[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-health-insurance-nl-2026":3},{"detail":4,"years":110},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":27,"page":14,"limit":109},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},69,"health-insurance-nl","Health Insurance","NL","2026-07-08T16:54:19.288Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":21},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,62,72,81,91,100],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"363","ECLI:NL:GHARL:2026:4227","ecli-nl-gharl-2026-4227","",70,"2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.347.431\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 541028\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nMajestic Home Care B.V. (MHC)\n\ndie is gevestigd in Amstelveen\n\nadvocaat: mr. P.J. van Hartingsveldt\n\nen\n\nONVZ Ziektekostenverzekeraar N.V. (ONVZ)\n\ndie is gevestigd in Houten\n\nadvocaat: mr. A.C. van der Salm\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1. \n\nMHC heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, (hierna: de rechtbank) op 28 juni 2023, 18 oktober 2023 en\n\n27 maart 2024 tussen partijen heeft gewezen.Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven\n\n• de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep\n\n• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep\n\n• het verslag van de mondelinge behandeling die op 25 maart 2026 is gehouden (het proces-verbaal)\n\n1.2. \n\nAan het einde van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof verzocht de zaak met het oog op het beproeven van een minnelijke regeling aan te houden tot\n\n14 april 2026, waarna zij het hof alsnog hebben gevraagd arrest te wijzen. Hierop heeft het hof een datum voor arrest bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. ONVZ heeft declaraties voor door MHC verleende zorg over de jaren 2018 en 2019 vergoed. Onderzoek naar die declaraties heeft ONVZ tot het standpunt gebracht dat ten aanzien van die declaraties niet kan worden vastgesteld dat de zorg die daaraan ten grondslag hoort te liggen ook daadwerkelijk is verleend. Volgens ONVZ voldeed de administratie van MHC in zodanige mate niet aan de daaraan te stellen eisen, dat ONVZ gelet daarop de declaraties van MHC niet had mogen betalen. Zij vordert de door haar betaalde bedragen voor een totaal van ruim 223 duizend euro van MHC terug.\n\n2.2. \n\nDe rechtbank heeft in een tussenvonnis van 28 juni 2023 geoordeeld dat als komt vast te staan dat (een deel van) de door MHC gedeclareerde zorg niet is verleend, MHC onrechtmatig heeft gehandeld door die zorg, dan immers ten onrechte, te declareren. De niet verleende, maar wel vergoede, zorg geldt dan als schade voor ONVZ. De rechtbank heeft ONVZ opgedragen te bewijzen dat (een deel van) de gedeclareerde zorg niet is geleverd. De rechtbank heeft, oordelend in een incident, bij vonnis van 18 oktober 2023 MHC opgedragen om van diverse stukken afschrift aan ONVZ te verstrekken. In haar eindvonnis van\n\n27 maart 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat ONVZ gedeeltelijk is geslaagd in haar bewijsopdracht en heeft MHC veroordeeld om een bedrag van, bij elkaar opgeteld, € 52.348,92 met rente aan ONVZ te betalen, en MHC veroordeeld in de proceskosten.\n\n2.3. De bedoeling van het hoger beroep van MHC is dat de vorderingen tegen haar alsnog worden afgewezen, terwijl de insteek van het incidentele beroep van ONVZ is dat de vorderingen tegen MHC alsnog volledig worden toegewezen.\n\n2.4. Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van MHC niet slaagt en het incidentele hoger beroep van ONVZ juist doel treft. Hierna licht het hof dit oordeel toe, nadat het eerst de feiten uiteen heeft gezet.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nONVZ is een zorgverzekeraar die zorg voor haar verzekerden vergoedt onder de\n\nZorgverzekeringswet (Zvw). MHC is een organisatie die thuiszorg en wijkverpleging levert.\n\nMHC verleent de zorg via door haar ingeschakelde hulppersonen. MHC is opgericht op\n\n13 juli 2018. Sindsdien is mevrouw [naam1] middellijk bestuurder van MHC (hierna: de bestuurder). In de periode daarvoor dreef de bestuurder als zorgaanbieder in de thuiszorg een eenmanszaak onder de handelsnaam “ [handelsnaam] ”. De activiteiten van [handelsnaam] zijn per 13 juli 2018 overgenomen door MHC.\n\n3.2. MHC is een zogenoemde “niet-gecontracteerde zorgaanbieder” van ONVZ, die dus zelf geen contract met ONVZ heeft. MHC en [handelsnaam] hebben in de periode van 2018 tot en met 2019 voor een totaalbedrag van € 223.543,20 gedeclareerd voor zorg die zou zijn verleend aan een zestal zorgcliënten die verzekerd waren bij ONVZ. MHC diende haar declaraties voor een deel zelf in bij ONVZ, via het externe declaratiesysteem VECOZO, op basis van met de zorgcliënten gesloten aktes van cessie. Voor het overige declareerde MHC rechtstreeks aan de verzekerden, die de declaraties vervolgens indienden bij ONVZ. ONVZ heeft de ingediende declaraties betaald.\n\n3.3. In een brief van 20 januari 2020 heeft ONVZ aan MHC aangekondigd een materiële controle te zullen uitvoeren over de zorg die voor het jaar 2019 was gedeclareerd. In de brief staat te lezen dat de reden voor deze controle is dat ONVZ de declaraties van niet-gecontracteerde zorgaanbieders over 2019 met elkaar heeft vergeleken, en dat MHC opviel vanwege de omstandigheid dat bij haar op jaarbasis gemiddeld € 40.319 per verzekerde werd gedeclareerd, terwijl dat bij vergelijkbare zorgaanbieders € 6.689 zou zijn.\n\n3.4. Omdat de reactie van MHC van 27 maart 2020 op de door ONVZ gestelde (aanvullende) vragen naar opvatting van ONVZ onvoldoende zekerheid gaf over de recht- en doelmatigheid van de gedeclareerde zorg, is ONVZ overgegaan tot een detailcontrole.\n\n3.5. In een brief van 5 augustus 2020 heeft ONVZ haar voorlopige bevindingen naar aanleiding van de door haar gedane controles aan MHC laten weten. In die brief staat onder meer te lezen:\n\n“Rapportages\n\n• De rapportages bevatten een opsomming van activiteiten en weinig andere relevante\n\ninformatie.\n\n• Er wordt niet op doelen gerapporteerd, in de rapportages worden geen meetbare bevindingen genoteerd.\n\n• In de rapportages wordt geen melding gemaakt van de huisbezoeken van de indicerend\n\nwijkverpleegkundige i.v.m. herindicaties. Onduidelijk hoe de evaluatie heeft plaats gevonden.\n\nDe betrokkenheid van de wijkverpleegkundige is niet aangetoond. Het is onduidelijk wie de\n\nregie voert bij de cliënten en hoe de afstemming met andere disciplines verloopt.\n\n• Wanneer er sprake is van een incident (zoals cliënt heeft koorts) is er geen vervolgactie\n\ngerapporteerd. Geen sprake van meetbare feiten (zoals aantal graden Celsius). Wanneer er\n\nherhaaldelijk sprake is van een dergelijke situatie, wordt nooit contact opgenomen met een\n\nandere zorgprofessional of de wijkverpleegkundige. Wanneer de suggestie wordt gewekt dat\n\nmen een actie rondom zorg coördinatie uitvoert, worden hier geen bevindingen van\n\ngerapporteerd. (…)\n\n• Er worden structureel bij cliënten interventies uitgevoerd die niet onder de Zvw vallen, zoals wandelen en maaltijdondersteuning. Deze zorgmomenten zijn wel gedeclareerd en\n\ngeregistreerd in de urenregistratie.\n\nEr is in de dossier sprake van een statische situatie, waarin de cliënt geen ontwikkeling doormaakt. Onze bevinding luidt dat de rapportages tegenstrijdige en onjuiste informatie in structureel dezelfde zinssneden bevatten. De rapportages kunnen de kwaliteit van zorg niet borgen en aantonen, hiermee voldoen deze in eerste instantie niet aan de eisen voor voortgangsrapportages zoals vastgelegd in de Richtlijn Verslaglegging:\n\n(…)\n\nDaarnaast bevatten de rapportages de volgende fraudesignalen (…).\n\n• Er is geen sprake van vermelding van zorgmomenten met andere professionals, zoals\n\nhuisartsenconsulten. Wanneer dit wel genoemd wordt, komen de data niet overeen met de\n\nbehandeldata zoals vermeld door de andere zorgprofessionals in onze declaratiegeschiedenis. (…)\n\n• Cliënt wisselt van geslacht\n\n• Typefouten, zinssneden en woordkeuzen wisselen niet wanneer een andere zorgverlener\n\nrapporteert.\n\n• Er is sprake van een sjabloon, variaties vallen samen met het aantal dagen in de maand (30\n\nof 31).\n\n• Rapportages die structureel voorkomen staan vermeld in het dossier van een andere cliënt.\n\n• Er is sprake van dezelfde patronen per dag. Wanneer in de ochtend A voorkomt, is er altijd\n\ntijdens een later zorgmoment sprake van B. Bijv, wanneer cliënt in de ochtend een wandeling\n\nwilt nemen, heeft deze altijd in de avond buikpijn.\n\n• In dagrapportages bij meerdere cliënten worden structureel over de gehele periode van zorg\n\ndezelfde fout in interpunctie gemaakt, door verschillende zorgverleners.\n\nVoor ONVZ is het uitgangspunt dat uit het dossier is af te leiden welke zorg is geleverd en verzekerd is. Dat betekent dat zorg niet alleen geïndiceerd moet zijn, maar uit de dossiers moet ook volgen wat daadwerkelijk geleverd is. Onze bevinding luidt de wijze van rapporteren zoals aanwezig in de aangeleverde dossiers ongeschikt is om kwaliteit van zorg te borgen. Er is niet voldaan aan de verplichting een navolgbaar dossier aan te leggen, zoals vastgelegd in de Regeling Verpleging en Verzorging.\n\n(…)\n\nUrenregistraties\n\nEr is bij meerdere cliënten geen enkele keer een variatie in de urenregistratie aanwezig. De zorg wordt elke dag op dezelfde tijdstippen geleverd. Wanneer er wél incidenteel een zorgmoment wegvalt, wordt niet vermeld in de dagrapportages wat de reden is. In de declaratiedata is te zien dat de uren wel gedeclareerd worden.\n\nWanneer het aantal uren wordt aangepast in de indicatie, worden er nog steeds dezelfde tijden geregistreerd. De zorg wordt nooit afgeschaald, maar er wordt wel minder gedeclareerd. (…)\n\nVoorlopige conclusie\n\nONVZ concludeert op basis van de dossiers dat Majestic Home Care en [handelsnaam] de feitelijke levering van de zorg voor de verzekerden niet heeft aangetoond. Naast deze bevinding bevatten de dossiers fraudesignalen die nader verklaart dienen te worden.\n\nNaast dit feit is er voor twee cliënten geen sprake van een geldig indicatiebesluit, aangezien in deze dossiers geen sprake is van een aantoonbaar ondertekende indicatie en zorgplan. (…) Onze voorlopige conclusie ten aanzien van doelmatigheid luidt dat er structureel niet is aangetoond dat er sprake is geweest van doelmatige levering van zorg. (…)”\n\n3.6. Naar aanleiding van deze bevindingen van ONVZ heeft op 26 november 2020 een gesprek met de bestuurder plaatsgevonden. Het gespreksverslag vermeldt onder meer het volgende.\n\n“Majestic Home Care\n\nWat er is gebeurd, de papieren dossiers had ik maar van sommige was het handschrift niet te\n\nlezen. Wij hebben dus op een gegeven moment gezegd: ‘we gaan alles gewoon typen zodat\n\nhet toch netjes is'. Ik vermoed, en dat verdient natuurlijk geen schoonheidsprijs, dat\n\nmedewerkers op een gegeven moment dingen hebben geknipt en geplakt, maar dat was niet\n\nde bedoeling.\n\nONVZ (vrouw)\n\nWat is er dan gebeurd met die papieren dossiers?\n\nMajestic Home Care\n\nDie zijn opgeborgen, die zijn nog opgeborgen.\n\nONVZ (vrouw)\n\nU begrijpt dat, als u nu ook zegt die zijn inderdaad ‘geknipt en geplakt' daarmee kunt u dus niet de feitelijke levering van de zorg aantonen.\n\nMajestic Home Care\n\nJa, maar ik zou wel de papieren dossiers kunnen opsturen. Dan kunt u die ook inlezen. Die\n\nmoet ik dan even gaan ophalen want die heb ik dus opgeborgen.\n\nONVZ (vrouw)\n\nWaarom heeft u de keuze gemaakt om ons niet die papieren dossiers op te sturen maar deze\n\ndigitale dossiers?\n\nMajestic Home Care\n\nOmdat, zoals ik aangaf, het was best wel onduidelijk. Het handschrift was bijna onleesbaar op sommige plekken. Ik dacht dat het nou juist handig was om alles netjes over te typen dus dat hebben we eigenlijk gedaan. Achteraf was dat misschien niet echt verstandig.\n\nONVZ (vrouw)\n\nU heeft het dus niet overgetypt. U zegt zelf dat u het heeft gekopieerd en geplakt.\n\nMajestic Home Care\n\nNee, maar het is niet overal zo gebeurd. Op een gegeven moment hebben we gezegd: ‘de\n\nrapportages moeten aangeleverd worden en ik merk gewoon dat het heel slordig is. Wat is\n\nwijsheid?’ Toen hebben we dit besluit genomen, maar dat was misschien niet het verstandigste besluit.\n\n(…)\n\nONVZ (vrouw)\n\nJa, maar de vraag voorliggend daaraan is natuurlijk dat ik zeg, er is sprake eigenlijk van bij elke klant gebeurt elke dag precies hetzelfde het hele jaar door, eigenlijk per maand ook. Omdat ik zeg, er is sprake van een sjabloon. Een sjabloon voor een maand met 30 dagen en een sjabloon voor een maand met 31 dagen. Er gebeurt eigenlijk, om het maar zo te zeggen, niks opmerkelijks of incidenteel bij die cliënt. Wat heeft u dan precies overgetypt? Als ik de\n\nrapportages lees waarin zorg is verleend, dan gaat het vaak over uitzonderlijke situaties. Ik\n\nbegrijp niet zo goed of ik vraag aan u: ‘heeft u dan een interpretatie gemaakt van hoe die\n\nsituatie van die cliënt was en heeft u op basis daarvan geknipt en geplakt of heeft u werkelijk\n\niets over getypt?’\n\nMajestic Home Care\n\nWat ik aangeef, we hebben besloten om de rapportages gewoon echt over te typen. Dat is de\n\nopdracht die ik gegeven heb, maar helaas. Ik moet ook gewoon eerlijk zeggen, ik heb niet alle rapportages opnieuw nagekeken. De opdracht is gegeven omdat het op bepaalde plekken bijna niet te lezen was en er was ook drinken over een paar van die bladen gevallen dus het was ook niet netjes om op te sturen. Dat is eigenlijk de reden geweest waarom we ook hebben gezegd: ‘misschien is het gewoon beter om het over te typen'.\n\nONVZ (vrouw)\n\nNou, ja, goed. Als een rapportage onleesbaar is dan is dat ook onvoldoende om de levering\n\nvan de zorg aan te tonen of in ieder geval om de kwaliteit van zorg te borgen als een derde\n\npersoon niet kan lezen wat er is gebeurd.\n\nMajestic Home Care\n\nPrecies, ik heb de medewerker daar ook op aangesproken, ‘anders ga je maar blokletters\n\nschrijven maar op deze manier moet je niet schrijven’.\n\nONVZ (vrouw)\n\nMaar dat is dan niet bij één dossier gebeurd. Het enige dossier waar wij papieren van hebben\n\nontvangen is het dossier van de heer [naam2] . De overige zes bestaan eigenlijk uit waar we\n\nhet net over hebben gehad.\n\nMajestic Home Care\n\nJa, maar zoals u ook zag, het was een team die toen werkte en het waren dus steeds dezelfde\n\nmensen. Je ziet ook een patroon van dat niet leesbare, want het was één persoon die dat\n\nhandschrift had. Vandaar dat we op een gegeven moment dachten, het is bij hen niet te lezen\n\nen je wilt het natuurlijk wel goed aanleveren. Helaas is het nu niet op de juiste manier\n\naangeleverd, maar dat was wel de instelling en dat was wel de doelstelling, goed aanleveren.\n\nONVZ (vrouw)\n\nU zegt dus dat er bij zes cliënten sprake was van zorgverleners die allemaal een onleesbaar\n\nhandschrift hebben gehad. Dat klinkt een beetje gechargeerd, maar dat is wel wat u nu zegt. Bij zes cliënten waren de papieren dossiers van een dusdanige kwaliteit dat u die niet heeft\n\naangeleverd?\n\nMajestic Home Care\n\nNee, dat hoort u mij niet zeggen. Ik zeg, er was een vast team en er was één medewerker die\n\neen bepaald handschrift had en dat zie je terug in de rapportages. Nee, dat waren niet zes\n\nmedewerkers, dat kan niet.\n\nONVZ (vrouw)\n\nNee, maar u heeft wel dossiers aangeleverd waarbij er sprake is van deze patronen voor zes\n\ncliënten. Alleen bij de heer [naam2] waren meerdere zorgverleners betrokken. Daar is sprake van een papieren dossier. Voor de rest zien we bij al die andere zes cliënten dat er sprake is van gekopieerde en geplakte zinnen, een sjabloon, andere professionals waar je geen vermelding (van) vindt. Dat vind ik dan nogal ... dat u daarmee zegt dat bij al die cliënten het dossier van dusdanige kwaliteit was dat het niet aangeleverd kon worden.\n\nMajestic Home Care\n\nNee, maar dat zeg ik niet. Omdat het handschrift gewoon steeds terugkwam bij die dossiers,\n\nvandaar dat we ... Het ging om één medeweker, net wat ik zeg. Eén medewerker had dat\n\nhandschrift, maar dat kom je dan wel weer in alle dossiers tegen. Bij de heer [naam2] is dat\n\nniet, want bij de heer [naam2] was het zo dat de regie van de zorg van de heer [naam2] lag niet bij mij. Wij werden ingehuurd om bij de heer [naam2] de zorg te leveren. Vandaar dat ik ook kopieën van het papieren dossier van de heer [naam2] heb gekregen. Zoals u ziet, hebben wij ook niet structureel zorg daar geleverd. Het was meer op oproep.\n\n(…)\n\nONVZ (man)\n\nIk stop u nu eventjes. U zet twee zaken tegenover elkaar die niet met elkaar rijmen. U zegt aan de ene kant: ‘hetgeen wat wij overgetypt hebben, klopt met de papieren registratie en daarom is het prima dat de cliënt daarvoor getekend heeft’. Daarnaast zien wij dat de getypte registratie niet overeen komt met uw declaraties, maar u zegt ook dat uw declaraties wel kloppen met de zorglevering zoals die in de map geregistreerd is. Dat valt niet met elkaar te rijmen in deze. Dan is er ergens een fout gemaakt waarvan u zegt: ‘nee, die is niet gemaakt'.\n\n(…)\n\nONVZ (man)\n\nJa, juist, exact. Wat is zeg is dat u aangeeft dat u geregistreerd heeft bij de cliënt, in een map\n\nbijgehouden, de cliënt heeft daarvoor getekend. U heeft dat vervolgens overgetypt en de cliënt heeft daar nog een keer voor getekend op een later tijdstip. Vervolgens is dat dan de declaratie geworden. Wat wij aangeven ...\n\nMajestic Home Care\n\nNee, ik heb niet gezegd dat dat de declaratie is geworden. Het is overgetypt nadat de vraag is\n\ngesteld om een controle. Toen hebben wij dat op een gegeven moment besloten. Dat is wat ik\n\ngezegd heb.\n\nONVZ (man)\n\nJa, maar wat u zegt is dat het getypte en het geschreven met elkaar overeen komt. Dat zegt u\n\nnet.\n\nMajestic Home Care\n\nDat zou overeen moeten komen, ja.\n\nONVZ (man)\n\nJa, exact. Tegelijkertijd zien wij dat het getypte niet overeenkomt met hetgeen wat u\n\ngedeclareerd heeft. Daarmee kunnen wij stellen, als u zegt 'het getypte komt overeen met de\n\npapieren die aanwezig zijn’, dat die ook niet overeenkomen met die declaratie. Dan zal er\n\nergens een fout moeten zijn tussen deze drie documenten.\n\nMajestic Home Care\n\nDat zou dan kunnen. Net wat ik aangeef, ik heb eerlijk gezegd in de afgelopen periode niet de tijd gehad om even nog een keer door alles heen te gaan ter voorbereiding van dit gesprek. Dat ga ik ook niet ontkennen. Normaal gesproken had ik dat moeten doen zodat ik meer expliciet weet wat u bedoelt. Ik ben twee maanden echt niet lekker geweest. Ik heb daar de gelegenheid niet toe gehad.\n\nONVZ (man)\n\nDat snap ik en dat is vervelend, maar we praten niet over de afgelopen twee maanden. Dit zijn declaratiegegevens van langer geleden. Waar we eigenlijk nu op komen, er zit een discrepantie tussen wat gedeclareerd is en wat genoteerd is. Wij hebben dat u voorgelegd en we komen er eigenlijk niet uit. Wat ik dus aan wil geven, ik denk ook dat we het hier dan wel op dit punt even bij kunnen laten, is dat we er nu geen verder bewijs voor zien dat het wel overeenkomt met de werkelijkheid en dat is wel zorgelijk voor ons.\n\nMajestic Home Care\n\nNee, dan zou ik de papieren versie op moeten gaan zoeken en dat naar u opsturen.\n\nWaarschijnlijk is het met het typen gewoon fout gegaan. Dan heb ik even tijd nodig om die\n\npapieren allemaal bij elkaar te halen en dat naar u te komen brengen desnoods.\n\nONVZ (man)\n\nMevrouw, dan ga ik even heel flauw zeggen. U heeft digitale dossiers aangeleverd. Daar\n\nblijken fouten in te zitten. U geeft nu aan: ‘dat wist ik niet'. Dan is de vraag als u daar nog een papieren dossier naast legt, wat voegt dat toe in het geheel? Toont dat dan wel een feitelijke levering aan bijvoorbeeld? U heeft op deze manier misschien uzelf ook onbedoeld klemgezet in de situatie waar we eigenlijk de waarheid niet meer boven tafel kunnen krijgen.\n\nMajestic Home Care\n\nHeel vervelend, want mijn intentie is zeker niet om de boel te belazeren. Absoluut niet. Op het moment dat er geen zorg geleverd wordt, wordt het ook niet gedeclareerd. Dus ja, het is heel spijtig. We hebben de papieren dossiers inderdaad en op een gegeven moment hebben we gezegd om het netjes - misschien, net wat je zegt, onbedoeld - om het netjes aan te leveren gaan we het met zijn allen overtypen. Ik weet helaas niet en ik weet dat ik verantwoordelijk ben en dat is wel vervelend, waar het fout gegaan is. Daar loop ik dan gewoon tegenaan.\n\nONVZ (vrouw)\n\nMisschien begrijp ik het niet zo goed, want ik hoor u wel twee dingen zeggen. Aan de ene kant hebben wij aangegeven in onze voorlopige conclusie dat wij zien dat bijvoorbeeld data van een fysiotherapie consult komt niet overeen met de declaratie data die wij hebben van de\n\nfysiotherapeut en wat er in uw dossier staat. Wat is daar dan gebeurd? Zijn er fouten geslopen in die rapportages of zijn die overgetypte rapportages wel getrouw aan de papieren\n\nrapportages?\n\nMajestic Home Care\n\nDat antwoord moet ik u eerlijk gezegd op dit moment verschuldigd blijven. Had ik het kunnen controleren, dan had ik daar antwoord op kunnen geven. Ik zal daarnaar moeten kijken. Het is heel spijtig dat ik dat niet eerder heb kunnen doen, want dan had ik u concreet antwoord kunnen geven. Als ik het zo moet horen, dan denk ik dat er toch fouten in geslopen zijn. (…)”\n\n3.7. In een brief van 23 december 2020 heeft ONVZ aan MHC aangegeven dat uit haar onderzoek blijkt dat (onder meer) rapportages niet conform de werkelijkheid zijn, en urenregistraties niet overeenkomen met declaraties. ONVZ stelt zich in deze brief op het standpunt dat MHC en [handelsnaam] onrechtmatig zorg ten laste van de Zvw hebben gebracht en zij kondigt aan het totaalbedrag aan declaraties over de jaren 2018 en 2019 van € 223.543,20 van MHC te zullen vorderen.\n\n4. De toelichting op de beslissing van het hof\n\n4.1. Het hof ziet aanleiding eerst in te gaan op de grieven van ONVZ, waarmee ONVZ wil bereiken dat het hof haar vorderingen helemaal toewijst, in plaats van gedeeltelijk, zoals de rechtbank deed.\n\nAan de declaraties van MHC lag geen deugdelijke administratie ten grondslag\n\n4.2. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 28 juni 2023 ONVZ opgedragen te bewijzen dat (een deel van) de gedeclareerde zorg niet door MHC is geleverd, omdat als dat zo is dat volgens de rechtbank onrechtmatig is en het bedrag dat ONVZ heeft betaald voor zorg die niet is geleverd, moet worden beschouwd als schade.\n\n4.3. In hoger beroep betoogt ONVZ, met name met haar grieven 2 en 9, dat ook los van de vraag of ONVZ kan aantonen dat (een deel van) de gedeclareerde zorg niet is geleverd, het onrechtmatig handelen van MHC er (al) in bestaat dat haar administratie niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld, wil een zorgverlener zorg kunnen declareren die vervolgens ook door een zorgverzekeraar vergoed mag worden. Als uit de administratie van de zorgverlener – MHC – niet kan worden vastgesteld dat zorg is verleend, is al sprake van schade, aldus ONVZ. Anders gezegd: niet pas het declareren van niet geleverde zorg, maar ook (al) het declareren van zorg die niet voor vergoeding in aanmerking komt (omdat de zorgaanbieder geen deugdelijke administratie voert) is onrechtmatig tegenover haar, aldus ONVZ.\n\n4.4. Het hof is van oordeel dat MHC onrechtmatig heeft gehandeld tegenover ONVZ. Daarvoor is het volgende redengevend.4.5. Het hof stelt voorop dat uit de artikelen 35 en 36 Wmg volgt dat op een zorgaanbieder (zoals MHC) de verplichting rust om een administratie te voeren waaruit in ieder geval de overeengekomen en geleverde prestaties blijken, alsmede wanneer die prestaties zijn geleverd en aan welke patiënt onderscheidenlijk aan welke verzekerde die prestaties door een zorgaanbieder zijn geleverd. Met andere woorden: een administratie waaruit blijkt welke voor vergoeding in aanmerking komende zorg, wanneer, aan welke patiënt is geleverd. Vervolgens is het een ziektekostenverzekeraar (zoals ONVZ) niet toegestaan gedeclareerde zorg te vergoeden wanneer de betreffende zorgaanbieder niet aan deze administratieverplichting heeft voldaan.\n\n4.6. ONVZ stelt zich naar het oordeel van het hof terecht op het standpunt dat de administratie van MHCin de betreffende periode 2018-2019 niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen, zoals hieronder zal blijken. Uit hetgeen ONVZ daarover in dit verband heeft gesteld, en MHC ookals zodanigniet onderbouwd heeft weersproken (zij het dat zij daarvoor, nader te bespreken, verklaringen aanreikt), stelt het hof het volgende vast.\n\n4.7. Over de zorgrapportages.De rapportages Verpleging en Verzorging (hierna: de zorgrapportages) zijn bedoeld als verslag van de zorg die daadwerkelijk door MHC aan zorgcliënten, verzekerden van ONVZ, is verleend. De zorgrapportages die in het geding zijn gebracht zijn niet authentiek, maar het gaat daarbij om stukken die in een later stadium, achteraf, door of namens MHC zijn opgesteld in reactie op de vraag van ONVZ om haar daarin inzicht te geven. De teksten van de zorgrapportages bevatten patronen die zich – sjabloonmatig – herhalen, waarbij te zien is dat er één sjabloon is voor maanden met een even aantal dagen, en één sjabloon voor maanden met een oneven aantal dagen.\n\n4.8. \n\nDaarnaast bevatten de verslagen van de zorg die aan verzekerden zou zijn verleend, veel herhaling van dezelfde teksten en handelingen. Dat zou verklaarbaar kunnen zijn, doordat individuele zorgverleners bij het stelselmatig moeten specificeren van soms dezelfde werkzaamheden ertoe zullen neigen steeds dezelfde formuleringen te gebruiken. In dit geval valt echter ook nog het volgende op. De teksten zijn soms zelfs gelijkluidend wanneer een andere zorgverlener bij een verzekerde zorg verleent. Een voorbeeld hiervan betreft de zorgrapportage ten aanzien van verzekerde Y.H.over de maand april 2019.Daarin wordt onder meer het volgende gerapporteerd over de zorgverlening op 2 april 2019:\n\n“08.00-08.20: Dhr. sliep nog bij binnenkomst en wilde niet wakker worden. Dhr. gaf aan hoofdpijn te hebben. Ik liet hem even en werd even later zelf wakker. Medicatie aangereikt en gebleven bij inname. Ben even gebleven of het verder goed ging met dhr. Dhr. was weer terug gegaan naar bed.”\n\nLater op de ochtend van die dag staat te lezen:\n\n“11.00-11.20: Dhr. was een beetje chagrijnig en had nergens zin om wat te doen. Middag medicatie klaar gezet, aangereikt en bij gebleven bij inname.”\n\nOp 5 april 2019 vermeldt de zorgrapportage bij deze cliënt op dezelfde tijdstippen, woordelijk hetzelfde. De zorgrapportages bij de cliënt vermelden, alleen al in de maand april 2019, bovendien een identiekecombinatie van gebeurtenissen – de verzekerde slaapt bij binnenkomst en heeft hoofdpijn, en later op de ochtend is de verzekerde chagrijnig – op 5, 17, 20, 21, 22, 25 en 28 april. Hoewel de combinatie van gebeurtenissen, en de bewoordingen waarin die zijn opgeschreven, steeds identiek zijn, schrijft het zorgverslag ze over de maand april 2019 toe aan verschillende zorgverleners: de ene keer aan zorgverlener G. C., en de andere keer aan N. A.\n\n4.9. Ten slotte stroken in sommige gevallen de zorgrapportages en declaratiegegevens van de betrokken zorgverleners over dezelfde periode niet met elkaar.\n\n4.10. Over de urenregistraties. Het hof neemt ten aanzien van de urenregistraties in aanmerking dat deze steeds al voor elke maand vooraf waren ingevuld met uren en zorgverleners, en dat daarin naderhand nooit afwijkingen te zien waren. Ook als de indicatie voor te verlenen zorg op een later tijdstip wijzigde, is dat niet in de urenregistraties terug te zien. Die bleven voor wat betreft de uren gedurende welke zorg zou zijn verleend gelijkluidend, óók als declaratiegegevens lieten zien dat volgens de nieuwe indicatie werd gedeclareerd. Op de urenregistraties is bovendien niet, of pas maanden later, door de zorgcliënten voor akkoord getekend.\n\n4.11. Over de facturen.Voor het verlenen van zorg heeft MHC diverse zzp’ers ingeschakeld. Hun facturen – die op hun beurt weer leidden tot de declaraties van MHC die uiteindelijk door ONVZ zijn vergoed – zijn niet te herleiden tot de personen van verzekerden van ONVZ en ten aanzien daarvan ontbreken urenstaten.\n\n4.12. \n\nAnders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat aan de administratie van MHC, gelet op de hiervoor omschreven kenmerken van de zorgrapportages, urenregistraties, declaraties en facturen, geen betrouwbareinformatie is te ontlenen over de vraag welke zorg, wanneer, aan een bepaalde zorgcliënt is verleend. De zorgrapportages zijn fundamenteel niet betrouwbaar te achten omdat daarin zeer regelmatig formuleringen opduiken – identieke, repeterende frases die verschillende zorgverleners precies op dezelfde manier zouden hebben opgeschreven – die niet allemaal juistkunnenzijn. Aan die rapportages is daarom dus niet te ontlenen wat nu wel en wat niet daadwerkelijk is gebeurd. Mogelijk is niet alles wat daarin staat onwaar, maar een gedeelte daarvan is zéker niet waar – het hof verwijst naar het in rechtsoverweging 4.8 beschreven verschijnsel, dat zich veel vaker voordoet – en het probleem daarmee is dat dus niet is vast te stellen wanneer het een of het ander zich voordeed. Dan zijn er verder nog de urenstaten die niet op het moment van zorgverlening zijn ingevuld, nooit wijzigen en niet aansluiten op declaraties; en de facturen van zorgverleners waaruit niet blijkt welk deel van de bij MHC in rekening gebrachte zorg aan welke verzekerde is toe te schrijven.\n\nDe sjablonen en identieke formuleringen in de zorgrapportages roepen ernstige vragen op over de betrouwbaarheid daarvan, óók als het hof de onduidelijke verklaring van MHC zou volgen dat het nodig bleek om de rapportages te digitaliseren en de oorspronkelijke papieren exemplaren verloren zijn gegaan. Ook dan blijft het om een verklaring roepen waarom zich de patronen en herhalingen voordoen. Een, laat staan aannemelijke, verklaring heeft MHC echter niet gegeven, ook niet nadat dit onderwerp op de zitting in hoger beroep uitgebreid ter sprake kwam.\n\nHet hof concludeert dat de administratie dan ook geen onverdachte, verifieerbare en daarmee betrouwbare gegevens bevat om uitsluitsel te geven over de vraag welke vergoedbare zorg, wanneer, aan welke verzekerde is geleverd.\n\n4.13. Voor zover MHC er een beroep op doet dat een geaccepteerde werkwijze in de zorg is dat ervan mag worden uitgegaan dat wanneer er een planning is, de zorg ook gerealiseerd wordt volgens de planning, en dat daarom lagere eisen mogen worden gesteld aan haar administratie omdat zij in ieder geval wel een planning heeft opgesteld, kan dat haar niet baten. Ook als bij wege van uitgangspunt een planning wordt gevolgd, is van belang dat de momenten waarop van de planning wordt afgeweken op een betrouwbare manier worden geregistreerd. De hiervoor geconstateerde gebreken in de administratie van MHC leiden het hof tot de conclusie dat de administratie van MHC geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten biedt om ervan uit te gaan dat op een betrouwbare manier – niet in de laatste plaats voor de verzekeraar bij wie de declaraties van MHC terechtkomen – is te herleiden wanneer van de planning is afgeweken.\n\n4.14. Het hof gaat evenmin mee in de stelling van MHC dat de gevolgen van de gebreken in haar administratie worden ondervangen door de omstandigheid dat MHC een kleine, informele zorgverlener is die precies wist welke zorgverlener op welke momenten voor welke verzekerde werkzaam was. Het hof acht het om te beginnen al onaannemelijk dat MHC uit informele contacten met haar zzp’ers op elk moment een uitputtend en correct overzicht had van alle zorg die aan haar zorgcliënten werd verleend. Maar ook als dat wel zo zou zijn geweest, dan doet dat er niet aan af dat niet van haar werd gevraagd om (voor zichzelf) een helder beeld te hebben van de zorgverlening, maar om een administratie te voeren waarin de relevante gegevens vastliggen en daarmee zo nodig controleerbaarzijn voor (met name) de verzekeraar. Aan die eis heeft zij niet voldaan.\n\n4.15. \n\nMHC heeft verder nog betoogd dat er per verzekerde niet méér zorg kan worden gedeclareerd dan de indicatiestelling voor die zorgcliënt toestaat. Doordat er bij de indicatiestelling een wijkverpleegkundige betrokken is en daarnaast ook sprake is van andere controlemomenten, zou frauderen niet mogelijk zijn.\n\nOok dit neemt echter niet weg dat MHC ernstig is tekortgeschoten in haar administratieverplichting, en daarmee declaraties heeft opgesteld zonder dat die op een voldoende adequate administratie berusten. Daarbij is van belang dat ONVZ, al is die beschuldiging in de contacten tussen partijen wel gevallen, haar vordering niet baseert op de stelling dat MHC heeft gefraudeerd, zodat het hof die vraag verder terzijde laat. Verder geldt dat MHC weliswaar aannemelijk maakt dat het niet (goed) mogelijk is zorg te declareren die boven de indicatiestelling uitgaat, maar dat laat onverlet dat uit de administratie dient te blijken dat binnen die bovengrens daadwerkelijk sprake is geweest van voor vergoeding in aanmerking komende zorg, en wanneer die zorg aan wie is verleend. Daar schort het nu juist aan, de zorgindicatie ten spijt.\n\n4.16. Ook betoogt MHC dat een en ander er niet aan afdoet dat de zorg die MHC in rekening heeft gebracht ook daadwerkelijk is verleend. Ook aan deze tegenwerping van MHC gaat het hof voorbij, omdat het daar bij het in deze zaak terecht bevonden verwijt van ONVZ niet (primair) om gaat; het gaat immers om de wettelijke randvoorwaarde dat de verleende en vervolgens te declareren zorg in de eerste plaats verifieerbaar is op basis van een deugdelijke administratie – zulks ter voorkoming van zorgfraude met declaratie van niet (volledig) geleverde zorg, hetgeen hieronder nog uitgebreider aan bod komt.