[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-immigration-detention-nl-2026":3},{"detail":4,"years":197},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":40,"total":195,"page":14,"limit":196},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},45,"immigration-detention-nl","Immigration Detention","NL","2026-07-08T16:53:39.887Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,30,32,34,36,38],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":21},4,{"month":23,"count":21},5,{"month":25,"count":26},6,14,{"month":28,"count":29},7,25,{"month":31,"count":15},8,{"month":33,"count":15},9,{"month":35,"count":15},10,{"month":37,"count":15},11,{"month":39,"count":15},12,[41,54,62,69,78,86,94,101,108,116,123,130,137,144,152,159,167,174,181,188],{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":45,"courtId":46,"decisionDate":47,"fullText":48,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726","",61,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:28.937Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":47,"fullText":59,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":61},"464","ECLI:NL:RBDHA:2026:18729","ecli-nl-rbdha-2026-18729",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36442\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser,\n\ngeboren op [geboortedatum] ,\n\nvan (gestelde) Libische nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. F. Boone),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.W.M. Weerman).\n\nProcesverloop\n\n1. De minister heeft op 24 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\n1.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\n1.2.. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Hierop heeft eiser gereageerd.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nOverwegingen\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 8 mei 2026.\n\n3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\nStandpunten eiser\n\n4. Eiser voert aan dat hij gemotiveerd is om terug te keren naar Marokko. Zo heeft hij tijdens het vertrekgesprek van 28 april 2026 zijn juiste personalia gegeven en tijdens het vertrekgesprek van 4 juni 2026 aangegeven dat hij terug wil keren naar zijn moeder die op leeftijd is. Niet is gebleken dat inmiddels een reisdocument is afgegeven en staat ook geen presentatie of telefonische afspraak gepland. Daarnaast is niet op zaaksniveau gerappelleerd, maar zijn enkel algemene schriftelijke rappellen verstuurd. Eiser heeft een kopie van zijn paspoort, een identiteitskaart en een vrijwilligersbrief overgelegd. Deze documenten zijn weliswaar doorgestuurd naar de Marokkaanse vertegenwoordiging, maar de minister neemt verder een afwachtende houding aan. De minister handelt dan ook onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.\n\nBeoordeling rechtbank\n\n5. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt.De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Uit zowel de stukken in het dossier als de daarop door de minister ter zitting gegeven toelichting blijkt dat op 10 juli 2026 een telefonische presentatie met de Marokkaanse autoriteiten staat gepland. Naar het oordeel van de rechtbank dient de minister in de gelegenheid te worden gesteld om de resultaten hiervan af te wachten.\n\n5.1.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Zo heeft de minister driemaal schriftelijk gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten, laatstelijk op 26 juni 2026. Daarnaast heeft op 1 juni 2026 en 6 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.\n\n5.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.\n\n5.3.. \n\nDe rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van\n\nR. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:219).\n\n Zie het arrest Adrar van het Hof van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en het arrest Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18729","2026-07-13T00:28:31.707Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":47,"fullText":66,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":68},"458","ECLI:NL:RBDHA:2026:18728","ecli-nl-rbdha-2026-18728","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.30898\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser,\n\ngeboren op [geboortedatum] ,\n\nvan Marokkaanse nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.W.M. Weerman).\n\nProcesverloop\n\n1. Bij besluit van 10 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw(de vrijheidsbeperkende maatregel).\n\n1.1.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nOverwegingen\n\n2. De rechtbank overweegt dat de minister door middel van de vrijheidsbeperkende maatregel aan eiser heeft verplicht om met ingang van 10 mei 2026 te verblijven in de HTLin Hoogeveen. Daarmee hangt samen het plaatsingsbesluit van het COavan 10 mei 2026. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het plaatsingsbesluit en dat de termijn daarvoor inmiddels is verstreken. Daarom staat het plaatsingsbesluit in rechte vast en dient de rechtbank uit te gaan van de rechtmatigheid daarvan.\n\n3. De oplegging van de onderhavige vrijheidsbeperkende maatregel houdt verband met het in rechte onaantastbaar geworden COa-plaatsingsbesluit. Nu de rechtbank moet uitgaan van de rechtmatigheid van het plaatsingsbesluit, kan niet geoordeeld worden dat de vrijheidsbeperkende maatregel, waaraan het plaatsingsbesluit ten grondslag ligt, ten onrechte of op onjuiste grondslag is genomen. De beroepsgronden die zien op de HTL-plaatsing en de gevolgen\u002Fbeperkingen die eiser hierdoor ondervindt liggen in onderhavige procedure niet ter toetsing voor, nu deze betrekking hebben op het in rechte onaantastbaar geworden plaatsingsbesluit en\u002Fof geen verband houden met de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel bij het bestreden besluit.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van\n\nR. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Handhaving- en Toezichtlocatie.\n\n Centraal Orgaan opvang asielzoekers.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18728","2026-07-13T00:28:31.329Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":45,"courtId":73,"decisionDate":74,"fullText":75,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":52,"updatedAt":77},"683","ECLI:NL:RBDHA:2026:18681","ecli-nl-rbdha-2026-18681",62,"2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.35381\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. D. Schaap)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 25 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vwen de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\nDeze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.\n\nToetsingskader\n\n2. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-Vo)van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMB-Vo.In de AMB-Vo staat dat de lidstaten, wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.\n\n2. Op grond van het Vbkan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMB-Vo indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\n3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMB-Vo en een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nk. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;\n\np. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.\n\nPrematuur opgelegde vreemdelingenbewaring\u002Flichter middel\n\n6. Eiser voert aan dat de maatregel van vreemdelingenbewaring prematuur is opgelegd, omdat verweerder voorafgaand aan de inbewaringstelling eerst de overdracht aan Zwitserland had kunnen regelen en dan pas kort voorafgaand aan de overdracht tot inbewaringstelling had kunnen overgaan. Hij wijst daarbij op een andere zaak waarin eerst een concrete overdrachtsdatum met de betreffende lidstaat (Duitsland) was afgesproken en de vreemdeling daarna pas in vreemdelingenbewaring is gesteld. Niet is gebleken waarom een dergelijke handelwijze in eisers geval niet mogelijk was. Verder is onvoldoende rekening gehouden met eisers medische omstandigheden. Hij had in verband met letsel aan zijn oogkas een medische afspraak staan, die door zijn staandehouding niet kon doorgaan.\n\n7. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, bestaat er een risico op onderduiken. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser meermalen heeft verklaard niet mee te werken aan zijn overdracht aan Zwitserland. Zo heeft eiser tijdens het aanmeldgehoor Dublin van 21 mei 2026 verklaard dat hij niet van plan is om mee te werken aan de door DT&Vgeregelde overdracht en dat hij niet wil terugkeren naar Zwitserland, omdat hij daar zal worden opgepakt en in de gevangenis zal belanden.Verder volgt uit het proces-verbaal van gehoor van 25 juni 2026 dat eiser deze verklaringen heeft bevestigd en opnieuw heeft aangegeven niet terug te willen en kunnen keren naar Zwitserland.Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de inbewaringstelling noodzakelijk was om eisers overdracht aan Zwitserland veilig te stellen en dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Daarnaast blijkt uit de maatregel dat verweerder eisers medische situatie heeft betrokken bij de afweging of een lichter middel kon worden toegepast. Eiser heeft in het detentiecentrum toegang tot medische zorg die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft tot slot voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.\n\nAmbtshalve toets\n\n8. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 7 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1351.\n\n Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMB-Vo.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dienst Terugkeer en Vertrek.\n\n Aanmeldgehoor Dublin van 21 mei 2026, p. 7 van 7.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 25 juni 2026, p. 4 van 6.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18681","2026-07-13T00:28:43.078Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":45,"courtId":82,"decisionDate":74,"fullText":83,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":52,"updatedAt":85},"818","ECLI:NL:RBDHA:2026:18692","ecli-nl-rbdha-2026-18692",56,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35737\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)\n\n(gemachtigde: mr. I. van Es).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig.Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 26 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser heeft afgezien van zijn recht om gehoord te worden en heeft dit via zijn gemachtigde laten weten. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich met een bericht afgemeld voor de zitting.\n\nOverwegingen\n\n3. Eiser heeft de Griekse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1979.\n\n4. Eiser voert aan dat de vreemdelingrechtelijke staandehouding onrechtmatig was omdat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond ten tijde van de staandehouding. Hiermee is ook de daaropvolgende inbewaringstelling onrechtmatig.\n\n4.1.. Volgens paragraaf A2\u002F2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) mag een redelijk vermoeden van illegaal verblijf mede op basis van ervarings- en omgevingsgegevens worden aangenomen als sprake is van aanwijzingen uit eigen onderzoek van de politie of aanwijzingen die door de politie zijn verkregen bij de controle van persoonsgegevens in het kader van de uitoefening van politietaken.