer ernstige en langdurige ontwikkelingsbedreiging. [de minderjarige] is gedurende langere tijd blootgesteld aan extreem geweld, ernstige mishandeling en verwaarlozing van [voorletter 2] , die zich grotendeels in de woning van de moeder hebben afgespeeld. [De minderjarige] is daarvan herhaaldelijk oor‑ en ooggetuige geweest en daardoor slachtoffer geworden van zeer ernstige emotionele kindermishandeling in een chronisch onveilige en traumatiserende opvoedomgeving.\n\n3.22.. De kinderrechter acht het bijzonder zorgwekkend dat de moeder, ondanks haar positie als primaire opvoeder en beschermer van [de minderjarige] , deze situatie van dermate ernstige onveiligheid gedurende langere tijd heeft laten ontstaan en\u002Fof voortbestaan zonder de mishandelingen te stoppen of tijdig adequate hulp in te schakelen, terwijl zij een fundamentele verantwoordelijkheid had voor een veilige opvoedomgeving van [de minderjarige] .\n\n3.23.. Daarbij betrekt de kinderrechter dat de moeder thans gedetineerd is wegens verdenking van het medeplegen van zeer ernstige, stelselmatige kindermishandeling en verwaarlozing en dat het strafrechtelijk onderzoek naar verwachting nog geruime tijd zal voortduren.\n\n3.24.. Daarbij betrekt de kinderrechter ook dat er geen zicht is op het ontstaan van (voldoende) probleembesef en - inzicht, en daarom op verandering en beschermend handelen bij de moeder binnen een voor [de minderjarige] en zijn ontwikkeling aanvaardbare termijn.\n\n3.25.. Gelet op de ernst en duur van de ontwikkelingsbedreiging, het ontbreken van perspectief op herstel van voldoende opvoedingscapaciteit bij de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn, en de noodzaak om [de minderjarige] onmiddellijk duidelijkheid en stabiliteit te bieden ten aanzien van zijn woon‑ en opvoedperspectief, is de kinderrechter van oordeel dat beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] in zijn belang noodzakelijk is, zoals bedoeld is in artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n3.26.. De kinderrechter oordeelt verder dat het gezag over [de minderjarige] (vooralsnog) moet worden belegd bij een neutrale derde, te weten de GI.\n\n3.27.. De kinderrechter ziet geen aanleiding om in het kader van deze procedure te (laten) onderzoeken of de vader gezag over [de minderjarige] kan uitoefenen. Met de Raad heeft de kinderrechter zorgen over de mate waarin de vader in staat is de volledige impact van de situatie op [de minderjarige] onder ogen te zien, eerdere signalen te herkennen en een adequate veiligheidsinschatting te maken, mede gezien zijn (aanvankelijke) nadruk op de belangen van de moeder.\n\n3.28.. De kinderrechter vindt dat de noodzaak tot beëindiging van het gezag en benoeming van de GI als voogd mede wordt bepaald door de ontkennende\u002Fbagatelliserende houding van de ouders, die volstrekt ontoereikend is om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen. Uitgaande van de onderzoeksbevindingen van de Raad en wat tijdens de mondelinge behandeling daarover is gebleken, dringt zich het beeld op dat beide ouders denken en redeneren vanuit hun eigen of elkaars belangen, verlangens en wensen, en (nog) niet tot het inzicht en besef zijn gekomen dat onder hun verantwoordelijkheid [de minderjarige] gedurende langere tijd is blootgesteld aan extreem geweld en een chronisch onveilige opvoedomgeving, met grote impact op zijn fysieke, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling.\n\n3.29.. Gelet op de aard en ernst van de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] , de veelheid aan lopende en te verwachten strafrechtelijke en civiele trajecten rondom de moeder, de noodzaak van gespecialiseerde hulpverlening en de ingewikkelde vragen over zijn woon‑ en contactperspectief met de ouders, acht de kinderrechter het aangewezen dat de voogdij niet wordt belegd bij een persoon uit het netwerk, maar bij een professionele instantie. De GI beschikt over de noodzakelijke deskundigheid en onafhankelijkheid om als neutrale derde de regie te voeren over de zorg, behandeling, schoolgang en contactregeling. De GI is ook in staat de veiligheid van [de minderjarige] structureel te bewaken en in de verschillende procedures consistent zijn belangen te behartigen. Daarom zal de kinderrechter de GI tot voogd over [de minderjarige] benoemen.\n\n3.30.. De beëindiging van het gezag en de benoeming van de GI tot voogd over [de minderjarige] brengen met zich dat geen belang meer bestaat bij een behandeling van en beslissing op de overige verzoeken die ten aanzien van [de minderjarige] zijn gedaan.\n\nWaarom wordt deze beschikking gepubliceerd?3.31.. Deze zaak valt onder meerdere categorieën die volgens het door de Rechtspraak gehanteerde “Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2024” aanleiding geven tot publicatie.\n\n3.32.. Het gaat om een zaak waarin (een vorm van) kindermishandeling en andere ernstige feiten aan de orde zijn. Volgens de selectiecriteria komen uitspraken over ernstige strafbare feiten en zaken met groot maatschappelijk belang in aanmerking voor publicatie. Daarnaast is sprake van aanzienlijke mediabelangstelling. In het besluit en in het daarop gebaseerde beleid is opgenomen dat mediabelangstelling een zelfstandige grond vormt om een uitspraak te publiceren. In de praktijk worden uitspraken in zaken met duidelijke mediabelangstelling vaak op of kort na de dag van de uitspraak gepubliceerd. Dit verklaart waarom de eerder gegeven beschikking op de dag van de uitspraak is gepubliceerd en ook deze beschikking op de dag van de uitspraak zal worden gepubliceerd. Ten derde betreft het een maatschappelijk relevante kwestie, hetgeen eveneens als expliciet criterium in het besluit wordt genoemd.\n\n3.33.. Het besluit bevat geen bepaling die expliciet voorziet in het achterwege laten van publicatie op grond van wensen of belangen van procesdeelnemers, het Openbaar Ministerie of andere “ketenpartners”. De in het besluit genoemde criteria zijn gericht op de inhoud en betekenis van de uitspraak en niet op (institutionele) belangen van bij de zaak betrokken partijen of instanties.\n\n3.34.. De criteria die tot publicatie van uitspraken leiden, zijn in overwegende mate objectief geformuleerd en hebben betrekking op factoren als juridische relevantie, maatschappelijk belang en (eventuele) mediabelangstelling. Dit sluit aan bij de openbaarheidsfunctie van de rechtspraak: het publiekelijk toegankelijk maken van uitspraken die richtinggevend zijn, de rechtsontwikkeling verduidelijken of anderszins van belang zijn voor de samenleving.\n\n3.35.. De openbaarheid van rechtspraak is een fundamenteel beginsel van de rechtsstaat, dat zijn basis vindt in onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en in nationale rechtspraak en regelgeving. Op de website van de Rechtspraak wordt vermeld dat de selectiecriteria voor publicatie zijn gebaseerd op Aanbeveling R (95) 11 van de Raad van Europa over “de selectie, verwerking, presentatie en archivering van rechterlijke uitspraken in zoeksystemen voor juridische informatie”. Deze aanbeveling benadrukt dat selectie en publicatie primair moeten worden gestuurd door juridische en maatschappelijke relevantie, niet door de belangen van uitvoerende instanties of andere actoren buiten de rechterlijke macht.\n\n3.36.. De kinderrechter neemt gelet op alles wat is overwogen de volgende beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n4.1.. beëindigt het gezag van de moeder over [de minderjarige] ;\n\n4.2.. benoemt de GI tot voogd over [de minderjarige] ;\n\n4.3.. gelast de administratie van deze rechtbank om die beslissingen over het gezag in te schrijven in het gezagsregister;\n\n4.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5.. wijst af wat meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. R.C. Bernard, griffier.\n\nAls u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.\n\n“AOL” staat voor Afspraak Op Locatie: een veiligheidsstatus waarbij op een specifiek adres extra maatregelen gelden en de politie bij een melding direct en zonder extra verificatie kan worden ingeschakeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2630","2026-07-13T00:29:08.124Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":52,"fullText":67,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":69},"913","ECLI:NL:RBDHA:2026:18537","ecli-nl-rbdha-2026-18537","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.4117\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. B.D. Lit),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).\n\nInleiding\n\n1.1.. Met een tussenuitspraak van 10 december 2025 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om het gebrek in het bestreden besluit met betrekking tot de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRMte herstellen.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze einduitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, gelet op de gebreken die zijn geconstateerd in de tussenuitspraak. De rechtbank laat de rechtsgevolgen echter in stand, omdat verweerder de belangenafweging terecht in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) dus terecht afgewezen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.\n\n2.2.. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, vastgesteld dat verweerder de belangenafweging niet zorgvuldig heeft gemaakt en daarmee het bestreden besluit van 11 januari 2024 onvoldoende heeft gemotiveerd.\n\n2.3.. Verweerder heeft op 20 januari 2026 een aanvullend besluit genomen op het bestreden besluit van 11 januari 2024. Verweerder heeft in dit besluit een nieuwe belangenafweging gemaakt, met inachtneming van de tussenuitspraak.\n\n2.4.. Eiseres heeft op 16 februari 2026 schriftelijk een zienswijze ingediend over de wijze waarop het gebrek is hersteld.\n\n2.5.. De rechtbank heeft partijen op 9 april 2026 laten weten een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over het jongvolwassenenbeleid af te wachten. De Afdeling heeft op 27 mei 2026 drie uitspraken gedaan over dit onderwerp.De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op deze uitspraken. Eiseres heeft op 24 juni 2026 gereageerd. Verweerder heeft niet gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3.1.. De rechtbank beoordeelt of verweerder de belangenafweging terecht in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen.\n\n3.2.. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid (vol) toetsen.De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de rechtbank het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen.\n\n3.3.. Eiseres voert aan dat verweerder met het aanvullende besluit van 20 januari 2026 nog steeds niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank. Eiseres voert daartoe het volgende aan.\n\nEerste toelating\n\n4.1.. Eiseres wijst allereerst op overweging 3.4 van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder de factor dat eiseres nooit eerder rechtmatig verblijf heeft gehad wel mag meenemen in de belangenafweging, maar dat deze factor niet in het nadeel van eiseres mag wegen. Volgens eiseres heeft verweerder in het aanvullende besluit echter wel in haar nadeel gewogen dat zij nooit in Nederland heeft gewoond. Verweerder heeft namelijk meegenomen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal is, dat zij daar bezig is met haar studie en dat nergens uit blijkt dat het voor de uitoefening van het gezinsleven noodzakelijk is dat zij hier in Nederland onder één dak woont, of dat er een specifieke afhankelijkheid is waarom eiseres niet zonder haar ouders kan. Verweerder heeft ook meegenomen dat eiseres geen banden heeft met Nederland, omdat zij daar nooit heeft gewoond.\n\n4.2.. De rechtbank volgt hierin eiseres niet. In overweging 3.4ging het er om dat de omstandigheid dat sprake is van een eerste toelating niet als factor op zichzelf in het nadeel van een betrokkene mag meewegen in de belangenafweging. Dat heeft verweerder niet gedaan. Verweerder heeft die omstandigheid neutraal meegewogen, zo heeft verweerder dat gesteld op pagina 3 van het aanvullende besluit:\n\n‘U hebt nog nooit een verblijfsvergunning in Nederland gehad. Het gaat in dit geval om een eerste toelating. Rekening houdend met rechtsoverweging 3.4 van de tussenuitspraak weeg ik in deze belangenafweging neutraal mee dat het gaat om een eerste toelating.’\n\nVerweerder heeft verder de omstandigheid dat eiseres nooit in Nederland heeft gewoond alleen meegenomen om te bepalen hoeveel gewicht er toekomt aan andere belangen. De rechtbank kan deze beoordeling van verweerder volgen.\n\nOmstandigheden van het jongvolwassenenbeleid\n\n5.1.. Eiseres wijst verder op overweging 3.5 van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de omstandigheid dat eiseres valt onder het jongvolwassenenbeleid is betrokken in de belangenafweging. Volgens eiseres heeft verweerder nog steeds nagelaten om in positieve zin mee te wegen dat het zijn van een jongvolwassene inhoudt dat er nog altijd een sterke afhankelijkheid bestaat ten opzichte van de ouders.\n\n5.2.. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft in het aanvullende besluit voorop gesteld dat eiseres als jongvolwassene wordt gezien. Verweerder heeft verder de omstandigheden op grond waarvan verweerder tot de conclusie is gekomen dat eiseres valt onder het jongvolwassenenbeleid expliciet genoemd, namelijk dat eiseres ten tijde van de aanvraag nog bij haar ouders woonde, dat zij na vertrek van haar vader naar Nederland bij haar moeder en broertje heeft gewoond en dat zij geen eigen inkomen had en geen zelfstandig gezin heeft gevormd. Uit het aanvullende besluit volgt ook dat verweerder in het voordeel van eiseres heeft gewogen dat sprake is van familieleven. Verweerder heeft echter beoordeeld hoe sterk het familieleven is, en in dat kader heeft verweerder overwogen dat aan het familieleven tussen een jongvolwassene en diens ouders minder gewicht toekomt dan aan het familieleven van een kerngezinslid en diens ouders. Verweerder heeft in dat kader ook overwogen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal woont en bezig is met haar studie, en dat het de verwachting bij een jongvolwassene is dat deze op korte termijn zelfstandig zal worden.\n\n5.3.. De rechtbank is van oordeel dat uit het aanvullende besluit blijkt dat verweerder de omstandigheden die tot de toepassing van het jongvolwassenenbeleid hebben geleid, expliciet en voldoende heeft betrokken in de belangenafweging. Verweerder heeft deze omstandigheden echter ook meegenomen bij de weging van hoe sterk het familielieven is, en in dat kader heeft verweerder een ander gewicht toegekend aan die omstandigheden dan eiseres zou wensen. Dat maakt echter nog niet dat de belangenafweging niet kan worden gevolgd.\n\n5.4.. Dat verweerder in de belangenafweging dezelfde feiten en omstandigheden moet betrekken (en dat in dit geval dus ook heeft gedaan) als in de beoordeling of familieleven bestaat, staat namelijk los van de vraag welk gewicht hij aan de belangen moet toekennen. De context en inhoudelijke beoordeling verschillen immers.Weliswaar impliceert de toepasselijkheid van het jongvolwassenenbeleid dat de jongvolwassene in enige mate afhankelijk is van zijn ouders, maar dat betekent niet dat aan die afhankelijkheid in de belangenafweging zonder meer een zodanig zwaar gewicht moet worden toegekend, dat alleen al daarom de belangenafweging in het voordeel van betrokkenen zou moeten uitvallen.Er is sprake van twee beoordelingskaders waarbij de weging van de feiten kan verschillen. Dit brengt met zich dat verweerder in de belangenafweging ook rekening mag houden met bijvoorbeeld de tijd die is verstreken sinds betrokkenen niet meer met elkaar in gezinsverband samenleven en met de mate waarin de jongvolwassen vreemdeling ten tijde van het bestreden besluit zelfstandig functioneert.De rechtbank volgt eiseres dus niet in haar standpunt dat verweerder de omstandigheden van het jongvolwassenenbeleid in positieve zin had moeten meewegen.\n\nOmstandigheden ten tijde van de aanvraag\n\n6.1.. Eiseres wijst op overweging 3.6 van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de belangenafweging moet worden gemaakt op basis van de omstandigheden ten tijde van de aanvraag. Volgens eiseres wijdt verweerder echter een te groot deel van het aanvullende besluit aan feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden ver na het moment van de aanvraag. Zo heeft verweerder meegenomen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal woont en bezig is met haar studie. Volgens eiseres heeft verweerder verder nagelaten inzichtelijk mee te nemen dat eiseres ten tijde van de aanvraag net achttien jaar oud was.\n\n6.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft in het aanvullende besluit vooropgesteld dat de belangenafweging is gemaakt op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de aanvraag. Verweerder heeft daarbij genoemd dat eiseres ten tijde van de aanvraag achttien jaar oud was en dat zij als jongvolwassene wordt gezien. De rechtbank is van oordeel dat hieruit duidelijk blijkt dat verweerder is uitgegaan van de omstandigheden ten tijde van de aanvraag en dat eiseres net achttien jaar oud was. Verweerder heeft echter, voor de weging van het familieleven, meegenomen dat eiseres op dit moment studeert en dat zij al enige tijd zonder haar ouders in Nepal woont. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit mogen doen. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt namelijk dat verweerder in de belangenafweging rekening mag houden met de tijd die is verstreken sinds betrokkenen niet meer met elkaar in gezinsverband samenleven en met de mate waarin de jongvolwassen vreemdeling of referent inmiddels zelfstandig functioneert. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar standpunt dat verweerder een te groot deel van het aanvullende besluit heeft gewijd aan feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden ver na het moment van de aanvraag.\n\nRestrictief toelatingsbeleid\n\n7.1.. Eiseres wijst op de volgende overweging van verweerder uit het aanvullende besluit: ‘Mijn conclusie is dat, alles samengenomen, uw belang om familieleven uit te oefenen in Nederland niet opweegt tegen het algemeen belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.’\n\nVolgens eiseres miskent verweerder hiermee dat het voeren van een restrictief toelatingsbeleid geen op zichzelf staand belang is, maar een middel om een ander belang te bevorderen, zoals het economisch belang.\n\n7.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt dat het belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid onderdeel is van het algemeen belang van de Nederlandse samenleving, in de zin van het economisch welzijn in bredere zin, en dat dit op meer ziet dan alleen het belang van de Nederlandse economie in de vorm van uitkeringen vanuit de openbare kas. In de overweging van verweerder die eiseres heeft geciteerd, heeft verweerder wel alleen het restrictief toelatingsbeleid genoemd als algemeen belang. Uit het aanvullende besluit blijkt echter verder dat verweerder ook andere belangen van de Nederlandse overheid heeft genoemd, namelijk het beschermen van het economisch welzijn, de openbare orde, de rechten en vrijheden van anderen en de volksgezondheid van het land. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit worden opgemaakt dat verweerder niet is uitgegaan van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid als een op zichzelf staand belang. Dat verweerder alleen het restrictief toelatingsbeleid heeft genoemd in de overweging die eiseres heeft geciteerd, maakt dit niet anders.\n\nEconomisch belang\n\n8.1.. Eiseres voert aan dat het aanvullende besluit niet voldoet aan het door de Afdeling geformuleerde toetsingskader in de uitspraken van 27 mei 2026. Verweerder heeft ten onrechte een categorische weging van het economisch belang gedaan en volstaat met algemene, abstracte verwijzingen naar het restrictieve toelatingsbeleid. Verweerder heeft niet kenbaar inzichtelijk gemaakt waarom het economisch belang in dit concrete geval prevaleert boven het gestelde gezinsleven. Verweerder had in dit geval het economisch belang minder zwaar moeten wegen, omdat referent al meer dan vier jaar onafgebroken in Nederland werkzaam is als kok en in het onderhoud van eiseres kan voorzien.\n\n8.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het aanvullende besluit volgt dat verweerder aan eiseres haar beroep op de openbare kas en de oververhitte woningmarkt niet meer heeft tegengeworpen. Verweerder heeft wat dat betreft dus voldaan aan de opdracht van de rechtbank in de tussenuitspraak in overweging 3.9. Verweerder heeft verder in de weging van het economisch belang meegenomen dat referent de kosten kan dragen en dat eiseres bij referent kan wonen. Verweerder heeft dit in het voordeel van eiseres gewogen. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat verweerder een categorische weging van het economisch belang heeft gedaan. Verweerder heeft de individuele omstandigheden van eiseres betrokken in de weging en heeft deze in haar voordeel gewogen. Verweerder heeft aan die omstandigheden echter niet doorslaggevend gewicht toegekend, zoals eiseres wel zou wensen. Maar dat maakt niet dat de belangenafweging niet kan worden gevolgd.\n\n8.3.. Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte als negatieve factor de onzekere toekomstige gebeurtenis heeft betrokken dat eiseres als jongvolwassene op korte termijn zelfstandig zou worden. Verweerder heeft nagelaten te waarderen hoe concreet de verwachte zelfstandigheid in het individuele geval van eiseres is. Volgens eiseres had verweerder dit wel moeten doen, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 27 mei 2026.\n\n8.4.. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 27 mei 2026 in het kader van de weging van het economisch belang geoordeeld hoe verweerder om moet gaan met een beroep van een vreemdeling op te verwachten toekomstige ontwikkelingen. Volgens de Afdeling mag verweerder, wanneer een vreemdeling een beroep doet op te verwachten toekomstige ontwikkelingen waarmee hij aan het economisch welzijn van Nederland zal kunnen bijdragen, dat niet alleen afdoen met de overweging dat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Verweerder zal deze omstandigheid in zijn beoordeling moeten betrekken en afhankelijk van het antwoord op de vraag hoe concreet de omstandigheid in het individuele geval is, meer of minder gewicht aan deze omstandigheid mogen toekennen. In het geval van eiseres heeft verweerder de verwachting dat zij op korte termijn zelfstandig zal worden meegenomen in de weging van hoe sterk het familieleven is. In de weging van het economisch belang heeft verweerder niet in het nadeel van eiseres meegenomen dat zij op korte termijn zelfstandig zou worden, maar heeft verweerder juist in haar voordeel betrokken dat referent voor haar de kosten kan dragen en dat zij bij referent kan wonen. De rechtbank kan deze weging volgen, zoals al is geoordeeld in overweging 8.2. Verweerder heeft verder in de weging van hoe sterk het familieleven is wel meegenomen dat eiseres op korte termijn zelfstandig zou worden, maar daar heeft verweerder wel gewaardeerd hoe concreet deze verwachte zelfstandigheid in het individuele geval van eiseres is. Verweerder heeft hier namelijk meegenomen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal is en dat zij bezig is met haar studie. De rechtbank kan deze beoordeling van verweerder volgen.\n\nBanden broertje met Nederland\n\n9.1.. Eiseres voert aan dat verweerder in het aanvullende besluit voor het eerst stelt dat haar broertje nog niet veel banden heeft met Nederland en zich nog goed kan aanpassen. Volgens eiseres is dit standpunt gebaseerd op eigen aannames van verweerder en eiseres betwist dit.\n\n9.2.. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder in het aanvullende besluit heeft gesteld dat eiseres niet heeft betwist dat haar broertje ook nog niet zo veel banden heeft met Nederland en dat hij zich goed kan aanpassen aan een nieuwe situatie in Nepal. Verweerder heeft daarom gesteld niet anders te kunnen concluderen dan dat het gezinsleven ook in Nepal kan worden uitgeoefend. Verweerder heeft dit meegenomen bij de weging hoe sterk de banden van het gezin met Nederland is. De rechtbank kan begrijpen dat verweerder dat in dat kader heeft meegenomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10.1.. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met zijn aanvullende besluit het gebrek voldoende hersteld. Verweerder heeft alle feiten en omstandigheden betrokken in de belangenafweging en heeft de belangen op navolgbare wijze in de belangenafweging betrokken. De gemaakte belangenafweging is in zijn algemeenheid een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres om een mvv terecht heeft afgewezen.\n\n10.2.. \n\nOmdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de reactie op het aanvullende besluit en 0,5 punt voor de reactie na de uitspraken van de Afdeling van\n\n27 mei 2026, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:3046, ECLI:NL:RVS:2026:3048 en ECLI:NL:RVS:2026:3049.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:340.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 – 6.2.\n\n En zo blijkt dit ook uit WI 2020\u002F16, waarnaar de rechtbank in overweging 3.4 heeft verwezen.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, r.o. 3.3.\n\n Dit heeft de Afdeling zeer recent nog bevestigd in de uitspraken van 27 mei 2026.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, r.o. 3.4.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449. Dit heeft de Afdeling ook recentelijk bevestigd in haar uitspraken van 27 mei 2026.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:876, r.o. 2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18537","2026-07-13T00:28:54.273Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":74,"fullText":75,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":53,"updatedAt":78},"665","ECLI:NL:RBAMS:2026:6627","ecli-nl-rbams-2026-6627","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F768717 \u002F FA RK 25-3298\n\nDatum uitspraak: 3 juli 2026\n\nBeschikking echtscheiding\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. S. Toughza uit Amsterdam,\n\nen\n\n [de man],\n\nhierna te noemen de man,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. J. Werner uit Amsterdam.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie [locatie 1] , hierna te noemen: de Raad.\n\nAls belanghebbende is aangemerkt:\n\nJeugdbescherming Regio Amsterdam,\n\ngevestigd te [locatie 2] ,\n\nhierna te noemen: JBRA.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op 6 mei 2025;\n\nhet verweerschrift van de man, met daarin een zelfstandig verzoek, ontvangen op 18 september 2025;\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 13 oktober 2025 met daaraan gehecht een brief van de Raad waaruit blijkt dat de Raad naar aanleiding van door Veilig Thuis gemelde zorgen een beschermingsonderzoek zal doen naar [minderjarige] ;\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 29 mei 2026 met de mededeling dat een audio-opname via Zivver wordt nagestuurd;\n\neen brief van de man van 2 juni 2026 waarin zijn advocaat reageert op het door de vrouw ingediende audiobestand en het zelfstandige tegenverzoek wordt gewijzigd;\n\nhet F-9 formulier van de vrouw van 4 juni 2026 waarin zij de rechtbank verzoekt dat de gezinsvoogd graag een uitnodiging krijgt voor de mondelinge behandeling en\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 4 juni 2026 met daaraan gehecht een productie.\n\n1.2.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nPartijen en hun advocaten, mevrouw [persoon 1] van de Raad en mevrouw [persoon 2] , gezinsvoogd werkzaam voor JBRA en een collega.\n\nPartijen hebben over en weer het woord gevoerd. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is beschikking bepaald op heden.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op 21 oktober 2022 in [plaats 1] , België.\n\n2.2.. De vrouw heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit en de man heeft de Algerijnse nationaliteit.\n\n2.3.. Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [plaats 2] .\n\n2.4.. De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij brief van 16 september 2025 de vrouw bericht dat na aanleiding van een melding van Veilig Thuis [locatie 3] een beschermingsonderzoek zal worden verricht naar de situatie van [minderjarige] .\n\n2.5.. Op 2 februari 2026 heeft deze rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van JBRA met ingang van 2 februari 2026 tot 2 november 2026.\n\n3. De beoordeling\n\nDe bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is\n\n3.1.. De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken en Nederlands recht is van toepassing.\n\nEchtscheiding\n\n3.2.. \n\nOp grond van artikel 815 lid 2 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van het minderjarige kind van partijen. In dit geval ontbreekt een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan. Er is voldoende onderbouwd waarom partijen geen ouderschapsplan hebben overgelegd. De rechtbank zal derhalve onder toepassing van artikel 815 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het verzoek tot echtscheiding inhoudelijk behandelen. De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals door beide partijen is verzocht, omdat zij vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.\n\nHoofdverblijfplaats\n\n3.3.. Beide partijen verzoeken de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hen te bepalen.\n\n3.4.. De vrouw stelt dat zij altijd hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest.\n\n3.5.. De man stelt dat beide partijen gezamenlijk de zorg over [minderjarige] hebben gedragen, er was nooit één hoofdverzorger. De man betwijfelt of de vrouw wel geschikt is om (alleen) voor de zoon te zorgen. De vrouw blowt veel en er komen bij haar thuis voortdurend mensen over de vloer waarbij er ook wel sprake is van drugsgebruik, de man wil daarover verder niet in detail treden. Dit zorgt voor een onvoldoende stabiele en veilige thuissituatie. De man denkt dat het meest in het belang van [minderjarige] is als hij het hoofdverblijf bij de man zal krijgen, echter op dit moment kan er geen sprake zijn van het bepalen van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem; de verhuurder staat niet toe dat [minderjarige] langer dan twee nachten elkaar bij de man verblijven. De man hoopt binnenkort een geschikte woning te krijgen waar [minderjarige] langer bij de man kan verblijven.