[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-kidnapping-nl-2026":3},{"detail":4,"years":142},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":37,"page":14,"limit":141},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},113,"kidnapping-nl","Kidnapping","NL","2026-07-08T16:56:56.685Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,29,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":19},6,{"month":27,"count":28},7,8,{"month":28,"count":15},{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,59,66,75,85,92,99,107,117,124,131],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"529","ECLI:NL:RBMNE:2026:4063","ecli-nl-rbmne-2026-4063","",63,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16-317678-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1998] in [geboorteplaats] ,\n\nadres [adres] , [woonplaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\n- de verdachte;\n\n- de officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;\n\n- de advocaat van de verdachte: mr. L.J.B.G. van Kleef (hierna: de advocaat);\n\n- de benadeelde partij: [slachtoffer] ;\n\n- de advocaat van de benadeelde partij: mr. M.C. van Megen.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:\n\nprimair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;\n\nsubsidiair\n\nhierbij opzettelijk behulpzaam is geweest door [slachtoffer] naar de woning te lokken, ervoor te zorgen dat [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en tijdens voornoemde situatie in het huis aanwezig te blijven en niet in te grijpen.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de primaire beschuldiging heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken, omdat geen geweldshandelingen kunnen worden bewezen die de verdachte tot medepleger of medeplichtige kunnen bestempelen.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nBewijsmiddelen ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit\n\nDe rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nOp 4 oktober 2024 is het slachtoffer naar het adres [adres] in [woonplaats] (de woning van de ouders van de verdachte) gegaan met het idee te hebben afgesproken met een meisje, namelijk getuige [getuige] (de zus van de verdachte). Het slachtoffer had berichten ontvangen van het Instragramaccount van [getuige] , waarin zij hem uitnodigde bij haar thuis te komen. Toen het slachtoffer vervolgens op genoemd adres aankwam, is hij door meerdere personen de woning in aangevallen, vastgebonden en mishandeld. Het slachtoffer heeft fysiek letsel overgehouden aan het incident. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij is aangevallen door twee mannen, de vader en de broer (de rechtbank begrijpt: de zwager) van [getuige] . Een vrouw, vermoedelijk de zus van [getuige] , heeft hem vastgebonden. [getuige] heeft verklaard dat zij de uitnodigende berichten niet naar het slachtoffer heeft gestuurd.\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe rechtbank vindt de verklaringen van de aangever betrouwbaar. De aangever heeft een verklaring afgelegd bij de politie en deze op een later moment aangevuld. De verklaringen zijn uitgebreid, gedetailleerd en op grote lijnen consistent. Daarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde geweldshandelingen en het vastbinden van de aangever.\n\nAlternatief scenario verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit en voert daartoe aan dat er geen handeling kan worden bewezen die de verdachte tot medepleger of medeplichtige van de wederrechtelijke vrijheidsberoving kan bestempelen. De advocaat betoogt dat de verdachte gedurende het incident op een andere verdieping in het huis was en geen uitvoeringshandelingen heeft kunnen plegen.\n\nDe rechtbank ziet dit anders. Uit de eerste verklaring van de aangever bij de politie volgt dat hij in de woning twee mannen zag en een vrouw van ongeveer vijftig jaar met een baby op haar arm. De aangever noemt haar ‘moeder’. In zijn aanvullende verklaring verklaart de aangever dat hij werd vastgebonden door de zus van [getuige] , de verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] verklaart dat hij op de begane grond de volgende personen aantrof: de aangever, de verdachte [verdachte] , de medeverdachte [medeverdachte 1] en de medeverdachte [medeverdachte 2] . Op de eerste verdieping trof hij [A] (toen 45 jaar oud) aan, de moeder van de verdachte, met een kind op haar arm. De rechtbank concludeert dat zij de vrouw is die aangever ‘moeder’ noemt, die hij eerder op de begane grond had gezien.\n\nDe rechtbank concludeert dat de moeder van de verdachte gedurende het incident het kind heeft vastgehouden. De verdachte had dan ook alle gelegenheid om bij te dragen aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, door de aangever vast te binden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de aanvullende verklaring van de aangever op dit punt niet te geloven. Er is geen reden om aan te nemen dat de verdachte de hele tijd op een andere verdieping is geweest. De politie trof haar nota bene op de begane grond aan. De rechtbank vindt het alternatieve scenario van de verdediging niet aannemelijk.\n\nDe verdediging heeft verder aangevoerd dat de zaak vanaf het begin ten onrechte een lading heeft gekregen van eerwraak. Het zou volgens de verdediging zo kunnen zijn dat [getuige] de situatie bewust heeft laten escaleren. Zij zou eerder melding hebben gedaan tegen haar familie van huiselijk geweld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachten niet wisten wie de aangever was en wat hij bij hen in huis kwam doen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. De rechtbank ziet voor dit scenario onvoldoende aanknopingspunten in het dossier en verwijst specifiek naar de verklaring van de aangever waar hij stelt dat hij een bericht van [getuige] heeft ontvangen waarin staat dat hij niet moest reageren op uitnodigingen om naar haar huis te komen, omdat haar vader en zwager hem daarheen wilden lokken. Daarnaast volgt uit het bewijs dat de verdachten wisten dat de aangever een jongen was met wie [getuige] contact had. Zo blijkt uit de verklaring van de overbuurman dat medeverdachte [medeverdachte 2] zei dat er een jongen in zijn huis was die met zijn jongste dochter appte. Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] volgt dat zijn schoonzoon naar de aangever riep dat hij hem herkende van een filmpje. Ook heeft de overbuurman verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] precies wist waar de auto van de aangever geparkeerd stond. Dit is onmogelijk als waar is dat de verdachten in de woning werden verrast door de aanwezigheid van de aangever. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het aangevoerde alternatieve scenario ongeloofwaardig.\n\nWederrechtelijke vrijheidsberoving\n\nDe verdachte en de medeverdachten hebben de aangever wederrechtelijk van de vrijheid beroofd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever, nadat hij naar de woning aan de [adres] is gelokt, in de betreffende woning enige tijd van zijn vrijheid beroofd is geweest.\n\nVerdachte en haar mededaders hebben in de woning geweld tegen de aangever gebruikt, hij is vastgebonden en er is op meerdere momenten dreigend tegen hem gesproken. Doordat aangever op geen enkel moment alleen is gelaten kon hij de woning niet zelf verlaten.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte bij deze vrijheidsberoving de rol van medepleger had. Medeplegen kan worden bewezen als bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De (materiële en\u002Fof intellectuele) bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet daarbij van voldoende gewicht zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachten nauw en bewust hebben samengewerkt. De bijdrage van de verdachte aan de vrijheidsberoving, namelijk het vastbinden van de aangever, is van zodanig gewicht dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte en de medeverdachten hebben immers samen handelingen verricht om de aangever van zijn vrijheid te beroven en beroofd te houden. De aangever is naar de woning gelokt en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben meerdere geweldshandelingen tegen hem verricht. Hij werd meermaals geslagen, getrapt en er werden dreigende woorden tegen hem geuit, terwijl de verdachte hem heeft vastgebonden. Hierdoor was de aangever niet in staat zich vrij te bewegen en uit de woning weg te gaan.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt de primaire beschuldiging bewezen. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving.\n\nDe verdediging heeft verzocht om [getuige] te horen als getuige in het geval de rechtbank zou aannemen dat de verdachte degene is geweest die de berichten aan de aangever had verstuurd met de uitnodiging naar het huis te komen. De rechtbank is niet tot die vaststelling gekomen, zodat de voorwaarde van het verzoek niet is vervuld. Er is dus geen verzoek gedaan waarop de rechtbank een beslissing moet nemen.\n\n3.4.. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nprimair:\n\nop 4 oktober 2024 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij zijn\" en \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te zeggen,\n\n- meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- de handen en voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden en\n\n- steeds in dezelfde ruimtevan die [slachtoffer] te verkeren, en gedurende enige tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en zich niet uit de woning kon verwijderen.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nprimair:medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur, met 100 dagen vervangende hechtenis.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Een eventuele gevangenisstraf voegt volgens de verdediging niets toe aan de doelen van het strafrecht. De rechtbank zou kunnen volstaan met een alternatieve sanctie of met een voorwaardelijke straf.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachten het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Zij hebben hem door geweld tegen hem te gebruiken en hem vast te binden tegen zijn wil in de woning vastgehouden. Voor het slachtoffer, een jongeman van net 18 jaar die dacht dat hij in de woning een afspraak met een hem bekend meisje zou hebben, is dit een enorm angstige ervaring geweest. Dit blijkt ook wel uit de slachtofferverklaring en de toelichting op het schadevergoedingsverzoek dat het slachtoffer heeft ingediend.\n\nMet hun handelen hebben de verdachte en haar medeverdachten fors inbreuk gemaakt op de vrijheid van het slachtoffer. De verdachte en haar medeverdachten zijn volledig voorbijgegaan aan de gevolgen voor het slachtoffer, die hij tot de dag van vandaag ervaart. Hoewel het slachtoffer van het lichamelijk letsel is hersteld, ondervindt hij nog dagelijks de psychische gevolgen van wat hem is overkomen. Het slachtoffer was volop bezig om zijn toekomst op te bouwen, maar heeft door het handelen van verdachte en haar medeverdachten dit toekomstbeeld moeten bijstellen. De rechtbank neemt de verdachte kwalijk dat zij bijzonder weinig verantwoordelijkheid neemt voor wat zij het slachtoffer heeft aangedaan.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 10 november 2025 met betrekking tot de verdachte. De reclassering concludeert dat de risico’s op recidive en letsel niet kunnen worden ingeschat, omdat niet duidelijk is geworden wat ten grondslag heeft gelegen aan het gedrag van de verdachte. Het risico op het onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij zien geen zwaarwegende contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf, taakstraf of financiële sanctie. Concrete signalen die wijzen op de noodzaak van een contact- en\u002Fof locatieverbod ziet de reclassering niet.\n\nStrafkader\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen variëren van taakstraffen tot gevangenisstraffen van korte en langere duur, en zijn voor een groot deel afhankelijk van de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de taakstraf die de officier van justitie eist onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het feit. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet enkel kan worden volstaan met een taakstraf maar ziet ook aanleiding, gelet op de ernst van het feit, om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen. Daarom en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte legt de rechtbank aan de verdachte op:\n\neen taakstraf van 200 uur en\n\neen voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.\n\nDeze straf is lager dan de straffen die de rechtbank aan de medeverdachten oplegt, omdat de rol van de verdachte beperkter is.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank ziet niet langer aanleiding de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Om die reden zal het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.708,41 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd is en geheel kan worden toegewezen.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijzen van aankoop van de kledingstukken bij de vordering zijn gevoegd. De verdediging stelt zich om die reden op het standpunt dat niet kan worden nagegaan of het daadwerkelijk merkkleding betreft of dat sprake is van namaak. Daarnaast brengt de verdediging naar voren dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn telefoon heeft teruggekregen. De verdediging vindt het argument dat dit lang duurde, waardoor het slachtoffer een nieuwe telefoon moest kopen, niet houdbaar. De verdediging wijst erop dat er geen bewijs van aankoop van de airpods bij de vordering is gevoegd.\n\nVoor het overige heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank wijst € 3.195,85 aan materiële schade toe voor de weggenomen airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten. De verdediging heeft het wegnemen van de airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten niet betwist. Ten aanzien van de kleding geeft de opmerking van de advocaat over de mogelijkheid dat het gaat om namaakkleding onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De verdediging heeft de feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist.\n\nDe kosten voor een nieuwe telefoon komen niet voor vergoeding in aanmerking. De aangever heeft zijn telefoon teruggekregen en de advocaat betwist dat schade is ontstaan aan de telefoon. Die schade is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat het alsnog onderbouwen ervan een onevenredige belasting zou vormen voor het strafproces. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nAls gevolg van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en het geweld dat daarbij is gebruikt heeft [slachtoffer] een hersenschudding en letsel aan zijn hoofd, rug, oren en gezicht opgelopen in de vorm van blauwe plekken en bloeduitstortingen. Ook heeft hij geestelijk letsel opgelopen: hij is na het incident gediagnosticeerd met PTSS.\n\nDe verdediging heeft de immateriële schade niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nGelet op de setting waarin het incident zich heeft afgespeeld, de doodsangsten die het slachtoffer heeft uitgestaan en de gestelde diagnose, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag ook rekening gehouden met de richtbedragen in de Rotterdamse schaal.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte of een ander de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nProceskosten\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 23.195,85 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Als verdachte niet betaalt, wordt deze verplichting aangevuld met 135 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .\n\nHoofdelijk\n\nOmdat de verdachte het feit waarvoor de schadevergoeding worden toegekend samen met haar mededaders heeft gepleegd, zijn zij allen hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. De verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en deze vrijheidsberoving omvat ook de geweldshandelingen die zijn gepleegd tegen de aangever zoals bewezen verklaard. Dit betekent dat de verdachte tegenover [slachtoffer] voor het hele bedrag van € 23.195,85 aansprakelijk is. Ook ten aanzien van de proceskosten zijn de verdachte en haar mededaders allen hoofdelijk aansprakelijk.\n\nVoor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft gepleegd, zoals hierboven is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;\n\nbepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\nstelt daarbij een proeftijd van 2 jarenvast;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 200 uren;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;\n\nbeveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 23.195,85, bestaande uit € 3.195,85 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nverklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 135 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nvoorlopige hechtenis\n\n- heft op het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. D.S. Terporten-Hop en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nDe oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij op of omstreeks 4 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk\n\n [slachtoffer]\n\nwederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd heeft gehouden,\n\ndoor\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden en\u002Fof\n\n- steeds in dezelfde ruimte, althans in de driecte omgeving van die [slachtoffer] te\n\nverkeren, in elk geval gedurende enig tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet\n\nvrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de woning kon verwijderen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\n [medeverdachte 2] en\u002Fof [medeverdachte 1] op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in\n\nNederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd heeft\u002Fhebben\n\nberoofd en\u002Fof beroofd gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten en\u002Fof\n\n- steeds in dezelfde ruimte, althans in de directe omgeving van die [slachtoffer] te\n\nverkeren, in elk geval gedurende enig tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet\n\nvrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de woning kon verwijderen,\n\ntot en\u002Fof bij het plegen van welk feit, zij, verdachte, op of omstreeks 4 oktober 2024\n\nte Almere, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof\n\ninlichtingen heeft verschaft en\u002Fof behulpzaam is geweest door\n\n- via het account van [getuige] die [slachtoffer] te lokken naar de woning aan de\n\n [adres] ,\n\n- steeds in dezelfde ruimte, althans in de directe omgeving van die [slachtoffer] te\n\nverkeren, in elk geval gedurende enig tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet\n\nvrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de woning kon verwijderen en\u002Fof\n\n- tijdens voorgenoemde handelingen in het huis aanwezig te blijven en\u002Fof bij te\n\ndragen aan een numeriek overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] en\u002Fof een\n\ndreigende situatie te creëren voor die [slachtoffer] en\u002Fof niet in te grijpen.\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nIk heb hem klappen gegeven.\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2] , zakelijk weergegeven:\n\n Gisteren (de rechtbank begrijpt: 4 oktober 2024) zag ik zag een worsteling tussen mijn schoonzoon (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ) en een jongen. Ik heb de veters van de jongen vastgemaakt. Gewoon zijn veters aan elkaar zodat hij niet weg kon rennen.\n\n Mijn schoonzoon heeft zijn handen vastgebonden met een touwtje.