\n\n4.2.. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 26 juni 2026 blijkt dat eiser door de verbalisant ambtshalve werd herkend, omdat hij de afgelopen jaren veelvoudig met eiser in contact is gekomen. Bovendien heeft de verbalisant op 17 juni 2026 een e-mail ontvangen waarin hij erop werd geattendeerd dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Nadat de verbalisant eiser op 26 juni 2026 om 14:30 uur zag lopen heeft hij eiser op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf staande gehouden en contact opgenomen met de vreemdelingenpolitie. Het voorgaande is volledig opgenomen in het proces-verbaal. De rechtbank is van oordeel dat op grond hiervan een redelijk vermoeden van illegaal verblijf kan worden aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n5. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18692","2026-07-13T00:28:49.595Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":90,"fullText":91,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":52,"updatedAt":93},"1732","ECLI:NL:RBDHA:2026:18552","ecli-nl-rbdha-2026-18552","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35191\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiser,\n\ngeboren op [geboortedatum],\n\nvan Marokkaanse nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: L. Ploeger).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaringdie aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn op het detentiecentrum in Rotterdam verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde op de rechtbank in Groningen. Hier is ook een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen.De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.Deze vreemdeling kan in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van bewaring\n\n4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\n4.1.. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nb. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\nc. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\nd. onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt in verband met zijn aanvraag om toelating met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend.\n\nh. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;\n\nj. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;\n\np. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vbheeft gehouden;\n\nq. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\nVoortraject\n\n5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de bewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.\n\nGrondslag\n\n6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op\n\n4 juni 2021 een terugkeerbesluit en op 22 oktober 2024 een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd gekregen. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.\n\nGronden\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen van de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. De rechtbank ziet ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang gezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Er bestaat dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een onderduikrisico bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\nLichter middel\n\n8. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring voor hem onevenredig bezwarend is, omdat hij medicijnen gebruikt voor zijn psychische gesteldheid. Hij ervaart veel stress in detentie.\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het risico op onttrekking is gegeven.\n\n9.1.. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiser gewezen op de beschikbare medische faciliteiten en voorzieningen binnen het detentie- en uitzetcentrum, alsmede op de mogelijkheid van overplaatsing naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten zorginstelling indien de benodigde zorg niet binnen die voorzieningen kan worden geboden. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen deze centra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij zijn medicatie niet krijgt, overweegt de rechtbank dat eiser zich hiervoor kan melden bij de medische dienst in het detentiecentrum.\n\n9.2.. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.\n\nVoortvarendheid\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 23 juni 2026 heeft de minister een LP-aanvraag verstuurd naar de autoriteiten van Marokko. De minister heeft hierop op 26 juni 2026 gerappelleerd. Ook heeft de minister op 25 juni 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.\n\nZicht op uitzetting\n\n10. De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn Marokko niet ontbreekt.De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in het concrete geval van eiser het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken.\n\nConclusie en gevolgen.\n\n11. De rechtbank ziet verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel, gelet op de 6 maanden-termijn en de beoordeling van het non-refoulementbeginsel, onrechtmatig is.\n\n12. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Hierna: bewaring.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.\n\n Vreemdelingebesluit 2000.\n\n Laissez-passer.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.\n\n Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18552","2026-07-13T00:29:36.235Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":90,"fullText":98,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":99,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":52,"updatedAt":100},"1733","ECLI:NL:RBDHA:2026:18553","ecli-nl-rbdha-2026-18553","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35210\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: L. Ploeger).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaringdie aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser heeft op 2 juli 2026 schriftelijk laten weten dat zowel gemachtigde als eiser niet zullen verschijnen ter zitting, en dat eiser hiermee afstand doet van zijn recht om te worden gehoord. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde op de rechtbank in Groningen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen.De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.Deze vreemdeling kan in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van bewaring\n\n4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\n4.1.. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\nb. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\nc. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\nd. onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt in verband met zijn aanvraag om toelating met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend.\n\nf. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;\n\np. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vbheeft gehouden;\n\nq. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\nt. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.\n\nVoortraject\n\n5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de bewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.\n\nGrondslag\n\n6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op\n\n13 augustus 2021 een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd gekregen. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.\n\nGronden\n\n7. De minister heeft ter zitting de gronden f en t laten vallen.\n\n8. Eiser stelt zich op het standpunt dat grond c hem niet kan worden tegengeworpen, omdat hij een origineel en echt paspoort heeft overhandigd waarmee een vlucht is geboekt. Daarom kan hem niet worden verweten dat hij onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Ook betwist eiser dat hij onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit of nationaliteit en dat het eerder aan hem verstrekte visum door hem voor een ander doel is gebruikt dan waarvoor het is verleend (grond d).\n\n9. De rechtbank stelt vast dat zowel uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling als uit de beschikking van 13 augustus 2021 en het besluit op bezwaar van 13 januari 2022 volgt dat eiser gebruik heeft gemaakt van meerdere aliassen. Eiser heeft gebruik gemaakt van een rijbewijs met een andere naam dan op zijn paspoort. Eiser verschaft hiermee en ook anderszins geen duidelijkheid over de juiste persoonsgegevens. Hiermee zijn gronden c en d feitelijk juist. Ook de overige gronden, met uitzondering van de gronden f en t, zijn terecht aan eiser tegengeworpen en onderbouwen het risico op onttrekking.\n\nLichter middel\n\n10. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het risico op onttrekking is gegeven.\n\n10.1.. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.\n\nVoortvarendheid\n\n11. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 26 juni 2026 is voor eiser een vlucht aangevraagd. Op dezelfde dag is met eiser een vertrekgesprek gevoerd. Op 29 juni 2026 is de vlucht geboekt voor 3 juli 2026. De minister heeft eiser hierover op 30 juni 2026 geïnformeerd in een vertrekgesprek. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.\n\nZicht op uitzetting\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Albanië bestaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Hierbij is van belang dat eiser beschikt over een geldig reisdocument, en dat er een vlucht voor hem is geboekt voor 3 juli 2026.\n\nConclusie en gevolgen.\n\n13. De rechtbank ziet verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel, gelet op de 6 maanden-termijn en de beoordeling van het non-refoulementbeginsel, onrechtmatig is.\n\n14. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Hierna: bewaring.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.\n\n Vreemdelingebesluit 2000.\n\n Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18553","2026-07-13T00:29:36.268Z",{"id":102,"ecli":103,"slug":104,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":90,"fullText":105,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":106,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":52,"updatedAt":107},"1645","ECLI:NL:RBDHA:2026:18535","ecli-nl-rbdha-2026-18535","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35577\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam] eiser\n\nV-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft op 14 juni 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nDeze maatregel duurt nog voort.\n\n1.1.. \n\nEiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring op 26 juni 2026\n\nberoep ingesteld en daarbij verzocht om schadevergoeding. Op 1 juli 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend.\n\n1.2.. De minister heeft op 1 juli 2026 een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld.\n\nHieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser via beeldverbinding (Teams) en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De minister betoogt dat het beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat\n\nuit het pro forma beroep en de beroepsgronden van eiser duidelijk blijkt dat het is gericht tegen de maatregel van bewaring van 14 juni 2026 en de maatregel al door de rechtbank in haar uitspraak van 25 juni 2026 is beoordeeld.