\n\n3.6.. De rechtbank begrijpt het standpunt van de man aldus dat hij zijn verzoek op dit moment in feite niet langer handhaaft en dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek van de vrouw. Omdat [minderjarige] zijn feitelijke hoofdverblijf bij de vrouw heeft en de rechtbank het in zijn belang acht dat deze situatie ook juridisch wordt vastgelegd en de man daartegen niet langer verweer voert, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw toe. De Raad heeft het verzoek van de vrouw gesteund omdat [minderjarige] bij de vrouw woont.\n\nZorgregeling\n\n3.7.. Beide partijen hebben verzocht een zorgregeling vast te stellen.\n\n3.8.. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige] bij de man is elke dinsdag van 12.00 uur tot en met 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt voor de Lidl bij [locatie 4] .\n\n3.9.. In het verleden is er sprake geweest van huiselijk geweld, waar [minderjarige] ook getuige van is geweest. De vrouw onderschrijft het belang van contact tussen de man en [minderjarige] en heeft dit ondanks het verleden van partijen ook nooit geweigerd, maar zij maakt zich wel zorgen en wil dat er voorzichtig wordt omgegaan met [minderjarige] . [minderjarige] ziet zijn vader nu elke dinsdag. Inmiddels verloopt de regeling steeds beter. [minderjarige] had in het begin veel moeite om naar zijn vader toe te gaan. De vrouw wil dat de regeling rustig wordt uitgebreid, in afstemming op [minderjarige] . Op dit moment vindt na overleg met de gezinsvoogd de overdracht plaats in het appartementencomplex waar de vrouw en [minderjarige] wonen. [minderjarige] loopt de trap af en de man vangt hem daar op. De vrouw heeft niet het idee dat de man werkelijk naar een co-ouderschap wil toewerken. Zij vermoedt dat de man denkt dat een co-ouderschap de kansen van de man op een verblijfsvergunning verhoogt. De vrouw vindt het fijn dat JBRA en Sipi, de betrokken hulpverleningsorganisatie, meekijken. Zij hoopt dat er ook de mogelijkheid zal zijn dat [minderjarige] met een psycholoog kan praten. [minderjarige] slaapt heel erg onrustig end dat baart de vrouw zorgen. De vrouw is niet tegen een uitbreiding op termijn met overnachtingen, maar vindt dat de uitbreiding in het tempo moet gaan van [minderjarige] . Omdat de vrouw doordeweeks werkt na kantoortijden en in het weekend moet er in de regeling ruimte zijn voor haar om [minderjarige] op haar vrije momenten te zien. Als de man in het weekend de zorg niet kan dragen dan moet er een manier gevonden worden om de vrije momenten te delen. De vrouw zou de dinsdag willen aanhouden en daarbij een regeling in het weekend.\n\n3.10.. De man heeft verzocht om een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] om het weekend bij de man verblijft, van vrijdagmiddag tot zondagavond (na het eten) en waarbij de overdracht plaatsvindt op [locaties] .\n\n3.11.. Voor de man is het essentieel dat [minderjarige] en hij met grotere regelmaat en voor een langere tijd per keer omgang hebben. Het gaat goed met [minderjarige] . Hij is blij en vrolijk bij de man. De man kan goed voor [minderjarige] zorgen en het gaat steeds beter. De man wil een uitbreiding ook stap voor stap doen in het belang van [minderjarige] . De man wil zijn rol als vader serieus oppakken. De man wil wel graag duidelijkheid over wat er op termijn mogelijk zal zijn. De man heeft werk dat zich in het weekend concentreert. Daarom moet er een compromis gevonden worden waarin beide partijen tijd met [minderjarige] kunnen doorbrengen op hun vrije momenten. Overdag kan de man de zorg dragen in het weekend, maar hij werkt in het weekend ’s avonds. De man betwist dat hij enkel een co-ouderschap op papier zou willen om een verblijfsvergunning te kunnen krijgen. Zijn diepste wens is om meer tijd door te brengen met [minderjarige] .\n\n3.12.. De gezinsvoogd heeft op de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat sinds de afgelopen maanden dat JBRA betrokken is de situatie is verbeterd. Er is veel gebeurd in het verleden. Beide ouders werken nu goed mee met de hulpverlening. Op dit moment is Sipi betrokken die helpt bij de omgang. JBRA vindt het belangrijk dat uitbreiding van de zorgregeling veilig gebeurt. Gelet op de zeer jonge leeftijd van [minderjarige] is het belangrijk dat er wordt uitgebreid door vaker kortere momenten te organiseren. Het zou fijn zijn voor [minderjarige] als er meer duidelijkheid komt.\n\n3.13.. De raadsmedewerker heeft op de mondeling behandeling het volgende naar voren gebracht. De overdracht zoals die nu plaats vindt van [minderjarige] van de ene naar de andere ouder is niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is twee jaar en daarmee veel te jong om alleen de oversteek in het trappenhuis te moeten maken van moeder naar vader. Door de overdracht op deze manier te doen heeft [minderjarige] geen support van zijn ouders, geen toestemming om naar de andere ouder te gaan, en dat moet echt anders. Het is fijn dat Sipi helpt bij het organiseren van een goed veilige omgang. De vrouw moet vragen kunnen stellen over de omgang van [minderjarige] bij vader en vader andersom ook. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat beide ouders betrokken zijn, ook als [minderjarige] op dat moment niet bij hen is. Het is dus ook belangrijk dat informatie over het adres waar [minderjarige] met de man verblijft, kenbaar wordt gemaakt aan de vrouw. Ouders dienen zich te allen tijde af te vragen wat zij zelf kunnen doen om het voor [minderjarige] gemakkelijker te maken. Het is voor alle betrokkenen fijn om een stip op de horizon te hebben naar de toekomstige situatie waarin de zorgregeling verder is uitgebreid. Maar het voorstel van de man geeft te veel onrust. [minderjarige] is nog erg klein en de zorgregeling moet worden opgebouwd. Er zit nu teveel spanning op. De Raad wil meegeven dat er voorzichtig en langzaam naar uitbreiding met eerst een nachtje moet worden toegewerkt. Naar de vrouw toe geeft de Raad mee dat kinderen onrustiger gaan slapen als er spanningen zijn, maar dit ook past bij de leeftijd. [minderjarige] bevindt zich midden in de fase van het opbouwen van hechting met de man. Daar hoeft de vrouw zich nu geen zorgen over te maken. Het is belangrijk dat [minderjarige] terugkijkt op deze periode later en vindt dat zijn ouders dit best wel goed voor hem hebben geregeld. Omdat [minderjarige] nog heel klein is, is het extra belangrijk dat er goed naar [minderjarige] wordt gekeken. Als het een keer niet zo goed gaat, breng hem dan terug. Vader gaat steeds belangrijker worden. De Raad adviseert om in overleg met Sipi en JBRA op termijn uit te breiden naar contact op bijvoorbeeld maandag en van donderdag op vrijdag, dan is er iets meer ruimte tussen de contactmomenten. Toewerken naar twee nachtjes op termijn is een mogelijkheid. Maar het is afwachten hoe [minderjarige] daarop zal reageren. Kan hij met toestemming van beide ouders en onbelast toewerken aan een uitgebreidere zorgregeling? Het zal waarschijnlijk een stuk sneller gaan als de spanningen tussen partijen eindigen. Misschien kunnen partijen in overleg met hun advocaten kijken naar de werktijden van beide ouders en komen tot een plan.\n\n3.14.. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal de huidige zorgregeling vastleggen en daarbij bepalen dat deze regeling onder regie en aanwijzingen van JBRA plaatsvindt, die zich terzake laat informeren en adviseren door Sipi. Deze zorgregeling wordt op termijn uitgebreid naar een regeling waarbij [minderjarige] ook bij zijn vader zal overnachten. Dat zal eerst een nacht per week zijn en, indien dit goed gaat en JBRA daartoe aanleiding ziet, naar twee nachten per week. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de voorgeschiedenis van partijen moet deze uitbreiding behoedzaam en in afstemming op [minderjarige] plaatsvinden. Met betrekking tot de overdracht van [minderjarige] tussen de ouders is de rechtbank met de Raad van oordeel dat de huidige regeling, waarbij de twee-jarige [minderjarige] zelf het trappenhuis van de flat alleen naar boven en naar beneden moet lopen, niet in het belang van de minderjarige is. De overdracht dient bij de vrouw voor de deur plaats te vinden zodat [minderjarige] de toestemming voelt om naar de andere ouder te gaan. Van de ouders mag verwacht worden dat zij zich ervoor inspannen dat de overdracht voor [minderjarige] rustig en prettig verloopt. De man dient [minderjarige] bij de vrouw op te halen en weer terug te brengen.\n\nMitsdien wordt beslist als volgt.\n\n4. De beslissing\n\n4.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 21 oktober 2022 in [plaats 1] (België);4.2.. stelt vast dat [minderjarige] hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;4.3.. \n\nstelt vast dat [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man is:\n\n- iedere dinsdag van 12.00 uur tot en met 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en weer terugbrengt,\n\nwelke regeling onder regie en aanwijzingen van JBRA wordt uitgebreid met een nacht per week en in de verdere toekomst twee nachten per week, in afstemming op [minderjarige] ;\n\n4.4.. deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad met uitzondering van de echtscheiding;\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.B. Sluijs, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. van den Berg, griffier op 3 juli 2026.\n\nTegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\n- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem\u002Fhaar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.\n\n Echtscheiding: art. 3 Brussel II-ter en art. 10:56 BW. Ouderlijke verantwoordelijkheid: art. 7 Brussel II-ter en art. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6627","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:41.987Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":74,"fullText":83,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":85},"909","ECLI:NL:RBDHA:2026:18491","ecli-nl-rbdha-2026-18491","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.30546 (voorlopige voorziening)\n\n NL25.43387 (beroep)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n\n [verzoekster] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1970, van Marokkaanse nationaliteit, verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. J. Werner),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een mvvom bij haar echtgenoot, de heer [referent] (referent), in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af, omdat verzoekster niet voldoet aan het inburgeringsvereiste.\n\nVerzoekster is het niet eens met de afwijzing en stelde daarom beroep in. Daarnaast vroeg zij de voorzieningenrechter om te bepalen dat zij tijdens de beroepsprocedure al tot Nederland wordt toegelaten. Als de voorzieningenrechter meteen uitspraak zou doen in de beroepszaak, vroeg verzoekster om te bepalen dat zij tijdens de bezwaarprocedure tot Nederland wordt toegelaten.\n\nDe voorzieningenrechter doet in deze uitspraak ook uitspraak over het beroep. De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep gegrond is. Het afwijzen van de aanvraag, alleen omdat verzoekster het inburgeringexamen niet heeft gehaald, is namelijk discriminatoir. Ook heeft de minister de hoorplicht geschonden. Daarom moet de minister een nieuw besluit op bezwaar nemen. Voor de volledigheid gaat de voorzieningenrechter ook in op de beroepsgrond dat verzoekster ontheffing moet krijgen van het inburgeringsvereiste.\n\nOmdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan over het beroep, is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen voor de periode waarin de beroepsprocedure loopt. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van het nieuwe besluit op bezwaar, omdat er geen sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang.\n\nProcesverloop\n\n1. Met het besluit van 17 januari 2025 wees de minister de aanvraag van verzoekster om een mvv af. Hiertegen maakte verzoekster bezwaar.\n\n1.1.. Met de beslissing op bezwaar van 11 augustus 2025 (het bestreden besluit) verklaarde de minister het bezwaar ongegrond.\n\n1.2.. Verzoekster stelde hiertegen op 8 september 2025 beroep in. Op 1 juni 2026 vroeg zij de voorzieningenrechter om te bepalen dat de minister haar tijdens de beroepsprocedure moet toelaten tot Nederland. Op zitting vulde verzoekster dit verzoek aan: als de voorzieningenrechter meteen uitspraak zou doen in de beroepszaak, vroeg verzoekster om te bepalen dat de minister haar tijdens de bezwaarprocedure tot Nederland moet toelaten.\n\n1.3.. De voorzieningenrechter behandelde de zaken op 29 juni 2026 op zitting. Referent, R. Dahman als tolk in de Arabische taal en de gemachtigden van partijen waren aanwezig.\n\nOverwegingen\n\n2. Na afloop van de zitting kwam de voorzieningenrechter tot de conclusie dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awbniet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.\n\nInleiding\n\n3. Verzoekster trouwde op [datum] 2023 in Marokko met referent. Referent woont sinds 1992 in Nederland en heeft vanaf 1999 de Nederlandse nationaliteit.\n\n3.1.. Op 13 juni 2024 vroeg verzoekster een mvv aan, omdat zij bij referent in Nederland wil verblijven. De minister wees deze aanvraag af, omdat verzoekster niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. De minister zag geen aanleiding om verzoekster van dat vereiste te ontheffen. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag.\n\nDiscriminatieverbod\n\n4. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij door de voorwaarde om voorafgaand aan een mvv-aanvraag het basisexamen inburgering te behalen, gediscrimineerd wordt op grond van nationaliteit en (indirect) op grond van etniciteit\u002Fras.\n\n4.1.. Ten aanzien van de afwijzing van een aanvraag voor een mvv, alleen op grond van het inburgeringsvereiste, heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 16 april 2024overwogen dat een dergelijk besluit discriminatoir is. De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. Dit hoger beroep heeft ertoe geleid dat de Afdeling op 11 juni 2025 een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof. Het Hof moet zich nog uitspreken over deze vraag. De voorzieningenrechter zal in deze zaak in lijn met de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak van 16 april 2024 oordelen, namelijk dat het bestreden besluit in strijd is met de internationale discriminatieverboden neergelegd in (het 12e Protocol bij) het EVRM, het IVUR, en het Handvest. De beroepsgrond slaagt.\n\nHoorplicht\n\n5. Verzoekster stelt zich verder op het standpunt dat de minister haar ten onrechte niet heeft gehoord.\n\n5.1.. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen.In veel gevallen is horen aangewezen, omdat een hoorzitting nu juist kan dienen om informatie boven tafel te krijgen, te zoeken naar oplossingen en een toelichting op de betrokken belangen te verkrijgen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.\n\n5.2.. De voorzieningenrechter overweegt dat er in dit geval geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat de bezwaargronden onder andere zagen op de zaakoverstijgende vraag over het discriminatieverbod, maakt niet dat het horen daarom geen verschil had kunnen maken voor de uitkomst van de zaak. Daarbij heeft verzoekster er juist terecht op gewezen dat de conclusie dat een bezwaar kennelijk ongegrond is, zich slecht verhoudt tot het feit dat er zodanige twijfel is over het antwoord op de rechtsvraag dat de Afdeling prejudiciële vragen heeft gesteld. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat de gemachtigde van verzoekster in beroep heeft toegelicht dat hij ervan uit was gegaan dat een hoorzitting zou plaatsvinden, zodat hij zich daarop kon voorbereiden en nog nadere stukken in kon dienen, wat mogelijk is tot tien dagen voor de hoorzitting. Door het onverwacht nemen van een beslissing op bezwaar, is dit niet gebeurd. Bovendien blijkt uit het bestreden besluit dat er bij de minister nog onduidelijkheden bestonden over bijvoorbeeld hoelang verzoekster lessen heeft gevolgd, wat deze lessen inhielden en wat de achtergrond van de docent is. Een hoorzitting was bij uitstek het aangewezen moment om deze onduidelijkheden te verhelderen. De beroepsgrond slaagt.\n\nOntheffing\n\n6. Verzoekster stelt zich tot slot op het standpunt dat de minister heeft miskend dat zij zich over een lange periode heeft ingezet om het examen te behalen en gelet daarop voor ontheffing in aanmerking komt.\n\n6.1.. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Een vreemdeling kan ontheffing krijgen van de plicht om te slagen voor het inburgeringsexamen. Of de vreemdeling ontheffing krijgt, hangt volgens de minister onder andere af van de inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het examen. Deze inspanningen om te slagen voor het examen mogen niet zo lang duren dat gezinshereniging onmogelijk of heel erg moeilijk wordt gemaakt.\n\n6.2.. De voorzieningenrechter is met de minister van oordeel dat niet is gebleken dat verzoekster zich op een passende manier lang genoeg heeft ingezet en heeft gedaan wat zij kan om zich voor te bereiden op het examen en te slagen voor het examen. In bezwaar heeft verzoekster ter onderbouwing van haar inspanningen slechts een verklaring van [persoon] van 30 mei 2024 overgelegd. Daarin staat onder andere dat verzoekster vanaf september 2023 tot heden (30 mei 2024) de inburgeringscursus Nederlandse taal heeft gevolgd en vanaf september 2023 tot begin april 2024 privélessen thuis heeft gekregen, vier uur per week, twee uur per les. De voorzieningenrechter volgt de minister in zijn standpunt dat de verklaring summier is, geen informatie geeft over de inhoud van de gestelde cursus of wat de achtergrond van de lerares is, niet is toegelicht wat verzoekster concreet heeft gedaan tijdens de cursus en op welke manier zij werd begeleid. De door verzoekster in beroep overgelegde uitslagen van drie basisexamen maken het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Hoewel uit de besluitvorming van de minister volgt dat behaalde scores voor afgelegde examens een indicatie geven voor de geleverde inspanningen, volgt hieruit niet dat verzoekster ook daadwerkelijk voldoende inspanningen heeft verricht om zich voor te bereiden op en te slagen voor (alle onderdelen van) het examen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen van het beroep\n\n7. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit discriminatoir is en de minister de hoorplicht heeft geschonden. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van verzoekster, met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter stelt voor het nemen van het nieuwe besluit een termijn van zes weken.\n\nVoorlopige voorziening\n\n8. Omdat het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding om de primair verzochte voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter ziet verder ook geen aanleiding om de subsidiair verzochte voorzieningtoe te wijzen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.\n\n8.1.. Toewijzing van de gevraagde voorziening zou betekenen dat verzoekster Nederland kan inreizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die zij met haar aanvraag beoogt. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden zal een dergelijk verzoek voor toewijzing in aanmerking komen en daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat er geen sprake is van een bijzonder zwaarwegend spoedeisend belang. De voorzieningenrechter stelt op basis van de verklaring van de huisarts vast dat referent wordt geopereerd aan zijn linkeroor en dat er een trommelvliessluiting zal plaatsvinden. Referent mag nadien niet tillen, bukken of huishoudelijk werk verrichten. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het voor referent wenselijk is dat verzoekster hem (emotioneel en) praktisch kan ondersteunen na de operatie, heeft verzoekster onvoldoende onderbouwd waarom het noodzakelijk is dat juist zij de zorg aan referent moet verlenen en zorg door bijvoorbeeld een wijkverpleegkundige dan wel huishoudelijk hulp (via de gemeente) niet voldoende zou zijn. De door verzoekster naar voren gebrachte omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als zodanig bijzondere omstandigheden dat haar de toegang tot Nederland moet worden verschaft nog voordat er opnieuw is besloten op haar bezwaar.\n\nProceskosten\n\n9. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 11 augustus 2025;\n\ndraagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\nwijst het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening af;\n\nbepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D. de Hoop, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:5396.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\n Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.\n\n Zie in dit verband de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3412, rechtsoverweging 8, waaruit volgt dat aangenomen kan worden dat een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep kan worden getransformeerd naar een verzoek hangende bezwaar.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18491","2026-07-13T00:28:54.120Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":45,"courtId":90,"decisionDate":74,"fullText":91,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":93},"708","ECLI:NL:RBDHA:2026:18498","ecli-nl-rbdha-2026-18498",62,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.22282\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R. Deniz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).\n\nProcesverloop\n\nIn het besluit van 17 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een mvvongegrond verklaard.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Metselaar. Ook waren aanwezig referent [referent] en de [tolk] .\n\nOverwegingen\n\n1. Middels besluit van 25 april 2023 is referent in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond van asiel.Op 8 juni 2023 heeft referent voor zijn vrouw en biologische kinderen een aanvraag ingediend om verlening van een mvv. Op dezelfde dag heeft referent voor eiser bij verweerder ook een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis. De aanvraag voor zijn vrouw en biologische kinderen is ingewilligd. Eiser is het gestelde kind van [broer van referent] (broer van referent) en [persoon] . Referent is de gestelde oom en pleegvader van eiser.\n\n2. In het besluit van 8 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder is de identiteit van de biologische moeder van eiser en de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet aangetoond. De pleegrelatie en feitelijke gezinsband tussen eiser en referent hebben zij ook niet aannemelijk gemaakt. Tenslotte is er ook geen toestemmingsverklaring van de biologische vader overgelegd.\n\n3. Eiser heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Referent is op 10 februari 2025 door verweerder gehoord over het bezwaar. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder alsnog de identiteit van de biologische moeder van eiser aannemelijk geacht. De familierechtelijke relatie met zijn biologische ouders is nog altijd niet aannemelijk gemaakt, maar er is wel een begin van bewijs geleverd. Ditzelfde geldt voor de pleegrelatie tussen eiser en referent. De feitelijke pleegsituatie is nog altijd niet aannemelijk gemaakt.\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe aan dat aan de overgelegde stukken meer bewijswaarde moet worden toegekend dan verweerder in het besluit toekent. De familierechtelijke relatie zou wel zijn aangetoond, net als de pleegrelatie en de feitelijke gezinsband. Verder acht eiser het besluit onlogisch en onduidelijk. Tenslotte wijst eiser op de belangen van het kind en artikel 8 van het EVRMen vindt hij dat de motivering daartoe zeer summier is.\n\n5. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is en dat terecht in het bestreden besluit de feitelijke gezinsband niet aannemelijk is gemaakt, zodat nader onderzoek zinledig is. Volgens verweerder heeft hij de belangen van het kind voldoende meegewogen in het besluit en heeft hij gemotiveerd waarom hij niet ambtshalve heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n6. Uit wet- en regelgevingvolgt dat een minderjarige die als pleegkind tot het gezin\n\nvan een asielstatushouder behoort eenzelfde verblijfsrecht als die asielstatushouder kan verkrijgen, als voldaan wordt aan de geldende voorwaarden. De asielstatushouder (referent) moet daartoe binnen drie maanden na inwilliging van zijn asielstatus namens het gestelde pleegkind een mvv-aanvraag onder de beperking ‘nareis’ bij verweerder indienen. Eén van de voorwaarden voor het verkrijgen van een dergelijke mvv nareis is dat het minderjarige pleegkind op het moment van de inreis van referent in Nederland (peilmoment) feitelijk tot het gezin van referent behoort. Verweerder betrekt bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband tussen de referent en het gestelde pleegkind in ieder geval:(-) de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn\u002Fhaar biologische ouders; (-) de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent; (-) de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent; (-) in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind; (-) of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen. Ook komt het pleegkind niet in aanmerking voor nareis als er een positieve verplichting onder artikel 8 van het EVRM bestaat om de biologische ouders te herenigen met het pleegkind in Nederland.\n\n7. Verweerder heeft in de besluitvorming voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom\n\nde familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet is aangetoond met de door eiser overgelegde documenten. Verweerder heeft daarbij ook terecht het standpunt ingenomen dat nader onderzoek niet aangeboden hoeft te worden. Ook indien de familierechtelijke relatie zou worden vastgesteld, kan dit niet leiden tot de afgifte van een mvv. Er wordt namelijk niet voldaan aan de voorwaarde dat de feitelijke gezinsband tussen referent en eiser is aangetoond. De rechtbank zal deze voorwaarde hierna verder bespreken.\n\n8. Niet in geschil is dat eiser vanaf zijn 4e levensjaar tot aan het vertrek van de\n\noverige gezinsleden van referent naar Nederland (in 2024) gewoond heeft bij het gezin van referent. Op zichzelf is het enkele verblijf binnen het gezin niet voldoende om de feitelijke gezinsband aan te nemen. Verweerder heeft terecht alle omstandigheden meegewogen in de integrale beoordeling. Onder verwijzing naar Werkinstructie 2024\u002F4 heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat de biologische ouder niet meer voor een kind kan of wil zorgen bij eiser ligt. Verweerder heeft daarbij niet ten onterechte naar voren gebracht dat, wanneer een biologische ouder nog in beeld is en deze ook nog steeds betrokken is bij de zorg of opvoeding van een kind, zwaardere eisen mogen worden gesteld aan de onderbouwing van een gestelde pleegrelatie. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder in dit geval bij de beoordeling kunnen betrekken dat de moeder en vader van eiser nog steeds in beeld zijn en dat niet is gebleken dat ieder contact tussen eiser en zijn biologische ouders duurzaam is verbroken. Uit de inhoud van de overgelegde documenten, waaruit volgt dat de biologische vader bij de rechtbank is verschenen om toestemming te verlenen en een verklaring af te leggen, blijkt dat de vader nog in beeld is en zich uitlaat over de zorg die verleend wordt aan eiser. Ook heeft eiser zelf verklaard dat zijn vader hem bezoekt op islamitische feestdagen. De gestelde medische problematiek van zijn biologische vader is niet onderbouwd met medische documenten. Verweerder mocht dit wel van eiser verwachten, nu referent ter zitting heeft aangegeven dat het mogelijk is om contact te leggen met de biologische vader. Hoewel de biologische moeder woonachtig is bij haar ouders, is er niet aannemelijk gemaakt dat zij niet voor eiser kan zorgen. Niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een duurzame overdracht van de volledige ouderlijke verantwoordelijkheid naar referent en zijn echtgenote. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen concluderen dat alle feiten en omstandigheden samengenomen onvoldoende zijn om te spreken van een pleegsituatie.\n\n9. Verweerder heeft daarbij met verwijzing naar C2\u002F4.1.2.2. van de Vc terecht\n\nmeegewogen dat niet aannemelijk is dat het contact tussen eiser en zijn biologische ouders zo beperkt is dat er geen positieve verplichting in het kader van artikel 8 van het EVRM zou ontstaan om eiser met zijn biologische ouders te herenigen in Nederland.\n\n10. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 7, 8 en 9 is overwogen heeft verweerder\n\nzich ook terecht op het standpunt gesteld dat hij geen nader onderzoek hoefde te verrichten naar: (-)de familierechtelijke relatie tussen de biologische ouders en eiser, (-)de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn gestelde pleegouders en (-)de toestemmings-verklaringen.\n\n11. Eiser heeft tenslotte nog gewezen op het belang van het kind. Verweerder heeft\n\ngemotiveerd deze belangen meegewogen in het bestreden besluit. Daarbij is terecht meegewogen dat het in het belang van eiser is dat hij niet ongewenst wordt onttrokken aan het ouderlijk gezag. Bovendien heeft verweerder uitgelegd waarom eiser niet in schrijnende omstandigheden achterblijft in Jemen. Hij wordt verzorgd door de zus van referent en haar man, hij woont nog in hetzelfde huis, gaat naar school en referent heeft dagelijks contact met hem. Hiermee heeft verweerder voldoende kenbaar de belangen van eiser meegewogen in het bestreden besluit.\n\n12. Verder verwijst verweerder referent terecht naar de reguliere procedure voor een\n\ntoetsing aan artikel 8 van het EVRM. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4804) volgt dat artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb van toepassing is in nareiszaken en dat verweerder in elke nareiszaak deugdelijk moet motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM of, als de betreffende vreemdeling in het buitenland is, een mvv met het oog op die vergunning. Verweerder kan voor die motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als hij daarin heeft toegelicht waarom hij in bepaalde gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik maakt. In het bestreden besluit is enkel gewezen op de aanwezigheid van een reguliere procedure voor de aanvraag van eiser en dat verweerder deze nationale procedure niet wil overslaan door direct aan artikel 8 van het EVRM te toetsen. Verweerder heeft met deze algemene motivering niet in eisers individuele geval toegelicht waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om door te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Ook heeft verweerder niet verwezen naar toepasselijk beleid. Daarom is er sprake van een motiveringsgebrek. In het verweerschrift heeft verweerder alsnog een nadere individuele motivering gegeven voor het niet ambtshalve doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM. Hij heeft verwezen naar het peilmoment en naar de ingebrachte medische stukken. Hiermee heeft verweerder alsnog voldaan aan het motiveringsvereiste zoals de Afdeling dit vereist. De rechtbank ziet daarom aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.\n\n13. Het beroep is ongegrond.\n\n14. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb veroordeelt de rechtbank\n\nverweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor\n\nhet verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.\n\n Zie artikel 29, tweede en vierde lid van de Vw, in samenhang met paragraaf C2\u002F4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), geldig tot 12 juni 2026.\n\n Zie paragraaf C2\u002F4.1.2.2 van de Vc, geldig tot 12 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18498","2026-07-13T00:28:44.158Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":45,"courtId":59,"decisionDate":98,"fullText":99,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":53,"updatedAt":101},"887","ECLI:NL:RBNNE:2026:2653","ecli-nl-rbnne-2026-2653","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie Groningen\n\nzaak-\u002Frekestnummer: C\u002F18\u002F258592 \u002F FA RK 26-4412\n\nbeschikking van 2 juli 2026 naar aanleiding van de informele rechtsingang\n\nin de zaak van\n\n [Naam minderjarige],\n\ndie is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2011 in [geboorteplaats] ,\n\nen die hierna \"de minderjarige\" wordt genoemd,\n\nadvocaat: mr. [naam advocaat] , die kantoor houdt in [plaats 1] .\n\nDe rechter merkt als belanghebbende aan:\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,\n\ndie gevestigd is in Groningen,\n\nen die hierna \"de voorlopige voogd\" wordt genoemd.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. Deze procedure is ingeleid met schriftelijk verzoek van de (de advocaat van de) minderjarige, dat de rechtbank heeft ontvangen op 2 juli 2026.\n\n1.2.. De rechtbank heeft met uitdrukkelijke instemming van (de advocaat van) de minderjarige telefonisch de voogd gehoord op 2 juli 2026.\n\n1.3.. De rechtbank heeft vervolgens met instemming van de belanghebbenden zonder verdere mondelinge behandeling direct uitspraak gedaan en aangekondigd dat de uitspraak schriftelijk wordt uitgewerkt in deze beschikking.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De rechtbank kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten.\n\n2.2.. De minderjarige staat onder voorlopige voogdij, nadat de met het gezag belaste ouders zijn overleden en daardoor onverwijld in het gezag over de minderjarige moest worden voorzien.\n\n2.3.. De minderjarige en de voogd hebben schriftelijk en telefonisch feiten en omstandigheden aangevoerd die het noodzakelijk maken dat onverwijld een bijzondere curator wordt benoemd.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Het verzoek heeft een uitzonderlijke en ingrijpende achtergrond, omdat sprake is van parenticide: het (vermoedelijk) opzettelijk doden van de ouders door een eigen kind. Dit feit heeft niet alleen strafrechtelijke consequenties, maar werkt ook door in de civielrechtelijke verhoudingen, in het bijzonder waar het de positie en belangen van de minderjarige betreft. In een dergelijk krachtenveld van rouw, loyaliteitsconflicten, mogelijke stigmatisering en complexe familierechtelijke en erfrechtelijke kwesties, bestaat een reëel risico dat de belangen van de minderjarige niet, niet voldoende of niet onbevangen tot hun recht komen.\n\n3.2.. Uit de ter onderbouwing van het verzoek gestelde feiten, bezien in samenhang met de achtergrond van parenticide, volgt dat de minderjarige zich in een uitermate kwetsbare positie bevindt. Enerzijds is sprake van het verlies van de ouders door een gewelddadige dood, anderzijds van ingrijpende erfrechtelijke gevolgen die moeten worden geregeld. Deze combinatie maakt dat het voor de minderjarige feitelijk onmogelijk is om eigen belangen kenbaar te maken, laat staan daarover zelfstandig een standpunt in te nemen.\n\n3.3.. De voorlopige voogd heeft toegelicht dat er bovendien bijzondere feiten en omstandigheden zijn die meebrengen dat het noodzakelijk is dat een bijzondere curator wordt benoemd met ter zake dienende kennis van het erfrecht, mede gelet op de rechtsvragen die rijzen over bijvoorbeeld de onwaardigheid om te erven en wat dit betekent voor de wijze van afwikkeling van de nalatenschap. In samenhang hiermee spelen er urgente contractuele kwesties die nu niet of niet voortvarend genoeg kunnen worden geadresseerd. De rechtsvragen overstijgen de mogelijkheden van de voorlopige voogd om zelfstandig te beoordelen wat in het belang van de minderjarige is aangewezen en welke stappen moeten worden gezet.\n\n3.4.. De rechtbank stelt vast dat hiermee sprake is van een vermogensrechtelijk spanningsveld dat de objectieve en onafhankelijke behartiging van de belangen van de minderjarige door de voorlopige voogd onder druk kan zetten. Onder deze omstandigheden is sprake van een zodanig risico dat de belangen van de minderjarige onvoldoende tot hun recht komen, dat benoeming van een bijzondere curator aangewezen is voor zover het de erfrechtelijke positie van de minderjarige betreft. De bijzondere curator zal de vermogensrechtelijke belangen van de minderjarige in en buiten rechte behartigen, de voorlopige voogd daarover adviseren en daarover aan de rechtbank rapporteren.\n\n3.5.. De rechtbank geeft hierbij een aantal gezichtspunten ten aanzien van de taak van de bijzondere curator en daarmee responderend op wat schriftelijk en mondeling is aangevoerd:\n\nEr lijkt sprake te zijn van wat wel een onbeheerde boedel wordt genoemd;\n\nHet laat zich aanzien er niet bij testament een executeur of afwikkelingsbewindvoerder is benoemd;\n\nDe nalatenschap door of namens de minderjarige kan slechts beneficiair worden aanvaard, hetgeen meebrengt dat de nalatenschap overeenkomstig de wettelijke regels moet worden vereffend;\n\nIn beginsel rust de taak tot vereffening op de erfgenamen en, voor zover het de minderjarige betreft, op diens wettelijk vertegenwoordiger, thans de voorlopige voogd;\n\nDe voorlopige voogdij geldt in beginsel voor een duur van maximaal drie maanden; binnen die periode moet door de Raad voor de Kinderbescherming worden verzocht een definitieve gezagsvoorziening, anders vervalt de maatregel;\n\nGezien de complexiteit en ontwrichting van de situatie lijkt het niet reëel dat de voorlopige voogd de nalatenschap zelf afwikkelt, noch dat een eventueel later in tijd uit het netwerk van de minderjarige te benoemen voogd met deze taak wordt belast.\n\nDe wet biedt de mogelijkheid om op verzoek van een belanghebbende een professionele vereffenaar te laten benoemen;\n\nNu hiervan tot op heden geen gebruik is gemaakt, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige dat de bijzondere curator de taak heeft te signaleren of benoeming van een vereffenaar geboden is en, indien dat het geval is, een daartoe strekkend verzoek te (doen) initiëren;\n\nEr zijn contractuele verplichtingen van de boedel die onverwijld moeten worden geadresseerd om financieel nadeel te voorkomen;\n\nIemand is in het Nederlandse recht alleen onwaardig is om te erven als hij onder één van de in artikel 4:3 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) limitatief opgesomde gevallen valt. De wet vereist onder meer een onherroepelijke rechterlijke veroordeling voor de in het artikel genoemde misdrijven; zolang hoger beroep of cassatie nog openstaat, is er nog geen wettelijke onwaardigheid. De mogelijke onwaardigheid speelt daarom ten aanzien van de minderjarige vooralsnog geen rol.\n\n3.6.. Mede gelet op de beschermingsgedachte die ten grondslag ligt aan de regeling omtrent minderjarige erfgenamen en beneficiaire aanvaarding, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige dat de bijzondere curator deze actieve rol vervult. Van de bijzondere curator mag in een situatie als de onderhavige worden verwacht dat zij niet afwacht totdat andere betrokkenen het initiatief nemen, maar dat zij zelfstandig beoordeelt of een formele vereffening onder leiding van een door de rechtbank te benoemen vereffenaar noodzakelijk of wenselijk is om de vermogensrechtelijke positie van de minderjarige veilig te stellen, en dat hij daaraan vervolgens de geëigende juridische stappen verbindt.\n\n3.7.. Op grond van de voorgaande overwegingen zal de rechtbank mr. [achternaam bijzondere curator] benoemen tot bijzondere curator, die zich bereid heeft verklaard deze benoeming te aanvaarden.\n\n3.8.. Deze bijzondere curator kan vanwege inschrijvingsvereisten bij de Raad voor de Rechtsbijstand niet door de rechtbank worden toegevoegd. Dit doet echter niet af aan de wettelijke bevoegdheid van de rechtbank om mr. [achternaam bijzondere curator] te benoemen als bijzondere curator. Voor de benoeming van een advocaat die niet aan de inschrijvingsvereisten voldoet is redengevend dat de wel op de lijst beschikbare advocaten niet de erfrechtelijke expertise nodig hebben om de hier voorliggende taak te kunnen vervullen. De rechtbank is van oordeel dat de te benoemen bijzondere curator ervaren en deskundig is in het familie- en jeugdrecht en ter zake het erfrecht voldoende gespecialiseerd is om haar taak naar behoren te vervullen.\n\n3.9.. Betaling gaat om bovenstaande reden op basis van het uurtarief. De rechtbank begroot de kosten van de bijzondere curator vooreerst op een tiental uren tegen het opgegeven uurtarief ter grootte van € 305,- exclusief BTW. De rechtbank zal het aldus begrote voorschot ter grootte van € 3.690 inclusief21% BTW voorlopig ten laste van ’s Rijkskas brengen. De rechtbank verzoekt de bijzondere curator wanneer het voorschot niet toereikend is om zo spoedig mogelijk een begroting te maken van de kosten van haar bijstand.\n\n3.10.. De rechtbank is voornemens te bepalen dat de kosten van de bijzondere curator ten laste van de boedel behoren te komen en zal te zijner tijd verlangen dat de boedelbeschrijving wordt overgelegd ter beoordeling van de mogelijkheden om de kosten ten laste van de boedel te brengen.\n\n3.11.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. benoemt met ingang van 2 juli 2026 tot bijzondere curator over de minderjarige, mr. [voorletter en achternaam bijzondere curator] , die kantoor houdt in [plaats 2] , ten einde de minderjarige te vertegenwoordigen als bedoeld in artikel 1:250 BW;\n\n4.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.3.. gelast de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking onverwijld aan de (advocaat van de) minderjarige, de voorlopige voogd en de bijzondere curator te zenden;\n\n4.4.. verzoekt de bijzondere curator uiterlijk op de rolzitting van vrijdag 2 oktober 2026, of zoveel eerder als mogelijk, het verslag van bevindingen aan de rechtbank, de voorlopige voogd en (de advocaat van) de minderjarige uit te brengen;\n\n4.5.. begroot de kosten van de deskundige voorlopig op € 3.690 inclusief 21% BTW en bepaalt dat de kosten van de bijzondere curator voorlopigten laste komen van 's-Rijks kas.\n\nDeze beslissing is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026. De beschikking is schriftelijk uitgewerkt in deze beschikking en ondertekend op 3 juli 2026.\n\nAls u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2653","2026-07-13T00:28:53.026Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":45,"courtId":106,"decisionDate":98,"fullText":107,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":109},"1521","ECLI:NL:RBLIM:2026:6522","ecli-nl-rblim-2026-6522",66,"RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12258659 \\ HA VERZ 26-3\n\nBeschikking van 2 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nJULIAN MAESEN,\n\nte Venlo,\n\nhierna te noemen: Julian,\n\nverzoekende partij.\n\nDe kantonrechter merkt als belanghebbenden aan: [moeder],\n\nen\n\n [vader],\n\nbeiden wonende te [plaatsnaam] ,\n\nhierna gezamenlijk te noemen: de ouders.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift\n\n- de mondelinge behandeling van 1 juli 2026.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Julian is geboren op 10 april 2009 te Venlo. Op dit moment is hij 17 jaar oud. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over Julian.\n\n2.2.. De vennootschap onder firma JTecom, een onderneming in detailhandel (via internet) in kleding en kledingaccessoires, is sinds 1 juni 2026 opgericht en geregistreerd in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 42067555.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Julian heeft de kantonrechter verzocht om verkrijging van een handlichting als bedoeld in artikel 1:235 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het verzoek is mede ondertekend door de wettelijke vertegenwoordigers van Julian, de ouders.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Op verzoek van een minderjarige kan op grond van artikel 1:235 lid 1 BW een handlichting door de kantonrechter worden verleend. Handlichting betekent dat aan een minderjarige bepaalde bevoegdheden van een meerderjarige worden toegekend. Een verzoek tot handlichting kan worden ingediend wanneer de minderjarige de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt. Bij de beoordeling van het verzoek moet de kantonrechter zich laten leiden door het belang van de minderjarige en beoordelen of de gevraagde handlichting verantwoord is. Op grond van het tweede lid van artikel 1:235 BW wordt de handlichting niet verleend tegen de wil van de ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen.\n\n4.2.. De kantonrechter heeft vastgesteld dat Julian 17 jaar is, dat de ouders met zijn verzoek instemmen en dat zij als de handlichting wordt verleend toezicht zullen uitoefenen op de manier waarop Julian hieraan uitoefening geeft.\n\n4.3.. De kantonrechter is van oordeel dat Julian goed heeft uitgelegd waarom hij de handlichting nodig heeft. Julian heeft samen met een meerderjarige vennoot, [vennoot] , een vennootschap onder firma (VOF) opgericht. Om deze VOF verder op te richten \u002Fvoort te zetten, het openen en beheren van een zakelijke bankrekening, het verrichten van betalingen ten behoeve van de VOF en het aangaan van overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van de VOF is handlichting nodig.\n\n4.4.. Gelet op de inhoud van het verzoekschrift en de tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting, is de kantonrechter van oordeel dat de verlening van handlichting in het belang is van Julian en dat dit verantwoord is. Het verzoek zal daarom worden toegewezen op de manier zoals hierna onder het kopje “De beslissing” is vermeld.\n\n4.5.. In artikel 1:237 lid 1 BW is bepaald dat een beschikking waarbij handlichting is verleend, bekend moet worden gemaakt in de Staatscourant. De bedoeling van de wetgever is daarbij geweest dat op die manier zoveel mogelijk personen kennis kunnen nemen van de handlichting. Daarnaast zal de beschikking (niet geanonimiseerd) door de griffier worden gepubliceerd op de internetpagina www.rechtspraak.nl, zodat de inhoud daarvan ook via die weg kenbaar is. Julian moet er rekening mee houden dat de verleende handlichting niet eerder geldt dan wanneer de publicatie in de Staatscourant een feit is.\n\n4.6.. Op grond van artikel 36 Handelsregisterbesluit 2008 dienen gegevens met betrekking tot de handlichting, te worden ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dit betekent dat de datum waarop de handlichting is verkregen en de bevoegdheden die daarbij zijn toegekend aan Julian moeten worden ingeschreven. Bij de opgave ter inschrijving wordt de datum van uitgave en het nummer van de Staatscourant overgelegd waarin de rechterlijke beschikking inzake de handlichting is openbaar gemaakt, of een authentiek afschrift van de beschikking met vermelding van de dagtekening en het nummer van die Staatscourant. Julian moet hier zelf voor zorgen.\n\n4.7.. \n\nDe kantonrechter wijst voor de goede orde en volledigheidshalve nog op het bepaalde in het derde lid van artikel 1:235 BW, waarin is bepaald dat Julian door de verleende handlichting niet bekwaam wordt tot het beschikken over registergoederen, effecten of door hypotheek gedekte vorderingen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verleent aan Julian handlichting tot het zelfstandig uitoefenen van de onderneming VOF JTecom en aldus de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn om samen met [vennoot] de onderneming uit te oefenen (zoals het aangaan van de VOF), en waaronder het openen en beheren van een zakelijke bankrekening, het verrichten van betalingen ten behoeve van de onderneming, het aangaan van overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van de VOF,\n\n5.2.. bepaalt dat de publicatie van deze beschikking tot handlichting in de Staatscourant en (niet geanonimiseerd) op www.rechtspraak.nl dient te worden gepubliceerd en dat de griffier hiervoor zorg dient te dragen,\n\n5.3.. verstaat dat Julian zal zorgen voor inschrijving van de gegevens met betrekking tot de handlichting in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\n FK","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6522","2026-07-13T00:29:25.239Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":114,"fullText":115,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":53,"updatedAt":117},"1071","ECLI:NL:RBAMS:2026:6717","ecli-nl-rbams-2026-6717","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F769715 \u002F HA ZA 25-1090\n\nVonnis van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\nte [woonplaats 1] , 2. [eiser 2],\n\nte [woonplaats 2] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] (en samen [eisers] ),\n\nadvocaat: mr. M.J. Koning,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats 3] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat voorheen mr. D.B. den Hartog en nu zonder advocaat.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 15 mei 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord tevens een tegenvordering (eis in reconventie), met producties,\n\n- de conclusie van antwoord in de tegenvordering (reconventie), met producties,\n\n- het tussenvonnis van 5 november 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026 waarvan een proces-verbaal is opgemaakt en\n\n- de door [eisers] op 7 april 2026 overgelegde akte met een productie en de op 18 mei 2026 door [eisers] overgelegde vertaling van die productie.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser 1] en [gedaagde] zijn in Marokko met elkaar getrouwd en zij hebben drie meerderjarige kinderen. [eiser 2] is een van hun zonen. Hij is geboren op [geboortedag] 1981. De rechtbank Amsterdam heeft in oktober 2022 de echtscheiding tussen [eiser 1] en [gedaagde] uitgesproken, maar die beschikking kon niet worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand wegens onduidelijkheid over de huwelijksdatum en daarom zijn [eiser 1] en [gedaagde] nog met elkaar getrouwd.\n\n2.2.. Partijen zijn sinds 2005 gezamenlijk - ieder voor 1\u002F3e deel - de eigenaar van het appartement(srecht) aan de [adres 1] (hierna: het appartement). Op het appartement rust een hypothecaire geldlening. [eiser 2] heeft het appartement in 2015 verlaten en [eiser 1] in 2020. [gedaagde] woont nog in het appartement.\n\n3. Het geschil\n\nde vordering van [eisers] (conventie)\n\n3.1.. \n\n [eisers] vordert - samengevat - om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nI. de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap vast te stellen op grond van artikel 3:185 lid 2 sub c BW;\n\nII. te bepalen dat het appartementsrecht betreffende het appartement als volgt wordt verkocht:\n\na. [eisers] te machtigen om mede namens [gedaagde] opdracht te geven aan makelaar [naam] van makelaarskantoor [bedrijf] te [plaats] of, als [naam] niet beschikbaar is, aan een andere in [plaats] gevestigde makelaar, om het appartement te taxeren en te bemiddelen bij de verkoop van het appartementsrecht;\n\nb. te bepalen dat de initiële vraagprijs zal worden gesteld op de waarde volgens de taxatie, dan wel op een door de makelaar op basis van zijn\u002Fhaar kennis en ervaring verstandig geacht ander bedrag, een en ander behoudens voor zover partijen de makelaar gezamenlijk hiervan afwijkende instructies geven;\n\nc. te bepalen dat het de makelaar (steeds) gedurende het verkoopproces vrij zal staan de vraagprijs naar eigen inzicht aan te passen, behoudens voor zover partijen de makelaar gezamenlijk hiervan afwijkende instructies geven;\n\nd. te bepalen dat partijen (steeds) dienen in te stemmen met een op het appartementsrecht uitgebracht bod indien aanvaarding van dit bod naar het oordeel van de makelaar raadzaam is;\n\ne. partijen te gebieden hun voortvarende medewerking te verlenen aan het doen verlijden van de koop- en leveringsakten en de overige handelingen die nodig zijn om de verkoop en overdracht te bewerkstelligen, waaronder ook begrepen de algehele aflossing van de hypothecaire geldlening en\n\nf. te bepalen dat indien en voor zover enige partij de sub d en\u002Fof e bedoelde medewerking niet voortvarend verleent, de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van de bedoelde medewerking;\n\nIII. althans subsidiair ten opzichte van het gevorderde onder II te bepalen dat het appartementsrecht zal worden verkocht en geleverd op een door de rechtbank te bepalen andere wijze;\n\nIV. te bepalen dat partijen de kosten van de makelaar en alle overige kosten verbonden aan het verkoop- en leveringsproces aan de kant van verkopers door partijen naar rato van hun aandeel in de eenvoudige gemeenschap moeten dragen;\n\nV. te bepalen dat de netto-opbrengst gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld;\n\nVI. [gedaagde] te verbieden het appartement of een deel daarvan aan derden in gebruik te geven of het gebruik te doen voortduren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel van overtreding van dit verbod, met een maximum van € 250.000,00;\n\nVII. [gedaagde] te veroordelen (ook eigen) bewoning en gebruik van het appartement binnen tien dagen na de verkoop van het appartement te doen eindigen, het appartement binnen die termijn te (doen) ontruimen en schoon te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel dat (volledige) voldoening aan deze veroordeling uitblijft, met een maximum van € 250.000,00 en\n\nVIII. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] en subsidiair dat de rechtbank bepaalt dat de verdeling voor de duur van drie jaren wordt uitgesloten. Meer subsidiair voert [gedaagde] als verweer dat het appartement aan hem moet worden toegedeeld onder aftrek van een regresvordering van € 81.478,97 en een korting wegens executierisico van 10% van de marktwaarde. Uiterst subsidiair moet het appartement worden verkocht op de door [gedaagde] beschreven wijze waarbij [gedaagde] het appartement niet eerder dan na twaalf maanden na de betekening van het vonnis hoeft te ontruimen. Tot slot verzet [gedaagde] zich tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een toewijzend vonnis en moet [eisers] worden veroordeeld in de proceskosten.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nde tegenvordering van [gedaagde] (reconventie)\n\n3.4.. \n\n [gedaagde] vordert - samengevat - om te bepalen dat:\n\nI. [eisers] hoofdelijk is gehouden tot het betalen aan [gedaagde] van € 81.478,97, zijnde het bedrag aan door [gedaagde] betaalde eigenaarslasten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;\n\nII. voor het geval dat de rechtbank beslist tot verkoop van de woning: het onder I gevorderde bedrag zal worden verrekend met de netto-opbrengst, voordat het restant wordt uitgekeerd aan partijen en\n\nIII. [eisers] wordt veroordeeld in de proceskosten.\n\n3.5.. \n [eisers] voert verweer. [eisers] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen van [eisers] en de tegenvorderingen van [gedaagde] worden deze samen behandeld.\n\n4.2.. De rechtbank acht het van belang om vooraf het volgende op te merken. [gedaagde] heeft nu geen advocaat en hij heeft zich tijdens de mondelinge behandeling niet laten bijstaan door een advocaat. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om een advocaat te stellen en ook de rechtbank heeft moeite gedaan om ervoor te zorgen dat [gedaagde] juridische bijstand kon krijgen. Zo heeft de griffier na de mondelinge behandeling contact gezocht met mr. I.R. Feddema die in stukken van [gedaagde] wordt genoemd als mogelijke nieuwe advocaat. Mr. Feddema heeft laten weten dat zij niet als advocaat zal optreden in deze procedure. De rechtbank heeft [gedaagde] nog de gelegenheid gegeven zelf een andere advocaat te vinden, maar er heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld. [gedaagde] wordt ook bijgestaan door een maatschappelijk werker die namens hem communiceert met de rechtbank. Ook daarvan is niets meer vernomen. Daarom moet de rechtbank afgaan op hetgeen staat in de conclusie van antwoord\u002Fde tegenvordering die de voormalig advocaten namens [gedaagde] hebben ingediend en op hetgeen [gedaagde] (in gebrekkig Nederlands) zelf tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht.\n\n4.3.. Hierna zal de rechtbank tot het oordeel komen dat tussen partijen een eenvoudige gemeenschap bestaat en dat de eenvoudige gemeenschap moet worden verdeeld. De woning zal moeten worden verkocht aan een derde.\n\ngeen huwelijksgoederengemeenschap\n\n4.4.. \n\nPartijen zijn allen voor een gelijk deel (1\u002F3e deel) eigenaar van het in 2005 gekochte\n\nappartement. [eiser 1] en [gedaagde] zijn op 13 juni 1980 met elkaar in Marokko\n\ngetrouwd, zo neemt de rechtbank aan. De rechtbank heeft gevraagd om een kopie van de\n\nhuwelijksakte, maar die is niet in het geding gebracht.\n\nIn de Marokkaanse akte ‘afschrift van herroeping’ die [eisers] heeft overgelegd, staat\n\nniet wanneer de datum van het huwelijk was. [eiser 1] en [gedaagde] hebben allebei\n\nverklaard dat zij op 13 juni 1980 in Marokko met elkaar zijn getrouwd. Daarvan gaat de\n\nrechtbank uit, ook omdat [eiser 2] in augustus 1981 is geboren.\n\n4.5.. \n\nWelk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, moet gelet op\n\nde datum van de huwelijkssluiting worden beslist door het toepassen van de\n\nconflictregels uit het Chelouche\u002F Van Leer-arrest.\n\n4.6.. \n\nBij het ontbreken van een gezamenlijke rechtskeuze van de aanstaande echtgenoten,\n\nwordt het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime bepaald door de\n\ngemeenschappelijke nationaliteit op het moment van het sluiten van het huwelijk. Dat is de\n\nMarokkaanse nationaliteit en dat betekent dat Marokkaans recht van toepassing is.\n\n4.7.. Het Marokkaanse recht kent geen huwelijkse gemeenschap van goederen. Door het huwelijk als zodanig ontstaat geen gemeenschappelijk vermogen. Iedere echtgenoot behoudt wat van hem of haar is en wat hij of zij tijdens het huwelijk verkrijgt. Dit staat er niet aan in de weg dat echtgenoten goederen in gezamenlijk eigendom kunnen hebben. In dit geval hebben [eiser 1] en [gedaagde] , samen met hun zoon [eiser 2] , een appartement gekocht. De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van [gedaagde] dat de woning valt in de huwelijksgoederengemeenschap en dat eerst die gemeenschap moet worden ontbonden voordat het appartement in een verdeling kan worden betrokken. Op de vordering van [eisers] kan dus ook worden beslist (geen niet-ontvankelijkheid).\n\n4.8.. Het appartement(srecht) en de hypotheekschuld vallen in een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vorderingen over de verdeling zullen worden beoordeeld aan de hand van het Nederlandse recht.\n\nde verdeling\n\n4.9.. \n [eisers] vordert dat de wijze van verdeling van het appartement wordt vastgesteld en dat wordt bepaald dat het appartement wordt verkocht. [gedaagde] is het daar niet mee eens. [gedaagde] wenst in de eerste plaats dat de verdeling voor de duur van drie jaren wordt uitgesloten (artikel 3:178 lid 3 BW) en dat als tot de verdeling wordt overgegaan het appartement aan [gedaagde] wordt toebedeeld.\n\n4.10.. Het uitgangspunt van artikel 3:178 lid 1 BW is dat iedere deelgenoot op elk moment de verdeling kan vorderen van een gemeenschappelijk goed. De rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, kan op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling uitsluiten indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend.\n\n4.11.. \n [gedaagde] stelt dat de woning vanaf oktober 2005 zijn thuisbasis is en dat hij mede door sociale bindingen in de buurt emotioneel gehecht is aan de woning. Verder is sprake van een kwetsbare gezondheidssituatie en zou een gedwongen verhuizing zijn gezondheid in gevaar kunnen brengen. Gelet op de schaarste op de woningmarkt en de huurprijzen in de regio Amsterdam die afgezet tegen het bedrag van € 235,- dat [gedaagde] nu betaalt hoog is, is het zeer onzeker of [gedaagde] passende woonruimte zal kunnen vinden.\n\n4.12.. \n\nIn dit geval wegen de belangen van [eisers] bij verdeling zwaarder dan de belangen van [gedaagde] om de verdeling voor de duur van drie jaren uit te sluiten. [eisers] heeft er belang bij uit de onverdeeldheid te geraken. [eiser 1] woont nu bij haar zoon en zij heeft niet de beschikking over het vermogen dat in de woning zit. Ook [eiser 2] kan zijn vermogen nu niet aanwenden. Van hen kan niet langer worden gevergd in de onverdeelde gemeenschap te blijven. Alhoewel de rechtbank begrijpt dat [gedaagde] gehecht is aan de woning en dat hij daarin zou willen blijven wonen, maakt dat niet dat zijn belang groter is. [gedaagde] woont al sinds 2020 alleen in de woning die ten dele toebehoort aan [eisers] [gedaagde] had in ieder geval vanaf 2020 maatregelen kunnen treffen om het aandeel van [eiser 1] en [eiser 2] over te nemen of om passende vervangende woonruimte te zoeken. Hij heeft geen aanstalten gemaakt om over te gaan tot de verdeling.