[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-inheritance-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":218},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":216,"page":14,"limit":217},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},48,"inheritance-law-nl","Inheritance Law","NL","2026-07-08T16:53:53.156Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,29,31,33,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":17},2,{"month":19,"count":17},3,{"month":21,"count":21},4,{"month":23,"count":21},5,{"month":25,"count":26},6,10,{"month":28,"count":14},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":26,"count":15},{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,62,72,81,90,97,104,112,121,131,140,148,155,163,172,181,190,199,207],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"653","ECLI:NL:RBNHO:2026:7435","ecli-nl-rbnho-2026-7435","",73,"2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12142575 \\ EJ VERZ 26-97 WD\n\nBeschikking van 3 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. P.F. Keuchenius,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nte [plaats 2] ( [land] ),\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. E.Z. Anink.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift, met 16 producties;\n\n- het verweerschrift, met een verzoek in het incident, met 12 producties; - de brief van mr. Keuchenius met de juiste versie van productie 12; - het verweerschrift in het incident.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De uitgangspunten\n\n2.1.. Op [datum] 2023 is [erflater] overleden (hierna: de erflater).\n\n2.2.. De erflater was bij leven in tweede echt gehuwd met [verweerder] . Zij waren getrouwd onder huwelijkse voorwaarden. In artikel 1 van de notariële huwelijksvoorwaarden is bepaald dat de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk zullen worden bepaald door Nederlands recht, met uitzondering van het aan partijen toebehorende in Frankrijk gelegen registergoed, waarop het Franse huwelijksvermogensrecht van toepassing is verklaard.\n\n2.3.. \n [verzoeker] is de zoon van [verzoeker] uit een eerder huwelijk. Voor het overige had de erflater geen afstammelingen.2.4.. De erflater heeft ten overstaan van een Nederlandse notaris bij testament van 16 februari 2010 over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament heeft hij, voor zover thans van belang: - bepaald dat de vererving en de wijze van afwikkeling van zijn nalatenschap zullen worden beheerst door Nederlands recht; - [verzoeker] benoemd tot enig erfgenaam; - [verweerder] benoemd tot executeur; - aan [verzoeker] gelegateerd een in [plaats 3] gelegen woning; - aan [verweerder] gelegateerd het aandeel van de erflater in de beperkte gemeenschap van inboedel, een bedrag van € 100.000,00 en het vruchtgebruik van zijn nalatenschap;\n\n2.5.. \n [verzoeker] heeft de nalatenschap van de erflater beneficiair aanvaard.\n\n2.6.. \n [verweerder] heeft haar benoeming tot executeur aanvaard en een ruimschoots verklaring afgegeven.\n\n2.7.. Tot de nalatenschap van de erflater behoren – onder meer -: - de in [plaats 3] gelegen woning; - een onverdeeld aandeel in een in Frankrijk gelegen woning; - een 100% belang in Calenus B.V. - een positief saldo bij de ING-bank - belastingschulden; - een schuld van de erflater aan Calenus B.V.3. Het verzoek en het verweer in de hoofdzaak\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt dat de kantonrechter [verweerder] ontslaat uit haar hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder\n\n3.2.. \n [verweerder] voert verweer.\n\n4. Het verzoek en het verweer in het incident\n\n4.1.. \n [verweerder] verzoekt dat de kantonrechter zich niet bevoegd verklaart om van de zaak kennis te nemen.\n\n4.2.. \n [verweerder] voert daartoe, kort gezegd, als volgt aan. De laatste verblijfplaats van de erflater was gelegen in Frankijk. Dit brengt mee dat de Franse rechter bevoegd is om van de zaak kennis te nemen. Voor zover de Nederlandse rechter bevoegd is, is dat de rechter van de rechtbank Den Haag.\n\n4.3.. \n [verzoeker] voert het volgende verweer. De afwikkeling van de nalatenschap is in vele opzichten verbonden aan de Nederlandse rechtssfeer, onder meer doordat [verweerder] een Nederlandse notaris als boedelnotaris heeft benoemd, die zich in het Nederlandse boedelregister heeft laten inschrijven. Daarbij komt dat de erflater ten tijde van het opstellen en verlijden van het testament geen rekening heeft kunnen houden met de daarna ingevoerde Europese Erfrechtverordening, waar [verweerder] zich nu op beroept. Het beroep van [verweerder] op de bevoegdheid van de Franse rechter is onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [verzoeker] verwacht dat partijen een forumkeuze overeenkomst kunnen sluiten en verzoekt hierom dat de kantonrechter een mondelinge behandeling gelast. Subsidiair verwacht [verzoeker] dat de Franse rechter zich op verzoek van [verzoeker] onbevoegd zal verklaren, omdat de Nederlandse rechter beter in staat is om uitspraak te doen over onderhavige kwestie. Daarom verzoekt [verzoeker] subsidiair dat de kantonrechter onderhavige procedure enige tijd aanhoudt.\n\n5. De beoordeling in het incident\n\n5.1.. Dit incident gaat over de vraag of de kantonrechter als Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek in de hoofdzaak kennis te nemen. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de Europese Erfrechtverordening. Deze verordening is materieel van toepassing omdat de hoofdzaak betrekking heeft op de erfopvolging in nalatenschappen van overleden personen als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de erfrechtverordening en het geschil niet ziet op de in lid 2 van voornoemd artikel voorkomende uitzonderingen. De erfrechtverordening is formeel van toepassing, omdat de erflater is overleden na 17 augustus 2015 (zie artikel 83 lid 1 van de Europese Erfrechtverordening).\n\n5.2.. De Europese Erfrechtverordening bepaalt in artikel 4 als hoofdregel dat de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel. Toepassing van de hoofdregel zou meebrengen dat niet een in Nederland zetelende kantonrechter, maar een Franse rechter bevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen. Immers, tussen partijen staat vast dat de erflater ten tijde van zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats had in Frankrijk.\n\n5.3.. \n [verzoeker] betoogt dat in dit geval een uitzondering op voornoemde hoofdregel moet worden gemaakt. Derhalve moet de kantonrechter beoordelen of er onder de gegeven omstandigheden een uitzondering op de hoofdregel moet worden gemaakt. Anders dan [verzoeker] meent, komt bij deze beoordeling geen betekenis toe aan de eisen van redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter gaat voorbij aan het op deze grond gevoerde verweer van [verzoeker] . Evenmin komt relevante betekenis toe aan het gegeven dat de erflater bij het verlijden van het testament de invoering van de Europese Erfrechtverordening niet heeft voorzien.\n\n5.4.. Dat partijen een forumkeuze-overeenkomst hebben gesloten als bedoeld in artikel 5 van de Europese Erfrechtverordening, is niet gebleken. De kantonrechter ziet geen aanleiding om hiertoe, zoals [verzoeker] voorstelt, een mondelinge behandeling te houden. Partijen, voorzien van professionele gemachtigden, zijn in staat een dergelijke overeenkomst te sluiten. Een mondelinge behandeling heeft in dat kader geen toegevoegde waarde.\n\n5.5.. De kantonrechter ziet wel aanleiding om, zoals subsidiair voorgesteld door [verzoeker] , de behandeling van deze zaak enige tijd aan te houden om verwijzing door een Franse rechter op grond van artikel 6 van de Europese Erfrechtverordening mogelijk te maken. Gelet op de rechtskeuze in het testament heeft de Franse rechter op grond van voornoemd artikel de mogelijkheid om zich onbevoegd te verklaren, indien deze van oordeel is dat de Nederlandse rechter beter in staat zal zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging. Onder de gegeven omstandighedenacht de kantonrechter het niet onmogelijk dat de Franse rechter tot dit oordeel zou kunnen komen.\n\n5.6.. De kantonrechter zal deze zaak aanhouden tot maandag 5 oktober 2025. Beide partijen dienen zich uiterlijk op deze datum uit te laten over het opstarten en de voortgang van de in Frankrijk te voeren gerechtelijke procedure en de termijn waarbinnen zij verwachten dat de Franse rechter uitspraak doet over zijn bevoegdheid. Mocht de kantonrechter op basis van de berichtgeving van partijen tot het oordeel komen dat door één van beide partijen (of door allebei) in Frankrijk niet met voldoende voortvarendheid wordt geprocedeerd, zal de kantonrechter hieraan de gevolgen verbinden die hij gerade acht.\n\n5.7.. De behandeling van de hoofdzaak zal ook worden aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin het incident6.1.. houdt de zaak aan tot maandag 5 oktober 2026 voor een akte van beide partijen over hetgeen hiervoor onder r.o. 5.6. is overwogen;\n\nin de hoofdzaak en in het incident\n\n6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.\n\n De kantonrechter ontleent deze opsomming aan de boedelbeschrijving die door [verweerder] is opgesteld en door [verzoeker] als productie 14 bij verzoekschrift in het geding is gebracht.\n\n VERORDENING (EU) Nr. 650\u002F2012 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring\n\n Zie 2.1. tot en met 2.7.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7435","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.395Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"1874","ECLI:NL:GHAMS:2026:1741","ecli-nl-ghams-2026-1741",56,"2026-06-30T00:00:00.000Z","beslissing\n\n___________________________________________________________________ _ _\n\nGERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nzaaknummer : 200.362.849\u002F01 NOT\n\nnummer eerste aanleg : C\u002F05\u002F454099 KL RK 25-106\n\nbeslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 30 juni 2026\n\ninzake\n\n [appellant],\n\nwonend te [plaats 1] ,\n\nappellant,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nnotaris te [plaats 2] ,\n\ngeïntimeerde.\n\nPartijen worden hierna klager en de notaris genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nKlager is de zoon van erflater en een van diens erfgenamen. Klager is in 2018 failliet verklaard en dit faillissement duurt tot op heden voort. Erflater is in april 2024 overleden. Tot de nalatenschap van erflater behoorde het woonhuis van erflater dat in augustus 2024 is verkocht aan derden. Klager werd daarbij vertegenwoordigd door zijn curator. Klager verwijt de notaris dat hij hem niet heeft geïnformeerd over de verkoopopbrengst en de verdere details van de verkoop van de [bedrijf] verwijt klager de notaris dat hij ten onrechte is doorverwezen naar de executeur en de curator. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof bevestigt deze beslissing.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1.. Klager heeft op 20 december 2025 een beroepschrift – met een bijlage – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 20 november 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORARL:2025:45).\n\n2.2.. De notaris heeft geen verweerschrift bij het hof ingediend, ondanks dat het hof de notaris daartoe in de gelegenheid heeft gesteld.\n\n2.3.. Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.\n\n2.4.. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 15 april 2026. Klager is per videoverbinding verschenen. De notaris is eveneens verschenen. Beiden hebben het woord gevoerd; klager aan de hand van de op voorhand aan het hof en de notaris toegestuurde pleitnota.\n\n3. Feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.\n\n3.1.. Op 20 maart 2018 is klager bij vonnis van de rechtbank failliet verklaard. In het faillissement van klager is een curator benoemd. Deze situatie was ongewijzigd ten tijde van de afwikkeling van de nalatenschap.\n\n3.2.. Op 27 april 2024 is de vader van klager (hierna: erflater) overleden. Klager is de zoon en een van de erfgenamen van erflater.\n\n3.3.. Door de notaris is een verklaring van erfrecht opgesteld in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van erflater.\n\n3.4.. De broer van klager is door erflater benoemd tot executeur in zijn nalatenschap (hierna: de executeur).\n\n3.5.. De nalatenschap van erflater omvatte onder meer de woning van erflater in [plaats 2] (hierna: de woning).\n\n3.6.. Op 25 augustus 2024 is binnen het protocol van [naam] , notaris te [plaats 2] , de leveringsakte gepasseerd waarbij de woning is overgedragen door de erfgenamen aan derden. Klager werd daarbij vertegenwoordigd door de curator.\n\n3.7.. \n\nEen medewerker van de notaris heeft op 30 september 2024 aan klager bericht:\n\n“(..) Voor alle informatie inzake de afwikkeling van de nalatenschap van uw vader dient u zich te wenden tot de executeur, uw broer de heer[hof: naam broer] (..)”\n\n3.8.. Het saldo van de verkoop van de woning is na de levering overgemaakt naar de kwaliteitsrekening van het kantoor van de notaris.\n\n4. De klacht\n\n4.1.. Klager verwijt de notaris in strijd met zijn wettelijke informatie- en zorgplicht te hebben gehandeld. Zijn klacht, door klager nader uitgewerkt in zijn beroepschrift, valt uiteen in de volgende klachtonderdelen:\n\n1. de notaris heeft klager niet geïnformeerd over de ontvangst van de verkoopopbrengst van de woning op zijn derdengeldenrekening;\n\n2. de notaris heeft geweigerd aan klager informatie te verstrekken over (de details van) de verkoop van de woning. Klager heeft van de notaris geen enkele inzage gekregen in de financiële en juridische afwikkeling van de verkoop, ondanks herhaaldelijke verzoeken om informatie;\n\n3. de notaris heeft klager ten onrechte doorverwezen naar de executeur en de curator, in strijd met zijn verplichting om alle betrokkenen (dus ook klager zelf) tijdig en volledig te informeren.\n\nNieuwe klacht\n\n4.2.. In hoger beroep heeft klager verder aan de orde gesteld dat de notaris in strijd heeft gehandeld met de op hem rustende zorgplicht zoals neergelegd in, onder meer, artikel 21 Wet op het notarisambt (hierna: Wna). De notaris is ten onrechte blind afgegaan op de executeur en hij heeft onvoldoende oog gehad voor de belangen van klager.\n\n5. Beoordeling\n\n5.1.. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris ongegrond verklaard.\n\nKlachtonderdelen 1 tot en met 3: informatievoorziening richting klager.\n\n5.2.. Gelet op de onderlinge samenhang ziet het hof, evenals de kamer, aanleiding om de klachtonderdelen 1 tot en met 3 gezamenlijk te behandelen.\n\n5.3.. Klager voert aan dat hij een persoonlijk belang had bij een zorgvuldige afwikkeling van de nalatenschap ook al viel zijn erfdeel in de faillissementsboedel. De strekking van het faillissementsrecht is niet om betrokkene(n) rechteloos te maken maar om het vermogen ten behoeve van schuldeisers te beheren. Bij de afwikkeling van de nalatenschap speelden ook kwesties van niet-vermogensrechtelijke aard. De notaris had erop moeten toezien dat klager behoorlijk geïnformeerd werd, aldus klager.\n\n5.4.. De notaris stelt dat klager geen partij was bij de afwikkeling van de nalatenschap in verband met zijn faillissement. De curator in het faillissement had de notaris nadrukkelijk meegedeeld dat de communicatie met klager via hem diende te verlopen. De afwikkeling van de nalatenschap was bovendien in handen van een executeur.\n\n5.5.. Met de kamer is het hof van oordeel dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn. De beslissing van de kamer zal dan ook worden bevestigd. Het hof licht hierna toe hoe hij tot dit oordeel is gekomen.\n\n5.6.. \n\nUit het dossier blijkt dat de notaris slechts een beperkte rol heeft gehad. Hij heeft een verklaring van erfrecht afgegeven en voor het overige was de afwikkeling van de nalatenschap in handen van de executeur. Het is aan de executeur om de erfgenamen te informeren. De notaris heeft klager terecht naar hem verwezen (vgl. 3.7).\n\nIndien en voor zover de notaris een informatieplicht zou hebben tegenover klager dan volgt uit de Faillissementswet dat de communicatie in beginsel via de curator dient te verlopen; de curator had daar in dit geval ook expliciet om verzocht. Het kan de notaris niet worden verweten dat hij zich aan dat verzoek heeft gehouden.\n\nDe notaris heeft verklaard dat hem is medegedeeld dat de executeur contact heeft gehad met de curator met de informatie bedoeld voor klager. Dat klager, aldus zijn verklaring, geen contact meer had met de executeur of onvoldoende door de curator geïnformeerd zou zijn, kan de notaris niet worden aangerekend.\n\nHet hof overweegt ten slotte dat voor zover de informatieverzoeken van klager betrekking hadden op de verkoop en levering van de woning de klacht ongegrond is bij gebreke aan feitelijke grondslag. Uit de overgelegde stukken blijkt dat (het kantoor van) de notaris niet betrokken was bij de verkoop en de levering van de woning.\n\nNieuwe klacht\n\n5.7.. In hoger beroep heeft klager zijn klacht uitgebreid met het onder 4.2 genoemde klachtonderdeel. De kamer heeft dit verwijt niet als klachtonderdeel beoordeeld. Het hof dient op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 4 Wna een zaak opnieuw in volle omvang te behandelen. Het gaat daarbij echter slechts om de klacht zoals die oorspronkelijk bij de kamer is ingediend. Tot die oorspronkelijke klacht behoort niet dit klachtonderdeel dat pas voor het eerst in hoger beroep is geformuleerd. Voor de behandeling van dit nieuwe klachtonderdeel is in deze procedure geen plaats. Klager zal daarom in de uitbreiding van de oorspronkelijke klacht niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n6. Beslissing\n\nHet hof:\n\n- verklaart het onder 4.2 geformuleerde klachtonderdeel niet-ontvankelijk;\n\n- bevestigt de bestreden beslissing.\n\nDeze beslissing is gegeven door mrs. J.W.M. Tromp, H.T. van der Meer en A.M.J.M. Ploumen en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 door de rolraadsheer.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1741","2026-07-13T00:29:43.159Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"1928","ECLI:NL:RBNHO:2026:7505","ecli-nl-rbnho-2026-7505",67,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F377432 \u002F KG ZA 26-238\n\nVonnis in kort geding van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1],\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. E. Bongers,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats 1],\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nadvocaat: mr. S.R. Baetens.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n\n [eiser] en [gedaagde] zijn broer en zus en hebben samen een recreatiewoning van hun moeder geërfd. De rechtbank heeft bij vonnis van 11 juni 2025 (het vonnis) geoordeeld dat de woning te koop moet worden aangeboden, waarbij [gedaagde] de gelegenheid krijgt de woning over te nemen tegen een waarde die gelijk is aan het hoogst uitgebrachte bod.\n\n [eiser] meent dat de verkoop bij inschrijving niet tot een bruikbare uitkomst heeft geleid en wil dat [gedaagde] meewerkt aan verkoop voor een zo hoog mogelijke opbrengst en op zo’n kort mogelijke termijn, waarbij zij eventueel het hoogste bod mag evenaren. Ook vordert [eiser] staking\u002Fschorsing van de uitvoering van de veroordeling tot betaling van dwangsommen aan haar. [gedaagde] meent dat zij op juiste wijze het hoogste bod heeft geëvenaard en dat de woning voor dat bedrag aan haar moet worden toegedeeld. Omdat [eiser] daar niet aan meewerkt, vordert zij een veroordeling ex artikel 3:300 BW, althans om haar vervangende toestemming te verlenen om tot verdeling te komen. Er is volgens haar geen aanleiding om de executie van dwangsommen te staken of schorsen. Zij vordert juist een verhoging van de dwangsommen om [eiser] mee te laten werken aan de uitvoering van het vonnis.\n\n1.2.. \n\nGelet op de omstandigheden tijdens de uitvoering van de in het vonnis gelaste wijze van verdeling en op het feit dat in het vonnis is overwogen dat [eiser] er belang bij had dat de waarde van de woning werd bepaald door de woning (aan derden) te koop aan te bieden, heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat het verkoopproces niet heeft geleid tot vaststelling van een marktprijs, waartegen [gedaagde] de woning over zou mogen nemen. [gedaagde] zal daarom, met uitvoerbaar bij voorraad verklaring, worden veroordeeld om de aangekondigde executie van dwangsommen op te schorten, totdat in rechte is vastgesteld dat zij recht heeft op toedeling van de woning.\n\nOmdat de conclusie vooralsnog is dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling, zal [gedaagde] worden veroordeeld mee te werken aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning overeenkomstig 5.2. en 5.3. van het vonnis. Ook zal [gedaagde] worden veroordeeld om zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers kort gezegd kunnen afschrikken, op straffe van een dwangsom. Deze twee veroordelingen zullen geclausuleerd uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, om aan het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze kwestie te procederen recht te doen. De vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 35 producties\n\n- de conclusie van antwoord in kort geding tevens houdende eis in reconventie met 12 producties\n\n- de akte in het geding brengen productie tevens aanvulling eis van de kant van [eiser]\n\n- de aanvullende productie 36 van de kant van [eiser]\n\n- de mondelinge behandeling van 24 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt - de pleitnota van de kant van [eiser].\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Partijen zijn de kinderen en de (enige) twee erfgenamen van de op 12 januari 2024 overleden [erflaatster] (hierna: erflaatster.\n\n3.2.. Tot de nalatenschap van erflaatster behoort (onder meer) een recreatiewoning, gelegen aan de [adres 1] [plaats 2] (hierna: de woning).\n\n3.3.. Aan de woning is een hypothecaire geldlening verbonden van circa € 144.000,-.\n\n3.4.. De WOZ-waarde van de woning op peildatum 1 januari 2023 is (na bezwaar) € 310.000,-, op peildatum 1 januari 2024 € 300.000,- en op peildatum 1 januari 2025 € 395.000,-.\n\n3.5.. In februari 2025 is een vergelijkbare woning, aan de [adres 2], verkocht voor een koopprijs van € 400.000,-. De vraagprijs bedroeg € 395.000,-. De woning heeft maar kort te koop gestaan.\n\n3.6.. Bij vonnis van 11 juni 2025 (hierna: het vonnis) heeft deze rechtbank de volgende veroordeling tussen partijen uitgesproken:\n\nin conventie\n\n5.1.. gelast de wijze van verdeling van de tot de nalatenschap van erflaatster behorende woning op de wijze zoals in het navolgende vermeld;\n\nin reconventie\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om binnen één week na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht aan makelaar [bedrijf] om de woning te koop te zetten conform de NVM-Richtlijn Inschrijvingsvoorwaarden, waarbij [gedaagde] de gelegenheid heeft om binnen vijf werkdagen na de dag van kennisneming van de biedingen mede te delen dat zij de woning aan zich wil laten toedelen tegen de waarde die gelijk is aan de hoogste bieding, waarbij de overdracht aan dient plaats vinden binnen een termijn die niet meer is dan één maand langer dan die waartegen de hoogste bieder de woning zou kunnen afnemen;\n\n5.3.. veroordeelt tot betaling aan van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling in 5.2 van dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;\n\nin conventie, verder\n\n5.4.. veroordeelt , binnen twee weken na het verstrekken van de opdracht aan de makelaar in overeenstemming met het bepaalde in 5.2 van dit vonnis, om:\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de door de makelaar gestelde verkoopvoorwaarden, zoals het openstellen van de woning voor bezichtigingen, het hanteren van een vraag- en laatprijs, zoals door de makelaar wordt geadviseerd, en alle overige activiteiten die door de makelaar zinvol worden geacht om tot een verkoop van de woning te komen, waarbij voorts kan worden gedacht aan het in schone, opgeruimde, verzorgde en representatieve staat te laten bevinden van de woning, een en ander volgens de aanwijzingen van de makelaar;\n\nmedewerking te verlenen aan alle verkoopduidingen die op het perceel en\u002Fof de woning door de makelaar zullen worden aangebracht;\n\n5.5.. veroordeelt - voor het geval (in overeenstemming met het bepaalde in 5.2 van dit vonnis) heeft medegedeeld dat zij de woning aan zich wil laten toedelen - om binnen twee weken na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van , zijn medewerking te verlenen aan het notarieel transport van zijn aandeel in de woning aan , mits de akte in overeenstemming is met hetgeen in dit vonnis is bepaald en geen bepalingen inhoudt die afwijken van wat in de gegeven omstandigheden gebruikelijk is, zulks ter beoordeling van de notaris ten overstaan van wie de akte gepasseerd wordt;\n\n5.6.. veroordeelt - voor het geval niet (in overeenstemming met het bepaalde in van dit vonnis) heeft medegedeeld dat zij de woning aan zich wil laten toedelen - om, steeds binnen twee weken na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van :\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een verkoopovereenkomst;\n\nuiterlijk twee dagen voor de dag waarop de woning aan de kopende partij moet worden geleverd, de in zijn bezit zijnde sleutels ter vrije beschikking aan de kopende partij, althans de passerend notaris te stellen;\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de notariële levering van de woning, waaronder alle handelingen die nodig zijn om de door de notaris op te stellen akte van levering op het overeengekomen tijdstip te doen passeren;\n\nen bepaalt dat de netto verkoopopbrengst (na aflossing van de hypothecaire geldlening en na voldoening van de met de verkoop gepaard gaande kosten, zoals de makelaarskosten) bij helfte aan partijen wordt overgemaakt;\n\n5.7.. veroordeelt tot betaling aan van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling in 5.4, 5.5 en\u002Fof 5.6 van dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.8.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. Met het oog op de verkoop van de woning hebben partijen een opdracht tot dienstverlening verstrekt aan [bedrijf] B.V (hierna: de makelaar) voor een vraagprijs van € 449.500,- kosten koper, waarin is opgenomen dat de verkoop zal plaatsvinden conform vonnis en volgens de NVM-Richtlijn Inschrijvingsvoorwaarden verkoop bij inschrijving. Ook is vermeld dat inschrijfformulieren in gesloten envelop afgegeven kunnen worden op het kantoor van de makelaar of per e-mail aan de makelaar, waarbij beide verkopers pas na sluiting inschrijvingstermijn tegelijkertijd op de hoogte worden gebracht van alle biedingen.\n\n3.8.. Bij brief van 4 september 2025 hebben de advocaten van partijen een gezamenlijk verkoopvoorstel aan de makelaar voorgelegd. Dit hield onder meer in dat de makelaar het sluitingstijdstip (voor de biedingen) zou bepalen en dat dit uiterlijk 31 oktober 2025 zou zijn. Verder is in het voorstel – voor zover relevant – opgenomen:\n\nBiedingen worden door geïnteresseerden in een gesloten enveloppe bij u op kantoor ingediend, zodat de biedingen voor zowel verkopers als u niet transparant zijn gedurende het biedingsproces. Dit om beïnvloeding te voorkomen;\n\nDe enveloppen worden in het bijzijn van beide partijen geopend;\n\n [gedaagde] wordt daarna in de gelegenheid gesteld om binnen vijf werkdagen te laten weten of zij de woning aan zich wil laten toedelen tegen de waarde van de hoogste bieding;\n\nBesluit [gedaagde] de woning niet aan zich te laten toedelen tegen de waarde van de hoogste bieding, dan zal de woning worden verkocht aan de hoogste bieder;\n\n3.9.. De woning is vervolgens in verkoop gebracht. Op de website van de makelaar en op Funda was vermeld dat biedingen tot uiterlijk 31 oktober 2025 uitgebracht konden worden.\n\n3.10.. De enveloppen met biedingen zouden in eerste instantie op dinsdag 4 november 2025 worden geopend, maar op initiatief van de makelaar en met instemming van partijen zijn de datum en het tijdstip gewijzigd in vrijdag 31 oktober om 12.00.\n\n3.11.. Bij het openen van de enveloppen op 31 oktober 2025 om 12.00 bleken er twee biedingen te zijn gedaan. Eén door [gedaagde] voor € 300.000,- en één door [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), een vriendin van [gedaagde], voor € 302.500,-.\n\n3.12.. De makelaar heeft partijen diezelfde dag om 23.00 uur via whatsapp geïnformeerd dat hij ‘s avonds op zijn kantoor een nieuwe envelop met een biedingsformulier had aangetroffen. Het was een bieding van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) voor € 400.016,-.