\n\n2.1.. \n\nDit betoog slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat uit het format van het pro\n\nforma beroepschrift blijkt dat het gaat om een vervolgberoep en dat uit de nadere gronden kan worden afgeleid dat het vervolgberoep in verband staat met de al eerder opgelegde bewaringsmaatregel van 14 juni 2026. Verder vergt de vraag of de beroepsgronden kans van slagen hebben, een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank en staat deze vraag los van de ontvankelijkheid. De rechtbank zal derhalve het beroep verder inhoudelijk beoordelen.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij de maatregel van bewaring al eerder heeft beoordeeld. Uit de uitspraak van 25 juni 2026volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was.\n\n3.1.. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden die eiser op 1 juli 2026 heeft ingediend, al naar voren hadden moeten worden gebracht in de procedure over de bewaringsmaatregel van 14 juni 2026 dan wel al zijn beoordeeld door de rechtbank in de uitspraak van 25 juni 2026 en ongegrond zijn verklaard. Als eiser het met die uitspraak niet eens is, waaronder zijn betoog dat verband houdt met het overgangsrecht, dient eiser in hoger beroep tegen die uitspraak aan de orde te stellen. De minister heeft op zitting meegedeeld dat uit zijn systeem niet blijkt dat er hoger beroep is ingesteld. Dat er geen hoger beroep is ingesteld komt voor rekening en risico van eiser.\n\n4. Gezien het voorgaande staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring\n\nrechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 19 juni 2026.\n\n4.1.. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n4.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de voortduring van de bewaring niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\n5. De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond die verband houdt met het overgangsrecht, geen doel treft, omdat deze in deze procedure over het volgberoep en de daarmee verband houdende beoordelingsperiode van 19 juni tot 3 juli 2026, niet meer naar voren kan worden gebracht.\n\n6. De rechtbank stelt verder vast dat er gedurende de onderhavige beoordelingsperiode nog steeds sprake is van zicht op uitzetting en dat de minister voortvarend handelt. De minister heeft op 24 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd.\n\n7. In haar uitspraak van 25 juni 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. De enkele stelling van eiser op zitting dat hij last heeft van depressieve en andere mentale klachten en verzoekt om clementie, is niet onderbouwd respectievelijk faalt en maakt niet dat thans wel een lichter middel moet worden opgelegd. De rechtbank overweegt verder dat eiser zich voor zijn medische en psychische klachten kan wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum. Ook thans is niet gesteld noch gebleken, dat de medische voorzieningen in het detentiecentrum voor eiser ontoereikend zijn.\n\n8. De rechtbank ziet verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geworden. Eisers stelling dat eiser op dit moment procedureel rechtmatig verblijf heeft en (mede) als gevolg daarvan ten onrechte in bewaring wordt gehouden, is niet aannemelijk gemaakt en door de minister, op deugdelijke wijze betwist. Uit de stukken blijkt dat bij besluit van 13 juni 2026, eisers opvolgende aanvraag om asiel niet ontvankelijk is verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Hierop zijn nog geen beslissingen genomen. Uit de stukken blijkt niet dat eiser gedurende de hier te beoordelen periode van 19 juni tot en met 3 juli 2026 rechtmatig verblijf zou hebben en op een verkeerde grondslag in bewaring zou worden gehouden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tiggelaar, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep mogelijk.\n\n NL26.33312.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18535","2026-07-13T00:29:31.316Z",{"id":109,"ecli":110,"slug":111,"caseNumber":45,"courtId":112,"decisionDate":90,"fullText":113,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":114,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":52,"updatedAt":115},"658","ECLI:NL:RBDHA:2026:18615","ecli-nl-rbdha-2026-18615",60,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34750 en NL26.34805\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 6 juni 2026 heeft de minister aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nHeeft de minister zijn bevoegdheid tot het opleggen van de maatregel van bewaring gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is gegeven?\n\n1. Eiser betoogt allereerst dat bij de oplegging van de maatregel van bewaring sprake is geweest van détournement de pouvoir. De maatregel van bewaring is enkel opgelegd omdat eiser overlast gaf en verward was, maar de crisisdienst hem niet wilde opnemen. Daar is de maatregel van bewaring niet voor bedoeld.\n\n1.1.. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat sprake is van détournement de pouvoir wanneer het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.\n\n1.2.. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 juni 2026 volgt dat bij de politie een melding binnenkwam dat een jongen, eiser, overlast veroorzaakte, verward overkwam en voor het politiebureau stond. Hierop hebben verbalisanten met eiser gesproken. Nadat zij in het politiesysteem zagen dat eiser verwijderbaar was maar dat de vreemdelingenpolitie hier eerder niet op had ingezet, hebben zij eiser weggestuurd. Enkele minuten later zagen de verbalisanten echter dat eiser voor het politiebureau zich al zwaaiend met een deksel van een prullenbak naar een man bewoog. Hierop hebben de verbalisanten eiser in de hal van het politiebureau gezet. Nadat de crisisdienst liet weten eiser niet op te nemen, is hij aangehouden voor verstoring van de openbare orde.\n\n1.3.. De rechtbank is van oordeel dat uit deze gang van zaken volgt dat sprake is van een strafrechtelijke aanhouding. Dit betekent dat de rechtbank de beslissing om eiser aan te houden en na afronding van het strafrechtelijke traject over te dragen aan de vreemdelingenpolitie, niet op juistheid kan toetsen.De bewaringsrechter is namelijk niet bevoegd te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Bovendien is het niet de minister van Asiel en Migratie die beslissingen neemt in het strafrechtelijke voortraject. In die zin kan de beslissing om eiser aan te houden nadat een overdracht aan de crisisdienst niet mogelijk bleek, niet aan de minister worden toegerekend. Van misbruik van bevoegdheid bij het vervolgens opleggen van de maatregel van bewaring is dan ook geen sprake. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord en de minister heeft vervolgens een eigen afweging gemaakt om eiser in bewaring te stellen.\n\nBestaat er zich op uitzetting?\n\n2. Eiser betoogt verder dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn geval ontbreekt. Hij is al vanaf 2018 in aanraking gekomen met justitie, maar de vreemdelingenpolitie heeft nooit een poging ondernomen om eiser uit te zetten. Hieruit volgt dat uitzetting waarschijnlijk niet zal slagen en dat de kans dat een laissez-passer (lp) zal worden afgegeven daarom ook klein is. Bovendien heeft eiser als minderjarige Marokko verlaten en geen identificerende documenten. Het is daarom maar de vraag of hij geregistreerd staat in Marokko.\n\n2.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn algemeenheid niet ontbreekt.Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat dit in het specifieke geval van eiser anders is. Het enkele feit dat niet eerder een poging is ondernomen om eiser uit te zetten, betekent niet dat alleen daarom zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser heeft bovendien op geen enkele manier onderbouwd dat minderjarigen in Marokko niet zijn geregistreerd, en dat het daarom onwaarschijnlijk is dat aan eiser een lp zal worden verstrekt.\n\n2.2.. Het betoog van eiser dat vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting geen aanvullend terugkeerbesluit opgelegd had kunnen worden, slaagt daarom evenmin.\n\nHeeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?\n\n3. Eiser betoogt tot slot dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld voorafgaand aan de inbewaringstelling. De minister had al uitzettingshandelingen moeten verrichten tijdens de diverse eerdere straftrajecten.\n\n3.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld sinds de inbewaringstelling van eiser. Eiser is op 6 juni 2026 in bewaring gesteld en vier dagen later, op 10 juni 2026, heeft een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Op 17 juni 2026 is vervolgens een lp-aanvraag ingediend en op de zitting heeft de minister toegelicht dat op 26 juni 2026 is gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat de minister ook al voor de inbewaringstelling uitzettingshandelingen had moeten verrichten, volgt de rechtbank niet. In zoverre eiser in dat kader wijst op paragraaf A5\u002F6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 waaruit volgt dat de minister een inspanningsverplichting heeft om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie zoveel mogelijk te beperken, oordeelt de rechtbank dat deze inspanningsverplichting in dit geval niet geldt. In geval van eiser is namelijk geen sprake van een periode van strafrechtelijke detentie direct voorafgaand aan de inbewaringstelling.\n\nLeidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af..\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.\n\n ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190.\n\n Zie ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ABRvS 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X), HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18615","2026-07-13T00:28:41.586Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":90,"fullText":120,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":52,"updatedAt":122},"1695","ECLI:NL:RBDHA:2026:18548","ecli-nl-rbdha-2026-18548","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35373\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker,\n\ngeboren op [geboortedatum],\n\nvan Algerijnse nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. T. Esen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: L. Ploeger).\n\nInleiding\n\n1. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten. Hij heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen de bewaringsmaatregel van 25 juni 2026. Verzoeker heeft zijn beroep ingetrokken, omdat de minister de maatregel op 1 juli 2026 heeft opgeheven en aan verzoeker schadevergoeding heeft aangeboden.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.Overwegingen\n\n2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.De rechtbank komt alleen aan een proceskostenveroordeling toe als de intrekking van het beroep plaatsvond wegens (gedeeltelijke) tegemoetkoming door het bestuursorgaan aan de betrokkene.