\n\n4.17. Het voorgaande brengt mee dat MHC ofwel (a) ONVZ rechtstreeks verzocht om zorg te declareren die niet voldoet aan de artikelen 35 en 36 Wmg – en die het ONVZ dus niet vrij stond te vergoeden, zoals het hof hiervoor overwoog (zie rechtsoverweging 4.5, slot), dan wel (b) de declaratie van de hiervoor bedoelde zorg bevorderde, door declaraties aan verzekerden bij ONVZ te sturen, wetende dat die verzekerden die declaraties voor vergoeding bij ONVZ zouden indienen. Zowel het onder (a) als onder (b) bedoelde verwijt kwalificeert het hof in de omstandigheden van deze zaak als onrechtmatig handelen van MHC tegenover ONVZ, omdat de zorgvuldigheid van MHC vergde dat zij zich diende te onthouden van handelingen waarvan MHC wist of had moeten weten dat die ertoe zouden leiden dat ONVZ gedeclareerde zorg zou vergoeden – ofwel rechtstreeks aan MHC of aan bij ONVZ verzekerde zorgcliënten van MHC – die niet aan de eisen voor vergoedbare zorgdeclaraties voldeed. Het hof hecht eraan te benadrukken dat deze zaak zich niet kenmerkt door (een) enkele verschoonbare fout(en), maar dat de gepresenteerde administratie moet worden gekwalificeerd als structureel en fundamenteel ondeugdelijk. Door desondanks ONVZ te (doen) bewegen tot vergoeding van zorg, waartoe ONVZ redelijkerwijs niet gehouden was gezien de wettelijke randvoorwaarden voor uitkering ter voorkoming van fraude enerzijds en de onbetrouwbare administratievoering door MHC anderzijds, heeft MHC onzorgvuldig gehandeld en is zij aansprakelijk voor de schade die ONVZ als gevolg van dit onrechtmatige handelen heeft geleden.\n\nSchade\n\n4.18. De aansprakelijkheid van MHC is gelet op het voorgaande aldus niet gebaseerd op de stelling – die ONVZ in deze procedure ook wel heeft ingenomen – dat zij heeft betaald voor zorg die niet aantoonbaar is geleverd, maar op het verwijt dat MHC declaratie verlangde (rechtstreeks) of bevorderde (via haar cliënten) van zorg die – gelet op de door MHC gevoerde administratie – niet verifieerbaar was en daardoor niet voor vergoeding in aanmerking kwam, althans waarvan ONVZ de vergoeding redelijkerwijs mocht weigeren (zie rov. 4.5). De schade die het gevolg van dat verwijt is, komt neer op al hetgeen ONVZ op grond van de declaraties van MHC, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van haar cliënten, heeft voldaan. Wanneer dit verwijt immers wordt weggedacht – de hypothetische situatie – had MHC zich immers onthouden van het declareren van zorg zonder grondslag in een deugdelijke administratie, en had ONVZ deze dan ook niet vergoed.\n\n4.19. In zoverre komt het hof dan ook tot een ander oordeel dan de rechtbank, die aannam dat wanneer komt vast te staan dat zorg wel degelijk feitelijk is geleverd, geen sprake is van schade bij ONVZ. Het hof oordeelt dat het verwijt van onzorgvuldig handelen in deze zaak (reeds) ziet op het indienen van declaraties die bij gebreke van verifieerbaarheid geen grondslag behoren te bieden voor vergoeding. Het is aldus reeds op die grond dat MHC aansprakelijk is voor de schade van ONVZ, die gelijk staat aan alles dat zij op basis van de declaraties heeft betaald. Het hof benadrukt nogmaals dat aan dit oordeel niet de gedachtegang ten grondslag ligt dat in zijn algemeenheid geldt dat elke onjuistheid in het administratieve proces tot het ingrijpende gevolg van aansprakelijkheid van de zorgverlener tegenover de zorgverzekeraar zou moeten leiden. Dit geval kenmerkt zich er echter door dat sprake is van een zeer groot aantal onjuistheden en onregelmatigheden in de administratie die aan de zorgdeclaraties ten grondslag liggen. Zoals hiervoor is overwogen is op vrijwel elk niveau van de administratie sprake van gegevens die oncontroleerbaar, op zijn minst verdacht, of ronduit onjuist zijn: zorgrapportages die ontbreken en pas na een aangekondigde controle zijn opgesteld, waarin gebeurtenissen zich sjabloonmatig herhalen en verschillende zorgverleners herhaaldelijk identieke formuleringen bezigen; waar zorgrapportages niet aansluiten op declaraties en declaraties niet aansluiten bij zorgcliënten; en waar urenregistraties vooraf zijn ingevuld en de feitelijk gewerkte uren zonder uitzondering feilloos aansluiten op de planning zonder te wijzigen wanneer de indicaties voor zorgbehoefte wijzigen (zie rov. 4.7- 4.12). Er is naar het oordeel van het hof sprake van een administratie die in zeer substantiële zin – structureel en fundamenteel – niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, waardoor niet anders kan worden geconcludeerd dan dat aan die administratie in dit geval onvoldoende aanknopingspunten kunnen worden ontleend om te kunnen afleiden of, en zo ja, welke voor vergoeding vatbare zorg is verleend. Het aantal onjuistheden in de door MHC aangeleverde bescheiden en de stelselmatigheid ervan is dermate groot dat het risico dat deze geen grondslag kan bieden voor vergoeding voor rekening van MHC dient te blijven.\n\n4.20. Tussen partijen staat niet ter discussie dat ONVZ een bedrag van 225.826,65 heeft uitgekeerd op grond van declaraties die MHC, gelet op de aard van haar administratie, niet voor vergoeding had mogen laten uitgaan. Dat bedrag kwalificeert als schade van ONVZ, en MHC dient dat aan ONVZ te vergoeden, met dien verstande dat het hof het iets lagere bedrag van € 223.543,20 zal toewijzen, met daarover de wettelijke rente vanaf 28 januari 2021, omdat dat het bedrag is dat ONVZ heeft gevorderd.\n\nSlotsom\n\n4.21. Het voorgaande betekent dat de grieven van MHC falen, al dan niet wegens gebrek aan belang. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat geen bewijs is aangeboden van stellingen die, indien juist, tot een ander oordeel zouden leiden. Het principaal hoger beroep van MHC slaagt dus niet. De grieven van ONVZ in het incidenteel hoger beroep die zien op hetgeen hiervoor is overwogen, slagen wel.\n\n4.22. Omdat MHC in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten van de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep veroordelen. Gelet op de verwevenheid van het principaal en het incidenteel hoger beroep zal het hof één proceskostenveroordeling uitspreken. Onder die proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n4.23. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1. vernietigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 28 juni 2023, 18 oktober 2023 en 27 maart 2024, en beslist opnieuw rechtdoende als volgt:\n\n5.2. veroordeelt MHC tot betaling aan ONVZ van een bedrag van € 223.543,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2021 tot aan de dag van volledige betaling;\n\n5.3. veroordeelt MHC tot betaling van een bedrag van € 15.561,63 aan proceskosten van ONVZ tot aan de uitspraak van de rechtbank, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na 27 maart 2024 tot aan de dag van volledige betaling;\n\n5.4. \n\nveroordeelt MHC tot betaling van de volgende proceskosten van ONVZ in hoger beroep:\n\n€ 2.255 aan griffierecht;\n\n€ 11.767,50 aan salaris van de advocaat van ONVZ (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief VI van € 4.707), en bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.A.M. Essed, mr. M. Aksu en mr. P.W. Schreurs, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n De vonnissen van 18 oktober 2023 en 27 maart 2024 zijn gepubliceerd, onder ECLI:NL:RBMNE:2023:5437, respectievelijk ECLI:NL:RBMNE:2024:3902.\n\n In eerste instantie sprak ONVZ zowel MHC als haar middellijk bestuurder tot betaling aan. De vorderingen tegen de bestuurder van MHC zijn voor het overgrote deel afgewezen. ONVZ heeft daartegen geen beroep ingesteld. De vorderingen tegen deze bestuurder zijn in hoger beroep derhalve niet langer aan de orde.\n\n Van de juistheid van dit verslag mag volgens de advocaat van MHC worden uitgegaan (zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 5).\n\n De rechtbank heeft bij de bespreking van de administratie van MHC óók het oog gehad op de administratie die voorafgaand aan haar oprichting in het kader van de activiteiten van [handelsnaam] werd gevoerd. Zo ook partijen in hun debat, ook in hoger beroep. Het hof zal hier dan ook bij aansluiten.\n\n Het hof ziet aanleiding om de naam van deze, bij partijen bekende, persoon niet voluit, maar enkel in initialen te vermelden. Datzelfde geldt voor de hierna te vermelden zorgverleners.\n\n Zie productie 22 bij de inleidende dagvaarding.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4227","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:26.145Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"2004","ECLI:NL:GHAMS:2026:1670","ecli-nl-ghams-2026-1670",56,"2026-06-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht,\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.349.867\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank : C\u002F15\u002F333568 \u002F HA ZA 22-668\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. PODOCENTRUM ALKMAAR B.V.,\n\n gevestigd te Alkmaar,\n\n2. [appellant 1],\n\n handelend onder de naam PODOLOGIC,\n\n gevestigd te Ommen,\n\n3. [appellant 2]en\n\n [appellant 3],\n\n vennoten van SHOE-FIT V.O.F.,\n\n gevestigd te Tegelen,\n\n4. [appellant 4],\n\n handelend onder de naam PODOZORG NIEUWPOORT,\n\n gevestigd te Nieuwpoort,\n\n5. STICHTING VOOR VOET- EN HOUDING BEROEPEN,\n\n handelend onder de naam STICHTING LANDELIJK OVERKOEPELEND ORGAAN\n\n VOOR PODOLOGIE,\n\n gevestigd te Utrecht,\n\nappellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. T.A.M. van den Ende te Utrecht,\n\ntegen\n\n1. VGZ U.A.,\n\n2. VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,\n\n3. IZA ZORGVERZEKERAAR N.V.,\n\n4. N.V. ZORGVERZEKERAAR UMC,\n\n5. N.V. UNIVÉ ZORG,\n\n allen gevestigd te Arnhem,\n\ngeïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. M.E. Jannink te Amsterdam.\n\nPartijen worden hierna LOOP e.a. en VGZ e.a. genoemd.\n\nAppellanten 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep worden gezamenlijk ook aangeduid als de aangesloten zorgaanbieders.\n\nAppellante 5 in principaal hoger beroep wordt afzonderlijk aangeduid als Stichting LOOP.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe bij Stichting LOOP aangesloten zorgaanbieders verlenen voetzorg. Zij verstrekken onder meer steunzolen aan hun cliënten. Deze verstrekkingen vallen niet onder de verplichte basiszorgverzekering. VGZ e.a. zijn zorgverzekeraars. De procedure gaat om de vraag of VGZ e.a. verplicht zijn de kosten van de steunzolen aan hun verzekerden te vergoeden als deze een aanvullende zorgverzekering hebben en de steunzolen worden verstrekt door registerpodologen of podoposturaal therapeuten, die geen podotherapeut zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit niet zo is, en het hof is het daarmee eens.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\nLOOP e.a. zijn bij dagvaarding van 3 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 9 oktober 2024 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen VGZ e.a. als eisers in conventie, verweerders in reconventie en LOOP e.a. als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven tevens akte wijziging van eis, met producties;\n\n- memorie van antwoord in principaal hoger beroep\u002Fmemorie van grieven in incidenteel hoger beroep tevens akte wijziging eis, met producties;\n\n- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens akte bezwaar wijziging eis.\n\nOp 13 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. VGZ e.a. hebben nog een productie in het geding gebracht.\n\nTen slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.1.. \n\nVGZ e.a. zijn zorgverzekeraars. Stichting Loop is een brancheorganisatie. Zij behartigt de belangen van zorgaanbieders op het gebied van podologie. Zorgaanbieders die bij Stichting Loop zijn aangesloten zijn onder andere registerpodologen en podoposturaal therapeuten. Een registerpodoloog is gespecialiseerd in het onderzoeken en behandelen van klachten die ontstaan in de stand van de voeten. Een podoposturaal therapeut maakt gebruik van reflexwerking onder de voeten om stands- en houdingsverandering hoger in het lichaam teweeg te brengen. Naast registerpodologen en podoposturaal therapeuten verlenen ook podotherapeuten voetzorg. Podotherapeuten zijn niet bij Stichting LOOP aangesloten.\n\nDe appellanten 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep zijn zorgaanbieders die zijn aangesloten bij Stichting LOOP.\n\n3.2.. Zowel podotherapeuten als registerpodologen en podoposturaal therapeuten kunnen steunzolen leveren. Tot 2015 bestond tussen Stichting LOOP en VGZ e.a. een overeenkomst op grond waarvan Stichting LOOP de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen bij VGZ e.a. declareerde. VGZ e.a. vergoedden deze kosten als de desbetreffende aanvullende zorgverzekering in een vergoeding voor de kosten van steunzolen voorzag. Vanaf 2015 moesten de aangesloten zorgaanbieders zelf de kosten bij VGZ e.a. declareren. Sindsdien is er tussen Stichting LOOP e.a. en VGZ e.a. gecorrespondeerd over het wel of niet blijven vergoeden van de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen.\n\n3.3.. \n\nVGZ e.a. hebben in 2020 besloten het vergoeden van de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen te beëindigen met ingang van 2021.\n\nBij vonnis van 10 november 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland in kort geding onder meer VGZ e.a. geboden ‘het op 18 juni 2020 genomen besluit om de door\n\nregisterpodologen en podoposturaal therapeuten te leveren steun- en\u002Fof therapiezolen vanaf\n\n1 januari 2021 niet langer vanuit de aanvullende verzekering te vergoeden, zoals zij dat op\n\ndit moment nog wel doen, met onmiddellijke ingang ongedaan te maken’ en VGZ e.a. veroordeeld ‘om het afleveren van steun- en therapiezolen door registerpodologen en\n\npodoposturaal therapeuten aan haar verzekerden met een aanvullende verzekering\n\ngedurende het jaar 2021 te blijven vergoeden overeenkomstig de wijze van vergoeding in\n\n2020’ en ‘op hun website(s) binnen vijf werkdagen na heden bekend te maken dat de vergoeding van door registerpodologen en podoposturaal therapeuten te leveren steun- en therapiezolen in 2021 gehandhaafd blijft’.\n\n3.4.. VGZ e.a. hebben Stichting LOOP op 16 augustus 2021 bericht dat zij met ingang van 1 januari 2022 de kosten van door registerpodologen en podoposturaal therapeuten afgeleverde steunzolen niet langer vanuit de aanvullende zorgverzekering zouden vergoeden. Bij vonnis van 27 september 2021 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland in kort geding VGZ e.a. verboden om aan dit besluit uitvoering te geven.\n\n3.5.. Bij arrest van 15 februari 2022 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het kortgedingvonnis van 10 november 2020 bekrachtigd wat betreft de in 3.3 vermelde beslissingen.\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. VGZ e.a. hebben bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat het VGZ e.a. jegens gedaagden vrijstaat om in haar polisvoorwaarden van aanvullende verzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten uit te sluiten, met veroordeling van LOOP e.a. in de proceskosten.\n\n4.2.. LOOP e.a. hebben in reconventie gevorderd om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat VGZ e.a. jegens LOOP e.a. onrechtmatig handelen:\n\n- door de vergoeding voor het leveren van steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de polisvoorwaarden van aanvullende verzekeringen; en\n\n- door de vergoeding van de voetzorg door de registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de aanvullende verzekeringen, dan wel door de voetzorg door de registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet vanuit de aanvullende verzekeringen te vergoeden,\n\nmet veroordeling van VGZ e.a. in de proceskosten.\n\n4.3.. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie voor recht verklaard dat het VGZ e.a. vrijstaat om in hun polisvoorwaarden van aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen uit te sluiten. De vorderingen van LOOP e.a. in reconventie zijn afgewezen. LOOP e.a. zijn in conventie en reconventie veroordeeld in de proceskosten.\n\n5. Vorderingen in hoger beroep\n\n5.1.. LOOP e.a. vorderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, de vorderingen van VGZ e.a. alsnog zal afwijzen en, met wijziging van hun oorspronkelijke (reconventionele) eis, te verklaren voor recht:\n\n- dat VGZ e.a. onrechtmatig jegens LOOP e.a. handelen door de vergoeding voor het leveren van steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de polisvoorwaarden van aanvullende verzekeringen; en\n\n- dat VGZ e.a. onrechtmatig jegens LOOP e.a. handelen door de vergoeding van de voetzorg door de registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de aanvullende verzekeringen, dan wel door deze voetzorg niet vanuit de aanvullende verzekeringen te vergoeden; en\n\n- dat VGZ e.a. gehouden zijn de vergoeding van de steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten onverminderd voort te zetten conform de door haar gemaakte afspraak,\n\nmet veroordeling, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van VGZ e.a. in de proceskosten.\n\n5.2.. Volgens VGZ e.a. moet het hof de vorderingen van LOOP e.a. afwijzen en het vonnis bekrachtigen.\n\n5.3.. VGZ e.a. vorderen daarnaast in incidenteel hoger beroep, met wijziging van hun oorspronkelijke eis, dat het hof voor recht zal verklaren dat het VGZ e.a. ten opzichte van LOOP e.a. vrijstaat om:\n\n- in hun polisvoorwaarden van aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten uit te sluiten;\n\n- de coulancevergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen dan wel podoposturaal therapeuten te beëindigen,\n\nmet veroordeling, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van LOOP e.a. in de proceskosten.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. Deze procedure gaat over het vergoeden van de kosten voor voetzorg, in het bijzonder de kosten voor steunzolen, aan verzekerden van VGZ e.a. Het afleveren van steunzolen is geen verzekerde prestatie onder de verplichte zorgverzekering (de basisverzekering). De aanvullende zorgverzekeringen die VGZ e.a. aanbieden, voorzien in veel gevallen wel in een vergoeding. Aan een dergelijke vergoeding zijn voorwaarden verbonden die zijn opgenomen in de polisvoorwaarden van deze aanvullende verzekeringen.\n\n6.2.. In de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen van VGZ e.a. is als voorwaarde voor het vergoeden van de kosten van steunzolen opgenomen dat de steunzolen moeten zijn afgeleverd door een podotherapeut of een orthopedische schoenmakerij (SEMH-OSB) of werkplaats (SEMH-OIM). De polisvoorwaarden van sommige aanvullende zorgverzekeringen stonden daarnaast vergoeding toe van steunzolen die werden afgeleverd door podoposturaal therapeuten.6.3.. Tussen VGZ e.a. en Stichting LOOP heeft gedurende een aantal jaren tot 2015 een overeenkomst bestaan op grond waarvan podoposturaal therapeuten en registerpodologen die bij Stichting LOOP waren aangesloten, voetzorg onder de basisverzekering mochten leveren en tevens onder de aanvullende zorgverzekeringen steunzolen mochten afleveren, voor zover die verzekeringen toelieten dat steunzolen ook werden afgeleverd door podoposturaal therapeuten. Vanaf 2015 vergoeden VGZ e.a. onder de basisverzekering geen voetzorg meer die wordt verleend door podoposturaal therapeuten en registerpodologen. In overleg met Stichting LOOP zijn VGZ e.a. vanaf 2015 nog wel – buiten de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen om – de kosten blijven vergoeden van steunzolen die werden afgeleverd door bij Stichting LOOP aangesloten registerpodologen, voor zover het ging om aanvullende zorgverzekeringen die wél voorzagen in een vergoeding van door podoposturaal therapeuten afgeleverde steunzolen.\n\n6.4.. VGZ e.a. hebben de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen met ingang van 2020 aangepast, waardoor de aanspraak op vergoeding verviel voor de kosten van steunzolen die podoposturaal therapeuten afleverden. Na overleg met Stichting LOOP hebben VGZ e.a. besloten de praktijk van het vergoeden van kosten van steunzolen van podoposturaal therapeuten en registerpodologen in 2020 nog voort te zetten. Vervolgens is deze vergoeding blijven bestaan op grond van de in kort geding gegeven uitspraken.\n\nUitgangspunt\n\n6.5.. Een aanvullende zorgverzekering is een schadeverzekering. Het hof stelt voorop dat aan VGZ e.a. als zorgverzekeraars de vrijheid toekomt om de aanvullende zorgverzekeringen naar eigen inzichten vorm te geven. Dit is een wezenlijk verschil met de basisverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet, die moet voldoen aan hetgeen daarover bij of krachtens de Zorgverzekeringswet is geregeld, en waarvan de verzekerde prestaties het bij of krachtens deze wet geregelde niet te boven mogen gaan. Het uitgangspunt is dan ook dat VGZ e.a. in de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor kosten van steunzolen mogen beperken tot steunzolen die worden afgeleverd door podotherapeuten en orthopedische schoenmakerijen of werkplaatsen.\n\nSchakeljurisprudentie (onrechtmatig handelen)\n\n6.6.. \n\nLOOP e.a. bepleiten een beperking van de vrijheid die VGZ e.a. op dit punt toekomt.\n\nZij doen daarvoor onder meer een beroep op de zogenoemde schakeljurisprudentie.\n\nDe grieven 4 en 5 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep hebben hierop betrekking.\n\nDe schakeljurisprudentie houdt het volgende in:\n\n‘Wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractsverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden, die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden, staat het hem niet onder alle omstandigheden vrij de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben. Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen dit meebrengen, zal de rechter de terzake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.’ In dit ‘beoordelingskader is bepalend of de aangesproken partij haar verklaringen en gedragingen ter zake van de overeenkomst waarbij zij partij is, mede diende te laten bepalen door de belangen van de betrokken derde, en is dus niet mede vereist dat de aangesproken partij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij zij partij is en waarmee de belangen van die derde verbonden zijn’ (HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1355, rov. 3.3.2 en 3.3.3, HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069, rov: 3.4).\n\n6.7.. In de kern komt het betoog van LOOP e.a. erop neer dat zij er een belang bij hebben dat VGZ e.a. de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen aan hun aanvullend verzekerden blijven vergoeden en dat VGZ e.a. hun keuzes bij het vaststellen van de voorwaarden voor het vergoeden van deze kosten mede moeten laten bepalen door dit belang. Volgens LOOP e.a. maakt het daarbij niet uit of VGZ e.a. al dan niet jegens hun verzekerden tekortschieten in het nakomen van verplichtingen op grond van de aanvullende zorgverzekering als de vergoedingen voor door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen van dekking worden uitgesloten. LOOP e.a. zien het overigens ook als een belang van de aanvullend verzekerden om vergoeding te blijven ontvangen voor dergelijke steunzolen.\n\n6.8.. Het hof is van oordeel dat het behoorlijk uitvoeren van de overeenkomsten tussen VGZ e.a. en hun aanvullend verzekerden niet in het gedrang komt als VGZ e.a. de kosten van steunzolen van podoposturaal therapeuten en registerpodologen niet meer vergoeden. Het staat namelijk niet ter discussie dat VGZ e.a. de polisvoorwaarden in de relatie met hun verzekerden (jaarlijks) hebben mogen aanpassen en dat dit plaatsvindt met instemming van de verzekerden. Deze verzekerden kunnen hun aanvullende verzekering opzeggen en overstappen naar een andere verzekeraar die andere voorwaarden hanteert, indien de aanpassing hun instemming niet heeft. Er is bovendien geen of onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de aanvullend verzekerden in de praktijk worden belemmerd om steunzolen te verkrijgen in het geval de vergoeding daarvan volgens de voorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen van VGZ e.a. is beperkt tot steunzolen die worden afgeleverd door podotherapeuten.\n\n6.9.. De vraag is dus of VGZ e.a., ondanks het behoorlijk uitvoeren van de overeenkomsten met betrekking tot de aanvullende zorgverzekeringen, verplicht zijn om in het belang van LOOP e.a. de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen te vergoeden. De aard en strekking van de aanvullende zorgverzekering dwingen daar niet toe. Het gaat als gezegd immers om een schadeverzekering die VGZ e.a. als verzekeraars juist de vrijheid geeft om zelf de voorwaarden te bepalen voor het verstrekken van vergoedingen. Deze vrijheid brengt mee dat VGZ e.a. mogen bepalen welke zorgaanbieders de zorg mogen verlenen die voor vergoeding in aanmerking komt. VGZ e.a. mogen daarbij hun eigen afwegingen maken, zoals in dit geval over de kosten van de zorg (wat betreft de steunzolen) zoals die blijken uit hun administratie, de kwalificaties die de zorgverleners hebben (opleiding, BIG-registratie) en de verbinding tussen basiszorg en aanvullende zorg voor hun verzekerden (stepped care-beginsel). Het gaat er niet om of LOOP e.a. het eens zijn met deze afwegingen en evenmin of er andere of betere afwegingen mogelijk zijn. Het gaat erom dat VGZ e.a. deze afwegingen mogen maken en dat de gemaakte afwegingen niet kennelijk onredelijk zijn of op andere wijze de vrijheid te buiten gaan die VGZ e.a. in dit verband hebben. Het onderscheid dat VGZ e.a. maken tussen de zorg die podotherapeuten verlenen en die podoposturaal therapeuten en registerpodologen verlenen, is dan ook geen verboden onderscheid.\n\n6.10.. Voor de aangesloten zorgaanbieders kan dit meebrengen dat zij cliënten verliezen of minder cliënten aantrekken, en dat is VGZ e.a. bekend, maar dit is eigen aan het systeem van schadeverzekeringen en de daarin besloten contractsvrijheid, die dus ook geldt voor de aanvullende zorgverzekering. Dit mogelijk financieel nadeel verschaft geen aanspraak jegens VGZ e.a. op vergoeding. Het zou ook bezwaarlijk voor VGZ e.a. zijn om het maken van keuzes ten aanzien van de voorwaarden voor vergoeding mede te moeten laten bepalen door financiële aanspraken van zorgaanbieders, omdat het honoreren van de aanspraak van de één kan leiden tot nadeel van de aanspraak van de ander en\u002Fof ten koste kan gaan van het beperken van zorgkosten in het algemeen. De aangesloten zorgaanbieders hebben geen andere positie dan de positie van andere aanbieders van diensten waarvan de kosten niet vallen onder een schadeverzekering die een verzekerde heeft afgesloten.\n\n6.11.. VGZ e.a. hebben vanaf 2015 bij verschillende gelegenheden te kennen gegeven dat zij het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen willen beëindigen. Aan de omstandigheid dat in overleg de vergoeding enkele jaren is blijven bestaan, hebben LOOP e.a. niet het vertrouwen kunnen en mogen ontlenen dat VGZ e.a. de vergoeding niet meer zouden beëindigen. Daarbij komt dat de aangesloten zorgaanbieders inmiddels enkele jaren de tijd hebben gekregen, ook door de uitspraken in kort geding, om hun bedrijfsvoering aan te passen en zich in te dekken tegen het verlies van de vergoeding. Het is gebleken dat zij dit ook hebben gedaan, met name door zich bij te scholen tot podotherapeut of door een of meer podotherapeuten bij hun praktijk te betrekken.\n\n6.12.. \n\nAlle omstandigheden in aanmerking genomen komt het hof tot de conclusie dat VGZ e.a. niet onrechtmatig jegens LOOP e.a. handelen door het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen niet meer te vergoeden. Het hof tekent hierbij aan dat VGZ e.a. hebben verklaard dat dit zal gelden vanaf\n\n1 januari 2027, zoals VGZ e.a. hebben aangekondigd in een brief van 8 april 2026 (productie 30 in hoger beroep), en dat verstrekte vergoedingen niet zullen worden teruggevorderd.\n\n6.13.. Uit het voorgaande volgt dat de grieven 4 en 5 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep niet slagen.\n\nOvereenkomst\n\n6.14.. LOOP e.a. hebben niet alleen aangevoerd dat VGZ e.a. onrechtmatig handelen als zij de vergoeding beëindigen, maar ook dat er een overeenkomst met LOOP e.a. is die VGZ e.a. verplicht om de kosten van de door LOOP e.a. af te leveren steunzolen te blijven vergoeden. Het wel of niet bestaan van deze overeenkomst is onderwerp van de grieven 1 en 2 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep.\n\n6.15.. \n\nLOOP e.a. stellen in hun memorie van grieven (nr. 5.4) dat VGZ e.a. bij e-mail van\n\n22 november 2015 de afspraak (kennelijk: met LOOP e.a.) hebben gemaakt om de kosten te blijven vergoeden van de steunzolen die door podoposturaal therapeuten en registerpodologen zijn afgeleverd. Volgens LOOP e.a. is deze afspraak bij e-mail van 11 maart 2019 bevestigd. LOOP e.a. voeren aan dat hiermee een nieuwe overeenkomst is gesloten (memorie van grieven nr. 5.5) en dat VGZ e.a. op grond daarvan de kosten zijn blijven vergoeden, en niet op grond van de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen.\n\n6.16.. De e-mails waar LOOP e.a. naar verwijzen, moeten worden gelezen in de context waarin deze zijn verzonden. Vanaf 2015 is het vergoeden van voetzorg onder de basisverzekering door podoposturaal therapeuten en registerpodologen vervallen, terwijl de kosten van door dezen afgeleverde steunzolen onder verschillende aanvullende zorgverzekeringen nog wel werden vergoed. Uit de e-mail van 22 november 2015 van een zorginkoper van Coöperatie VGZ U.A. valt niet méér op te maken dan dat de tekst op bepaalde websites zou worden aangepast. Een overeenkomst over het vergoeden van steunzolen of het bevestigen van een dergelijke overeenkomst, valt in de e-mail niet te lezen. LOOP e.a. hebben ook geen bijkomende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij de e-mail wel op die wijze hebben begrepen en mochten begrijpen.\n\n6.17.. \n\nDe e-mail van 11 maart 2019 is van een medewerker van de afdeling Controles en Correcties Klantdeclaraties. In de e-mail wordt meegedeeld dat de afspraak uit 2015 blijft gehandhaafd en dat dit wil zeggen – in het kort – dat als een verzekerde op grond van een aanvullende zorgverzekering recht heeft op het vergoeden van de kosten van steunzolen, deze steunzolen ook mogen zijn afgeleverd door registerpodologen.\n\nLOOP e.a. hebben hieruit mogen opmaken dat deze handelwijze in 2019 zou blijven bestaan. Er zijn echter geen of onvoldoende feiten of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat zij redelijkerwijs erop hebben mogen vertrouwen dat aan deze e-mail of handelwijze een overeenkomst ten grondslag lag die inhield dat ook na 2019 aanspraak op de vergoeding kon worden gemaakt. Een dergelijke overeenkomst is ook in kort geding niet voorshands aangenomen (zie rov. 4.3 van het vonnis van 10 november 2020 van de voorzieningenrechter en rov. 3.3 van het arrest van 15 februari 2022 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden).\n\n6.18.. De gang van zaken vanaf 2015 maakt verder duidelijk dat het vergoeden van de kosten van door LOOP e.a. afgeleverde steunzolen niet berust op een gewoonte. Het vergoeden is voortdurend onderwerp geweest van gemaakte keuzes en rechterlijke uitspraken. Er is te weinig gesteld of gebleken om aan te nemen dat in de kring van zorgverzekeraars en zorgaanbieders, of tussen partijen, met betrekking tot deze vergoeding een gedragslijn is aan te wijzen die zo algemeen en voortdurend wordt gevolgd, dat men binnen die kring wordt geacht haar na te leven. Het hof wijst er verder nog op dat volgens art. 6:248 lid 1 BW een gewoonte mede de rechtsgevolgen van een gesloten overeenkomst kan bepalen, maar niet een overeenkomst doet ontstaan.\n\n6.19.. \n\nHet hof merkt ten slotte op dat zelfs als sprake zou zijn geweest van een overeenkomst om de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen te vergoeden, en deze overeenkomst van onbepaalde duur zou zijn, er te weinig is gesteld om te oordelen dat VGZ e.a. een dergelijke overeenkomst niet op enig moment mochten of mogen beëindigen. Evenzeer is te weinig gesteld voor het oordeel dat het beëindigen van de vergoeding – en dus van een dergelijke overeenkomst als die bestaat – per\n\n1 januari 2027, zoals VGZ e.a. nu beogen en de wijze waarop dat is gedaan, in strijd is met enige verplichting van VGZ e.a., of naar maatstaven van redelijk en billijkheid onaanvaardbaar is.\n\n6.20.. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben LOOP e.a. hun stellingen in die zin nog aangepast of uitgewerkt dat zij stellen dat de overeenkomst tussen de aangeslotenen en VGZ e.a. een betaalovereenkomst is en dat de enige wijziging in 2015 was dat de kosten niet meer via Stichting LOOP werden gedeclareerd, maar rechtstreeks door de aangesloten zorgaanbieders. Het hof kan in het midden laten of deze aanpassing toelaatbaar is in het licht van de twee-conclusieregel. Ook als het juist is wat LOOP e.a. hier stellen, kan dit niet eraan afdoen dat VGZ e.a. het vergoeden en de gestelde overeenkomst mogen beëindigen.\n\n6.21.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook de grieven 1 en 2 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep geen doel treffen.\n\nHet verstrekken van informatie aan verzekerden\n\n6.22.. Met grief 3 in principaal hoger beroep betogen LOOP e.a. dat VGZ e.a. een schimmig beleid voeren ten aanzien van het vergoeden van de kosten van steunzolen en daarover hun verzekerden onjuiste, onvolledige en\u002Fof misleidende informatie verschaffen. Volgens LOOP e.a. levert dit een wanprestatie op van VGZ e.a. jegens hun aanvullend verzekerden en lopen de aangesloten zorgaanbieders hierdoor omzet mis.\n\n6.23.. VGZ e.a. hebben al jaren geleden een einde willen maken aan de praktijk dat de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen werden vergoed, hoewel de vergoeding niet was voorzien in de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen. Het blijven vergoeden van deze kosten heeft aanvankelijk plaatsgevonden in overleg met LOOP e.a. en is sinds 2021 het gevolg van uitspraken in kort geding. Er is dus in elk geval al jarenlang geen sprake van een beleid van VGZ e.a. met betrekking tot deze vergoeding, maar van een door de rechter opgelegde verplichting. Met de onderhavige bodemprocedure willen VGZ e.a. hieraan juist een einde maken. Het verwijt dat LOOP e.a. hierover aan VGZ e.a. maken, is onterecht.\n\n6.24.. Dat VGZ e.a. aan hun aanvullend verzekerden onjuiste of misleidende informatie verschaffen over de nu nog bestaande vergoeding voor de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen, valt uit de stellingen van LOOP e.a. niet op te maken. De vermelding op de website(s) van VGZ e.a. waarnaar LOOP e.a. verwijzen (memorie van grieven nr. 5.21) is niet kennelijk onjuist of misleidend. Of de informatie onvolledig is in die zin dat VGZ e.a. podoposturaal therapeuten en registerpodologen niet op dezelfde wijze vindbaar maken als podotherapeuten, en of dit een tekortkoming jegens de aanvullend verzekerden is, hoeft het hof in deze procedure niet te beoordelen. Er is geen vordering ingesteld die daarop betrekking heeft.