\n\n3.13.. De makelaar heeft op 3 november 2025 per email aan partijen onder meer het volgende geschreven:\n\nIk vermoed dat het volgende is gebeurd. Wij hebben op de website en verstrekte\n\nbiedingsformulieren gemeld dat de uiterlijke termijn om een eenmalig voorstel te doen per gesloten enveloppe op 31 oktober zou zijn. In de week voorafgaand aan 31 oktober hebben wij alle kandidaten die een bezichtiging in de agenda hebben gehad per email benaderd dat de inschrijving 31 oktober 12 uur sloot. Begin oktober hebben jullie ook mee gedaan aan de NVW open huizenroute. De derde bieder zal hoogstwaarschijnlijk een bezoeker van het open huis zijn geweest en daarom later het bod hebben bezorgd aan ons kantoor.\n\n(…).\n\nIk wil van jullie allebei per email bevestigd zien hoe we met de 3 biedingen omgaan en of [gedaagde] eventueel de woning zelf afneemt en tegen welke prijs. Ik ga er niet tussen zitten. Ik heb er ook geen mening over, jullie moeten dit zelf bepalen middels het vonnis van de rechtbank.\n\n3.14.. \n [gedaagde] heeft via haar advocaat het standpunt ingenomen dat de bieding van [betrokkene 2] buiten beschouwing moet blijven, omdat die te laat is binnengekomen. In de email van 6 november 2025 heeft de advocaat bevestigd dat [gedaagde] de toedeling van de woning verlangt tegen het hoogste bod van € 302.500,- en onder dezelfde voorwaarden als door de hoogste bieder zijn gedaan. In de email is een financieringsvoorbehoud van 12 weken genoemd en dat de levering zo spoedig mogelijk plaatsvindt, doch niet later dan 1 april 2026.\n\n3.15.. Op 18 november 2025 heeft [eiser] via zijn advocaat aan [gedaagde] laten weten dat het bod van [betrokkene 2] wel tijdig, namelijk voor 31 oktober 2025 24.00 uur, is uitgebracht. Hij constateert dat [gedaagde] de gelegenheid heeft gehad die bieding te evenaren, maar die ongebruikt heeft gelaten, zodat de makelaar geïnstrueerd moet worden om een koopovereenkomst op te stellen tussen [betrokkene 2] en partijen.\n\n3.16.. Nader overleg tussen partijen heeft er toe geleid dat zij op 30 december 2025 de makelaar hebben verzocht om [betrokkene 2] te vragen of hij nog bereid was de woning voor het door hem geboden bedrag af te nemen. [betrokkene 2] heeft de makelaar daarop bericht dat hij al had besloten om van de koop af te zien.\n\n3.17.. \n [gedaagde] heeft bij een notaris een concept akte van verdeling op laten maken en heeft via haar advocaat op 26 februari 2026 [eiser] gevraagd om zijn medewerking te verlenen aan het passeren daarvan op 12 maart 2026. De advocaat schrijft ook dat het vonnis al eerder is betekend en [eiser] vanaf 13 maart € 250,- per dag aan dwangsom verschuldigd is als hij geen medewerking verleent. [eiser] heeft zijn medewerking niet verleend.\n\n3.18.. \n [eiser] heeft op 12 maart 2026 [gedaagde] via zijn advocaat gesommeerd om akkoord te gaan met verkoop van de woning op zo’n kort mogelijke termijn tegen een zo hoog mogelijke opbrengst. Daarbij is aangegeven dat een clausule kan worden toegevoegd die [gedaagde] het recht geeft om binnen 24 uur na het uitbrengen van een bieding die door de makelaar acceptabel wordt geacht, bedoelde bieding qua prijs, overdrachtsdatum en ontbindende voorwaarden te evenaren. [gedaagde] heeft hier niet op gereageerd.\n\n3.19.. Op 22 april 2026 is [eiser] bij deurwaardersexploot aangezegd dat hij dwangsommen heeft verbeurd van 13 maart 2026 tot en met 21 april 2026 tot een maximum van € 10.000,00, met bevel tot betaling en aankondiging van beslaglegging.\n\n3.20.. \n [eiser] heeft [gedaagde] op 24 april 2026 gesommeerd te verklaren dat zij de aangekondigde executie zal staken\u002Fopschorten totdat tussen partijen in rechte vast staat dat zij op basis van de in september\u002Foktober 2025 gevolgde biedprocedure recht heeft op toedeling van de woning aan haar en op de dwangsommen. [gedaagde] heeft niet op de sommatie gereageerd.\n\n4. Het geschil\n\nin conventie\n\n4.1.. \n [eiser] vordert, samengevat, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n [gedaagde] te veroordelen om haar medewerking te verstrekken aan een (standaard) opdracht tot dienstverlening aan makelaar [bedrijf], althans een andere door de voorzieningenrechter aan te wijzen NVM-makelaar in de regio [naam], gericht op verkoop van de woning, waarbij partijen zich verplichten de instructies van de makelaar gericht op het bereiken van een zo hoog mogelijke opbrengst op zo’n kort mogelijke termijn te volgen, (subsidiair) met dien verstande dat [gedaagde] het recht heeft om binnen 24 uur na ontvangst van een kennisgeving van de makelaar van een door een derde uitgebrachte bieding die door hem qua prijs, overdrachtsdatum en ontbindende voorwaarden acceptabel wordt geacht, middels een schriftelijk bericht aan de makelaar en [eiser] kenbaar te maken dat zij die bieding wil evenaren en de woning toegedeeld wil krijgen tegen dezelfde prijs of dezelfde of betere voorwaarden als bedoelde bieder aan zijn bod verbonden had;\n\n [gedaagde] te veroordelen zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers er van kunnen weerhouden om een koopovereenkomst voor de woning te sluiten, te voltooien of af te ronden;\n\n [gedaagde] te veroordelen na totstandkoming van een koopovereenkomst (met een derde) alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het notarieel transport, waaronder alle handelingen die nodig zijn om de door de notaris op te stellen leveringsakte op het met de koper overeengekomen tijdstip te doen passeren;\n\nstaking of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 juni 2025, voor zover dit ziet op de veroordeling van [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de dwangsom vermeld in 5.7. van het vonnis,\n\neen en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke keer dat zij na betekening van het te wijzen vonnis nalaat aan één van de verzochte veroordelingen onder 1 tot en met 4 te voldoen;\n\n5. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2.. \n [eiser] legt aan de vordering het ten grondslag dat [gedaagde] de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om de bieding van [betrokkene 2] te evenaren. Omdat [betrokkene 2] door toedoen en tegenwerking van [gedaagde] is afgehaakt en zijn bod niet meer gestand wil doen, heeft de verkoop bij inschrijving niet tot een bruikbare uitkomst geleid. Dat is ook het geval als aangenomen zou worden dat het bod van [betrokkene 2] te laat was uitgebracht, gelet op de samenspanning tussen [gedaagde] en [betrokkene 1], aldus [eiser]. Aangezien [gedaagde] al tijdens de rechtbankprocedure in 2025 heeft laten weten dat als de woning aanmerkelijk meer waard zou zijn dan uit de toen door haar in het geding gebrachte taxaties zou blijken, zij deze niet wil overnemen. Partijen kunnen daarom slechts één ding doen: de woning via de gebruikelijke route verkopen, met als doel op zo’n kort mogelijke termijn een zo hoog mogelijke opbrengst te bereiken, aldus nog steeds [eiser].\n\n4.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, omdat deze volgens haar overbodig zijn gemaakt. Als de voorzieningenrechter één of meer vorderingen toewijst, verzoekt zij om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat dit zal leiden tot een onomkeerbaar resultaat, namelijk verkoop van de woning aan een derde. Het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze voorlopige voorziening te kunnen procederen, weegt zwaarder dan het niet door [eiser] onderbouwde spoedeisende belang om direct na een te wijzen vonnis tot een gedwongen verkoop te kunnen komen, aldus nog steeds [gedaagde].\n\n4.4.. \n [gedaagde] voert onder meer aan dat zij op juiste wijze het hoogste bod heeft geëvenaard en dat de woning voor dat bedrag aan haar moet worden toegedeeld. Er is daarom geen aanleiding om de executie van dwangsommen (jegens [eiser]) te staken of schorsen. Het is niet [gedaagde], maar [eiser] die tekortschiet in de nakoming van het door de rechtbank gewezen vonnis, aldus [gedaagde].\n\n4.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n4.6.. \n [gedaagde] vordert om, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nte verstaan dat het maximum van € 10.000,- aan verbeurde dwangsommen ter zake van de veroordeling, als opgelegd aan [eiser] bij vonnis van 11 juni 2025 is bereikt;\n\n [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag dat hij, na betekening van het te wijzen vonnis, niet aan de nakoming van een onderdeel van het vonnis van 11 juni 2025 voldoet en daarbij te bepalen dat daaraan een maximum wordt verbonden van € 150.000,-, althans, een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht;\n\nte bepalen dat, wanneer het maximum van het in dit vonnis opgelegde dwangsommen is bereikt zonder tijdige nakoming door [eiser] van het vonnis van 11 juni 2025, dit vonnis op grond van art. 3:300 lid 2 BW in de plaats komt van alle schriftelijke wilsverklaringen van [eiser] in de notariële akte van levering (productie 6), die eventueel na op initiatief van de notaris tot stand gekomen wijzigingen naar diens professionele overtuiging kan worden gepasseerd en voor zover deze wilsuitingen benodigd zijn om tot eigendomsoverdracht van zijn aandeel in de recreatiewoning aan [gedaagde] te komen;\n\nalthans aan [gedaagde] vervangende toestemming te verlenen om namens [eiser] over te gaan tot de ondertekening van de verdelingsakte, die is overgelegd als productie 5, die eventueel na op initiatief van de notaris tot stand gekomen wijzigingen naar diens professionele overtuiging kan worden gepasseerd en voor zover deze wilsuitingen benodigd zijn om tot eigendomsoverdracht van zijn aandeel in de woning aan [gedaagde] te komen;\n\n [eiser] te veroordelen in de kosten van dit geding in reconventie, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening.\n\n4.7.. \n [gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat de rechtbank in het vonnis een wijze van verdeling heeft gelast waar uitvoering aan is gegeven. [eiser] werkt echter niet mee aan de laatste stap: medewerking aan de notariële akte van verdeling van woning aan haar. Het dwangmiddel dat de rechtbank heeft opgelegd is niet voldoende om [eiser] te bewegen aan de door de rechtbank vastgestelde wijze van verdeling te voldoen. Zij vordert daarom verhoging van de dwangsommen. Voor het geval [eiser] ook dan niet nakomt, vordert zij dat het vonnis in de plaats komt van alle schriftelijke wilsverklaringen van [eiser] in de notariële akte van levering en meer subsidiair vervangende toestemming om namens [eiser] over te gaan tot ondertekenen van de verdelingsakte.\n\n4.8.. \n [eiser] voert verweer. [eiser] concludeert dat toewijzing van het in conventie gevorderde impliceert dat de vorderingen van [gedaagde] in reconventie niet toewijsbaar zijn.\n\n4.9.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\nSpoedeisend belang\n\n5.1.. Tussen partijen is sprake van een geschil over de uitvoering van de in het vonnis gelaste wijze van verdeling van de woning. Een verschil van inzicht over de uitkomst van het biedingsproces heeft tot een impasse geleid. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij de offerte die zij heeft liggen voor het overnemen van de woning maar een beperkte geldigheidsduur heeft, en haar mogelijk daarna niet nogmaals een aanbod wordt gedaan of tegen ongunstiger voorwaarden. Hiermee is het spoedeisend belang gegeven van zowel de vorderingen van [eiser] in conventie als die van [gedaagde] in reconventie.\n\nin conventie en in reconventie\n\nStaking \u002F schorsing executie dwangsommen\n\n5.2.. In dit geding gaat het in de kern om de vraag of, zoals [gedaagde] stelt, zij conform het vonnis heeft gehandeld en de voorwaarden waaronder de dwangsom door [eiser] is verschuldigd, zijn vervuld. Om die vraag te kunnen beantwoorden moet eerst beoordeeld worden of [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet aan die voorwaarden is voldaan, en dat, gelet op bij de tenuitvoerlegging op grond van na het vonnis aan het licht gekomen feiten, niet van hem gevergd kan worden dat hij zijn medewerking verleent aan toedeling van de woning aan [gedaagde] voor € 302.500,-.\n\nIs conform vonnis gehandeld?\n\n5.3.. \n [eiser] stelt dat niet het bod van [betrokkene 1], maar het bod van [betrokkene 2] het hoogste bod was dat is uitgebracht en dat [gedaagde] de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om dat bod te evenaren. Daarom is volgens hem niet aan de voorwaarden voldaan om de woning aan [gedaagde] toe te delen. [gedaagde] betwist dat en voert aan dat het bod van [betrokkene 2] niet als een bieding kan worden gezien, omdat het biedingstraject al was geëindigd.\n\n5.4.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] niet kan volhouden dat het biedingsproces na op 31 oktober 2025 12.00 nog doorliep. Partijen hebben de makelaar in hun brief van 4 september 2025 (3.8) de opdracht gegeven om het sluitingstijdstip te bepalen en slechts aangegeven dat dit uiterlijk 31 oktober 2025 zou zijn. Op initiatief van de makelaar en met instemming van partijen is besloten om de enveloppen op 31 oktober 2025 om 12.00 te openen (3.10). Daarmee is het biedingstraject die dag om 12.00 gesloten. Dat vervroeging van het tijdstip mogelijk voor [betrokkene 2] niet kenbaar is geweest, doet daar niet aan af. Het gaat immers om de tussen partijen in onderling overleg ter uitvoering van het vonnis gemaakte afspraken. Dat brengt mee dat die bieding van [betrokkene 2] buiten beschouwing moet blijven en voorshands uitgangspunt is dat het bod van [betrokkene 1] van € 302.500,- het hoogste bod is dat is uitgebracht. Daarmee is aan de orde de vraag of [gedaagde] door tijdig mee te delen dat zij de woning tegen die waarde aan zich wil laten toedelen, aan de voorwaarden heeft voldaan waaronder [eiser] medewerking aan toedeling moet verlenen.\n\n5.5.. \n [eiser] heeft dat betwist met de stelling dat (hem) is gebleken dat er tussen [gedaagde] en [betrokkene 1] onderlinge afstemming heeft plaatsgehad over de door beide uitgebrachte biedingen. Volgens hem heeft de verkoop daarom niet tot een bruikbare uitkomst geleid. Het ging immers om de vaststelling van een marktprijs door derden te vragen een bieding uit te brengen en daar is – zo begrijpt de voorzieningenrechter zijn stelling – geen sprake van wanneer biedingen met de belanghebbende bij de uitkomst van dat proces zijn beïnvloed. [gedaagde] heeft betwist dat daarvan sprake is geweest.\n\n5.6.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat er afstemming tussen haar en [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft immers niet betwist dat zij met betrekking tot de biedingsmogelijkheid en het biedproces contact met [betrokkene 1] heeft gehad, die een vriendin van haar is en peettante van haar dochter. Daarnaast heeft [eiser] erop gewezen dat zij beide dezelfde versie van het biedingsformulier hebben gebruikt, een versie die qua lay-out afwijkt van het biedingsformulier dat de makelaar gebruikt. Wat er ook zij van dat laatste, uit een verklaring van [betrokkene 1] van 1 mei 2026 blijkt dat zij het formulier voor zichzelf en [gedaagde] heeft uitgeprint. Ook heeft zij verklaard dat [gedaagde] haar erop heeft gewezen dat de woning beschikbaar was voor aankoop en dat het haar bekend was dat [gedaagde] zelf ook een bod wilde uitbrengen. De verklaring luidt als volgt:\n\nHierbij verklaar ik. [betrokkene 1] dat ik interesse had in de recreatiewoning [adres 1] te [plaats 2]. Ik heb de woning op 29 september 2025 bezichtigd met de makelaar. Hierna heb ik op 13 oktober 2025 een bod van € 302.500, uitgebracht in een gesloten envelop.\n\nIk ben enige tijd daarvoor door [gedaagde] op de hoogte gebracht van de beschikbaarheid van de woning. Ik zag de aankoop van de recreatiewoning als een mooie investering. Ik heb zelf de hoogte van mijn bod bepaald: ik heb deze gebaseerd op de WOZ-waarde die € 300.000.- bedroeg. Ik wist dat [gedaagde] zelf ook een bod wilde uitbrengen en heb haar daarvoor een biedingsformulier gegeven. Ik heb het biedingsformulier van de makelaar op 29 september ontvangen en uitgeprint vanuit Outlook.live.com: het was een docx document; mogelijk is de lay out daardoor bij het printen wat versprongen. Ik heb niets aan de inhoud of tekst gewijzigd.\n\nOp 27 oktober vernam ik van de makelaar dat de inschrijving sloot op 31 oktober 12.00 uur en ik heb mijn bod uiterlijk die dag nog tot 12.00 kon inleveren, waarna de enveloppen samen met de verkopers geopend zouden worden.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter acht het bod van [betrokkene 1] gelet op de vraagprijs van € 449.500,- opvallend laag, namelijk € 2.500,- boven de WOZ-waarde van € 300.000,-. Ook is opmerkelijk dat [gedaagde] de WOZ-waarde heeft geboden, terwijl zij in de eerder gevoerde bodemprocedure nog bereid was de woning op basis van taxaties voor € 310.000,- respectievelijk € 322.500,- over te nemen en een gelijksoortige woning inmiddels voor € 400.000,- was verkocht (3.5). De voorzieningenrechter acht in dat verband de verklaring van [gedaagde] niet geloofwaardig dat als zij [betrokkene 1] had laten weten dat ze zelf zou meebieden, zij een nog veel lager bedrag zou hebben genoemd. Daarbij komt dat [gedaagde] in de voorbereiding van het verkoopproces veel belang hechtte aan een gesloten proces met geheimhouding en onbekendheid van alle betrokkenen met de biedingen. Dat verhoudt zich niet met het feit dat zij zelf informatie heeft uitgewisseld met iemand van wie ze wist dat zij zou gaan bieden. Als uitleg voor het contact met [betrokkene 1], heeft [gedaagde] verklaard dat zij bang was dat [eiser] misbruik zou maken door een kennis ook mee te laten bieden. Feitelijk heeft [gedaagde] dat zelf gedaan en daarmee de door haar zelf overeengekomen nadere procedureafspraken geschonden. Het vonnis van 11 juni 2025 strekt er evidentelijk toe om een zuiver proces van marktconsultatie in te richten. Aan het proces zoals dat feitelijk is gevoerd kleven voldoende smetten om te oordelen dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling. Onder die omstandigheden kan [gedaagde] niet van [eiser] vergen dat hij meewerkt aan toedeling van de woning aan [gedaagde] voor € 302.500,-.\n\n5.8.. Dit brengt mee dat de vordering van [eiser] in conventie onder 4, om [gedaagde] te veroordelen de aangekondigde executie van dwangsommen op te schorten totdat in rechte is vastgesteld dat [gedaagde] recht heeft op toedeling van de woning toewijsbaar is. Deze zal uitvoerbaar bij voorraad worden toegewezen.\n\n5.9.. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen als gevorderd, maar wordt beperkt zoals in de beslissing vermeld.\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.10.. Gelet op het oordeel in conventie, dat erop neerkomt dat [gedaagde] toedeling van de woning aan zichzelf voor een waarde van € 302.500,- vooralsnog niet kan afdwingen, zullen alle vorderingen in reconventie worden afgewezen.\n\nin conventie verder\n\n5.11.. Omdat de conclusie vooralsnog is dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling, zal [gedaagde] worden veroordeeld om mee te werken aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning, echter overeenkomstig het vonnis van 11 juni 2025. De vordering onder 1 van [eiser] zal in die zin worden toegewezen. Dat betekent dat [eiser] zich ook ditmaal zal moeten houden aan de in het vonnis aan hem opgelegde verplichtingen. Partijen kunnen het elkaar makkelijker maken door in overleg met de makelaar een vraagprijs vast te stellen die ertoe kan leiden dat de belangstelling in de markt voor de woning wat groter wordt zonder dat [gedaagde]’s kansen op succesvol matchen geheel verdwijnen. (Uiteraard staat het hen ook overigens vrij om afspraken te maken die zonder verder gedoe tot afwikkeling van deze kwestie kunnen leiden.)\n\n5.12.. De vordering onder 2, dat [gedaagde] zich zal onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers kort gezegd kunnen afschrikken, zal ook worden toegewezen. De voorzieningenrechter acht toewijzing van deze vordering met dwangsom gepast, gelet op de niet weersproken feiten dat [gedaagde] Funda met succes heeft gesommeerd de woning van de site te halen en briefjes op de ramen van de woning heeft geplakt en na verwijdering is blijven plakken met daarop teksten dat de woning niet te koop is en verwijzing naar het vonnis van 11 juni 2025. De dwangsom wordt beperkt tot € 500,- per dag met een maximum van € 20.000,-.\n\n5.13.. De voorzieningenrechter zal de toewijzing van vordering 1 en 2 ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Aan het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze kwestie te procederen zal recht worden gedaan door te bepalen dat [eiser] aan deze uitvoerbaar bij voorraad verklaring geen rechten kan ontlenen indien en zolang [gedaagde] toezegt dat zij de aan de woning verbonden vaste lasten volledig betaalt en die toezegging ook in de praktijk brengt.\n\n5.14.. De vordering onder 3, die ziet op medewerking van [gedaagde] aan alle handelingen die nodig zijn voor de levering van de woning na totstandkoming van een koopovereenkomst, zal worden afgewezen. Gelet op de inhoud van het vonnis van 11 juni 2025 heeft [eiser] bij die vordering geen belang.\n\nin conventie en in reconventie\n\nProceskosten\n\n5.15.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen in conventie en reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nin conventie\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagde] om de op 22 april 2026 aangekondigde executie op te schorten, voor zover dit ziet op de veroordeling van [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de dwangsom vermeld in 5.7. van het vonnis, en de deurwaarder dienovereenkomstig te instrueren, totdat in rechte is vastgesteld dat [gedaagde] als uitkomst van de in september\u002Foktober 2025 gevolgde inschrijvingsprocedure recht heeft op toedeling van de onverdeelde helft van de woning,\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere keer of elke dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 6.1 voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde], na betekening van dit vonnis, om medewerking te verlenen aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning aan het [adres 1] te [plaats 2], overeenkomstig het hiervoor sub 3.6 aangehaalde vonnis,\n\n6.4.. veroordeelt [gedaagde], na betekening van dit vonnis, om zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces van de woning aan het [adres 1] te [plaats 2] belemmeren en\u002Fof potentiële kopers er van kunnen weerhouden om een koopovereenkomst voor de woning te sluiten, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [gedaagde], na betekening van dit vonnis, nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 20.000,-,\n\n6.5.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n6.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, en bepaalt dat [eiser] aan de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de onder 6.3 en 6.4 genoemde beslissing geen rechten kan ontlenen indien en zolang [gedaagde] toezegt dat zij de aan de woning verbonden vaste lasten volledig betaalt en die toezegging ook in de praktijk brengt,\n\n6.7.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n6.8.. wijst de vorderingen van [gedaagde] af,\n\n6.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n1621","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7505","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:45.957Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":67,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":51,"updatedAt":80},"898","ECLI:NL:RBOVE:2026:3809","ecli-nl-rbove-2026-3809",57,"RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: C\u002F08\u002F338475 \u002F HA ZA 25-310\n\nVonnis van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiseres],\n\nte [woonplaats 1], 2. [eiser],\n\nte [woonplaats 2],\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: eisers of [eisers],\n\nadvocaat: mr. F.A. van den Heuvel,\n\ntegen\n\n [gedaagde] in haar hoedanigheid van executeur en erfgenaam,\n\nte [woonplaats 3],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nadvocaat: mr. D.P.M. Buysrogge.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 8 september 2025 met producties 1 t\u002Fm 6, - de conclusie van antwoord met producties 1 en 2, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het bericht van 25 maart 2026 met producties 7 t\u002Fm 9 van [eisers], - de mondelinge behandeling van 30 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Buysrogge.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Waar de zaak over gaat\n\n2.1. Deze zaak gaat over de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van eisers. Gedaagde was de partner van erflater en is executeur en erfgenaam in die nalatenschap. Volgens eisers heeft hun vader destijds in het echtscheidingsconvenant met hun moeder een vorderingsrecht ten behoeve van hen opgenomen. Eisers stellen dat zij op grond van het echtscheidingsconvenant recht hebben op de overwaarde van de woning van hun vader\u002Ferflater op het moment dat hun vader zou overlijden. Eisers spreken nu de executeur van de nalatenschap aan. Zij willen vaststelling van de overwaarde van de woning en betaling van het bedrag daarvan.\n\n2.2. De rechtbank wijst de vordering af en legt in dit vonnis uit waar die beslissing op gebaseerd is.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Eisers zijn broer en zus van elkaar. Hun vader, [erflater] (hierna te noemen erflater), is op [overlijdensdatum] 2025 overleden.\n\n3.2. Erflater woonde op het moment van overlijden samen met [gedaagde], met wie hij een affectieve relatie had. [gedaagde] heeft zelf vier kinderen.\n\n3.3. \n\nErflater is eerder gehuwd geweest met de moeder van eisers, mevrouw [naam 1], en dit huwelijk is in 2008 geëindigd door echtscheiding. In het echtscheidingsconvenant zijn afspraken opgenomen over de verdeling van de echtelijke woning. Daarbij is onder 2.3 van het convenant bepaald:\n\n“De man bepaalt hierbij dat hij, bij zijn overlijden, zal zorgdragen voor een positief saldo voortvloeiende uit de woning in zijn eigendom. Hiermee wordt bedoeld dat, na aftrek van de hypotheekkosten en andere kosten aangaande de woning, een positief saldo zal overblijven. Dit saldo komt bij helfte toe aan de twee kinderen van partijen. Voor de financiële afwikkeling hiervan zal de oudste dochter, [naam 2] (…), als aanspreekpunt gelden”.\n\n3.4. Erflater heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Het testament is opgemaakt op 2 december 2011. Daarin is [gedaagde] benoemd tot enig erfgename en tot executeur. In het testament is een tweetrapsmaking opgenomen ten behoeve van de kinderen van erflater en de kinderen van [gedaagde]. Onder het kopje “Duur van de tweetrapsmaking” zijn acht situaties beschreven waarin het recht van de bezwaarde eindigt.\n\n3.5. \n\nOp 17 maart 2025 heeft erflater een aanvulling op zijn testament vastgelegd in een aanvullend testament. Daarin is, onder verwijzing naar bepaling 2.3 uit het hiervoor genoemde echtscheidingsconvenant, opgenomen: “(…) Middels voormeld testament en deze aanvulling wil ik mijn partner zo verzorgd mogelijk achter laten. Tegelijkertijd wil ik uitvoering geven aan voorgaande bepaling in voormeld convenant. (…)”\n\nEn verder:\n\n“(…) Om toe te komen aan de betreffende bepaling in voormeld convenant vul ik middels dit aanvullend testament de bepalingen opgenomen onder het kopje “Duur van de tweetrapsmaking” aan, zodat mijn twee (2) kinderen bij de verkoop van mijn woning door mijn partnerieder recht hebben op één\u002Fderde (1\u002F3) deel van de netto-verkoopopbrengst. Mijn partner heeft recht op het restant van de netto-verkoopopbrengst nu wij al meer dan achttien (18) jaar samenwonen en mijn partner heeft bijgedragen aan de lasten, onderhoudskosten en dergelijke met betrekking tot mijn woning. De ontbindende voorwaarden blijven van kracht. Indien een van de ontbindende voorwaarden in mijn voormelde testament zich voordoet, voordat er sprake is van de ontbindende voorwaarde hierna onder II genoemd inzake de verkoop van de woning, verkrijgen mijn kinderen en de kinderen van mijn partner, hetgeen mijn partner, zijnde de bezwaarde 1, uit mijn nalatenschap aan haar nagelatene bij haar overlijden onverteerd heeft nagelaten, ieder voor het één\u002Fzesde (1\u002F6) gedeelte en zal de verdeling van de netto-verkoopopbrengst niet plaatsvinden conform onderstaande. (…)”\n\n3.6. De toenmalige gemachtigde van [eisers] heeft op 7 mei 2025 een brief gestuurd aan [gedaagde]. Daarin wordt namens [eisers] - naast een verzoek om een boedelbeschrijving - aanspraak gemaakt op betaling aan [eisers] van een vordering uit de nalatenschap van erflater bestaande uit de overwaarde van de woning. In de brief beroepen zij zich op artikel 2.3 uit het echtscheidingsconvenant uit 2008. Zij vragen in de brief aan [gedaagde] om voor 23 mei 2025 per post of per mail te bevestigen dat zij aan het betalingsverzoek zal voldoen.\n\n3.7. De advocaat van [gedaagde] heeft op 16 juni 2025 per e-mail gereageerd en heeft in dat bericht samengevat meegedeeld dat [gedaagde] de vordering van [eisers] niet zal voldoen.\n\n4. Het geschil\n\n4.1. \n [eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nzal bepalen dat de woning aan de [adres] getaxeerd moet worden door een onafhankelijke taxateur,\n\nzal vaststellen dat de vordering van eisers bedraagt het verschil van de getaxeerde waarde van de woning minus de hypotheekschuld,\n\n [gedaagde] zal veroordelen om deze vordering te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 mei 2025.