\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat verzoeker geen recht heeft op vergoeding van zijn proceskosten. De maatregel van bewaring van 25 juni 2026 is door middel van een kennisgeving vanuit de minister aan de rechtbank ter toetsing voorgelegd, en niet door middel van een door verzoeker ingesteld beroep. Ook zijn er door verzoeker geen gronden ingediend. Dit maakt dat verzoeker geen proceshandelingen heeft verricht die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in aanmerking komen voor vergoeding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Dit volgt uit artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18548","2026-07-13T00:29:34.053Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":45,"courtId":73,"decisionDate":90,"fullText":127,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":52,"updatedAt":129},"1725","ECLI:NL:RBDHA:2026:18570","ecli-nl-rbdha-2026-18570","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35733\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. K. Bruin).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 28 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.\n\nVerweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw (Vreemdelingenwet 2000) van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Ophouding\n\nEiser voert ter zitting aan dat hij op de onjuiste grondslag is opgehouden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw omdat zijn identiteit niet direct kon worden vastgesteld. Na eisers aanhouding is zijn identiteit op het bureau onmiddellijk vastgesteld. Eisers identiteit was daarmee wel bekend bij verweerder. Te meer omdat hij eerder in bewaring is gesteld.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat eisers ophouding op een juiste grondslag heeft plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van aanhouding van 27 juni 2026 volgt dat eiser ten tijde van zijn staandehouding niet beschikte over identificerende documenten en zich niet onmiddellijk kon legitimeren. In zoverre kon eisers identiteit niet onmiddellijk worden vastgesteld. Dat de verbalisanten na aankomst op het bureau in het kader van het strafrechtelijk voortraject hebben vastgesteld wie eiser is, maakt niet dat zijn identiteit daarmee onmiddellijk kon worden vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nMaatregel van bewaring\n\n4. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.De vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op de grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb zich voordoen.\n\n5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als gronden vermeld dat eiser:\n\na. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h) heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n6. Eiser voert aan dat de gronden van de maatregel in algemene zin onvoldoende zijn gemotiveerd. In de gronden wordt steeds verwezen naar omstandigheden uit 2024 en 2025, terwijl eiser op basis van die omstandigheden in het verleden al in bewaring is gesteld.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarmee kan worden aangenomen dat er een risico bestaat op onderduiken en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Lichter middel\n\n8. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen bij het opleggen van de maatregel van bewaring en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom verweerder niet heeft kunnen volstaan met een lichter middel. De eerder aan eiser opgelegde maatregel van bewaring is opgeheven na een belangenafweging en verweerder heeft niet heeft beoordeeld of deze belangen nog actueel zijn.\n\n9. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast om het risico op onderduiken te ondervangen. Anders dan eiser aanvoert heeft verweerder alle door eiser naar voren gebrachte omstandigheden betrokken. Eiser heeft ter zitting niet geconcretiseerd welke belangen verweerder anders had moeten betrekken bij deze beoordeling. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.\n\nAmbtshalve toets\n\n10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.Conclusie\n\n11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 6 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18570","2026-07-13T00:29:35.958Z",{"id":131,"ecli":132,"slug":133,"caseNumber":45,"courtId":112,"decisionDate":90,"fullText":134,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":135,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":52,"updatedAt":136},"657","ECLI:NL:RBDHA:2026:18527","ecli-nl-rbdha-2026-18527","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35099\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie.\n\nProcesverloop\n\n1. De minister heeft op 17 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\n1.1.. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft zij beslist bij uitspraak van 23 april 2026en op het eerste vervolgberoep heeft zij beslist bij uitspraak van 10 juni 2026.\n\n1.3.. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Daaruit blijkt dat de bewaring van eiser op 22 juni 2026 is opgeheven. Eiser heeft gereageerd op de voortgangsrapportage en de opheffing van de maatregel.\n\n1.4.. De rechtbank heeft op 1 juli 2026 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\n2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 3 juni 2026.\n\n4. Eiser voert aan dat, hoewel de bewaring op 22 juni 2026 is opgeheven omdat het belang van eiser zwaarder is gaan wegen dan het belang van de minister, deze belangenafweging in het voordeel van eiser eerder dan 22 juni 2026 had moeten plaatsvinden. Volgens eiser is er namelijk niets veranderd in zijn situatie met betrekking tot zijn uitzetting: hij heeft consequent verklaard niet mee te willen werken aan zijn uitzetting en presentatie in persoon. Er was op 30 juni 2026 nog een presentatie gepland voor eiser. Onduidelijk is waarom deze presentatie niet meer is afgewacht alvorens de bewaring op te heffen.\n\n4.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen eerder op te heffen. Eiser heeft dit ook niet concreet gemaakt; hij heeft enkel aangevoerd dat hij eerder niet meewerkte aan zijn uitzetting en tot aan opheffing van bewaring nog steeds niet wilde meewerken aan zijn uitzetting. Uit het dossier volgt dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser heeft gewerkt tot het moment waarop is geconcludeerd dat het belang van eiser zwaarder ging wegen dan het belang van de minister. Er is immers op 9 maart 2026 een laissez-passer aangevraagd bij de Gambiaanse autoriteiten, waarna er veelvuldig is gerappelleerd. Daarnaast is geprobeerd eiser op 14 april 2026 te presenteren bij de Gambiaanse autoriteiten. Eiser is daar niet verschenen. Ook hebben er zes vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden, waarvan de laatste op 22 juni 2026. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\n5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid\n\nvan mr. M.H. Dijkman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Rb. Den Haag, zp. Arnhem 23 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9810.\n\n Rb. Den Haag, zp. Arnhem 10 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16560.\n\n Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18527","2026-07-13T00:28:41.552Z",{"id":138,"ecli":139,"slug":140,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":90,"fullText":141,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":142,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":52,"updatedAt":143},"1520","ECLI:NL:RBDHA:2026:18513","ecli-nl-rbdha-2026-18513","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.29972 en NL26.30215\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam 1], eiseres,\n\nV-nummer: [nummer 1],\n\n(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),\n\nmede namens haar minderjarige kind:\n\n [naam 2]\n\nV-nummer: [nummer 2]\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\nProcesverloop\n\n1. Bij besluit van 28 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van beperking van de vrijheid opgelegd,zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 29 mei 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\n1.2.. De minister heeft de vrijheidsbeperkende maatregel per 1 juni 2026 beëindigd, vanwege continuering van opvang op het AZC.\n\n1.3.. Eiseres heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 juni 2026 ingetrokken en de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseres.\n\n1.4.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.\n\nOverwegingen\n\n2. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten veroordelen.\n\n3. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816, en van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487) is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit wegens nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan wel nadien verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende informatie houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een kostenveroordeling.\n\n4. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het instellen van beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, deze maatregel nog heeft voortbestaan en pas na het indienen van beroep is beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank is er gelet op de mededeling van de minister dat er sprake is van continuering van de opvang op het AZC, sprake van tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Voornoemde tegemoetkoming vormt naar het oordeel van de rechtbank grond voor een proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst het verzoek daarom toe.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De rechtbank wijst het verzoek om verzoek om vergoeding van de proceskosten toe.\n\n6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten verband houdend met het indienen van een beroepschrift en een verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1868,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tigglaar, griffier.\n\nDe uitspraak is bekend gemaakt en openbaar gemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18513","2026-07-13T00:29:25.207Z",{"id":145,"ecli":146,"slug":147,"caseNumber":45,"courtId":82,"decisionDate":148,"fullText":149,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":150,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":52,"updatedAt":151},"907","ECLI:NL:RBDHA:2026:18494","ecli-nl-rbdha-2026-18494","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.34569, NL26.33949 en NL26.34523\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. F. Schoot).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over zowel het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar, als de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met deze besluiten en heeft daarnaast ook beroep ingesteld tegen de aan de vreemdelingenbewaring voorafgaande ophouding op grond van artikel 50 van de Vw. Eiser voert tegen de bestreden besluiten een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit, het inreisverbod, de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring. Ook gaat de rechtbank in op de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod niet-ontvankelijk is en dat de beroepen tegen de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring ongegrond zijn. Er is ook geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 11 mei 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2001, een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Op 19 juni 2026 heeft de minister eiser gedurende ruim vier uur opgehouden op grond van artikel 50 van de Vw en hem aansluitend daarop de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Vervolgens heeft de minister de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring\n\nin kennis gesteld.