[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-income-tax-nl-2024":3},{"detail":4,"years":111},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":29,"page":14,"limit":110},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},35,"income-tax-nl","Income Tax","NL","2026-07-08T16:53:25.892Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":17},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":14},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":19},12,[39,52,59,66,75,84,92,100],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1385","ECLI:NL:GHSHE:2024:4083","ecli-nl-ghshe-2024-4083","",72,"2024-12-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2298 tot en met 22\u002F2305\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F7946 t\u002Fm BRE 18\u002F7953 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2013 tot en met 2016 (de informatiebeschikking).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens belanghebbende, na te noemen belanghebbende 1 en na te noemen belanghebbende 2 en de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende heeft aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 22\u002F2292 t\u002Fm 22\u002F2297 (hierna: belanghebbende 1) en de zaken met nummers 22\u002F2285 t\u002Fm 22\u002F2291(hierna: belanghebbende 2).\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is op [oprichtingsdatum] 2013 opgericht naar het recht van [vestigingsplaats] , en heeft de rechtsvorm Limited. Het statutaire adres van belanghebbende bevindt zich op [vestigingsplaats] .\n\n2.2.. De aandelen in belanghebbende werden gehouden door belanghebbende 1 en belanghebbende 2, elk voor 50%. Belanghebbende 1 en belanghebbende 2 voerden gezamenlijk de directie over belanghebbende. Zij waren tevens werknemer van belanghebbende.\n\n2.3.. De activiteiten van belanghebbende bestonden uit ICT-dienstverlening en projectmanagement. Hiertoe werden belanghebbende 1 en belanghebbende 2 gedetacheerd. De diensten werden sinds begin 2013 verricht via tussenkomst van [J BV] , [S Ltd] , [T Ltd] en [F Ltd] . De uiteindelijke opdrachtgever van belanghebbende was [H BV] .\n\n2.4.. Vanaf begin 2008 tot oprichting van belanghebbende in 2013 hadden belanghebbende 1 en belanghebbende 2 een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . In die periode heeft [G Ltd] klanten gefactureerd voor de door belanghebbende 1 en belanghebbende 2 verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd. Tot begin 2008 verrichtten belanghebbende 1 en belanghebbende 2 hun werkzaamheden als zelfstandige.\n\n2.5.. Belanghebbende 1 en belanghebbende 2 woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [vestigingsplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [vestigingsplaats] .\n\n2.6.. Met dagtekening 21 maart 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vragenbrief gestuurd. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht haar volledige administratie, inclusief e-mailverkeer, over 2013 tot de datum van dagtekening van de brief binnen vier weken na dagtekening over te leggen. Ook heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een gesprek.\n\n2.7.. Bij e-mail van 11 april 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd op de vragenbrief van de inspecteur. Belanghebbende heeft onder meer betwist dat de werkzaamheden van belanghebbende 1 en belanghebbende 2 na de verhuizing in Nederland hebben plaatsgevonden, dat de aan de inspecteur ter beschikking staande gegevens correct zijn en heeft vermeld dat belanghebbende inzage wenste te krijgen in deze gegevens. De door de inspecteur gevraagde informatie is niet overgelegd.\n\n2.8.. Bij e-mail van 13 april 2018 heeft de inspecteur gereageerd op belanghebbendes e-mailbericht en heeft hij zijn verzoek om informatie herhaald.\n\n2.9.. Bij e-mail van 24 april 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd. De gemachtigde heeft onder meer geschreven dat belanghebbende druk doende was om informatie te verzamelen die de aan de inspecteur ter beschikking staande gegevens kunnen weerleggen en heeft verzocht inzage te verstrekken in de gegevens die de inspecteur beweert te hebben ontvangen van derden. Belanghebbende heeft tevens verzocht met inachtneming van nader over te leggen gegevens het vermoeden van een heffingsbelang gemotiveerd te heroverwegen. Verder was volgens de gemachtigde niet duidelijk wat de over te leggen administratie inhoudt. De gevraagde informatie is niet verstrekt.\n\n2.10.. Bij brief van 28 mei 2018 heeft de inspecteur een herhaald verzoek om inlichtingen en bescheiden naar belanghebbende verstuurd. In dit verzoek stond onder meer het volgende:\n\n‘U stelt dat onduidelijk is wat administratie inhoudt, nu in [vestigingsplaats] andere administratieve eisen gelden. [Belanghebbende] verzoekt helderheid te verstrekken ter voorkoming van het risico niet te kunnen voldoen aan de informatieverplichting.\n\nAls onderdeel van die administratie beschouw ik onder meer:\n\n1. (Concept-)Jaarrekeningen 2013 tot heden van [belanghebbende] of andere stukken die inzicht geven in de financiele positie per balansdatum en de betreffende accountantsrapporten;\n\n2. een beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing van [belanghebbende] waarin is opgenomen hoe\n\na. telefoonverkeer, e-mailverkeer, communicatie via sms\u002Fskype\u002Ffacetime\u002Fwhatsapp of via overige communicatiekanalen moeten worden vastgelegd en geadministreerd;\n\nb. het proces en de vastleggingen rond aandeelhoudersvergaderingen is beschreven;\n\nc. het proces en de vastleggingen rond bestuursvergaderingen is beschreven; en\u002Fof\n\nd. het proces rond binnenkomende inkoopfacturen is beschreven.\n\n3. (een digitale kopie van) de volledige administratie (in de meest ruime zin van het woord) van [belanghebbende] over de periode van 2013 tot heden. Onder de volledige administratie versta ik alle gegevens over [belanghebbende] die zijn vastgelegd, zowel op papier als in digitale vorm. Dit zijn onder meer, doch zeker niet uitputtend, de volgende stukken:\n\na. De (digitale) financiele administratie;\n\nb. Alle (e-mailcorrespondentie met [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2] , inbrengers van vermogen, debiteuren, banken, financiers, autoriteiten, de vertegenwoordiger(s) namens [belanghebbende];\n\nc. Verslagen en\u002Fof notulen van bestuursvergaderingen en -overleggen;\n\nd. Bestuursbesluiten;\n\ne. Tussentijds gemaakte (klad)-berekeningen;\n\nf. In- en verkoopfacturen en overige facturen;\n\ng. Alle bankafschriften;\n\nh. Leningsovereenkomsten en een overzicht van de rekening-courantrekening(en);\n\ni. Verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van [belanghebbende] en verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van (eventuele) deelnemingen;\n\nj. Documenten waaruit blijkt op welk moment [belanghebbende] belastingplichtig is geworden voor de winstbelasting van [vestigingsplaats]\n\nk. Winstbelastingaangiften en -aanslagen van de jaren 2013 tot heden van [belanghebbende].\n\n4. Het tijdschrijven (of de urenverantwoording) van de medewerkers en de directie van [belanghebbende] ten behoeve van [belanghebbende] en ten behoeve van klanten van [belanghebbende].\n\nIndien de (e-mail)correspondentie fiscale adviezen bevat, mogen de adviesdelen van die correspondentie onleesbaar gemaakt worden.\n\n(…)\n\nBij deze wil ik u nogmaals in de gelegenheid stellen om te reageren op de brief van 21 maart 2018. Ik geef u de gelegenheid tot 19 juni 2018.’\n\n2.11.. Bij e-mail van 19 juni 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd op de vragenbrief van de inspecteur. Belanghebbende heeft haar standpunten uit de mail van 24 april 2018 gehandhaafd. De gevraagde informatie is niet verstrekt.\n\n2.12.. Bij e-mail van 2 juli 2018 heeft belanghebbende aan de inspecteur een tweetal verklaringen gestuurd van de Comptroller of Taxes van [vestigingsplaats] van 18 januari 2017, ten aanzien van belanghebbende 1 en belanghebbende 2, waarin het volgende is opgenomen:\n\n‘I confirm that you are resident and paying taxes in [vestigingsplaats] for [vestigingsplaats] Income Tax purposes since October 2013.’\n\n2.13.. Op 3 juli 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende de informatiebeschikking gegeven. Deze heeft betrekking op de heffing van omzetbelasting en vennootschapsbelasting over de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016. De informatiebeschikking vermeldt, voor zover van belang, het volgende:\n\n‘(…)\n\n2. Omvang en tijdstip informatieverzoek\n\nDe inspecteur heeft informatie ontvangen met betrekking tot de vennootschap [belanghebbende]. [Belanghebbende] is een naar het recht van [vestigingsplaats] opgericht lichaam. Bestuurders en aandeelhouders van deze Limited zijn [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2].\n\nPer brief van 21 maart 2018 heb ik [belanghebbende] om informatie gevraagd. In de hiervoor genoemde brief heb ik een beschouwing gegeven over het theoretisch kader van het Nederlands heffingsbelang met een verwijzing naar artikel 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen en het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268. Daarnaast heb ik in mijn brief het theoretische kader toegepast op de feiten en omstandigheden inzake [belanghebbende]. Ik heb u medegedeeld dat ik informatie heb ontvangen van derden inzake de werkzaamheden in Nederland bij Nederlandse eindopdrachtgevers door de bestuurders van [belanghebbende].\n\nUit informatie die de inspecteur van derden heeft gekregen, valt af te leiden dat [Belanghebbende 2] namens [belanghebbende] werkzaamheden in Nederland heeft uitgevoerd.\n\n[Belanghebbende 1] heeft na zijn formele vertrek naar [vestigingsplaats] namens [belanghebbende] in voortdurendheid werkzaamheden voor een Nederlandse eindopdrachtgever verricht. [Belanghebbende 1] was bij deze eindopdrachtgever voor vertrek naar [vestigingsplaats] ook werkzaam. De plaats van werkzaamheden was op dat moment gelegen in Nederland, waarvoor door [Belanghebbende 1] kosten voor dagelijks woon-werkverkeer is geclaimd. Volgens verkregen informatie van derden zou er bij de werkzaamheden voor deze eindopdrachtgever na vertrek van [Belanghebbende 1] naar [vestigingsplaats] niets zijn veranderd.\n\nOp basis van deze informatie lijkt het aannemelijk dat de feitelijke vestigingsplaats van [belanghebbende] in Nederland is gelegen, danwel dat er sprake is van een vaste inrichting in Nederland of dat er sprake is van een vaste vertegenwoordiging in Nederland. Deze feiten leiden tot een fiscaal Nederlands heffingsbelang bij [belanghebbende]. In redelijkheid heb ik mij daardoor op het standpunt gesteld dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nGevraagde informatie\n\nPer brief van 21 maart 2018 heb ik u verzocht om de volledige administratie (inclusief afschriften van alle e-mailverkeer, contracten en overeenkomsten, bankafschriften etc.) van de vennootschap in te zenden over 2013 tot en met heden. Kopie van deze brief heb ik bijgevoegd als bijlage 1.\n\nAls alternatief heb ik [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2], in hun hoedanigheid als bestuurders van [belanghebbende], op grond van artikel 41 AWR, opgeroepen voor een gesprek in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht en ze in de gelegenheid te stellen om de administratie persoonlijk te overhandigen en toe te lichten. In mijn brief heb ik 16 april 2018; 17 april 2018; 23 april 2018; 24 april 2018 en 26 april 2018 als beschikbare datum voorgesteld. Ik heb belanghebbenden gevraagd binnen 2 weken na dagtekening van de brief te reageren op het verzoek om een afspraak te maken en ik heb verzocht binnen 4 weken na dagtekening van de brief de administratie te verstrekken.\n\nUw reactie\n\n(…)\n\nTot slot zou het belanghebbende onduidelijk zijn wat ik onder ‘administratie’ versta. In [vestigingsplaats] zouden andere administratieve eisen worden gesteld dan in Nederland. Belanghebbende verzocht mij helderheid te verstrekken ter voorkoming van het risico niet te kunnen voldoen aan de informatieverplichting, zonder overigens eerst enige documentatie te overleggen. In mijn reactie van 28 mei 2018 heb ik een opsomming gegeven van wat ik ondermeer onder administratie beschouw. Daar ik tot op heden nog geen enkel stuk heb ontvangen zal ik deze opsomming hieronder nogmaals\n\ngeven:\n\n1. (Concept-)Jaarrekeningen 2013 tot heden van [belanghebbende] of andere stukken die inzicht geven in de financiele positie per balansdatum en de betreffende accountantsrapporten;\n\n2. een beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing van [belanghebbende] waarin is opgenomen hoe\n\na. telefoonverkeer, e-mailverkeer, communicatie via sms\u002Fskype\u002Ffacetime\u002Fwhatsapp of via overige communicatiekanalen moeten worden vastgelegd en geadministreerd;\n\nb. het proces en de vastleggingen rond aandeelhoudersvergaderingen is beschreven;\n\nc. het proces en de vastleggingen rond bestuursvergaderingen is beschreven; en\u002Fof\n\nd. het proces rond binnenkomende inkoopfacturen is beschreven.\n\n3. (een digitale kopie van) de volledige administratie (in de meest ruime zin van het woord) van [belanghebbende] over de periode van 2013 tot heden. Onder de volledige administratie versta ik alle gegevens over [belanghebbende] die zijn vastgelegd, zowel op papier als in digitale vorm. Dit zijn onder meer, doch zeker niet uitputtend, de volgende stukken:\n\na. De (digitale) financiele administratie;\n\nb. Alle (e-mailcorrespondentie met de heer Belanghebbende 1 en mevrouw Belanghebbende 2, inbrengers van vermogen, debiteuren, banken, financiers, autoriteiten, de vertegenwoordiger(s) namens [belanghebbende];\n\nc. Verslagen en\u002Fof notulen van bestuursvergaderingen en - overleggen;\n\nd. Bestuursbesluiten;\n\ne. Tussentijds gemaakte (klad)-berekeningen;\n\nf. In- en verkoopfacturen en overige facturen;\n\ng. Alle bankafschriften;\n\nh. Leningsovereenkomsten en een overzicht van de rekening-courantrekening(en);\n\ni. Verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van [belanghebbende] en verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van (eventuele) deelnemingen;\n\nj. Documenten waaruit blijkt op welk moment [belanghebbende] belastingplichtig is geworden voor de winstbelasting van [vestigingsplaats]\n\nk. Winstbelastingaangiften en -aanslagen van de jaren 2013 tot heden van [belanghebbende].\n\n4. Het tijdschrijven (of de urenverantwoording) van de medewerkers en de directie van [belanghebbende] ten behoeve van [belanghebbende] en ten behoeve van klanten van [belanghebbende].\n\nIndien de (e-mail)correspondentie fiscale adviezen bevat, mogen de adviesdelen van die\n\ncorrespondentie onleesbaar gemaakt worden.\n\n(…)\n\n3. Conclusie\n\nOp dit moment is voldoende dat ik mij, gelet op de bij mij bekende gegevens, op het standpunt kan stellen dat de door mij gevraagde gegevens, inlichtingen, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van [belanghebbende]. In mijn e-mail van 13 april 2018 heb ik u al medegedeeld dat ik pas kan beoordelen of er sprake is van een reële heffing en tot welke omvang, als ik over alle feiten en omstandigheden beschik.\n\nIk stel vast dat ik de verzochte informatie, genoemd in onderdeel 2, niet heb ontvangen. Daarom ontvangt u bij deze een informatiebeschikking. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 52a van de AWR en wordt aan u afgegeven omdat u ook na herhaalde verzoeken, niet heeft voldaan aan uw informatieverplichtingen van artikel 47 eerste lid letter a en b en artikel 49 van de AWR. Deze informatiebeschikking heeft betrekking op de omzetbelasting en vennootschapsbelasting van het jaar 2013, 2014, 2015 en 2016.\n\nU kunt, naar aanleiding van deze beschikking, ervoor kiezen om alsnog aan de informatieverplichting(en) te voldoen. In dat geval verzoek ik u om spoedig doch binnen 2 weken na dagtekening van deze informatiebeschikking met mij contact op te nemen.\n\n(…)’\n\n2.14.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo (CLO) aan de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [vestigingsplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, belanghebbende 1 en belanghebbende 2. In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n“On 14 October 2013, [Belanghebbende 1] and [Belanghebbende 2] officially emigrated to [vestigingsplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [Belanghebbende 1] and possibly [Belanghebbende 2] incorporated [belanghebbende] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA) shows that after 14 October 2013, [Belanghebbende 1] and [Belanghebbende 2] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [Belanghebbende 2] and [Belanghebbende 1] declare the income from these activities in their income tax returns in [vestigingsplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [Belanghebbende 1] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n [belanghebbende]\n\nTo gain insight into the fiscal residence of the company and to determine whether there is a permanent establishment in the Netherlands. In addition, there may be activities by [Belanghebbende 1] and\u002For [Belanghebbende 2] via [belanghebbende], that are subject to income tax in the Netherlands. I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of corporation tax returns and assessments of [belanghebbende] for the years 2013 - (…) 2015.\n\n2. Overview of declared and paid wages tax regarding the years 2013 - 2016.\n\n3. Financial statements of [belanghebbende] regarding the years 2013 - 2015.\n\n4. Copies of invoices sent by [belanghebbende] and a specification of the performed activities\u002Fservices for the years 2013 -2016.”\n\n2.15.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op 7 januari 2019 de ‘company tax returns and assessments’ voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [vestigingsplaats] Branch, [R Ltd] en het [commission] .\n\n2.16.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikking voor de jaren 2013 tot en met 2016 ongegrond verklaard en heeft belanghebbende voorts tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2013 tot en met 2016 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikking voor de jaren 2013 tot en met 2016 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikking voor de jaren 213 tot en met 2016 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van haar hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de ten aanzien van haar genomen informatiebeschikking en tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nVraag a. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden.\n\n4.2.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.3.. Vraag a moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag b) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.4.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.5.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.6.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.7.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) is de informatiebeschikking terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.9.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikking ten onrechte is gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte is gehandhaafd.\n\n4.10.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.11.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.12.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.13.. De inspecteur stelt dat de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende, omdat de inspecteur aannemelijk acht dat hij aan de hand van belanghebbendes administratie in staat zal zijn om de subjectieve belastingplicht van belanghebbende vast te stellen en, indien van toepassing, tevens de objectieve belastingplicht van belanghebbende. Tevens meent de inspecteur, aan de hand van de administratie van belanghebbende, te kunnen beoordelen of belanghebbende over de betreffende jaren omzetbelasting is verschuldigd. De omstandigheden op basis waarvan de inspecteur zich op het standpunt heeft gesteld dat hij opheldering wenst te verkrijgen over de belastingplicht van belanghebbende zijn onder meer de volgende:\n\n- Belanghebbende is, voor zover bekend, uitsluitend actief op de Nederlandse markt en heeft uitsluitend Nederlandse afnemers, zoals [H] ;\n\n- De enige bekende werknemers van belanghebbende, belanghebbende 1 en belanghebbende 2, hebben de Nederlandse nationaliteit en woonden, in ieder geval tot september 2013, in Nederland;\n\n- De inspecteur beschikt over aanwijzingen dat de werknemers van belanghebbende ook na september 2013 hun werkzaamheden geheel of gedeeltelijk in Nederland verrichtten:\n\n- Ten aanzien van belanghebbende 2 wordt op 3 januari 2017 namens [S Ltd] . verklaard dat zij haar werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] uitsluitend in Nederland verricht;\n\n- Ten aanzien van de belanghebbende 1 verklaart mevrouw [persoon 6] van [J BV] op 15 december 2016 dat de plaats van werkzaamheden niet is gewijzigd ten tijde van de verhuizing van belanghebbende 1 naar [vestigingsplaats] en dat dit vermoedelijk [plaats 1] is;\n\n- Belanghebbende maakt gebruik van een Nederlandse bankrekening en verzoekt [J BV] op 7 oktober 2013 om de gefactureerde bedragen naar deze Nederlandse bankrekening over te maken;\n\n- Op 20 december 2013 ondertekent belanghebbende 1, namens belanghebbende, een overeenkomst met IT-Staffing. De overeenkomst vermeldt dat deze is ondertekend te [plaats 5] .\n\n4.14.. Om vast te stellen of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is, beschikt de inspecteur over de in artikel 47 AWR vastgelegde bevoegdheid om algemene inlichtingen in te winnen. De verplichting die inlichtingen te verstrekken is zeer ruim. Indien een (rechts)persoon niet voldoet aan die op haar rustende inlichtingenverplichtingen, kan de inspecteur dat vastleggen in een informatiebeschikking en, zodra die beschikking definitief is, aanslagen opleggen waarna de belastingplichtige in beginsel moet bewijzen (overtuigend aantonen) dat de aanslagen onjuist zijn, bijvoorbeeld omdat zij niet in Nederland is gevestigd. Gelet op de onder 4.13 vermelde omstandigheden zijn de door de inspecteur gestelde vragen en verzoek om inlichtingen legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Op grond van deze omstandigheden heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is.Belanghebbende heeft in reactie op de vragen geen inhoudelijk antwoord verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\n4.15.. Vraag c moet bevestigd worden beantwoord.\n\nVraag d) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.16.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.17.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.18.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.19.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.20.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikking is opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderings- dan wel naheffingsaanslagen te verlengen.\n\n4.21.. Vraag d moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag e) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.22.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.23.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.24.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikking hoeft dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.25.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikking is gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikking is gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.27.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.28.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.29.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Heeft de inspecteur de informatiebeschikking gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.30.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [vestigingsplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding.\n\n4.31.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [vestigingsplaats] .\n\n4.32.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.33.. Uit de slotzin van de onder 4.32 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.34.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.35.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikking ten onrechte is gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.36.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag d). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur de informatiebeschikking heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.37.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.38.. Zoals uit het voorgaande volgt, is de informatiebeschikking terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor haar bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderings- dan wel naheffingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.39.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.40.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.41.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.42.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.43.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.44.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.45.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\n HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 en HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4083","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:19.174Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":56,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":58},"1364","ECLI:NL:GHSHE:2024:4081","ecli-nl-ghshe-2024-4081","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2285 tot en met 22\u002F2291\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende 2] ,\n\nwonend in [woonplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F6587 t\u002Fm BRE 18\u002F6591, BRE 18\u002F6593 en BRE 18\u002F6594 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikkingen zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2008 tot en met 2014.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard en heeft het beroep met betrekking tot de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van haar partner, en haar gemachtigde, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende, haar partner en haar gemachtigde hebben aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 22\u002F2292 t\u002Fm 22\u002F2297 en de zaken met nummers 22\u002F2298 t\u002Fm 22\u002F2305.\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende en haar partner woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [woonplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [woonplaats] .\n\n2.2.. De partner heeft ook na september 2013 de woning te [plaats 2] in eigendom gehouden. De partner verhuurde deze woning van 1 november 2013 tot 31 oktober 2014 aan een derde. Gedurende de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2016 verhuurde de partner de woning te [plaats 2] aan de heer en mevrouw [persoon 2] (eveneens derden). In de beide huurcontracten is een diplomatenclausule opgenomen, welke inhoudt dat de partner verklaart dat hij de vorige bewoner van het woonhuis is en dat hij de woning, na afloop van de overeengekomen huurperiode, zelf weer zal betrekken.\n\n2.3.. De partner hield in de onderhavige jaren 5 van de 225 aandelen in het aandelenkapitaal van [B Ltd] . [B Ltd] hield via [C Ltd] , [E Ltd] en [F Ltd] , 100% van de aandelen in het aandelenkapitaal in [G Ltd] .\n\n2.4.. Belanghebbende en de partner voerden gezamenlijk de directie over [G Ltd] . De partner is in de jaren 2011 en 2012 twee leningen van ieder € 200.000 bij [G Ltd] aangegaan.\n\n2.5.. Belanghebbende was in de onderhavige jaren werkzaam als IT-consultant. Tot begin 2008 verrichtte belanghebbende haar werkzaamheden als IT-consultant zelfstandig en deed daarvoor jaarlijks aangifte IB\u002FPVV ter zake van haar in het betreffende jaar genoten winst uit onderneming.\n\n2.6.. Belanghebbende heeft haar IT-werkzaamheden tot en met het jaar 2012 verricht voor [bank] . Vanaf het jaar 2013 verrichtte zij haar werkzaamheden uitsluitend voor [H BV] . Voormelde werkzaamheden heeft zij verricht via tussenkomst van een bemiddelaar. Tot eind 2008 was dit [I] en daarna achtereenvolgens [J] en [K] .\n\n2.7.. Op 31 maart 2008 heeft belanghebbende een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . Vanaf dat moment heeft [G Ltd] klanten gefactureerd voor de door belanghebbende verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd. Vanaf het jaar 2013 heeft belanghebbende voormelde werkzaamheden via [L Ltd] verricht. Belanghebbende en de partner houden gezamenlijk 100% van de aandelen in [L Ltd] .\n\n2.8.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2008 tot en met 2014 aangiften IB\u002FPVV gedaan.\n\n2.9.. De inspecteur heeft bij brief van 5 april 2016 belanghebbende verzocht om informatie voor de behandeling van de aangiften IB\u002FPVV 2010 tot en met 2014. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n‘Voor de behandeling van uw aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 heb ik additionele informatie nodig. Middels deze brief wil ik u verzoeken mij onderstaand genoemde informatie toe te zenden.\n\n- Kopie samenlevingscontract of vergelijkbaar indien opgemaakt;\n\n- Overzicht van aandelenbelangen, inclusief aan- en verkochte belangen;\n\n- Opgave van de waardering van de door u, niet als aanmerkelijk belang gehouden, aandelen (inclusief een kopie van onderliggende stukken);\n\n- Overzicht van kapitaalstortingen en\u002Fof terugbetalingen in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzichten ontvangen dividenden, welke betrekking hebben op de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen in de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Bent u in de periode 2010 tot en met 2014 -in welke vorm dan ook- betrokken bij een afgezonderd particulier vermogen? Zo ja, dan graag een toelichting op de betreffende APV's en uw betrokkenheid bij deze(n), alsmede kopieën van de onderliggende stukken);\n\n- Kopie directie- en managementovereenkomsten welke door u zijn afgesloten en\u002Fof welke van kracht waren over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen directie en\u002Fof managementvergoedingen welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Kopie van uw arbeidscontracten welke door u zijn aangegaan en\u002Fof welke van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen inkomsten (voordelen) op basis van voornoemde arbeidscontracten, welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van eventueel overige bezoldigde en onbezoldigde functies die u in de periode 2010 tot en met 2014 hebt bekleed;\n\n- Kopie verkoopcontracten welke zijn gesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014 welke door u zijn gesloten in een andere hoedanigheid dan als directeur, bestuurder en\u002Fof medewerker van een rechtspersoon;\n\n- Documentatie waaruit uw verhuizing naar [woonplaats] , alsmede het moment van uw verhuizing naar [woonplaats] blijkt;\n\n- Leningenovereenkomsten (ontvangen en verstrekte gelden) met verbonden entiteiten zoals werkgevers of deelnemingen, welke zijn afgesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Verloopstaten van de rekening-couranten en leningen (ontvangen en verstrekte gelden) over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts en dergelijke op eigen naam gehouden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts niet op eigen naam, waarover u wel kunt beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed (mede) op uw naam in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van hypotheken en leningen (akten en jaaropgaves) welke zijn afgesloten of van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht credit-, debit en overige paycards waarover u kon beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht pensioenproducten, lijfrentes etc;\n\n- Verhuurcontracten van onroerend goed (mede) op uw naam in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015;\n\n- Overzicht ontvangen huren in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015:\n\n- Kopie van uw aangifte(n) inkomstenbelasting in [woonplaats] over de periode 2010 tot en met 2015.\n\nGraag ontvang ik bovenstaande informatie vóór 2 mei 2016. Ik verzoek u bovenstaande informatie ook te verstrekken indien u van mening zou zijn dat deze informatie niet relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Ik wil dan tevens verzoeken uw standpunt nader te onderbouwen.\n\nWellicht ten overvloede wil ik u erop wijzen dat ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een ieder verplicht is desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing ten zijnen aanzien van belang kan zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Ingevolge artikel 49 van de AWR dient het verstrekken van de inlichtingen en gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te geschieden.’\n\n2.10.. Belanghebbende heeft bij brief van 17 mei 2016 op de onder 2.9 vermelde vragenbrief van de inspecteur, als volgt gereageerd:\n\n‘Hieronder vindt u puntsgewijs antwoord op uw verzoek om informatie for de aangifte inkomstenbelastingen 2010, 2011, 2012, 2013 & 2014. Het volgende is daarbij in beschouwing genomen.\n\nA. In de genoemde jaren heeft de heer [persoon 5] van het kantoor [kantoornaam] te [plaats 2] de jaarlijkse inkomstenbelasting aangiftes opgesteld en ingediend bij de belastingdienst.\n\nB. Aangenomen wordt dat u beschikking heeft over de jaaraangiftes, aanslagen & definitieve aanslagen.\n\nC. Vanaf 21\u002F10\u002F2013 is [belanghebbende] en kinderen ((…) & (…)) woonachtig in [woonplaats] (Channel Islands).\n\nD. De heer [persoon 5] heeft voor het jaar 2013 de eerste negen maanden (1\u002F1\u002F2013 - 30\u002F09\u002F2013) meegenomen in de aangifte inkomstenbelasting. De [woonplaats] accountant is de inkomsten vanaf 1\u002F10\u002F2013 gaan administreren.\n\nE. Gelet op C & D, is [belanghebbende] niet belastingplichtig in Nederland voor inkomen uit werk & woning vanaf 1\u002F10\u002F2013. i.v.m. onroerend goed in Nederland ( [adres 1] , [postcode] [plaats 2] ) is aangifte ingediend voor 2014 en zal aangifte plaatsvinden voor 2015.\n\nF. Derhalve is inkomens gegevens toegevoegd voor de jaren 2010, 2011, 2012 en tot 30\u002F09\u002F2013 voor 2013.\n\nPuntsgewijs antwoordt op uw verzoek om informatie\n\n1. Samenlevingscontract met de partner (…) d.d. 8\u002F11\u002F2002 [notarissen] te [plaats 3] . Zie kopie toegevoegd.\n\n2. Overzicht van aandelenbelangen. Niet van toepassing. Zie kopien toegevoegd van aandelen [B Ltd] voor de jaren 2010, 2011, 2012 & 2013.\n\n3. Opgave van waarderingen aanmerkelijk belang. Niet van toepassing geweest.\n\n4. Overzicht van kapitaalstortingen. Niet van toepassing geweest.\n\n5. Overzicht ontvangen dividenden. Niet van toepassing geweest.\n\n6. Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen. Niet van toepassing geweest.\n\n7. Betrokkenheid APV's. Niet van toepassing geweest.\n\n8. Kopie directive-managementovereenkomsten. Niet van toepassing geweest.\n\n9. Overzicht ontvangen directive en\u002Fof managementvergoedingen. Niet van toepassing geweest.\n\n10. Kopie arbeidscontracten. Zie kopie toegevoegd.\n\n11. Overzicht ontvangen inkomsten o.b.v. arbeidscontracten.\n\na) 2010 - € 52.693\n\nb) 2011 - € 50.822\n\nc) 2012 - € 52.036\n\nd) 2013 - € 37.818\n\n12. Overzicht overige bezoldigde functies. Niet van toepassing geweest.\n\n13. Kopie verkoopcontracten. Niet van toepassing geweest.\n\n14. Documentatie waaruit verhuizing naar [woonplaats] blijkt.\n\na. Zie kopie inschrijving gezinsleden [woonplaats] social security department St Helier , [woonplaats] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nb. Zie kopie inschrijving kinderen (…) [school] autumn term 4\u002F11\u002F2013.\n\nc. Zie kopie Child health registration States of [woonplaats] [kinderen] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nd. Zie verhuizingsfactuur van [verhuisbedrijf] . Een deel van de inboedel is verhuisd naar het vakantie huis Frankrijk en in dezelfde rit is het grootste deel van de inboedel naar [adres 2] , [plaats 4] , [woonplaats] verhuisd. Uitvoeringsdatum van verhuizing is opgenomen op factuur (12\u002F9\u002F2013).\n\ne. Zie kopie uitschrijvingen gemeente [plaats 2] van alle gezinsleden op 14\u002F10\u002F2013.\n\nf. Zie kopie huur contract [adres 2] [plaats 4] , […] , [woonplaats] per 1\u002F9\u002F2013.\n\n15. Leningenovereenkomsten.\n\na. Leningen overeenkomst 1st December 2011, welke is gewijzigd op 10th October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\nb. Leningen overeenkomst 4 September 2012, welke is gewijzid op 10 October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\n16. Verloopstaten van rekening-couranten. Zie overzichten per jaar aan eind van deze brief.\n\n17. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] Creditcard\n\n [rekeningnummer 1]\n\n [nummer]\n\nING Betaalrekening [de partner] en\u002Fof [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 2]\n\n?? Rekening is opgeheven in\n\n2013\n\nING Betaalrekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 3]\n\n?? Rekening is opgeheven in\n\n2013\n\nCotes-D'Armor Frankrijk [belanghebbende] en\u002Fof [de partner]\n\n [rekeningnummer 4]\n\nMomenteel is nieuwe pas\n\naangevraagd.\n\nING Beleggings Hypotheek\n\n [rekeningnummer 5]\n\nNVT\n\nWestland Utrecht Garantie Fonds\n\n [rekeningnummer 6]\n\nNVT\n\n18. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen niet op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nRabo rekening courant zonder krediet - [G Ltd] Credit card\n\n [rekeningnummer 7]\n\n?? opgeheven 2013\n\n?? Opgeheven 2013\n\nRabo bedrijfstelerekening - [G Ltd]\n\n [rekeningnummer 8]\n\nNVT\n\nRabo rekeningen bedrijfstelerekening - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 9]\n\nNVT\n\nRabo rekening courant - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 10]\n\n?? Opgeheven 2013\n\n19. Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed.\n\na. Zie kopie hypotheekakte voor huis [adres 1] , [postcode] [plaats 2] op naam van [belanghebbende], 19\u002F10\u002F2001.\n\nb. ING Beleggershypotheek: [Bel. hypotheek nummer 1] was voorheen [Bel. hypotheek nummer 2] . ING heeft nummers gewijzigd in 2012.\n\nc. ING Aflossingsvrije Hypotheek [Afl. hypotheeknummer 1] was voorheen [Afl. hypotheeknummer 2] . ING heeft nummers gewijzigd in 2012.\n\nd. ING Aflossingsvrije Hypotheek [Afl. hypotheeknummer 3] was voorheen [Afl. hypotheeknummer 4] . ING heeft nummers gewijzigd in 2012.\n\ne. Zie tevens leenovereenkomsten bij punt 15.\n\n20. Overzicht credit-, debit & overage paycards. Zie tabelen bij 17 & 18.\n\n21. Overzicht pensioen, lijfrentes etc;\n\nf. AEGON lijfrente (polisnummer: [polisnummer 1] )\n\ng. Nationale Nederlanden – pensioen beleggingsverzekering ( [werkgever] werkgever) (polis: [polisnummer 2] )\n\n22. Verhuurcontracten van onroerend.\n\nh. Huis [adres 1] , [postcode] [plaats 2] staat op naam [belanghebbende]\n\ni. Zie huurovereenkomst mevr. [persoon 1] periode 1\u002F11\u002F2013 – 1\u002F07\u002F2015 opgesteld door [makelaar] .\n\nj. Zie huurovereenkomst mevr. [persoon 2] periode 1\u002F8\u002F2015 – heden, opgesteld door [makelaar] .\n\n23. Overzicht ontvangen huren in Nederland periode 2010 t\u002Fm 2015.\n\nk. Huurcontract mevr. [persoon 1] - periode 1\u002F11\u002F2013 – 1\u002F07\u002F2015. Huur ontvangen 2013 – € 4.350, 2014 – €17.400, 2015 – €5.852. Schuld achterstand\u002Fvordering bestaat nog van €6.292 voor periode 2015 zoals bepaald door gerechtelijk uitspraak. Deurwaarder procedure loopt.\n\nI. Huurcontract [persoon 2] – periode 1\u002F8\u002F2015 – 31\u002F12\u002F2015. Huur ontvangen € 6.750\n\n24. Kopie van aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] 2010 – 2015.\n\nm. [belanghebbende] was niet belastingplichting in periode 01\u002F01\u002F2010 – 30\u002F09\u002F2013 in [woonplaats] maar in Nederland.\n\nn. Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens uit werk vanaf 01\u002F10\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\n2.11.. De inspecteur heeft bij brief van 8 september 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Per brief van 5 april 2016 heb ik u informatie gevraagd over de door u ingediende aangiften\n\ninkomstenbelasting 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014. U hebt hierop gereageerd per brief van 17 mei 2016. Naar aanleiding van deze brief en de informatie verkregen uit een boekenonderzoek bij de vennootschappen waar u tot datum liquidatie benoemd was als directeur, vraag ik uw aandacht voor het volgende.\n\nIn mijn brief van 5 april 2016 heb ik u gevraagd om kopieën te verstrekken van de ingediende aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] . In uw brief van 17 mei reageert u op mijn verzoek als volgt:\n\n\"Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens uit werk vanaf 01\u002F10\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.\"\n\nIn deze brief wil ik nader in gaan op het Nederlandse heffingsbelang ten aanzien van de periode vanaf 1 oktober 2013 en u om aanvullende inlichtingen en bescheiden verzoeken.\n\nHet Nederlandse heffingsbelang\n\nTheoretisch kader – heffingsbelang\n\nEr bestaat een wettelijke grondslag voor de opvraag van de informatie, welke (onder andere) is neergelegd artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De grondslag van de verplichting tot overlegging van informatie ex artikel 47 AWR zal ik in dit onderdeel nader onderbouwen.