\n\n Ik zag dat mijn schoonzoon die jongen aan het slaan was en mijn schoonzoon riep: “Ik heb jou op een filmpje gezien”. Toen snapte ik dus dat die jongen via social media was. Ik heb mijn schoen uitgetrokken en hem ook twee of drie keer geslagen met mijn schoen.\n\n Ik heb op zijn benen, billen geslagen en in zijn gezicht. Mijn zoon zei dat ze een filmpje hadden dat hij iets deed bij een meisje.\n\n Ik heb hem met de schoen geslagen en met de paraplu.\n\n Ik heb wel een snoer gepakt.\n\n- een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 reed ik in Almere. Ik had contact met [getuige] via Instagram. [getuige] gaf haar straatnaam op. Toen ben ik naar de straat gereden waar [getuige] zou wonen.\n\nIk liep de [straat] in. Ik las op Instagram dat [getuige] mij een bericht stuurde, dat de voordeur open zou staan. Daarom dacht ik dat ik bij deze woning moest zijn.\n\n Ik liep de woning in. Ik hoorde opeens achter mij een geluid van voetstappen. Ik draaide mij om en er werd direct een hand voor mijn ogen gehouden. Ik voelde dat ik werd vastgepakt om mijn middel. Ik ben op de grond gegooid. Ik zag twee mannen en een vrouw voor me staan. Ik hoorde een man zeggen: “Jij gaat het vandaag niet meer halen”.\n\n Ik zag dat beide mannen mij sloegen. Ik voelde dat één van die mannen mij aan mijn haar trok. Dit zag ik ook. De andere man bleef met vuisten op mijn hoofd slaan.\n\nPersoon 1 noem ik ‘vader’.\n\n Persoon 2 noem ik ‘broer’.\n\n Persoon 3: vrouw, had een baby in haar handen, leeftijd ongeveer 50 jaar.\n\nPersoon 3 noem ik ‘moeder’\n\n Ik hoorde broer zeggen: “Je weet niet wie wij zijn”. Ik voelde en zag dat broer mij op mijn hoofd trapte. Ik hoorde de broer zeggen: “Ik ga je mond afplakken met Duck tape”.\n\n Ik zag dat de broer mij bij mijn keel vastpakte. Ik voelde een sterke greep om mijn keel heen. Ik kreeg bijna geen adem.\n\n Ik zag vader met een paraplu op mijn beide enkels slaan. Ik zag dat broer mijn haar vastpakte met zijn rechterhand en ik zag dat broer mij met zijn linkerhand sloeg op mijn hoofd.\n\n Ik zag en voelde dat vader en broer mij ook trapten. In mijn gezicht, mijn buik en op mijn rug. Ik zag dat vader zijn hand naar achter bracht met daarin het witte snoer en zag dat vader met kracht met dit snoer op mijn knieën sloeg. Ik zag dat ik met mijn polsen aan elkaar werd vastgebonden met een wit touw. Ik zag dat dit ook gebeurde met mijn enkels. Dit ook met een wit touw. Dit werd gedaan door een vrouw. Ik zag dat vader mij met één hand bij mijn haren vasthield en trok over de vloer van de woonkamer richting de bank. Ik zag dat vader een schoen uittrok. Ik zag dat vader mij met deze schoen hard in mijn gezicht sloeg.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aanvullende informatie van de aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 11 oktober 2024 sprak ik telefonisch met het slachtoffer [slachtoffer] .\n\n Hij vertelde de volgende informatie die voor het onderzoek van belang is:\n\n De zus van [getuige] had in de woning zijn voeten met een verlengsnoer bij elkaar gebonden.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende contact slachtoffer [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\n Het slachtoffer verklaarde dat hij op 5 oktober 2024 zag dat er een bericht op Snapchat was van [getuige] .\n\n Hierop zag hij een tekst welke hij nog niet eerder had gezien. In de tekst stond dat hij niet naar de woning moest komen omdat de vader en de broer hem naar de woning zouden hebben gelokt.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 zag ik dat de overbuurman (de rechtbank begrijpt de medeverdachte [medeverdachte 2] ) voor de deur stond.\n\n Zijn woning is [adres] . Ik holde met de buurman mee naar de overkant van de straat. Ik hoorde buurman [verdachte] iets zeggen van “die jongen appt ook steeds met dochter”.\n\n Ik zag dat de jongeman aan handen en voeten gebonden was middels veters en ik zag ook dat de jongeman meerdere verwondingen aan zijn gezicht had. Achter de jongen zag ik een deel van een paraplu liggen.\n\n Buurman [verdachte] liep op de jongen af en gaf hem een klap vol in zijn gezicht. Buurman [verdachte] gebruikte hiervoor een schoen.\n\n Ik zag in de keuken nog twee personen staan, die ik herkende als de oudste dochter van buurman [verdachte] (de rechtbank begrijpt [verdachte] , [1998] ) en zijn echtgenote.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik aan de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag in de woonkamer een jongen op de grond liggen. Deze jongen bleek mij te zijn: [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] divers zichtbaar letsel had.\n\n Verder zag ik in de ruimte op de grond een wit verlengsnoer liggen. Ook lag er een paraplu op de grond.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik in de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag verschillende personen op de begane grond. Deze bleken later te zijn:\n\n [slachtoffer]\n\n [medeverdachte 2]\n\n [verdachte]\n\n [medeverdachte 1]\n\n Hierop ben ik naar de eerste verdieping gelopen. Aldaar zag ik een vrouw die bleek te zijn:\n\n [A] , geboren op [1979] .\n\n Ik zag dat zij een kind van ongeveer 1 jaar oud op haar arm hield.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 4] , zakelijk weergegeven:\n\n Op 4 oktober 2024 kwam ik ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag een zwarte autosleutel op tafel liggen. Ik vroeg van wie de sleutel was. Ik\n\nhoorde [slachtoffer] zeggen dat dit zijn autosleutel was. Ik besloot samen met een man naar de auto te lopen. Die man gaf aan dat hij wist waar de auto stond. Deze man bleek later te zijn:\n\n* [medeverdachte 1] , geboren op [1992] *\n\nHij is later als verdachte aangemerkt. Ik vond het vreemd dat hij precies wist waar het voertuig van [slachtoffer] stond. De sleutel werkte en de auto ging van zijn vergrendeling af.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] , zakelijk weergegeven:\n\nNOOT verbalisant: Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de onderstaande berichten niet heeft verstuurd.\n\nChat 202 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 19:59:03 “Wil je komen”\n\nChat 205 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:25:19 “Ja ben alleen”\n\nChat 208 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:27:36 “ [straat] ”\n\nChat 223 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:02:23 “Je kan komen babe”\n\nChat 236 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:07:27 “Kom eventjes binnen”\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 9 oktober 2024, inhoudende de verklaring van de verdachte [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nVraag: Is die jongen die in het huis was ( [slachtoffer] ) met een soort smoes naar de [adres] in [woonplaats] gekomen?\n\nAntwoord: Ja.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024315295, doorgenummerd pagina 1 tot en met 249. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 53.\n\n Pagina 27-28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 29.\n\n Pagina 30.\n\n Pagina 101.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 153.\n\n Pagina 122.\n\n Pagina 111.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 89.\n\n Pagina 90.\n\n Pagina 90.\n\n Pagina 86.\n\n Pagina 159.\n\n Pagina 165-166.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4063","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:35.009Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":56,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":58},"531","ECLI:NL:RBMNE:2026:4064","ecli-nl-rbmne-2026-4064","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16-317660-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1968] in [geboorteplaats] (India),\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. L.J.B.G. van Kleef (hierna: de advocaat);\n\nde benadeelde partij: [slachtoffer] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partij: mr. M.C. van Megen.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;\n\nfeit 2 primair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen [slachtoffer] heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 primair heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2 primair. De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feit 1 en feit 2 subsidiair.\n\nDe advocaat heeft een aantal opmerkingen gemaakt over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nBewijsmiddelen feit 1 en feit 2 subsidiair\n\nDe rechtbank oordeelt dat feit 1 en feit 2 subsidiair zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2.. \n\nBewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nOp 4 oktober 2024 is het slachtoffer naar het adres [adres] in [woonplaats] (de woning van de verdachte en zijn vrouw) gegaan met het idee te hebben afgesproken met een meisje, namelijk getuige [getuige] (de jongste dochter van de verdachte). Het slachtoffer had berichten ontvangen vanaf haar Instagramaccount, waarin zij hem uitnodigde bij haar thuis te komen. Toen het slachtoffer vervolgens op genoemd adres aankwam, is hij door meerdere personen de woning aangevallen, vastgebonden en mishandeld. Het slachtoffer heeft fysiek letsel overgehouden aan het incident. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij is aangevallen door twee mannen, de vader en broer (de rechtbank begrijpt: de zwager) van [getuige] . Een vrouw, de zus van [getuige] , heeft hem vastgebonden. [getuige] heeft verklaard dat zij de uitnodigende berichten niet naar het slachtoffer heeft gestuurd.\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe rechtbank vindt de verklaringen van de aangever betrouwbaar. De aangever heeft een verklaring afgelegd bij de politie en deze op een later moment aangevuld. De verklaringen zijn uitgebreid, gedetailleerd en op grote lijnen consistent. Daarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde geweldshandelingen, de daarvoor gebruikte middelen zoals een paraplu en een snoer en het vastbinden van de aangever.\n\nAlternatief scenario verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de zaak vanaf het begin ten onrechte een lading heeft gekregen van eerwraak. Het zou volgens de verdediging zo kunnen zijn dat [getuige] de situatie bewust heeft laten escaleren. Zij zou eerder melding hebben gedaan tegen haar familie van huiselijk geweld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachten niet wisten wie de aangever was en wat hij bij hen in huis kwam doen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. De rechtbank ziet voor dit scenario onvoldoende aanknopingspunten in het dossier en verwijst specifiek naar de verklaring van de aangever waar hij stelt dat hij een bericht van [getuige] heeft ontvangen waarin staat dat hij niet moest reageren op uitnodigingen om naar haar huis te komen omdat haar vader en zwager hem daarheen wilden lokken. Daarnaast volgt uit het bewijs dat de verdachten wisten dat de aangever een jongen was met wie [getuige] contact had. Zo blijkt uit de verklaring van de overbuurman dat de verdachte riep dat er een jongen in zijn huis was die met zijn jongste dochter appte en volgt uit de verklaring van de verdachte dat zijn schoonzoon, medeverdachte [medeverdachte 1] , naar de aangever riep dat hij hem herkende van een filmpje. Ook heeft de overbuurman verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] precies wist waar de auto van de aangever geparkeerd stond. Dit is onmogelijk als waar is dat de verdachten in de woning werden verrast door de aanwezigheid van de aangever. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het aangevoerde alternatieve scenario volstrekt ongeloofwaardig.\n\nWederrechtelijke vrijheidsberoving\n\nDe verdachte en de medeverdachten hebben de aangever wederrechtelijk van de vrijheid beroofd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever, nadat hij naar de woning aan de [adres] was gelokt, in de betreffende woning enige tijd van zijn vrijheid beroofd is geweest. Verdachte en zijn mededader hebben in de woning geweld tegen de aangever gebruikt, hij is vastgebonden en er is op meerdere momenten dreigend tegen hem gesproken. Doordat aangever op geen enkel moment alleen is gelaten kon hij de woning niet zelf verlaten.\n\nPoging zware mishandeling\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 2 primair (poging tot zware mishandeling). De rechtbank is namelijk van oordeel dat niet is bewezen dat de verdachte geprobeerd heeft om aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond. Ook blijkt niet dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank heeft hierbij gekeken naar de bewezen geweldshandelingen en het daardoor toegebrachte letsel.\n\nMishandeling\n\nDe verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever (gedurende de wederrechtelijke vrijheidsberoving) meerdere malen met de blote hand en met voorwerpen geslagen, getrapt, aan het haar getrokken en de aangever bij zijn keel gepakt. Daardoor is de aangever onwel geworden, heeft hij pijn gehad en heeft hij letsel opgelopen. De rechtbank merkt dit geweld aan als mishandeling.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte bij beide strafbare feiten de rol van medepleger had. Medeplegen kan worden bewezen als bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De (materiële en\u002Fof intellectuele) bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet daarbij van voldoende gewicht zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte(n) nauw en bewust hebben samengewerkt. De bijdrage van de verdachte aan de strafbare feiten is van zodanig gewicht dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte en de medeverdachten hebben samen handelingen verricht om de aangever van zijn vrijheid te beroven. De aangever is naar de woning gelokt en de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever geslagen en getrapt en dreigende woorden geuit, terwijl de medeverdachte [medeverdachte 2] de aangever heeft vastgebonden. Hierdoor was de aangever niet in staat zich vrij te bewegen en uit de woning weg te gaan. De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben de aangever samen mishandeld, door hem te slaan met de blote hand, een paraplu, een snoer en een schoen, hem te trappen, aan zijn haren te trekken en hem stevig bij de keel te pakken.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt feit 1 en feit 2 subsidiair van de beschuldiging bewezen. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij zijn\" en \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te zeggen,\n\n- de handen en voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, en\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en zich niet uit de woning kon verwijderen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 te Almere,\n\ntezamen en in vereniging met een ander,\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]\n\n- in het gezicht te slaan en te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels te slaan,\n\n- met een snoer tegen die knieën te slaan,\n\n- met een schoen in het gezicht te slaan,\n\n- tegen het lichaam te trappen en\n\n- stevig bij zijn keel te pakken.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;\n\nfeit 2: medeplegen van mishandeling.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feiten en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Een eventuele gevangenisstraf voegt volgens de verdediging niets toe aan de doelen van het strafrecht. De rechtbank zou kunnen volstaan met een alternatieve sanctie of met een voorwaardelijke straf.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachten het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Tijdens deze vrijheidsberoving hebben zij hem geslagen en gestompt in zijn gezicht en op zijn lichaam, getrapt, aan zijn haren getrokken en geslagen met een paraplu, een snoer en een schoen. Voor het slachtoffer, een jongeman van net 18 jaar die dacht dat hij in de woning een afspraak met een hem bekend meisje zou hebben, is dit een enorm angstige ervaring geweest. Dit blijkt ook wel uit de slachtofferverklaring en de toelichting op het schadevergoedingsverzoek dat het slachtoffer heeft ingediend.\n\nMet hun handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachten fors inbreuk gemaakt op de vrijheid en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte en zijn medeverdachten zijn volledig voorbij gegaan aan de gevolgen voor het slachtoffer, die hij tot de dag van vandaag ervaart. Hoewel het slachtoffer van het lichamelijk letsel is hersteld, ondervindt hij nog dagelijks de psychische gevolgen van wat hem is overkomen. Het slachtoffer was volop bezig om zijn toekomst op te bouwen, maar heeft door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten dit toekomstbeeld moeten bijstellen. De rechtbank neemt verdachte kwalijk dat hij weinig verantwoordelijkheid neemt voor wat hij het slachtoffer heeft aangedaan.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 23 juni 2026 met betrekking tot de verdachte. De reclassering schat de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden in als laag. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden en merkt op dat er geen contra-indicaties zijn voor het opleggen van een gevangenisstraf, taakstraf of financiële sanctie.\n\nStrafkader\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen variëren van taakstraffen tot gevangenisstraffen van korte en langere duur, en zijn voor een groot deel afhankelijk van de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd.\n\nDe rechtbank vindt dat bij de strafbare feiten waar het in deze zaak om gaat, rekening houdend met de aard en ernst daarvan zoals hiervoor omschreven, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden past. Dat is dan ook de straf die de rechtbank aan de verdachte oplegt. Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een taakstraf.\n\nTenuitvoerlegging van de straf\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank ziet niet langer aanleiding de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Om die reden zal het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.708,41 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd is en geheel kan worden toegewezen.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijzen van aankoop van de kledingstukken bij de vordering zijn gevoegd. De verdediging stelt zich om die reden op het standpunt dat niet kan worden nagegaan of het daadwerkelijk merkkleding betreft, of dat sprake is van namaak. Daarnaast brengt de verdediging naar voren dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn telefoon heeft teruggekregen. De verdediging vindt het argument dat dit lang duurde, waardoor het slachtoffer een nieuwe telefoon moest kopen, niet houdbaar. De verdediging wijst erop dat er geen bewijs van aankoop van de airpods bij de vordering is gevoegd.\n\nVoor het overige heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank wijst € 3.195,85 aan materiële schade toe voor de weggenomen airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten. De verdediging heeft het wegnemen van de airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten niet betwist. Ten aanzien van de kleding geeft de opmerking van de advocaat over de mogelijkheid dat het gaat om namaakkleding onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De verdediging heeft de feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist.\n\nDe kosten voor een nieuwe telefoon komen niet voor vergoeding in aanmerking. De aangever heeft zijn telefoon teruggekregen en de advocaat betwist dat schade is ontstaan aan de telefoon. Die schade is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat het alsnog nader onderbouwen een onevenredige belasting zou vormen voor het strafproces. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nAls gevolg van de mishandeling heeft [slachtoffer] een hersenschudding en letsel aan zijn hoofd, rug, oren en gezicht opgelopen in de vorm van blauwe plekken en bloeduitstortingen. Ook heeft hij geestelijk letsel opgelopen: hijis na het incident gediagnosticeerd met PTSS.\n\nDe verdediging heeft de immateriële schade niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nGelet op de setting waarin het incident zich heeft afgespeeld, de doodsangsten die het slachtoffer heeft uitgestaan en de gestelde diagnose, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag ook rekening gehouden met de richtbedragen in de Rotterdamse schaal.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte of een ander de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nProceskosten\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 23.195,85 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Als de verdachte niet betaalt, wordt deze verplichting aangevuld met 135 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .\n\nHoofdelijk\n\nOmdat de verdachte de feiten waarvoor de schadevergoeding worden toegekend samen met zijn mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Dit betekent dat de verdachte tegenover [slachtoffer] voor het hele bedrag van € 23.195,85 aansprakelijk is.\n\nVoor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- artikelen 36f, 47, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\n- verklaart feit 2 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 subsidiair heeft gepleegd, zoals hierboven is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 subsidiair bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 23.195,85, bestaande uit € 3.195,85 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nverklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 135 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;voorlopige hechtenis\n\n- heft op het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. D.S. Terporten-Hop en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nDe oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk\n\n [slachtoffer]\n\nwederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd heeft gehouden,\n\ndoor\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten en\u002Fof\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, in elk geval gedurende enig tijd\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de\n\nwoning kon verwijderen;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen\n\nmisdrijf om\n\naan [slachtoffer]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] ,\n\n- in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- hard aan de haren heeft getrokken,\n\n- tegen het lichaam heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam heeft geschopt en\u002Fof getrapt en\u002Fof\n\n- stevig bij de keel heeft vastgepakt en\u002Fof de keel heeft dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,\n\n- in het gezicht te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof te trappen en\u002Fof\n\n- stevig bij zijn keel te pakken en\u002Fof zijn keel dicht te knijpen.\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [verdachte] , zakelijk weergegeven:\n\n Gisteren (de rechtbank begrijpt: 4 oktober 2024) zag ik zag een worsteling tussen mijn schoonzoon (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ) en een jongen. Ik heb de veters van de jongen vastgemaakt. Gewoon zijn veters aan elkaar zodat hij niet weg kon rennen.\n\n Mijn schoonzoon heeft zijn handen vastgebonden met een touwtje.\n\n Ik zag dat mijn schoonzoon die jongen aan het slaan was en mijn schoonzoon riep: “Ik heb jou op een filmpje gezien”. Toen snapte ik dus dat die jongen via social media was. Ik heb mijn schoen uitgetrokken en hem ook twee of drie keer geslagen met mijn schoen.\n\n Ik heb op zijn benen, billen geslagen en in zijn gezicht. Mijn zoon zei dat ze een filmpje hadden dat hij iets deed bij een meisje\n\n Ik heb hem met de schoen geslagen en met de paraplu.\n\n Ik heb wel een snoer gepakt.\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nIk heb hem klappen gegeven.\n\n- een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 reed ik in Almere. Ik had contact met [getuige] via Instagram. [getuige] gaf haar straatnaam op. Toen ben ik naar de straat gereden waar [getuige] zou wonen.\n\nIk liep de [straat] in. Ik las op Instagram dat [getuige] mij een bericht stuurde, dat de voordeur open zou staan. Daarom dacht ik dat ik bij deze woning moest zijn.\n\n Ik liep de woning in. Ik hoorde opeens achter mij een geluid van voetstappen. Ik draaide mij om en er werd direct een hand voor mijn ogen gehouden. Ik voelde dat ik werd vastgepakt om mijn middel. Ik ben op de grond gegooid. Ik zag twee mannen en een vrouw voor me staan. Ik hoorde een man zeggen: “Jij gaat het vandaag niet meer halen”.\n\n Ik zag dat beide mannen mij sloegen. Ik voelde dat één van die mannen mij aan mijn haar trok. Dit zag ik ook. De andere man bleef met vuisten op mijn hoofd slaan.\n\n Persoon 1 noem ik ‘vader’.\n\n Persoon 2 noem ik ‘broer’.\n\n Ik hoorde broer zeggen: “Je weet niet wie wij zijn”. Ik voelde en zag dat broer mij op mijn hoofd trapte. Ik hoorde de broer zeggen: “Ik ga je mond afplakken met Duck tape”.\n\n Ik zag dat de broer mij bij mijn keel vastpakte. Ik voelde een sterke greep om mijn keel heen. Ik kreeg bijna geen adem.\n\n Ik zag vader met een paraplu op mijn beide enkels slaan. Ik zag dat broer mijn haar vastpakte met zijn rechterhand en ik zag dat broer mij met zijn linkerhand sloeg op mijn hoofd.\n\nIk zag en voelde dat vader en broer mij ook trapten. In mijn gezicht, mijn buik en op mijn rug. Ik zag dat vader zijn hand naar achter bracht met daarin het witte snoer en zag dat vader met kracht met dit snoer op mijn knieën sloeg. Ik zag dat ik met mijn polsen aan elkaar werd vastgebonden met een wit touw. Ik zag dat dit ook gebeurde met mijn enkels. Dit ook met een wit touw. Dit werd gedaan door een vrouw. Ik zag dat vader mij met één hand bij mijn haren vasthield en trok over de vloer van de woonkamer richting de bank. Ik zag dat vader een schoen uittrok. Ik zag dat vader mij met deze schoen hard in mijn gezicht sloeg.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aanvullende informatie van de aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 11 oktober 2024 sprak ik telefonisch met het slachtoffer [slachtoffer] .\n\n Hij vertelde de volgende informatie die voor het onderzoek van belang is:\n\n • De zus van [getuige] had in de woning zijn voeten met een verlengsnoer bij elkaar gebonden.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende contact met slachtoffer [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nHet slachtoffer verklaarde dat hij op 5 oktober 2024 zag dat er op Snapchat een bericht was van [getuige] .\n\n Hierop zag hij een tekst welke hij nog niet eerder had gezien. In de tekst stond dat hij niet naar de woning moest komen omdat de vader en de broer hem naar de woning zouden hebben gelokt.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 zag ik dat de overbuurman (de rechtbank begrijpt: de verdachte) voor de deur stond.\n\n Zijn woning is [adres] . Ik holde met de buurman mee naar de overkant van de straat.\n\n Ik hoorde buurman [medeverdachte 2] iets zeggen van “die jongen appt ook steeds met dochter”.\n\n Ik zag dat de jongeman aan handen en voeten gebonden was middels veters en ik zag ook dat de jongeman meerdere verwondingen aan zijn gezicht had. Achter de jongen zag ik een deel van een paraplu liggen.\n\n Buurman [medeverdachte 2] liep op de jongen af en gaf hem een klap vol in zijn gezicht. Buurman [medeverdachte 2] gebruikte hiervoor een schoen.\n\n Ik zag in de keuken nog twee personen staan, die ik herkende als de oudste dochter van buurman [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2] , [1998] ) en zijn echtgenote.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik aan de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag in de woonkamer een jongen op de grond liggen. Deze jongen bleek mij te zijn: [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] divers zichtbaar letsel had.\n\n Verder zag ik in de ruimte op de grond een wit verlengsnoer liggen. Ook lag er een paraplu op de grond.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven:\n\n Op 4 oktober 2024 kwam ik ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag een zwarte autosleutel op tafel liggen. Ik vroeg van wie de sleutel was. Ik\n\nhoorde [slachtoffer] zeggen dat dit zijn autosleutel was. Ik besloot samen met een man naar de auto te lopen. Die man gaf aan dat hij wist waar de auto stond. Deze man bleek later te zijn:\n\n* [medeverdachte 1] , geboren op [1992] *\n\nDe sleutel werkte en de auto ging van zijn vergrendeling af.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , zakelijk weergegeven:\n\nNOOT verbalisant: Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de onderstaande berichten niet heeft verstuurd.\n\nChat 202 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 19:59:03 “Wil je komen”\n\nChat 205 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:25:19 “Ja ben alleen”\n\nChat 208 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:27:36 “ [straat] ”\n\nChat 223 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:02:23 “Je kan komen babe”\n\nChat 236 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:07:27 “Kom eventjes binnen”\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 9 oktober 2024, inhoudende de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nVraag: Is die jongen die in het huis was ( [slachtoffer] ) met een soort smoes naar de [adres] in [woonplaats] gekomen?\n\nAntwoord: Ja.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024315295, doorgenummerd pagina 1 tot en met 249. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 27-28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 29.\n\n Pagina 30.\n\n Pagina 53.\n\n Pagina 101.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 153.\n\n Pagina 122.\n\n Pagina 111.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 86.\n\n Pagina 159.\n\n Pagina 165-166.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4064","2026-07-13T00:28:35.104Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":63,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":65},"532","ECLI:NL:RBMNE:2026:4065","ecli-nl-rbmne-2026-4065","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16-317532-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1992] in [geboorteplaats] (India),\n\nadres: [adres] , [woonplaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. L.J.B.G. van Kleef (hierna: de advocaat);\n\nde benadeelde partij: [slachtoffer] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partij: mr. M.C. van Megen.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;\n\nfeit 2 primair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen [slachtoffer] heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 primair heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2 primair. De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feit 1 en feit 2 subsidiair.\n\nDe advocaat heeft een aantal opmerkingen gemaakt over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nBewijsmiddelen feit 1 en feit 2 subsidiair\n\nDe rechtbank oordeelt dat feit 1 en feit 2 subsidiair zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nOp 4 oktober 2024 is het slachtoffer naar het adres [adres] in [woonplaats] (de woning van de schoonouders van de verdachte) gegaan met het idee te hebben afgesproken met een meisje, namelijk getuige [getuige] (de schoonzus van de verdachte). Het slachtoffer had berichten ontvangen vanaf haar Instagramaccount, waarin zij hem uitnodigde bij haar thuis te komen. Toen het slachtoffer vervolgens op genoemd adres aankwam, is hij door meerdere personen aangevallen, vastgebonden en mishandeld. Het slachtoffer heeft fysiek letsel overgehouden aan het incident. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij is aangevallen door twee mannen, de vader en de broer (de rechtbank begrijpt: de zwager) van [getuige] . Een vrouw, de zus van [getuige] , heeft hem vastgebonden. [getuige] heeft verklaard dat zij de uitnodigende berichten niet naar het slachtoffer heeft gestuurd.\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe rechtbank vindt de verklaringen van de aangever betrouwbaar. De aangever heeft een verklaring afgelegd bij de politie en deze op een later moment aangevuld. De verklaringen zijn uitgebreid, gedetailleerd en op grote lijnen consistent. Daarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde geweldshandelingen, de daarvoor gebruikte middelen zoals een paraplu en een snoer en het vastbinden van de aangever.\n\nAlternatief scenario verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de zaak vanaf het begin ten onrechte een lading heeft gekregen van eerwraak. Het zou volgens de verdediging zo kunnen zijn dat [getuige] de situatie bewust heeft laten escaleren. Zij zou eerder melding hebben gedaan tegen haar familie van huiselijk geweld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachten niet wisten wie de aangever was en wat hij bij hen in huis kwam doen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. De rechtbank ziet voor dit scenario onvoldoende aanknopingspunten in het dossier en verwijst specifiek naar de verklaring van de aangever waar hij stelt dat hij een bericht van [getuige] heeft ontvangen waarin staat dat hij niet moest reageren op uitnodigingen om naar haar huis te komen, omdat haar vader en zwager hem daarheen wilden lokken. Daarnaast volgt uit het bewijs dat de verdachten wisten dat de aangever een jongen was met wie [getuige] contact had. Zo blijkt uit de verklaring van de overbuurman dat medeverdachte [medeverdachte 1] zei dat er een jongen in zijn huis was die met zijn jongste dochter appte. Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] volgt dat zijn schoonzoon, de verdachte, naar de aangever riep dat hij hem herkende van een filmpje. Ook heeft de overbuurman verklaard dat de verdachte precies wist waar de auto van de aangever geparkeerd stond. Dit is onmogelijk als waar is dat de verdachte in de woning werd verrast door de aanwezigheid van de aangever. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het aangevoerde alternatieve scenario ongeloofwaardig.\n\nWederrechtelijke vrijheidsberoving\n\nDe verdachte en de medeverdachten hebben de aangever wederrechtelijk van de vrijheid beroofd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever, nadat hij naar de woning aan de [adres] is gelokt, in de betreffende woning enige tijd van zijn vrijheid beroofd is geweest.\n\nVerdachte en zijn mededader hebben in de woning geweld tegen de aangever gebruikt, hij is vastgebonden en er is op meerdere momenten dreigend tegen hem gesproken. Doordat aangever op geen enkel moment alleen is gelaten kon hij de woning niet zelf verlaten.\n\nPoging zware mishandeling\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 2 primair (poging tot zware mishandeling). De rechtbank is namelijk van oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte geprobeerd heeft om aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond. Ook blijkt niet dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank heeft hierbij gekeken naar de bewezen geweldshandelingen en het daardoor toegebrachte letsel.\n\nMishandeling\n\nDe verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever (gedurende de wederrechtelijke vrijheidsberoving) meerdere malen met de blote hand en met voorwerpen geslagen, getrapt, aan het haar getrokken en de aangever bij zijn keel gepakt. Daardoor is de aangever onwel geworden, heeft hij pijn gehad en heeft hij letsel opgelopen. De rechtbank merkt dit geweld aan als een mishandeling.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte bij beide strafbare feiten de rol van medepleger had. Medeplegen kan worden bewezen als bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De (materiële en\u002Fof intellectuele) bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet daarbij van voldoende gewicht zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte(n) nauw en bewust hebben samengewerkt. De bijdrage van de verdachte aan de strafbare feiten is van zodanig gewicht, dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte en de medeverdachten hebben samen handelingen verricht om de aangever van zijn vrijheid te beroven. De aangever is naar de woning gelokt en de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever geslagen en getrapt en dreigende woorden geuit, terwijl de medeverdachte [medeverdachte 2] de aangever heeft vastgebonden. Hierdoor was de aangever niet in staat zich vrij te bewegen en uit de woning weg te gaan. De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben de aangever samen mishandeld, door hem te slaan met de blote hand, een paraplu een snoer en een schoen, hem te trappen, aan zijn haren te trekken en hem stevig bij de keel te pakken.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt feit 1 en feit 2 subsidiair van de beschuldiging bewezen. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij zijn\" en \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te zeggen,\n\n- de handen en voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, en\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en zich niet uit de woning kon verwijderen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]\n\n- in het gezicht te slaan en te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels te slaan,\n\n- met een snoer tegen de knieën te slaan,\n\n- met een schoen in het gezicht te slaan,\n\n- tegen het lichaam te trappen en\n\n- stevig bij zijn keel te pakken.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;\n\nfeit 2: medeplegen van mishandeling.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feiten en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Een eventuele gevangenisstraf voegt volgens de verdediging niets toe aan de doelen van het strafrecht. De rechtbank zou kunnen volstaan met een alternatieve sanctie of met een voorwaardelijke straf.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachten het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Tijdens deze vrijheidsberoving hebben zij hem geslagen en gestompt in zijn gezicht en op zijn lichaam, getrapt, aan zijn haren getrokken en geslagen met een paraplu, een snoer en een schoen. Voor het slachtoffer, een jongeman van net 18 jaar die dacht dat hij in de woning een afspraak met een hem bekend meisje zou hebben, is dit een enorm angstige ervaring geweest. Dit blijkt ook wel de slachtofferverklaring en de toelichting op het schadevergoedingsverzoek dat het slachtoffer heeft ingediend.\n\nMet hun handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachten fors inbreuk gemaakt op de vrijheid en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte en zijn medeverdachten zijn volledig voorbijgegaan aan de gevolgen voor het slachtoffer, die hij tot de dag van vandaag ervaart. Hoewel het slachtoffer van het lichamelijk letsel is hersteld, ondervindt hij nog dagelijks de psychische gevolgen van wat hem is overkomen. Het slachtoffer was volop bezig om zijn toekomst op te bouwen, maar heeft door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten dit toekomstbeeld moeten bijstellen. De rechtbank neemt verdachte kwalijk dat hij weinig verantwoordelijkheid neemt voor wat hij het slachtoffer heeft aangedaan.