\n\n2.1.. Eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaringen heeft tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod beroep ingesteld. Ook heeft eiser beroep ingesteld tegen de ophouding. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Lazar als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank van het terugkeerbesluit en inreisverbod\n\n3. De rechtbank constateert dat het terugkeerbesluit en inreisverbod deel uitmaken van het meeromvattende (asiel)besluit van 11 mei 2026. Omdat eiser de beslissing op zijn asielaanvraag niet heeft afgewacht en met onbekende bestemming is vertrokken is dat besluit gepubliceerd in de Staatscourant van 18 mei 2026, waarmee het besluit op rechtsgeldige wijze bekend is gemaakt. Eiser had een week de tijd om tegen dat besluit beroep in te stellen, maar hij heeft pas beroep ingesteld op 22 juni 2026. Eiser heeft dus niet tijdig beroep ingesteld.\n\n3.1.. Eiser stelt dat het niet aan hem te wijten is dat hij niet tijdig beroep heeft ingesteld, omdat het besluit niet aan hem in persoon is uitgereikt.\n\n3.2.. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding om de overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten. Dat het besluit van 11 mei 2026 niet aan eiser in persoon is uitgereikt, is een logisch gevolg van het feit dat eiser destijds al met onbekende bestemming was vertrokken. Door publicatie in de Staatscourant moet eiser worden geacht toch op de hoogte te zijn van dat besluit. Dat eiser in werkelijkheid geen kennis heeft genomen van het besluit komt voor zijn rekening en risico. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\n3.3.. Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. Ook als eiser wel tijdig beroep zou hebben ingesteld zou dat in deze procedure niet hebben kunnen leiden tot een inhoudelijke beoordeling, nu het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod moet worden gezien als een beroep tegen het meeromvattende besluit van 11 mei 2026. Het terugkeerbesluit en inreisverbod maken daar immers deel van uit. De in artikel 94 van de Vw gestelde korte termijnen staan aan een zorgvuldige toetsing door de rechtbank van een meeromvattende beschikking samen met een maatregel van bewaring in de weg.\n\nBeoordeling door de rechtbank van de ophouding\n\n4. Eiser heeft de rechtmatigheid van de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw niet betwist. Het beroep daartegen is ongegrond.\n\nBeoordeling door de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\n3.1.. \n\nIn de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n3.2.. Eiser betwist niet dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen, maar hij betoogt dat de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring ten onrechte geen opgave heeft gedaan van de juridische grondslag. Het enkel vermelden van artikel 59 van de Vw is volgens eiser onvoldoende, nu in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) immers verder is uitgewerkt in welke gevallen de maatregel kan worden toegepast en in de maatregel niet expliciet is verwezen naar de van toepassing zijnde artikelen van het Vb. Ook worden in de maatregel de Vreemdelingenwet en het Voorschrift Vreemdelingen enkel aangeduid met afkortingen. Volgens eiser maakt dit gebrek de maatregel onrechtmatig en is er ook aanleiding om in dat verband prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.\n\n3.3.. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Zoals de Afdeling al heeft overwogen in de uitspraak van 13 mei 2019dient onderscheid te worden gemaakt tussen de juridische (of: wettelijke) grondslag en de feitelijke gronden. De wettelijke grondslag is algemeen en dwingend van aard en er is in bepaald wie met toepassing van welk vereiste of welke vereisten kan worden gedetineerd. Een feitelijke grond is een feitelijke en op de persoon van de vreemdeling toegespitste toelichting, waaruit volgt dat en waarom aan de in de wettelijke grondslag gestelde vereisten is voldaan. De rechtbank leidt hieruit af dat de minister in de maatregel de wettelijke grondslag dient te vermelden en dat een feitelijke en op de persoon toegespitste toelichting dient te worden gegeven. Daaraan is in eisers geval voldaan. De minister heeft in de maatregel vermeld dat eiser op grond van artikel 59, van de Vw in bewaring wordt gesteld en heeft daaronder een feitelijke en op de persoon van eiser toegespitste toelichting gegeven. Bij elke afzonderlijke feitelijke grond is immers toegelicht waarom die grond in het geval van eiser kan worden tegengeworpen. De rechtbank acht die toelichting voldoende, wat eiser overigens ook niet heeft betwist, en is van oordeel dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen. Er bestaat geen verplichting om daarnaast nog melding te maken van de artikelen waarin de criteria voor de inbewaringstelling nader zijn uitgewerkt. Dat dit, zoals eiser onderbouwd heeft gesteld, bij de inbewaringstellingen van andere vreemdelingen soms wel gebeurt, maakt dit niet anders noch willekeurig.\n\n3.4.. Gelet op voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.\n\nLeidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is niet-ontvankelijk en de beroepen tegen de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod (NL26.34523)\n\nniet-ontvankelijk;\n\n- verklaart de beroepen tegen de ophouding (NL26.34506) en de maatregel van vreemdelingenbewaring (NL26.34569) ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van\n\nD.P. van Middelkoop, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. In het geval van de maatregel van vreemdelingenbewaring moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. In het geval van het terugkeerbesluit en inreisverbod bedraagt die termijn vier weken.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.\n\nStcrt.2026, 18598.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)\n\nvan 27 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1190.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1528.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18494","2026-07-13T00:28:54.047Z",{"id":153,"ecli":154,"slug":155,"caseNumber":45,"courtId":82,"decisionDate":148,"fullText":156,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":157,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":52,"updatedAt":158},"906","ECLI:NL:RBDHA:2026:18493","ecli-nl-rbdha-2026-18493","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.34263\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. Timmer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. F. Schoot).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 19 juni 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1998, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Lazar als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\n3.1.. \n\nIn de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n3.2.. Eiser betwist niet dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen. Eiser betoogt echter dat de maatregel onrechtmatig is omdat uit de motivering in de maatregel niet blijkt dat de minister heeft meegewogen dat eiser in Spanje een beroep heeft gedaan op de recente regularisatieregeling.\n\n3.3.. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond niet slaagt. In de maatregel heeft de minister overwogen dat eisers verklaring dat hij een verblijfsaanvraag in Spanje heeft lopen is meegenomen in de beslissing. Volgens de minister maakt dat de vreemdelingenbewaring niet onevenredig bezwarend, omdat eiser de beslissing op die aanvraag niet heeft afgewacht en naar Nederland is gekomen, omdat hij liever in Nederland wil verblijven. Deze motivering acht de rechtbank toereikend, mede gelet op het feit dat eiser zelf ook heeft verklaard geen rechtmatig verblijf te hebben in Spanje. Zijn stelling dat de kans groot is dat hij een verblijfsvergunning krijgt in Spanje leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat eiser die stelling niet nader heeft onderbouwd. Er is geen sprake van een motiveringsgebrek.\n\nLeidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van\n\nD.P. van Middelkoop, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18493","2026-07-13T00:28:54.009Z",{"id":160,"ecli":161,"slug":162,"caseNumber":45,"courtId":163,"decisionDate":148,"fullText":164,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":165,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":52,"updatedAt":166},"1568","ECLI:NL:RBDHA:2026:18519","ecli-nl-rbdha-2026-18519",72,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35195\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\n(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).\n\nProcesverloop\n\n1. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n1.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft partijen op 25 juni 2026 uitgenodigd voor de behandeling van de zaak op zitting. Partijen hebben vervolgens ingestemd met schriftelijke afdoening van de zaak en de behandeling ter zitting op 25 juni 2026 is niet door gegaan.\n\n1.3.. Eiser heeft op 29 juni 2026 beroepsgronden ingediend. De minister heeft daarop op 1 juli 2026 gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 3 juli 2026 gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nKan de kennisgeving van de minister worden ingetrokken door eiser?\n\nFeiten en omstandigheden\n\n2. Nadat de rechtbank de kennisgeving van de inbewaringstelling van eiser had ontvangen, is onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting bepaald.Gemachtigde van eiser heeft daarop contact opgenomen met de rechtbank en aangegeven dat hij op dat tijdstip verhinderd is. De dag van de zitting heeft hij, verdeeld over het land, meerdere bewaringszittingen en van hem kan niet verwacht worden dat hij overal kan verschijnen. Gemachtigde van eiser heeft aangegeven de zaak te willen intrekken en heeft vervolgens een intrekkingsverklaring aan het digitale dossier toegevoegd. De rechtbank heeft daarop contact opgenomen met de gemachtigde van eiser en aangegeven dat de behandeling van de zaak wordt voorgezet, ondanks de aan het digitale dossier toegevoegde intrekkingsverklaring. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens verzocht de zaak schriftelijk te behandelen. De minister heeft ingestemd met schriftelijke behandeling.\n\nStandpunt eiser\n\n3. In de gronden van beroep van 29 juni 2026 persisteert eiser bij zijn intrekking. Namens eiser is nogmaals aangegeven dat het voor zijn gemachtigde niet mogelijk is om op meerdere plaatsen tegelijkertijd op bewaringszittingen te verschijnen en in dat kader wordt gewezen op de (on)mogelijkheden voor het CIV om meerdere zaken van één gemachtigde gebundeld te laten plannen bij een zittingsplaats. Indien de intrekking door de rechtbank niet wordt geaccepteerd dan hoort eiser graag waarom dat zo is en verzoekt hij de rechtbank de maatregel van bewaring ambtshalve te beoordelen.\n\nStandpunt minister\n\n4. De minister stelt zich op het standpunt dat, gelet op artikel 94, vijfde lid van de Vw 2000 en artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijnhet beroep door middel van een kennisgeving niet kan worden ingetrokken door (de gemachtigde van) de vreemdeling. Op het moment dat een kennisgeving door (de gemachtigde van) de vreemdeling kan worden ingetrokken, heeft dat tot gevolg dat de rechtmatigheid van de bewaring niet (meer) door de rechter wordt getoetst. Dit is strijdig met artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn omdat de rechtmatigheid van de bewaring in een dergelijk geval ongetoetst blijft.