\n\n4.2. \n [eisers] stellen dat zij een vordering hebben op de nalatenschap van hun vader die voortvloeit uit het echtscheidingsconvenant dat destijds in 2008 tussen hun ouders is overeengekomen. Het gaat om artikel 2.3 van dat convenant (zoals hiervoor weergegeven onder 3.3.) en de vordering betreft de toedeling aan hen van de overwaarde van de woning van erflater. Volgens [eisers] is in bedoelde bepaling van het convenant een vorderingsrecht onder opschortende voorwaarde opgenomen ten behoeve van hen. Die opschortende voorwaarde betreft het overlijden van hun vader en die voorwaarde is op [overlijdensdatum] 2025 in vervulling gegaan. Volgens [eisers] heeft erflater het vorderingsrecht uit het convenant niet eenzijdig kunnen wijzigen in zijn testament.\n\n4.3. \n [gedaagde] voert verweer. Zij wil dat de vordering van [eisers] wordt afgewezen met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.\n\n4.4. \n [gedaagde] voert aan dat – hoewel bedoelde bepaling in het echtscheidingsconvenant is opgenomen – op basis van die bepaling geen vordering van [eisers] op de nalatenschap is ontstaan. Volgens [gedaagde] moet bij de afwikkeling van de nalatenschap het testament van erflater worden gevolgd en daarin is iets anders bepaald. Zij voert daarbij aan dat erflater bij leven met zijn kinderen heeft gesproken over de overwaarde van de woning en dat hij de inhoud van dat gesprek in een schriftelijk stuk heeft vastgelegd. Een afschrift van dat stuk heeft zij overgelegd. Het stuk heeft als datumvermelding “december 2024” en is volgens [gedaagde] ondertekend door erflater en door zijn beide kinderen.\n\n4.5. \n\nOp de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5 De beoordeling\n\nJuridische beoordeling\n\n5.1. \n [eisers] stellen dat zij pas na het overlijden van hun vader kennis hebben genomen van het convenant en het testament met tweetrapsmaking. Zij hebben zich daardoor overvallen gevoeld omdat enerzijds een bedrag aan hen is toegekend in het convenant en anderzijds de tweetrapsmaking tot gevolg heeft dat zij nu nog geen erfgenaam zijn. In deze procedure vorderen zij impliciet nakoming van het derdenbeding in het convenant van [gedaagde] als executeur. Concreet willen zij vaststelling van de overwaarde van de woning uit de nalatenschap en betaling van het bedrag daarvan aan hen beiden. Om de vordering te kunnen beoordelen moet worden vastgesteld wat de juridische waarde is van het derdenbeding ten opzichte van het convenant en ten opzichte van het testament (uiterste wil) van erflater. Dat is een juridische beoordeling.\n\n5.2. \n [eisers] hebben een beroep gedaan op het beding in het convenant als een derdenbeding (artikel 6:253 BW). Zij stellen dat erflater niet mocht afwijken van dit beding in zijn testament en aanvullende testament. De rechtbank volgt [eisers] hierin niet en motiveert dat oordeel als volgt.\n\n5.3. Ook als [eisers] worden gevolgd in hun standpunt dat de bepaling uit het convenant een derdenbeding is ten behoeve van [eisers], kunnen zij daar ten aanzien van de nalatenschap geen rechten aan ontlenen. De bepaling uit het convenant lijkt weliswaar op een testamentaire beschikking, maar is dat niet. Een testamentaire beschikking (uiterste wil) moet immers worden vastgelegd in een notariële akteen de bepaling uit het convenant voldoet daar niet aan. De bepaling in het convenant moet gelet op de stellingen van partijen worden begrepen als een schenking aan [eisers], die pas na het overlijden van de schenker (hun vader) zou worden uitgevoerd. In het convenant is namelijk bepaald dat eisers bij het overlijden van erflater ieder recht hebben op de helft van het positieve saldo van de woning. Hiermee is sprake van een beding om niet met de strekking om pas na het overlijden van de schenker te worden uitgevoerd. Dit volgt ook uit de stellingen van [eisers]. Zij stellen dat ze op grond van het echtscheidingsconvenant een vordering onder opschortende voorwaarde op hun vader hebben gekregen. De opschortende voorwaarde is volgens [eisers] komen te vervallen met het overlijden van hun vader. Dat het derdenbeding volgens [eisers] samenhing met het feit dat hun moeder te weinig heeft gekregen in de onderlinge verdeling bij de echtscheiding, is niet genoeg voor een ander oordeel. Als sprake is van een derdenbeding, komt dat beding in de verhouding tussen erflater en [eisers] namelijk feitelijk neer op een schenking die pas na het overlijden van de schenker (hun vader) zou worden uitgevoerd. [eisers] hebben geen feiten gesteld die tot een andere uitleg van het beding leiden. Een dergelijke schenking vervaltbij het overlijden van de schenker als van de schenking geen notariële akte is opgemaakt. In dit geval is van de schenking geen notariële akte opgemaakt. Aangenomen moet dan ook worden dat de gestelde schenking is komen te vervallen. Het beroep van [eisers] op de bepaling in het convenant als derdenbeding (artikel 6:253 BW) gaat ten aanzien van de nalatenschap dus niet op.5.4. Erflater heeft bovendien over zijn nalatenschap beschikt in zijn testament zoals dat is opgemaakt in 2011 en is aangevuld op 17 maart 2025. Erflater is daarbij ook expliciet ingegaan op het convenant en de manier waarop hij de gevolgen daarvan erfrechtelijk wilde regelen (r.o. 3.5. hiervoor). Dit stond erflater vrij, nu de gestelde schenking niet notarieel is vastgelegd. De rechtbank zal dan ook uitgaan van hetgeen in het testament en de aanvulling is vastgelegd.\n\n5.5. In het testament en de daarbij behorende aanvulling is bepaald dat [eisers] pas aanspraak kunnen maken op een deel van de overwaarde van de woning, namelijk een derde of een zesde deel daarvan, als [gedaagde] bij leven de woning gaat verkopen of als [gedaagde] overlijdt. Geen van die situaties doen zich nu voor, zodat [eisers] op dit moment niets kunnen vorderen van [gedaagde]. De rechtbank komt daarom tot de slotsom dat de vordering van [eisers] niet toewijsbaar is.\n\nDe handtekeningen onder het stuk uit december 2024\n\n5.6. Zoals hiervoor onder 4.2 genoemd, heeft [gedaagde] een stuk overgelegd ter onderbouwing van haar verweer dat [eisers] bekend waren met de wens van hun vader ten aanzien van zijn woning. [eisers] betwisten de authenticiteit van dit document en voeren aan dat zij dit document niet hebben ondertekend. Ter onderbouwing hiervan hebben zij een rapport overgelegd van een deskundige die de handtekeningen onder het document heeft onderzocht. [gedaagde] heeft vervolgens weersproken dat de handtekeningen vervalst zijn. Volgens [gedaagde] blijkt dit niet uit het rapport.\n\n5.7. Om te kunnen vaststellen of de handtekeningen zijn vervalst, zou nadere bewijslevering nodig zijn. Aan die bewijslevering komt de rechtbank niet toe nu de vorderingen van [eisers] gelet op het voorgaande vanwege de aard van de schenking niet toewijsbaar zijn. Aan een nadere beoordeling van het verweer van [gedaagde] en het in dat kader overgelegde document komt de rechtbank dan ook niet toe.\n\nProceskosten\n\n5.8. Gelet op de verhoudingen tussen partijen en de aard van de zaak zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat beide partijen hun eigen kosten dragen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank,\n\n6.1. wijst de vordering(en) van [eisers] af,\n\n6.2. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026. (ap)\n\n Zie artikel 4:94 BW (artikel 94 uit Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek)\n\n Zie artikel 7:177 lid 1 BW","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3809","2026-07-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:53.606Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":43,"courtId":85,"decisionDate":70,"fullText":86,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":88,"parsedAt":51,"updatedAt":89},"1667","ECLI:NL:RBOVE:2026:3803","ecli-nl-rbove-2026-3803",69,"RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam kanton en handelsrecht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer : 12259672 \\ EJ VERZ 26-101\n\nBeschikking van de kantonrechter van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nmr. [verzoekster], kandidaat-notaris, kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,\n\nverzoekster,\n\nzelfstandig procederende\n\ntegen\n\n1. [verweerder 1] ,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nverweerder sub 1,\n\n2. [verweerder 2]wonende te [woonplaats 2] ,\n\nverweerder sub 2,\n\n3. [verweerder 3] ,wonende te [woonplaats 3] ,\n\nverweerder sub 3,\n\n4. [verweerder 4], wonende te [woonplaats 4] ,\n\nverweerder sub 4,\n\n5. [verweerder 5], wonende te [woonplaats 5] ,\n\nverweerster sub 5,\n\n6. [verweerder 6], wonende te [woonplaats 6] ,\n\nverweerster sub 6,\n\nhierna ook wel samen te noemen: verweerders.\n\nVerzoekster heeft het verzoek gedaan in haar hoedanigheid van belanghebbende in de nalatenschap van mevrouw [erflaatster], overleden op [overlijdensdatum] 2025, laatst wonende te [woonplaats 7] .\n\n1. De procedure1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van het op 1 juni 2026 ter griffie ingekomen verzoekschrift ingevolge artikel 4:192 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) inzake de nalatenschap van mevrouw [erflaatster], overleden op [overlijdensdatum] 2025, laatst wonende te [woonplaats 7] , hierna te noemen erflaatster.\n\n2. De feiten2.1. Erflaatster heeft blijkens het uittreksel uit het Centraal Testamentenregister geen testament gemaakt.\n\n2.2. Bij brieven van 9 maart 2026 en 20 april 2026 heeft verzoekster de erfgenamen verzocht om een keuze te maken omtrent de nalatenschap.\n\n3. Het verzoek en de beoordeling3.1. Verzoekster verzoekt de kantonrechter om een termijn te stellen aan de erfgenamen om een keuze te maken inzake de nalatenschap van erflaatster. Verzoekster verzoekt de kantonrechter de proceskosten ten laste van de nalatenschap te brengen van de nalatenschap.\n\n3.2. \n\nIn het verzoekschrift staat vermeld dat de erfgenamen niet hebben gereageerd op de brieven van 9 maart 2026 en 20 april 2026 en zij, ondanks de brieven van 9 maart 2026 en 20 april 2026 van verzoekster) nog geen keuze hebben gemaakt of zij de nalatenschap van erflaatster verwerpen of (zuiver dan wel beneficiair) aanvaarden.\n\nVerzoekster merkt op dat de nalatenschap van erflaatster moet worden afgewikkeld en dat zij als notaris belast is met deze taak.\n\n3.3. Het verzoek strekt ertoe om elk van de verweerders voornoemd als wettelijk erfgenamen van [erflaatster] voornoemd een termijn te stellen waarbinnen zij zich moeten uitlaten omtrent het verwerpen dan wel zuiver of onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden van de nalatenschap.\n\n3.4. De kantonrechter overweegt dat verzoekster een belang heeft bij afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster. Als notaris is zij belast met de afwikkeling van de nalatenschap. Erflaatster is overleden op [overlijdensdatum] 2025. Geen van de verweerders heeft kennelijk een keuze uitgebracht.\n\n3.5. Overwogen wordt dat, gezien hetgeen door verzoekster naar voren is gebracht, er voldoende grond is om verweerders een termijn te stellen waarbinnen zij zich dienen uit te laten over aanvaarding en de wijze van aanvaarding dan wel verwerping van de nalatenschap.\n\n3.6. Van feiten of omstandigheden die zich tegen inwilliging van het verzoek verzetten, is niet gebleken. De kantonrechter acht het redelijk de termijn te stellen op acht weken, ingaande op de dag nadat verzoekster deze beschikking aan verweerders heeft doen betekenen en de beschikking onder vermelding van de gedane betekening heeft doen inschrijven in het boedelregister.\n\n3.7. De kantonrechter wijst erop dat indien verweerders deze termijn van acht weken laten verlopen zonder inmiddels een keuze te hebben gedaan, zij geacht worden de nalatenschap zuiver te aanvaarden (artikel 4:192 lid 3 BW)\n\nKosten\n\n3.8. Volgens vaste jurisprudentie is het uitgangspunt dat de kosten wegens handelingen die objectief noodzakelijk zijn bij de afwikkeling van een nalatenschap en die verricht worden ten behoeve van een algemeen belang, en dus niet ten behoeve van het individuele belang van een erfgenaam, als kosten in de zin van artikel 4:7 lid 1 aanhef en onder sub c BW kunnen worden aangemerkt.\n\n3.9. De kantonrechter oordeelt dat de kosten van deze procedure kunnen worden aangemerkt als kosten die noodzakelijk zijn voor de afwikkeling van de nalatenschap en zal daarom het verzoek om de proceskosten ten laste te brengen van de nalatenschap toewijzen als hierna te formuleren.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:4.1. stelt [verweerder 1] , [verweerder 2] , [verweerder 3] , [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 6] een termijn van acht weken voor het maken van een keuze ter zake het wel of niet aanvaarden van de nalatenschap en in geval van aanvaarding de manier waarop die aanvaarding plaatsvindt, welke termijn ingaat op de dag nadat verzoekster deze beschikking aan elk van de verweerders voornoemd heeft doen betekenen en de beschikking onder vermelding van de gedane betekening heeft doen inschrijven in het boedelregister;\n\n4.2. bepaalt dat de kosten van de onderhavige procedure ten laste van de nalatenschap van erflaatster mogen worden gebracht;\n\n4.3. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A. Smedes, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n(JHd(O)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3803","2026-07-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.487Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":43,"courtId":85,"decisionDate":50,"fullText":94,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":96},"1141","ECLI:NL:RBOVE:2026:3767","ecli-nl-rbove-2026-3767","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F08\u002F346399 \u002F HA RK 26-41\n\nBeschikking van 22 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats 1],\n\nverzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat: mr. A.A.M. de Ruiter-Oude Ophuis, te Almelo,\n\ntegen\n\n1. [verweerder 1] ,\n\nwonende te [woonplaats 2] , 2. [verweerder 2],\n\nwonende te [woonplaats 2] , 3. [verweerder 3],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nverweerders, hierna ook wel te noemen: [verweerders] .\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties,\n\n- het verweerschrift.\n\n1.2. \n\nDe mondelinge behandeling is gehouden op 20 mei 2026 door middel van een\n\nhybride zitting waarbij [verzoeker] via een online verbinding is verschenen, bijgestaan door zijn\n\ngemachtigde die fysiek is verschenen. Daarnaast zijn fysiek verschenen [verweerder 1] en [verweerder 2] .\n\n1.3. De beschikking (na een kort uitstel) is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Op [sterfdatum] is mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) te [woonplaats 2] overleden. [verweerders] zijn broers van erflaatster.\n\n2.2. Erflaatster heeft bij testament van 23 mei 2018 een geldbedrag van € 40.000,00 gelegateerd aan haar twee neven [verzoeker] en [naam] , zonen van [verweerder 1] . [verzoeker] en [naam] zijn inmiddels meerderjarig.\n\nIn het testament is onder “hoofdstuk 3. Geldlegaat” onder “1. Legaat” opgenomen:\n\n“Ik legateer, zonder bijberekening van rente en opeisbaar één jaar na mijn overlijden, een bedrag in geld ter grootte van veertigduizend euro (€ 40.000,00) aan [naam] en [verzoeker] , kinderen van mijn broer [verweerder 1] , ieder voor het deel als door de hierna\n\ngenoemde bewindvoerders te bepalen.\n\nDit legaat wordt hierna ook ‘het fonds genoemd.”\n\nEn onder “2. Fonds”:\n\n“Het fonds is bestemd om de hiervoor genoemde neven [naam] en [verzoeker] de gelegenheid\n\nte geven een studie te beginnen en te voorzien in de betaling van een deel van hun studiekosten.”\n\n2.3. Over dit legaat is testamentair bewind als bedoeld in artikel 4:153 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingesteld.\n\nOnder “hoofdstuk 3. Geldlegaat” staat onder “3. Bewind” opgenomen:\n\n“Ik stel een bewind in over dat wat door mij aan ieder van de hiervoor onder 1. genoemde legatarissen is nagelaten of vermaakt. Het is een bewind in de zin van artikel 4:153 Burgerlijk Wetboek. Dit bewind stel ik in het belang van de rechthebbende.”\n\n2.4. Onder “3. Bewind” staat onder “b. Benoeming bewindvoerder”:\n\n“Ik benoem mijn broers [verweerder 2] , [verweerder 1] en [verweerder 3] , tot bewindvoerders.\n\nAls een van hen zijn benoeming niet aanvaardt of zijn hoedanigheid van bewindvoerder\n\neindigt, benoem ik in zijn plaats, mijn zus [zus] , tot (mede)bewindvoerder.”\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1. Het verzoek van [verzoeker] strekt, kort samengevat, primair tot opheffing van het testamentair bewind en subsidiair tot ontslag van de bewindvoerders.\n\n3.2. Daarnaast vordert [verzoeker] in zijn primaire verzoek om verweerders te veroordelen om binnen twee weken na afgifte van de beschikking conform artikel 4:160 BW een boedelbeschrijving op te maken over de periode van [sterfdatum] tot heden, en overeenkomstig 4:161 BW rekening en verantwoording af te leggen aan verzoeker over de periode van [sterfdatum] tot het moment dat het bewind wordt opgeheven, onder overlegging van de volledige administratie en alle bankafschriften. En tevens te bepalen dat het onder bewind gestelde vermogen aan verzoeker wordt uitgekeerd.\n\n3.3. Aan zijn verzoek legt [verzoeker] , kort samengevat, ten grondslag dat hij inmiddels meerderjarig is, zelfstandig woont en een universitaire studie volgt, en er geen reëel risico is dat hij het geld aan andere doelen dan aan zijn studie zal besteden. [verzoeker] is goed in staat om zelfstandig en op verantwoorde wijze over het gelegateerde bedrag te beschikken. Er is nu hij meerderjarig is geen behoefte meer begeleiding of bescherming, aldus [verzoeker] . Hij wil vrij over het gelegateerde bedrag kunnen beschikken.\n\n3.4. \n [verzoeker] merkt verder op dat verweerders hebben nagelaten inzage te verschaffen en rekening en verantwoording af te leggen. Hij vindt dat de relatie met zijn vader wordt belast door het ingestelde bewind.\n\n3.5. Verweerders menen dat een uitkering ineens van het gehele bedrag niet in het belang is van [verzoeker] . Denkbaar is dan volgens verweerders dat het geld (deels) aan andere doeleinden wordt besteed. Zij benadrukken dat het de wens van erflaatster was dat het legaat wordt aangewend voor studiedoeleinden. Dat [verzoeker] inmiddels meerderjarig is, is nog geen reden om het bewind op te heffen. Dit volgt ook niet uit de tekst van de notariële akte (testament van 23 mei 2018), aldus verweerders.\n\n4. De beoordeling\n\nBevoegdheid\n\n4.1. Op grond van artikel 4:178 lid 2 BW is de rechtbank bevoegd te beslissen op het primaire verzoek tot opheffing van een testamentair bewind. Op grond van artikel 4:164 BW is de kantonrechter bevoegd om te beslissen op het subsidiaire verzoek tot ontslag van een bewindvoerder.\n\n4.2. Het verzoek is ingediend bij de rechtbank. Ter zitting hebben partijen verklaard dat zij in deze procedure graag een eindbeslissing willen. Zij hebben ingestemd met het voorstel van de rechter dat hij in deze procedure het primaire verzoek behandelt als rechter van de rechtbank en dat hij, als hij daaraan toekomt, over het subsidiaire verzoek beslist als kantonrechter.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.3. De rechtbank zal het testamentaire bewind niet opheffen. Er is weliswaar geen reden eraan te twijfelen dat [verzoeker] goed in staat is zelf op een verstandige manier met het geld om te gaan, maar hier staat de wens van erflaatster tegenover. In het testament staat duidelijk de wens van erflaatster beschreven, te weten dat het legaat wordt aangewend voor studiedoeleinden voor haar beide neven [verzoeker] en [naam] . Zij had kunnen bepalen dat in bepaalde omstandigheden het volledige bedrag uitgekeerd zou moeten worden of dat dan (bijvoorbeeld bij het bereiken van de meerderjarigheid) het bewind zou eindigen, maar dat heeft zij niet gedaan. Bovendien heeft zij niet bepaald dat beide broers [verzoeker] en [naam] uiteindelijk ieder de helft van het legaat van € 40.000 moeten krijgen, maar de verdeling van het geld overgelaten aan de bewindvoerders. Daaruit blijkt dat zij de besteding van het geld aan het door haar gekozen doel belangrijker vond dan de gelijke verdeling van het geld tussen [verzoeker] en [naam] . De wil van erflaatster maakt het dus scherp gesteld mogelijk dat de ene broer het volledige bedrag ontvangt, omdat hij een studie begint en studiekosten maakt, terwijl de andere broer, die nooit studiekosten maakt, niets krijgt. Zo bezien strekt het bewind er dan mede toe dat onenigheid tussen [verzoeker] en [naam] over de verdeling van het legaat wordt voorkomen, omdat niet zijzelf, maar de bewindvoerders over de verdeling beslissen.\n\n4.4. Al met al moet hier de duidelijke wil van erflaatster prevaleren boven de invoelbare wens van [verzoeker] . De rechtbank wijst daarom het verzoek tot opheffing van het bewind af.\n\n4.5. De rechtbank zal ook het verzoek van [verzoeker] zoals hiervoor onder 3.2. vermeld afwijzen. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat bewindvoerders geen informatie zullen verstrekken en\u002Fof rekening en verantwoording zullen afleggen, als bedoeld in artikel 4:160 BW (beschrijving) en artikel 4:161 BW (rekening en verantwoording). Zij hebben inmiddels een overzicht verstrekt aan de gemachtigde van [verzoeker] en ook hebben zij tijdens de mondelinge behandeling een toelichting gegeven over de bedragen die op de bank staan, de bedragen die zijn overgemaakt, de bankrekeningen en de wijze van overmaken. Ook heeft [verzoeker] de bedragen op het overzicht niet betwist.\n\n4.6. De kantonrechter ziet wel reden om het subsidiaire verzoek deels toe te wijzen door [verweerder 1] te ontslaan als bewindvoerder.\n\n4.7. \n\nHet subsidiaire verzoek tot ontslag van de bewindvoerders heeft [verzoeker] in de eerste plaats gebaseerd op gebrek aan transparantie over de financiële stand van zaken en aan het ontbreken van adequate rekening en verantwoording. Maar tijdens de mondelinge behandeling hebben de bewindvoerders meer inzicht in de stand van zaken verschaft en hebben zij gezegd te begrijpen dat [verzoeker] en [naam] behoefte hebben aan een heldere en gestructureerde periodieke rekening en verantwoording.\n\nOok de kantonrechter begrijpt deze behoefte. Hij roept de bewindvoerders daarom op daaraan tegemoet te komen en hij vertrouwt erop dat zij dat zullen doen. Dat zo zijnde is er geen reden om de bewindvoerders te ontslaan vanwege in ernstige mate tekortschieten in de nakoming van hun verplichtingen.\n\n4.8. \n\nOok voor bewindvoerder [verweerder 1] geldt dat hij zijn taak als bewindvoerder naar eer en geweten uitvoert overeenkomstig de wens van zijn overleden zus. Maar zijn rol is anders omdat hij naast bewindvoerder ook de vader van [verzoeker] en [naam] is. Deze dubbelrol leidt tot spanningen. Zo heeft [verzoeker] bij verzoekschrift gesuggereerd dat [verweerder 1] het legaat gebruikt om zijn financiële verplichtingen als vader te ontlopen. Deze suggestie heeft [verweerder 1] tijdens de zitting met kracht van argumenten ontzenuwd, maar dat het zo gegaan is, illustreert dat de rollen van [verzoeker] als legataris en van [verweerder 1] als bewindvoerder schade opleveren in hun verhouding als zoon en vader. De kantonrechter acht het voor beiden beter dat een einde wordt gemaakt aan het risico van rolonduidelijkheid en rolvermenging. Dan hoeft [verzoeker] niet langer te denken dat zijn vader een middel heeft om zijn financiële verantwoordelijkheid te ontlopen en hoeft [verweerder 1] geen uitlatingen meer te doen die [verzoeker] op kan vatten als blijken van gebrek aan vertrouwen in zijn zelfstandigheid. Beiden kunnen zich dan ongehinderd door ballast wijden aan de rollen van vader en zoon.\n\nDe kantonrechter acht een en ander een gewichtige reden die tot ontslag van [verweerder 1] als bewindvoerder moet leiden.\n\n4.9. Nu de hoedanigheid van [verweerder 1] als bewindvoerder met het ontslag eindigt, wordt op grond van het testament in zijn plaats [zus] , zus van [verweerders] en tante van [verzoeker] en [naam] , tot medebewindvoerder benoemd. De kantonrechter hoeft haar dus niet in die hoedanigheid te benoemen.\n\nProceskosten\n\n4.10. Gelet op de uitkomst van de zaak en de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke verhouding tot elkaar staan, bestaat aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\n5.1. De rechtbank wijst het primaire verzoek om het testamentair bewind op te heffen af.\n\n5.2. De kantonrechter ontslaat [verweerder 1] als bewindvoerder.\n\n5.3. De rechtbank en de kantonrechter compenseren de proceskosten tussen partijen in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt en wijzen af wat meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven te Almelo door mr. U. van Houten, (kanton)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3767","2026-07-13T00:29:06.256Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":43,"courtId":85,"decisionDate":50,"fullText":101,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":103},"1088","ECLI:NL:RBOVE:2026:3766","ecli-nl-rbove-2026-3766","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F08\u002F347481 \u002F HA RK 26-54\n\nBeschikking van 22 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [partij A.1] ,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nverzoekster sub 1, verweerster sub 1 in het tegenverzoek, hierna ook wel te noemen: [partij A.1] ,\n\nadvocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters, te Deventer,2. 2. [partij A.2] ,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nverzoeker sub 2, verweerder sub 1 in het tegenverzoek, hierna ook wel te noemen: [partij A.2] ,\n\nadvocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters, te Deventer,\n\ntegen\n\n [partij B],\n\nwonende te [woonplaats 3] ,\n\nhierna ook wel te noemen: [partij B] ,\n\nverweerder, verzoeker in het tegenverzoek,\n\nadvocaat: mr. L.B. Plantema-Volkers, te Zwolle,\n\nbelanghebbende:\n\n [belanghebbende],\n\nwonende te [woonplaats 4] ,\n\nhierna ook wel te noemen: [belanghebbende] , belanghebbende,\n\nvanwege de gelijkluidende familienaam worden partijen ook wel aangeduid met hun voornaam (roepnaam).\n\n1. De procedure\n\n1.1. Op 30 april 2026 is bij de rechtbank ingekomen het verzoekschrift van [partij A.1] en [partij A.2] om een vereffenaar te benoemen op grond van artikel 4:203 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW), met producties, en tevens het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).\n\n1.2. \n [partij B] heeft op 8 juni 2026 een verweerschrift en een zelfstandig (tegen)verzoek ingediend.\n\n1.3. De mondelinge behandeling is gehouden op 11 juni 2026. [partij A.1] en [partij A.2] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. [partij A.2] heeft de mondelinge behandeling via een online verbinding bijgewoond. [partij B] is verschenen bij zijn gemachtigde. [belanghebbende] is verschenen.\n\n1.4. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Op [overlijdensdatum] is overleden [erflaatster] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1927 (hierna: erflaatster). De laatste woonplaats van erflaatster was [woonplaats 5] .\n\n2.2. Partijen zijn kinderen en erfgenamen van erflaatster.\n\n2.3. In het testament van 5 juni 2020 heeft erflaatster beschikt over haar nalatenschap. Zij heeft [partij B] tot executeur van haar nalatenschap benoemd.\n\n2.4. \n [partij B] heeft op 18 juni 2025 de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard.\n\n2.5. Bij beschikking van 25 juli 2025 van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, zaaknummer 11705239 EJ VERZ 25-83, is [partij B] ontslagen als executeur en is mr. P.F. Schepel benoemd tot vervangende executeur.\n\n3. Het verzoek en het verweer met zelfstandig (tegen)verzoek\n\nHet verzoek van [partij A.1] en [partij A.2]\n\n3.1. \n [partij A.1] en [partij A.2] verzoeken de rechtbank op grond van artikel 4:203 lid 1 onder a Burgerlijk Wetboek (BW) bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, mr. P.F. Schepel , werkzaam bij JPR Advocaten te Deventer, te benoemen tot vereffenaar van de nalatenschap van erflaatster.\n\n3.2. Daarnaast verzoeken zij bij wijze van voorlopige voorziening mr. P.F. Schepel te benoemen tot voorlopige vereffenaar.\n\n3.3. Aan het verzoek hebben [partij A.1] en [partij A.2] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Zij merken op dat door Schepel als executeur geen ruimschoots verklaring als bedoeld in artikel 202 lid 1 onder a BW kan worden afgegeven. Daarom moet de nalatenschap vereffend worden overeenkomstig de wet. Dit leidt er toe dat de taak van de executeur eindigt op grond van artikel 149 lid 1 onder d BW.