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 11 november 2025 met betrekking tot de verdachte. De reclassering concludeert dat de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden niet kunnen worden ingeschat, omdat niet duidelijk is geworden wat ten grondslag heeft gelegen aan het gewelddadige gedrag van de verdachte. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden en merkt op dat een eventuele detentie gevolgen zou hebben voor het privéleven van de verdachte. De verdachte is in staat om een werkstraf uit te voeren en een geldboete te betalen. Concrete signalen die wijzen op de noodzaak van een contact- en\u002Fof locatieverbod ziet de reclassering niet.\n\nStrafkader\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen variëren van taakstraffen tot gevangenisstraffen van korte en langere duur, en zijn voor een groot deel afhankelijk van de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd.\n\nDe rechtbank vindt dat bij de strafbare feiten waar het in deze zaak om gaat, rekening houdend met de aard en ernst daarvan zoals hiervoor omschreven, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden past. Dat is dan ook de straf die de rechtbank aan de verdachte oplegt. Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een taakstraf.\n\nTenuitvoerlegging van de straf\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank ziet niet langer aanleiding de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Om die reden zal het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.708,41 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd is en geheel kan worden toegewezen.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijzen van aankoop van de kledingstukken bij de vordering zijn gevoegd. De verdediging stelt zich om die reden op het standpunt dat niet kan worden nagegaan of het daadwerkelijk merkkleding betreft, of dat sprake is van namaak. Daarnaast brengt de verdediging naar voren dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn telefoon heeft teruggekregen. De verdediging vindt het argument dat dit lang duurde, waardoor het slachtoffer een nieuwe telefoon moest kopen, niet houdbaar. De verdediging wijst erop dat er geen bewijs van aankoop van de airpods bij de vordering is gevoegd.\n\nVoor het overige heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank wijst € 3.195,85 aan materiële schade toe voor de weggenomen airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten. De verdediging heeft het wegnemen van de airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten niet betwist. Ten aanzien van de kleding geeft de opmerking van de advocaat over de mogelijkheid dat het gaat om namaakkleding onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De verdediging heeft de feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist.\n\nDe kosten voor een nieuwe telefoon komen niet voor vergoeding in aanmerking. De aangever heeft zijn telefoon teruggekregen en de advocaat betwist dat schade is ontstaan aan de telefoon. Die schade is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat het alsnog nader onderbouwen ervan een onevenredige belasting zou vormen voor het strafproces. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nAls gevolg van de mishandeling heeft [slachtoffer] een hersenschudding en letsel aan zijn hoofd, rug, oren en gezicht opgelopen in de vorm van blauwe plekken en bloeduitstortingen . Ook heeft hij geestelijk letsel opgelopen: hij is na het incident gediagnosticeerd met PTSS.\n\nDe verdediging heeft de immateriële schade niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nGelet op de setting waarin het incident zich heeft afgespeeld, de doodsangsten die het slachtoffer heeft uitgestaan en de gestelde diagnose, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag ook rekening gehouden met de richtbedragen in de Rotterdamse schaal.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte of een ander de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nProceskosten\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 23.195,85, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Als de verdachte niet betaalt, wordt deze verplichting aangevuld met 135 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .\n\nHoofdelijk\n\nOmdat de verdachte de feiten waarvoor de schadevergoeding worden toegekend samen met zijn mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Dit betekent dat de verdachte tegenover [slachtoffer] voor het hele bedrag van € 23.195,85 aansprakelijk is.\n\nVoor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\n7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- artikelen 36f, 47, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\n- verklaart feit 2 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 subsidiair heeft gepleegd, zoals hierboven is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 subsidiair bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 23.195,85, bestaande uit € 3.195,85 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nverklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 135 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;voorlopige hechtenis\n\n- heft op het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. D.S. Terporten-Hop en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nDe oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk\n\n [slachtoffer]\n\nwederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd heeft gehouden,\n\ndoor\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten en\u002Fof\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, in elk geval gedurende enig tijd\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de\n\nwoning kon verwijderen;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen\n\nmisdrijf om\n\naan [slachtoffer]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] ,\n\n- in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- hard aan de haren heeft getrokken,\n\n- tegen het lichaam heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam heeft geschopt en\u002Fof getrapt en\u002Fof\n\n- stevig bij de keel heeft vastgepakt en\u002Fof de keel heeft dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,\n\n- in het gezicht te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof te trappen en\u002Fof\n\n- stevig bij zijn keel te pakken en\u002Fof zijn keel dicht te knijpen.\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n-de verklaring van de verdachte [verdachte] op de zitting van 24 juni 2026, zakelijk weergegeven:\n\nDie jongen heeft wel een paar klappen gehad van mij.\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\n Gisteren (de rechtbank begrijpt: 4 oktober 2024) zag ik zag een worsteling tussen mijn schoonzoon (de rechtbank begrijpt [verdachte] ) en een jongen. Ik heb de veters van de jongen vastgemaakt. Gewoon zijn veters aan elkaar zodat hij niet weg kon rennen.\n\n Mijn schoonzoon heeft zijn handen vastgebonden met een touwtje.\n\n Ik zag dat mijn schoonzoon die jongen aan het slaan was en mijn schoonzoon riep: “Ik heb jou op een filmpje gezien”. Toen snapte ik dus dat die jongen via social media was. Ik heb mijn schoen uitgetrokken en hem ook twee of drie keer geslagen met mijn schoen.\n\n Ik heb op zijn benen, billen geslagen en in zijn gezicht. Mijn zoon zei dat ze een filmpje hadden dat hij iets deed bij een meisje\n\n Ik heb hem met de schoen geslagen en met de paraplu.\n\n Ik heb wel een snoer gepakt.\n\n- een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 reed ik in Almere. Ik had contact met [getuige] via Instagram. [getuige] gaf haar straatnaam op. Toen ben ik naar de straat gereden waar [getuige] zou wonen.\n\nIk liep de [straat] in. Ik las op Instagram dat [getuige] mij een bericht stuurde, dat de voordeur open zou staan. Daarom dacht ik dat ik bij deze woning moest zijn.\n\n Ik liep de woning in. Ik hoorde opeens achter mij een geluid van voetstappen. Ik draaide mij om en er werd direct een hand voor mijn ogen gehouden. Ik voelde dat ik werd vastgepakt om mijn middel. Ik ben op de grond gegooid. Ik zag twee mannen en een vrouw voor me staan. Ik hoorde een man zeggen: “Jij gaat het vandaag niet meer halen”.\n\n Ik zag dat beide mannen mij sloegen. Ik voelde dat één van die mannen mij aan mijn haar trok. Dit zag ik ook. De andere man bleef met vuisten op mijn hoofd slaan.\n\nPersoon 1 noem ik ‘vader’.\n\n Persoon 2 noem ik ‘broer’.\n\n Ik hoorde broer zeggen: “Je weet niet wie wij zijn”. Ik voelde en zag dat broer mij op mijn hoofd trapte. Ik hoorde de broer zeggen: “Ik ga je mond afplakken met Duck tape”.\n\n Ik zag dat de broer mij bij mijn keel vastpakte. Ik voelde een sterke greep om mijn keel heen. Ik kreeg bijna geen adem.\n\n Ik zag vader met een paraplu op mijn beide enkels slaan. Ik zag dat broer mijn haar vastpakte met zijn rechterhand en ik zag dat broer mij met zijn linkerhand sloeg op mijn hoofd.\n\n Ik zag en voelde dat vader en broer mij ook trapten. In mijn gezicht, mijn buik en op mijn rug. Ik zag dat vader zijn hand naar achter bracht met daarin het witte snoer en zag dat vader met kracht met dit snoer op mijn knieën sloeg. Ik zag dat ik met mijn polsen aan elkaar werd vastgebonden met een wit touw. Ik zag dat dit ook gebeurde met mijn enkels. Dit ook met een wit touw. Dit werd gedaan door een vrouw. Ik zag dat vader mij met één hand bij mijn haren vasthield en trok over de vloer van de woonkamer richting de bank. Ik zag dat vader een schoen uittrok. Ik zag dat vader mij met deze schoen hard in mijn gezicht sloeg.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aanvullende informatie van de aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 11 oktober 2024 sprak ik telefonisch met het slachtoffer [slachtoffer] .\n\n Hij vertelde de volgende informatie die voor het onderzoek van belang is:\n\n De zus van [getuige] had in de woning zijn voeten met een verlengsnoer bij elkaar gebonden.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende contact met slachtoffer [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\n Het slachtoffer verklaarde dat hij op 5 oktober 2024 zag dat er op Snapchat een bericht was van [getuige] .\n\n Hierop zag hij een tekst welke hij nog niet eerder had gezien. In de tekst stond dat hij niet naar de woning moest komen omdat de vader en de broer hem naar de woning zouden hebben gelokt.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 zag ik dat de overbuurman (de rechtbank begrijpt de medeverdachte [medeverdachte 1] ) voor de deur stond.\n\n Zijn woning is [adres] . Ik holde met de buurman mee naar de overkant van de straat. Ik hoorde buurman [medeverdachte 2] iets zeggen van “die jongen appt ook steeds met dochter”.\n\n Ik zag dat de jongeman aan handen en voeten gebonden was middels veters en ik zag ook dat de jongeman meerdere verwondingen aan zijn gezicht had. Achter de jongen zag ik een deel van een paraplu liggen.\n\n Buurman [medeverdachte 2] liep op de jongen af en gaf hem een klap vol in zijn gezicht. Buurman [medeverdachte 2] gebruikte hiervoor een schoen.\n\n Ik zag in de keuken nog twee personen staan, die ik herkende als de oudste dochter van buurman [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2] , [1998] ) en zijn echtgenote.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik aan de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag in de woonkamer een jongen op de grond liggen. Deze jongen bleek mij te zijn: [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] divers zichtbaar letsel had.\n\n Verder zag ik in de ruimte op de grond een wit verlengsnoer liggen. Ook lag er een paraplu op de grond.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven:\n\n Op 4 oktober 2024 kwam ik ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag een zwarte autosleutel op tafel liggen. Ik vroeg van wie de sleutel was. Ik\n\nhoorde [slachtoffer] zeggen dat dit zijn autosleutel was. Ik besloot samen met een man naar de auto te lopen. Die man gaf aan dat hij wist waar de auto stond. Deze man bleek later te zijn:\n\n* [verdachte] , geboren op [1992] *\n\nDe sleutel werkte en de auto ging van zijn vergrendeling af.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , zakelijk weergegeven:\n\nNOOT verbalisant: Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de onderstaande berichten niet heeft verstuurd.\n\nChat 202 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 19:59:03 “Wil je komen”\n\nChat 205 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:25:19 “Ja ben alleen”\n\nChat 208 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:27:36 “ [straat] ”\n\nChat 223 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:02:23 “Je kan komen babe”\n\nChat 236 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:07:27 “Kom eventjes binnen”\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 9 oktober 2024, inhoudende de verklaring van de verdachte [verdachte] , zakelijk weergegeven:\n\nVraag: Is die jongen die in het huis was ( [slachtoffer] ) met een soort smoes naar de [adres] in [woonplaats] gekomen?\n\nAntwoord: Ja.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024315295, doorgenummerd pagina 1 tot en met 249. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 27-28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 29.\n\n Pagina 30.\n\n Pagina 101.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 153.\n\n Pagina 122.\n\n Pagina 111.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 86.\n\n Pagina 159.\n\n Pagina 165-166.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4065","2026-07-13T00:28:35.186Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":43,"courtId":70,"decisionDate":45,"fullText":71,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":50,"updatedAt":74},"570","ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","ecli-nl-rbobr-2026-4793",72,"vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.243457.25\n\nDatum uitspraak: 08 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [2001] ,\n\nthans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2025, 11 maart 2026, 01 juni 2026 en 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 november 2025.\n\nNa wijziging van de tenlastelegging op 11 maart 2026 is aan verdachte ten laste gelegd dat:\n\n1hij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en\u002Fof aanhet opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende;( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende, heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenarenvan de justitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n2hij op of omstreeks 15 september 2025 te Uden, gemeente Maashorst,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [2010] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende,heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenaren van dejustitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,meermalen, althans eenmaal,door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld ofeen andere feitelijkheid, te weten- door [slachtoffer 3] mee te nemen naar en\u002Fof in zijn woning en\u002Fof- door het grote leeftijdsverschil en\u002Fof het fysieke en\u002Fof mentaleoverwicht dat hij op die [slachtoffer 3] had en\u002Fof- door op dwingende toon tegen die [slachtoffer 3] te praten en\u002Fof- door voorbij te gaan aan tekenen van verzet van die [slachtoffer 3] en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij geen seks (meer) methem, verdachte, zou hebben, hij, verdachte, haar familie, zou latenweten dat hij, verdachte, en die [slachtoffer 3] (eerder) seks hadden gehad en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij (tegen hem,verdachte) aangifte zou doen, hij verdachte, haar broer, althans haarfamilie, met een mes zou steken, althans iets zou aandoen,die [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meerhandelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueelbinnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,vingers en\u002Fof penis;( art 242 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jarenmaar nog niet die van zestien jaren had bereikt,(telkens) buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die\n [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof vingers;( art 245 Wetboek van Strafrecht )De formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nDe bewijsvraag.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht feit 3 primair niet wettig en overtuigend bewezen en heeft daarvoor vrijspraak gevorderd. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair omdat niet is gebleken dat hij het minderjarige meisje ( [slachtoffer 1] ) met opzet heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat zijn handelen daarop van beslissende invloed is geweest.\n\nHet onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde kan niet bewezen worden omdat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen waaruit het verbergen dan wel onttrekken van het minderjarige meisje heeft bestaan en welke rol verdachte hierin heeft gespeeld. Verdachte dient daarom ook van dit tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte enige wetenschap had dat het minderjarige meisje ( [slachtoffer 2] )was weggelopen en zich had onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat verdachte haar bewust verborgen heeft gehouden voor haar ouders of voor politie en justitie. Daarom dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank het proces-verbaal van bevindingen (p. 115-116 van het dossier) willen betrekken om tot een bewezenverklaring te komen, dan wordt door de verdediging in dat geval (en dus voorwaardelijk) bezwaar gemaakt tegen de inhoud van dit proces-verbaal en met name de stelling dat het hier om een verklaring van het vermeende slachtoffer zou gaan. De verdediging wenst in dat geval dat het onderzoek heropend wordt en dat van de door de officier van justitie ter zitting overhandigde en aan het dossier toegevoegde dvd met geluidsopnamen een transcriptie wordt opgemaakt.\n\nDe raadsman kan zich vinden in de door de officier van justitie wat betreft feit 3 primair gevorderde vrijspraak. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer 3] te wisselend en daardoor ongeloofwaardig zijn. [slachtoffer 3] is voorts de enige getuige ten aanzien van dit feit. Voldoende steunbewijs voor een bewezenverklaring ontbreekt en daarom dient verdachte van feit 3 primair te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van een bewezenverklaring van feit 3 subsidiair merkt de raadsman op dat verdachte en [slachtoffer 3] destijds een liefdesrelatie hadden en dat sprake was van een relatief gering leeftijdsgeschil. Daarom was geen sprake van ontuchtig handelen en moet verdachte ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\nUit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het procesdossier volgt dat de dertienjarige [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Zij heeft naar eigen zeggen in de avond van 4 september 2025 de laatste trein van Den Bosch naar haar woonplaats Oss gemist en is samen met anderen, waaronder verdachte, naar de woning van verdachte in Uden gegaan. Van verdachte mocht zij in zijn woning verblijven. Op 5 september 2025 is [slachtoffer 1] , nadat haar vader te weten was gekomen waar zij verbleef, door de politie uit de woning van verdachte gehaald en naar haar ouders teruggebracht.\n\nHet kan voorkomen dat een minderjarige zelf (actief) bijdraagt aan de onttrekking van het wettig over hem of haar gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem of haar uitoefent. Bijvoorbeeld door van huis of uit een instelling weg te lopen en daarna bij een ander te verblijven. Dat een minderjarige zelf hiertoe het initiatief heeft genomen staat aan een veroordeling van die ander voor strafbare onttrekking niet zonder meer in de weg.