\n\nIn artikel 47 AWR is onder andere het volgende bepaald:\n\n'Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur.\n\na. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn\n\nb. de boeken en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen'\n\nIn HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 is in r.o. 3.3. het navolgende opgenomen:\n\n3.3.. Het middel faalt ook voorzover daarin wordt betoogd dat belanghebbende niet verplicht was te antwoorden omdat hij nu eenmaal niet beschikte over een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande. Voor het bestaan van die verplichting was voldoende dat de Inspecteur zich — zoals het Hof heeft geoordeeld — op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande had.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Voor de aanwezigheid van een belang in vorengenoemde zin is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing (Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, BNB 1986\u002F126 alsmede HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 20031268).\n\nDe inspecteur hoeft niet aan te tonen dat het gevraagde van belang is. Het inwinnen van informatie met een beroep op artikel 47 AWR is onder andere mogelijk indien de inspecteur zich een oordeel wilt vormen over de mogelijke belastingplicht van een (rechts)persoon. Dit oordeel kan betrekking hebben op zowel de objectieve als de subjectieve belastingplicht.[1]\n\nDe inspecteur moet wel over feitenmateriaal beschikken op grond waarvan hij in redelijkheid kan vermoeden dat mogelijk sprake is van belastingplicht.[2] Deze aanwijzingen mogen beperkt zijn, maar niet dusdanig beperkt dat het verder vragen van informatie een 'fishing expedition' wordt.[3] De inspecteur behoeft echter niet te bewijzen of belanghebbende daadwerkelijk inwoner is\u002Fwas van Nederland. Anders gezegd: niet van belang is dat de belastingplicht wordt aangetoond door de inspecteur. De opgevraagde gegevens zouden van belang kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de subjectieve en\u002Fof objectieve belastingplicht van belanghebbende in Nederland. Op de inspecteur rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij met zijn informatieverzoek niet de grenzen der redelijkheid heeft overschreden.\n\nVorenstaand kader is onlangs bevestigd in HR 18 december 2015, nr. 15\u002F00040 ECLI:NL:HR:2015:3603. Met name wordt in dit verband gewezen op no. 2.4.3.:\n\n2.4.3.. Het Hof heeft bij zijn beoordeling van het geschil in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak terecht als uitgangspunt genomen het arrest BNB 2003\u002F268. Evenwel heeft het Hof in onderdeel 4.5, na te hebben geoordeeld dat op zijn minst twijfels bestaan over het antwoord op de vraag of de werkelijke leiding van belanghebbende bij het statutaire bestuur berustte, overwogen dat het erom gaat dat de Inspecteur een begin van bewijs levert op grond waarvan een vermoeden bestaat dat de werkelijke leiding in Nederland ligt. Vervolgens heeft het in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak geoordeeld dat het in de stukken van het geding waarop de Inspecteur zich beroept ter staving van zijn vermoeden nog geen begin van bewijs heeft gezien dat de feitelijke leiding mogelijk aanwezig is in Nederland. Hetgeen het Hof in onderdeel 4.5 van zijn uitspraak heeft overwogen strookt niet met het in onderdeel 4.2 ervan verwoorde uitgangspunt, aangezien het in dat onderdeel 4.5 overwogene een verdergaande eis aan het door de Inspecteur te leveren bewijs behelst dan uit het in onderdeel 4.2 neergelegde uitgangspunt voortvloeit. Doordat onderdeel 4.5 van zijn uitspraak in dit opzicht niet overeenstemt met onderdeel 4.2 ervan kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt of het Hof een juiste rechtsopvatting ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak. In het bijzonder kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt wat het Hof van de Inspecteur heeft verlangd voor het voeden van de veronderstelling dat belanghebbende belastingplichtig is in Nederland. Derhalve heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het middel slaagt in zoverre.\n\nTheoretisch kader toegepast op uw situatie.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nOp grond van de navolgende gegevens ben ik van mening dat ik aan u informatie kan op vragen op grond van artikel 47 AWR.\n\nIn artikel 10 lid 1 van de Wet op de loonbelasting is het volgende opgenomen:\n\n‘Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.’\n\nAlle voordelen uit dienstbetrekking behoren tot het loon. Het voordeel behoeft daarbij niet steeds het resultaat van verrichte arbeid te zijn. De basis is de rechtsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. De ontvangen beloning moet gekoppeld kunnen worden aan de dienstbetrekking als bron van die beloning. Er is sprake van loon als het genoten voordeel, rekening houdend met de maatschappelijke opvattingen, geacht kan worden zakelijk aan de dienstbetrekking te kunnen worden toegerekend.\n\nMogelijk hebt u na liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen ontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking.\n\nIk ben van mening dat ik mij op het standpunt kan stellen dat er sprake is van een (mogelijk)\n\nNederlands heffingsbelang.\n\nVerzoek om informatie\n\nIk wil u verzoeken alle vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke.\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3 Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak).\n\n3. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] ).\n\n4. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n5. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n6. Overzicht van alle toezeggingen die u hebt verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n7. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n8. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten in [G Ltd] .\n\n9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken.\n\n10. Kopie notariële akten betreffende de lening(en) verkregen van [E Ltd] en\u002Fof deelnemingen in Nederland ten behoeve van onroerend goed.\n\n11. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\nAanmerkelijk belang\n\nIn hoofdstuk 4 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is een regeling opgenomen voor een\n\naandeelhouder met een 'aanmerkelijk belang' in een vennootschap. Op grond van deze wetgeving valt het inkomen dat een 'ab-houder' geniet uit zijn aanmerkelijk belang in box 2. Het belastingtarief van box 2 is 25%. In box 2 worden reguliere voordelen zoals dividend en andere winstuitkeringen belast maar ook vervreemdingsvoordelen.\n\nU hebt o.a. een aanmerkelijk belang als u, eventueel samen met uw fiscale partner, direct of indirect minimaal 5% had van:\n\nde aandelen (ook per soort) in een binnen- of buitenlandse vennootschap de winstbewijzen van een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\nde genotsrechten (ook per soort) van de aandelen in een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\nde genotsrechten (ook per soort) van de winstbewijzen in een binnen- of buitenlandse vennootschap.\n\nVraag:\n\nBent u en\u002Fof uw partner (…) op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s)\n\n(geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum. Graag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\n[1] Rechtbank Gelderland 4 juni 2013, nr. AWB 12\u002F4041, LJN CA1899. ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1899.\n\n[2] Hoge Raad 18 april 2003, nr. 38122, LJN AF7498, BNB 2003\u002F268, Hoge Raad 28 mei 1986, nr. 23784, LJN AW8017, BNB 1986\u002F238, Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23034, LJN AW8125, BNB 1986\u002F128.\n\n[3] Hof ’s-Hertogenbosch 28 november 2014, nr. 14-00447.’\n\n2.12.. Belanghebbende heeft bij brief van 27 september 2016 op de onder 2.11 vermelde brief, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\nA. U geeft aan op pagina 3: \"Mogelijk hebt u na liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen ontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking.\n\n1. Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, gelet op het feit dat ik niet meer in Nederland woon (niet binnenlands belastingplichtig) per 1\u002F10\u002F2013.\n\n2. In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\n\n3. U vraagt specifieke informatie (zie vraag 6) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit zou derhalve mijn inziens onredelijk zijn mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 3 - alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben.\n\n4. Gelet B. 1., B2. & B3., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voor standpund A. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\n\nB. Ik verzoek ik u in verdere correspondentie:\n\n1. Specifieker aan te geven waarom u vragen stelt over [G Ltd] en [F Ltd] (zie bijv. 3,4, 8, etc) in een brief die als doel heeft mijn aangifte inkomstenbelasting (prive persoon) te behandelen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n2. Gelet op Bl., zou (bewust of onbewust) de indruk door u gewekt kunnen worden dat het boekenonderzoek van [F Ltd] integraal en\u002Fof vermengd kan worden met mijn aangifte inkomstenbelasting. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n3. Specifieker aan te geven waarom u bij sommige vragen (bijv. 3,4) informatie aanvraagt voorafgaand of na de periode waarover u de aangiften inkomstenbelasting in beschouwing neemt (2010 t\u002Fm 2014). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n4. Ik heb op de website van de belastingdienst vernomen \"U kunt een navorderingsaanslag krijgen binnen 5 jaar na het einde van het belastingtijdvak waarin uw belastingschuld is ontstaan (meestal het kalenderjaar).\"U heeft niet aangegeven in uw brieven waarom u m.b.t. de aangifte inkomstenbelasting het jaar 2010 in beschouwing neemt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brieven.\n\n5. De rechtelijke uitspraken die u noemt verwijzen naar teksten welke vervolgens niet zijn opgenomen in uw brief. Dit maakt het kunnen beoordelen of het aan gedragen theoretisch kader uberhoudt relevant is (bewust of onbewust) erg moeilijk en tevens de indruk wekt dat alleen die teksten zijn opgenomen welk uw standpunt onderbouwd. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief. Derhalve wordt verzocht alle relevante teksten op te nemen in uw toekomstige brieven. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n6. Een kopie mee te sturen van alle volledige rechterlijke uitspraken (BNB's) welk door u genoemd worden in uw brief en u toekomstige brieven als onderbouwing van uw standpunten. Dit gelet op het feit dat ik niet over een juridische bibliotheek bezit er derhalve niet kan beoordelen of de (volledige) rechterlijke uitspraken die u aandraagt daadwerklijk van toepassing kunnen zijn op u standpunt. Dit is mijn inziens onredelijk. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n7. Op pagina 4 geeft u aan \"!k wil u verzoeken all vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnoties, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijk.\"Gelet op het feit dat u for beide standpunten (A. & B.) geen concrete of aannamelijke onderbouwing aandraagt (zie o.a. A3, A4, B2 & B3) zou u verzoek om zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden (bewust of onbewust) als het ware tot een sleepnet actie kunnen leiden. Indien uw standpunten (aannemelijk) onderbouwd werden, zou ik alleen die informatie hoeven aan te dragen welk specifiek en relevant zijn om u standpunten te weerleggen. U verzoek is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 – alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) alsmede de onduidelijke relevantie van een aantal van uw vragen (zie bijvoorbeeld B1, B2, B3, B4).\n\n8. Gelet op B1 t\u002Fm B7 leidt mij verder te beoordelen dat u op een fishing expedition uit bent m.b.t u standpunt genoemd in A.\n\nC. Gelet op punt A. 4. & B.8, zijn al u vragen in uw brief van 8 september 2016 en uw vorige brieven beantwoordt welke relevant zijn tot de periode 30\u002F9\u002F2013.\n\nDe vragen zoals door u gesteld, zijn hier beneden beantwoordt waarbij de hierboven beschreven punten (A, B & C) in rekening zijn genomen.\n\nZoals uit mijn vorige brieven en deze brief blijkt, wens ik mee te werken met uw aangiften inkomstenbelasting onderzoek.\n\n(…)\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 & 2015 [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 hierboven\n\n• Voor periode 1\u002F1\u002F2011- 30\u002F9\u002F2013 is informatie al eerder aangeleverd.\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting betaald in [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 hierboven\n\n3. Overzicht opdrachtgevers na emigratie.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 hierboven\n\n4. Kopieen mutaties American Expresskaart 2011- 2015.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B1 t\u002Fm B4,\n\n5. Overzicht van alle voordelen verkregen uit [F Ltd] .\n\nBehoudens direct salaris tussen 19 maart 2008 en heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 & B4 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n6. Overzicht van alle toezeggingen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3& B4 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n7. Kopieen van alle communicatie vanuit prive met [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B5 & B6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n8. Kopieen stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten.\n\n• Niet relevant zie B1 t\u002Fm B4\n\n9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten n.a.v. liquidatie [E Ltd] of Nederlandse deelnemingen.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n10. Kopie notariele akten leningen van [E] .\n\n• Er bestaan geen notariele akten.\n\n11. Hebt u in de periode 2008 tot op heden schenkingen ontvangen van [E Ltd]\n\n of bovenliggende moedermaatschappijen?\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Nee.\n\n12. Bent u en\u002Fof partner ultimate beneficiary owner geweest van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffing.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven\n\n• Nee’\n\n2.13.. De inspecteur heeft bij brief van 13 oktober 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. In mijn brief van 8 september 2016 heb ik aangegeven dat het mogelijk is dat u na liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen heeft ontvangen die voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking. U reageert daar als volgt op.\n\n1. \"Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013.\n\nDerhalve is uw standpunt niet relevant, gelet op het feit dat ik niet meer in Nederland woon (niet binnenlands belastingplichtig) per 1\u002F10\u002F2013.\"\n\nIk wil u erop attenderen dat ook voordelen uit een voormalige dienstbetrekking eveneens leiden tot fiscaal belast inkomen. Het opheffen van een entiteit leidt niet automatisch tot beëindiging van voordelen voorkomend uit (een dienstbetrekking bij) deze entiteit.\n\n2. \"In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw\n\nstandpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoe om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\"\n\n3. \"U vraagt specifieke informatie (zie vraag 6) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannemelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannemelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit zou derhalve mijn inziens onredelijk zijn mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 3- alle bankrekening mutaties na 3019\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben.\"\n\n4. “Gelet B. 1., B2. & B3., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voor standpund A. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\"\n\nIk merk op dat op basis van artikel 47 AWR u gehouden bent desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichten te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. De onderbouwing van het mogelijk fiscaal belang heb ik reeds in mijn brief van 8 september 2016 aan u medegedeeld. Ik verwijs u dan ook naar mijn brief van 8 september 2016 en adviseer u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies in te winnen van een fiscaal adviseur.\n\nOnder B en C merk ik samengevat op, dat u stelt dat ik u onvoldoende informatie heb verstrekt om mijn standpunt te onderbouwen. Hierop herhaal ik dat ik het fiscaal belang in mijn brief van 8 september 2016 afdoende heb onderbouwd. De in mijn brief opgenomen jurisprudentie kunt u integraal op internet terugvinden onder de door mij opgenomen uitspraaknummers. Ik herhaal mijn advies dat u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies kan inwinnen bij een fiscaal adviseur.\n\nVoor de vragen die toezien op de periode van voor 2011, is het volgende van toepassing. De aandeelhouder van [F Ltd] Is een in Cyprus gevestigde entiteit. Indien de aandeelhouder u een beloning heeft verstrekt op basis van uw werkzaamheden voor [G Ltd] , dan is er mogelijk sprake van in het buitenland opgekomen inkomen, waarop de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van toepassing is.\n\nTen aanzien van de door mij in mijn brief van 8 september 2016 gestelde vragen, merk ik op dat u geen van de vragen heeft beantwoord, met uitzondering van vraag 10, 11 en 12 (ab vraag). Ik heb informatie ontvangen, welke tegenstrijdig is met de door u verstrekte antwoorden op vraag 12 (ab vraag).\n\nOm een lang correspondentietraject te voorkomen, roep ik u op voor een gesprek met u in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht. Dit gesprek kan plaatsvinden op één van de navolgende datums:\n\n- 1 november 2016;\n\n- 3 november 2016;\n\n- 14 november 2016;\n\n- 15 november 2016; of\n\n- 17 november 2016.\n\nBij dit gesprek verzoek ik u om de navolgende informatie mee te nemen:\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] ).\n\n4. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n5. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n6. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n7. Kopieën van alle communicatie vanuit prive met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n8. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever ING ).\n\n9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken.\n\n10. Deze vraag acht ik afdoende beantwoord.\n\n11. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n12. Bent u en\u002Fof uw partner (…) op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum.\n\nGraag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\nVerder wil ik u er graag op wijzen dat, indien u de gevraagde informatie niet (volledig) verstrekt, ik een informatiebeschikking ex art. 52a AWR op kan leggen.’\n\n2.14.. Belanghebbende heeft bij e-mail van 2 november 2016 de inspecteur om uitstel van vier weken verzocht voor het beantwoorden van de onder 2.13 vermelde brief.\n\n2.15.. De inspecteur heeft bij e-mail van 7 november 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n“Helaas moet ik u berichten dat ik heb moeten constateren dat [de partner] en [belanghebbende] al geruime tijd niet aan hun informatieverplichting hebben voldaan. Ook de reactietermijn van mijn laatste brief, waarin ik [de partner] en [belanghebbende] heb opgeroepen voor een gesprek, is reeds ruimschoots verstreken zonder enige reactie van [de partner] en\u002Fof [belanghebbende].\n\nHoewel ik begrip heb voor uw behoefte om het dossier te kunnen bestuderen, ben ik van mening dat [de partner] en [belanghebbende] u dan hiervoor eerder de gelegenheid hadden moeten bieden. Dit risico komt mijns inziens voor rekening van [de partner] en [belanghebbende].\n\nGezien de reeds aan uw cliënten geboden termijnen, alsmede de gezien de aanslagtermijnen kan ik uw cliënten helaas geen uitstel meer verlenen.’\n\n2.16.. De inspecteur heeft met dagtekening 20 november 2016 de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven. De inspecteur heeft de in de brief van 13 oktober 2016 vermelde vragen in de informatiebeschikkingen opgenomen (zie 2.13).\n\n2.17.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo ( CLO ) aan de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [woonplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de Tax Information Exchange Agreement; hierna: TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, de partner en [L Ltd] . In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n‘On 14 October 2013, [de partner] and [belanghebbende] officially emigrated to [woonplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [de partner] and possibly [belanghebbende] incorporated [L Ltd] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA ) shows that after 14 October 2013, [de partner] and [belanghebbende] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [belanghebbende] and [de partner] declare the income from these activities in their income tax returns in [woonplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [de partner] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n[Belanghebbende]\n\nTo gain insight into the assets and interests of [belanghebbende] in 2013, and to gain insight into the income that [belanghebbende] declared in [woonplaats] , I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of income tax returns and income tax assessments of [belanghebbende] regarding the period 2013 - 2015.\n\n2. Overview regarding the period 2013 - 2016 of interests held by [belanghebbende] in companies with start date and end date of the interest held.’\n\n2.18.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 7 januari 2019 de ‘income tax returns’ van belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [woonplaats] Branch, PKF BBA Limited en het Companies Registry at the [woonplaats] Financial Services Commission.\n\n2.19.. Op 21 februari 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.\n\n2.20.. Op 19 juni 2020 respectievelijk 20 oktober 2020 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen opgelegd voor 2008, 2009, 2011 en 2012.\n\n2.21.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 vernietigd en de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gewijzigd in die zin dat alleen de vragen 1 tot en met 9 in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken. De rechtbank heeft de inspecteur in de voor bezwaar en beroep gemaakte proceskosten aan de zijde van belanghebbende veroordeeld tot het bedrag van € 2.430 en heeft gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 vergoedt.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nIs belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot haar beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012? Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord (dat wil zeggen: belanghebbende is ontvankelijk met betrekking tot haar beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012), zijn deze informatiebeschikkingen dan terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2010, 2013 en 2014 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van haar hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van haar beroep voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012, tot vernietiging van alle ten aanzien van haar genomen informatiebeschikkingen, tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof en tot vergoeding van schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\na) Ontvankelijkheid beroep met betrekking tot jaren 2008, 2009, 2011 en 2012\n\n4.1.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het beroep van belanghebbende met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard wegens een gebrek aan belang. De informatiebeschikkingen zijn vanwege het opleggen van de navorderingsaanslagen van rechtswege komen te vervallen. Belanghebbende stelt dat het beroep tegen de informatiebeschikkingen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank had de informatiebeschikkingen dienen te vernietigen.\n\n4.2.. Volgens vaste jurisprudentie moet een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Als het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is. \n\n4.3.. Artikel 52a, lid 3, AWR, bepaalt dat de informatiebeschikking van rechtswege vervalt indien de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden. Niet in geschil is dat over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn opgelegd. Dit brengt mee dat de informatiebeschikkingen voor die jaren van rechtswege zijn vervallen.\n\n4.4.. Gelet op het vorengaande heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende met betrekking tot de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van belanghebbende voor deze jaren is derhalve ongegrond.\n\n4.5.. De eerste vraag beantwoordt het hof bevestigend. De onder a) gestelde vervolgvraag behoeft in dat geval geen beantwoording.\n\nVraag b. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.6.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Als de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 van rechtswege zouden vervallen, kan de rechtmatigheid ervan niet meer worden getoetst. Het vervallen van de informatiebeschikking is in dat geval in strijd met het recht op een eerlijk proces zoals dat in artikel 6 EVRM is neergelegd. Door het vervallen van de informatiebeschikkingen, wordt belanghebbende een eerlijk proces ontnomen. Belanghebbende stelt dat artikel 6 EVRM in dit geval in de weg staat aan toepassing van nationaal recht, te weten artikel 52a, lid 3, AWR, omdat belanghebbende daarmee een eerlijk proces wordt ontnomen.\n\n4.7.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.9.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.10.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.11.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.12.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.13.. Vraag c moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag d) zijn de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte zijn gehandhaafd.\n\n4.15.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.16.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.17.. De rechtbank heeft geoordeeld dat per vraag dient te worden beoordeeld of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen. Voor zover de vragen in grote mate samenhangen, heeft de rechtbank deze gezamenlijk beoordeeld. Het hof volgt de rechtbank in deze en zal eveneens per vraag beoordelen of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen, waarbij het hof de vragen ook gezamenlijk zal behandelen voor zover zij in grote mate samenhangen. Het hof zal daarbij het hiervoor beschreven rechtskader als uitgangspunt nemen.\n\n‘1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] ’ en\n\n‘2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] ’\n\n4.18.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.11.1. Belanghebbende heeft hierop geantwoord dat gelet op haar emigratie naar [woonplaats] , de gevraagde informatie voor de Nederlandse Belastingdienst niet relevant is vanaf 30 september 2013. Om die reden ziet zij geen aanleiding de gevraagde informatie te verstrekken. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift geschreven dat gelet op de omstandigheid dat belanghebbende vanaf 1 oktober 2013 in Nederland aangifte als buitenlands belastingplichtige doet, hij het redelijk acht om te toetsen of zij in [woonplaats] als binnenlands belastingplichtige aangifte doet.\n\n4.11.2.. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Die informatie zou immers licht kunnen werpen op de mogelijke (binnenlandse of buitenlandse) belastingplicht voor een bepaalde inkomensbron in Nederland. Hieraan doet niet af dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat hij over de gevraagde informatie in vraag 1 reeds beschikt, aangezien die informatie niet door belanghebbende is overgelegd en zij daarmee niet aan haar informatieverplichting heeft voldaan. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.19.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘3. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] )”,\n\n“4. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015”,\n\n“5. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris”\n\n“6. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen”\n\n“7. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa”\n\n“8. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten in [G Ltd] ”\n\n“9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na[ar] aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken’\n\n4.20.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.12.1. De inspecteur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij de inspecteur het vermoeden heerst dat [G Ltd] feitelijk in Nederland gevestigd was, zodat belanghebbende mogelijk een dienstbetrekking bij een Nederlandse werkgever had en een belang in het aandelenkapitaal van een in Nederland gevestigde vennootschap had dat dan kwalificeert als een aanmerkelijk belang. In dat kader wilde de inspecteur verifiëren of belanghebbende na liquidatie van [G Ltd] mogelijk nabetalingen van een salaris, dividenden of een liquidatie-uitkering heeft genoten.\n\n4.12.2.. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. Hieraan doet niet af de stelling dat het niet duidelijk zou zijn wat de inspecteur heeft bedoeld met de gevraagde informatie met betrekking tot de buitenlandse bankrekeningen. De inspecteur heeft zijn vermoedens dat belanghebbende mogelijk in Nederland belastingplichtig is in zijn vragenbrieven duidelijk aan de orde gesteld, zodat niet valt in te zien dat belanghebbende in de veronderstelling is dat met de “buitenlandse bankrekeningen” de Nederlandse bankrekeningen wordt bedoeld. Het gaat hier immers om een verzoek om informatie van de Nederlandse Belastingdienst.\n\n4.12.3.. Wat betreft de stelling dat de door de inspecteur verzochte kopieën van de mutaties van belanghebbendes American Expresskaart voor de jaren 2011 tot en met 2015 (vraag 4) reeds zijn aangeleverd, kan de rechtbank haar niet volgen. In haar brief met dagtekening 27 september 2016 heeft belanghebbende op dit verzoek geantwoord dat gelet op haar inwonerschap in [woonplaats] vanaf 30 september 2013, voormelde kopieën niet relevant zijn voor de Nederlandse belastingheffing (zie 2.11). Verder is het de rechtbank ook uit de gedingstukken niet gebleken dat deze kopieën zijn overgelegd. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.21.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.\n\n4.22.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake is van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.23.. De inspecteur stelt dat belanghebbende tot begin 2008 haar consultancy-werkzaamheden zelfstandig verrichtte en dat zij daarvoor jaarlijks aangifte deed van winst uit onderneming. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende deze activiteit begin 2008 heeft ingebracht in [G Ltd] ., aangezien belanghebbende dezelfde activiteiten vanaf dat moment via [G Ltd] . verricht. Een fors deel van de winst die belanghebbende tot 2008 in privé genoot, blijft vanaf dat moment achter in [G Ltd] . Dit valt niet te rijmen met belanghebbendes stelling dat zij (of haar partner) niet de Ultimate Beneficial Owner (UBO) van [G Ltd] . was, aldus de inspecteur. De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.24.. Het hof stelt voorop dat een aantal vragen ziet op zaken waar belanghebbende in ieder geval rechtstreeks bij betrokken is geweest en dat zij, al dan niet als bestuurder van of gerechtigde tot het vermogen van [F Ltd] . en [E Ltd] ., over de desbetreffende gegevens zou moeten kunnen beschikken. Belanghebbende zou normaliter over deze gegevens hebben moeten beschikken dan wel zouden deze gegevens in de administratie van de vennootschappen aanwezig moeten zijn. Daarbij gaat het onder meer om de correspondentie van belanghebbende met [F Ltd] . (vragen 7 en 8) en de dividendstromen en overige voordelen en toezeggingen binnen de structuur (vragen 5 en 6) en de wijze van vereffening van het vermogen van de geliquideerde vennootschappen (vraag 9).\n\n4.25.. Gezien de aard van de gevraagde informatie en de onderbouwing van de inspecteur acht het hof aannemelijk dat deze documenten bestaan en dat belanghebbende met de van haar redelijkerwijs te verwachten inspanning, die informatie kan verkrijgen. Het gaat om een complexe structuurwijziging waarbij belanghebbende, kort samengevat, haar werkzaamheden inbrengt in een buiten Nederland gevestigde vennootschap, welke vennootschap enkele jaren later wordt geliquideerd. Dat ten aanzien hiervan geen, dan wel niet meer dan belanghebbende reeds heeft overgelegd, schriftelijke correspondentie heeft plaatsgevonden en documenten bestaan, acht het hof geenszins aannemelijk.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt dat zij niet beschikte over een American Expresskaart in de periode 2011 tot en met 2015 en reeds daarom de verzochte gegevens niet heeft kunnen overleggen. In haar brief met dagtekening 27 september 2016 heeft belanghebbende aangegeven dat, gelet op haar inwonerschap in [woonplaats] vanaf 30 september 2013, voormelde kopieën niet relevant zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Hieruit leidt het hof af dat deze kopieën wel beschikbaar zijn. Niet gebleken is dat belanghebbende deze kopieën reeds eerder heeft overgelegd, zodat de informatiebeschikking in zoverre terecht is gegeven.\n\n4.27. Gelet op het voorgaande is van een fishing expedition door de inspecteur geen sprake en zijn de vragen met betrekking tot de werkzaamheden vanuit [woonplaats] en de relatie met de vennootschappen op [woonplaats] legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Gelet op de in 2.10 en 2.12 vermelde reactie op de door de inspecteur gestelde vragen is het hof van oordeel dat de gestelde vragen niet adequaat zijn beantwoord en dat voorts de verzochte informatie niet is verstrekt. Belanghebbende heeft in reactie op het overgrote deel van de vragen vermeld dat de verzochte informatie niet relevant of niet van toepassing is, waarmee zij geen inhoudelijk antwoord heeft verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\n4.28.. Vraag d moet bevestigend worden beantwoord.\n\nVraag e) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.29.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.30.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.31.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.32.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.33.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderingsaanslagen te verlengen.\n\n4.34.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.35.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.36.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.37.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikkingen hoeven dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.38.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.39.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.40.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.41.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.42.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag g) Heeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.43.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [woonplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding. Voor de inkomstenbelasting is dat dus in beginsel vanaf 1 januari 2009.\n\n4.44.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [woonplaats] .\n\n4.45.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.46.. Uit de slotzin van de onder 4.45 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.47.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.48.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.49.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag e). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur informatiebeschikkingen heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.50.. Vraag g moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.51.. Zoals uit het voorgaande volgt, zijn de informatiebeschikkingen terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor haar bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.52.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.53.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.54.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.55.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.56.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nTen aanzien van het verzoek om schadevergoeding\n\n4.57.. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van schade in verband met de van rechtswege vervallen informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012. Op dit verzoek is in beginsel artikel 8:73 Awb (oud) van toepassing.\n\n4.58.. Omdat voor de informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard, en niet gegrond, is een vergoeding van schade niet de aan de orde.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.59.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.60.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op\n\nen een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [woonplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n Vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3602 en Toelichting bij de Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II, 2008\u002F09, 30 645, nr. 14, p. 10-11.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Eerste tijdvak na inwerkingtreding op 1 maart 2008.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n Voor de inkomstenbelasting tot 1 januari 2029 van toepassing op grond van artikel V van de ‘Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Stb. 2013, 50)’, zoals gewijzigd bij artikel 3.4, onder A van de ‘Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht’, Stb. 2021, 135, ‘Besluit van 6 oktober 2023 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en daarmee samenhangende bepalingen uit de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten en de Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht (Stb. 2021, 135)’, Stb. 2023, 236 en artikel 8:108 Awb. Vgl. HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7736.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4081","2026-07-13T00:29:18.069Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":63,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":65},"1384","ECLI:NL:GHSHE:2024:4082","ecli-nl-ghshe-2024-4082","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2292 tot en met 22\u002F2297\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende 1] ,\n\nwonend in [woonplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F6597 t\u002Fm BRE 18\u002F6602, en BRE 18\u002F6604 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikkingen zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2008 tot en met 2014.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard en heeft het beroep met betrekking tot de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van zijn partner, en zijn gemachtigde, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende, zijn partner en zijn gemachtigde hebben aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 22\u002F2285 t\u002Fm 22\u002F2291 en de zaken met nummers 22\u002F2298 t\u002Fm 22\u002F2305.\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende en zijn partner woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [woonplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [woonplaats] .\n\n2.2.. Belanghebbende heeft ook na september 2013 de woning te [plaats 2] in eigendom gehouden. Belanghebbende verhuurde deze woning van 1 november 2013 tot 31 oktober 2014 aan een derde. Gedurende de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2016 verhuurde belanghebbende de woning te [plaats 2] aan de heer en mevrouw [persoon 2] (eveneens derden). In de beide huurcontracten is een diplomatenclausule opgenomen, welke inhoudt dat belanghebbende verklaart dat hij de vorige bewoner van het woonhuis is en dat hij de woning, na afloop van de overeengekomen huurperiode, zelf weer zal betrekken.\n\n2.3.. Belanghebbende hield in de onderhavige jaren 5 van de 225 aandelen in het aandelenkapitaal van [B Ltd] . . [B Ltd] . hield via [C Ltd] , [E Ltd] . en [F Ltd] , 100% van de aandelen in het aandelenkapitaal in [G Ltd] .\n\n2.4.. Belanghebbende en de partner voeren gezamenlijk de directie over [G Ltd] . Belanghebbende is in de jaren 2011 en 2012 twee leningen van ieder € 200.000 bij [G Ltd] aangegaan.\n\n2.5.. Belanghebbende was in de onderhavige jaren werkzaam als IT-consultant. Tot begin 2008 verrichtte belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant als zelfstandige - in de vorm van een eenmanszaak via tussenkomst van een bemiddelaar, [J] BV - en deed daarvoor jaarlijks aangifte IB\u002FPVV ter zake van zijn in het betreffende jaar genoten winst uit onderneming. Vanaf oktober 2007 verrichtte belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant voor [H BV] .\n\n2.6.. Op 31 maart 2008 heeft belanghebbende een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . Vanaf dat moment heeft [G Ltd] klanten, via tussenkomst van [J] BV, gefactureerd voor de door belanghebbende verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd.\n\n2.7.. Vanaf 1 oktober 2013 verricht belanghebbende zijn werkzaamheden voor [H] , via [Q BV] , door middel van tussenkomst van [L Ltd] . Belanghebbende en de partner houden gezamenlijk 100% van de aandelen in [L Ltd] .\n\n2.8.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2008 tot en met 2014 aangiften IB\u002FPVV gedaan.\n\n2.9.. De inspecteur heeft bij brief van 5 april 2016 belanghebbende verzocht om informatie voor de behandeling van de aangiften IB\u002FPVV 2010 tot en met 2014. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n‘Voor de behandeling van uw aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 heb ik additionele informatie nodig. Middels deze brief wil ik u verzoeken mij onderstaand genoemde informatie toe te zenden.\n\n- Kopie samenlevingscontract of vergelijkbaar indien opgemaakt;\n\n- Overzicht van aandelenbelangen, inclusief aan- en verkochte belangen;\n\n- Opgave van de waardering van de door u, niet als aanmerkelijk belang gehouden, aandelen (inclusief een kopie van onderliggende stukken);\n\n- Overzicht van kapitaalstortingen en\u002Fof terugbetalingen in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzichten ontvangen dividenden, welke betrekking hebben op de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen in de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Bent u in de periode 2010 tot en met 2014 -in welke vorm dan ook- betrokken bij een afgezonderd particulier vermogen? Zo ja, dan graag een toelichting op de betreffende APV's en uw betrokkenheid bij deze(n), alsmede kopieën van de onderliggende stukken);\n\n- Kopie directie- en managementovereenkomsten welke door u zijn afgesloten en\u002Fof welke van kracht waren over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen directie en\u002Fof managementvergoedingen welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Kopie van uw arbeidscontracten welke door u zijn aangegaan en\u002Fof welke van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen inkomsten (voordelen) op basis van voornoemde arbeidscontracten, welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van eventueel overige bezoldigde en onbezoldigde functies die u in de periode 2010 tot en met 2014 hebt bekleed;\n\n- Kopie verkoopcontracten welke zijn gesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014 welke door u zijn gesloten in een andere hoedanigheid dan als directeur, bestuurder en\u002Fof medewerker van een rechtspersoon;\n\n- Documentatie waaruit uw verhuizing naar [woonplaats] , alsmede het moment van uw verhuizing naar [woonplaats] blijkt;\n\n- Leningenovereenkomsten (ontvangen en verstrekte gelden) met verbonden entiteiten zoals werkgevers of deelnemingen, welke zijn afgesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Verloopstaten van de rekening-couranten en leningen (ontvangen en verstrekte gelden) over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts en dergelijke op eigen naam gehouden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts niet op eigen naam, waarover u wel kunt beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed (mede) op uw naam in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van hypotheken en leningen (akten en jaaropgaves) welke zijn afgesloten of van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht credit-, debit en overige paycards waarover u kon beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht pensioenproducten, lijfrentes etc;\n\n- Verhuurcontracten van onroerend goed (mede) op uw naam in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015;\n\n- Overzicht ontvangen huren in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015:\n\n- Kopie van uw aangifte(n) inkomstenbelasting in [woonplaats] over de periode 2010 tot en met 2015.\n\nGraag ontvang ik bovenstaande informatie vóór 2 mei 2016. Ik verzoek u bovenstaande informatie ook te verstrekken indien u van mening zou zijn dat deze informatie niet relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Ik wil dan tevens verzoeken uw standpunt nader te onderbouwen.\n\nWellicht ten overvloede wil ik u erop wijzen dat ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een ieder verplicht is desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing ten zijnen aanzien van belang kan zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Ingevolge artikel 49 van de AWR dient het verstrekken van de inlichtingen en gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te geschieden.’\n\n2.10.. Belanghebbende heeft bij brief van 17 mei 2016 op de onder 2.9 vermelde vragenbrief van de inspecteur, als volgt gereageerd:\n\n‘Hieronder vindt u puntsgewijs antwoord op uw verzoek om informatie for de aangifte inkomstenbelastingen 2010, 2011, 2012, 2013 & 2014. Het volgende is daarbij in beschouwing genomen.\n\nA. In de genoemde jaren heeft de heer [persoon 5] van het kantoor [kantoornaam] te [plaats 2] de jaarlijkse inkomstenbelasting aangiftes opgesteld en ingediend bij de belastingdienst.\n\nB. Aangenomen wordt dat u beschikking heeft over de jaaraangiftes, aanslagen & definitieve aanslagen.\n\nC. Vanaf 21\u002F10\u002F2013 is [belanghebbende] en kinderen ((…) & (…)) woonachtig in [woonplaats] (Channel Islands).\n\nD. De heer [persoon 5] heeft voor het jaar 2013 de eerste negen maanden (1\u002F1\u002F2013 - 30\u002F09\u002F2013) meegenomen in de aangifte inkomstenbelasting. De [woonplaats] accountant is de inkomsten vanaf 1\u002F10\u002F2013 gaan administreren.\n\nE. Gelet op C & D, is [belanghebbende] niet belastingplichtig in Nederland vanaf 1\u002F10\u002F2013.\n\nF. Derhalve is inkomens gegevens toegevoed voor de jaren 2010, 2011, 2012 en tot 30\u002F09\u002F2013 voor het jaar 2013.\n\nPuntsgewijs antwoordt op uw verzoek om informatie\n\n1. Samenlevingscontract met de partner () d.d. 8\u002F11\u002F2002 [notarissen]\n\n te [plaats 3] . Zie kopie toegevoegd.\n\n2. Overzicht van aandelenbelangen. Niet van toepassing. Zie kopien toegevoegd van aandelen [B Ltd] voor de jaren 2010, 2011, 2012 & 2013.\n\n3. Opgave van waarderingen aanmerkelijk belang. Niet van toepassing geweest.\n\n4. Overzicht van kapitaalstortingen. Niet van toepassing geweest.\n\n5. Overzicht ontvangen dividenden. Niet van toepassing geweest.\n\n6. Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen. Niet van toepassing geweest.\n\n7. Betrokkenheid APV's. Niet van toepassing geweest.\n\n8. Kopie directive-managementovereenkomsten. Niet van toepassing geweest.\n\n9. Overzicht ontvangen directive en\u002Fof managementvergoedingen. Niet van toepassing geweest.\n\n10. Kopie arbeidscontracten. Zie kopie toegevoegd.\n\n11. Overzicht ontvangen inkomsten o.b.v. arbeidscontracten.\n\na) 2010 - € 52.693\n\nb) 2011 - € 50.822\n\nc) 2012 - € 52.036\n\nd) 2013 - € 37.818\n\n12. Overzicht overige bezoldigde functies. Niet van toepassing geweest.\n\n13. Kopie verkoopcontracten. Niet van toepassing geweest.\n\n14. Documentatie waaruit verhuizing naar [woonplaats] blijkt.\n\na. Zie kopie inschrijving gezinsleden [woonplaats] social security department St Helier, [woonplaats] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nb. Zie kopie inschrijving kinderen (…) [school] autumn term 4\u002F11\u002F2013.\n\nc. Zie kopie Child health registration States of [woonplaats] [kinderen] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nd. Zie verhuizingsfactuur van [verhuisbedrijf] . Een deel van de inboedel is verhuisd naar het vakantie huis Frankrijk en in dezelfde rit is het grootste deel van de inboedel naar [adres 2] , [plaats 4] , [woonplaats] verhuisd. Uitvoeringsdatum van verhuizing is opgenomen op factuur (12\u002F9\u002F2013).\n\ne. Zie kopie uitschrijvingen gemeente [plaats 2] van alle gezinsleden op 14\u002F10\u002F2013.\n\nf. Zie kopie huur contract [adres 2] [plaats 4] , […] , [woonplaats] per 1\u002F9\u002F2013.\n\n15. Leningenovereenkomsten.\n\na. Leningen overeenkomst V December 2011, welke is gewijzigd op 10th October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\nb. Leningen overeenkomst 4 September 2012, welke is gewijzid op 10 October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\n16. Verloopstaten van rekening-couranten. Zie overzichten per jaar aan eind van deze brief.\n\n17. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] ING Creditcard\n\n [rekeningnummer 11]\n\n [bankkaartnummer]\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] en\u002Fof de partner\n\n [rekeningnummer 2]\n\n?? Rekening is opgeheven in\n\n2013\n\nING Profijt rekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 11]\n\nNVT\n\nING beleggingsrekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 12]\n\nNVT\n\nABN-AMRO Direct beleggen & eurostyle rekening [kind]\n\n [rekeningnummer 13]\n\n??\n\nCotes-d’Armor Frankrijk de partner en\u002Fof [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 4]\n\nMomenteel is nieuwe pas aangevraagd.\n\nING Groeirekening [kind]\n\n [rekeningnummer 14]\n\nNVT\n\nING Groeirekening [kind]\n\n [rekeningnummer 15]\n\nNVT\n\n18. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen niet op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nRabo rekening courant zonder krediet [G Ltd] Credit card\n\n [rekeningnummer 7]\n\n?? opgeheven 2013\n\n?? Opgeheven 2013\n\nRabo bedrijfstelerekening - [G Ltd]\n\n [rekeningnummer 8]\n\nNVT\n\nRabo rekeningen bedrijfstelerekening - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 9]\n\nNVT\n\nRabo rekening courant - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 10]\n\n?? Opgeheven 2013\n\nPAYPAL [L] .nl\n\n [rekeningnummer 16]\n\nNVT\n\n19. Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed.\n\nA. Zie kopie hypotheekakte voor huis in Frankrijk ( [naam] ) van notaires [notaris] op naam van [belanghebbende], 17\u002F10\u002F2008.\n\nB. ING Lineaire hypotheek: [lineaire hypotheeknummer] . ING heeft de hypotheek nummers gewijzigd in 2012. Het nieuwe nummer werd: [huypotheeknummer] .\n\nC. ING aflossingsvrij hypotheek [Afl. hypotheeknummer 5] . ING heeft de hypotheek nummers gewijzigd in 2012.\n\nD. Zie tevens leenovereenkomsten bij punt 15.\n\n20. Overzicht credit-, debit & overage paycards. Zie tabelen bij 17 & 18.\n\n21. Overzicht pensioen, lijfrentes etc;\n\nA. AEGON lijfrente (polisnummer: [polisnummer 3] )\n\nB. Atos pensioenfonds (relatienummer: [relatienummer] )\n\nC. Centraal beheer (polisnummer: [polisnummer 4] )\n\nD. ABP (klantnummer [klantnummer] )\n\n22. Verhuurcontracten van onroerend. Niet van toepassing geweest.\n\n23. Overzicht ontvangen huren in Nederland periode 2010 t\u002Fm 2015. Niet van toepassing geweest.\n\n24. Kopie van aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] 2010 — 2015.\n\nA. [Belanghebbende] was niet belastingplichting in [woonplaats] in de periode 01\u002F01\u002F2010 —30\u002F09\u002F2013 maar in Nederland.\n\nB. Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens vanaf 30\u002F09\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\n2.11.. De inspecteur heeft bij brief van 8 september 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Per brief van 5 april 2016 heb ik u informatie gevraagd over de door u ingediende aangiften\n\ninkomstenbelasting 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014. U hebt hierop gereageerd per brief van 17 mei 2016. Naar aanleiding van deze brief en de informatie verkregen uit een boekenonderzoek bij de vennootschappen waar u tot datum liquidatie benoemd was als directeur, vraag ik uw aandacht voor het volgende.\n\nIn mijn brief van 5 april 2016 heb ik u gevraagd om kopieën te verstrekken van de ingediende aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] . In uw brief van 17 mei reageert u op mijn verzoek als volgt:\n\n‘Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens uit werk vanaf 01\u002F10\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\nIn deze brief wil ik nader in gaan op het Nederlandse heffingsbelang ten aanzien van de periode vanaf 1 oktober 2013 en u om aanvullende inlichtingen en bescheiden verzoeken.\n\nHet Nederlandse heffingsbelang\n\nTheoretisch kader – heffingsbelang\n\nEr bestaat een wettelijke grondslag voor de opvraag van de informatie, welke (onder andere) is neergelegd artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De grondslag van de verplichting tot overlegging van informatie ex artikel 47 AWR zal ik in dit onderdeel nader onderbouwen.\n\nIn artikel 47 AWR is onder andere het volgende bepaald:\n\n'Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur.\n\na. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn\n\nb. de boeken en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen'\n\nIn HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 is in r.o. 3.3. het navolgende opgenomen:3.3.. Het middel faalt ook voorzover daarin wordt betoogd dat belanghebbende niet verplicht was te antwoorden omdat hij nu eenmaal niet beschikte over een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande. Voor het bestaan van die verplichting was voldoende dat de Inspecteur zich — zoals het Hof heeft geoordeeld — op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande had.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Voor de aanwezigheid van een belang in vorengenoemde zin is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing (Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, BNB 1986\u002F126 alsmede HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268).\n\nDe inspecteur hoeft niet aan te tonen dat het gevraagde van belang is. Het inwinnen van informatie met een beroep op artikel 47 AWR is onder andere mogelijk indien de inspecteur zich een oordeel wilt vormen over de mogelijke belastingplicht van een (rechts)persoon. Dit oordeel kan betrekking hebben op zowel de objectieve als de subjectieve belastingplicht. [1]\n\nDe inspecteur moet wel over feitenmateriaal beschikken op grond waarvan hij in redelijkheid kan vermoeden dat mogelijk sprake is van belastingplicht. [2]. Deze aanwijzingen mogen beperkt zijn, maar niet dusdanig beperkt dat het verder vragen van informatie een 'fishing expedition' wordt. [3] De inspecteur behoeft echter niet te bewijzen of belanghebbende daadwerkelijk inwoner is\u002Fwas van Nederland. Anders gezegd: niet van belang is dat de belastingplicht wordt aangetoond door de inspecteur. De opgevraagde gegevens zouden van belang kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de subjectieve en\u002Fof objectieve belastingplicht van belanghebbende in Nederland. Op de inspecteur rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij met zijn informatieverzoek niet de grenzen der redelijkheid heeft overschreden.\n\nVorenstaand kader is onlangs bevestigd in HR 18 december 2015, nr. 15\u002F00040 ECLI:NL:HR:2015:3603. Met name wordt in dit verband gewezen op no. 2.4.3.:2.4.3.. Het Hof heeft bij zijn beoordeling van het geschil in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak terecht als uitgangspunt genomen het arrest BNB 2003\u002F268. Evenwel heeft het Hof in onderdeel 4.5, na te hebben geoordeeld dat op zijn minst twijfels bestaan over het antwoord op de vraag of de werkelijke leiding van belanghebbende bij het statutaire bestuur berustte, overwogen dat het erom gaat dat de Inspecteur een begin van bewijs levert op grond waarvan een vermoeden bestaat dat de werkelijke leiding in Nederland ligt. Vervolgens heeft het in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak geoordeeld dat het in de stukken van het geding waarop de Inspecteur zich beroept ter staving van zijn vermoeden nog geen begin van bewijs heeft gezien dat de feitelijke leiding mogelijk aanwezig is in Nederland. Hetgeen het Hof in onderdeel 4.5 van zijn uitspraak heeft overwogen strookt niet met het in onderdeel 4.2 ervan verwoorde uitgangspunt, aangezien het in dat onderdeel 4.5 overwogene een verdergaande eis aan het door de Inspecteur te leveren bewijs behelst dan uit het in onderdeel 4.2 neergelegde uitgangspunt voortvloeit. Doordat onderdeel 4.5 van zijn uitspraak in dit opzicht niet overeenstemt met onderdeel 4.2 ervan kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt of het Hof een juiste rechtsopvatting ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak. In het bijzonder kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt wat het Hof van de Inspecteur heeft verlangd voor het voeden van de veronderstelling dat belanghebbende belastingplichtig is in Nederland. Derhalve heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het middel slaagt in zoverre.\n\nTheoretisch kader toegepast op uw situatie.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nOp grond van de navolgende gegevens ben ik van mening dat ik aan u informatie kan op vragen op grond van artikel 47 AWR.\n\nIn artikel 7.1 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is de volgende bepaling opgenomen:\n\n“Ten aanzien van de buitenlandse belastingplichtige wordt de inkomstenbelasting geheven over het door hem in het kalenderjaar genoten:\n\na. belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland;\n\nb. belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en\n\nc. belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland.\"\n\nIn artikel 7.2 Wet IB is dit nader uitgewerkt:\n\n\"1.Het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland is het inkomen uit werk en woning in Nederland verminderd met de verliezen uit werk en woning, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3 en verminderd, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6.2., 6.2a en 6.31, met uitgaven voor monumentenpanden.\n\n2. Het inkomen uit werk en woning in Nederland is het gezamenlijke bedrag van:\n\na.de belastbare winst uit Nederlandse onderneming, dat is de belastbare winst, bedoeld in de\n\nartikelen 3.2 en 3.3 uit een onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat wordt\n\ngedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of een vaste vertegenwoordiger in\n\nNederland (Nederlandse onderneming);...”\n\nUit informatie verkregen uit een derdenonderzoek is gebleken dat u via een Nederlandse\n\ntussenpersoon (onderneming) bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaamheden (heeft) verricht.\n\nIn artikel 10 lid 1 van de Wet op de loonbelasting is het volgende opgenomen:\n\n\"Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.\"\n\nAlle voordelen uit dienstbetrekking behoren tot het loon. Het voordeel behoeft daarbij niet steeds het resultaat van verrichte arbeid te zijn. De basis is de rechtsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. De ontvangen beloning moet gekoppeld kunnen worden aan de dienstbetrekking als bron van die beloning. Er is sprake van loon als het genoten voordeel, rekening houdend met de maatschappelijke opvattingen, geacht kan worden zakelijk aan de dienstbetrekking te kunnen worden toegerekend.\n\nMogelijk hebt u na liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen ontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking.\n\nIk ben van mening dat ik mij op het standpunt kan stellen dat er sprake is van een (mogelijk)\n\nNederlands heffingsbelang.\n\nVerzoek om informatie\n\nIk wil u verzoeken alle vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke.\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstelling en onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt.\n\n4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) en na 1 oktober 2013 tot heden.\n\n5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.\n\n6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd]\n\n ).\n\n7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de oprichting van [F Ltd] .\n\n12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] ).\n\n13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] .\n\n14. Een onderbouwing van de verkoopprijs aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van\n\n2008 ad € 100.000,= en 2009 ad € 12.000,=.\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld. 16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort;\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen.\n\n17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle lening overeenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum\n\noprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden.\n\n18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen.\n\n19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland.\n\n20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd]\n\n en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met\n\nkopieën van alle onderliggende stukken.\n\n22. Kopie notariële akten lening verkregen van [E Ltd] en\u002Fof deelnemingen in Nederland ten behoeve van onroerend goed.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nAanmerkelijk belang\n\nIn hoofdstuk 4 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is een regeling opgenomen voor een aandeelhouder met een 'aanmerkelijk belang' in een vennootschap. Op grond van deze wetgeving valt het inkomen dat een 'ab-houder' geniet uit zijn aanmerkelijk belang in box 2. Het belastingtarief van box 2 is 25%. In box 2 worden reguliere voordelen zoals dividend en andere winstuitkeringen belast maar ook vervreemdingsvoordelen. U hebt o.a. een aanmerkelijk belang als u, eventueel samen met uw fiscale partner, direct of indirect minimaal 5% had van:\n\n- de aandelen (ook per soort) in een binnen- of buitenlandse vennootschap de winstbewijzen van een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\n- de genotsrechten (ook per soort) van de aandelen in een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\n- de genotsrechten (ook per soort) van de winstbewijzen in een binnen- of buitenlandse vennootschap.\n\nVraag:\n\n25. Bent u en\u002Fof uw partner (…) op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum. Graag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\n[1] Rechtbank Gelderland 4 juni 2013, nr. AWB 12\u002F4041, LJN CA1899, ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1899.\n\n[2] Hoge Raad 18 april 2003, nr. 38122, LJN AF7498, BNB 2003\u002F268, Hoge Raad 28 mei 1986, nr. 23784, LJN AW8017, BNB 1986\u002F238, Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23034, LJN AW8125, BNB 1986\u002F128.\n\n[3] Hof ’s-Hertogenbosch 28 november 2014, nr. 14-00447.’\n\n2.12.. Belanghebbende heeft bij brief van 27 september 2016 op de onder 2.11 vermelde brief, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. Op pagina 3 geeft uw aan:\" Uit informatie verkregen uit een derdenonderzoek is gebleken dat u via een Nederlandse tussenpersoon (onderneming) bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaamheden (heeft) verricht\".Vervolgens geeft u uitleg over al hetgeen dat onder loon kan worden verstaan.\n\n1. Ik werkte inderdaad vanuit [woonplaats] waar ik woon via een in Nederland gevestigde tussenpersoon. De werkzaamheden werden in [woonplaats] uitgevoerd met behulp van collaboration\u002Fvirtual tools (internet). Fysieke aanwezigheid in Nederland werd niet verlangt van de eindopdrachtgever. Derhalve, ik heb niet \"bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaameheden verricht\" maar voor een Nederlandse eindopdrachtgever werkzaamheden verricht. De eindopdrachtgever is een internationaal bedrijf met veel kantoren in diverse landen, een bewust beleid heeft gevoerd om interne en externe medewerkers zoveel mogelijk thuis te laten werken om kantoorkosten te verminderen en om de work\u002Fhealth balance van medewerkers te ondersteunen.\n\n2. Zie mijn brief van 17 mei 2016 waarin ik heb aangegeven niet meer in Nederland te wonen vanaf 30\u002F9\u002F2013 waarvoor tevens bewijs (bijlagen) zijn aangeleverd. Indien u het hier niet mee eens bent, verzoek u ik dit gaarne te onderbouwen.\n\n3. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig), zonder eerst (bewust of onbewust) uw standpunt A. te veriferen bij mij of deze (bewust of onbewust) enigzins concreet aannemelijk te maken. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\n\n4. U geeft aan tot uw standpunt te komen o.b.v. informatie verkregen uit een\n\nderdenonderzoek. In uw brief geeft u geen verdere gedetailleerde informatie hierover. Bijvoorbeeld de bronen van de verkregen informatie of de documenten\u002Fbewijsmaterialen welk zijn verkregen uit het derdenonderzoek waarop u uw standpunt heeft gebaseerd. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) zonder de betrouwbaarheid en\u002Fof de bewijsstukken van deze informatie eerst door mij te laten veriferen of te weerleggen. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\n\n5. Op basis van punten A.1., A.2., A.3. & A.4. ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 aangezien ik niet in Nederland binnenlands belastingplichtig ben. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t. dit standpunt.\n\nB. U geeft aan op pagina 4: \"Mogelijk hebt u no liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelenontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking\".\n\n1. Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, zie punt A. 2. hierboven.\n\n2. In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\n\n3. U vraagt specifieke informatie (zie vraag 21) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 - alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig).\n\n4. Gelet B. 1., B2. & B3., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voor standpund B. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\n\nC. Ik verzoek ik u in verdere correspondentie:\n\n1. Specifieker aan te geven welke wetten of rechtelijke uitspraken (\"Theoretisch kaderheffingsbelang') volgens u van toepassing zijn (\"theoretisch kader toegepast op uw situatie\") voor elk standpunt dat u aandraagt (zie hierboven A. & B.). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n2. Specifieker aan te geven welke vragen volgens u corresponderen met elk standpunt die u aandraagt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n3. Specifieker aan te geven waarom u vragen stelt over [G Ltd] en [F Ltd] (zie bijv. 4, 7, 11, 12, 13, 14,15 etc) in een brief die als doel heeft mijn aangifte inkomstenbelasting (prive persoon) te behandelen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n4. Gelet op C3., zou (bewust of onbewust) de indruk door u gewekt kunnen worden dat het boekenonderzoek van [F Ltd] integraal en\u002Fof vermengd kan worden met mijn aangifte inkomstenbelasting. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n5. Specifieker aan te geven waarom u bij sommige vragen (bijv. 4, 8, 17) informatie aanvraagt voorafgaand of na de periode waarover u de aangiften inkomstenbelasting in beschouwing neemt (2010 t\u002Fm 2014). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n6. Ik heb op de website van de belastingdienst vernomen \"U kunt een navorderingsaanslag krijgen binnen 5 jaar na het einde van het belastingtijdvak waarin uw belastingschuld is ontstaan (meestal het kalenderjaar).' U heeft niet aangegeven in uw brieven waarom u m.b.t. de aangifte inkomstenbelasting het jaar 2010 in beschouwing neemt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brieven.\n\n7. De rechtelijke uitspraken die u noemt verwijzen naar teksten welke vervolgens niet zijn opgenomen in uw brief. Dit maakt het kunnen beoordelen of het aan gedragen theoretisch kader uberhoudt relevant is (bewust of onbewust) erg moeilijk en tevens de indruk wekt dat alleen die teksten zijn opgenomen welke uw standpunten onderbouwen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief. Derhalve wordt verzocht alle relevante teksten op te nemen in uw toekomstige brieven.. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n8. Een kopie mee te sturen van alle volledige rechterlijke uitspraken (BNB's) welk door u genoemd worden in uw brief en u toekomstige brieven als onderbouwing van uw standpunten. Dit gelet op het feit dat ik niet over een juridische bibliotheek bezit er derhalve niet kan beoordelen of de (volledige) rechterlijke uitspraken die u aandraagt om u standpunt te onderbouwen daadwerklijk van toepassing kunnen zijn. Dit is mijn inziens onredelijk. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n9. Op pagina 4 geeft u aan \"Ik wil u verzoeken all vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnoties, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, foxen, facturen endergelijk.' Gelet op het feit dat u for beide standpunten (A. & B.) geen concrete of aannamelijke onderbouwing aandraagt (zie o.a. A3, A4, B2 & B3) zou u verzoek omzo uitgebreid mogelijkte beantwoorden (bewust of onbewust) als het ware tot een sleepnet actie kunnen leiden. Indien uw standpunten (aannemelijk) onderbouwd werden, zou ik alleen die informatie hoeven aan te dragen welk specifiek en relevant zijn om u standpunten te weerleggen. U verzoek is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy)b die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 – alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) alsmede de onduidelijke relevantie van een aantal van uw vragen (zie bijvoorbeeld C3, C4, C5, C6).\n\n10. Gelet op D 1 t\u002Fm D 9 leidt mij verder te beoordelen dat u op een fishing expedition uit bent m.b.t u standpunten genoemd in A & B.\n\nD. Gelet op punt A. 4., B.4. & C.10, zijn al uw vragen in uw brief van 8 september 2016 en uw vorige brieven beantwoordt welke relevant zijn tot de periode 30\u002F9\u002F2013.\n\nDe vragen zoals door u gesteld, zijn hier beneden beantwoordt waarbij de hierboven beschreven punten (A, B & C) in rekening zijn genomen.\n\nZoals uit mijn vorige brieven en deze brief blijkt, wens ik mee te werken met uw aangiften inkomstenbelasting onderzoek.\n\n(…)\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 & 2015 [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n• Voor periode 1\u002F1\u002F2011- 30\u002F9\u002F2013 is informatie al eerder aangeleverd.\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting betaald in [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n3. Overzicht opdrachtgevers na emigratie.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n4. Kopie opdrachtbevestigingen en contracten 2008 t\u002Fm heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, C5 & C6 hierboven.\n\n• Opdrachten\u002Fcontracten van [G Ltd] zijn in de brief van 29 augustus 2016 reeds aangeleverd mbt boekenonderzoek [E Ltd] .\n\n5. Consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven.\n\n6. Kopie bankrekeningen mutaties 2013-2015\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5.\n\n• Voor 2013 (tot 30\u002F9\u002F2013) is in mijn vorige brief van 17 mei 2016 de verloopstaten van de Franse bankrekening als bijlage opgenomen.\n\n7. Kopieen mutaties American Expresskaart 2011-2015.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, C5 & C6.\n\n8. Overzicht van alle voordelen verkregen uit [F Ltd] .\n\nBehoudens direct salaris tussen 19 maart 2008 en heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5& C6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n10. Kopieen van alle communicatie vanuit prive met [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Zie mijn eerdere brief 17 mei 2016 (leningsoverenkomsten) voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n11. Kopieen onderliggende stukken betreffende de oprichting [F Ltd]\n\n .\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n12. Kopieen stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n13. Kopieen stukken beftreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd]\n\n .\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n14. Onderbouwing van de verkoopprijs aandelen en toelichting hoogte verkoopprijs aandelen in relatie dividend van 2008 & 2009.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van de verkoopprijs aandelen is vermeld.\n\n• Niet relevant zie D3, D4, DS & D6 hierboven\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n16. Is het dividend in 2008 en 2009 ook als lening aan u vestrekt door [E Ltd] ?\n\n• Niet relevant zie CS & C6 hierboven.\n\n17. Alle leningsovereenkomsten afgesloten met [E] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie brief 17 mei 2016 voor de periode tot 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013 (leningsovereenkomsten).\n\n18. Kopieen van alle communicatie rente betalingen en afwikkeling leningen met [E Ltd]\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie brief 17 mei 2016 voor de periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013 (leningsovereenkomsten).\n\n19. Bankafschriften van rentebetalingen leningen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie bijlagen voorde periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n20. Kopieen van alle communicatie van leningen na liquidatiedatum [E Ltd] .\n\n• Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten n.a.v. liquidatie [E Ltd] of Nederlandse deelnemingen.\n\n• Zie vraag 20.\n\n• Zie vraag 8\n\n22: Kopie notariele akten leningen van [E] .\n\n• Er bestaan geen notariele akten.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot op heden schenkingen ontvangen van [E Ltd]\n\n of bovenliggende moedermaatschappijen?\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Nee.\n\n24. Aandelen [B]\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven\n\n• Niet relevant zie C4 & C5\n\n• Zie bijlage\n\n25. Bent u en\u002Fof partner ultimate beneficiary owner geweest van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffing.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven\n\n• Nee”\n\n2.13.. De inspecteur heeft bij brief van 13 oktober 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. Met betrekking tot de informatie welke ik heb verkregen uit een derdenonderzoek, waaruit blijkt dat u na opheffing van [G Ltd] op 1 oktober 2013 via dezelfde Nederlandse tussenpersoon bij dezelfde Nederlandse eindopdrachtgever dezelfde consultacywerkzaamheden bent blijven uitvoeren, stelt u het volgende:\n\n1. \"Ik werkte inderdaad vanuit [woonplaats] waar ik woon via een in Nederland gevestigde tussenpersoon. De werkzaamheden werden in [woonplaats] uitgevoerd met behulp van collaboration\u002Fvirtual tools (internet). Fysieke aanwezigheid in Nederland werd niet verlangt van de eindopdrachtgever. Derhalve, ik heb niet \"bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaameheden verricht maar voor een Nederlandse eindopdrachtgever werkzaamheden verricht. De eindopdrachtgever is een internationaal bedrijf met veel kantoren in diverse landen, een bewust beleid heeft gevoerd om interne en externe medewerkers zoveel mogelijk thuis te laten werken om kantoorkosten te verminderen en work\u002Fhealth balance balance van medewerkers te ondersteunen.\"\n\nUit mijn informatie blijkt dat u tot 1 oktober 2013 woon-werkverkeer heeft gedeclareerd, welke is onderbouwd als dagelijks reizen naar de werkplek in [plaats 1] . Uit onze informatie blijkt dat uw werkzaamheden ook in [plaats 1] plaats hebben gevonden. Uit verdere informatie is geen wijziging opgetreden ten aanzien van de plaats van tewerkstelling. Ik moet dan verder constateren dat u uw stelling van thuiswerken niet heeft onderbouwd met documentatie, waaruit blijkt dat u vanaf 1 oktober 2013 voor uw werkzaamheden niet langer op de werkplek in [plaats 1] aanwezig hoefde te zijn. Ik verzoek u dan ook uw stelling met documentatie te onderbouwen.\n\n2. \"Zie mijn brief van 17 mei 2016 waarin ik heb aangegeven niet meer in Nederland te wonen vanaf 30\u002F9\u002F2013 waarvoor tevens bewijs (bijlagen) zijn aangeleverd. Indien u het hier niet mee eens bent, verzoek u ik dit gaarne te onderbouwen.\"\n\nVooralsnog volg ik u in uw stelling dat u vanaf 1 oktober 2013 in [woonplaats] woonachtig bent. Dit laat onverlet dat inkomsten uit werkzaamheden in Nederland na 1 oktober 2013 mogelijk in Nederland belast zijn. Indien deze werkzaamheden door u in [woonplaats] over de jaren 2013 en verder zijn aangegeven, zou dit een nadere onderbouwing kunnen zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden door u in [woonplaats] en de belastbaarheid van deze werkzaamheden in [woonplaats] .\n\n3. “Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig), zonder eerst (bewust of onbewust) uw standpunt A. te veriferen bij mij of deze (bewust of onbewust) enigzins concreet aannemelijk te maken. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\"\n\n4. \"U geeft aan tot uw standpunt te komen o.b.v. informatie verkregen uit een derdenonderzoek. In uw brief geeft u geen verdere gedetailleerde informatie hierover. Bijvoorbeeld de bronen van de verkregen informatie of de documenten\u002Fbewijsmaterialen welk zijn verkregen uit het derdenonderzoek waarop u uw standpunt heeft gebaseerd. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) zonder de betrouwbaarheid en\u002Fof de bewijsstukken van deze informatie eerst door mij te laten veriferen of te weerleggen. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A. 1.\"\n\n5. \"Op basis van punten A. 1., A. 2., A.3. & A.4. ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 aangezien ik niet in Nederland binnenlands belastingplichtig ben. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t. dit standpunt.\"\n\nIk merk op dat u op basis van artikel 47 AWR gehouden bent desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichten te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. De onderbouwing van het mogelijk fiscaal belang heb ik reeds in mijn brief van 8 september 2016 aan u medegedeeld. Ik verwijs u hiervoor dan ook naar mijn brief van 8 september 2016 en adviseer u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies in te winnen van een fiscaal adviseur.\n\nB. Ten aanzien van de mogelijk ontvangen voordelen voortkomend uit de (voormalige)\n\ndienstbetrekking, heeft u het volgende medegedeeld:\n\n1. \"Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, zie punt A. 2. hierboven. \"\n\nIk wil u erop attenderen dat ook voordelen uit een voormalige dienstbetrekking eveneens leiden tot fiscaal belast inkomen. Het opheffen van een entiteit leidt niet automatisch tot beëindiging van voordelen voorkomend uit (een (voormalige) dienstbetrekking bij) deze entiteit.\n\n2. \"In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\"\n\n3. \"U vraagt specifieke informatie (zie vraag 21) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6- alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig).\"\n\n4. \"Gelet B. 1., B2. & 83., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voorstandpund B. Hierdoorben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\"\n\nIk herhaal hetgeen in onder A3, A4 en A5 reeds heb opgemerkt.\n\nOnder C. en D. merk ik samengevat op, dat u stelt dat ik u onvoldoende informatie heb verstrekt om mijn standpunt te onderbouwen. Hierop herhaal ik dat ik het fiscaal belang in mijn brief van 8 september 2016 afdoende heb onderbouwd. De in mijn brief opgenomen jurisprudentie kunt u integraal op internet terugvinden onder de door mij opgenomen uitspraaknummers.\n\nIk herhaal mijn advies dat u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies kan inwinnen bij een fiscaal adviseur.\n\nTen aanzien van de door mij in mijn brief van 8 september 2016 gestelde vragen, merk ik op dat u geen van de vragen heeft beantwoord, met uitzondering van vraag 22, 23 en 25. Met betrekking tot uw antwoorden op vraag 23 en 25 merk ik op dat ik informatie heb ontvangen, welke tegenstrijdig is met de door u verstrekte antwoorden op vraag 23 en 25.\n\nVoor de vragen die toezien op de periode van voor 2011, is het volgende van toepassing. De aandeelhouder van [F Ltd] is een in Cyprus gevestigde entiteit. Indien de aandeelhouder u een beloning heeft verstrekt op basis van uw werkzaamheden voor [G Ltd] , dan is er mogelijk sprake van in het buitenland opgekomen inkomen, waarop de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van toepassing is.\n\nOm een lang correspondentietraject te voorkomen, roep ik u op voor een gesprek met u in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht. Dit gesprek kan plaatsvinden op één van de navolgende datums:\n\n 1 november 2016;\n\n 3 november 2016;\n\n 14 november 2016;\n\n 15 november 2016; of\n\n 17 november 2016.\n\nBij dit gesprek verzoek ik u om de navolgende informatie mee te nemen:\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstellingen onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) en de plaats van tewerkstelling blijkt.\n\n4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) van [belanghebbende] en na 1 oktober 2013 tot heden.\n\n5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.\n\n6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] ).\n\n7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de oprichting van [F Ltd] .\n\n12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] ).\n\n13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] .\n\n14. Een onderbouwing van de verkoopprijs van de aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van 2008 ad € 100.000,= en 2009 ad 12 000,=.\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld.\n\n16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort;\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen.\n\n17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle leningovereenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum oprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden.\n\n18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen.\n\n19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland.\n\n20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken.\n\n22. Deze vraag acht ik afdoende beantwoord.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de\n\nverwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle\n\nonderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle\n\nonderliggende stukken.\n\nHierbij verwacht ik tenminste de navolgende documenten:\n\nKopie letter of wishes, overeenkomst 'success by sharing' formule en de hierbij horende relevante communicatie.\n\n25. Bent u en\u002Fof uw partner [de echtgenote] op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum.\n\nGraag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\nVerder wil ik u er graag op wijzen dat, indien u de gevraagde informatie niet (volledig) verstrekt, ik een informatiebeschikking ex art. 52a AWR op kan leggen.’\n\n2.14.. Belanghebbende heeft bij e-mail van 2 november 2016 de inspecteur om uitstel van vier weken verzocht voor het beantwoorden van de onder 2.13 vermelde brief.\n\n2.15.. De inspecteur heeft bij e-mail van 7 november 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Helaas moet ik u berichten dat ik heb moeten constateren dat [belanghebbende] en [de partner] al geruime tijd niet aan hun informatieverplichting hebben voldaan. Ook de reactietermijn van mijn laatste brief, waarin ik [belanghebbende] en [de partner] heb opgeroepen voor een gesprek, is reeds ruimschoots verstreken zonder enige reactie van de heer [belanghebbende] en\u002Fof [de partner].\n\nHoewel ik begrip heb voor uw behoefte om het dossier te kunnen bestuderen, ben ik van mening dat [belanghebbende] en [de partner] u dan hiervoor eerder de gelegenheid hadden moeten bieden. Dit risico komt mijns inziens voor rekening van [belanghebbende] en [de partner].\n\nGezien de reeds aan uw cliënten geboden termijnen, alsmede de gezien de aanslagtermijnen kan ik uw cliënten helaas geen uitstel meer verlenen.’\n\n2.16.. De inspecteur heeft met dagtekening 22 november 2016 de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven. De inspecteur heeft de in de brief van 13 oktober 2016 vermelde vragen in de informatiebeschikkingen opgenomen (zie 2.13).\n\n2.17.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo ( CLO ) aan de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [woonplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de Tax Information Exchange Agreement; hierna: TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, [de partner] en [L Ltd] . In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n‘On 14 October 2013, [belanghebbende] and [de partner] officially emigrated to [woonplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [belanghebbende] and possibly [de partner] incorporated [L Ltd] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA ) shows that after 14 October 2013, [belanghebbende] and [de partner] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [belanghebbende] and [de partner] declare the income from these activities in their income tax returns in [woonplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [belanghebbende] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n[belanghebbende]\n\nTo gain insight into the assets and interests of [belanghebbende] in 2013, and to gain insight into the income that [belanghebbende] declared in [woonplaats] , I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of income tax returns and income tax assessments of [belanghebbende] regarding the period 2013 - 2015.\n\n2. Overview regarding the period 2013 - 2016 of interests held by [belanghebbende] in companies with start date and end date of the interest held.’\n\n2.18.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 7 januari 2019 de ‘income tax returns’ van belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [woonplaats] Branch, [R Ltd] en het [commission] .\n\n2.19.. Op 21 februari 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.\n\n2.20.. Op 19 juni 2020 respectievelijk 20 oktober 2020 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen opgelegd voor 2008, 2009, 2011 en 2012.\n\n2.21.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 vernietigd en de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gewijzigd in die zin dat alleen de vragen 1 tot en met 21 en 24 in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken. De rechtbank heeft de inspecteur in de voor bezwaar en beroep gemaakte proceskosten aan de zijde van belanghebbende veroordeeld tot het bedrag van € 2.430 en heeft gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 vergoedt.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nIs belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot zijn beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012? Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord (dat wil zeggen: belanghebbende is ontvankelijk met betrekking tot zijn beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012), zijn deze informatiebeschikkingen dan terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2010, 2013 en 2014 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van zijn beroep voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012, tot vernietiging van alle ten aanzien van zijn genomen informatiebeschikkingen, tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof en tot vergoeding van schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\na) Ontvankelijkheid beroep met betrekking tot jaren 2008, 2009, 2011 en 2012\n\n4.1.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het beroep van belanghebbende met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard wegens een gebrek aan belang. De informatiebeschikkingen zijn vanwege het opleggen van de navorderingsaanslagen van rechtswege komen te vervallen. Belanghebbende stelt dat het beroep tegen de informatiebeschikkingen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank had de informatiebeschikkingen dienen te vernietigen.\n\n4.2.. Volgens vaste jurisprudentie moet een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Als het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is. \n\n4.3.. Artikel 52a, lid 3, AWR, bepaalt dat de informatiebeschikking van rechtswege vervalt indien de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden. Niet in geschil is dat over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn opgelegd. Dit brengt mee dat de informatiebeschikkingen voor die jaren van rechtswege zijn vervallen.\n\n4.4.. Gelet op het vorengaande heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende met betrekking tot de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van belanghebbende voor deze jaren is derhalve ongegrond.\n\n4.5.. De eerste vraag beantwoordt het hof bevestigend. De onder a) gestelde vervolgvraag behoeft in dat geval geen beantwoording.\n\nVraag b. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.6.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Als de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 van rechtswege zouden vervallen, kan de rechtmatigheid ervan niet meer worden getoetst. Het vervallen van de informatiebeschikking is in dat geval in strijd met het recht op een eerlijk proces zoals dat in artikel 6 EVRM is neergelegd. Door het vervallen van de informatiebeschikkingen, wordt belanghebbende een eerlijk proces ontnomen. Belanghebbende stelt dat artikel 6 EVRM in dit geval in de weg staat aan toepassing van nationaal recht, te weten artikel 52a, lid 3, AWR, omdat belanghebbende daarmee een eerlijk proces wordt ontnomen.\n\n4.7.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.9.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.10.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.11.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.12.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.13.. Vraag c moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag d) zijn de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte zijn gehandhaafd.\n\n4.15.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.16.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.17.. De rechtbank heeft geoordeeld dat per vraag dient te worden beoordeeld of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen. Voor zover de vragen in grote mate samenhangen, heeft de rechtbank deze gezamenlijk beoordeeld. Het hof volgt de rechtbank in deze en zal eveneens per vraag beoordelen of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen, waarbij het hof de vragen ook gezamenlijk zal behandelen voor zover zij in grote mate samenhangen. Het hof zal daarbij het hiervoor beschreven rechtskader als uitgangspunt nemen.\n\n‘1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] ’en\n\n‘2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] ’\n\n4.18.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.11.1. Belanghebbende heeft hierop geantwoord dat gelet op zijn emigratie naar [woonplaats] , de gevraagde informatie voor de Nederlandse Belastingdienst niet relevant is vanaf 30 september 2013. Om die reden ziet hij geen aanleiding de gevraagde informatie te verstrekken. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift geschreven dat gelet op de omstandigheid dat belanghebbende vanaf 1 oktober 2013 in Nederland aangifte als buitenlands belastingplichtige doet, hij het redelijk acht om te toetsen of hij in [woonplaats] als binnenlands belastingplichtige aangifte doet.\n\n4.11.2.. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Die informatie zou immers licht kunnen werpen op de mogelijke (binnenlandse of buitenlandse) belastingplicht voor een bepaalde inkomensbron in Nederland. Hieraan doet niet af dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat hij over de gevraagde informatie in vraag 1 reeds beschikt, aangezien die informatie niet door belanghebbende is overgelegd en hij daarmee niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.19.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstelling en onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) en de plaats van tewerkstelling blijkt’,\n\n‘4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) van [belanghebbende] en na 1 oktober 2013 tot heden’,\n\n‘5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.’\n\n4.20.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.12. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende na 1 oktober 2013 (nagenoeg) uitsluitend voor de eindopdrachtgever [H BV] heeft gewerkt. Om die reden wenst hij te onderzoeken of Nederland over de daarmee verband houdende inkomsten mogelijk een heffingsrecht heeft. Gelet hierop kon de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft de vragen niet beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.21.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt daar het volgende aan toe.\n\n4.22.. Belanghebbende stelt geen consultancywerkzaamheden te hebben verricht als zelfstandige (natuurlijk persoon) na zijn verhuizing. Belanghebbende stelt in dienst te zijn geweest bij een derde, [L Ltd] . Het is geheel onduidelijk welk doel de inspecteur zou hebben om informatie te ontvangen van alle opdrachtgevers hierin, aldus belanghebbende. Als de inspecteur een vermoeden heeft dat er werkzaamheden zouden hebben plaatsgevonden voor een Nederlandse opdrachtgever, dan zouden specifieke vragen over deze desbetreffende Nederlandse opdrachtgever afdoende kunnen zijn en niet die informatie van alle overige niet Nederlandse opdrachtgevers.\n\n4.23.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De inspecteur heeft met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschreden.\n\n‘6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] )’,\n\n‘7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015’,,\n\n‘8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris’,\n\n‘9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen’en\n\n‘21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na[ar] aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken’\n\n4.24.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.13.1. De inspecteur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij de inspecteur het vermoeden heerst dat [G Ltd] feitelijk in Nederland gevestigd was, zodat belanghebbende mogelijk een dienstbetrekking bij een Nederlandse werkgever had en een belang in het aandelenkapitaal van een in Nederland gevestigde vennootschap had dat dan kwalificeert als een aanmerkelijk belang. In dat kader wilde de inspecteur verifiëren of belanghebbende na liquidatie van [G Ltd] mogelijk nabetalingen van een salaris, dividenden of een liquidatie-uitkering heeft genoten.\n\n4.13.2.. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. Hieraan doet niet af de stelling dat het niet duidelijk zou zijn wat de inspecteur heeft bedoeld met de gevraagde informatie met betrekking tot de buitenlandse bankrekeningen. De inspecteur heeft zijn vermoedens dat belanghebbende mogelijk in Nederland belastingplichtig is in zijn vragenbrieven duidelijk aan de orde gesteld, zodat niet valt in te zien dat belanghebbende in de veronderstelling is dat met de “buitenlandse bankrekeningen” de Nederlandse bankrekeningen wordt bedoeld. Het gaat hier immers om een verzoek om informatie van de Nederlandse Belastingdienst. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.25.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt daar met betrekking tot vraag 7 het volgende aan toe.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt dat hij niet beschikte over een American Expresskaart na 2012 en reeds daarom de verzochte gegevens niet over heeft kunnen leggen. In zijn brief met dagtekening 27 september 2016 heeft belanghebbende aangegeven dat, gelet op zijn inwonerschap in [woonplaats] vanaf 30 september 2013, voormelde kopieën niet relevant zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Hieruit leidt het hof af dat deze kopieën wel beschikbaar zijn. Niet gebleken is dat belanghebbende deze kopieën reeds eerder heeft overgelegd, zodat de informatiebeschikking in zoverre terecht is gegeven. De door belanghebbende overgelegde brief van American Express leidt niet tot een ander oordeel. De brief van American Express bevestigt enkel dat er geen gegevens van belanghebbende bekend zijn ten tijde van de verzending van de brief (14 december 2016). De brief vermeldt tevens dat de gegevens uit het verleden niet meer traceerbaar zijn, zodat de brief in zoverre geen duidelijkheid verschaft over het niet-bestaan van een American Expresskaart in de periode voor 14 december 2016.\n\n‘10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa’,\n\n‘11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten in [G Ltd] ’,\n\n‘12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] )’,\n\n‘13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] ’,\n\n‘14. Een onderbouwing van de verkoopprijs van de aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van 2008 ad €100.000,= en 2009 ad 12 000,=’ en\n\n‘15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld’\n\n4.27.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.14.1. Bij de inspecteur heerst het vermoeden dat belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant begin 2008 in [G Ltd] heeft ingebracht. Dit vermoeden is gebaseerd op de omstandigheid dat belanghebbende dezelfde werkzaamheden, na het aangaan van een arbeidsovereenkomst met [G Ltd] , via deze vennootschap is blijven verrichten. Omdat belanghebbende zichzelf daarvoor een laag salaris heeft toegekend ten opzichte van de door [G Ltd] behaalde omzet, is een fors deel van de met die werkzaamheden behaalde winst in [G Ltd] achtergebleven, aldus de inspecteur.De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.14.2.. Naar het oordeel van de rechtbank kon de inspecteur zich op grond hiervan in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\n4.14.3.. Belanghebbende heeft de vragen niet beantwoord. Dat belanghebbende met betrekking tot de vraag over de vermoedelijke inbreng van zijn werkzaamheden in [G Ltd] niet zou begrijpen wat ermee wordt bedoeld, doet hieraan niet af. In zijn brief met dagtekening 27 september 2016 staat vermeld dat hij hierop heeft geantwoord dat hij de verstrekking van die informatie niet relevant acht, onder meer omdat hij in twijfel trekt waarom hij informatie met betrekking tot [G Ltd] dient te verstrekken (zie 2.11). Hieruit volgt dat hij wel degelijk kon begrijpen dat de inspecteur vermoedt dat hij zijn werkzaamheden in [G Ltd] heeft ingebracht. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.28.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt hier het volgende aan toe.\n\n4.29.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake is van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.30.. De inspecteur stelt dat belanghebbende tot begin 2008 zijn consultancy-werkzaamheden zelfstandig verrichtte en dat hij daarvoor jaarlijks aangifte deed van winst uit onderneming. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende deze activiteit begin 2008 heeft ingebracht in [G Ltd] ., aangezien belanghebbende dezelfde activiteiten vanaf dat moment via [G Ltd] . verricht. Een fors deel van de winst die belanghebbende tot 2008 in privé genoot, blijft vanaf dat moment achter in [G Ltd] . Dit valt niet te rijmen met belanghebbendes stelling dat hij (of zijn partner) niet de Ultimate Beneficial Owner (UBO) van [G Ltd] . was, aldus de inspecteur. De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.31.. Het Hof stelt voorop dat een aantal vragen ziet op zaken waar belanghebbende in ieder geval rechtstreeks bij betrokken is geweest en dat hij, al dan niet als bestuurder van of gerechtigde tot het vermogen van [F Ltd] . en [E Ltd] , over de desbetreffende gegevens zou moeten kunnen beschikken. Deze gegevens zouden aanwezig moeten zijn (geweest) in zijn eigen administratie dan wel in de administratie van de vennootschappen. Daarbij gaat het onder meer om de correspondentie van belanghebbende met [E Ltd] (Cyprus) en [G Ltd] (vragen 10 en 11) en de informatie betreffende de verkoop van [G Ltd] (vragen 13, 14 en 15).\n\n4.32.. Gezien de aard van de gevraagde informatie en de onderbouwing van de inspecteur acht het hof aannemelijk dat deze documenten bestaan en dat belanghebbende met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, die informatie kan verkrijgen. Het gaat om een complexe structuurwijziging waarbij belanghebbende, kort samengevat, zijn werkzaamheden inbrengt in een buiten Nederland gevestigde vennootschap, welke vennootschap enkele jaren later wordt geliquideerd. Dat ten aanzien hiervan geen, dan wel niet meer dan belanghebbende reeds heeft overgelegd, schriftelijke correspondentie heeft plaatsgevonden en documenten bestaan, acht het hof geenszins aannemelijk. Van een ‘fishing expedition’ door de inspecteur is geen sprake.\n\n‘16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort,\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen’,\n\n‘17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle lening overeenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum oprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden’,\n\n‘18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen’,\n\n‘19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland’ en\n\n‘20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland’\n\n4.33.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.15.1. De inspecteur vermoedt dat de door belanghebbende bij [G Ltd] aangegane leningen van ieder € 200.000 slechts dienden om voordelen uit aanmerkelijk belang te verhullen en de aanzienlijke vermogensoverschotten die in [G Ltd] zijn ontstaan onbelast te onttrekken. De inspecteur vermoedt dat in werkelijkheid geen sprake van een terugbetalingsverplichting is geweest (zie 2.3). De inspecteur vermoedt dat in de jaren 2008 en 2009 ook dergelijke gelden bij [G Ltd] zijn geleend en dat daarop evenmin is afgelost.\n\n4.15.2.. De inspecteur kon zich op grond hiervan in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft voormelde vragen niet beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.34.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle onderliggende stukken. Hierbij verwacht ik tenminste de navolgende documenten: Kopie letter of wishes, overeenkomst `success by sharing' formule en de hierbij horende relevante communicatie’\n\n4.35.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.16.1. De inspecteur vermoedt dat het aandelenbelang van belanghebbende in [B Ltd] niet in box 3, maar in box 2 in aanmerking moet worden genomen. Volgens de inspecteur zou sprake kunnen zijn van een indirect aanmerkelijk belang in [G Ltd] , dat vermoedelijk recht geeft op haar volledige waardeontwikkeling en winst. Dit zou kunnen via een side letter of enige andere overeenkomst, waarin staat vermeld dat bijzondere rechten aan het belang in [B Ltd] zijn verbonden, aldus de inspecteur.\n\n4.16.2.. Naar het oordeel van de rechtbank kon de inspecteur gelet op het hiervoor vermelde zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.36.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n4.37.. Gelet op het voorgaande zijn de vragen met betrekking tot de werkzaamheden vanuit [woonplaats] en de relatie met de vennootschappen op [woonplaats] legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Gelet op de in 2.10 en 2.12 vermelde reactie op de door de inspecteur gestelde vragen is het hof van oordeel dat de gestelde vragen niet adequaat zijn beantwoord en dat voorts de verzochte informatie niet is verstrekt. Belanghebbende heeft in reactie op het overgrote deel van de vragen vermeld dat de verzochte informatie niet relevant of niet van toepassing is, waarmee hij geen inhoudelijk antwoord heeft verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\nVraag e) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.38.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.39.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.40.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.41.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.42.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderingsaanslagen te verlengen.\n\n4.43.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.44.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.45.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.46.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikkingen hoeven dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.47.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.48.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.49.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.50.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.51.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag g) Heeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.52.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [woonplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding. Voor de inkomstenbelasting is dat dus in beginsel vanaf 1 januari 2009.\n\n4.53.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [woonplaats] .\n\n4.54.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.55.. Uit de slotzin van de onder 4.54 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.56.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.57.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.58.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag e). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur informatiebeschikkingen heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.59.. Vraag g moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.61.. Zoals uit het voorgaande volgt, zijn de informatiebeschikkingen terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor zijn bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.62.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.63.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.64.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.65.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.66.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nTen aanzien van het verzoek om schadevergoeding\n\n4.67.. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van schade in verband met de van rechtswege vervallen informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012. Op dit verzoek is in beginsel artikel 8:73 Awb (oud) van toepassing.\n\n4.68.. Omdat voor de informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard, en niet gegrond, is een vergoeding van schade niet de aan de orde.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.69.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.70.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n Vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3602 en Toelichting bij de Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II, 2008\u002F09, 30 645, nr. 14, p. 10-11.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Eerste tijdvak na inwerkingtreding op 1 maart 2008.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n Voor de inkomstenbelasting tot 1 januari 2029 van toepassing op grond van artikel V van de ‘Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Stb. 2013, 50)’, zoals gewijzigd bij artikel 3.4, onder A van de ‘Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht’, Stb. 2021, 135, ‘Besluit van 6 oktober 2023 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en daarmee samenhangende bepalingen uit de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten en de Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht (Stb. 2021, 135)’, Stb. 2023, 236 en artikel 8:108 Awb. Vgl. HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7736.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4082","2026-07-13T00:29:19.111Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":43,"courtId":70,"decisionDate":71,"fullText":72,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":50,"updatedAt":74},"1115","ECLI:NL:RBZWB:2024:7943","ecli-nl-rbzwb-2024-7943",64,"2024-11-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 23\u002F9007\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2024 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. M.W.F.G. Vervoort),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 juli 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 150.666 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.896.\n\n1.2.. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 3.844 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).\n\n1.3.. \n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 142.077 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.896. De belastingrentebeschikking is verminderd naar een bedrag van\n\n€ 1.638.\n\n1.4.. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende mr. S. Sikkens en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\nFeiten\n\n2. Belanghebbende is woonachtig in Nederland. Sinds 2008 is hij als verkeersvlieger in loondienst bij [vliegtuigmaatschappij] . De werkelijke leiding van [vliegtuigmaatschappij] is gelegen in het Verenigd Koninkrijk.2.1.. Belanghebbende is gestationeerd op een luchthaven in [plaats 2] , Italië. In het jaar 2018 heeft belanghebbende 62,3% van zijn werkzaamheden op of boven het grondgebied van Italië verricht.\n\n2.2.. Belanghebbende is geen verzekerde voor de premies volksverzekeringen.\n\n2.3.. Belanghebbende heeft op 31 maart 2020 aangifte inkomstenbelasting (hierna: IB) gedaan voor het jaar 2018. In de aangifte heeft belanghebbende de volgende bedragen opgenomen:\n\nBuitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking: € 83.842\n\nInkomsten uit eigen woning: -\u002F- € 3.195\n\nBelastbaar inkomen uit werk en woning: € 80.647\n\nBelastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 4.896\n\nBelanghebbende heeft voor de buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 83.842 verzocht om voorkoming van dubbele belasting.\n\n2.4.. Met dagtekening 30 mei 2020 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2018 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte.\n\n2.5.. Bij de definitieve aanslag IB\u002FPVV 2018 is de inspecteur afgeweken van de aangifte. De inspecteur heeft de volgende bedragen vastgesteld:\n\nBuitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking: € 153.861\n\nInkomsten uit eigen woning: -\u002F- € 3.195\n\nBelastbaar inkomen uit werk en woning: € 150.666\n\nBelastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 4.896\n\nDe inspecteur heeft voor 20% van het buitenlandse inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking voorkoming van dubbele belasting verleend.\n\n2.6.. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het belastbaar inkomen nader vastgesteld op het volgende:\n\nBuitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking: € 142.077\n\nBelastbaar inkomen uit werk en woning: € 142.077\n\nBelastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 4.896\n\nDe inspecteur heeft vervolgens voor 62,3% van het buitenlandse inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking voorkoming van dubbele belasting verleend.\n\n2.7.. Met betrekking tot de aangifte IB voor het eerdere belastingjaar 2016 heeft de inspecteur met dagtekening 4 december 2018 de volgende brief aan belanghebbende gestuurd:\n\n“(…)\n\nAftrek ter voorkoming van dubbele belasting\n\nUit de door u toegestuurde stukken blijkt dat u op 138 dagen in of vanuit Italië\n\ngewerkt heeft, op 5 dagen ziek bent geweest en op 6 dagen elders heeft gewerkt.\n\nHierna leest u hoe ik de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting op dit punt\n\nheb beoordeeld.\n\nZiektedagen\n\nIn totaal bent u op 5 werkdagen ziek geweest. Op grond van het commentaar op\n\nhet OESO- modelverdrag behoren ziektedagen wel bij de werkdagen indien u\n\nnormaliter op die dag ook zou werken. Omdat u normaliter in of vanuit Italië uw\n\nwerkzaamheden zou uitvoeren, zal ik de ziektedagen toerekenen aan de\n\nwerkdagen in Italië ( voor de toepassing van de werkdagen, niet voor toepassing\n\nvan de verblijfsdagen in het kader van de 183- dagen regeling) .\n\nWerkdagen Italie\n\nOp grond van artikel 14 lid 3 van het belastingverdrag met het Verenigd\n\nKoninkrijk ( [vliegtuigmaatschappij] is aldaar gevestigd) komt de heffing van inkomstenbelasting\n\nvoor de door u gemaakte vluchten toe aan Nederland. Vervolgens kan nog\n\ngekeken worden naar het belastingverdrag met Italië, daar aldaar uw homebase\n\ngelegen was. Artikel 15 lid 3 van het belastingverdrag met Italië is op u niet van\n\ntoepassing, daar de werkelijke leiding van [vliegtuigmaatschappij] is gevestigd in het Verenigd\n\nKoninkrijk. Om die reden dient beoordeeld te worden aan de hand van artikel 15\n\nlid 1 en 2 van het belastingverdrag met Italië.\n\nOp grond van artikel 15 lid 1 van het belastingverdrag met Italië vindt in beginsel\n\nde heffing van inkomstenbelasting in Nederland (het woonland) plaats. Omdat u\n\nechter de dienstbetrekking gedeeltelijk in Italië heeft uitgeoefend, mag dit\n\ngedeelte van het inkomen toch in Italië worden belast. De heffing van\n\ninkomstenbelasting kan weer toekomen aan Nederland indien u cumulatief voldoet\n\naan de voorwaarden van lid 2 van het betreffende artikel:\n\na. Indien u in Italië verblijft gedurende een tijdvak dat of tijdvakken die in het\n\ndesbetreffende belastingjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaat of\n\ngaan.\n\nb. Indien de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen\n\nInwoner van Italië is.\n\nc. Indien de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting of een\n\nvast middelpunt dat uw werkgever in Italië heeft.\n\nAd a.\n\nUit uw reactie blijken 138 fysieke werkdagen in Italië. Hiernaast zijn nog 35\n\nandere dagen waarvan aannemelijk is dat u in Italië verbleef. Het gaat om dagen\n\nvoorafgaand aan dagen waarop uw dienst vóór 12.00 uur aanving en dagen na\n\nafloop van dagen waarop uw dienst ná 20.00 uur is geëindigd (zie ook bijlage 1) .\n\nHiermee zijn 173 verblijfsdagen in Italië aannemelijk geworden. Hiermee voldoet\n\nu aan de eerste voorwaarde van artikel 15 lid 2 van het belastingverdrag met\n\nItalië.\n\nAd b.\n\nVan een werkgever is sprake als de betrokken werknemer voor de uitoefening van\n\nzijn werkzaamheden in de werkstaat tot deze werkgever in een gezagsverhouding\n\nstaat. Voorts is vereist dat de kosten van de werkzaamheden (de aan de\n\nwerknemer voor de desbetreffende werkzaamheden betaalde arbeidsbeloning)\n\nworden gedragen door die 'werkgever', alsmede dat de voordelen van de\n\nwerkzaamheden en de daaruit voortvloeiende nadelen en risico's voor diens\n\nrekening komen (Hoge Raad 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT3932) .\n\nMet betrekking tot [vliegtuigmaatschappij] is slechts sprake van een onderneming, gevestigd in\n\nhet Verenigd Koninkrijk, welke de arbeidsbeloning uitbetaalt en voor wiens\n\nrekening de voordelen van de werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende\n\nnadelen en risico's komen. Een basis op een luchthaven kan derhalve niet\n\ngekwalificeerd worden als (materieel) werkgever. Hiermee voldoet u aan de\n\ntweede voorwaarde van artikel 15 lid 2 van het belastingverdrag met Italië.\n\nAd c.\n\nRechtbank Den Haag heeft op 23 februari 2016 ECLI:NL:RBDHA:2016:3520)\n\nuitspraak gedaan waarin onder andere is geoordeeld dat [vliegtuigmaatschappij] een vaste\n\ninrichting had op een bepaalde [luchthaven] (Italië) .\n\nDe Belastingdienst deelt echter het standpunt van Rechtbank Den Haag niet. Een\n\nluchtvaartmaatschappij heeft geen vaste inrichting in landen waar basissen op\n\nluchthavens zijn ingericht. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient\n\ngekeken te worden naar de kostenallocatie aan de vaste inrichting. In dat geval\n\nkomt artikel 15 lid 2 sub c van het belastingverdrag met Italië dus niet in beeld.\n\nOp grond van artikel 8 lid 1 van het belastingverdrag met Italië wordt de winst\n\nvan de onderneming belast in de staat waar de plaats van de werkelijke leiding is\n\ngelegen, te weten het Verenigd Koninkrijk. Dit houdt in dat ik ervan uitga dat\n\n [vliegtuigmaatschappij] geen vaste inrichting heeft in Italië.\n\nU voldoet hiermee aan alle voorwaarden van lid 2 van het betreffende artikel.\n\nHierdoor komt de heffing van inkomstenbelasting weer toe aan het woonland,\n\nNederland. Om die reden heeft u geen recht op aftrek ter voorkoming van dubbele\n\nBelasting. Daarom ben ik voornemens om op dit punt van de aangifte of te wijken\n\nen voor 138 + 5 = 143 dagen geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting\n\nte verlenen.\n\nWerkdagen elders\n\nOp grond van artikel 14 lid 3 van het belastingverdrag met het Verenigd\n\nKoninkrijk ( [vliegtuigmaatschappij] is aldaar gevestigd) komt de heffing van inkomstenbelasting\n\nvoor de werkzaamheden toe aan Nederland. Mij is geen reden bekend waardoor aan u voor deze dagen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting zou toekomen. Ik ben dan ook voornemens om aan u geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen voor de 6 dagen dat u elders heeft gewerkt. (…)”\n\n2.8.. Met dagtekening 17 september 2019 heeft de inspecteur belanghebbende over het belastingjaar 2016 de volgende brief gestuurd:\n\n“(…) We hebben afgesproken de behandeling van de aangifte 2016 aan te houden totdat de\n\nprocedure bij Hof Den Bosch (ECLI:NL:RBZWB:2017:7617) is afgerond. Nu het\n\nHof uitspraak heeft gedaan en geen verdere cassatie is ingesteld, levert de\n\nuitspraak nieuwe informatie op, waardoor ik een deel van de voorgenomen\n\nafwijkingen zal herzien.(…)\n\nWerkdagen\n\nIk verwijs naar mijn brief van 4 december 2018 voor de werkdagen, die zijn\n\naangemerkt als Italiaanse werkdagen. Hierbij is geen rekening gehouden dat\n\nalleen het deel van de dag is gewerkt in of boven Italië; een vertrek- of aankomst\n\nin Italië telt als een geheel in Italië verrichte werkdag. Ik laat deze\n\nwerkdagentelling in stand voor het jaar 2016. Dit houdt in dat ik de salary split\n\nzoals omschreven in de Hof uitspraak niet toepas voor het jaar 2016, omdat de\n\ninspecteur heeft aangegeven dit ook niet te doen in de casus die beoordeeld is\n\ndoor het Hof. Voor toekomstige jaren kan aan dit standpunt echter geen\n\nvertrouwen ontleend warden.\n\nOp basis van het bovenstaande beschouw ik 143 aan Italië toe te rekenen\n\nwerkdagen, inclusief 5 ziektedagen. Uw reactie dat de (drie) trainingsdagen buiten\n\nItalië als Italiaanse werkdagen dienen te worden aangemerkt, volg ik niet. Het\n\nheffingsrecht over het inkomen gerelateerd aan deze en overige gewerkte dagen\n\nbuiten Italië komt toe aan Nederland. Het totaal aantal werkdagen is daarom 149\n\ndagen, inclusief 6 werkdagen buiten Italië.\n\nIk zal uw client daarom aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verlenen voor\n\nhet inkomen ontvangen vanuit Italië van € 155.715.\n\nOpgewekt vertrouwen\n\nHet Hof heeft in de uitspraak van 18 januari 2019 bevestigd dat er sprake is van\n\neen salary split bij de beoordeling van het heffingsrecht op grond van artikel 15 lid\n\n1. Vanaf 18 januari 2019 is deze uitspraak vaststaande jurisprudentie. Dat\n\nbetekent dat de Belastingdienst voor aanslagen die nog niet onherroepelijk\n\nvaststaan de salary split, zoals omschreven in de uitspraak, zal toepassen bij\n\nwerknemers in de luchtvaartsector waarbij lid 3 van het arbeidsartikel niet\n\ntoegepast kan warden.\n\nVoor aanslagen van uw client die, afgezien van het jaar 2016, nog niet\n\nonherroepelijk vaststaan, zal de Belastingdienst, bij toepassing van lid 1 van het\n\nbetreffende verdragsartikel, slechts aftrek ter voorkoming van dubbele belasting\n\nverlenen over het loon dat is toe te rekenen aan de werkzaamheden in of op het\n\ngrondgebied van het betreffende land. Uw client dient aannemelijk te maken welk\n\ndeel van de werkzaamheden zijn verricht in of op het grondgebied van een land. (…)”\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de voorkoming van dubbele belasting naar het juiste bedrag is berekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n3.1.. De rechtbank is van oordeel dat de voorkoming van dubbele belasting in de uitspraak op bezwaar juist is berekend.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nMotivering\n\n4. Tussen partijen is niet in geschil dat het buitenlandse inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking in het onderhavige jaar 2018 moet worden vastgesteld op € 142.077. Tevens is niet in geschil dat het belastbaar inkomen uit werk en woning € 142.077 bedraagt en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 4.896. Tot slot is niet in geschil dat Italië heffingsbevoegd is over het loon dat verdiend is op of boven het grondgebied van Italië en dat Nederland daarvoor voorkoming van dubbele belasting dient te verlenen.\n\n4.1.. In het bezwaarschrift heeft belanghebbende berekend dat 62,3% van zijn werkzaamheden op of boven het grondgebied van Italië zijn verricht, zodat volgens belanghebbende voor dat percentage van de buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking voorkoming van dubbele belasting moet worden verleend. Dat is thans ook het standpunt van de inspecteur welk standpunt volgens beide partijen ook in lijn is met de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 januari 2019.\n\n4.2.. Belanghebbende heeft zich later in de procedure op een voor hem gunstiger standpunt gesteld voor de berekening van de voorkoming van dubbele belasting. Volgens belanghebbende dient de lijn van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch te worden gevolgd, maar dient op één deelonderwerp – de wijze waarop de dagen ten behoeve van de salary split worden vastgesteld – te worden afgeweken op grond van het vertrouwensbeginsel. De inspecteur heeft volgens belanghebbende namelijk het vertrouwen gewekt dat een dag waarop geheel of een deel is gewerkt in Italië moet worden aangemerkt als een volledige werkdag in Italië. Dat blijkt uit de brief van 4 december 2018 welke lijn is bestendigd in de brief van 17 september 2019 (zie 2.7 en 2.8). Van de in totaal 146 gewerkte dagen, dient aldus volgens belanghebbende voor 145 dagen voorkoming van dubbele belasting te worden verleend, in plaats van 62,3% van de 146 dagen, althans zo begrijpt de rechtbank de stelling. De rechtbank overweegt hierover het volgende.\n\n4.3.. Voor een in rechte te beschermen vertrouwen is vereist dat sprake is van een bewuste standpuntbepaling door de inspecteur na kennisneming van alle daartoe benodigde feiten en omstandigheden van het geval. Dit geldt niet alleen indien de inspecteur daadwerkelijk kennis heeft genomen van alle benodigde feiten en omstandigheden van het geval, maar ook indien de belastingplichtige in redelijkheid ervan mocht uitgaan dat de inspecteur kennis heeft genomen van alle feiten en omstandigheden die de inspecteur voor de door hem gedane toezegging nodig acht.