\n\n [gedaagde] heeft steeds te kennen gegeven dat hij de woning niet wil verlaten.\n\n [gedaagde] heeft verder niet onderbouwd dat het vinden van vervangende woonruimte niet zal lukken of dat zijn gezondheidssituatie dusdanig is dat hij niet kan verhuizen. Stukken daarover ontbreken. Verder moet ervan worden uitgegaan dat [gedaagde] na de verkoop van de woning geld ontvangt en dat hij daarmee en met zijn inkomen (AOW en pensioen) voldoende geld heeft om een andere geschikte woning te vinden.\n\n4.13.. Dit betekent dat de verdeling niet zal worden uitgesloten voor de duur van drie jaren. De rechtbank zal op grond van artikel 3:185 BW de wijze van verdeling gelasten. Die houdt in dat de woning wordt verkocht. Daarbij wordt aangesloten bij de vorderingen van [eisers] onder I, II, IV en V. De primaire vordering van [eisers] wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing weergegeven, zodat de rechtbank niet toekomt aan het beoordelen van de subsidiaire vordering onder III.\n\n4.14.. \n [gedaagde] heeft als verweer op de vordering een route voorgesteld voor de wijze waarop de verdeling moet plaatsvinden. [gedaagde] wordt niet in de gelegenheid gesteld om het aandeel van [eisers] in het appartement over te nemen (het appartement wordt niet aan [gedaagde] ‘toebedeeld’). [gedaagde] heeft niet aangeboden [eisers] uit te kopen en ook op geen enkele manier aangetoond dat hij dat zou kunnen. [eisers] heeft verder belang bij een spoedige verdeling van de eenvoudige gemeenschap. Daarom zal ook niet worden bepaald dat [gedaagde] niet eerder dan na twaalf maanden na betekening van het vonnis is gehouden tot het ontruimen van de woning. [gedaagde] weet dat hij in een gemeenschappelijke woning woont en dat die situatie een keer zal eindigen. Dat hij ook in de afgelopen tijd geen andere woning heeft gevonden is niet doorslaggevend, omdat hij na de verkoop in een andere financiële situatie zal verkeren. De woning heeft namelijk overwaarde.\n\n4.15.. De netto-opbrengst zal in gelijke mate tussen partijen moeten worden verdeeld. Hierna zal blijken dat [gedaagde] geen vergoedingsrecht op de eenvoudige gemeenschap heeft. Verder heeft [gedaagde] niet toegelicht waarom van de verkoopopbrengst een korting van 10% wegens executierisico in mindering moet worden gebracht. Daarmee zal geen rekening worden gehouden.\n\ngebruik woning door derden en gebruik door [gedaagde] na de verkoop\n\n4.16.. \n [eisers] vordert dat [gedaagde] (een deel van) het appartement niet in gebruik mag geven aan derden en in het geval [gedaagde] dat wel doet, hij een dwangsom moet betalen. [eiser 2] heeft verklaard dat hij ziet dat anderen in de woning verblijven als [gedaagde] in Marokko is. [gedaagde] weerspreekt dat hij de woning regelmatig aan derden in gebruik geeft. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat soms één andere persoon in het appartement is. Alhoewel onduidelijk is in welke mate derden in het appartement verblijven, heeft [gedaagde] daarmee in ieder geval te kennen gegeven dat soms een andere persoon de woning gebruikt. Op basis van de verklaring van [gedaagde] lijkt het erop dat geen sprake is van een huurovereenkomst tussen hem en een of meer anderen. Voor zover daarvan wel sprake is, is dat een beschikkingsdaad die zonder toestemming van [eisers] niet is toegestaan (artikel 3:175 BW). [eisers] heeft er belang bij dat met het oog op de verkoop van het appartement derden daarin niet verblijven. De vordering zal daarom worden toegewezen. De dwangsom zal worden gemaximeerd.\n\n4.17.. Daarnaast zal worden bepaald dat [gedaagde] de bewoning en het gebruik van het appartement drie dagen voorafgaand aan de levering van het appartement moet staken en dat hij het appartement op dat moment ontruimd en schoongemaakt moet hebben. Aan het ontruimen van de woning wordt een dwangsom verbonden, die zal worden gemaximeerd zoals in het dictum staat. [eisers] vordert dat ‘elke (d.w.z. ook eigen) bewoning en gebruik’ wordt geëindigd, maar met de toewijzing van het verbod om het appartement aan derden in gebruik te geven, heeft [eisers] geen belang bij de vordering voor zover het gaat om anderen dan [gedaagde] zelf. Daarom is de vordering enkel toewijsbaar voor zover het gaat om de bewoning en het gebruik door [gedaagde] .\n\nuitvoerbaar bij voorraad\n\n4.18.. Tot slot voert [gedaagde] verweer tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis. Volgens [gedaagde] ontbreekt de vereiste spoedeisendheid of een ander zwaarwegend belang en kan het tenuitvoerleggen van het vonnis leiden tot onherstelbare schade. Bij de beoordeling van een vordering tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis, moeten de belangen van partijen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van [eisers] om over te gaan tot het verdelen van de eenvoudige gemeenschap weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij het behouden van de huidige toestand. Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\nde vordering van [gedaagde]\n\n4.19.. \n [gedaagde] vordert dat [eisers] op grond van artikel 3:172 BW aan hem de met de woning verband houdende kosten moet delen. Aan hypotheekrente en aflossing is dat over de periode 2002-2025 een bedrag van € 79.884,72 en aan OZB\u002Fwaterschapslasten over de periode 2014-2025 een bedrag van € 1.594,25. De vordering van [gedaagde] wordt afgewezen. Daarvoor is het volgende van belang.\n\n4.20.. \n\nDe rechtsbetrekking tussen de deelgenoten wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 BW in verbinding met artikel 6:2 BW). Uitgangspunt is dat de deelgenoten de aan de woning verbonden kosten in gelijke mate dragen. [gedaagde] betaalt geen gebruiksvergoeding, dit terwijl uit artikel 3:169 BW volgt dat de deelgenoten voor gelijke delen zijn gerechtigd tot het genot en het gebruik van een gemeenschappelijke goed. Tijdens de samenwoning heeft [eiser 1] bijgedragen aan de gezamenlijke lasten van de woning. Zij werkte en had een eigen inkomen. [eiser 1] heeft verklaard dat zij daarmee bijdroeg in de lasten. Dat heeft [gedaagde] niet concreet weersproken. Ook [eiser 2] stelt dat hij dat – voornamelijk contant – heeft gedaan. [gedaagde] heeft dat wel weersproken en [eiser 2] heeft voor zover hij per bank zou hebben betaald daarvan geen bewijs overgelegd. Ten aanzien van een verplichting tot bijdragen door [eiser 2] in de kosten van het appartement beroept hij zich op verjaring. [eiser 2] heeft de woning in 2015 verlaten. Alleen al door het eigendom zou [eiser 2] verplicht zijn om bij te dragen in de eigenaarslasten, maar hij heeft vanaf dat moment geen genot van het appartement gehad. Daartegenover zou een gebruiksvergoeding hebben moeten staan. Daarvan is geen sprake geweest. Voor dat geval beroept [eisers] zich op verrekening. Voor zover de verplichtingen ouder zijn dan vijf jaar, zijn zij verjaard. Voor zover zij jonger zijn dan vijf jaar, vallen beide verplichtingen ten aanzien van [eiser 2] tegenover elkaar weg. Tot slot betaalt [eisers] nog steeds de gemeentelijke belastingen (over de periode juni 2018 tot en met september 2025 € 1.388,75) en de verzekeringspremies (over de periode maart 2019 tot en met augustus 2025 € 1.688,20). Al deze omstandigheden maken dat [eisers] niets meer verschuldigd is aan [gedaagde] en verder dat het niet redelijk en billijk is om [eisers] bij te laten dragen in de eigenaarslasten. De tegenvordering van [gedaagde] wordt afgewezen.\n\nde proceskosten in conventie en in reconventie\n\n4.21.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast en bepaalt dat het appartement aan de [adres 1] zal worden verkocht op de navolgende wijze:\n\n5.1.1.. machtigt [eisers] om, mede namens [gedaagde] , opdracht te geven aan makelaar [naam] van makelaarskantoor [bedrijf] te [plaats] ( [adres 2] ), althans als de heer [naam] niet beschikbaar is, aan enige andere in [plaats] gevestigde makelaar, tot bemiddeling bij de verkoop van het appartementsrecht;\n\n5.1.2.. bepaalt dat de initiële vraagprijs zal worden gesteld op de waarde volgens de taxatie, dan wel op een door de makelaar op basis van zijn\u002Fhaar kennis en ervaring verstandig geacht ander bedrag, een ander behoudens voor zover partijen gezamenlijk aan de makelaar hiervan afwijkende instructies geven;\n\n5.1.3.. bepaalt dat het de makelaar (steeds) gedurende het verkoopproces vrij zal staan de vraagprijs naar eigen inzicht aan te passen, behoudens voor zover partijen gezamenlijk aan de makelaar hiervan afwijkende instructies geven;\n\n5.1.4.. bepaalt dat partijen (steeds) dienen in te stemmen met een op het appartementsrecht uitgebracht bod indien aanvaarding van dit bod naar het oordeel van de makelaar raadzaam is;\n\n5.1.5.. gebiedt partijen hun voortvarende medewerking te verlenen aan het doen verlijden van de koop-en leveringsakten, alsmede aan alle overige handelingen die nodig zijn om de verkoop en overdracht te bewerkstelligen, waaronder ook begrepen de algehele aflossing van de hypothecaire geldlening;\n\n5.1.6.. bepaalt dat indien en voor zover enige partij de onder 5.1.4. en\u002Fof 5.1.5. bedoelde medewerking niet verleent, de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van de bedoelde medewerking en wilsverklaring;\n\n5.2.. bepaalt dat partijen de kosten van de dienstverlening van de makelaar, alsmede alle overige kosten die aan verkoperszijde verbonden zijn aan het verkoop- en leveringsproces betreffende het appartementsrecht ieder voor 1\u002F3e dienen te dragen;\n\n5.3.. bepaalt dat de netto-opbrengst van de verkoop van het appartementsrecht gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld;5.4.. verbiedt [gedaagde] het appartement of een deel daarvan aan derden in gebruik te geven of zodanig gebruik te doen voortduren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] het verbod overtreedt, met een maximum van € 100.000,00;\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagde] de eigen bewoning en het gebruik van het appartement uiterlijk drie dagen voor de levering van het appartementsrecht te doen eindigen en het appartement op dat moment te (doen) ontruimen en schoon te maken, de ontruiming op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 100.000,00;\n\n5.6.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nin reconventie\n\n5.8.. wijst de vorderingen af.\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\n Arrest van de Hoge Raad (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275).\n\n De rechtbank neemt aan dat dat 2005 is, omdat de woning toen is gekocht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6717","2026-07-13T00:29:02.560Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":77,"fullText":122,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":53,"updatedAt":124},"2009","ECLI:NL:RBAMS:2026:6613","ecli-nl-rbams-2026-6613","beschikking\n\nRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F782767 \u002F FA RK 26-863\n\nBeschikking van 30 juni 2026 betreffende voorziening in het gezag op de voet van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek\n\nin de zaak van:\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nen\n\n [de stiefvader] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de stiefvader,\n\ngezamenlijk bijgestaan door advocaat mr. A.M.E. Derks te Woerden.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nwoon- of verblijfplaats onbekend,\n\nhierna te noemen de vader.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het gezamenlijk verzoek met bijlagen van de moeder en de stiefvader, ingekomen op 3 februari 2026.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026.\n\nVerschenen zijn: de moeder en de stiefvader, bijgestaan door hun advocaat, en de vader.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder en de vader hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd.\n\n2.2.. Uit deze relatie zijn geboren:\n\n [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017,\n\n [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020,\n\nhierna soms ook te noemen de kinderen.\n\n2.3.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader. De moeder is belast met de uitoefening van het gezag. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds het uiteengaan van partijen bij de moeder.\n\n2.4.. De moeder heeft, na de verbreking van de relatie met vader, in november 2021 een relatie gekregen met de stiefvader. Op 1 april 2022 is de stiefvader officieel bij de moeder en de kinderen ingetrokken.\n\n2.5.. Op 18 september 2024 zijn de moeder en de stiefvader met elkaar getrouwd. Uit dit huwelijk is geboren: [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2024 in [geboorteplaats 1] . De moeder en de stiefvader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over haar.\n\n2.6.. Tussen de moeder en de vader is er geen contact meer. De laatste keer dat er contact was, was op 19 februari 2024 via Whatsapp. Vanaf 2023 is er geen omgang meer tussen de vader en de kinderen.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het verzoek strekt ertoe, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad, om de moeder en de stiefvader gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te belasten op grond van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek, en te bepalen dat de griffier dit laat aantekenen in het gezagsregister.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n\nDe moeder en de stiefvader voeren aan dat zij aan de formele eisen voldoen om gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te worden belast. Zij dragen al langer dan een jaar de zorg voor de kinderen en de moeder is langer dan drie aaneengesloten jaren alleen met het gezag belast geweest. Er is sprake van een stabiele gezinssituatie waar [minderjarige 2] en [minderjarige 1] al jaren deel van uitmaken. In 2024 is hun halfzusje, [minderjarige 3] , geboren. De moeder en de stiefvader zijn dagelijks belast met de verzorging en opvoeding van de kinderen en vinden het in het belang van de kinderen dat de juridische situatie voor wat het gezag betreft, aansluit bij deze feitelijke situatie. Er zijn geen feiten of omstandigheden die maken dat er vrees is dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. De vader is in 2023 uit het leven van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verdwenen en sindsdien speelt hij geen enkele rol meer in de verzorging en opvoeding van de kinderen. De moeder heeft altijd geprobeerd het contact tussen de kinderen en de vader te behouden. De vader heeft in de afgelopen jaren geen stappen ondernomen om tot contactherstel met de kinderen te komen en heeft niet gereageerd op contactverzoeken van de moeder. De moeder is niet bekend met het woonadres van de vader en in het BRP blijkt hij te zijn uitgeschreven op zijn laatst bekende woonadres. De moeder en de stiefvader zullen het contact tussen de kinderen en de vader bevorderen indien blijkt dat de vader hier ruimte voor heeft in zijn leven en dit ook in het belang van de kinderen kan worden geacht. De kinderen zien stiefvader als een eigen ouder en noemen hem ook ‘papa’. De moeder neemt de gezagsbeslissingen over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] al geruime tijd in gezamenlijk overleg met de stiefvader. De stiefvader behandelt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op dezelfde wijze als [minderjarige 3] en draagt ook in financiële zin zorg voor hen. De moeder en de stiefvader vinden het ook van belang dat er qua juridische gezagssituatie geen onderscheid bestaat tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , ook met het oog als de moeder onverhoopt zou komen te overlijden.\n\nDesgevraagd geeft de moeder aan dat zij bereid is te kijken of het mogelijk is om de vader informatie te verstrekken over de kinderen, mits dit in het belang van de kinderen is en in overleg met de hulpverlening die zij momenteel krijgen. Ook ten aanzien van het opstarten van omgang\u002Fcontactherstel in de toekomst geeft de moeder aan dat dit alleen kan in overleg met de hulpverlening en uiterst zorgvuldig zal moeten gebeuren nu de kinderen niet opnieuw teleurgesteld moeten worden in hun vader.\n\n4.2.. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij het verzoek van de moeder en de stiefvader begrijpt en dat hij geen verweer zal voeren. De vader voert aan dat hij uit een lastige periode komt waarin hij zichzelf verloren had, zijn leven niet stabiel was en er sprake was van persoonlijke problematiek. Ook had hij geen eigen woonruimte. Hij heeft hulp gekregen om zijn leven weer op te bouwen en is inmiddels in wat rustiger vaarwater terecht gekomen. De vader geeft aan dat het laatste contact met de kinderen begin 2023 is geweest. De vader hoopt dat in de toekomst, als zijn situatie weer helemaal stabiel en rustig is, het contact tussen hem en de kinderen hersteld kan worden. Hij begrijpt dat dat zorgvuldig moet gebeuren en dat daarbij gekeken moet worden naar het belang van de kinderen.\n\n5. De beoordeling\n\nWijziging gezag\n\n5.1.. Het verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n5.2.. Ingevolge artikel 1:253t, eerste lid, van het BW kan de rechtbank, indien het gezag bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts toegewezen, indien:\n\na. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en\n\nb. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.\n\nHet derde lid van dit artikel bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.\n\n5.3.. De rechtbank stelt op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht vast dat de stiefvader samen met de moeder al ruim vier jaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zorgt en hen opvoedt. De stiefvader ziet [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als zijn kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noemen hun vader ‘oude papa’ en zien de stiefvader als hun vader. Aan het vereiste dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de stiefvader in een nauwe persoonlijke betrekking tot elkaar staan en aan het vereiste dat de moeder en de stiefvader op de dag van het verzoek gedurende een aaneengesloten periode van ten minste een jaar gezamenlijk voor hen hebben gezorgd, is dan ook voldaan. Ook is voldaan aan het vereiste van de driejaarstermijn van artikel 1:253t, tweede lid, onder b van het BW, gedurende welke termijn de moeder alleen met het gezag over de kinderen belast moet zijn geweest. De moeder oefent vanaf de geboorte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] namelijk alleen het ouderlijk gezag over hen uit.\n\n5.4.. Verder is de rechtbank niet gebleken van feiten en\u002Fof omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zouden worden verwaarloosd als bedoeld in artikel 1:253t, derde lid, van het BW. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben al vanaf begin 2023 geen enkel contact meer met de vader. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangegeven dat hij in de toekomst het contact met de kinderen wenst te herstellen als zijn situatie stabiel is en als de kinderen daar aan toe zijn. De vader begrijpt het verzoek van de moeder en de stiefvader en heeft het verzoek ook niet weersproken. De moeder en de stiefvader hebben aangegeven open te staan voor eventueel contactherstel\u002Finformatieverstrekking aan de vader in de toekomst, maar wensen dit in overleg te doen met de hulpverlening nu de kinderen kwetsbaar zijn en niet weer teleurgesteld moeten worden in hun vader. Verder blijkt dat de moeder, de stiefvader, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun (half)zusje [minderjarige 3] een gezin vormen en dat het de bedoeling is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hen opgroeien, waarbij de moeder en de stiefvader de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen behartigen. De juridische situatie wordt door toewijzing van het verzoek ook in overeenstemming gebracht met de al jaren bestaande feitelijke situatie, waarbij de moeder beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen en in goed overleg met de stiefvader neemt.\n\n5.5.. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder en de stiefvader als niet weersproken en in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toewijzen en hen gezamenlijk belasten met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n5.6.. De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van het Besluit gezagsregisters bepalen dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking.\n\nProceskosten\n\n5.7.. Gelet op de aard van het geschil zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren.\n\n5.8.. Dit leidt tot de volgende beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. bepaalt dat [de stiefvader] , geboren op [geboortedag 4] 1988 te [geboorteplaats 3] , gezamenlijk met de moeder met de uitoefening van het gezag wordt belast over de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017;\n\n- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020,\n\nvoor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;\n\n6.2.. draagt de griffier op van deze beschikking een aantekening te maken in het gezagsregister;\n\n6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4.. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door de rechter mr. D.G. Bertsch, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.P.M. Dijkstra-Bakker, griffier, op 30 juni 2026.\n\nVoor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 \u002F Postbus 1312, 1000 BH). Het beroep moet worden ingesteld: - door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6613","2026-07-13T00:29:49.737Z",{"id":126,"ecli":127,"slug":128,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":77,"fullText":129,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":131,"parsedAt":53,"updatedAt":132},"1988","ECLI:NL:GHAMS:2026:1732","ecli-nl-ghams-2026-1732","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht en belastingrecht\n\nTeam III (familie- en jeugdrecht)\n\nzaaknummer: 200.344.709\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank: C\u002F15\u002F332362 \u002F FA RK 22-4558\n\nbeschikking van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 de zaak van\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,\n\nverzoekster in het principaal hoger beroep,\n\nverweerster in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna: de moeder,\n\nadvocaat: mr. C.C. Sneper te Amersfoort,\n\nen\n\n [de vader] ,\n\nwonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,\n\nverweerder in het principaal hoger beroep,\n\nverzoeker in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna: de vader,\n\nadvocaat: mr. M.H. Gillis te Hoorn.\n\nHet hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:\n\n- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,\n\n- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .\n\nIn de procedure heeft een adviserende taak:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\ngevestigd te Den Haag, locatie Haarlem ,\n\nhierna: de raad.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe zaak gaat over [minderjarige 2] (14 jaar) en het contact met haar vader.\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna: de kinderen) een zorgregeling vastgesteld en het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen afgewezen.\n\nDe moeder was het daar niet mee eens en vond dat de zorgregeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door het hof moest worden aangepast en dat de hoofdverblijfplaats bij haar moest worden bepaald. Later in de procedure heeft de moeder het hof verzocht alleen de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 2] te beperken of een raadsonderzoek te gelasten.\n\nDe vader was het wel eens met de bestreden beschikking. Verder wil hij dat er een raadsonderzoek wordt ingesteld of een bijzondere curator voor [minderjarige 2] wordt benoemd.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. \n\nDe moeder is op 12 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van de beschikking van\n\n14 mei 2024 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).\n\n2.2. De vader heeft op 16 oktober 2024 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.3. De moeder heeft op 29 november 2024 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.4. Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:\n\n- een bericht van de zijde van vader van 13 november 2024 met bijlage,\n\n- een bericht van de zijde van vader van 22 november 2024 met bijlagen,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 4 december 2024 met bijlagen.\n\n2.5. De voorzitter heeft op 4 december 2024 met [minderjarige 2] gesproken. [minderjarige 1] heeft in een brief aan het hof laten weten wat zijn mening is. De voorzitter heeft tijdens de mondelinge behandeling van 5 december 2024 de inhoud van het gesprek met [minderjarige 2] en de brief van [minderjarige 1] zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.\n\n2.6. Op 5 december 2024 heeft een zitting plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Het hof heeft op deze zitting besloten de zaak pro-forma aan te houden tot 2 maart 2025 om de uitkomsten van het hulpverleningstraject via Focus2BE af te wachten. Vervolgens is de zaak een aantal keer aangehouden om het verdere verloop van de hulpverlening gericht op het herstellen van het contact tussen [minderjarige 2] en de vader af te wachten. De partijen hebben zich op verschillende moment uitgelaten over het verloop van de hulpverlening, de onderlinge verhoudingen tussen de ouders en de gewenste verdere voortgang van de procedure.\n\n2.7. Na de zitting van 5 december 2025 zijn bij het hof de volgende nadere stukken binnengekomen:\n\n- een bericht van de vader van 26 februari 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 3 maart 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 5 maart 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 15 maart 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 15 mei 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 15 mei 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 7 september 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 31 januari 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 22 maart 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 23 maart 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 24 maart 2026, met bijlagen.\n\n2.8. De mondelinge behandeling is voortgezet op 2 april 2026. Verschenen zijn:\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en\n\n- de raad vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren [in] 2009 te [plaats 2] en [minderjarige 2] , geboren op [in] 2012 te [gemeente] . De ouders zijn getrouwd geweest en zijn op 9 maart 2022 gescheiden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van 21 februari 2022. Het gezamenlijk gezag over de kinderen is na de echtscheiding in stand gebleven.\n\n3.2. Aan de hiervoor genoemde echtscheidingsbeschikking van 21 februari 2022 is een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan gehecht waarin - voor zover hier van belang - het volgende staat vermeld:\n\n- artikel 2.3 van het echtscheidingsconvenant: De ouders zijn overeengekomen dat beide kinderen ingeschreven zullen worden op het woonadres van de moeder, zodra zij een eigen woonadres heeft om zich in te schrijven. Tot zolang blijven de kinderen ingeschreven bij de vader.\n\n- artikel 4 van het ouderschapsplan: De ouders hebben overlegd over de wijze waarop zij na de scheiding de zorg willen verdelen. De ouder waar de kinderen verblijven is verantwoordelijk voor de dagelijkse zorg. De ouders zijn de volgende zorgregeling overeengekomen. Er is geen zorgregeling in tijd en plaats. Moeder volgt rooster vader op zo'n manier dat de verdeling 50\u002F50 is per periode van 28 dagen. Dit wordt elke periode opnieuw bekeken vanwege onregelmatig werkrooster. Dit wordt opnieuw bekeken als de contractbasis waarop moeder werkt verandert. Een mogelijkheid is een contract van 50%. In dat geval zal het co-ouderschap om de week worden.\n\n3.3. Bij proces-verbaal van de rechtbank van 8 november 2022 zijn partijen in de onderhavige zaak verwezen naar het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Bij tussenbeschikking van de rechtbank van 25 november 2022 is de beslissing in de bodemzaak over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie aangehouden in afwachting van bericht van de gemeente [gemeente] , de raad of partijen over het verloop en de uitkomsten van het hulpverleningstraject in het kader van het UHA.\n\n3.4. Uit het eindverslag van Altra, door de rechtbank ontvangen op 29 januari 2024, blijkt dat het hulpverleningstraject is gestagneerd en de doelen niet zijn behaald.\n\n4. De omvang van het hoger beroep\n\n4.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat [minderjarige 1] in de oneven weken van maandag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft en in de even weken bij de moeder, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen. Verder is bepaald dat [minderjarige 2] bij wijze van opbouwregeling in de week dat [minderjarige 1] bij de vader verblijft tweemaal bij de vader verblijft van donderdagmiddag uit school tot en met zondag aan het eind van de middag en daarna net als [minderjarige 1] in de oneven weken van maandag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen afgewezen.\n\n4.2. De moeder verzoekt in haar beroepschrift, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de zorgregeling voor beide kinderen te wijzigen, in die zin dat zij per datum beschikking eens in de twee weken een weekend van vrijdag tot zondag bij de vader verblijven alsmede dat de regeling van de vakanties blijft zoals overeengekomen, met uitzondering van de mei\u002Fkerstvakantie en de zomervakantie, waarvan zij de invulling vastgelegd wil zien door het hof. Tenslotte verzoekt de moeder dat het hoofdverblijf van de kinderen bij haar wordt vastgesteld.