\n\nVoor een strafbaar onttrekken is volgens vaste rechtspraak in dat geval wel vereist dat komt vast te staan dat de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag of opzicht uitoefent, in dit geval de ouders van [slachtoffer 1] .\n\nVerdachte heeft steeds ontkend dat hij [slachtoffer 1] opzettelijk onttrokken heeft aan het wettig over haar gestelde gezag. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte wetenschap had dat [slachtoffer 1] zich onttrokken had aan het over haar gestelde wettig gezag.\n\nDe door de officier van justitie gestelde omstandigheden dat door verdachte invloed is uitgeoefend op [slachtoffer 1] om haar mee naar zijn woning te krijgen en dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] pas 14 jaar oud was, vinden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in het dossier. Ook de door de officier van justitie genoemde omstandigheid dat [slachtoffer 1] van een Syrische jongen haar telefoon op vliegtuigstand moest zetten maakt dit niet anders. Er is geen bewijs dat dit een opdracht van verdachte was, of dat verdachte hier zelf van af wist.\n\nHoewel er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de situatie in het huis van verdachte (waar het een komen en gaan leek van (al dan niet) minderjarige personen, is over verdachtes handelen niet meer komen vast te staan dan dat hij [slachtoffer 1] heeft toegestaan in zijn woning te verblijven, nadat zij de laatste trein naar huis had gemist. Het enkele feit dat iemand een minderjarige, die bij hem op bezoek is gekomen, gedurende enige tijd onderdak verleent, is nog niet voldoende om te kunnen spreken van een ‘opzettelijke onttrekking van een minderjarige aan het ouderlijke gezag’.\n\nDat verdachte door zo te handelen wetenschap had van en een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige [slachtoffer 1] en haar ouders als degenen die het wettelijk gezag over haar uitoefenen is niet komen vast te staan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 1 primair.\n\nTen aanzien van feit 1 subsidiair\n\nHet voorgaande werkt ook door bij de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde feit.\n\nDe enige handeling van verdachte in dit verband waarvoor wettig en overtuigend bewijs bestaat is dat hij [slachtoffer 1] in zijn woning heeft laten verblijven nadat zij haar laatste trein gemist had. Dat is onvoldoende om van het verbergen of aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken in de betekenis die artikel 280, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht aan dat begrip geeft (Hoge Raad 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1775).\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van feit 1 subsidiair.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nUit de inhoud van het procesdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat de vijftienjarige [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Op 15 september 2025 – ten tijde waarvan zij woonachtig was in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp – heeft zij met toestemming van verdachte in zijn woning verbleven.\n\nIn de vroege ochtend van 15 september 2025 heeft de politie de woning van verdachte doorzocht omdat er sterke aanwijzingen waren dat [slachtoffer 1] , die als vermist was opgegeven nadat zij niet thuis gekomen was, daar verbleef. Verdachte en andere aanwezigen zijn in de woning door de politie gehoord. [slachtoffer 2] was, zo bleek later, op dat moment eveneens in de woning aanwezig, maar gaf bij de controle aan de politie een valse naam op en toonde daarbij een vals\u002Fvervalst ID-bewijs. Vlak voor de tweede doorzoeking van de woning is [slachtoffer 2] de woning ontvlucht toen zij de politie aan zag komen.\n\nUit het dossier volgt niet dat verdachte wist dat [slachtoffer 2] zich onttrokken had over het over haar gestelde gezag of opzicht. Sterker nog, uit de verklaring van [slachtoffer 2] zelf bij de rechter-commissaris is het tegendeel af te leiden. Het was ook [slachtoffer 2] zelf die bij controle door de politie een valse naam en vals of vervalst ID-bewijs gaf. Gelet daarop acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte [slachtoffer 2] opzettelijk heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van justitie en politie heeft onttrokken.\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 2.\n\nVoorwaardelijk verzoek\n\nBij wijze van voorwaardelijk verzoek heeft de verdediging verzocht om een transscriptie van op een dvd geplaatste gesprekken die gevoerd zijn met [slachtoffer 2] . Aangezien de voorwaarde (voor zover de rechtbank niet aanstonds tot vrijspraak komt) niet in vervulling gaat, komt de rechtbank aan behandeling van dat verzoek niet meer toe.\n\nTen aanzien van feit 3 primair\n\nDe rechtbank moet de vraag beantwoorden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de verkrachting(en) waarvan verdachte wordt beschuldigd.\n\nIn zaken over zedendelicten in de relationele sfeer is er vaak weinig bewijs, vooral als de verdachte het feit ontkent.\n\nOver het algemeen zijn er geen getuigen van de gebeurtenissen, omdat ze zich veelal afspelen in de beslotenheid van een woning, buiten aanwezigheid van derden. De verklaringen van het vermeende slachtoffer nemen dan ook een belangrijke plaats in bij de beoordeling van het bewijs. Het is bij de beoordeling van het bewijs in dergelijke zaken daarom noodzakelijk dat de rechtbank eerst beoordeelt of de verklaringen van het vermeende slachtoffer betrouwbaar zijn.\n\nDaarnaast kan volgens de wet een feit niet worden bewezen op grond van één getuige. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar acht. Naast de betrouwbaarheid van de verklaringen van het vermeende slachtoffer is het daarom van belang of er voldoende ander bewijs is dat die verklaring ondersteunt; het zogenaamde steunbewijs. Dat steunbewijs moet van een andere bron afkomstig zijn dan van het vermeende slachtoffer. Volgens de Hoge Raad hoeven niet alle handelingen waarvan verdachte wordt beschuldigd, ondersteund te worden door ander bewijs. De verklaring van het vermeende slachtoffer moet wel op concrete, wezenlijke punten worden ondersteund. Ook mag het steunbewijs niet in een te ver verwijderd verband staan tot wat moet worden bewezen.\n\nGelet op de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 3] staat het niet ter discussie dat er (in ieder geval éénmaal) seksueel contact heeft plaatsgevonden.\n\nVoor een bewezenverklaring van “verkrachting” (zoals bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold in de ten laste gelegde pleegperiode) is echter een mate van dwang vereist.\n\nVerdachte ontkent dat sprake was van dwang. Volgens verdachte vond de seks plaats met wederzijdse toestemming en was sprake van een liefdesrelatie.\n\nDe rechtbank heeft geconstateerd dat de verklaringen van [slachtoffer 3] over het feit dat er sprake was van seksueel contact in de kern voldoende consistent zijn geweest, maar over het aspect ‘dwang’ kan dat niet gezegd worden. Mede gelet op het feit dat de dwang niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund en verdachte dit stellig ontkent, acht de rechtbank de ‘dwang’ niet bewezen.\n\nMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem primair onder 3 ten laste is gelegd.\n\nTen aanzien van feit 3 subsidiair\n\nDe vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de subsidiair ten laste gelegde ontuchtige handelingen, te weten het seksueel binnendringen bij een persoon die nog geen zestien jaar oud is, bewezen kunnen worden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\nIn artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud) is bepaald dat het niet is toegestaan om met iemand tussen de twaalf en zestien jaar ontuchtige handelingen te plegen, die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Onder het begrip ‘ontuchtig handelen’ heeft de wetgever begrepen handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, welke maatstaf ook door de Hoge Raad wordt gehanteerd. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Uit het voorgaande vloeit voort dat het – bij de beantwoording van de vraag of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt – in belangrijke mate aankomt op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Hiervoor heeft de rechtbank gekeken naar de inhoud van het dossier.\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd. Verdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd.\n\nVerdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] is zwanger geraakt van verdachte. Haar moeder ontdekte op enig moment dat zij niet meer menstrueerde. [slachtoffer 3] heeft gekozen tot abortus over te gaan, die plaatsvond op 26 september 2024. Zij was toen ongeveer 20 weken zwanger. Dat betekent dat de conceptie dan begin mei 2024 zou moeten hebben plaatsgevonden.\n\nVerdachte wist dat [slachtoffer 3] minderjarig was toen hij seks met haar had. Desgevraagd heeft verdachte ter zitting verklaard dat het klopt dat hij in zijn telefoon de password\u002Fkeychain-notitie “ [naam] ” had staan en dat hij wist dat “2009” stond voor het geboortejaar van [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] zou hem, aldus haar verklaring bij de rechter-commissaris, ook gezegd hebben dat zij vijftien jaar was.\n\nDe rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de verklaring van [slachtoffer 3] betrouwbaar is en in voldoende mate steun vindt in andere, van haar verklaring onafhankelijke, bewijsmiddelen, waaronder de (deels) bekennende verklaring van verdachte en het feit dat zij zwanger is geraakt. De conclusie is dat er sprake is geweest van meermalen seksueel binnendringen door verdachte van het lichaam van een persoon tussen de twaalf en de zestien jaar.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of voornoemde seksuele handelingen moeten worden aangemerkt als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud), anders gezegd: of de seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm of dat in dit geval het ontuchtige karakter ontbreekt.\n\nVerdachte was bij aanvang van de tenlastegelegde periode 22,5 jaar oud en [slachtoffer 3] vijftien jaar oud. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat een kalenderleeftijdsverschil van zeven en een half jaar oud in die leeftijdscategorie geen gering leeftijdsverschil is. Verdachte en [slachtoffer 3] bevonden zich in totaal andere levensfasen. Zo was verdachte getrouwd en woonde hij op zichzelf, terwijl [slachtoffer 3] schoolgaand was en nog bij haar ouders woonde. Dit maakt dat sprake was van een volkomen ongelijke verhouding tussen hen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] in deze omstandigheden niet aan de sociaal-ethische norm voldoen. De seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] zijn als ontuchtig aan te merken in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud).\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het onder 3 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nOmwille van de leesbaarheid van dit vonnis, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage bij dit vonnis.\n\nDe beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de in de bewijsbijlage bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair\n\nop tijdstippen in de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt,\n\nontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten\n\n-het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en\n\n-het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en vingers.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.Oplegging van straf en\u002Fof maatregel.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair te veroordelen tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 8 juni 2026.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen die onder verdachte in beslag zijn genomen en nog niet teruggegeven zijn aan hem geretourneerd kunnen worden.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat bij de oplegging van een straf rekening moet worden gehouden met de in de pleitnota genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdediging heeft verzocht om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal tien maanden op te leggen met daarbij een forse voorwaardelijk gevangenisstraf van bijvoorbeeld acht maanden. Verdachte is bereid om zich gedurende een proeftijd van 3 jaren te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals opgesteld in het reclasseringsadvies.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een destijds vijftienjarig meisje. Verdachte wist ook dat zij zo jong was. Vanwege het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hem en het slachtoffer en het feit dat zij zich in andere levensfasen bevonden , had verdachte moeten inzien dat er sprake was van een volkomen ongelijke verhouding. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke, maar ook de geestelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het slachtoffer is ongewenst zwanger geraakt en heeft een abortus ondergaan. Dat moet, zeker ook binnen de context van haar familiesituatie, grote indruk op haar hebben gemaakt. Verdachte heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de belangen, de gevoelens en het welzijn van het slachtoffer en heeft kennelijk enkel gehandeld ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 mei 2026 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.\n\nDe rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van negen maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nAan deze (deels) voorwaardelijke straf worden na te noemen bijzondere voorwaarden gekoppeld. De rechtbank acht de geadviseerde proeftijd van 3 jaren noodzakelijk om risicomanagement te kunnen toepassen en om verdachte de tijd te geven om echt aan een gedragsverandering te werken.\n\nHet advies van de reclassering om de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren neemt de rechtbank niet over, nu naar het oordeel van de rechtbank niet is voldaan aan de voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid. Het ontbreekt de rechtbank aan argumenten om vast te stellen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDe rechtbank legt met de genoemde straf een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de feiten 1 en 2, terwijl de officier van justitie die feiten wel in haar eis betrok. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nBij afzonderlijke beslissing heeft de rechtbank reeds het bevel voorlopige hechtenis opgeheven, vanwege het ontbreken van gronden.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair, subsidiair)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij (deels) toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.\n\nBeoordeling.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3 subsidiair).\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij integraal toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe benadeelde partij dient, aldus de raadsman, vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.\n\nSubsidiair wordt enige vorm van schade en aantasting in de persoon op andere wijze betwist en ook ontbreekt daarvoor iedere vorm van onderbouwing. Het is te ingewikkeld om de opgelopen psychische schade in deze strafzaak te beoordelen, zodat de benadeelde partij ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.\n\nMeer subsidiair is gesteld dat niet op de juiste wijze aansluiting is gezocht bij de Rotterdamse schaal. Verwezen wordt naar de uitspraken ECLI:NL:RBOBR:2026:2759 en ECLI:NL:RBOBR:2026:2798 waarin duidelijk andere bedragen zijn toegewezen. Daarom wordt verzocht om matiging van het toe te wijzen bedrag.\n\nBeoordeling.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een bedrag van 15.000,- euro aan immateriële schade.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106, sub b, van het BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn\u002Fhaar eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn\u002Fhaar persoon is aangetast.​\n\nNaar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit geldt temeer nu uit het dossier en het onderzoek op de zitting bovendien is gebleken dat de destijds vijftienjarige benadeelde partij zwanger is geraakt van verdachte en dat zij deze zwangerschap na ongeveer 4,5 maand middels een abortus heeft afgebroken.\n\nImmateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.\n\nVerder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.\n\nNaast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.\n\nDe rechtbank zoekt aansluiting bij categorie C onder 15.2 met bandbreedte 12.500,- euro en 32.000,- euro nu sprake is geweest van ontucht met binnendringen waarbij sprake is geweest van ernstige gevolgen voor de benadeelde, namelijk een afgebroken zwangerschap.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 1 januari 2024, de aanvangsdatum van de tenlastegelegde periode.\n\nSchadevergoedingsmaatregel.\n\nDe rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag der algehele voldoening.\n\nAangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 245 (oud) Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart niet bewezen de onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 primair aan verdachte tenlastegelegde feiten en spreekt hem daarvan vrij;\n\n- verklaart het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd\n\nDe rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 9 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nEn stelt als bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht bij reclassering\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.\n\nVoor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij het Leger des Heils, reclassering op het adres Dr. Cuyperslaan 80 te Eindhoven.\n\nAmbulante behandeling\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en behandelen door een nog nader te bepalen Forensische GGz-instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start na de intake procedure. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek en de daaruit\n\nvoortvloeiende problematiek. Gelet op de vastgestelde problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\nVerblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start direct na aanmelding en opname. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\nVerbod verdovende middelen\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit geschied middels Urineonderzoek.\n\nDe reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\nContactverbod\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:\n\n [slachtoffer 3] , geboren op [2009]\n\nDagbesteding\n\nVerdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur, nader te bepalen in overleg met de reclassering. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag.\n\nAflossing schulden\n\nVerdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\nVermijden contact met minderjarigen\n\nVerdachte zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk.\n\nGeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nT.a.v. feit 1 primair en subsidiair:\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :\n\nDe rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een maatregel tot schadevergoeding.\n\nDe rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro.\n\nBepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nVoormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]:\n\nDe rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.