[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-intellectual-property-nl-2026":3},{"detail":4,"years":82},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":21,"page":14,"limit":81},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},66,"intellectual-property-nl","Intellectual Property","NL","2026-07-08T16:54:19.236Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":17},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,61,71],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1759","ECLI:NL:RBDHA:2026:18180","ecli-nl-rbdha-2026-18180","",58,"2026-07-03T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F703871 \u002F KG ZA 26\u002F427\n\nVonnis in kort geding van 3 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [partij A] B.V.te [plaats 1] ,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat mr. M.F. de Jong te Haarlem,\n\ntegen:\n\n1. [partij B sub 1] VOF te [plaats 2] ,\n\n2. [partij B sub 2], te [plaats 2] ,\n\n3. [partij B sub 3] ,te [plaats 2] ,\n\ngedaagden in conventie,\n\neisers in reconventie,\n\nadvocaat mr. E.M. Richel te Schiedam.\n\nwaarin zich aan de zijde van [partij B] c.s. heeft gevoegd:\n\nCOMMERBAS S.R.L. te Civitanova Marche Italië,\n\nadvocaat mr. E.M. Richel te Schiedam.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [partij A] ’, ‘ [partij B] c.s.’ en ‘Commerbas’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 30 april 2026 met producties EP01 tot en met EP22;\n\n- de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst van Commerbas van 14 mei 2026 met producties 1 tot en met 3;\n\n- de conclusie van antwoord tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie van 14 mei 2026 met producties GP01 tot en met GP09;\n\n- de aanvullende producties EP23 tot en met EP28 van 18 mei 2026;\n\n- het op 18 mei 2026 overgelegde kostenoverzicht van gedaagden;\n\n- de op 18 mei 2026 om 18:03 uur ingediende aanvullende producties GP10 tot en met GP13 (worden buiten beschouwing gelaten, zie hierna onder 1.2);\n\n- de op 19 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door eiseres een pleitnotitie is overgelegd.\n\n1.2.. Aan het begin van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [partij A] bezwaar gemaakt tegen de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst, de conclusie van antwoord met producties (minder dan een week voor de mondelinge behandeling) alsmede de nagekomen producties GP10 tot en met GP13 die de avond voor de behandeling van kort geding zijn ingediend. Deze stukken zijn – gelet op de termijnen in het toepasselijke landelijke procesreglement dan wel de instructies in het dagbepalingsbericht – te laat ingediend. Hierdoor is eiseres in haar verdedigingsbelang geschaad. De incidentele conclusie alsmede de conclusie van antwoord zijn ingediend op hemelvaartsdag, waardoor het te kort dag was om met cliënt te overleggen en adequaat te kunnen reageren, aldus mr. De Jong. De voorzieningenrechter heeft vervolgens beslist dat de conclusie van antwoord, de daarbij behorende producties alsmede de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst worden toegestaan. Onder randnummer 2 van het meebetekende dagbepalingsbericht wordt aangeradeneen schriftelijke reactie op de dagvaarding in te dienen, gelet op de beperkte spreektijd. Een incidentele vordering kan pas worden ingesteld als partijen in het geding zijn verschenen en dient uiterlijk 24 uur voor de mondelinge behandeling te worden toegezonden (vgl. ook artikel 3.16, 6.2 en 6.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). Er zijn dan ook geen termijnen geschonden. Dat er weinig tijd was voor overleg tussen de advocaat en zijn cliënt is eigen aan een kort geding procedure en kan dus op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat eiseres in haar verdediging is geschaad. De producties GP10 tot en met GP13 die gisteravond aan de voorzieningenrechter zijn toegezonden worden buiten beschouwing gelaten, omdat deze zonder goede reden buiten de daarvoor geldende termijn zijn ingedienden daarmee sprake is van strijd met de goede procesorde.\n\n1.3.. De zaak is aangehouden tot 5 juni 2026 om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te onderzoeken. In brieven van 4 juni 2026 hebben partijen de rechtbank verzocht vonnis te wijzen. Mr. Richel heeft als bijlage bij de brief een geactualiseerde kostenstaat meegezonden, waartegen mr. De Jong bezwaar heeft gemaakt. De voorzieningenrechter acht het moment van indienen van de productie in strijd met de goede procesorde en zal deze dan ook buiten beschouwing laten.\n\n1.4.. De datum voor het wijzen van vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot tussenkomst en voeging\n\n2.1.. Commerbas heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [partij A] en [partij B] c.s. en zich te mogen voegen aan de zijde van [partij B] c.s. Volgens Commerbas heeft zij belang bij tussenkomst en voeging, aangezien zij bij toewijzing van de vorderingen jegens [partij B] c.s. failliet zullen gaan. De materialen die zij destijds ten behoeve van de productie van de schoenen voor [partij A] heeft aangeschaft, worden nu gebruikt voor de schoenen die zij maakt voor [partij B] c.s. Door de plotselinge orderstop van [partij A] bleef Commerbas zitten met de materialen en de opslagkosten daarvoor. Dat zij vervolgens voor [partij B] c.s. schoenen kon produceren, heeft gezorgd dat de materialen alsnog konden worden gebruikt. Indien de vorderingen tegen [partij B] c.s. worden toegewezen, wil Commerbas tussenkomen om de door haar geleden schade alsnog te verhalen op [partij A] .\n\n2.2.. Ter zitting heeft [partij B] c.s. verklaard geen bezwaar te hebben tegen de (voorwaardelijke) tussenkomst dan wel voeging. [partij A] heeft wel verweer gevoerd tegen de tussenkomst en voeging, primair omdat in kort geding geen conclusie tot voeging dan wel tussenkomst kan worden ingediend gelet op de vereisten van artikel 218 Rven het ontbreken van roldata in een kort gedingprocedure, subsidiair omdat Commerbas geen rechtstreeks belang heeft bij het tussen [partij A] en [partij B] c.s. aanhangig geding (als vereist in artikel 217 Rv) en meer subsidiair omdat zij geen spoedeisend belang heeft bij de door haar in de voorwaardelijke tussenkomst aangekondigde vordering.\n\n2.3.. Nadat partijen hun standpunt over het incident over en weer naar voren hebben kunnen brengen, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter beslist dat de vordering van Commerbas tot voeging aan de zijde van [partij B] c.s. wordt toegewezen en de vordering van Commerbas tot tussenkomst wordt afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.\n\n2.4.. Voeging en tussenkomst zijn vormen van interventie, vrijwillige deelname aan het geding door een derde. Op de voet van art. 217 Rv kan een ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Indien aan deze eis is voldaan en de incidentele vordering tot voeging volgens art. 218 Rv tijdig is ingesteld, is die vordering in beginsel toewijsbaar. Bij tussenkomst wil de partij een eigen vordering instellen tegen (een van) de andere partijen. Er moet sprake zijn van voldoende belang om zich te mengen in het aanhangige geding. Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.\n\n2.5.. Anders dan betoogd, kan ook in kort geding een vordering tot tussenkomst en\u002Fof voeging worden ingesteld. Commerbas heeft haar vordering tot voeging en tussenkomst voorafgaand aan de zitting aangekondigd en heeft deze ter zitting ingesteld (vgl. ook artikel 6.2 en 6.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). De voorzieningenrechter is van oordeel dat Commerbas haar belang bij voeging aan de zijde van [partij B] c.s. voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De vraag of Commerbas voldoende belang heeft bij tussenkomst kan in het midden blijven, omdat de goede procesorde er in dit geval aan in de weg staat om de tussenkomst toe te staan. Het toestaan van de gevorderde tussenkomst zou – gelet op de door Commerbas geformuleerde zelfstandige vordering, waaraan grotendeels een ander feitencomplex ten grondslag is gelegd – een uitbreiding van het kort geding tot gevolg hebben, waarbij hoor en wederhoor in de knel dreigen te komen. Dit compliceert de voortvarende beoordeling van het geschil, hetgeen niet verenigbaar is met het karakter van een kort gedingprocedure.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n [partij A] , Panara B.V. en het PANARA merk\n\n3.1.. \n\n [partij A] heeft sinds begin jaren ’80 schoenen ontworpen en verkocht.\n\nHij is houder van het op 1 mei 1984 onder nummer 394494 ingeschreven Benelux woordmerk PANARA voor waren in onder meer klasse 25 (schoenen), hierna het PANARA merk. De schoenen zijn voorzien van het PANARA merk, de sinds 1984 ontworpen modellen onder voornoemd merk worden hierna gezamenlijk aangeduid als de PANARA schoencollectie.\n\n3.2.. In 1987 is [partij A] opgericht en is de productie en verkoop van de PANARA schoencollectie in die vennootschap ondergebracht. [partij A] heeft [partij A] hiertoe een licentie verstrekt, waarbij [partij A] tevens is toegestaan sublicenties te verstrekken en zelfstandig rechtsmaatregelen te nemen ter handhaving van het merkrecht.\n\n3.3.. \n [partij A] is een groothandel en verkocht de PANARA schoencollectie onder meer aan Pauw (23 winkels), aan diverse andere winkels en zogenaamde multibrandstores (winkels die meerdere schoenmerken verkochten) en webshops.\n\n3.4.. Een zustervennootschap van [partij A] , Panara B.V., exploiteerde van 1987 tot 2021 een Panara winkel in Amsterdam (waar alleen schoenen van het PANARA merk werden verkocht). Sinds 2017 heeft Panara B.V. ook een webshop onder de domeinnaam www.panaraonline.com. Deze webshop is tot op heden actief.\n\nCommerbas\n\n3.5.. De PANARA schoencollectie wordt met de hand gemaakt in Italië, laatstelijk door Commerbas.\n\n [partij B] c.s.\n\n3.6.. Op 1 oktober 2010 heeft [partij B] c.s. een schoenenzaak in Den Haag geopend onder de naam Panara Den Haag. Deze naam staat ook op de gevel van de winkel. Daarnaast heeft [partij B] c.s. een webshop onder de domeinnaam www.panaradenhaag.nl.\n\nOvereenkomst [partij A] en [partij B] c.s.\n\n3.7.. In september 2010 zijn [partij A] en [partij B] c.s. schriftelijk onder meer het volgende overeengekomen:\n\nBasis van deze overeenkomst is de verkoop van Panara in de vorm van een Panara Store.\n\n1. De naarn Panara mag uitsluitend worden gebruikt op basis van de presentatie van het volledige product, dus met uitsluiting van andere producten. Afwijkingen hierop niet anders dan met schriftelijke toestemming van [partij A] BV.\n\n5. Indien er sprake is van een of meer voornoemde situaties, dient de naam Panara onmiddellijk te worden verwijderd en zal de levering van Panara goederen eveneens met onmiddellijke ingang worden gestaakt.\n\n6. Duur van de overeenkomst geldt met ingang van seizoen winter 2010\u002F11 voor een onbepaalde periode.\n\n7. Beëindiging van de overeenkomst geschiedt door middel van een aangetekend schrijven met inachtname van twee (2) seizoenen, inbegrepen het op datum van opzegging lopende verkoopseizoen.\n\n8. Bij beëindiging van de samenwerking bestaat geen recht op enige vergoeding.\n\n3.8.. Op 14 november 2023 heeft [partij A] de Overeenkomst opgezegd.\n\nSommaties\n\n3.9.. In een aangetekende brief van 8 oktober 2025 heeft [partij A] aan [partij B] c.s. meegedeeld dat zij hebben geconstateerd dat [partij B] c.s. modellen uit de PANARA schoencollectie heeft gekocht bij Commerbas en voorzien van het naamlabel Borgesa (hierna: de Borgesa schoenen). In die brief heeft [partij A] [partij B] c.s. onder meer gesommeerd het PANARA merk te verwijderen uit de promotie voor de Borgesa schoenen.\n\n3.10.. Onder andere naar aanleiding van het hieronder opgenomen Instagram bericht schrijft [partij A] op 27 november 2025 aan [partij B] c.s. dat de overeenkomst is beëindigd en dat zij uiterlijk op 31 december 2025 de naam PANARA van de gevel dient te verwijderen alsmede de domeinnaam panaradenhaag.nl.\n\n3.11.. Op 12 februari 2026 werden onder de domeinnaam paranadenhaag.nl onder meer de Borgesa schoenen onder meer op de volgende wijze aangeboden:.\n\n3.12.. In een brief van 25 februari 2026 heeft de advocaat van [partij A] onder meer geconstateerd dat ter omschrijving en promotie van de Borgesa schoenen gebruik wordt gemaakt van het teken Panara en dat deze schoenen worden aangeboden onder de domeinnaam panaradenhaag.nl, waardoor inbreuk op het PANARA merk wordt gemaakt. In die brief wordt [partij B] c.s. onder meer gesommeerd de inbreuk op het PANARA merk te staken.\n\n3.13.. \n [partij A] heeft aan de sommaties geen gevolg gegeven.\n\n4. Het geschil\n\nIn conventie\n\n4.1.. \n [partij A] vordert – na vermindering van eis – gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. te bevelen onmiddellijk iedere inbreuk op de aan [partij A] toekomende auteursrechten te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder te bevelen de openbaarmaking en verveelvoudiging van de Borgesa schoenen te staken en gestaakt te houden;\n\nII. hoofdelijk te bevelen onmiddellijk iedere inbreuk op de merkenrechten van [partij A] in de gehele Benelux te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder gedaagden te verbieden gebruik te maken van het teken ‘Panara’ dan wel van andere tekens die overeenstemmen met dit merk;\n\nIII. hoofdelijk te bevelen aan de advocaat van [partij A] een volledig en juiste opgave te verstrekken, zowel digitaal als schriftelijk, voorzien van alle relevante documenten, waaronder mede begrepen maar niet beperkt tot facturen, prijslijsten, bestelformulieren, vervoersdocumenten, douanedocumenten, orderbevestigingen en (e mail)correspondentie, waarin de volgende informatie is vervat:\n\na. a) de fabrikant(en) en\u002Fof leverancier(s) van de Borgesa schoenen, met vermelding van volledige na(a)m(en), adres(sen), telefoon- en bankrekeningnummer(s);\n\nb) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen die tot op heden door gedaagden en\u002Fof door aan hen gelieerde ondernemingen is verveelvoudigd, vervaardigd, ingekocht, besteld en\u002Fof geleverd, zulks gerangschikt per leverancier, met vermelding van inkoopprijzen, besteldata en leverdata, tezamen met kopieën van de betreffende orderbevestigingen, facturen en correspondentie;\n\nc) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen die tot op heden door gedaagden en\u002Fof door aan gedaagden gelieerde ondernemingen is verveelvoudigd, aangeboden, verkocht en geleverd, zulks gespecificeerd per afnemer, met vermelding van verkoopprijzen en leverdata en volledige na(a)m(en), adres(sen) en telefoonnummers van (niet particuliere) klanten, tezamen met kopieën van de betreffende facturen, orderbevestigingen en correspondentie;\n\nd) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen, die door en\u002Fof ten behoeve van gedaagden dan wel aan gedaagden gelieerde ondernemingen in voorraad wordt gehouden; en (nvt want worden geen producten onder merknaam verkocht);\n\ne) de totale nettowinst die is behaald met het aanbieden en verkopen van de Borgesa schoenen, berekend vanaf het zomerseizoen 2025, waarbij gedaagden voor de berekening van deze nettowinst uitsluitend directe belastingen en directe variabele kosten zal aftrekken, en de exacte wijze waarop deze winst berekend. bestelformulieren, adres(sen);\n\nIV. te bevelen binnen veertien (14) dagen na dit vonnis een terugroepactie uit te voeren en een brief te sturen naar alle afnemers aan wie zij de Borgesa schoenen hebben verkocht en geleverd, met uitsluitend de volgende inhoud en zonder weglatingen, aanvullingen of opmerkingen, en dat zij kopieën van de verzonden brieven aan de advocaat van [partij A] zullen verstrekken: ‘RECTIFICATIE EN HERROEPING In het verleden hebben wij u (één van de) producten aangeboden en geleverd uit onze schoenencollectie ‘Borgesa’. Via deze kennisgeving informeren wij U dat deze producten inbreuk maken op de exclusieve auteursrechten van de heer [partij A] , bedenker en ontwerper van het schoenenlabel Panara. Wij vragen u de inbreukmakende producten op onze kosten aan ons te retourneren en danken u bij voorbaat voor uwmedewerking in dit verband. Ondergetekende, Panara Den Haag \u002F [partij B sub 1] v.o.f.’