\n\n4.4.. Logischerwijs betreft de gehele brief een bewuste standpuntbepaling in het kader van die eerdere procedure over het jaar 2016. Dit standpunt van de inspecteur, welke in meerdere soortgelijke zaken toentertijd werd ingenomen, is in de voornoemde uitspraak door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch niet gevolgd. Deze brief betreft echter naar het oordeel van de rechtbank geen bewuste standpuntbepaling over het jaar 2018 thans in kwestie en belanghebbende kon en mocht dat ook redelijkerwijs niet zo opvatten.4.5.. Ook voor het geval belanghebbende wel gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat de brief zag op 2018 – hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet het geval was - kan het specifieke door belanghebbende gestelde daar niet uit worden opgemaakt. Het betreft namelijk de weergave van een meeromvattend standpunt van de inspecteur wat in beginsel als geheel moet worden beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank kon en mocht belanghebbende niet het vertrouwen ontlenen aan de brief dat de inspecteur het ene deelonderwerp wat voor belanghebbende later gunstig zou blijken - binnen het meeromvattende standpunt wat voor belanghebbende integraal bezien ongunstig was - ook zou toepassen in latere jaren wanneer het integrale standpunt onjuist zou blijken.\n\n4.6.. Ook het gegeven dat de inspecteur in de brief van 17 september 2019 de - in de optiek van beide partijen onjuiste maar voor belanghebbende gunstige - wijze van het vaststellen van de dagen gewerkt in Italië voor het jaar 2016 wél heeft toegepast, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Als de inspecteur een handeling verricht ten aanzien van een bepaald jaar betekent het niet dat daarmee automatisch in rechte te beschermen vertrouwen wordt gewekt dat de inspecteur hetzelfde zal doen in latere jaren. Dat geldt te meer nu de inspecteur heeft uitgelegd dat de reden daarvoor alleen erin gelegen was dat de inspecteur in de casus die voorlag bij het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch had aangegeven deze meer gunstige wijze van dagentelling nog voor 2016 toe te passen. Ook aan die uitleg valt geen vertrouwen te ontlenen dat de handelwijze voor het jaar 2016 van de inspecteur zou worden voortgezet in het jaar 2018.\n\n5. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 20 november 2024 door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. I.E. Rijsdijk-van Eerd, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n ECLI:NL:GHSHE:2019:170.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:7943","2026-07-13T00:29:04.910Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":43,"courtId":70,"decisionDate":79,"fullText":80,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":50,"updatedAt":83},"1347","ECLI:NL:RBZWB:2024:7023","ecli-nl-rbzwb-2024-7023","2024-10-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 23\u002F4080 tot en met 23\u002F4090\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2024 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 26 juni 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV), inkomensafhankelijke bijdragen voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) en omzetbelasting (OB) opgelegd (de aanslagen):\n\nEen navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.948 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 454. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 1.113 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 1.402 opgelegd (zaaknummer 23\u002F4080);\n\nEen navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2016 naar een bijdrage-inkomen van € 21.381. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 1.085 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F4081);\n\nEen navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.528. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 2.103 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F4082);\n\nEen navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.528. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 2.103 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 3.407 opgelegd (zaaknummer 23\u002F4083).\n\nEen navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2017 naar een bijdrage-inkomen van € 30.722. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 254 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F4084);\n\nEen navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2018 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.420 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.255. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur € 431 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 833 opgelegd (zaaknummer 23\u002F4085);\n\nEen navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2018 naar een bijdrage-inkomen van € 7.318. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur € 49 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F4086);\n\nEen aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2019 naar een inkomen uit werk en woning van € 20.100. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 112 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F4087);\n\nEen aanslag Zvw over het jaar 2019 naar een bijdrage-inkomen van € 14.009;\n\nEen naheffingsaanslag OB over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 (2017) naar een bedrag van € 8.516. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 1.428 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 2.129 opgelegd (zaaknummer 23\u002F4088);\n\nEen naheffingsaanslag OB over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 (OB 2018) naar een bedrag van € 1.787. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 229 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 446 opgelegd (zaaknummer 23\u002F4089);\n\nEen naheffingsaanslag OB over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 december 2020 (2019-2020) naar een bedrag van € 20.720. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 1.416 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 5.180 opgelegd ((zaaknummer 23\u002F4090).\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2018 niet-ontvankelijk verklaard en behandeld als verzoek om ambtshalve vermindering. Hij heeft het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. De overige bezwaren heeft de inspecteur ongegrond verklaard. Hij inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd.\n\n1.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 26 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd. Ook beoordeelt zij of de boetes terecht zijn opgelegd en zo ja, of de boetes passend en geboden zijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag OB over het jaar 2017 te hoog. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2018, de navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2018 en de naheffingsaanslag OB over het jaar 2018 zijn ten onrechte opgelegd. De overige aanslagen zijn juist. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de grondslag van de boetes moet worden gematigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n4. Belanghebbende heeft onder de namen “ [rijschool 1] ” en “ [rijschool 2] ” een rijschool geëxploiteerd. [rijschool 2] werd op [datum 1] 2015 ingeschreven in het Handelsregister en per [datum 2] 2017 uitgeschreven. Van 1 juni 2017 tot 31 maart 2019 heeft belanghebbende in loondienst werkzaamheden verricht voor ANWB rijopleidingen. Vanaf april 2019 heeft belanghebbende als ondernemer rijlessen verzorgd voor cursisten van zijn broer, die een rijschool exploiteert onder de naam “ [rijschool 3] ”. Ook heeft belanghebbende een onderneming geëxploiteerd onder de naam “ [rijschool 4] ”, welke was ingeschreven in het Handelsregister van [datum 3] 2019 tot [datum 4] 2021.\n\n4.1.. Belanghebbende heeft op 4 september 2017 aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2016 gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 6.017 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 454. De aanslag is overeenkomstig de aangifte opgelegd. Op 18 november 2021 heeft belanghebbende een tweede aangifte ingediend over het jaar 2016 naar een inkomen uit werk en woning van € 13.862 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 454.\n\n4.2.. Belanghebbende heeft op 2 maart 2018 aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2017 gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 3.633. De aanslag is overeenkomstig de ingediende aangifte opgelegd. Op 18 november 2021 heeft belanghebbende een tweede aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2017 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.141.\n\n4.3.. Belanghebbende heeft op 18 april 2019 aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2018 gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 22.170 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 1.657. De aanslag is opgelegd overeenkomstig de aangifte. Op 21 januari 2021 heeft belanghebbende een nieuwe aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2018 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.102 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 698.\n\n4.4.. Belanghebbende heeft op 14 mei 2020 aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2019 gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 6.091. De aanslag is in afwijking van de aangifte met dagtekening 8 juli 2022 opgelegd naar een inkomen uit werk en woning van € 20.100.\n\n4.5.. Bij brief van 17 maart 2021 heeft de inspecteur een onderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020. Op 31 maart 2021 heeft een inleidend gesprek plaatsgevonden. Belanghebbende werd tijdens het gesprek bijgestaan door zijn adviseur [naam 3] (de adviseur). Van het gesprek is een verslag opgemaakt. Het verslag vermeldt onder meer:\n\n“(…)\n\nAangiften BTW\n\nDesgevraagd geeft de adviseur aan dat hij voor het doen van de aangiften BTW alleen de facturen van [rijschool 4] en [bedrijf 1] ontvangt. Hij krijgt geen bankafschriften. Hij ging er vanuit dat de heer [belanghebbende] geen privérekening had. De heer [belanghebbende] houdt geen kasboek bij, maar geeft de contante ontvangsten en uitgaven door aan de adviseur.\n\nHij geeft aan op goed vertrouwen gehandeld te hebben.\n\nDe heer [naam 4] merkt op dat in de oorspronkelijke aangifte over het derde kwartaal 2020 en later in het bezwaarschrift over het derde kwartaal de omzet van de zonnepanelen niet is meegenomen. Nadat de heer [naam 4] de cautie heeft gesteld, antwoord de heer [belanghebbende] dat hij die factuur eind 2020, begin 2021 heeft ingeleverd bij de adviseur, nadat hij er achter kwam dat hij die factuur niet\n\nhad afgegeven bij de adviseur. De achterliggende gedachte was, dat het project een jaar duurde en dat dan pas de factuur aangegeven moest worden. Aan de adviseur wordt vervolgens gevraagd waarom die factuur dan niet in de suppletie en bezwaarschrift is opgenomen. De adviseur antwoord dat hij pas na 17 maart 2021 op de hoogte was van deze factuur middels vraagstelling van de heer [naam 4]. De heer [belanghebbende] bevestigt dit. De adviseur vindt dat alles gecompliceerd is geworden.\n\nDe adviseur heeft de suppletieaangiften naar de heer [belanghebbende] gestuurd. Hij had de facturen gezien. Hij wist niet dat hij wat miste. De heer [belanghebbende] geeft vervolgens aan dat boekhouden niet zijn sterkste kant is en dat hij alle vertrouwen in de adviseur heeft. De adviseur geeft desgevraagd aan, dat hij de aangifte BTW doet met de inloggegevens van de heer [belanghebbende] , omdat hij dan geen risico loopt als de administratie niet correct is. De heer [naam 4] geeft aan, dat het dan lijkt of de heer [belanghebbende] zelf aangifte doet.\n\n(…)\n\nPer 1 juli 2019 is eren arbeidsovereenkomst met de partner van de heer [belanghebbende] . Op de vraag waarom alleen juli 2019 is aangegeven voor de loonheffing, geeft de heer [belanghebbende] als antwoord dat hij dacht dat het doorgelopen was, maar dat hij er onlangs achter gekomen was dat dat niet het geval was. Vandaar dat hij de adviseur gevraagd heeft om de andere aangiften van dat jaar te doen. De heer [naam 4] geeft aan dat de adviseur, de dag voor dit gesprek, dacht, dat het om een uitkering ging.\n\n (…)\n\nEr is geen sprake van een geregistreerd partnerschap. Salarisbetalingen vinden via de bank plaats. De heer [belanghebbende] geeft aan dat de partner van 9.00 tot 17.00 actief is. De boodschappen kan zij in de pauze doen.\n\nDe werkzaamheden van mevrouw [naam 1] bestaan volgens de heer [belanghebbende] uit het opmaken van facturen, kopiëren en administratie. De werkzaamheden zouden thuis worden verricht. Volgens de heer [belanghebbende] maakt het niet uit dat het zijn partner is. Er is volgens hem sprake van een gezagsverhouding. Wanneer hij haar nodig heeft is zij er voor hem. Zij heeft ook werk verricht voor [rijschool 4] .\n\nHet uurloon is de heer [belanghebbende] niet bekend. Er is een maandloon afgesproken. De adviseur zou niet bij het opmaken van de arbeidsovereenkomst betrokken zijn geweest.\n\n(…)\n\nDesgevraagd geeft hij aan dat het zijn eigen cursisten zijn. Maar de genoemde bedragen zijn niet helemaal omzet van de rijschool. Er wordt ook wel eens geld geleend. Hij weet het zo niet, dat moet hij uitzoeken. De heer [naam 2] geeft aan, dat hij mist dat de heer [belanghebbende] bekent dat hij inderdaad privélessen heeft gegeven voor het genoemde bedrag. De heer [naam 4] geeft aan dat wat geleend wordt ook terugbetaald moet worden, anders is het immers geen lening. De lessen van zijn eigen cursisten worden gereden met de auto van zijn broer, waarvoor hij toestemming heeft. De heer [naam 4] vraagt zich hardop af, hoe het dan zit met de kosten van de betreffende auto’s. Betaald de broer de kosten van zijn privélessen. Hierover geeft de heer [belanghebbende] geen verklaring.\n\n(…)”\n\n4.6.. Bij brief met dagtekening 2 april 2021 heeft de inspecteur aangekondigd de controle uit te breiden. De brief vermeldt dat de controle nu ook zal zien op de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019, de aangiften loonbelasting over de periode van 1 juli 2019 tot en met 31 december 2020 en de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2016 tot en met 2019.\n\n4.7.. Belanghebbende en de adviseur zijn op 30 maart 2022 gehoord in het kader van een verhoor bestuurlijke boete. Van het verhoor is een verslag opgemaakt. Het verslag is ondertekend door belanghebbende en de adviseur. Uit het verslag volgt dat belanghebbende niet alle gegevens aan de adviseur heeft verstrekt die van belang waren voor het doen van aangiften, waaronder op de privérekening van belanghebbende ontvangen omzet. Ook volgt uit het verslag dat de adviseur de aangiften pas indiende nadat belanghebbende deze had geaccordeerd.\n\n4.8.. De inspecteur heeft van zijn bevindingen op 14 juni 2022 een controlerapport opgemaakt. Vanwege een omissie heeft hij het rapport op 17 augustus 2022 gecorrigeerd. Het gecorrigeerde controlerapport vermeldt onder meer het volgende:\n\n“(…)\n\n2.3.2. Aansluiting financiële administratie en aangiften omzetbelasting\n\n2016. \n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens administratie € 2.606\n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens aangiften € 2.606\n\nVoorbelasting volgens administratie € 247\n\nIn aftrek gebrachte voorbelasting € 1.209\n\nDe verschillen zijn niet verklaard door de adviseur.\n\nCorrectie omzetbelasting 1\n\nMinder voorbelasting omzetbelasting 2016 € 962\n\n2017. \n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens administratie € 811\n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens aangiften € 432\n\nDe verschillen zijn niet verklaard door de adviseur.\n\nCorrectie omzetbelasting 2\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2017 € 379\n\nVoorbelasting volgens administratie € 392\n\nIn aftrek gebrachte voorbelasting € 5.686\n\nHet verschil wordt deels verklaard, door het niet boeken van de voorbelasting ad € 5.250, die betrekking heeft op de Audi A5. Achteraf is deze auto ook als privévermogen geëtiketteerd.\n\nCorrectie omzetbelasting 3\n\nMinder voorbelasting omzetbelasting 2017 € 44\n\nDe teruggaaf ad € 5.250 heeft de heer [belanghebbende] niet bereikt, wegens de opheffing van de, bij de Belastingdienst, bekende bankrekening. Het bedrag is gestorneerd en vastgehouden door de Belastingdienst. Omdat dit bedrag ten onrechte is geclaimd, hebben wij ter zake een naheffingsaanslag opgelegd zonder belastingrente en boete. De aanslag met [aanslagnummer] is gedagtekend 26 maart 2022.\n\nCorrectie omzetbelasting 4\n\nMinder voorbelasting 2017 € 5.250\n\n2018. \n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens administratie € 0\n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens aangiften € 0\n\nVoorbelasting volgens administratie € 4.339\n\nIn aftrek gebrachte voorbelasting € 4.339\n\nWegens het niet reageren op verzonden vragenbrieven van 24 april 2018 en 22 mei 2018 is de in aftrek gebrachte voorbelasting op € 0 gezet. Ook deze voorbelasting heeft betrekking op de Audi A5.\n\n2019. \n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens administratie € 1.909\n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens aangiften € 1.909\n\nVoorbelasting volgens administratie € 52\n\nIn aftrek gebrachte voorbelasting € 1.624\n\nDe verschillen zijn niet verklaard door de adviseur.\n\nCorrectie omzetbelasting 5\n\nMinder voorbelasting 2019 € 1.572\n\n2020. \n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens administratie € 1.788\n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens aangiften € 2.018\n\nDe adviseur geeft als verklaring, dat de administratie nog niet af is.\n\nCorrectie omzetbelasting 6\n\nMinder verschuldigde omzetbelasting 2020 € 230\n\nVoorbelasting volgens administratie € 181\n\nIn aftrek gebrachte voorbelasting € 13.707\n\nDe adviseur geeft als verklaring, dat de administratie nog niet af is. De betreffende suppletieaangifte en bezwaarschrift zijn na het inleidend gesprek ingetrokken.\n\nCorrectie omzetbelasting 7\n\nMinder voorbelasting omzetbelasting 2020 € 13.526\n\n(…)\n\n2020\n\n2019\n\n2018\n\n2017\n\n2016\n\nAangegeven omzet = contante ontvangsten\n\n€ 9.091\n\n€ 3.863\n\n€ 12.411\n\nnetto\n\noverboekingen op [rekeningnummer 1]\n\n€ 15.006\n\n€ 3.182\n\n€ 1.068\n\n€ 5.930\n\n€ 14.463\n\nnetto\n\ncontante stortingen op [rekeningnummer 1]\n\n€ 11.818\n\n€ 16.570\n\n€ 7.442\n\n€ 24.558\n\n€ 2.066\n\nnetto\n\noverboekingen op [rekeningnummer 2]\n\n€ 5.082\n\n€ 2.296\n\nnetto\n\ncontante stortingen op [rekeningnummer 2]\n\n€ 620\n\n€ 1.033\n\nnetto\n\noverboekingen op [rekeningnummer 3]\n\n€ 5.536\n\nnetto\n\noverboekingen op [rekeningnummer 4]\n\n€ 72.525\n\nnetto\n\nGecorrigeerde omzet exclusief omzetbelasting\n\n€ 99.349\n\n€ 28.843\n\n€ 8.510\n\n€ 40.053\n\n€ 32.269\n\nAangegeven omzet voor de inkomstenbelasting\n\n€ 9.091\n\n€ -\n\n€ 3.863\n\n€ 6.768\n\nwinstcorrectie\n\n€ 19.752\n\n€ 8.510\n\n€ 36.190\n\n€ 25.501\n\n(…)Winstcorrectie 1\n\nMeer winst 2016 € 25.501\n\nMeer winst 2017 € 36.190\n\nMeer winst 2018 € 8.510\n\nMeer winst 2019 € 19.752\n\n(…)\n\n5 Omzetbelasting\n\n(…)\n\n5.2.2 Verzwegen omzet\n\nRijschool (2016\u002F2020)\n\nNiet de gehele omzet is aangegeven. Naast de geboekte contante ontvangsten, is in de jaren 2016 tot en met 2020 sprake van rijles gerelateerde overboekingen, onverklaarde contante stortingen en overgeboekte Tikkies (2020) op meerdere bankrekeningen.\n\n(…)\n\nDaarnaast zijn er nog contante stortingen voor een totaalbedrag van 11.818 (netto).\n\nDit leidt tot meer verschuldigde omzetbelasting ad € 5.018 ((15.006 – 2930 + 11.818)*21%).\n\nCorrectie omzetbelasting 8\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2016 € 5.355\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2017 € 7.600\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2018 € 1.787\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2019 € 4.148\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2020 € 5.018\n\nZonnepanelen (2020)\n\nOp 29 juni 2020 heeft de heer [belanghebbende] € 87.755 inclusief omzetbelasting (€ 15.230) gefactureerd aan [bedrijf 2] in [plaats 2] met [factuurnummer] . Het betrof de levering van 274 zonnepanelen en toebehoren. Het gefactureerde bedrag wordt op 8 juli 2020 per bank ( [rekeningnummer 4] ) ontvangen. Deze omzet was ten tijde van het onderzoek nog niet aangegeven. In het inleidend gesprek heeft de heer [belanghebbende] aangegeven de heer [naam 3] in kennis gesteld te hebben van deze factuur in januari 2021. De heer [naam 3] geeft desgevraagd aan pas in maart 2021 kennis genomen te hebben van de factuur. Dat is het moment dat de Belastingdienst vragen stelde over de aangiften omzetbelasting van het tweede en derde kwartaal 2020.\n\nCorrectie omzetbelasting 7\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2020 € 15.230\n\n(…)\"\n\nGeschil\n\n5. In geschil is of de aanslagen terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de inspecteur terecht contante stortingen, ontvangen “tikkies” en diverse overboekingen op de privérekeningen van belanghebbende heeft aangemerkt als omzet. Vervolgens is in geschil of de opgelegde boetes passend en geboden zijn.Motivering\n\nVooraf\n\n6. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2018 nietontvankelijk verklaard en behandeld als verzoek om ambtshalve vermindering. Uit de stukken blijkt dat het bezwaar te laat is ingediend. Belanghebbende heeft niet gesteld dat de temrijnoverschrijding verschoonbaar is. Het bezwaar is dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank vat het beroep in de zaak met nummer 23\u002F4085 daarom op als gericht tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Daar moet eerst bezwaar tegen worden gemaakt. Omdat ter zitting is gebleken dat partijen de zaak inhoudelijk wilden behandelen is de rechtbank ervanuit gegaan dat dat partijen er mee hebben ingestemd de bezwaarfase over te slaan (prorogatie).\n\nZijn de aanslagen terecht en naar de juiste hoogte opgelegd?\n\nBewijslastverdeling\n\n7. De inspecteur stelt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft ingediend. Belanghebbende heeft rijles-gerelateerde omzet die werd ontvangen op zijn zakelijke en privérekening niet aangegeven. Het betreft zowel contante stortingen als bankoverschrijvingen en ontvangen tikkies, aldus de inspecteur.\n\n7.1.. Belanghebbende betwist dat de contante stortingen en ontvangen tikkies omzet zijn. Hij heeft in 2012 een bedrag van € 38.000 van zijn bankrekening contant opgenomen en dat gedurende de jaren teruggestort op zijn bankrekening. Daarnaast heeft hij terugbetalingen op de door hem verstrekte lening contant ontvangen en gestort op zijn bankrekening. Ten slotte zien een aantal tikkies op privétransacties, aldus belanghebbende.\n\n7.2.. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur voor de onderhavige tijdvakken geen informatiebeschikking heeft gegeven. Op grond van artikel 25, lid 3, AWR is verzwaring van de bewijslast dan alleen aan de orde als de inspecteur aannemelijk maakt dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan. Deze toets moet voor ieder heffingstijdvak afzonderlijk worden aangelegd. Daarbij geldt dat het niet aangegeven bedrag aan belasting in verhouding tot het over ieder tijdvak afzonderlijk verschuldigde bedrag aan belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk moet zijn en dat belanghebbende zich daarvan bewust was of zich daarvan bewust moest zijn geweest.\n\n7.1.. Voor de aanslagen over de jaren 2016, 2017, 2019 en 2020 acht de rechtbank de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Uit de door de inspecteur overgelegde overzichten van door belanghebbende ontvangen bedragen leidt de rechtbank af dat omzet niet is aangegeven.\n\n7.2.. Voor het jaar 2016 heeft belanghebbende ten minste € 19.000 aan betalingen ontvangen waarbij hetzij door de betaler is vermeld dat die betaling betrekking heeft op rijles of rijexamens, hetzij de betaling is gedaan door iemand die bij een eerdere betaling heeft vermeld dat die betaling betrekking had op rijles of rijexamens. Voor 2017 gaat het om ten minste € 14.000. Voor 2019 om ten minste € 10.000. Dat blijkt uit het controlerapport en de juistheid daarvan wordt ondersteund door de stukken die de inspecteur heeft overgelegd. Voor het jaar 2020 gaat het volgens het controlerapport om ruim € 15.000 rijlesgerelateerde omzet. De inspecteur heeft daarvan weliswaar geen overzichten overgelegd maar de rechtbank heeft – mede gezien de juistheid van de bevindingen van eerdere jaren - geen reden om aan de juistheid van dat bedrag te twijfelen. Al deze ontvangsten heeft belanghebbende niet aangegeven en de rechtbank acht aannemelijk dat daardoor aanmerkelijk te weinig IB\u002FPVV, Zvw en OB is geheven en dat dat verschil zowel absoluut als relatief aanzienlijk is. De rechtbank acht ook aannemelijk dat belanghebbende dat bewust zo heeft gedaan. Belanghebbende had een autorijschool en moet hebben beseft dat hij de inkomsten daaruit moest opgeven voor zowel de IB\u002FPVV, Zvw als de OB en dat hij dat ook moest doen in de jaren dat hij daarnaast in dienstbetrekking werkte. Hij heeft bovendien – naar de rechtbank aannemelijk acht, bewust – de gegevens van de bankrekeningen waarop deze betalingen binnenkwamen niet aan zijn accountant laten zien. Voor de OB voor het tijdvak 2019\u002F2020 komt daar nog bij de correctie wegens levering zonnepanelen van € 15.230. Gezien de hoogte van de correcties wegens rijlesgerelateerde ontvangen bedragen en de zonnepanelen ten opzichte van de hoogte van de op aangiften voldane OB kan de rechtbank niet anders concluderen dat ook voor de OB niet de vereiste aangiften zijn gedaan. Dit alles leidt tot de conclusie dat de bewijslast over de jaren 2016, 2017, 2019 en 2020 moet worden omgekeerd en verzwaard, zowel voor de IB\u002FPVV en Zvw als voor de OB.\n\n7.3.. Voor het jaar 2018 heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Het verschil tussen de eerste aangifte IB\u002FPVV over 2018 en de tweede aangifte IB\u002FPVV over 2018 leidt niet tot een zodanig verschil dat gezegd kan worden dat absoluut bezien een aanzienlijk bedrag aan belasting niet is geheven. Uit de omschrijving van de bankoverschrijvingen en tikkies is niet af te leiden dat het gaat om zakelijke betalingen. Het kan net zo goed om privébetalingen gaan, zoals belanghebbende heeft betoogd. Daarom is voor de IB\u002FPVV, Zvw en voor de OB niet aannemelijk geworden dat onjuiste aangiften zijn gedaan. Het voorgaande betekent dat de bewijslast voor de aanslagen over het jaar 2018 niet wordt omgekeerd en verzwaard.\n\nRedelijke schatting (2016, 2017, 2019 en 2020)\n\n7.4.. Hetgeen in 7.2 is overwogen laat onverlet dat de navorderings- en naheffingsaanslagen niet naar willekeur vastgesteld mogen worden, maar moeten berusten op een redelijke schatting. In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, voor zover hij de juistheid van de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.\n\n7.5.. De inspecteur heeft zijn schatting gebaseerd op rijlesgerelateerde bijschrijvingen op de bankrekeningen van belanghebbende en op gestorte contanten en tikkies op de bankrekeningen van belanghebbende. De rechtbank acht het niet onredelijk dat de inspecteur ervanuit gaat dat zowel de betalingen waarin uitdrukkelijk is verwezen naar rijlessen of examens maar ook de contante stortingen en tikkies betalingen zijn voor rijlessen. Zij is daarom van oordeel dat de inspecteur is uitgegaan van een redelijke schatting.\n\n7.6.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met al hetgeen hij heeft aangevoerd niet overtuigend aangetoond dat de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de aanslagen IB\u002FPVV, ZVW en OB voor de jaren 2016, 2017, 2019 en 2020 onjuist zijn.\n\nVermindering naheffingsaanslag OB over het jaar 2017\n\n7.7.. De inspecteur heeft gesteld dat de naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2017 door een overnamefout te hoog is vastgesteld. Het belastingbedrag had € 8.023 moeten zijn, zodat de naheffingsaanslag met € 493 verminderd dient te worden. De opgelegde boete en in rekening gebrachte belastingrente moeten overeenkomstig worden verminderd, aldus de inspecteur. De rechtbank zal de inspecteur in zijn standpunt volgen en de naheffingsaanslag OB over het jaar 2017 dienovereenkomstig verminderen.\n\nDe aanslagen IB\u002FPVV, Zvw en de naheffingsaanslag OB over het jaar 2018\n\n7.8.. De rechtbank heeft hiervoor in 7.3. geoordeeld dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan en dat daarom de bewijslast niet wordt omgekeerd en verzwaard.\n\n7.9.. Omdat belanghebbende heeft verzocht om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw over het jaar 2018 rust op hem de last om aannemelijk te maken dat die aanslagen te hoog zijn.\n\n7.10.. Belanghebbende heeft gesteld dat de contante stortingen op rekening .956 van € 9.005 afkomstig zijn uit terugbetalingen op een door belanghebbende verstrekte lening en hij heeft een kopie van de leningovereenkomst overgelegd. De rechtbank heeft geen reden aan het bestaan van die lening te twijfelen. De rechtbank acht mede van belang dat belanghebbende geheel 2018 voltijd in loondienst werkzaam was, zodat er voor hem niet veel tijd overbleef voor het geven van rijlessen. Ter zitting is bovendien komen vaststaan dat de in 2018 op rekening .956 ontvangen “tikkies” en overschrijvingen van in totaal € 1.292 afkomstig zijn van een vriend van belanghebbende en dus geen rijlesgerelateerde omzet zijn. Omdat er ook verder geen duidelijke rijlesgerelateerde omzet is, leidt dit een en ander, in onderling verband bezien, ertoe dat de rechtbank aannemelijk acht dat bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw over het jaar 2018 ten onrechte een bedrag € 7.318als winst uit onderneming in het inkomen uit werk en woning respectievelijk het bijdrage-inkomen is betrokken. Omdat dat de enige correctie was, moeten de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw voor 2018 worden verminderd tot nihil.\n\n7.11.. Gelet op hier hiervoor overwogene (zie 7.3) heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende over de tijdvakken tussen 1 januari 2018 en 31 december 2018 te weinig OB op aangifte heeft voldaan. Dat betekent dat de naheffingsaanslag over het jaar 2018 moet worden vernietigd. Dat belanghebbende in de aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2018 voorbelasting heeft teruggevraagd in verband met de aankoop van een auto maakt dat niet anders, nu het teruggaafverzoek niet heeft geleid tot een (onterechte) teruggaaf en daarvoor geen bedrag in de naheffingsaanslag is begrepen.\n\nDe boetes\n\n8. Omdat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV, Zvw en de naheffingsaanslag OB voor het jaar 2018 worden verminderd tot nihil, moeten de daarbij opgelegde boetes vervallen.\n\n8.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende vergrijpboetes opgelegd omdat het volgens de inspecteur aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet is betaald (OB) en dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen IB\u002FPVV tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft erkend dat hij slordig en onzorgvuldig heeft gehandeld door geen rekeningafschriften van zijn privérekeningen aan zijn adviseur ter beschikking te stellen.\n\n8.2.. De inspecteur kan een vergrijpboete opleggen indien het aan opzet of grove schuld van een belastingplichtige is te wijten dat de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen ten onrechte niet, gedeeltelijk niet, of te laat is betaald.Ook kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen indien het aan opzet of grove schuld van een belastingplichtige is te wijten dat aangifte voor de belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven onjuist of onvolledig is gedaan.\n\n8.3.. Grove schuld doet zich voor als aan belastingplichtige een laakbare slordigheid dan wel aan opzet grenzende onachtzaamheid kan worden verweten. De inspecteur moet dit doen blijken.\n\n2016, 2017, 2019 en 2020\n\n8.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur ten aanzien van de jaren 2016, 2017, 2019 en 2020 doen blijken dat het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting op aangifte is voldaan (OB) en dat aanslagen naar een te laag bedrag zijn vastgesteld (IB\u002FPVV). De rechtbank is er van overtuigd dat belanghebbende heeft beseft dat de adviseur geen juiste aangiften kon doen als belanghebbende hem niet alle stukken verschafte, en dat hij ook wist dat hij inkomsten uit rijlessen moest aangeven. Hij heeft naar de rechtbank bewezen acht bewust de door de adviseur opgestelde aangiften geaccordeerd en laten indienen terwijl hij moet hebben beseft dat ze onvolledig waren. Dat is ten minste aan opzet grenzende onachtzaamheid.\n\n8.5.. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de boetes te matigen omdat deze zijn vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast, en voor 2017 tevens omdat de naheffingsaanslag door een rekenfout te hoog is (zie 7.4). De rechtbank acht boetes van € 1.000 (IB\u002FPVV 2016), € 800 (IB\u002FPVV 2017), € 700 (OB 2017) en € 3.600 (OB 2019-2020) passend en geboden.\n\nUndue delay\n\n8.6.. Ambtshalve ziet de rechtbank in de duur van de procedure aanleiding om de boete te matigen. De rechtbank stelt vast dat 14 juni 2022 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat in het controlerapport op dat moment de boetes zijn aangekondigd. De rechtbank doet uitspraak op 16 oktober 2024. Sinds de aankondiging van de boete zijn dan ruim 29 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar daarmee is overschreden met 5 maanden. De rechtbank ziet aanleiding om de boetes bij de naheffingsaanslag omzetbelasting 2019-2020 verder te matigen met 5% tot € 3.420.Ten aanzien van de overige boetes volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden omdat de boetes – na matiging – niet meer bedragen dan € 1.000.\n\nBelastingrente\n\n9. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Omdat de naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2017 wordt verminderd, zal de rechtbank de daarmee samenhangende belastingrentebeschikking overeenkomstig verminderen.\n\n9.1.. Nu de met de belastingrentebeschikkingen over het jaar 2018 samenhangende aanslagen worden vernietigd, zal de rechtbank de belastingrentebeschikkingen over het jaar 2018 ook vernietigen.\n\n9.2.. Voor het overige blijven de belastingrentebeschikkingen in stand.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. De beroepen in de zaken met nummers 23\u002F4080, 23\u002F4082, 23\u002F4084, 23\u002F4085, 23\u002F4088 en 23\u002F4089 en 23\u002F4090 zijn gegrond. De overige beroepen zijn ongegrond.\n\n10.1.. \n\nOmdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.\n\n Van belanghebbende is in de zaak met nummer 23\u002F4080 € 50 griffierecht geheven en in de zaak met nummer 23\u002F4088 € 184, zodat het totaal te vergoeden griffierecht € 234 bedraagt.\n\n De proceskostenvergoeding bedraagt € 32,98 aan reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting. Dit is het berekende bedrag aan kosten voor een retourreis met het openbaar vervoer (tweede klasse) van het woonadres van belanghebbende met het openbaar vervoer naar de rechtbank. De rechtbank zal de vergoeding toekennen in de zaak met nummer 23\u002F4080.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4080\n\nverklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de boete;\n\nvermindert de boete naar € 1.000;\n\nverklaart het beroep voor het overige ongegrond;\n\nbepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\nveroordeelt de inspecteur tot betaling van € 32,98 aan proceskosten aan belanghebbende;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4081\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4082\n\nverklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de boete;\n\nvermindert de vergrijpboete naar € 800;\n\nverklaart het beroep voor het overige ongegrond;\n\nIn de zaken met nummers 23\u002F4083 en 23\u002F4084\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4085\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering;\n\nvermindert de navorderingsaanslag tot nihil;\n\nvernietigt de belastingrentebeschikking;\n\nvernietigt de vergrijpboete;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4086\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvermindert de navorderingsaanslag tot nihil;\n\nvernietigt de belastingrentebeschikking;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4087\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4088\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\nvermindert de naheffingsaanslag naar € 8.023;\n\nvermindert de belastingrentebeschikking overeenkomstig;\n\nvermindert de boete naar € 800;\n\nbepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4089\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\nvernietigt de naheffingsaanslag;\n\nvernietigt de boete;\n\nvernietigt belastingrentebeschikking;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4090\n\nverklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de boete;\n\nvermindert de vergrijpboete naar € 3.420;\n\nverklaart het beroep voor het overige ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A.J.M. Wouters, griffier, op 16 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312.\n\n € 9.005 + € 1.292 -\u002F- € 1.787 omzetbelasting -\u002F- € 1.192 MKB-winstvrijstelling.\n\n Artikel 67f van de AWR.\n\n Artikel 67d van de AWR.\n\n Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97, r.o. 4.2.1.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713.\n\n Hoge Raad 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:175.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:7023","2024-10-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:17.109Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":88,"fullText":89,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":88,"parsedAt":50,"updatedAt":91},"1367","ECLI:NL:GHSHE:2024:2141","ecli-nl-ghshe-2024-2141","2024-07-03T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 22\u002F1435\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 juni 2022, nummer BRE 20\u002F776, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) 2015 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.6.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.8.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende houdt (nagenoeg) alle aandelen in [houdstermaatschappij] B.V. (hierna: de houdstermaatschappij), die op haar beurt alle aandelen houdt in [bedrijf 1] B.V. (hierna: de B.V.). Beide vennootschappen zijn opgericht in 2005. Belanghebbende heeft de B.V. opgericht met het doel innovatieve Data Integratie (DI) oplossingen te realiseren. Daartoe heeft de B.V. een product ontwikkeld dat belanghebbende omschrijft als een speciale computer die bedoeld is voor de integratie van verschillende informatiesystemen. Er is zowel hardware als software ontwikkeld om transactie- en beslissingsprocessen te ondersteunen. De B.V. heeft gewerkt aan de ontwikkeling van de Data Source Integrator (DSI), een geïntegreerde software en hardware oplossing voor data-integratie en aggregatievraagstukken, en het Unified Integration Platform (UIP), waarbij de prestaties veel hoger liggen dan die van de DSI op het gebied van snelheid en beschikbare software.\n\n2.2.. Op [datum 1] 2005 heeft de Rabobank een lening (innovatiekrediet) verstrekt aan de houdstermaatschappij en\u002Fof de B.V., beide in oprichting, ten bedrage van € 22.500. De looptijd van deze lening bedraagt 2,5 jaar en er geldt een rentepercentage van 7,1. Belanghebbende heeft voor hoofdelijk medeschuldverbintenis voor de gehele financiering getekend.\n\n2.3.. Op [datum 2] 2008 heeft de Rabobank een geldlening van € 125.000 en een krediet in rekening-courant van € 125.000 verstrekt aan de B.V.. Belanghebbende heeft zich daarbij borg gesteld voor € 125.000. Voor de geldlening heeft de Staat der Nederlanden zich garant gesteld voor een bedrag van € 100.000. Voor de geldlening geldt een rentepercentage 6,45 voor drie jaar vast en voor het krediet in rekening-courant een rentepercentage van 7,95 per jaar.\n\n2.4.. In [maand 1] 2008 heeft de B.V. een aanvraag voor aanvullende financiering gedaan. In [maand 3] 2009 heeft de Rabobank de aanvraag afgewezen.\n\n2.5.. Op [datum 8] 2009 zijn belanghebbende en de B.V. een (schriftelijke) overeenkomst tot kredietverstrekking in rekening-courant overeengekomen:\n\n‘1. [de B.V.] (…),\n\nen\n\n2. [belanghebbende], (…)\n\nOverwegende:\n\n- Dat [de B.V.] zich vanaf het jaar 2005 bezighoudt met de ontwikkeling, productie en distributie van de Data Source Integrator (DSI) welk apparaat de informatiestromen binnen bedrijfsprocessen vanuit verschillende applicaties tot een hoger niveau integreert en aggregeert en hiermee zal voorzien in een dringende behoefte op het terrein van ICT en het data-management;\n\n- Dat [de B.V.] en [belanghebbende] aanvankelijk geen schriftelijke doch slechts een mondelinge rekening-courantovereenkomst hebben gesloten, maar thans wel een schriftelijke overeenkomst wensen aan te gaan mede met het oog op de toetreding van een of meerdere investeerders bij [de B.V.].\n\n- Dat [de B.V.] via een korte termijn lening wordt gefinancierd door de Rabobank [woonplaats] - [plaats] , welke lening is verstrekt ter overbrugging naar een vervolg financiering en bij welke lening er gebruik wordt gemaakt van een staatsgarantie voor innovatieve bedrijven.\n\n- Dat [de B.V.] voorziet dat zij naast genoemde leningen nog extra financieringsbehoefte behoeft welke behoefte zal moeten worden gevonden door middel van het interesseren van een of meer private investeerders.\n\n- Dat echter thans reeds acute behoefte bestaat aan extra middelen ter realisatie van genoemde ontwikkeling, productie en distributie van de DSI.