\n\n6.25.. De conclusie is dat ook grief 3 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep niet kan leiden tot het vernietigen van het bestreden vonnis.\n\nTegenvorderingen LOOP e.a.\n\n6.26.. LOOP e.a. hebben in eerste aanleg tegenvorderingen ingesteld en die in hoger beroep gewijzigd en aangevuld. Grief 6 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep heeft hierop betrekking.\n\n6.27.. \n\nDe tegenvorderingen van LOOP e.a. hebben tot grondslag dat VGZ e.a. verplicht zijn om de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen te blijven vergoeden, door deze vergoeding op te nemen in de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen of door het handhaven van de bestaande praktijk. Het hof heeft vastgesteld dat VGZ e.a. deze verplichting niet hebben.\n\nDe tegenvorderingen zijn daarom niet toewijsbaar. Dit brengt mee dat ook grief 6 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep niet slaagt.\n\nHet incidenteel hoger beroep\n\n6.28.. De rechtbank heeft de vorderingen van VGZ e.a. alleen toegewezen voor zover deze betrekking hebben op registerpodologen. De rechtbank heeft hiervoor als reden gegeven dat de aangesloten zorgaanbieders registerpodologen zijn en niet ook podoposturaal therapeuten. VGZ e.a. komen hiertegen op in hun grief in incidenteel hoger beroep. Zij wijzen op appellanten in principaal hoger beroep die (ook) podoposturaal therapeuten zijn of podoposturaal therapeut(en) in dienst hebben. LOOP e.a. hebben dit niet tegengesproken, zodat het hof hiervan uitgaat. De vorderingen van VGZ e.a. zijn dus ook toewijsbaar voor zover deze betrekking hebben op podoposturaal therapeuten.\n\n6.29.. De conclusie is dat de grief van VGZ e.a. in incidenteel hoger beroep slaagt.\n\nHet wijzigen en aanvullen van de oorspronkelijke eis van VGZ e.a.\n\n6.30.. VGZ e.a. hebben in hoger beroep hun oorspronkelijke eis aangevuld door het vorderen van een tweede verklaring voor recht. Zij beogen hiermee zekerheid te verkrijgen dat zij het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen mogen beëindigen, kort gezegd, ongeacht op welke grondslag deze vergoeding tot nog toe werd verstrekt.\n\n6.31.. LOOP e.a. maken bezwaar tegen het aanvullen van de eis. Zij stellen dat de aanvulling de omvang van het geschil volledig wijzigt en dat dit hun verdediging hindert, terwijl de aangevulde eis al in eerste aanleg had kunnen worden ingesteld. Zij menen dat de aanvulling in strijd is met de goede procesorde.\n\n6.32.. Voorop staat dat partijen, ook VGZ e.a., vrij zijn om in hoger beroep hun eis te wijzigen en aan te vullen. Inherent aan deze vrijheid is dat het niet uitmaakt dat in eerste aanleg geen oordeel is gegeven over de gewijzigde en aangevulde eis. Dat is dan ook op zichzelf geen reden om de gewijzigde of aangevulde eis buiten beschouwing te laten.\n\n6.33.. Het hof ziet verder niet in dat de aangevulde eis de omvang van het geschil wijzigt. Het geschil gaat erover, en LOOP e.a. hebben dit redelijkerwijs niet anders kunnen opvatten, dat VGZ e.a. het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen willen beëindigen. Het zijn LOOP e.a. zelf geweest die hun verweer mede erop hebben gebaseerd dat tussen partijen een overeenkomst zou bestaan die daaraan in de weg staat. In hoger beroep hebben zij dat uitdrukkelijk tot onderwerp van hun grieven 1 en 2 gemaakt, en daaraan vorderingen verbonden waarmee zij hun oorspronkelijke eis in reconventie hebben uitgebreid. Het staat VGZ e.a. vrij om mede met het oog daarop hun oorspronkelijke eis aan te vullen en te verduidelijken.\n\n6.34.. Het valt verder evenmin in te zien op welke wijze LOOP e.a. door het aanvullen van de eis in hun verdediging zijn benadeeld. Zij hebben niet (voldoende) duidelijk gemaakt dat zij niet in staat zijn geweest om over het vergoeden en de grondslagen daarvan aan te voeren wat zij nodig achtten. Ook voor het overige is niets of te weinig aangedragen om te oordelen dat het aanvullen van de eis in strijd is met de goede procesorde.\n\n6.35.. De conclusie is dat het bezwaar van LOOP e.a. tegen het wijzigen en aanvullen van de oorspronkelijke eis van VGZ e.a. ongegrond is.\n\n6.36.. Uit hetgeen het hof heeft overwogen bij het bespreken van de grieven van LOOP e.a. in principaal hoger beroep, volgt dat ook de verklaring voor recht die VGZ e.a. voor het eerst in hoger beroep vorderen, moet worden gegeven. Het hof zal daarbij in het midden laten of het gaat om een vergoeding die uit coulance is gegeven, omdat dit niet relevant is voor de uitspraak in deze zaak.\n\nSlot\n\n6.37.. \n\nWat partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan niet leiden tot een andere uitkomst van deze procedure. Er zijn dus ook geen feiten gesteld die moeten worden bewezen.\n\nDit brengt mee dat het bewijsaanbod van LOOP e.a. wordt gepasseerd.\n\n6.38.. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen voor zover de verklaring voor recht in het dictum onder 5.1 geen betrekking heeft op podoposturaal therapeuten en de vorderingen van VGZ e.a. in zoverre in 5.6 zijn afgewezen. Voor de duidelijkheid zal het hof deze verklaring voor recht in haar geheel opnemen in het dictum van dit arrest. Verder zal het hof de tweede verklaring voor recht geven die VGZ e.a. in hoger beroep hebben gevorderd. De gewijzigde eis van LOOP e.a. zal het hof afwijzen.\n\nProceskosten\n\n6.39.. LOOP e.a. zijn in hoger beroep in het ongelijk gesteld en moeten om die reden de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep dragen. De proceskosten in principaal hoger beroep van VGZ e.a. stelt het hof als volgt vast:\n\n- griffierecht € 798,00\n\n- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II, 2 punten)\n\nTotaal € 3.378,00\n\n6.40.. De proceskosten in incidenteel hoger beroep stelt het hof vast op € 645,00 (tarief II, 0,5 punt), omdat geen werkzaamheden in incidenteel hoger beroep zijn verricht die een hogere vergoeding rechtvaardigen.\n\n6.41.. De rechtbank heeft in eerste aanleg LOOP e.a. niet hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, omdat VGZ e.a. niet duidelijk hadden gemaakt waarop zij de hoofdelijkheid baseren (rov. 4.20). Ook in hoger beroep hebben VGZ e.a. dit niet gedaan. Het hof zal om die reden geen hoofdelijke proceskostenveroordeling uitspreken.\n\n6.42.. \n\nOver de proceskosten is de wettelijke rente verschuldigd als bedoeld in art. 6:119 BW, en niet de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW, zoals VGZ e.a. vorderen.\n\nEr is immers geen sprake van een verbintenis tot betaling van een geldsom die voortvloeit uit een handelsovereenkomst.\n\n7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin principaal en incidenteel hoger beroep\n\n7.1.. bekrachtigt het bestreden vonnis, behalve voor zover de verklaring voor recht in het dictum onder 5.1 van dat vonnis geen betrekking heeft op podoposturaal therapeuten en de vorderingen van VGZ e.a. in zoverre in 5.6 zijn afgewezen;\n\n7.2.. vernietigt in zoverre het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:\n\n7.3.. verklaart voor recht dat het VGZ e.a. ten opzichte van LOOP e.a. vrij staat om in de polisvoorwaarden van hun aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen die zijn afgeleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten uit te sluiten;\n\n7.4.. verklaart voor recht dat het VGZ e.a. ten opzichte van LOOP e.a. vrij staat om de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen die zijn afgeleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten te beëindigen;\n\n7.5.. veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, LOOP e.a. in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 4.023,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;\n\n7.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, J.W. Hoekzema en M. Spanjaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1670","2026-07-13T00:29:49.552Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"1103","ECLI:NL:RBGEL:2026:4990","ecli-nl-rbgel-2026-4990",60,"2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 25\u002F14 en 25\u002F15\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 28 november 2024, waarbij de inspecteur de belastingrentebeschikkingen ter zake van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het belastingjaar 2022 heeft gehandhaafd.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] namens de inspecteur.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nOverwegingen\n\n1. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2022.\n\n2. De inspecteur heeft naar aanleiding van een verzoek daartoe van de gemachtigde van belanghebbende op grond van de becon-regeling uitstel verleend tot het doen van aangifte tot 1 mei 2024.\n\n3. Belanghebbende heeft op 30 april 2024 de aangifte IB\u002FPVV 2022 ingediend. Belanghebbende heeft hierbij een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.297 aangegeven.\n\n4. Met dagtekening 5 juli 2024 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2022 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Met dezelfde datum heeft hij de aanslag Zvw 2022 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 59.706. Bij beschikkingen heeft de inspecteur respectievelijk € 3.478 en € 155 aan belastingrente in rekening gebracht. De belastingrente is in rekening gebracht over de periode van 1 juli 2023 tot en met 16 augustus 2024.\n\n5. Op 5 november 2024 heeft de inspecteur intern navraag gedaan over het verleende uitstel, omdat hij in de systemen geen brief kan vinden waarin staat dat uitstel voor het doen van aangifte is verleend. Op 6 november 2024 is op deze vraag, voor zover relevant, als volgt geantwoord:\n\n“De belastingplichtige krijgt van dit uitstel geen brief omdat er beconuitstel is aangevraagd. Dit gaat via het softwarepakket van de consulent en deze consulent heeft via dit pakket een terugkoppeling gekregen (SBU).”\n\n6. Tussen partijen is alleen in geschil of de inspecteur op grond van het vertrouwensbeginsel geen belastingrente in rekening had mogen brengen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de belastingrenten terecht in rekening heeft gebracht. Zij heeft daartoe als volgt overwogen.\n\n7. Belanghebbende voert aan dat hij voor 1 mei 2023 aangifte zou hebben gedaan als hij de brief waarin de uitstel tot het doen van aangifte wordt bevestigd niet zou hebben ontvangen. Door die brief verkeerde hij in de veronderstelling dat het initiatief om uitstel te verlenen bij de Belastingdienst lag en dat daarom geen belastingrente in rekening zou worden gebracht.\n\n8. Onder omstandigheden kunnen algemeen beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel, meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht.Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen heeft gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.\n\n9. Belanghebbende heeft zowel voor de belastingjaren vóór als na 2022 voor de oorspronkelijke aangiftetermijn aangifte gedaan. Daarnaast heeft hij voor het belastingjaar 2022 aangifte gedaan voor het verstrijken van de termijn waarvoor uitstel is verleend. Gelet op deze gang van zaken, twijfelt de rechtbank er niet aan dat belanghebbende is geïnformeerd over het verleende uitstel. Dan is onder andere relevant waarover belanghebbende precies is geïnformeerd, in het bijzonder of hierin een toezegging of uitlating staat waaruit belanghebbende mag afleiden dat de inspecteur geen belastingrente in rekening zou brengen over de periode waarover uitstel is verleend. Dit kan de rechtbank echter niet beoordelen, omdat de brief waar belanghebbende naar verwijst niet is ingebracht. De inspecteur heeft onderzoek gedaan naar de betreffende brief en gemotiveerd het standpunt ingenomen dat hij deze brief niet heeft.\n\n10. Gelet hierop en het feit dat de bewijslast voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel op belanghebbende rust, had het op de weg van belanghebbende gelegen om de betreffende brief in te brengen. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat hij deze brief niet meer heeft. Dit komt voor zijn rekening en risico met als gevolg dat belanghebbende niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur de belastingrente terecht in rekening heeft gebracht. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 17 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126.\n\n Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4990","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:04.186Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":80},"295","ECLI:NL:RBDHA:2026:17074","ecli-nl-rbdha-2026-17074",58,"2026-06-05T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummers: SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803, SGR 24\u002F4804, SGR 24\u002F4805\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaken tussen\n\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Weisfelt),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiser voor de jaren 2014 tot en met 2017 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd alsmede voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). Bij alle belastingaanslagen is belastingrente berekend en bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn tevens vergrijpboetes aan eiser opgelegd.\n\nEiser heeft tegen de voornoemde belastingaanslagen en de daarbij gegeven boete- en rentebeschikkingen bezwaar gemaakt.\n\nVerweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 25 maart 2024 (Zvw 2014), 30 maart 2024 (IB\u002FPVV 2016 en 2017), 5 april 2024 (IB\u002FPVV 2014) en 8 april 2024 (IB\u002FPVV 2015) de bezwaren gedeeltelijk toegewezen en daarbij de belastingaanslagen en rentebeschikkingen verminderd en de boetebeschikkingen op nihil gesteld.\n\nEiser heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026.\n\nEiser is verschenen, vergezeld door [naam 1] en bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] ,\n\nmr. [naam 4] , drs. [naam 5] en [naam 6] .\n\nDe zaken zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken van [naam 1] met de zaaknummers SGR 24\u002F4785, SGR 24\u002F4788, SGR 24\u002F4791, SGR 24\u002F4792, SGR 24\u002F4794.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser bezit vanaf 17 december 2008 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. ( [bedrijfsnaam 1] ). [bedrijfsnaam 1] betreft een beheer- en houdstermaatschappij.\n\n2. Eiser bezit, via zijn aandelen in [bedrijfsnaam 1] , vanaf 17 december 2008 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. ( [bedrijfsnaam 2] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 2] betreffen de aankoop, verkoop, exploitatie en financiering van onroerende goederen.\n\n3. Eiser bezit, via zijn aandelen in [bedrijfsnaam 1] , vanaf 21 juli 2010 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] B.V( [bedrijfsnaam 3] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 3] betreffen:\n\nGroothandel en import van bouwmaterialen, vloeren, sanitair, tegels, hout en aanverwante artikelen;\n\nHet (doen) uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burger- en utiliteitsbouw;\n\nHet stofferen en inrichten ten behoeve van (weder-) verkoop.\n\n4. Eiser bezat, via zijn aandelen in [bedrijfsnaam 1] , vanaf 8 februari 2012 tot 1 januari 2015 34% van de aandelen in [bedrijfsnaam 4] B.V. ( [bedrijfsnaam 4] ) en vanaf 1 januari 2015 tot heden 50%. De activiteiten van [bedrijfsnaam 4] zijn:\n\nHet begeleiden en advisering van bouwprojecten;\n\nHet uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burgerlijke- en utiliteitsbouw.\n\n5. Uit het Renseignementen Informatie Systeem van de Belastingdienst blijkt dat eiser en [naam 1] ( [naam 1] , hierna ook wel genoemd: de compagnon), ieder voor 50%, in de jaren 2014 tot en met 2017 onder meer de volgende panden bezitten:\n\n [pand 1] ;\n\n [pand 2] ;\n\n [pand 3] ;\n\n [pand 4] ;\n\n [pand 5] ;\n\n [pand 6] ;\n\n [pand 7] .\n\n6. Eiser en de compagnon hebben in de onderhavige jaren diverse bouwwerkzaamheden laten verrichten aan deze panden, alsook aan veel andere panden. De werkwijze van eiser en de compagnon komt er veelal op neer dat zij panden kopen die zij -na al dan niet (omgevings)vergunningen te hebben aangevraagd - laten opknappen\u002F verbouwen en daarna verhuren. De verhuur vindt plaats in box 3. In een groot aantal taxatierapporten die eiser heeft verstrekt, wordt ten behoeve van de financiering van de desbetreffende panden aangegeven dat de kosten voor de verbouwing\u002Frenovatie lager dan marktconform zijn vastgesteld, aangezien eiser en de compagnon de werkzaamheden voor een deel in eigen beheer uitvoeren.\n\nBoekenonderzoek\n\n7. Op 17 december 2018 heeft controlemedewerker [controlemedewerker 1] ( [controlemedewerker 1] ) van de Belastingdienst per e-mail een boekenonderzoek aangekondigd inzake de aanvaardbaarheid van de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 tot en met 2017 van eiser en de compagnon. Het (deel)onderzoek heeft zich beperkt tot de activiteiten rondom de gezamenlijke onroerendezaaktransacties die in die jaren hebben plaatsgevonden. Ook bij [bedrijfsnaam 2] is een boekenonderzoek ingesteld.\n\n8. Op 11 februari 2019 heeft [controlemedewerker 1] samen met een collega van de Belastingdienst ( [controlemedewerker 2] ) een inleidend gesprek omtrent het boekenonderzoek gevoerd met onder andere eiser, zijn adviseur (gemachtigde H. Weisfelt) en de compagnon.\n\n9. Op 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een uitnodiging voor een slotbespreking verstuurd. Daarbij is tevens het conceptrapport meegestuurd. Verder is in deze brief aangegeven dat een andere controlemedewerker van de Belastingdienst, te weten [naam 5] ( [naam 5] ), het boekenonderzoek zal overnemen vanwege het aankomende vertrek van [controlemedewerker 1] .\n\n10. Met dagtekening 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een kennisgeving verstuurd inzake de op te leggen (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en vergrijpboetes. De vergrijpboetes vloeien voort uit correcties vanwege niet-aangegeven (verkapte) winstuitdelingen aan eiser over de belastingjaren 2014 tot en met 2017 die leiden tot inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2).\n\n11. Om een slotbespreking in te plannen, is tussen [naam 5] en de adviseur van eiser mailverkeer geweest. Door de Covid-19 maatregelen is de slotbespreking uitgesteld.\n\n12. Op 2 oktober 2020 heeft [naam 5] per e-mail aangegeven dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014, conform het correctievoornemen in het conceptrapport van 27 februari 2020, opgelegd zullen worden wegens dreigende verjaring. Op 30 oktober 2020 is eiser per brief in kennis gesteld van het opleggen van deze navorderingsaanslagen.\n\n13. De navorderingsaanslag Zvw 2014 is met dagtekening 21 november 2020 opgelegd. Het bijdrage-inkomen is vastgesteld op € 51.414. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 is met dagtekening 28 november 2020 opgelegd. Het verzamelinkomen in deze aanslag bedraagt € 200.606 en bestaat uit een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 166.340, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) van € 29.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 4.955.\n\n14. Op 16 oktober 2020, 28 januari 2021, 3 maart 2021 en 31 maart 2021 hebben (slot)besprekingen plaatsgevonden. Van deze (slot)besprekingen zijn verslagen opgemaakt.\n\nDeze besprekingen zijn onder andere gevoerd met eiser, zijn gemachtigde, [naam 2] (adviseur) en de compagnon, en [naam 5] en [naam 6] (controlemedewerkers van de Belastingdienst).\n\n15. Per e-mail is op 18 juni 2021 door [naam 5] een aanvullend correctievoorstel verstuurd over de waarden van de panden van eiser en de compagnon. Daarna hebben de gemachtigde en [naam 5] elkaar nog gemaild op 1 juli 2021 en 2 juli 2021 en op 16 juli 2021 heeft [naam 5] een reactie verstuurd inzake de waardebeoordeling van de panden van eiser en de compagnon.\n\n16. De bevindingen van het onderzoek zijn uiteindelijk neergelegd in het definitieve controlerapport met dagtekening 20 juli 2021 (het controlerapport). In het controlerapport zijn tevens de op te leggen vergrijpboetes medegedeeld. De inkomenscorrecties (box 1) zijn daarbij mede gebaseerd op de door een ambtelijk taxateur van de Belastingdienst gegeven waardebepalingen (de waardebeoordelingen) betreffende de verschillende panden. In het controlerapport staat omtrent de activiteiten vermeld:\n\n“2.1.1 Algemeen\n\nIn de jaren 2012 tot en met 2017 hebben belanghebbenden samen meer dan 50 onroerende zaken verworven in de eigendomsverhouding 50\u002F50. Kort samengevat worden appartementen gekocht die in vrijwel alle gevallen achterstallig zijn onderhouden dan wel sterk gedateerd zijn. Deze appartementen staan doorgaans te koop op het woningplatform Funda. Soms wordt een object door een makelaar onder de aandacht gebracht. De activiteiten beperken zich niet alleen tot het verrichten van noodzakelijk onderhoud of het moderniseren van woningen. Er vinden ook meer grondige wijzigingen plaats in zowel feitelijke als juridische staat. Hierbij moet worden gedacht aan het splitsen, ombouwen van kantoor-\u002Fbedrijfsruimte naar woonruimte, het realiseren van constructieve doorbraken, het realiseren van een loggia, wijzigingen aan het balkon, het realiseren van een dakterras, het vergroten van een dakkapel, het realiseren van een inpandig balkon, het bouwen van garages (i.e. nieuwe onroerende zaken) en zelf het realiseren van een dakopbouw c.q. het aanbrengen van een geheel nieuwe verdieping. Voornoemde werkzaamheden worden onder hoofdstuk 3 nader beschouwd. Per project vindt een beschrijving plaats van de investeringen en het met het project behaalde resultaat. Na afronding worden de panden – op enkele uitzonderingen na – door belanghebbenden verhuurd.”\n\n17. In het controlerapport is onder andere, samengevat, het volgende geconcludeerd:\n\nDe activiteiten van eiser rondom de gezamenlijke onroerendgoedtransacties met de compagnon worden in een groot aantal – in het controlerapport benoemde – gevallen aangemerkt als een bron van inkomen, te weten box 1-inkomen, over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Daarbij gaat het doorgaans om de positieve resultaten behaald bij de overgang van box 1 (einde van meer dan normaal vermogensbeheer) naar box 3 (aanvang reguliere verhuur\u002Fstart normaal vermogensbeheer). In een enkel geval (waaronder [pand 3] ) gaat het om het resultaat behaald bij verkoop.\n\nDe correcties kwalificeren in beginsel als belastbare winst uit onderneming (primaire conclusie), maar worden in de belastingaanslagen vooralsnog in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiaire conclusie).\n\nUit diverse transacties van de gelieerde vennootschap [bedrijfsnaam 2] volgt daarnaast een (verkapte) uitdeling van dividend aan eiser en de compagnon over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Dientengevolge moet het box 2-inkomen worden gecorrigeerd.\n\nOver het bijgetelde inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) worden vergrijpboeten opgelegd. Deze vergrijpboeten hebben enkel betrekking op de correcties die worden aangebracht naar aanleiding van de (verkapte) uitdelingen van dividend.\n\n18. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2015, 2016 en 2017 (dagtekening 14 augustus 2021) zijn overeenkomstig de uitkomsten van het boekenonderzoek opgelegd. Ten opzichte van de aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2014 tot en met 2017 zijn de volgende correcties doorgevoerd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nVastgesteld inkomen uit\n\n € 95.528\n\n € 108.431\n\n € 110.076\n\n € 160.855\n\nwerk en woning (box 1)\n\nCorrectie inkomen uit werk en\n\n € 70.812\n\n € 353.990\n\n € 126.952\n\n € 399.014\n\nwoning (box 1, resultaat uit\n\noverige werkzaamheden)\n\nCorrectie inkomen uit\n\n € 29.311\n\n € 27.981\n\n € 68.006\n\n € 72.417\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n € 4.955\n\n € 1.542\n\n € 9.859\n\n € 10.934\n\n(box 3)\n\nTotaal verzamelinkomen na\n\n € 200.606\n\n € 491.944\n\n € 314.893\n\n € 643.220\n\ncorrecties\n\nVergrijpboete\n\n € 3.224\n\n € 3.497\n\n € 8.500\n\n € 9.052\n\n19. Eiser heeft tegen alle navorderingsaanslagen bezwaar gemaakt.\n\n20. Tussen 29 maart 2022 en 29 april 2022 hebben de bezwaarbehandelaar en de gemachtigde van eiser elkaar gemaild. Op verzoek van de gemachtigde heeft de bezwaarbehandelaar gewacht met het doen van uitspraak op bezwaar, totdat de besprekingen aangaande de bezwaren tegen de samenhangende aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2014 tot en met 2017 waren afgerond.\n\n21. Met dagtekening 14 november 2023 is een vaststellingsovereenkomst (VSO) ondertekend door enerzijds eiser en zijn partner en de compagnon en zijn partner en anderzijds de Belastingdienst over de correcties inzake het box 2-inkomen. In de VSO is onder meer vastgelegd dat de bewuste belastingschuld zal worden geformaliseerd in een nog op te leggen navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017 aan [bedrijfsnaam 2] en de aangebrachte correcties in box 2 daardoor uit de aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 worden geëlimineerd. Verder is vastgelegd dat de bijbehorende vergrijpboeten op € 0 worden gesteld en de ondertekening van de VSO geldt als een intrekking van de bezwaren, gericht tegen de box 2-correcties.\n\n22. Bij uitspraken op bezwaar is verweerder vervolgens deels aan de bezwaren tegemoetgekomen en zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017, waarbij is uitgegaan van winst uit onderneming in plaats van resultaat uit overige werkzaamheden, als volgt verminderd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n € 103.412\n\n € 304.306\n\n € 110.076\n\n € 317.700\n\nwerk en woning (box 1)\n\nBelastbare winst uit onderneming\n\n € 7.884\n\n € 195.875\n\n € -\n\n € 156.845\n\nBelastbare inkomsten uit\n\n € 95.528\n\n € 108.431\n\n € 110.076\n\n € 160.855\n\ntegenwoordige arbeid\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n € 2.905\n\n € 312\n\n € 9.859\n\n € 10.934\n\n(box 3)\n\nVerzamelinkomen\n\n € 106.317\n\n € 304.618\n\n € 119.935\n\n € 328.634\n\nBelastingrente\n\n € 731\n\n € 20.119\n\n € -\n\n € 9.647\n\nVergrijpboete\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\nDe navorderingsaanslag Zvw 2014 is bij de uitspraak op bezwaar verminderd tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 7.784, en de belastingrente is daarbij dienovereenkomstig verminderd naar € 87.\n\nGeschil\n\n23. In geschil is of de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en Zvw 2014 en de daarbij gegeven rentebeschikkingen zoals deze luiden na de uitspraken op bezwaar terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Daarbij is meer specifiek in geschil:\n\nof sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nof de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon ter zake van de zeven hiervóór onder punt 5 genoemde panden kwalificeren als ‘meer dan normaal vermogensbeheer’ en leiden tot box 1-inkomen bestaande uit winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden (in plaats van box 3-heffing over die panden);\n\nof de aan de inkomenscorrecties ten grondslag liggende waardebepaling van de panden juist is;\n\nof het gelijkheidsbeginsel is geschonden;\n\nof sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden;\n\nof de belastingrente dient te worden gematigd;\n\nof eiser recht heeft op vergoeding van de integrale proceskosten.\n\nDe vergrijpboetes zijn in deze procedure niet meer in geschil. Het jaar 2016 is ook niet meer in geschil.\n\n24. Eiser neemt in beroep de volgende standpunten in:\n\ner is geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen geen winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden; er is geen sprake van werkzaamheden die normale beleggers niet uitvoeren, waardoor de betreffende panden tot het box 3-inkomen dienen te worden gerekend;\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder, waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn niet juist; er dient te worden uitgegaan van de taxaties van eiser en de compagnon;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat in een ander gelijk geval de inkomsten wel als box 3-inkomen zijn aangemerkt;\n\ner is sprake van vooringenomenheid en willekeur en van onzorgvuldigheid door de manier waarop de hele controle is uitgevoerd en afgehandeld;\n\nde belastingrente dient te worden gematigd, omdat die mede is opgelopen door aan verweerder te wijten vertragingen.\n\nEiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering dan wel vernietiging van de belastingaanslagen en rentebeschikkingen overeenkomstig zijn standpunten, onder toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.\n\n25. Verweerder stelt dat de belastbare inkomens uit werk en woning voor de jaren 2014 tot en met 2017 bij de uitspraken op bezwaar niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld en neemt daarbij de volgende standpunten in:\n\ner is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen meer dan normaal vermogensbeheer en vormen winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt);\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn juist;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is niet geschonden;\n\ner is geen sprake van vooringenomenheid of willekeur en ook niet van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel;\n\ner is geen aanleiding de belastingrente te matigen.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nBewijslastverdeling\n\n26. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege het niet doen van de vereiste aangiften, omdat de volgens de aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst verweerder op de aangiften IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en de bevindingen van het boekenonderzoek zoals neergelegd in hoofdstuk 3.1.2 van het controlerapport. Dit onderdeel ziet op de box 2-correcties.\n\n27. De rechtbank stelt vast dat verweerder daarmee de gestelde omkering en de verzwaring van de bewijslast doet steunen op de naar aanleiding van het boekenonderzoek in box 2 toegepaste inkomenscorrecties die in de onderhavige procedure niet in geschil zijn.\n\nPartijen hebben over die specifieke box 2-correcties en de afdoening daarvan in de VSO overeenstemming bereikt, waardoor die correcties in de onderhavige procedure niet voorliggen. Uit de VSO valt niet aanstonds op te maken dat de desbetreffende correcties in de onderhavige zaken dienen te leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast, meer specifiek dat dienaangaande is voldaan aan het voor de omkering en verzwaring geldende bewustheidsvereiste. Uit de enkele verwijzing naar 3.1.2 van het controlerapport en de gesloten VSO volgt onvoldoende dat voor wat betreft het box 2-inkomen voor de onderhavige jaren bewusteen onjuiste aangifte is gedaan. Onder die omstandigheden rechtvaardigen de box 2-correcties niet de bewijsrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in deze procedure. De rechtbank zal dan ook de normale regels van de bewijslastverdeling toepassen.\n\nDe activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de panden: box 1 of box 3\n\n28. Ten aanzien van de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon met betrekking tot de (ver)bouwactiviteiten aan de onderhavige zeven panden stelt verweerder dat sprake is van méér dan normaal vermogensbeheer zodat ter zake van de inkomsten daaruit sprake is van belastbare winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt). Eiser neemt daartegenover het standpunt in dat diengaande geen sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer zodat de panden in box 3 belast zijn. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\n29. De rechtbank stelt voorop dat er geen harde grens is tussen box 3 en box 1. Onder meer dan normaal vermogensbeheer dient te worden verstaan: het rendabel maken van de onroerende zaken mede door middel van arbeid welke door dan wel namens de eigenaar van de onroerende zaken wordt verricht waarbij deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaken, welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan.Het hangt van de feiten en omstandigheden van het geval af wanneer de grens van normaal vermogensbeheer wordt overschreden. In beginsel vergt dat een beoordeling per pand. Voor de vraag of sprake is van winst uit onderneming ligt het meer in de rede de activiteiten als geheel te beoordelen. Verweerder heeft bij de aanslagoplegging ter zake van 24 panden het standpunt ingenomen dat sprake is van box 1-inkomen (meer dan normaal vermogensbeheer) bestaande uit resultaat uit overige werkzaamheden, terwijl verweerder nu nog ter zake van zeven panden box 1-inkomen stelt, bestaande uit winst uit onderneming.Verweerder heeft daarbij ingezoomd op de afzonderlijke panden en heeft niet de activiteiten van eiser en de compagnon als geheel beoordeeld. Daarom ligt nu niet concreet de vraag voor of al dan niet sprake is van een onderneming, maar enkel of de zeven onder 5 genoemde panden terecht in de box 1-heffing zijn betrokken. Gelet hierop zal de rechtbank per pand beoordelen of sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Indien dat het geval is, zal de rechtbank dit als winst uit onderneming kwalificeren conform verweerders primaire standpunt, aangezien dit voordeliger is voor eiser dan resultaat uit overige werkzaamheden (gelet op de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling).\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met wat hij heeft aangevoerd en overgelegd, afgezet tegen en in samenhang bezien met wat eiser heeft aangevoerd en overgelegd, voor vier panden\u002Fprojecten aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Dat betreft de panden: ‘ [pand 3] ’, ‘ [pand 4] ’, ‘ [pand 5] ’ en ‘ [pand 6] ’. Voor die panden geldt dat de werkzaamheden veel meer omvatten dan enkel een verbouwing van bijvoorbeeld een keuken en\u002Fof badkamer en kwalificeren als projectontwikkeling die naar aard en omvang de grens van normaal vermogensbeheer overschrijdt, waarbij aannemelijk is dat ook steeds een rendement is beoogd dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende ten aanzien van die panden\u002Fprojecten uitgevoerde activiteiten en werkzaamheden, die volgen uit de door eisers aangevraagde omgevingsvergunningen, de door eiser overgelegde taxatierapporten en het controlerapport. Dat het pand Van Boetzelaerlaan uit de verhuur kwam, maakt niet dat het resultaat van de verbouwing niet in box 1 valt. Ten aanzien van de voornoemde panden\u002Fprojecten acht de rechtbank in ieder geval het volgende aannemelijk:\n\n- [pand 3]\n\nDit betreft een woonhuis met garage dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd in drie appartementen met bergingen.