\n\nV. hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na dit vonnis alle Borgesa schoenen die zich onder henzelf dan wel onder derden ten behoeve van hen bevinden, waaronder alle Inbreukmakende Producten die krachtens het gestelde onder Romeinse IV aan hen zijn geretourneerd, voor eigen rekening, op te sturen aan het adres van de advocaat van [partij A] ;\n\nVI. hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na dit vonnis alle Borgesa schoenen die zich onder henzelf dan wel onder derden ten behoeve van hen bevinden, waaronder alle Borgesa schoenen, die krachtens het hiervoor onder IV bepaalde aan hen zijn geretourneerd, voor eigen rekening, op te sturen aan het adres van de advocaat van [partij A] ;\n\nVII. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een onmiddellijk opeisbare van EUR 10.000,- (tienduizend euro) per overtreding in geval het niet, niet volledig, niet correct of niet tijdig nakomen van een of meer van het gevorderde onder Romeinse I tot en met V, of — naar keuze van [partij A] — van EUR 1.000,- (duizend euro) voor iedere dag dat een dergelijke overtreding voortduurt, onverminderd het recht van [partij A] op volledige naleving en schadevergoeding;\n\nVIII. hoofdelijk te veroordelen, in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten op de voet van artikel 1019h Rv, en dit kort geding volgens de indicatietarieven in IE zaken, versie 1 februari 2026, in te schalen als een ‘normaal kort geding’, te betalen binnen tien (10) werkdagen na betekening van dit vonnis;\n\nIX. hoofdelijk te veroordelen om aan [partij A] de wettelijke (handels)rente over de proceskosten te betalen, wanneer deze niet binnen tien (10) werkdagen na het betekenen van het ten deze te wijzen vonnis zijn voldaan;\n\nX. hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten.\n\n4.2.. \n [partij A] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [partij B] c.s. met de Borgesa schoenen inbreuk maakt op de auteursrechten van [partij A] op de PANARA schoencollectie. De schoenen koopt zijn van Commerbas en zijn identiek aan de modellen uit de PANARA schoencollectie, alleen voorzien van een andere naam. Na de beëindiging van de overeenkomst is [partij B] c.s. daarnaast het PANARA merk blijven gebruiken op de gevel van de winkel, in de domeinnaam en ter promotie van de Borgesa schoenen. Nu [partij B] c.s. na het beëindigen geen toestemming meer voor heeft, maakt zij inbreuk op het PANARA merk in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE.\n\n4.3.. \n [partij B] c.s. voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot afwijzing. Zij betwist dat auteursrecht op de PANARA schoencollectie rust; het betreft klassieke Italiaanse schoenmodellen. Subsidiair betwist zij dat het auteursrecht bij [partij A] rust. [partij A] was de ontwerper van de schoenen en niet is gebleken dat het auteursrecht aan [partij A] is overgedragen. De overeenkomst is niet rechtsgeldig beëindigd, zodat de overeenkomst nog geldt op grond waarvan [partij B] c.s. toestemming hebben het PANARA merk te gebruiken.\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n4.4.. \n [partij B] c.s. vordert in reconventie, uitsluitend voor het geval in conventie aan [partij B] c.s. een verbod wordt opgelegd op het gebruik van het merk PANARA dat het verkopen van de door haar rechtmatig ingekochte Panara-voorraad belemmert of verhindert, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [partij A] te veroordelen om binnen veertien (14) dagen na betekening van dit vonnis alle door [partij B] c.s. bij [partij A] ingekochte en nog in voorraad zijnde Panara- schoenen (inclusief verpakkingen) terug te nemen op door [partij A] aan te wijzen wijze en op kosten van [partij A] ;\n\nII. [partij A] te veroordelen tot betaling aan [partij B] c.s. van de inkoopprijs van de terug te nemen schoenen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:u9 BW vanaf de datum waarop [partij B] c.s. die inkoopprijs aan [partij A] heeft betaald tot aan de datum van algehele voldoening door [partij A] , vast te stellen door de accountant van gedaagden, met een voorschot bij aflevering van € 100.000,-i\n\nIII. Subsidiair, indien een dergelijk verbod niet aan gedaagden wordt opgelegd:\n\n [partij A] te verbieden zich als detailhandelaar via internet op de markt te begeven met uitverkoopacties van Panara-schoenen, zonder overleg met en goedkeuring door gedaagden. Hierbij geldt dat gedaagden (eisers in reconventie) bereid zijn om de resterende voorraad Panara-schoenen die [partij A] en aan haar gelieerde entiteiten nog bezit(ten) over te nemen als voorschot op een schadevergoeding.\n\nIV. [partij A] te veroordelen in de kosten van het geding in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.\n\n4.5.. Op de standpunten van partijen in voorwaardelijke reconventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nIn conventie en voorwaardelijke reconventie\n\nBevoegdheid\n\n5.1.. Voor zover de vorderingen in conventie zijn gegrond op de gestelde inbreuk op het PANARA merk, is de voorzieningenrechter internationaal en relatief bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van de artikel 4.6 BVIE, aangezien [partij B] c.s. in Nederland is gevestigd. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de gehele Benelux.\n\n5.2.. Voor zover de vorderingen in conventie zijn gebaseerd op de gestelde inbreuk op het auteursrecht is die bevoegdheid gegrond op artikel 4 Brussel I bis-Voomdat gedaagde in Nederland is gevestigd. De relatieve bevoegdheid volgt uit artikel 99 Rv.\n\n5.3.. Nu de voorzieningenrechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in conventie, is de rechtbank ook bevoegd om kennis te nemen van de voorwaardelijke reconventionele vorderingen van [partij B] c.s. [partij A] heeft die bevoegdheid ook niet bestreden.\n\nSpoedeisend belang\n\n5.4.. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het spoedeisend belang in beginsel is gegeven zolang de gestelde inbreuk of het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. Nu [partij B] c.s. de vermeend inbreukmakende (voor wat betreft het auteursrecht) schoenen nog verkoopt en het teken PANARA nog gebruikt (hetgeen volgens de stellingen van [partij A] merkinbreuk oplevert), is daarmee het spoedeisend belang gegeven.\n\nIn conventie verder\n\nAuteursrechten modellen Panara schoencollectie\n\n5.5.. De stellingen van [partij A] waarop zij haar auteursrechtelijke vorderingen grondt, zijn toegespitst op de omstandigheid dat [partij B] c.s. door Commerbas dezelfde modellen van schoenen laat produceren als de modellen van de PANARA schoencollectie die zij voorheen inkocht bij [partij A] en verkocht in haar winkel. Daarmee is volgens [partij A] de inbreuk op de aan haar toekomende auteursrechten gegeven.\n\n5.6.. \n [partij A] heeft echter nagelaten inzichtelijk te maken op welke modellen uit de PANARA schoencollectie zij zich beroept, wanneer deze zijn ontworpen, waaruit de auteursrechtelijke beschermde kenmerken van de afzonderlijke modellen bestaan en hoe die zich weerspiegelen in het desbetreffende model.Er kan immers pas inbreuk worden gemaakt op het auteursrecht als sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk. Of daarvan sprake is dient te worden beoordeeld aan de hand van de concrete vormgeving van (een combinatie van) kenmerken in de betreffende schoenen. Het is aan [partij A] om de feiten daarvoor naar voren te brengen.\n\n5.7.. In de dagvaarding heeft [partij A] meerdere malen geconcludeerd dat de modellen van de Panara schoencollectie auteursrechtelijk beschermde werken zijn, met een eigen herkenbare signatuur van de collectie. Zo wordt gesteld dat “de ontwerpen (..) [zich] kenmerken door een consistente en herkenbare stijl, waarin vorm, pasvorm en materiaalgebruik in onderlinge samenhang werden ontwikkeld”en“deze werkwijze heeft geleid tot een eigen vormentaal, die in de loop der jaren een duidelijke plaats in de markt heeft ingenomen en waarmee de Panara Collectie zich onderscheidt van andere aanbieders”Een feitelijke uitwerking van wat per schoen de door haar ingeroepen“kenmerkende en beschermde elementen van de Panara-collectie”zijn ontbreekt. Omdat op het moment van het opstellen van de dagvaarding door [partij B] c.s. al was betwist dat de (modellen) van de Panara collectie auteursrechtelijk beschermde werken zijn (omdat het klassieke schoenmodellen betreft volgens [partij B] c.s.), had het op de weg van [partij A] gelegen te onderbouwen welke creatieve keuzes zichtbaar zijn in de afzonderlijke modellen, waarop volgens [partij A] inbreuk op het auteursrecht wordt gemaakt. Om als auteursrechtelijk werk beschermd te kunnen zijn in de zin van artikel 10 Aw, moeten de schoenen immers uitdrukking geven aan vrije en creatieve keuzen die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelen.Omdat voor auteursrechtelijke bescherming is vereist dat de persoonlijkheid van de maker wordt weerspiegeld in het voorwerp, moet bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid worden uitgegaan van het voorwerp zelf. Het scheppingsproces en de bedoelingen van de auteur kunnen slechts een rol spelen voor zover dit in het werk tot uitdrukking is gebracht.\n\n5.8.. Bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid dient dus te worden uitgegaan van de afzonderlijke modellen zelf. [partij A] verwijst in haar dagvaarding echter naar de PANARA schoencollectie, maar de afzonderlijke modellen schoenen waaruit die collectie bestaat en waarop volgens [partij A] dus auteursrechtelijke inbreuk wordt gemaakt, zijn niet omschreven en evenmin zijn hiervan afbeeldingen overgelegd. Er is wel een aantal modeltekeningen overgelegd bij de dagvaarding, waarover wordt opgemerkt dat dit de eigen herkenbare signatuur van de collectie onderstreept, maar waaruit die signatuur dan bestaat, is niet uitgewerkt. Van welke voorwerpen moet worden beoordeeld of zij een auteursrechtelijk beschermd werk zijn, is dus niet duidelijk. Verder zijn 103 pagina’s screenshot van de website van [partij B] c.s. overgelegd met de modellen, die zij thans aanbiedt onder het teken Borgesa. Zelfs als deze schoenen identiek zijn aan modellen van de Panara Collectie, dient eerst te worden vastgesteld dat de modellen van de Panara Collectie waarop inbreuk wordt gemaakt auteursrechtelijk beschermd zijn. Hiervoor zijn dus onvoldoende feiten gesteld.\n\n5.9.. Ook in de ter zitting door de advocaat van [partij A] voorgedragen spreekaantekeningen wordt niet ingegaan op het verweer dat de modellen uit de PANARA schoencollectie geen auteursrechtelijke beschermde werken zijn. De voorzieningenrechter heeft ter zitting een aantal malen gevraagd naar de specifieke kenmerken van de schoenen, die maken dat de schoenen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. In antwoord daarop zijn wederom algemene bewoordingen gebruikt, zoals strakke vormgeving, beste leer, geen stiknaden, uitstekende pasvorm, tijdloos, sober, strak, zwarte slipzool doorlopend over de neus van de schoen, zonder daarbij de vormgeving van de afzonderlijke modellen als uitgangspunt te nemen. Verder is “het samenspel van keuzes” genoemd als hetgeen dat de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt en maakt dat de consument een schoen herkent als een Panara schoen.\n\n5.10.. \n\nOnder voornoemde omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is dat de Panara schoencollectie bestaat uit voorwerpen die te kwalificeren zijn als auteursrechtelijk beschermde werken. Dat een selectie van de PANARA schoencollectie (welke modellen dat zijn, is ook weer niet gespecificeerd) is opgenomen in de collectie van het Schoenenkwartier is voor de beoordeling niet relevant, nu de beoordeling of een voorwerp een auteursrechtelijk beschermd werk is, dient plaats te vinden naar het moment waarop het werk werd ontworpen.\n\nHet onder I., III., IV. en V. gevorderde wordt dus afgewezen.\n\n5.11.. De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande niet meer toe aan de bespreking van het door [partij B] c.s. subsidiair gevoerde verweer dat [partij A] niet de auteursrechthebbende zou zijn.\n\nmerkinbreuk\n\n5.12.. Tussen partijen is niet in geschil dat [partij B] c.s. het PANARA merk tot op vandaag in het economisch verkeer gebruikt door middel van het merk op de gevel van haar schoenenwinkel, door onder de domeinnaam panaradenhaag.nl schoenen te verkopen en op haar website en social media kanalen ter promotie van de door haar aangeboden schoenen voorzien van het teken BORGESA. Niet is betwist dat dit heeft te gelden als merkgebruik.\n\n5.13.. Volgens [partij B] c.s. geldt de Overeenkomst nog tussen, omdat deze niet rechtsgeldig is opgezegd. Zij heeft dus nog steeds toestemming om het PANARA merk te gebruiken, zodat de vordering tot het staken van het gebruik dient te worden afgewezen. Dit verweer slaagt niet en dat wordt hierna uitgelegd.\n\n5.14.. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst op 14 november 2023 (dus tijdens het winterseizoen, dat loopt van juli tot januari) door [partij A] mondeling is opgezegd tegen juli 2024 (einde zomerseizoen, dat loopt van januari tot juli). Dit is overeenkomstig de opzegtermijn van artikel 7 van de Overeenkomst. Dit betekent in beginsel dat [partij B] c.s. met ingang van 1 juli 2024 geen toestemming meer heeft om het merk te gebruiken. Hoewel de overeenkomst conform het bepaalde in artikel 7 door middel van een aangetekende brief moet worden opgezegd, is de overeenkomst naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet blijven gelden omdat [partij A] deze mondeling heeft opgezegd. Voor [partij B] c.s. was het immers duidelijk dat de Overeenkomst werd opgezegd, dat [partij A] haar activiteiten zou gaan beëindigen en dat na het zomerseizoen dat liep tot juli 2024 geen nieuwe bestellingen meer zouden kunnen worden geplaatst. [partij B] c.s. heeft zich hiernaar ook gedragen door geen bestellingen meer bij [partij A] te plaatsen voor het laatste zomerseizoen (2024) en zich te gaan richten op nieuwe activiteiten (schoenen onder de naam BORGESA). Dit betekent dat [partij B] c.s. met ingang van 1 juli 2024 geen toestemming meer heeft om het PANARA merk te gebruiken. Door het PANARA merk toch te blijven gebruiken, maakt zij inbreuk op de merkrechten van [partij A] op grond van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE.\n\n5.15.. \n [partij B] c.s. heeft verder aangevoerd dat [partij A] gelet op de aard en inhoud van de Overeenkomst een langere opzegtermijn in acht had moeten nemen. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Los van de vraag of de Overeenkomst is te kwalificeren als een distributieovereenkomst – hetgeen door [partij A] wordt betwist – is de aan [partij B] c.s. gegeven toestemming om het PANARA merk te gebruiken verbonden aan de (ontbindende) voorwaarden dat zij geen andere merken mag verkopen. Tot de opzegging van 14 november 2023 heeft [partij B] c.s. dus 13 jaar lang enkel schoenen onder het PANARA merk verkocht en is haar bedrijf daardoor volledig ingericht op en afhankelijk van de verkoop van deze schoenen. Onder die omstandigheden kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid naar het oordeel van de voorzieningenrechter meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld, zoals een langere opzegtermijn. Dat die opzegtermijn meer dan twee jaar (sinds de opzegging op 13 november 2023) had moeten bedragen is echter gesteld noch gebleken. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [partij B] c.s. geen modellen van het laatste zomerseizoen (2024) heeft ingekocht, heeft afgezien van het overnemen van de voorraad PANARA schoenen van Panara B.V. (in verband met het ontbreken van overeenstemming over de prijs) en zich – naast het verkopen van haar voorraad PANARA schoenen – is gaan richten op nieuwe activiteiten (schoenen onder de naam BORGESA). Zij heeft nimmer overleg gezocht met [partij A] om afspraken te maken over een langere overgangsperiode. De verkoop van de resterende voorraad Panara schoenen (thans nog 1000 paar) kan ook onder een andere winkelnaam en domeinnaam plaatsvinden. Voor het wijzigen van deze naam heeft [partij B] c.s. inmiddels meer dan voldoende tijd gehad. Het oordeel blijft dan ook dat [partij B] c.s. geen toestemming meer heeft het PANARA merk te gebruiken voor (de verkoop van) schoenen, zodat het onder II. gevorderde inbreukverbod wordt toegewezen. Aangezien dit tevens tot gevolg heeft dat de naam van de winkel (zowel op de gevel als online, domeinnaam en website) dient te worden gewijzigd zal het inbreukverbod vier weken na betekening van het vonnis ingaan. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat [partij B] c.s. zeker na de brief van 27 november 2025 ervan op de hoogte was dat [partij A] niet langer toestemming gaf om het PANARA merk in de winkelnaam en de domeinnaam te gebruiken.\n\n5.16.. Als prikkel ter nakoming van het inbreukverbod acht de voorzieningenrechter een dwangsom zoals gevorderd aangewezen. Deze zal worden gematigd en gemaximeerd zoals in het dictum is vermeld.\n\nProceskosten\n\n5.17.. Nu partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in conventie worden gecompenseerd als na te melden. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het inbreukverbod ten aanzien van het PANARA merk weliswaar wordt toegewezen, maar het gevorderde inbreukverbod op de vermeende auteursrechten en de daarmee samenhangende nevenvorderingen worden afgewezen. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren.\n\nIn voorwaardelijke reconventie verder\n\n5.18.. \n [partij B] c.s. heeft als voorwaarde aan haar reconventionele vorderingen verbonden: “uitsluitend voor het geval in conventie aan [partij B] c.s. een verbod wordt opgelegd op het gebruik van het merk PANARA dat het verkopen van de door haar rechtmatig ingekochte Panara-voorraad belemmert of verhindert.”\n\n5.19.. Hoewel het in conventie gevorderde verbod is toegewezen, staat dit er niet aan in de weg om de rechtmatig ingekochte Panara schoenen, die [partij B] c.s. nog op voorraad heeft te verkopen. Deze voorraad bestaat immers uit schoenen, voorzien van het PANARA merk, die zij nog onder de Overeenkomst heeft ingekocht bij [partij A] . Los van het feit dat het recht van [partij A] om zich op grond van het merkrecht tegen de verkoop van die specifieke exemplaren te verzetten, is uitgeput, heeft [partij A] ook ter zitting benadrukt, dat het [partij B] c.s. vrij staat om rechtmatig ingekochte Panara schoenen te blijven verkopen. De aan de reconventionele vorderingen verbonden voorwaarde is dan ook niet in vervulling gegaan, zodat aan de beoordeling van de reconventionele vorderingen niet wordt toegekomen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nIn conventie\n\n6.1.. beveelt gedaagden binnen vier weken na betekening van dit kort gedingvonnis iedere inbreuk op het PANARA merk in de Benelux te staken en gestaakt te houden;\n\n6.2.. veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk tot betaling van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat [partij B] c.s. in strijd handelt met het onder 6.1 gegeven bevel, met een maximum van € 50.000,-;\n\n6.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4.. compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;\n\n6.5.. bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum van dit vonnis;\n\n6.6.. wijst af het meer of anders gevorderde;\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n6.7.. stelt vast dat aan de voorwaarde waaronder de reconventionele vorderingen is ingesteld niet is voldaan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.D. Overbeek en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.\n\n artikel 3.16 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken\n\n Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering\n\n Verordening (EU) 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.\n\n HvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra)\n\n Auteurswet\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 50 en 61\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 71, 74 en 75\n\n Productie 12 bij de dagvaarding\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 77 en 81","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18180","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:37.443Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":56,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"884","ECLI:NL:RBDHA:2026:17175","ecli-nl-rbdha-2026-17175","2026-06-19T00:00:00.000Z","beschikkingRECHTBANK DEN HAAG\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nrekestnummer: C\u002F09\u002F707312 \u002F KG RK 26-948\n\nBeschikking van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nCOTY BEAUTY GERMANY GMBHte Darmstadt, Duitsland,\n\nverzoekende partij,\n\nadvocaat: mr. P.S. Trapman te Rotterdam,\n\ntegen\n\n1. [gerekwestreerden sub 1], vennoot van gerekwestreerde sub 3.,\n\nte [woonplaats],\n\n2. [gerekwestreerden sub 2],vennoot van gerekwestreerde sub 3.,\n\nte [woonplaats],\n\n3. [gerekwestreerden sub 3] v.o.f. (tevens h.o.d.n. [handelsnaam])\n\nte [vestigingsplaats],\n\ngerekwestreerden.\n\nDe verzoekende partij wordt hierna in enkelvoud aangeduid als verzoekster, de wederpartij als gerekwestreerden.\n\nSlechts de aangekruiste onderdelen van deze beschikking zijn van toepassing.\n\nGegevens met betrekking tot het verzoek\n\nHet verzoek is ingekomen op 17 juni 2026\n\n1. Bevoegdheid\n\n☒ 1.1.Voor zover het verzoek is gebaseerd op de gestelde inbreuk op (een) aan verzoekster toebehorend(e) Uniemerk(en) of Uniemodel(len) is de voorzieningenrechter internationaal (en relatief) bevoegd daarvan kennis te nemen nu gerekwestreerden gevestigd of woonachtig zijn in Nederland (artikel 123 lid 1, 124 onder a, 125 lid 1 en 131 lid 1 en lid 2 UMVo 2017en artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk respectievelijk artikel 80 lid 1, 81 onder a, 82 lid 1 en 90 lid 1 en lid 3 UModVoen artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen). De bevoegdheid strekt zich uit tot de gehele Europese Unie.\n\n☐ 1.2.Voor zover het verzoek is gebaseerd op de gestelde inbreuk in Nederland op (een) aan verzoekster toebehorend(e) Uniemerk(en) of Uniemodel(len) is de voorzieningenrechter internationaal (en relatief) bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van artikel 123 lid 1, 124 onder a, 125 lid 5 en 131 lid 1 UMVo en artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk respectievelijk artikel 80 lid 1, 81 onder a, 82 lid 5 en 90 lid 1 UModVo en artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen. De bevoegdheid is beperkt tot Nederland.\n\n☐ 1.3.Voor zover het verzoek is gebaseerd op de gestelde inbreuk op (een) aan verzoekster toebehorend(e) Benelux-merk(en), Benelux-model(en) of internationale merk- of modelinschrijving met gelding voor de Benelux is de voorzieningenrechter internationaal en relatief bevoegd daarvan kennis te nemen nu gerekwestreerde gevestigd of woonachtig is in dit arrondissement dan wel de gestelde inbreuk (mede) in dit arrondissement plaatsvindt (artikel 4.6 BVIE). De bevoegdheid strekt zich uit tot de Benelux.\n\n☐ 1.4.Voor zover het verzoek is gebaseerd op de gestelde inbreuk op (een) aan verzoekster toebehorend(e) Benelux-merk(en) of Benelux-model(en) of internationale merk- of modelinschrijving met gelding voor de Benelux is de voorzieningenrechter bevoegd daarvan kennis te nemen nu dat verzoek verknocht moet worden geacht aan de gestelde inbreuk op het\u002Fde ingeroepen Uniemerk(en) respectievelijk Uniemodel(len).\n\n☐ 1.5.Voor zover het verzoek is gebaseerd op een ander recht dan de hiervoor in 1.1 tot en met 1.4 genoemde rechten, is de rechtbank internationaal bevoegd voor de hoofdzaak op grond van artikel 4 Brussel I bis-Vozodat tevens bevoegdheid bestaat kennis te nemen van het verzoek tot het treffen van voorlopige maatregelen als de onderhavige. De bevoegdheid is in de Europese Unie territoriaal onbeperkt.\n\n☐ 1.6.Voor zover het verzoek is gebaseerd op een ander recht dan de hiervoor in 1.1 tot en met 1.4 genoemde rechten, is de rechtbank internationaal (en relatief) bevoegd voor de hoofdzaak op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I bis-Vo zodat tevens bevoegdheid bestaat kennis te nemen van het verzoek tot het treffen van voorlopige maatregelen als de onderhavige. De bevoegdheid is beperkt tot Nederland.\n\n☐ 1.7. Voor zover het verzoek is gebaseerd op communautaire kwekersrechten is\n\nde rechtbank internationaal (en relatief) bevoegd voor de hoofdzaak op grond van artikel 101 lid 1, lid 2 onder a) of b) en lid 4 van de GKVojo art. 78 lid 2 ZPW.\n\n☐ 1.8. De rechtbank is relatief (exclusief) bevoegd kennis te nemen van het\n\nverzochte bevel tot staking van de inbreuk op een octrooirecht, een communautair kwekersrecht of een nationaal kwekersrecht op grond van artikel 80 lid 2 sub c ROWrespectievelijk artikel 101 lid 2 GKVo en\u002Fof artikel 78 lid 2 ZPW.\n\n☐ 1.9.Voor zover het verzoek tot het leggen van bewijsbeslag verband houdt met de handhaving van een octrooi in de zin van artikel 70, 71, 72 of 73 ROW is de voorzieningenrechter relatief (exclusief) bevoegd op grond van art. 80 tweede lid sub c ROW.\n\n☐ 1.10.De voorzieningenrechter is relatief bevoegd kennis te nemen van het verzochte bevel tot staking van de inbreuk op grond van artikel 262 aanhef en sub b Rvnu gerekwestreerde gevestigd of woonachtig is in dit arrondissement dan wel de gestelde inbreuk (mede) in dit arrondissement plaatsvindt en deze rechtbank dus relatief bevoegd is kennis te nemen van de in te leiden hoofdzaak.\n\n☐ 1.11.De voorzieningenrechter is relatief bevoegd kennis te nemen van het verzoek om verlof tot het leggen van bewijsbeslag, monsterneming, beschrijving, beslag tot afgifte en\u002Fof verhaalsbeslag op grond van (artikel 1019c lid 1 jo.) artikel 700 lid 1 Rv nu een of meer van de betrokken zaken zich in dit arrondissement bevinden, dan wel, indien het beslag niet op zaken betrekking heeft, de gerekwestreerde of (een van) degene(n) onder wie het beslag gelegd wordt, in dit arrondissement woonplaats heeft.\n\n☐ 1.12.Nu de voorzieningenrechter internationaal en\u002Fof relatief bevoegd is kennis te nemen van het verzoek op een van de voornoemde gronden, wordt tevens geacht bevoegdheid te bestaan voor de andere gronden in het verzoek en\u002Fof andere beslagobjecten waarop het verzoek betrekking heeft.\n\n2. Beoordeling\n\naannemelijkheid van de inbreuk\n\n☒ 2.1.Voorshands oordelend bestaat geen reden aan de geldigheid van de door verzoekster ingeroepen rechten te twijfelen en is voldoende aannemelijk gemaakt dat gerekwestreerden inbreuk op die rechten maken, althans dat de voor artikel 194 lid 1 Rv vereiste rechtsbetrekking bestaat, om de toe te wijzen maatregelen te rechtvaardigen. Hierbij wordt opgemerkt dat dit voorlopige oordeel waar het een beslag, monsterneming en\u002Fof beschrijving betreft slechts na summier onderzoek tot stand is gekomen waarbij (in dit geval) alleen de verzoeker is gehoord. De drempel om een beslagverlof af te geven is in het algemeen relatief laag.\n\naannemelijkheid van de vereiste spoedeisendheid van het gevraagde bevel\n\n☒ 2.2.Gelet op hetgeen in het verzoekschrift is aangevoerd ten aanzien van het spoedeisend belang van verzoekster en gelet op de mate van aannemelijkheid van de inbreuk, bestaat voldoende grond voor toewijzing van het gevraagde bevel tot staking van de inbreuk zonder gerekwestreerden voorafgaand te horen.