\n\n4.3. De vader verzoekt in zijn verweerschrift het beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader om de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals bepaald in de bestreden beschikking op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel tot een maximum van € 25.000,-. Verder verzoekt de vader om de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure van de vader, te weten € 3.440,56, alsmede tot betaling van de nakosten.\n\n4.4. De moeder verzoekt het hof om het incidentele hoger beroep van de vader in zijn geheel af te wijzen.\n\n4.5. De moeder heeft per brief van 2 februari 2026 het hof verzocht de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] te wijzigen en daarbij benadrukt dat [minderjarige 2] geen weekendregeling of vaste dag bij de vader meer wenst. Subsidiair verzoekt de moeder het hof een raadsonderzoek te gelasten.\n\n4.6. De vader verzoekt bij brief van 22 maart 2026 een bijzondere curator met een pedagogische en\u002Fof psychologische achtergrond te benoemen dan wel een raadsonderzoek te gelasten.\n\n4.7. \n\nOp de zitting op 2 april 2026 hebben de partijen, naar het hof begrijpt, het hof verzocht een tijdelijke zorgregeling vast te stellen en een bijzondere curator voor [minderjarige 2] te benoemen.\n\nVerder hebben partijen ter zitting hun verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] ingetrokken.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\n5.1. Omdat partijen hun verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] hebben ingetrokken, hoeft het hof hierop geen beslissing meer te nemen. De beoordeling van het hof gaat alleen nog over de verzoeken met betrekking tot [minderjarige 2] .\n\nHet wettelijk kader\n\n5.2. \n\nUit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:\n\n een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.\n\nDe standpunten\n\n5.3. De moeder vindt dat de zorgregeling moet worden afgestemd op de behoeften en wensen van [minderjarige 2] . Een co-ouderschapregeling is niet werkbaar. [minderjarige 2] wil geen weekendregeling met de vader meer en zelfs een vaste dag is haar te veel. Zij is wel bereid tot gestructureerd contact, maar de vader blijft hameren op een co-ouderschapsregeling. In de afgelopen periode heeft [minderjarige 2] contact gehad met de kindbehartiger om de situatie tussen haar en de vader te verbeteren. Er zijn verschillende gesprekken geweest, maar telkens loopt de communicatie tussen hen weer vast door de houding van de vader. Verder weigert de vader nog steeds met de moeder te communiceren. Volgens de moeder is de communicatie tussen de ouders niet verbeterd, terwijl een goede onderlinge communicatie noodzakelijk is voor de uitvoering van een zorgregeling. De moeder is van mening dat de zorgregeling moet worden beperkt in het belang van [minderjarige 2] . Een raadsonderzoek of de benoeming van een bijzondere curator kan nadere informatie opleveren die van belang is voor de beoordeling welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is.\n\n5.4. De vader wil dat onderzoek wordt gedaan naar de reden waarom [minderjarige 2] niet meer naar hem toe gaat. De zorgregeling wordt al een lange periode niet meer nageleefd en de vader ziet [minderjarige 2] weinig tot helemaal niet. Voor de vader is duidelijk dat [minderjarige 2] wel contact met hem wil, maar dat iets haar tegenhoudt. Zij stuurt hem berichten en neemt zelf contact op met de kindbehartiger. Hieruit blijkt dat zij zelf initiatief neemt om haar vader te zien. Volgens de vader worden er telkens stappen gemaakt in het contact tot er iets gebeurt waardoor het contact weer misloopt. De vader vermoedt dat de moeder hierin een rol speelt. Het doel van het onderzoek moet zijn dat wordt vastgesteld wat [minderjarige 2] tegenhoudt om weer volgens de co-ouderschapregeling bij hem te verblijven.\n\n5.5. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat zij wensen dat een bijzondere curator wordt benoemd en dat [minderjarige 2] tot die tijd één middag in de week naar de vader gaat. Als [minderjarige 2] dat wil, kan de tijdelijke regeling worden uitgebreid met een overnachting bij de vader. Het doel van de regeling is dat de vader en [minderjarige 2] samen tijd door kunnen brengen.\n\nHet advies van de raad\n\n5.6. De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende aangegeven. De ouders vinden het lastig om in het belang van de kinderen met elkaar te communiceren en hierdoor worden de kinderen belast met verantwoordelijkheden die zij niet kunnen dragen. [minderjarige 2] ervaart druk door de strijd tussen de ouders en raakt door de verstoorde verhoudingen verder verwijderd van haar vader. Eerdere hulpverlening is vastgelopen en de raad adviseert de ouders om via het traject solo-parallel ouderschap afspraken te maken, zodat de kinderen minder worden belast met de spanningen tussen de ouders. De raad merkt hierbij op dat andere trajecten gericht op gezamenlijk ouderschap niet meer aan de orde zijn. In eerste instantie zou het advies van de raad geweest zijn om een zorgregeling vast te stellen. Een raadsonderzoek of het benoemen van een bijzondere curator zal in dit geval niet veel toevoegen. De stem van [minderjarige 2] is voldoende gehoord. Er is een kindbehartiger betrokken (geweest) die naar [minderjarige 2] heeft geluisterd en heeft ingezet op contactherstel. De verantwoordelijkheid voor het bepalen van de zorgregeling moet niet alleen bij [minderjarige 2] komen te liggen. Nadat partijen ter zitting gezamenlijk hebben aangegeven dat zij het van belang vinden dat er een bijzondere curator wordt benoemd, heeft de raad zijn advies gewijzigd en geadviseerd een bijzondere curator te benoemen zodat onderzocht kan worden welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is. Het is van belang dat er een zorgregeling komt die aansluit bij de belastbaarheid van [minderjarige 2] . Tegelijkertijd benadrukt de raad dat [minderjarige 2] een vader heeft die betrokken wil zijn bij haar leven. Van de moeder wordt verwacht dat zij [minderjarige 2] aanspoort naar de vader te gaan, aldus de raad.\n\nDe beoordeling door het hof\n\n5.7. Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Het is de ouders de afgelopen jaren niet gelukt om het gedeelde ouderschap samen vorm te geven. Er is sprake van wederzijds wantrouwen tussen de ouders. Het hof constateert dat de ouders gebeurtenissen en situaties op wezenlijke punten verschillend beleven en duiden. Dit komt onder meer naar voren in hun lezing van de communicatie over de vakanties, het contact tussen [minderjarige 2] en de vader en de redenen waarom [minderjarige 2] op dit moment niet overeenkomstig de zorgregeling bij de vader verblijft. Tijdens de eerste zitting in hoger beroep zijn partijen overeengekomen dat de vader het initiatief zou nemen voor een hulpverleningstraject bij Focus2Be om het contact met [minderjarige 2] te herstellen. Op dat moment ging [minderjarige 2] al een aantal maanden niet meer naar haar vader toe en hield zij het contact met hem af. Tijdens de tweede zitting in hoger beroep is gebleken dat het contact tussen [minderjarige 2] en de vader nog niet is hersteld. De kindbehartiger heeft in een e-mailbericht van 19 maart 2026 aangegeven dat zij op dat moment geen mogelijkheden zag het traject gericht op contactherstel tussen [minderjarige 2] en de vader voort te zetten. Ter zitting in hoger beroep zijn de ouders een tijdelijke zorgregeling overeengekomen, waaruit het hof opmaakt dat de ouders kennelijk mogelijkheden zien om een (tijdelijke) regeling overeen te komen waarin de vader en [minderjarige 2] contact met elkaar zullen hebben.\n\n5.8. De ouders hebben ter zitting aangegeven dat zij willen dat een bijzondere curator onderzoekt welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is. Het hof zal geen bijzondere curator benoemen. Reden daarvoor is dat het hof zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht acht om een beslissing te kunnen nemen ten aanzien van de zorgregeling. De stem van [minderjarige 2] is in deze procedure voldoende naar voren gekomen en een advies van een bijzondere curator zal, gelet op de al aanwezige informatie, naar verwachting niet leiden tot nieuwe inzichten. Het nogmaals benoemen van een derde die in gesprek gaat met [minderjarige 2] is niet het middel om de voortdurende conflicten tussen de ouders op te lossen. De verantwoordelijkheid voor de zorgregeling behoort bij de ouders en niet overwegend bij [minderjarige 2] te liggen. Met de raad is het hof van oordeel dat het aan de ouders is om de spanningen tussen hen te verminderen, bijvoorbeeld door middel van het volgen van het traject solo-parallelouderschap, zoals door de raad geadviseerd. Daarnaast geldt dat met een onderzoek door een bijzondere curator tijd gemoeid zal zijn en dit zal in deze al langlopende procedure weer een periode van onzekerheid betekenen, hetgeen het hof niet in het belang van [minderjarige 2] acht. Daarnaast overweegt het hof dat de kindbehartiger nog steeds bij [minderjarige 2] betrokken is als vertrouwenspersoon en hiermee is er voor [minderjarige 2] een onafhankelijk persoon met wie zij kan spreken over het contact met haar vader. In die context kan in overeenstemming met de behoeften van [minderjarige 2] ook tot uitbreiding van de door de ouders op de zitting overeengekomen tijdelijke regeling worden gekomen.\n\n5.9. Het hof zal, gelet op het voorgaande, een zorgregeling vaststellen. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De komende periode dient gericht te zijn op het opbouwen van contact tussen [minderjarige 2] en de vader, waarbij de druk op haar zoveel mogelijk wordt beperkt. Het is in het belang van [minderjarige 2] dat zij op regelmatige basis contact heeft met haar vader. Zij heeft een vader die van haar houdt en deel wil uitmaken van haar leven. Omdat in de afgelopen periode het contact tussen de vader en [minderjarige 2] minimaal is geweest, is een co-ouderschapsregeling echter niet aan de orde. Het is positief dat de ouders ter zitting gezamenlijk tot een regeling zijn gekomen waarin [minderjarige 2] één middag in de week naar haar vader gaat en zij zelf mag bepalen of zij op den duur wil blijven slapen bij de vader. Het hof zal deze tijdelijke regeling als zorgregeling vaststellen. Met deze regeling kunnen [minderjarige 2] en de vader op regelmatige basis tijd met elkaar doorbrengen en wordt aangesloten bij haar behoeften. Hierbij geeft het hof de vader mee dat, hoe invoelbaar zijn wens om hervatting van de co-ouderschapsregeling ook is, het zijn contact met [minderjarige 2] ten goede zal komen als hij de situatie accepteert en luistert naar wat [minderjarige 2] van hem nodig heeft. Ten aanzien van de moeder merkt het hof op dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat de moeder het contact met de vader stimuleert en ondersteunt. Tot slot geeft het hof partijen mee dat als [minderjarige 2] vaker naar haar vader toe wil, zij daarvoor de ruimte moeten bieden.\n\n5.10. Gelet op bovenstaande ziet het hof, net zoals de raad, evenmin aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten.\n\n5.11. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats is het hof, net zoals de rechtbank, van oordeel dat de moeder geen belang heeft bij haar verzoek, omdat de inschrijving van de kinderen op het adres van de moeder niet ter discussie staat. Het hof wijst het verzoek van de moeder af.\n\n5.12. Het hof ziet gelet op de familierechtelijke aard van de procedure geen aanleiding om de moeder te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek van de vader zal worden afgewezen en het hof zal de proceskosten in hoger beroep tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, in principaal en incidenteel hoger beroep:\n\nvernietigt de in de bestreden beschikking van 14 mei 2024 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem voor [minderjarige 2] vastgestelde zorgregeling en in zoverre opnieuw beschikkende:\n\nbepaalt de verdeling van de zorg -en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 2] als volgt:\n\n [minderjarige 2] verblijft één middag in de week na school op een in onderling overleg tussen partijen en [minderjarige 2] te bepalen doordeweekse dag bij de vader, waarbij [minderjarige 2] als zij dat wil bij de vader kan blijven overnachten;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\ncompenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\nwijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. M.T. Hoogland en mr. M. Braak, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Tolman als griffier en is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1732","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:48.590Z",{"id":134,"ecli":135,"slug":136,"caseNumber":45,"courtId":137,"decisionDate":77,"fullText":138,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":139,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":53,"updatedAt":140},"369","ECLI:NL:GHARL:2026:4258","ecli-nl-gharl-2026-4258",70,"GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.360.780\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 190548)\n\nbeschikking van 30 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoeker](de vader),\n\nwonende te [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep,\n\nverweerder in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden,\n\nen\n\n [verweerster](de moeder),\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerster in het principaal hoger beroep,\n\nverzoekster in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. J. Robben te Leeuwarden.\n\nIn zijn toetsende en\u002Fof adviserende taak is gekend:\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad),\n\nregio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 20 november 2023, 26 november 2024 en 23 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 22 oktober 2025;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 17 november 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 3 december 2025 met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;\n\n- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlage(n);\n\n- een brief van de raad van 6 maart 2026, waarin de raad laat weten aanwezig te zullen zijn bij de zitting;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 18 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 25 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 28 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 29 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 1 juni 2026 met bijlage(n).\n\n2.2. De minderjarige [de minderjarige] heeft bij brief van 24 april 2026 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de verzoeken.\n\n2.3. De mondelinge behandeling heeft op 3 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en een vertegenwoordiger namens de raad.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\n3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen, afgewezen en, voor zover hier van belang, een (definitieve) zorgregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] eens per twee weken van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft en in de andere week van woensdag uit school tot donderdag naar school. De rechtbank heeft tevens een vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld.\n\n3.3. \n\nBlijkens het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 7 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [de minderjarige] :\n\n• in de ene week -de oneven weken- van woensdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij de vader verblijft en\n\n• in de andere week -de even weken- van woensdagmiddag na school tot donderdagmorgen naar school bij de vader verblijft;\n\n• op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per overtreding met een\n\nmaximum van € 2.500,-.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. Tussen partijen is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] .\n\n4.2. \n\nDe vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 juli 2025. Deze grief ziet op de vastgestelde (reguliere) zorgregeling.\n\nDe vader verzoekt het hof om de bestreden beschikking te wijzigen, in die zin dat als structurele zorgregeling heeft te gelden dat [de minderjarige] om de week van maandag uit school tot maandag naar school en op de vrije dagen tot 14.00 uur bij de moeder en de vader verblijft, althans een zodanig beslissing te nemen als door het hof in goede orde te bepalen.\n\n4.3. De moeder is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof om, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek in hoger beroep van de vader af te wijzen en haar verzoek in hoger beroep toe te wijzen door de bestreden beschikking waar het gaat om de beslissing ter zake van de zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader in de andere week van woensdag na school tot donderdag voor school te vernietigen en de beslissing ter zake van de zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader van eens per twee weken van woensdag uit school tot maandag naar school te bekrachtigen.\n\n4.4. De vader verzoekt het hof om de moeder in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken ongegrond te verklaren.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\n5.1. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.\n\n5.2. Het hof stelt voorop dat het hoger beroep van de ouders zich richt tegen de door de rechtbank vastgestelde reguliere zorgregeling. De vakantie- en feestdagenregeling is niet in geschil. De ouders zijn het erover eens dat de huidige reguliere zorgregeling onrustig is voor [de minderjarige] . De vader stelt zich op het standpunt dat er, overeenkomstig het advies van de raad aan de rechtbank, een co-ouderschapsregeling moet worden vastgesteld. Dit betekent volgens de vader dat er minder wisselmomenten zullen zijn en er meer rust voor [de minderjarige] zal ontstaan. De moeder heeft aangevoerd dat het verblijf van [de minderjarige] bij de vader in de andere week, van woensdag uit school tot donderdag naar school, te onrustig is en verstorend werkt in de schoolweek. Gelet op de slechte verstandhouding en communicatie tussen de ouders, is volgens de moeder een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [de minderjarige] . De moeder kan zich vinden in een zorgregeling waarbij [de minderjarige] eens per twee weken (in de oneven weken) van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft.\n\n5.3. \n\nDe raad heeft zich tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, anders dan bij de rechtbank, op het standpunt gesteld dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang is\n\nvan [de minderjarige] . De raad heeft hierbij gewezen op de verstoorde verstandhouding en het ontbreken van overleg tussen de ouders. De raad adviseert om een zorgregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] om de week bij de vader verblijft van woensdagmiddag na school tot maandagochtend naar school. De omgang in de andere week van woensdag op donderdag is volgens de raad te veel voor [de minderjarige] .\n\n5.4. \n\nNet als de raad vindt het hof dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [de minderjarige] is. Voor een co-ouderschapsregeling is vereist dat ouders met elkaar kunnen communiceren en samenwerken om te voorkomen dat het kind door een dergelijke regeling onnodig (extra) wordt belast. De ouders zijn in de afgelopen jaren niet in staat gebleken om op een constructieve wijze en in goed overleg invulling te geven aan het ouderschap.\n\nDe raad had de ouders bij de rechtbank geadviseerd om het traject solo parallel ouderschap in te zetten, zodat zij ieder op hun eigen manier het ouderschap kunnen invullen.\n\nDit traject is niet van de grond gekomen. De verstandhouding tussen de ouders is inmiddels langdurig verstoord en er bestaan grote zorgen over het effect daarvan op [de minderjarige] .\n\nEen co-ouderschapsregeling is onder deze omstandigheden niet reëel. Het hof zal het verzoek van de vader daartoe afwijzen.5.5. \n\nGelet op het voorgaande, ziet het hof, conform het door de raad ter zitting gegeven advies en het verzoek van de moeder, aanleiding om te bepalen dat [de minderjarige] om de week bij de vader zal verblijven van woensdag uit school tot maandag naar school.\n\nDeze zorgregeling bevat minder wisselmomenten dan de door de rechtbank vastgestelde regeling en is daardoor rustiger voor [de minderjarige] . Het hof acht dit, gelet op de ernstig verstoorde verstandverhouding tussen de ouders en de gevolgen daarvan voor [de minderjarige] ,\n\nhet meest in haar belang. Het hof zal, in navolging van de beslissing van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2025, bepalen dat de omgang bij de vader in de oneven weken zal plaatsvinden, zodat de zorgregeling aansluit bij de regeling van de jongste dochter van de vader.\n\n6. De slotsom\n\nOp grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de in de bestreden beschikking vastgestelde reguliere zorgregeling om doelmatigheidsredenen in zijn geheel vernietigen en in zoverre beslissen als volgt.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 23 juli 2025, wat betreft de vastgestelde reguliere zorgregeling, en in zoverre opnieuw beschikkende:\n\nverdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder aldus dat [de minderjarige] eens per twee weken -in de oneven weken- van woensdag uit school tot maandag naar school\n\nbij de vader verblijft;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, J.G. Knot en E. Leentjes, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 30 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4258","2026-07-13T00:28:26.417Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":45,"courtId":145,"decisionDate":77,"fullText":146,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":147,"sourceTimestamp":131,"parsedAt":53,"updatedAt":148},"371","ECLI:NL:GHARL:2026:4253","ecli-nl-gharl-2026-4253",60,"GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.362.708\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 436314)\n\nbeschikking van 30 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. A.M. Beuwer,\n\nen\n\n [verweerster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. E. El-Sharkawi.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet beroepschrift met producties, ingekomen op 17 december 2025;\n\neen journaalbericht namens de man van 28 januari 2026 met producties;\n\nhet verweerschrift;\n\neen journaalbericht namens de man van 4 juni 2026 met producties;\n\neen journaalbericht namens de vrouw van 5 juni 2026 met als bijlage een begeleidende brief van diezelfde datum;\n\neen journaalbericht namens de man van 10 juni 2026 met producties;\n\neen journaalbericht namens de man van 12 juni 2026 met een productie.\n\n2.2. De hierna te noemen [kind1] heeft bij ongedateerde brief, ingekomen bij het hof op 12 juni 2026, aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.\n\n2.3. De mondelinge behandeling heeft op 16 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk,\n\nde vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De vrouw heeft alleen de Egyptische nationaliteit. De man heeft de Egyptische en de Nederlandse nationaliteit.\n\n3.2. De man en de vrouw zijn [in] 2007 gehuwd in [plaats1] , Egypte.\n\n3.3. Zij zijn de ouders van:\n\n [kind1] , geboren [in] 2008 in [plaats1] , Egypte, en\n\n [de minderjarige2] , geboren [in] 2010 in [plaats1] , Egypte.\n\n3.4. \n [kind1] is [in] 2026 meerderjarig geworden.\n\n3.5. De vrouw heeft de rechtbank in eerste aanleg op 16 mei 2024 verzocht om:\n\nde echtscheiding tussen partijen uit te spreken;\n\nde hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vast te stellen;\n\nde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) vast te stellen op € 400,- per kind per maand; en\n\nde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) vast te stellen op € 1.330,- per maand.\n\n3.6. De man is in eerste aanleg niet verschenen.\n\n3.7. Op 12 februari 2025 is de hierna te noemen echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:\n\nde echtscheiding tussen partijen uitgesproken;\n\nde partneralimentatie bepaald op € 1.330,- per maand vanaf de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;\n\nde hoofdverblijfplaats van de dan nog beide minderjarige kinderen bij de vrouw bepaald;\n\nde kinderalimentatie bepaald op € 400,- per kind per maand met ingang van de datum van de beschikking.\n\n4.2. De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof:\n\nprimair: de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen dan wel al haar verzoeken af te wijzen; dan wel\n\nsubsidiair: die beschikking te vernietigen ten aanzien van de daarin vastgestelde kinder- en partneralimentatie en, opnieuw beschikkende, deze bijdragen vast te stellen als het hof juist oordeelt en wel met ingang van de datum van de door het hof te wijzen beschikking;\n\nmet compensatie van de kosten in die zin dat elk van partijen zijn eigen kosten draagt.\n\n4.3. De vrouw voert verweer. De vrouw vraagt het hof om:\n\nprimair: het verzoek in hoger beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen;\n\nsubsidiair: de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de daarin uitgesproken echtscheiding en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw; en\n\nbij nieuwe beschikking een kinder- en partneralimentatie vast te stellen als het hof juist oordeelt en wel met ingang van (primair) 1 oktober 2024 dan wel met ingang van (subsidiair) 17 december 2025.\n\n4.4. Bij beschikking van 17 maart 2026 heeft het hof geoordeeld dat de man tijdig hoger beroep heeft ingesteld van de bestreden beschikking en hem ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in hoger beroep.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nEchtscheiding\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.1. Partijen zijn in Egypte met elkaar gehuwd. Daardoor heeft deze zaak een internationaal karakter en dient het hof ambtshalve de rechtsmacht te onderzoeken.\n\n5.2. Omdat het verzoek tot echtscheiding is ingediend na 1 augustus 2022, dient de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dit geval beoordeeld te worden volgens de bevoegdheidsregels van de Verordening Brussel II-ter (nr. 2019\u002F1111). Op grond van artikel 3, aanhef en onder a sub v Brussel II-ter heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, omdat partijen de gewone verblijfplaats in Nederland hebben en de man sinds 1995 in Nederland woont.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.3. In het kader van de echtscheiding moet eerst worden vastgesteld of de echtscheiding in Egypte kan worden erkend in Nederland.\n\n5.4. Artikel 10:57 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt, voor zover hier van belang, in het eerste lid dat een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk in Nederland wordt erkend, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter (of een andere autoriteit) en indien aan die rechter (of die andere autoriteit) daartoe rechtsmacht toekwam. Voor de toepassing van artikel 10:57 BW is dus vereist dat de ontbinding van het huwelijk tot stand is gekomen door een beslissing van een rechter en constitutief is, nadat een behoorlijke rechtspleging heeft plaatsgevonden. De ontbinding van het huwelijk van partijen is niet tot stand gekomen door de uitspraak van de rechtbank na een behoorlijke rechtspleging. In plaats van die ontbinding uit te spreken, heeft de rechtbank immers vastgesteld dat de echtscheiding op 21 september 2012 heeft plaatsgevonden door de eenzijdige verklaring van de man. Van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake geweest. De uitspraak van de rechtbank is daarmee niet constitutief voor de ontbinding van het huwelijk, maar declaratoir van aard omdat wordt vastgesteld dat de “retourneerbare” echtscheiding heeft plaatsgevonden. De wilsverklaring van de man heeft de ontbinding van het huwelijk teweeg gebracht, niet de beslissing van de rechter. Op de erkenning van een ontbinding van een huwelijk door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten is artikel 10:58 BW van toepassing.\n\n5.5. In artikel 10:58 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is te lezen dat een ontbinding van het huwelijk in het buitenland, die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten is tot stand gekomen, erkend wordt indien:\n\nde ontbinding in deze vorm overeenstemt met een nationaal recht van de echtgenoot, die het huwelijk eenzijdig heeft ontbonden;\n\nde ontbinding in de staat waar zij geschiedde rechtsgevolg heeft; en\n\nduidelijk blijkt dat de andere echtgenoot uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust.\n\n5.6. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw nader toegelicht dat de vrouw erkent dat de echtscheiding in Egypte rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat deze echtscheiding in Egypte ook rechtsgevolg heeft. Echter, omdat sprake is van een eenzijdige verstoting (een recht van de man) kan deze echtscheiding niet worden erkend in Nederland. Nederland kent deze vorm van echtscheiding immers niet. Bovendien heeft de vrouw niet met de inschrijving van de echtscheiding ingestemd en heeft zij ook niet stilzwijgend ingestemd met de echtscheiding.\n\n5.7. Het hof is van oordeel dat voldaan is aan sub a en sub b van artikel 10:58 BW. De man had ten tijde van de ontbinding van het huwelijk in Egypte zowel de Egyptische als de Nederlandse nationaliteit. De ontbinding stemt overeen met het Egyptisch recht, terwijl de ontbinding in Egypte ook rechtsgevolg heeft. Daarover verschillen partijen ook niet van mening. Het hof dient daarom nog te beoordelen of uit de door partijen geschetste omstandigheden blijkt dat de vrouw stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust (sub c). Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en legt deze beslissing hierna uit.