[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-international-child-abduction-nl-2026":3},{"detail":4,"years":54},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":14,"page":14,"limit":53},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},61,"international-child-abduction-nl","International Child Abduction","NL","2026-07-08T16:54:05.585Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"346","ECLI:NL:RBDHA:2026:17375","ecli-nl-rbdha-2026-17375","",58,"2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank Den HAAG\n\nMeervoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-3228\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F702557\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Internationale kinderontvoering\n\nBeschikking in het kader van het op 1 april 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een voor de rechtbank bekend adres in Portugal,\n\nadvocaat: mr. R.H. Ebbeng te Veldhoven.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een voor de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.L. Weterings te Oegstgeest.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift van 1 april 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader.\n\nOp 14 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn\n\nverschenen:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk I. Harderman (telefonisch);\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\nHet betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. A. Emmens. De behandeling op de zitting is aangehouden.\n\nNa genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van\n\ncrossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum\n\nInternationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 30 april 2026\n\nheeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is\n\ngeslaagd. De vader handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek.\n\nBij beschikking van deze rechtbank van 1 mei 2026 is vervolgens drs. A. van Teijlingen benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .\n\nDe rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:\n\nhet verweerschrift van 7 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder;\n\nhet verslag van de bijzondere curator van 10 mei 2026.\n\nOp 13 mei 2026 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat en de tolk, in de Portugese taal, J.M. van der Boom;\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam] namens de Raad;\n\nA. van Teijlingen als bijzondere curator.\n\nDoor de advocaat van de vader zijn op de zitting pleitnotities overgelegd.\n\nFeiten\n\nDe vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , [geboorteland].\n\nDe moeder heeft een kind uit een eerdere relatie, [minderjarige 2] , van thans 8 jaar oud. De moeder heeft samen met de vader van [minderjarige 2] het gezag over haar.\n\nDe vader heeft [minderjarige 1] erkend.\n\nDe vader en de moeder oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] uit.\n\nOp 10 augustus 2025 heeft de moeder met [minderjarige 1] de woning van de ouders in Portugal verlaten en kort daarna is zij met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Nederland vertrokken.\n\nDe vader heeft de Portugese en Kaapverdische nationaliteit, de moeder en [minderjarige 1] hebben blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) de Nederlandse nationaliteit.\n\nDe vader heeft zich op 14 november 2025 gewend tot de Portugese Centrale Autoriteit.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe vader heeft verzocht:\n\n met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te bevelen, althans de terugkeer van [minderjarige 1] vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder [minderjarige 1] dient terug te brengen naar haar woonadres te [adres] , [plaats 1] , Portugal, dan wel – indien de moeder nalaat [minderjarige 1] terug te brengen – te bepalen op welke datum de moeder [minderjarige 1] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de [minderjarige 1] zelf mee terug kan nemen naar haar woonadres te [adres] , [plaats 1] , Portugal;\n\n de vader te machtigen, althans hem toestemming te verlenen om deze beschikking zo nodig ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie;\n\n de moeder te veroordelen in de nader te specificeren proceskosten aan de zijde van de vader gevallen ingevolge artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet en de kosten van deze procedure,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nRechtsmacht\n\nHet verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Portugal zijn partij bij het Verdrag.\n\nDe Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige 1] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.