\n\naannemelijkheid van de vereiste proportionaliteit en subsidiariteit van het gevraagde verlof voor beslag en\u002Fof monsterneming en\u002Fof beschrijving\n\n☐ 2.3.Verzoekster heeft voldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat, met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen, het gevraagde verlof gerechtvaardigd is, terwijl de beoogde maatregel niet op andere, voor de gerekwestreerde minder ingrijpende wijze kan plaatsvinden.\n\n☐ 2.4.Verzoekster heeft voorts het in beslag te nemen bewijs voldoende concreet omschreven en voldoende aannemelijk gemaakt dat het in beslag te nemen bewijs zich onder gerekwestreerde of de in het verzoekschrift genoemde derde(n) bevindt.\n\naannemelijkheid van de noodzaak af te zien van verhoor van de gerekwestreerde op het verzochte verlof voor bewijsbeslag en\u002Fof monsterneming en\u002Fof beschrijving\n\n☐ 2.5.Verzoekster heeft voldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat indien de gerekwestreerde wordt gehoord gegronde vrees bestaat voor verduistering of verlies van bewijs dan wel dat dit uitstel verzoekster onherstelbare schade zal berokkenen.\n\naannemelijkheid van het gestelde recht op afgifte\n\n☐ 2.6.Verzoekster heeft het gestelde recht op afgifte voldoende aannemelijk gemaakt.\n\naannemelijkheid van de noodzaak van bewaring van de in bewijsbeslag en afgiftebeslag genomen zaken\n\n☐ 2.7.Verzoekster heeft voldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat noodzakelijk is dat de inbeslaggenomen zaken in gerechtelijke bewaring zullen worden genomen. Tevens is voldoende aannemelijk gemaakt dat voorafgaand verhoor van gerekwestreerde over de bewaring van de zaken die in beslag tot afgifte zullen worden genomen achterwege dient te blijven.\n\naannemelijkheid van de vordering\n\n☐ 2.8.Verzoekster heeft voldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat zij een vordering op gerekwestreerde heeft, die kan worden begroot op na te melden bedrag.\n\naannemelijkheid van de vrees voor verduistering van verhaalsobjecten\n\n☐ 2.9.Verzoekster heeft voldoende aangevoerd om te concluderen dat vrees voor verduistering van de in het verzoekschrift genoemde verhaalsobjecten bestaat.\n\noverige overwegingen\n\n☐ 2.10.Het gevraagde bevel tot staking van de inbreuk dient te worden afgewezen omdat het niet in overeenstemming wordt geacht met de aan een ingrijpende maatregel als een ex parte verbod te stellen hoge eisen, in het bijzonder ten aanzien van de aannemelijkheid van het gestelde recht en de gestelde inbreuk daarop en ten aanzien van de spoedeisendheid van de zaak.\n\n☐ 2.11.Het verzoek wordt op onderdelen afgewezen omdat onvoldoende aanleiding voor de verzochte maatregelen bestaat, dan wel omdat een wettelijke grondslag ontbreekt, het verzochte onvoldoende specifiek is of ter voorkoming van executiegeschillen.\n\n3. Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n☐ 3.1.wijst het verzoek af;\n\n☒ 3.2. beveeltgerekwestreerden binnen zes uur na betekening van deze beschikking de in het verzoekschrift beschreven inbreuk op de in randnummer 5 van het verzoekschrift genoemde merken in de Europese Unie testakenen gestaakt te houden, meer specifiek door te staken en gestaakt te houden het faciliteren van, (doen) verhandelen, (doen) verkopen, (doen) leveren, (doen) aanbieden van de in randnummer 12 van het verzoekschrift bedoelde parfums;\n\n☐ 3.3.wijst het verzochtebeveltot staking van de inbreuk af;\n\n☒ 3.4.veroordeelt gerekwestreerden tot betaling van eendwangsomvan € 50.000 voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat zij in strijd handelen met dit bevel, dan wel een dwangsom van € 500 voor ieder inbreukmakend product dat zij in strijd met voormeld bevel verhandelen, zulks ter keuze van verzoekster, met een maximum van € 1.000.000;\n\n☐ 3.5.verleent verlof tot het leggen van conservatoirbewijsbeslagonder gerekwestreerde op de in het verzoekschrift onder [] vermelde bescheiden en\u002Fof digitale bestanden en\u002Fof gegevensdragers;\n\n☐ 3.6.bepaalt dat indien redelijke gronden bestaan om te vermoeden dat digitale bestanden waarvoor dit beslagverlof geldt elders op eenexterne serverworden bewaard, gerekwestreerde deze bestanden voor de deurwaarder toegankelijk dient te maken door het verstrekken van de benodigde wachtwoorden en inlogcodes;\n\n☐ 3.7.bepaalt dat gerekwestreerde eendwangsomverbeurt indien hij\u002Fzij niet voldoet aan deze medewerkingsplicht en er twee uur zijn verstreken na een verzoek van de deurwaarder daartoe, van € [] per uur met een maximum van € [];\n\n☐ 3.8.bepaalt dat gegevensdragers van eventuelehuisgenotenvan gerekwestreerde uitdrukkelijk zijn uitgezonderd van de beslaglegging;\n\n☐ 3.9.verleent verlof om bij gerekwestreerde []monsterste nemen van elke type van de in het verzoekschrift onder [] bedoelde zaken;\n\n☐ 3.10.verleent verlof om een gedetailleerdebeschrijvingte maken van de in het verzoekschrift onder [] bedoelde zaken en\u002Fof omstandigheden;\n\n☐ 3.11.verleent verlof tot het leggen van conservatoirbeslag tot afgifteop de in het verzoekschrift onder [] bedoelde zaken;\n\n☐ 3.12.bepaalt dat de inbewijsbeslaggenomen zaken, monsters c.q. beschrijving in gerechtelijkebewaringzullen worden gegeven aan de in het verzoekschrift genoemde bewaarder;\n\n☐ 3.13.bepaalt dat de inbeslag tot afgiftegenomen zaken in gerechtelijkebewaringzullen worden gegeven aan de in het verzoekschrift genoemde bewaarder;\n\n☐ 3.14.bepaalt dat de deurwaarder zich bij de inbeslagneming kan laten bijstaan door de in het verzoekschrift genoemdedeskundige(n);\n\n☐ 3.15.verleent verlof tot het leggen van conservatoirverhaalsbeslagop de in het verzoekschrift onder [] bedoelde zaken\u002Fonder de in het verzoekschrift onder [] genoemde derden op alle gelden, geldswaarden en\u002Fof roerende zaken (niet-registergoederen) die de betreffende derde onder zich heeft en\u002Fof uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding heeft en\u002Fof mocht verkrijgen ten behoeve van gerekwestreerde en begroot de vordering op gerekwestreerde, met inbegrip van rente en kosten, voorlopig op € [],- (zegge: [bedrag in letters] euro);\n\n☐ 3.16.bepaalt dat [het bewijsbeslag, de monsterneming, de beschrijving, het beslag tot afgifte, het verhaalsbeslag] onder gerekwestreerde kan worden gelegd c.q. gedaan op de navolgendelocaties[]. Het beslag strekt zich tevens uit tot de zich op of nabij die locatie bevindende voertuigen die bij gerekwestreerde in gebruik zijn en kan tevens worden gelegd op enige andere locatie in Nederland ten aanzien waarvan tijdens de beslaglegging concrete aanwijzingen worden gevonden dat in beslag te nemen zaken door gerekwestreerde of door (een) derde(n) voor gerekwestreerde worden gehouden. Beslag op zaken die zich onder derden bevinden mag slechts worden gelegd binnen de grenzen van artikel 461d Rv;\n\n☐ 3.17.bepaalt dat [het bewijsbeslag\u002Fde monsterneming\u002Fde beschrijving\u002Fhet beslag tot afgifte\u002Fhet verhaalsbeslag][aantal malen] kan wordenherhaaldin een periode van [] na het eerstgelegde beslag;\n\n☐ 3.18.verbindt aan het verlof de voorwaarde dat tot een bedrag van € []zekerheidwordt gesteld voor schade die door de tenuitvoerlegging van het verlof kan worden veroorzaakt;\n\n☐ 3.19. Het bewijsbeslag dient zoveel mogelijk te worden gelegd op kopieën\n\nvan documenten en\u002Fof digitale bestanden. Indien het maken van kopieën ter plaatse van de beslaglegging praktisch niet uitvoerbaar blijkt en de deurwaarder geen toestemming verkrijgt van beslagene voor het maken van kopieën elders, kan onder de volgende (cumulatieve) voorwaarden het beslag worden gelegd op de integrale gegevensdrager(s) waarop deze documenten en\u002Fof digitale bestanden zich bevinden. De deurwaarder dient de beslagene en (als dat een ander is) gerekwestreerde te horen. Als hij van oordeel blijft dat beslaglegging ter plaatse praktisch niet uitvoerbaar is, dient hij de volgende procedure te volgen:\n\na) ter plaatse een integrale kopie te maken, die op het terrein\u002Fbinnen het bedrijf van de beslagene blijft, en daar dient te worden bewaard in een door de deurwaarder af te sluiten ruimte of in verzegelde vorm. De bewaartermijn is [10] werkdagen. De deurwaarder, eventueel vergezeld van de IT-specialist, kan deze integrale kopie gedurende de bewaarperiode raadplegen en dient deze na afloop van de bewaarperiode te vernietigen; en\n\nb) een kopie te maken van een eerste selectie van de onder het beslag vallende bescheiden en deze kopie mee te nemen naar het kantoor van de deurwaarder\u002FIT-specialist. Definitieve selectie van daadwerkelijk in beslag te nemen bescheiden wordt vervolgens ten kantore van de deurwaarder of de IT-specialist (onder toezicht van de deurwaarder) gemaakt. De gerekwestreerde\u002Fbeslagene, diens advocaat en\u002Fof een door deze aan te wijzen eigen IT-specialist is\u002Fzijn gerechtigd daarbij aanwezig te zijn met maximaal [2] personen. Om die aanwezigheid mogelijk te maken zal het selectieproces uiterlijk 3 werkdagen worden uitgesteld. De selectie zelf zal hoogstens 5 werkdagen duren, waarna de meegenomen kopie aan de gerekwestreerde\u002Fbeslagene wordt geretourneerd; en\n\nc) binnen 24 uur na aanvang van de beslaglegging in een proces-verbaal vast te leggen dat sprake is van een beslag dat ter plaatse niet praktisch uitvoerbaar is onder vermelding van de omstandigheden waarop die beoordeling is gebaseerd. Dit proces-verbaal wordt aan verzoeker, gerekwestreerde en de beslagene verstrekt.\n\n☐ 3.20.Aan het verlof zijn voorts de navolgende voorwaarden verbonden.\n\n1) Indien tijdens het bewijsbeslag een gegevensdrager wordt aangetroffen waarop een of meer versleutelde of met een toegangscode beschermde bestanden staan en er redelijke grond bestaat om te vermoeden dat deze bestanden zijn aan te merken als bescheiden in de zin van het beslagverlof, kan de deurwaarder deze gegevensdrager in beslag nemen indien de bestanden niet voor hem toegankelijk worden gemaakt.\n\n2) Het is de deurwaarder toegestaan om, als daartoe aanleiding is, twee verschillende processen-verbaal van het bewijsbeslag op te maken: één proces-verbaal dat is bestemd voor verzoekster, waarin de in beslag genomen zaken slechts globaal zijn omschreven, en één proces-verbaal dat is bestemd voor gerekwestreerde, dat een gedetailleerde omschrijving van deze zaken bevat.\n\n3) De bij het bewijsbeslag \u002F beslag tot afgifte \u002F de verhaalsbeslagen \u002F monsterneming en\u002Fof beschrijving betrokken personen, zoals de deurwaarder, de deskundige(n) en de bewaarder mogen geen informatie omtrent de in beslag genomen zaken, waaronder begrepen het overeenkomstig het bepaalde onder 2 aan gerekwestreerde te verstrekken proces-verbaal, en\u002Fof monsterneming en\u002Fof beschrijving ter kennis brengen aan verzoekster of derden en evenmin gelegenheid geven tot inzage in of onderzoek daaraan, behoudens toestemming van gerekwestreerde, een wettelijk voorschrift of nader rechterlijk bevel.\n\n☐ 3.21.Het is verzoekster en\u002Fof haar vertegenwoordigers in geen geval toegestaan bij het beslag, de inbewaringgeving, monsterneming en\u002Fof beschrijving tegenwoordig te zijn. Het staat de deurwaarder ook niet vrij om hierop een uitzondering te maken op grond van artikel 443 lid 2 jo 702 lid1 jo 1019c Rv door verzoekster en\u002Fof haar vertegenwoordigers toe te staan wel daarbij tegenwoordig te zijn. Die aanwezigheid wordt in geen geval noodzakelijk geacht.\n\n☐ 3.22.Het is verzoekster en\u002Fof haar vertegenwoordigers niet toegestaan bij het beslag, de monsterneming en\u002Fof beschrijving tegenwoordig te zijn. Het staat de deurwaarder vrij om op grond van artikel 443 lid 2 jo 702 lid1 jo 1019c Rv verzoekster en\u002Fof haar vertegenwoordigers toe te staan wel tegenwoordig te zijn bij het afgiftebeslag of verhaalsbeslag, indien hij dat noodzakelijk acht, zolang is gewaarborgd dat deze personen niet aanwezig zijn bij de uitvoering van het bewijsbeslag, de monsterneming en\u002Fof beschrijving.\n\n☐ 3.23.Het bewijsbeslag\u002Fbeslag tot afgifte\u002Fverhaalsbeslag\u002Fde monsterneming en\u002Fof beschrijving mag niet plaatsvinden tussen vijf uur ’s middags en negen uur ’s ochtends en evenmin in het weekend of op een algemeen erkende feestdag, met dien verstande dat een [eenmaal\u002Fvoor … uur] aangevangen beslag\u002Fde monsterneming en\u002Fof beschrijving op deze dagen en uren mag worden afgerond.\n\n☐ 3.24.bepaalt dat de deurwaarder een afschrift van het verlof bij aanvang van de beslaglegging dient te verstrekken aan de beslagene of althans een op de beslaglocatie aanwezige vertegenwoordiger van beslagene.\n\n☐ 3.25. bepaalt dat het gerekwestreerde vrij staat de bijstand van een advocaat of andere vertrouwenspersoon in te roepen, maar dat de beslaglegging een aanvang mag nemen ook zonder aanwezigheid van die advocaat of vertrouwenspersoon. Indien de gerekwestreerde binnen een uur na aanvang van de beslaglegging meedeelt dat een advocaat of vertrouwenspersoon voor hem de beslaglegging bij wil wonen, zal de deurwaarder de beslaglegging niet mogen afsluiten alvorens de advocaat of vertrouwenspersoon zich een oordeel heeft kunnen vormen over de gang van zaken bij de beslaglegging. Is de komst van de advocaat of vertrouwenspersoon aangekondigd, maar is deze nog niet aanwezig op het moment dat de deurwaarder zijn werkzaamheden (voor zover deze ter plekke kunnen plaatsvinden) heeft voltooid, dan behoeft niet langer dan een uur op de komst van de advocaat of vertrouwenspersoon te worden gewacht.\n\n☒ 3.26.bepaalt, voor zover nodig, determijnvoor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700 lid 3 Rv op 14 dagen na het eerst gelegde beslag en de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na heden.\n\n☒ 3.27.verklaart deze beschikking voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.\n\n☐ 3.28.wijst het overigens meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. H.D. Overbeek op 19 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\nVerordening (EU) 2017\u002F1001 van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk\n\nVerordening (EG) nr. 6\u002F2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Uniemodellen.