\n\n- Dat [belanghebbende] aan om die reden aan [de B.V.] een kredietfaciliteit in rekening-courant heeft verstrekt tot een bedrag van maximaal € 650.000 euro (…);\n\n- dat partijen deze rekening-courantverhouding thans schriftelijk wensen vast te leggen;\n\nVerklaren te zijn overeengekomen als volgt:\n\nArtikel 1\n\n[Belanghebbende] verklaart aan [de B.V.] - die dit aanneemt - een krediet in rekening-courant te hebben verstrekt tot een bedrag van € 650.000 euro (…),\n\nArtikel 2\n\nDeze overeenkomst is aangegaan voor een periode van maximaal 20 jaar (…).\n\nArtikel 3\n\nZowel de creditrente (over de saldi ten voordele van de debiteur), alsmede de debetrente (over de saldi ten laste van de debiteur) bedraagt een percentage gelijk aan 8%.\n\nDe rente wordt jaarlijks door [belanghebbende] berekend en geadministreerd op de door [belanghebbende] ter zake van deze overeenkomst aan te houden rekening, hierna te noemen: de rekening.\n\n(…)’.\n\n2.6.. Tot de gedingstukken behoort een door belanghebbende opgesteld overzicht van de rekening-courant van belanghebbende met de houdstermaatschappij en de B.V.. Het overzicht ziet er als volgt uit:\n\n‘Verstrekte assets\u002Flening per jaar\n\nJaar Storting Opname Saldo (excl. rente)\n\n2009 378.898,00 378.898,00\n\n2010 102.626,60 481.524,60\n\n2011 68.783,88 35.500 514.808,48\n\n2012 88.522,73 603,331,21\n\n2013 21.418,07 152.353,46 472.395,82\n\n2014 5.226,13 100,00 477.521,95\n\n2015 0,00 0,00477.521,95\n\n665.475,41 187.953,46\n\n[De houdstermaatschappij]\n\nJaar Mutatie Saldo (excl. rente)\n\nt\u002Fm 2008 -61.579,00\n\n2009 -23.550,00 -85.129,00\n\n2010 41.000,00 -44.129,00\n\n2011 41.000,00 -3.129,00\n\n2012 42.000,00 38.871,00\n\n2013 0,00 38.871,00\n\n2014 0,00 38.871,00\n\n2015 0,0038.871,00\n\n38.871\n\nTotaal516.392,95’.\n\n2.7.. Op [datum 9] 2009 heeft de B.V. een Quick Scan Innovatiekrediet aangevraagd bij [bedrijf 2] (voorheen: [bedrijf 3] ) voor de ontwikkeling van UIP. Bij brief van [datum 10] 2010 is de aanvraag afgewezen omdat er onvoldoende vertrouwen is dat de B.V. het ontwikkelproject en de daarop volgende fase van commercialisatie kan financieren en dat de B.V. een ontwikkelingsproject zowel in technische als in economische zin tot een succes zal kunnen maken. In deze brief wordt erop gewezen dat het project wat betreft de technische inhoud goed binnen de regeling past en dat de ontwikkeling van het product tegemoetkomt aan een door de markt geconstateerd probleem, waarbij de eerdere ontwikkeling van de DSI positief is, en dat [bedrijf 2] daarom open staat voor een nieuwe aanvraag voor een innovatiekrediet op het moment dat de punten op basis waarvan de aanvraag is afgewezen, voldoende zijn aangepast.\n\n2.8.. In [maand 4] 2010 heeft de B.V. een nieuwe investeerder benaderd, [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ). Op [datum 11] 2010 heeft de B.V. met [bedrijf 4] een overeenkomst gesloten. In de overeenkomst is onder meer het volgende vermeld:\n\n‘Overwegingen\n\n1. [De B.V.] is voornemens [bedrijf 4] een recht te geven op het kunnen verkopen van de door haar ontwikkelde en toekomstig te ontwikkelen apparatuur (…)\n\n2. [De B.V.] is voornemens [bedrijf 4] een recht te geven op het verkrijgen van aandelen in haar onderneming.\n\n(…)\n\nkomen als volgt overeen:\n\n1. [bedrijf 4] Leent aan [de B.V.] 10.000 Euro o.b.v. volgende voorwaarden\n\na. Bij investering van [bedrijf 4] in [de B.V.] wordt deze lening omgezet in een onderdeel van de nieuwe lening\n\nb. [De B.V.] geeft een nog niet afleveringsgereed eindproduct, bij haar genoemd DataSource Integrator (DSI) als onderpand. De DSI bestaat uit een hardware component en een software licentie inclusief alle benodigde documentatie. (…) Als dit apparaat afleveringsgereed gemaakt wordt, gaat het pandrecht hierop over.\n\nc. [Belanghebbende] stelt zich persoonlijk garant voor deze lening.\n\n(…)\n\n2. (…)\n\n3. [De B.V.] zal zich voor zijn financieringsbehoefte voor een bedrag tot 1,7 m€ wenden tot [bedrijf 4] .\n\n4. [bedrijf 4] zal hierin voorzien door het verstrekken van een rentedragende lening tot dit bedrag tegen 6% rente. [bedrijf 4] verkrijgt het recht deze lening te converteren in 20-30% van de aandelen.\n\na. [bedrijf 4] zal due diligence uitvoeren op de technologie. (…)’.\n\n2.9.. Tot de gedingstukken behoort een document genaamd ‘[de B.V.]\u002F [datum 3] 2010’ waarin de conceptinvesteringsafspraken zijn opgenomen tussen de houdstermaatschappij, de B.V. en belanghebbende enerzijds en [bedrijf 4] anderzijds (hierna: de investeringsafspraken). In dit document is onder meer het volgende vermeld:\n\n‘Geachte heer [naam 1] , beste [voornaam] ,\n\nNa vele gesprekken en overleg tref je hieronder de concept afspraken aan.\n\nHuidige structuur\n\n(…)\n\n[De B.V.] is op dit moment partieel eigenaar van alle IP, merkenrechten en andere rechten met betrekking tot de DataSource Integrator. De overige rechten worden gehouden door [belanghebbende] en of [de houdstermaatschappij]\n\n(…)\n\nInvesteringsafspraken met [ [bedrijf 4] ]\n\n(…)\n\n2. [bedrijf 4] verstrekt binnen een week na ondertekening van deze overeenkomst een financiering aan [de B.V.] in de vorm van een lening ad Euro 300.000. (…)\n\nDeze lening draagt 6% rente. Deze lening is bedoeld om de periode tot einde van de pilot fase door te komen. Deze lening zal worden afgelost in de volgende financieringsronde.\n\n3. Na het succesvol doorlopen van de pilot fase verstrekt [bedrijf 4] een converteerbare lening van Euro 1.700.000. (…) Deze converteerbare lening ad Euro 1.700.000 in totaal draagt 6% rente en is (pro rata parte) converteerbaar in totaal 25% van de aandelen [de B.V.] na uitgifte.’.\n\nDit document is niet ondertekend en [bedrijf 4] heeft geen aandelen in de B.V. verkregen.\n\n2.10.. Tot de gedingstukken behoort een ‘Akte van overdracht intellectuele eigendomsrechten’, overeengekomen en ondertekend door belanghebbende en de B.V. op [datum 12] 2010 (hierna: de overdrachtsakte). In de akte is onder meer het volgende vermeld:\n\n‘overwegende, dat\n\n [Belanghebbende] eigenaar is van alle ontwerpen, algoritmes en source code met betrekking tot de DataSource Integrator, waarbij de Storage Engine expliciet wordt uitgesloten, hierna aangeduid met “het Werk” en houder is van auteursrechten daarop.\n\n Het Werk tussen partijen bekend is onder de naam DataSource Integrator.\n\n [De B.V.] de auteursrechten betreffende het Werk wenst te verkrijgen.\n\n Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de investeringsafspraken zoals gemaakt met [bedrijf 4] B.V..\n\n Partijen deze verkrijging en aanvullende afspraken schriftelijk wensen vast te leggen, conform artikel 2 lid 3 van de Auteurswet.\n\nkomen als volgt overeen:\n\nArtikel 1 Overdracht van rechten\n\n1. [Belanghebbende] draagt hierbij zijn intellectuele eigendomsrechten in hun meest volledige omvang betreffende DataSource Integrator over aan [de B.V.], welke overdracht [de B.V.] aanvaardt.\n\n(…)\n\n5.Voor zover een of meer rechten zoals hierboven bedoeld niet overdraagbaar zijn of niet rechtsgeldig overgedragen zijn krachtens bovenstaande, verleent [belanghebbende] hierbij [de B.V.] een eeuwigdurende, onbeperkte, overdraagbare en exclusieve licentie tot exploitatie van het Werk. Voorts zullen partijen dan alles in het werk stellen om alsnog een rechtsgeldige overdracht van deze rechten te realiseren.\n\n(…)\n\nArtikel 3 Vergoeding voor overdracht\n\n1. Als volledige vergoeding voor de in artikel 1 en 2 overgedragen rechten, licenties en aanspraken zal [de B.V.] aan [belanghebbende] een eenmalige vergoeding van € 400.000 (exclusief BTW) betalen.\n\n2. Deze vergoeding zal worden voldaan conform het budgetplan.\n\n3. Na betaling van het bedrag heeft [belanghebbende] geen recht meer op enige vergoeding in verband met exploitatie of gebruik van het Werk op welke wijze dan ook, behoudens dwingendrechtelijke bepalingen die anderszins bepalen omtrent de vergoeding.’\n\n2.11.. In mei 2010 heeft de Rabobank een aanvraag voor een krediet afgewezen. Later die maand is contact gezocht met Deutsche Bank.\n\n2.12.. Tot de gedingstukken behoort een e-mailbericht van [datum 4] 2010 van [naam 2] van [bedrijf 5] - de eerste investeringsmaatschappij in de B.V. - dat het volgende voorstel bevat:\n\n‘(…)\n\n9. Op eerste verzoek van [bedrijf 6] worden er zekerheden gesteld (verpanding IP, welke vermogensbestanddelen niet zullen worden aangewend tot het geven van zekerheid aan derden)\n\n10. [bedrijf 6] krijgt het recht om na volledige aflossing 6% van de alsdan uitstaande aandelen van [de B.V.] te verwerven tegen nominaal waarbij [bedrijf 6] een meeverkooprecht krijgt als andere aandeelhouders aandelen verkopen en tevens wordt afgesproken dat uitsluiting of beperking van voorkeursrechten wordt uitgesloten. Dit ter compensatie van de lage rente, niet nakomen van de afgesproken verplichtingen alsmede de enorme vertraging in ontwikkeling en omzet t.o.v. eerder door jou gehanteerde uitgangspunten. Wij gaan er overigens vanuit dat alle IP inmiddels is ingebracht in [de B.V.].’\n\n2.13.. In [maand 1] 2010 is de B.V. een pilot gestart voor de DSI. In 2011 is de B.V. hiermee doorgegaan. Uit de door belanghebbende overgelegde stukken volgt een (voor het eerst) door de B.V. in 2011 behaalde omzet van € 86.914.\n\n2.14.. In [maand 1] 2010\u002F [maand 2] 2011 heeft [bedrijf 4] een lening van [bedrijf 6] B.V. en een deel van de leningen van de Rabobank afgelost. Vervolgens is [bedrijf 4] haar toezeggingen niet verder nagekomen.\n\n2.15.. In [maand 5] 2013 heeft de Rabobank het restant van de leningen opgezegd. In de brief van [datum 13] 2013 is onder meer het volgende vermeld:\n\n‘Onze bank verstrekte aan [de houdstermaatschappij] en [de B.V.] een financiering die als volgt kan worden gespecificeerd:\n\na. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. [datum 2] -2008 een lening tot een bedrag van € 100.000,--, leningnummer [leningnummer 1]\n\nb. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. [datum 2] -2008 een lening tot een bedrag van € 25.000,--, leningnummer [leningnummer 2]\n\nc. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. [datum 2] -2008 een krediet in rekeningcourant tot een bedrag van € 125.000.--, geadministreerd op rekeningnummer [rekeningnummer 1]\n\nd. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. [datum 1] -2005 een lening (Innovatiekrediet) tot een bedrag van € 22.500,--, geadministreerd op rekeningnummer [rekeningnummer 2]\n\nDe huidige kredietlimiet bedraagt € nihil.\n\nDe zekerheid voor de bank bestaat uit:\n\n- een borgtocht ten bedrage van € 125.000,-- blijkens akte d.d. [datum 14] -2008 gesteld door [belanghebbende]\n\n- garantie van de Staat der Nederlanden uit hoofde van een Starters-Borgstellingskrediet met betrekking tot de hiervoor vermelde lening onder nummer [leningnummer 1] .\n\nMet betrekking tot de verstrekte financiering en de zekerheden verwijzen wij naar de destijds getekende overeenkomsten en de daarop toepasselijke voorwaarden.\n\nUw onderneming bevindt zich al geruime tijd in financiële problemen. Doordat gedurende een aantal jaren forse verliezen zijn geleden is er inmiddels sprake van een aanzienlijk negatief eigen vermogen. De financiële verplichtingen aan onze bank kunnen niet meer worden nagekomen. Maatregelen om het tij te keren hebben niet tot het gewenste resultaat geleid.\n\nU heeft besloten over te gaan tot beëindiging van uw bedrijfsactiviteiten.\n\nOmdat daarmee de grondslag voor de door onze bank verstrekte bedrijfsfinanciering komt te vervallen vormt dit voor onze bank reden om tot opzegging van de financiering over te gaan.\n\nOp grond van het bovenstaande zeggen wij dan ook de verstrekte financiering op met een opzegtermijn van twee weken en sommeren wij u om uiterlijk op [datum 15] -2013 aan onze bank te voldoen al hetgeen wij op dat moment van u te vorderen zullen hebben.\n\nMomenteel kan uw schuld als volgt worden gespecificeerd:\n\n(…)\n\ntotaal te voldoen € 91.663,12\n\nte vermeerderen met de vooralsnog p.m. gestelde posten\n\nMocht u aan deze sommatie geen of geen tijdig gevolg geven, dan zal tot uitwinning van de zekerheden worden overgegaan. Dit zal name betekenen dat overgegaan wordt tot het declareren van de Staatsgegarandeerde lening en uitwinning van de door [belanghebbende] gestelde akte van borgtocht.\n\nOp korte termijn zal door u in een uitgebreide toelichting worden aangegeven waarom het project, op basis waarvan de bank u een lening\u002F innovatiekrediet heeft verstrekt, niet is geslaagd.\n\nVoorts ontvangt de bank een door uw advocaat opgestelde brief ten behoeve van de Staat der Nederlanden, welke zich borg heeft gesteld voor de lening onder nummer [leningnummer 1] .’.\n\n2.16.. Belanghebbende heeft aangifte IB\u002FPVV 2015 gedaan naar een verlies uit werk en woning van € 351.720, bestaande uit de volgende bestanddelen:\n\nBelastbare winst € 115.975\n\nResultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen -\u002F- € 454.426\n\nNegatieve inkomsten uit eigen woning -\u002F- € 13.269\n\nBelastbaar inkomen uit werk en woning -\u002F- € 351.7202.17.. De aanslag IB\u002FPVV 2015 is met dagtekening 15 maart 2019 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 102.706. Daarbij is het in de aangifte opgenomen negatieve resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen (hierna: TBS-verlies) niet in aanmerking genomen.\n\n2.18.. Bij beschikking van 15 januari 2020 is de aanslag IB\u002FPVV 2015, als gevolg van de verrekening van een verlies uit werk en woning uit 2017, verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van (€ 102.706 - € 11.551 =) € 91.155.\n\n2.19.. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en in verband met overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 200 en de minister voor Rechtsbescherming van € 1.300, de inspecteur veroordeeld in de kosten van beroep tot een bedrag van € 391,40 en de minister voor Rechtsbescherming eveneens tot een bedrag van € 391,40 en de inspecteur en de minister voor Rechtsbescherming gelast tot vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht van ieder de helft, zijnde € 24.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. In geschil is of het TBS-verlies aftrekbaar is. Meer in het bijzonder betreft het geschil het antwoord op de volgende vragen:\n\nHeeft belanghebbende een vordering op de B.V. uit hoofde van de overdracht van software die belanghebbende in privé heeft ontwikkeld?\n\nIndien software in privé is ontwikkeld en deze is overgedragen aan de B.V.: bedraagt de waarde van deze rechten € 400.000?\n\nMag belanghebbende zijn vordering in rekening-courant op de B.V. en de houdstermaatschappij afwaarderen? Meer in het bijzonder is in geschil of de vordering moet worden aangemerkt als een onzakelijke lening.\n\n3.2.. Niet in geschil is dat de restaurantuitgaven ten bedrage van € 11.393 niet zakelijk zijn.\n\n3.3.. Belanghebbende concludeert, naar het hof begrijpt, tot vaststelling van een verlies uit werk en woning van € 341.694 (namelijk € 351.720 - (€ 11.393 – 12%).\n\n3.4.. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nVooraf\n\n4.1.. Belanghebbende stelt dat het erop lijkt dat de rechtbank een oordeel heeft gegeven, zonder zelf te beschikken over voldoende technische kennis op het gebied van de ontwikkeling van software waarmee de DSI werd ontwikkeld. Belanghebbende verzoekt in zijn hogerberoepschrift het hof daarom een deskundige te benoemen.\n\n4.2.. De rechter kan in beginsel volstaan met de mededeling dat hij gelegenheid biedt tot het meebrengen of oproepen van een deskundige, bijvoorbeeld door de belanghebbende in de uitnodigingsbrief voor het onderzoek ter zitting te wijzen op die mogelijkheid. Op 22 februari 2024 is aan partijen een digitaal bericht verzonden met daarin de uitnodiging voor de zitting op 16 mei 2024. Dit bericht bevat een zodanige mededeling. Het hof is niet gebleken van omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat aan belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij heeft nagelaten een deskundige mee te nemen of op te roepen.\n\n4.3.. De bepaling dat het hof partijen in de uitnodiging voor het onderzoek op de zitting moet wijzen op de mogelijkheid deskundigen op te roepen is (mede) in het leven geroepen met het oog op een efficiënte procesgang. Nu belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid een deskundige mee te brengen naar of op te roepen voor het onderzoek op de zitting van 16 mei 2024, en belanghebbende zelf dus geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat deze perso(o)n(en) in de hoedanigheid van deskundige(n) op de zitting aanwezig zouden zijn wijst het hof het verzoek om deskundigen op te roepen en als deskundige te doen horen af.\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.4.. Belanghebbende stelt dat hij een TBS-verlies heeft geleden, ten gevolge van een afwaardering van een vordering in rekening-courant van hem op de B.V. en de houdstermaatschappij.\n\n4.5.. De inspecteur betoogt dat het TBS-verlies in het geheel niet aftrekbaar is. Volgens hem heeft belanghebbende geen vordering op de B.V. uit hoofde van de overdracht van software, omdat niet belanghebbende maar de B.V. de software heeft ontwikkeld, er dus geen software is overgedragen van belanghebbende naar de B.V. en de koopsom dus non-existent is (vraag a). Voor het geval het hof van oordeel is dat die vordering wel bestaat, betwist de inspecteur de waarde van die vordering (vraag b). Ten slotte betoogt de inspecteur dat de geldlening in rekening-courant onzakelijk is (vraag c).\n\nVraag a\n\n4.6.. Op belanghebbende rust de bewijslast aannemelijk te maken dat hij uit hoofde van overdracht van software die belanghebbende stelt in privé te hebben ontwikkeld een vordering heeft op de B.V.\n\n4.7.. Ter onderbouwing van de stelling dat belanghebbende in privé software heeft ontwikkeld, heeft belanghebbende aangevoerd dat de B.V. en belanghebbende ter verkrijging van een financiering van [bedrijf 4] verplicht waren om in te stemmen met de overdracht van de door belanghebbende ontwikkelde software aan de B.V.. Uiteindelijk zijn de houdstermaatschappij, de B.V. en belanghebbende enerzijds en [bedrijf 4] anderzijds op [datum 7] 2010 in dit kader investeringsafspraken overeengekomen. Uit de tekst onder het kopje “Huidige structuur” van het document “[de B.V.]\u002F [datum 3] 2010” (zie 2.9) blijkt volgens belanghebbende dat de B.V. slechts partieel eigenaar was van alle IP-rechten en merkenrechten en dat de overige rechten werden gehouden door belanghebbende in privé en\u002Fof de houdstermaatschappij. Op [datum 12] 2010 zijn belanghebbende en de B.V. overeengekomen dat de intellectuele eigendomsrechten betreffende de DSI worden overgedragen door belanghebbende aan de B.V. (zie 2.10). Verder heeft belanghebbende twee verklaringen van [naam 3] en een e-mail van [naam 2] van [bedrijf 5] aan belanghebbende met dagtekening [datum 4] 2010 (zie 2.12) overgelegd. Uit deze stukken blijkt volgens belanghebbende dat hij in privé beschikte over de eigendom van de betreffende software en dat de eigendom daarvan is overgedragen aan de B.V..\n\n4.8.. De inspecteur betwist dat belanghebbende de software in privé heeft ontwikkeld. Hij wijst erop dat de investeringsafspraken (zie 2.9) niet zijn ondertekend en dat het document niet bewijst dat belanghebbende in privé software heeft ontwikkeld, evenmin wanneer hij dat zou hebben gedaan, welke software het precies betreft en wat die waard zou zijn of voor welke prijs de genoemde overdracht in dat geval zou moeten plaatsvinden. Verder stelt de inspecteur dat in de aangiften IB\u002FPVV 2009 tot en met 2014 geen melding is gemaakt van een vordering op de B.V. of een daarmee corresponderende renteopbrengst. Ook wijst de inspecteur erop dat uit het in 2.6 bedoelde overzicht blijkt dat in 2009 al een schuld van € 400.000 in rekening-courant is geboekt en dat de B.V. niet afschrijft op eigendomsrechten. Bovendien is in een financieringsaanvraag van juli 2010 geen schuld van de B.V. aan belanghebbende vermeld. De inspecteur stelt verder dat er geen bewijs is voor de door belanghebbende overgelegde verklaringen van [naam 3] .\n\n4.9.. Dat de B.V. de software zelf moet hebben ontwikkeld, leidt de inspecteur af uit de in de rekening-courantovereenkomst vermelde doelstelling van de B.V. (zie 2.5), uit het feit dat de DSI in de in 2.8 bedoelde overeenkomst is omschreven als een combinatie van hardware en software, die onlosmakelijk zijn en uit het feit dat belanghebbende in dienstbetrekking is bij de B.V., zodat op grond van artikel 7 Auteurswet de B.V. de rechthebbende tot de software is.\n\n4.10.. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur, onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende de rechten op de software in privé heeft ontwikkeld en evenmin dat hij deze vervolgens heeft overgedragen aan de B.V. tegen schuldigerkenning van de koopprijs in rekening-courant voor een bedrag van € 400.000.\n\nVraag b\n\n4.11.. Nu het hof niet aannemelijk acht dat belanghebbende uit hoofde van de overdracht van in privé ontwikkelde software een vordering heeft op de B.V., behoeft vraag b geen beantwoording.\n\nVraag c\n\n4.12.. Belanghebbende heeft in de aangifte een TBS-verlies van € 454.426 in aanmerking genomen, zijnde de afwaardering van een vordering van belanghebbende op de B.V. ten bedrage van, in totaal, € 516.393 verminderd met de terbeschikkingsvrijstelling van € 61.967 (zie 2.16). Het hof constateert dat het bedrag van € 516.393 overeenstemt met het in 2.6 opgenomen rekening-courantoverzicht.Na eliminatie van de restaurantuitgaven (€ 11.393; zie 3.2) en de door belanghebbende in aanmerking genomen vordering uit hoofde van de overdracht van software (€ 400.000; zie 4.10), resteert een vordering in rekening-courant van € 105.000. Het hof merkt hierbij op dat tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende de vordering uit hoofde van de overdracht van software in aanmerking heeft genomen voor € 400.000, in weerwil van het in het in 2.6 opgenomen overzicht vermelde bedrag van € 378.898. Het hof zal voor de vordering in rekening-courant ten bedrage van € 105.000 beoordelen of sprake is van een onzakelijke lening.\n\n4.13.. Voor de beantwoording van de vraag of een geldverstrekking door een aandeelhouder aan zijn vennootschap voor wat betreft de fiscale gevolgen als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, is in beginsel de civielrechtelijke vorm beslissend. Deze regel lijdt uitzondering indien sprake is van een schijnlening, deelnemerschapslening of bodemlozeputlening. Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering van belanghebbende op de B.V. en de houdstermaatschappij niet is aan te merken als een zodanige lening. Niet in geschil is dat sprake is van een geldlening, dat de vordering van belanghebbende onder de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92 Wet IB 2001 valt en dat het resultaat van die vordering dient te worden bepaald overeenkomstig het winstregime (artikel 3.94 en 3.95 Wet IB 2001).\n\n4.14.. De Hoge Raadheeft ter zake van geldleningen tussen gelieerde partijen het volgende geoordeeld:\n\n“3.3.2. Ingeval bij een geldlening tussen gelieerde partijen de rente niet in overeenstemming met het “at arm’s length” beginsel is vastgesteld, zal voor de fiscale winstberekening moeten worden uitgegaan van een rente die wel aan dit criterium voldoet. Daarbij zal - behoudens het rentepercentage - uitgegaan moeten worden van hetgeen partijen zijn overeengekomen (zoals met betrekking tot zekerheden en de looptijd van de lening). Met dat uitgangspunt strookt niet dat de rente zodanig wordt aangepast dat de geldlening in wezen winstdelend zou worden. Dan zou het karakter van hetgeen partijen zijn overeengekomen worden aangetast.3.3.3.. Indien met inachtneming van het hiervoor in 3.3.2 overwogene geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken aan de met de vennootschap gelieerde partij, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, moet worden verondersteld dat bij die verstrekking door de vennootschap een debiteurenrisico wordt gelopen dat deze derde niet zou hebben genomen. Alsdan moet - behoudens bijzondere omstandigheden - ervan worden uitgegaan dat de betrokken vennootschap dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de met haar gelieerde vennootschap in de hoedanigheid van aandeelhouder dan wel dochtervennootschap te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening niet op de winst van de vennootschap in mindering kan worden gebracht (…). Hierna zal een zodanige lening worden aangeduid als een onzakelijke lening.\n\nGelet op het hiervoor overwogene en mede om redenen van eenvoud kan als vuistregel worden gehanteerd dat de rente op de onzakelijke lening wordt gesteld op de rente die de gelieerde vennootschap zou moeten vergoeden indien zij met een borgstelling van de concernvennootschap onder overigens gelijke voorwaarden van een derde zou lenen. Aldus wordt tevens voorkomen dat er met betrekking tot de rentelast verschil ontstaat in het resultaat van de gelieerde vennootschap al naar gelang onder borgstelling van een derde wordt geleend, of rechtstreeks van de concernvennootschap.3.3.5.. Of sprake is van een onzakelijke lening dient te worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur vervolgens alsnog een onzakelijke lening kan worden. Anders dan in de literatuur die naar aanleiding van het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad met nummer [nummer] is verschenen wel is aangenomen, moet voor de lening als geheel worden beoordeeld of sprake is van een onzakelijke lening. Uitgangspunt voor de fiscale winstberekening vormt hetgeen partijen zijn overeengekomen en bij één overeenkomst is sprake van één debiteurenrisico. Zoals een borgstelling voor een lening die door een derde aan een gelieerde vennootschap is verstrekt in zijn geheel al dan niet in de kapitaalsfeer ligt, heeft hetzelfde te gelden voor het debiteurenrisico van een onzakelijke lening.”.\n\nVorenstaande oordelen gelden ook in de relatie van een aandeelhouder-natuurlijk persoon en zijn vennootschap.\n\n4.15.. Op de inspecteur rust de last aannemelijk te maken dat de vordering in rekening-courant ten bedrage van € 105.000 moet worden gekwalificeerd als een onzakelijke lening.\n\n4.16.. De inspecteur heeft in dat kader het volgende gesteld. Belanghebbende heeft geen zekerheden bedongen. Gelet op haar vermogenspositie, had de B.V. ook geen zekerheden kunnen verstrekken. Ook heeft belanghebbende geen invorderingsmaatregelen getroffen. De winstreserve van de B.V. is sinds de oprichting negatief en het eigen vermogen per [datum 6] 2009 is negatief, zodat het (kunnen) voldoen van de aflossingen en rente op de in 2009 aangegane rekening-courantovereenkomst geheel afhankelijk is van de toekomstige winst van de B.V.. De B.V. heeft sinds de oprichting tot 2011 geen omzet behaald en de B.V. heeft voor het eerst in 2013 een positief resultaat behaald. Bovendien zijn externe financieringen niet tot stand gekomen. De B.V. heeft weliswaar aflossingen gedaan, maar er is geen rente betaald, terwijl de betaling van rente vóór het aflossen zou moeten gaan. Er waren geen externe financiers te vinden zonder dat zij een in aandelen converteerbare lening verstrekten en dientengevolge aandeelhouder konden worden, zoals belanghebbende zelf tijdens het hoorgesprek heeft verklaard. De Rabobank wilde in 2009 en 2010 geen nieuwe leningen verstrekken (zie 2.4). Het Agentschap NL heeft in [maand 4] 2010 de subsidieaanvraag afgewezen. [bedrijf 4] heeft een lening verstrekt ten bedrage van € 10.000, die feitelijk kwalificeert als een investering, omdat [bedrijf 4] zicht krijgt op een recht op een belang in aandelen (zie 2.8). Gelet hierop is er volgens de inspecteur geen winstonafhankelijke vergoeding te bepalen waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest om de geldleningen te verstrekken aan de B.V. en de houdstermaatschappij.\n\n4.17.. Belanghebbende betoogt dat de geldlening zakelijk is, omdat bij het aangaan van die lening geen enkele reden was om aan te nemen dat die leningen niet zouden worden terugbetaald. Volgens belanghebbende moet rekening worden gehouden met het feit dat sprake is van een technische startup en van aanloopverliezen en heeft de kredietcrisis de B.V. parten gespeeld. Verder stelt belanghebbende dat het Agentschap NL de subsidieaanvraag heeft afgewezen omdat er (nog) geen financieringsdriehoek aanwezig was en niet omdat de onderneming van de B.V. te riskant zou zijn. Belanghebbende wijst erop dat onafhankelijke derden, namelijk [bedrijf 6] B.V. en [bedrijf 4] wel degelijk leningen aan de B.V. hebben verstrekt.\n\n4.18.. Het hof is van oordeel dat de inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, aannemelijk heeft gemaakt dat de rekening-courant vordering van belanghebbende in ieder geval in 2015 onzakelijk is geworden. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende na de afwijzing van de subsidieaanvraag door Agentschap NL een hernieuwde aanvraag heeft ingediend. Dat de kredietcrisis parten heeft gespeeld, is door de inspecteur gemotiveerd weersproken. Ten aanzien van de door [bedrijf 4] verstrekte lening acht het hof aannemelijk dat [bedrijf 4] dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de B.V. in de hoedanigheid van toekomstig aandeelhouder te dienen. Daar doet niet aan af dat [bedrijf 4] uiteindelijk geen aandeelhouder is geworden.\n\n4.19.. Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat een onafhankelijke derde, zonder aandelenbelang in de houdstermaatschappij en de B.V., de aan de geldleningen inherente risico’s niet zou hebben aanvaard zonder daarvoor een winstafhankelijke beloning te ontvangen. Belanghebbende heeft als geldverstrekker, zie een overzicht van de stortingen in 2.6, een negatief ondernemersrisico aanvaard. Hij liep immers voor het bedrag van de geldleningen het negatieve kredietrisico ter zake van de financiering, dat zich manifesteert als positieve toekomstverwachtingen niet uitkomen, terwijl hij niet over zekerheden beschikte. Het valt niet in te zien dat een willekeurige derde hetzelfde risico zou aanvaarden zonder de kans op (meedelen in) het positieve ondernemersrisico, ofwel zonder winstdeling. Dat laatste blijkt ook uit de voorwaarden die derden zoals de Rabobank en [bedrijf 4] hebben gesteld, bij het verstrekken van de gelden. Omdat belanghebbende de geldleningen als aandeelhouder als zodanig is aangegaan, is het TBS-verlies niet aftrekbaar.\n\nTussenconclusie\n\n4.20.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.21.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.22.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door I. Reijngoud, voorzitter, P. Fortuin en J. Wessels, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2024 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe uitspraak is in plaats van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer, omdat de voorzitter is verhinderd te ondertekenen.\n\nDe griffier, De oudste raadsheer,\n\nM.M. Stassen-Kanters P. Fortuin\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n € 144.258 (winst uit onderneming) minus € 7.280 (zelfstandigenaftrek) minus € 2.123 (startersaftrek) minus € 18.880 (MKB-winstvrijstelling) = € 115.975.\n\n Afwaardering vorderingen belanghebbende op de houdstermaatschappij en\u002Fof de B.V. van € 516.393 minus de terbeschikkingsstellingsvrijstelling van € 61.967 (12% van € 516.393).\n\n HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:133.\n\n HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1194 en HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786.\n\n Uit het overzicht volgen stortingen door belanghebbende van € 665.475,41 en € 38.871 en opnamen van, in totaal, € 187.953,46.\n\n HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442.\n\n HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8952.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2141","2026-07-13T00:29:18.206Z",{"id":93,"ecli":94,"slug":95,"caseNumber":43,"courtId":70,"decisionDate":96,"fullText":97,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":98,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":50,"updatedAt":99},"946","ECLI:NL:RBZWB:2024:4492","ecli-nl-rbzwb-2024-4492","2024-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 23\u002F1090 tot en met 23\u002F1093, 23\u002F1095, 23\u002F1097, 23\u002F1098 en 23\u002F1100\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2024 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. M.F.P. de Clercq),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 januari 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende (navorderings)aanslagen opgelegd:\n\neen navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) voor het jaar 2014 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.524. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 12.411 en is belastingrente van € 6.206 in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1090);\n\neen navorderingsaanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringwet (Zvw) voor het jaar 2014 naar een bijdrage-inkomen van € 37.351. Daarbij is € 315 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1091);\n\neen aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 108.004. Daarbij is € 405 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1092);\n\neen aanslag Zvw voor het jaar 2015 naar een bijdrage-inkomen van € 37.783. Daarbij is € 2 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1093);\n\neen aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.969 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.576. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 14.349 en is belastingrente in rekening gebracht van € 4.600 (zaaknummer 23\u002F1095);\n\neen aanslag Zvw voor het jaar 2016 naar een maximum bijdrage-inkomen van € 38.214. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 34 (zaaknummer 23\u002F1097);\n\neen aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.883 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.570. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 8.709 en belastingrente in rekening gebracht van € 1.484 (zaaknummer 23\u002F1098);\n\neen aanslag Zvw 2017 naar een maximum bijdrage-inkomen van € 38.947. Daarbij is € 124 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1100).\n\n1.2.. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende voor de jaren 2014 en 2015 ongegrond verklaard. Hij heeft daarbij de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikking voor 2014 en de belastingrentebeschikkingen gehandhaafd.\n\n1.3.. De inspecteur heeft het bezwaar voor het jaar 2016 gegrond verklaard. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning ongewijzigd gelaten en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verlaagd naar € 4.544. De belastingrentebeschikking is verminderd naar € 4.526. De vergrijpboete is in stand gelaten.\n\n1.4.. Het bezwaar voor 2017 is ook gegrond verklaard. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is verlaagd naar € 50.939 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verlaagd naar € 6.909. De vergrijpboete is in zijn geheel vernietigd en de belastingrente is verminderd naar € 830.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld. Daarbij is door de griffier in alle zaaknummers griffierecht geheven. De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenhang zodat in zaaknummers 23\u002F1091, 23\u002F1093, 23\u002F1097 en 23\u002F1100 het griffierecht door de griffier aan belanghebbende moet worden terugbetaald.\n\n1.6.. De rechtbank heeft de beroepen op 14 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en mr. A.F.J.P. Thielemans namens de inspecteur.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de opgelegde (navorderings)aanslagen en de belastingrentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank of de vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. De rechtbank is van oordeel dat de de (navorderings)aanslagen en de belastingrentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. De boetes moeten wel worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende exploiteert gedurende meer dan 40 jaar een autosloperij. Op 11 juli 2017 is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek de woning en het terrein rondom de woning van belanghebbende doorzocht. Daarbij is een bedrag van € 235.715,69 aan contant geld gevonden en sieraden ter waarde van € 29.175. Bij vonnis van 22 juli 2020 van deze rechtbank is belanghebbende vrijgesproken van witwassen.\n\n3.1.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2014 tot en met 2017 aangiften IB\u002FPVV ingediend. Naar aanleiding van de aangetroffen contante gelden heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat deze gelden inkomen vormen en daarom moeten worden aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Hij heeft het totaalbedrag van € 235.715 over vier jaren verdeeld en voor alle vier de jaren het inkomen uit werk en woning verhoogd. Voor de jaren 2016 en 2017 is eveneens het inkomen uit sparen en beleggen gecorrigeerd.\n\n3.2.. \n\nDe bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen voor de jaren 2014 en 2015 zijn ongegrond verklaard. De bezwaren tegen de aanslagen voor de jaren 2016 en 2017 zijn gegrond verklaard. Voor 2016 is het inkomen uit werk en woning in stand gelaten en is het inkomen uit sparen en beleggen verminderd. De vergrijpboete voor 2016 is daarbij abusievelijk niet verminderd. Zoals de inspecteur terecht heeft gesteld dient dit in beroep te worden gecorrigeerd.\n\nVoor het jaar 2017 zijn zowel het inkomen uit werk en woning als het inkomen uit sparen en beleggen verminderd, en is de vergrijpboete in zijn geheel vernietigd.\n\n3.3.. De rechtbank heeft dit cijfermatig samengevat in onderstaande tabel.\n\n€\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nAangegeven belastbaar inkomen box 1\n\n22.177\n\n40.657\n\n31.622\n\n25.209\n\nCorrectie ROW (totaal € 235.715)\n\n67.347\n\n67.347\n\n67.347\n\n33.674\n\nVastgesteld belastbaar inkomen box 1\n\n89.524\n\n108.004\n\n98.969\n\n58.883\n\nAangegeven vermogen box 3\n\n0\n\n0\n\n0\n\n241.889\n\nCorrectie grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n164.402\n\n233.455\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n164.402\n\n475.344\n\nVergrijpboete\n\n12.411\n\ngeen\n\n14.349\n\n8.709\n\nUitspraak op bezwaar\n\nongegrond\n\nongegrond\n\ngegrond\n\ngegrond\n\nBelastbaar inkomen box 1\n\nongewijzigd\n\n50.939\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n113.614\n\n201.451\n\nVergrijpboete\n\nongewijzigd\n\nvernietigd\n\nMotivering\n\nIs de vereiste aangifte gedaan?\n\n4. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’).\n\n4.1.. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte wordt alleen aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.\n\n4.2.. Voor wat betreft de vraag of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan dient eerst de vraag te worden beantwoord of belanghebbende meer inkomsten had dan hij heeft aangegeven. De bewijslast hiervoor rust op de inspecteur.\n\n4.3.. Bij een huiszoeking in 2017 is een contant bedrag van afgerond € 235.715 aangetroffen. Volgens belanghebbende komt een deel van dit bedrag hem niet toe omdat het aan anderen toebehoorde. Belanghebbende heeft echter niet bestreden dat een bedrag van € 180.000 in zijn aangifte opgenomen had moeten worden als inkomen uit sparen en beleggen omdat hij dit naar eigen zeggen over de jaren bij elkaar heeft gespaard. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften wist dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, doordat hij het inkomen niet in zijn aangifte heeft verantwoord. Belanghebbende bestrijdt dit ook niet. Deze gebreken in de aangifte hebben ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook zijn de bedragen van de belasting die als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan.\n\n4.4.. Het voorgaande geldt eveneens voor de aanslagen Zvw.\n\nRedelijke schatting en de verzwaarde bewijslast\n\n4.5.. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de vereiste aangifte IB\u002FPVV\u002FZvw niet heeft gedaan, is er sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. In dat geval heeft een rechter te beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de belastingaanslagen, zoals die luiden na uitspraak op bezwaar, onjuist zijn.\n\n4.6.. De inspecteur heeft zich gebaseerd op concrete gegevens, zoals die blijken uit het onderzoek en heeft als uitgangspunt het daadwerkelijk gevonden bedrag aan contanten als uitgangspunt genomen. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de schatting niet als onredelijk hoog of willekeurig kan worden aangemerkt.\n\n4.7.. Verder is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet heeft doen blijken, ofwel overtuigend heeft aangetoond, dat de aanslagen voor de jaren 2014 tot en met 2017 te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft wel enige verklaring gegeven over de aangetroffen bedragen namelijk dat hij het bedrag gedurende vele jaren bij elkaar heeft gespaard door sober te leven, maar dat is niet voldoende om aan zijn verzwaarde bewijslast te voldoen. De omstandigheid dat de inspecteur geen onderzoek heeft gedaan maakt niet dat de bedragen niet gevolgd kunnen worden.