\n\nHet Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.\n\nOngeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag\n\nEr is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of\n\ngezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).\n\nGewone verblijfplaats en gezag\n\nTussen partijen is niet in geschil dat [minderjarige 1] onmiddellijk voor haar overbrenging naar Nederland haar gewone verblijfplaats in Portugal had, dat de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 1] zijn belast en dat zij dit gezag daadwerkelijk gezamenlijk uitoefenden op het tijdstip van de overbrenging, dan wel dat dit gezag gezamenlijk zou zijn uitgeoefend als de moeder niet met [minderjarige 1] naar Nederland zou zijn vertrokken. Evenmin is in geschil dat de vader geen toestemming heeft gegeven aan de moeder voor de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland.\n\nVoor zover de moeder heeft betoogd dat zij toestemming heeft van de Portugese autoriteiten voor de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland en om hier samen te blijven en dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] door een beslissing van de Portugese autoriteiten is gewijzigd van Portugal naar Nederland, gaat de rechtbank hier niet in mee. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\nDe moeder voert aan dat zij een beschikking heeft gekregen van de Portugese rechtbank waaruit blijkt dat zij vervangende toestemming heeft gekregen voor haar vertrek naar Nederland. Omdat in die beschikking ook is aangegeven “Aangezien zij momenteel op Nederlands grondgebied woont, moet aldaar over de regeling voor de ouderlijke macht worden beslist” is de moeder van mening dat haar verblijf in Nederland rechtmatig is en dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] bij dit rechterlijk besluit is gewijzigd naar Nederland.\n\nDe moeder heeft genoemde beschikking met Nederlandse vertaling overgelegd als productie 7. Dit document heeft als titel ‘Departamento de Investigagào e Agào Penal Regional de Lisboa’, als ondertitel ‘administratieve procedure’ en is op 24 september 2025 ondertekend door de officier van justitie. Het is aan de moeder verstrekt door een justitieel medewerker bij brief van 20 januari 2026.\n\nNu deze beschikking dateert van ná het vertrek van de moeder met [minderjarige 1] naar Nederland, is dus in ieder geval geen sprake van voorafgaande toestemming van de Portugese autoriteiten die de toestemming van de vader kon vervangen. Echter, ook als de beschikking moet worden beschouwd als een bekrachtiging van reeds in Portugal door de autoriteiten mondeling gegeven toestemming om met [minderjarige 1] naar Nederland te vertrekken, kan deze niet de toestemming van de vader vervangen. Evenmin kan de beschikking worden beschouwd als een wijziging van de hoofdverblijfplaats. De rechtbank legt dat als volgt uit.\n\nDe overwegingen van de beschikking luiden als volgt:\n\nZoals blijkt uit het raadplegen van het onderzoek, alsmede uit de voorgaande berichten, bevindt de moeder zich momenteel met de minderjarige in Nederland.\n\nNadat hiernaar onderzoek is gedaan, heb ik niet kunnen vaststellen dat er een civiele voogdijprocedure loopt in naam van de minderjarige of de vader;\n\n*\n\nGezien de inhoud van de voorgaande eisen, wordt er geen onrechtmatigheid gezien in het gedrag van de moeder door naar Nederland te reizen met de minderjarige, omdat er geen enkele voorziening nodig is.\n\nWelnu, uit deze stukken alsmede uit het raadplegen van onderzoek [nummer], blijkt dat:1. De moeder haar adres heeft doorgegeven, ofwel in de processtukken, ofwel aan de gedaagde;2. Voordat zij deze reis heeft gemaakt, verbleef zij in een Blijf-van-mijn-lijf huis vanwege vermeend huiselijk geweld, een procedure die loopt onder Onderzoek [nummer];3. Zij is teruggegaan naar haar land van herkomst waar zij familieleden heeft die haar kunnen helpen, en die zij niet heeft in dit land, vooral in een heel instabiele en angstige periode, omdat zij bang was slachtoffer te worden van psychische en fysieke agressie;4. en haar vader zat in zijn terminale fase en is uiteindelijk ook overleden;\n\nDeze feiten leiden ertoe dat er begrip voor is dat zij dit nationale grondgebied heeft verlaten uit noodzaak, die van haar en die van haar dochter die zij samen met haar agressor heeft, omdat de dochter als getuige van deze agressie tevens slachtoffer is.\n\nDerhalve wordt het als rechtmatig beschouwd dat zij de minderjarige heeft meegenomen en wordt haar gedrag op geen enkele wijze als onrechtmatig beschouwd.