\n\nVerdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. C.A. Mandemakers, voorzitter,\n\nmr. E.L. Traag en mr. I.C. Meuris, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,\n\nen is uitgesproken op 08 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.269Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":43,"courtId":79,"decisionDate":80,"fullText":81,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":50,"updatedAt":84},"1853","ECLI:NL:RBNHO:2026:8107","ecli-nl-rbnho-2026-8107",67,"2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie & Jeugd\n\nLocatie Haarlem\n\nMeervoudige kamer jeugdstrafzaken\n\nParketnummers: 15\u002F216369-24, 15\u002F096955-25 (ter terechtzitting gevoegd) en\n\n15\u002F061796-25 (ter terechtzitting gevoegd)\n\nUitspraakdatum: 1 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 en 17 juni 2026 in de zaak tegen:\n\n [de verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ),\n\ningeschreven in de Basis Registratie Personen op het adres, [adres]\n\nDe rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,\n\n [officier van justitie] .\n\nDaarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:\n\n- de verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam;\n\n- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de Jeugdreclassering) en\n\n- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)\n\nnaar voren hebben gebracht.\n\nDe rechtbank heeft verder kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen en van wat namens hen ter terechtzitting naar voren is gebracht.\n\n1. Tenlastelegging\n\nDe rechtbank heeft de feiten van de ter terechtzitting gevoegde dagvaardingen hieronder van een doorlopende nummering voorzien in het kader van de leesbaarheid.\n\nAan de verdachte is onder parketnummer 15\u002F216369-24 (hierna: feiten 1, 2 en 3)\n\nten laste gelegd dat:\n\nFeit 1hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1] - in een kamer in een woning aan de [adres] op\u002Fin te sluiten - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij 1] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking;\n\nFeit 3\n\nhij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n] door die [de benadeelde partij 1] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking;\n\naan de verdachte is onder parketnummer 15\u002F096955-25 (hierna: feit 4), na wijziging van de tenlastelegging zoals bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat:\n\nFeit 4\n\nPrimair\n\nhij op of omstreeks 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas en\u002Fof een ketting, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2] [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: \"Als je nu niet mee loopt dan krijg je klappen\" en\u002Fof \"Geef je tas maar aan mij, anders sla ik je\" en\u002Fof \"Geef die ketting, anders sla ik je neer\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof - die [de benadeelde partij 2] in het gezicht te slaan;\n\nSubsidiair\n\nhij op of omstreeks 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nmet het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen\n\ndoor geweld en\u002Fof bedreiging met geweld\n\n [de benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas en\u002Fof een ketting, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 2] en\u002Fof een derde toebehoorde(n)\n\ndoor\n\n- die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: \"Als je nu niet mee loopt dan krijg je klappen\" en\u002Fof \"Geef je tas maar aan mij, anders sla ik je\" en\u002Fof \"Geef die ketting, anders sla ik je neer\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof\n\n- die [de benadeelde partij 2] in het gezicht te slaan.\n\naan de verdachte is onder parketnummer 15\u002F061796-25 (hierna: feit 5)ten laste gelegd dat:\n\nFeit 5\n\nhij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad openlijk, te weten, [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en\u002Fof op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [de benadeelde partij 3] , door die [de benadeelde partij 3] - met één of meerdere personen te omsingelen en\u002Fof - vast te pakken en\u002Fof te vast te houden en\u002Fof - te duwen (in welk tumult de scooter is gevallen) en\u002Fof - één of meermalen te slaan tegen het hoofd en\u002Fof het bovenlichaam, althans het lichaam van die [de benadeelde partij 3] en\u002Fof - te trappen tegen één of meerdere knieën, althans het lichaam van die [de benadeelde partij 3] en\u002Fof - met een kettingslot te slaan tegen één of meerdere benen, althans het lichaam;2. Voorvragen\n\nDe rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.\n\n3. Beoordeling van het bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde feiten.\n\n3.2.. Standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de feiten 1, 2 en 3\n\nDe raadsman heeft bepleit om de verdachte vrij te spreken van de wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1), omdat het opzet van de verdachte daar niet op was gericht. Daarnaast is onduidelijk of de deur van de kamer waar aangever [de benadeelde partij 1] zich met de verdachte en zijn mededaders in bevond was afgesloten. Medeplegen kan evenmin worden vastgesteld.\n\nVastgesteld kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing voor wat betreft de schoenen van de aangever. Bij de afpersing\u002F diefstal ten aanzien van de overige goederen is de verdachte niet aanwezig geweest. Daarom dient hij van feit 2 te worden vrijgesproken en dient voor feit 3 partiële vrijspraak te volgen voor wat betreft het medeplegen en de afpersing ten aanzien van de overige tenlastegelegde goederen.\n\nTen aanzien van feit 4 primair en subsidiair\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 4. De aangifte is gedaan door de vader van aangever [de benadeelde partij 2] . Dat doet afbreuk aan de betrouwbaarheid van de aangifte. De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat de verdachte niet voldoet aan het signalement dat in de aangifte is opgegeven van de personen die de aangever hebben beroofd dan wel afgeperst. Gelet op de omschrijving in de aangifte zou de verdachte persoon 2 moeten zijn, maar die heeft volgens de aangifte lichtbruin haar. Dat heeft de verdachte niet. In de aangifte wordt daarnaast niet benoemd dat persoon 2 een snor had, terwijl de verdachte die toen wel had. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat de verdachte persoon 2 is, die deel heeft uitgemaakt van de groep van vijf personen, die met de aangever uit de [restaurant] naar het fietsenhok zijn gelopen en hem daar hebben beroofd.\n\nTen aanzien van feit 5\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat het openlijk geweld in vereniging bewezen kan worden verklaard, maar dan alleen voor wat betreft de handelingen van de verdachte, namelijk het slaan en schoppen van aangever [de benadeelde partij 3] . Omdat de opzet van de verdachte op de overige ten laste gelegde geweldshandelingen ontbreekt, dient hij daarvan te worden vrijgesproken.\n\n3.3. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. \n\nRedengevende feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.\n\n3.3.2. Bewijsmotivering\n\nTen aanzien van de feiten 1, 2 en 3\n\nOp basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt de rechtbank vast dat aangever [de benadeelde partij 1] in de middag van 9 juni 2024 enige tijd in een woning aan [adres] te Zaandam (hierna: de woning) is geweest en daar door meerdere jongens is bestolen. Hij is daarbij geïntimideerd, geslagen en bedreigd.\n\nVast staat dat de verdachte, samen met medeverdachten [de medeverdachte 1] , [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ten tijde van het gehele incident in de woning aanwezig is geweest. Volgens de verdachte heeft hij alleen de schoenen van de aangever afgenomen. Ook heeft hij verklaard dat hij de aangever heeft geslagen, omdat de aangever hem eerst sloeg. Van de rest van het incident heeft de verdachte niets meegekregen, omdat hij al die tijd op de wc zat, aldus de verdachte.\n\nDe vraag die de rechtbank dan ook moet beantwoorden, is of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt van de tenlastegelegde feiten.\n\nVoor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en\u002Fof materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de afweging hiervan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.\n\nUit de verklaring van de aangever bij de politie volgt dat hij in de middag van 9 juni 2024 met medeverdachte [de medeverdachte 1] had afgesproken om bij [de medeverdachte 1] thuis te chillen. De aangever heeft [de medeverdachte 1] ontmoet bij het ziekenhuis [ziekenhuis] en ze zijn vervolgens samen naar de woning van [de medeverdachte 1] gelopen. Op een gegeven moment zijn de verdachte en medeverdachten [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ook naar de woning gekomen. In eerste instantie was er niets aan de hand. Op enig moment sloeg de sfeer om en werd de aangever op bed geduwd, van zijn schoenen beroofd en geslagen. Ook voelde de aangever zich gedwongen om, desgevraagd, zijn shirt af te geven. Tegen de aangever werd daarna gezegd dat hij de woning uit moest. De aangever heeft de woning toen verlaten, maar is kort daarna teruggekeerd met het idee om zijn schoenen op te halen. Toen de aangever weer in de woning was, werd de deur van de kamer dicht gedaan en op slot gedraaid. De aangever is naar de deur gerend om de kamer te ontvluchten, maar de weg werd geblokkeerd. De aangever is vervolgens vastgepakt bij zijn kleding, geduwd tegen zijn borst, meerdere keren geslagen tegen zijn hoofd en bedreigd om het wachtwoord van zijn telefoon te geven en met de dood. Zijn jas en telefoon werden van hem afgepakt, zijn broekzakken werden doorzocht en daar werden zijn airpods, kleingeld, vape en een aansteker uit gehaald. Nadat de aangever was gedwongen om in te loggen op de app van zijn bankrekening en te zien was dat het saldo ongeveer € 0,09 bedroeg, heeft de aangever zijn telefoon teruggekregen en werd gezegd dat hij mocht vertrekken. De aangever heeft toen met de draaiknop de deur open gedaan en is weggegaan.\n\nDe verklaring van de aangever vindt op cruciale onderdelen steun in de verklaring van medeverdachte [de medeverdachte 1] . Zo heeft [de medeverdachte 1] verklaard dat hij de aangever heeft gevraagd om mee terug te lopen naar zijn woning om zijn schoenen te halen. Toen zij weer in zijn slaapkamer waren, zag hij dat medeverdachte [de medeverdachte 2] de kamerdeur dicht en op slot deed. Hij zag dat de verdachte toen heel dicht en dreigend tegenover de aangever stond. [de medeverdachte 1] zag dat [de medeverdachte 2] de aangever bij zijn kleding vastpakte op een agressieve manier en dat hij hem meerdere harde klappen in zijn gezicht gaf. [de medeverdachte 1] heeft verklaard dat de jas van de aangever is afgenomen door [de medeverdachte 2] . Ook heeft [de medeverdachte 1] gezien dat de aangever zijn telefoon en wachtwoord moest geven aan [de medeverdachte 2] . [de medeverdachte 3] probeerde op dwingende wijze het wachtwoord van de telefoon te krijgen, waarbij de aangever ook met de dood werd bedreigd. De aangever mocht pas gaan als hij zijn wachtwoord zou geven. [de medeverdachte 1] heeft verder gezien dat [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] in de zakken van de aangever hebben gevoeld en daar spullen en geld hebben uitgehaald.\n\nGelet op deze verklaringen schuift de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij, toen de aangever terugkwam naar de woning de hele tijd op de wc heeft gezeten, niets heeft meegekregen van het incident en daar dus ook geen bijdrage aan heeft geleverd, als ongeloofwaardig ter zijde. Van het moment dat de aangever terugkeerde in de woning totdat hij de woning verliet zat bovendien ongeveer dertig minuten. Ook dat maakt dat aan de verklaring van de verdachte geen waarde wordt gehecht.\n\nDe rechtbank overweegt dat de verdachte en medeverdachten samen in de woning waren, aldaar samen voor de aangever een zeer bedreigende en intimiderende situatie hebben gecreëerd, waarbij de aangever is belet om de woning waar hij zich – met zijn belagers – in bevond, te verlaten. Gedurende het gehele incident zijn de verdachte en de medeverdachten samen geweest, de verdachte heeft zich hier niet van gedistantieerd en de verdachte en medeverdachten hebben vervolgens samen de woning verlaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel de verdachte naderhand niet de grootste agressor lijkt te zijn geweest, is zijn bijdrage aan het geheel van de tenlastegelegde gedragingen van zodanig gewicht dat dat dient te worden aangemerkt als medeplegen.\n\nAnders dan door de raadsman is betoogd, is hiermee ook vast komen te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het medeplegen van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan dan ook bewezen worden verklaard. Dat de opzet van de verdachte en de medeverdachten alleen zou zijn gericht op de beroving van de spullen, doet – wat daar ook van zij – niet af aan de feitelijke situatie en juridische kwalificatie daarvan. Het feit dat de aangever op een gegeven moment zelf de woning heeft kunnen verlaten, maakt daarbij ook geen verschil. Van opsluiting hoeft bij de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving immers geen sprake te zijn. Nadat de aangever was teruggekeerd, was hij voortdurend in de nabijheid van de verdachte en medeverdachten en werd hij belemmerd om de woning te verlaten, waarbij hij werd bedreigd en geslagen.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen van diefstal met geweld en het medeplegen afpersing wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nTen aanzien van feit 4 primair en subsidiair\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte medepleger is geweest van de tenlastegelegde beroving en afpersing met geweld. De verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar in de [restaurant] aanwezig is geweest, maar dat hij met de beroving die buiten heeft plaatsgevonden niets te maken heeft gehad. De rechtbank komt echter tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en overweegt daartoe als volgt.\n\nUit de bewijsmiddelen en wat op de zitting is besproken volgt dat de verdachte onderdeel uitmaakte van een groep van vijf personen, bestaande uit twee meisjes en drie jongens, die aangever [de benadeelde partij 2] in de [restaurant] hebben aangesproken. Twee jongens van die groep hebben de aangever buiten beroofd en afgeperst. De aangever heeft een signalement van de twee jongens gegeven. Persoon 1 heeft een donkere huidskleur en zwart haar. Persoon 2 wordt omschreven als een man met krullend lichtbruin haar, licht getint, Marokkaanse afkomst, gespierd postuur. Het signalement van persoon 2 past als enige signalement, bij de uiterlijke kenmerken van de verdachte. Op de camerabeelden van binnen in de [restaurant] is de verdachte herkend als de persoon die tegen de aangever praat. Ook is te zien dat de verdachte samen met een ander aan de ketting van de aangever zit.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat de verdachte de door de aangever genoemde persoon 2 is geweest en zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de tenlastegelegde diefstal en afpersing met geweld. Uit de aangifte, in onderling samenhang bezien met de bevindingen in de [restaurant] , blijkt dat de verdachte onderdeel uitmaakte van de groep van vijf personen, waarvan hij de enige jongen is met een licht getinte huidskleur en krullend lichtbruin haar, die in de [restaurant] contact maakte met de aangever. Het is de verdachte geweest die in de [restaurant] aan de ketting van de aangever heeft gezeten en als onderdeel van de groep van vijf personen met de aangever naar buiten loopt. Volgens de verklaring van de aangever is hij vervolgens met dezelfde groep van vijf personen naar de fietsenstalling gelopen, waar de aangever door onder meer de licht getinte jongen met krullend haar uit de groep is beroofd van zijn tas en vervolgens werd gedwongen zijn ketting af te geven.\n\nDe rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat zowel het onder 4 primair als subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nTen aanzien van feit 5\n\nAnders dan door de raadsman is betoogd, is voor de tenlastegelegde openlijke geweldpleging niet vereist dat de verdachte alle geweldshandelingen zelf heeft verricht. De verdachte heeft verklaard dat hij geweldshandelingen tegen aangever [de benadeelde partij 3] heeft verricht, bestaande uit het slaan en schoppen van de aangever, waarmee hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het ten laste gelegde. De verdachte kan daarmee verantwoordelijk worden gehouden voor het plegen van openlijk geweld, en dus ook voor de handelingen die in hetzelfde incident (nadien) zijn verricht door anderen, zoals het slaan met het kettingslot.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het openlijk en in vereniging plegen van geweld ten aanzien van het geheel aan geweldshandelingen die door hemzelf en de medeverdachten zijn gepleegd.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat\n\nFeit 1hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1] - in een kamer in een woning aan [adres] , op te sluiten en - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", en - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen een paar schoenen en een jas en airpods en een hoeveelheid kleingeld en een telefoon en een vape en een aansteker, die aan [de benadeelde partij 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij 1] - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - hem dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\";\n\nFeit 3\n\nhij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een shirt dat aan die [de benadeelde partij 1] toebehoorde door die [de benadeelde partij 1] tegen het gezicht te slaan en tegen lichaam te duwen.\n\nFeit 4\n\nhij op 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander een tas, die aan [de benadeelde partij 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door - die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: \"Als je nu niet mee loopt dan krijg je klappen\" en \"Geef je tas maar aan mij, anders sla ik je’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\nen\n\nhij op 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen\n\ndoor bedreiging met geweld [de benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een ketting, die aan die [de benadeelde partij 2] toebehoorde, door\n\n- die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: \"Als je nu niet meeloopt dan krijg je klappen\" en \"Geef die ketting, anders sla ik je neer\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.\n\nFeit 5\n\nhij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad openlijk, te weten, op de [adres] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [de benadeelde partij 3] , door die [de benadeelde partij 3] - met meerdere personen te omsingelen en - vast te pakken en te houden en - te duwen in welk tumult de scooter is gevallen en - te slaan tegen het hoofd en het bovenlichaam van die [de benadeelde partij 3] en - te trappen tegen één knie, en - met een kettingslot te slaan tegen de benen,;\n\n De in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.\n\nWat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\n4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\ndiefstal, voorafgegaan , vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 3:\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 4:\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nen\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 5:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen personen\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.