\n\nBenelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen)\n\nVerordening (EU) 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken\n\n Verordening (EG) 2100\u002F94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht\n\n Rijksoctrooiwet 1995\n\n de Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005\n\nWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17175","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.872Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":50,"updatedAt":70},"1893","ECLI:NL:RBMNE:2026:2307","ecli-nl-rbmne-2026-2307",71,"2026-04-29T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: 11951135 \\ MC EXPL 25-6015\n\nVonnis van 29 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser] , H.O.D.N. [handelsnaam 1],\n\nte [woonplaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. P.J. Contermans,\n\ntegen\n\n [gedaagde] B.V., T.H.O.D.N. [handelsnaam 2],\n\nte [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [handelsnaam 2] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 18 producties, - de conclusie van antwoord met 4 producties, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is aan partijen verteld dat vandaag vonnis gewezen zal worden.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [eiser] heeft een onderneming, [handelsnaam 1] , die zich richt op de verkoop van diverse soorten muurbedekking. [handelsnaam 2] is een onderneming die ook wandpanelen verkoopt. [eiser] heeft door een professionele fotograaf foto’s laten maken van zijn wandpanelen die hij op de website van [handelsnaam 1] heeft geplaatst. Ook heeft hij die wandpanelen productnamen gegeven die hij zelf verzonnen heeft. [handelsnaam 2] heeft deze foto’s en bijbehorende namen op haar website gebruikt. [eiser] vindt dat [handelsnaam 2] daardoor inbreuk heeft gemaakt op zijn auteursrechten. Hij vordert daarom in deze procedure kort gezegd een verklaring voor recht en schadevergoeding, vermeerderd met kosten. [handelsnaam 2] wil dat de kantonrechter deze vorderingen afwijst. Zodra zij ontdekte dat de foto’s op haar website van [eiser] afkomstig waren heeft zij deze namelijk verwijderd. De kantonrechter geeft [eiser] grotendeels gelijk.\n\n3. De beoordeling\n\nDe foto’s zijn auteursrechtelijk beschermd, maar de productnamen niet\n\n3.1.. Eerst behandelt de kantonrechter de vraag of de betreffende foto’s en productnamen wel auteursrechtelijk beschermd zijn. Volgens vaste rechtspraak is een werk (zoals een foto of een bedachte productnaam) auteursrechtelijk beschermd als het een eigen, oorspronkelijk karakter heeft, dat het persoonlijk stempel van de maker draagt. Dat betekent dat een werk enige creativiteit en artistieke expressie moet bevatten. Voor wat betreft de foto’s is dat naar het oordeel van de kantonrechter het geval, maar voor de productnamen geldt dat niet. Hiervoor heeft de kantonrechter de volgende redenen.\n\n3.2.. Vier van de foto’s zijn foto’s van vier wandpanelen in marmerlook die [eiser] aanbiedt via [handelsnaam 1] . De vier overige foto’s zijn ingezoomde uitsneden van de eerste vier foto’s, bedoeld om de structuur van de wandpanelen beter in beeld te brengen. Feitelijk gaat het dus om vier originele foto’s, die in hun geheel geplaatst zijn op de website van [handelsnaam 2] , en vier uitsneden van deze foto’s. Hieronder worden de vier foto’s en de vier uitsneden opgenomen ter verduidelijking.\n\nDe vier foto’s van de gehele panelen\n\nDe vier uitsneden\n\n3.3.. De vier foto’s waarop de gehele wandpanelen met aankleding te zien zijn, zijn het resultaat van de originele en creatieve keuzes van de maker. Op de foto is te zien dat er keuzes gemaakt zijn met betrekking tot de wijze waarop de wandpanelen in beeld zijn gebracht. Zo hebben de foto’s een specifieke belichting en hoek, waardoor de structuur en kleur van de wandpanelen goed uitkomen. Ook hebben de foto’s een bewust gekozen compositie en enscenering, bijvoorbeeld doordat er een stoel of accessoire in op is genomen om het beeld op een bepaalde manier aan te kleden. Dit alles maakt dat er geen sprake is van dertien-in-een-dozijn-kiekjes en dat de foto’s goed te onderscheiden zijn van andere foto’s van wandpanelen. Daarom dragen zij de stempel van de maker en zijn zij te beschouwen als werk in de zin van de Auteurswet.\n\n3.4.. Voor de uitsneden van de foto’s geldt het volgende. Dit zijn geen nieuwe foto’s die op zichzelf auteursrechtelijke bescherming verdienen. [eiser] heeft uitgelegd dat het gaat om dezelfde foto’s als in overweging 3.2. besproken, maar dat hij er een stukje van heeft uitgesneden om het wandpaneel beter in beeld te brengen. Puur het maken van een uitsnede geeft niet voldoende uitdrukking aan creatieve keuzes of artistieke expressie om op zichzelf auteursrechtelijk bescherming te verdienen. De vier eerste foto’s, waarop het gehele wandpaneel met compositie te zien is, zijn dus auteursrechtelijk beschermd. De vier foto’s waarop slechts een uitsnede te zien is niet.\n\n3.5.. \n [eiser] vindt verder dat [handelsnaam 2] inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten die zouden rusten op de productnamen die hij heeft bedacht voor de betreffende wandpanelen. Het gaat om de namen ‘Bianco Carrara Marmerpaneel’, ‘Crème Marfil Marmer Wandpaneel’, ‘Grigio Carnico Marmerpaneel’ en ‘Marquina Marmerpaneel’. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de productnamen niet auteursrechtelijk beschermd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] uitgelegd dat deze namen verwijzen naar de marmersoort waarop de wandpanelen geïnspireerd zijn, namelijk een combinatie van de kleurtint (bijvoorbeeld ‘bianco’) en de groeve waaruit die marmersoort afkomstig is (bijvoorbeeld ‘Carrara’). [handelsnaam 2] heeft ook onderbouwd aangevoerd dat vergelijkbare namen veelvuldig gebruikt worden op andere websites waar wandpanelen met een marmer-look verkocht worden. Hierdoor vindt de kantonrechter dat deze productnamen vooral beschrijvend van aard zijn, en daarom niet voldoende creatief zijn om auteursrechtelijk beschermd te zijn.\n\n [eiser] heeft de auteursrechten op de foto’s\n\n3.6.. Dan komt de vraag aan de orde of [eiser] wel de auteursrechten op de foto’s heeft, en niet de fotograaf die de foto’s heeft genomen. [eiser] meent dat hij de auteursrechten heeft op grond van artikel 6 Auteurswet (hierna: Aw). Mocht dat niet het geval zijn, dan vindt hij dat hij de auteursrechten bij akte van de fotograaf heeft verkregen op 13 oktober 2025.\n\n3.7.. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in beginsel de fotograaf moet worden aangemerkt als de maker van foto’s in de zin van de Auteurswet. Dit kan slechts anders zijn als een werk op grond van artikel 6 Aw tot stand is gekomen naar het ontwerp van een ander en onder diens leiding en toezicht. [eiser] zegt dat dat het geval is voor wat betreft deze foto’s. Hij heeft namelijk de opstellingen gecreëerd en expliciete instructies gegeven voor wat betreft de belichting en de gewenste uitstraling van de beelden.\n\n3.8.. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Hoewel uit de stellingen van [eiser] blijkt dat hij een nauwe betrokkenheid had bij de totstandkoming van de foto’s, is dit onvoldoende om te spreken van makerschap in de zin van artikel 6 Aw. Uit vaste rechtspraak, en de uitleg van de wetgever bij dit wetsartikel (de zogenoemde Memorie van Toelichting), blijkt dat niet snel aan de vereisten van dit artikel voldaan is. Het moet gaan om situaties waarin vrijwel alle creatieve keuzes gemaakt zijn door de één (in dit geval [eiser] ), waar de ander (in dit geval de fotograaf) slechts als ‘hand’ fungeerde, zonder wezenlijke eigen artistieke inbreng te leveren. Dat hiervan sprake zou zijn in deze situatie is niet gebleken.\n\n3.9.. De kantonrechter gaat wel mee in de stelling dat [eiser] de auteursrechten bij akte heeft verkregen. De fotograaf heeft bij akte van 13 oktober 2025 alle auteursrechten ten aanzien van de foto’s en alle bijbehorende vorderingsrechten aan [eiser] overgedragen. Dat betekent dat [eiser] vanaf dat moment de auteursrechten op de foto’s heeft. Dit heeft ook tot gevolg dat [eiser] gerechtigd is om deze procedure te voeren, ook als deze ziet op inbreuken van voor 13 oktober 2025.\n\n [handelsnaam 2] heeft zich schuldig gemaakt aan auteursrechtinbreuk\n\n3.10.. De kantonrechter komt nu toe aan de vraag of [handelsnaam 2] inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten die op de foto’s rusten.\n\n3.11.. In april 2025 ontdekte [eiser] dat de foto’s van de wandpanelen, met bijbehorende productnamen, ook geplaatst waren op de website van [handelsnaam 2] . Hij heeft toen op 17 april 2025 een e-mail verzonden naar [handelsnaam 2] waarin hij haar verzocht deze foto’s en productnamen te verwijderen. Op 24 april 2025 heeft [eiser] nogmaals een e-mail verzonden met hetzelfde verzoek. Op beide e-mails is niet gereageerd. Op 6 juni 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] een sommatie verzonden zowel per e-mail, en op 20 juni 2025 nogmaals per mail, en ditmaal ook per Whatsapp naar het mobiele nummer dat op de website van [handelsnaam 2] vermeld stond. Op het Whatsapp-bericht volgde dezelfde dag reactie van [handelsnaam 2] dat zij de foto’s en productnamen van haar website had gehaald.\n\n3.12.. \n [handelsnaam 2] heeft aangevoerd dat zij het gebruiken van de foto’s en de productnamen niet bewust heeft gedaan. Zij heeft iemand ingehuurd om een website voor haar te bouwen, en diegene heeft op eigen initiatief de foto’s gebruikt. Daardoor was zij zich van geen kwaad bewust. De e-mails van 17 april, 24 april, 6 juni en 20 juni heeft [handelsnaam 2] niet ontvangen, omdat haar e-mailaccount niet functioneerde. Toen zij op 20 juni voor het eerst bekend werd met het verzoek van [eiser] door het WhatsApp-bericht heeft zij direct de foto’s verwijderd.\n\n3.13.. Vast staat dat de foto’s van de website van [handelsnaam 1] , ook op de website van [handelsnaam 2] hebben gestaan zonder toestemming en naamsvermelding. Daardoor heeft [handelsnaam 2] volgens de kantonrechter inbreuk gemaakt op het auteursrecht dat op de foto’s rust, en onrechtmatig gehandeld.\n\n3.14.. De kantonrechter begrijpt dat [handelsnaam 2] niet bewust de foto’s van [eiser] heeft gebruikt, en de kantonrechter gelooft ook dat zij de eerdere e-mails niet ontvangen heeft, maar dat maakt dit oordeel niet anders. Ook het per ongeluk schenden van andermans auteursrecht levert wettelijk gezien een inbreuk op het auteursrecht op. Het is de website van [handelsnaam 2] , waardoor zij ook de verantwoordelijkheid draagt voor het materiaal dat erop gepubliceerd staat. Van haar mag verwacht worden dat zij als exploitant van de website de inhoud van de website controleert. Het e-mailadres stond, zonder waarschuwing dat deze niet werkte, op de website van [handelsnaam 2] genoteerd. Dat deze lange tijd niet functioneerde is eveneens haar verantwoordelijkheid en moet voor haar eigen rekening blijven.\n\nSchade\n\n3.15.. Gelet op het voorgaande is [handelsnaam 2] verplicht de schade die [eiser] als gevolg van de auteursrechtinbreuk heeft geleden te vergoeden.\n\n3.16.. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat [eiser] door de auteursrechtinbreuk schade heeft geleden. De hoogte van deze schade is niet exact vast te stellen nu niet duidelijk is of [eiser] klandizie is kwijtgeraakt. Nu de schade niet exact is vast te stellen, zal deze begroot moeten worden op een manier die zo goed mogelijk aansluit bij de aard van de geleden schade. Uitgangspunt bij deze begroting is dat de auteursrechthebbende (in dit geval [eiser] ) ten minste aanspraak kan maken op een schadevergoeding gelijk aan de licentievergoeding die verschuldigd zou zijn geweest, als er wel toestemming voor de verveelvoudiging zou zijn gevraagd. Om te bepalen hoe hoog die vergoeding zou zijn geweest, sluit de kantonrechter aan bij de tarievenlijst 2025 van Stichting BeeldAnoniem. Op basis daarvan geldt een basistarief van € 723,00 voor 4-6 werken. [handelsnaam 2] moet dus € 723,00 aan schadevergoeding betalen.\n\n3.17.. \n [eiser] heeft de licentievergoeding inclusief BTW gevorderd. Daar gaat de kantonrechter niet in mee. Nu het door de kantonrechter toegewezen bedrag een schadevergoeding betreft, hoeft [eiser] daar geen BTW over af te dragen. Hij heeft dus ook geen recht op vergoeding daarvan.\n\n3.18.. De door [eiser] gevorderde opslag van 25% omdat de foto’s zonder naamsvermelding op een website openbaar zijn gemaakt wijst de kantonrechter toe. Vast staat namelijk dat [handelsnaam 2] de foto’s zonder naamsvermelding van de fotograaf op de website had staan, waardoor zij deze opslag verschuldigd was. Zij was dat in eerste instantie aan de fotograaf maar, zoals ook besproken in de overwegingen 3.9.-3.12., heeft [eiser] de vorderingsrechten van de fotograaf overgenomen. Daarom is [eiser] nu gerechtigd om deze opslag te vorderen. Deze opslag komt neer op een bedrag van €180,75.\n\nDe kantonrechter wijst de vordering tot verklaring voor recht af\n\n3.19.. \n [eiser] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat [handelsnaam 2] met haar handelen inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van [eiser] . Deze vordering zal de kantonrechter afwijzen wegens gebrek aan belang. Uit het voorgaande, en de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding, blijkt namelijk al dat [handelsnaam 2] onrechtmatig heeft gehandeld en inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten die rusten op de foto’s. Daardoor heeft [eiser] geen belang meer bij deze verklaring voor recht.\n\n [handelsnaam 2] moet wettelijke rente betalen\n\n3.20.. De door [eiser] gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar nu [handelsnaam 2] in verzuim is met betaling van de geldsom, en [handelsnaam 2] tegen de wettelijke rente verder geen verweer heeft gevoerd. De wettelijke rente over de schadevergoeding zal worden toegewezen vanaf 17 april 2025.\n\n [handelsnaam 2] moet proceskosten betalen\n\n3.21.. \n [handelsnaam 2] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze procedure ziet op de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, zodat artikel 1019h Rv van toepassing is. Op grond van dat artikel wordt de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Bij de vaststelling van de redelijke en evenredige kosten ex artikel 1019h Rv gaat de kantonrechter uit van de door de rechtbank gehanteerde Indicatietarieven in IE-zaken, versie 1 februari 2026. Naar het oordeel van de kantonrechter betreft het een eenvoudige bodemzaak, waardoor er maximaal € 9.600 aan proceskosten toegewezen kunnen worden.\n\n3.22.. De kantonrechter vindt een vergoeding van € 3.200,00 billijk. Hoewel [eiser] facturen heeft overgelegd ter hoogte van in totaal € 8.294,55, vindt de kantonrechter het niet redelijk om dit volledige bedrag door [handelsnaam 2] te laten vergoeden. Daartoe is het volgende doorslaggevend.