\n\nConclusie\n\n4.8.. Gelet op het vorenstaande zijn de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV\u002FZvw terecht en naar de juiste bedragen opgelegd. Ook de belastingrente is naar het juiste bedrag in rekening gebracht.\n\nZijn de vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen opgelegd?\n\n4.9.. Voor het jaar 2014 en 2016 heeft de inspecteur ingevolge artikel 67e van de AWR in samenhang met het bepaalde in paragraaf 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst vergrijpboetes van 40% opgelegd. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften gedaan.\n\n4.10.. In het verweerschrift heeft de inspecteur opgemerkt dat de boete voor het jaar 2016 abusievelijk niet is verminderd terwijl de aanslag (en dus de boetegrondslag) wel is verminderd. De boete had dienovereenkomstig moeten worden verminderd naar € 14.105. Het beroep met betrekking tot deze boete (zaaknummer 23\u002F1095) is dus sowieso gegrond.\n\n4.11.. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als iemand bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het beboetbare feit zich zal voordoen.\n\n4.12.. De rechtbank is van oordeel dat, nu belanghebbende heeft erkend dat onjuist aangifte is gedaan, reeds sprake is van voorwaardelijke opzet. Gelet hierop heeft de inspecteur de vergrijpboetes terecht opgelegd.\n\n4.13.. Dit neemt niet weg dat de rechtbank moet beoordelen of de boetes passend en geboden zijn. Daarbij moet rekening gehouden worden met de omstandigheid dat de boetegrondslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de boetes te matigen. De rechtbank vermindert de boete voor 2014 naar € 5.000 en de boete voor 2016 naar € 6.000. De rechtbank acht deze boetes passend en geboden.\n\n4.14.. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat de boetes moeten worden verminderd omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken. De redelijke termijn bedraagt als uitgangspunt twee jaar nadat de boete is aangekondigd. In dit geval is op respectievelijk 29 juni 2020 en 1 juli 2020 de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank doet uitspraak op 1 juli 2024. Sinds de aankondiging van de boetes zijn dan afgerond vier jaar en een maand verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met twee jaar en een maand. De boetes worden gematigd met 20%.\n\n4.15.. Dit betekent dat de rechtbank de boetes vermindert naar respectievelijk € 4.000 en € 4.800.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De beroepen met betrekking tot de boetes in zaaknummers 23\u002F1090 en 23\u002F1095 zijn gegrond. De beroepen zijn voor het overige ongegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen.\n\n5.1.. \n\nOmdat de beroepen gegrond zijn, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.\n\nDe inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750. De rechtbank kent de proceskostenvergoeding eenmaal toe omdat sprake is van samenhang. De zaken zijn immers gelijktijdig door de inspecteur en de rechtbank behandeld, waarbij de werkzaamheden van de gemachtigde in beide zaken (nagenoeg) identiek konden zijn. De rechtbank kent geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toe omdat daar in de bezwaarschriften niet om is verzocht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen met betrekking tot de boete IB\u002FPVV 2014 en de boete IB\u002FPVV 2016 in zaaknummers 23\u002F1090 en 23\u002F1095 gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen;\n\n- vermindert de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2014 naar een bedrag van € 4.000;\n\n- vermindert de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 naar een bedrag van € 4.800;\n\n- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;\n\n- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 1.750;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 100 (2x € 50) aan belanghebbende moet vergoeden;\n\n- bepaalt dat de griffier het griffierecht aan belanghebbende terugbetaalt in zaaknummers 23\u002F1091, 23\u002F1093, 23\u002F1097 en 23\u002F1100.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 1 juli 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www. rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nAan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Artikel 27e, eerste lid, van de AWR.\n\n Vgl. onder andere Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083\n\n ECLI:NL:GHSHE:2018:2713","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:4492","2026-07-13T00:28:56.173Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":43,"courtId":104,"decisionDate":105,"fullText":106,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":108,"parsedAt":50,"updatedAt":109},"1891","ECLI:NL:GHDHA:2024:1036","ecli-nl-ghdha-2024-1036",58,"2024-06-04T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-23\u002F420 en BK-23\u002F422 tot en met BK-23\u002F424\n\nUitspraak van 4 juni 2024\n\nin het geding tussen:\n\n [X]te [Z] , [buitenland] , belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordigers: […] en […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 maart 2023, nummers SGR 21\u002F8043, SGR 21\u002F8046, SGR 21\u002F8047 en SGR 21\u002F8049.\n\nProcesverloop\n\n2015\n\n1.1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2015 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil (de navorderingsaanslag 2015).\n\n1.1.2. Bij beschikking van 30 april 2020 heeft de Inspecteur het verlies van het jaar 2015 herzien naar nihil en het bedrag aan te verrekenen verlies per 31 december 2015 vastgesteld op € 14.912.\n\n2016\n\n1.2.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2016 een navorderingsaanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 94.749 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 83.785 (de navorderingsaanslag 2016). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 7.913 aan belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.2. Bij beschikking van 14 mei 2020 heeft de Inspecteur het verlies van het jaar 2016 herzien naar nihil en het bedrag aan te verrekenen verlies per 31 december 2016 vastgesteld op € 14.912.\n\n2017\n\n1.3.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2017 een navorderingsaanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 113.408 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27.535 (de navorderingsaanslag 2017). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 3.963 aan belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.3.2. Bij beschikking van 14 mei 2020 heeft de Inspecteur het verlies van het jaar 2017 herzien naar nihil en het bedrag aan te verrekenen verlies per 31 december 2017 vastgesteld op nihil.\n\n2018\n\n1.4. Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 118.435 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 26.002 (de aanslag 2018). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 2.434 aan belastingrente in rekening gebracht.\n\nAlle jaren\n\n1.5. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de hiervoor in 1.1.1 tot en met 1.4 genoemde belastingaanslagen (hierna ook: de belastingaanslagen) en beschikkingen toegewezen voor wat betreft het inkomen uit sparen en beleggen (jaren 2016 tot en met 2018), de aftrek van studiekosten (jaren 2015 tot en met 2018) en de premie Wet langdurige zorg (Wlz) (jaren 2016 en 2018). Als gevolg hiervan is het bedrag van het te verrekenen verlies in de verliesbeschikkingen voor de jaren 2015 tot en met 2017 op een ander bedrag gesteld; ook de bezwaren tegen deze beschikkingen zijn derhalve gegrond verklaard. Voor het overige zijn de bezwaren afgewezen. De belastingaanslagen zijn als volgt verminderd (en de belastingrente is dienovereenkomstig verminderd):\n\nInkomen uit werk en woning\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\nNavorderingsaanslag 2015\n\n-\n\n-\n\nNavorderingsaanslag 2016\n\n€ 94.149*\n\nnihil\n\nNavorderingsaanslag 2017\n\n€ 112.398\n\nnihil\n\nAanslag 2018\n\n€ 117.509\n\nnihil\n\n* na verliesverrekening\n\n1.6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht van eenmaal € 49 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.7. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 136 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.8. Belanghebbende heeft op 4 april 2024 een nader stuk ingediend. De Inspecteur heeft op 11 april 2024 een nader stuk ingediend.\n\n1.9. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 23 april 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1958. In de onderhavige jaren woonde belanghebbende in Nederland. Op 15 juli 2022 is belanghebbende geëmigreerd naar [buitenland] .\n\n2.2. Belanghebbende staat sinds 1 januari 2007 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven met twee eenmanszaken. De eenmanszaak [eenmanszaak 1] betreft een kleinhandel in fietsen en fietsonderdelen. De eenmanszaak [eenmanszaak 2] betreft onder meer activiteiten op het gebied van edelsmederij, keramiek en schilderkunst (gezamenlijk: de activiteiten).\n\n2.3.1. In verband met de activiteiten heeft belanghebbende in zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2011 tot en met 2018 in totaal € 146.677 negatief als winst uit onderneming aangegeven. De resultaten en kosten luidden van jaar tot jaar als volgt (in de jaren 2011 tot en met 2014 werden de activiteiten aangegeven in één winst- en verliesrekening):\n\nResultaten van de activiteiten\n\nJaar\n\nAangegeven resultaat\n\nAangegeven kosten\n\nSaldo fiscale winstberekening\n\n2011\n\n0\n\n€ 5.000\n\n - € 5.000\n\n2012\n\n0\n\n€ 5.000\n\n - € 5.000\n\n2013\n\n0\n\n€ 5.000\n\n- € 5.000\n\n2014\n\n0\n\n€ 5.000\n\n- € 5.000\n\nResultaten van [eenmanszaak 2]\n\nJaar\n\nAangegeven resultaat\n\nAangegeven kosten\n\nSaldo fiscale winstberekening\n\n2015\n\n0\n\n€ 41.909\n\n- € 41.909\n\n2016\n\n0\n\n€ 9.100\n\n- € 9.100\n\n2017\n\n0\n\n€ 13.950\n\n- € 13.950\n\n2018\n\n0\n\n€ 14.870\n\n- € 14.870\n\nResultaten van [eenmanszaak 1]\n\nJaar\n\nAangegeven resultaat\n\nAangegeven kosten\n\nSaldo fiscale winstberekening\n\n2015\n\n0\n\n0\n\n2016\n\n0\n\n€ 10.340\n\n- € 10.340\n\n2017\n\n0\n\n€ 25.303\n\n- € 25.303\n\n2018\n\n0\n\n€ 11.205\n\n- € 11.205\n\n2.3.2. In de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2019 tot en met 2021 heeft belanghebbende geen winst uit onderneming opgenomen, maar resultaat uit overige werkzaamheden. Het aangegeven resultaat met betrekking tot de activiteiten is in deze jaren als volgt:\n\nJaar\n\nAangegeven opbrengsten\n\nAangegeven kosten\n\nSaldo resultaat\n\n2019\n\n€ 204\n\n€ 30.143\n\n- € 29.939\n\n2020\n\n€ 18.491\n\n€ 96.535\n\n- € 78.044\n\n2021\n\n€ 71.025\n\n€ 154.097\n\n- € 83.072\n\n2.4. Belanghebbende is op 1 april 1990 in dienst getreden van het Europees Octrooibureau (EOB). Het EOB is onderdeel van de Europese Octrooi Organisatie (EOO).\n\n2.5. Nadat belanghebbende in 2011 ziek is geworden, ontving hij per 1 juli 2011 een zogenoemde ‘invalidity allowance’ van het EOB. Met ingang van 1 januari 2016 ontving belanghebbende een zogenoemd ‘retirement pension for health reasons’ (RPHR). De uitkeringen uit het RPHR bedroegen respectievelijk € 110.245 (2016), € 113.994 (2017) en € 118.435 (2018).\n\n2.6. Het RPHR is gebaseerd op het besluit van de Raad van Bestuur van het EOB van 26 maart 2015 (CA\u002FD 2\u002F15), waarin onder meer het volgende is opgenomen:\n\n“I. Amendments to the Service Regulations\n\n(…)\n\nArticle 3\n\nArticle 42(1) of the Service Regulations shall read as follows:\n\n\"(1) A permanent employee may be assigned to non-active status as follows:\n\n(a) on secondment;\n\n(b) to fulfil his obligations regarding military service or comparable service;\n\n(c) for reasons of parental leave;\n\n(d) for reasons of family leave;\n\n(e) on personal grounds.\"\n\n(…)\n\nArticle 8\n\nThe following new Article 62b of the Service Regulations shall be inserted:\n\n\"Article 62b\n\nIncapacity\n\n(1) If a permanent employee has reached the applicable maximum period of sick leave set forth in Article 62a, paragraph 7(b), a medical opinion shall be sought to determine whether he fulfils the condition of incapacity: being partially or totally unable to perform his duties or similar other duties which might reasonably be assigned to him, i.e. which correspond to his situation, his knowledge and his capabilities.\n\nIn such case, he shall be partially or totally discharged from performing his duties by decision of the President of the Office.\n\nThe proportion and period of time of such discharge from duties shall follow the medical opinion. In case of partial incapacity, any discharge from duties shall not exceed 80% of the normal working time. The minimum degree of incapacity for a total discharge from duties shall be 70%.\n\n(…)\n\nVI. Amendments to the Pension Scheme Regulations\n\n(…)\n\nArticle 35\n\nThe following new Article 13 of the Pension Scheme Regulations shall be inserted:\n\n\"Article 13\n\nConditions of entitlement\n\n(1) A retirement pension for health reasons shall be payable to an employee who is under the age limit laid down in Article 54, paragraph 1(a) of the Service Regulations and who, at any time during the period in which pension rights are accruing to him, has reached 55 years of age and has been totally discharged from his duties for reasons of incapacity as defined in Article 62b of the Service Regulations for ten years.\n\n(2) The employee shall be retired on the first day of the month following that in which he fulfilled the conditions laid down in paragraph 1.\"\n\n(…)\n\nVIII. Amendments to the New Pension Scheme Regulations\n\n(…)\n\nArticle 54\n\nThe following new Article 12a of the New Pension Scheme Regulations shall be inserted:\n\n\"Article 12a\n\nConditions of entitlement\n\n(1) A retirement pension for health reasons shall be payable to an employee who is under the age limit laid down in Article 54 paragraph 1 letter a of the Service Regulations and who, at any time during the period in which pension rights are accruing to him, has reached 55 years of age and has been totally discharged from his duties for reasons of incapacity as defined in Article 62b of the Service Regulations for ten years.\n\n(2) The employee shall be retired on the first day of the month following that in which he fulfilled the conditions laid down in paragraph 1.\"\n\n(…)\n\nXI. Entry into force and transitional measures\n\n(…)\n\nArticle 72\n\n(1) Until 31 December 2015, the rights and obligations of a recipient of an invalidity allowance on 31 March 2015 shall continue to be governed by the provisions in force on 31 March 2015.\n\n(2) As from 1 January 2016, he shall cease to receive an invalidity allowance and shall instead be granted a retirement pension for health reasons, increased by a compensatory payment as follows:\n\n(a) His pension shall be calculated as set forth in Article 14 of the Pension Scheme Regulations or, where applicable, Article 12b of the New Pension Scheme Regulations, as amended by the present decision.\n\n(b) The level of his pension shall be increased by a compensatory payment, calculated as follows:\n\n(i) until the last day of the month during which the employee reaches the age of 65 years, the compensatory payment shall cover the difference up to the level of invalidity benefits he was entitled to on 31 December 2015;\n\n(ii) from the first day of the month following that during which the employee reaches the age of 65 years, the compensatory payment shall cover the difference up to the theoretical level of his retirement pension calculated under Chapter II, Section 1 of the Pension Scheme Regulations.\n\nFor the latter calculation, the period of time between 1 January 2016 and the last day of the month in which he reaches the age of 65 years shall count for full reckonable years.\n\n(c) Notwithstanding the above, employees in receipt of an invalidity pension until 31 December 2007 shall continue to benefit from the guarantee adopted by the Administrative Council in Article 29 of CA\u002FD 30\u002F07 and confirmed in CA\u002FD 15\u002F12.\n\n(3) As from 1 January 2016, gainful activities or employment shall no longer be allowed.\n\n(4) Recipients of an invalidity allowance shall be allowed, upon provision of evidence, to claim for reimbursement of the national income tax paid and attributable to their invalidity allowance. Any advance payment already made shall be offset against such final reimbursement. The detailed conditions and procedure therefor shall be established by the President of the Office.\n\n(5) Where applicable, and in case of national taxation of the pension calculated under paragraph 2, the employee may claim the tax adjustment set forth in Article 42 of the Pension Scheme Regulations and in the Implementing Rules thereto.”\n\n2.7. Volgens een afschrift uit de Protocollaire Basisadministratie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 22 augustus 2019 was belanghebbende van 1 april 1990 tot en met 1 januari 2016 in dienst bij het EOB.\n\n2.8. Belanghebbende heeft bij het EOB bezwaar aangetekend tegen zijn interne statuswijziging van ‘permanent staff on inactive status’ naar ‘pensioner for health reasons’ per 1 januari 2016. Tegen de afwijzing van zijn bezwaar heeft hij beroep ingesteld bij het Administrative Tribunal of the International Labour Organization (ATILO) in Genève.\n\n2.9. Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 een negatief resultaat aangegeven met betrekking tot de activiteiten (zie 2.3.1). In deze aangiften is het RPHR niet opgenomen als inkomen.\n\n2.10. De Inspecteur heeft de definitieve aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2015, 2016 en 2017 vastgesteld conform de door belanghebbende ingediende aangiften naar een verlies uit werk en woning van respectievelijk € 36.042 (2015), € 19.464 (2016) en € 33.758 (2017).\n\n2.11. De Inspecteur heeft bij belanghebbende in 2019 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 tot en met 2018.\n\n2.12. Bij brief van 12 november 2019 heeft de Inspecteur belanghebbende als volgt bericht:\n\n“Betreft: Stukken boekenonderzoek aanleveren\u002Fbelastingplicht\n\n(…)\n\nStukken boekenonderzoek:\n\nIk heb u herhaaldelijk, mondeling, schriftelijk en per e-mail, om alle stukken voor het lopende onderzoek gevraagd. U heeft achteraf opgemaakte btw-overzichten vanuit de bank naar Word over 2016 tot en met 2018 en achteraf opgemaakte inkoopkosten overzichten vanuit de bank naar Word van 2017 en 2018 ingeleverd. Onderbouwd door een beperkt aantal kostenfacturen (10 stuks, 2014-2018). De overzichten roepen vragen op, die alleen met nadere onderbouwing door middel van bewijsstukken beantwoord kunnen worden.\n\nHet overgelegde is bij lange na niet wat er gevraagd is. Daarom stel ik u nog eenmaal in de gelegenheid om allegegevens te verstrekken,uiterlijk 22 november 2019.\n\nIngevolge artikel 47 en 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen bent u gehouden deze gegevens te verstrekken.\n\nZie onderaan deze brief voor een opsomming van de gevraagde gegevens. Indien u geen of niet alle gevraagde gegevens verstrekt zal ik het onderzoek afdoen met de dan voorhanden gegevens.\n\nBelastingplicht:\n\nU heeft gewerkt voor het Europees Octrooibureau (EOB). Medewerkers van het EOB zijn vrijgesteld van bepaalde belastingen. U bent eind 2011 ziek geworden en krijgt vanaf april 2012 een (invaliditeits)pensioen. Uit de door uzelf overgelegde verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat u per 1 januari 2016 geen medewerker meer bent van het EOB. Dat betekend dat u per 1 januari 2016 volledig belastingplichtig bent in Nederland.\n\nNaar aanleiding van het besluit van de Raad van Bestuur van het EOB op 26 maart 2015 is het invaliditeitspensioen vanaf 1 januari 2016 belast in Nederland. Voor deze belastingheffing krijgt u van het EOB een partiele compensatie uitbetaald. Daarom is uw pensioen en bijvoorbeeld box 3 (vermogensrendementsheffing) vanaf 1 januari 2016 belast in Nederland.\n\n(…)”\n\n2.13. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 2 april 2020 (het rapport). In het rapport zijn onder meer de volgende passages opgenomen:\n\n“1 Algemeen\n\n1.1 Reikwijdte van onderzoek\n\nOnderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften:\n\n- inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2014 tot en met 2018;\n\n- omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2018.\n\nHet onderzoek is uitgebreid met de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2019 tot en 30 september 2019.\n\nOp 12 november 2019 is een schriftelijke bevestiging van de uitbreiding verstuurd.\n\nHet onderzoek is verder uitgebreid met de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en 31 december 2019.\n\nOp 11 februari 2020 is een schriftelijke bevestiging van de uitbreiding verstuurd.\n\n(…)\n\n1.2 Samenvattend oordeel\n\nDe aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2014 tot en met 2018 worden gecorrigeerd. De aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019 worden gecorrigeerd.\n\n(…)\n\n1.3 Verloop van het onderzoek\n\nDatum vooraankondiging: 08 mei 2019\n\nDatum aankondiging: 30 september 2019\n\nEerste dag ter plaatse: 09 oktober 2019\n\nDatum slotgesprek: 01 april 2020\n\n(…)2. Algemeen\n\n2.1. \n\nActiviteiten\n\nDe activiteiten bestaan volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel uit adviesgeving betreffend kleinhandel in fietsen en fietsonderdelen onder de naam [eenmanszaak 1] en adviesgeving betreffend edelsmederij en renovatie\u002Fklusbedrijf onder de naam [eenmanszaak 2] .\n\nDe bedoeling was volgens [belanghebbende] om wielrenfietsen in het duurdere segment uit specifieke componenten samen te stellen en te verkopen evenals de verkoop van fietsonderdelen ( [eenmanszaak 1] ). De tweede activiteit behelsde kunstnijverheid zoals keramiek, tekenen en schilderijen maken, evenals adviesgeven in die branche ( [eenmanszaak 2] ). Van renovatie en\u002Fof klussen is geen sprake.\n\nVoor beide activiteiten wordt geen reclame gemaakt en er zijn geen websites. Er is vanaf de start van beide activiteiten op 1 januari 2007 tot en met 31 augustus 2019 geen omzet behaald. De beoogde klanten zijn bekenden uit het (sport)netwerk van [belanghebbende] : “het is niet geworden wat ik ervan verwachtte”.\n\n [belanghebbende] heeft in 2019 een oud schoolgebouw in [buitenland] gekocht. De intentie is om aldaar een Summer school te vestigen. Het schoolgebouw zal eerst ingrijpend verbouwd moeten worden. Het is de bedoeling om in [buitenland] dan cursussen keramiek en dergelijke te gaan geven aan Nederlanders en [buitenland] . [belanghebbende] denkt erover om aldaar wellicht een B&B te vestigen.\n\nOver deze toekomstige activiteiten is te weinig bekend en daarom kan daar nu geen oordeel over worden gegeven.\n\n(…)\n\n4. Fiscale resultatenrekening\n\n4.1. \n\nOpbrengsten\n\nVoor het jaar 2014 is alleen een resultatenrekening opgemaakt voor [eenmanszaak 2] . Voor de jaren 2015 t\u002Fm 2018 is een resultatenrekening opgemaakt voor zowel [eenmanszaak 2] als [eenmanszaak 1] . De omzet over de controleperiode (inkomstenbelasting) 2014 tot en met 2018 bedraagt nul euro. De omzet vanaf de start van beide activiteiten vanaf 2007 tot en met 2013 bedraagt eveneens nul euro.\n\n(…)\n\n5. Inkomstenbelasting\n\n5.1. \n\nAangifte\n\n [belanghebbende] verzorgt zelfde aangiften inkomstenbelasting.\n\n5.1.1. \n\nVereiste aangifte\n\nDe door [belanghebbende] ingediende aangiften vertonen aanzienlijke inhoudelijke gebreken. Er zijn kosten (…) opgevoerd waarvan het [belanghebbende] zich bewust had moeten zijn dat het niet om aftrekposten ging, zoals de arbeidsbeloning fiscale partner, afschrijven terwijl er geen activa op de balans staat, dure horloges, kledinguitgaven en overige (niet zakelijke) kosten.\n\nIn Box 3 (…) wordt een schuld van 2,5 miljoen euro uit [buitenland] aangegeven, maar een [buitenlandse] rekening met een positief saldo ad 1,5 miljoen euro wordt niet aangegeven. Het is niet aannemelijk dat het om een vergissing gaat.\n\n [belanghebbende] krijgt een pensioen van het Europees Octrooi Bureau (EOB) wat niet in de aangiften (…) is verwerkt. [belanghebbende] heeft bezwaar en beroep aangetekend tegen de beslissing van het EOB (…) en was zich dus bewust dat vanaf 1 januari 2016 in Nederland belasting verschuldigd was. [belanghebbende] krijgt bovendien een partiële compensatie van het EOB om de belasting in Nederland te kunnen betalen.\n\nBelastingplichtige is van mening dat hierover geen belasting is verschuldigd, maar heeft verzuimd om dit pensioen (als belast of vrijgesteld) inkomen in de aangiften te verwerken. Het niet aangeven van het pensioen (…) van het EOB in de aangiften leidt tot forse navorderingen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.\n\n [belanghebbende] had een adviseur kunnen raadplegen of in contact treden met de Belastingdienst voor vooroverleg. Er is sprake van het doen van “de vereiste aangifte” wanneer de aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud is ingediend.\n\nBij het opstellen en indienen van de aangifte heeft [belanghebbende] onder andere het voorbehoud gemaakt dat de ontvangen inkomsten van het EOB en het positieve saldo van de [buitenlandse] bankrekening(en) niet tot het belastbare inkomen behoren.\n\nOm de hiervoor genoemde redenen is de Belastingdienst van mening dat de ingediende aangiften inkomstenbelasting van de jaren 2014 tot en met 2018 niet aangemerkt kunnen worden als de vereiste aangifte in de zin van artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).\n\nHet niet doen van de vereiste aangiften inkomstenbelasting van de jaren 2014 tot en met 2018 leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast.5.2. \n\nBron van inkomen\n\nLang niet iedereen die zich ondernemer noemt, is ondernemer voor de inkomstenbelasting. De inkomsten die iemand geniet, vloeien fiscaal gezien voort uit een bron van inkomen als aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:\n\n- er is sprake van deelname aan het economische verkeer;\n\n- het oogmerk is om voordeel te behalen;\n\n- dit voordeel is ook redelijkerwijs te verwachten.\n\nPer zelfstandige activiteit dient de bron objectief te worden beoordeeld.\n\n [belanghebbende] neemt niet deel aan het economische verkeer (er zijn geen klanten).\n\nEr wordt voordeel beoogd, maar de omzet is vanaf de start in 2007 tot en met 2018 nihil. Het voordeel is daarom redelijkerwijs niet te verwachten. Dit geldt voor beide activiteiten.\n\nEr is geen bron van inkomen voor beide activiteiten.\n\n(…)\n\n5.3. \n\nEuropees Octrooi Bureau (EOB) \u002F belastingvrijstelling\n\n [belanghebbende] is in 1990 in Nederland komen wonen en voor het EOB in [plaats] gaan werken. Op grond van het verdrag tussen Nederland en het EOB was het salaris van [belanghebbende] niet belast voor de inkomstenbelasting, zolang hij daar werkzaam was. Deze belastingvrijstelling geldt niet voor pensioenen die het EOB uitkeert.\n\n [belanghebbende] is in 2011 ziek geworden en heeft het EOB per 30 juni 2011 verlaten. Vanaf 1 juli 2011 tot en met 31 december 2015 genoot belastingplichtige een (invaliditeit)pensioen van het EOB. Het invaliditeitspensioen was tot en met 2015 eveneens vrijgesteld van inkomstenbelasting. Conform artikel 62a van interne EOB voorschriften was dat pensioen tot en met 31 december 2015 onderworpen aan een interne belasting van het EOB.\n\nNaar aanleiding van het besluit van de Raad van Bestuur van het EOB op 26 maart 2015 is het invaliditeitspensioen vanaf 1 januari 2016 belast in Nederland. Voor deze belastingheffing krijgt [belanghebbende] van het EOB een partiele compensatie uitbetaald om belasting in Nederland te betalen.\n\n [belanghebbende] heeft op 2 maart 2016 bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het EOB dat het invaliditeitspensioen vanaf 1 januari 2016 belast is in Nederland. Dit bezwaar dan wel beroep zou nog steeds in behandeling zijn en is van mening dat hij daarom geen belasting in Nederland verschuldigd is over het pensioen.\n\n(…)\n\n8. Recapitulatie Correcties\n\n8.1. \n\nInkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen\n\nOvereenkomstig de berekeningen in dit hoofdstuk wordt over de jaren 2015 en 2016\n\neen navorderingsaanslag inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen opgelegd.\n\nDe correcties over het jaar 2017 en 2018 worden bij het definitief vaststellen van de aanslagen 2017 en 2018 verwerkt.\n\n(…)\n\nJaar\n\n2014\n\n2015\n\nAangegeven inkomen werk\u002Fwoning\n\n€\n\n-4.300\n\n€\n\n-36.042\n\nCorrectie winst\u002FMKB vrijstelling\n\n€\n\n5.000\n\n€\n\n41.909\n\nCorrectie MKB winstvrijstelling\n\n€\n\n-700\n\n€\n\n-5.867\n\nGecorrigeerd inkomen werk-woning\n\n€\n\n0\n\n€\n\n0\n\nJaar\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\nAangegeven inkomen werk\u002Fwoning\n\n€\n\n-19.464\n\n€\n\n-33.758\n\n€\n\n-22.425\n\nCorrectie winst\n\n€\n\n19.440\n\n€\n\n39.253\n\n€\n\n26.075\n\nCorrectie MKB winstvrijstelling\n\n€\n\n-2.721\n\n€\n\n-5.495\n\n€\n\n-3.650\n\nCorrectie loon vroegere dienstbetrekking\n\n€\n\n110.245\n\n€\n\n113.994\n\n€\n\n118.435\n\nCorrectie eigen woning\n\n€\n\n2.745\n\n€\n\n0\n\n€\n\n0\n\nPersoonsgebonden aftrek na correctie\n\n€\n\n-584\n\n€\n\n-586\n\n€\n\n0\n\nGecorrigeerd inkomen uit werk\u002Fwoning\n\n€\n\n109.661\n\n€\n\n113.408\n\n€\n\n118.435\n\n(…)”\n\n2.14.. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek de onder 1.1.1 tot en met 1.4 genoemde belastingaanslagen opgelegd en beschikkingen gegeven.\n\n2.15.1.. Op 22 november 2019 heeft belanghebbende ontheffing gevraagd van de verzekeringsplicht ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene Kinderbijslagwet (AK). Bij besluit van 25 februari 2020 heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) met ingang van 22 november 2019 de ontheffing verleend.\n\n2.15.2.. Belanghebbende heeft bezwaar ingesteld, gericht tegen de ingangsdatum van de ontheffing. Tegen de ongegrondverklaring van dit bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Tegen de ongegrondverklaring van dit beroep heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waarbij in geschil was of de SVB op goede gronden aan de ontheffing van de verzekeringsplicht terugwerkende kracht heeft onthouden. De CRvB heeft het hoger beroep ongegrond verklaard (CRvB 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1102).\n\n2.16.1.. Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF7264, BNB 2009\u002F113, heeft de Belastingdienst vele bezwaarschriften ontvangen van gepensioneerde medewerkers van internationale organisaties gericht tegen belastingaanslagen voor de jaren 2006 tot en met 2009. De inspecteur heeft de belastingplichtigen, die tijdig bezwaar hebben gemaakt, individuele voorstellen gedaan tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (VSO). Dit is mede gedaan omdat het verstrekken van de feiten voor het opleggen van een belastingaanslag de betreffende belastingplichtigen in een lastige bewijspositie bracht.\n\n2.16.2.. Een VSO is aangeboden aan degenen die een ouderdoms- of nabestaandenpensioen van – onder meer – het EOB ontvangen, en die tijdig bezwaar hebben gemaakt. Aan degenen die een invaliditeitspensioen van het EOB genieten, is geen VSO aangeboden. De Belastingdienst heeft besloten ook een VSO aan te bieden indien een bezwaarschrift is ingediend gericht tegen een definitieve aanslag voor een belastingjaar na 2009, omdat er met betrekking tot de complexe materie en de lastige bewijslast voor de gepensioneerden niets is gewijzigd.\n\n2.16.3.. Voor een ontvanger van ouderdoms- of nabestaandenpensioen van het EOB heeft de VSO het volgende tot gevolg:\n\n2\u002F3e deel van het pensioen, exclusief de ontvangen allowances en de tax adjustment, wordt tot het inkomen uit werk en woning gerekend;\n\nde ontvangen allowances en de tax adjustment worden geheel tot het inkomen uit werk en woning gerekend;\n\n1\u002F3e deel van het pensioen wordt na kapitalisatie tot de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen gerekend.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:\n\n“i. de navorderingsaanslag 2017\n\n13. Eiser stelt zich op het standpunt dat voor de navorderingsaanslag 2017 geen sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, omdat ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag 2017 het boekenonderzoek reeds was begonnen en afgerond. Volgens verweerder is wel sprake van een nieuw feiten is subsidiair sprake van een kenbare fout.\n\n14. Op grond van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Verweerder heeft niet gesteld dat sprake was van kwade trouw. Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, wat de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.[1]\n\n15. Verweerder heeft verklaard, en uit de gedingstukken blijkt, dat een medewerker op 23 mei 2019 een behandelvoornemen heeft opgenomen in het systeem. Uit dit behandelvoornemen blijkt dat deze medewerker de intentie had om de automatische afdoening van de aangifte IB\u002FPVV 2017 te blokkeren. Echter, omdat reeds op 21 december 2018 risico’s in de aangifte door het systeem van de Belastingdienst waren vastgesteld, leidde het opnemen van het behandelvoornemen niet meer tot een uitworp van de aangifte. De medewerker heeft hier onvoldoende acht op geslagen. Verweerder heeft voorts verklaard dat indien die medewerker de post op zijn naam zou hebben gezet, de vaststelling van de definitieve aanslag wel tegen zou kunnen worden gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake van een fout. Er is geen sprake van een verzuim dat voortvloeit uit een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van) de belastingplicht.[2] Gelet hierop en gelet op het feit dat de bij de aanslag te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt, was verweerder bevoegd een navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2017 op te leggen. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuw feit.\n\nii. bron van inkomen, ondernemerschap en kostenaftrek\n\n16. Eiser stelt zich op het standpunt dat de activiteiten die ontplooit een bron van inkomen vormen en dat hij kwalificeert als ondernemer. Verweerder betwist dat sprake is van een bron van inkomen en stelt zich subsidiair op het standpunt dat geen sprake is van winst uit onderneming en meer subsidiair dat eiser niet voldoet aan het urencriterium.\n\n17. Van een bron van inkomen is sprake als wordt deelgenomen aan het economische verkeer met het doel om voordelen te behalen en het behalen van voordelen in redelijkheid kan worden verwacht. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen.[3]\n\n18. Omdat eiser een negatief resultaat in aanmerking wil nemen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat eiser feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het door eiser beoogde voordeel ook, objectief beoordeeld, kon worden verwacht.[4]\n\n19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in 2015, 2016, 2017 of 2018 objectief gezien sprake was van een redelijkerwijs te verwachten voordeel uit de activiteiten waardoor geen sprake is van een bron van inkomen. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt waaraan hij, objectief bezien, de verwachting kon ontlenen dat met de activiteiten, in weerwil van de structureel negatieve resultaten, positieve opbrengsten konden worden behaald. Uit de stellingen dat hij bezig is geweest om een fundament te creëren voor een bedrijf in de artistieke sector, dat (het aanleren van de vaardigheden voor) keramiek, tekenen en schilderen veel tijd kost, dat net als in de biotechniek sector sprake is van jarenlang geen verkoop en winst, maar van investering in onderzoek en kennisvergaring met als gevolg uitgaven en verliesjaren, kan slechts geconcludeerd worden dat sprake is geweest van investeringen. Echter, daarmee heeft eiser niet voldoende geconcretiseerd met nadere gegevens of bewijsstukken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een positief resultaat kon worden verwacht. Zo heeft eiser bijvoorbeeld geen bedrijfsplan of een marktanalyse overlegd, waaruit blijkt dat van te voren de omzetpositie is onderzocht. Hetzelfde geldt voor het voornemen om les te geven in keramiek en kunst in Nederland en [buitenland] . Ook hiervan is geen marktanalyse of onderzoek overgelegd. Met de stellingen dat eisers (voorbereidend) werk door persoonlijke omstandigheden is vertraagd en dat het BTW-nummer van eiser is ingetrokken maakt eiser evenmin aannemelijk dat positieve resultaten kunnen worden verwacht. Met betrekking tot [eenmanszaak 1] heeft eiser ook onvoldoende feitelijke onderbouwing gegeven voor zijn stelling dat sprake is van een bron van inkomen.\n\n20. Nu geen sprake is van een bron van inkomen, komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of sprake is van winst uit onderneming of ondernemerschap in de zin van de wet IB 2001 en of eiser recht heeft op een (aanvullende) kostenaftrek. Dit betekent dat verweerder de resultaten in uit de activiteiten terecht niet in aanmerking heeft genomen bij de bepaling van het inkomen uit werk en woning.\n\niii. bankkosten\n\n21. Voor het jaar 2018 heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 588 als kosten in aftrek moet komen. Eiser heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de beleggingsactiviteiten waarop deze bankkosten betrekking hebben, kwalificeren als bron van inkomen. Dit betekent dat deze kosten niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de bepaling van het inkomen uit werk en woning. Deze kosten zijn ook niet aftrekbaar bij de bepaling van het belastbare resultaat uit sparen en beleggen.\n\niv. belastingheffing EOB-inkomen\n\n22. De rechtbank van oordeel dat verweerder terecht het RPHR in de belastingheffing heeft betrokken. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.\n\n23. Artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van het Protocol bepaalt dat personeelsleden zijn onderworpen aan een interne belastingheffing van de EOO over betaalde salarissen en emolumenten. Ingevolge de tweede volzin van het eerste lid zijn deze salarissen en emolumenten vrijgesteld van nationale inkomstenbelasting vanaf de datum dat de interne belasting wordt toegepast. Artikel 16, tweede lid, van het Protocol bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op pensioenen en lijfrenten die de EOV betaalt aan voormalige personeelsleden van het EOB. Artikel 17 van het Protocol houdt in dat de Raad van Bestuur bepaalt op welke categorieën personeelsleden de bepalingen van (onder meer) artikel 16 van toepassing zijn.\n\n24. Volgens artikel 3.82, aanhef en onderdeel c, van de Wet 1B 2001 worden uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie, behoudens voor zover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting, tot het loon gerekend.\n\n25. Het RPHR valt naar het oordeel van de rechtbank onder artikel 16, tweede lid, van het Protocol. Dit volgt uit het feit dat de Raad van Bestuur van de EOB de kwalificatie van de uitkering in het in r.o. 2 genoemde besluit heeft gewijzigd naar een RPHR. Dit betekent dat deze inkomsten niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 16, eerste lid, van het Protocol. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het inherent aan de bewoording ‘retirement pension’, die is gebruikt door de Raad van Bestuur in het in r.o. 2 genoemde besluit, is dat een persoon niet langer als personeelslid, maar als voormalig personeelslid zoals bedoeld in artikel 16, tweede lid, van het Protocol wordt aangemerkt.\n\n26. Dat eiser tegen de beslissing van de EOB om vanaf 1 januari 2016 de voor eiser geldende pensioenregeling te veranderen van ‘permanent employee’ naar een ontvanger van RPHR in beroep is gegaan bij het Administrative Tribunal of the International Labour Organization (ATILO) maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaken met betrekking tot de jaren 2016, 2017 en 2018 aan te houden totdat op dat beroep is beslist. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiser heeft verklaard dat die procedure nog jaren zou kunnen duren en dat verweerder heeft toegezegd dat hij de aanslagen ambtshalve zal verminderen indien de uitspraak van ATILO tot gevolg heeft dat op basis van de voor de onderhavige jaren geldende wets-en verdragstoepassing de onderhavige aanslagen verminderd zouden moeten worden. Door de zaken niet aan te houden is, anders dan eiser stelt, geen sprake van discriminatie van eiser. Aan de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waarin is verklaard dat eiser tot en met 1 januari 2016 medewerker bij het EOB was, kan eiser niet het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat zijn ontvangen RPHR in het gehele jaar 2016 niet in de Nederlandse belastingheffing kan worden betrokken.\n\n27. Verweerder heeft met - onder andere - gepensioneerden van het EOB vaststellingsovereenkomsten (VSO’s) gesloten. Reden hiervoor was dat inwoners van Nederland die een ouderdoms-of nabestaandenpensioenuitkering ontvingen van een internationale organisatie (waaronder van het EOB) voor het vaststellen van hun belastbaar inkomen dienen te beschikken over gedetailleerde informatie over de opbouwfase van hun pensioen, die in de praktijk niet meer voorhanden bleek te zijn, noch bij de gepensioneerde, noch bij de Belastingdienst. Op grond van een dergelijke VSO kon, naar de rechtbank begrijpt, de gepensioneerde de betaalde pensioenpremie in mindering brengen bij de bepaling van de Nederlandse belastingheffing en werd dubbele belastingheffing voorkomen. Eiser stelt dat verweerder hem ten onrechte een dergelijke VSO wordt onthouden.