\n\n3.4. \n\n [partij A.1] en [partij A.2] merken op dat Schepel diverse werkzaamheden heeft verricht zoals het verzamelen van informatie, bijvoorbeeld bij banken, het voeren van gesprekken met de vereffenaar van [bedrijf] B.V., en het beoordelen van de rechtsverhouding tussen de nalatenschap en [partij B] . Zij erkennen dat Schepel helaas twee schulden van de nalatenschap aanvankelijk over het hoofd heeft gezien en Schepel daardoor pas laat tot de conclusie kwam dat er geen ruimschoots verklaring kon worden afgegeven.\n\nOndanks het voorgaande heeft het de voorkeur van [partij A.1] en [partij A.2] dat Schepel wordt benoemd tot vereffenaar. Schepel is volledig ingevoerd in de zaak. Het benoemen van een andere vereffenaar zal veel extra tijd en kosten met zich mee brengen. Ook is Schepel advocaat en heeft het benoemen van een advocaat de voorkeur boven het benoemen van een notaris. Het is immers niet uitgesloten dat in de toekomst procedures gevoerd moeten worden. [partij A.1] en [partij A.2] wijzen er daarbij op dat de zaak al vele jaren loopt en er al veel procedures zijn gevoerd. Ook is Schepel gespecialiseerd in het erfrecht.\n\n3.5. \n [partij A.1] en [partij A.2] wijzen er op dat Schepel nog diverse werkzaamheden dient uit te voeren maar hij niet alle werkzaamheden kan uitvoeren wegens het eindigen van zijn taak als executeur. In het bijzonder dient de woning van erflaatster aan de [adres] [geboorteplaats] , te worden verkocht en geleverd.\n\n3.6. Daarom wordt verzocht om Schepel te benoemen tot (voorlopig) vereffenaar.\n\n3.7. Over de gevraagde voorlopige voorziening merken [partij A.1] en [partij A.2] op dat dit in iedere verzoekschriftenprocedure kan worden gevraagd. De voorlopige voorziening is nodig om binnen korte tijd over te kunnen gaan tot verkoop en levering van de woning van erflaatster aan de [adres] [geboorteplaats] .\n\nHet verweer met zelfstandig tegenverzoek van [partij B]\n\n3.8. \n [partij B] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan.\n\n3.9. \n [partij B] merkt op dat Schepel meerdere steken heeft laten vallen in de uitvoering van zijn werkzaamheden als executeur en Schepel vooringenomen is met betrekking tot [partij B] . Schepel heeft de legaten aan de kleinkinderen over het hoofd gezien alsook de rente van 6% over de schuldig erkende bedragen. Daarnaast heeft Schepel te laat uitstel aangevraagd voor het doen van aangifte erfbelasting. De executeur heeft dit gedaan in januari 2026 terwijl dit in november 2025 had gemoeten.\n\n3.10. \n [partij B] heeft geen vertrouwen in Schepel als vereffenaar. [partij B] merkt verder op dat het merkwaardig is dat Schepel pas in maart 2026 verklaart dat hij geen ruimschoots verklaring kan afleggen. Het was al veel eerder bekend dat de nalatenschap negatief was. Ten slotte merkt [partij B] op dat Schepel van 13 juni tot en met 30 juli 2026 afwezig is en het niet in het belang is van de afwikkeling van de nalatenschap dat de werkzaamheden zo lang stil komen te liggen.\n\n3.11. \n [partij B] stelt in zijn (tegen)verzoek voor om mr. [notaris] , notaris te [vestigingsplaats] , als vereffenaar te benoemen die zich daartoe op 8 juni 2026 bereid heeft verklaard.\n\nHet standpunt van [belanghebbende]\n\n3.12. \n [belanghebbende] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij geen vertrouwen heeft in Schepel . Zij heeft lang moeten wachten op informatie van Schepel .\n\nHet verweer van [partij A.1] en [partij A.2] op het zelfstandig tegenverzoek van [partij B]\n\n3.13. \n [partij A.1] en [partij A.2] betwisten dat Schepel vooringenomen is. Vaststaat dat [partij B] is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding en hij deze aan de boedel zal moeten vergoeden. Schepel heeft een opdracht verstrekt aan een makelaar om de woning te verkopen. De woning moet echter nog wel worden opgeruimd voordat de woning kan worden verkocht. Schepel hoeft enkel de makelaar nog opdracht te geven om verder te gaan met de verkoop. Dit kan ook tijdens de vakantie van Schepel .\n\n3.14. Indien een andere vereffenaar wordt benoemd zal deze zich moeten inlezen en dit zal tijd kosten en meer kosten met zich meebrengen. Zij erkennen dat Schepel niet tijdig uitstel heeft gevraagd voor aangifte erfbelasting. Dit uitstel is later wel gevraagd en ook verleend en heeft verder geen gevolgen. Ondanks de gemaakte fouten hebben zij vertrouwen in Schepel . Hij heeft de nodige competenties en is ingevoerd in de zaak.\n\n3.15. \n [partij A.1] en [partij A.2] hebben bezwaar tegen benoeming van [notaris] als vereffenaar.\n\n3.16. De door partijen aangedragen gronden zullen hierna worden besproken.\n\n4. De beoordeling\n\nHet verzoek in de bodemzaak\n\n4.1. De in artikel 4:206 lid 1 BW genoemde personen, voor zover bekend, zijn gehoord althans behoorlijk opgeroepen.\n\n4.2. Ter beoordeling staat of een vereffenaar moet worden benoemd. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is, omdat de erfgenamen niet in staat zijn om gezamenlijk de nalatenschap van erflaatster correct af te wikkelen. Het onderlinge vertrouwen tussen partijen is ernstig geschaad. Dit blijkt reeds uit de diverse procedures die partijen tegen elkaar hebben gevoerd. Het verzoek tot benoeming van een vereffenaar zal daarom worden toegewezen. Ter beoordeling staat aldus wie als vereffenaar moet worden benoemd.\n\n4.3. Mr. P.F. Schepel heeft zich bereid verklaard om als vereffenaar van de nalatenschap op te treden. Schepel is ingevoerd in het dossier en bereid om een benoeming tot vereffenaar te aanvaarden. De rechtbank overweegt dat zij geen doorslaggevende bezwaren aanwezig acht tegen benoeming van Schepel tot vereffenaar. Dat Schepel aanvankelijk twee schulden over het hoofd heeft gezien, maakt nog niet dat aan de kwaliteit van zijn werkzaamheden moet worden getwijfeld. Schepel heeft erkend dat hij een en ander pas in een laat stadium heeft onderkend en dat dit een fout betrof.\n\n4.4. \n\nDe rechter overweegt dat de fout te betreuren is, maar hier staat tegenover dat uit het dossier blijkt dat Schepel de afwikkeling van de nalatenschap naar behoren heeft verricht.\n\nSchepel heeft diverse werkzaamheden uitgevoerd. Bijvoorbeeld om inzicht in de nalatenschap te verkrijgen. Hiervoor was het noodzakelijk om ook gesprekken te voeren met de vereffenaar van [bedrijf] B.V. Hieruit kan niet worden afgeleid dat sprake is van verstrengeling of vooringenomenheid.\n\n4.5. Ook heeft Schepel onweersproken gesteld dat hij de gemachtigden van partijen steeds in de cc heeft meegenomen, hij alle erfgenamen heeft aangeschreven en hun daarbij in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren.\n\n4.6. Daarnaast is van belang dat het te laat vragen van uitstel voor het doen van aangifte erfbelasting niet heeft geleid tot nadelige financiële gevolgen. Ook het ontbreken van vertrouwen van [partij B] en [belanghebbende] leidt niet tot de conclusie dat Schepel niet voor benoeming tot vereffenaar in aanmerking komt. Schepel heeft verklaard dat bij zijn werkzaamheden van executeur behoort het beoordelen van de rechtsverhouding tussen de nalatenschap en [partij B] . De rechter kan Schepel hierin volgen. Voor het overige zijn geen zaken aan het licht komen die wantrouwen rechtvaardigen. Bijvoorbeeld is er geen aanleiding om aan te nemen dat er een verstrengeling is van de onderhavige vereffening met de vereffening van [bedrijf] B.V. Schepel heeft aangevoerd dat het, gezien de opstelling van [partij B] tot nu toe, niet valt uit te sluiten dat er in de toekomst (weer) geprocedeerd moet gaan worden. Het ligt daarom meer voor de hand om een advocaat tot vereffenaar te benoemen, dan een notaris. De rechtbank kan Schepel en [partij A.1] en [partij A.2] op dit punt volgen. Wanneer er een notaris tot vereffenaar wordt benoemd, zal in het geval er geprocedeerd moet gaan worden een advocaat ingeschakeld moeten worden. Dit brengt dan extra tijd en kosten met zich mee.\n\n4.7. \n\nDe rechter komt tot de afweging dat de voortgang van de afwikkeling van de nalatenschap niet gebaat is bij de benoeming van een nieuwe vereffenaar die zich immers moet inlezen in de uitgebreide materie. Evenmin ligt het voor de hand om een notaris tot vereffenaar te benoemen. De gemaakte fouten die Schepel heeft gemaakt, zijn niet van dien aard dat getwijfeld moet worden aan de kwaliteit van de werkzaamheden van Schepel als vereffenaar. Daarbij is van belang dat Schepel concreet heeft aangegeven welke stappen hij binnen korte termijn gaat zetten. Bijvoorbeeld ten aanzien van de verkoop van de woning van erflaatster.\n\nDat twee van de erfgenamen hebben verklaard dat zij geen vertrouwen hebben in Schepel leidt niet tot een ander oordeel. Dit gelet op de stappen die Schepel inmiddels heeft genomen, de stappen die hij concreet heeft aangekondigd en het feit dat de andere erfgenamen wel vertrouwen hebben in Schepel als te benoemen vereffenaar.\n\n4.8. De rechter zal daarom met ingang van de datum van deze beschikking mr. P.F. Schepel benoemen tot vereffenaar. De vereffenaar zal daarbij onder meer de bevoegdheid hebben over te gaan tot verkoop en levering van de woning van erflaatster aan de [adres] [geboorteplaats] .\n\n4.9. De rechtbank ziet aanleiding om deze beschikking op de voet van artikel 288 Rv uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\nHet zelfstandig tegenverzoek in de bodemzaak\n\n4.10. \n\nNu het verzoek van [partij A.1] en [partij A.2] wordt toegewezen zal het tegenverzoek van [partij B] worden afgewezen.\n\nProceskosten in het verzoek en zelfstandig tegenverzoek in de bodemzaak\n\n4.11. Omdat partijen familie van elkaar zijn zullen de proceskosten tussen hen worden verdeeld, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nIn de voorlopige voorziening artikel 223 Rv\n\n4.12. Nu in de bodemzaak en voorlopige voorziening gelijktijdig uitspraak wordt gedaan behoeft de voorlopige voorziening geen nadere beoordeling meer.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nIn het verzoek in de bodemzaak\n\n5.1. \n\nbenoemt mr. P.F. Schepel ,\n\nwerkzaam bij JPR advocaten te Deventer,\n\nkantoorhoudende te Mr. H.F. de Boerlaan 34 te 7417 DB Deventer,\n\ntot vereffenaar van de nalatenschap van:\n\n [erflaatster] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1927,\n\nmet als laatste woonplaats [geboorteplaats] ,\n\noverleden op [overlijdensdatum] ,\n\n5.2. draagt de griffier op de benoeming van deze vereffenaar onverwijld in het boedelregister in te schrijven,\n\n5.3. draagt de vereffenaar op de benoeming bekend te maken in de (digitale) Staatscourant,\n\n5.4. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nIn het zelfstandig tegenverzoek in de bodemzaak\n\n5.6. wijst het verzoek af,\n\n5.7. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A.H. Margadant en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3766","2026-07-13T00:29:03.411Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":108,"fullText":109,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":110,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":111},"1871","ECLI:NL:RBOVE:2026:3664","ecli-nl-rbove-2026-3664","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12206532 \\ EJ VERZ 26-128\n\nBeschikking van 19 juni 2026 over een verzoek tot vaststellen van het loon van de vereffenaar\n\nin de zaak van\n\nJAN VAN DER WENDE,\n\nadvocaat bij Domini Advocaten B.V.,\n\ngevestigd in Rosmalen,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: de vereffenaar,\n\nin de nalatenschap van:\n\n [erflater],\n\ngeboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972 en overleden in [plaats] op [overlijdensdatum] 2024, laatst wonende in [woonplaats],\n\nhierna te noemen: erflater.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Op 23 april 2026 is een verzoekschrift op de griffie van de rechtbank in Zwolle binnengekomen waarin wordt verzocht tot het vaststellen van het loon van de vereffenaar. Verzoeker is vereffenaar van de nalatenschap.\n\n2. De beoordeling\n\nDe kantonrechter in Zwolle is bevoegd\n\n2.1. De kantonrechter is relatief bevoegd kennis te nemen van het verzoek. Op grond van artikel 268 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in zaken van nalatenschappen bevoegd de kantonrechter van de laatste woonplaats van erflater. Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat zijn laatste woonplaats Dedemsvaart, gemeente Hardenberg, is. Deze woonplaats ligt in het arrondissement van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n2.2. Op grond van artikel 4:206 lid 3 BW heeft een door de rechter benoemde vereffenaar recht op loon. Volgens vaste jurisprudentie is het mogelijk een voorschot toe te kennen, ook al biedt de wet die mogelijkheid niet uitdrukkelijk.\n\n2.3. Uit het verzoek van de vereffenaar volgt dat de vereffening nog niet is afgerond, omdat de vereffenaar in afwachting is van de belastingdienst ten aanzien van het opleggen van de aanslagen inkomstenbelasting 2022, 2023 en 2024. Hierna kan de vereffenaar starten met het verzorgen van de aangifte erfbelasting. Zowel het opleggen van de aanslagen inkomstenbelasting door de belastingdienst als het verzorgen en indienen van de aangifte erfbelasting nemen lange tijd in beslag. De vereffenaar vraagt daarom om een tussentijds voorschot op zijn loon toe te kennen over de periode vanaf de start van de vereffening tot en met 27 maart 2026.\n\n2.4. Op grond van de toelichting van de vereffenaar op het verloop van de vereffening, oordeelt de kantonrechter dat het redelijk is om een voorschot op het loon van de vereffenaar toe te kennen.\n\n2.5. De vereffenaar heeft een specificatie overgelegd van de door hem en de overige medewerkers van Domini Advocaten B.V. aan de vereffening bestede uren en heeft het salaris gebaseerd op de Recofa-richtlijnen. Hierdoor komt het loonbedrag volgens de vereffenaar uit op een bedrag van € 17.844,89 exclusief BTW. De kantonrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het verzochte bedrag. De kantonrechter zal het voorschot op het loon vaststellen op dit bedrag.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1. bepaalt dat als voorschot op het loon van de vereffenaar een bedrag van € 17.844,89 exclusief BTW aan de vereffenaar toekomt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026. (hg)\n\n Zie ook ECLI:NL:GHARL:2015:7022.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3664","2026-07-13T00:29:42.996Z",{"id":113,"ecli":114,"slug":115,"caseNumber":43,"courtId":116,"decisionDate":117,"fullText":118,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":119,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":120},"1996","ECLI:NL:RBROT:2026:7283","ecli-nl-rbrot-2026-7283",61,"2026-06-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11932718 VZ VERZ 25-6559\n\ndatum uitspraak: 12 juni 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter\n\nop het zelfstandige verzoek van\n\n [verzoeker],\n\nwoonplaats: [woonplaats 1] ,\n\nverzoeker,\n\ngemachtigde: mr. A.C. de Bakker.\n\nBelanghebbenden zijn:\n\n [belanghebbende 1],\n\nwoonplaats: [woonplaats 2] ,\n\ngemachtigde: mr. R.A.D. Blaauw,\n\n [belanghebbende 2],\n\nwoonplaats: [woonplaats 3] ,\n\n [belanghebbende 3],\n\nwoonplaats: [woonplaats 4] ,\n\ngemachtigde: mr. R.A.D. Blaauw,\n\n [belanghebbende 4],\n\nwoonplaats: [woonplaats 1] ,\n\n [belanghebbende 5],\n\nwoonplaats: [woonplaats 1] ,\n\ngemachtigde: mr. R.A.D. Blaauw.\n\nVerzoeker wordt ‘ [verzoeker] ’ genoemd en de belanghebbenden worden ‘ [belanghebbende 1] ’, ‘ [belanghebbende 2] ’, ‘ [belanghebbende 3] ’, ‘ [belanghebbende 4] ’ en ‘ [belanghebbende 5] ’ genoemd.\n\n1. De (verdere) procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende stukken:\n\nde beschikking van 10 december 2025 en de daarin genoemde processtukken;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Blaauw.\n\n1.2.. Het zelfstandige verzoek van [verzoeker] is op 8 juni 2026 besproken tijdens een zitting. Daarbij waren aanwezig:\n\nmr. De Bakker als gemachtigde van [verzoeker] ;\n\n [belanghebbende 5] met zijn gemachtigde mr. Blaauw, die ook optrad als gemachtigde van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3]\n\n [belanghebbende 2] .\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. De zaak gaat over de afwikkeling van de nalatenschap van [naam] (hierna te noemen: erflater). Bij beschikking van 10 december 2025 heeft de kantonrechter [belanghebbende 1] op haar eigen verzoek ontslagen als executeur van de nalatenschap van erflater. [verzoeker] heeft een zelfstandig verzoek ingesteld en de kantonrechter verzocht [naam notaris] te benoemen tot opvolgend executeur en om een beloningsregeling vast te stellen voor deze opvolger. Een aantal belanghebbenden heeft bezwaar geuit.\n\nBenoeming opvolgend executeur en vaststellen beloningsregeling\n\n2.2.. Het verzoek om [naam notaris] als opvolgend executeur te benoemen wordt toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.\n\n2.3.. Het testament van erflater geeft de mogelijkheid om op verzoek van een belanghebbende een vervangend executeur te laten benoemen door de kantonrechter in het geval een benoemde executeur komt te ontbreken. Dat geval doet zich hier voor, want aan [belanghebbende 1] is op eigen verzoek ontslag verleend als executeur. [verzoeker] is een belanghebbende, want hij is erfgenaam van erflater.\n\n2.4.. Op basis van het testament en artikel 4:142 lid 1 BW is de kantonrechter bevoegd om een vervangend executeur te benoemen en het dossier bevat een bereidverklaring van [naam notaris] om als opvolgend executeur te worden benoemd, mits het honorarium wordt vastgesteld op basis van bestede tijd en conform de op zijn kantoor gebruikelijke uurtarieven.\n\n2.5.. \n\nGeen van de belanghebbenden is (inmiddels meer) tegen het benoemen van een executeur. Het enige bezwaar dat er is, is het bezwaar van [belanghebbende 1] , [belanghebbende 3] en [belanghebbende 5] tegen het benoemen van [naam notaris] vanwege de hoge kosten die daarmee gemoeid zullen zijn. Zij stellen dat de nalatenschap vrij eenvoudig is en dat geen ervaren notaris nodig is als executeur, terwijl hoge kosten worden verwacht als een ervaren notaris wordt benoemd.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] voldoende heeft uitgelegd dat een ervaren notaris als executeur nodig is vanwege de problematiek die speelt bij de afwikkeling van de nalatenschap en vanwege de familiedynamiek. [belanghebbende 1] , [belanghebbende 3] en [belanghebbende 5] hebben zelf geen andere mogelijke professionele executeur met lage(re) tarieven voorgesteld. Bovendien is namens deze belanghebbenden tijdens de zitting naar voren gebracht dat het moeilijk is om iemand te vinden die bereid is en tijd heeft om de taak van executeur op zich te nemen. Gelet hierop acht de kantonrechter het aangewezen om [naam notaris] als opvolgend executeur te benoemen.\n\n2.6.. De kantonrechter regelt de beloning van de opvolgend executeur zoals opgenomen onder de beslissing. De kantonrechter is bevoegd om in het geval van onvoorziene omstandigheden de beloning van de executeur anders te regelen dan bij testament of de wet is bepaald (artikel 4:144 lid 3 en 4:159 lid 3 BW) en een onvoorziene omstandigheid doet zich hier voor. Erflater heeft in zijn testament namelijk slechts beschikt dat zijn echtgenote als executeur geen loon toekomt; in het testament is niet voorzien in het geval dat een professioneel executeur wordt benoemd.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. benoemt met ingang van de datum van deze beschikking [naam notaris], notaris verbonden aan [naam notariskantoor] in Rotterdam, tot executeur van de nalatenschap van [naam] , geboren op [geboortedatum] 1949 en overleden op [datum] ;\n\n3.2.. bepaalt dat aan de executeur voornoemd een loon toekomt dat wordt vastgesteld op basis van bestede tijd en conform de op zijn kantoor gebruikelijke uurtarieven;\n\n3.3.. bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de executeur zal toezenden.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.\n\n34286","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7283","2026-07-13T00:29:49.234Z",{"id":122,"ecli":123,"slug":124,"caseNumber":43,"courtId":125,"decisionDate":126,"fullText":127,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":129,"parsedAt":51,"updatedAt":130},"1587","ECLI:NL:RBLIM:2026:5324","ecli-nl-rblim-2026-5324",74,"2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F332605 \u002F HA ZA 24-316\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [persoon 1],\n\nte [plaats 1],\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [persoon 1],\n\nadvocaat: mr. V.C.C. Luijten,\n\ntegen\n\n [persoon 2],\n\nte [plaats 2],\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [persoon 2],\n\nadvocaat: mr. I.K. Decupere.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie, - het bericht van 29 april 2025 met productie van [persoon 2], - het bericht van 6 mei 2025 met productie van [persoon 1], - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 mei 2025,\n\n- de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling door mr. Decupere voorgedragen spreekaantekeningen,\n\n- de verwijzing naar de parkeerrol in overleg met partijen,\n\n- het bericht van 11 februari 2026 van partijen waarin zij verzoeken de zaak weer op de reguliere rol van 11 maart 2026 te plaatsen, - de akte uitlaten productie van [persoon 2].\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [erflater], geboren op [datum 1] 1961, (hierna te noemen: erflater) heeft bij testament van 21 juli 2000 over zijn nalatenschap beschikt. Daarin staat onder meer:\n\n‘B. VRUCHTGEBRUIK-\n\nIk legateer aan mijn partner, Mevrouw [persoon 1] (lees: [persoon 1] toevoeging rechtbank) geboren te [plaats 3] op [datum 2] negentienhonderddrieënzestig:\n\na.\n\nhet recht van vruchtgebruik van het registergoed [adres] dan wel van het registergoed dat mijn genoemde partner en ik in de plaats daarvan bij mijn overlijden als eigenaar mochten bewonen dan wel van mijn aandeel in bedoeld registergoed. (…)\n\nb. het recht van vruchtgebruik van al mijn inboedelgoederen dan wel mijn aandeel in bedoelde inboedelgoederen, waarbij onder inboedel dient te worden verstaan het geheel van tot huisraad en tot stoffering en meubilering van een woning dienende roerende zaken met inbegrip van boekerijen en kunstvoorwerpen.\n\n(…)\n\nC. ERFSTELLING\n\nOnder de last van voormeld legaat benoem ik tot mijn erfgenamen mijn ouders en voorts uitsluitend de bloedverwanten van moederszijde, dus diegenen die mijn erfgenamen volgens de wet zouden zijn (met uitzondering van de bloedverwanten van mijn vader), indien ik ongehuwd zou zijn overleden, tezamen en voor gelijke delen met inachtneming van plaatsvervulling zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek voor erfopvolging bij versterf.’\n\n2.2.. \n [persoon 1] en erflater zijn op [datum 3] 2002 gehuwd.\n\n2.3.. Erflater is overleden op [datum 4] 2021. Zijn ouders waren vooroverleden. [persoon 2] is een oom van erflater aan moederszijde. Tot de nalatenschap van erflater behoort de onderverdeelde aandeel van een woning die hij samen met [persoon 1] in eigendom had.\n\n3. Het geschil in conventie en reconventie\n\n3.1.. \n [persoon 1] vordert in conventie - samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart:\n\nprimair: dat het testament van erflater aldus moet worden uitgelegd dat [persoon 1] enig erfgename van erflater is,\n\nsubsidiair: dat aan het testament van erflater de werking is komen te ontvallen, aldus dat daaraan geen betekenis toekomt voor wat de vererving van de nalatenschap van erflater en dat daarop het versterferfrecht van toepassing is\n\n3.2.. \n [persoon 2] vordert in reconventie - samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart dat hij de enig erfgenaam is in de nalatenschap van erflater.\n\n3.3.. \n\nPartijen voeren verweer tegen de vordering van de ander. Op hun stellingen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling in conventie en reconventie\n\n4.1.. \n\nDeze procedure gaat over de uitleg van de in het testament van erflater opgenomen erfstelling. [persoon 1] baseert haar vordering op het standpunt dat erflater de erfstelling alleen heeft bedoeld voor het geval hij ongehuwd zou komen te overlijden, wat niet het geval was. In die situatie was de erfstelling uit het testament volgens [persoon 1] niet van toepassing, wat zou betekenen dat zij op grond van het versterfrecht de enige erfgenaam is. [persoon 2] stelt dat uit het testament volgt dat, omdat de ouders van erflater zijn vooroverleden, de familieleden aan moederszijde erven.\n\nOp de uitleg van de erfstelling in het testament zal hierna verder worden ingegaan.\n\n4.2.. Bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking zoals een testament, moet worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (art. 4:46 lid 1 BW). De rechtbank stelt voorop dat zij bij de verdere beoordeling geen acht slaat op het door [persoon 2] overgelegde bericht van het notariskantoor waaraan de notaris die het testament opstelde was verbonden. De daarin vervatte opinie is namelijk niet kenbaar gebaseerd op de aantekeningen van de betrokken notaris en ook is niet gebleken dat de inhoud van de opinie anderszins volgt uit het dossier van deze concrete zaak. Daarmee betreft het een mening met geen bijzondere toegevoegde waarde.\n\n4.3.. Niet in geschil is dat erflater in ieder geval wenste dat, ingeval van het vooroverlijden van zijn ouders, zijn familieleden aan vaderszijde niet zouden erven. In zoverre is de bedoeling van erflater duidelijk. De vraag is wat de erfstelling betekent voor de positie van degene met wie erflater gehuwd was bij zijn overlijden, [persoon 1] dus.\n\n4.4.. \n [persoon 1] stelt dat uit de zinsnede ‘indien ik ongehuwd zou zijn overleden’ blijkt dat erflater de erfstelling enkel heeft gemaakt voor de situatie dat hij ongehuwd zou komen te overlijden. Nu die situatie zich niet heeft voorgedaan, wordt aan de erfstelling niet toegekomen of komt daar geen betekenis aan toe, aldus [persoon 1]. De rechtbank volgt haar daarin niet.\n\nAls erflater bedoeld zou hebben de erfstelling alleen van toepassing te laten zijn als hij ongehuwd zou overlijden, had daarbij gepast dat er bewoordingen zouden zijn gebruikt als ‘indien ik ongehuwd overlijd’ en niet ‘indien ik ongehuwd zou zijn overleden’. Immers kan bij het overlijden worden vastgesteld of erflater gehuwd was, dus is het onlogisch om dat in de door [persoon 1] voorgestane uitleg in een erfstelling in het midden te laten.\n\nDaarbij komt dat in de erfstelling niet apart aandacht wordt gegeven aan de situatie waarin erflater gehuwd was bij overlijden. Dat zou voor de hand hebben gelegen als bedoeld was de echtgenote tot erfgenaam te benoemen in plaats van (of eventueel naast) de expliciet genoemde erfgenamen. Het is, anders gezegd, niet aannemelijk dat erflater heeft gewild zijn echtgenote tot erfgenaam te benoemen zonder dat met zoveel woorden te vermelden in het testament terwijl tegelijkertijd ouders en familie moederszijde wel expliciet als erfgenamen zijn genoemd.\n\nVerder geldt dat de door [persoon 1] aangehaalde zinsnede klaarblijkelijk onderdeel uitmaakt van de uitleg van of toelichting op de kring van erfgenamen die zijn geduid als ‘mijn ouders en voorts uitsluitend de bloedverwanten van moederszijde’. Dit blijkt uit het woordje ‘dus’. Wat daarop volgt is daarom een andere omschrijving van deze kring van erfgenamen, waartoe overduidelijk de eventuele echtgenote niet behoort. In zoverre is de wijze waarop de erfstelling is verwoord veeleer een aanwijzing dat erflater ook een eventuele huwelijkspartner niet tot de kring van erfgenamen wenste te vatten. Hij benoemde immers zijn ouders en bloedverwanten moederszijde en benadrukt in de verdere uitleg (na ‘dus’) dat dit de personen zijn die zijn erfgenamen zouden zijn als hij ongehuwd zou zijn overleden. Hier wijzen de woorden ‘zou zijn’ erop dat het er niet om gaat wat de daadwerkelijke huwelijksstatus bij overlijden was, maar om de kring van erfgenamen vast te stellen uitgaande van de aanname of fictie dat erflater ongehuwd zou komen te overlijden.\n\nDe slotsom is dat de rechtbank ervan uitgaat dat de erfstelling gold voor zowel het geval dat erflater bij overlijden gehuwd was als het geval waarin hij ongehuwd was. In beide gevallen zouden alleen zijn ouders en bloedverwanten moederszijde de erfgenamen zijn.\n\n4.5.. \n [persoon 1] heeft in de dagvaarding gesteld dat erflater haar tijdens hun huwelijk altijd heeft voorgehouden dat het testament zodanig was opgesteld dat zij door het huwelijk zijn erfgenaam was. Tijdens de mondeling behandeling is echter gebleken dat deze stelling op een misverstand was gebaseerd. [persoon 1] huidige standpunt is dat zij pas na het overlijden van erflater is geconfronteerd met het feit dat er een testament was en zij dus niet voor diens overlijden met erflater heeft gesproken over het testament. De stelling in de dagvaarding is daarmee verlaten en geeft dus geen aanleiding om te onderzoeken of de feitelijke verhoudingen bij overlijden niet meer aansloten bij wat erflater wenste te regelen.