\n\n3.23.. Ten eerste betreft dit een eenvoudige inbreukkwestie, met een beperkt feitecomplex waardoor de kantonrechter dit beschouwt als een eenvoudige en niet al te bewerkelijke zaak. In dit kader vindt de kantonrechter het ook relevant dat [handelsnaam 2] voldoende onderbouwd heeft dat zij geen panelen met marmerlook heeft verkocht in de periode dat de foto’s online stonden. Bovendien heeft zij gemotiveerd gesteld dat zij überhaupt weinig gebruik heeft gemaakt van de website, omdat zij haar klandizie niet via de website krijgt, maar deze bij hem in de showroom langskomt. In het licht van de uitgebreide motivering van [handelsnaam 2] heeft [eiser] dit onvoldoende onderbouwd betwist. Ook vindt de kantonrechter het relevant dat [handelsnaam 2] de inbreuk niet opzettelijk heeft gepleegd, en de foto’s verwijderd heeft zodra zij ervan op de hoogte raakte. Daar komt bij dat een deel van de kosten gemaakt zijn voordat [eiser] de auteursrechten bezat, en gemaakt zijn ten behoeve van de auteursrechtoverdracht op 13 oktober 2025. De kantonrechter vindt het niet redelijk als [handelsnaam 2] die kosten moet dragen.\n\n3.24.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nDe kantonrechter wijst de vordering tot betaling van BIK af\n\n3.25.. \n [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Een dergelijke vergoeding is slechts toewijsbaar, als deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt tot verkrijging van betaling buiten een gerechtelijke procedure en de omvang daarvan ook redelijk is. [eiser] heeft weliswaar voldoende gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, maar deze zien met name op de periode voordat [eiser] de auteursrechten heeft verkregen. Daarna zien de gemaakte kosten op de voorbereiding van deze procedure. De kosten die met de instructie van de zaak gepaard gaan, worden geacht in een proceskostenveroordeling te zijn begrepen.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. veroordeelt [handelsnaam 2] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 903,75, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 april 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2.. veroordeelt [handelsnaam 2] in de proceskosten van € 3.200,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [handelsnaam 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. veroordeelt [handelsnaam 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n4.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2307","2026-05-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.168Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":75,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":50,"updatedAt":80},"1245","ECLI:NL:GHARL:2026:2351","ecli-nl-gharl-2026-2351",70,"2026-04-21T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.364.945\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Noord-Nederland 18250503\n\narrest in kort geding van 21 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. Universitair Medisch Centrum Groningen\n\ngevestigd in Groningen\n\nverder: UMCG\n\n2. Ommelander Ziekenhuis Groningen B.V.\n\ngevestigd in Scheemda\n\nverder: OZG\n\ndie hoger beroep hebben ingesteld\n\nbij de rechtbank: gedaagden\n\nhierna tezamen: UMCG c.s.\n\nadvocaat: mr. J.I. Krikke te Amsterdam\n\nen\n\nStichting Treant Ziekenhuiszorg\n\ngevestigd in Hoogeveen\n\ngevoegde partij aan de zijde van UMCG c.s.\n\nbij de rechtbank: gedaagde\n\nhierna: Treant\n\nadvocaat mr. L.C. Bredeveld te Amsterdam\n\ntegen\n\nChipSoft B.V.\n\ngevestigd in Amsterdam\n\ndie ook hoger beroep heeft ingesteld\n\nbij de rechtbank: eiseres\n\nhierna: Chipsoft\n\nadvocaat: mr. K.E.L. van Haastrecht te Amsterdam\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\nUMCG c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen (hierna: de voorzieningenrechter) op 6 februari 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit\n\nde dagvaarding in hoger beroep van 16 februari 2026;\n\nde memorie van grieven van 17 februari 2026;\n\nde incidentele conclusie tot voeging van Treant van 24 februari 2026;\n\nde memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van 3 maart 2026;\n\nhet arrest in het schorsingsincident van 3 maart 2026. Het hof verwijst naar dat arrest voor het procesverloop in dat incident;\n\nde memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van 10 maart 2026;\n\neen akte overlegging producties van UMCG c.s. van 10 maart 2026;\n\neen akte tot wijziging van eis van Chipsoft van 10 maart 2026;\n\nde brief van 11 maart 2026 waarbij UMCG c.s. zich verzetten tegen die wijziging van eis;\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 13 maart 2026 is gehouden.\n\nPartijen hebben arrest gevraagd en het hof heeft daarvoor een datum bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\nUMCG heeft in 2015 haar elektronisch patiëntendossier (EPD) aanbesteed en gegund aan EPIC. OZG en Treant willen aansluiten bij dit systeem. Volgens Chipsoft kan dit niet zonder nieuwe aanbesteding door UMCG van het hele dan ontstane regionale EPD. De voorzieningenrechter heeft Chipsoft gevolgd en UMCG op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag verboden om op de ingeslagen weg voort te gaan.\n\nHet hof is van oordeel dat de aanbesteding uit 2015 ook de optie van een regionaal EPD omvatte en komt tot een ander oordeel dan de voorzieningenrechter, ook op het punt of OZG als aanbestedende dienst moet worden aangemerkt. Daarmee kan het vonnis van de voorzieningenrechter niet in stand blijven.\n\nHet hof zal deze beslissingen hierna toelichten, nadat eerst de relevante feiten zijn weergegeven.\n\n3. De relevante feiten\n\n3.1. UMCG is één van de acht universitair medische centra in Nederland. Als academisch ziekenhuis houdt UMCG zich onder meer bezig met patiëntenzorg, wetenschappelijk onderzoek en onderwijs.\n\n3.2. UMCG heeft op 4 oktober 2015 een Europese openbare aanbesteding uitgeschreven voor een eigen elektronisch patiëntendossier (EPD) met de naam ‘Nieuw EPD UMCG’. Een EPD is een digitaal systeem waarin zorgverleners medische gegevens van patiënten bewaren, zoals diagnoses, behandelingen en medicatie. Deze aanbesteding omvatte het selecteren en contracteren van een EPD-leverancier voor het UMCG als enige opdrachtgever.\n\n3.3. \n\nDeze aanbesteding bevatte enkele wensen die zagen op samenwerking met andere instellingen.\n\nWens 77 luidde:\n\n\"Het UMCG streeft naar intensievere regionale samenwerking. Dit zal tot gevolg hebben dat activiteiten binnen een behandelingstraject over verschillende instellingen uitgevoerd worden; het UMCG voert slechts een gedeelte van de behandeling uit. Het EPD zal mogelijk in een later stadium in een ander regionaal ziekenhuis uitgerold worden. Hoe kan het EPD met betrekking tot zorg die over meerdere zorginstellingen verdeeld is, omgaan met medische facturatie? Ga bij de beantwoording in op: (. . .)\n\nc. op welke wijze kunnen meerdere zelfstandige entiteiten gebruik maken van het EPD, waarbij de medische informatie van beide entiteiten binnen de vigerende regelgeving zichtbaar is [in, hof] de andere entiteiten, maar sprake is van een zelfstandig Registreren-Samenvatten-Afleiden Declareren proces. (. . .)\n\ng. bovenstaande vragen bezien vanuit de situatie dat de andere entiteit geen gebruik maakt van hetzelfde EPD als het UMCG én de situatie dat de andere entiteit wel gebruik maakt van hetzelfde EPD als het UMCG:\n\nh. indien gebruik gemaakt wordt van eenzelfde EPD over meerdere entiteiten; de mogelijkheden bij één installatie voor meerdere instellingen dan wel één installatie per instelling (. . .)\"\n\nen wens 87:\n\n\"Welke architectuur adviseert Inschrijver rekening houdend met een eventueel\n\ndoorgroeiscenario dat aansluit bij de wens om de regionale samenwerking te intensiveren?\n\nGa bij de beantwoording in op:\n\na. na implementatie in UMCG uitrol in de andere instelling.\n\nb. het naderhand samenvoegen van 2 installaties dan wel ontvlechten van 1 installatie\n\nc. tools ter ondersteuning van voorgaande twee punten\n\nd. overig.\"3.4. Chipsoft heeft ingeschreven op die aanbesteding uit 2015. De opdracht is uiteindelijk gegund aan EPIC Den Bosch B.V. (verder: Epic) De initiële looptijd van deze overeenkomst en bijhorende Service Level Agreement (SLA) betrof 15 jaar. Deze verloopt medio 2029, tenzij deze wordt verlengd.\n\n3.5. OZG is het streekziekenhuis van Noord- en Oost-Groningen, als opvolgster van de ziekenhuizen in Delfzijl en Winschoten. OZG is sinds december 2015 een 100%-dochter van UMCG, maar fungeert als volledig zelfstandig ziekenhuis.\n\n3.6. Treant exploiteert een algemeen ziekenhuis met een drietal locaties in Oost- Groningen en Zuidoost Drenthe, namelijk Rafajah Stadskanaal, Bethesda Hoogeveen en Scheper Emmen.\n\n3.7. OZG en Treant hebben een EPD-systeem dat is geleverd en wordt onderhouden door Nexus. Nexus heeft aangekondigd in 2027 met deze dienstverlenging te stoppen. Na het uittreden van Nexus en een andere leverancier zijn er voor IT-diensten betreffende het EPD nog twee spelers op de Nederlandse markt: Chipsoft met een marktaandeel van ruim meer dan 50 % van de ziekenhuizen en Epic (met een Amerikaans moederbedrijf) dat een aantal grotere ziekenhuizen onder contract heeft.\n\n3.8. Sinds augustus 2024 is Chipsoft in gesprek geweest met Treant voor een nieuw ziekenhuis-informatiesysteem en een EPD. Chipsoft heeft op 5 december 2024 een offerte aan Treant uitgebracht. Begin 2025 gaf Treant aan ook met onder andere UMCG in gesprek te zijn en een regio-EPD te onderzoeken. Ook aan Chipsoft is de vraag voorgelegd naar een regionaal EPD met het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen en\u002Fof het Martiniziekenhuis in Groningen die beide een door Chipsoft geleverd EPD hebben. In de loop van 2025 heeft Treant tweemaal verzocht aan Chipsoft om het aanbod in de vorm van een direct ondertekenbare overeenkomst te gieten en de gestanddoeningstermijn van het aanbod te verlengen. De tweede keer is dat verlengd tot 1 december 2025.\n\n3.9. \n\nOp 5 oktober 2025 heeft het UMCG een vrijwillige aankondiging (verder: Vooraankondiging 1) als bedoeld in artikel 4.16 van de Aanbestedingswet (Aw) gedaan. Daarin is onder meer het volgende vermeld:\n\n “Aankondiging vrijwillige transparantie vooraf. UMCG levering van een elektronisch patiëntendossier en aanverwante diensten (EPD). Deze vrijwillige aankondiging overeenkomstig artikel 4.16 van de Aanbestedingswet betreft het voornemen van UMCG en twee andere ziekenhuizen om een gezamenlijk EPD te realiseren op basis van de overeenkomst met Epic Den Bosch B.V. (Epic) voor de levering van een elektronisch patiëntendossier en aanverwante diensten (EPD). Dit voornemen ziet op de opdracht die door UMCG is gegund naar aanleiding van de Europese aanbesteding die bekend is gemaakt onder [nummer] . Het aansluiten van de andere ziekenhuizen op deze aanbestede opdracht is mogelijk op basis van de oorspronkelijke uitvraag. In die uitvraag is voorzien in een mogelijke toekomstige regionale samenwerking, waarvoor het EPD van de inschrijver bij voorkeur geschikt zou moeten zijn. Die samenwerking wenst UMCG nu te bewerkstelligen.\n\nDeze wordt gefaciliteerd door het EPD binnen de contractuele structuur van Epic. De ziekenhuizen die voornemens zijn aan te sluiten, zijn niet aanbestedingsplichtig. (…)\n\nWaarde van alle contracten toegekend in deze kennisgeving: 1 Euro.\n\n(…)\n\nRechtvaardiging voor onderhandse gunning: Opdrachten met een geraamde waarde onder de aanbestedingsdrempels.\n\nAndere rechtvaardiging: De opdracht is eerder aanbesteed. In die aanbesteding is reeds voorzien in de mogelijkheid van uitbreiding in verband met een (regionale) samenwerking.\n\nDe toepassing van deze optie komt overigens ten goede aan partijen die niet\n\naanbestedingsplichtig zijn. Het volume van UMCG wijzigt niet.”\n\n3.10. Op 14 november 2025 heeft het UMCG een vrijwillige aankondiging (verder: Vooraankondiging 2) als bedoeld in artikel 4.16 Aw gepubliceerd. Daarin is onder meer het volgende vermeld:\n\n“De opdracht betreft de aansturing en realisatie van het programma “Implementatie SCN”. Het betreft de planvorming, de regievoering op de uit te voeren werkzaamheden, de rapportage over voortgang, risicomanagement en budgetuitnutting, het management van de informatiestromen. E.e.a. is samen te brengen in de rollen programmadirectie, centraal programmamanagement “verandermanagement” en Programma Management Office. Gezien de complexiteit van het programma “Implementatie SCN” is adequate sturing en monitoring op de programmamanagementprocessen (financieel management, risicomanagement, informatievoorziening en rapportage) een noodzakelijke voorwaarde. Betreft het realiseren van een Epic Connect omgeving in de periode december 2025 tot en met juli 2027.\n\n(…)\n\nWaarde van alle contracten toegekend in deze kennisgeving: 3.160.500 Euro\n\nRechtvaardiging voor onderhandse gunning: Opdrachten met een geraamde waarde onder de aanbestedingsdrempels\n\nAndere rechtvaardiging:\n\nDe ervaringen van Pragus zijn noodzakelijk voor een succesvolle realisatie van de EPIC-connect. Op dit moment zijn er geen partijen in Nederland actief met de benodigde ervaring. AW2012 art. 2.32 lid 1b2 stelt dat als de mededinging om technische gronden ontbreekt, wat in deze situatie het geval is, het gegrond is om een onderhandelingsprocedure zonder aankondiging te starten.”\n\n3.11. Epic Connect wordt door Epic als volgt omschreven:\n\n“Epic Connect is een programma waarmee grote zorgorganisaties die al met het Elektronische Patiëntendossier (EPD) van Epic werken, hun EPD-infrastructuur kunnen uitbreiden naar kleinere, onafhankelijke ziekenhuizen, klinieken en huisartsenpraktijken. Het is een strategische samenwerkingsvorm waarbij de kleinere zorgverlener (de 'partner') gebruikmaakt van het systeem van een grotere instelling (de 'host').”\n\n3.12. Chipsoft heeft bij brief (per mail verzonden op 26 november 2025) UMCG vragen gesteld over het gezamenlijke EPD, ook bekend as Share Care Noord. UMCG heeft daar op 1 december 2025 op gereageerd in die zin dat de voorgenomen samenwerking al was geadresseerd in de aanbesteding uit 2015, dat de termijn om te protesteren inmiddels is verlopen en dat UMCG ervan uitgaat dat Chipsoft geen gerechtelijke stappen zal ondernemen.\n\n3.13. Bij dagvaarding van 3 december 2025 heeft Chipsoft het kort geding aanhangig gemaakt waarvan dit hoger beroep.\n\n3.14. Op 12 december 2025 heeft zij UMCG c.s., Treant en de bestuurder van Treant gedagvaard in een bodemprocedure.\n\n4. De beslissing van de voorzieningenrechter\n\n4.1. \n\nChipsoft heeft bij de voorzieningenrechter, kort gezegd, gevorderd dat het UMCG c.s. wordt verboden om uitvoering te geven aan wat is omschreven in de Vooraankondigingen 1 en 2 op straffe van verbeurte van een dwangsom en te bepalen dat, als UMCG en OZG hiermee verder willen, zij hiervoor een Europese Aanbestedingsprocedure moeten uitschrijven.