\n\nAangezien zij momenteel op Nederlands grondgebied woont, moet aldaar over de regeling voor de ouderlijke macht worden beslist;\n\nDe moeder moet worden geïnformeerd over dit deel van de beschikking;\n\n*\n\nEr moet 60 dagen gewacht worden voordat het onderzoek wordt voortgezet\n\nUit de overgelegde stukken en de verklaringen van de moeder op zitting, leidt de rechtbank af dat de beschikking moet worden gelezen in samenhang met de (ongedateerde) e-mails die de moeder als productie 9 heeft overgelegd en die kennelijk eind augustus 2025 zijn verzonden. In één van de twee overgelegde e-mailberichten, schrijft de moeder het volgende:\n\nMijn jongste dochter, [minderjarige 1] , en ik bevinden ons momenteel in Nederland. Wij hebben op 20-08-2025 aangifte gedaan bij het politiebureau van [plaats 2] en de rechtbank (zie bijlage). Wij kwamen negen dagen geleden aan in Nederland nadat wij in een noodopvang voor slachtoffers van huiselijk geweld hadden verbleven. Ik, [de moeder] , kom uit Nederland en heb in Portugal geen familie of sociaal vangnet.\n\nNu is mijn opa van moederskant overleden op zondag [datum 1] 2025 en de uitvaart was op\n\nzaterdag [datum 2] 2025. In de week voorafgaand aan de uitvaart heb ik gesproken met een\n\nadvocaat via CRIAR-T (de hulpverleningsdienst voor slachtoffers) om te vragen of ik,\n\naangezien de zaak nog aanhangig is, naar mijn geboorteland mocht reizen voor de uitvaart en daar mocht verblijven tot aan de rechtszaak. Er werd mij verteld dat dit geen probleem was, zolang ik de autoriteiten (politie en rechtbank) zou informeren waar ik tijdelijk zou verblijven, zodat de gerechtelijke mededelingen verzonden konden worden.\n\nHet adres waar wij momenteel verblijven, het huis van mijn moeder, is: (…)\n\nNaar ik heb begrepen, heb ik een verklaring van het Openbaar Ministerie nodig om mijn\n\nverblijf in Nederland tot aan de rechtszaak toe te staan. Wij zijn momenteel betrokken bij een zaak van huiselijk geweld. Kunt u deze informatie bevestigen en, indien dit het geval is, een schriftelijke verklaring hiervoor verstrekken? Tevens verzoek ik om de start van de regeling van de ouderlijke verantwoordelijkheid.\n\nDe beschikking is afgegeven door de officier van justitie die leiding geeft aan strafzaken. Als de beschikking wordt gelezen in samenhang met genoemd e-mailbericht, blijkt dat het gaat om een rechtmatigheidsoordeel over een tijdelijk verblijf van [minderjarige 1] in Nederland. De rechtbank begrijpt de beschikking als een beslissing in een strafrechtelijk kader waarbij de moeder hangende een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de aangifte van de moeder tegen de vader, samen met [minderjarige 1] Portugal mocht verlaten. De beschikking heeft daarmee niet het karakter van een gezagsbeslissing die in Nederland op grond van artikel 30 Brussel II-ter voor erkenning in aanmerking komt. Daarbij betrekt de rechtbank dat niet is gebleken dat aan de beslissing van de officier van justitie een behoorlijk onderzoek of een behoorlijke rechtspleging vooraf is gegaan. De vader is niet in de procedure betrokken en evenmin is sprake van een maatregel als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub b Brussel II-ter. De rechtbank gaat daarom aan deze beschikking voorbij. Aan de beschikking kan daarom geen vervangende toestemming aan de moeder worden ontleend om met [minderjarige 1] in Nederland te blijven en evenmin kan op basis van deze beschikking worden aangenomen dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] is gewijzigd. De rechtbank stelt daarom vast dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] nog steeds Portugal is.\n\nNu de vader noch de Portugese autoriteiten toestemming hebben gegeven voor de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland en de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Portugees recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.\n\nOnmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag\n\nIngevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.\n\nNu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [minderjarige 1] naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [minderjarige 1] in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden.\n\nDe moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 20 van het Verdrag.\n\nWeigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag\n\nOp grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.