\n\n- [pand 4]\n\nDit betreft een garage\u002Fbedrijfsruimte ( [huisnummer 1] ) met erf en tuin en een bovenwoning op de eerste en tweede verdieping ( [huisnummer 2] ) die in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) zijn getransformeerd in twee woningen, te weten: een ‘onvrije’ (dat wil zeggen: een woning waarvan de vertrekken uitkomen op een gemeenschappelijke gang of hal) parterrewoning met een onvrije bovenwoning bestaande uit twee woonlagen, waarbij aan de achterzijde op de begane grond een uitbouw is gerealiseerd. In de verklaring ter zitting dat “een oude garagedeur [is] vervangen door een raamkozijn waardoor er een aparte woning op de begane grond ontstond”, vindt de rechtbank overigens bevestiging in de transformatie van de bedrijfsruimte naar woning. Of al dan niet ook een dakterras op de aanbouw is gecreëerd, acht de rechtbank voor de kwalificatie box 1 of box 3 niet van belang.\n\n- [pand 5]\n\nDit betreft een kantoorgebouw (kantoor met dienstwoning) dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd\u002Fopgesplitst in drie winkels\u002Fbedrijfsruimten en elf appartementen. Er is een extra woonlaag toegevoegd aan het gebouw.\n\n- [pand 6]\n\nDit betreft een winkel\u002Fwoonhuis op de begane grond en het achtergedeelte van de eerste verdieping, waar overeenkomstig de daartoe verleende vergunningen onder meer constructieve doorbraken en een aanbouw zijn gerealiseerd. De opmerking van eiser dat het stuitend is dat verweerder [huisnummer 3] heeft getaxeerd, terwijl dit volgens eiser moet zijn [huisnummer 4] , omdat nummer [huisnummer 3] niet bestaat, doet hier niet aan af, omdat het eiser duidelijk is welk pand het betreft. Deze verwarring heeft eiser bovendien zelf veroorzaakt, gelet op het door hem overgelegde taxatierapport, waarin eveneens ‘ [pand 6] ’ staat vermeld.\n\n31. Het vorenstaande betekent dat ten aanzien van de vier hiervóór genoemde panden\u002Fprojecten terecht box 1-inkomen in aanmerking is genomen. Voor de overige drie onder punt 5 genoemde panden\u002Fprojecten, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank niet. De in het controlerapport beschreven werkzaamheden en activiteiten zijn, mede in het licht van wat eiser daarover heeft aangevoerd, onvoldoende om meer dan normaal vermogensbeheer aannemelijk te achten. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat (ook na de zitting) nog steeds onduidelijkheid bestaat over of, en zo ja in hoeverre, een aantal in het controlerapport genoemde werkzaamheden\u002Factiviteiten al dan niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en dat voor twee panden - [pand 2] en [pand 7] - de door verweerder becijferde resultaten voor de onderhavige jaren ook niet dwingen tot de conclusie dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer (geen rendement-plus). Deze drie panden [pand 1] , [pand 2] en [pand 7] dienen daarom tot het box 3-vermogen te worden gerekend.\n\nInkomenscorrecties; waardebepaling\n\n32. Vervolgens ligt de vraag voor of de in verband met de onder rechtsoverweging 30 genoemde panden\u002Fprojecten toegepaste inkomenscorrecties berusten op een juiste waardebepaling van die panden\u002Fprojecten. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.\n\n- [pand 3]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 407.654 met een waardecreatie van 41,5%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de daadwerkelijke gerealiseerde verkoopprijzen van de (gerealiseerde) appartementen. De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 4]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 66.675 met een waardecreatie van 27,4%, is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 310.000 in vrije staat (met waardepeildatum 31 oktober 2015). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde is getaxeerd op € 225.000 in verhuurde staat (met waardepeildatum 22 september 2014) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats eind oktober 2015 - en, anders dan in eisers taxatie het geval is, terecht uitgaat van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De taxatiewaarde van eiser van € 225.000 naar verhuurde staat per 22 september 2024 ligt overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van € 310.000 in onverhuurde staat per 31 oktober 2015, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) acht de rechtbank dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 5]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend van € 296.915 met een waardecreatie van 16,2%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op in totaal € 2.130.000 (€ 1.750.000 voor de woningen in verhuurde staat en € 380.000 voor de bedrijfsruimte in verhuurde staat). Nu de waarde is bepaald in verhuurde staat, acht de rechtbank deze uitgangspunten geenszins onredelijk. Het door eiser voor dit pand oorspronkelijk overgelegde taxatierapport van vóór de verbouwing van een registertaxateur van 18 maart 2016, in opdracht van een bank, naar een totale marktwaarde van € 1.585.000 (€ 235.000 k.k. voor drie winkelunits (begane grond) + € 1.035.000 k.k. voor 9 woonunits (1e, 2e en 3e etage) + € 315.000 voor 2 woonunits (dakopbouw)), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht niet aannemelijk dat die taxatie aansluit bij de werkelijke waarde van het pand\u002Fde verschillende units zoals uiteindelijk gerealiseerd. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 6]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport – waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend ten bedrage van € 81.080 met een waardecreatie van 21,9% – is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 97.000 (voor de winkelruimte in vrije staat) en € 355.000 (voor de woonruimte in vrije staat) (waardepeildatum 31 december 2017). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde in verhuurde staat van de winkelruimte is bepaald op € 95.000 en van de woonruimte op € 335.000 (met waardepeildatum: 14 maart 2017) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats op 31 december 2017 - en, anders dan in eisers taxatie, daarin terecht is uitgegaan van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De hiervóór bedoelde taxatiewaarden van eiser in verhuurde staat per 14 maart 2017 liggen overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van respectievelijk € 355.000 en € 97.000 in onverhuurde staat per 31 december 2017, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is daarom aannemelijk gemaakt.\n\nInkomenscorrecties\n\n33. Het voorgaande betekent dat ter zake van voornoemde projecten de volgende resultaten als winst uit onderneming (vóór ondernemersaftrek) in aanmerking moeten worden genomen, overeenkomstig de berekening in het controlerapport:\n\n- [pand 3] : € 407.654 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 4] : € 66.675 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 5] : € 296.915 toerekenbaar aan 2017;\n\n- [pand 6] : € 81.080 toerekenbaar aan 2017;\n\nvolgens dezelfde verdeelsleutel als tot nu toe is gehanteerd (50% aan zowel eiser als aan de compagnon).\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n34. Eiser stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden en wijst in dit verband op een volgens hem vrijwel identiek geval, waarin wel is geconcludeerd dat sprake is van box 3-inkomen en niet van box 1-inkomen. Het geval betreft de vaste aannemer van eiser en de compagnon die in de bewuste periode een kerkgebouw heeft omgebouwd tot zeven appartementen.\n\n35. Het enkele feit dat één gelijk geval anders is behandeld, is onvoldoende om een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen doen. Eiser beroept zich uitdrukkelijk niet op de meerderheidsregel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient dan sprake te zijn van een oogmerk van begunstiging of van begunstigend beleid door de Belastingdienst. Daargelaten of de gevallen zo gelijk zijn als eiser stelt, is in elk geval de aanwezigheid van een oogmerk van begunstiging of begunstigend beleid -die verweerder betwist-, gesteld noch gebleken. Reeds om die reden moet het beroep op het gelijkheidsbeginsel worden verworpen.\n\nVooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar \u002F zorgvuldigheidsbeginsel\n\n36. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank stelt voorop dat zij de irritatie van eiser over het taalgebruik van bepaalde medewerkers van de Belastingdienst in hun interne mailverkeer, met name van de controlemedewerker [controlemedewerker 1] , zoals dat blijkt uit de gedingstukken, begrijpt en ook het daaraan ontleende gevoel dat ze volgens [controlemedewerker 1] hoe dan ook moesten betalen. De rechtbank acht de bewuste passages onprofessioneel en ongepast. Die constatering rechtvaardigt echter als zodanig niet de conclusie dat sprake is geweest van vooringenomenheid en willekeur ten aanzien van de aanslagregeling of van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat de controle \u002F het boekenonderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en [controlemedewerker 1] is opgevolgd door [naam 5] die zich niet op ongepaste wijze heeft uitgelaten. Tijdens de hele periode van het onderzoek en de aanslagregeling heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden, waarbij ook steeds de (nieuwe) argumenten van eiser zijn meegenomen bij de verdere beoordeling. Dit heeft onder meer geleid tot de VSO. De rechtbank ziet daarbij in de reacties van de Belastingdienst, anders dan de hiervóór bedoelde uitlatingen, geen onzorgvuldigheid of vooringenomenheid. Aldus is het zorgvuldigheidsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden. Ook overigens vindt de rechtbank daarvoor in het dossier geen aanknopingspunten.\n\nBelastingrente\n\n37. Niet in geschil is dat de belastingrente is berekend conform de geldende wettelijke bepalingen. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Eiser meent dat desondanks aanleiding bestaat de belastingrente te matigen, omdat, kort gezegd, de rente mede is opgelopen door een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze aan de zijde van verweerder. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Weliswaar heeft een en ander lang geduurd, maar dat is niet te wijten aan een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze van verweerder. Het komt vooral door de lange duur van het uitgevoerde boekenonderzoek en die hangt samen met het feit dat omvangrijke activiteiten als de onderhavige veelal niet eenvoudig zijn te overzien of (fiscaal) te duiden. Dat vormt echter geen omstandigheid die een matiging van de belastingrente rechtvaardigt.Ook andere matigingsgronden zijn de rechtbank niet gebleken. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de verminderingen van de belastingaanslagen die voortvloeien uit deze uitspraak.\n\nConclusie\n\n38. Gelet op wat hiervóór is overwogen, dienen de beroepen betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017 gegrond te worden verklaard. Het beroep betreffende het jaar 2016 zal de rechtbank ongegrond verklaren, omdat over dat jaar geen geschil meer bestaat.\n\n39. De rechtbank zal verweerder opdragen de belastingaanslagen te verminderen met inachtneming van wat is bepaald in deze uitspraak, met de opdracht om de daarmee samenhangende rentebeschikkingen dienovereenkomstig te verminderen.\n\nProceskosten\n\n40. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser voor de beroepsprocedure gemaakte proceskosten. Hierbij stelt de rechtbank vast dat tussen de onderhavige zaken en de zaken van de compagnon die tegelijkertijd ter zitting zijn behandeld, sprake is van samenhang in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De rechtbank stelt op grond van het Besluit de voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden kosten vast op 50% van € 4.203 = € 2.101,50 (50% van de vergoeding gebaseerd op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 1,5 wegens de zwaarte van de zaak en een samenhangfactor 1,5). Voor de bezwaarfase kent de rechtbank geen vergoeding toe, omdat daarvoor bij de uitspraak op bezwaar reeds een kostenvergoeding aan eiser is toegekend.\n\nDe rechtbank kent de proceskostenvergoeding van € 4.203 voor de helft, dus voor € 2.101,50 toe in de onderhavige gegronde beroepen (SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803 en SGR 24\u002F4805) en zal de andere helft toekennen in de overige samenhangende gegronde beroepen van de compagnon.\n\n41. De rechtbank wijst hierbij het verzoek van eiser om een integrale proceskostenvergoeding af, aangezien de rechtbank in de gedingstukken geen ondersteuning vindt, ook niet in samenhang bezien met hetgeen eiser dienaangaande heeft aangevoerd, voor de conclusie dat verweerder standpunten heeft ingenomen tegen beter weten inof in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 24\u002F4804 (betreffende het jaar 2016) ongegrond;\n\nverklaart de beroepen met zaaknummers SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803 en SGR 24\u002F4805 (betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017) gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2016 en de navorderingsaanslag Zvw 2014, behoudens voor zover het de nihilstelling van de boetebeschikkingen en de toegekende proceskostenvergoeding betreft;\n\ndraagt verweerder op de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en de navorderingsaanslag Zvw 2014 en de bij die belastingaanslagen gegeven rentebeschikkingen te verminderen met inachtneming van wat is beslist in deze uitspraak en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van de uitspraken op bezwaar;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.101,50;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. K.G. Scholten en\n\nmr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n In de zaak SGR 24\u002F4801 is € 51 griffierecht betaald.\n\n Vgl. HR 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731.\n\n In de uitspraken op bezwaar heeft verweerder ten aanzien van 17 panden (sommige bestaande uit meerdere nummers\u002Fobjecten) geconcludeerd dat toch sprake is van box 3-inkomen.\n\n Vgl. Gerechtshof Den Haag 24 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1105, bevestigd in Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:539 (met artikel 81 RO).\n\n Vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.\n\n Vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17074","2026-07-13T00:28:23.139Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":43,"courtId":85,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":89,"parsedAt":51,"updatedAt":90},"1247","ECLI:NL:RBROT:2026:5360","ecli-nl-rbrot-2026-5360",61,"2026-05-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F702718 \u002F HA ZA 25-558\n\nVonnis van 13 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n1.. ZILVEREN KRUIS ZORGVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Leiden, 2.INTERPOLIS ZORGVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Utrecht, 3.FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Leeuwarden, 4.DE FRIESLAND ZORGVERZEKERAAR N.V.,\n\nte Leeuwarden,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: Zilveren Kruis,\n\nadvocaat: mr. A.H.M. van Noort te Den Haag,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\n(mede) handelend onder de naam [naam huisartsenpraktijk] ,\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [naam huisartsenpraktijk] ,\n\nadvocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. Deze zaak gaat over declaraties voor verleende zorg in de avond-, nacht- en weekenduren (ANW-zorg) die [naam huisartsenpraktijk] in 2023 bij Zilveren Kruis heeft ingediend en Zilveren Kruis heeft vergoed. Zilveren Kruis heeft in 2024 een controle naar de feitelijke en terechte levering van die gedeclareerde ANW-zorg uitgevoerd en [naam huisartsenpraktijk] voor die controle geselecteerd. In het kader van die controle is een detailcontrole uitgevoerd op basis van aselecte steekproef van 29 dossiers met 44 declaraties voor ANW-zorg. Die declaraties zijn door een medisch adviseur van Zilveren Kruis beoordeeld. Op basis van het resultaat daarvan vordert Zilveren Kruis dat [naam huisartsenpraktijk] € 233.599,82 aan haar (terug)betaalt. [naam huisartsenpraktijk] is het daar niet mee eens.\n\n1.2.. De rechtbank wijst een tussenvonnis. Zij verwerpt het verweer van [naam huisartsenpraktijk] dat de detailcontrole onrechtmatig was en dat de door Zilveren Kruis gecontroleerde declaraties daarom niet als bewijs gebruikt mogen worden. De rechtbank verwijst de zaak naar de rol om (i) [naam huisartsenpraktijk] gelegenheid te bieden (alsnog) inhoudelijk te reageren op de beoordelingen van 17 declaraties uit de steekproef die Zilveren Kruis (gedeeltelijk) heeft afgekeurd en relevante aanvullende informatie in het geding te brengen (ii) Zilveren Kruis gelegenheid te bieden (alsnog) met schriftelijke stukken te bewijzen dat de steekproef en de uitgevoerde doorberekening van de uitkomst van die steekproef berust op een wetenschappelijk verantwoorde methode.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 t\u002Fm 8 en 10 t\u002Fm 24, - de conclusie van antwoord met een productie,\n\n- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de akte overlegging producties van Zilveren Kruis, met productie 9 en een uitvergrote versie van een onderdeel van productie 14,\n\n- de akte uitlating tevens overlegging producties van Zilveren Kruis, met producties 25 en 26,\n\n- de akte houdende uitlating van [naam huisartsenpraktijk] ,\n\n- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026,\n\n- de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van (de advocaat van) Zilveren Kruis.\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1. (. Ieder van) Zilveren Kruis is een zorgverzekeraar in de zin van de Zorgverzekeringswet.\n\n3.2.. \n [naam huisartsenpraktijk] is een huisartsenpost die spoedeisende zorg in de avonduren en het weekend aanbiedt. Zij is niet aangesloten bij een huisartsendienststructuur en haar praktijk is door de week geopend van 16:00 tot 24:00 uur en in het weekend van 09:00 tot 24:00 uur.\n\n3.3.. Enig aandeelhouder en bestuurder van [naam huisartsenpraktijk] is [persoon A] (verder: [persoon A] ).\n\n3.4.. In het jaar 2023 heeft [naam huisartsenpraktijk] digitaal bij Zilveren Kruis declaraties voor door haar geleverde zorg ingediend. Zilveren Kruis heeft die declaraties voldaan zonder vooraf te toetsen of de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is geleverd.\n\n3.5.. In 2024 is Zilveren Kruis overgegaan tot een materiële controle van in 2023 gedeclareerde avond-, nacht- en weekendzorg (verder: ANW-zorg). [naam huisartsenpraktijk] is voor deze controle geselecteerd omdat uit een data-analyse bleek dat zij in 2023 41 declaraties voor ANW-zorg aan bij haar ingeschreven patiënten indiende tegenover 7582 declaraties voor ANW-zorg aan niet bij haar ingeschreven patiënten (verder: passanten).\n\n3.6.. Op de 7582 declaraties voor ANW-zorg aan passanten heeft Zilveren Kruis in totaal € 805.390,53 aan [naam huisartsenpraktijk] betaald.\n\n3.7.. \n\nIn een e-mail van 28 maart 2024 heeft Zilveren Kruis [naam huisartsenpraktijk] over de onder 3.5 bedoelde controle geïnformeerd en haar verzocht 10 procesvragen te beantwoorden. Bij deze e-mail is een bijlage gevoegd met de titel:\n\n‘Specifiek Controleplan Materiële Controle\n\n [nummer] [naam huisartsenpraktijk]\n\nControle naar feitelijke en terechte levering van avond- nacht-,\n\nweekend (ANW)-zorg door huisartsenpraktijken’\n\n(Verder: het Specifiek Controle Plan).\n\n3.8.. \n\nIn het Specifiek Controle Plan staat, naast een omschrijving van de onder 3.5 bedoelde data-analyse, voor zover hier van belang:\n\n“2 Waarom bent u geselecteerd?\n\n[…]\n\nDe ANW-verrichtingentarieven mogen in rekening worden gebracht als wordt voldaan aan\n\nde volgende 3 voorwaarden:\n\n1. De praktijk participeert niet in een huisartsendienstenstructuur Met andere woorden de ANW-zorg is door de huisartsenpraktijk niet uitbesteed aan een huisartsenpost.\n\n2. De zorg is verleend tijdens ANW-uren.\n\n3. Er is vastgesteld dat het tijdstip waarop de hulp is verleend, de patiënt is aan te\n\nrekenen. Met andere woorden de huisartsenpraktijk heeft vastgesteld dat medisch\n\ngezien sprake is van noodzakelijke spoedzorg.\n\nIn deze materiële controle gaan we na of de gedeclareerde ANW-verrichtingentarieven voldoen aan deze 3 voorwaarden die zijn vastgelegd in de in Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2023 […]\n\n2.1. \n\nWij hebben uw praktijk geselecteerd voor controle\n\n […]\n\nConsulten voor passanten mogen door de zorgaanbieder alleen in rekening worden gebracht voor incidentele en acute zorg aan niet bij de zorgaanbieder ingeschreven patiënten die bij of krachtens de Zorgverzekeringswet verplicht zijn verzekerd. Het is niet toegestaan het passantentarief in rekening te brengen indien de patiënt, gelet op de aard van de klachten, redelijkerwijs kan worden verwezen naar de huisarts(praktijk) waar de patiënt staat ingeschreven.\n\n3. Hoe voeren wij deze controle uit?\n\nIn de controle wordt nagegaan of u een verklaring heeft voor uw declaraties om de feitelijke en terechte levering ervan vast te stellen.\n\nControlepunten\n\n1. Is sprake geweest van medische noodzakelijke spoedzorg?\n\n2. Is het juiste tarief gedeclareerd:\n\na. Is de verzekerde waarvoor de praktijk ANW-zorg heeft gedeclareerd in 2023 ingeschreven bij de praktijk?\n\nb. Is de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie tijdens ANW-uren geleverd?\n\nc. Participeert de praktijk in een huisartsendienstenstructuur (is ANW-zorg door de huisartsenpraktijk uitbesteed aan huisartsenpost)?\n\nBeoordelingskader\n\n1. Kan de zorgaanbieder aantonen dat er triage heeft plaatsgevonden en de zorgvraag vanuit medisch perspectief zo urgent was dat er zo snel mogelijk (U1), binnen een uur (U2) of binnen enkele uren (U3) actie moest worden ondernomen?\n\n2. Kan de zorgaanbieder aantonen dat de in rekening gebrachte prestatie tijdens ANW-uren is geleverd?\n\n3. Participeert de praktijk in een huisartsendienstenstructuur (is ANW-zorg door de huisartsenpraktijk uitbesteed aan huisartsenpost)?\n\nUitvoering\n\nWij voeren deze controle in meerdere controlestappen uit. Wij zorgen ervoor dat algemene controlemiddelen zoveel mogelijk als eerst worden ingezet.\n\nVoor dit onderzoek maken wij in eerste instantie gebruik van de volgende algemene\n\ncontrolemiddelen:\n\n- Data-analyse\n\n- Procescontrole\n\n[…] Bij onvoldoende verklaring gaan wij over tot een volgende controlestap. Een volgende stap in de controle is een:\n\nDetailcontrole (aanlevering van aanvullende informatie over de uitkomst van de triage en het tijdstip waarop de zorg is geleverd) […]”\n\n3.9.. In een e-mail van 28 maart 2024 heeft [persoon A] namens [naam huisartsenpraktijk] de procesvragen van Zilveren Kruis beantwoord. Deze antwoorden heeft hij later in een gesprek met een medewerker van Zilveren Kruis toegelicht (het procesgesprek).\n\n3.10.. In een e-mail van 22 mei 2024 heeft Zilveren Kruis aan [naam huisartsenpraktijk] meegedeeld dat zij nog onvoldoende zekerheid heeft over de feitelijke en terechte levering van de gedeclareerde ANW-zorg en dat zij daarom overgaat tot een detailcontrole. Bij deze e-mail is een brief van 21 mei 2024 gevoegd, waarin Zilveren Kruis [naam huisartsenpraktijk] onder meer informeert over haar bevindingen in het procesgesprek.\n\n3.11.. Voor de detailcontrole heeft Zilveren Kruis een aselecte steekproef uitgevoerd van 29 dossiers met 44 declaraties van [naam huisartsenpraktijk] voor ANW-zorg aan passanten die bij Zilveren Kruis verzekerd waren. Een medisch adviseur heeft die dossiers en declaraties inhoudelijk beoordeeld en geconcludeerd dat in 17 gevallen geen sprake was van verzekerde, aan passanten geleverde incidentele en acute ANW-zorg.\n\n3.12.. In een brief van 16 augustus 2024 heeft Zilveren Kruis [naam huisartsenpraktijk] geïnformeerd over haar bevindingen en haar uitgenodigd voor een hoor en wederhoor gesprek. Dit gesprek vond uiteindelijk plaats op 25 september 2024.\n\n3.13.. In een brief van 16 oktober 2024 heeft Zilveren Kruis aan [naam huisartsenpraktijk] medegedeeld dat zij € 233.599,82 aan onrechtmatig gedeclareerde zorg terugvordert. In een bijlage bij deze brief heeft Zilveren Kruis dit bedrag gespecificeerd als volgt:\n\n2023\n\npopulatie ZK-\n\nverzekerden\n\nsteekproef ZK-verzekerden\n\nfouten in steekproef\n\nZK-verzekerden\n\naantal declaraties\n\n7.582\n\n44\n\n17\n\nTotaal bedrag declaraties\n\n€\n\n805.390,53\n\n€\n\n 4.838,47\n\n€\n\n1.754,22\n\nGemiddeld bedrag\n\n€\n\n106,22\n\n€\n\n 109,97\n\n€\n\n 103,19\n\nProcentuele doorberekening (fout in steekproef\u002F totaal bedrag declaraties * 100%\n\n36%\n\nVaststelling bruto vordering: %fout in steekproef * totaal bedrag declaraties populatie\n\n€\n\n291.999,78\n\nVaststelling netto vordering: 80% van bruto vordering\n\n€\n\n233.599,82\n\n3.14.. Op 18 december 2024 zond ieder van Zilveren Kruis een factuur aan [naam huisartsenpraktijk] voor het specifieke aan haar terug te betalen deel van het bedrag van € 233.599,82. Deze vier facturen heeft [naam huisartsenpraktijk] niet betaald.\n\n3.15.. \n\nVoor het bepalen van de urgentie van de klacht van een patiënt is de Nederlandse Triage Standaard (NTS) ontwikkeld. De NTS kent 6 urgenties:\n\nU0: uitval vitale functies – resucitatie (reanimatie)\n\nU1: instabiele vitale functies – direct levensgevaar (onmiddellijk)\n\nU2: bedreiging van vitale functies of orgaanschade (zo snel mogelijk)\n\nU3: reële kans op schade\u002Fhumane redenen (binnen enkele uren)\n\nU4: verwaarloosbare kans op schade (dezelfde dag)\n\nU5: geen kans op schade (de volgende werkdag).\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. Zilveren Kruis vordert - samengevat - :\n\n [naam huisartsenpraktijk] te veroordelen tot betaling van € 233.599,82, vermeerderd met rente en kosten;\n\n [naam huisartsenpraktijk] te veroordelen in de kosten van het geding, vermeerderd met rente, en in de nakosten.\n\n4.2.. \n [naam huisartsenpraktijk] voert verweer. [naam huisartsenpraktijk] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Zilveren Kruis, dan wel tot afwijzing van de vordering van Zilveren Kruis, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Zilveren Kruis in de kosten van deze procedure.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nDe detailcontrole was rechtmatig en de bevindingen daaruit mogen als bewijs worden gebruikt\n\n5.1.. \n [naam huisartsenpraktijk] voert ten eerste als verweer dat de detailcontrole onrechtmatig was en dat daarom de bevindingen uit de detailcontrole niet als bewijs gebruikt mogen worden. Omdat dit verweer het meest verstrekkend is, beoordeelt de rechtbank deze als eerste.\n\n5.2.. \n [naam huisartsenpraktijk] stelt dat de detailcontrole onrechtmatig was omdat in het Specifiek Controle Plan het doel van de materiële controle onvoldoende is weergegeven en daaruit niet duidelijk is wanneer met voldoende zekerheid komt vast te staan dat de gedeclareerde prestatie is geleverd. Zilveren Kruis heeft namelijk een onjuiste voorwaarde voor de materiële controle gehanteerd door onder 2.1 in het Specifiek Controle Plan de voorwaarde voor passantentarieven op te nemen en onderzoek te doen naar passanten, terwijl de declaraties zijn gedaan op basis van ANW-zorg. Verder is niet voldaan aan de voorwaarden voor een detailcontrole. Zilveren Kruis had op het moment dat zij de detailcontrole inzette namelijk alle benodigde informatie om haar onderzoek af te ronden. [naam huisartsenpraktijk] heeft alle procesvragen beantwoord en het hoge aantal passanten waaraan [naam huisartsenpraktijk] ANW-zorg leverde is daarmee verklaard. Er kon geen twijfel over bestaan dat de ANW-zorg feitelijk was geleverd. Ook heeft Zilveren Kruis lichtere middelen dan de detailcontrole niet benut door in de materiële controle geen vragen te stellen naar individuele patiëntendossiers en na te laten om toestemming van individuele patiënten te vragen om hun patiëntendossiers in te zien. Verder stelt [naam huisartsenpraktijk] dat het Zilveren Kruis misbruik van bevoegdheid maakte, omdat zij de detailcontrole inzette om een middel te vinden om [naam huisartsenpraktijk] aan te pakken. [naam huisartsenpraktijk] maakt namelijk geen deel uit van een huisartsendienstenstructuur en biedt een voor de zorgverzekeraars duurder alternatief voor ANW-zorg van gecontracteerde aanbieders in een huisartsendienstenstructuur. Als Zilveren Kruis dat tegen wil gaan, moet ze zorgen dat de regels voor het leveren van ANW-zorg worden gewijzigd.\n\n5.3.. Zilveren Kruis spreekt tegen dat detailcontrole onrechtmatig was. De materiële controle betrof de gedeclareerde ANW-zorg. Daarover bestond geen onduidelijkheid. [naam huisartsenpraktijk] is voor de materiële controle geselecteerd omdat uit een data-analyse bleek dat zij relatief extreem veel consulten voor passanten voor ANW-zorg in rekening bracht. Niet juist is dat de passantentarieven en ANW-tarieven daarin met elkaar zijn verweven. De passantentarieven zijn alleen van belang als niet is voldaan aan de voorwaarden voor het ANW-tarief maar de zorg wel acuut was. Tot de detailcontrole is overgegaan omdat na het beantwoorden van de procesvragen en de toelichting daarop in het procesgesprek onvoldoende zekerheid bestond over met name de terechte levering van de door [naam huisartsenpraktijk] gedeclareerde ANW-zorg. Eén en ander is in overeenstemming met het Specifiek Controle Plan dat Zilveren Kruis aan [naam huisartsenpraktijk] heeft toegezonden en de relevante wet- en regelgeving voor het instellen van een detailcontrole. Het verwijt dat Zilveren Kruis haar controlebevoegdheid heeft misbruikt is onterecht.\n\n5.4.. De rechtbank verwerpt het verweer omdat het ongegrond is en licht dit toe als volgt.\n\n5.5.. Zorgverzekeraars zijn in het kader van de uitvoering van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) bevoegd én verplicht om formele en materiële controles bij zorgaanbieders uit te voeren. Die controles dienen plaats te vinden in overeenstemming met de bepalingen van de Wmg en de Zorgverzekeringswet: de Nadere regel controle en administratie zorgverzekeraars, de Regeling zorgverzekering (hierna: Rzv) en het Besluit zorgverzekering (hierna: Bzv). Het doel van deze controles is onder meer dat de (schaarse) middelen voor gezondheidszorg adequaat en juist worden ingezet.\n\n5.6.. Bij een materiële controle gaat een zorgverzekeraar na of de zorg die is gedeclareerd daadwerkelijk is geleverd én of die zorg redelijkerwijs was aangewezen, gezien de gezondheidssituatie van de verzekerde (artikel 1 lid 1 sub u Rzv).\n\n5.7.. Voorafgaand aan de uitvoering van een materiële controle moet de zorgverzekeraar het doel ervan vaststellen door te bepalen wanneer voldoende zekerheid is verkregen dat de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd en of die geleverde prestatie het meest was aangewezen gezien de gezondheidstoestand van de verzekerde (art. 7.5 lid 1 Rzv). Die vaststelling geschiedt met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.1 Bzv en zodanig dat voor verzekerden en zorgaanbieders zoveel mogelijk inzichtelijk is welke maatstaven daarbij gelden (art. 75 lid 2 Rzv).\n\n5.8.. Bij een materiële controle kan een zorgverzekeraar een detailcontrole inzetten: een onderzoek naar bij de zorgaanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot eigen verzekerden ten behoeve van de materiële controle (artikel 1 lid 1 onder x Rzv). Een detailcontrole (waaronder inzage in medische persoonsgegevens) kan alleen worden uitgevoerd als is voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden (art. 7.8 Rzv).\n\n5.9.. De stelling dat niet aan de eis van art. 7.5 lid 1 Rzv (zie 5.7) is voldaan, volgt de rechtbank niet. De titel en de inhoud van het Specifiek Controleplan laat er geen twijfel over bestaan dat de feitelijke en terechte levering van ANW-zorg het doel van de controle is en dat de controle plaats zou vinden aan de hand van de voorwaarden voor het declareren van het ANW-tarief. Aldus heeft Zilveren Kruis de maatstaven die zij bij de beoordeling zou hanteren voldoende inzichtelijk gemaakt. De omstandigheid dat onder 2.1 de voorwaarden voor het passantentarief zijn vermeld maakt dat niet anders. Daarbij komt dat [naam huisartsenpraktijk] niet stelt hoe het beoordelingskader inzichtelijker gemaakt had kunnen worden.\n\n5.10.. Blijft over de vraag of Zilveren Kruis bij de materiële controle het middel van een detailcontrole mocht inzetten.\n\n5.11.. \n [naam huisartsenpraktijk] beroept zich op onrechtmatigheid van de detailcontrole en de gevolgen daarvan. Dit betekent dat zij concrete feiten moet stellen waaruit die onrechtmatigheid volgt en die feiten moet bewijzen indien Zilveren Kruis die met goede argumenten tegenspreekt (hoofdregel van art. 150 Rv).\n\n5.12.. Eén van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan als een zorgverzekeraar een detailcontrole wil uitvoeren is dat het vastgestelde specifieke doel van de materiële controle niet zonder detailcontrole kan worden bereikt (art. 7.8 lid 1 onder c Rzv). Kennelijk bedoelt [naam huisartsenpraktijk] met haar stelling, dat Zilveren Kruis voorafgaand aan het inzetten van de detailcontrole reeds alle informatie had om haar onderzoek af te ronden, dat aan deze voorwaarde niet is voldaan.\n\n5.13.. Die stelling van [naam huisartsenpraktijk] volgt de rechtbank niet omdat Zilveren Kruis na het beantwoorden van de procesvragen en het procesgesprek onvoldoende zekerheid had de door [naam huisartsenpraktijk] gedeclareerde ANW-zorg voor passanten steeds aan de daarvoor geldende voorwaarden voldeed. De rechtbank baseert dit op het volgende.\n\n5.14.. Het doel van de materiële controle is na te gaan of de gedeclareerde ANW-verrichtingentarieven voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in de in Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2023 (zie 3.8).\n\n5.15.. \n\nVoor huisartsen die niet participeren in een huisartsendienstenstructuur is een separaat consulttarief van kracht voor incidentele en acute huisartsenhulp gedurende de ANW-uren. Het declareren van het tarief is alleen toegestaan indien de zorg is verleend tijdens ANW-uren en indien vaststaat dat het tijdstip waarop de hulp is verleend, de patiënt is aan te rekenen (art. 8 lid 2 Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2023). Dit betekent dat de huisartsenpraktijk heeft vastgesteld dat er medisch gezien sprake is van noodzakelijke spoedzorg, zoals ook is vermeld in het specifiek controleplan.