\n\n5.8. Het hof overweegt allereerst dat uit de door de man overgelegde productie 26 (bij journaalbericht van 10 juni 2026) blijkt dat de vrouw in 2007 en 2017 identiteitsbewijzen heeft aangevraagd. In 2007 stond op dit identiteitsbewijs dat de vrouw getrouwd was met de man, terwijl in 2017 dit niet meer op het identiteitsbewijs stond vermeld. Daarbij komt dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard dat zij geen verblijfsvergunning voor Nederland heeft gekregen in het kader van gezinshereniging met de man, maar op grond van verblijf bij een minderjarig kind (op grond van het Chavez-Vilchez-arrest). De vrouw kon ook niet naar Nederland komen op grond van gezinshereniging, omdat de man in Nederland inmiddels opnieuw was gehuwd en zij bovendien toestemming had moeten vragen aan de man om naar Nederland te komen. Hieruit volgt dat de vrouw er in Egypte naar heeft gehandeld dat zij van de man is gescheiden. Partijen hebben ook sinds de echtscheiding in 2012 geen rechtstreeks contact meer met elkaar gehad. Verder is van belang dat de families van partijen hebben bemiddeld om ervoor te zorgen dat de man zou bijdragen in de kosten van de kinderen. De vrouw heeft verder ter zitting verklaard dat zij wist dat er een echtscheiding was. Voor zover de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat een tante tegen haar heeft gezegd dat de echtscheiding van de man in het belang van de kinderen was teruggedraaid, overweegt het hof dat de vrouw dit op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat. Het hof is in het licht van de voorgaande van oordeel dat de vrouw heeft berust in de echtscheiding in Egypte.\n\n5.9. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de ontbinding van het huwelijk van partijen in 2012 in Egypte in Nederland wordt erkend. De vrouw kan dus niet opnieuw vragen om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en moet niet-ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek.\n\nKinder- en partneralimentatie\n\n5.10. Het hof overweegt dat de omstandigheid dat de vrouw niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot echtscheiding er niet aan in de weg staat om de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen te beoordelen. De vrouw hoeft hiervoor geen afzonderlijke procedure te starten. Het hof weegt hierbij mee dat zowel de man als de vrouw standpunten hebben ingenomen over de kinder- en partneralimentatie en dat zij deze standpunten tijdens de mondelinge behandeling nader hebben kunnen toelichten.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.11. Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3, aanhef en onder c, Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4\u002F2009) ook rechtsmacht wat betreft het verzoek betreffende de partneralimentatie, omdat dit een nevenverzoek is dat verbonden is met het echtscheidingsverzoek en de echtscheidingsbevoegdheid van de Nederlandse rechter niet uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust.\n\n5.12. De toepasselijkheid van het Nederlandse recht is ook hier niet in geschil, zodat het hof daarvan zal uitgaan.\n\nPartneralimentatie\n\n5.13. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw verklaard afstand te doen van haar recht op partneralimentatie. Het hof ziet daarom aanleiding om de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen op hetgeen door hem tot 16 juni 2026 is betaald.\n\nKinderalimentatie\n\n5.14. De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht kinderalimentatie vast te stellen. De man is in eerste aanleg niet verschenen. Daarop heeft de rechtbank een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vastgesteld.\n\n5.15. De man voert in hoger beroep aan dat de vrouw de behoefte van de kinderen en haar draagkracht om in die behoefte bij te dragen niet heeft onderbouwd, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.\n\n5.16. Het hof overweegt dat de vrouw - ondanks haar toezegging hiertoe - op geen enkele wijze inzage heeft gegeven in de behoefte van de kinderen en haar mogelijkheid om in deze behoefte bij te dragen. De vrouw heeft niet alleen nagelaten de hoogte van de behoefte van de kinderen te becijferen, maar zij heeft ook nagelaten om enig financieel stuk over te leggen. Dit terwijl de man wel inzage heeft gegeven in zijn inkomen en de vrouw nu zelf aanvoert dat zij in deeltijd werkt en inkomen uit arbeid heeft. De man heeft in hoger beroep wel verzocht om financiële gegevens van de vrouw. Het voorgaande klemt temeer nu de vrouw kennelijk langdurig in staat is geweest om zelf in de behoefte van de kinderen te voorzien. Weliswaar heeft de man gedurende een periode € 150,- per maand aan de vrouw voldaan, maar deze bijdrage was niet alleen ten titel van kinderalimentatie. De man betaalde hiermee ook de kosten van de huishouding. Daar komt bij dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep niet duidelijk is geworden over welke periode de man deze bijdrage heeft voldaan. Gelet op het vorenstaande wijst het hof het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie vast te stellen af, omdat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd.\n\n6. De slotsom\n\n6.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot echtscheiding. Daarnaast zal het hof beslissen over de verzoeken over de kinder- en partneralimentatie als hierna te melden.\n\n6.2. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2024 en opnieuw beschikkende:\n\nverklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding;\n\nwijst af het verzoek van de vrouw om een bijdrage vast te stellen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;\n\nwijst af het verzoek van de vrouw om een bijdrage vast te stellen in de kosten van haar levensonderhoud, met dien verstande dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud wordt bepaald op hetgeen de man tot 16 juni 2026 heeft voldaan;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\ncompenseert de kosten van het geding in hoger beroep;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, D.J.M. van de Voort en A.T. Bol, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 30 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4253","2026-07-13T00:28:26.489Z",{"id":150,"ecli":151,"slug":152,"caseNumber":45,"courtId":137,"decisionDate":77,"fullText":153,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":154,"sourceTimestamp":155,"parsedAt":53,"updatedAt":156},"1125","ECLI:NL:GHARL:2026:4230","ecli-nl-gharl-2026-4230","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht, handel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.860\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10929498)\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellante] ,\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld,\n\nhierna: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. I. Mercanoglu, die kantoor houdt te Almelo,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\ndie woont in [woonplaats2] ,\n\ndie ook hoger beroep heeft ingesteld,\n\nhierna: de man,\n\nadvocaat: mr. A. Harmanci, die kantoor houdt te Amsterdam.\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\nNaar aanleiding van het arrest van 28 oktober 2025 heeft op 28 mei 2026 een enkelvoudige mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.2. De kern van de zaak\n\n Het gaat in deze zaak om de vraag of de man gehouden is tot afgifte van een bruidsgave van 100 gram goud aan de vrouw. Het hof zal beslissen dat de man daartoe niet gehouden is, omdat aan de afspraak van partijen over de bruidsgave (‘mehir’) geen rechtsgevolg toekomt. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.3. De feiten3.1. Beide partijen hebben zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit.3.2. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. [in] 2023 hebben zij tegenover de imam een religieuze (huwelijks)ceremonie gehouden in [plaats1] en hebben zij een akte ondertekend met als titel ‘Nikah akti’. De man heeft in de procedure een versie (met vertaling) van de ‘Nikah akti’ overgelegd, die afwijkt van de versie (met vertaling) die de vrouw heeft overgelegd, in die zin dat daaraan op de regel die over de ‘mehir’gaat, het woord‘verilmiştir’is toegevoegd.3.3. Van 29 april 2023 tot en met 16 juli 2023 hebben partijen samengewoond. De vrouw is op 17 juli 2023 ingetrokken bij haar moeder en woont daar nog steeds.3.4. Op 18 augustus 2023 heeft de advocaat van de vrouw de man aangeschreven over de vermogensrechtelijke afwikkeling van de samenwoning tussen partijen. Aan de man is onder meer verzocht om 100 gram goud aan de vrouw af te geven. De man heeft daaraan geen gehoor gegeven.4. De vorderingen4.1. De vrouw heeft bij de rechtbank, voor zover van belang, in conventie gevorderd om de man te veroordelen om haar 100 gram goud te geven ten overstaan van een juwelier naar keuze van de vrouw in [plaats2] .4.2. De man heeft daartegen verweer gevoerd.4.3. In het bestreden vonnis van 14 mei 2025 heeft de rechtbank, voor zover van belang, de vorderingen van de vrouw afgewezen en de proceskosten in conventie tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.4.4. De vrouw heeft in hoger beroep vier grieven naar voren gebracht tegen het bestreden vonnis, die ertoe moeten leiden dat haar vordering in conventie alsnog wordt toegewezen, waarbij (zo nodig) een deskundigenonderzoek wordt gelast naar de echtheid van het woord ‘verilmiştir’ in de door de man overgelegde huwelijksakte en waarbij de partij, die door het hof in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties, inclusief de kosten van het deskundigenbericht, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en – bij gebreke van tijdige betaling – te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.4.5. De man heeft hiertegen verweer gevoerd en gevorderd om het hoger beroep van de vrouw ongegrond te verklaren en al haar eisen af te wijzen. De man heeft op zijn beurt incidenteel hoger beroep ingesteld en gevorderd om de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.5. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nDe rechtsmacht5.1. De zaak heeft een internationaal karakter. Daarom moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over de vordering. Hierbij zal het hof uitgaan van de kwalificatie van de in de ‘nikah akti’ overeengekomen ‘mehir’ als een rechtsverhoudingsui generis. Dit brengt mee dat de door het hof toe te passen regels van internationaal privaatrecht op de vordering tot afgifte van een bruidsgave van 100 gram goud niet voortvloeien uit een verdrag of verordening, maar uit het commune Nederlandse internationaal privaatrecht.5.2. \n\nDe vordering van de vrouw om de man te veroordelen tot afgifte van de in de ‘nikah akti’ overeengekomen ‘mehir’ betreft een zelfstandige dagvaardingsprocedure. Op grond van artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om hierover te oordelen, omdat de man als de gedaagde partij woonplaats heeft in Nederland.\n\nHet toepasselijke recht5.3. \n\nHet hof stelt vast dat de rechtbank (impliciet) het Nederlandse recht heeft toegepast op de vordering van de vrouw tot afgifte van het goud. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat er geen grief is gericht tegen de toepassing door de rechtbank van het Nederlandse recht, zodat ook het hof het Nederlandse recht zal toepassen.\n\nGeen rechtsgeldig huwelijk5.4. Tussen partijen staat vast dat zij [in] 2023 in [plaats1] een religieuze ceremonie hebben gehouden, begeleid door een imam, en dat zij daarmee beoogden een religieus huwelijk naar islamitisch recht met elkaar aan te gaan.5.5. In Nederland kan een huwelijk echter alleen tot stand komen als aan de voorwaarden van artikel 1:63 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan. Op grond van dit artikel geldt (onder meer) dat het huwelijk moet worden gesloten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Tussen partijen is niet in geschil dat dat dat niet is gebeurd en dat betekent dat tussen partijen geen rechtsgeldig huwelijk naar Nederlands recht tot stand is gekomen. De afspraak over de bruidsgave (de ‘mehir’)5.6. Naar het oordeel van het hof is op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting vast komen te staan dat de afspraak die partijen in de ‘nikah akti’ met elkaar hebben gemaakt – los van de vraag hoe die exact luidt, want dat is tussen partijen in geschil – door partijen werd beschouwd als integraal onderdeel van het religieuze huwelijk dat zij wilden sluiten. Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij het religieuze huwelijk hebben gesloten, omdat zij dan mochten samenwonen voor het islamitische geloof. Onderdeel van het religieuze huwelijk vormde het ondertekenen van de ‘nikah akti’ (in beide vertalingen vertaald als ‘huwelijksakte’) en de daarin opgenomen ‘mehir’. Partijen verschillen van mening over de wijze van totstandkoming daarvan en de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen. De vrouw stelt kort gezegd dat de afspraak werd gemaakt op verzoek van de vader van de man en dat hij haar had toegezegd het goud later te geven maar dat nooit heeft gedaan. De man stelt, kort gezegd, dat de afspraak werd gemaakt op verzoek van de moeder van de vrouw, omdat dat verplicht was bij een islamitisch huwelijk en dat het goud ook op dat moment aan de vrouw is voldaan. Wat er van de wijze van totstandkoming, de inhoud en de rechtsgevolgen van de ‘nikah akti’ ook zij, op grond van de beantwoording van de vragen ter zitting door partijen is naar het oordeel van het hof voldoende vast komen te staan dat partijen de overeenkomst hebben gesloten, omdat zij een religieus huwelijk aangingen en dat de overeenkomst daar niet los van kan worden gezien. Het hof acht het niet aannemelijk dat partijen deze afspraak ook zonder religieus huwelijk zouden hebben gemaakt. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat aan de afspraak over de bruidsgave geen rechtsgevolg toekomt. Toewijzing van de vordering van de vrouw tot voldoening van de ‘mehir’ – als integraal onderdeel van het door partijen beoogde religieuze huwelijk – zou leiden tot het toekennen van een rechtsgevolg aan een in Nederland niet als rechtsgeldig aan te merken huwelijk en daarmee indruisen tegen de bedoeling van de wetgever. De wetgever heeft de praktijk van de sluiting van religieuze huwelijken zonder voorafgaand Nederlands burgerlijk huwelijk willen uitbannen en heeft dat ten aanzien van de bedieners van de eredienst zelfs uitdrukkelijk strafrechtelijk verboden. Dat is in overeenstemming met fundamentele Nederlandse beginselen zoals de scheiding tussen kerk en staat, de betrouwbaarheid van de Nederlandse openbare registers (waaronder die van de burgerlijke stand) en de bescherming van (met name) de gehuwde vrouw tegen een onzekere en ongelijke juridische positie. De vrouw heeft daarom geen recht op afgifte van enige bruidsgave.5.7. Aan uitleg van de afspraak die partijen met betrekking tot de ‘mehir’in de huwelijksakte hebben gemaakt, komt het hof gelet op het vorenstaande niet toe. De grieven I en II van de vrouw blijven daarom onbesproken. Aan het bewijsaanbod om de echtheid van de akte aan te tonen waar grief III op ziet, komt het hof gelet op het voorgaande ook niet toe. Voor zover de vrouw in grief IV klaagt over de processuele gang van zaken in eerste aanleg, is het hof van oordeel dat zij bij zelfstandige behandeling van die klacht geen belang heeft. Het rechtsmiddel van hoger beroep dient er immers mede toe om eventuele omissies of misslagen die zich hebben voorgedaan in eerste aanleg te herstellen en partijen zijn in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om al hun inhoudelijk bezwaren tegen het bestreden vonnis aan het hof kenbaar te maken.5.8. Het hof zal het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen, onder verbetering van de gronden.5.9. Partijen hebben over en weer gevorderd om de andere partij te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. Het hof ziet daarvoor gelet op de aard van de procedure – die de afwikkeling van de affectieve relatie van partijen betreft – geen aanleiding. Het hof zal de beslissing over de proceskosten in eerste aanleg in conventie bekrachtigen en bepalen dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt – onder verbetering van de gronden – het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 14 mei 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in hoger beroep.\n\nDit arrest is gewezen door mr. E. Leentjes, mr. J.G. Knot en mr. C. Coster en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n Artikel 1:68 BW en artikel 449 van het Wetboek van Strafrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4230","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:05.382Z",{"id":158,"ecli":159,"slug":160,"caseNumber":45,"courtId":145,"decisionDate":161,"fullText":162,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":163,"sourceTimestamp":161,"parsedAt":53,"updatedAt":164},"1911","ECLI:NL:GHARL:2026:4193","ecli-nl-gharl-2026-4193","2026-06-25T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.365.414\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland 452145\n\nbeschikking van 25 juni 2026\n\nover de beëindiging van het gezag over [de minderjarige1]\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster](de moeder)\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. E.E.M. Messink\n\nen\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad)\n\nregio Gelderland, locatie Arnhem\n\nen\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI)\n\ndie is gevestigd in Arnhem\n\nen\n\n [belanghebbende1](de pleegmoeder)\n\ndie woont in [woonplaats2] .\n\nHet hof merkt als informant aan:\n\n [informant1](de vader)\n\ndie woont in [woonplaats3] , gemeente [gemeentenaam] .\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige1] beëindigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nDe ouders hebben een kind: [de minderjarige1] ( [de minderjarige1] ), die is geboren [in]\n\n 2019.\n\n2.2.. De moeder heeft het gezag over [de minderjarige1] .2.3.. \n [de minderjarige1] verblijft sinds [datum1] 2022 bij de pleegmoeder in een netwerkpleeggezin.\n\n2.4. \n [de minderjarige1] is op 13 januari 2023 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn verlengd tot 13 januari 2027.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen.\n\n3.2.. De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 19 november 2025. De beslissing is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling en (machtiging tot) uithuisplaatsing zijn blijven doorlopen.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt.\n\n4.2.. De raadwil dat de beslissing in stand blijft.\n\n4.3.. De GIwil dat de beslissing in stand blijft. Ook de pleegmoeder wil dat de beslissing in stand blijft.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.4.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 9 februari 2026\n\nde spreekaantekeningen van de raad\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde moeder met haar advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad\n\neen vertegenwoordiger van de GI\n\nde dochter van de pleegmoeder, als informant\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1.. De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt.\n\n5.2.. Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen.\n\nWat vinden partijen?\n\n5.3.. Volgens de moeder is de zogenoemde ‘aanvaardbare termijn’ nog niet verstreken. De moeder vindt dat er onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat zij een traject bij [naam1] is gestart om aan haar persoonlijke problematiek te werken. De moeder heeft goede hoop dat zij op enig moment weer zelf voor [de minderjarige1] kan zorgen. Voor de moeder werkt het niet om meerdere therapieën en trajecten tegelijk te volgen. Zij wil eerst focussen op haar therapie bij [naam1] , daarom heeft zij niet meegewerkt aan het NIKA-traject en de begeleide omgang. Inmiddels is er volgens de moeder wel een intakegesprek ingepland met een instantie die de omgang gaat begeleiden. Volgens de moeder ontvangt zij niet altijd alle informatie over [de minderjarige1] en verloopt de communicatie met de pleegmoeder niet goed. Hierdoor is het voor haar lastig om toestemming te geven voor gezagsbeslissingen. De moeder heeft geen toestemming gegeven voor speltherapie van [de minderjarige1] , omdat zij vindt dat de problemen van [de minderjarige1] voortkomen uit het feit dat [de minderjarige1] niet meer bij haar woont. Het uitbreiden van het contact is volgens de moeder de oplossing voor de problemen van [de minderjarige1] .\n\n5.4.. De raad vindt dat is voldaan aan de voorwaarden voor het beëindigen van het gezag. De raad benadrukt dat binnen het kader van de ondertoezichtstelling veel hulpverlening is ingezet, gericht op de behandeling van de moeder, het versterken van de opvoedvaardigheden van de moeder en het onderzoeken van een terugplaatsing. Veel van de ingezette hulpverlening heeft de moeder vroegtijdig stopgezet. Volgens de raad ontwikkelt [de minderjarige1] zich goed in het gezin van de pleegmoeder en ligt zijn perspectief daar. Dat de moeder weigert toestemming te geven voor de speltherapie van [de minderjarige1] baart de raad zorgen. Volgens de raad laat de moeder hiermee zien dat zij geen inzicht heeft in wat [de minderjarige1] nodig heeft. De raad vindt het positief dat de moeder hulpverlening bij [naam1] is aangegaan, maar dit traject is niet meer van invloed op het perspectief van [de minderjarige1] . [de minderjarige1] heeft een instabiel verleden en er is sprake van hechtingsproblematiek. Hij heeft daardoor extra behoefte aan stabiliteit, structuur en duidelijkheid. Volgens de raad is het daarom ook in het belang van [de minderjarige1] dat het gezag van de moeder wordt beëindigd en dat duidelijk is dat zijn perspectief binnen het pleeggezin ligt.\n\n5.5.. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige1] heel belangrijk is. Hier heeft de GI twee jaar lang op ingezet, maar dit komt nog niet goed van de grond. Volgens de GI is het een terugkerend patroon dat de moeder de hulpverlening en de omgang stopt op het moment dat het te dichtbij komt. Dit is volgens de GI heel moeilijk voor [de minderjarige1] . Volgens de GI is het belangrijk dat de moeder de hulpverlening afrondt.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.6.. De rechtbank heeft het gezag van de moeder op goede gronden beëindigd. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom in stand laten (bekrachtigen). Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe.\n\n5.7.. Het hof overweegt, zoals de rechtbank dat ook heeft gedaan, dat het voor [de minderjarige1] , voor de pleegmoeder, maar ook voor de moeder belangrijk is dat er duidelijkheid komt over het opgroeiperspectief van [de minderjarige1] . Dit is vooral belangrijk, omdat bij de moeder de - heel begrijpelijke - wens blijft bestaan dat zij zelf voor [de minderjarige1] zal zorgen. Het hof vindt dat echter niet in het belang van [de minderjarige1] , omdat de aanvaardbare termijnruimschoots is verstreken. [de minderjarige1] woont immers al sinds hij drie maanden oud is (eerst in het kader van een vrijwillige plaatsing) bij de pleegmoeder en hij kan daar ook blijven wonen. De pleegmoeder biedt [de minderjarige1] een stabiele en veilige opvoedomgeving. Aan de zijde van de moeder is - ook nu nog - geen sprake van een stabiele leefsituatie. De moeder heeft het traject bij [naam1] nog niet volledig doorlopen, zij heeft geen ruimte om mee te werken aan het NIKA-traject en tot voor kort wilde de moeder niet deelnemen aan de begeleide omgang met [de minderjarige1] . Er is hierdoor al langere tijd geen contact meer tussen [de minderjarige1] en de moeder. Ook de belafspraken tussen [de minderjarige1] en de moeder verlopen nog niet goed. De moeder kan [de minderjarige1] iedere dinsdag bellen, maar het lukt de moeder niet om die afspraak iedere week na te komen.\n\n5.8.. Het hof vindt het een positieve ontwikkeling dat de moeder gestart is met haar behandeling bij [naam1] en dat zij inmiddels openstaat voor begeleide omgang. Het hof hoopt dat de moeder de opgaande lijn kan vasthouden zodat ook het NIKA-traject in de toekomst opgestart kan worden. De moeder speelt een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige1] . Zij blijft altijd zijn moeder. De raad en de GI hebben tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat zij het heel belangrijk vinden dat de moeder in het leven van [de minderjarige1] betrokken blijft. Het hof sluit zich daarbij aan. Het hof gunt het de moeder dat zij de opgaande lijn doorzet, zodat zij een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige1] kan (blijven) spelen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van\n\n19 november 2025.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Feunekes en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n artikel 1:266 lid 1 onder a en b BW\n\n Artikel 3 en artikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind\n\n De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4193","2026-07-13T00:29:45.056Z",{"id":166,"ecli":167,"slug":168,"caseNumber":45,"courtId":169,"decisionDate":161,"fullText":170,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":171,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":53,"updatedAt":172},"1292","ECLI:NL:RBOBR:2026:4805","ecli-nl-rbobr-2026-4805",72,"RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats ’s-Hertogenbosch\n\nzaaknummers : 12105467 TD VERZ 26-110 & 12133250 TD VERZ 26-165\n\ndatum : 25 juni 2026\n\n [griffier]beschikking op een verzoek tot onderbewindstelling en instelling mentorschap\n\nop verzoek van\n\n [verzoeker] ,\n\nwonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,\n\nhierna te noemen: de zus,\n\nmet betrekking tot\n\n [betrokkene] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,\n\nwonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,\n\nhierna te noemen: betrokkene,\n\ngemachtigde mr. J.B.G. Gelissen.\n\nprocedure\n\nDe kantonrechter heeft kennisgenomen van:\n\nhet verzoek van de zus tot het instellen van een bewind voor betrokkene, met bijlagen, ontvangen op 19 februari 2026;\n\nde e-mails van de zus met bijlage, ontvangen op 3 maart 2026;\n\nhet verzoek van de zus tot het instellen van een mentorschap voor betrokkene, met bijlagen, waaronder haar bereidverklaringen bewindvoerder en mentor, ontvangen op 10 maart 2026;\n\nhet verweerschrift van [nicht] (hierna te noemen: de nicht), ontvangen op 18 maart 2026;\n\nde brief met bijlagen van de zus, ontvangen op 20 maart 2026;\n\nde brief van de zus van 31 maart 2026;\n\nde e-mail van [broer] (hierna te noemen: de broer), ontvangen op 26 maart 2026;\n\nde e-mail van de gemachtigde van betrokkene, ontvangen op 15 april 2026;\n\nde e-mail van de broer, met als bijlage een verweerschrift houdende een zelfstandig verzoek, ontvangen op 25 april 2026;\n\nhet verweerschrift met bijlagen van betrokkene, ingediend door zijn gemachtigde, ontvangen op 22 mei 2026;\n\nde e-mail van de gemachtigde van betrokkene met aanvullende producties, waaronder de bereidverklaringen bewindvoerder en mentor van de nicht, ontvangen op 26 mei 2026;\n\nde aanvullende informatie en bereidverklaringen van de broer, ontvangen op 23 juni 2026.\n\nHet verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 28 mei 2026. Ter zitting zijn verschenen: betrokkene en zijn gemachtigde mr. J.B.G. Gelissen, de zus van betrokkene met haar echtgenoot, en de nicht van betrokkene (dochter van een overleden zus van betrokkene). De broer van betrokkene is via een Teams videoverbinding over het verzoek gehoord.\n\nbeoordeling\n\nSamengevat moet de kantonrechter beoordelen of het noodzakelijk is de goederen van betrokkene onder bewind te stellen en een mentorschap ten behoeve van betrokkene in te stellen. Als die noodzaak bestaat, moet worden bepaald wie de maatregelen zal gaan uitvoeren. Betrokkene en zijn familieleden verschillen hierover onderling van mening.\n\nDe nadere inhoudelijke beoordeling door de kantonrechter is uit privacyoverwegingen voor betrokkene opgenomen in een aparte bijlage bij deze beschikking. Deze bijlage maakt in zijn geheel onderdeel uit van de beschikking.\n\n Uit de processtukken en de behandeling op de zitting blijkt dat betrokkene als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand onvoldoende in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Daarom zal de kantonrechter bewind instellen. De kantonrechter zal de in de beslissing genoemde personen tot bewindvoerders benoemen, nu daartegen geen gegronde bezwaren zijn gebleken.\n\nBetrokkene is (op dit moment) niet in staat om de rekening en verantwoording te beoordelen. Betrokkene is (op dit moment) niet in staat om toestemming te geven voor de handelingen als bedoeld in artikel 1:441 Burgerlijk Wetboek.\n\nUit de processtukken en behandeling op de zitting blijkt ook dat betrokkene vanwege zijn geestelijke of lichamelijke toestand onvoldoende in staat is zijn niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Daarom zal de kantonrechter naast het bewind een mentorschap instellen. De kantonrechter zal de in de beslissing genoemde mentoren benoemen, nu daartegen geen gegronde bezwaren zijn gebleken.beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n- stelt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking\n\neen bewind in over de goederen die [betrokkene](zullen) toebehoren vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand;\n\n- benoemt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking tot bewindvoerders: [nicht] , wonende te [postcode] ’ [woonplaats] , [adres] , en [broer] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ;\n\n- stelt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking\n\neen mentorschap in ten behoeve van [betrokkene];\n\n- benoemt met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking tot mentoren: [nicht] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] , en [broer] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ;\n\n- wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C.S.M. Morel, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger\n\nberoep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:\n\na. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nb. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan\n\nof nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.\n\nBijlage\n\nOverwegingen van de kantonrechter\n\nDe verzoeken en de verweren\n\nDe zus van betrokkene verzoekt de goederen van betrokkene onder bewind te stellen, met benoeming van zichzelf tot bewindvoerder. Zij verzoekt ook een mentorschap in te stellen ten behoeve van betrokkene, met benoeming van zichzelf tot mentor.\n\nDe zus acht betrokkene niet meer in staat om zelfstandig zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijk belangen naar behoren te behartigen. Zij verwijst naar een verklaring van de casemanager dementie uit [woonplaats] van 31 januari 2026, waarin staat dat betrokkene is gediagnosticeerd met dementie en dat zijn cognitieve vermogens afnemen.