\n\n4.6.. \n\n [persoon 1] heeft als productie 4 een formulier van de uitvaartverzekeraar van erflater overgelegd, waaruit blijkt dat erflater op enig moment heeft aangegeven wie hij voor zijn uitvaart uitgenodigd zou willen zien. [persoon 2] staat daar niet bij. Als productie 5 heeft [persoon 1] een verklaring van haar zus en schoonbroer overgelegd. Deze verwijzen daarin ook naar de wensen van erflater over zijn uitvaart. Ook verklaren zij dat zij zijn geïnformeerd over de verstoorde verhouding tussen erflater en (onder andere) [persoon 2] als gevolg van kwetsende uitlatingen aan het adres van erflater. Als productie 6 heeft [persoon 1] een eigen verklaring overgelegd met als bijlage een aan erflater toegeschreven verklaring. In de eigen verklaring van [persoon 1] wordt een op een niet nader geduid moment gevoerd telefoongesprek aangehaald waarin iets door [persoon 2] zou zijn gezegd waardoor erflater gegriefd was. Ook verklaart zij dat erflater niet wilde dat er familie bij zijn uitvaart was. De aan erflater toegeschreven verklaring is een brief aan zijn op dat moment al overleden vader, kort gezegd een aanklacht inhoudend over hoe erflater is behandeld door zijn vader. [persoon 2] wordt in deze verklaring wel een enkele keer genoemd maar over diens relatie met erflater wordt niet uitgeweid. Over de echtgenote van [persoon 2] (‘[naam]’) vermeldt de verklaring dat zij [persoon 1] op enig moment zou hebben beledigd, zonder dat duidelijk wordt waaruit dat heeft bestaan.\n\nNaar de rechtbank begrijpt wenst [persoon 1] met deze stukken te betogen dat de feitelijke verhoudingen bij overlijden niet meer aansloten bij wat erflater in de erfstelling wenste te regelen. [persoon 2] heeft dat betwist, daarbij onder meer ontkennend dat hij of zijn echtgenote erflater onheus heeft bejegend en ook dat zij gebrouilleerd waren. Het contact zou goed en nauw zijn geweest, zij het in de latere jaren wat verwaterd, zonder dat [persoon 2] daarvoor een duidelijke reden kan aanwijzen.\n\nBij de beoordeling van het standpunt van [persoon 1] stelt de rechtbank voorop dat, als de relatie tussen erflater en [persoon 2] is verslechterd, dit op zichzelf niet zonder meer betekent dat de feitelijke verhoudingen bij overlijden niet meer aansloten bij wat erflater wenste te regelen. Het één leidt immers niet zonder meer tot het ander. Daarbij kan worden gewezen op de slechte verhouding die erflater, uitgaande van de aan hem toegeschreven verklaring, van jongs af aan – dus ook voorafgaand aan het opmaken van het testament in 2000 – met beide ouders had, wat hem er niet van heeft weerhouden beiden als erfgenaam aan te wijzen. Verder moet worden vastgesteld dat de door [persoon 1] aangenomen aanleiding voor de verslechterde verhouding met specifiek [persoon 2], is gebaseerd op een enkel telefoongesprek en een niet nader geduid voorval tussen [persoon 1] en de echtgenote van [persoon 2]. Zonder te willen afdoen aan de mogelijke impact van een en ander, gaat het naar het oordeel van de rechtbank te ver om aan deze incidenten, afgezet tegen de (duur van de) gehele relatie tussen erflater en [persoon 2] de gevolgtrekking te verbinden dat erflaters testament niet meer beantwoordde aan wat hij wilde. Daarbij moet worden opgemerkt dat erflater in de aan hem toegeschreven verklaring aan [persoon 2] geen (duidelijke) verwijten maakt. Dat erflater geen enkele bloedverwant heeft opgenomen in het lijstje van mensen die hij op zijn uitvaart uitgenodigd wilde zien, en [persoon 2] dus ook niet, geeft onvoldoende aanleiding om daarom aan te nemen dat de erfstelling ten gunste van (uiteindelijk) [persoon 2] toch niet meer was wat erflater wilde.\n\n4.7.. De conclusie is dat:\n\n- wordt aangenomen dat de erfstelling ook is bedoeld te gelden als erflater bij zijn overlijden gehuwd was,\n\n- die erfstelling inhoudt dat, vanwege het vooroverlijden van de ouders van erflater, de bloedverwanten aan moederszijde de erfgenamen zijn,\n\n- niet kan worden aangenomen dat de erfstelling bij het overlijden van erflater niet meer beantwoordde aan diens wens,\n\n- [persoon 2] als (kennelijk) de enige bloedverwant aan moederszijde bij het overlijden van erflater de enige erfgenaam van erflater is.\n\nDit betekent dat de vordering van [persoon 1] moeten worden afgewezen en die van [persoon 2] moet worden toegewezen.\n\n4.8.. \n [persoon 1] is in conventie en reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon 2] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n320,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.815,00\n\n4.9.. \n\nBij de begroting van dr proceskosten is er rekening mee gehouden dat [persoon 2] in reconventie nagenoeg geen extra proceshandelingen heeft hoeven te verrichten.\n\nDe gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [persoon 1] af,\n\nin reconventie\n\n5.2.. verklaart voor recht dat [persoon 2] enig erfgenaam is in de nalatenschap van erflater,\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.3.. veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten van € 1.815,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.4.. veroordeelt [persoon 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.5.. veroordeelt [persoon 1] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5324","2026-05-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:28.547Z",{"id":132,"ecli":133,"slug":134,"caseNumber":43,"courtId":135,"decisionDate":136,"fullText":137,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":51,"updatedAt":139},"903","ECLI:NL:RBMNE:2026:3773","ecli-nl-rbmne-2026-3773",63,"2026-06-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nAfdeling Toezicht\n\nBureau Erfrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F16\u002F602824 \u002F BE RK 25-50\n\nBeschikking van 8 juni 2026\n\nop het verzoek aan de rechtbank van\n\n [bewindvoerder] B.V.,\n\nkantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,\n\nin diens hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van mevrouw [verzoeker],\n\nverzoeker,\n\nhierna te noemen: [bewindvoerder] ,\n\nadvocaat: mr. A.H. de Jong te Doorn,\n\nBelanghebbenden bij dit verzoek zijn: 1. [belanghebbende 1],\n\n wonende te [woonplaats 1] ,\n\n mentor van [verzoeker] ,\n\nhierna te noemen: [belanghebbende 1] ,\n\n2. [belanghebbende 2],\n\nwonende te [woonplaats 2] ( [land] ),\n\nhierna te noemen: [belanghebbende 2] ,\n\n3. [belanghebbende 3],\n\nwonende te [woonplaats 3] ,\n\nhierna te noemen: [belanghebbende 3] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet aan de rechtbank gerichte verzoekschrift van 7 november 2025, strekkende tot de benoeming van een vereffenaar;\n\nhet verweerschrift met tegenverzoeken van [belanghebbende 3] van 17 december 2025; strekkende tot ontslag van [bewindvoerder] als beschermingsbewindvoerder, het bewind aan de familie terug te geven en hemzelf naast [belanghebbende 1] als mede-mentor aan te wijzen;\n\nde brief van mrs. M.E.V. Maas en R.P.G.H. Heijnen, beoogd vereffenaars van 27 februari 2026;\n\nhet verweerschrift van [bewindvoerder] van 6 maart 2026 op de tegenverzoeken van [belanghebbende 3] ;\n\nhet e-mailbericht met bijlagen van [belanghebbende 1] van 9 maart 2026;\n\nde brief van [belanghebbende 3] van 12 maart 2026.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:\n\nmw. [A.] namens [bewindvoerder] ;\n\nmr. A.H. de Jong, advocaat van [bewindvoerder] ;\n\n [belanghebbende 3] ;\n\n [belanghebbende 1] ;\n\n [belanghebbende 2] ;\n\nmw. [B.] en mw. [C.] , toehoorders.\n\n1.3.. Ter zitting heeft de rechtbank bij mondelinge beslissing de tegenverzoeken van [belanghebbende 3] op grond van artikel 71 lid 2 Rv voor verdere behandeling in de stand waarin zij zich bevinden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank. Redengevend hiervoor is dat niet de rechtbank maar de kantonrechter absoluut bevoegd is op deze tegenverzoeken te beslissen. De behandelend rechter heeft de tegenverzoeken, met instemming van alle betrokkenen, als kantonrechter verder ter zitting behandeld. Aangezien de behandeling van de tegenverzoeken van [belanghebbende 3] met gesloten deuren dient plaats te vinden is aan [B.] en [C.] in de kantonprocedure bijzondere toegang verleend. Op de tegenverzoeken van [belanghebbende 3] zal in een separate beschikking worden beslist.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op [datum overlijden] 2024 is in [plaats] overleden de heer [erflater], hierna te noemen: erflater. Hij woonde voor het laatst in [plaats] .\n\n2.2.. Op het moment van overlijden was erflater gehuwd met mevrouw [verzoeker] , hierna te noemen: [erflater] . Dit huwelijk is door zijn overlijden ontbonden. Binnen het huwelijk zijn drie kinderen geboren, namelijk [belanghebbende 1] , [belanghebbende 3] en [belanghebbende 2] .\n\n2.3.. Erflater heeft op 4 april 1989 voor het laatst een testament opgemaakt. In dit testament heeft hij [erflater] en zijn kinderen tot zijn erfgenamen benoemd, ieder voor een gelijk deel. Daarbij heeft hij bepaald dat de Ouderlijke Boedelverdeling geldt.\n\n2.4.. De nalatenschap is door [erflater] , [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiaire aanvaarding).\n\n3. Het verzoek, de tegenverzoeken en het verweer\n\n3.1.. \n\n [bewindvoerder] verzoekt de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. mr. M.E.V. Maas en mr. R.P.G.H. Heijnen te benoemen tot vereffenaars van de nalatenschap van erflater, althans een vereffenaar te benoemen als door de rechtbank in goede justitie te bepalen;\n\nII. te bepalen dat de kosten van deze procedure als vereffeningskosten in de nalatenschap van erflater dienen te worden aangemerkt.\n\n3.2.. \n [belanghebbende 3] voert verweer tegen het verzoek om benoeming van een vereffenaar.\n\n3.3.. \n [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] stemmen in met het verzoek van [bewindvoerder] om een vereffenaar te laten benoemen.3.4.. De rechtbank zal hierna slechts op de stellingen van partijen ingaan voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.\n\n4. De beoordeling\n\nVerzoek benoeming vereffenaar4.1.. Door [bewindvoerder] wordt verzocht om een vereffenaar te benoemen van de nalatenschap van erflater. Ter onderbouwing van haar verzoek stelt [bewindvoerder] dat de nalatenschap van erflater als gevolg van de beneficiaire aanvaarding vereffend dient te worden. Dit moeten de erfgenamen gezamenlijk doen. Het blijkt echter niet mogelijk te zijn om hierin samen te werken, mede door het uitblijven van een reactie van [belanghebbende 3] . Daarnaast omvat de nalatenschap ook een aantal juridische en feitelijke complexe situaties. De ontbonden gemeenschap van goederen tussen erflater en [erflater] moet nog worden afgewikkeld. Onderdeel van deze gemeenschap is een vordering uit hoofde van geldlening op stichting [naam] , van welke stichting erfgenaam [belanghebbende 3] UBO (ultimate beneficial owner) is, waarvan onbekend is of hiervan nog een bedrag open staat en zo ja, wat de hoogte van dit bedrag is.\n\n4.2.. De rechtbank zal het verzoek toewijzen. Deze beslissing zal hierna toegelicht worden.\n\n4.3.. Op grond van artikel 4:203 lid 1 sub a BW kan de rechtbank na beneficiaire aanvaarding op verzoek van een erfgenaam een vereffenaar benoemen.\n\n4.4.. Uit de overgelegde stukken en tijdens de zitting is het de rechtbank gebleken dat de verhouding tussen de broers ernstig verstoord is. Daarbij is er sprake van onderling wantrouwen. Dat de drie broers de nalatenschap gezamenlijk kunnen afwikkelen, zoals [belanghebbende 3] stelt, ziet de rechtbank dan ook niet in en wordt bovendien door [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] ontkend. Met zijn verweer gaat [belanghebbende 3] er bovendien aan voorbij dat op grond van artikel 4:195 lid 1 BW alleerfgenamen gezamenlijk de nalatenschap moeten vereffenen, waarbij ook [bewindvoerder] (namens [erflater] ) betrokken dient te worden.\n\n4.5.. In aanmerking genomen dat de erfgenamen tezamen niet in staat blijken te zijn om de nalatenschap te vereffenen en af te wikkelen, acht de rechtbank het van belang om hiervoor een onafhankelijke vereffenaar aan te stellen. Dat een vereffenaar geld kost, zoals [belanghebbende 3] aanvoert, doet hier niet aan af. De hoogte van die kosten zal overigens mede afhangen van de wijze waarop de erfgenamen zich tegenover de vereffenaar opstellen.\n\n4.6.. \n [bewindvoerder] heeft mr. M.E.V. Maas, notaris, en mr. R.P.G.H. Heijnen, kandidaat-notaris, bereid gevonden om als vereffenaars van de nalatenschap op te treden. Tegen de benoeming van deze personen is, behoudens dat zij geld kosten, geen verweer gevoerd. De rechtbank zal hen dan ook tot vereffenaars benoemen.\n\nProceskosten4.7.. Voor wat betreft de proceskosten verzoekt [bewindvoerder] om te bepalen dat de kosten van deze procedure als vereffeningskosten in de nalatenschap van erflater worden aangemerkt. [belanghebbende 3] vraagt om te kosten te compenseren.\n\n4.8.. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat, gelet op de familierelatie, iedere partij zijn eigen kosten draagt. Desgewenst kunnen partijen de facturen voor de door hen gemaakte kosten indienen bij de vereffenaars. Het is dan aan de vereffenaars om te beoordelen of deze kosten als vereffeningskosten zullen worden aangemerkt.\n\nUitvoerbaar bij voorraad4.9.. De rechtbank zal ten slotte de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als er hiertegen hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een beslissing heeft genomen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. benoemt:\n\nmr. M.E.V. Maas, notaris, enmr. R.P.G.H. Heijnen, kandidaat-notaris,\n\nkantoorhoudende te 3962 CE Wijk bij Duurstede, Hogesteeg 1, tot vereffenaars van de nalatenschap van:\n\n [erflater],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1926,\n\noverleden te [plaats] op [datum overlijden] 2024,\n\nlaatst gewoond hebbende te [plaats] ,\n\n5.2.. draagt de griffier op de benoeming van deze vereffenaars in het boedelregister in te schrijven;\n\n5.3.. draagt de vereffenaars op de benoeming bekend te maken in de Staatscourant;\n\n5.4.. compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat elke partij zijn eigen kosten draagt;\n\n5.5.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.6.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026, in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3773","2026-07-13T00:28:53.846Z",{"id":141,"ecli":142,"slug":143,"caseNumber":43,"courtId":135,"decisionDate":144,"fullText":145,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":147},"1359","ECLI:NL:RBMNE:2026:3627","ecli-nl-rbmne-2026-3627","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nAfdeling Toezicht, Bureau Erfrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F609637 \u002F BE ZA 26-15\n\nVonnis in incident van 27 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nhierna: [eiseres] ,\n\neisende partij in het incident,\n\nadvocaat: mr. J. van Andel, werkzaam in Driebergen,\n\ntegen\n\n1. [verweerster 1] ,\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nhierna: [verweerster 1] ,\n\nverwerende partij in het incident,\n\n2. [verweerster 2],\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nhierna: [verweerster 2] ,\n\nadvocaat: mr. M. Jozefzoon-Flipse, werkzaam in Utrecht.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 t\u002Fm 7\n\n- de conclusie van antwoord\n\n- de akte van [eiseres] van 21 oktober 2025 met producties 8 t\u002Fm 10\n\n- de antwoordakte van [verweerster 1] van 29 oktober 2025\n\n- het vonnis van 1 april 2026 van de afdeling Familierecht van deze rechtbank waarin de zaak is verwezen naar de afdeling Toezicht van deze rechtbank.\n\n2. Waar gaat dit incident over?\n\n2.1.. \n [eiseres] , [verweerster 1] en [verweerster 2] zijn zussen. Hun vader, [erflater] , is in september 2024 een procedure bij deze rechtbank begonnen tegen [verweerster 1] . Daarin heeft hij heeft gevorderd dat zij wordt veroordeeld om bepaalde goederen die (mede) aan hem toebehoren af te geven. [verweerster 1] heeft verweer gevoerd.\n\n2.2.. Op 13 augustus 2025 heeft [verweerster 1] de rechtbank per e-mail bericht dat [erflater] is overleden. In haar akte van 21 oktober 2025 heeft [eiseres] verklaard dat zij de procedure van haar overleden vader overneemt en dat de procedure wordt hervat op de voet van artikel 227 lid 1 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). [verweerster 1] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Volgens haar is de procedure niet rechtsgeldig hervat, onder meer omdat [verweerster 1] en [verweerster 2] mede-erfgenamen zijn en [eiseres] niet alle erfgenamen vertegenwoordigt. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden en [eiseres] verzocht nader te onderbouwen waarom zij de procedure mag voortzetten.\n\n2.3.. \n [eiseres] heeft daarop exploten laten uitbrengen waarin [verweerster 1] en [verweerster 2] zijn gedagvaard tegen een bepaalde datum ter hervatting van de procedure op de voet van artikel 227 lid 2 Rv, gevolgd door een herstelexploot vanwege een verkeerd vermelde roldatum.\n\n2.4.. In het vonnis van 1 april 2026 heeft de rechtbank de zaak in de stand waarin deze zich bevond ambtshalve verwezen naar de afdeling die erfrechtzaken behandelt.\n\n2.5.. De rechtbank moet nu eerst beoordelen of de procedure op rechtsgeldige wijze is geschorst en hervat. Om dat te kunnen beoordelen is meer informatie nodig. De rechtbank zal [eiseres] gelasten die informatie te verstrekken (artikel 22 Rv).\n\n3. De beoordeling in incident\n\njuridisch kader\n\n3.1.. Het overlijden van een partij is een grond voor schorsing van een lopende procedure (artikel 225 lid 1 onder a Rv). Schorsing vindt plaats door aanzegging van de schorsing aan de andere partij bij exploot of door een akte ter rolle (artikel 225 lid 2 Rv). Bevoegd tot schorsing is uitsluitend de rechtsopvolger van de partij aan wier zijde de schorsingsoorzaak zich voordoet. De procedure wordt hervat doordat direct bij het exploot tot schorsing wordt verklaard dat het geding wordt hervat of doordat later met instemming van de andere partij een akte ter rolle wordt genomen of bij exploot wordt verklaard dat het geding wordt hervat (artikel 227 lid 1 Rv). Indien de procedure niet bevoegdelijk is geschorst en hervat, hebben de aangezegde schorsing en hervatting geen (rechts)gevolg gehad.In dat geval wordt de procedure voortgezet op naam van de overleden partij (artikel 225 lid 2 Rv).\n\nuitwerking\n\n3.2.. \n [eiseres] heeft in de exploten verklaard dat zij als een van de erfgenamen van [erflater] in haar hoedanigheid van erfgenaam de procedure hervat. Omdat ook [verweerster 2] erfgenaam is en er volgens [eiseres] sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding heeft zij [verweerster 2] ook in het geding betrokken. [eiseres] heeft in haar toelichting gesteld dat zij als erfgenaam op de voet van artikel 4:182 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in alle rechten en plichten van haar overleden vader treedt en dat zij geen volmacht van de andere erfgenamen heeft.\n\n3.3.. Bij de exploten is een uittreksel uit de basisregistratie personen gevoegd van 6 juni 2025. Daaruit blijkt dat [erflater] is geboren op [geboortedatum 1] 1939 in [geboorteplaats] (Turkije) en is overleden op [datum overlijden 1] 2025 in [plaats 3] (Turkije). Hij heeft op 27 januari 1998 de Nederlandse nationaliteit verkregen en stond van 7 juni 1973 tot [datum overlijden 1] 2025 ingeschreven in de gemeente [plaats 1] . Uit de dagvaarding en de producties van [eiseres] blijkt dat [erflater] in gemeenschap van goederen was gehuwd met [erflaatster] , de moeder van [eiseres] , [verweerster 1] en [verweerster 2] . [erflaatster] is geboren op [geboortedatum 2] 1950 in [geboorteplaats] (Turkije) en is overleden op [datum overlijden 2] 2023. De goederen waarvan in de hoofdzaak afgifte wordt gevorderd zijn een aantal gouden armbanden en munten. Volgens [eiseres] hebben haar ouders deze sieraden en goudstukken vanaf circa 1980 aangeschaft en liggen ze in een kluis die op naam van [verweerster 1] staat.\n\n3.4.. Op dit moment kan de rechtbank niet beoordelen of [eiseres] de procedure op rechtsgeldige wijze heeft geschorst en hervat. Het ontbreekt aan gegevens waaruit kan worden afgeleid welk recht op de nalatenschap van [erflater] van toepassing is en wie zijn erfgenamen zijn. Ook is niet duidelijk of hij een testament had en wat de inhoud daarvan is. [eiseres] zal daarover meer informatie moeten verstrekken en antwoord moeten geven op in ieder geval de volgende vragen:\n\n- welk recht is van toepassing op de nalatenschap van [erflater] ?\n\n- is [eiseres] enig erfgenaam van [erflater] ? Zo nee, wie zijn de andere erfgenamen?\n\n- op grond waarvan kan [eiseres] de procedure overnemen?\n\n- procedeert zij ten behoeve van de gemeenschap van nalatenschap?\n\n- als dit laatste het geval is én Nederlands recht van toepassing is, hoe verhoudt zich dat dan tot het feit dat artikel 3:171 BW (dat bepaalt dat iedere deelgenoot ten behoeve van de gemeenschap een vordering kan instellen) niet geldt als het gaat om een vordering tegen een deelgenoot?\n\n3.5.. De rechtbank zal [eiseres] in de gelegenheid stellen de benodigde informatie, zo mogelijk met gelegaliseerde stukken, bij akte over te leggen. In afwachting daarvan zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.\n\n4. De beslissing\n\nin het incident\n\n4.1.. verwijst de zaak naar de rol van 24 juni 2026voor akte uitlating aan de zijde van [eiseres] conform het in 3.4. gegeven bevel,\n\n4.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.\n\n Hoge Raad 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3192.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3627","2026-07-13T00:29:17.708Z",{"id":149,"ecli":150,"slug":151,"caseNumber":43,"courtId":125,"decisionDate":144,"fullText":152,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":153,"sourceTimestamp":136,"parsedAt":51,"updatedAt":154},"1669","ECLI:NL:RBLIM:2026:5540","ecli-nl-rblim-2026-5540","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F335483 \u002F HA ZA 24-474\n\nVonnis van 27 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [zus],\n\nte op een geheim adres,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [zus] ,\n\nadvocaat: mr. B. Coomans,\n\ntegen\n\n [broer],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [broer] ,\n\nadvocaat: mr. E. Sars.\n\nPartijen worden hierna [zus] en [broer] genoemd.\n\n1. De verdere procedure\n\n1.1.. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het incidenteel vonnis van 12 februari 2025\n\n- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie\n\n- de oproepingsbrief van 9 april 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de op 16 september 2025 nader ingezonden productie aan de zijde van [zus]\n\n- de akte wijziging van eis d.d. 17 september aan de zijde van [zus]\n\n- de op 18 september 2025 nader ingezonden producties aan de zijde van [broer]\n\n- de mondelinge behandeling d.d. 25 september 2025\n\n- de op 4 februari 2026 nader ingezonden productie aan de zijde van [zus] .\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [zus] en [broer] zijn broer en zus van elkaar. [moeder] was hun moeder.\n\n2.2.. Moeder heeft bij testament van 23 november 2016, verleden voor mr. J.M.A. Pas, kandidaat-notaris te Beek, over haar nalatenschap beschikt. In haar testament heeft zij [broer] tot enig erfgenaam benoemd en [zus] (alsmede haar afstammelingen) uitdrukkelijk uitgesloten als erfgenaam.\n\n2.3.. Tot het overlijden van moeder had zij een eenmanszaak en verrichte zij diensten aan mensen die in medisch opzicht hulpbehoevend zijn.\n\n2.4.. Moeder en [broer] zijn sinds 4 mei 2021 samen eigenaar van de woning, staande en gelegen aan [adres] . Hierop was een hypotheek gevestigd op beider naam.\n\n2.5.. Moeder is op [datum] 2023 overleden.\n\n2.6.. Op verzoek van [zus] heeft [notaris] bij brief van 27 december 2023 laten weten dat [zus] aanspraak maakt op haar legitieme deel van de nalatenschap van moeder.\n\n2.7.. Op 11 januari 2024 is [broer] door de notaris verzocht om diverse documenten over te leggen, die ertoe dienen te strekken inzage te geven in de omvang van de legitimaire massa.\n\n2.8.. \n\n [zus] heeft ter verzekering van de door haar gepretendeerde vordering op\n\n20 augustus 2024 conservatoir beslag gelegd ten laste van [broer] op de onverdeelde helft van de onroerende zaak staande en gelegen aan [adres] .\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n\n [zus] vordert na vermeerdering van eis dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. Aan de hand van de door [broer] in het incident te verstrekken bescheiden bij wijze van verklaring voor recht de omvang van de legitimaire massa en de legitieme portie van eiseres vast zal stellen;\n\nII. De vordering van [zus] op [broer] als enig erfgenaam in de nalatenschap van erflaatster bij wijze van verklaring voor recht vast zal stellen op het onder I. vastgestelde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;\n\nIII. [broer] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [zus] te betalen het onder II. vastgestelde bedrag vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding; IV. Bij wijze van verklaring voor recht de omvang van de legitieme portie van [zus] vast te stellen op € 300.000,00 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; en\n\nV. [broer] zal veroordelen in de kosten van het geding, met inbegrip van de buitengerechtelijke kosten en de nakosten zoals bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv alsmede de beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat [broer] in verzuim is deze kosten te voldoen.\n\n3.2.. \n [broer] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [zus] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [zus] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.4.. \n\n [broer] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat [broer] een vordering op de nalatenschap heeft van € 167.740,72, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;\n\nII. [zus] veroordeelt in de proceskosten.\n\n3.5.. \n [zus] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met compensatie van de proceskosten.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\n4.1.. Met de vordering in conventie wenst [zus] dat haar legitieme portie wordt vastgesteld. Met de vordering in reconventie wenst [broer] een aanspraak te maken ten laste van de legitieme portie. Daarmee lenen de twee vorderingen zich voor een gezamenlijke beoordeling.\n\n4.2.. De legitieme portie wordt op grond van artikel 4:65 BW berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap die wordt vermeerderd met de giften en verminderd met de schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. Onder de schulden vallen de schulden die niet door de dood teniet gaan, de uitvaartkosten en de kosten van vereffening van de nalatenschap. De uitkomst hiervan wordt de legitimaire massa genoemd. De hoogte van de vordering van [zus] wordt berekend door de helft van de legitimaire massa te delen door het aantal afstammelingen. In dit geval zijn dat [zus] en [broer] . De concrete berekening van de legitieme portie van [zus] is de helft van de helft legitimaire massa (artikel 4:64 lid 1 BW). Derhalve bedraagt de legitieme portie van [zus] uiteindelijk 25% van de legitimaire massa.\n\n4.3.. \n\nVoor het bepalen van de legitimaire massa (en de hoogte daarvan) moet dus worden bepaald welke goederen tot de nalatenschap behoren (omvangspeildatum), welke waarde deze hadden ten tijde van overlijden van erflaatster (waardepeildatum), welke giften zijn gedaan, en wat de schulden van de nalatenschap zijn.\n\nWaarde van de goederen inclusief vorderingen\n\nDe woning4.4.. De woning aan [adres] is eigendom van moeder en [broer] . Dit betekent dat de helft van de waarde van de woning in de legitimaire massa valt. De vraag die in dit verband moet worden beantwoord is wat de waarde van de woning op het moment van overlijden was.\n\n4.5.. \n [zus] stelt dat de aankoopwaarde van de woning door moeder en [broer] – zijnde € 350.000,00, als uitgangspunt moet worden genomen. Moeder heeft 1,5 jaar in het huis gewoond voordat ze overleed. Door tijdsverloop is de waarde van de woning gestegen. [zus] laat echter na te onderbouwen hoeveel die waardevermeerdering zou zijn. Wel is namens [zus] een taxatierapport overgelegd, gedateerd op 12 december 2025, waaruit blijkt dat de woning op 20 november 2025 een marktwaarde had van € 450.000,00. Hiermee is echter nog niet duidelijk wat de waarde van de woning was op het moment dat moeder is overleden. Om die reden kan aan dit taxatierapport niet de waarde worden toegekend die [zus] (mogelijk) voor ogen staat.\n\n4.6.. Aan de zijde van [broer] is niets gesteld ten aanzien van de waarde van de woning, behalve dat hij de woning na aankoop voor een bedrag van € 128.000,00 zou hebben verbouwd. Welke consequentie dit mogelijk zou hebben voor de waarde van de woning, heeft [broer] niet naar voren gebracht.\n\n4.7.. Nu geen van partijen onderbouwd hebben gesteld wat de waarde was van de woning op het moment dat moeder overleed, zal de rechtbank die waarde zelf schattenderwijs vast stellen. Daarbij neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de waarde van de woning op [datum] 2023 moet liggen tussen de aankoopwaarde en de getaxeerde waarde op 20 november 2025. De rechtbank schat die waarde dan op € 400.000,00. Als controle van die waarde heeft de rechtbank voorts de vrij toegankelijke gegevens van waardestijgingen zoals te vinden op de [website] in haar overweging betrokken. Uit deze controle volgt dat een waarde van € 400.000,00 een redelijke schatting is.