\n\nANW-uren zijn de uren:\n\n– tussen 18.00 uur en 08.00 uur;\n\n– tussen 08.00 uur en 18.00 uur op zaterdag of zondag;\n\n– tussen 08.00 uur en 18.00 uur op officiële feestdagen;\n\n(art. 1 Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2023).\n\n5.16.. Op de volgende procesvragen van Zilveren Kruis heeft [naam huisartsenpraktijk] , voor zover hier van belang, geantwoord:\n\nVraag 2: “Wat zijn de openingstijden van uw praktijk en - indien u participeerde in een\n\nhuisartsendienstenstructuur in 2023 - overlappen de openingstijden van uw praktijk met die van de huisartsenpost?”\n\nAntwoord: “De openingstijden zijn elke door de weekse dag van 16;00-24;00 en in het weekend van 09;00-24;00\n\nDe tijden tussen 16;00 tot 17;00 wordt gebruikt voor fysieke beoordeling van eigen patiënten die zijn ingepland. […]\n\nVoor de spoed patiënten die worden ingeplant vanaf 17;00 en verder door de weeks en of 09 00 en verder in het weekend wordt het systeem Topicus Vip Live gebruik gemaakt. Dit systeem wordt ook in de grotere Huisartsenposten gebruikt zoals de CHPR Rotterdam Rijnmond. […]”\n\nVraag 4: “Op welke manier verloopt het contact en de triage tijdens ANW-uren voor patiënten?”\n\nAntwoord: “Over het algemeen a 95% nemen patiënten telefonisch contact. Hierbij wordt aan de hand van een vragenlijst welke is opgenomen in de Topicus Vip Live SPoed EPD de klachten en urgentie doorgenomen. Hieruit volgt een urgentie bepaling. Bij afwijkende of onduidelijke urgentie uitkomsten en of ernst van de klacht wordt overlegd met de huisarts voor verder beleid.\n\nEen deel van patiënten die komt binnen lopen, volgt een triage aan de balie of in een apart onderzoekskamer. Aan de hand van de uitkomst van de triage wordt patiënt beoordeeld, geholpen.”\n\nVraag 5: “Wie beoordeelt of de zorgvraag van een patiënt medisch gezien noodzakelijke spoedzorg betreft?”\n\nAntwoord: “De urgentie bepaling aan de hand van de NTS triage systeem zorgt voor 95 % van de bepaling of een patiënt gezien dient te worden. Voor 100 % bepaalt de tuchtrechter of de patiënt adequaat geholpen is.”\n\nVraag 9: “Hoe gaat u om met de zorgvraag van een passant […] tijdens ANW-uren? Gaat u na of de passant gelet op de aard van de klachten redelijkerwijs kan worden verwezen naar de huisartsenpraktijk\u002Fhuisartsendienstenstructuur waar de patiënt staat ingeschreven?\n\nAntwoord: “Zorg wordt geleverd op basis van acuut medisch noodzakelijke zorg obv NTS triage systeem.”\n\n5.17.. \n\nIn haar brief van 21 mei 2024 schrijft Zilveren Kruis, voor zover hier van belang:\n\n“In het procesgesprek op 6 mei 2024 bespraken wij dat uw praktijk opvallend veel ANW-zorg declareert voor passanten. U gaf aan dat:\n\nPraktijk Hillesluis nog ca 150 op naam ingeschreven verzekerden heeft waaraan 24-uurs zorg wordt geleverd.\n\nPraktijk Hillesluis als (niet-gecontracteerde) huisartsenpost veel spoedzorg levert en hiervoor van 16 uur tot 23 uur telefonisch bereikbaar is.\n\nPassanten bij [naam huisartsenpraktijk] terecht komen vanwege wachttijden bij de eigen huisarts en omdat de CHPR (Rb: Centrale Huisartsenposten Rijnmond) bekend staat als ‘afhoudpost’.\n\nPraktijk Hillesluis nagaat of een patiënt redelijkerwijs kan worden verwezen naar de praktijk waar de patiënt is ingeschreven. Indien geen sprake is van spoedzorg (U1, U2, U3 en incidenteel U4) worden passanten verwezen naar de eigen huisarts.\n\n[…]”\n\n5.18.. Uit de voormelde antwoorden [naam huisartsenpraktijk] volgt dat zij vanaf 16:00 uur telefonisch bereikbaar is voor eigen patiënten en voor passanten, en dat passanten reeds tussen 17:00 uur en 18:00 uur bij haar ingepland kunnen worden, terwijl dan nog niet het ANW-tarief van toepassing is. Ook volgt uit de voormelde toelichting dat passanten makkelijker en sneller bij [naam huisartsenpraktijk] terecht kunnen dan bij de eigen huisarts en de Centrale Huisartsenposten Rijnmond. Op basis daarvan kon Zilveren Kruis er redelijkerwijs aan twijfelen of het feit dat [naam huisartsenpraktijk] zich toelegt op ANW-zorg de enige verklaring is voor het grote verschil tussen de aantallen declaraties voor geleverde ANW-zorg aan eigen patiënten en aan passanten. Zilveren Kruis kon daarom redelijkerwijs oordelen dat er onvoldoende zekerheid was dat de door [naam huisartsenpraktijk] gedeclareerde ANW-zorg voor passanten steeds voldeed aan de in de Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2023 daarvoor vastgelegde voorwaarden.\n\n5.19.. Daaraan doet niet af dat [naam huisartsenpraktijk] ter zitting heeft tegengesproken dat [persoon A] in het procesgesprek heeft gezegd wat in 5.17 onder het derde gedachtestreepje staat. Indien die weergave onjuist is, kan [naam huisartsenpraktijk] dat nu niet meer aan Zilveren Kruis tegenwerpen. Niet gesteld is namelijk dat [naam huisartsenpraktijk] na ontvangst van de brief van 21 mei 2024 heeft geprotesteerd tegen die weergave van de mededelingen van [persoon A] in het procesgesprek. Op het moment dat Zilveren Kruis feitelijk tot de detailcontrole overging mocht zij daarom redelijkerwijs vertrouwen op de juistheid van de informatie waarop zij haar beslissing om die controle uit te voeren heeft gebaseerd.\n\n5.20.. De stelling van [naam huisartsenpraktijk] dat Zilveren Kruis lichtere middelen dan de detailcontrole niet heeft benut, betreft kennelijk ook de voorwaarde dat het vastgestelde specifieke doel van de materiële controle niet zonder detailcontrole kan worden bereikt. Ook deze stelling volgt de rechtbank niet. Niet in te zien valt dat algemene vragen over individuele patiëntendossiers zouden kunnen bijdragen aan zekerheid over de feitelijke en terechte levering van de gedeclareerde ANW-zorg. Ook valt niet in te zien dat het benaderen van patiënten voor toestemming om hun patiëntendossier in te zien, een lichter middel is dan de uitgevoerde steekproef. [naam huisartsenpraktijk] heeft dit alles ook niet toegelicht.\n\n5.21.. \n [naam huisartsenpraktijk] heeft geen andere concrete feiten gesteld waaruit volgt dat de in art. 7.8 lid 1 Rzv vermelde voorwaarden om tot detailcontrole over te kunnen gaan, zijn geschonden.\n\n5.22.. De rechtbank volgt [naam huisartsenpraktijk] evenmin in haar stelling dat Zilveren Kruis haar bevoegdheid heeft misbruikt door de detailcontrole slechts in te zetten om een middel te vinden om [naam huisartsenpraktijk] aan te pakken. De rechtbank licht dat toe als volgt.\n\n5.23.. Van misbruik van bevoegdheid is onder meer sprake als een persoon een bevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor hem deze is verleend (art. 3:13 lid 2 BW). [naam huisartsenpraktijk] doet daar een beroep op en moet daarom concrete feiten stellen waaruit volgt dat Zilveren Kruis haar bevoegdheid om een detailcontrole uit te voeren heeft gebruikt met een ander doel dan waarvoor deze is verleend en die feiten bewijzen als Zilveren Kruis ze met goede argumenten tegenspreekt (hoofdregel art. 150 Rv).\n\n5.24.. Niet ter discussie staat dat het leveren van ANW-zorg aan passanten buiten een huisartsendienstenstructuur, voor een zorgverzekeraar extra kosten oplevert. De zorgverzekeraars vergoeden namelijk standaard een bedrag aan (de eigen) huisartsen die wel binnen een huisartsendienstenstructuur functioneren voor ANW-zorg aan eigen en andere ingeschreven patiënten binnen de huisartsendienstenstructuur. Die vergoeding wordt dus ook voldaan aan de eigen huisartsen van de passanten die gebruik maken van [naam huisartsenpraktijk] , voor zover die eigen huisartsen zijn aangesloten bij een huisartsendienstenstructuur, wat bijna altijd het geval is. [naam huisartsenpraktijk] ervaart het feit, dat als het ware dubbel betaald wordt door de zorgverzekeraars, als de reden voor het uitvoeren van detailcontrole. Maar in het licht van wat onder 5.5 t\u002Fm 5.19 is overwogen, is die conclusie objectief beschouwd niet gerechtvaardigd. Bijkomende concrete feiten waaruit die reden toch kan worden afgeleid, heeft [naam huisartsenpraktijk] niet gesteld. Dat een lokale politieke partij in september 2024 in de media heeft verklaard dat zij samen met zorgverzekeraars aan de slag gaat om huisartsenposten zoals [naam huisartsenpraktijk] aan te pakken is ook niet zo’n concreet feit. Op dat moment was de detailcontrole namelijk al uitgevoerd en bovendien volgt uit de gestelde verklaring niet zonder meer dat Zilveren Kruis tot de daarin bedoelde zorgverzekeraars behoort.\n\n5.25.. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank het verweer van [naam huisartsenpraktijk] , dat de detailcontrole onrechtmatig was, als ongegrond verwerpt. Er is dan ook geen reden om de bevindingen uit de detailcontrole buiten beschouwing te laten.\n\nOnverschuldigde betaling, toetsingskader en bewijslastverdeling\n\n5.26.. Zilveren Kruis baseert haar vordering ten eerste op onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW). Van onverschuldigde betaling is sprake indien een rechtsgrond voor een betaling ontbrak. Dit betekent dat Zilveren Kruis concrete feiten moet stellen waaruit volgt dat zij het gevorderde bedrag zonder rechtsgrond aan [naam huisartsenpraktijk] heeft betaald en dat zij die feiten moet bewijzen als [naam huisartsenpraktijk] ze met goede argumenten tegenspreekt (hoofdregel art. 150 Rv).\n\n5.27.. \n\nZilveren Kruis heeft voldoende gesteld. Zij stelt namelijk dat zij een deel van de declaraties van [naam huisartsenpraktijk] voor ANW-zorg aan passanten in 2023 van in totaal\n\n€ 233.599,22 zonder rechtsgrond heeft voldaan, omdat die declaraties niet voldoen aan de voorwaarden voor het declareren van het ANW-tarief. Dit betreft de voorwaarden dat:\n\nde zorg is geleverd tijdens de ANW-uren;\n\ner sprake is van medisch noodzakelijke spoedzorg.\n\nZilveren Kruis baseert dit op de steekproef die zij in het kader van de detailcontrole heeft uitgevoerd. Zij stelt dat daaruit volgt dat 15 van de 44 gecontroleerde declaraties niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat er geen sprake is van medisch noodzakelijke spoedzorg en dat in 2 andere gevallen de zorg buiten ANW-uren is geleverd zodat slechts aanspraak bestaat op een lager tarief dan het ANW-tarief. Verder stelt Zilveren Kruis dat de uitgevoerde steekproef een betrouwbaar en representatief beeld biedt van het declaratiepatroon, zodat de uitkomst daarvan op de door haar gevolgde wijze kan worden doorberekend naar het totaal van de declaraties voor ANW-zorg aan passanten in 2023 (zie 3.13).\n\n5.28.. \n [naam huisartsenpraktijk] is het niet eens met het oordeel van de medisch adviseur van Zilveren Kruis over de gecontroleerde declaraties. Zij voert aan dat Zilveren Kruis ten onrechte uitgaat van volledigheid van de informatie in de aan haar verstrekte dossiers. Een zorgverzekeraar mag ook niet op de stoel van de huisarts gaan zitten, omdat dat de autonomie van de huisarts aantast die ook aan tuchtrechtelijke regels is gebonden, aldus [naam huisartsenpraktijk] .\n\n5.29.. \n\nHet argument van [naam huisartsenpraktijk] dat een zorgverzekeraar niet op de stoel van een huisarts mag gaan zitten, snijdt geen hout. Een materiële controle houdt namelijk ook in dat een zorgverzekeraar controleert of de geleverde zorg wel redelijkerwijs was aangewezen, gezien de gezondheidssituatie van de verzekerde (art. 1 lid 1 sub u Rzv). Vanzelfsprekend moet bij die controle rekening worden gehouden met de informatie die de huisarts op het moment van handelen had, zijn verplichting om de zorg van een goed hulpverlener in acht\n\nte nemen en de daarbij voor hem geldende professionele standaarden. Dat staat er echter niet aan in de weg dat het handelen van een huisarts kan worden beoordeeld door een zorgverzekeraar. Het brengt wel mee dat de zorgverzekeraar daarvoor een medisch adviseur met de kennis en ervaring van een huisarts dient in te schakelen, maar dat heeft Zilveren Kruis gedaan.\n\n5.30.. Aan bewijslevering voor de door Zilveren Kruis gestelde feiten wordt pas toegekomen als [naam huisartsenpraktijk] deze feiten met goede argumenten tegenspreekt. Daarvoor is niet voldoende dat [naam huisartsenpraktijk] in zijn algemeenheid aanvoert dat de informatie die de medisch adviseur van Zilveren Kruis heeft beoordeeld niet volledig is omdat deze niet bij het telefoongesprek met de patiënt en het consult aanwezig was. Niet gesteld is namelijk dat Zilveren Kruis meer informatie kon en moest opvragen dan zij heeft gedaan. Verder geldt dat het Nederlandse zorgstelsel wordt gekenmerkt door een grote informatie-asymmetrie tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar. Dit gegeven brengt mee dat de zorgverzekeraar vertrouwen moet kunnen stellen in de juistheid van de door de zorgaanbieder ingediende declaraties. Tegelijk belemmert de informatie-asymmetrie de zorgverzekeraar in het leveren van bewijs van onregelmatige zorgdeclaraties. Tegen deze achtergrond en gelet op het maatschappelijk belang dat geen zorgkosten in strijd met artikel 35 lid 1 Wmg worden gedeclareerd, is een verlichting van de stelplicht en bewijslast van zorgverzekeraars in zoverre passend dat de zorgaanbieder dient te concretiseren welke relevante informatie voor de controle van zijn declaraties ontbreekt en de ontbrekende informatie, die zich in zijn domein bevindt, dient te verstrekken (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2019:1463).\n\n [naam huisartsenpraktijk] mag nog inhoudelijk reageren op de beoordelingen van de medisch adviseur van Zilveren Kruis\n\n5.31.. \n [naam huisartsenpraktijk] heeft de rechtbank verzocht haar de mogelijkheid te bieden om alsnog inhoudelijk te reageren op de beoordelingen van de medisch adviseur van Zilveren Kruis. Zij stelt dat zij dat niet eerder adequaat heeft kunnen doen omdat Zilveren Kruis pas voorafgaand aan de mondelinge behandeling de (geanonimiseerde) beoordeelde dossiers en een leesbare versie van het werkbestand met de beoordelingen van de medisch adviseur heeft overgelegd en [persoon A] in de weken voorafgaand aan de mondelinge behandeling met vakantie was.\n\n5.32.. Zilveren Kruis heeft bezwaar tegen de inwilliging van dat verzoek. Zij vindt dat [naam huisartsenpraktijk] al voldoende gelegenheid heeft gehad om inhoudelijk te reageren op de beoordelingen van de medisch adviseur van Zilveren Kruis en dat [naam huisartsenpraktijk] dat ook adequaat kon doen. De dossiers zijn namelijk van [naam huisartsenpraktijk] afkomstig en zijn in het kader van de controle met [naam huisartsenpraktijk] besproken. Verder is van belang dat [naam huisartsenpraktijk] in haar conclusie van antwoord ook inhoudelijk op enkele dossiers is ingegaan.\n\n5.33.. De rechtbank zal [naam huisartsenpraktijk] de gelegenheid bieden om bij akte (alsnog) inhoudelijk te reageren op de beoordelingen van de medisch adviseur die de in totaal 17 (gedeeltelijk) afgekeurde declaraties betreffen en eventuele ontbrekende informatie aan te vullen. Hierbij laat de rechtbank in het midden of [naam huisartsenpraktijk] eerder adequaat daarop heeft kunnen reageren. De procedure wordt namelijk niet onredelijk vertraagd als [naam huisartsenpraktijk] daarvoor nog gelegenheid wordt geboden. Zilveren Kruis moet nog stukken in het geding brengen die zij eerder in het geding had dienen te brengen (zie 5.36) en het zou tot een onnodig hoger beroep kunnen leiden indien partijen nu geen gelegenheid wordt geboden hun processuele tekortkomingen te herstellen.\n\nZilveren Kruis moet aantonen dat de steekproef voldoende representatief is voor de uitgevoerde doorberekening van het resultaat\n\n5.34.. Voor de toelaatbaarheid van het doorberekenen van resultaten van steekproeven is vereist dat de steekproeven en de doorberekening geschieden volgens een wetenschappelijk verantwoorde methodiek. Daarbij dient aandacht te worden besteed aan de volgende aspecten:\n\nde steekproef dient zowel in absolute als in relatieve zin van voldoende omvang te zijn om een voldoende betrouwbaar beeld van het declaratiepatroon te geven;\n\nde steekproef dient aselect te zijn en de gevolgde procedure bij het nemen van de steekproef dient inzichtelijk te worden gemaakt;\n\nde steekproef dient ook in de tijd gezien representatief te zijn voor de periode waarover de doorberekening plaatsvindt;\n\nhet doorberekenen dient uitsluitend per soort gedeclareerde verrichting plaats te vinden naar het totale declaratiebedrag voor die specifieke verrichting over de periode, waarvoor de steekproef representatief kan worden geacht;\n\nbij het doorberekenen van een steekproefresultaat zal een zekere onbetrouwbaarheidsmarge in acht dienen te worden genomen, waarvan de bandbreedte groter zal moeten zijn naarmate de steekproef relatief van geringer omvang was.\n\n5.35.. Zilveren Kruis stelt, maar heeft vooralsnog niet onderbouwd, dat de uitgevoerde steekproef een betrouwbaar en representatief beeld van het declaratiepatroon biedt en het resultaat daarvan op de toegepaste wijze kan worden doorberekend omdat deze berust op een wetenschappelijk verantwoorde methodiek. Zij biedt bewijs aan van deze stelling door middel van schriftelijke stukken. [naam huisartsenpraktijk] bestrijdt bij gebrek aan onderbouwing dat de uitgevoerde steekproef voldoende representatief is om het resultaat te kunnen doorberekenen en dat er een onbetrouwbaarheidmarge is ingebouwd (de onder 5.34 onder a en e vermelde aspecten).\n\n5.36.. De rechtbank draagt Zilveren Kruis op te bewijzen dat de steekproef en de uitgevoerde doorberekening zijn gebaseerd op een wetenschappelijk methodiek waarin recht wordt gedaan aan de onder 5.34 onder a en e vermelde aspecten. Gelet op de eerdere betwisting van [naam huisartsenpraktijk] en de beperkte omvang van de vordering die resteert als extrapolatie niet toelaatbaar is, mocht van Zilveren Kruis worden verwacht dat zij dit bewijs al eerder in het geding zou brengen. Aangezien [naam huisartsenpraktijk] de onder 5.33 vermelde gelegenheid krijgt, krijgt Zilveren Kruis de gelegenheid voormeld bewijs alsnog te leveren. Mogelijk is de bepaling van de netto vordering van Zilveren Kruis op 80% van de bruto vordering bedoeld als het in acht nemen van een onbetrouwbaarheidsmarge. Zilveren Kruis dient dit op te helderen.\n\nHet vervolg van de procedure\n\n5.37.. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen om [naam huisartsenpraktijk] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het oordeel van de medisch adviseur van Zilveren Kruis over de 17 (deels) afgekeurde declaraties en eventuele aanvullende informatie in het geding te brengen.\n\n5.38.. Zilveren Kruis zal daarop bij akte kunnen reageren en daarbij tevens het onder 5.36 bedoelde bewijs dienen te leveren.\n\n5.39.. \n [naam huisartsenpraktijk] zal zich vervolgens bij akte daarover kunnen uitlaten.\n\n5.40.. De rechtbank overweegt om een deskundige te benoemen in het geval dat partijen van mening blijven verschillen over de beoordeling van (een deel van) de 17 (gedeeltelijk) afgekeurde declaraties. Zilveren Kruis heeft echter al een eigen deskundige ingeschakeld (haar medisch adviseur) van wie een rapport is overgelegd (het werkbestand met de beoordeling) en [naam huisartsenpraktijk] heeft ter zitting verklaard dat zij mogelijk een eigen deskundige inschakelt. Dat brengt mee dat de rechtbank in beginsel eerst de partijdeskundige(n) gelegenheid dient te geven zijn\u002Fhun rapport(en) mondeling of schriftelijk toe te lichten en aan te vullen, voordat zij tot benoeming van een deskundige over gaat. Hierop geldt slechts een uitzondering indien de rechtbank die toelichting(en)\u002F aanvulling(en) niet zinvol acht (art. 192 lid 5 Rv jo art. 186 lid 5 Rv). Gelet op dit alles verzoekt de rechtbank partijen om zich in de onder 5.37 en 5.38 bedoelde akten ook uit te laten over de vraag of toelichting(en)\u002Faanvullingen van de partijdeskundige(n) zinvol zijn.\n\n5.41.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. draagt Zilveren Kruis op te bewijzen dat de steekproef en de uitgevoerde doorberekening van het resultaat daarvan zijn gebaseerd op een wetenschappelijk methodiek waarin recht is gedaan aan de onder 5.34 onder a en e vermelde aspecten;\n\n6.2.. verwijst de zaak naar de rol van 10 juni 2026 voor een akte van [naam huisartsenpraktijk] als bedoeld onder 5.37, en:\n\nvervolgens op een termijn van vier weken voor een akte van Zilveren Kruis als bedoeld onder 5.38 en 5.40, en\n\ntot slot op een termijn van vier weken voor een akte van [naam huisartsenpraktijk] als bedoeld onder 5.39 en 5.40;\n\n6.3.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op\n\n13 mei 2026.\n\n2515\u002F638","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5360","2026-05-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:12.004Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":51,"updatedAt":99},"1244","ECLI:NL:RBDHA:2026:10688","ecli-nl-rbdha-2026-10688","2026-04-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F09\u002F684829 \u002F HA RK 25-225\n\nBeschikking van 22 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. NOVACURA ZORGGROEP B.V.,\n\nte Zoetermeer, 2. [verzoekster],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverzoeksters,\n\nadvocaat: mr. M.W. Fakiri te Den Haag,\n\ntegen\n\nVGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,\n\nte Arnhem,\n\nverweerster,\n\nadvocaat: mr. E.J.P. van der Kamp te Arnhem.\n\nVerzoeksters worden hierna gezamenlijk aangeduid als “Novacura c.s.” en ieder afzonderlijk als “Novacura” respectievelijk “ [verzoekster] ”, en verweerster als “VGZ”.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:\n\n- het verzoekschrift, ontvangen op 7 mei 2025, met producties 1 tot en met 10;\n\n- het verweerschrift, met producties A tot en met G;\n\n- de aanvullende producties 11 tot en met 14 van Novacura c.s.;\n\n- de ter zitting van 14 augustus 2025 overgelegde en voorgedragen pleitnota’s van partijen;\n\n- de ter zitting van 14 augustus 2025 overgelegde excellsheet van VGZ;\n\n- de brief van de rechtbank van 2 september 2025 aan partijen met betrekking tot de te nemen akten;\n\n- de akte van 11 september 2025 van VGZ, met producties H tot en met O;\n\n- de akte van 6 november 2025 van Novacura c.s. met producties 15 tot en met 28;\n\n- de aanvullende producties P tot en met T van VGZ;\n\n- de aanvullende productie 29 en 30 van Novacura c.s.;\n\n- de aanvullende producties 31 tot en met 33 van Novacura c.s.;\n\n- de door partijen ter zitting van 23 februari 2026 overgelegde en voorgedragen pleitnotities.\n\n1.2.. \n\nOp 14 augustus 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnota’s en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.\n\nDe zaak is vervolgens aangehouden om VGZ in de gelegenheid te stellen bij akte over te leggen: alle onderliggende stukken die zijn gebruikt voor het opstellen van de door VGZ ter zitting van 14 augustus 2025 overgelegde excellsheet, alsmede de door Novacura ter zake ingediende onderliggende declaraties. En in die akte , zoveel mogelijk aan de hand van onderliggende stukken, een nadere onderbouwing te geven van de in haar brief van 24 oktober 2023 opgesomde “verklaringen van verzekerden” met de nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] . Daarbij is bepaald dat deze onderbouwing dient te zijn voorzien van een toelichting die het voor Novacura c.s. mogelijk maakt erop te reageren, waarop Novacura c.s. dan kon reageren. De zaak is voortgezet op de mondelinge behandeling van 23 februari 2026. Partijen hebben wederom pleitnota’s voorgedragen en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft tijdens de zitting aantekeningen gemaakt.\n\n1.3.. De datum van beschikking is uiteindelijk bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Novacura is zorgaanbieder; [verzoekster] is bestuurder van Novacura via haar holding Novacura Holding B.V.\n\n2.2.. VGZ is zorgverzekeraar. Zij vergoedt vanuit de basisverzekering thuiszorg en thuisverpleging op grond van de Zorgverzekeringswet.\n\n2.3.. VGZ en Novacura hebben met elkaar zorgovereenkomsten Wijkverpleging gesloten voor de periode 2020-2022. Op deze zorgovereenkomsten zijn de Algemene Voorwaarden Zorginkoop VGZ 2020-2021 respectievelijk 2022-2023 van toepassing verklaard.\n\n2.4.. Bij brief van 21 juni 2022 heeft VGZ Novacura c.s. ervan op de hoogte gebracht dat zij een onderzoek naar vermeende fraude heeft ingesteld met betrekking tot de declaraties van Novacura en is verzocht om uiterlijk 7 juli 2022 gegevens aan te leveren. In de brief staat verder onder meer:\n\n“Aanleiding\n\nAanleiding voor het instellen van dit onderzoek zijn een aantal meldingen die VGZ ontvangen heeft inzake het declareren van niet- of onterecht geleverde zorg.\n\nDoel\n\nHet doel van dit onderzoek is het vaststellen of de gedeclareerde behandelingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Wij richten ons in dit onderzoek in beginsel op de gedeclareerde persoonlijke verzorging en verpleging in de periode 2020 tot en met 2022.\n\nWij behouden ons het recht voor om, mochten de onderzoeksbevindingen daar aanleiding toe geven, het onderzoek uit te breiden.\n\nWat vragen wij van u?\n\nOm te beoordelen of de gedeclareerde zorg in de periode 2020 tot en met 2022 daadwerkelijk is geleverd en het zorg betreft waarvoor aanspraak bestaat in het kader van de Zorgverzekeringswet, hebben wij de volgende gegevens nodig:\n\nMet betrekking tot de verzekerden zoals vermeld inbijlage 1[betreft 10 verzekerden, toevoeging rechtbank]\n\n• Alle indicaties die de wijkverpleegkundige voor deze verzekerden heeft gesteld;\n\n• De zorgplannen die Nova Cura Zorggroep B.V. voor deze verzekerden heeft opgesteld;\n\n• De urenspecificaties waaruit blijkt op welke dagen er zorg Is verleend, welke zorgsoort, met vermelding van de begin- en eindtijd en de naam van de zorgverlener;\n\n• De dag rapportage waaruit blijkt waar de zorg uit heeft bestaan;\n\n• De diploma’s van de indicerend wijkverpleegkundige én de zorgverleners die de zorg hebben geleverd.\n\nGrondslag\n\nWij verzoeken u om de hiervoor vermelde gegevens naar ons toe te sturen. Wij wijzen u erop dat Nova Cura Zorggroep B.V. op grond van artikel 87 van de Zorgverzekeringswet en artikel 7.4 van de Regeling zorgverzekering verplicht is om de gevraagde gegevens bij ons aan te leveren.(…).”2.5.. Novacura heeft daarop op 15 juli 2022 gegevens aangeleverd bij VGZ.2.6.. Bij brief van 14 augustus 2023 heeft VGZ Novacura c.s. op de hoogte gesteld van haar voorlopige bevindingen inzake het fraudeonderzoek. In de brief staat, voor zover hier relevant, als volgt:\n\n“VGZ heeft u met de brief van 21 juni 2022 geïnformeerd over het onderzoek als bedoeld in artikel7.10. \n\nvan de Regeling Zorgverzekering dat wij gestart zijn naar de declaraties van Nova Cura Zorggroep B.V.\n\n (…)\n\nOp 15 juli 2022 ontvingen wij de gevraagde gegevens van u. Na analyse van deze documenten hebben wij u uitgenodigd voor een informatief gesprek op ons kantoor in Arnhem. Op 12 april 2023 heeft het gesprek plaatsgevonden met u en de heer [naam 1] .\n\nGesprek van 12 april 2023\n\nIn het gesprek hebt u - voor zover hier ter zake relevant - het volgende aangegeven:\n\nU bent de eigenaar van het bedrijf Nova Cura Zorggroep B.V. Uw echtgenoot is de heer [naam 1] . U gaat over de zorg en uw echtgenoot werkt als manager bij Nova Cura Zorggroep B.V en verzorgt de administratie en de facturatie. Daarnaast bent u eigenaar van het bedrijf Happy Care Thuiszorg. Dit bedrijf verzorgt (nu) uitsluitend indicatiestellingen voor de aanspraak wijkverpleging. De zorg wordt geleverd door Nova Cura Zorggroep B.V. Uw bedrijf werkt vooral met zzp'ers die de zorg aan uw cliënten leveren.(…) De heer [naam 1] gaf aan dat u werkt vanuit het beginsel ‘planning is realisatie’, tenzij er sprake is van bijzonderheden.(…).\n\nContacten met externen\n\nTijdens het gesprek op 12 april 2023 heeft u ook verklaard dat u controleur Fraudebeheersing bent voor Zilveren Kruis. Daarnaast heeft u aangegeven dat u sparringpartner bent bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en in een pilot zit met de Nederlandse Zorg Autoriteit (NZa), de IGJ (en SKG).\n\n(…).\n\nAnalyse ontvangen documenten\n\nWij hebben een steekproef genomen van een aantal verzekerden ( [verzekerde 1] ,[verzekerde 2] , [verzekerde 3] ,[verzekerde 4] en[verzekerde 5] ). Hierbij hebben we de indicatiestellingen, urenregistraties en de dag-rapportages beoordeeld. Uit de analyse blijkt dat de urenregistraties (vrijwel) overeenkomen met de in de\n\nindicatiestellingen geïndiceerde uren. Uit de analyse komt naar voren dat de urenregistraties niet overeenkomen met de dag-rapportages. Niet op alle dagen waarop volgens de urenregistratie gewerkt is zijn deze dagen ook in de dagrapportages ingevuld. Naast het niet gevuld zijn van bepaalde dagen valt op dat, in die gevallen waarin er sprake is van meerdere zorgmomenten per dag, deze in de dag rapportages (ook) niet ingevuld zijn. Deze constatering geldt voor alle onderzochte verzekerden. De steekproef laat zien dat ruim 40%, van de volgens de\n\nurenregistraties geleverde zorg, niet genoteerd is in de dag-rapportages. Als er sprake is van een dubbel zorgmoment op een dag is dit in ruim 90% van de gevallen niet genoteerd in de dag-rapportages. (…).“\n\n2.7.. Bij brief van 24 oktober 2023 heeft VGZ aan Novacura c.s. de uitkomst van haar onderzoek meegedeeld. In de brief staat, voor zover hier van belang, het volgende:\n\n“Op 14 augustus 2023 hebben wij u geïnformeerd over de voorlopige bevindingen naar aanleiding van ons onderzoek, als bedoeld in artikel 7.10 van de Regeling Zorgverzekering, naar de declaraties die door Novacura Zorggroep B.V. (hierna: Novacura) over de jaren 2020, 2021 en 2022 bij VGZ1 zijn ingediend. Wij hebben u de mogelijkheid gegeven om (…) te reageren op onze voorlopige bevindingen, maar daarvan heeft u geen gebruik gemaakt.(…)\n\nOnderzoek\n\nHet doel van ons onderzoek is om vast te stellen of de declaraties voor verpleging en verzorging die Novacura (namens verzekerden) heeft ingediend, rechtmatig zijn. Dit betekent een controle conform de geldende wet- en regelgeving is gedeclareerd. Daarnaast wilden wij vaststellen of de gedeclareerde zorg daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.\n\n(…)\n\nVerklaringen van verzekerden\n\n• Verzekerde met klantnummer [nummer 1] heeft bij VGZ een klacht c.q. fraudemelding ingediend met betrekking tot het indienen van declaraties door Novacura voor zorg die volgens de verzekerde niet geleverd is. Volgens verzekerde had hij die zorg ook niet nodig.\n\n• Verzekerde met klantnummer [nummer 2] heeft telefonisch contact met ons opgenomen en aangegeven dat zij vanaf 1 april 2020 geen zorg van Novacura meer heeft ontvangen. Door Novacura is echter voor de periode 1 april tot en met 31 mei 2020 € 1.484,- aan zorg ten behoeve van voornoemde verzekerde gedeclareerd.\n\n• Verzekerde met klantnummer [nummer 3] heeft verklaard dat, naast het leveren van persoonlijke verzorging, door medewerkers van Novacura ook eten werd klaargemaakt en af en toe werd opgeruimd. Huishoudelijke hulp en het bereiden van maaltijden mogen echter niet worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet (wijkverpleging).\n\n• Verzekerde met klantnummer [nummer 4] heeft verklaard dat, naast het leveren van persoonlijke verzorging door NovaCura, de verzorgende van Novacura haar ook heeft begeleid naar de huisarts en het ziekenhuis. Dit komt eveneens niet voor vergoeding in aanmerking vanuit de Zorgverzekeringswet.\n\n• Verzekerde met klantnummer [nummer 5] heeft verklaard dat de zorg, naast hulp bij het innemen van medicatie en af en toe hulp bij het douchen, voornamelijk bestond uit het schoonmaken van haar huis. Zoals eerder vermeld mag huishoudelijke hulp niet worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet.\n\nBevindingen\n\nVoor wat betreft onze bevindingen verwijzen wij u naar hetgeen wij hebben vermeld in onze brief van 14 augustus 2023. U heeft niet gereageerd op die voorlopige bevindingen. Onze definitieve bevindingen worden daarom conform de voorlopige bevindingen vastgesteld.\n\nDe resultaten van de door ons uitgevoerde steekproef extrapoleren wij naar de totale populatie van VGZ verzekerden die Novacura in zorg heeft gehad in de jaren 2020, 2021 en 2022. Dit betekent dat ruim 40% van de declaraties niet voldoet aan de daarvoor gestelde eisen.\n\nMisleiding\n\nTijdens het gesprek op 12 april 2023 heeft u onder meer verklaard dat u controleur Fraudebeheersing bent voor Zilveren Kruis. Daarnaast heeft u aangegeven dat u sparringpartner bent bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en in een pilot zit met de Nederlandse Zorg Autoriteit (NZa), de IGJ (en SKG).\n\n(…)\n\nWij hebben zelf navraag gedaan bij Zilveren Kruis en de IGJ om te verifiëren of uw verklaringen kloppen. Zij hebben aangegeven niet met u samen te werken. Wij beschouwen het als misleidend dat u bepaalde verklaringen heeft afgelegd waarmee u kennelijk een positief beeld heeft willen scheppen over u als persoon en uw persoonlijke waarden en normen.\n\nConclusie\n\nGelet op de bevindingen zoals vermeld in de brief van 14 augustus 2023, de hierboven genoemd verklaringen van verzekerden en het feit dat u ons heeft willen misleiden door het afleggen van valse verklaringen inzake de door u voorgestelde rollen bij Zilveren Kruis en de IGJ, stellen wij ons op het standpunt dat Novacura meer zorg heeft gedeclareerd dan er daadwerkelijk is verleend aan verzekerden. Daarnaast heeft Novacura zorg in rekening gebracht die niet vergoed mag worden vanuit de Zorgverzekeringswet. Wij stellen vast dat er sprake is van (zorg)fraude.\n\n(…)\n\nHet voorgaande levert een overtreding op van artikel 35 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg). Daarnaast is er sprake is van een overtreding van artikel 36 Wmg aangezien Novacura geen administratie heeft gevoerd die juist, volledig en derhalve controleerbaar is.\n\nWij merken op dat het van groot belang is dat zorgaanbieders correct declareren en een volledige en juiste administratie voeren; zonder een deugdelijke administratie is het niet te controleren of zorggeld rechtmatig is besteed. Een onvolledige administratie werkt misbruik van zorggelden in de hand. U bent als (indirect) bestuurder van een professionele zorgorganisatie verantwoordelijk voor het voeren van een juiste administratie.