\n\nDaarnaast heeft Chipsoft een aantal vorderingen tot het in het geding brengen van contractsstukken en andere documenten ingesteld (zogenaamde inzagevorderingen).\n\n4.2. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen tegen Treant en haar bestuurder afgewezen omdat Treant geen aanbestedende dienst is. Ook de inzagevorderingen zijn afgewezen omdat het spoedeisend belang daarbij ontbreekt, waarbij ook een rol speelt dat dezelfde vorderingen ook in de bodemprocedure zijn ingesteld.\n\n4.3. \n\nDe voorzieningenrechter heeft OZG wel als aanbestedende dienst aangemerkt. De voorzieningenrechter heeft de in de Vooraankondigingen 1 en 2 omschreven opdrachten aangemerkt als een wezenlijke wijziging ten opzichte van de in 2015 gegunde opdracht aan EPIC en geoordeeld dat UMCG deze opdrachten niet zonder nieuwe aanbesteding mocht verstrekken. De beide aankondigingen voldoen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan de eisen van artikel 4:16 Aw, zodat het beroep van UMCG dat Chipsoft te laat tegen Vooraankondiging 1 is opgekomen, niet opgaat.\n\nDe voorzieningenrechter heeft UMCG en OZG verboden om uitvoering te geven aan beide vooraankondigingen, hen geboden om die vooraankondigingen in te trekken, hen geboden om, als zij de opdrachten omschreven in de vooraankondigingen alsnog willen verstrekken, zij deze Europees moeten aanbesteden, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- per dag met een maximum van € 2.000.000,-.\n\n5. De beoordeling in hoger beroep\n\nDe vorderingen in hoger beroep\n\n5.1. UMCG c.s. vorderen dat het vonnis van de voorzieningenrechter wordt vernietigd en dat de vorderingen van Chipsoft alsnog worden afgewezen, onder veroordeling van Chipsoft in de kosten van de procedure in beide instanties. Zij hebben daartoe 11 bezwaren (grieven) tegen het vonnis geformuleerd.\n\n5.2. Treantvordert als gevoegde partij eveneens dat de vorderingen van Chipsoft alsnog worden afgewezen, ‘kosten rechtens’.\n\n5.3. Chipsoftheeft in hoger beroep haar vordering gewijzigd bij de memorie van antwoord tevens van grieven in incidenteel appel. Daarna heeft zij haar vordering andermaal gewijzigd. Op de mondelinge behandeling heeft het hof die laatste wijziging, als in strijd met de twee-conclusieregel, niet toegestaan. De eerste wijziging van eis, die op het juiste tijdstip is gedaan, is als zodanig wel toelaatbaar. UMCG c.s. hebben zich daartegen ook niet verzet.\n\n5.4. \n\nDie vordering komt, verkort weergegeven, neer op het volgende:\n\nonvoorwaardelijk\n\nDat het hof, onder instandlating van het dictum in het vonnis, oordeelt dat OZG kwalificeert als aanbestedende dienst, UMCG en OZG in strijd hebben gehandeld met artikel 4.17 van de Aw en het handelen van UMCG en OZG kwalificeert als onrechtmatige daad.\n\nIn geval een of meer grieven van UMCG c.s. zouden slagen\n\nUMCG c.s. op grond van artikel 22 Rv beveelt een aantal nader omschreven documenten in het geding te brengen, dan wel UMCG c.s. veroordeelt om op grond van artikel 194\u002F195 Rv kopieën van die documenten te verstrekken en een zitting te bepalen waarop de advocaten van partijen kunnen toelichten waarom bepaalde informatie al dan niet mag worden ingezien en dat het hof bepaalt welke passages dan zwart gelakt kunnen worden, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- per dag met een maximum van 2.500.000,-.\n\nAlles onder veroordeling van UMCG c.s. in de proceskosten van beide instanties.\n\nChipsoft heeft daartoe vijf grieven in incidenteel appel tegen het vonnis van de voorzieningenrechter voorgedragen.\n\nTreant wordt toegelaten als gevoegde partij5.5. Het hof stelt vast dat de afwijzing van de vorderingen van Chipsoft tegen Treant en\u002Fof haar bestuurder in deze procedure niet voorliggen. Chipsoft heeft tegen die beslissing afzonderlijk hoger beroep ingesteld. In dat hoger beroepwaren ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof nog geen memories genomen.\n\n5.6. Chipsoft heeft zich tegen de voeging van Treant aan de zijde van UMCG c.s. niet verzet. Het hof zal de vordering van Treant om zich te mogen voegen aan de zijde van UMCG c.s., als op de wet gegrond, toewijzen.\n\nThematische bespreking van de grieven5.7. Het hof zal hierna de grieven en vorderingen van partijen onderwerpsgewijs bespreken.\n\nHet spoedeisend belang5.8. In een kort geding moet het hof altijd beoordelen of de partij die de voorlopige voorziening vraagt nog een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorzieningen. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof. Het hof is van oordeel dat Chipsoft een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen die betrekking hebben op het geen uitvoering mogen geven aan de opdrachten genoemd in de beide Vooraankondigingen.\n\n5.9. Voor de subsidiaire vorderingen tot het verstrekken van informatie ligt dat anders. De voorzieningenrechter heeft die vorderingen afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Tegen dat oordeel heeft Chipsoft geen voldoende kenbare grief voorgedragen en ook niet voldoende toegelicht wat haar spoedeisend belang bij die vorderingen, die ook in de bodemprocedure zijn ingesteld, is. De beoordeling welke stukken UMCG c.s. in het geding moeten brengen in die bodemprocedure en in hoeverre het beroep van UMCG c.s. op geheimhouding\u002F vertrouwelijkheid opgaat, kan, in geval het hof tot een ander oordeel komt dan de voorzieningenrechter, ook beter in die procedure plaatsvinden. Chipsoft heeft niet toegelicht waarom het hof daar, op dan wel na een afzonderlijke zitting, in dit kort geding over zou moeten beslissen, voordat de rechtbank in de bodemprocedure daarover een beslissing heeft genomen.\n\nOZG is geen aanbestedende dienst5.10. Chipsoft heeft aangegeven dat de beslissing van de voorzieningenrechter dat Treant niet als aanbestedende dienst kan worden aangemerkt, ook in het later aanhangig gemaakte hoger beroep van Chipsoft tegen Treantniet zal worden aangevochten.\n\n5.11. UMCG c.s. hebben wel het oordeel van de voorzieningenrechter dat OZG in dit geval als aanbestedende dienst moet worden aangemerkt, aangevochten.\n\n5.12. \n\nHet begrip aanbestedende dienst is gedefinieerd in artikel 1 van de Aw, dat weer een uitwerking vormt van artikel 2 van de Europese richtlijn 2014\u002F24 EU.\n\nIn dit geval gaat het erom of OZG kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke instelling als in artikel 1.1 van de AW omschreven, namelijk:\n\nI. een instelling die specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard,\n\nII. die rechtspersoonlijkheid bezit en waarvan:\n\nIII.\n\nde activiteiten in hoofdzaak door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een andere publiekrechtelijke instelling worden gefinancierd,\n\nhet beheer is onderworpen aan toezicht door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een andere publiekrechtelijke instelling of\n\nde leden van het bestuur, het leidinggevend of toezichthoudend orgaan voor meer\n\ndan de helft door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een andere publiekrechtelijke instelling zijn aangewezen;\n\n5.13. Voor het OZG staat vast dat het rechtspersoonlijkheid heeft – waarmee aan de tweede (cumulatieve) voorwaarde is voldaan – en dat UMCG de bestuursleden en leden van de raad van toezicht benoemt, zodat daarmee voldaan is aan de derde (cumulatieve) voorwaarde, namelijk aan het onder III sub c geformuleerde derde alternatief. De vraag is nog of het OZG voldoet aan de eerste (cumulatieve) voorwaarde namelijk dat het OZG specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard.\n\n5.14. De vraag of een algemeen ziekenhuis als aanbestedende dienst kan worden aangemerkt, toegespitst op het criterium of het voorziet in behoeften van algemeen belang, anders dan van commerciële aard, is aan de orde geweest in de Amphia-zaak, waarin de voorganger van de hiervoor genoemde richtlijn 2014\u002F24 aan de orde was. Daarin heeft de Hoge Raadoverwogen dat bij de beoordeling of al dan niet sprake is van een andere behoefte van algemeen belang dan van industriële of commerciële aard, moet worden gelet op alle relevante elementen, rechtens en feitelijk, zoals de omstandigheden waaronder de betrokken instelling is opgericht en de voorwaarden waaronder zij werkzaam is. Daarbij moet worden bedacht dat het ontbreken van concurrentie geen noodzakelijk element is van de definitie van het begrip publiekrechtelijke instelling. Het bestaan van een sterke concurrentie kan weliswaar erop wijzen dat geen sprake is van een andere behoefte van algemeen belang dan van industriële of commerciële aard, maar wettigt op zichzelf niet deze conclusie. Aan die conclusie kan bijdragen dat de betrokken instelling, ook al heeft deze geen winstoogmerk, werkt op basis van criteria van rendement, doelmatigheid en rentabiliteit, alsmede dat zij zelf het economische risico van haar activiteiten draagt.\n\n5.15. \n\nIn de daarop gevolgde verwijzingszaakis geoordeeld dat Amphia niet aan de derde voorwaarde als hiervoor onder 5.12 omschreven voldeed en in volgende rechterlijke uitspraken over algemene ziekenhuizen is steeds aangenomen dat zij niet als aanbestedende diensten kwalificeerden omdat niet is voldaan aan een van de alternatieven van die derde voorwaarde, waarbij dan de vraag of voldaan is aan voorwaarde I in het midden kon blijven. Het hof is van oordeel dat, ook al wijst de statutaire doelstelling van het OZG op het voldoen aan de behoefte van algemeen belang van het bieden van gezondheidszorg in Oost-Groningen, de wijze waarop daaraan uitvoering moet worden gegeven niet afwijkt van die van alle andere algemene ziekenhuizen in Nederland, die moeten voldoen aan de tucht van de markt en moeten werken op basis van criteria van rendement, doelmatigheid en rentabiliteit. In het licht van de door de Hoge Raad in het Amphia-arrest betrokken uitspraken van het Europese hof is dit een aanwijzing dat het OZG als algemeen ziekenhuis voorziet in een algemene behoefte, maar van commerciële aard. OZG en UMCG hebben ter zitting van het hof toegelicht dat het OZG haar eigen verliezen moet dragen en dat die op geen enkele wijze worden gedragen of afgedekt door UMCG. UMCG heeft alleen bij de start van het OZG een commerciële lening aan OZG verstrekt die moeten worden afgelost.\n\nHet hof is daarom voorshands van oordeel dat het OZG niet voldoet aan de eerste cumulatieve voorwaarde voor het zijn van een aanbestedingsplichtige publiekrechtelijke instelling.\n\n5.16. Het hof deelt niet de opvatting van Chipsoft dat de omstandigheid dat OZG als een dochteronderneming van UMCG moet worden beschouwd, zij alleen al om die reden als aanbestedende dienst moet worden aangemerkt. Het hof verwijst naar de vaste jurisprudentie van het HvJ EU dat een onderneming niet reeds zelf als een aanbestedende dienst worden beschouwd omdat zij door een aanbestedende dienst is opgericht of omdat haar activiteiten worden gefinancierd met financiële middelen afkomstig uit de door een aanbestedende dienst verrichte activiteiten.Voor zover de aanbestedende dienst zonder de activiteiten van die dochteronderneming zijn eigen activiteit niet kan uitoefenen, en deze dochteronderneming zich bij het vervullen van behoeften van algemeen belang laat leiden door andere dan economische overwegingen, moet die dochteronderneming wel zelf als een publiekrechtelijke instelling worden aangemerkt.Daarvan is echter geen sprake. Het is niet zo dat het UMCG zonder OZG haar eigen activiteiten niet kan uitoefenen. Voor de gedachtegang van de voorzieningenrechter dat OZG zou zijn opgericht als vehikel voor het UMCG om onder haar eigen aanbestedingsplicht uit te komen, ontbreekt in het dossier en het verhandelde ter zitting elke aanwijzing.\n\n5.17. Het hof komt daarmee tot de conclusie dat OZG niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke instelling en bijgevolg evenmin als een aanbestedende dienst. De tegen het andersluidende oordeel van de voorzieningenrechter gerichte grieven van UMCG c.s. slagen in zoverre en de vordering van Chipsoft om uitdrukkelijk te bepalen dat OZG een aanbestedende dienst is kan niet worden toegewezen, nog daargelaten dat in kort geding geen verklaring voor recht kan worden afgegeven.\n\nHet beroep van UMCG op artikel 4.16 eerste lid Aw gaat niet op5.18. UMCG heeft betoogd dat Chipsoft niet binnen de in artikel 4.16 lid 1 onder c Aw genoemde termijn van 20 dagen na het plaatsen van Vooraankondiging 1 op Tendernet heeft geprotesteerd en daarom niet meer de inmiddels op 11 november 2025 gesloten overeenkomst met Epic kan aanvechten.\n\n5.19. \n\nArtikel 4.15 Aw bepaalt dat een overeenkomst die ten onrechte niet is aanbesteed, vernietigd kan worden. Artikel 4.16 Aw maakt daarop uitzondering, namelijk als de aanbestedende dienst, kort gezegd, een juiste vooraankondiging heeft geplaatst die betrekking heeft op een overeenkomst die de aanbestedende dienst wil aangaan waarvan zij meent dat gunning mogelijk is zonder aanbesteding.\n\nHet hof deelt op zich het standpunt van Chipsoft dat een dergelijke vooraankondiging moet voldoen aan de eisen van artikel 4.17 Aw en dat daarbij alleen gekeken mag worden naar de tekst van de vooraankondiging zelf en dat niet van belang is of een marktpartij over bijzondere kennis beschikt over de overeenkomst die de aanbestede dienst wil sluiten omdat die marktpartij deel heeft genomen aan een eerdere aanbesteding die de aanbestedende dienst heeft uitgeschreven. De vooraankondiging is immers bedoeld voor alle marktpartijen – ongeacht of die aan een eerdere aanbesteding hebben meegedaan – en die marktpartijen moeten uit de vooraankondiging kunnen afleiden of deze juist is en of het zinvol is om deze aankondiging aan te vechten.\n\n5.20. Het hof stelt vast dat de vooraankondiging en wat UMCG heeft meegedeeld over de inhoud van de op 11 november 2025 gesloten overeenkomst met Epic, niet op elkaar aansluiten. In de Vooraankondiging 1 is opgenomen dat de waarde van de met Epic te sluiten overeenkomst 1 euro bedraagt. Uit wat UMCG over de inhoud van de overeenkomst die op 11 november 2025 met Epic is gesloten heeft meegedeeld blijkt dat deze overeenkomst erin voorziet dat UMCG voor het verstrekken van de (sub)licenties aan Treant en OZG bedragen aan Epic moet betalen van vele miljoenen. Het is dan wel de bedoeling van UMCG dat deze bedragen door Treant en OZG aan UMCG vergoed worden – waarbij het verder de bedoeling is dat de overeenkomst van 11 november 2025 betreffende Treant nog gewijzigd wordt in die zin dat Treant een eigen licentie krijgt en daarvoor rechtstreeks aan Epic gaat betalen – maar dat neemt niet weg dat de mededeling in Vooraankondiging 1 niet overeenkomt met de op 11 november 2025 gesloten overeenkomst. Daarom verwerpt het hof het beroep van UMCG dat Chipsoft de overeenkomst van 11 november 2025 niet meer zou kunnen aanvechten en in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.