\n\nAuto4.8.. \n [zus] heeft gesteld dat tot de legitimaire massa ook moet worden gerekend de auto die moeder in haar bezit had. Van deze auto is komen vast te staan dat dit een lease auto betrof. Tijdens de mondelinge behandeling is door [broer] onbetwist gebleven gesteld dat de lease-auto ten tijde van overlijden van moeder een waarde had van € 6.000,00. Nu de rechtbank geen aanleiding ziet om aan de juistheid hiervan te twijfelen, zal de rechtbank van dit bedrag uitgaan bij de vaststelling van de legitimaire massa.\n\n4.9.. \n [broer] heeft nog betoogd dat hij de auto moest afkopen, waarmee hij beoogt dat de afkoopsom een vordering is die ten laste van de legitimaire massa moet strekken. De rechtbank volgt [broer] hier echter niet in. Hij heeft er namelijk zelf voor gekozen om de leaseovereenkomst af te kopen en de auto voor eigen gebruik te houden. Het afkoopbedrag komt daarmee niet ten laste van de nalatenschap, maar voor zijn eigen rekening.\n\nHorloge\n\n4.10.. \n [zus] heeft bij dagvaarding gesteld dat moeder beschikte over een Rolex. Die stelling is door [broer] betwist. Nu [zus] geen enkel begin van bewijs heeft geleverd of aangeboden die haar stelling kan onderbouwen, zal dit gestelde vermogensbestanddeel buiten de vaststelling van de legitimaire massa worden gelaten.\n\nBankrekeningen4.11.. In deze procedure heeft [zus] meermaals geprobeerd inzage te krijgen in de financiële situatie van moeder zoals die was ten tijde van haar overlijden. Zo is in de eerste plaats op haar verzoek door de notaris bij [broer] gevraagd om inzage te verschaffen in – onder andere – de bankrekeningen van moeder. Aan dit verzoek heeft hij op dat moment geen gehoor gegeven. Bij vonnis in incident van 12 februari 2025 is [broer] veroordeeld om, voor zover bij de beoordeling van dit onderdeel van de vordering van belang, afschriften te verstrekken van:\n\nDe saldi per [datum] 2023 van de bank- en girorekeningen en de nummers van deze rekeningen;\n\nDe belastingaanslagen, met name de Inkomstenbelasting;\n\nBankafschriften te verstrekken die zijn op de periode van vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van moeder op [datum] 2023.\n\nAan het verstrekken van deze gegevens is een dwangsom verbonden, van € 250,00 per dag met een maximum van € 10.000,00.\n\n4.12.. Op 26 juni 2025 heeft [broer] aan de gemachtigde van [zus] rekeningafschriften verstrekt van een rekening van de Rabobank met nummer [rekeningnummer]. Omdat de tenaamstelling is weggelakt, kan de rechtbank niet vaststellen dat het daadwerkelijk de betaalrekening van moeder betrof. Echter is dit door [zus] niet ter discussie gesteld, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de stelling van [broer] . Het saldo van die rekening bedroeg op [datum] 2023 € 145,51. Dit bedrag zal dan ook bij de vaststelling van de legitimaire massa worden meegenomen. Alle bedragen die na overlijden van moeder nog zijn bij- of afgeschreven, vallen buiten het bestek van de legitimaire massa en laat de rechtbank derhalve buiten beschouwing.\n\n4.13.. De belastingaanslagen heeft [broer] niet overgelegd, omdat die er volgens zijn verklaring niet zijn. Hoewel daar op zitting wel naar is gevraagd door de rechtbank, heeft [broer] geen toelichting kunnen geven waarom die aanslagen er niet zijn. Nu echter aan de zijde van [zus] niet is betwist dat de aanslagen er niet zijn, zal de rechtbank ervanuit gaan dat [broer] niet kan beschikken over deze aanslagen omdat deze aanslagen er niet zijn.\n\n4.14.. De vraag deed zich nog voor of er nog andere rekeningen waren, mede omdat moeder tot aan haar overlijden als ZZP’er werkte. [broer] heeft onweersproken toegelicht dat moeder haar zakelijke rekening ook privé mocht gebruiken en dat er om die reden geen andere rekeningen waren op naam van moeder. Dat die informatie onjuist, is door [zus] niet gesteld, zodat hier van wordt uitgegaan.\n\n4.15.. Wel geldt ten aanzien van de bankrekeningen nog het volgende. [broer] is veroordeeld tot het verstrekken van bescheiden, op straffe van een dwangsom. Die dwangsommen zijn verbeurd en [zus] is ook tot incasseren overgegaan.4.16.. Vast staat dat [broer] niet direct overgegaan is tot het overleggen van de bescheiden die waren gevraagd door [zus] . Ook na het vonnis in incident heeft het nog een aantal maanden geduurd voordat [broer] alle gevraagde informatie had verstrekt. Naar zijn eigen zeggen is er per e-mail van 16 oktober 2024 informatie aan de gemachtigde van [zus] verstrekt. Hoewel de gemachtigde van [zus] ter zitting heeft gezegd dat hij zich die e-mail niet kan herinneren, is een afschrift van die e-mail mét onderliggende stukken niet aan het procesdossier gevoegd. De rechtbank kan dan ook niet verifiëren of en welke bescheiden op 16 oktober 2024 zouden zijn overgelegd. Wel kan de rechtbank vaststellen dat [broer] pas op 26 juni 2026 de bankafschriften heeft overgelegd. Naar zijn eigen zeggen kon hij pas op 27 mei 2025 bij de notaris terecht voor een verklaring van erfrecht en die was nodig omdat de Rabobank anders geen inzage in de rekening wilde geven. [zus] heeft niettemin dwangsommen geïncasseerd en dat is volgens [broer] misbruik van recht. De rechtbank volgt [broer] niet in dit standpunt. [broer] was immers al eerder verzocht door [notaris] in januari 2024, om inzage te geven in alle bescheiden die relevant waren voor de vaststelling van de legitimaire massa. Weliswaar is [broer] bij vonnis in incident pas veroordeeld tot het overleggen van die afschriften, maar na het vonnis heeft het ook nog zo’n drie maanden geduurd voordat [broer] een verklaring van erfrecht heeft verkregen. Niet blijkt dat [broer] met voortvarendheid een afspraak bij de notaris heeft gemaakt, zodat het gegeven dat de notaris pas op 27 mei 2025 tijd zou hebben gehad voor het opmaken van een verklaring van erfrecht voor rekening en risico komt van [broer] . Nu niet blijkt dat door een omstandigheid buiten toedoen van [broer] er pas na 27 mei 2025 een verklaring voor erfrecht kon worden verkregen, heeft [zus] terecht de dwangsommen verbeurd en is er geen sprake van misbruik van recht.\n\nSchulden4.17.. De schulden van moeder moeten van het positieve saldo worden afgetrokken, zoals dit ook onder rechtsoverweging 4.2 is uitgelegd.\n\nUitvaartkosten en notariskosten\n\n4.18.. Vast staat dat [broer] kosten heeft gemaakt voor de uitvaart van moeder. Tijdens de mondelinge behandeling is gesteld dat de gemachtigde van [zus] bij e-mail van 16 oktober 2024 een overzicht van die kosten heeft ontvangen. De gemachtigde van [zus] herinnert zich die e-mail niet. Wat daar ook van zij, namens [broer] is verzuimd om de kosten van de uitvaart in deze procedure te stellen en onderbouwen. Zodoende kan de rechtbank geen rekening houden met de kosten van de uitvaart bij de bepaling van de legitimaire massa. Wel is door [broer] gesteld dat hij € 85,00 aan notariskosten heeft moeten maken voor het opvragen van het testament en € 906,83 voor het opstellen van een verklaring van erfrecht. De kosten komen de rechtbank aannemelijk voor.\n\nHypotheek4.19.. Vast staat verder dat op de woning van moeder en [broer] een hypotheek rust die bij aanvang € 190.000 bedroeg en die volgens een annuïteitenregeling afgelost moet worden. Verder bestaat er ook geen discussie tussen partijen dat er op de hypotheek, tot aan het moment dat moeder overleed, maandelijks aflossingen zijn gedaan. [broer] heeft echter nagelaten een overzicht te verstrekken van de hypotheekstand ten tijde van het overlijden van moeder. Pas tijdens de mondelinge behandeling heeft [broer] een poging ondernomen om inzage te verschaffen, maar vervolgens is nagelaten die schriftelijk te verstrekken. Gelet op de overlegde stukken zal de rechtbank daarom zelf de waarde van de hypotheek vast stellen. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspuntdat het maandbedrag € 684,37 bedroeg. De eerste betaling was verschuldigd op 30 juni 2021. De rechtbank stelt dan ook vast dat tot het overlijden van moeder in totaal € 19.162,36 (28 maanden x € 684,37) aan hypotheek is betaald. Dit bedrag dient in mindering te worden gebracht op de oorspronkelijke hypoheeksom. Derhalve bedroeg de hypotheekschuld ten tijde van het overlijden van moeder (€ 190.000,00 minus € 19.162,36) € 170.837,64.\n\n4.20.. Voor zover er nog hypotheeklasten zijn betaald ná overlijden van moeder, blijven die kosten buiten beschouwing nu dit voor de omvang van de legitimaire massa niet van belang is. Voor zover [broer] heeft willen betogen dat [zus] mede gehouden was om na het overlijden van moeder mee te betalen in de hypotheeklasten, miskent hij dat [zus] geen erfgenaam is en om die reden ook niet kan meedelen in schulden die zijn ontstaan ná het overlijden van moeder.\n\nOverige kosten\n\n4.21.. \n [broer] heeft gesteld dat hij als enige de hypotheeklasten betaalde, evenals de aanslagen van de BSGW en de kosten voor levensonderhoud. Moeder zou namelijk zelf geen inkomen hebben gehad, volgens [broer] . [zus] heeft dit betwist en tijdens de mondelinge behandeling is door de gemachtigde van [zus] erop gewezen dat moeder volgens de bankafschriften een AOW-uitkering ontving alsmede een (klein) pensioen uit Duitsland. Dit is op zichzelf niet weersproken door [broer] . De gemachtigde van [zus] heeft hiermee willen betogen dat niet blijkt of er tussen moeder en [broer] afspraken waren gemaakt over voormelde kosten, laat staat wat die afspraken zouden zijn. De rechtbank is met de gemachtigde van [zus] van oordeel dat van afspraken op dit punt niet is gebleken. [broer] draagt hier wel de bewijslast van. Door hem is echter op geen enkele wijze een begin van bewijs geleverd dat hij alle kosten heeft gedragen, of dat moeder nog gehouden was de kosten aan hem te vergoeden. Daarmee zal deze opgevoerde post geen rol spelen bij de vaststelling van de legitimaire massa.\n\nVerklaring voor recht ten aanzien van verbouwingskosten4.22.. \n [broer] vordert een verklaring voor recht dat hij voor een bedrag van € 128.000,00 een vordering op de nalatenschap heeft. Dit zou het bedrag zijn dat hij heeft betaald aan verbouwingskosten. Ter onderbouwing van die kosten heeft [broer] een groot aantal foto’s overgelegd waarop verbouwingswerkzaamheden zijn te zien, alsmede facturen. De rechtbank is van oordeel dat de vordering om meerdere redenen moet worden afgewezen.\n\n4.23.. De rechtbank begrijpt dat [broer] met zijn vordering beoogt te bewerkstelligen dat het totale bedrag aan verbouwing van de legitimaire massa moet worden afgetrokken. De verklaring voor recht is echter zodanig geformuleerd dat de rechtbank alleen zou kunnen vaststellen dat [broer] een vordering heeft ten laste van de nalatenschap. Nu hij echter enig erfgenaam is van die nalatenschap – [zus] is namelijk onterfd en kan slechts aanspraak maken op haar legitieme deel en is daarmee geen erfgenaam – ziet de rechtbank niet in welk belang [broer] bij die verklaring zou hebben. Ook al zou dit belang er wel zijn, dan geldt dat [zus] de verbouwing en de kosten die daarmee volgens [broer] gepaard gingen, heeft betwist. Met [zus] stelt de rechtbank vast dat op de foto’s niet blijkt dat de verbouwing daadwerkelijk heeft plaatsgevonden aan het huis dat moeder met [broer] had gekocht. Ook de overgelegde facturen kunnen de stelling van [broer] niet staven. Enerzijds is slechts voor een deel van het gevorderde bedrag facturen overgelegd en verder blijkt niet van enige betaling. En ook ten aanzien van deze vordering geldt dat niet blijkt van afspraken tussen moeder en [broer] , waaruit zou voortvloeien dat moeder het eens is met de verbouwing, de kosten en het gegeven dat zij daar voor de helft aan zou moeten meebetalen. Daarmee wordt de gevorderder verklaring voor recht afgewezen.\n\nSlotsom\n\n4.24.. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, komt de legitimaire massa – en vervolgens de legitieme portie die bestaat uit 25% van de legitimaire massa – op het volgende uit:\n\n4.25.. De vordering van [zus] wordt dan ook tot een bedrag van € 58.579,01 toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag wordt, conform de vordering, toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.26.. \n\n [zus] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. .\n\nVoor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten kan (in de onderhavige zaak) een grondslag worden gevonden in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW. De in deze bepaling genoemde kosten komen voor vergoeding in aanmerking indien deze de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan en het liquidatietarief daarop geen betrekking heeft. De partij die dergelijke kosten vordert moet stellen en specificeren dat deze kosten zijn gemaakt voor andere verrichtingen dan de verrichtingen waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv een vergoeding plegen in te sluiten. Het zal daarbij moeten gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (herhaalde) sommatie of het enkel doen van een – niet aanvaard – schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Namens [zus] is geprobeerd om informatie te verkrijgen ter vaststelling van de legitimaire massa. Van andere werkzaamheden blijkt niet voldoende. De vordering tot vergoeding van de proceskosten wordt dan ook afgewezen.\n\nProceskosten4.27.. In de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder betreft, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren. Aan een veroordeling tot betaling van nakosten wordt daarom niet toegekomen. Slechts de procespartij die een volledige veroordeling van zijn wederpartij in de proceskosten verkreeg, heeft recht op nakosten.\n\nDe beslagkosten4.28.. Op 20 augustus 2024 is op verzoek van [zus] ten laste van [broer] conservatoir beslag gelegd op de woning van [broer] , om zekerheid te krijgen voor (de betaling van) een vordering die zij op [broer] stelde te hebben. [zus] vordert veroordeling van [broer] tot betaling van de beslagkosten, vermeerderd met rente. Deze vordering is op grond van artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op:\n\nDeurwaarderskosten € 320,37\n\nGriffierecht € 320,00\n\nKosten advocaat € 1214,00 (1 punt, waarde tarief anno 2024)\n\nTotaal € 1.854,37.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. verklaart voor recht dat de legitimaire massa € 234.316,04 bedraagt,\n\n5.2.. verklaart voor recht dat de legitieme portie € 58.579,01 bedraagt,\n\n5.3.. veroordeelt [broer] om aan [zus] te betalen een bedrag van € 57.712,63, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,\n\n5.4.. veroordeelt [broer] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.864,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening,\n\nIn reconventie\n\n5.5.. wijst de vorderingen van [broer] af,\n\nIn conventie en reconventie\n\n5.6.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af;\n\n5.8.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.\n\n Gebaseerd op productie 7 bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5540","2026-07-13T00:29:32.586Z",{"id":156,"ecli":157,"slug":158,"caseNumber":43,"courtId":159,"decisionDate":144,"fullText":160,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":161,"sourceTimestamp":129,"parsedAt":51,"updatedAt":162},"1922","ECLI:NL:GHDHA:2026:1804","ecli-nl-ghdha-2026-1804",58,"GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Familie\n\nzaaknummer : 200.360.876\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank : 11662918 EJ VERZ 25-75281\n\nbeschikking van de meervoudige kamer van 27 mei 2026\n\ninzake\n\n [de verzoekster] ,\n\nwonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente 1] ,\n\nverzoekster in het principaal hoger beroep,\n\nverweerster in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna te noemen: de verzoekster,\n\nadvocaat mr. D. Tap te Den Haag,\n\ntegen\n\n [de stichting] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\nverweerster in het principaal hoger beroep,\n\nverzoekster in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna te noemen: de stichting,\n\nadvocaten mrs. E.J. Lievense en M.E. Ernens te Rotterdam.\n\nAls overige belanghebbenden zijn aangemerkt:\n\n- [belanghebbende 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] , Spanje,\n\nhierna te noemen: [belanghebbende 1] ,\n\n- [belanghebbende 2] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [belanghebbende 2] ,\n\n- [belanghebbende 3] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [belanghebbende 3] .\n\n1. Het verloop van het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 31 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. De verzoekster is op 29 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.\n\n2.2. De stichting heeft op 9 februari 2026 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.3. De verzoekster heeft op 27 maart 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.4. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:\n\n- een journaalbericht van de zijde van verzoekster van 5 december 2025 met bijlage, ingekomen op dezelfde datum;\n\n- een brief van de zijde van [belanghebbende 3] van 11 februari 2026 waarin zij zich afmeldt voor de mondelinge behandeling bij het hof;\n\n- een journaalbericht van de zijde van de stichting van 2 april 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.\n\n2.5. De mondelinge behandeling heeft op 16 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:\n\n- de verzoekster, bijgestaan door mr. Tap;\n\n- de stichting, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] , en bijgestaan door mr. Lievense en mr. Ernens ;\n\n- [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. [belanghebbende 3] is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.\n\nDe advocaat van de verzoekster en de advocaat mr. Lievense van de stichting hebben tijdens de mondelinge behandeling pleitnotities overgelegd en voorgedragen.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Het hof gaat uit van de door de kantonrechter vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.\n\n3.2. Op 12 januari 2023 is in de gemeente [gemeente 2] overleden: [de erflaatster] , geboren op [geboortedatum] 1932 in [geboorteplaats] (hierna te noemen: de erflaatster).\n\n3.3. De erflaatster heeft voor het laatst op 24 januari 2011 bij testament, verleden voor [notaris] , notaris in [vestigingsplaats] , over haar nalatenschap beschikt. In het testament zijn de verzoekster, [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] , ieder voor gelijke delen, tot erfgenamen benoemd. Zij hebben de nalatenschap aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Verder is in het testament de verzoekster tot executeur benoemd. Erflaatster heeft ten aanzien van het loon van de executeur in haar testament bepaald:\n\n“Het loon\n\nDe executeur komt als loon een procent “1%” van het saldo van mijn vermogen op mijn sterfdag toe. De door de executeur in de uitoefening van zijn taak gemaakte kosten komen voor rekening van mijn erfgenamen, naar rato van hun verkrijging. Op grond van onvoorziene omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de executeur of een van de erfgenamen, de beloning anders regelen dan hierboven is aangegeven.”\n\n3.4. Bij de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 14 april 2023 is de verzoekster met onmiddellijke ingang geschorst als executeur en is [het notariskantoor] (hierna te noemen: het notariskantoor) via de stichting benoemd tot waarnemend executeur. Bij beschikking van 17 augustus 2023 is de verzoekster ontslagen als executeur en is de stichting benoemd tot opvolgend executeur.\n\n3.5. \n\nIn de brieven van het notariskantoor aan alle erfgenamen van 21 april 2023 staat, voor zover hier van belang:\n\n“Tenslotte meld ik dat onze werkzaamheden worden verricht volgens uurtarief, zijnde € 275,00 exclusief BTW, kantoorkosten en eventueel verschuldigde griffierechten. Voor een (kandidaat-)notaris. Voor andere medewerkers geldt een lager uurtarief. Onze declaraties zullen in beginsel worden voldaan uit het saldo van de nalatenschap.”\n\n3.6. Het notariskantoor heeft aan de (erven van de) nalatenschap diverse facturen gestuurd voor de door haar ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap verrichtte werkzaamheden.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. \n\nDe verzoekster heeft in eerste aanleg de kantonrechter, kort gezegd, verzocht om te bepalen dat alleen de stichting en niet het aan haar verbonden notariskantoor ( [het notariskantoor] ) recht heeft op loon en dat dit loon 1% van het saldo van het vermogen van de erflaatster op de datum van haar overlijden bedraagt. Ook heeft zij verzocht om te bepalen dat het door de stichting teveel in rekening gebrachte en\u002Fof gefactureerde teruggestort moet worden en te bepalen dat de proceskosten en de kosten van de stichting in het kader van de procedure niet ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht.\n\nDe stichting heeft de kantonrechter verzocht om te bepalen dat de uurtarieven van de stichting, althans het aan haar verbonden notariskantoor kunnen worden gehanteerd dan wel het loon vast te stellen conform de Recofa-richtlijnen.\n\n4.2. \n\nDe kantonrechter heeft, wat de verzoeken van de verzoekster betreft, bepaald dat de kosten van de stichting in het kader van de kantonprocedure, waaronder uitdrukkelijk doch niet uitsluitend begrepen alle voorbereidende en andere werkzaamheden, niet ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht. Het meer of anders verzochte is afgewezen.\n\nVerder heeft de kantonrechter bepaald ten aanzien van de verzoeken van de stichting dat de stichting recht heeft op het loon conform het uurtarief van haar kantoor, althans het aan haar verbonden notariskantoor gebruikelijke uurtarief, voor de afwikkeling van nalatenschappen. Het meer of anders verzochte is afgewezen.\n\n4.3. \n\nDe verzoekster verzoekt het hof haar beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de bestreden beschikking, het hof begrijpt: met uitzondering van de beslissing betreffende de kosten van de stichting in het kader van de kantonprocedure, te vernietigen en alsnog rechtdoende te oordelen dat de stichting recht heeft op een loon ter hoogte van 1% van het saldo van de nalatenschap op de dag van overlijden van de erflaatster.\n\nIndien mogelijk in het kader van deze procedure, verzoekt de verzoekster de stichting te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen aan de nalatenschap is onttrokken, al dan niet door betaling aan het notariskantoor, met veroordeling van de stichting in de kosten van beide procedures.\n\n4.4. \n\nDe stichting :\n\nI. concludeert in principaal appel: dat het verzoek en\u002Fof de grieven van de verzoekster moeten worden afgewezen; en\n\nII. verzoekt in incidenteel appel: dat de bestreden beschikking vernietigd wordt voor zover het de beslissing over de kosten van de stichting in het kader van de procedure betreft en, opnieuw rechtdoende, dat bepaald wordt dat de kosten van de stichting in het kader van zowel de procedure bij de kantonrechter als dit hoger beroep (waaronder uitdrukkelijk doch niet uitsluitend begrepen alle voorbereidende en andere werkzaamheden) ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht;\n\nIII. verzoekt bij aanvullend verzoek: dat de verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten van de hoger beroepsprocedure ter hoogte van het liquidatietarief.\n\n4.5. De verzoekster concludeert dat het incidenteel hoger beroep van de stichting moet worden afgewezen en de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat de kosten van de executeur in het kader van de procedure in eerste aanleg niet ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht, bekrachtigd moet worden. Ook dient volgens de verzoekster de verzochte proceskostenveroordeling afgewezen te worden, met compensatie van de proceskosten in het incidenteel hoger beroep zodat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nPrincipaal hoger beroep\n\nBeginsel van hoor en wederhoor\n\n5.1. Het hof overweegt als volgt. De herstelfunctie van het hoger beroep brengt met zich dat eventuele gebreken van de procedure in eerste aanleg in hoger beroep kunnen worden gerepareerd. Indien en voor zover er al sprake van is geweest dat de kantonrechter in de rechtbank Den Haag het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, zoals de verzoekster stelt en de stichting betwist, is het hof van oordeel dat dit gebrek in hoger beroep is hersteld. In hoger beroep is gebleken dat de verzoekster over de stukken beschikt die volgens haar door de stichting vlak voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank zijn ingediend, en zij heeft hierop alsnog (in hoger beroep) kunnen reageren. Het hof zal daarom voorbijgaan aan de stelling van de verzoekster dat het beginsel van hoor en wederhoor in eerste aanleg is geschonden.\n\nBeloning executeur\n\n5.2. De verzoekster heeft drie grieven aangevoerd waarin zij, kort samengevat, betwist dat het benoemen van een professionele executeur een onvoorziene omstandigheid is die rechtvaardigt dat de opvolgende executeur recht heeft op een van het testament afwijkend loon. Ook is de verzoekster van mening dat de kantonrechter niet had mogen oordelen dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de testamentaire bepaling ten aanzien van het loon van de executeur niet mag worden verwacht. Daarnaast verzet de verzoekster zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het loon van de executeur met terugwerkende kracht gewijzigd moet worden.\n\n5.3. De stichting heeft de grieven van de verzoekster gemotiveerd weersproken. De stichting meent, eveneens kort samengevat, dat aannemelijk is dat de erflaatster ervan uitging dat de verzoekster haar taak als executeur zou blijven vervullen. De benoeming van een professionele executeur vormt dan een onvoorziene omstandigheid, ondanks dat in het testament aan de kantonrechter de bevoegdheid is toegekend om een vervanger te benoemen. De stichting betoogt ook dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om ook ten aanzien van een onafhankelijke en professionele executeur vast te houden aan de testamentaire bepaling waarin het loon wordt gefixeerd op 1% van het saldo van de nalatenschap op de overlijdensdatum. Verder wordt door de stichting benadrukt dat bij de bereidverklaring namens de stichting kenbaar is gemaakt dat de taak van de executele zal worden uitgevoerd tegen het door het notariskantoor gebruikelijk gehanteerde uurtarief, waarna dit tarief ook uitdrukkelijk is vermeld. Volgens de stichting bepaalt artikel 6:258 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna ook: BW) dat de wijziging van een overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden, welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag worden verwacht, met terugwerkende kracht kan worden verleend.\n\n5.4. Het hof overweegt als volgt. De vraag die in de onderhavige zaak moet worden beantwoord is of de stichting, als opvolgend en professioneel executeur, recht heeft op een hoger loon voor de executeur dan testamentair door de erflaatster is bepaald.\n\n5.5. Het hof acht het, evenals de kantonrechter en op dezelfde gronden, na een eigen afweging, aannemelijk dat de erflaatster bij de benoeming van de verzoekster als executeur, ervan is uitgegaan dat de verzoekster als executeur zou blijven fungeren. De erflaatster heeft in haar testament niet geanticipeerd op de huidige verstoorde verhouding tussen de erfgenamen als gevolg waarvan de benoeming van een professioneleexecuteur noodzakelijk was om de nalatenschap af te wikkelen. Derhalve is, zo is het hof met de kantonrechter van oordeel, sprake van een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW. Gelet hierop acht het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om ongewijzigde instandhouding van het in het testament opgenomen loon van de executeur te verwachten.\n\n5.6. De kantonrechter heeft de stichting als opvolgend executeur bij beschikking van 17 augustus 2023 benoemd. Hieraan voorafgaand had de kantonrechter in het kader van een voorlopige voorziening het notariskantoor via de stichting reeds bij beslissing van 14 april 2025 als waarnemend executeur benoemd. In het inleidend verzoek van 28 februari 2023 van [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] , waarin zij verzoeken de stichting tot executeur te benoemen, is vermeld wat het uurtarief van de opvolgend executeur, zijnde het notariskantoor via de stichting, was. Daarna, op 21 april 2023, heeft het notariskantoor een brief verstuurd aan alle erfgenamen, waaronder de verzoekster, met daarin het uurtarief genoemd (zie ook hiervoor) en vermeld dat het kantoor, via de stichting, als waarnemend executeur is benoemd. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stellingen van de verzoekster dat op geen enkel moment gedurende de procedures over de schorsing en het ontslag, van de zijde van stichting is aangegeven dat de stichting aanspraak zal gaan maken op een van het testament afwijkend loon en dat het notariskantoor de werkzaamheden zal verrichten. De verzoekster had op het moment van de benoeming door de kantonrechter van de professionele executeur kunnen weten dat de executeur onder de voorwaarde van zijn uurtarief, de benoeming op zich had aanvaard. Dit klemt te meer nu verzoekster in haar brief van 24 mei 2023 aan [vertegenwoordiger 1] schrijft ‘ivm met de hoge kosten en uurloon wat u en uw colleges berekent’.\n\n5.7. \n\nOp grond van het voorgaande, is het hof van oordeel dat de erfgenamen ervan uit hadden moeten gaan dat de opvolgend executeur niet zijn werkzaamheden zou verrichten voor 1% van het saldo van de nalatenschap. De grieven 2 en 3 van de verzoekster falen.\n\nHet hof is, met de stichting, van oordeel dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de wijziging van het loon met terugwerkende kracht in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid. Voor zover deze stelling van de verzoekster bedoeld was als vierde grief, faalt ook deze.\n\nIncidenteel hoger beroep\n\n5.8. Gelet op het voorgaande is de stichting vanaf de aanvang van haar werkzaamheden duidelijk geweest over de in rekening te brengen tarieven; deze tarieven zijn naar het oordeel van het hof voor een professionele bewindvoerder redelijk. Dit brengt mee dat, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, de executeur de kosten in het kader van de procedure in eerste aanleg en ook de kosten van de hoger beroepsprocedure (waaronder uitdrukkelijk, doch niet uitsluitend, begrepen alle voorbereidende en andere werkzaamheden) ten laste van de nalatenschap mag brengen. Het hof zal dan ook het incidentele verzoek van de stichting toewijzen.\n\nProceskostenveroordeling\n\n5.9. Het hof ziet aanleiding om gezien de uitkomst van de procedure, zoals verzocht door de stichting, de verzoekster als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep overeenkomstig het liquidatietarief. Het hof begroot de kosten op € 2.953,-.\n\nBewijsaanbod\n\n5.10. Gezien de uitkomst van de procedure komt het hof niet meer toe aan het door de stichting gedane bewijsaanbod.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:\n\nvernietigt de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 31 juli 2025 voor zover daarin is bepaald dat de kosten van de stichting in het kader van de kantonprocedure, waaronder uitdrukkelijk doch niet uitsluitend begrepen alle voorbereidende en andere werkzaamheden, niet ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht, en in zoverre opnieuw rechtdoende:\n\nbepaalt dat de executeur de kosten in het kader van de procedure in eerste aanleg en ook de kosten van de onderhavige hoger beroepsprocedure (waaronder uitdrukkelijk, doch niet uitsluitend, begrepen alle voorbereidende en andere werkzaamheden) en ook de kosten van de onderhavige hoger beroepsprocedure ten laste van de nalatenschap mag brengen;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nbekrachtigt voor het overige de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 31 juli 2025;\n\nveroordeelt de verzoekster in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de stichting begroot op € 373,- voor verschotten en op € 2.580,- salaris overeenkomstig het liquidatietarief;\n\nverklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, A.N. Labohm en A.S. Mertens - de Jong, bijgestaan door mr. M.A.J. Vergeer - van Zeggeren als griffier en is op 27 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1804","2026-07-13T00:29:45.678Z",{"id":164,"ecli":165,"slug":166,"caseNumber":43,"courtId":167,"decisionDate":168,"fullText":169,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":170,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":171},"330","ECLI:NL:RBGEL:2026:5279","ecli-nl-rbgel-2026-5279",68,"2026-05-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F461694 \u002F HZ ZA 26-9\n\nVonnis in incident van 13 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\nadvocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. P.A.J. Raaijmaakers,\n\nen\n\nde opgeroepen derde ex artikel 118 Rv\n\n [naam executeur] , in zijn hoedanigheid van (gewezen) executeur in de nalatenschap van [naam erflaatster] ,\n\nte [plaatsnaam] ,\n\nhierna te noemen: [de executeur] ,\n\nadvocaat: mr. P.A.J. Raaijkmakers.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding \u002F oproep voor een rechtszaak\n\n- de conclusie van antwoord van [de gedaagde]\n\n- de (antwoord)akte van [de eiser]\n\n- de oproeping van de heer [de executeur] op grond van artikel 118 Rv\n\n- het B2-formulier waarin mr. P.A.J. Raaijmaakers zich stelt als advocaat voor de heer\n\n [de executeur]\n\n2. De feiten in het incident\n\n2.1.. \n [de eiser] en [de gedaagde] zijn de enige kinderen van de heer [de erflater] , overleden op [overlijdensdatum] (hierna te noemen: “erflater”) en mevrouw [de erflaatster] , overleden op [overlijdensdatum] (hierna te noemen: “erflaatster”). Erflater en erflaatster waren gehuwd in gemeenschap van goederen.\n\n2.2.. \n [de eiser] is door erflater en erflaatster onterfd. [de executeur] , echtgenoot van [de gedaagde] , is benoemd tot executeur van de nalatenschap van erflaatster.\n\n2.3.. De goederen van erflaatster zijn op enig moment onder bewind gesteld. De bewindvoerder heeft de woning van erflaatster, toen zij naar een verpleeghuis was verhuisd, met machtiging van de kantonrechter verhuurd aan de zoon van [de gedaagde] .\n\n2.4.. \n [de eiser] heeft op 22 mei 2025 een beroep op haar legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster gedaan.\n\n3. Het geschil in het incident en in de hoofdzaak\n\n3.1.. \n\n [de eiser] vordert\n\nin het incident:\n\nI. [de gedaagde] te veroordelen binnen zeven dagen na het vonnis de volgende stukken in kopie aan de advocaat van [de eiser] ter beschikking te stellen:\n\na. de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om machtiging voor verhuur van de woning van erflaatster,\n\nb. de huurovereenkomst voor de woning met de zoon van [de gedaagde] ,\n\nc. bewijsstukken ten aanzien van de uitkeringen uit levensverzekeringen, in het bijzonder ten aanzien van de uitvaart van moeder;\n\nII. het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren,\n\nin de hoofdzaak:\n\nIII. vaststelling van de legitieme portie van [de eiser] in de nalatenschap van erflaatster;\n\nin het incident en in de hoofdzaak verder:\n\nIV. te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n3.2.. \n [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [de eiser] in haar vorderingen, althans de vorderingen van [de eiser] af te wijzen, met veroordeling van [de eiser] in de proceskosten. [de gedaagde] stelt dat [de eiser] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen omdat er een executeur in de nalatenschap van erflaatster is benoemd en de executeur de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt. [de eiser] had daarom de executeur moeten dagvaarden.\n\n3.3.. \n [de eiser] heeft bij akte gereageerd op het niet-ontvankelijkheidsverweer van [de gedaagde] . [de eiser] voert aan dat [de executeur] als executeur niet meer in functie was, zodat zij [de gedaagde] als erfgenaam mag dagvaarden. Daarnaast is [de executeur] op grond van artikel 118 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bij exploot opgeroepen.\n\n4. De beoordeling in het incident\n\n4.1.. Het meest verstrekkende verweer van [de gedaagde] is dat [de eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het incident en in de hoofdzaak. [de gedaagde] stelt hiertoe dat [de executeur] is benoemd tot executeur van de nalatenschap van erflaatster. De executeur vertegenwoordigt de erfgenamen op grond van artikel 4:145 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in en buiten rechte, zodat [de eiser] [de executeur] had moeten dagvaarden en niet [de gedaagde] .\n\n [de eiser] is ontvankelijk in het incident\n\n4.2.. \n\nDe rechtbank begrijpt dat [de eiser] , als legitimaris die niet erfgenaam is, afschrift van bescheiden vordert van [de gedaagde] op grond van\n\nartikel 4:78 lid 1 BW. Op grond van artikel 4:78 lid 1 BW kan de legitimaris zowel de erfgenamen als de met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspreken hem inlichtingen over de nalatenschap te verschaffen. Dit betekent dat [de eiser] ontvankelijk is in haar incidentele vordering tot het verstrekken van afschrift van bescheiden jegens [de gedaagde] als erfgenaam. De rechtbank komt dus toe aan de inhoudelijke behandeling van het incident.\n\nHet juridisch kader\n\n4.3.. In artikel 4:78 BW is bepaald dat een legitimaris die niet erfgenaam is, tegenover de erfgenamen en met het beheer van de nalatenschap belaste executeurs aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft en dat zij hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen verstrekken. Hoever de informatieplicht reikt, dient per geval te worden beoordeeld. Daarbij geldt in ieder geval dat in artikel 4:78 BW door de wetgever is gekozen voor een ruim toepassingsbereik met de bewoordingen “alle daartoe strekkende inlichtingen”. Het is echter geen algemeen inzagerecht maar is beperkt tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie. Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:6 BW wordt onder waarde van de goederen van de nalatenschap verstaan de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater.\n\nDe machtiging voor verhuur van de woning van erflaatster\n\n4.4.. \n [de eiser] vordert een kopie van de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om machtiging voor verhuur van de woning voor erflaatster. [de eiser] heeft in dit verband gesteld dat de kantonrechter de toestemming destijds alleen verleende voor verhuur voor de ten hoogste toelaatbare bepaalde tijd van twee jaar en dat de huurovereenkomst na die periode van rechtswege eindigde. Volgens [de eiser] moet daarom de waarde van de woning in het economisch verkeer in vrije staat in aanmerking genomen worden en niet de overeengekomen verkoopprijs. Door [de gedaagde] is aangevoerd dat de machtiging van de kantonrechter slechts ziet op de toestemming voor het aangaan van de huurovereenkomst en niet op de waardering van de nalatenschap zelf. De machtiging heeft volgens [de gedaagde] geen invloed op de omvang van de legitimaire massa of op de hoogte van de legitieme portie.\n\n4.5.. \n [de gedaagde] heeft niet althans onvoldoende (gemotiveerd) betwist dat de toestemming voor verhuur destijds in veel gevallen slechts voor een beperkte periode werd verleend en dat de huurovereenkomst na ommekomst van die periode van rechtswege eindigde. De inhoud van de machtiging kan dan ook relevant zijn voor de bij de waardering van de woning te hanteren grondslag en daarmee voor de hoogte van de legitimaire massa. De woning van erflaatster is immers een goed in de zin van artikel 4:6 BW, zodat de waarde van de woning op grond van artikel 4:65 relevant is voor de berekening van de legitieme portie van [de eiser] . In zoverre faalt het verweer dan ook. [de gedaagde] stelt evenwel dat de machtiging zich niet in haar bezit bevindt. Nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, neemt de rechtbank aan dat de (voormalig) bewindvoerder van erflaatster over deze machtiging beschikt en dat [de gedaagde] een kopie hiervan bij de bewindvoerder kan opvragen om deze vervolgens aan [de gedaagde] te doen toekomen. De vordering zal daarom aldus worden toegewezen.\n\nDe huurovereenkomst\n\n4.6.. \n [de eiser] vordert verder een afschrift van de huurovereenkomst van erflaatster met de zoon van [de gedaagde] , naar de rechtbank begrijpt eveneens met het oog op de vraag of de woning in vrije staat dan wel verhuurde staat moet worden getaxeerd. [de gedaagde] heeft aangevoerd dat niet kan worden ingezien dat de huurovereenkomst invloed zou hebben op de omvang van de legitieme portie. De verkoop van de woning van erflaatster aan de zoon van [de gedaagde] is volgens haar geen gift of bevoordeling maar een zakelijke overeenkomst die voor erflaatster tot behoud van haar vermogen heeft geleid. De verhuur van de woning was bedoeld om te voorkomen dat de woning leeg zou komen te staan met het risico van verval en waardevermindering.\n\n4.7.. Naar het oordeel van de rechtbank kan voor de waardering van de woning relevant zijn of deze en zo ja, onder welke voorwaarden, is verhuurd. Voor de berekening van de legitieme portie moet de legitimaris dan ook kennis kunnen nemen van de inhoud van de huurovereenkomst. De vordering van [de eiser] tot het overleggen van afschrift van de huurovereenkomst is daarom toewijsbaar.\n\nBewijsstukken van uitkeringen uit levensverzekeringen\n\n4.8.. \n\n [de eiser] vordert bewijsstukken ten aanzien van de uitkeringen uit levensverzekeringen, in het bijzonder ten aanzien van de uitvaart van erflaatster. Door [de gedaagde] wordt niet betwist dat [de eiser] deze stukken nodig heeft voor de berekening van haar legitieme portie, zodat de vordering van [de eiser] voor dit gedeelte toewijsbaar is. Voor zover [de gedaagde] heeft willen aanvoeren dat [de eiser] geen belang heeft bij haar vordering omdat het overgrote deel van de stukken al bij e-mail aan de advocaat van [de eiser] zijn toegestuurd, geldt dat de bewijsstukken ten aanzien van de uitkering uit levensverzekeringen niet zijn opgenomen in de bedoelde\n\ne-mail. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.\n\nProceskosten in het incident\n\n4.9.. Gelet op de familierelatie tussen partijen zal de rechtbank bepalen dat de proceskosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beoordeling in de hoofdzaak\n\n5.1.. \n [de eiser] heeft [de executeur] , in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflaatster, in het geding betrokken op grond van artikel 118 Rv. Het gevolg van de oproeping is dat [de executeur] partij is geworden in deze procedure. Mr. Raaijmakers heeft zich als advocaat gesteld voor [de executeur] . Nu [de executeur] in de procedure is verschenen, zal hij in de gelegenheid worden gesteld om een conclusie van antwoord te nemen. De zaak zal worden verwezen naar de rol van 24 juni 2026 voor conclusie van antwoord door [de executeur] .\n\n5.2.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nIn het incident\n\n6.1.. veroordeelt [de gedaagde] , binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis:\n\nde beschikking van de kantonrechter op het verzoek om machtiging voor verhuur van de woning van erflaatster bij de (voormalig) bewindvoerder op te vragen en deze na ontvangst daarvan aan [de eiser] ter beschikking te stellen,\n\nde huurovereenkomst voor de woning van erflaatster met de zoon van [de gedaagde] aan [de eiser] ter beschikking te stellen,\n\nbewijsstukken ten aanzien van de uitkeringen uit levensverzekeringen, in het bijzonder ten aanzien van de uitvaart van erflaatster aan [de eiser] ter beschikking te stellen,\n\n6.2.. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n6.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.4.. wijst af het meer of anders gevorderde,\n\nIn de hoofdzaak\n\n6.5.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 juni 2026 voor conclusie van antwoord door [de executeur] ,\n\n6.6.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.\n\nJV\u002FMa","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5279","2026-07-13T00:28:24.722Z",{"id":173,"ecli":174,"slug":175,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":176,"fullText":177,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":178,"sourceTimestamp":179,"parsedAt":51,"updatedAt":180},"1757","ECLI:NL:RBNHO:2026:5734","ecli-nl-rbnho-2026-5734","2026-04-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F375585 \u002F KG ZA 26-118\n\nVonnis in kort geding van 29 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\nadvocaat: mr. D.W. Ruys,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nin hoedanigheid van executeur en erfgenaam van de nalatenschap van [erflaatster],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. J. Bouter.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 13 maart 2026, met producties 1-6;\n\n- de producties 1-16 namens [gedaagde] ; - de mondelinge behandeling van 13 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van mr. Ruys, - de pleitnota van mr. Bouter.\n\n1.2.. De zaak is na afloop van de mondelinge behandeling een week aangehouden, om partijen de gelegenheid te geven afspraken te maken. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen en hebben de voorzieningenrechter daarom verzocht om vonnis te wijzen.\n\n2. De uitgangspunten\n\n2.1.. Mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) is overleden op 15 september 2023. Op 16 november 2021 maakte zij haar laatste testament op, waarin zij haar echtgenoot, [gedaagde] , en haar twee kinderen ( [eiseres] en [zoon ] ) tot erfgenamen benoemde. [gedaagde] werd bovendien tot executeur benoemd.2.2.. In het testament is bepaald dat op de nalatenschap de wettelijke verdeling van toepassing is. Volgens het testament komt aan [gedaagde] 3\u002F6e deel, aan [zoon ] 2\u002F6e deel en aan [eiseres] 1\u002F6e deel van de nalatenschap toe. Het erfdeel van [eiseres] komt overeen met haar legitieme portie.\n\n2.3.. \n [gedaagde] heeft een boedelbeschrijving opgesteld. In de boedelbeschrijving zijn onder de schulden van de nalatenschap onder andere een schuld van € 82.911,36 opgenomen wegens openstaande declaraties van het kantoor van mr. J. Bouter en een schuld aan [zoon ] van € 20.000,-.\n\n2.4.. \n [eiseres] heeft [gedaagde] verzocht inzage te geven in alle bankafschriften over vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van erflaatster, declaraties ter onderbouwing van de schuld aan het advocatenkantoor en betaalbewijzen in verband met de opgenomen schuld aan [zoon ] . [gedaagde] heeft hieraan niet voldaan.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiseres] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] een afschrift van alle bankafschriften van alle bank- en spaarrekeningen op naam van erflaatster en\u002Fof [gedaagde] te verstrekken, over een periode van vijf jaar voor het overlijden, integraal en ongeschoond;\n\nII. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, inzage te verstrekken in en afschrift te geven van alle declaraties, urenspecificaties en betaalbewijzen die ten grondslag liggen aan het in de boedelbeschrijving als schuld opgevoerde bedrag van € 82.911,36 wegens advocaatkosten van het kantoor van mr. J. Bouter;\n\nIII. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, inzage te verstrekken in en afschrift te geven van alle stukken waaruit zou blijken dat sprake is van een daadwerkelijke schuld van erflaatster aan haar zoon de heer [zoon ] ten bedrage van € 20.000,-, waaronder schriftelijke overeenkomsten, correspondentie en bankmutaties betreffende de gestelde betaling(en) en eventuele terugbetaling(en);\n\nIV. bepaalt dat [gedaagde] in privé bij gebreke van (tijdige) nakoming van de onder I. tot en met III. gevorderde verplichtingen een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag(deel) dat hij in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,-;\n\nV. [gedaagde] in privé veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n\n [eiseres] legt kort gezegd aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 4:16 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) hebben erfgenamen jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven. Dit omvat ook bewijsstukken van opgevoerde schulden. Verder zijn [eiseres] en [gedaagde] als erfgenamen krachtens artikel 3:166 lid 1 BW deelgenoten in de nalatenschap van erflaatster. Op grond van artikel 3:166 lid 3 BW in samenhang met artikel 6:2 BW dienen deelgenoten jegens elkaar de eisen van redelijkheid en billijkheid in acht te nemen. Een deelgenoot in een nalatenschap heeft in die zin tegenover de andere deelgenoten recht op inzage van alle stukken die deel uitmaken van de nalatenschap en die ter beoordeling van de omvang en de waarde van die nalatenschap van belang zijn.\n\nDaarnaast is in artikel 4:148 BW bepaald dat een executeur aan een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak moet geven. Om te beoordelen of de legitieme portie van [eiseres] door schenkingen bij leven van erflaatster is geschonden en zij mogelijk een aanvullend beroep op haar legitieme portie dient te doen, heeft zij recht op de gevraagde bankafschriften en deze zelf te onderzoeken. Daarnaast wil [eiseres] controleren of de in de boedelbeschrijving opgenomen schulden aan het advocatenkantoor en [zoon ] kloppen.\n\n3.3.. \n\n [gedaagde] voert verweer en vindt dat hij de gevorderde stukken niet hoeft te verstrekken. Hij voert daartoe - samengevat - het volgende aan. [gedaagde] verzet zich tegen het overleggen van vertrouwelijke correspondentie tussen advocaat en cliënt alsmede gedetailleerde urenspecificaties waaruit de inhoud van de behandeling van de zaak tussen [gedaagde] en de zoon van [eiseres] blijkt. [eiseres] heeft geen recht op onbeperkte inzage in vertrouwelijke informatie tussen advocaat en cliënt. Zelfs facturen behoeven volgens het verschoningsrecht niet te worden overgelegd.\n\nTen aanzien van de lening van € 20.000,- bij [zoon ] heeft [gedaagde] producties overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat na ontvangst van dat geld, [gedaagde] en erflaatster dit bedrag diezelfde dag en de dag erna aan de advocaat hebben betaald onder vermelding van de desbetreffende factuurnummers. Bovendien is er een schuldbekentenis opgemaakt tussen [zoon ] en [gedaagde] en erflaatster. Daarmee is voldoende inzage gegeven.\n\nVerder heeft [gedaagde] aangevoerd dat een bevel tot overleggen van alle bankafschriften het recht op eerbiediging van het privéleven raakt, artikel 4:16 lid 4 BW geen algemene controlerecht over iemands privé-uitgaven schept en [eiseres] geen beroep kan doen op artikel 4:148 BW omdat [gedaagde] zijn werkzaamheden als executeur al heeft voltooid.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nGeen spoedeisend belang4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft.\n\n4.2.. \n [eiseres] stelt dat haar spoedeisend belang gelegen is in het stagneren van de afwikkeling van de nalatenschap, zolang zij geen volledig en controleerbaar inzicht heeft in de omvang en juistheid van de opgevoerde advocaatkosten, de juistheid en toelaatbaarheid van de opgevoerde schuld aan haar broer en het verloop van de relevante bankrekeningen in de vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van erflaatster. Zonder deze informatie kan [eiseres] haar erfdeel niet correct vaststellen, noch bepalen of en in hoeverre zij een aanvullend beroep op haar legitieme portie dient te doen. Bovendien verslechtert de bewijspositie van [eiseres] met het verstrijken van de tijd en wordt het herstel van eventuele onjuiste onttrekkingen of ten onrechte opgevoerde schulden praktisch steeds lastiger. In de komende maanden dreigen belangrijke bankafschriften verloren te gaan (in verband met de geldende wettelijke bewaartermijn voor banken), die mogelijk ook zien op de gemaakte advocaatkosten, lening en schenkingen. [gedaagde] heeft het spoedeisend belang van [eiseres] betwist.4.3.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang bij de vorderingen van [eiseres] ontbreekt. Dit concludeert hij op basis van het feit dat [eiseres] - zoals zij zelf ook heeft gesteld - nog tot 15 september 2028 een aanvullend beroep op haar legitieme portie kan doen en de verklaring van mr. Bouter ter zitting dat hij (digitaal) beschikt over de gevraagde bankafschriften van de periode van vijf jaar voor het overlijden van erflaatster. [eiseres] hoeft dus niet te vrezen dat de gevorderde bankafschriften verloren zullen gaan. Verder beschikt [gedaagde] over de advocatendeclaraties van het kantoor van mr. Bouter. Ook hiervoor geldt dus dat de gevorderde stukken beschikbaar zijn, zodat niet gevreesd hoeft te worden dat deze er niet zullen zijn als pas in een bodemprocedure zou worden geoordeeld dat [gedaagde] daar afschriften van moet verstrekken. Ten aanzien van de gestelde lening aan [zoon ] heeft [gedaagde] in deze procedure al stukken overgelegd op basis waarvan [eiseres] haar standpunt daarover kan bepalen. Ook uit het willen verkrijgen van duidelijkheid over haar rechtspositie en het mogelijk stagneren van de afwikkeling van de nalatenschap, leidt de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang af.\n\n4.4.. De vorderingen van [eiseres] worden vanwege het voorgaande afgewezen. De overige standpunten van partijen behoeven daarom geen bespreking.\n\nProceskosten4.5.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om anders te beslissen over de proceskosten.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiseres] af,\n\n5.2.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5734","2026-05-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:37.351Z",{"id":182,"ecli":183,"slug":184,"caseNumber":43,"courtId":159,"decisionDate":185,"fullText":186,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":187,"sourceTimestamp":188,"parsedAt":51,"updatedAt":189},"1907","ECLI:NL:RBDHA:2026:9584","ecli-nl-rbdha-2026-9584","2026-04-09T00:00:00.000Z","beschikking\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nTeam handel\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F09\u002F692264 \u002F HA RK 25-555\n\nBeschikking van 9 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nverzoeker,\n\nadvocaat mr. M.L. Neuteboom-van Asselt te Leiden,\n\nen\n\n1. [verweerder 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [verweerder 1] ,\n\n2. [verweerder 2] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [verweerder 2] ,\n\nverweerders,\n\nadvocaat mr. P.J. de Groen te Leiden,\n\nen\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [belanghebbende] ,\n\nbelanghebbende,\n\nprocederend in persoon.\n\nDe rechtbank heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:\n\nde maatschap BOS VAN DER BURG ADVOCATEN,\n\nin haar hoedanigheid van schuldeiser van:\n\n [erfgenaam] ,\n\n geboren op [geboortedatum 1] 1971 te [geboorteplaats 1] ,\n\n met een briefadres te [plaats 1] ,\n\n hierna te noemen: [erfgenaam] ,\n\ndie na te melden nalatenschap heeft verworpen,\n\nkantoorhoudende te Zoetermeer,\n\nhierna te noemen: Bos van der Burg Advocaten,\n\nadvocaat: mr. drs. M.R. van Leeuwen te Zoetermeer.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De rechtbank heeft kennisgenomen van:\n\n- het verzoekschrift met producties (nummers 1 t\u002Fm 12), ontvangen op 29 september 2025;\n\n- de brief van 18 december 2025 van [belanghebbende] ;\n\n- het verweerschrift met producties (nummers 1 t\u002Fm 6), ontvangen op 22 januari 2026;\n\n- de brief van 20 januari 2026 van [verzoeker] met producties (nummers 13 en 14);\n\n- de brief van 22 januari 2026 van [verzoeker] met producties (nummers 15 t\u002Fm 17);\n\n- het e-mailbericht van 22 januari 2026 met een ongenummerde productie;\n\n- de brief van 27 februari 2026 van [verzoeker] met producties (nummers 18 t\u002Fm 22).\n\n1.2.. Op 23 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden en op 6 maart 2026 heeft de voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van wat tijdens deze zittingen is besproken zakelijke aantekeningen gemaakt, die zich in het dossier bevinden.\n\n1.3.. Na afloop van de laatste zitting is de zaak één week aangehouden teneinde te bezien of partijen (alsnog) in onderling overleg afspraken konden maken over de verkoop van de tot de nalatenschap behorende woning aan [verweerder 1] en [verweerder 2] . Uit de berichten van [verzoeker] , [verweerder 1] en [verweerder 2] volgt dat dat niet is gelukt. De uitspraak is daarop bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 18 januari 2025 is overleden te [plaats 2] : [erflater] ,geboren op [geboortedatum 2] 1969 te [geboorteplaats 2] (hierna te noemen: de overledene).\n\n2.2.. De laatste woonplaats van de overledene was [woonplaats] .\n\n2.3.. Volgens opgave van het Centraal Testamentenregister van 10 september 2025 heeft de overledene niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Ten tijde van het overlijden was de overledene ongehuwd en niet als partner geregistreerd.\n\n2.4.. Uit de verklaring van erfrecht van 24 december 2025 blijkt dat:\n\n- [erfgenaam] de nalatenschap heeft verworpen,\n\n- [belanghebbende] en [verzoeker] ieder voor 1\u002F3e deel van de nalatenschap erfgenaam zijn,\n\n- [verweerder 1] en [verweerder 2] ieder voor 1\u002F6e deel van de nalatenschap erfgenaam zijn,\n\n- [belanghebbende] , [verzoeker] , [verweerder 1] en [verweerder 2] de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard.\n\n2.5.. In een brief van 22 januari 2026 heeft Bos van der Burg Advocaten aan [verzoeker] onder meer het volgende geschreven:\n\n“Gelet op het feit dat mevrouw [erfgenaam] bij mijn kantoor een aanzienlijke openstaande schuld heeft, acht mijn kantoor de rechtshandeling tot verwerping van de nalatenschap paulianeus als omschreven in artikel 3:45 BW. Als gevolg daarvan is de verwerping vernietigbaar. Met dit schrijven roep ik namens mijn kantoor de vernietiging in van de rechtshandeling tot verwerping van de nalatenschap door mevrouw [erfgenaam] .