\n\n(Bestuurders)aansprakelijkheid\n\nVolgens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel was u tijdens de gehele onderzoeksperiode de indirect bestuurder van Novacura. De administratie van uw onderneming is jarenlang verwaarloosd en uw onderneming heeft jarenlang valse declaraties ingediend bij VGZ. Daarmee heeft uw organisatie onrechtmatig gehandeld jegens VGZ. Uw handelen en nalaten als bestuurder is zodanig onzorgvuldig dat aan u persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onrechtmatig handelen van uw organisatie. Om die reden houden wij zowel Novacura als u persoonlijk aansprakelijk voor de geleden schade.\n\nMaatregelen\n\nBij fraude wordt overgegaan tot het opleggen van maatregelen. De gevolgen van de door ons geconstateerde fraude zijn voor Novacura en u persoonlijk als volgt.\n\nVerwerking persoonsgegevens in incidentenregister\n\nWij verwerken de (persoons)gegevens van Novacura en u in overeenstemming met het Protocol incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI).\n\n(…)\n\nDe afdeling Veiligheidszaken maakt voor het vastleggen en verwerken van (persoons)gegevens gebruik van een incidentenregister. Het incidentenregister ondersteunt activiteiten om de veiligheid en integriteit van ons bedrijf te waarborgen. De maximum bewaartermijn voor (persoons)gegevens in dit register is acht jaar. Omdat Novacura en u betrokken zijn bij het onrechtmatig handelen jegens VGZ, nemen wij uw persoons)gegevens op in ons incidenten register tot 21 juni 2030.\n\n(…)\n\nVerwerking persoonsgegevensinhet Extern Verwijzingsregister (EVR)\n\nWij hebben de (persoons)gegevens van Novacura en u opgenomen in het Extern Verwijzingsregister (EVR) tot 21 juni 2027.\n\nFinanciële instellingen in Nederland kunnen, volgens de regels van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen, toetsen of u in dit register voorkomt. Dit register wordt door financiële instellingen gebruikt om de integriteit van klanten en relaties te beoordelen. Degene die toetst of uw gegevens voorkomen in dit register is verplicht om bij ons navraag te doen over de reden van uw registratie.\n\n(…)\n\nMelding door ZN aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)\n\nZoals hierboven vermeld, hebben wij uw (persoons)gegevens opgenomen in ons incidentenregister. Omdat we hebben vastgesteld dat er sprake is van misleiding\u002Fbedrog, kenmerkend voor fraude, melden we het desbetreffende dossier bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Het is algemeen beleid, gebaseerd op vigerende wetgeving, dat we fraude melden aan de NZa. De NZa registreert de melding en gebruikt de informatie voor het coördineren van bestuursrechtelijke onderzoeken en om inzicht te krijgen in de aard en omvang van fraude in de zorg.\n\n(…)\n\nVordering declaraties\n\nWij hebben in totaal € 212.450,- aan Novacura vergoed naar aanleiding van de ingediende declaraties. Wij stellen ons op het standpunt dat ruim 40% van de declaraties niet voldoet aan de daarvoor gestelde eisen en frauduleus is. Om die reden vorderen wij een bedrag van € 84.980,-- (40% van € 212.450,-) bij Novacura en u terug.\n\n(…).”\n\n2.8.. VGZ heeft vervolgens Novacura en [verzoekster] opgenomen in het incidentenregister (hierna: IR) tot 21 juni 2030, en in het Extern Verwijzingsregister (hierna: EVR) tot 21 juni 2027. Daarnaast heeft VGZ een melding gedaan bij de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: NZa).\n\n2.9.. Bij brief van 17 oktober 2024 heeft Novacura c.s. betwist dat sprake is van fraude en aan VGZ verzocht de registraties ongedaan te maken.\n\n2.10.. Op 2 december 2024 heeft VGZ bericht de registraties te handhaven.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n\nNovacura c.s. verzoekt de rechtbank, bij beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\n-VGZ te bevelen om binnen zeven dagen na datum van deze beschikking de registraties van de (persoons) gegevens van Novacura c.s., althans van [verzoekster] , in het IR en het EVR ongedaan te maken, en ook de melding van fraude bij de Nederlandse Zorgautoriteit ongedaan te maken, op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag met een maximum van € 100.000;\n\n- VGZ te veroordelen in de kosten van het geding.\n\n3.2.. \n\nAan het verzoek heeft Novacura c.s. het volgende ten grondslag gelegd. Er is sprake van onrechtmatige verwerking van de persoonsgegevens van Novacura c.s. in het EVR en het IR omdat VGZ hen ten onrechte beticht van fraude. Uit artikel 6 lid 1 onder f Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) vloeit voort dat een registratie enkel is toegestaan indien de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde. Daaraan is hier niet voldaan. Ook is niet voldaan aan de eisen neergelegd in artikel 5.2.1. van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen (Protocol).\n\nEr is geen sprake van ten onrechte gedeclareerde zorg. Novacura heeft aan haar administratieve verlichtingen voldaan. De declaraties zijn conform het systeem 'zorgplan= planning = realisatie, tenzij'. Uit het zorgplan volgt welke verzekerde, welke prestatie heeft ontvangen en uit de urenlijsten volgt wanneer deze is verricht. Verder hebben de verzekerden de urenstaten ondertekend, waaruit volgt dat de zorg is geleverd. Dagrapportages zijn ingevuld met een ander doel dan vastleggen van de geleverde zorg, zodat op basis daarvan niet kan worden vastgesteld welke zorg en wel of niet is geleverd.\n\nDe verklaringen van drie van de vijf verzekerden waarop VGZ zich beroept, hebben geen betrekking op de onderzoeksperiode 2020-2022, zodat zij ten onrechte bij de beslissing om tot registratie over te gaan zijn betrokken. Uit de overige verklaringen waarop VGZ zich beroept, kan niet geconcludeerd worden dat Novacura niet verleende zorg heeft gedeclareerd of werkzaamheden heeft uitgevoerd en gedeclareerd die niet voor vergoeding op grond van de Zorgverzekeringswet in aanmerking komen.\n\nTot slot houden de uitlatingen van [verzoekster] in het gesprek van 12 april 2023 geen verband met de zorg die al dan niet geleverd zou zijn door Novacura.\n\nAan de vereisten die voortvloeien uit artikel 5.2.1. van het Protocol is niet voldaan. De voorwaarden onder a) en b) betekenen dat sprake moet zijn van voldoende concrete feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een als strafbaar feit te kwalificeren gedraging. Aan die voorwaarden is niet voldaan. De registraties zijn daarom onrechtmatig.\n\n3.3.. VGZ verzet zich tegen toewijzing van het verzoek.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In geschil is of VGZ de gegevens van Novacura en [verzoekster] in het IR en EVR moet verwijderen. In het verlengde daarvan is in geschil of VGZ de melding aan de Nederlandse Zorgautoriteit ongedaan moet maken.\n\nToetsingskader\n\n4.2.. Op grond van artikel 17 lid 1 onder d) van de AVG heeft de betrokkene onder meer recht op wissing van hem\u002Fhaar betreffende persoonsgegevens indien de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt.\n\n4.3.. Artikel 6 lid 1 aanhef en onder f van de AVG bepaalt dat de verwerking rechtmatig is indien en voor zover deze noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen. Daarbij geldt dat moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit betekent dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkenen niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel) en dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel).\n\n4.4.. Bij de beoordeling van registraties in het IR en EVR is ook het door de Autoriteit Persoonsgegevens goedgekeurde Protocol van belang. Hierin staat in welke gevallen gegevens mogen worden opgenomen en opgenomen mogen blijven. Het is vaste rechtspraak dat als aan de eisen van het Protocol wordt voldaan de verwerking van persoonsgegevens in beginsel rechtmatig is op grond van artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG. Het Protocol dient daarom tot uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of opname van de persoonsgegevens van [verzoekster] in de registers gerechtvaardigd is.\n\n4.5.. \n\nVoor vastlegging van gegevens in het IR is op grond van artikel 3.1.1 Protocol vereist dat sprake is van een ‘incident’, in artikel 2 Protocol omschreven als:\n\n‘een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding'.\n\nOp grond van artikel 3.1.1 Protocol is verder vereist dat de registratie geschiedt ten behoeve van het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel: het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector.\n\n4.6.. Voor opname van gegevens in het EVR moet op grond van artikel 5.2.1 van het Protocol aan de volgende criteria zijn voldaan:\n\na. a) de gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en\u002Fof medewerkers van een Financiële Instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële Instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en\u002Fof de integriteit van de financiële sector;\n\nb) in voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachte wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar;\n\nc) het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen.\n\n4.7.. Ook op grond van het Protocol moet een belangenafweging worden gemaakt, waarbij alle bekende feiten en omstandigheden moeten worden betrokken. Bij elke verwerking van persoonsgegevensregistratie moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.\n\n4.8.. Verder geldt voor rechtmatige verwerking van strafrechtelijke gegevens in het IR en het EVR dat de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld moeten opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan (zie HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720, r.o. 4.4). Een veroordeling door de strafrechter is niet vereist, maar de enkele verdenking van betrokkenheid bij een strafbaar feit in de zin van een vermoeden van schuld is niet voldoende. Er moet sprake zijn van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van art. 350 Wetboek van Strafvordering (Sv) kunnen dragen.\n\n4.9.. Uitgangspunt is verder dat het aan de financiële instelling is te onderbouwen en te concretiseren waarom zij tot registratie is overgegaan\n\nToetsing\n\n4.10.. VGZ heeft aan de registraties van Novacura c.s. ten grondslag gelegd dat sprake is van fraude. Aan de registraties van [verzoekster] heeft VGZ bovendien ten grondslag gelegd dat sprake is van fraude, waarvan haar als middellijk bestuurder van Novacura persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Volgens VGZ is de administratie van Nocacura jarenlang verwaarloosd en heeft Novacura jarenlang valse declaraties ingediend bij VGZ. VGZ stelt dat het handelen en nalaten van [verzoekster] als bestuurder zodanig onzorgvuldig is dat haar persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onrechtmatig handelen van Novacura.\n\n4.11.. \n\nVGZ legt aan haar standpunt dat sprake is van fraude verschillende verwijten ten grondslag. In haar brief van 24 oktober 2023 stelt VGZ dat door Novacura meer zorg is gedeclareerd dan daadwerkelijk is verleend aan verzekerden. Dit baseert VGZ op 1) de bevindingen in haar brief van 14 augustus 2023, te weten dat uit een analyse van vijf verzekerden blijkt dat de urenregistraties (vrijwel) overeenkomen met de in de indicatiestellingen geïndiceerde uren, maar niet met de dag-rapportages, welke steekproef volgens VGZ laat zien dat ruim 40% van de volgens de urenregistraties geleverde zorg, niet is genoteerd in de dagrapportage, en zelfs 90% als sprake is van een dubbel zorgmoment op een dag; 2) verklaringen van de verzekerden [verzekerde 6] en [verzekerde 7] en 3) misleiding door [verzoekster] tijdens het gesprek van 12 april 2013 over gestelde nevenactiviteiten in de branche. Daarnaast heeft Novacura volgens de brief zorg gedeclareerd die niet vergoed mag worden vanuit de Zorgverzekeringswet, wat zij baseert op verklaringen van verzekerden [verzekerde 8] , [verzekerde 9] en [verzekerde 10] .\n\nDe rechtbank zal hieronder bij haar beoordeling van de gronden voor registratie deze volgorde aanhouden.\n\nIs er meer zorg gedeclareerd dan is verleend?\n\n1) De bevindingen in de brief van VGZ van 14 augustus 2023\n\n4.12.. In genoemde brief, zoals hierboven weergegeven onder 2.6, staat, samengevat en voor zover hier relevant, dat bij aan aantal verzekerden een steekproef is uitgevoerd waarbij indicatietellingen, urenregistraties en dagrapportages zijn beoordeeld. Uit de analyse daarvan is gebleken dat de urenregistraties (vrijwel) overeenkomen met de in de indicatiestellingen geïndiceerde uren, maar dat deze niet overeenkomen met de dagrapportages omdat niet op alle dagen waarop volgens de urenregistratie gewerkt is, deze dagen ook zijn ingevuld in de dagrapportages. Volgens VGZ kan zij door de ontbrekende reportages niet vaststellen dat de gedeclareerde zorg is geleverd en voldoet de administratie van Novacura daarom niet aan de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg, artikel 36 lid 1), de Regeling verpleging en verzorging (artikel 4.1 en 4.2), en de tussen partijen gesloten zorgovereenkomsten.\n\n4.13.. Novacura c.s. stelt zich op het standpunt dat de administratie van Novacura wel voldoet aan de eisen gesteld in de Wmg, de Regeling verpleging en verzorging en de zorgovereenkomsten. Novacura declareert volgens de methode 'zorgplan= planning = realisatie, tenzij-', waarbij VGZ aan de hand van de in de administratie van Novacura aanwezige gegevens (indicatiestelling, zorgplan, planning en ondertekende urenstaten) kan vaststellen dat de gedeclareerde zorg is geleverd.\n\n4.14.. Artikel 36 lid l Wmg bepaalt, voor zover relevant, als volgt: “Zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars voeren een administratie waaruit in ieder geval de overeengekomen en geleverde prestaties blijken, alsmede wanneer die prestaties zijn geleverd, aan welke patiënt onderscheidenlijk aan welke verzekerde die prestaties door een zorgaanbieder zijn geleverd, de daarvoor in rekening gebrachte tarieven en de in verband daarmee ontvangen of verrichte betalingen of vergoedingen aan derden.”\n\n4.15.. De administratieve verplichtingen van artikel 36 lid 1 Wmg zijn door de NZa nader uitgewerkt in de Regeling verpleging en verzorging, die voorschriften bevat over de registratie en declaratie van verpleging en verzorging. In de periode waarop de bevindingen van VGZ betrekking hebben (2020-2022) luidde artikel 4 van deze regeling, voor zover relevant, als volgt:\n\n“1. De registratie van de prestaties en tarieven in de administratie van de zorgaanbieder is yolledig, juist en actueel. Aan zorgaanbieders die registreren en declareren volgens het principe van'zorgplan = planning = realisatie, tenzij' kan voor deze verplichting worden aangesloten bij de (gecorrigeerde) planning. Tijdregistratie per cliënt tijdens de zorgverlening is in dat geval niet noodzakelijk.In het kader van onderlinge dienstverlening is de opdrachtgevende zorgaanbieder er voor verantwoordelijk dat de uitvoerende zorgaanbieder beschikt over een volledige, juiste en actuele administratie met betrekking tot de zorg die door de uitvoerende zorgaanbieder is geleverd. Dit laat onverlet dat de uitvoerende zorgaanbieder hier ook zelf verantwoordelijk voor is. Op verzoek van de opdrachtgevende zorgaanbieder, de NZa en\u002Fof de zorgverzekeraar zal de uitvoerende zorgaanbieder de administratie met betrekking tot de geleverde zorg te allen tijde inzichtelijk kunnen maken.”\n\n2. De administratieve organisatie dient zodanig ingericht te zijn dat een audit-trail mogelijk is.\n\n(…)\n\n4. De geleverde zorg moet navolgbaar zijn. Het verpleegkundig proces, het methodisch werken (anamnese, diagnose, planning, uitvoering en evaluatie) en de bijbehorende verslaglegging moet goed verankerd zijn binnen de organisatie. Dit betekent dat de geleverde zorg die valt onder directe contacttijd dan wel verplaatste directe contacttijd navolgbaar verantwoord wordt in het zorgplan, de planning en\u002Fof de voortgangsrapportage.\n\nAan zorgaanbieders die registreren en declareren volgens het principe van ‘zorgplan = planning = realisatie, tenzij’ wordt geen verantwoording gevraagd in het zorgplan, de voortgangsrapportage of op welke wijze dan ook, met feitelijk geleverde minuteninzet, buiten de (gecorrigeerde) planning.”\n\nIn artikel 1 ‘begripsbepalingen’ van deze regeling is ‘Audit-trail’ gedefinieerd als:\n\n“Zodanige vastlegging van gegevens dat het spoor van basisgegeven naar eindgegeven en omgekeerd achteraf door een externe accountant of, afhankelijk van de aard van de gegevens, door de NZa en de zorgverzekeraar kan worden gevolgd en gecontroleerd.”\n\n4.16.. In de zorgovereenkomsten is opgenomen dat wordt gedeclareerd volgens het bepaalde in de Handreiking registratiewijze 'zorgplan= planning = realisatie, tenzij’. In dit systeem vormt het zorgplan de basis voor de te verlenen zorg. In het zorgplan staat onder meer informatie over de aard, omvang (hoeveel tijd die nodig is om de betreffende zorg te leveren), duur (hoe lang, gedurende welke periode de zorg nodig is) en doelen van de zorg. Vervolgens wordt aan de hand van de tijdsindicatie gebaseerd op het zorgplan een planning gemaakt, die de basis vormt voor de declaratie van cliëntgebonden zorg. Uitgangspunt van dit systeem is dat er een logische samenhang moet zijn tussen het zorgplan, de planning en de realisatie. Een exacte overeenstemming is echter niet nodig. Het is mogelijk om tijdelijk meer of minder tijd in te plannen dan in het zorgplan staat. Ook kan de realisatie mee- of tegenvallen ten opzichte van de planning en het zorgplan. De declaratie volgt in dat geval de gecorrigeerde planning.\n\n4.17.. \n\nIn de brief 14 augustus 2023 staat dat VGZ heeft geconstateerd dat de urenregistraties van Novacura (vrijwel) overeenkomen met de in de indicatiestellingen geïndiceerde uren. Dit impliceert dat het zorgplan (dat ten grondslag ligt aan de indicatiestelling) en de daarop gebaseerde planning (urenregistraties) op elkaar aansluiten. Nu niet in geschil is dat de declaraties van Novacura aansluiten op de urenstaten (planning), voldoet Novacura aan de methode 'zorgplan= planning = realisatie’ als opgenomen in artikel 4 lid 1 Regeling verpleging en verzorging. Verantwoording op basis van feitelijk geleverde minuteninzet, buiten de (gecorrigeerde) planning, is niet vereist: “Er wordt geen verantwoording gevraagd in het zorgplan, de voortgangsrapportage of op welke wijze dan ook, met feitelijk geleverde minuteninzet, buiten de (gecorrigeerde)planning.”\n\nUit de discrepantie tussen zorgrapportages en urenstaten kan, anders dan VGZ stelt, niet worden geconcludeerd dat sprake is van niet verleende zorg (die wel is gedeclareerd). Deze discrepantie kan immers worden verklaard doordat, naar [verzoekster] onweersproken heeft gesteld, zorgreportages worden gemaakt om de overdracht van zorg van de ene zorgverlener van Novacura naar de andere zorgverlener soepel te laten verlopen, en niet ter onderbouwing van de gewerkte tijd waarvoor zij gebruik maakt van urenstaten.\n\n4.18.. Dat, zoals VGZ aanvoert, zij door incomplete of ontbrekende dagrapportages geen audit-trail zou kunnen uitvoeren volgt de rechtbank niet. Aan de hand van het door de verzekerde ondertekende zorgplan en de indicatie, in combinatie met de door de verzekerde ondertekende urenspecificaties ((gecorrigeerde) planning), is immers duidelijk wie, wanneer, welke zorgwerkzaamheden heeft verricht, en het tarief is VGZ bekend op grond van de gesloten zorgovereenkomsten. VGZ heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom voldoende mogelijkheden om een ‘audit-trail’ uit te voeren als bedoeld in artikel 4 lid 2 Regeling verpleging en verzorging. Het beroep van VGZ op het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:3240) gaat niet op. Anders dan in die zaak, zijn in de onderhavige zaak naast zorgplannen ook door de verzekerden ondertekende urenstaten aanwezig.\n\n4.19.. Voor zover VGZ aanvoert dat er kan worden getwijfeld aan de juistheid van (enkele) urenspecificaties omdat de handtekening van één van de verzekerden onder die urenstaten volgens haar telkens hetzelfde is en een spelfout bevat, had het op de weg van VGZ gelegen dit nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door verklaringen van betreffende verzekerde over te leggen waaruit blijkt dat deze de handtekeningen niet heeft gezet. Dit heeft VGZ echter nagelaten. De rechtbank kan niet op basis van het enkele vermoeden van VGZ vaststellen dat de handtekening niet door de betreffende verzekerde is gezet, temeer niet nu, zoals [verzoekster] ter zitting heeft verklaard, verzekerden ook via een app digitaal konden ondertekenen, wat verklaart dat er bij sommige cliënten steeds dezelfde handtekening onder de urenstaten staat.\n\n4.20.. De (tussen)conclusie op grond van het vorenstaande is dat de bevindingen van VGZ ten aanzien van de administratie van Novacura niet maken dat in voldoende mate vaststaat dat sprake is van fraude (valsheid in geschrift\u002Foplichting) in die zin dat er uren zijn gedeclareerd voor niet geleverde zorg.\n\n2) De verklaringen van verzekerden\n\n4.21.. \n\nIn de brief van 24 oktober 2023 beroept VGZ zich daarnaast op verklaringen van een vijftal verzekerden waaruit volgens haar volgt dat Novacura heeft gedeclareerd voor niet verleende zorg respectievelijk heeft gedeclareerd voor zorg die niet wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet. Hoewel VGZ in al haar correspondentie met Novacura c.s. heeft vermeld dat haar onderzoek zich richt op de door Novacura gedeclareerde zorg in de periode 2020 tot en met 2022, zal de rechtbank ook de verklaringen bespreken die zien op het jaar 2019, omdat VGZ deze in haar brief van uiteindelijk ook aan de registraties ten grondslag heeft gelegd. De reden hiervoor is dat de rechtbank alleen op deze manier het geschil tussen partijen kan beslechten, en het onbeoordeeld laten van verklaringen die zien op in 2019 verleende zorg hoogstwaarschijnlijk tot een nieuwe procedure zal leiden.\n\nHieronder zullen eerst de verklaringen van [verzekerde 6] en [verzekerde 7] worden besproken die zien op niet verleende zorg. De verklaringen van [verzekerde 8] , [verzekerde 9] en [verzekerde 10] hebben daarop geen betrekking en zullen pas verderop worden besproken in het kader van zorg die niet wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet.\n\n [verzekerde 6] (klantnummer [nummer 1] )4.22.. \n [verzekerde 6] heeft volgens VGZ een klacht c.q. fraudemelding ingediend met betrekking tot het indienen van declaraties door Novacura voor zorg die niet geleverd is, en die hij volgens eigen zeggen ook niet nodig had.\n\n4.23.. In de overgelegde verklaring van [verzekerde 6] van 6 november 2020 staat, voor zover hier relevant, dat hij in de periode december 2018 tot en met december 2019 zorg heeft ontvangen van [bedrijf] , dat hij volgens de indicatie recht heeft op vijf zorgmomenten per dag, en dat de daadwerkelijk aan hem verleende zorg niet overeenstemde met de indicatie. Zo kreeg hij op maandag en vrijdag maar vier zorgmomenten en op de overige dagen vaak maar twee zorgmomenten. Daarnaast verklaart [verzekerde 6] dat hij zelf insuline injecteert maar dat in het zorgdossier staat dat dit door een medewerker wordt gedaan.\n\n4.24.. \n\nTer zitting is naar voren gekomen dat Novacura in de periode februari tot en met juni 2019 zorg heeft verleend aan [verzekerde 6] . Uit de door Novacura overgelegde urenstaten blijkt dat in de periode van 18 tot en met 21 februari 2019 en van 24 tot en met 26 februari 2019 zorg is verleend door [naam 2] , handelende onder de naam [bedrijf] , in totaal 5,6 uur.\n\nDe rechtbank kan op grond van de verklaring van [verzekerde 6] niet vaststellen dat minder zorg is verleend dan op grond van de indicatie zou hebben gemoeten, maar dat Novacura daar wel voor heeft gedeclareerd. Het door [verzoekster] overgelegde en door [verzekerde 6] ondertekende zorgplan gaat uit van minder dan vijf zorgmomenten per dag, te weten vier zorgmomenten op maandag en drie zorgmomenten op de overige dagen. Daarnaast heeft [verzoekster] van urenstaten overgelegd van de bij [verzekerde 6] gewerkte tijd in de periode februari tot en met juni 2019, die door [verzekerde 6] zijn ondertekend. Het is niet aannemelijk dat [verzekerde 6] deze zou hebben ondertekend als hij de geïndiceerde zorg niet zou hebben ontvangen.\n\n [verzekerde 7] (klantnummer [nummer 2] )\n\n4.25.. \n [verzekerde 7] heeft volgens VGZ verklaard dat zij vanaf 1 april 2020 geen zorg heeft ontvangen. Dit terwijl Novacura wel declaraties heeft ingediend voor de periode 1 april tot en met 31 mei 2020.\n\n4.26.. \n\nVGZ heeft op 13 en 21 juli 2020 telefonisch gesproken met [verzekerde 7] . Daarvan is een opname gemaakt door VGZ, en daarvan zijn vervolgens transcripties gemaakt door zowel VGZ als [verzoekster] .\n\nIn het eerste gesprek verklaart [verzekerde 7] dat zij geen zorg ontvangt van NovaCura. Ook verklaart zij dat vanaf apriler niemand is geweest. Daarna verklaart zij dat sindsmaartniemand kwam. Ook heeft zij verklaard: “En ik weet niet andere Cura of weet ik veel, niet, mevrouw”. En “Mevrouw, die Cura weet ik niet. Ik heb geen flauw idee. Die van de VIP Zorg, die kwam twee keer”. Op de vraag “Bent u zich er bewust van dat er op een gegeven moment iemand anders de zorg is gaan verlenen dan Bureau Vip?” heeft [verzekerde 7] geantwoord: “Nee”. Op de vraag “U bent zich er niet van bewust van [sic] dat er nu een bedrijfje NovaCura is dat de zorg levert?” heeft [verzekerde 7] geantwoord: “Vorig jaar zijn wel geweest dat was andere bedrijf”. Daaronder verklaart zij: “Maart zijn ze niet aanwezig.Ik was in het ziekenhuis.Dan heb ik ze niet meer gezienvanafapril(..).”\n\nIn het tweede gesprek vraagt (de medewerker van) VGZ: “U hebt sinds april sinds u opgenomen geweest bent in het ziekenhuis geen zorg meer van hun [sic] hebt gehad?”\n\nDaarop heeft [verzekerde 7] geantwoord: “ik ben in mei geopereerd. Vanaf april is niemand hier geweest.”\n\n4.27.. \n\nUit de verklaringen blijkt dat [verzekerde 7] telkens wisselend verklaart over de periode dat geen zorg zou zijn verleend en ook niet helder voor ogen heeft welke zorgverlener het betreft. Daarnaast roept ook de omstandigheid dat [verzekerde 7] kennelijk ernstig ziek en psychisch in de war is, vragen op over de betrouwbaarheid van haar verklaringen.\n\nDat [verzekerde 7] in het ziekenhuis is opgenomen, en zo ja, gedurende welke periode, kan de rechtbank op grond van de verklaringen van [verzekerde 7] niet vaststellen. VGZ heeft ook geen gegevens overgelegd over een ziekenhuisopname. De enkele verklaringen van [verzekerde 7] zijn, tegenover de overgelegde en door [verzekerde 7] ondertekende urenstaten en de dagrapportages van Novacura waaruit blijkt dat haar in maart, april en mei 2020 zorg is verleend, onvoldoende voor de conclusie dat deze zorg niet zou zijn verleend, en (dus) ten onrechte is gedeclareerd.\n\n4.28.. Op grond van het vorenstaande staat op basis van de overgelegde verklaringen van [verzekerde 6] en [verzekerde 7] , ook in onderling verband en samenhang bezien, niet in voldoende mate vast dat door Novacura gefactureerde zorg niet is geleverd.\n\n3). Misleiding door [verzoekster]\n\n4.29.. Ten derde heeft VGZ zich beroepen op het gesprek met [verzoekster] van 12 april 2023, waarin [verzoekster] volgens haar misleidende uitspraken heeft gedaan door te verklaren dat zij controleur Fraudebeheersing is voor Zilveren Kruis en door haar vaak wordt ingezet voor second opinions ter zake indicatiestellingen, dat zij een soort sparringpartner is bij de Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd (IGJ) en in een pilot zit met de Nederlandse Zorg Autoriteit, de IGJ en SKG, terwijl navraag bij Zilveren Kruis en IGJ volgens VGZ heeft uitgewezen dat dit onjuist is.\n\n4.30.. Nog los van het feit dat in de overgelegde transcriptie niets staat over een pilot met de NZa, IGJ en SKG, is de rechtbank van oordeel dat de uitspraken die [verzoekster] in 2023 heeft gedaan, wat daar ook van zij, niet kunnen bijdragen aan het bewijs van fraude (valsheid in geschrift\u002Foplichting) als hiervoor genoemd onder 4.10. Die uitspraken zeggen op zichzelf immers niets over de door Novacura verleende zorg of ingediende declaraties.\n\nIs er zorg gedeclareerd die niet vergoed mag worden vanuit de Zorgverzekeringswet?\n\n4.31.. \n\nTer onderbouwing van haar standpunt dat Novacura zorg heeft gedeclareerd die niet voor vergoeding in aanmerking komt op grond van de Zorgverzekeringswet heeft VGZ zich ook nog beroepen op verklaringen van drie van haar verzekerden, te weten [verzekerde 8] , [verzekerde 9] en [verzekerde 10] .\n\n [verzekerde 8] (klantnummer [nummer 3] )\n\n4.32.. Volgens VGZ blijkt uit de verklaring van [verzekerde 8] dat Novacura ook eten heeft klaargemaakt en schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht terwijl deze werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking komen onder de Zorgverzekeringswet.\n\n4.33.. \n\nIn het transcript dat is gemaakt naar aanleiding van het telefoongesprek met [verzekerde 8] (via zijn zoon), staat voor zover hier van belang het volgende:\n\n[zoon:] “Hij weet ook heel weinig. Dat is een probleem. Wat ik nou vraag, dat weet hij over twee uurtjes niet meer.”\n\n(…).\n\n[VGZ:] “Weet mijnheer nog waar hij precies mee werd geholpen? Was dat met aankleden of was dat met het huis opruimen?”\n\n[zoon:] “Papa, waarmee helpen ze je? Met wat helpen ze? Met wat helpen ze op een dag?\n\n[ [verzekerde 8] :] “Douchen, eten koken. Medicijnen klaarzetten.”\n\n[VGZ:] “Helpen ze ook verder met huishouden, om dingen op te ruimen of iets dergelijks?”\n\n[zoon:]: “Ja, ze ruimen wel een beetje op. Aankleden zegt hij ook. Doen ze aankleden. Hij heeft ook twee uurtjes Axxicom. Die komen twee uurtjes per week ook nog een keertje schoonmaken.”\n\n[VGZ:]”Oké, dus dat is weer een ander bedrijf.”\n\n (…)\n\n[zoon:] “Ja, wat ik zei, het eerste bedrijf, dat kwam bijna een jaar, maar die kregen niet betaald door VGZ. Om ik weet niet welke reden. Of dat zeiden ze in ieder geval. Die zijn toen gestopt. En toen zijn ze naar zo'n soort ander bedrijf gegaan, dat was een soort van bemiddelingsbedrijf. Bij hun werd dat dan gedeclareerd en hun betaalden dan de zorgverleners uit of zoiets dergelijks.\n\n(..)\n\nDaarna was er weer een apart bedrijf, weer een ander bedrijf. (...)Ja, het zijn er volgens mij drie geweest.”\n\n(…)\n\n[VGZ:] “Goed, maar dan weet ik in ieder geval dat Nova Cura wel in 2019 een lange tijd zorg heeft verleend en dat het allemaal wel lijkt te kloppen.”\n\n4.34.. \n\n [verzoekster] heeft weliswaar niet ontkend dat het voorkomt dat medewerkers soms uit goede wil na de geïndiceerde tijd 5 á 10 minuten kort helpen met bijvoorbeeld kleren opruimen of koken, maar deze hulp wordt volgens haar niet gedeclareerd.\n\nUit de hierboven weergegeven verklaringen van [verzekerde 8] blijkt niet dat dit wel zo is en dat Novacura in plaats van de geïndiceerde zorg, dan wel daar bovenop, werkzaamheden heeft gedeclareerd die niet onder de Zorgverzekeringswet vallen, zoals koken en opruimwerkzaamheden. Uit de verklaringen blijkt eerder dat er voor Novacura geen (substantiële) taak op dat gebied is weggelegd omdat een ander bedrijf (Axxicom) twee uur per week komt schoonmaken. Verder zijn de urenstaten voor geleverde zorg (periode februari tot en met juli 2019) door [verzekerde 8] ondertekend. VGZ heeft de authenticiteit van de handtekeningen niet betwist, en niet aannemelijk is dat [verzekerde 8] de urenstaten voor akkoord zou hebben ondertekend als de geïndiceerde zorg niet door hem zou zijn ontvangen. De verklaringen van [verzekerde 8] zijn dus onvoldoende om als bewijs als bedoeld in 4.10 te kunnen dienen dat Novacura werkzaamheden heeft gedeclareerd die niet voor vergoeding onder de Zorgverzekeringswet in aanmerking komen.\n\n [verzekerde 9] (klantnummer [nummer 4] )\n\n4.35.. Volgens VGZ blijkt uit de verklaring van [verzekerde 9] dat Novacura haar niet alleen persoonlijke verzorging levert maar haar ook naar het ziekenhuis en de huisarts brengt, terwijl deze werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking komen onder de Zorgverzekeringswet.\n\n4.36.. De transcriptie van het telefoongesprek met [verzekerde 9] vermeldt dat [verzekerde 9] op de vraag van VGZ over de hulp die Novacura aan [verzekerde 9] verleent en of die hulp ook in de coronatijd nog wordt verleend, antwoordt :”Ja, anders kan ik het niet. Mijn armen ... zij helpen met wassen. Mijn voeten doen zeer, mijn knieën, mijn arm. Zij smeren ze in, wrijven ze. (…) Zij laten mij douchen, doen dat en dan gaan zij naar bed. Zij komen 's ochtends en 's avonds. (..) Mijn armen doen pijn. Zij geven mijn medicijnen, regelen ze. Dit moet ik drinken, dat moet ik drinken”. Verderop verklaart [verzekerde 9] : “Ik ben trouwens erg ziek. Ik ga naar het ziekenhuis, naar mijn dokter ... er is iets in mijn maag tevoorschijn gekomen... er is een vlek tevoorschijn gekomen”. Daarop vraagt (de medewerker van) VGZ:“Ja, dus u zegt dat zij u naar het ziekenhuis brengen, naar de dokter brengen. Dus zij zijn vandaag ook gekomen. Sturen zij altijd dezelfde personen, tante, of sturen zij verschillende personen om te helpen?”\n\n4.37.. \n\nUit de verklaring van [verzekerde 9] blijkt dat Novacura haar zorg verleent die onder de Zorgverzekeringswet valt (wassen, insmeren en wrijven van haar armen, douchen, hulp met medicijnen). Dat Novacura ook werkzaamheden verricht en declareert die daarbuiten vallen blijkt daaruit niet. Uit de verklaring van [verzekerde 9] dat zij naar het ziekenhuis gaat, volgt niet dat Novacura haar daarheen brengt - en daarvoor heeft gedeclareerd -. Het is de medewerker van VGZ die deze link legt.\n\nDaarbij zijn ook in dit geval de urenstaten voor geleverde zorg (periode januari tot en met maart 2019) door [verzekerde 9] ondertekend en staat de authenticiteit van haar handtekeningen niet ter discussie. Niet aannemelijk is dat [verzekerde 9] deze zou hebben ondertekend als de geïndiceerde zorg niet zou zijn ontvangen. Ook met deze verklaring heeft VGZ onvoldoende onderbouwd dat Novacura werkzaamheden heeft gedeclareerd die niet voor vergoeding onder de Zorgverzekeringswet in aanmerking komen.\n\n [verzekerde 10] (klantnummer [nummer 5] )\n\n4.38.. Tot slot beroept VGZ zich op de verklaring van [verzekerde 10] waaruit zou blijken dat Novacura haar niet alleen persoonlijke verzorging heeft gegeven, zoals hulp bij douchen en innemen van medicatie, maar ook schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht, die niet voor vergoeding in aanmerking komen onder de Zorgverzekeringswet.