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. Bij deze beoordeling gaat het om een maateregel van bewaring die is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 en deze maatregel van bewaring duurde tot het moment van sluiting van het onderzoek nog voort.\n\n5.1.. Omdat het gaat om een maatregel op grond van artikel 59b van de Vw 2000 is de Opvangrichtlijn van toepassing. Uit artikel 11, tweede lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat bewaring wordt bevolen door rechterlijke of administratieve instanties. Artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn bepaalt dat wanneer de bewaring wordt bevolen door een administratieve instantie, de lidstaten er ambtshalve of op verzoek van de verzoeker, of beide, voor zorgen dat de rechtmatigheid van de bewaring door de rechter met spoed wordt getoetst.\n\n5.2.. In artikel 94, eerste lid van de Vw 2000 is opgenomen dat de minister onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikel 59b van de Vw 2000 de rechtbank hiervan in kennis stelt.\n\n5.3.. Dit betekent dat de wetgever ervoor gekozen heeft de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring ambtshalve aan de rechter voor te leggen door middel van het verzenden van een kennisgeving. De mogelijkheid voor het instellen van beroep door de vreemdeling is niet (meer) opgenomen in de Vw 2000. Dat dit een bewuste keuze is, blijkt expliciet uit de Memorie van Toelichting (MvT)waarin is opgenomen dat:\n\n“In dit wetsvoorstel wordt artikel 94, eerste lid, Vw 2000 aangepast aan de keuze van de regering om enkel ambtshalve beroep open te stellen tegen een vrijheidsontnemende maatregel. De vreemdeling hoeft daardoor niet zelf beroep in te stellen. In verband met de kortere uitspraaktermijn in bewaringszaken wordt in het voorgestelde artikel 94, eerste lid, Vw 2000 opgenomen dat de Minister van Asiel en Migratie de rechtbank onverwijld in kennis stelt van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel na de bekendmaking daarvan.\n\nAanvankelijk werd beoogd zowel de ambtshalve toetsing door de rechter als de mogelijkheid voor de vreemdeling om zelf beroep in te stellen, open te houden. Naar aanleiding van de consultatiereacties, in het bijzonder met betrekking tot de uitvoerbaarheid, kiest de regering ervoor alleen nog de ambtshalve toetsing door de rechter te behouden, waarbij de rechtbank onverwijld na de bekendmaking in kennis wordt gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Dit levert namelijk minder administratieve lasten op voor de uitvoering en de rechtspraak en zorgt ervoor dat de kortere uitspraaktermijn optimaal kan worden benut.”\n\n5.4.. Gelet op de bewoordingen van artikel 11 van de Opvangrichtlijn, waarin is aangegeven dat de lidstaat er ambtshalve ofop verzoek van de verzoeker,ofbeide voor zorgdraagt dat de rechtmatigheid van de bewaring zo spoedig mogelijk wordt getoetst, heeft de wetgever er dus voor kunnen kiezen het eerste beroep ter toetsing van de inbewaringstelling telkens in te leiden met een kennisgeving en daarmee alleen de ambtshalve weg open te stellen.\n\n5.5.. Ter waarborging van de spoedige rechterlijke toetsing is in artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn eveneens bepaald dat deze toets zo snel mogelijk wordt afgerond, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval, en uiterlijk 15 dagen of, in uitzonderlijke omstandigheden, uiterlijk 21 dagen na de aanvang van de bewaring. Indien de in de eerste alinea bedoelde rechterlijke toetsing ambtshalve wordt uitgevoerd en niet binnen 21 dagen na de aanvang van de bewaring is afgerond, wordt de betrokken verzoeker onmiddellijk vrijgelaten. Deze bepalingen uit de Opvangrichtlijn zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000.\n\n5.6.. Voorgaande betekent dat de spoedige rechtelijke toetsing van het opleggen van de maatregel van bewaring alleen kan worden ingeleid via de kennisgeving daarvan door de minister en dat met deze kennisgeving vervolgens ook de verplichting ontstaat voor de rechtbank om de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring te toetsen.\n\n5.7.. Hoewel in artikel 94, eerste lid, tweede volzin van de Vw 2000 is bepaald dat wanneer de kennisgeving is ontvangen, de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld, betekent dit niet dat het de vreemdeling ook vrijstaat de met een beroep gelijkgestelde kennisgeving in te trekken. Als deze mogelijkheid open zou staan dan wordt het de rechtbank onmogelijk gemaakt te voldoen aan de bepalingen uit de Opvangrichtlijn zoals deze zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid van de Vw 2000. De rechtbank kan dan immers niet binnen 15, uiterlijk 21 dagen de rechterlijke toetsing uitvoeren. De consequentie daarvan is dat de maatregel van bewaring moet worden opgeheven na 21 dagen.\n\n5.8.. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar het arrest C.B.X. (ambtshalve toetsing van de bewaring) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Hoewel dit arrest is gewezen onder de werking van de inmiddels herziene Opvangrichtlijn van 2013, gelden de uitgangspunten uit dat arrest onverkort. In de punten 92 en 93 van het arrest benadrukt het Hof dat, het door de Uniewetgever vastgestelde strikte kader voor bewaring en voortduring van een bewaringsmaatregel, tot een situatie leidt die niet geheel te vergelijken valt met een bestuursrechtelijk geschil waarin het initiatief en de afbakening van het geschil bij de partijen berusten. Voor de rechterlijke autoriteit geldt de verplichting om ambtshalve vast te stellen of een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van een dergelijke maatregel niet is nageleefd. De rechtbank overweegt dat, nu alleen met het verzenden van de kennisgeving de maatregel van bewaring aan de rechtbank ter toetsing kan worden voorgelegd, de rechtbank de rechtmatigheid daarvan ook alleen via die weg kan en ook moet beoordelen. Dat in bestuursrechtelijke geschillen een ingesteld beroep kan worden ingetrokken, doet niet af aan de uit de Opvangrichtlijn volgende verplichting voor de rechterlijke autoriteit om een aan de rechtbank voorgelegde maatregel van bewaring, spoedig te toetsen, ook al heeft de vreemdeling daaraan -kennelijk- geen behoefte.\n\n5.9.. Daarbij komt dat de door het Hof genoemde strikte kaders met de huidige Opvangrichtlijn nog strikter zijn geworden, nu een niet tijdige rechterlijke toets tot onmiddellijke invrijheidsstelling leidt. Een mogelijkheid voor de vreemdeling om deze rechtelijke toets onmogelijk te maken door de met een beroep gelijkgestelde kennisgeving in te trekken en daarmee zijn invrijheidstelling te bewerkstelligen, verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet met de doelstellingen van het Unierecht.\n\n5.10.. Dit betekent dat de rechtbank, in ieder geval zolang de vrijheidsontneming nog voortduurt, de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring die is ingeleid met de kennisgeving moet kunnen toetsen, ook als de vreemdeling daarop geen prijs stelt en de kennisgeving, die wordt aangemerkt als een beroep, wil intrekken.\n\n5.11.. In de concrete zaak van eiser betekent dit dat de rechtbank, nu eiser geen inhoudelijke gronden heeft ingediend, het opleggen en het voortduren van de maatregel ambtshalve zal beoordelen.\n\n5.12.. Naar aanleiding van het standpunt van de gemachtigde van eiser dat hij niet in staat was te verschijnen op de door de rechtbank geplande zitting en daarom geen andere keuze had dan een intrekkingsverklaring aan het digitale dossier toevoegen, merkt de rechtbank nog het volgende op. De gemachtigde had in dat geval had kunnen verzoeken om verplaatsing van de zitting naar een andere dag of tijdstip of, zoals uiteindelijk ook is gebeurd, in overleg met eiser kunnen verzoeken de zaak schriftelijk af te doen.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n6. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de identiteit of nationaliteit en het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico.\n\n6.1.. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nb. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\nc. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\nd. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;\n\np. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\nq. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\nKunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet betwist. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden, bezien in samenhang met de daarop in de maatregel gegeven toelichting, het bestaan van een risico op onderduiken dragen.\n\nLeidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?\n\n8. De rechtbank overweegt dat ook de ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet tot de conclusie leidt dat het opleggen van de maatregel en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek onrechtmatig was.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 juli 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.\n\n Dit volgt uit artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000.\n\n Richtlijn (EU) 2024\u002F1346 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming\n\n MvT, 2025-2026, 36 871, nr. 3, pagina 84 e.v.\n\n Arrest van 8 november 2022, C, B, en X, ECLI:EU:C:2022:858\n\n Richtlijn 2013\u002F33\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking)\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18519","2026-07-13T00:29:27.508Z",{"id":168,"ecli":169,"slug":170,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":148,"fullText":171,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":172,"sourceTimestamp":148,"parsedAt":52,"updatedAt":173},"1877","ECLI:NL:RBDHA:2026:18270","ecli-nl-rbdha-2026-18270","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34986\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft op 27 mei 2026 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.\n\n1.1.. De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld op 24 juni 2026. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft schriftelijk verklaard afstand te doen van het recht om op zitting te verschijnen en was om die reden niet aanwezig. Uit het dossier blijkt verder dat eiseres geen advocaat wenst om haar bij te staan. De gemachtigde van de minister heeft wel aan de zitting deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:\n\n(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;\n\n(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vbheeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.\n\n2.1.. De minister heeft op de zitting de zware grond 3d laten vallen.\n\n2.2.. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.\n\n2.3.. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.\n\nVoortraject\n\n3. De rechtbank stelt vast dat eiseres de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.\n\nGrondslag\n\n4. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft. Eiseres heeft op\n\n11 januari 2024 een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd gekregen. Eiseres valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.