\n\nZij verwijst ook naar de brief van een notaris van 9 juli 2024, waaruit blijkt dat deze notaris betrokkene op dat moment niet wilsbekwaam achtte. De nicht regelt veel zaken voor betrokkene. In de afgelopen jaren heeft echter een aantal zaken plaatsgevonden waardoor de zus haar vertrouwen in de nicht is verloren. Bovendien is betrokkene recent door zijn nicht van [woonplaats] naar ’ [woonplaats] verhuisd zonder dat de zus daarover is geïnformeerd. Hoewel zij op dat moment eerste contactpersoon was voor de zorg in [woonplaats] , wist zij enige tijd niet waar betrokkene zich bevond en of alles in orde was met hem. Zij maakt zich zorgen.\n\nNa indiening van haar verzoeken heeft de zus verklaard niet langer zelf benoemd te willen worden tot bewindvoerder en mentor van betrokkene. Zij acht in plaats daarvan benoeming van een onafhankelijke professionele bewindvoerder en mentor aangewezen.\n\nDe nicht vraagt in haar verweerschrift een onafhankelijk medisch deskundige aan te wijzen om de wilsbekwaamheid en de aard van het hersenletsel van betrokkene objectief vast te stellen. Zij acht betrokkene nog voldoende in staat om zelfstandig zijn belangen te behartigen. Zij twijfelt aan de diagnose dementie. Betrokkene is in het voorjaar van 2026 in overleg met de nicht en de broer verhuisd, iets waar zij al een aantal jaar mee bezig waren. Hij is sindsdien behandeld voor het syndroom van Wernicke en het gaat veel beter met hem, nu hij al enige tijd veel minder drinkt dan voorheen. Voor het geval de kantonrechter instelling van een bewind en mentorschap noodzakelijk acht, verzoekt zij onafhankelijke professionals te benoemen. In een later schrijven heeft zij zichzelf bereid verklaard om tot bewindvoerder en mentor benoemd te worden. Zij is de meest betrokken mantelzorger en nauw betrokken contactpersoon en vertrouwenspersoon van haar oom. Zij ziet zich in haar mogelijkheden om haar oom bij te staan in financiële en medische zaken gesaboteerd door de zus. Betrokkene heeft volgens haar veel last van de strijd die binnen de familie is ontstaan.\n\nDe broer (oom van de nicht) vraagt in zijn verweerschrift het verzoek van de zus af te wijzen en op dit moment geen enkel verzoek tot het instellen van een bewind en mentorschap te behandelen, omdat er geen spoed voor bestaat. Betrokkene woont op een goede nieuwe plek binnen de muren van een verzorgingshuis, waar het goed met hem gaat. De broer wenst dat de huidige situatie in stand blijft. Als de kantonrechter toch een maatregel noodzakelijk acht, dan verzoekt hij om de vertrouwensband tussen betrokkene en zijn mantelzorger, de nicht, niet los te koppelen, en de nicht én zichzelf tot bewindvoerders en mentoren te benoemen.\n\nDe gemachtigde van betrokkene vraagt in het verweerschrift de verzoeken van de zus nietig of niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen omdat op geen enkele wijze is aangetoond dat betrokkene niet in staat zou zijn om zijn belangen behoorlijk waar te nemen. Betrokkene heeft geen schulden. Hij is onlangs verhuisd en woont momenteel zelfstandig in een appartement in een zorgcomplex. Uit niets blijkt dat het niet goed zou gaan. Mocht de kantonrechter instelling van bewind en mentorschap noodzakelijk achten, is het de wens van betrokkene dat zijn nicht en zijn broer benoemd worden tot bewindvoerders en mentoren.\n\nDe overwegingen van de kantonrechter – procedureel verweer\n\nDe gemachtigde van betrokkene heeft primair gesteld dat de inleidende verzoeken van de zus nietig of niet-ontvankelijk zijn. Zij zouden niet aan de wettelijke eisen voldoen, omdat in het mentorschapsverzoek het actuele adres van betrokkene niet juist is vermeld en ten onrechte de broer als medeverzoeker is genoemd. Ook is de nicht niet als belanghebbende vermeld, zijn de stellingen van de zus niet deugdelijk onderbouwd en heeft zij niet alle onderdelen van de formulieren volledig ingevuld.\n\nDe kantonrechter wijst dit verweer af. De gestelde tekortkomingen leiden niet tot nietigheid van het verzoekschrift. Voor niet-ontvankelijkheid ziet de kantonrechter geen aanleiding. Zoals ter zitting is gebleken, was het op grond van de stukken en de toelichting daarop voor alle betrokkenen en ook voor de kantonrechter (over)duidelijk welke verzoeken ter beoordeling voorliggen en op welke gronden. De verzoeken zijn vervolgens uitgebreid besproken, waarbij alle betrokkenen op elkaars stellingen en argumenten hebben kunnen reageren.\n\nDe overwegingen van de kantonrechter – bewind en mentorschap\n\n Op grond van de stukken en hetgeen is besproken op de zitting acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat betrokkene als gevolg van een lichamelijke of geestelijke toestand niet langer in staat is zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen zelfstandig voldoende te behartigen.\n\nBetrokkene is eerder gediagnosticeerd met dementie. Ook als die diagnose niet juist zou zijn, is volgens zijn nicht sprake van niet-aangeboren hersenletsel, mogelijk als gevolg van langdurig alcoholgebruik. Hij valt regelmatig. De kantonrechter heeft op de zitting geconstateerd dat betrokkene moeite heeft met zijn kortetermijngeheugen en dat hij zich veel dingen uit het recente verleden niet herinnert. Betrokkene heeft dat ook zelf bevestigd. Om die reden schrijft hij zaken in zijn agenda op. Hij gebruikt dit als geheugensteuntje. Op de zitting heeft betrokkene zijn agenda onder meer bekeken toen het ging over zijn adres, de gang van zaken rondom zijn verhuizing en zijn ziekenhuisverblijf in het voorjaar, dat hij zich in eerste instantie niet herinnerde. Duidelijk is dat betrokkene hulp nodig heeft bij het regelen van financiële en niet-financiële zaken.\n\nBetrokkene heeft op de zitting aangegeven dat hij zich neerlegt bij de beslissing van de kantonrechter, maar dat hij liefst heeft dat de situatie blijft zoals die nu is. Zoals op de zitting echter duidelijk is geworden, lopen zowel de zus als de nicht tegen problemen aan omdat niet eenduidig is geregeld wie betrokkene mag vertegenwoordigen. Door de conflicten tussen beiden kunnen bepaalde zaken op dit moment niet (goed) geregeld worden.\n\nDe kantonrechter zal om de hiervoor genoemde redenen een bewind en mentorschap instellen ten behoeve van betrokkene.\n\nVervolgens is de vraag wie als bewindvoerder en mentor benoemd moet worden. Daarover overweegt de kantonrechter als volgt.\n\nHet uitgangspunt van de wet is dat bij de benoeming van een bewindvoerder en\u002Fof mentor de voorkeur van betrokkene wordt gevolgd, tenzij er gegronde redenen zijn die zich daartegen verzetten. Op de zitting heeft betrokkene een duidelijke voorkeur te kennen gegeven voor zijn nicht als bewindvoerder en mentor. Hij vertrouwt zijn nicht en hij accepteert haar. Zij hebben altijd veel contact gehouden en nu zij dichter bij elkaar wonen zien ze elkaar nog vaker. Hij voelt zich prima in zijn nieuwe woning en leven in ’s-Hertogenbosch. Als iemand hem moet helpen, dan moet zijn nicht dat doen. Daarnaast vindt hij het goed als ook zijn broer tot bewindvoerder en mentor wordt benoemd.\n\nDe kantonrechter ziet geen gegronde reden om af te wijken van de duidelijke voorkeur van betrokkene en licht dat als volgt toe.\n\nDuidelijk is dat sprake is van verstoorde familieverhoudingen tussen de zus enerzijds en de broer en nicht anderzijds. Zij maken elkaar over en weer verwijten en vertrouwen elkaar niet meer, hoewel zij allemaal het beste met betrokkene voor hebben en de afgelopen jaren betrokkene op verschillende momenten en manieren hebben bijgestaan.\n\nDe zus heeft aangegeven dat zij heeft gezien dat de nieuwe woonsituatie van betrokkene prima is. Zij meent echter vanwege haar eerdere ervaringen dat de nicht niet geschikt zou zijn als bewindvoerder en mentor. De nicht heeft dit in een uitgebreide reactie weersproken. Zij heeft de afgelopen maanden veel zorg geboden aan betrokkene en hij heeft ook een aantal weken bij haar gelogeerd na een val, voordat hij kon verhuizen. De broer (oom van nicht) heeft bevestigd dat het goed met betrokkene gaat en dat zijn nicht in overleg met betrokkene en de broer de verhuizing heeft geregeld naar een geschikte nieuwe woonplek. Hij meent dat de belangen van betrokkene op dit moment goed worden behartigd door de nicht als mantelzorger. Zij kent de wensen van betrokkene en is nauw betrokken bij zijn dagelijkse zorg en onderhoudt een goede relatie met de hulpverleners. Volgens de gemachtigde van betrokkene zijn er geen aanwijzingen voor financieel misbruik en heeft de bank van betrokkene dit bevestigd. Naar het oordeel van de kantonrechter is aldus niet gebleken van concrete feiten en omstandigheden die in de huidige situatie een belemmering vormen om de nicht en de broer als bewindvoerders en mentoren van betrokkene te benoemen.\n\nDe kantonrechter zal daarom de voorkeur van betrokkene volgen en de nicht en de broer gezamenlijk benoemen tot bewindvoerders en mentoren ten behoeve van betrokkene. De kantonrechter zal op de gebruikelijke wijze toezicht houden op de uitvoering van het bewind en het mentorschap. Dat betekent dat de bewindvoerders-mentoren verantwoording zullen afleggen aan de kantonrechter. Omdat betrokkene niet in staat wordt geacht om toestemming te geven voor de handelingen als bedoeld in artikel 1:441 Burgerlijk Wetboek, zullen de bewindvoerders voor dergelijke handelingen steeds tevoren toestemming aan de kantonrechter moeten verzoeken. Voor een nadere toelichting op de taken en verantwoordelijkheden van bewindvoerder en mentor verwijst de kantonrechter onder meer naar de informatie die is opgenomen op de website van de rechtspraak en in de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4805","2026-07-13T00:29:14.270Z",{"id":174,"ecli":175,"slug":176,"caseNumber":45,"courtId":177,"decisionDate":161,"fullText":178,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":179,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":53,"updatedAt":180},"362","ECLI:NL:RBGEL:2026:5283","ecli-nl-rbgel-2026-5283",68,"RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F467584 \u002F KZ ZA 26-76\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\nadvocaat: mr. S.L. Geeraths,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. M.A. Schuring.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de producties 1 tot en met 8 van [de eiser] - de producties 9 tot en met 15 van [de gedaagde] - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van [de gedaagde] .\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Partijen hebben de woning aan de [adres] gekocht. [de eiser] was voor 99% eigenaar, [de gedaagde] voor 1%. Kort na het verkrijgen van de woning zijn partijen uit elkaar gegaan, in april 2021.\n\n2.2.. \n\nBij vonnis van 5 februari 2025 heeft de rechtbank Gelderland op grond van tussen partijen gemaakte afspraken over de verdeling van de woning, [de eiser] veroordeeld om\n\n€ 10.000,00 aan [de gedaagde] te betalen en hem te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek. [de eiser] heeft op 26 maart 2025 € 10.000,00 aan [de gedaagde] betaald.\n\n2.3.. \n [de gedaagde] heeft een kort geding tegen [de eiser] aangespannen om haar te dwingen hem uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek te ontslaan. De mondelinge behandeling in het kort geding was op 29 oktober 2025, de zaak is toen aangehouden.\n\n2.4.. Op 26 februari 2026 is vonnis gewezen. De beslissing luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“5.1. veroordeelt [de eiser] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis, de\n\nverplichting waartoe zij op grond van het vonnis d.d. 5 februari 2025 is veroordeeld te doen\n\nnakomen inhoudende er zorg voor te dragen dat [de gedaagde] uit de hoofdelijke\n\naansprakelijkheid betreffende de hypothecaire geldlening wordt ontslagen op kosten van\n\n [de eiser] , zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor ieder dag, of deel daarvan,\n\ndat [de eiser] daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 30.000,00,”\n\nHet vonnis is op 3 maart 2026 aan [de eiser] betekend.\n\n2.5.. Op 20 maart 2026 heeft [de eiser] , via haar advocaat, per e-mail het volgende bericht gestuurd aan (de advocaat van) [de gedaagde] : “Cliënte is gisteren gebeld door de Rabobank dat er groen licht is gegeven op haar hypotheekaanvraag, waarbij uw client wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Client verwacht dat de formele offerte op hele korte termijn zal volgen. Indien en zodra ik nader verneem, bericht ik u per omgaande.”\n\n2.6.. Op 26 maart 2026 heeft de bank [de eiser] bericht dat de stukken naar de notaris werden gestuurd. De akte van verdeling is op 28 april 2026 gepasseerd. Op 30 april 2026 is de bestaande hypotheek afgelost en is [de gedaagde] ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.\n\n2.7.. \n\n [de gedaagde] maakt aanspraak op de dwangsommen vanaf 31 maart 2026 tot en met\n\n30 april 2026. De dwangsommen zijn geïncasseerd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [de eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat geen dwangsommen zijn verbeurd, althans de dwangsommen dienen te worden opgeheven, althans op nihil dienen te worden gesteld. Althans een zodanig vonnis te wijzen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. Kosten rechtens.\n\n3.2.. \n [de eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij alles op alles heeft gezet om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Er deed zich echter een opeenstapeling van externe factoren voor waardoor dit hele proces is vertraagd: gezondheidsklachten bij [de eiser] , de aanvankelijke weigering van de bank om te financieren, een bouwstop en een taxateur die niet kon taxeren. [de eiser] heeft alles gedaan om aan haar verplichtingen te voldoen. In het zicht van het ontslag van de bank en wetende dat het ontslag zou volgen, maakt [de gedaagde] aanspraak op de dwangsom. Het doel van de dwangsom, te weten het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, was al bereikt. Vanwege de agenda van de notaris en het feit dat de notaris niet beschikte over de gegevens van [de gedaagde] , is de akte van verdeling pas op 28 april 2026 gepasseerd.\n\n3.3.. \n [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , veroordeling van [de eiser] in de reële kosten van deze procedure. [de gedaagde] voert hiertoe aan dat [de eiser] zichzelf in de positie heeft gebracht dat er dwangsommen zijn verbeurd.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.2.. Het spoedeisend belang is niet betwist en volgt uit de aard van de vorderingen.\n\nDe dwangsommen zijn verbeurd\n\n4.3.. Primair stelt [de eiser] dat de in het vonnis van 26 februari 2026 niet zijn verbeurd. Bij beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, dient de rechter zich ertoe te beperken de ter uitvoering van de veroordelende beschikking verrichte rechtshandelingen te toetsen aan de inhoud van de hoofdveroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (ECLI:NL:HR:2007:AZ3085). Verder geldt in algemene zin dat bij de beoordeling van de vraag of het dictum is overtreden, in aanmerking dient te worden genomen dat het dictum van het vonnis moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen welke tot de beslissing hebben geleid (ECLI:NL:HR:1998:ZC2553, ECLI:NL:HR:2014:1532 en ECLI:NL:HR:2016:369).\n\n4.4.. \n\nDe feiten die [de eiser] heeft aangevoerd met betrekking tot de vertraging voorafgaand aan het vonnis van 26 februari 2026 zijn reeds getoetst en gewogen door de voorzieningenrechter in dat vonnis. Deze heeft overwogen in rechtsoverweging 4.3: “Omdat [de eiser] bij de voortzetting van deze procedure op 6 februari 2026 aangaf\n\ndat zij op korte termijn een reactie verwachtte van de bank, is aangegeven dat [de eiser] nog\n\ntot de vonnisdatum kon doorgeven of de aanvraag voor de hypotheek is goedgekeurd. De\n\nrechtbank heeft geen informatie meer ontvangen van [de eiser] . Verder heeft [de eiser] in deze procedure niet inzichtelijk gemaakt voor welk bedrag zij een lening heeft aangevraagd. Dit\n\nis van belang omdat de vertraging die [de eiser] oploopt omdat zij een hogere lening wenst\n\ndan nodig is om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor haar eigen\n\nrisico komt. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk dat het voor [de eiser] niet mogelijk was\n\nom [de gedaagde] afgelopen jaar te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, een deel van de vertraging lijkt ingegeven omdat [de eiser] voor een hoger bedrag financiering vraagt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [de eiser] inmiddels voldoende de\n\nmogelijkheid gehad om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Er is meer dan een jaar versteken sinds zij daartoe veroordeeld werd, de eerste zitting in deze zaak was van 21 oktober 2026 en de voortzetting was van 6 februari 2026, Sinds de voortzetting is geen reden meer gegeven voor de vertraging van de goedkeuring van de aanvraag.” Dat betekent dat enkel nog feiten van na 26 februari 2026 relevant zouden kunnen zijn.\n\n4.5.. \n\n [de eiser] voert aan dat zij aan de hoofdveroordeling heeft voldaan omdat zij op\n\n20 maart 2026 aan [de gedaagde] kenbaar heeft gemaakt dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Uit de e-mail van 20 maart 2026 van de advocaat van [de eiser] volgt weliswaar dat er groen licht is gegeven op de hypotheekaanvraag, maar ook dat de offerte nog niet was verstrekt en dat zij verwachtte dat dit op korte termijn zou volgen. Het was op dat moment voor [de gedaagde] dus nog niet voldoende duidelijk dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Bovendien is dit bericht niet afkomstig van de bank, maar van de advocaat van [de eiser] . Er was nog geen sprake van een aanbod van de bank. Dit klemt te meer omdat uit het vonnis van 26 februari 2026 volgt dat [de eiser] eerder dergelijke toezeggingen heeft gedaan en deze niet is nagekomen.\n\n4.6.. \n [de eiser] doet ook een beroep op haar e-mail van 26 maart 2026 aan haar advocaat waaruit volgt dat de stukken door de bank naar de notaris zijn gestuurd, maar deze is niet gedeeld met [de gedaagde] , terwijl [de gedaagde] ter zitting duidelijk heeft gemaakt dat hij geen inzage had in de bankomgeving. De voorzieningenrechter volgt [de eiser] daarom niet in haar stelling dat [de gedaagde] al voor het verlopen van de termijn uit de hoofdveroordeling wist dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Rond 20 april 2026, na het aflopen van de termijn uit de hoofdveroordeling, heeft [de gedaagde] de uitnodiging van de notaris voor het passeren van de verdelingsakte gekregen. Pas vanaf dat moment wist hij dat hij, behoudens onvoorziene omstandigheden, zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat [de eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de dwangsommen uit het vonnis van 26 februari 2026 niet zijn verbeurd. De primaire vordering van [de eiser] zal daarom worden afgewezen.\n\nDe dwangsommen worden niet opgeheven of op nihil gesteld\n\n4.7.. Subsidiair vordert [de eiser] opheffing of vermindering van de dwangsommen op grond van artikel 611d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).\n\n4.8.. Op grond van artikel 611d Rv kan de rechter de dwangsom opschorten, verminderen of opheffen wanneer er sprake is van een onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Vooropgesteld dient te worden dat artikel 611d Rv restrictief moet worden uitgelegd omdat tegen de uitspraak waarin de dwangsom is opgelegd rechtsmiddelen hebben opengestaan. Deze rechtsmiddelen – hoger beroep tegen het vonnis van 26 februari 2026 of een kort geding voorafgaand aan de termijn waarop de dwangsommen gaan lopen – zijn niet door [de eiser] benut. Bij de beoordeling of van een onmogelijkheid sprake is, dient de rechter na te gaan of in redelijkheid meer inspanning en zorgvuldigheid van de veroordeelde kan worden verwacht. Het is in dat kader aan [de eiser] als veroordeelde om aannemelijk te maken dat niet meer inspanning of zorgvuldigheid van haar mocht worden verwacht. Andere feiten en omstandigheden dan hiervoor besproken en afgewogen heeft [de eiser] niet gesteld.\n\n4.9.. Het klopt dat [de eiser] afhankelijk was van de notaris, maar de omstandigheid dat voor de naleving van een hoofdveroordeling de medewerking van anderen dan de veroordeelde noodzakelijk is, hoeft niet aan het uitspreken van een dwangsomveroordeling in de weg te staan (ECLI:NL:HR:2020:1783). De veroordeelde dient op grond van de hoofdveroordeling redelijkerwijs al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat deze anderen hun noodzakelijke medewerking verleenden. In dat kader heeft [de eiser] slechts bloot gesteld dat zij vijf notarissen heeft benaderd en de door haar gemaakte afspraak de eerste mogelijkheid was. Om aan te tonen dat zij redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om ervoor te zorgen dat een notaris tijdig zijn medewerking zou verlenen, had het op haar weg gelegen om correspondentie over te leggen waaruit volgt dat geen van de benaderde notarissen eerder plaats had en dat zij aan de door haar gekozen notaris kenbaar heeft gemaakt dat er spoed was bij haar aanvraag. De slotsom luidt dat ook de subsidiaire vorderingen van [de eiser] niet toewijsbaar zijn.\n\nDe proceskosten\n\n4.10.. \n [de gedaagde] vordert veroordeling van [de eiser] in de reële proceskosten, ten bedrage van € 2.523,35, omdat zij al hem meermaals heeft verplicht om een procedure te starten om hetgeen zij gezamenlijk hebben afgesproken af te dwingen en nu probeert middels een nieuwe procedure onder de dwangsom uit te komen.\n\n4.11.. In uitzonderlijke gevallen wordt vergoeding van de reële proceskosten toegewezen, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van procesbevoegdheid of onrechtmatig handelen door het instellen van de vorderingen. Dit is het geval als [de eiser] het instellen van haar vorderingen, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van [de gedaagde] achterwege had moeten laten. Daarvan kan pas sprake zijn als [de eiser] haar vorderingen heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is.\n\n4.12.. De slotsom luidt dat [de eiser] in het ongelijk is gesteld en daarom de proceskosten (inclusief nakosten) moet betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n341,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n760,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.290,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [de eiser] af,\n\n5.2.. veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 1.290,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\nJV\u002FKH","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5283","2026-07-13T00:28:26.105Z",{"id":182,"ecli":183,"slug":184,"caseNumber":45,"courtId":185,"decisionDate":186,"fullText":187,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":188,"sourceTimestamp":189,"parsedAt":53,"updatedAt":190},"1715","ECLI:NL:RBOVE:2026:3807","ecli-nl-rbove-2026-3807",69,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam kanton en handelsrecht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer : 12206774 \\ EJ VERZ 26-76\n\nBeschikking van de kantonrechter van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [verzoekster] , wonende te [woonplaats 1] ,\n\n2. [verzoeker], wonende te [woonplaats 2] ,\n\nsamen te noemen verzoekers,\n\ngemachtigde: mr. M.A. Stokroos, notaris te Rijssen.\n\nBelanghebbende is:\n\n [belanghebbende], geboren op [geboortedatum] 2009, dochter van verzoekers,\n\nwonende te [woonplaats 3] .\n\n1. De procedure1.1. \n [verzoekers] hebben een verzoekschrift ingediend, ontvangen op 29 april 2026, ingevolge artikel 1:345 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n1.2.. Het verzoek is behandeld op 17 juni 2026 waar verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Ook belanghebbende is verschenen.\n\n2. De beoordeling2.1. Op grond van artikel 1:345 BW behoeft de voogd machtiging van de kantonrechter om een overeenkomst strekkende tot beschikking over goederen van de minderjarige aan te gaan. Op grond van artikel 1:356 BW geeft de kantonrechter de machtiging slechts, indien dit hem in het belang van de minderjarige noodzakelijk, nuttig of wenselijk blijkt te zijn. Hij kan een bijzondere of een algemene machtiging geven en daaraan zodanige voorwaarden verbinden, als hij dienstig oordeelt. Op grond van artikel 1:253k BW zijn deze artikelen ook van toepassing op het bewind van de ouders.\n\n2.2. Bij de beoordeling van de vraag of het verlenen van de machtiging in het belang van de minderjarige is kunnen de volgende omstandigheden een rol spelen:\n\n- gewaarborgde continuïteit in de leefsituatie van de minderjarige;\n\n- de mening van de minderjarige, en\n\n- het doel van de transactie en het te verwachten resultaat voor de minderjarige.\n\n2.3. Het verzoek betreft de oprichting van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid met de naam [bedrijf] B.V., met zetel te [vestigingsplaats] . Het betreft een persoonlijke holding.\n\n2.4. De moeder van [belanghebbende] heeft de eenmanszaak [eenmanszaak] . De vader van [belanghebbende] heeft een dakdekkersbedrijf.\n\n2.5. In het verzoek staat vermeld dat [bedrijf] B.V. zal toetreden tot de eenmanszaak [eenmanszaak] , die na deze toetreding zal worden gewijzigd in een VOF.\n\n2.6. Opzet is dat [belanghebbende] gaat participeren in zowel het ondernemingsvermogen, via haar personal holding bv, alsmede het oprichten van een werkmaatschappij, samen met de holding van haar vader. In de gezamenlijke werkmaatschappij zullen jonge paarden worden getraind door [belanghebbende] en weer worden doorverkocht.\n\n2.7. Tijdens de mondelinge behandeling hebben verzoekers en hun gemachtigde toegelicht dat het feitelijk nu al zo is dat [belanghebbende] paarden opleidt en deze worden doorverkocht en dat het goed is om deze situatie formeel te regelen. [belanghebbende] rijdt paarden voor anderen en brengt de paarden op een hoger niveau.. Zij doet een BBL opleiding paardenhouderij bij het [college] in [plaats] .\n\n2.8. Tijdens de mondelinge behandeling is door de ouders en [belanghebbende] opgemerkt dat zij alles in onderling overleg doen. De ouders houden daarbij ook rekening met de belangen van hun andere twee kinderen. Ook willen zij het eerlijk doen tussen de kinderen.\n\n2.9. \n\nHun gemachtigde heeft tijdens de mondelinge behandeling in antwoord op vragen van de kantonrechter opgemerkt dat [belanghebbende] geen reële financiële risico’s loopt. Er is gekozen voor een bv structuur. [belanghebbende] is daarom niet als persoon aansprakelijk. [belanghebbende] is niet bestuurder. Er kan dus geen sprake zijn van bestuurdersaansprakelijkheid van [belanghebbende] .\n\nDe gemachtigde heeft daarnaast opgemerkt dat het niet de voorkeur heeft dat [belanghebbende] als minderjarige en vennoot zou gaan participeren in een VOF. Dit mede in verband met een eventuele hoofdelijke aansprakelijkheid van een vennoot. In de gekozen constructie zal de bv toetreden tot de eenmanszaak die na toetreding zal worden gewijzigd in een VOF. [belanghebbende] zal dus niet als persoon toetreden. Er is bewust voor gekozen om de aandelen niet te certificeren. Het is de bedoeling dat [belanghebbende] in de toekomst ook zeggenschap zal krijgen.\n\n2.10. De kantonrechter kan zich vinden in de wens van verzoekers om de feitelijke situatie een juridische structuur te geven. Verzoekers hebben toegelicht dat daarmee tevens een juridische basis wordt gelegd voor de toekomst. Ook heeft [belanghebbende] tijdens de mondelinge behandeling verklaard achter het verzoek te staan. Het verzoek is dus in het belang van de minderjarige en kan worden toegewezen.\n\n3. De beslissing3.1. Wijst het verzoek om een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid op te richten met de naam [bedrijf] B.V., met zetel te [vestigingsplaats] , toe.\n\nDeze beschikking is gegeven te Almelo door mr. U. van Houten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n(JHd(O)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3807","2026-07-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:35.445Z",{"id":192,"ecli":193,"slug":194,"caseNumber":45,"courtId":195,"decisionDate":186,"fullText":196,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":197,"sourceTimestamp":189,"parsedAt":53,"updatedAt":198},"1689","ECLI:NL:RBOVE:2026:3805","ecli-nl-rbove-2026-3805",57,"RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: C\u002F08\u002F334585 \u002F HA ZA 25-190\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [partij A],\n\nte [woonplaats 1] ,\n\neisende partij in conventie,\n\ngedaagde partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. J. Bouwhuis,\n\ntegen\n\n [partij B],\n\nte [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. M.E. Beeker.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 18 februari 2026;\n\n- de akte met producties 7a en 7b van de man van 17 maart 2026; - de brief met producties 12 en 13 van de vrouw van 18 maart 2026;\n\n- de antwoordakte met producties 14 t\u002Fm 16 van de vrouw van 7 april 2026;\n\n- de brief met productie 17 van de vrouw van 8 april 2026;\n\n- de antwoordakte van de man van 14 april 2026;\n\n- akte uitlating producties van de man van 28 april 2026.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Samenvatting\n\n2.1. Bij vonnis van 18 februari 2026 heeft de rechtbank inhoudelijk geoordeeld over het merendeel van de vorderingen van de man en de vrouw. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om hun stellingen nader te onderbouwen door het indienen van een akte met stukken. Voor de man gaat het om zijn stelling dat de afschrijvingen zoals hij die heeft vermeld in het als productie 7 verstrekte overzicht onttrekkingen aan de kindrekening betreffen die door de vrouw vanaf maart 2023 zijn gedaan ter voldoening van haar eigen financiële lasten. Voor de vrouw gaat het om de stelling dat zij de IB aanslag 2021 van partijen na de peildatum nog van haar zakelijke rekening eindigend op [rekeningnummer 1] [toevoeging rechtbank: bedoeld is eindigend op [rekeningnummer 2] ] heeft betaald. Partijen hebben nadien nog over en weer op elkaars stukken gereageerd.