\n\n4.39.. \n\nIn de transcriptie van de telefoongesprekken met [verzekerde 10] op 27 en 30 juli 2020, zoals overgelegd door [verzoekster] , staat onder meer het volgende:\n\n[VGZ:] “Waarmee helpen zij als zij komen? Met wat voor soort dingen helpen zij?”\n\n[ [verzekerde 10] :] “Zij verschonen mijn lakens en dat soort dingen. Dat doen zij. Eten, medicijnen, dat soort dingen. Zij tonen de medicijnen, weet je. Zij schrijven die op, zij doen dat. Wat ik moet drinken, wat ik moet doen. Zodat ik geen fout maak, tonen zij die (…)”.\n\n(…)\n\n[VGZ:] “Dank u wel, tante. Moge God tevreden zijn. Hebben zij [Novacura]ooit geholpen met uw persoonlijke verzorging?”\n\n[ [verzekerde 10] :] “Persoonlijk, wat betekent dat ?”\n\n[VGZ:] “Ik bedoel, bijvoorbeeld met douchen, of .. Wat zal ik zeggen? Met het inpakken van uw haar, met alle dingen.”\n\n[ [verzekerde 10] :] “Dat deden zij. Ik heb mijn haar ook geverfd. Een dame hielp met verven en zo.”\n\n[VGZ:] “Okay. Maar... U zei dat zij één uur per week komen. Wat doen zij dan meestal?\n\n[ [verzekerde 10] :] “Nou, altijd nadat zij zijn gekomen, maken zij natuurlijk mijn kamer schoon, zij verschonen mijn lakens. Mijn doktersdames, laatst nadat zij kwamen, deden zij dat. Ik heb ook één kamer, en ik heb nog iets, maar hopelijk ga ik naar het andere huis. In dat andere huis zal er meer zijn. Omdat ik daar een slaapkamer heb, een woonkamer. Hier heb ik meteen maar één kamer. Ik heb zo'n keuken. Zij maakten mijn toilet schoon, de badkamer, zij deden dat. Om te helpen [onverstaanbaar] uur.”\n\n[VGZ:] “Oh, okay. Zij helpen dus ook met schoonmaken en zo.”\n\n[ [verzekerde 10] :] “Onder het bed en zo, zo trokken zij het, zij deden dat. Zij helpen. (…)Woensdag komt dat meisje. Woensdag. Om 11 UUR zei ze dat ze zal komen.”\n\n4.40.. \n\nIn haar verklaring refereert [verzekerde 10] aan ‘doktersdames’ die één keer per week komen en haar kamer schoonmaken en de lakens verschonen, en ook de toilet en de badkamer schoonmaken. [verzekerde 10] noemt daarbij als tijdstip 11 uur. Uit het door [verzoekster] overgelegde zorgplan, geldig van woensdag 1 januari 2020 tot en met woensdag 1 juli 2020, blijkt echter dat [verzekerde 10] dagelijks zorg nodig had bij ADL (Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen), zoals het aan- en uittrekken van steunkousen, en dat het in totaal ging om twee zorgmomenten per dag, van bij elkaar 40 minuten. Dat Novacura tweemaal daags bij [verzekerde 10] is geweest blijkt uit de urenstaten die door [verzekerde 10] zijn ondertekend, en waarbij de authenticiteit van de handtekening(en) niet in geschil is. Uit de urenstaten blijkt ook dat de zorgverleners van Novacura altijd bij [verzekerde 10] kwamen om 7.30 ‘s-ochtends (25 minuten) en 19.20 ’s-avonds (15 minuten).\n\nDe verklaringen van [verzekerde 10] over schoonmaakwerkzaamheden éénmaal per week om 11 uur stroken daarmee niet, zodat niet aannemelijk is dat deze betrekking hebben op Novacura. Daarbij is het niet aannemelijk dat Novacura binnen de geïndiceerde tijd van ’s ochtends 25 minuten en ‘s avonds 15 minuten voor persoonlijke verzorging, waaronder het tijdrovende aantrekken dan wel uittrekken van steunkousen, tijd zou hebben om daarnaast de door [verzekerde 10] genoemde schoonmaakwerkzaamheden aan toilet, badkamer en kamer uit te voeren en lakens te verschonen. De verklaringen van [verzekerde 10] maken dan ook niet dat in voldoende mate vaststaat dat Novacura in plaats van zorg te verlenen zorgschoonmaakwerkzaamheden zou hebben verricht en gedeclareerd.\n\n4.41.. Daarbij is mede van belang dat deze verklaringen afkomstig zijn van kwetsbare personen die de Nederlandse taal niet goed machtig zijn, op leeftijd zijn en\u002Fof een slecht geheugen hebben, dan wel (ernstig) ziek en\u002Fof in de war zijn, zodat de verklaringen met de nodige behoedzaamheid moeten worden beoordeeld.\n\n4.42.. De conclusie is dat de verklaringen, ook in onderling verband en samenhang bezien, niet zo duidelijk zijn dat voldoende aannemelijk is dat Novacura zorg heeft gedeclareerd die niet voor vergoeding in aanmerking komt.\n\nResumerend\n\n4.43.. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door VGZ aangevoerde feiten en omstandigheden, zowel ieder afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, van onvoldoende gewicht zijn om redelijkerwijs de zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit te rechtvaardigen die nodig is voor opname is het EVR, terwijl evenmin voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een incident als bedoeld in artikel 2 Protocol dat vastlegging in het IR rechtvaardigt. Naar het oordeel van de rechtbank is duidelijk geworden dat er voor VGZ weliswaar aanleiding bestond om onderzoek naar de declaraties van Novacura te doen, maar is VGZ er vervolgens niet in geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat sprake is van als strafbaar feit of incident te kwalificeren handelen van Novacura c.s. Dit betekent dat er geen rechtmatige grond bestond voor opname van de persoonsgegevens van Novacura c.s. in het EVR en het IR.\n\nFraudemelding\n\n4.44.. \n\nUit dit oordeel volgt dat de fraudemelding aan de NZa moet worden ingetrokken, nu ook daarvoor geen grond bestond.\n\nConclusie\n\n4.45.. De verzoeken van Novacura c.s. zullen daarom worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De verzochte dwangsom zal echter worden afgewezen. Novacura c.s. heeft geen omstandigheden gesteld waaruit blijkt van de noodzaak tot het opleggen van een dwangsom aan VGZ als prikkel om te voldoen aan de veroordeling. De rechtbank gaat er vooralsnog dan ook vanuit dat VGZ vrijwillig aan de veroordelingen tot verwijdering van de registraties en intrekking van de fraudemelding bij NZa zal voldoen.\n\nProceskosten\n\n4.46.. VGZ zal als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Novacura c.s. als hierna vermeld. Deze worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n 714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.959,00\n\n(3 punten × tarief II ad € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n 189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.862,00\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. veroordeelt VGZ tot het binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking (doen laten) verwijderen en verwijderd houden van de gegevens van Novacura c.s. uit het Incidentenregister alsmede uit het Externe Verwijzingsregister;\n\n5.2.. veroordeelt VGZ tot het – met opgave van reden – intrekken van de fraudemelding vermeld onder r.o. 2.7. aan de NZa, binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking;\n\n5.3.. veroordeelt VGZ in de proceskosten van Novacura c.s., begroot op € 2.862,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als VGZ niet tijdig aan de veroordeling voldoet en deze beschikking daarna wordt betekend, dan moet zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.\n\n3051\n\nZie Handreiking registratiewijze ‘zorgplan = planning = realisatie, tenzij’ opgesteld door Zorgverzekeraars Nederland, ActiZ, Zorgthuisnl en V&VN (hierna: de Handreiking), pag.7 “Verslaglegging”.\n\nZie Handreiking, pag. 4, par. 1.4 onder 3., eerste alinea.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10688","2026-05-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:11.848Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":104,"fullText":105,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":106,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":51,"updatedAt":108},"1243","ECLI:NL:RBDHA:2026:5069","ecli-nl-rbdha-2026-5069","2026-03-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F684899 \u002F HA ZA 25-405\n\nVonnis van 4 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. ZILVEREN KRUIS ZORGVERZEKERINGEN N.V. te Utrecht, 2. FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V. te Leeuwarden, 3. ACHMEA ZORGVERZEKERINGEN N.V. te Leiden, 4. INTERPOLIS ZORGVERZEKERINGEN N.V. te Leiden,\n\neiseressen,\n\nhierna gezamenlijk te noemen: ‘de verzekeraars’,\n\nadvocaat: mr. F.E. Rijpkema,\n\nDe zaak is voor de verzekeraars inhoudelijk behandeld door mr. Rijpkema voornoemd en mr. A.C. van der Salm.\n\ntegen\n\n1. SION ZORG B.V.te Almere,\n\nadvocaat: mr. R. Zwiers,\n\n2. [bestuurder 1]te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. R. Zwiers,\n\nen;\n\n3. [commissaris 1]te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. H.W.E. Vermeer, 4. [bestuurder 2]te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. H.W.E. Vermeer, 5. [commissaris 2]te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. H.W.E. Vermeer,\n\ngedaagden,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: ‘Sion’, ‘Bestuurder 1’, ‘Commissaris 1’, ‘Bestuurder 2’ en ‘Commissaris 2’ en gezamenlijk ‘Sion c.s.’.\n\n1. Inleiding\n\n1.1.. De verzekeraars zijn zorgverzekeraars als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw). Zij sluiten als zorgverzekeraar in gezamenlijkheid overeenkomsten met zorgaanbieders.\n\n1.2.. Sion is een zorgaanbieder die (onder meer) wijkverpleging aanbiedt. Bestuurder 1 is de huidige bestuurder van Sion. Bestuurder 2 is bestuurder van Sion geweest. Commissaris 1 en Commissaris 2 zijn commissarissen geweest bij Sion.\n\n1.3.. De verzekeraars en Sion hebben een betaalovereenkomst gesloten voor het jaar 2017 (hierna: de Betaalovereenkomst). Sion heeft uit hoofde van de Betaalovereenkomst voor het jaar 2017 voor een bedrag van € 4.143.669,24 aan declaraties ingediend bij de verzekeraars, die zij aan Sion hebben betaald. In 2019 wilden de verzekeraars onderzoeken of voornoemde gedeclareerde zorg feitelijk was geleverd en of op vergoeding van feitelijk geleverde zorg aanspraak bestond.\n\n1.4.. De verzekeraars vorderen in deze procedure terugbetaling van het door hen over 2017 aan Sion betaalde bedrag, omdat zij menen dat Sion hen niet in staat heeft gesteld de rechtmatigheid van de declaraties vast te stellen en zij er daarom vanuit gaan dat voor betaling van de declaraties geen grond bestond. De verzekeraars stellen dat de (oud)bestuurders en twee van de drie (oud)commissarissen van Sion mede gehouden zijn de door het handelen van Sion veroorzaakte schade te vergoeden, omdat hen ten aanzien daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Sion c.s. heeft dit betwist.\n\n1.5.. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verzekeraars terecht hebben willen onderzoeken of over 2017 aanspraak bestond op vergoeding van feitelijk geleverde zorg. Sion is tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele en wettelijke verplichtingen door niet (voldoende) mee te werken aan dit (materiële) onderzoek. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat de (oud)bestuurders en -commissarissen van Sion hun taken ernstig hebben verwaarloosd, met als gevolg dat Sion declaraties heeft ingediend terwijl niet kan worden vastgesteld dat aanspraak bestond op vergoeding daarvan. Van deze gang van zaken binnen Sion kan hen persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Sion c.s. is daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van onverschuldigd betaalde declaraties aan de verzekeraars, althans voor vergoeding van de door dit een en ander veroorzaakte schade.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:\n\nde dagvaardingen van 22 april 2025 en 23 april 2025, zonder producties;\n\nde akte overlegging producties van de verzekeraars, met producties 1 tot en met 29;\n\nde conclusie van antwoord van Sion en Bestuurder 1, zonder producties;\n\nde conclusie van antwoord van Commissaris 1, Bestuurder 2 en Commissaris 2, zonder producties;\n\nhet tussenvonnis van 24 september 2025, waarin een datum voor de mondelinge behandeling is bepaald;\n\nde akte houdende eiswijziging van 4 december 2025, met producties 30 tot en met 33.\n\n2.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 december 2025. Partijen, behalve Commissaris 2 die niet is verschenen, en hun advocaten hebben hun standpunten toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat ter zitting is besproken.\n\n2.3.. Ten slotte is een (nadere) datum voor vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Sion is opgericht bij notariële akte van oprichting van 9 september 2016. Bestuurder 1 en Bestuurder 2 zijn daarbij benoemd tot bestuurders van Sion.\n\n3.2.. Sion heeft volgens haar omschrijving bij de Kamer van Koophandel als activiteit:\n\n“a. het (doen) verlenen van zorg en welzijn, waaronder het verzorgen van de huishouding, persoonlijke verzorging, begeleiding, verpleging en\u002Fof behandeling en het bieden van verblijf al dan niet op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, de Wet Langdurige Zorg, de Zorgverzekeringswet en eventueel opvolgende wetten; b. het beheren en exploiteren van een (zorg)instelling die is toegelaten conform de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi).”\n\n3.3.. Commissaris 1, Commissaris 2 en mevrouw [naam] zijn per datum oprichting van Sion aangesteld als commissarissen.\n\nDe Betaalovereenkomst\n\n3.4.. De verzekeraars hebben voor het jaar 2017 de Betaalovereenkomst gesloten met Sion. De Betaalovereenkomst luidt als volgt, voor zover hier relevant:\n\n“Betaalovereenkomst Wijkverpleging 2017\n\nPartijen:\n\n(…)\n\nKomen overeen dat de zorgaanbieder declaraties met betrekking tot Wijkverpleging die zijn uitgevoerd bij verzekerden van Zilveren Kruis rechtstreeks bij Zilveren Kruis [kan] aanleveren. Deze rechtstreekse aanlevering en uitbetaling is slechts mogelijk indien de zorgaanbieder voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in de betaalovereenkomst en het declaratieprotocol.\n\n(…).\n\nDefinities\n\nZorgverzekeraarde verzekeringsonderneming(en) die als zodanig zijn toegelaten en verzekeringen in de zin van de Zorgverzekeringwet aanbieden en\u002Fof de verzekeraar die (een) aanvullende verzekering(en) op die zorgverzekering aanbied(t)(en) en die deze overeenkomst (is) (zijn) aangegaan.\n\n(…).\n\nZorgaanbiederde natuurlijke of rechtspersoon die zorg verleent in de zin van de Zorgverzekeringswet en die geen zorgcontract heeft gesloten met Achmea dan wel degene die namens de natuurlijke of rechtspersoon deze zorg bij Achmea declareert en waar een betaalovereenkomst mee is afgesloten\n\n(…).\n\nMateriële controlede controle waarbij nagegaan wordt of de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd en die geleverde prestatie uit het oogpunt van doelmatigheid en rechtmatigheid daarop naar aard en inhoud en omvang redelijkerwijze het meest was aangewezen gezien de gezondheidstoestand van verzekerde.\n\n(…).\n\nArtikel 1 Inhoud van de overeenkomst\n\nPartijen hebben afgesproken dat de zorgaanbieder, ondanks dat er geen inhoudelijke zorgovereenkomst is gesloten met de zorgverzekeraar, niettemin rechtstreeks declaraties kan en mag indienen bij Zilveren Kruis vanaf 01-01-2017.\n\n(…).\n\nArtikel 2 Declaratieafspraken\n\nDe specifieke bepalingen omtrent declaraties en betalingen zijn verder uitgewerkt in het declaratieprotocol Zilveren Kruis. Het meest recente declaratieprotocol kunt u downloaden (…).\n\nDeze betaalovereenkomst is van toepassing op behandelingen die zijn gestart in 2017. Zorgverlening aan de verzekerde die valt binnen zijn of haar verzekering leidt tot het ontstaan van een rechtstreekse schuld van Zilveren Kruis aan de zorgaanbieder.\n\n(…).\n\nIndien de zorgaanbieder een declaratie heeft ingediend voor niet verzekerden en\u002Fof onrechtmatige zorgverlening dan komt de nota niet voor vergoeding in aanmerking. Een reeds betaalde nota zal worden teruggevorderd (…).\n\nArtikel 3 Kwaliteit\n\nDe instelling dient overeenkomstig de Wet Toelating Zorginstellingen te zijn toegelaten en draagt er zorg voor dat de zorg alleen door haar zelf geleverd wordt met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving waaronder begrepen (…).\n\nDe geleverde zorg waarvan de instelling uitbetaling vraagt dient verzekerde zorg te zijn conform de polisvoorwaarden van de verzekerde. Alleen die verzekerde zorg komt voor uitbetaling in aanmerking. Dit betekent onder meer dat de geleverde zorg rechtmatig en doelmatig dient te zijn en conform de stand van wetenschap en praktijk. Ook de overige polisvoorwaarden, zoals (…), zijn van toepassing. De instelling dient dus kennis te dragen van de voor de betreffende verzekerde geldende polisvoorwaarden en deze gelden onverkort voor de declaraties en uitbetalingen onder deze overeenkomst.\n\nArtikel 4 Controle\n\nPartijen verschaffen elkaar alle inlichtingen die zij redelijkerwijs nodig hebben voor een inzicht in de nakoming van hun in deze overeenkomst aangegane verplichtingen.\n\nZilveren Kruis voert formele en materiele controle en fraudeonderzoek uit overeenkomstig de regels zoals gesteld bij of krachtens de Wet marktordening gezondheidszorg, de Wet Bescherming Persoonsgegevens, de Zorgverzekeringswet, de Regeling zorgverzekering. Daarnaast controleert Zilveren Kruis op de geleverde zorg die zijn grondslag vindt in de aanvullende verzekering(en).\n\n(…).\n\nArtikel 5 Te nemen maatregelen bij uitkomsten controle\n\n1. Afhankelijk van de ernst en zwaarte van het geconstateerde feit kan Zilveren Kruis overwegen één of meer van de volgende acties te nemen (deze opsomming is niet limitatief):\n\n(…).\n\n Het terugvorder[en] van (een deel van) het bedrag aan onrechtmatig en\u002Fof ondoelmatig bestempelde declaraties en de onderzoekskosten (…) - een en ander door Zilveren Kruis te bepalen – al dan niet via verrekening met nog openstaande dan wel toekomstige declaraties. Voor de termijn waarbinnen de terugvordering wordt ingesteld wordt aangesloten bij het bepaalde in het Burgerlijk Wetboek.\n\n (…).”3.5.. Sion heeft over het jaar 2017 voor een bedrag van € 4.143.669,24 aan declaraties ingediend bij de verzekeraars en de verzekeraars hebben deze declaraties aan Sion betaald.\n\n3.6.. Per 1 januari 2019 is Bestuurder 2 afgetreden als bestuurder van Sion.\n\n3.7.. In een ‘Specifiek Controleplan Materiële Controle Sion Zorg B.V.’ (hierna: het Controleplan) van 15 april 2019 hebben de verzekeraars aan Sion geschreven dat zij is geselecteerd voor een materiële controle, omdat niet zeker is of de zorg die Sion over 2017 heeft gedeclareerd, rechtmatig is. De verzekeraars hebben alle declaraties van alle (wijk)zorgaanbieders over 2017 gecontroleerd. De door Sion ingediende declaraties zijn daarbij opgevallen, omdat uit een risicoanalyse blijkt dat Sion (i) ten opzichte van het landelijke gemiddelde 3,4 zoveel heeft gedeclareerd en (ii) voor € 25.030,50 aan dubbele prestaties heeft gedeclareerd.\n\na. De verzekeraars willen een materiële controle uitvoeren naar de rechtmatigheid van de gedeclareerde prestaties, omdat zij wettelijk verplicht zijn om te controleren of:\n\ni) de gedeclareerde prestatie daadwerkelijk is geleverd (feitelijke levering) en;\n\nii) de geleverde zorg het meest aangewezen is gezien de gezondheidstoestand van de verzekerde (terechte levering).\n\nOm de rechtmatigheid van de controlepunten feitelijkeenterechtelevering vast te kunnen stellen, willen de verzekeraars beoordelen of voor elke cliënt een actueel en volledig zorgdossier beschikbaar is dat voldoet aan de daarvoor gestelde eisen. Als dit niet het geval is, leidt dit geheel of gedeeltelijk tot de beoordeling ‘onrechtmatig’.\n\n De materiële controle begint met een procesgesprek met de bestuurder(s) van Sion. De verzekeraars nodigen Sion daarvoor uit en verzoeken haar voorafgaand aan dit gesprek de Administratieve Organisatie \u002F Interne controle(hierna: AO\u002FIC) op te sturen, zodat de verzekeraars een goed beeld hebben van de structuur en de processen binnen Sion.\n\n In het Controleplan is een stroomschema opgenomen waaruit blijkt welke mogelijke vervolgstappen er zijn. De verzekeraars bevestigen dat er hoor en wederhoor zal zijn en dat de controle zal worden afgerond met hun definitieve bevindingen, met vermelding van de eventuele (financiële) gevolgen van de controle.\n\n De verzekeraars geven achtergrondinformatie en leggen uit waarom de rechtmatigheid wordt beoordeeld aan de hand van (inzage in) de cliëntendossiers: daarin staan de afspraken tussen Sion en de cliënt over de te leveren zorg, hoe die zorg door Sion wordt geleverd en of Sion die acties werkelijk heeft uitgevoerd. Er zal een detailcontrole worden uitgevoerd als de verzekeraars na het procesgesprek onvoldoende zekerheid hebben over de feitelijke en\u002Fof terechte levering.\n\n De verzekeraars wijzen erop dat zij de privacy van de cliënten van Sion garanderen, omdat voor hun medewerkers het beroepsgeheim van de medisch adviseur geldt en dat Sion is verschoond van het medisch beroepsgeheim en zonder toestemming van de cliënt inzage kan geven in delen van het patiëntendossier die relevant zijn voor het controledoel op grond van (onder meer) artikel 86 tot en met 93a Zvw. De verzekeraars houden zich aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), gaan zorgvuldig om met persoonsgegevens en zullen zo min mogelijk persoonsgegevens gebruiken voor de controle, aldus steeds de verzekeraars in het Controleplan.\n\n3.8.. Op 30 april 2019 is Commissaris 1 afgetreden als commissaris van Sion.\n\n3.9.. Op 8 mei 2019 is Commissaris 2 afgetreden als commissaris van Sion.\n\n3.10.. Op 9 mei 2019 heeft het procesgesprek plaatsgevonden. Bestuurder 1 is als bestuurder van Sion bij dit gesprek aanwezig geweest. Sion heeft de AO\u002FIC niet van tevoren aan de verzekeraars opgestuurd.\n\n3.11.. Bij brief van 28 mei 2019 aan Sion hebben de verzekeraars geschreven dat het procesgesprek onvoldoende zekerheid biedt over de feitelijke en terechte levering van de declareerde zorg. De verzekeraars schrijven onder meer aan Sion dat:\n\nSion niet beschikt over de vereiste AO\u002FIC;\n\nonduidelijk is wie de te declareren uren registreert;\n\nonvoldoende zeker is of de vereiste indicaties op juiste wijze worden vastgesteld;\n\nSion niet heeft aangetoond dat zij controles uitvoert of beheersmaatregelen treft;\n\ngeïndiceerde zorg wordt gedeclareerd in plaats van de feitelijk geleverde zorg;\n\ner twijfel bestaat over de actualiteit van de indicaties;\n\nde wijze van rapporteren zorgt voor twijfel over de actualiteit en volledigheid;\n\nonvoldoende zeker is of Sion toetst of de geleverde zorg nog past bij de cliënt;\n\nDe verzekeraars schrijven verder dat het afwijkende declaratiegedrag van Sion na het procesgesprek nog onvoldoende is verklaard. Bestuurder 1 heeft tijdens het procesgesprek verteld dat het afwijkende declaratiegedrag mogelijk wordt veroorzaakt door slechts een paar van de 62 onderaannemers waarvoor Sion declaraties heeft ingediend. Daarom verzoeken de verzekeraars Sion om in een beveiligd portaal per cliënt in te vullen welke onderaannemer heeft gedeclareerd, zodat het onderzoek zich kan richten op zorg die is verleend door bepaalde zorgverleners.\n\n3.12.. Uit de daarop volgende correspondentie in de periode van 2 juni 2019 tot en met 7 augustus 2019 volgt dat:\n\nSion onderkent dat zij gehouden is mee te werken aan een materiële controle, maar zich op het standpunt stelt dat de verzekeraars hun controledoelen zo nauwkeurig mogelijk moeten vaststellen en alleen gericht informatie mogen opvragen. Sion wil weten wat de cijfermatige indicatoren waren die aanleiding gaven voor onderzoek en of sprake is van een structureel patroon of van incidentele uitschieters. De verzekeraars moeten eerst specifiek aangeven welke declaraties aanleiding geven voor onderzoek en mogen slechts naar die declaraties onderzoek doen, aldus Sion en;\n\nde verzekeraars onder verwijzing naar het Controleplan hebben toegelicht, althans hebben herhaald, dat (en waarom) Sion volgens hen de gevraagde informatie behoort te verstrekken.\n\n3.13.. Sion heeft niet gereageerd op de bevindingen van de verzekeraars en heeft geen lijst verstrekt waarop per cliënt is aangegeven welke onderaannemer zorg heeft geleverd.\n\n3.14.. Bij brief van 21 augustus 2019 hebben de verzekeraars geschreven dat zij zullen overgaan tot dossiercontrole op basis van een aselecte steekproef. Omdat Sion de verzekeraars niet in staat heeft gesteld het onderzoek te richten op bepaalde onderaannemers, zullen de verzekeraars geen rekening houden met de vraag welke zorgaanbieder zorg heeft verleend.\n\n3.15.. Op 26 augustus 2019 heeft Sion herhaald dat de verzekeraars eerst moeten aangeven welke specifieke declaraties de aandacht hebben getrokken. Een dossiercontrole op basis van een steekproef is niet representatief en de conclusie die daaruit volgt zal op voorhand worden verworpen, aldus Sion.\n\n3.16.. Op 4 september 2019 hebben de verzekeraars geschreven dat zij constateren dat Sion weigert mee te werken aan de materiële controle en Sion een laatste kans geboden om een lijst met onderaannemers aan te leveren, bij gebreke waarvan zij een eindconclusie zullen opstellen. In dat geval kan niet worden vastgesteld of de ingediende declaraties terecht zijn betaald en zal de hele omzet over 2017 (€ 4.143.669,24) worden teruggevorderd.\n\n3.17.. Bij brief van 3 oktober 2019 hebben de verzekeraars geschreven dat zij geen reactie hebben ontvangen en (dus) tot de conclusie komen dat zij onvoldoende zekerheid hebben over de feitelijke en terechte levering van de door Sion gedeclareerde zorg over 2017. De verzekeraars beschouwen de omzet over 2017 van Sion als onrechtmatig en het bedrag van € 4.143.669,24 als onverschuldigd betaald. De verzekeraars herhalen dat zij hun wettelijke controleplicht uitvoeren en dat Sion verplicht is een administratie te voeren waaruit blijkt welke zorg er is geleverd, aan wie en wanneer. Omdat de verzekeraars niet met zekerheid kunnen vaststellen dat de zorg rechtmatig is geleverd, betekent dit dat het gaat om onterecht uitbetaalde zorg en daarom zullen zij dat wat onverschuldigd is betaald verhalen op Sion. De verzekeraars vragen om een reactie uiterlijk op 17 oktober 2019.\n\n3.18.. Bij brief van 18 oktober 2019 aan Sion hebben de verzekeraars terugbetaling gevorderd van Sion van een bedrag van € 4.143.669,24.\n\n3.19.. Op 3 januari 2020 heeft Sion aan de verzekeraars geschreven dat zij de vordering verwerpt, omdat de verzekeraars niet hebben vastgesteld en niet voldoende zorgvuldig hebben onderzocht of de zorg door de onderaannemers van Sion werkelijk en deugdelijk is geleverd. De gedeclareerde diensten zijn geleverd en voldoen aan de eisen, aldus Sion.\n\n3.20.. Bij brief van 7 oktober 2022 hebben de verzekeraars Sion gesommeerd een bedrag van € 4.143.669,24 terug te betalen. Sion heeft dit niet gedaan.\n\n3.21.. Op 17 augustus 2023 heeft de Inspectie Gezondheidszorg (‘IGJ’) een inspectiebezoek gebracht aan Sion. De reden hiervoor was dat Sion in een steekproef viel voor toezicht op zeer kleine zorgaanbieders van wijkverpleging. In het rapport van november 2023 staat dat de inspecteurs hebben getoetst of Sion zorg levert volgens de toepasselijke wetgeving, professionele standaarden, veldnormen en het kwaliteitskader en dat zij daarom gesprekken hebben gevoerd met de bestuurder, drie zorgverleners, één cliënt en twee mantelzorgers en inzage hebben gehad in drie zorgdossiers en beleidsdocumenten. De inspecteurs stellen vast dat er bij Sion 6 zorgverleners beschikbaar zijn als zzp’er, waaronder de bestuurder zelf, en dat Sion op de bezoekdag zorg heeft geleverd aan 4 cliënten die zorg ontvangen vanuit de Zvw. Vanaf juni 2023 is het aantal cliënten afgenomen van 23 naar 4. De IGJ concludeert onder meer dat:\n\nSion niet voldoet aan de getoetste normen;\n\nde kwaliteit en veiligheid van de zorg risicovolle tekortkomingen laat zien;\n\nde inspectie geen vertrouwen heeft in de wijze waarop Sion stuurt op de kwaliteit en veiligheid van zorg;\n\nactuele zorgbehoeften van cliënten niet goed in beeld zijn;\n\ner onvoldoende zorgverleners zijn om de continuïteit van zorg zorgvuldig te organiseren;\n\ner ongeldige indicaties aanwezig zijn;\n\nzorgverleners niet zelf over de zorgverlening bij de cliënten rapporteren, maar dat de bestuurder dit doet;\n\nrapportages over zorgmomenten nagenoeg gelijk zijn.\n\n3.22.. Bij afzonderlijke deurwaardersexploten van 29 april 2024, 13 mei 2024 en 1 augustus 2024 hebben de verzekeraars de brief van 7 oktober 2022 (r.o. 3.20) laten betekenen aan Sion en haar (oud)bestuurders en -commissarissen. Daarbij is aan hen meegedeeld dat Sion zorg in rekening heeft gebracht, terwijl geen recht op vergoeding daarvan bestond en dat de (oud)bestuurders verwijtbaar hebben gehandeld door Sion er niet van te weerhouden declaraties in te dienen waarop geen aanspraak bestond. De verzekeraars stellen Sion c.s. hiervoor persoonlijk aansprakelijk en sommeren hen om € 4.143.669,24 te voldoen.\n\n3.23.. Bij brief van 26 mei 2024 heeft Bestuurder 1 geschreven dat haar niets kan worden verweten en dat zij bereid is alsnog informatie te verstrekken.\n\n3.24.. Bij e-mailbericht van 18 juni 2024 hebben de verzekeraars Bestuurder 1 verzocht de gevraagde gegevens binnen één week te verstrekken. Omdat Bestuurder 1 laat weten meer tijd nodig te hebben, wordt deze termijn verlengd naar 5 juli 2024.\n\n3.25.. Bij e-mailbericht van 1 juli 2024 aan de verzekeraars heeft Bestuurder 1 geschreven dat zij toch niet in staat is de gevraagde informatie aan te leveren. Dit omdat documenten verloren zijn gegaan door wateroverlast en haar medebestuurder bij haar vertrek documenten heeft meegenomen. Bestuurder 1 schrijft dat het (digitale) systeem inmiddels is afgesloten en dat zij DinZheeft gevraagd informatie over de onderaannemers terug te halen en aan haar toe te sturen.\n\n3.26.. Sion (althans Bestuurder 1 namens Sion) heeft de verzekeraars niet voorzien van informatie. De verzekeraars hebben ook niets vernomen van Bestuurder 2 en\u002Fof Commissaris 1 en Commissaris 2.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. De verzekeraars vorderen na eiswijziging, samengevat, dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Sion c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de verzekeraars van:\n\nprimair een bedrag van € 4.143.669,24 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018 tot aan de datum van algehele voldoening;\n\nsubsidiair een bedrag van € 2.924.942,99 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018 tot de datum van algehele voldoening,\n\nmet veroordeling van Sion c.s. in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het vonnis.\n\n4.2.. De verzekeraars leggen het volgende aan de vordering ten grondslag. Op grond van artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW) schiet Sion tekort in de nakoming van haar verplichtingen uit de Betaalovereenkomst door niet mee te werken aan een materiële controle en geen informatie te verschaffen, terwijl zij daartoe (ook wettelijk) gehouden is. De verzekeraars kunnen niet vaststellen dat Sion over het jaar 2017 aanspraak had op de betaalde declaraties. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat die aanspraak niet bestond. Dit betekent dat de verzekeraars onverschuldigd hebben betaald aan Sion (artikel 6:203 BW). Sion heeft daarnaast onrechtmatig gehandeld door zorg in rekening te brengen waarvan zij wist of behoorde te weten dat zij geen aanspraak had op de betaling van de betreffende declaraties (artikel 6:162 BW). De (oud)bestuurders en -commissarissen van Sion hebben hun taak zodanig onzorgvuldig vervuld, dat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (artikel 6:162 BW en\u002Fof artikel 6:166 lid 1 BW jo artikel 2:9 BW). Sion c.s. is hoofdelijk gehouden het door de verzekeraars onverschuldigd aan Sion betaalde bedrag terug te betalen, althans de door de verzekeraars geleden schade te vergoeden.\n\n4.3.. Sion c.s. voert verweer. Sion en Bestuurder 1 concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de verzekeraars in hun vorderingen, dan wel tot afwijzing daarvan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de verzekeraars in de kosten van deze procedure (inclusief nakosten), te vermeerderen met wettelijke rente. Subsidiair concluderen zij tot matiging van de gevorderde bedragen. Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de verzekeraars in hun vorderingen, dan wel tot afwijzing daarvan, met veroordeling van de verzekeraars in de kosten van deze procedure.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nGeen verjaring\n\n5.1.. Bestuurder 1, Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 hebben, als meest verstrekkende verweer, een beroep gedaan op verjaring van de rechtsvorderingen van de verzekeraars jegens hen. De rechtbank zal hier eerst op ingaan.\n\n5.2.. Sion onderkent dat de verjaringstermijn van de vordering van de verzekeraars op haar is aangevangen per 15 april 2019 en is gestuit op 7 oktober 2022 en 29 april 2024. Bestuurder 1, Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 voeren aan dat de betalingen in 2017 zijn verricht en er vijf jaren waren verstreken op het moment dat de onderhavige procedure jegens hen werd gestart.\n\n5.3.. Het beroep op verjaring slaagt niet. Op grond van het bepaalde in artikel 3:309 BW geldt voor de vordering uit onverschuldigde betaling, voor zover het verjaringsberoep ook hier betrekking op heeft, dat de verjaringstermijn pas aanvangt als de schuldeiser bekend is met het bestaan van de vordering. Uit artikel 3:310 BW volgt dat de verjaring van een vordering tot betaling van schadevergoeding pas aanvangt als de schuldeiser bekend is met de schade. Gesteld noch gebleken is dat de verzekeraars eerder bekend zijn geraakt met het feit dat de declaraties over 2017 niet voor vergoeding in aanmerking kwamen, dan bij het onderzoek dat is aangevangen in april 2019. Gedurende dit onderzoek zijn de verzekeraars tot de conclusie gekomen dat zij onvoldoende zekerheid hebben over de feitelijke en terechte levering van de gedeclareerde zorg en dus dat zij een vordering op Sion hebben uit onverschuldigde betaling, dan wel dat zij schade hebben geleden. Dit hebben zij op 3 oktober 2019 aan Sion gemeld, waarna zij op 18 oktober 2019 terugbetaling hebben gevorderd van het bedrag van € 4.143.669,24 (r.o. 3.17 en 3.18). Ervan uitgaande dat de verjaringstermijn is aangevangen op eerstgenoemde datum, was de verjaringstermijn van vijf jaar nog niet verstreken op het moment dat de verzekeraars Bestuurder 1, Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 aansprakelijk stelde in de periode van 29 april 2024 tot en met 1 augustus 2024 (r.o. 3.22). Dat Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 toen inmiddels uit functie waren, doet hier niet aan af. De gestelde aansprakelijkheid betreft immers feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan in 2017, toen zij bestuurder respectievelijk commissarissen van Sion waren.