\n\nGronden\n\n5. De rechtbank stelt vast dat deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 2 april 2026de zware gronden en de lichte gronden 3a, 3b, 3c, 3i, 4c en 4d reeds rechtmatig heeft bevonden. Nu niet is gebleken dat hoger beroep tegen deze uitspraak is ingesteld, staat de rechtmatigheid van deze gronden in rechte vast. De rechtbank is mede gelet daarop van oordeel dat deze zware en lichte gronden in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, nog steeds voldoende zijn om ook de onderhavige maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat en dat eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de gronden 4a, 4b en 4f daarom onbesproken.\n\nLichter middel\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiseres een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het risico op onttrekking is gegeven.\n\n6.1.. Verder is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiseres die de bewaring voor haar onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiseres een lichter middel dan bewaring op te leggen. Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiseres heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg beschikbaar is en dat eiseres, indien deze zorg niet voldoende kan worden geboden, kan worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De rechtbank is verder gebleken dat eiseres ten tijde van de zitting nog verbleef in het psychiatrisch centrum Veldzicht, waar zij dwangmedicatie ontvangt. De rechtbank is van oordeel dat de medische zorg voor eiseres hiermee voldoende is geborgd.\n\nVoortvarendheid\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiseres. De minister heeft op de derde dag van de inbewaringstelling, te weten op 29 mei 2026, een vertrekgesprek met eiseres willen voeren. Dit gesprek heeft geen doorgang kunnen vinden omdat een psycholoog negatief advies had gegeven om dit gesprek met eiseres te voeren. Vervolgens heeft de minister op 3 juni 2026 een vertrekgesprek met eiseres gevoerd. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat op 1 juli 2026 opnieuw een vertrekgesprek met eiseres zal worden gevoerd en dat op 8 juli 2026 een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten staat gepland. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.\n\nZicht op uitzetting\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdelingvan 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt.De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiseres anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiseres te zullen verstrekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.\n\n10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Vreemdelingebesluit 2000.\n\n Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 2 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7602.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ECLI:NL:RVS:2024:2842.\n\n Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18270","2026-07-13T00:29:43.302Z",{"id":175,"ecli":176,"slug":177,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":148,"fullText":178,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":179,"sourceTimestamp":148,"parsedAt":52,"updatedAt":180},"1875","ECLI:NL:RBDHA:2026:18268","ecli-nl-rbdha-2026-18268","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34631\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft op 4 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\n1.1.. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\n1.2.. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op 26 juni 2026 schriftelijk gereageerd, waarna de minister op 30 juni 2026 een verweerschrift heeft ingediend.\n\n1.3.. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijften het onderzoek op 2 juli 2026 gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 mei 2026volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 8 mei 2026.\n\n3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\nWat vindt eiser?\n\n4. Eiser betoogt dat de voortduring van de bewaring onrechtmatig is. Daartoe stelt eiser te lijden aan medische en psychische klachten waarvoor hij onder medische behandeling staat. Gelet hierop is volgens eiser de voortduring van de bewaring voor hem onevenredig zwaar geworden en kan worden volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht, waaraan hij bereid is zich te houden. Daarnaast stelt eiser beroep te hebben ingesteld tegen de negatieve beslissing op zijn artikel 64-aanvraag, welk beroep volgens eiser schorsende werking heeft.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n5. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 26 februari 2026geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. Zoals reeds is overwogen in de eerdere uitspraak, kan eiser zich voor zijn medische en psychische klachten wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum. Niet is gesteld noch is gebleken dat de medische voorzieningen in het detentiecentrum voor eiser ontoereikend zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n5.1.. Ten aanzien van eisers betoog dat hij beroep heeft ingesteld tegen de negatieve beschikking op zijn artikel 64 Vw-aanvraag, overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is gemaakt dat een dergelijk beroep is ingesteld. De minister heeft dit bovendien op zitting uitdrukkelijk betwist. Verder overweegt de rechtbank dat, indien een dergelijk beroep al zou zijn ingesteld, het louter indienen daarvan geen schorsende werking heeft ten aanzien van de uitzetting van eiser. Deze beroepsgrond faalt ook.\n\n5.2.. De rechtbank is verder van oordeel dat zicht op uitzetting naar Nigeria bestaat. Zoals ook in de vorige uitspraken is overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn in zijn algemeenheid niet.Niet is gebleken dat de Nigeriaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken. De minister heeft in zijn reactie op de beroepsgronden toegelicht dat de afdeling DIAheeft aangegeven dat de Nigeriaanse autoriteiten de nationaliteit van eiser hebben bevestigd en dat de ambassade nog wacht op de foto die behoort bij het paspoortnummer dat uit het identiteitsonderzoek naar voren is gekomen. De verwachting is dat daarna, zonder dat een presentatie nodig is, een laissez-passer door de Nigeriaanse autoriteiten zal worden afgegeven.\n\n5.3.. De rechtbank ziet verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 8 mei 2026 op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.\n\n Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, ECLI:NL:RBDHA:2026:11983.\n\n Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, ECLI:NL:RBDHA:2026:3840.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2707) en 27 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2418).\n\n Directie Internationale Aangelegenheden.\n\n Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18268","2026-07-13T00:29:43.205Z",{"id":182,"ecli":183,"slug":184,"caseNumber":45,"courtId":58,"decisionDate":148,"fullText":185,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":186,"sourceTimestamp":148,"parsedAt":52,"updatedAt":187},"1876","ECLI:NL:RBDHA:2026:18269","ecli-nl-rbdha-2026-18269","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34970\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).\n\nInleiding\n\n1. Bij besluit van 23 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vween vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De minister heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n1.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft op 29 juni 2026 een bericht in het dossier geüpload, waarin hij heeft meegedeeld dat eiser afziet van het recht om te worden gehoord en dat de gemachtigde zelf niet op de zitting zal verschijnen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het opleggen en voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Het beroep is ongegrond. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\n3. Eiser is op 23 juni 2026 op Schiphol aangekomen en heeft daar een asielaanvraag ingediend. De minister heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.\n\n4. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vbwordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.\n\nHad de minister een lichter middel moeten opleggen?\n\n5. Eiser voert aan dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is omdat de minister niet heeft beoordeeld of het feit dat zijn vrouw en kinderen in een AZC in Nederland verblijven een bijzondere omstandigheid vormt die op grond van artikel 8 EVRMaanleiding geeft tot het toepassen van een lichter middel.\n\n5.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Uit vaste rechtspraakvolgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.\n\n5.2.. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord. Daarbij heeft hij verklaard dat zijn vrouw en kinderen in Nederland verblijven, dat zij een asielaanvraag hebben lopen en dat zij in een AZC verblijven. De minister heeft deze verklaring betrokken bij de beoordeling of aanleiding bestond een lichter middel toe te passen. Daarbij is overwogen dat het enkele feit dat familieleden in Nederland verblijven niet meebrengt dat eiser feitelijk toegang tot het grondgebied dient te worden verleend of dat van de grensprocedure moet worden afgezien. Verder is overwogen dat eiser als meerderjarige zonder zijn gezinsleden is gereisd, zodat niet is gebleken van een zodanige afhankelijkheidsrelatie met de in Nederland verblijvende familieleden dat de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend is.\n\n5.3.. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, toereikend heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om een lichter middel toe te passen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser niet nader heeft onderbouwd waarom hij vanwege zijn gestelde familie- en gezinsleven al tot Nederland zou moeten worden toegelaten en niet in bewaring zou kunnen blijven. Daarmee zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die maken dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De maatregel kan in het licht van het grensbewakingsbelang in stand blijven.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.\n\n7. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18269","2026-07-13T00:29:43.250Z",{"id":189,"ecli":190,"slug":191,"caseNumber":45,"courtId":73,"decisionDate":148,"fullText":192,"summary":45,"language":49,"source":50,"sourceUrl":193,"sourceTimestamp":148,"parsedAt":52,"updatedAt":194},"1756","ECLI:NL:RBDHA:2026:18229","ecli-nl-rbdha-2026-18229","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.34707\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 22 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vween vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.\n\nVerweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nNa afloop van de zitting hebben partijen desgevraagd een aanvullende schriftelijke reactie ingediend. De rechtbank heeft na ontvangst hiervan het onderzoek gesloten.\n\nOverwegingen\n\n1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.