\n\n2.2. Namens de vrouw is een nieuwe reconventionele vordering ingediend en zij heeft in haar antwoordakte en bij brief van 8 april 2026 zelf ook nog stukken ingediend. De rechtbank laat deze eisvermeerdering van de vrouw buiten beschouwing en ook de door de vrouw ingediende producties worden buiten beschouwing gelaten. De rechtbank komt ook niet terug op de bindende eindbeslissing over de betaling van de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 door de vrouw, voor zover dit door de vrouw is verzocht.\n\n2.3. De rechtbank wijst de vordering van de man tot (terug)betaling door de vrouw van € 2.637,15 aan de kindrekening toe en de rechtbank zal op het tussen partijen te verdelen saldo op de zakelijke spaarrekening van de vrouw per peildatum een bedrag van € 2.036,- in mindering brengen, alsmede het in het tussenvonnis genoemde bedrag van € 3.785,-.\n\n3. De verdere beoordeling in conventie en in reconventie\n\n3.1. Omdat de vorderingen van partijen in conventie en in reconventie samenhangen, zullen deze hierna tezamen worden beoordeeld.\n\nVooraf\n\nIngediende producties bij akte van de vrouw van 7 april en bij brief van 8 april 2026\n\n3.2. De rechtbank laat de door de vrouw bij antwoordakte van 7 april 2026 en brief van 8 april 2026 ingediende producties buiten beschouwing. Producties moeten volgens artikel 87 lid 6 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) zoveel mogelijk onmiddellijk bij conclusie van antwoord en tot uiterlijk tien dagen voor de zitting in het geding worden gebracht. De producties bij de akte van 7 april 2026 en de brief van 8 april 2026 zijn in het licht van de concentratie van het verweer te laat ingediend door de vrouw. De man heeft bezwaar gemaakt tegen de ingediende producties en de rechtbank volgt dat bezwaar. Bij tussenvonnis is het de vrouw enkel toegestaan om bij antwoordakte te reageren op de door de man op 17 maart 2026 genomen akte met producties. De door haar ingediende producties werpen weer een nieuw (geschil)punt op en de vrouw heeft voor indiening van deze producties met toelichting geen toestemming aan de rechtbank gevraagd.\n\nEisvermeerdering van de vrouw\n\n3.3. De rechtbank laat ook de door de vrouw bij akte van 7 april 2026 nieuw ingediende reconventionele vordering, inhoudende de man te veroordelen om het bedrag ad € 293,- aan de kindrekening te laten betalen, buiten beschouwing.\n\n3.4. Op grond van artikel 130 Rv is een eisende partij bevoegd zijn eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen zolang geen eindvonnis is gewezen. De rechter kan, na bezwaar van de wederpartij of ambtshalve, de verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten indien deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Artikel 2.26 van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbank handel en kanton bepaalt dat een partij die haar eis of gronden daarvan wijzigt of vermeerdert dit duidelijk vermeldt in de titel van haar processtuk en in handelszaken moet dit ook op het B-formulier worden vermeld.\n\n3.5. De vrouw heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de man niet van zijn eigen rekening maar van de kindrekening de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 heeft betaald en dat hij om die reden gehouden zou zijn om dit bedrag aan de kindrekening terug te betalen. De man heeft bezwaar gemaakt tegen deze eisvermeerdering op de grond dat indiening van een nieuwe reconventionele vordering in dit stadium van de procedure in strijd is met de eisen van een goede procesorde.\n\n3.6. \n\nDe rechtbank overweegt dat in het laatste tussenvonnis op vrijwel alle vorderingen en tegenvorderingen is beslist. Ook op de vordering van de man tot betaling van de vrouw aan de man van een bedrag van € 293,- ten behoeve van de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 is een bindende eindbeslissing genomen. Er moest alleen nog worden beslist op de vordering van de man over de onttrekkingen die door de vrouw ten behoeve van haarzelf aan de kindrekening zouden zijn gedaan vanaf maart 2023 en op de verdeling van het saldo van de zakelijke rekening van de vrouw. De nieuwe vordering van de vrouw ziet op een nieuw discussiepunt, namelijk of de man de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 van zijn eigen rekening of van de kindrekening voldaan heeft. Dit geschilpunt staat los van de kwesties waarover de rechtbank eerder heeft geoordeeld en vraagt om een nieuw debat tussen partijen, waardoor het geding - mede gelet op het vergevorderde stadium waarin het zich bevindt - onredelijk zou worden vertraagd.\n\nBovendien constateert de rechtbank dat de eisvermeerdering niet conform artikel 2.26 van het Landelijk Procesreglement is ingediend nu niet in de titel van het processtuk is vermeld dat het (tevens) een akte eisvermeerdering betreft. Ook in het B- formulier is dit niet opgenomen. Dit alles leidt tot de conclusie dat de eisvermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De eisvermeerdering wordt om voorgaande redenen dus buiten beschouwing gelaten.\n\nTerugkomen bindende eindbeslissing\n\n3.7. Voor zover de vrouw de rechtbank verzoekt om terug te komen op de bindende eindbeslissing over de betaling van de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 zoals opgenomen in rechtsoverweging 5.21. van het tussenvonnis, wordt dit verzoek afgewezen.\n\n3.8. Een rechter, die in een tussenuitspraak op één of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, is hieraan, in beginsel, in het verdere verloop van het geding gebonden.De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.Een bindende eindbeslissing berust onder meer op een onjuiste feitelijke grondslag indien de rechter, na een dergelijke heroverweging, inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gebaseerd op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, die zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn.\n\n3.9. Zoals in rechtsoverweging 3.6. al is overwogen heeft de vrouw in haar akte van 7 april 2026 voor het eerst gesteld dat zij geen € 293,- aan de man maar op de kindrekening moet betalen omdat de man de naheffing kinderopvangtoeslag 2022 van de kindrekening lijkt te hebben betaald. De vrouw verwijst in dat verband naar betalingen die vanaf januari 2025 (en dus ruim voor de mondelinge behandeling) van de kindrekening aan de Belastingdienst zijn gedaan, maar zij laat na om toe te lichten waaruit zij afleidt dat deze betalingen betrekking hebben op de naheffingsaanslag kinderopvangtoeslag 2022. Bovendien heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling de vordering van de man erkend en ook niet betwist dat het betreffende bedrag aan hem betaald moest worden terwijl zij, zoals door de man onweersproken is aangevoerd, altijd al inzage heeft gehad in de kindrekening en zij haar nieuw betrokken stelling dus al veel eerder had kunnen innemen. Kennelijk tracht de vrouw nu op haar eerder ingenomen standpunt terug te komen, maar dat is geen grondslag die een heroverweging van een bindende eindbeslissing rechtvaardigt. Nu niet komt vast te staan dat de eindbeslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag is genomen, is de rechtbank niet bevoegd om over te gaan tot een heroverweging van de eindbeslissing en wordt het verzoek daartoe afgewezen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nVorderingen van de man\n\n3.10. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank al geoordeeld dat de vorderingen van de man ter zake de betaling van de nota van de pensioenadviseur, de kosten van Spotify en Videoland, de verdeling van de inboedel van de praktijkruimte en de uitsluiting van de pensioenverevening niet slagen. De rechtbank zal deze vorderingen dan ook afwijzen. De vorderingen ter zake de gebruiksvergoeding van de praktijkruimte, de terugbetaling van de lening van € 15.000,-, de betaling door de vrouw van € 293,- aan naheffing kinderopvangtoeslag [correctie rechtbank: in het tussenvonnis is in r.o. 4.1. sub VI is in de vordering van de man het bedrag van € 284,- opgenomen, maar dit moet € 293,- zijn] en de verdeling van de banksaldi slagen (gedeeltelijk) wel. De rechtbank zal deze vorderingen dan ook (deels) toewijzen.\n\n3.11. De man heeft door indiening van de bankafschriften op 17 maart 2026 voldoende onderbouwd dat de vrouw in de periode vanaf maart 2023 ten behoeve van haar eigen financiële lasten onttrekkingen heeft gedaan aan de kindrekening. Deze onttrekkingen corresponderen met het door de man als productie 7 ingebrachte overzicht. De vrouw heeft de inhoud van de door de man overgelegde bankafschriften en zijn conclusies ten aanzien van de onttrekkingen vervolgens niet inhoudelijk betwist in haar antwoordakte van 7 april 2026. Daardoor staat vast dat de vrouw in beginsel € 2.637,15 aan de kindrekening moet voldoen.\n\n3.12. \n\nDe vrouw voert nog aan dat partijen niet per maart 2023 maar per februari 2024 de gezamenlijke bankrekening zijn gaan gebruiken als kindrekening maar de rechtbank gaat hieraan voorbij nu hierover in het tussenvonnis al inhoudelijk is geoordeeld in r.o. 5.20.\n\nBovendien was dit oordeel ook in lijn met de verklaring van de vrouw ter zitting dat de betreffende rekening per maart 2023 als kindrekening gebruikt werd. [correctie rechtbank: in r.o. 5.20. van het tussenvonnis is als datum van ondertekening van het ouderschapsplan 3 oktober 2021 opgenomen, maar dit moet 3 oktober 2022 zijn].\n\n3.13. De verrekeningsverweren van de vrouw slagen evenmin. De vrouw stelt bij antwoordakte voor het eerst dat de man in ieder geval in de periode vanaf maart 2023 tot en met januari 2024 geen kinderalimentatie heeft voldaan. Daarnaast stelt zij in dezelfde akte voor het eerst dat zij zelf medische kosten van € 647,93 voor [dochter] heeft gemaakt. Volgens de vrouw zou zowel de achterstallige kinderalimentatie als het bedrag aan medische kosten verrekend moeten worden met het bedrag dat zij nog aan de kindrekening moet betalen. De man heeft in zijn akte van 28 april 2026 echter gemotiveerd betwist dat sprake is van achterstallige kinderalimentatie en hij heeft ook gemotiveerd weersproken dat de door de vrouw opgevoerde nota’s en betalingen kosten betreffen die ten behoeve van [dochter] zijn gemaakt. Hierdoor komt niet vast te staan dat de vrouw een opeisbare vordering op de man heeft, waardoor een beroep op verrekening niet slaagt.\n\n3.14. Nu de man zijn stelling dat de vrouw in de periode vanaf maart 2023 nog een bedrag van € 2.637,15 van de kindrekening heeft onttrokken ten behoeve van zichzelf voldoende heeft onderbouwd en de verrekeningsverweren van de vrouw niet opgaan, zal de rechtbank deze vordering van de man toewijzen. De vrouw heeft nog verzocht te bepalen dat de terugbetaling in termijnen mag plaatsvinden. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 5.12. van het tussenvonnis waarin zij oordeelt dat een rechtsgrond hiervoor ontbreekt zodat de rechtbank geen mogelijkheid ziet een dergelijke beslissing te nemen.\n\n3.15. Voor wat betreft de vordering van de man tot terugbetaling van de lening door de vrouw heeft de rechtbank in r.o. 5.9. en 5.10. van het tussenvonnis beslist dat de vrouw gehouden is daartoe over te gaan. De rechtbank zal de vordering van de man voor zover deze ziet op de termijn van terugbetaling (binnen een week) afwijzen, nu de man niet heeft gesteld wat zijn (bijkomend) belang bij dit deel van de vordering is.\n\nVorderingen van de vrouw\n\n3.16. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank al geoordeeld dat de vorderingen van de vrouw ter zake de verklaring voor recht over de achterstallige partneralimentatie en bevoegdheid tot verrekening met de geldlening van de man, de verdeling van de inboedel en de ontbinding van artikel 6 van het ouderschapsplan niet slagen. De rechtbank zal de vorderingen die hierop zien dan ook afwijzen. De vordering ter verdeling van de banksaldi slaagt (gedeeltelijk) wel. De rechtbank zal deze vordering dan ook (deels) toewijzen.\n\n3.17. De vrouw heeft door middel van de aan de akte van 18 maart 2026 toegevoegde bankrekeningafschriften voldoende onderbouwd dat zij na peildatum van haar zakelijke rekening nog betalingen heeft verricht die zien op de IB aangifte 2021 van partijen. Hoewel de vrouw niet heeft gesteld hoe hoog het totaalbedrag is, heeft de man onbetwist aangevoerd dat het gaat om een bedrag van € 2.036,-, hetgeen de rechtbank ook heeft kunnen afleiden uit de bankafschriften en de toelichting van de vrouw daarop. Voor wat betreft de verdeling van het resterende banksaldo houdt de rechtbank gelet op het tussenvonnis rekening met het door de vrouw betaalde bedrag van € 2.036,-. De man heeft nog aangevoerd dat met de helft van dit bedrag gerekend moet worden, omdat de man zelf zijn eigen IB aanslag van 2021 betaald zou hebben en de betalingen van de vrouw dus zien op de op haar naam staande IB aanslag, maar dit verweer wordt door de rechtbank gepasseerd. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van partijen dat zij het nog niet eens zijn over de vraag of zij evenredig hebben bijgedragen aan de aangifte inkomstenbelasting 2021. Partijen hebben daarover geen expliciete vorderingen ingesteld. Het is aan partijen daar desgewenst nadere afspraken over te maken, waarbij zij rekening kunnen houden met hetgeen zij in artikel 11.1. en artikel 11.2. van het convenant zijn overeengekomen.\n\n3.18. Dit betekent dat het tussen partijen te verdelen saldo van de zakelijke spaarrekening van de vrouw nog € 6.422,83 betreft, nu het bedrag ad € 5.821,- (€ 3.785,- betaling IB aangifte 2022 [correctie rechtbank: in r.o. 5.27. van het tussenvonnis staat aangifte 2021 maar dit moet aangifte 2022 zijn] + € 2.036,- betaling IB aangifte 2021) aan de vrouw toekomt. Per saldo wordt aan de vrouw dan een bedrag van € 9.032,42 (€ 5.821,- + € 3.211,42 (= de helft van € 6.422,83)) toebedeeld en aan de man een bedrag ad € 3.211,41.\n\nProceskosten in conventie en in reconventie\n\n3.19. Omdat deze procedures samenhangen met de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen en dus ook met hun familierechtelijke betrekking, zal de rechtbank de proceskosten van partijen compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nIn conventie:\n\n4.1. veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 364,00 als gebruiksvergoeding voor de praktijkruimte,\n\n4.2. veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 15.000,00 ter aflossing van de lening,\n\n4.3. veroordeelt de vrouw tot betaling aan de kindrekening van een bedrag van € 2.637,15,\n\n4.4. veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 293,00 aan naheffing kinderopvangtoeslag 2022,\n\nIn conventie en in reconventie:\n\n4.5. stelt de verdeling van de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behorende banksaldi van partijen als volgt vast:\n\n- het saldo per 1 oktober 2022 (€ 613,76) van de op naam van partijen staande ABN\n\nAMRO- rekening eindigend op [nummer 1] , wordt tussen partijen bij helfte verdeeld;\n\n- het saldo per 1 oktober 2022 (€ 824,74) van de op naam van de man staande ABN\n\nAMRO- rekening, eindigend op [nummer 2] wordt tussen partijen bij helfte verdeeld;\n\nhet saldo per 1 oktober 2022 (€ 471,00) van de op naam van de eenmanszaak van de\n\nvrouw staande Knab- bankrekening, eindigend op [nummer 3] wordt tussen partijen bij\n\nhelfte verdeeld;\n\n- het saldo per 1 oktober 2022 (€ 22,92) van de op naam van de vrouw staande Knab-\n\nrekening eindigend op [nummer 4] , wordt tussen partijen bij helfte verdeeld;\n\n- het saldo per 1 oktober 2022 (€ 12.243,83) van de op naam van de eenmanszaak van\n\nde vrouw staande Knab- flexibel- spaarrekening, eindigend op [rekeningnummer 2] wordt tussen\n\npartijen verdeeld in die zin dat aan de vrouw wordt toebedeeld een bedrag ad € 9.032,42 en aan de man een bedrag ad € 3.211,41,\n\n4.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad\n\n4.7. compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;\n\n4.8. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K. Hermsen en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n Hoge Raad 4 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4805\n\n Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800\n\n Hoge Raad 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3805","2026-07-13T00:29:33.727Z",{"id":200,"ecli":201,"slug":202,"caseNumber":45,"courtId":145,"decisionDate":203,"fullText":204,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":205,"sourceTimestamp":203,"parsedAt":53,"updatedAt":206},"923","ECLI:NL:GHARL:2026:4130","ecli-nl-gharl-2026-4130","2026-06-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.364.780\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 328127\n\nbeschikking van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [Verzoeker](de vader),\n\ndie woont in [woonplaats1] , [land1] ,\n\nadvocaat: mr. H. Versluis,\n\nen\n\n [verweerster](de moeder), die woont in [woonplaats2] ( [gemeente1] ), advocaat: mr. P. van der Zalm.\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft op 13 november 2025 een zorg- en feestdagenregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld. Het hof stelt een andere zorgregeling vast dan de rechtbank en laat de feestdagenregeling in stand. Het hof legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [in] 2014.\n\n2.2.. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] . Zij woont bij de moeder.\n\n2.3.. In het ouderschapsplan [van] 2017 hebben de ouders afgesproken dat [de minderjarige] een weekend in de twee weken bij de vader verblijft. [in] 2019 hebben de ouders een aanvullend ouderschapsplan ondertekend met daarin een wijziging van de zorgregeling. De zorgregeling zou worden opgebouwd van één middag per twee weken naar de ene week een dag en een nacht bij de vader en de andere week een middag bij de vader.\n\n2.4.. In het ouderschapsplan [van] 2022 hebben de ouders weer een andere zorgregeling afgesproken. [de minderjarige] heeft eens in de twee weken contact met haar vader op zaterdag van 10:30 uur tot 16:30 uur in het huis van de vader. Het overdrachtsmoment vindt plaats op de carpoolplaats in [woonplaats3] . De omgang tijdens de kerstdagen bepalen de ouders in overleg met elkaar en de omgang tijdens oud en nieuw blijft zoals het is.\n\n2.5.. In de beschikking van 6 december 2022 heeft de rechtbank het ouderschapsplan [van] 2017 gewijzigd en bepaald dat de inhoud van het door de ouders [in] 2022 ondertekende ouderschapsplan daarvoor in de plaats komt.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De vader heeft de rechtbank gevraagd de zorgregeling te wijzigen. Hij wil dat:\n\n- de rechtbank bepaalt dat de vader eens per twee weken op zaterdag contact heeft met [de minderjarige] van 8:30 uur tot na het avondeten, rond 19:00 uur. De vader brengt [de minderjarige] terug naar de moeder;\n\n- [de minderjarige] in het contactweekend bij hem mag overnachten, wanneer [de minderjarige] aangeeft dat zij dit wil. Wanneer dit twee nachten goed gaat, moet het contactweekend worden uitgebreid met een overnachting, waarbij de vader [de minderjarige] op zondag om 11:00 uur weer naar de moeder brengt;\n\n- [de minderjarige] met de kerstdagen, oud en nieuw, Pasen en Pinksteren in de oneven jaren telkens op de eerste dag bij de vader is en in de even jaren telkens op de tweede dag, van 8:30 uur tot 19:00 uur;\n\n- [de minderjarige] in de zomervakantie een aaneengesloten week contact heeft met de vader.\n\n3.2.. De rechtbank heeft op 23 april 2025 een voorlopige zorgregeling vastgesteld. [de minderjarige] heeft eens per twee weken op zaterdag contact met de vader van 9:30 uur tot 19:00 uur, waarbij het overdrachtsmoment op de carpoolplaats in [woonplaats3] plaatsvindt. De rechtbank heeft de definitieve beslissing over de zorg- en vakantieregeling aangehouden.\n\n3.3.. \n\nDe rechtbank heeft op 13 november 2025 een definitieve zorg- en feestdagenregeling vastgesteld. [de minderjarige] heeft eens per twee weken op zaterdag contact met de vader van 9:30 uur tot 19:00 uur, waarbij het overdrachtsmoment op de carpoolplaats in [woonplaats3] plaatsvindt.\n\nVerder heeft de rechtbank bepaald dat [de minderjarige] en de vader contact hebben in de oneven jaren op eerste kerstdag, oudejaarsdag, eerste paasdag en eerste pinksterdag. In de even jaren hebben zij contact op tweede kerstdag, nieuwjaarsdag, tweede paasdag en tweede pinsterdag. Voor de feestdagen gelden dezelfde tijden en overdrachtslocatie als voor de reguliere zorgregeling. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de ouders hun eigen proceskosten moeten betalen.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. \n\nDe vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de reguliere zorgregeling. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel ongedaan maakt en bepaalt dat [de minderjarige] en de vader eens per twee weken van zaterdag 9:30 uur tot zondag 11:00 uur contact hebben.\n\nDe vader wil dat de moeder [de minderjarige] op zaterdag naar hem brengt en dat hij [de minderjarige] op zondag weer naar de moeder brengt. Verder wil de vader dat [de minderjarige] en hij in de zomervakantie een week aaneengesloten contact hebben. De vader is het wel eens met de feestdagenregeling, zoals door de rechtbank is vastgesteld.\n\n4.2.. De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ontvangen op 9 februari 2026;\n\nhet verweerschrift.\n\n4.4.. \n [de minderjarige] heeft op 18 mei 2026 gesproken met een rechter en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de zorgregeling.\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 26 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\neen vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad).\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.1.. De zaak heeft een internationaal karakter, omdat de vader in [land1] woont. Het hof zal dan ook eerst moeten beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om de verzoeken te beoordelen.\n\n5.2.. Het verzoek van de vader gaat over de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II-ter (Verordening (EU) 2019\u002F1111) is de Nederlandse rechter in zaken over de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd als een kind op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank zijn of haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op 30 januari 2025 heeft de vader het verzoekschrift bij de rechtbank ingediend. [de minderjarige] had toen haar gewone verblijfplaats in Nederland. De Nederlandse rechter heeft daarom rechtsmacht en is bevoegd het verzoek te beoordelen.\n\n5.3.. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. De ouders hebben daartegen geen bezwaren aangevoerd. Het hof zal daarom bij de beoordeling van de verzoeken ook het Nederlandse recht toepassen.\n\nWat in de wet staat\n\n5.4.. Op grond van artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing over de uitoefening van het ouderlijk gezag of een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen, wanneer de omstandigheden zijn gewijzigd of als bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan gaan over een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders.\n\nDe standpunten van de vader en de moeder\n\n5.5.. \n\nDe vader voert aan dat de huidige zorgregeling te beperkt is. Uitbreiding van de zorgregeling met een overnachting zal bijdragen aan de hechting tussen [de minderjarige] , de vader en zijn gezin. Dit is in het belang van [de minderjarige] . Volgens de vader wil [de minderjarige] bij hem overnachten, maar geeft de moeder haar hier geen emotionele toestemming voor. Wanneer de overdracht\n\nop de carpoolplaats wordt vervangen door een regeling waarin de ouders [de minderjarige] brengen en halen, zal [de minderjarige] die emotionele toestemming meer ervaren.5.6.. De moeder voert aan dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om de zorgregeling uit te breiden met een overnachting. De vader heeft geen echte interesse in [de minderjarige] . Hij informeert nergens naar en onderneemt niets met [de minderjarige] als ze bij hem is. [de minderjarige] moet zichzelf dan vermaken. De moeder staat niet onwelwillend tegenover een overnachting, maar alleen als dit in het belang van [de minderjarige] is. Dat is het op dit moment niet. [de minderjarige] wil niet overnachten bij de vader en haar wens moet worden gevolgd. Er is een risico dat uitbreiding van de zorgregeling leidt tot spanningen en een afnemende bereidheid tot contact, omdat uitbreiding niet aansluit bij de draagkracht van [de minderjarige] .\n\nHet advies van de raad\n\n5.7.. De raad heeft geadviseerd om de zorgregeling niet te wijzigen. De raad benadrukt dat [de minderjarige] een broos meisje is dat richting de puberteit gaat. De huidige zorgregeling loopt en lijkt het maximale te zijn dat [de minderjarige] op dit moment aankan. Wanneer zij tegen haar zin in bij de vader moet overnachten, kan zij dit haar ouders kwalijk gaan nemen.\n\nHet oordeel van het hof\n\n5.8.. Het hof is van oordeel dat uit de aangevoerde feiten volgt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Het hof komt vervolgens toe aan het oordeel over de zorgregeling.\n\n5.9.. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij en de vader na een korte opbouwperiode eens per twee weken van zaterdag 9:30 uur tot zondag 11:00 uur contact hebben. Het hof zal daarom op dit onderdeel de beslissing van de rechtbank vernietigen en dit verzoek van de vader alsnog toewijzen. Voor het overige laat het hof de beslissing van de rechtbank in stand.\n\n5.10.. Het hof vindt uitbreiding van deze zorgregeling met één overnachting in het belang van [de minderjarige] om de volgende redenen. Voor [de minderjarige] is het belangrijk dat de band met haar vader zich verder ontwikkelt. Het algemene uitgangspunt is namelijk dat het in het belang van kinderen is om met beide ouders een goede en stabiele relatie op te bouwen. De band tussen [de minderjarige] en de vader is in het verleden beschadigd. Dat komt enerzijds omdat de vader drie jaar afwezig is geweest in het leven van [de minderjarige] . Anderzijds hebben [de minderjarige] en haar vader ook weinig contact gehad, omdat het de ouders na hun scheiding niet lukte met elkaar daarover te overleggen. De ouders hebben hun communicatie, ondanks de hulpverlening, niet kunnen verbeteren. De huidige zorgregeling van één dag per twee weken is te beperkt om de band met haar vader te versterken. De uitbreiding met één overnachting biedt daartoe meer rust en tijd. Ook krijgt [de minderjarige] meer ruimte om haar plek in het gezin van haar vader te vinden. Het belang van [de minderjarige] bij het opbouwen van een goede relatie met de vader weegt zwaarder dan de reden die [de minderjarige] heeft om niet bij haar vader te overnachten, namelijk dat zij het spannend vindt en dat ze zich soms ook eenzaam voelt bij haar vader thuis. Dat geldt ook voor het advies van de raad dat de huidige zorgregeling het maximale lijkt te zijn wat [de minderjarige] op dit moment aankan. Daarbij weegt het hof mee dat onvoldoende is gebleken dat de uitbreiding van de zorgregeling, zoals deze in de bestreden beschikking is vastgesteld, negatief heeft uitgepakt voor [de minderjarige] . Verder zijn er geen signalen dat een overnachting bij de vader niet veilig is. Tot slot betrekt het hof in zijn oordeel dat [de minderjarige] het ook regelmatig leuk heeft bij haar vader, bijvoorbeeld als zij samen activiteiten ondernemen. Zo gaan zij regelmatig naar de speeltuin en soms naar de dierentuin. Het hof zal de reguliere regeling niet direct in laten gaan, zodat [de minderjarige] de tijd heeft om te wennen aan het idee van de overnachting. Daarom zal het hof bepalen dat [de minderjarige] het eerste contactweekend na deze beslissing nog niet bij haar vader overnacht, het contactweekend daarna wel, het contactweekend daarna niet en dat daarna de reguliere contactregeling zal gaan gelden.\n\n5.11.. Gelet op de draagkracht van [de minderjarige] heeft de vader een belangrijke rol en verantwoordelijkheid bij het versterken van hun band, zodat [de minderjarige] zich op haar gemak zal gaan voelen bij de overnachting en in het gezin van de vader. Daarbij is het belangrijk dat [de minderjarige] voldoende één op één tijd met de vader heeft. [de minderjarige] heeft hier behoefte aan. Het is ook belangrijk dat [de minderjarige] een eigen plek bij de vader heeft. Het helpt als de vader de slaapkamer klaarmaakt, voordat het eerste contactweekend met de overnachting plaatsvindt.\n\n5.12.. Het hof wijst het verzoek van de vader over het halen en brengen af. Dat betekent dat de carpoolplaats de haal- en brenglocatie blijft. Deze locatie is destijds afgesproken om escalatie aan de deur te vermijden. De ouders delen het halen en brengen en de carpoolplaats is een bekende plek voor [de minderjarige] . Het hof is niet gebleken dat [de minderjarige] moeite heeft met deze haal- en brenglocatie. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel.\n\n5.13.. Het hof wijst het verzoek van de vader over de aaneengesloten week contact in de zomervakantie ook af. Voor [de minderjarige] is het al een grote stap om eens per twee weken bij de vader te overnachten. Gelet op de draagkracht van [de minderjarige] is het niet in haar belang om direct een week in de zomervakantie bij de vader te overnachten, die stap is te groot. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 13 november 2025, voor zover de beslissing over de reguliere zorgregeling, en:\n\nstelt als zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader vast:\n\n- [de minderjarige] heeft eens per twee weken op zaterdag van 9:30 uur tot zondag 11:00 uur\n\n contact met de vader;\n\nbepaalt dat de zorgregeling als volgt wordt opgebouwd:\n\n- het eerste contactweekend na deze beschikking heeft [de minderjarige] contact met de vader op\n\n zaterdag van 9:30 uur tot 19:00 uur;\n\nhet volgende contactweekend heeft [de minderjarige] contact met de vader op zaterdag van 9:30 uur tot zondag 11:00 uur;\n\nhet daarop volgende contactweekend heeft [de minderjarige] contact met de vader op zaterdag van 9:30 uur tot 19:00 uur;\n\nvervolgens geldt de reguliere zorgregeling.\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 13 november 2025 voor het overige;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. L.R. Davila Talavera, E. de Boer en, D.J.M. van de Voort, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4130","2026-07-13T00:28:54.700Z",141,20,[11,210],2025]