\n\n28. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij feitelijk en rechtens in dezelfde omstandigheden verkeert als degenen die een ouderdoms-of nabestaandenpensioen van de EOB ontvingen en waarmee verweerder een VSO heeft gesloten. Reeds daarom is geen sprake is van discriminatie, zoals eiser stelt. Dat eiser alleen een VSO zou kunnen sluiten als hij in Nederland zou blijven wonen, maakt evenmin dat sprake is van discriminatie of een belemmering voor de vrijheid van beweging en keuze van woonplaats. De omstandigheid dat de VSO aan inwoners van Nederland wordt aangeboden is gelegen in het feit dat Nederland ter zake van inwoners van Nederland heffingsbevoegd is.\n\n29. Eiser beroept zich ook op het Besluit Inkomstenbelasting, Premie volksverzekeringen en Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Pensioenen Internationale Organisaties[5] (het Besluit) en stelt dat hij ook onder dat Besluit valt waardoor de uitgangspunten die zijn toegepast bij een VSO, ook op zijn situatie van toepassing zijn. Gelet op de gemotiveerde betwisting van verweerder, ligt het op de weg van eiser om aan de hand van bewijsstukken feiten aannemelijk te maken op grond waarvan hij en beroep kan doen op toepassing van de uitgangspunten van het Besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het RPHR gelijk dient te worden gesteld met een pensioen waarvoor verweerder de in het Besluit opgenomen uitgangspunten heeft geformuleerd en overweegt daartoe het volgende.\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat het RPHR beter vergelijkbaar is met een arbeidsongeschiktheidsverzekering dan met een pensioen als bedoeld in het Besluit.[6] Een (voormalig) personeelslid ontvangt het RPHR immers alleen als een bepaald (arbeidsongeschiktheids)risico zich voordoet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een opbouw zoals bij een in het Besluit bedoeld pensioen. Hij heeft de stelling van verweerder, dat het verzekerings- en risicokarakter bij het RPHR prevaleert onvoldoende weersproken. Dat een pensioenfonds als verzekeraar optreedt bij het RPHR maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Ook met de stellingen dat eiser voor het RPHR premies uit zijn netto salaris heeft moeten betalen, dat die premies naar het EOB pensioenfonds zijn gegaan, dat het RPHR uit dat pensioenfonds wordt betaald, dat de hoogte van het RPHR wordt berekend op dezelfde wijze als het ouderdomspensioen, en zowel over een ouderdomspensioen als over het RPHR in Nederland belasting dient te worden betaald, maakt het oordeel niet anders. Dat het RPHR nog niet bestond op het moment dat de Belastingdienst de VSO afsloot en slechts daarom niet expliciet in de VSO of in het Besluit zou zijn genoemd, blijkt niet uit de stukken en kan eiser dus ook niet baten. Dit betekent dat de uitgangspunten uit het Besluit niet van toepassing zijn op de situatie van eiser.\n\nv. premieplicht volksverzekeringen 2016, 2017 en 2018\n\n31. In het onderhavige geval heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) eiser met betrekking tot de jaren 2016 tot en met 2018 niet ontheven van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen. Deze beslissing van de SVB is onherroepelijk vast komen te staan na een oordeel hierover van de Centrale Raad van Beroep.[7] De rechtbank is niet bevoegd in de onderhavige procedure de juistheid van de uitkomst van deze eerder gevoerde bestuursrechtelijke procedure te beoordelen. In de onderhavige procedure moet derhalve als vaststaand feit aangenomen worden dat eiser ter zake van 2016 tot en met 2018 verzekeringsplichtig is voor de AOW en Anw.\n\nvi. Belastingrente\n\n32. Niet in geschil is dat de belastingrente op de aanslagen in overeenstemming met de AWR is berekend. Voor het verminderen van de belastingrente tot nihil ziet de rechtbank, gelet op wat eiser heeft aangevoerd, geen aanleiding.\n\nConclusie\n\n33. Gelet op wat hiervoor is overwogen is, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\n(…)\n\n[1] Artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR.\n\n[2] Vergelijk ECLI:NL:HR:2014:1528.\n\n[3] Hoge Raad ECLI:NL:HR:2011:BP5707 en Hoge Raad ECLI:NL:HR:2012:BW8348.\n\n[4] vgl. gerechtshof Den Haag 31 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:794.\n\n[5] Besluit van 19 augustus 2022, nr. 2022-206968.\n\n[6] Vgl. ECLI:NL:GHSHE:2017:571.\n\n[7] ECLI:NL:CRVB:2022:1102.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. \n\nIn hoger beroep is in geschil:\n\na. of de Inspecteur bevoegd was de navorderingsaanslag 2017 op te leggen;\n\nb. of de activiteiten in de jaren 2015, 2016, 2017 en 2018 een bron van inkomen vormden, en zo ja, of sprake is van winst uit onderneming, en zo ja, of de Inspecteur terecht de door belanghebbende in aftrek gebrachte kosten en de ondernemersaftrek heeft gecorrigeerd;\n\nc. of voor het jaar 2018 een bedrag van € 588 aan bankkosten in aanmerking kan worden genomen;\n\nd. of het RPHR in de jaren 2016, 2017 en 2018 terecht in de heffing is betrokken, en zo ja, of belanghebbende op grond van het gelijkheidsbeginsel recht heeft op een VSO als bedoeld in 2.16.2, dan wel in aanmerking komt voor toepassing van het Besluit pensioenen Internationale Organisaties(het Besluit);\n\ne. of belanghebbende voor de jaren 2016, 2017 en 2018 premieplichtig was voor de volksverzekeringen; en\n\nf. of de belastingrente naar de juiste bedragen is berekend.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, en primair tot vermindering van de belastingaanslagen conform de ingediende aangiften, en subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslagen 2016 en 2017 en de aanslag 2018 op de voet van de in 2.16.2 genoemde VSO.\n\n4.3.. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nVooraf\n\n5.1.. Belanghebbende klaagt erover dat in de uitspraak van de Rechtbank is vermeld dat hoger beroep kan worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van de uitspraak. Volgens belanghebbende worden zijn rechten ondermijnd doordat niet uitgegaan wordt van de datum van ontvangst van de uitspraak. Wat hier ook van zij, heeft belanghebbende binnen de termijn van zes weken van artikel 6:7 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hoger beroep ingesteld. Het Hof verwerpt belanghebbendes betoog.\n\nWas de Inspecteur bevoegd een navorderingsaanslag op te leggen (2017)?\n\n5.2.1.. Op grond van artikel 16, lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit dan wel kwade trouw rust op de inspecteur.\n\n5.2.2.. Navordering kan mede plaatsvinden indien sprake is van een kenbare fout in de zin van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR. Navordering op grond van deze bepaling is mogelijk indien ten gevolge van een fout ten onrechte een aanslag achterwege is gebleven, dan wel een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Tevens is vereist dat de fout voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in ieder geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30% van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt. De bewijslast van de aanwezigheid van een kenbare fout rust op de inspecteur.\n\n5.2.3.. Belanghebbende betoogt dat voor het jaar 2017 geen sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, en voert daartoe aan dat ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2017 met dagtekening 25 februari 2020 (de aanslag 2017) het boekenonderzoek reeds was begonnen en afgerond. Belanghebbende wijst op een concept-rapport van 10 maart 2020 en stelt dat alle feiten en bezwaren eind 2019, dus ruim voor het opleggen van de aanslag 2017, al bij de Inspecteur bekend waren.\n\n5.2.4.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij wel degelijk beschikt over het benodigde nieuwe feit, omdat hij niet behoefde te twijfelen aan de juistheid van de ingediende aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2017 (de aangifte 2017), dan wel dat het niet onwaarschijnlijk was dat deze juist kon zijn. Subsidiair betoogt de Inspecteur dat sprake is van een kenbare fout in de zin van artikel 16, lid 2, letter c, AWR, omdat de op de navorderingsaanslag 2017 te betalen belasting meer bedraagt dan 30% van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting.\n\n5.2.5.. Indien de inspecteur bij een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven zodanige twijfel heeft over de juistheid van een aangifte dat hij het nodig vindt een onderzoek in te stellen, dient hij als regel met het opleggen van een aanslag te wachten totdat hij de beschikking heeft over de resultaten van dat onderzoek. Legt de inspecteur in dat geval een aanslag op zonder te wachten totdat hij de beschikking heeft over de resultaten van het volledige onderzoek, dan begaat hij daarmee als regel een ambtelijk verzuim dat niet door middel van navordering kan worden hersteld. Dat is alleen anders indien er gegronde redenen zijn waarom het geboden is de aanslag al op te leggen voordat met de resultaten van dat onderzoek rekening kan worden gehouden (vgl. HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:638, BNB 2022\u002F82).\n\n5.2.6.. De aangifte 2017 is ingediend op 22 juni 2018 en de aanslag 2017 is vervolgens conform de ingediende aangifte opgelegd op 25 februari 2020. Het boekenonderzoek is blijkens het rapport (voor)aangekondigd in mei 2019 en uitgevoerd vanaf oktober 2019. Het rapport is gedateerd 2 april 2020. De aanslag 2017 is derhalve lopende het boekenonderzoek opgelegd, dat wil zeggen nadat het boekenonderzoek is aangekondigd en nadat (een deel van) het onderzoek is verricht, maar voordat het rapport is afgerond. Uit het feit dat de Inspecteur een boekenonderzoek heeft ingesteld, evenals uit de vragenbrief van 19 november 2019 (zie 2.12), blijkt dat de Inspecteur zodanig twijfelde aan de juistheid van de aangiften van belanghebbende dat het nodig was een nader onderzoek in te stellen naar de juistheid van deze aangiften. De Inspecteur heeft de aanslag 2017 niettemin opgelegd conform de aangifte, zonder de uitkomsten van het boekenonderzoek af te wachten. De Inspecteur heeft evenmin gesteld dat sprake was van gegronde redenen om de aanslag 2017 reeds op te leggen. De Inspecteur had de uitkomsten van het onderzoek echter dienen af te wachten teneinde de resultaten daarvan bij het vaststellen van de aanslag 2017 in aanmerking te kunnen nemen. Hiermee heeft de Inspecteur een ambtelijk verzuim begaan.\n\n5.2.7.. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van een kenbare fout als bedoeld in artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR zoals de Inspecteur subsidiair stelt. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het begrip ‘fout’ in artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR, neutraal en ruim bedoeld is (Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3, p. 25). Onder ‘fout’ in de zin van deze bepaling moet worden verstaan: elke misslag die bij de Belastingdienst optreedt in verband met de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten, maar ook andere fouten zoals “fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften”, indien het gevolg daarvan is dat de belastingschuld op een te laag bedrag is vastgesteld (HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1528, BNB 2014\u002F203, en HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1203, BNB 2018\u002F152).\n\n5.2.8.. Vast staat dat de aangifte 2017 automatisch is afgedaan en dat geen handmatige beoordeling heeft plaatsgevonden. De Inspecteur heeft hierover het volgende verklaard. De controlemedewerker heeft vrijwel direct na aanvang van het boekenonderzoek, namelijk op 23 mei 2019, een behandelvoornemen in het systeem opgenomen teneinde de automatische afdoening van de aangifte 2017 te blokkeren. Op 21 december 2018 waren door het systeem echter reeds de risico’s in de aangifte bepaald. Vanaf dat moment zou het opnemen van een behandelvoornemen geen zin meer hebben, aangezien dit niet meer zou leiden tot een uitworp. De betreffende medewerker die het behandelvoornemen in het systeem had gezet, heeft hier onvoldoende acht op geslagen, als gevolg waarvan de aanslag 2017 automatisch kon worden afgedaan conform de ingediende aangifte 2017, aldus de Inspecteur. De Inspecteur heeft voorts verklaard dat indien die medewerker de post op zijn naam zou hebben gezet, de vaststelling van de definitieve aanslag wel had kunnen worden tegengehouden. Naar het oordeel van het Hof is onder deze omstandigheden sprake van een fout als gevolg van de geautomatiseerde verwerking van de aangifte 2017 die in beginsel voor navordering in aanmerking komt, mits voldaan is aan het kenbaarheidsvereiste.\n\n5.2.9.. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat indien de geheven belasting ten minste 30% minder is dan de daadwerkelijke – uit de belastingwet voortvloeiende – belastingschuld, de onjuiste vaststelling van de aanslag in elk geval redelijkerwijs kenbaar is (Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3. p 26). De 30%-regel objectiveert dus de kenbaarheid.\n\n5.2.10.. Het Hof stelt vast dat de te weinig geheven belasting in 2017 ten minste 30% van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt (zie 5.5.11). Dit betekent dat van rechtswege het bewijsvermoeden geldt dat sprake is van een voor belanghebbende kenbare fout. Van kenbare onjuistheid is echter geen sprake in gevallen waarin de belastingplichtige in redelijkheid kon menen dat de aanslag, hoewel tot een te laag bedrag, niettemin op goede gronden is vastgesteld. Voor zover een aanslag aldus tot een te laag bedrag is vastgesteld, mag de te weinig geheven belasting ook niet worden nagevorderd met toepassing van de 30%-regel van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR (HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1528, BNB 2014\u002F203). Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Inspecteur eind 2019, dus ruim voor het regelen van de aanslag 2017, reeds over alle feiten beschikte. Het Hof verwerpt dit betoog. In de brief van 19 november 2019 (zie 2.12) heeft de Inspecteur belanghebbende onder meer geïnformeerd dat de in het lopende boekenonderzoek aangeleverde stukken vragen oproepen, die alleen met een nadere onderbouwing door middel van bewijsstukken beantwoord kunnen worden. Als bijlage bij de brief is een lijst van minimaal nog over te leggen stukken opgenomen. Ten aanzien van het invaliditeitspensioen van het EOB neemt de Inspecteur in de brief het standpunt in dat belanghebbende per 1 januari 2016 volledig belastingplichtig is in Nederland, zonder hierover nadere vragen te stellen. Gelet hierop kon belanghebbende in redelijkheid niet menen dat de aanslag 2017 op goede gronden is vastgesteld.\n\n5.2.11.. Gelet op het voorgaande geldt van rechtswege het bewijsvermoeden dat de fout kenbaar was voor belanghebbende. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR. De Rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de Inspecteur bevoegd was de navorderingsaanslag 2017 op te leggen.\n\nVormden de activiteiten een bron van inkomen (2015 tot en met 2018)?\n\n5.3.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de activiteiten in de onderhavige jaren een bron van inkomen vormen en dat hij kwalificeert als ondernemer. De Inspecteur betwist dat sprake is van een bron van inkomen. Subsidiair stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat geen sprake is van winst uit onderneming als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en meer subsidiair dat belanghebbende geen recht heeft op de ondernemersfaciliteiten omdat hij niet voldoet aan het urencriterium.\n\n5.3.2.. Belanghebbende kan de verliezen alleen in aanmerking nemen indien deze voortvloeien uit een bron van inkomen. Volgens vaste jurisprudentie worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald (vgl. HR 14 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8770, BNB 1993\u002F203 en HR 1 februari 2002, ECLI:NL: HR:2002:AD8763, BNB 2002\u002F128). Tussen partijen is in geschil of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en of belanghebbende met de activiteiten heeft deelgenomen aan het economische verkeer. Niet in geschil is dat belanghebbende met de activiteiten beoogde voordeel te behalen.\n\n5.3.3.. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van de feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (vgl. HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707, BNB 2011\u002F246, en HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390, BNB 2019\u002F39).\n\n5.3.4.. Omdat belanghebbende in de onderhavige jaren negatieve resultaten uit een bron van inkomen in aanmerking wil nemen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het door belanghebbende beoogde voordeel ook, objectief beoordeeld, kon worden verwacht.\n\n5.3.5.. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De Rechtbank heeft terecht en op juiste gronden geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in 2015, 2016, 2017 of 2018 objectief gezien sprake was van een redelijkerwijs te verwachten voordeel. Belanghebbende heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waaraan hij in de onderhavige jaren, objectief bezien, de verwachting kon ontlenen dat met de activiteiten, in weerwil van een reeks negatieve resultaten, positieve opbrengsten konden worden behaald. Vast staat dat belanghebbende vanaf de start van de activiteiten nooit positieve resultaten heeft behaald. In de jaren 2007 tot en met 2018 heeft belanghebbende met de activiteiten geen enkele omzet behaald, maar slechts kosten gemaakt. In de jaren 2019 tot en met 2021 heeft belanghebbende met de activiteiten weliswaar omzet behaald, maar hebben de kosten de omzet steeds in aanzienlijke mate overtroffen. Belanghebbende heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat – beoordeeld naar de situatie in de onderhavige jaren en mede in het licht van feiten en omstandigheden uit latere jaren – voor de onderhavige jaren met de werkzaamheden een positieve opbrengst was te verwachten.\n\n5.3.6.. Belanghebbende voert in hoger beroep aan dat hij wel degelijk een bedrijfsplan heeft opgesteld en een marktanalyse heeft gedaan, en dat hij bijvoorbeeld een ontwerpstudie voor de school aan de Inspecteur heeft verstrekt. Deze stukken zijn echter niet overgelegd, en belanghebbende heeft zijn stellingen verder niet geconcretiseerd met nadere gegevens waaruit zou kunnen worden afgeleid dat in de onderhavige jaren een positief resultaat kon worden verwacht. Dat geldt eveneens voor de door belanghebbende aangevoerde persoonlijke omstandigheden (ziekte) en het feit dat belanghebbendes BTW-nummer is ingetrokken, waaruit belanghebbende met betrekking tot [eenmanszaak 2] concludeert dat hij geen cursussen kon geven en niet kon inkopen tegen condities gelijk aan andere keramiekbedrijven. De aankoop van het schoolgebouw in [buitenland] in 2019 is op zichzelf onvoldoende om te kunnen concluderen dat in de onderhavige jaren een positief resultaat kon worden verwacht. Het feit dat de Inspecteur (in de uitspraken op bezwaar) voor de jaren 2015 tot en met 2018 de aftrek van studiekosten heeft geaccepteerd, maakt dit niet anders.\n\n5.3.7.. Het Hof komt tot de conclusie dat belanghebbendes positieve verwachting ten aanzien van het te behalen voordeel objectief bezien niet gerechtvaardigd was. Dat oordeel brengt reeds mee dat de activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als een bron van inkomen. Of belanghebbende met de activiteiten heeft deelgenomen aan het economische verkeer kan daarom in het midden blijven. De verliezen uit die activiteiten kunnen niet in mindering worden gebracht op het inkomen uit werk en woning.\n\nKunnen bankkosten in aanmerking worden genomen (2018)?\n\n5.4.. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de bankkosten van € 588 niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de bepaling van het inkomen uit werk en woning van 2018. De Rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof maakt de overwegingen van de Rechtbank tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat een ander of nieuw licht op de zaak werpt.\n\nIs het RPHR terecht in de heffing betrokken (2016, 2017 en 2018)?\n\n5.5.1.. Belanghebbende betoogt primair, zo begrijp het Hof, dat het RPHR ten onrechte in de heffing is betrokken omdat hij voor deze inkomsten niet in Nederland belastingplichtig is. Hij verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (zie 2.7) en naar het door hem bij het ATILO ingestelde beroep (zie 2.8).\n\n5.5.2.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het RPHR in de jaren 2016 tot en met 2018 terecht in de heffing is betrokken, omdat het gaat om een invaliditeitspensioen dat niet onder een vrijstelling valt.\n\n5.5.3.. Artikel 3.82 Wet IB 2001 (tekst geldend in de onderhavige jaren) luidt, voor zover van belang:\n\n“Tot loon wordt gerekend:\n\n(…)\n\nc. uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie, behoudens voorzover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting.”\n\n5.5.4.. De EOO is opgericht bij het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien(EOV). Artikel 8 EOV luidt als volgt:\n\n“Voorrechten en immuniteiten\n\nIn het bij dit Verdrag gevoegde Protocol inzake voorrechten en immuniteiten worden de voorwaarden omschreven waaronder de Organisatie [de EOO; Hof], de leden van de Raad van Bestuur, het personeel van het [EOB] en alle andere in dat Protocol genoemde personen, die deelnemen aan de werkzaamheden van de Organisatie, in elke Verdragsluitende Staat de voorrechten en immuniteiten genieten, die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taken.”\n\n5.5.5.. Het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie(het Protocol) luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“Artikel 16\n\n1. Onder de voorwaarden en op de wijze zoals die worden vastgesteld door de Raad van Bestuur binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag, zijn de in de artikelen 13 en 14 bedoelde personen onderworpen aan een belasting ten gunste van de Organisatie [de EOO; Hof] op de door de Organisatie betaalde salarissen en emolumenten. Van de datum waarop deze belasting ingaat af zijn deze salarissen en emolumenten vrij van nationale inkomstenbelasting. De Verdragsluitende Staten kunnen evenwel met deze salarissen en emolumenten wel rekening houden bij de berekening van de belasting die verschuldigd is over inkomsten uit andere bronnen.\n\n2. Het vorige lid is niet van toepassing op de pensioenen en lijfrenten die door de Organisatie worden betaald aan voormalige personeelsleden van het [EOB].\n\nArtikel 17\n\nDe Raad van Bestuur bepaalt op welke categorieën personeelsleden het bepaalde in (…) artikel 16 van toepassing is (…). De namen, titels en adressen van de personeelsleden en deskundigen van die categorieën worden op gezette tijden ter kennis gebracht van de Verdragsluitende Staten.”\n\n5.5.6.. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het RPHR onder artikel 16, lid 2, van het Protocol valt. Uit de gedingstukken blijkt dat degenen die een invaliditeitspensioen ontvingen van het EOB tot en met 31 december 2015 werden aangemerkt als ‘permanent employee’ met een ‘non-active status’. Zij ontvingen, na staking van hun activiteiten, een ‘invalidity allowance’. Als gevolg van het besluit van de Raad van Bestuur van het EOB van 26 maart 2015 (zie 2.6) is de status van de ontvanger van een invaliditeitspensioen van het EOB met ingang van 1 januari 2016 gewijzigd van ‘permanent employee’ naar een ontvanger van een RPHR. Uit de bij het besluit gewijzigde Service Regulations blijkt dat een ontvanger van een RPHR wordt aangemerkt als ‘retired’. Het RPHR wordt in het besluit bovendien gekwalificeerd als ‘retirement pension’. Aan deze bewoordingen is inherent dat de ontvanger van een RPHR wordt aangemerkt als voormalig personeelslid zoals bedoeld in artikel 16, lid 2, van het Protocol. Gelet hierop moet het RPHR worden aangemerkt als een pensioen in de zin van artikel 16, lid 2, van het Protocol.\n\n5.5.7.. Op grond van artikel 3.82, aanhef en letter c, Wet IB 2001 zijn de uitkeringen uit het RPHR derhalve belast, behoudens voor zover aannemelijk is dat over de aanspraken een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting. Belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft niet gesteld dat over de aanspraak in de onderhavige jaren een zodanige heffing heeft plaatsgevonden.\n\n5.5.8.. Belanghebbende beroept zich op de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (uittreksel uit de Protocollaire Basisadministratie) waarin staat dat hij van 1 april 1990 tot en met 1 januari 2016 medewerker van het EOB was (zie 2.7). Uit het feit dat hierin 1 januari 2016 staat genoemd, volgt volgens belanghebbende dat hij voor wat betreft het RPHR het gehele jaar 2016 niet belastingplichtig was. Het Hof verwerpt dit betoog. De status van belanghebbende is op grond van de gewijzigde Service Regulations met ingang van 1 januari 2016 gewijzigd in ontvanger van een RPHR. Dergelijke medewerkers worden aangemerkt als ‘retired’. Belanghebbende kwalificeerde derhalve gedurende de jaren 2016 tot en met 2018 als voormalig personeelslid van het EOB in de zin van artikel 16, lid 2, van het Protocol. Hij heeft gedurende deze periode geen taken vervuld voor het EOB in de zin van artikel 8 EOV. De aan de functionarissen van het EOB te verlenen status die noodzakelijk is voor de uitoefening van hun functies en de daaruit volgende vrijstelling voor het salaris aan hen betaald in die hoedanigheid, geldt niet voor het RPHR genoten door een oud-medewerker die zijn functie niet meer vervult. Het feit dat in het uittreksel uit de Protocollaire Basisadministratie de datum 1 januari 2016 staat genoemd, brengt niet mee dat het RPHR voor het gehele jaar onder de vrijstelling van artikel 16, lid 1, van het Protocol zou vallen. Het oordeel in 5.5.6 geldt derhalve voor het gehele jaar 2016.\n\n5.5.9.. Voor zover belanghebbende met zijn stellingen beoogt een beroep op het vertrouwensbeginsel te doen, valt niet in te zien dat hij aan de betreffende verklaring vertrouwen heeft kunnen ontlenen. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is immers vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen (vgl. HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, BNB 2020\u002F120, en HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439, BNB 2021\u002F95). De verwijzing naar de betreffende verklaring is hiervoor, gelet op de inhoud daarvan, ontoereikend. Belanghebbende kan voor het jaar 2016 dus geen vertrouwen ontlenen aan de verklaring.\n\n5.5.10.. Belanghebbende betoogt voorts dat de procedure die hij voert bij het ATILO (zie 2.8) van belang is voor zijn belastingpositie. Indien hij zou winnen, zou het RPHR voor de jaren 2016 tot en met 2018 buiten de heffing blijven, aldus belanghebbende. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank de zaken met betrekking tot deze jaren ten onrechte niet aangehouden in afwachting van een uitspraak in de procedure bij het ATILO, en is hij hierdoor gediscrimineerd. Het Hof verwerpt dit betoog en sluit zich aan bij het oordeel van de Rechtbank hieromtrent. Geen rechtsregel verplicht ertoe de zaken met betrekking tot de jaren 2016 tot en met 2018 aan te houden in afwachting van de uitkomst van de procedure bij het ATILO. Evenals de Rechtbank ziet het Hof geen aanleiding om deze aan te houden totdat op dat beroep is beslist. Hierbij verdient het volgende opmerking. Het ATILO is competent ter zake van specifieke arbeidsrechtelijke geschillen, en is geen (internationale) belastingrechter. Hoewel aan belanghebbende toegegeven kan worden dat de uitkomst van die procedure mogelijkerwijs zou kunnen leiden tot een terugdraaiing van de interne statuswijziging van belanghebbende, heeft deze procedure slechts op indirecte wijze gevolgen voor de belastingpositie van belanghebbende. Bovendien is er op dit moment geen zicht op een uitspraak van het ATILO; belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de procedure nog jaren zou kunnen duren. De Inspecteur heeft verder (in hoger beroep nogmaals) toegezegd dat hij de belastingaanslagen ambtshalve zal verminderen, ook buiten de vijfjaarstermijn, indien de uitspraak van het ATILO hiertoe aanleiding geeft. Niet in te zien valt hoe, door de zaken niet aan te houden, belanghebbende zou worden gediscrimineerd. Het voorgaande brengt tevens mee dat belanghebbendes klacht dat de Rechtbank de zaken ten onrechte niet heeft aangehouden in afwachting van de arbeidsrechtelijke procedure die belanghebbende voert bij het ATILO, geen doel treft.\n\n5.5.11.. Gelet op het voorgaande heeft de Inspecteur terecht het RPHR op grond van artikel 3.82, aanhef en letter c, Wet IB 2001 als belastbaar inkomen uit werk en woning aangemerkt.\n\nIs het gelijkheidsbeginsel geschonden door geen VSO te sluiten dan wel het Besluit niet toe te passen (2016, 2017 en 2018)?\n\n5.5.12.. Subsidiair betoogt belanghebbende dat hij op grond van het gelijkheidsbeginsel in aanmerking komt voor een VSO zoals de Inspecteur aanbiedt aan degenen die een ouderdoms- of nabestaandenpensioen van het EOB ontvangen, en dat het RPHR aldus in de heffing zou moeten worden betrokken (zie 2.16). Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het RPHR beter vergelijkbaar is met een arbeidsongeschiktheidsuitkering dan met een ouderdomspensioen. Hiertoe verwijst belanghebbende naar diverse bepalingen uit de Pension Regulations van het EOB. Belanghebbende stelt dat het RPHR uit een pensioenfonds komt, dat hij net als alle andere EOB-werknemers de pensioenpremies uit het netto salaris moest betalen, dat de betaalde premies naar het EOB-pensioenfonds zijn gegaan, dat het RPHR uit het EOB-pensioenfonds wordt betaald, dat de hoogte van het RPHR wordt berekend op dezelfde wijze als het ouderdomspensioen, en dat zowel over het RPHR als een regulier ouderdomspensioen in Nederland belasting dient te worden betaald.\n\n5.5.13.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een VSO, aangezien belanghebbende zich feitelijk noch rechtens in een gelijke situatie bevindt als personen die een ouderdoms- of nabestaandenpensioen ontvangen van het EOB. De Inspecteur voert hiertoe aan dat ten aanzien van het RPHR sprake is van een invaliditeitspensioen, dat een verzekerings- of risicokarakter heeft. Volgens de Inspecteur is de bedoeling van de regeling doorslaggevend, waarbij een invaliditeitspensioen een uitkering kent die afhankelijk is van een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Een dergelijke toezegging heeft daarmee in algemene termen het karakter van een verzekering, in tegenstelling tot een oudedagspensioen, aldus de Inspecteur.\n\n5.5.14.. Wil een beroep op het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur kunnen slagen, dan dient de belanghebbende te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen en deze ongelijke behandeling het gevolg is van:\n\neen begunstigend beleid dat niet van toepassing is op belanghebbende,\n\neen oogmerk tot begunstiging van andere gevallen dan dat van belanghebbende, of\n\neen begunstigende behandeling in de meerderheid van met belanghebbende vergelijkbare gevallen (meerderheidsregel).\n\nBelanghebbende stelt dat sprake is van begunstigend beleid.\n\n5.5.15.. De VSO betreft een compromisvoorstel dat naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2009 is aangeboden aan degenen die een ouderdoms- of nabestaandenpensioen ontvangen. De VSO houdt in dat de uitkeringen deels in box 1 en deels in box 3 worden belast en dat de ontvangen allowances en de tax adjustment in box 1 worden belast (zie 2.16.3). Volgens belanghebbende verschilt het RPHR dat hij ontvangt niet in enig relevant opzicht van het ouderdoms- of nabestaandenpensioen. Dit zou tot gevolg hebben dat het RPHR deels in box 1 en deels in box 3 wordt belast.\n\n5.5.16.. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn standpunt. Het RPHR heeft namelijk naar zijn aard een verzekerings- of risicokarakter. Anders dan bij het ouderdoms- en nabestaandenpensioen is bij het RPHR geen sprake geweest van een opbouw van aanspraken op een pensioen, maar ontstaat de aanspraak erop pas door (onder meer) het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Uit de arbeidsvoorwaarden van het EOB (de Service Regulations en Pension Scheme Regulations) volgt immers dat een RPHR wordt uitgekeerd aan werknemers ouder dan 55 jaar die gedurende 10 jaar volledig van hun taken zijn ontheven wegens arbeidsongeschiktheid, overigens met inachtneming van de (op belanghebbende toepasselijke) overgangsregeling opgenomen in artikel 72 van het besluit van de Raad van Bestuur van het EOB van 26 maart 2015 (zie 2.6). De door belanghebbende aangevoerde kenmerken – namelijk dat bij het RPHR een pensioenfonds optreedt als verzekeraar, dat belanghebbende de pensioenpremies uit het netto salaris moest betalen, dat de betaalde premies naar het EOB-pensioenfonds zijn gegaan, dat het RPHR uit het EOB-pensioenfonds wordt betaald, dat de hoogte van het RPHR wordt berekend op dezelfde wijze als het ouderdomspensioen, en dat zowel over het RPHR als een ouderdomspensioen (zonder gezondheidsredenen) in Nederland belasting dient te worden betaald – maken niet dat het RPHR naar zijn aard vergelijkbaar is met het ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Hetzelfde geldt voor de door belanghebbende aangehaalde (pensioen)voorwaarden, waaronder de eis van een minimale aanstellingsperiode van 10 jaar. Hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd, namelijk dat de hoogte van het RPHR afhankelijk is van senioriteit, dat het RPHR nog niet bestond toen de VSO werd opgezet, en dat medewerkers van het EOB vanaf een leeftijd van 50 jaar dan wel 60 jaar met pensioen kunnen en in dat geval wel recht hebben op een VSO, doet evenmin af aan dit oordeel. Belanghebbende heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat hij feitelijk en rechtens in dezelfde omstandigheden verkeert als degenen die een ouderdoms-of nabestaandenpensioen van de EOB ontvingen en waarmee verweerder een VSO heeft gesloten. Reeds hierom is geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld.\n\n5.5.17.. Meer subsidiair betoogt belanghebbende dat hij op grond van het gelijkheidsbeginsel in aanmerking komt voor toepassing van het Besluit. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toepassing van het Besluit omdat de uitgangspunten van het Besluit niet van toepassing zijn op invaliditeitspensioenen.\n\n5.5.18.. Het Besluit, dat in werking is getreden met ingang van 24 augustus 2022, bevat beleid over de fiscale behandeling van pensioenuitkeringen van internationale organisaties. Het Besluit codificeert de uitgangspunten die aan de VSO ten grondslag liggen.\n\n5.5.19.. Het Hof verwerpt belanghebbendes betoog onder verwijzing naar het in 5.5.16 gegeven oordeel. Afgezien hiervan is in onderdeel 4.3.5 van het Besluit opgemerkt dat de uitgangspunten van het Besluit niet gelden voor invaliditeitspensioenen. Bij dergelijke pensioenen is het volgens het Besluit onverkort aan de gerechtigde om de eventuele feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op basis waarvan de uitkeringen (deels) niet tot het inkomen uit werk en woning behoren. Nu het RPHR, gelet op het oordeel in 5.5.16, kwalificeert als invaliditeitspensioen en belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot de conclusie dat de inkomsten niet behoren tot het inkomen uit werk en woning, moet ook het beroep op het Besluit worden verworpen.\n\n5.5.20.. Hieraan doet geen afbreuk dat de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB\u002FPVV 2019 in eerste instantie het Besluit heeft toegepast op belanghebbende. De Inspecteur heeft hierover verklaard dat het Besluit voor dit jaar per abuis is toegepast, en heeft erop gewezen dat belanghebbende bij brief van 31 januari 2024 erop is gewezen dat de toepassing van het Besluit bij het vaststellen van de aanslag IB\u002FPVV 2019 een vergissing was. De Inspecteur heeft inmiddels overigens berust in de – onjuiste – toepassing van het Besluit voor het jaar 2019, maar zal het Besluit voor het jaar 2020 niet toepassen.\n\n5.5.21.. Er is geen sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De vraag of sprake is geweest van beleid kan daarom in het midden blijven. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.\n\nWas belanghebbende premieplichtig voor de volksverzekeringen (2016, 2017 en 2018)?\n\n5.6.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij premieplichtig is in Nederland. Volgens belanghebbende heeft hij niet op tijd om een ontheffing kunnen vragen, en is hij geen premies volksverzekeringen verschuldigd, omdat de SVB dan wel de Nederlandse Staat heeft verzwegen dat hij een ontheffing kon aanvragen. Belanghebbende meent dat het betalen van premies volksverzekeringen als gevolg hiervan disproportioneel is.\n\n5.6.2.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende premieplichtig is voor de AOW en Anw, nu de SVB belanghebbende voor de betreffende jaren niet heeft ontheven van de verzekeringsplicht en de belastingrechter niet bevoegd is om de juistheid van de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedure hieromtrent te beoordelen.\n\n5.6.3.. In artikel 6 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is geregeld dat de verzekerde in de zin van de volksverzekeringen premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Op grond van artikel 6, lid 1, letter a, AOW respectievelijk artikel 13, lid 1, letter a, Anw is een ingezetene verplicht verzekerd voor de AOW respectievelijk Anw. Uit artikel 2 AOW respectievelijk 6 Anw volgt dat degene die in Nederland woont, voor toepassing van deze wetten, als ingezetene wordt aangemerkt.\n\n5.6.4.. Nu belanghebbende in de onderhavige jaren inwoner van Nederland was, is belanghebbende daarmee, behoudens de hierna omschreven ontheffingsmogelijkheid door de SVB, verplicht verzekerd voor de AOW en Anw en daarmee ook premieplichtig voor deze volksverzekeringen.\n\n5.6.5.. De SVB kan een ingezetene ontheffen van de verzekeringsplicht indien aan de in artikel 22, lid 1, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (BUB) opgenomen voorwaarden wordt voldaan. Regels omtrent het moment waarop de ontheffing van de verzekeringsplicht dient in te gaan, zijn opgenomen in artikel 22, lid 2 en lid 3, BUB. Deze ontheffingsbevoegdheid is voorbehouden aan de SVB. Het vaststellen van de verzekeringsplicht behoort immers tot de exclusieve bevoegdheid van de SVB.\n\n5.6.6.. In het onderhavige geval heeft de SVB belanghebbende met ingang van 22 november 2019 een ontheffing van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen (AOW en Anw) verleend (zie 2.15.1). Met betrekking tot de jaren 2016 tot en met 2018 is belanghebbende niet ontheven van de verzekeringsplicht voor de AOW en Anw. De CRvB heeft het door belanghebbende ingestelde hoger beroep, waarbij in geschil was of de SVB op goede gronden aan de ontheffing van de verzekeringsplicht terugwerkende kracht heeft onthouden, ongegrond verklaard (zie 2.15.2). Zowel de Rechtbank als de CRvB hebben geoordeeld dat in dit geval de toepassing van artikel 22, lid 2 en lid 3, BUB niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. De beslissing van de SVB is daarmee onherroepelijk vast komen te staan.\n\n5.6.7.. De Inspecteur en de belastingrechter zijn gebonden aan het besluit van de SVB en het oordeel hierover van de sociale zekerheidsrechter. In de onderhavige procedure moet derhalve als vaststaand feit aangenomen worden dat belanghebbende ter zake van de jaren 2016 tot en met 2018 verzekeringsplichtig is voor de AOW en Anw.\n\n5.6.8.. Gelet op het onder 5.6.3 omschreven verband tussen verzekerings- en premieplicht is belanghebbende daarmee ook premieplichtig voor deze volksverzekeringen. Niet in te zien valt hoe de Inspecteur bij het dienovereenkomstig opleggen van de belastingaanslagen in strijd heeft gehandeld met de bepalingen van afdeling 3.2 Awb (zorgvuldigheid en belangenafweging).\n\nIs de belastingrente juist berekend (2016, 2017 en 2018)?\n\n5.7.1.. Belanghebbende acht het onterecht dat de belastingrente niet wordt berekend vanaf de datum van dagtekening van de belastingaanslagen. De Inspecteur is daarentegen van mening dat de belastingrente terecht en tot een juist bedrag is berekend.\n\n5.7.2.. Partijen verschillen niet van mening dat de belastingrente bij de belastingaanslagen is berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 30fc AWR. Onder omstandigheden kunnen de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het in artikel 3:4 Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de berekening van deze rente moet worden beperkt (HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126, BNB 2018\u002F51). Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die in dit geval een vermindering van de belastingrente rechtvaardigen.\n\nSlotsom\n\n5.8.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\nHet Hof ziet geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, H.A.J. Kroon en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 4 juni 2024 in het openbaar uitgesproken.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Besluit van 19 augustus 2022, nr. 2022-20696, Stcrt. 2022, 21897.\n\n Trb. 1975, 108.\n\n Trb. 1976, 101.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1036","2024-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.085Z",20,[112,113,11,114],2026,2025,2022]