\n\n2. Eiser is op 21 juni 2026 om 13.51 uur aangekomen op Schiphol, waar hij vervolgens om 20.30 uur op grond van artikel 4.6 van het Vbeen aanwijzing heeft gekregen om zich gedurende één nacht op te houden in de internationale lounge. Hij heeft op dezelfde dag zijn asielwens kenbaar gemaakt, waarvan op 22 juni 2026 een M35-H formulier is opgemaakt. Verweerder heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Onderhavig beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, nu tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat.\n\nToetsingskader\n\n3. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vbwordt deze vrijheidsontnemende maatregel opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.\n\nGeschiktheid van de screeningslocatie\n\n4. Eiser voert aan dat de screening niet heeft plaatsgevonden op een toereikende en geschikte locatie als bedoeld in de Screeningsverordening, gelezen in samenhang met de (nieuwe) Opvangrichtlijn.De procedure is feitelijk aangevangen bij zijn aankomst op Schiphol, waar hij door de Koninklijke Marechaussee is ondervraagd en vervolgens in een ruimte en later, op grond van de loungemaatregel, in de internationale lounge heeft verbleven onder sobere omstandigheden, waaronder een overnachting op een stoel en beperkte verstrekking van voedsel. Schiphol kan onder deze omstandigheden niet als een toereikende en geschikte locatie worden aangemerkt. Daarbij wordt erop gewezen dat de screening onder het Asiel- en Migratiepact meerdere dagen kan duren en dat een dergelijke locatie daarom moet voorzien in mogelijkheden tot overnachting, waaraan de internationale lounge niet voldoet.\n\n5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2018volgt dat een verblijf in de internationale lounge gedurende maximaal 24 uur in beginsel aanvaardbaar is. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat dit de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact tot een ander oordeel leidt. Verder volgt uit de stukken dat eisers vlucht op 21 juni 2026 om 13:51 uur op Schiphol is geland en dat hij op 22 juni 2026 om 14:00 uur is overgebracht naar het aanmeldcentrum Schiphol.De rechtbank acht het, gelet op deze tijdstippen en de gebruikelijke gang van zaken na aankomst van een vlucht waardoor het eerste contact met de KMar pas na enige tijd zal plaatsvinden, aannemelijk dat eisers verblijf op Schiphol minder dan 24 uur heeft geduurd.\n\nOok hetgeen eiser heeft aangevoerd over de omstandigheden waaronder hij gedurende zijn verblijf in de internationale lounge heeft verbleven, maakt het voorgaande niet anders. Mede gelet op de duur van het verblijf ziet de rechtbank daarin onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat Schiphol in dit geval niet als een toereikende en geschikte screeningslocatie kon worden aangemerkt.\n\nZorgvuldigheid van de processen-verbaal\n\nAlgemeen\n\n6. Eiser voert aan dat diverse processen-verbaal in het dossier onzorgvuldigheden\u002F slordigheden bevatten.\n\n7. De rechtbank stelt voorop dat aan eiser zonder meer kan worden toegegeven dat diverse processen-verbaal in het dossier op onderdelen onvolledig en\u002Fof slordig zijn ingevuld. Evenwel komt uit de stukken, gelezen in onderlinge samenhang, voldoende duidelijk en overtuigend naar voren wat de feitelijke gang van zaken is geweest.\n\nOndertekening van de processen-verbaal\n\n8. Eiser voert aan dat zowel het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026 als het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 niet zijn ondertekend. Daardoor is onduidelijk welke waarde aan deze stukken kan worden gehecht en kan niet worden gecontroleerd of de daarin beschreven gang van zaken zich daadwerkelijk op die wijze heeft voorgedaan.\n\n9. De rechtbank overweegt als volgt. Naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken, heeft zij verweerder verzocht om nadere informatie betreffende de (al dan niet) ondertekening. Verweerder heeft vervolgens een reactie ingediend. Daarbij is een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2026 overgelegd, waarin wordt toegelicht dat het ontbreken van een zichtbare digitale handtekening onder het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 het gevolg is van een technische storing bij de omzetting van de systemen in verband met het Asiel- en Migratiepact.\n\n10. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op de in rechtsoverweging 9 bedoelde vraag aan en reactie van verweerder. Voor zover de reactie van de gemachtigde van eiser betrekking heeft op de toelichting omtrent de ondertekening van het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 heeft de rechtbank deze bij haar beoordeling betrokken.\n\nVoor het overige gaat de reactie de omvang van de door de rechtbank gegeven gelegenheid te buiten. De rechtbank laat deze, alsmede de daarbij overgelegde bijlage, daarom buiten beschouwing.\n\n11. De rechtbank ziet geen aanleiding aan de op ambtseed gegeven toelichting in het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2026 te twijfelen. Evenzeer acht zij aannemelijk dat hetzelfde geldt voor de (niet-zichtbare) ondertekening van het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel.\n\nVoor zover zou gelden dat genoemde processen-verbaal niet zijn ondertekend, overweegt de rechtbank dat dit op zichzelf onvoldoende is om aan de inhoud van deze op ambtseed opgemaakte processen-verbaal te twijfelen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat eiser geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat de daarin beschreven gang van zaken onjuist is, noch een aannemelijk alternatief scenario heeft geschetst.\n\nTegenstrijdigheden in het tijdstip van het uiten van eisers asielwens\n\n12. Eiser voert aan dat het “proces-verbaal van gehoor met betrekking tot het uitstellen van de toegangsweigering en het opleggen van een beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6, derde lid, van de Vw” van 22 juni 2026 innerlijk tegenstrijdig is wat betreft het tijdstip van het uiten van zijn asielwens. Hierin is immers op dezelfde pagina vermeld dat eiser op 21 juni 2026 om 18:40 uur zijn asielwens heeft geuit, maar anderzijds ook dat hij dit pas om 20:30 uur heeft gedaan.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat de geconstateerde tegenstrijdigheid onvoldoende is om te concluderen dat onduidelijk is wanneer eiser zijn asielwens heeft geuit. Uit zowel de vrijheidsontnemende maatregelals het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 volgt dat eiser dit op 21 juni 2026 om 18:40 uur heeft gedaan. Weliswaar is in het proces-verbaal van gehoor tevens het tijdstip 20:30 uur vermeld, maar dit is ook het tijdstip waarop aan eiser op grond van artikel 4.6 van het Vb de aanwijzing is gegeven zich op te houden in de internationale lounge. Gelet hierop, in samenhang bezien met het tijdstip waarop eisers vlucht is aangekomen, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser reeds om 18:40 uur zijn asielwens heeft geuit en dient het genoemde tijdstip van 20.30 uur in dit opzicht als een kennelijke verschrijving te worden aangemerkt.\n\nInname paspoort en juistheid proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel\n\n14. Eiser voert voorts aan dat het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026 ook inhoudelijk onjuist is, omdat daarin niet is vermeld dat zijn paspoort reeds op 21 juni 2026 is ingenomen. Pas op 22 juni 2026 is een ontvangstbewijs voor het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en\u002Fof identiteitspapieren opgemaakt, terwijl het paspoort toen al in bewaring was genomen.\n\n15. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat eisers paspoort is ingenomen. Dit blijkt ook onweersproken uit het ontvangstbewijs van 22 juni 2026. Dat in het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026 niet is vermeld op welk moment eisers paspoort is ingenomen, maakt niet dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad.\n\nInformatieplicht bij de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel\n\n16. Eiser voert aan dat niet is voldaan aan de informatieplicht bij de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Uit zijn antwoord op de mededeling dat de toegang tot Nederland wordt uitgesteld, zijn asielaanvraag wordt behandeld in de asielgrensprocedure en hij in een gesloten detentiecentrum zal verblijven, blijkt niet dat hij de rechtsgevolgen daadwerkelijk heeft begrepen. Hij heeft slechts verklaard dat hij het “snapt”, terwijl de enkele mededeling dat hij de inhoud heeft begrepen daartoe onvoldoende is.\n\n17. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Weliswaar blijkt uit de op p. 4 in het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 opgenomen reactie van eiser niet zonder meer dat hij de rechtsgevolgen van de mededelingen volledig heeft begrepen, maar uit datzelfde proces-verbaal volgt dat hem om 08:00 uur voorafgaand aan de oplegging van de maatregel onder meer is medegedeeld dat zijn asielaanvraag in de asielgrensprocedure zou worden behandeld, dat hem een vrijheidsontnemende maatregel zou worden opgelegd, dat hij gedurende de behandeling van zijn aanvraag in een vreemdelingendetentiecentrum zou worden ingesloten en dat hij gedurende de screeningsprocedure geen toegang tot Nederland zou krijgen.Daarbij komt dat eiser om 08:25 uur de Engelstalige M19B-informatiefolder met betrekking tot artikel 6, derde lid, van de Vw voor ontvangst heeft ondertekend. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het voor eiser voldoende duidelijk was dat hij zou worden ingesloten.\n\nWijze van registratie van de voorlopige kwetsbaarheidsbeoordeling\n\n18. Eiser voert ten slotte aan dat in het screeningsformulier bij de vraag of de voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid, overeenkomstig artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening, is uitgevoerd, standaard het antwoord “Ja” wordt aangekruist, blijkens de vermelding “Altijd JA” tussen haakjes achter de antwoordmogelijkheden. Dit roept de vraag op of daadwerkelijk een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden, nu deze vermelding suggereert dat de uitkomst reeds vaststaat.\n\n19. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op het screeningsformulier is bij de vraag of de voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid, overeenkomstig artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening, is uitgevoerd, het antwoord “Ja” aangekruist.Eiser heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat deze registratie onjuist is. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nAmbtshalve toets\n\n20. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.\n\nConclusie\n\n21. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1356.\n\n Richtlijn (EU) 2024\u002F1346.\n\n ECLI:NL:RVS:2018:4201.\n\n Proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026, p. 5 van 5.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026, p. 9 van 10.\n\n Beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6 derde lid, of eerste en tweede lid juncto het zesde lid van de Vw voor vreemdelingen die vallen onder de werking van de Procedureverordening (Model M19B) d.d. 22 juni 2026, p. 1 van 3.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026, p. 4 van 10.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026, p. 2 van 10 onder ‘Algemeen’.\n\n Screeningsformulier, p. 2 van 3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18229","2026-07-13T00:29:37.309Z",47,20,[11,198,199],2025,2024]