\n\nEen en ander houdt in dat mevrouw [erfgenaam] wat mijn kantoor betreft simpelweg erfgename is gebleven in de nalatenschap van wijlen haar broer en dat zij door te handelen zoals zij dat thans doet, moedwillig en onverplicht als schuldenaar in verzuim is en tracht het verhaal van de vorderingen van mijn kantoor doelbewust te frustreren.\n\n(…)\n\nMijn kantoor is er mee bekend dat op vrijdag 23 januari 2026 een rechtszitting plaatsvindt ten aanzien van de benoeming van een vereffenaar. Mijn kantoor kan eventueel instemmen met vereffening van de nalatenschap, maar op geen enkele wijze met de levering van de woning aan derden zonder dat mijn kantoor zeker gesteld is voor de vordering die wij hebben.”\n\n2.6.. Op 27 januari 2026 heeft Bos van der Burg Advocaten executoriaal beslag gelegd op het gehele aandeel in de onverdeelde nalatenschap van de overledene, waartoe [erfgenaam] is gerechtigd, onder meer bestaande uit de tot nalatenschap behorende woning gelegen aan de [adres 1] .\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. De laatste woonplaats van de overledene was in [woonplaats] , zodat de rechtbank Den Haag bevoegd is kennis te nemen van het verzoek.\n\n3.2.. Het verzoek strekt tot het benoemen van een vereffenaar van de nalatenschap van de overledene.\n\n3.3.. De rechtbank kan, indien een beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap heeft plaatsgevonden, een vereffenaar benoemen op verzoek van een erfgenaam (artikel 4:203 lid 1 sub a BW). [verzoeker] is erfgenaam van de overledene en kan daarom in zijn verzoek worden ontvangen.\n\n3.4.. \n\nDe rechtbank stelt voorop dat de schuldeiser van een erfgenaam niet op grond van benadeling de verwerping van die erfgenaam kan vernietigen (artikel 4:190 lid 4 tweede zin BW). De vernietiging van de verwerping door [erfgenaam] die Bos van der Burg Advocaten heeft ingeroepen treft daarom geen doel. Dit betekent echter niet dat Bos van der Burg Advocaten per definitie met lege handen komt te staan. De rechtbank kan, wanneer een schuldeiser van een erfgenaam die de nalatenschap verworpen heeft door deze verwerping klaarblijkelijk is benadeeld, bepalen dat de nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van degene die verworpen heeft zal worden vereffend en een vereffenaar benoemen (artikel 4:205 BW).\n\nVan een klaarblijkelijke benadeling is sprake indien (1) de schuldeiser haar vordering op de erfgenaam niet of niet geheel op haar kan verhalen en (2) aan de erfgenaam een aandeel in het overschot zou zijn toegekomen, indien zij niet zou hebben verworpen.\n\n3.5.. Uit de stukken en wat tijdens de zittingen is besproken, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat Bos van der Burg Advocaten klaarblijkelijk is benadeeld doordat [erfgenaam] de nalatenschap heeft verworpen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van [erfgenaam] moet worden vereffend.\n\n3.6.. Vervolgens is de vraag of een vereffenaar moet worden benoemd. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is, omdat de erfgenamen niet in staat zijn om gezamenlijk de nalatenschap van de overledene correct af te wikkelen. Zij verschillen van mening over het bestaan van een tussen hen bindende afspraak over de aankoop van de tot de nalatenschap behorende woning door [verweerder 1] en [verweerder 2] . Zolang daarover geen duidelijkheid komt blijft de afwikkeling van de nalatenschap stil liggen. Dit acht de rechtbank niet in het belang van de schuldeisers van de nalatenschap én de schuldeisers van [erfgenaam] , en ook niet in het kader van een voortvarende afwikkeling van de nalatenschap op zich. Het verzoek tot benoeming van een vereffenaar zal dan ook worden toegewezen.\n\n3.7.. De voorgestelde vereffenaar heeft zich schriftelijk bereid verklaard een benoeming als zodanig te aanvaarden.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbenoemt STICHTING EXECUTELE PARTNERS,\n\ncorrespondentieadres: [adres 2] ,\n\ntot vereffenaar van de nalatenschap van:\n\n [erflater] ,\n\n geboren op [geboortedatum 2] 1969 te [geboorteplaats 2] ,\n\n laatstelijk wonende te [woonplaats] ,\n\n overleden op 18 januari 2025 te [plaats 2] ;\n\nbepaalt dat de nalatenschap van de overledene mede in het belang van de schuldeisers van [erfgenaam] moet worden vereffend;\n\ndraagt de vereffenaar op de benoeming bekend te maken in de (digitale) Staatscourant;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nverzoekt de griffier de benoeming van deze vereffenaar onverwijld in het boedelregister in te schrijven;\n\nverzoekt de griffier de kantonrechter te Leiden op de hoogte te stellen van deze benoeming.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C.W.D. Bom en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 1 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7355, r.o. 4.8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9584","2026-04-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.867Z",{"id":191,"ecli":192,"slug":193,"caseNumber":43,"courtId":135,"decisionDate":194,"fullText":195,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":196,"sourceTimestamp":197,"parsedAt":51,"updatedAt":198},"1904","ECLI:NL:RBMNE:2026:2065","ecli-nl-rbmne-2026-2065","2026-04-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nKantonrechter\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: 12035943 UB VERZ 25-536\n\nBeschikking van 2 april 2026\n\nInzake het verzoek van:\n\n [verzoekster],\n\nwonend in [plaats 1] ,\n\ngemachtigde: mr. P.J. Hentenaar-Polderman, advocaat,\n\nverder te noemen: verzoeker.\n\nVerzoeker heeft het verzoek gedaan in haar hoedanigheid van belanghebbende in de nalatenschap van:\n\n [erflater] ,geboren in [plaats 2] op [1979] , overleden in [plaats 3] op [2024] , laatste woonplaats in [plaats 3] , verder te noemen: erflater.\n\nOok als belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [belanghebbende], wonend in [plaats 4] ,\n\nhandelend als wettelijk vertegenwoordiger van:\n\n [minderjarige], geboren op [2014] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De griffie heeft op 24 december 2025 een verzoek ontvangen waarin verzoeker vraagt om haar ontslag als executeur en de benoeming van een opvolgend executeur van de nalatenschap van erflater.\n\n1.2.. Op 9 januari 2026 heeft de griffie aanvullende producties ontvangen.\n\n1.3.. De griffier heeft op 25 februari 2026 aanvullende informatie opgevraagd aan verzoeker. De aanvullende informatie heeft de griffie op 23 maart 2026 ontvangen.\n\n1.4.. De kantonrechter acht zich op basis van de toegezonden stukken voldoende geïnformeerd. Daarom zal een beschikking worden gegeven zonder dat een zitting wordt bepaald.\n\n2. Het verzoek en de beoordeling\n\n2.1.. Verzoeker vraagt de kantonrechter om haar ontslag te verlenen als executeur van de nalatenschap van erflater en om Bonnerman & Partners B.V., gevestigd in [plaats 5] , te benoemen tot opvolgend executeur.\n\n2.2.. Nu er sprake is van een eigen verzoek tot ontslag, zal het verzoek worden toegewezen.\n\n2.3.. Bonnerman & Partners B.V. heeft zich bereid verklaard om tot executeur te worden benoemd, onder de voorwaarde dat zij haar uurtarief van (in 2026) € 205,00 exclusief omzetbelasting in rekening mag brengen.\n\n2.4.. \n [belanghebbende] , handelend als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] , die door erflater als enige erfgename is benoemd, heeft verklaard in te stemmen met de benoeming van Bonnerman & Partners B.V. als opvolgend executeur.\n\n2.5.. Aangezien Bonnerman & Partners B.V. zich bereid heeft verklaard tot executeur te worden benoemd, het testament de kantonrechter de bevoegdheid geeft om een opvolgend executeur te benoemen en [belanghebbende] , handelend als gemeld, heeft verklaard met de benoeming van Bonnerman & Partners B.V. in te stemmen, zal de kantonrechter Bonnerman & Partners B.V. benoemen tot executeur van de nalatenschap van erflaatster. De kantonrechter zal bepalen dat Bonnerman & Partners B.V., omdat zij een professionele partij is, haar uurtarief voor haar werkzaamheden in rekening mag brengen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n- ontslaat [verzoekster]als executeur van de nalatenschap van[erflater];\n\n- benoemt Bonnerman & Partners B.V., gevestigd in [plaats 5] , als executeur van de nalatenschap van[erflater];\n\n- bepaalt dat Bonnerman & Partners B.V.voor haar werkzaamheden als executeur haar uurtarief van (in 2026) € 205,00 exclusief omzetbelasting in rekening mag brengen;\n\n- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n- wijst het verzoek af\u002Fwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem . Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2065","2026-04-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.726Z",{"id":200,"ecli":201,"slug":202,"caseNumber":43,"courtId":135,"decisionDate":203,"fullText":204,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":205,"sourceTimestamp":197,"parsedAt":51,"updatedAt":206},"1905","ECLI:NL:RBMNE:2026:2059","ecli-nl-rbmne-2026-2059","2026-04-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F604707 \u002F BE ZA 25-69\n\nVonnis in incident van 1 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser sub 1] ,\n\nte [plaats] , 2. [eiseres sub 2],\n\nte [plaats] , 3. [eiseres sub 3],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partijen in de hoofdzaak,\n\neisende partijen in het incident,\n\nhierna samen te noemen: [eisers] ,\n\nadvocaat: mr. I. Lieberwerth,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\ngedaagde partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. C. Waanders.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding, tevens houdende een eis in incident, met producties 1 t\u002Fm 13;\n\nde conclusie van antwoord in incident, met producties 1 t\u002Fm 7.\n\n1.2. Daarna is bepaald dat er uitspraak wordt gedaan in het incident.\n\n2. De beoordelingHet geschil in het incident2.1. \n [eisers] hebben in het incident gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van alle bankafschriften over de periode van 1 december 2018 tot 1 juli 2024 die (mede) op naam staan van de hierna te noemen erflater, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.\n\n2.2. \n [gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering met hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van het incident.\n\nDe beslissing in het incident2.3. De rechtbank zal de vordering in het incident afwijzen en de proceskosten in het incident compenseren. De rechtbank zal deze beslissing hieronder toelichten, nadat de rechtbank eerst heel kort het geschil in de hoofdzaak heeft toegelicht.\n\nWaar gaat de hoofdzaak over2.4. \n [eisers] zijn de kinderen van [erflater] , hierna te noemen: erflater. Erflater is van 1957 tot 1976 gehuwd geweest met hun moeder. Dit huwelijk is door echtscheiding ontbonden. Erflater is op [datum] 1978 gehuwd met [gedaagde] onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende koude uitsluiting. Dit huwelijk is op [datum] 2024 ontbonden door de dood van erflater.\n\n2.5. Erflater heeft op 27 maart 2017 voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt. In zijn testament heeft hij [eisers] onterfd en [gedaagde] benoemd tot enig erfgenaam en executeur. [eisers] hebben een beroep gedaan op hun legitieme. Zij vorderen in de hoofdzaak dat de rechtbank de hoogte van hun legitieme vaststelt en [gedaagde] veroordeelt om de legitieme aan hen uit te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nHet toetsingskader2.6. Op grond van artikel 4:78 lid 1 BW heeft een legitimaris die niet erfgenaam is tegenover de erfgenamen, dan wel als er een met beheer belaste executeur in functie is, de executeur, aanspraak op inzage in en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft. Ook moeten zij hem op zijn verzoek alle benodigde inlichtingen verschaffen. Dit informatierecht moet ruim worden opgevat, maar is (zoals uit de tekst van het wetsartikel blijkt) wel beperkt tot gegevens die de legitimaris voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft. Artikel 4:78 geeft de legitimaris geen algemeen recht op rekening en verantwoording en ook geen algemeen recht op inzage in het uitgavepatroon de erflater. Pas als de legitimaris voldoende aannemelijk maakt dat inzicht in het verloop van de bankrekeningen nodig is om de omvang van de legitieme vast te stellen, weegt zijn recht zwaarder dan het recht van de erflater en diens erfgenaam\u002Fpartner op privacy.\n\n2.7. \n [eisers] hebben gesteld dat zij de bankafschriften nodig hebben om de verklaring van [gedaagde] te controleren dat er geen schenkingen zijn gedaan die van belang zijn voor de omvang van de legitieme, door [gedaagde] gesteld op € 1.426,82 per kind. Verder hebben [eisers] gesteld dat de bankafschriften nodig zijn om te kunnen onderzoeken of erflater leningen heeft verstrekt en\u002Fof er sprake is van een vergoedingsrecht van erflater (en dus van de nalatenschap) op [gedaagde] of van een vordering op grond van artikel 3 van de huwelijks voorwaarden (kosten huishouding).\n\n2.8. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] aan [eisers] voldoende informatie heeft verstrekt om de legitieme te kunnen berekenen en controleren. Daarvoor hebben [eisers] de bankafschriften niet nodig. [gedaagde] heeft aan [eisers] namelijk onder meer al de volgende documenten ter beschikking gesteld:\n\neen boedelbeschrijving, met onderliggende bescheiden over onder meer de kosten van de uitvaart;\n\nafschriften van de vier en\u002Fof-rekeningen van [gedaagde] en erflater per datum overlijden bij ABN AMRO;\n\nfinanciële jaaroverzichten van ABN AMRO vanaf 2020 t\u002Fm 2023 waaruit het verloop van deze vier rekeningen bij ABN AMRO blijkt;\n\nde gezamenlijke IB-aangiften en aanslagen 2018 t\u002Fm 2023 van erflater en [gedaagde] , waaruit onder meer het inkomen van beiden en hun vermogen in box 3 blijken;\n\nReeningafschriften ter onderbouwing van de wijze waarop de aflossing van de hypotheek volgens [gedaagde] is gefinancierd.\n\n2.9. Partijen zijn het over eens dat de helft van de saldi op de vier en\u002Fof-rekeningen tot de nalatenschap behoort en dat [eisers] geen privébankrekeningen had. In lijn daarmee heeft [gedaagde] de helft van die saldi per sterfdatum opgenomen in de boedelbeschrijving. Uit de financiële jaaroverzichten en de IB-aangiften blijkt dat de saldi van deze vier en\u002Fof-rekeningen vanaf 2019 over de jaren heen een geleidelijke stijging laten zien. Gegeven het relatief bescheiden inkomen dan erflater en [gedaagde] (AOW en pensioen), afgezet tegen de gebruikelijke kosten van levensonderhoud, wijst die stijging er niet op dat schenkingen zijn verricht die meegenomen zouden moeten worden bij de berekening van de legitieme. Verder duidt dit er evenmin op dat er leningen zijn verstrekt. Uit de aangiften inkomstenbelasting blijkt ook niet van het bestaan van uitstaande vorderingen, die alsnog op de boedelbeschrijving zouden moeten worden geplaatst.\n\n2.10. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] evenmin voldoende belang bij de rekeningafschriften om te onderzoeken of sprake is van een vordering op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden. Het is wel waarschijnlijk dat erflater meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan [gedaagde] , maar daar was hij ook toe verplicht omdat zijn inkomen hoger was. Verder duidt de toename van de saldi op de en\u002Fof-rekeningen er niet op dat het gezamenlijke inkomen ontoereikend was om de kosten van de huishouding te betalen. Een onderzoek of wel naar rato van vermogen is bijgedragen in de kosten van de huishouding is daarom niet aan de orde. Overigens bevatten de huwelijkse voorwaarden een vervalbeding van een jaar voor verrekening van te veel betaalde kosten van de huishouding.\n\n2.11. Wat dan rest is een eventueel vergoedingsrecht van de nalatenschap op [gedaagde] , dat zou kunnen volgen uit de wijze waarop de hypotheekschuld is afgelost. [eisers] hebben expliciet op die aflossing gewezen. Deze hypotheekschuld betrof de woning, waarin erflater en [gedaagde] samenwoonden en die uitsluitend eigendom was en is van [gedaagde] . Deze bedroeg op 1 januari 2018 nog € 42.500,-, op 1 januari 2019 € 36.125,- en op 1 januari 2021 € 30.706,-, waarna de hypotheekschuld in 2021 geheel is afgelost. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] echter voldoende uiteengezet en met stukken onderbouwd hoe de aflossingen zijn gefinancierd. Daarvoor is niet nodig dat zij alle afschriften van de en\u002Fof-rekeningen verstrekt. Overigens volgt uit hetgeen [gedaagde] zelf stelt dat er in 2021 uit gezamenlijke middelen € 16.000,- is afgelost op de hypotheekschuld, hetgeen duidt op een vermogensoverdracht van [eisers] naar [gedaagde] van € 8.000,-. De beoordeling van de stelling van [gedaagde] dat dit de voldoening van een natuurlijke verbintenis betrof is van juridische aard. Ook daarvoor zijn de bankafschriften niet nodig.\n\n2.12. De rechtbank geeft partijen overigens dringend in overweging met elkaar in overleg te treden ten behoeve van een minnelijke regeling, gelet op het geringe financiële belang van de zaak en het feit dat de legitieme, anders dan waarvan [eisers] bij dagvaarding nog uitgingen, niet eerder dan na het overlijden van [gedaagde] opeisbaar is. Het ware beter geweest als [gedaagde] [eisers] hiervan tijdig in kennis had gesteld door hen niet alleen een uittreksel van het testament, waaruit dit niet bleek, maar het testamant in zijn geheel ter beschikking te stellen.\n\nProceskosten2.13. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in het incident tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nHet verdere verloop van de procedure2.14. De rechtbank zal de hoofdzaak verwijzen naar de rol van 13 mei 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident\n\n3.1. wijst het gevorderde af;\n\n3.2. compenseert de kosten van het incident in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;\n\nin de hoofdzaak\n\n3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol van 13 mei 2026zal komen voor het nemen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak;\n\n3.4. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2059","2026-07-13T00:29:44.770Z",{"id":208,"ecli":209,"slug":210,"caseNumber":43,"courtId":159,"decisionDate":211,"fullText":212,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":213,"sourceTimestamp":214,"parsedAt":51,"updatedAt":215},"1906","ECLI:NL:RBDHA:2026:9647","ecli-nl-rbdha-2026-9647","2026-03-20T00:00:00.000Z","beschikking\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nTeam kanton\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: 11987304 EJ VERZ 25-82064\n\nBeschikking van 20 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nmr. A.R. Autar,\n\nin zijn hoedanigheid van vereffenaar van na te melden nalatenschap,\n\nkantoorhoudende te Rotterdam,\n\nhierna: de vereffenaar,\n\nverzoeker in het verzoek,\n\nverweerder in het tegenverzoek,\n\nen\n\n [partij B],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna: [partij B] ,\n\nbelanghebbende in het verzoek,\n\nverzoekster in het tegenverzoek,\n\ngemachtigde: mr M.G. Hees,\n\nwaarin als belanghebbenden worden aangemerkt:\n\n1. [belanghebbende 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna: [belanghebbende 1] ,\n\n2. [belanghebbende 2] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna: [belanghebbende 2] ,\n\n3. [belanghebbende 3] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna: [belanghebbende 3] ,\n\ngemachtigde: mr. D.W. Ruys,\n\n4. de stichting [belanghebbende 4] ,\n\nin haar hoedanigheid van testamentair bewindvoerder over de erfrechtelijke verkrijgingen van:\n\n[naam 1], wonende te [woonplaats] , hierna: [naam 1] ,\n\n[naam 2], wonende te [woonplaats] , hierna: [naam 2] , gemachtigde: mr. I.F. van Schagen,\n\ngevestigd te [woonplaats] ,\n\nhierna: [belanghebbende 4] ,\n\ngemachtigde van [belanghebbende 4] : mr. A.H.N. Stollenwerck.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift van de vereffenaar met producties, ingekomen op 13 november 2025, het tegenverzoek van [partij B] , ingekomen op 19 november 2025, en de standpunten van [belanghebbende 2] , mr. D.W. Ruys namens [belanghebbende 3] , mr. I.F. van Schagen namens [naam 2] , en mr. A.H.N. Stollenwerck namens [belanghebbende 4] .\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Bij beschikking van 27 januari 2023 is mr. A.R. Autar benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van [erflater](hierna: erflater), overleden op [datum] 2020 te Dordrecht. Ten tijde van zijn overlijden was erflater gehuwd met [partij B] , met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] , [belanghebbende 3] , [naam 1] en [naam 2] zijn de kinderen van erflater.\n\n2.2.. Erflater heeft bij testament van 7 december 2006 over zijn nalatenschap beschikt. In het testament zijn tot erfgenamen benoemd [partij B] (voor 10 procent) en zijn kinderen tezamen, ieder voor een gelijk deel, voor het restant. De wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 4:13 BW is van toepassing verklaard, zodat [partij B] van rechtswege alle goederen van de nalatenschap heeft verkregen en de voldoening van de schulden van de nalatenschap – waaronder de schulden uit hoofde van de legaten – voor rekening van [partij B] komt. Er is testamentair bewind ingesteld over de verkrijgingen van de kinderen, tot die de leeftijd van dertig jaar bereiken, zodat het bewind thans geldt over de erfrechtelijke verkrijgingen van [naam 1] en [naam 2] . [belanghebbende 4] is als bewindvoerder benoemd.\n\n2.3.. Aan ieder van de kinderen is een geldbedrag van € 1.250.000,- gelegateerd, verminderd met reeds gedane schenkingen. Verder is aan de kinderen samen een boot gelegateerd. Aan [partij B] is gelegateerd de woning te [plaats 1] , de inboedel en een collectie aquarellen. De nalatenschap is door de erfgenamen beneficiair aanvaard.\n\nhet verzoek, het tegenverzoek en de standpunten van de belanghebbenden\n\n2.4.. De vereffenaar heeft de kantonrechter toestemming verzocht om een procedure in te stellen tegen [partij B] . In dat verband heeft de vereffenaar laten weten dat hij voornemens is om over te gaan tot verkoop van het vakantiehuis te [plaats 2] (hierna: het vakantiehuis), om deze procedure(s) te kunnen bekostigen. [partij B] heeft de kantonrechter daarop verzocht om op de voet van artikel 4:215 lid 2 BW een beslissing te nemen over de voorgenomen verkoop, aangezien zij hier bezwaar tegen heeft.\n\n2.5.. \n [partij B] heeft over de voorgenomen verkoop van het vakantiehuis het volgende aangevoerd. Het is in dit stadium van de vereffening niet aan de orde om de schulden uit legaten te voldoen, zoals door mr. Ruys en mr. Stollenwerck is gesteld. Weliswaar moet er een procedure worden ingesteld om duidelijkheid te krijgen over de vermeende vorderingen, maar [partij B] acht de verkoop van het vakantiehuis niet noodzakelijk en niet proportioneel, nu volgens haar de advocaatkosten niet zo hoog kunnen zijn en deze ook niet in één keer hoeven te worden voldaan. Daarnaast zou de garage kunnen worden verkocht om deze kosten te dekken. De huidige WOZ waarde daarvan bedraagt € 44.000,-. Ook zouden de certificaten van aandelen in [bedrijfsnaam] B.V. (gedeeltelijk) te gelde kunnen worden gemaakt.\n\n2.6.. Mr. Stollenwerck heeft namens [belanghebbende 4] aangevoerd dat, nog daargelaten dat [naam 2] zich niet zonder medewerking van de bewindvoerder in het geding had mogen mengen, het niet in het (financiële) belang van [naam 1] en [naam 2] is om het vakantiehuis niet te verkopen, omdat zij geen goederen uit de nalatenschap verkrijgen maar slechts geldvorderingen hebben op de nalatenschap.\n\n2.7.. \n [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] hebben te kennen gegeven dat naar hun mening niet alleen het vakantiehuis maar al het onroerend goed verkocht dient te worden voor zover dat voor een behoorlijke vereffening noodzakelijk is. Zij onderschrijven de stellingen van mr. Stollenwerck (namens [belanghebbende 4] ) in diens brief van 16 februari 2026, waarin hij onder andere aangeeft dat het onzeker is of de vordering op [partij B] daadwerkelijk kan worden geïnd en dat die onzekerheid het creëren van liquiditeit (om de geldlegaten te kunnen voldoen) via verkoop van het onroerend goed op korte termijn noodzakelijk maakt.\n\n2.8.. Het standpunt van [naam 2] is door mr Van Schagen naar voren gebracht. [naam 2] heeft bezwaar tegen de voorgenomen verkoop van het vakantiehuis, gelet op de grote emotionele waarde die dit huis voor hem heeft. Het aan hem toekomende legaat zou wat hem betreft kunnen worden omgezet in een geldlening of iets dergelijks, en zou niet behoeven te worden uitgekeerd in contanten, waardoor goederen van de nalatenschap verkocht zouden moeten worden.\n\n2.9.. Het standpunt van [belanghebbende 1] is niet bekend.\n\nDe beslissing van de kantonrechter\n\n2.10.. Op grond van artikel 4:215 lid 1 BW maakt de vereffenaar goederen van de nalatenschap te gelde voor zover dit nodig is voor de voldoening van de schulden van de nalatenschap. Omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking treedt de vereffenaar zoveel mogelijk in overleg met de erfgenamen. Als tegen de voorgenomen tegeldemaking bezwaren bestaan wordt de erfgenaam in de gelegenheid gesteld om een beslissing van de kantonrechter in te roepen (artikel 4:215 lid 2 BW).\n\n2.11.. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is duidelijk naar voren gekomen dat de vereffening van de nalatenschap moeizaam verloopt. De vereffenaar is drie jaar geleden benoemd maar het is in de afgelopen periode niet gelukt om met de erfgenamen\u002Flegatarissen in overleg tot afwikkeling van de nalatenschap te komen. Het staat vast dat de omvang van de nalatenschap niet toereikend is om de schulden uit de legaten volledig te voldoen. De vorderingen die de vereffenaar op [partij B] meent te hebben, belopen – zoals ter zitting is aangegeven – in totaal een bedrag van bijna € 1.000.000,-. Het is niet gelukt om met [partij B] tot overeenstemming te komen over de vermeende vorderingen; zij neemt daarover een ander standpunt in. De vereffenaar acht het daarom raadzaam een procedure in te stellen met betrekking tot deze vorderingen op [partij B] , en is in verband daarmee voornemens het vakantiehuis te gelde te maken. De vereffenaar heeft aangegeven dat de [belanghebbende 4] kenbaar heeft gemaakt gelden voor de procedure beschikbaar te stellen in de vorm van een geldlening, onder de voorwaarde dat het vakantiehuis wordt verkocht.\n\n2.12.. De kantonrechter acht het noodzakelijk dat het vakantiehuis wordt verkocht. Er moet duidelijkheid komen over de vorderingen op [partij B] , zodat een betere inschatting kan worden gemaakt van de omvang van de nalatenschap. Vast staat dat er in de boedel onvoldoende liquiditeiten zijn om de advocaatkosten voor de procedure(s) te kunnen voldoen. Verder is ter zitting vastgesteld dat, ook als de vorderingen op [partij B] volledig worden toegewezen, de nalatenschap nog steeds niet voldoende is om de schulden te kunnen betalen. Dat betekent dat onroerend goed te gelde moet worden gemaakt, en dus in ieder geval het vakantiehuis zal moeten worden verkocht, nu verkoop van de garage – ook bij een WOZ-waarde van € 44.000,00 – daarvoor onvoldoende oplevert. Het is begrijpelijk dat het vakantiehuis een emotionele waarde vertegenwoordigt, maar dit belang kan niet opwegen tegen het belang de nalatenschap op een juiste en voortvarende wijze af te wikkelen. Daarbij komt dat de erflater juist met het oog op de bescherming van de financiële belangen van [naam 2] en [naam 1] – nu zij geen goederen uit de nalatenschap verkrijgen – hun verkrijgingen onder bewind heeft gesteld, zoals namens de bewindvoerder terecht is opgemerkt. De verkoop van de certificaten van aandelen is niet aan de orde, nu de vereffenaar niet bevoegd is deze te gelde te maken. Bovendien staat niet vast of de in de boedelbeschrijving opgenomen waarde ervan juist is en ook niet of de certificaten makkelijk liquide te maken zijn om daarmee de schulden van de nalatenschap te voldoen.\n\n2.13.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar van [partij B] tegen de door de vereffenaar voorgenomen verkoop van het vakantiehuis ongegrond zal worden verklaard. Het verzoek van de vereffenaar tot het verlenen van toestemming om een gerechtelijke procedure te voeren en een vordering in te stellen tegen [partij B] wordt toegewezen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. verklaart het bezwaar van [partij B] tegen de door de vereffenaar voorgenomen verkoop van het vakantiehuis te [plaats 2] ongegrond;\n\n3.2.. staat de vereffenaar toe een gerechtelijke procedure te starten en een vordering in te stellen tegen [partij B] .\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.J. Japenga, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9647","2026-04-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.818Z",23,20,[11]]