\n\nHet gebruik mogen maken van het EPD van UMCG door Treant levert geen wezenlijke wijziging op5.21. Vervolgens moet het hof oordelen of het gebruik mogen maken van het EPD door Treant een wezenlijke wijziging oplevert van de opdracht die UMCG in 2015 heeft aanbesteed.\n\n5.22. Het hof beantwoordt die vraag in dit kort geding, anders dan de voorzieningenrechter, voorshands ontkennend. UMCG had in de aanbesteding uit 2015 een aantal wensen geformuleerd die zagen op regionale samenwerking en de mogelijkheid dat het EPD van UMCG ook in regionale ziekenhuizen zou worden uitgerold. Het hof heeft de wensen 77 en 87 waarin dit het meest pregnant is verwoord hiervoor onder 3.3 geciteerd, maar ook in de wensen 73 tot en met 75 komt deze vraag aan de orde. Epic heeft in die aanbesteding een product aangeboden waarbij zowel volledige integratie als strikte scheiding tussen meerdere instellingen kan worden gerealiseerd.\n\n5.23. Het hof oordeelt dat het gebruik maken van een optie waarom in de aanbesteding in 2015 is gevraagd, niet als een wezenlijke wijziging van de opdracht tot het realiseren van het EPD van UMCG kan worden aangemerkt. Het EPD van het UMCG zelf wijzigt daardoor niet. De programmatuur van dat EPD moet in zoverre worden aangepast dat, in de woorden van UMCG, een deurtje moet worden opengezet waardoor niet-aanbestedingsplichtige instellingen buiten het UMCG ook van de programmatuur van het EPD van UMCG gebruik kunnen maken. Het openzetten van die figuurlijke deur en de daarmee gemoeide kosten merkt het hof aan als een niet-wezenlijke wijziging in de zin van artikel 2.163g Aw. Het hof merkt daarbij op dat daarbij bepalend is dat Treant zelf geen aanbestedende dienst is en dat de kosten van de invoering van het Epic - EPD bij Treant geheel door Treant zullen worden gedragen en ook rechtstreeks bij Treant door Epic in rekening worden gebracht zoals UMCG en Treant ter zitting hebben meegedeeld. De omvang van de opdracht uit 2015 wijzigt niet doordat een niet-aanbestedingsplichtig ziekenhuis via een licentie gebruik kan maken van het EPD van UMCG. Als een aanbestedingsplichtige instelling, zoals een ander academisch ziekenhuis via een licentie aan zou willen sluiten op het EPD van het UCMG, dan zou dit niet langs deze weg kunnen worden gerealiseerd omdat in dat geval de ‘scope’ van de opdracht uit 2015 wel wijzigt.\n\n5.24. Van een aanzienlijke verruiming van het toepassingsgebied van de aanbesteding uit 2015 is naar het voorshandse oordeel van het hof ook sprake als de aansluiting van Treant op het EPD van UMCG financieel geheel via UMCG zou lopen, wat dus klaarblijkelijk de opzet was in het contract zoals dat op 11 september 2025 is gesloten. Een dergelijk vormgegeven contract kwalificeert dan ook niet als een ‘niet-wezenlijke wijziging’ als bedoeld in artikel 2.163g Aw van de oorspronkelijke aanbesteding uit 2015. Voor zover UMCG nog heeft betoogd dat de overeenkomst van 11 november 2025 in de oorspronkelijke vorm wel zou kwalificeren als passend binnen een herzieningsclausule als bedoeld in artikel 2:163c Aw, gaat dit betoog niet op. Van een herzieningsclausule ‘avant la lettre’ als in dat artikel bedoeld –-waarbij geldt dat de in dat artikel opgesomde eisen cumulatief gelden–is in de aanbesteding uit 2015 geen sprake geweest.\n\n5.25. Het hof oordeelt derhalve dat een overeenkomst waarin ten behoeve van Treant de optie wordt benut uit de aanbesteding uit 2015 dat een ander ziekenhuis kan aansluiten op het EPD van UMCG. geen wezenlijke wijziging inhoudt van die in 2015 aanbestede opdracht, op voorwaarde dat wordt overeengekomen dat Treant zelf alle kosten van het gebruik van het EPD van het UMCG – daaronder nadrukkelijk begrepen de kosten van de licentie van Epic – en de kosten van de invoering van een nieuw EPD op haar werkvloer draagt en dat de daarmee gepaard gaande vergoedingen die Treant moet betalen niet via UMCG lopen.\n\nDe positie van OZG5.26. Voor OZG geldt, als de overeenkomst op dezelfde wijze zou vorm krijgen als de overeenkomst met Treant wanneer die in de hiervoor bedoelde zin is aangepast, hetzelfde als het hof hiervoor over Treant heeft aangegeven.\n\n5.27. UMCG en OZG hebben de overeenkomst echter op andere wijze vormgegeven, namelijk door UMCG een sublicentie bij Epic aan te laten schaffen die door OZG kan worden gebruikt en waarvan UMCG de kosten doorbelast aan OZG. UMCG heeft ter zitting aangegeven dat deze optie goedkoper is voor OZG. Volgens UMCG komt dit door de (buitengewoon gecompliceerde) prijsstelling van Epic waarbij een sublicentie goedkoper is dan een licentie omdat bij een sublicentie de patiëntenaantallen van beide ziekenhuizen bij elkaar mogen worden opgeteld en bij hogere patiëntenaantallen de component voor het aantal patiënten die Epic meeneemt in haar prijsstelling lager uitvalt dan bij een zelfstandige licentie voor OZG.\n\n5.28. Het hof oordeelt dat het op die wijze vormgeven van de overeenkomst niet valt onder artikel 2:163g lid 1 Aw en daarmee wel onder lid 2. Het onderbrengen van een geheel tweede ziekenhuis onder hetzelfde contract betekent een aanzienlijke verruiming van de opdracht zoals die in 2015 is aanbesteed. Het OZG was ten tijde van die aanbesteding ook nog geen dochteronderneming van UMCG zodat ook het betoog dat in de aanbesteding in 2015 sprake was van de mogelijkheid van sublicenties aan gelieerde ondernemingen niet opgaat voor zover dat ziet op het OZG. Het hof volgt op dit punt het standpunt van Chipsoft dat de bepalingen in de aanbesteding 2015 over sublicenties, betrekking hebben op ondernemingen binnen danwel vanuit het UMCG zelf en niet op een compleet nieuw algemeen ziekenhuis waarvan UCMG de aandelen houdt.\n\n5.29. Dit betekent dat het contract van 11 november 2025 als omschreven door UCMG voor zover dat ziet op het verlenen van een sublicentie aan OZG, moet worden aangemerkt als een wezenlijke wijziging van de aanbesteding uit 2015.\n\n5.30. \n\nUMCG c.s. hebben zich bereid verklaard om, als het hof dat nodig vindt, het contract betreffende OZG op dezelfde wijze aan te passen als dat met Treant gaat gebeuren. In dit kort geding staat het hof voor de vraag of Chipsoft een voldoende spoedeisend belang heeft bij het afdwingen van een dergelijke contractsaanspassing.\n\nHet hof oordeelt van niet. Het achterliggende belang van Chipsoft is dat zij wil dat UMCG haar eigen EPD opnieuw aanbesteedt, inclusief de aansluitingen daarop van Treant en OZG. Het hof is van oordeel dat dit niet nodig is en dat aansluiting van regionale ziekenhuizen op het EPD van UMCG onder de aanbesteding van 2015 al mogelijk is. Het gevolg van aanpassing van het contract met Epic betreffende OZG in het verlenen van een zelfstandige licentie aan OZG heeft – uitgaande van de juistheid van de mededelingen daarover van UMCG c.s. – tot gevolg dat OZG meer moet betalen aan Epic, de grote concurrent van Chipsoft. Bij een dergelijke voorziening heeft Chipsoft geen belang, laat staan een spoedeisend belang.\n\nChipsoft heeft geen belang bij de opdracht genoemd in Vooraankondiging 25.31. Vooraankondiging 2 heeft betrekking op de implementatie van de overeenkomsten die voortvloeien uit Vooraankondiging I. Ook in dit geval is de mededeling waar het gaat om het bedrag waar de opdracht over gaat allesbehalve helder. Het genoemde bedrag van € 3.160.500 euro ligt ruim boven de aanbestedingsdrempel van € 225.000,- zodat de mededeling dat het bedrag gemoeid met die opdracht onder het drempelbedrag ligt, zonder toelichting niet begrijpelijk is. Tijdens de zitting bij het hof is door UMCG toegelicht dat de opdracht vooral ziet op de implementatie van het Epic- EPD bij Treant en OZG – het begeleiden van de medewerkers van beide ziekenhuizen in de overgang van Nexus naar Epic – en op de migratie van de bestaande patiëntendossiers uit de Nexus-omgeving naar Epic. Voor een klein deel ziet deze opdracht op de aanpassingen aan het EPD bij UMCG (het openzetten van “de deur’ in de programmatuur voor de beide andere ziekenhuizen). Alleen dat laatste moet UMCG betalen en het daarmee gemoeide bedrag blijft ruim blijft ruim onder de aanbestedingsdrempel, aldus UMCG.\n\n5.32. Al deze implementatiewerkzaamheden kunnen niet door Chipsoft gedaan worden omdat zij daarvoor nooit toestemming krijgt van Epic. Dat heeft Chipsoft ook erkend. Dit betekent dat zij geen zelfstandig belang heeft bij toetsing van Vooraankondiging 2 en een verbod tot het sluiten van een de overeenkomst van UMCG c.s. met Pragus. Alleen als geoordeeld zou worden dat de in Vooraankondiging 1 voorziene overeenkomst met Epic niet gesloten zou mogen worden, heeft Chipsoft belang bij het niet kunnen sluiten van de uitvoeringsovereenkomst met Pragus. In het voorgaande heeft het hof geoordeeld dat UMCG weliswaar niet de overeenkomst met Epic had mogen sluiten in de op 11 november 2025 overeengekomen vorm, maar dat de overeenkomst, in aangepaste vorm, wel toelaatbaar is. Daarmee heeft Chipsoft geen belang meer bij toetsing van Vooraankondiging 2. UMCG c.s. hebben er terecht op gewezen dat op grond van de wetsgeschiedenisalleen benadeelde partijen tegen een gunningsbeslissing op kunnen komen en dat is Chipsoft niet waar het de voorgenomen gunning aan Pragus is. Dit betekent dat het hof niet hoeft in te gaan op de vraag of er ook andere marktpartijen dan Pragus zijn die een dergelijke implementatieopdracht kunnen uitvoeren.\n\nHet incidenteel appel van Chipsoft slaagt niet5.33. \n\nChipsoft heeft in haar incidenteel appel betoogd dat OZG ook als aanbestedende dienst in de Vooraankondigingen 1 en 2 had moeten worden vermeld. Dat betoog gaat niet op, gelet op wat het hof hiervoor onder rov. 5.16 heeft overwogen.\n\nVervolgens stelt Chipsoft dat het handelen van UMCG c.s. moet worden aangemerkt als een onrechtmatige daad omdat sprake is van een omzeilingsconstructie van de Aanbestedingwet. Het hof heeft onder rov 5.16 al geoordeeld dat de oprichting van OZG niet als een omzeilingsconstructie kan worden aangemerkt. Het hof heeft ook al geoordeeld dat voor zover UMCG in strijd met de Aanbestedingswet heeft gehandeld, dat een onvoldoende grondslag oplevert voor de door Chipsoft gevraagde voorzieningen. Een verklaring voor recht dat het UMCG in strijd met de Aanbestedingswet en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, kan in kort geding niet worden gegeven.\n\nDe vorderingen die Chipsoft in het onvoorwaardelijke deel van haar incidenteel appel heeft ingesteld, zijn dan ook niet toewijsbaar.\n\n5.34. \n\nAangezien het principaal appel (gedeeltelijk) slaagt komt het hof ook toe aan de beoordeling van het voorwaardelijke deel van het incidentele appel van Chipsoft.\n\nWat de vorderingen tot het verstrekken van informatie door UMCG c.s. betreft, heeft het hof hiervoor onder 5.9 al geoordeeld dat het spoedeisend belang bij die vorderingen onvoldoende is gebleken. Die vorderingen kunnen, zoals ook de voorzieningenrechter al had geoordeeld, beter worden beoordeeld in de incidenten die Chipsoft heeft opgeworpen in de bodemprocedure. In die procedure kunnen ook de overeenkomst met Epic van 11 november 2025 en de daarin nog aan te brengen wijzigingen nader worden beoordeeld. Het hof is in het voorgaande ervan uitgegaan dat UMCG c.s. het hof daarover ter zitting juist hebben voorgelicht. Mocht blijken dat zij op die zitting een onjuist beeld hebben geschetst, dan kan dat in de bodemprocedure voor UMCG c.s. nadelige consequenties hebben.\n\nDe slotsom en de proceskosten5.35. Het principaal appel is deels terecht voorgedragen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en de vorderingen van Chipsoft alsnog afwijzen, behalve het gebod tot het intrekken van de onjuiste vooraankondigingen, waaraan UMCG inmiddels heeft voldaan. Ook de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van Chipsoft worden afgewezen. Aangezien UMCG onjuiste vooraankondigingen heeft gepubliceerd en haar stellingen in hoger beroep deels zijn verworpen, ziet het hof aanleiding om de proceskosten in eerste aanleg en in principaal appel te compenseren, in die zin dat beide partijen de eigen proceskosten moeten dragen. Dat geldt ook voor de kosten van Treant als tussenkomende partij, die door hetzelfde advocatenkantoor als UMCG c.s. wordt bijgestaan.\n\n5.36. In incidenteel appel merkt het hof Chipsoft aan als de in het ongelijk te stellen partij. Het hof zal haar in de daarop gevallen kosten veroordelen, te begroten op een bedrag aan salaris advocaat voor UMCG c.s. te berekenen op 2 punten maal factor 0,5 naar tarief II van het toepasselijke liquidatietarief, per saldo neerkomende op € 1290,-., nog te vermeerderen met de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. Die veroordeling kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland (Groningen) van 6 februari 2026, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en wijst de vorderingen van Chipsoft af, behoudens de veroordeling onder 5.2 van dat vonnis die wordt bekrachtigd;\n\n6.2. veroordeelt Chipsoft tot betaling van de proceskosten van UMCG c.s. in incidenteel hoger beroep, begroot op € 1.290,- aan salaris van de advocaat van UMCG c.s. en bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.3. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbankvoorzieningenrechter en het principaal hoger beroep bij het hof;\n\n6.4. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.M.A. Wind en A.A. van Rossum en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.\n\n bekend onder zaaknummer 200.365.627\u002F01v\n\n Zie vorige noot\n\n HR 1 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9872\n\n Gerechtshof Arnhem 18 november 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG4586\n\n HvJ EU 15 januari 1998, Mannesmann Anlagenbau Austria e.a., C44\u002F96, EU:C:1998:4, punt 39, onder meer herhaald in HvJ EU 5 oktober 2017, LitSpecMed, ECLI:EU:C:2017:736 rov 34.\n\n Zie het in de vorige noot aangehaalde arrest LitSpecMed rov 48\n\n MvT, Kamerstukken II 2015\u002F16 34329 3 pagina 94\n\n MvT, Kamerstukken Il 2008\u002F09, 32027 nr 3, pag. 8","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2351","2026-04-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:11.896Z",20,[11,83,84,85],2025,2024,2023]