\n\nSion had moeten meewerken aan het materiële onderzoek\n\n5.4.. De rechtbank komt nu toe aan de vraag of Sion voldoende heeft meegewerkt aan de materiële controle die de verzekeraars in 2019 wilden uitvoeren betreffende het jaar 2017.\n\n5.5.. In het kader van de uitvoering van de Zvw zijn zorgverzekeraars bevoegd en verplicht om, in overeenstemming met de bepalingen van de Zvw, het Besluit Zorgverzekering, de Regeling zorgverzekering (Rzv) en de Wet marktordening gezondheidszorg, onder meer materiële controles bij zorgaanbieders uit te voeren. Een materiële controle is een onderzoek waarbij de zorgverzekeraar nagaat of de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd en of die geleverde prestatie het meest voor de hand lag, gelet op de gezondheidstoestand van de verzekerde. De controles dienen ertoe de rechtmatigheid en doelmatigheid van de door zorgverleners in rekening gebrachte prestaties te beoordelen.\n\n5.6.. Het uitvoeren van deze controletaak kan ertoe leiden dat een zorgverzekeraar persoonsgegevens (zoals patiëntgegevens) moet inzien. De bepalingen uit de Rzv (in het bijzonder artikel 7.5 tot en met 7.8 in combinatie met artikel 87 Zvw) geven zorgverzekeraars de volgens de Wet bescherming persoonsgegevens noodzakelijke juridische grondslag om formele en materiële controles uit te voeren ten behoeve van de in de Rzv opgenomen doelen. Daarnaast bieden deze bepalingen het noodzakelijke en wettelijke voorschrift voor de zorgverlener om het medische beroepsgeheim te doorbreken.\n\n5.7.. Tussen partijen is niet in geschil dat Sion verplicht is om op verzoek van een zorgverzekeraar mee te werken aan een materiële controle. Het standpunt van Sion c.s. komt erop neer dat Sion heeft meegewerkt, althans dat zij pas volledige medewerking had hoeven verlenen aan het materiële onderzoek als de verzekeraars hun stelling dat sprake is van afwijkend declaratiegedrag nader hadden onderbouwd. Dit standpunt gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op.\n\n5.8.. In 2019 hebben de verzekeraars alle ingediende declaraties over het jaar 2017 van alle erkende instellingen met een Betaalovereenkomst Wijkverpleging, zoals Sion, gecontroleerd. In het kader van dit onderzoek is vastgesteld dat Sion ten opzichte van het landelijke gemiddelde 3,4 keer zoveel heeft gedeclareerd en voor € 25.030,50 aan dubbele prestaties heeft gedeclareerd. In het licht hiervan waren er naar het oordeel van de rechtbank voor de verzekeraars goede gronden om Sion om verduidelijking te vragen.\n\n5.9.. De verzekeraars hebben in het Controleplan:\n\neen controledoel opgenomen (controleren of de gedeclareerde zorg feitelijk en terecht is geleverd);\n\ngerefereerd aan een algemene risicoanalyse op basis waarvan het afwijkende declaratiegedrag van Sion is geconstateerd;\n\ntoegelicht dat Sion vanwege deze bevindingen is geselecteerd voor een materiële controle;\n\nuitgelegd dat de rechtmatigheid van declaraties wordt beoordeeld aan de hand van (inzage in) cliënten(zorg)dossiers, omdat daarin de afspraken tussen Sion en de cliënt staan over de te leveren zorg, hoe die zorg door Sion wordt geleverd en of Sion die afspraken werkelijk heeft uitgevoerd;\n\nSion erop gewezen dat tot onrechtmatigheid van declaraties kan worden geconcludeerd als de cliëntendossiers niet voldoen aan de eisen en;\n\naangekondigd dat er een detailcontrole zal worden uitgevoerd als na het procesgesprek onvoldoende zekerheid is over de feitelijke en\u002Fof terechte levering.\n\nNa het procesgesprek hebben de verzekeraars bevestigd dat er onvoldoende zekerheid was over de feitelijke en terechte levering van de gedeclareerde zorg en Sion gevraagd het afwijkende declaratiegedrag te verklaren. Die verklaring is uitgebleven.\n\n5.10.. Met het voorgaande hebben de verzekeraars naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de toepasselijke wet- en regelgeving. Om voldoende zekerheid te verkrijgen als bedoeld in artikel 7.5 lid 1 Rzv stond het de verzekeraars op grond van de toepasselijke regelgeving vrij Sion vragen te stellen. Met de verzekeraars is de rechtbank van oordeel dat de door Sion aangevoerde verklaringen over de door haar ingediende declaraties in 2017, voor zover die wezenlijk zijn gegeven, niet bevredigend waren ter verklaring van het afwijkende declaratiegedrag. Daarvoor is het volgende relevant.\n\n5.11.. Omdat er voor de verzekeraars een concrete aanleiding was voor het instellen van een materieel onderzoek, waren zij zonder meer gerechtigd nadere informatie op te vragen bij Sion. Het lag dan ook op de weg van Sion om (inhoudelijk) te reageren op de bevindingen van de verzekeraars en het afwijkende declaratiegedrag te verklaren. Zij is daartoe meermaals in de gelegenheid gesteld, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Sion heeft immers niet voorafgaand aan het procesgesprek de opgevraagde AO\u002FIC verstrekt, heeft tijdens het procesgesprek geen afdoende antwoord gegeven op de vragen van de verzekeraars en heeft daarna niet inhoudelijk gereageerd op de bevindingen van de verzekeraars of ook maar een begin van inzicht in de achtergrond van haar declaraties gegeven. Al met al heeft Sion niet veel meer naar voren gebracht dan dat een vraag naar alle onderaannemers volgens haar niet relevant, althans niet gericht en zodoende niet gerechtvaardigd is. Met dit standpunt miskent Sion echter dat het aan de verzekeraars is om uitvoering te geven aan hun wettelijke taak en hun onderzoek in te richten zoals zij dat plegen te doen. Het standpunt van Sion gaat ook voor het overige niet op, omdat uit het Controleplan blijkt waar het materiële onderzoek op ziet en omdat de verzekeraars naar aanleiding van de toelichting van Bestuurder 1 (r.o. 3.11) hebben gevraagd om een overzicht van de onderaannemers en de door hen gedeclareerde zorg per verzekerde, zodat hun onderzoek zich kon richten op bepaaldezorgverleners.\n\n5.12.. Het betoog van Sion dat haar niet te verwijten valt dat zij niet volledig heeft meegewerkt aan het materiële onderzoek omdat zij is gestuit op praktische belemmeringen zoals het vertrek van Bestuurder 2 en het niet kunnen verkrijgen van toegang tot relevante digitale bestanden waarin de onderaannemers hun prestaties hebben verantwoord, slaagt niet. Uit niets blijkt dat Sion werkelijk heeft willen meewerken aan het onderzoek van de verzekeraars. Sion heeft immers steeds niet inhoudelijk gereageerd op de berichten van de verzekeraars, ook niet nadat zij daarvoor een laatste kans had gekregen en zelfs niet nadat duidelijk werd dat haar mogelijk een zeer aanzienlijke vordering van € 4.143.669,24 boven het hoofd hing. Dat er in het geheel geen toegang was tot (relevante) informatie is ook niet aannemelijk. Per slot van rekening heeft de IGJ in 2023 wel inzage gehad in zorgdossiers en beleidsdocumenten en gesproken met onderaannemers en cliënten van Sion die de IGJ van informatie hebben voorzien (r.o. 3.21). Uit de correspondentie tussen Sion en de verzekeraars blijkt dat de verzekeraars zich in de periode na het bezoek van de IGJ, aan wie Sion inmiddels informatie had verschaft, wederom bereidwillig hebben getoond (r.o. 3.24), maar ook dat heeft Sion c.s. er niet toe kunnen bewegen om ook maar iets van informatie te verstrekken. Dat Sion haar 63 onderaannemers en DinZ heeft aangeschreven met het verzoek haar te helpen bij het vergaren van de door de verzekeraars verlangde informatie, zoals Sion heeft aangevoerd, blijkt ook niet uit het dossier. Sion c.s. heeft geen afschriften overgelegd van deze berichten of de reacties die hierop zouden zijn ontvangen. Kortom, ook in deze procedure blijven antwoorden van de zijde van Sion achterwege en biedt zij geen enkel inzicht in (de rechtmatigheid van) de door haar gedeclareerde zorg over 2017.\n\n5.13.. Bij deze stand van zaken kan tot geen andere conclusie worden gekomen dan dat de verzekeraars terecht het standpunt hebben ingenomen dat zij vanwege het ontbreken van medewerking van Sion niet hebben kunnen vaststellen dat de over 2017 gedeclareerde (en uitbetaalde) zorg feitelijk en terecht is geleverd. De verzekeraars hebben Sion c.s. in gebreke gesteld en een redelijke termijn gegeven om alsnog haar verplichtingen na te komen. Hieraan is geen gehoor gegeven.\n\n5.14.. In de Betaalovereenkomst is overeengekomen dat:\n\nhet Sion is toegestaan onder de zorgverzekering gedekte zorg over 2017 rechtstreeks te declareren (artikel 1);\n\ndoor de verzekeraars verrichte betalingen kunnen worden teruggevorderd voor declaraties die Sion heeft ingediend voor niet-verzekerden en\u002Fof onrechtmatige zorgverlening die niet voor vergoeding in aanmerking komen (artikel 2);\n\nSion zorg dient te leveren met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving en dat dit verzekerde zorg moet zijn in de zin van de polisvoorwaarden (artikel 3);\n\ncontractspartijen elkaar alle inlichtingen verschaffen die zij redelijkerwijs nodig hebben voor (het verkrijgen van) inzicht in de nakoming van hun verplichtingen (artikel 4);\n\nde verzekeraars bevoegd zijn een materiële controle te verrichten (artikel 4);\n\nde verzekeraars (een deel van) het bedrag kunnen terugvorderen van declaraties die zij als onrechtmatig hebben bestempeld (artikel 5).\n\n5.15.. Sion is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de Betaalovereenkomst door ten onrechte niet (voldoende) mee te werken aan het materiële onderzoek, waartoe zij bovendien verplicht was op grond van de Zvw en Rzv. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de aanspraak op de door de verzekeraars aan haar betaalde zorgdeclaraties over 2017 in ieder geval voor een deel niet bestond en dat de verzekeraars over het jaar 2017 gedeeltelijk zonder rechtsgrond aan Sion hebben betaald. Uit de Betaalovereenkomst volgt immers uitdrukkelijk dat alleen declaraties kunnen worden ingediend voor zorg die voor vergoeding in aanmerking komt. Sion c.s. heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat het enkele feit dat zorg is gedeclareerd in strijd met de Betaalovereenkomst in beginsel voldoende is om de (betaling van) de betreffende declaraties terug te vorderen op basis van onverschuldigde betaling. Dit betekent dat de verzekeraars zich uit hoofde van onverschuldigde betaling kunnen verhalen op Sion. Voor welk bedrag de verzekeraars Sion kunnen aanspreken komt aan de orde in r.o. 5.36 e.v. hierna.\n\nDe verzekeraars kunnen zich ook verhalen op de twee (oud)bestuurders\n\n5.16.. De verzekeraars hebben betoogd dat Bestuurder 1 en Bestuurder 2 als bestuurders van Sion onrechtmatig jegens de verzekeraars hebben gehandeld. Sion is tekortgeschoten in de nakoming van haar wettelijke en contractuele verplichtingen en daarvan kan Bestuurder 1 en Bestuurder 2 volgens de verzekeraars persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Bestuurder 1 en Bestuurder 2 hebben dat betwist. De rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\n5.17.. Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn er verschillende categorieën van bestuurdersaansprakelijkheid te onderscheiden. Eén van de categorieën betreft de situatie dat een bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, terwijl de bestuurder wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden. Vereist is dat de bestuurder van de gang van zaken een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n5.18.. Als toegelaten instelling die gerechtigd was tot het leveren van zorg aan patiënten die hier op grond van de Wet langdurige zorg op aangewezen zijn, had Sion diverse verplichtingen. Naast het leveren van verantwoorde zorg en het systematisch bewaken van de kwaliteit van de verleende zorg, moest Sion onder meer een deugdelijke administratie voeren waaruit per patiënt blijkt welke verrichtingen zijn uitgevoerd. Ook moest Sion een toezichthoudend orgaan instellen en de toedeling van verantwoordelijkheden binnen Sion schriftelijk vastleggen. Verder gold de verplichting om alleen zorg te declareren ter zake waarvan aanspraak op betaling gemaakt kan worden.\n\n5.19.. Van een bestuurder van een professionele zorgaanbieder als Sion mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de verplichtingen die rusten op een toegelaten zorginstelling en van de voorwaarden waaronder de zorg kan worden gedeclareerd. Ook mag van een bestuurder van een zorgaanbieder worden verwacht dat hij zodanig zicht heeft op de bedrijfsvoering, de administratie en de declaraties, dat hierover deugdelijk verantwoording kan worden afgelegd als daarom wordt verzocht. Dit geldt bovenal nu de zorg wordt gefinancierd uit publieke middelen. Dit brengt mee dat een hoge mate van professionaliteit van bestuurders mag worden verwacht, zodat de zorg volgens de wettelijke en contractuele regels wordt uitgevoerd en de beperkte financiën doelmatig worden besteed.\n\n5.20.. De rechtbank is van oordeel dat Sion, ondanks voormelde (maatschappelijke) belangen, haar contractuele verplichtingen jegens de verzekeraars en haar wettelijke verplichtingen heeft geschonden (r.o. 5.15 en r.o. 5.18). Over het verwijt dat Bestuurder 1 en Bestuurder 2 kan worden gemaakt van de tekortkomingen van Sion overweegt de rechtbank als volgt.\n\n5.21.. Bestuurder 1 heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij de door de onderaannemers in het administratieve systeem ingevoerde zorg bij de verzekeraars declareerde, zonder verdere controles uit te voeren. Verder is zij verschenen op het procesgesprek in mei 2019 en heeft zij gecorrespondeerd met de verzekeraars in verband met het materiële onderzoek dat de verzekeraars uitvoerden. Dat en op welke wijze Bestuurder 2 zich heeft ingespannen om ervoor te zorgen dat Sion voldeed aan haar contractuele en wettelijke verplichtingen, is niet gesteld of gebleken.\n\n5.22.. Het lag op de weg van de bestuurders van Sion om ervoor te zorgen dat de door Sion ingediende declaraties in overeenstemming waren met de voorwaarden van de Betaalovereenkomst en dat tijdens de materiële controle de informatie zou worden aangeleverd die de zorgverzekeraars nodig hadden om de rechtmatigheid van de declaraties te kunnen controleren. Voor Bestuurder 1 moet duidelijk zijn geweest dat Sion door voormelde wijze van declareren van door onderaannemers ingevoerde zorg, geen zicht had op de juistheid en rechtmatigheid van die declaraties. Ook moet voor haar duidelijk zijn geweest dat het voor de verzekeraars door haar opstelling niet mogelijk was het materiële onderzoek uit te voeren. Bestuurder 2 is uit beeld gebleven en in januari 2019 afgetreden als bestuurder, terwijl uit haar toelichting ter zitting blijkt dat zij toen wist dat het onderzoek van de verzekeraars was aangekondigd. Ervan uitgaande dat Bestuurder 2 tot haar aftreden samen met Bestuurder 1 het beleid van Sion bepaalde, geldt hetgeen hiervoor over de wijze van declareren van door onderaannemers ingevoerde zorg over Bestuurder 1 is overwogen ook voor haar.\n\n5.23.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Bestuurder 1 en Bestuurder 2 met hun handelwijze de verzekeraars hebben benadeeld en hiervan kan hen een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. De benadeling bestaat erin dat Bestuurder 1 en Bestuurder 2:\n\nover het jaar 2017 zorgkosten hebben gedeclareerd voor onderaannemers van Sion terwijl zij wisten of behoorden te weten dat niet was voldaan aan de (contractuele en\u002Fof wettelijke) voorwaarden voor het declareren van (al) die zorg en dat daardoor op Sion een terugbetalingsverplichting zou komen te rusten. Sion heeft de juistheid of rechtmatigheid van de declaraties van de onderaannemers van Sion immers nooit gecontroleerd en;\n\ngeen dan wel onvoldoende medewerking hebben verleend aan het materiële onderzoek van de verzekeraars en ook daarmee hebben bewerkstelligd of toegelaten dat Sion haar contractuele en wettelijke verplichtingen niet is nagekomen.\n\n5.24.. Bestuurder 1 en Bestuurder 2 waren ermee bekend of hadden ermee bekend moeten zijn dat onder de Betaalovereenkomst ingediende declaraties worden uitbetaald en dat daarover daarna mogelijk nog verantwoording moet worden afgelegd. Het gaat om publiek geld dat bestemd is voor de vergoeding van zorg. Dit brengt met zich mee dat op de bestuurders van een toegelaten zorginstelling een verantwoordelijkheid rust om over de ontvangen gelden rekening en verantwoording af te leggen. Deze verantwoordelijkheid kunnen Bestuurder 1 en Bestuurder 2 niet ontlopen door:\n\nerop te wijzen dat Sion de overeenkomst met DinZ is aangegaan onder de voorwaarde dat de onderaannemers zelf verantwoordelijk zouden zijn voor hun urenrapportages in de digitale omgeving (een afspraak die overigens niet uit de stukken blijkt) of;\n\nde bestuurstaak neer te leggen, zoals Bestuurder 2 heeft gedaan, zonder ervoor zorg te dragen dat het materiële onderzoek deugdelijk kon worden voortgezet of;\n\naan te voeren dat er in 2017 geen enkele aanwijzing was dat de onderaannemers hun taken niet naar behoren en volgens de gehanteerde normen zouden hebben vervuld of;\n\nerop te vertrouwen dat de verzekeraars hun controletaak adequaat uitvoeren bij initiële goedkeuring van de ingediende declaraties, zoals Bestuurder 1 zegt te hebben gedaan. De verzekeraars hebben onbetwist aangevoerd dat het, gezien de grote aantallen declaraties die zij verwerken, onmogelijk is om declaraties vóór uitbetaling daarvan te controleren. Het systeem van de Betaalovereenkomst behelst ook geen controle vooraf.\n\n5.25.. Bestuurder 1 spreekt zichzelf ook tegen door aan te voeren dat Sion niet beschikt over informatie over de onderaannemers en er tegelijk op te wijzen dat zij “alles op alles heeft gezet” en alle onderaannemers heeft aangeschreven met het verzoek Sion te helpen bij het verzoek van de verzekeraars. Als dit laatste werkelijk het geval is geweest, valt niet in te zien waarom Bestuurder 1 geen overzicht heeft verstrekt van de namen en e-mailadressen van de onderaannemers, waar de verzekeraars meermaals om hebben gevraagd in het kader van het materiële onderzoek.\n\n5.26.. Voor zover Bestuurder 1 heeft willen bepleiten dat haar als bestuurder van Sion niet kan worden verweten dat zij heeft toegelaten dat Sion niet heeft meegewerkt aan het materiële onderzoek, omdat DinZ in het kader van de bescherming van de privacy heeft geweigerd inzage te verlenen in de digitale omgeving, gaat de rechtbank hier ook aan voorbij. Een zorgverzekeraar mag persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid die voor een zorgverzekeraar noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de zorgverzekering of van de Zvw, gebruiken voor het verrichten van een materiële controle en mag deze persoonsgegevens gebruiken voor het uitoefenen van verhaalsrecht (artikel 7.1 Rzv). Voor zover daarover bij (Sion dan wel) Bestuurder 1 enige twijfel had kunnen bestaan, is in het Controleplan toegelicht dat Sion verschoond is van het medisch beroepsgeheim en zonder toestemming van de patiënt inzage kan geven in delen van het patiëntendossier die relevant zijn voor het controledoel op grond van (onder meer) artikel 86 tot en met 93a Zvw. Ook hebben de verzekeraars bevestigd dat zij zich houden aan de AVG en zorgvuldig omgaan met persoonsgegevens. De verzekeraars hebben dit daarna nogmaals toegelicht. Voorts geldt dat, voor zover al sprake is van een weigerachtige houding van DinZ jegens Sion, dit de verzekeraars hoe dan ook niet regardeert: Sion is in zee gegaan met onderaannemers, maar dat ontslaat haar niet van haar wettelijke verplichtingen of contractuele verplichtingen jegens de verzekeraars.\n\n5.27.. Bestuurder 1 en Bestuurder 2 hebben verteld dat zij zelf ook werkzaam zijn geweest als zorgverlener en uren hebben geregistreerd in de digitale omgeving. Voor zover deze uren betrekking hadden op het jaar 2017 en de gedeclareerde bedragen, valt niet in te zien waarom Bestuurder 1 en Bestuurder 2 niet op zijn minst inzicht hebben gegeven in hun eigen gedeclareerde uren. De telefonische verzoeken die Sion volgens Bestuurder 1 van de verzekeraars heeft gehad om ruim 4 miljoen euro terug te betalen, hebben hen daartoe kennelijk ook niet kunnen aansporen.\n\n5.28.. Kortom, Bestuurder 1 en Bestuurder 2 hebben als (oud)bestuurders van Sion toegelaten dat Sion haar verplichtingen jegens de verzekeraars heeft geschonden. Voor Bestuurder 1 en Bestuurder 2 moet voorzienbaar zijn geweest dat de verzekeraars een vordering op Sion zouden verkrijgen wegens onterechte of oncontroleerbare declaraties. Daarvan valt hen persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Geen redelijk denkend bestuurder had onder dezelfde omstandigheden kunnen veronderstellen dat Sion met de hiervoor beschreven handelwijze voldeed aan haar (contractuele en wettelijke) verplichtingen. Bestuurder 1 en Bestuurder 2 hebben niet bestreden dat zij wisten of behoorden te begrijpen dat Sion geen verhaal zou bieden bij een terugbetalingsvordering of vordering tot schadevergoeding en dat de verzekeraars als gevolg van hun handelen schade zouden lijden. De verzekeraars kunnen daarom Bestuurder 1 en Bestuurder 2 ook aanspreken voor de door hen geleden schade.\n\nDe verzekeraars kunnen zich ook verhalen op de twee oud-commissarissen\n\n5.29.. De verzekeraars stellen dat Commissaris 1 en Commissaris 2 ook persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat zij door hun handelwijze als commissarissen van Sion zelfstandig onrechtmatig hebben gehandeld en\u002Fof onrechtmatig hebben gehandeld in groepsverband. De verzekeraars hebben uiteengezet dat Commissaris 1 en Commissaris 2 hun taken als commissarissen van Sion grovelijk hebben verwaarloosd en dat door hun handelen samen met Sion, Bestuurder 1 en Bestuurder 2, het risico op schade voor de verzekeraars is vergroot.\n\n5.30.. Commissaris 1 en Commissaris 2 hebben betwist dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan tekortschieten of het verwaarlozen van hun taak. Commissaris 1 en Commissaris 2 hebben er daarnaast op gewezen dat zij uit functie waren toen de vordering jegens hen werd ingesteld en dat de voorafgaande correspondentie van de verzekeraars uitsluitend was gericht aan Sion en\u002Fof Bestuurder 1.\n\n5.31.. Commissarissen kunnen (intern) jegens de vennootschap (artikel 2:9 BW) of (extern) jegens derden (artikel 6:162 BW) aansprakelijk zijn als zij hun taak niet naar behoren hebben vervuld en hen hiervan persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, in die zin dat geen redelijk denkend commissaris onder dezelfde omstandigheden zo gehandeld zou hebben. Of sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.\n\n5.32.. Blijkens (artikel 9.10 en 9.11 van) de akte van oprichting van Sion (r.o. 3.1) hebben de commissarissen van Sion, kort gezegd, tot taak het houden van toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de zorgorganisatie als maatschappelijke onderneming en het geven van advies aan het bestuur. Bij het vervullen van hun taak richten de commissarissen zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. De commissarissen zijn bevoegd de boeken en bescheiden van de vennootschap in te zien en kunnen zich bij de uitoefening van hun taak laten bijstaan door deskundigen. Het bestuur en de commissarissen passen de Zorgbrede Governancecode toe. De commissarissen houden toezicht op onder meer:\n\nde realisatie van de statutaire en andere doelstellingen van de zorgorganisatie;\n\nde strategie en risico’s verbonden aan de activiteiten van de zorgorganisatie;\n\nde kwaliteit en veiligheid van zorg;\n\nde naleving van wet- en regelgeving;\n\nhet op passende wijze uitvoering geven aan de maatschappelijke doelstelling en verantwoordelijkheid van de zorgorganisatie. De commissarissen bespreken minimaal eenmaal per jaar de strategie en voornaamste risico’s verbonden aan de zorgorganisatie.\n\n5.33.. Commissaris 1 en Commissaris 2 moesten zich bij de vervulling van hun taak als commissaris van Sion richten naar het belang van de zorgorganisatie als maatschappelijke onderneming en moesten de daartoe in aanmerking komende belangen van de bij de zorgorganisatie betrokkenen afwegen. Commissarissen hebben een eigen verantwoordelijkheid om van het bestuur alle informatie te verlangen om hun taak als toezichthouder goed te kunnen uitoefenen. Dat Commissaris 1 en Commissaris 2 langs deze lijnen invulling hebben gegeven aan hun taak, blijkt nergens uit.\n\n5.34.. Niet gesteld of anderszins gebleken is dat Commissaris 1 en Commissaris 2 het bestuur van Sion voldoende hebben gecontroleerd en tijdig (mogelijke) problemen binnen de zorgaanbieder hebben aangepakt. Commissaris 1 heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd toegelicht dat zij wel eens bij Sion op kantoor was en dan van de bestuurders te horen kreeg dat alles goed ging. Zij had er alle vertrouwen in dat het goed ging en keek niet in de administratie. Op het moment dat Commissaris 1 aftrad als commissaris van Sion, was zij ervan op de hoogte dat de verzekeraars de rechtmatigheid van de uitbetaalde declaraties over 2017 wilden onderzoeken. Dit, samen met het aftreden van Bestuurder 2, waren redenen om ermee te stoppen, aldus Commissaris 2 ter zitting.\n\n5.35.. Hieruit is niet anders af te leiden dan een passieve houding van de(ze) commissarissen. Daarmee hebben Commissaris 1 en Commissaris 2 onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij niet hebben voldaan aan hun taakvervulling, zoals de verzekeraars hebben gesteld en onderbouwd. Commissaris 1 en Commissaris 2 hadden voorts adequater moeten reageren toen zij eenmaal bekend werden met het feit dat de verzekeraars de rechtmatigheid van de declaraties over 2017 wilden onderzoeken, temeer toen duidelijk werd dat Sion mogelijk een zeer aanzienlijk bedrag moest terugbetalen. In plaats daarvan hebben zij zich afzijdig gehouden en niets van zich laten horen, zelfs niet toen zij persoonlijk (hoofdelijk) werden aangesproken. Kortom, het toezicht van Commissaris 1 en Commissaris 2 op het bestuur van Sion heeft gefaald en eenmaal afgetreden hebben zij sterke risicosignalen genegeerd waardoor voor hen voorzienbaar was dat de verzekeraars een vordering op Sion zouden verkrijgen die Sion mogelijk niet zou kunnen voldoen. Deze vordering betreft de periode waarin Commissaris 1 en Commissaris 2 commissarissen van Sion waren. Van dit alles valt Commissaris 1 en Commissaris 2 persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Geen redelijk denkend commissaris had onder dezelfde omstandigheden immers kunnen veronderstellen dat (het bestuur van) Sion voldeed aan haar (contractuele en wettelijke) verplichtingen of dat de wijze waarop Commissaris 1 en Commissaris 2 invulling gaven aan hun rol als commissarissen recht deed aan hun toezichthoudende taken en verplichtingen. Dit betekent dat de verzekeraars ook Commissaris 1 en Commissaris 2 kunnen aanspreken voor de door hen geleden schade.\n\nHoeveel moet worden terugbetaald c.q. wat is de omvang van de schade?\n\n5.36.. \n\nDe verzekeraars vorderen terugbetaling van primair het totaalbedrag dat zij aan Sion hebben betaald, derhalve € 4.143.669,24, en subsidiair het bedrag dat Sion in vergelijking met het landelijk gemiddelde in 2017 meer in rekening heeft gebracht, te weten\n\n€ 4.143.669,24 -\u002F- (€ 4.143.669,24 \u002F 3,4 =) € 1.218.726,24, derhalve € 2.924.942,99.\n\n5.37.. Zelfs als komt vast te staan dat Sion is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de Betaalovereenkomst, rechtvaardigt dit volgens Sion c.s. geen volledige terugvordering van de gedeclareerde bedragen c.q. vergoeding van deze volledige bedragen als schadevergoeding. Sion c.s. bestrijdt dat Sion helemaal geen aanspraak had op vergoeding van de over 2017 gedeclareerde zorg en voert aan dat die zorg daadwerkelijk is verleend door Bestuurder 1, Bestuurder 2 en de onderaannemers als zorgverleners. Sion heeft de van de verzekeraars ontvangen bedragen doorbetaald aan de betreffende zorgverleners, bij de onderaannemers met inhouding van een met hen overeengekomen vergoeding van 1%. De rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\n5.38.. Op grond van het door de verzekeraars uitgevoerde onderzoek in haar eigen administratie, moet het ervoor worden gehouden dat Sion over het jaar 2017 te veel heeft gedeclareerd. Dat Sion in het jaar 2017 in het geheel geen zorg heeft gedeclareerd die voor vergoeding door de verzekeraars in aanmerking kwam - en het totaalbedrag van de betaalde declaraties dus onverschuldigd zou zijn betaald - is onvoldoende onderbouwd. Door de houding van Sion c.s. tijdens de materiële controle van de zorgverzekeraars en ook in de onderhavige procedure is het voor de verzekeraars echter niet mogelijk om hun standpunt ter zake de onverschuldigde betaling nader te onderbouwen of te bewijzen welke declaraties wel en welke declaraties niet onverschuldigd zijn betaald. Een concrete betwisting door Sion c.s. van het standpunt van de verzekeraars op patiënt- of dossierniveau is immers uitgebleven. Bij die stand van zaken mogen de verzekeraars hun schade begroten op basis van een schatting op grond van gemiddelden. De verzekeraars hebben dat ook gedaan in hun subsidiair geformuleerde vordering. Sion c.s. bestrijdt niet dat Sion over het jaar 2017 ten opzichte van het landelijk gemiddelde 3,4 maal zoveel in rekening heeft gebracht en dat het verschil neerkomt op het door de verzekeraars berekende bedrag van € 2.924.942,99. De rechtbank zal dit subsidiair gevorderde bedrag daarom als onvoldoende gemotiveerd betwist toewijzen. Sion moet dit bedrag terugbetalen omdat betaling daarvan door de verzekeraars als onverschuldigd wordt aangemerkt. Bestuurder 1, Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 moeten dit bedrag aan Sion betalen als schadevergoeding, veroorzaakt door hun onrechtmatig handelen in hun hoedanigheid van bestuurders respectievelijk commissarissen van Sion.\n\n5.39.. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\nGeen matiging\n\n5.40.. Sion en Bestuurder 1 hebben betoogd dat een aan de verzekeraars terug te betalen bedrag, althans een te betalen schadevergoeding, moet worden gematigd. Het terugvorderen van het volledige bedrag is volgens hen disproportioneel en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Sion en Bestuurder 1 zijn ook niet in staat dit bedrag te betalen. Volgens de verzekeraars is er geen grond voor matiging. De rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\n5.41.. In artikel 6:109 lid 1 BW is bepaald dat de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen als toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Deze bepaling moet worden beschouwd als een bijzondere toepassing van de regeling van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 lid 2 BW). De in artikel 6:109 BW neergelegde maatstaf noopt de rechter ertoe met terughoudendheid gebruik te maken van zijn bevoegdheid om te matigen.\n\n5.42.. De rechtbank onderkent dat toewijzing van de vordering tot vergoeding van het hiervoor vastgestelde bedrag grote financiële gevolgen zal hebben voor Sion en Bestuurder 1 (evenals voor Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2). Voor de vraag of in het onderhavige geval ruimte is voor matiging, acht de rechtbank anderzijds van belang dat Sion en Bestuurder 1 zelf in de hand hebben gehad dat zij in deze situatie zijn beland. Sion en Bestuurder 1 wisten, of hadden moeten weten, waartoe Sion als toegelaten zorginstelling en contractspartij van de verzekeraars verplicht was, wat er van haar werd verwacht en wat de mogelijke consequenties zouden zijn als zij niet zou voldoen aan haar verplichtingen. Toch hebben zij de door haar onderaannemers ingediende declaraties nooit gecontroleerd en niet (voldoende) meegewerkt aan het materiële onderzoek van de verzekeraars. Het is daarom aan Sion en Bestuurder 1 zelf te wijten dat een groot deel van de over 2017 gedeclareerde bedragen moet worden terugbetaald. Dat Bestuurder 1 persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is bovendien een contra-indicatie voor matiging. Matiging van het door Sion aan de verzekeraars terug te betalen bedrag, althans de te vergoeden schade, is onder deze omstandigheden niet op zijn plaats en het beroep daarop zal dan ook worden verworpen.\n\nWettelijke rente\n\n5.43.. De verzekeraars vorderen ook betaling van wettelijke rente over het onverschuldigd betaalde bedrag c.q. de schade, met ingang van 1 januari 2018. De rechtbank constateert dat de zaak bij de verzekeraars op verschillende momenten sinds oktober 2019 heeft stilgelegen. Ter zitting is namens de verzekeraars toegelicht dat dat een kwestie van prioritering is geweest. De rechtbank is van oordeel dat het ruimte tijdsverloop (mede) door de eigen keuzes van de verzekeraars, in combinatie met het aanzienlijke bedrag van de vordering in dit geval niet ten nadele van Sion c.s. moet komen. De rechtbank zal daarom wettelijke rente toewijzen met ingang van de dag van de (eerste) dagvaarding, te weten 22 april 2025.\n\nProceskosten\n\n5.44.. Sion c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de verzekeraars worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaardingen\n\n€\n\n611,25\n\n(5 x € 122,25)\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.861,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n9.262,00\n\n(2 punten × € 4.631,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n178,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n16.912,25\n\n5.45.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.46.. De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. \n\nveroordeelt Sion c.s. hoofdelijk om aan de verzekeraars te betalen een bedrag van\n\n€ 2.924.942,99, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 april 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n6.2.. veroordeelt Sion c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 16.912,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Sion c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt Sion c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.\n\n Type: 2513.\n\n De rechtbank constateert dat de verzekeraars er kennelijk voor hebben gekozen de derde commissaris van Sion (r.o. 3.3) niet aansprakelijk te stellen.\n\n DinZ is de (software)leverancier van Sion. DinZ stelt in die rol een digitale omgeving beschikbaar aan Sion, waarin de onderaannemers van Sion per cliënten(zorg)dossier hun uren bijhouden. Op basis hiervan dient Sion vervolgens declaraties in bij de verzekeraars, die deze declaraties betalen aan Sion op grond van de Betaalovereenkomst.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5069","2026-03-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:11.794Z",20,[11,111,112,113],2025,2024,2023]