\n\nDe moeder stelt dat bij een terugkeer naar Portugal er ernstig risico bestaat dat [minderjarige 1] wordt blootgesteld aan lichamelijk en geestelijk gevaar of daardoor op een andere manier in een ondragelijke toestand komt. Er was volgens de moeder sprake van huiselijk geweld, zowel psychisch als fysiek. De vader kwam ook regelmatig onder invloed van alcohol thuis. De moeder was vaak het slachtoffer van het geweld, maar geeft aan dat de vader ook wel eens zijn boosheid op [minderjarige 1] heeft gericht. [minderjarige 1] is in ieder geval meerdere malen getuige geweest van het huiselijk geweld jegens de moeder. Na een incident op 10 augustus 2025 heeft de moeder aangifte gedaan van huiselijk geweld waarna zij vervolgens noodgedwongen tien dagen in een safe house in Portugal heeft verbleven. De moeder stelt ook dat zij de primaire verzorger is van [minderjarige 1] en dat [minderjarige 1] bij een terugkeer naar Portugal van haar primaire verzorger en van haar halfzus [minderjarige 2] (met wie zij als sinds de geboorte in familieverband samen woont) zal worden gescheiden. De moeder kan namelijk niet terugkeren naar Portugal. Zij kan niet samen met de vader wonen in hun gezamenlijke woning en heeft inmiddels geen werk meer in Portugal, waardoor zij ook geen andere woning kan krijgen. De vader weigert de woning van partijen te verlaten. De moeder heeft in Portugal geen familie of vrienden waar zij met haar twee kinderen kan verblijven. In Nederland heeft zij inmiddels alles geregeld qua medische zaken en opvang, en een eigen inkomen en woning. Er loopt nog een strafrechtelijk onderzoek in Portugal waardoor de kans bestaat dat de vader wordt vervolgd en veroordeeld in Portugal. Het is bovendien voor de andere dochter van de moeder ook niet meer veilig om terug te keren gelet op het incident dat zich in Nederland met de vader van die dochter heeft voorgedaan. Veilig Thuis is toen betrokken geraakt bij het gezin en de moeder en de kinderen krijgen nu ondersteuning van Veilig Thuis en Stichting Moviera voor het verwerken van hun trauma’s. Dat betekent dat als de terugkeer van [minderjarige 1] wordt gelast, zij in een ondragelijke toestand wordt gebracht.\n\nDe vader betwist dat [minderjarige 1] bij terugkeer naar Portugal wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. De vader weerspreekt dat er sprake was van overmatig alcoholgebruik en stelt dat er sprake was van een gelijk verdeelde zorg voor [minderjarige 1] . De vader heeft ook ouderschapsverlof opgenomen om samen met de moeder voor [minderjarige 1] te kunnen zorgen. Ook nadien verrichtte de vader verschillende zorgtaken. Hij bracht beide kinderen, dus niet alleen [minderjarige 1] maar ook [minderjarige 2] , bijvoorbeeld naar school en hij gaf vrijwillig capoeira les op de crèche van [minderjarige 1] . De vader erkent dat er een incident heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2025, maar heeft hier een andere visie op dan de moeder. De moeder heeft aangifte gedaan tegen de vader, maar de vader heeft ook aangifte gedaan tegen de moeder. De vader is in het kader van het strafrechtelijk onderzoek nog niet door de politie verhoord en het onderzoek loopt nog. Veilig Thuis is betrokken geraakt naar aanleiding van een incident met de vader van de andere dochter van de moeder. Vader en [minderjarige 1] hebben een goede band en de vader wijst erop dat de Raad heeft bevestigd dat [minderjarige 1] tijdens de begeleide contacten in Nederland goed op de vader reageerde en dat de vader goed aansluit bij [minderjarige 1] . Ook is niet gebleken dat de vader [minderjarige 1] fysiek iets heeft aangedaan of dat [minderjarige 1] een trauma heeft opgelopen als gevolg van het handelen van de vader. Als de moeder niet met [minderjarige 1] mee kan terugkeren naar Portugal, kan hij voor haar zorgen. De vader heeft met zijn werkgever overlegd en kan van ploegendienst naar een normale dienst, zodat hij [minderjarige 1] kan brengen en halen van de crèche en voor haar kan zorgen.\n\nDe bijzondere curator heeft aangegeven dat zij in het gesprek met [minderjarige 1] een heel leuk en enthousiast kind heeft gezien dat ook enthousiast heeft gereageerd op de foto’s van beide ouders.\n\nDe Raad zag geen risico’s voor onbegeleide omgang, maar heeft op het verzoek van de moeder twee keer de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] begeleid. De Raad heeft geen zorgen over de interactie tussen de vader en [minderjarige 1] . [minderjarige 1] was heel blij om de vader te zien. Er was een liefdevolle interactie tussen de vader en [minderjarige 1] .\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het doel en de strekking van het Verdrag met zich brengen dat de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd en dat een beroep daarop slechts in extreme situaties kan worden gehonoreerd.\n\nAls uitgangspunt geldt daarom dat terugkeer in het belang van [minderjarige 1] is en dat terugkeer alleen in bijzondere omstandigheden geweigerd wordt. Dit houdt in dat de rechter van de aangezochte staat de in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag gestelde strenge voorwaarden niet reeds vervuld mag achten, enkel op grond van het oordeel dat het belang van [minderjarige 1] in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter. De belangenafweging bij de vraag waar [minderjarige 1] haar uiteindelijke hoofdverblijf dient te hebben, moet plaatsvinden in een bodemprocedure en past niet in deze procedure, waarin slechts een ordemaatregel wordt getroffen. Ook kan de dreigende scheiding van een kind van een van de ouders slechts onder stringente voorwaarden de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is van een ernstig risico dat een kind wordt blootgesteld aan het gevaar als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.\n\nDe rechtbank oordeelt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat er een ernstig risico bestaat dat [minderjarige 1] door haar terugkeer naar Portugal zal worden blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar, of dat [minderjarige 1] op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand zal worden gebracht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de moeder haar stelling dat zij niet veilig terug kan keren naar Portugal omdat sprake is geweest van huiselijk geweld, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door de moeder overgelegde aangifte volledig is gebaseerd op de eigen verklaring van de moeder. De vader heeft het relaas van de moeder betwist. Beide ouders hebben op de zitting verklaard dat het onderzoek in de strafrechtelijke procedure in Portugal nog loopt, waardoor niet is komen vast te staan wat er daadwerkelijk gebeurd is op 10 augustus 2025. De rechtbank overweegt voorts dat in (aanvullingen op) het proces-verbaal is opgenomen dat er getuigen zijn van het incident en dat de moeder heeft verklaard dat de vader haar schriftelijk heeft bedreigd, maar dat de moeder geen verklaringen van deze getuigen, noch afschriften van de bedreigende berichten van de vader heeft overgelegd. Daarnaast heeft de moeder geen stukken overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat al voor 10 augustus 2025 sprake is geweest van psychisch of fysiek huiselijk geweld.\n\nDat er van de vader van [minderjarige 2] een zodanige dreiging uitgaat dat de moeder en [minderjarige 2] niet veilig kunnen terugkeren naar Portugal, is evenmin onderbouwd. De gestelde problemen met de vader van [minderjarige 2] zijn door de moeder uitsluitend onderbouwd met een verslag van Veilig Thuis, maar ook deze melding bevat enkel een weergave van het relaas van de moeder. Andere stukken waaruit bedreigingen door de vader van [minderjarige 2] zouden kunnen blijken, zijn niet overgelegd.\n\nTen overvloede wijst de rechtbank erop dat in Portugal hulpverlening en\u002Fof bescherming voor de moeder, [minderjarige 2] en [minderjarige 1] beschikbaar is. Zij zijn eerder goed opgevangen door de Portugese autoriteiten (eerst in een hotel en daarna in een safe house met beveiliging). De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de Portugese autoriteiten [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de moeder na terugkeer geen adequate bescherming zouden kunnen of willen bieden.\n\nDe Raad heeft bovendien op de zitting aangegeven dat zij een zorgmelding kan doen bij de Portugese Centrale autoriteit zodat de eventueel noodzakelijke hulpverlening voor de moeder en de kinderen in Portugal makkelijker kan worden geregeld.\n\nDat [minderjarige 1] bij terugkeer naar Portugal in een ondragelijke toestand zou worden gebracht, omdat zij dan gescheiden zou worden van haar moeder en halfzus, volgt de rechtbank evenmin. De rechtbank neemt daarbij allereerst in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat de moeder bij terugkeer naar Portugal niet in staat zou zijn om een baan en een woning te vinden. Aan de door de moeder gestelde praktische bezwaren bij de terugkeer, gaat de rechtbank daarom voorbij.\n\nTot slot stelt de rechtbank vast dat gesteld noch gebleken is dat de vader van [minderjarige 2] zich zal verzetten tegen een terugkeer van [minderjarige 2] met haar moeder naar Portugal. De vader van [minderjarige 2] heeft zijn gewone verblijfplaats immers net als de vader in Portugal.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag faalt.\n\nWeigeringsgrond ex artikel 20 van het Verdrag\n\nDe moeder heeft ook een beroep gedaan op artikel 20 van het Verdrag. Op grond van artikel 20 van het Verdrag kan de terugkeer van het kind overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van het Verdrag worden geweigerd wanneer deze op grond van de fundamentele beginselen van de aangezochte Staat betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet zou zijn toegestaan. Deze bepaling moet worden gezien in samenhang met het Verdrag van Istanbul dat staten verplicht om geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te voorkomen, slachtoffers te beschermen en daders te vervolgen.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat artikel 20 van het Verdrag ziet op uitzonderlijke gevallen waarin wordt aangetoond dat het kind in de staat van herkomst tekort dreigt te worden gedaan in de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een dergelijke weigeringsgrond. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van het huiselijk geweld en de beschikbare adequate voorzieningen in Portugal.\n\nConclusie\n\nNu geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid b en artikel 20 van het Verdrag en ook niet is gebleken dat er sprake is van een van de overige in het Verdrag genoemde weigeringsgronden – de moeder heeft hierop ook geen beroep gedaan –, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van [minderjarige 1] en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 1] te volgen.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\nOp grond van artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [minderjarige 1] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk maandag 15 juni 2026, zijnde de derde werkdag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.\n\nWijze van terugkeer\n\nDe vader verzoekt specifiek de teruggeleiding van [minderjarige 1] te gelasten naar het woonadres van de voormalig gezamenlijk woning van de ouders in Portugal.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. In artikel 12 van het Verdrag is niet opgenomen naar welke plaats het kind dient te worden teruggeleid. De strekking van het Verdrag (en de Uitvoeringswet) is dat het kind wordt teruggeleid naar het land van herkomst zodat daar zo nodig verdere beslissingen over de verblijfplaats van het kind kunnen worden genomen. Het is niet de bedoeling van het Verdrag dat in een teruggeleidingsprocedure wordt beslist over het hoofdverblijf van het kind. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om teruggeleiding van [minderjarige 1] naar de gezamenlijke woning in Portugal te gelasten. De rechtbank zal de teruggeleiding van [minderjarige 1] naar Portugal gelasten.\n\nSterke arm\n\nDe vader verzoekt terugkeer van [minderjarige 1] zo nodig met behulp van de sterke arm te gelasten. O grond van artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet juncto artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de vader zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.\n\nKosten\n\nDe vader verzoekt te bepalen dat de moeder wordt veroordeeld in de nader te specificeren kosten aan de zijde van de vader gevallen op grond van artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet en de kosten van deze procedure.\n\nDe rechtbank overweegt dat op grond van artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet de moeder, zo nodig, kan worden veroordeeld tot betaling van de door de vader gemaakte noodzakelijke kosten in verband met de achterhouding en teruggeleiding van [minderjarige 1] . De vader heeft de door hem gemaakte kosten niet nader gespecificeerd zodat het verzoek van vader op dit punt zal worden afgewezen.\n\nWat betreft de kosten van de procedure is uitgangspunt dat deze worden gecompenseerd. De rechtbank kan daar van afwijken als de ernst van de ontvoering daar aanleiding toe geeft. Daarvan is geen sprake zodat de rechtbank de proceskosten zal compenseren.\n\nBijzondere curator\n\nDe rechtbank merkt op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld, beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\ngelast de terugkeer van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , [geboorteland] naar Portugal uiterlijk op maandag 15 juni 2026, waarbij de moeder [minderjarige 1] dient terug te brengen naar Portugal en beveelt, indien de moeder nalaat [minderjarige 1] terug te brengen naar Portugal, dat de moeder [minderjarige 1] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 15 juni 2026, opdat de vader [minderjarige 1] zelf mee terug kan nemen naar Portugal;\n\n*\n\ncompenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten betaalt;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte;\n\n*\n\nbeschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 27 juni 2026 als beëindigd.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. C.L. Strop, A.M. Brakel en R.S. Matthijssen, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 mei 2026.\n\nVan deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17375","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:25.420Z",20,[11]]