\n\n5. Strafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\n6. Motivering van de sanctie\n\n6.1. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen jeugddetentie, waarvan 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad.\n\nBij bepaling van de hoogte van de werkstraf heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nDaarnaast heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd.\n\n6.2. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht om bij de bepaling van (de hoogte van) de strafmaat rekening houden met de geringe rol van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten en zijn belaste verleden. Daarnaast is een forse overschrijding van de redelijke termijn aan de orde. Bovendien heeft de verdachte de afgelopen twee jaar in een schorsing onder strenge voorwaarden gelopen en is hij niet meer in contact gekomen met politie en justitie. Daarom is in dit geval een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk, een passende straf. Omdat de verdachte te kampen heeft met de verwerking van traumatische ervaringen uit zijn verleden, is het van belang dat de bijzondere voorwaarden, zoals door de Raad zijn geadviseerd, worden verbonden aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen taakstraf.\n\n6.3. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nIn het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich in vier maanden tijd schuldig gemaakt aan verschillende strafbare feiten.\n\nHij heeft samen met anderen [de benadeelde partij 1] in de kamer van een appartement van zijn vrijheid beroofd. De verdachte en zijn mededaders hebben [de benadeelde partij 1] bedreigd, geslagen en geduwd en hem gedwongen om in de kamer te blijven. Daarbij heeft de verdachte samen met anderen met geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] beroofd van zijn bezittingen dan wel gedwongen tot afgifte daarvan. Drie maanden later heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld op een schoolplein, waarbij de verdachte met een grote groep andere jongeren [de benadeelde partij 3] in elkaar heeft geslagen. Een maand later heeft de verdachte, met een ander, [de benadeelde partij 2] beroofd en afgeperst van een tas en een ketting.\n\nDit zijn ernstige feiten, die de rechtbank de verdachte aanrekent. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedrag voor de slachtoffers. Door zo te handelen heeft hij ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit en levenssfeer van de slachtoffers, waarbij hij bij hen veel angst heeft veroorzaakt. De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan moeten ondervinden, zoals onder meer blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding dat namens [de benadeelde partij 1] is ingediend. Hij kampt nog steeds met slaapproblemen, heeft angst om alleen naar buiten te gaan en heeft voor zijn klachten traumatherapie moeten ondergaan. Daarnaast tasten dit soort misdrijven ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan.\n\nPersoon van de verdachte\n\nMet betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.\n\nDe rechtbank heeft verder acht geslagen het rapport van de Raad van 28 mei 2026, uitgebracht door [raadsonderzoeker] .\n\nIn dit rapport komt onder meer naar voren dat de verdachte in zijn leven veel ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt en daardoor psychisch trauma heeft opgelopen. Op achtjarige leeftijd is de verdachte met zijn familie van Syrië naar Nederland gevlucht vanwege de oorlog. De verdachte heeft thuis veel huiselijk geweld meegemaakt. Inmiddels is de situatie thuis rustiger, omdat de ouders zijn gescheiden. De verdachte heeft thuis bij zijn moeder veel verantwoordelijkheden, waardoor hij weinig ruimte ervaart voor school of werk\n\nDe Raad vindt het positief dat de verdachte sinds de laatste verdenking van oktober 2024 geen politiecontacten meer heeft gehad en dat hij afstand heeft gedaan van bepaalde vrienden met wie hij destijds regelmatig in de problemen is gekomen. Daarnaast heeft de Raad gesignaleerd dat, ondanks de langdurige betrokkenheid van de jeugdreclassering en de IFA coach, er nog meerdere doelen zijn die behaald moeten worden. Omdat de eerder geboden hulp bij de Waag destijds niet goed van de grond is gekomen, is het van belang dat deze hulp opnieuw wordt geboden, maar dan met extra ondersteuning vanuit de IFA c oach. De jeugdreclassering en de IFA coach kunnen de verdachte ook hulp en steun bieden bij het vinden van een zinvolle dagbesteding.\n\nDe Raad heeft geadviseerd een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen. De verdachte heeft op dit moment geen zinvolle dagbesteding waardoor hij nu voldoende tijd en ruimte heeft om dit uit te voeren. Het voorwaardelijke deel van de werkstraf is een stok achter de deur zodat hij gedurende de proeftijd niet recidiveert en meewerkt aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding, meewerkt met de IFA coach en aan behandeling bij de Waag.\n\nDe rechtbank heeft ook acht geslagen op het evaluatieverslag van de jeugdreclassering, opgesteld door [gezinsmanager] , gezinsmanager. De conclusie en het advies van de jeugdreclassering zijn in overeenstemming met de conclusie en het advies van de Raad, waarbij tevens wordt geadviseerd dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering dat nodig acht.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van het soort straf en de duur van de straf gelet op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor jeugdigen voor afpersing\u002Fdiefstal met geweld en openlijk geweld in vereniging, zoals dat is vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte de bewezenverklaarde feiten steeds in groepsverband heeft gepleegd alsook met de mate waarin de verdachte en zijn mededaders geweld jegens de slachtoffers hebben toegepast.\n\nVoorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de redelijke termijn van berechting is overschreden met een periode van meer dan 8 maanden ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 en met een periode van 3 maanden ten aanzien van de feiten 4 en 5. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding dient te worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.\n\nVerder heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten noch in de periode van twee jaar nadien voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie of justitie en dat hij in de afgelopen twee jaar in een schorsing heeft gelopen, waarbij hij zich aan strenge voorwaarden, zoals een avondklok en een contactverbod heeft moeten houden.\n\nDeze omstandigheden maken dat de rechtbank, net als de officier van justitie, het niet meer passend vindt om naast een aanzienlijke werkstraf tevens een (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen. Wel is de rechtbank met de Raad en de officier van justitie van oordeel dat het zowel ten behoeve van de ontwikkeling van verdachte als ter vermindering van het recidiverisico van groot belang is dat hij behandeling ondergaat bij de Waag en hij wordt ondersteund en begeleid door de jeugdreclassering en de IFA coach, ook bij het vinden van een passende dagbesteding. Nu de noodzaak tot toezicht en begeleiding via het opleggen van bijzondere voorwaarden kan worden gewaarborgd, zal de rechtbank de op te leggen werkstraf in een deels voorwaardelijke vorm opleggen.\n\nGelet hierop en alles afwegende zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van honderdzestig (160) uren opleggen, bij niet naar behoren verrichten waarvan te vervangen door tachtig (80) dagen jeugddetentie. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan van tachtig (80) uren vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de jeugdreclassering noodzakelijk. Verder dient de verdachte mee te werken aan zijn behandeling bij de Waag, mee te werken met zijn IFA coach en mee te werken aan het vinden en behouden van passende dagbesteding in de vorm van school en\u002F of werk.\n\nTen aanzien van de op te leggen bijzondere voorwaarden en het toezicht overweegt de rechtbank tot slot dat zij, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, van oordeel is dat deze niet dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard. De omstandigheden dat verdachte nooit eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en hij in de periode van twee jaar tussen de bewezenverklaarde feiten en de inhoudelijk behandeling niet nogmaals in aanraking is gekomen met politie en justitie, ondanks zijn complexe persoonlijke omstandigheden, maken dat geen sprake is van een situatie waarin er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich wederom schuldig zal maken aan een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.\n\n7. Vorderingen van de benadeelde partijen\n\n7.1. \n\nVorderingen benadeelde partijen [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2]\n\nNamens [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2] zijn ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 respectievelijk feit 4 vorderingen tot schadevergoeding ingediend. Zij werden daarin bijgestaan door [medewerker] , medewerker bij Slachtofferhulp Nederland.\n\n7.1.1. \n\nVordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 1]\n\nDe benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.600 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht om het te vergoeden bedrag te matigen naar wat in vergelijkbare zaken aan schadevergoedingen wordt toegekend, wat zou betekenen dat een vergoeding tussen de € 500 en € 1.000 op zijn plaats is. Ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke rente heeft de raadsman verzocht om deze te laten gelden vanaf het moment dat deze wordt begroot, dus vanaf de datum van de uitspraak.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en wat op de zitting is besproken. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank overweegt dat, nu de immateriële schade bij uitspraak van 1 juli 2026 is vastgesteld, de wettelijke rente ook vanaf dat moment dient te gelden.\n\nDaarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nDaarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nschadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1,2 en 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen diefstal met geweld en medeplegen afpersing] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\n7.1.2. \n\nVordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2]\n\nDe benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 900 ingediend tegen de verdachte die hij als gevolg van feit 4 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDeze schade bestaat uit vermogensschade ad € 350, te weten een vergoeding voor een gestolen zilveren (imitatie) koningsketting en immateriële schade ad € 550.\n\nTer zitting is door Slachtofferhulp Nederland, onder verwijzing naar een uitspraak (ECLI:RBNHO:2024:7551), verzocht het immateriële deel te verhogen naar een bedrag van € 1.250, met als gevolg dat in totaal een bedrag van € 1.600 wordt gevorderd.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de vermogensschade toewijsbaar is. Ten aanzien van de immateriële schade dient aansluiting te worden gezocht bij het oorspronkelijke bedrag van\n\n€ 550 dat ook in de zaak van de medeverdachte is gevorderd. Het verzoek tot schadevergoeding dient daarom te worden toegewezen voor een bedrag van € 900, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair verzocht om de vordering ten aanzien van de vermogensschade niet ontvankelijk te verklaren omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft hij verzocht om het gevorderde bedrag aan vermogensschade te matigen.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman tevens om matiging verzocht en bij de bepaling van de hoogte daarvan aansluiting te zoeken bij het bedrag dat in de zaak van de medeverdachte is toegekend, namelijk € 200.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de gevorderde vermogensschade onvoldoende is onderbouwd waardoor dit deel van de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard. In dit geval ging het om een imitatie ketting en was ter onderbouwing van de schade geen aankoopnota van de ketting overgelegd. Daarbij is namens de benadeelde partij meegedeeld dat de waarde die de ketting vertegenwoordigde met name een emotionele waarde was.\n\nTen aanzien van het immateriële deel van de vordering overweegt de rechtbank als volgt.\n\nVoor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals vermeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Eén van de gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade volgt uit artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Uit dit artikel vloeit voort dat de benadeelde partij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van het laatste is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van de bedoelde ‘aantasting in persoon op andere wijze’. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat één van deze grondslagen voor immateriële schadevergoeding in zijn geval van toepassing is. Immers is niet gebleken dat sprake is geweest van lichamelijk letsel, anders dan een aantal blauwe plekken. Daarnaast vormt de omstandigheid dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit psychische klachten heeft ontwikkeld en gevoelens van onrust en onveiligheid heeft gekregen – hoe voorstelbaar ook – onvoldoende grond om te stellen dat daarmee sprake is van geestelijk letsel of dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is ook niet gebleken dat de nadelige gevolgen van de diefstal met geweld en afpersing voor de benadeelde zodanig voor de hand ligt dat zonder meer aantasting van de persoon kan worden aangenomen.\n\nDe vordering van de benadeelde partij zal daarom ook ten aanzien van het immateriële deel niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nDe benadeelde partijen kunnen de (delen van de) vorderingen die niet-ontvankelijk worden verklaard desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\n8. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe volgende wetsartikelen zijn van toepassing:\n\nartikel 36f, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.\n\nBepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.\n\nVerklaart de verdachte hiervoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERDZESTIG (160) urentaakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen doortachtig (80) dagenjeugddetentie, met bevel dat een gedeelte van deze straf, groottachtig (80) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen doorveertig (40) dagenjeugddetentie,nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast vantwee (2) jaren.\n\nStelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nStelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n- zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht; - een zinvolle dagbesteding heeft in de vorm van scholing en\u002Fof werk; - meewerkt met de IFA coach van Levvel zolang de jeugdreclassering dit nodig acht; - meewerkt aan behandeling van De Waag, of een soortgelijke instelling, gericht op trauma en emotieregulatie, zolang de Jeugdreclassering dit nodig acht.\n\nGeeft opdracht aan De Jeugdbescherming Regio Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nStelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.\n\nBepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.\n\nWijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 1]geleden schade tot een bedrag van€ 1.600, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.\n\nBepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nVeroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.\n\nLegt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.600, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door0 dagengijzeling.\n\nBepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en\u002Fof de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen\n\nBepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.\n\nVerklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 2]niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nHeft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.\n\nSamenstelling rechtbank en uitspraakdatum\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. J. van Beek, voorzitter,\n\nmr. C.E. Voskens en mr. A.K. Mireku, allen (kinder)rechter,\n\nin tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8107","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.129Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":43,"courtId":79,"decisionDate":80,"fullText":89,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":50,"updatedAt":91},"1852","ECLI:NL:RBNHO:2026:8114","ecli-nl-rbnho-2026-8114","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nTeam Straf\n\nLocatie Haarlem\n\nMeervoudige strafkamer\n\nParketnummer: 15\u002F188290-24 en 16\u002F11819-23 (tul)\n\nUitspraakdatum: 1 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 en 17 juni 2026 in de zaak tegen:\n\n [de verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] te [plaats] ,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,\n\n [officier van justitie] , en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.L. Lischer, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.\n\n1. Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [benadeelde partij] - in een kamer in een woning aan [adres] op\u002Fin te sluiten - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", - te verhinderen die kamer te verlaten;2. Voorvragen\n\nDe rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving door aangever na het verlaten van de woning weer naar binnen te lokken. Gelet op wat zich reeds in de kamer had afgespeeld, vindt de officier van justitie het onaannemelijk dat de verdachte niet wist wat er vervolgens zou gebeuren.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van wat de verdachte ten laste is gelegd. De verdediging heeft aangevoerd dat - hoewel de verdachte wist dat er iets gebeurde dat niet in de haak was - niet kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving.\n\n4. Het oordeel van de rechtbank\n\nOp basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt de rechtbank het volgende vast. De verdachte heeft de aangever gevraagd om in de middag van 9 juni 2024 bij hem thuis te chillen. Op een gegeven moment zijn medeverdachten [de medeverdachte 1] , [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ook naar de woning van de verdachte gekomen. In eerste instantie was er niets aan de hand, maar op enig moment sloeg de sfeer om en werd de aangever onder meer geslagen, werden zijn schoenen gestolen en is zijn jas afgenomen. De aangever heeft de woning verlaten, maar is kort daarna door de verdachte gebeld die hem vroeg terug te komen. De aangever is vervolgens teruggekeerd met het idee om zijn schoenen op te halen. Toen de aangever weer in de woning was, werd de deur van de kamer dicht gedaan en op slot gedraaid. Vanaf dat moment is de aangever van zijn vrijheid beroofd (gehouden), waarbij hij wederom door meerdere jongens geïntimideerd, geslagen, bedreigd en van zijn spullen is beroofd.\n\nDe verdachte is, samen met medeverdachten [de medeverdachte 3] , [de medeverdachte 1] en [de medeverdachte 2] ten tijde van het gehele incident in de woning aanwezig geweest. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt van de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\nVoor een veroordeling voor medeplegen moet vast komen te staan dat bij het begaan van de feiten sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de mededaders. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders. De bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal ook dan van voldoende gewicht moeten zijn. Daarnaast geldt een dubbel opzetvereiste. De verdachte moet zowel opzet op de onderlinge samenwerking met de mededaders hebben gehad, als opzet op het gronddelict: in dit geval de wederrechtelijke vrijheidsberoving.\n\nHet dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat sprake was van een vooropgezet plan om de aangever van zijn vrijheid te beroven. Uit het dossier volgt dat het de verdachte is geweest die de aangever heeft gebeld om terug te komen naar zijn woning, maar niet is komen vast te staan dat hij daarbij wist of had kunnen weten wat er vervolgens zou gebeuren. Uit het dossier is verder af te leiden dat de verdachte weliswaar in de woning aanwezig was ten tijde van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, maar niet vastgesteld kan worden dat de verdachte een rol heeft gehad in de uitvoering hiervan. Niet is komen vast te staan dat de verdachte zelf geweldshandelingen heeft verricht, de aangever heeft bedreigd of anderszins substantieel heeft bijgedragen aan de dreigende sfeer in de woning. De verdachte was erbij en heeft niet ingegrepen, maar die enkele omstandigheid is onvoldoende om te kunnen spreken van een bijdrage van voldoende gewicht, wat voor medeplegen noodzakelijk is.\n\nDe rechtbank concludeert dan ook dat van enige cruciale rol bij de totstandkoming en de uitvoering van de wederrechtelijke vrijheidsberoving niet is gebleken. Ook kan niet worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de bedoeling van zijn mededaders, evenmin dat hij de op de wederrechtelijke vrijheidsberoving gerichte (voorwaardelijke) opzet had. De rechtbank is om die reden van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor de nauwe en bewuste samenwerking die voor de bewezenverklaring van het medeplegen is vereist. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken van dit feit.\n\n5. Vordering benadeelde partij\n\nNamens de benadeelde partij [benadeelde partij] is een vordering tot schadevergoeding van € 1.600 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat, nu niet wettig en overtuigend is bewezen wat aan de verdachte is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.\n\nGelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.\n\n6. Vordering tot tenuitvoerlegging\n\nBij vonnis van 31 oktober 2023 in de zaak met parketnummer 16\u002F118319-23 is de verdachte voor poging tot zware mishandeling veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zestig dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De proeftijd is ingegaan op 15 november 2023.\n\nOmdat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, kan niet worden vastgesteld dat hij de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.\n\nDe rechtbank zal de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging reeds om die reden afwijzen.\n\n7. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart niet bewezen wat aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nWijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 16\u002F118319-23 opgelegde voorwaardelijke straf.\n\nSamenstelling rechtbank en uitspraakdatum\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. J. van Beek, voorzitter,\n\nmr. C.E. Voskens en mr. A.K. Mireku, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8114","2026-07-13T00:29:42.087Z",{"id":93,"ecli":94,"slug":95,"caseNumber":43,"courtId":79,"decisionDate":80,"fullText":96,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":50,"updatedAt":98},"1854","ECLI:NL:RBNHO:2026:8112","ecli-nl-rbnho-2026-8112","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie & Jeugd\n\nLocatie Haarlem\n\nMeervoudige kamer jeugdstrafzaken\n\nParketnummer: 15\u002F216451-24 en 15\u002F244873-25 (ter terechtzitting gevoegd)\n\nUitspraakdatum: 1 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 en 17 juni 2026 in de zaak tegen:\n\n [de verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] te [plaats] ,\n\ningeschreven in de Basis Registratie Personen op het adres [adres] .\n\nDe rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,\n\n [officier van justitie] .\n\nDaarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van wat\n\n- de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F. Tosun, advocaat te Zaandam;\n\n- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens de William Schrikker Stichting (hierna: de Jeugdreclassering) en\n\n- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)\n\nnaar voren hebben gebracht.\n\nDe rechtbank heeft verder kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen en van wat namens hen ter terechtzitting naar voren is gebracht.\n\n1. Tenlastelegging\n\nDe rechtbank heeft de feiten van de ter terechtzitting gevoegde dagvaardingen hieronder van een doorlopende nummering voorzien in het kader van de leesbaarheid.\n\nAan de verdachte is onder parketnummer 15\u002F216451-24 (hierna: feiten 1, 2 en 3)\n\nten laste gelegd dat:\n\nFeit 1hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1] - in een kamer in een woning aan de [adres] op\u002Fin te sluiten - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij 1] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking;\n\nFeit 3\n\nhij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n] door die [de benadeelde partij 1] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking;\n\naan de verdachte is onder parketnummer 15\u002F3554873-25 (hierna: feit 4)ten laste gelegd dat:\n\nFeit 4\n\nhij op of omstreeks 3 juli 2025 te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas met inhoud, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die tas [met kracht] los te rukken\u002Ftrekken\u002Fgrissen uit [de] hand[en] van die [de benadeelde partij 2] .\n\n2. Voorvragen\n\nDe rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.\n\n3. Beoordeling van het bewijs3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit om de verdachte vrij te spreken van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.\n\nTen aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van wederrechtelijke vrijheidsbeneming, omdat niet kan worden vastgesteld dat aangever [de benadeelde partij 1] tegen zijn wil werd vastgehouden in de woning. [de benadeelde partij 1] kon de kamer gewoon verlaten en is op enig moment ook zelf de kamer uitgelopen en weer teruggekomen. Hij werd door niemand tegengehouden en er werd ook niet tegen hem gezegd dat hij niet weg mocht gaan. Ook toen de deur op slot werd gedraaid, kon hij de kamer verlaten, omdat het slot van binnen uit kon worden geopend. Ter onderbouwing van het standpunt heeft de raadsvrouw verwezen naar de uitspraak opgenomen onder ECLI:NL:GHAMS:2016:5701, waarin een soortgelijke situatie zich voordeed en de verdachte is vrijgesproken. De verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij niet bij het incident betrokken is geweest, waardoor evenmin sprake is van medeplegen.\n\nTen aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw het volgende naar voren gebracht. De verdachte heeft verklaard dat hij de hele tijd buiten stond en niets mee kreeg van wat er zich in de kamer afspeelde. De belastende verklaring van medeverdachte [de medeverdachte 1] , waarbij hij de verdachte aanwijst als degene die zich aan de diefstal en afpersing met geweld schuldig heeft gemaakt, is aantoonbaar leugenachtig. [de medeverdachte 1] blijkt zelf ook betrokken te zijn geweest bij de diefstal van goederen en hij probeert dit in de schoenen van de verdachte te schuiven. Als op enig moment een ruzie tussen medeverdachte [de medeverdachte 2] en de aangever ontstaat, lijkt een plan te ontstaan om de aangever te beroven, maar er is geen enkele aanwijzing dat de verdachte daarin een rol heeft gespeeld. Er is weliswaar wettig bewijs aanwezig voor de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal en afpersing met geweld, maar gelet op het gebrek aan overtuiging dient vrijspraak te volgen.\n\nTen aanzien van feit 4 heeft de verdachte verklaard dat hij samen met de medeverdachte een tas met gestolen spullen ging terughalen. Aangeefster [de benadeelde partij 2] heeft vervolgens de tas met spullen vrijwillig overhandigd. Op grond van de verklaring van de verdachte, die betrouwbaar is, dient de verdachte dan ook te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Dat de verdachte op dat moment daar aanwezig was, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen.\n\nDe raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat het wegtrekken van de plastic zak uit handen van de aangeefster niet kan worden gekwalificeerd als diefstal met geweld. Dat de pink van de aangeefster daarbij is blijven haken, valt niet op te maken uit de getuigenverklaringen of de beschrijving van de camerabeelden. Op de camerabeelden is juist te zien dat aangeefster de inhoud van de tas laat zien en de tas vervolgens vrijwillig afgeeft. Nu ook een letselverklaring ontbreekt, kan het tenlastegelegde geweld niet worden bewezen.3.3. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. \n\nRedengevende feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank komt tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3 en 4 op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.\n\n3.3.2. Bewijsmotivering\n\nTen aanzien van de feiten 1, 2 en 3\n\nOp basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt de rechtbank vast dat aangever [de benadeelde partij 1] in de middag van 9 juni 2024 enige tijd in een woning aan [adres] te Zaandam (hierna: de woning) is geweest en daar door meerdere jongens is bestolen. Hij is daarbij geïntimideerd, geslagen en bedreigd.\n\nVast staat dat de verdachte, samen met medeverdachten [de medeverdachte 1] , [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ten tijde van het gehele incident in de woning aanwezig is geweest. De verdachte heeft verklaard dat hij niets heeft meegekregen van wat zich in de woning afspeelde, omdat hij toen buiten op het balkon was.\n\nDe vraag die de rechtbank dan ook moet beantwoorden, is of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt van de tenlastegelegde feiten.\n\nVoor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en\u002Fof materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de afweging hiervan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.\n\nUit de verklaring van de aangever bij de politie volgt dat hij in de middag van 9 juni 2024 met medeverdachte [de medeverdachte 1] had afgesproken om bij [de medeverdachte 1] thuis te chillen. De aangever heeft [de medeverdachte 1] ontmoet bij het ziekenhuis [ziekenhuis] en ze zijn vervolgens samen naar de woning van [de medeverdachte 1] gelopen. Op een gegeven moment zijn de verdachte en medeverdachten [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ook naar de woning gekomen. In eerste instantie was er niets aan de hand. Op enig moment sloeg de sfeer om en werd de aangever op bed geduwd, van zijn schoenen beroofd en geslagen. Ook voelde de aangever zich gedwongen om, desgevraagd, zijn shirt af te geven. Tegen de aangever werd daarna gezegd dat hij de woning uit moest. De aangever heeft de woning toen verlaten, maar is kort daarna teruggekeerd met het idee om zijn schoenen op te halen. Toen de aangever weer in de woning was, werd de deur van de kamer dicht gedaan en op slot gedraaid. De aangever is naar de deur gerend om de kamer te ontvluchten, maar de weg werd geblokkeerd. De aangever is vervolgens vastgepakt bij zijn kleding, geduwd tegen zijn borst, meerdere keren geslagen tegen zijn hoofd en bedreigd om het wachtwoord van zijn telefoon te geven en met de dood. Zijn jas en telefoon werden van hem afgepakt, zijn broekzakken werden doorzocht en daar werden zijn airpods, kleingeld, vape en een aansteker uit gehaald. Nadat de aangever was gedwongen om in te loggen op de app van zijn bankrekening en te zien was dat het saldo ongeveer € 0,09 bedroeg, heeft de aangever zijn telefoon teruggekregen en werd gezegd dat hij mocht vertrekken. De aangever heeft toen met de draaiknop de deur open gedaan en is weggegaan.\n\nDe rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar standpunt dat de verklaring van medeverdachte [de medeverdachte 1] aantoonbaar leugenachtig is en daardoor niet voor het bewijs kan worden gebruikt. De rechtbank overweegt allereerst dat de verklaring van deze [de medeverdachte 1] op essentiële punten overeenkomt met de verklaring van de aangever en dat hij in zijn aanvullende verklaringen bij de politie en later bij de rechter-commissaris, daarin consistent is gebleven. De verklaringen van de aangever en [de medeverdachte 1] worden verder ondersteund door de beelden van de in het appartementencomplex aanwezige camera’s. Daarop is te zien dat aangever om half twee ‘s middags een aantal personen het pand binnen laat. Anderhalf uur later loopt de aangever zonder schoenen de gang in richting de tussendeur en een half uur later is te zien dat de aangever zonder schoenen en jas het pand verlaat. Kort daarop loopt de begeleider van [de medeverdachte 1] de gang in en verlaten de personen het pand.\n\nDe rechtbank acht de verklaring van [de medeverdachte 1] daarom betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.\n\nUit de verklaring van aangever en medeverdachte [de medeverdachte 1] volgt dat de verdachte in de kamer aanwezig is geweest tijdens de vrijheidsberoving en ook feitelijke handelingen heeft verricht, waaronder het op slot doen van de deur, het vastpakken bij de kleding van aangever, het slaan van aangever in het gezicht en het afnemen van de jas van de aangever.\n\nGelet op deze verklaringen schuift de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij de hele tijd buiten op het balkon heeft gezeten, niets heeft meegekregen van het incident en daar dus ook geen bijdrage aan heeft geleverd, als ongeloofwaardig ter zijde.\n\nDe rechtbank overweegt dat de verdachte en medeverdachten samen in de woning waren, daar samen voor de aangever een zeer bedreigende en intimiderende situatie hebben gecreëerd, waarbij de aangever is belet om de woning waar hij zich – met zijn belagers – in bevond, te verlaten. Gedurende het gehele incident zijn de verdachte en de medeverdachten samen geweest, de verdachte heeft zich hier niet van gedistantieerd en de verdachte en medeverdachten hebben vervolgens samen de woning verlaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. De bijdrage van de verdachte aan het geheel van de tenlastegelegde gedragingen is daarbij van zodanig gewicht dat dat dient te worden aangemerkt als medeplegen.\n\nHiermee is vast komen te staan dat de verdachte opzet heeft gehad op het medeplegen van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing. Het feit dat de aangever op een gegeven moment zelf de woning heeft kunnen verlaten, doet daar niet aan af. Van opsluiting hoeft bij de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving immers geen sprake te zijn. Nadat aangever was teruggekeerd, was hij voortdurend in de nabijheid van de verdachte en medeverdachten en werd hij belemmerd om de woning te verlaten, waarbij hij werd bedreigd en geslagen.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen van diefstal met geweld en het medeplegen afpersing wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nTen aanzien van feit 4\n\nDe rechtbank stelt vast dat uit de aangifte en de bevindingen van de camerabeelden volgt dat de plastic tas met kracht uit de handen van aangeefster is getrokken. Ook heeft aangeefster verklaard dat bij het wegtrekken van de tas haar pink bleef haken waardoor zij daarna pijn had aan haar pink. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen kunnen worden aangemerkt als diefstal met geweld.\n\nVervolgens moet beoordeeld worden of de door de verdachte geleverde bijdrage aan de diefstal met geweld van voldoende gewicht is. Voor het juridisch kader verwijst de rechtbank verder naar het hiervoor onder 3.3.2 opgenomen juridisch kader met betrekking tot medeplegen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de verdachte medeverdachte [de medeverdachte 4] op zijn fatbike naar aangeefster heeft gebracht, er vervolgens bij is gebleven terwijl hij zag dat de diefstal plaats vond en daarna met [de medeverdachte 4] (en de gestolen tas) achterop zijn fatbike deze plek is ontvlucht. De rechtbank is van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte hiermee is komen vast te staan. Verdachte heeft zich immers niet alleen niet onttrokken aan de situatie terwijl dat wel kon maar hij heeft, door [de medeverdachte 4] naar aangeefster te brengen en na de diefstal direct met hem achterop zijn fatbike ervandoor te gaan, een substantiële bijdrage geleverd aan het tenlastegelegde.\n\nDaarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen van diefstal met geweld bewezen.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nFeit 1hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1] - in een kamer in een woning aan de [adres] , op te sluiten en - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", en - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen een paar schoenen en een jas en airpods en een hoeveelheid kleingeld en een telefoon en een vape en een aansteker, die aan [de benadeelde partij 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij 1] - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - hem dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\";\n\nFeit 3\n\nhij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een shirt dat aan die [de benadeelde partij 1] toebehoorde door die [de benadeelde partij 1] tegen het gezicht te slaan en tegen lichaam te duwen.\n\nFeit 4\n\nhij op 3 juli 2025 te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander een tas met inhoud, die aan [de benadeelde partij 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die tas met kracht los te trekken uit de handen van die [de benadeelde partij 2] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.\n\nWat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\n4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\ndiefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 3:\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 4:\n\ndiefstal, vergezeld van geweld, tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.\n\n5. Strafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.\n\n6. Motivering van de sanctie6.1. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van honderdtwintig (120) uren, subsidiair zestig (60) dagen jeugddetentie, waarvan zestig (60) uren voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met aftrek van de periode die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.\n\n6.2. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nGelet op het feit dat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 en de verdachte de afgelopen twee jaar niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen, heeft de raadsvrouw verzocht om de verdachte een werkstraf op te leggen gelijk aan het aantal uur van de periode van de inverzekeringstelling.\n\n6.3. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nIn het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met anderen [de benadeelde partij 1] in de kamer van een appartement van zijn vrijheid beroofd. De verdachte en zijn mededaders hebben [de benadeelde partij 1] bedreigd, geslagen en geduwd en hem gedwongen om in de kamer te blijven. Daarbij heeft de verdachte samen met anderen met geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] beroofd van zijn bezittingen dan wel gedwongen tot afgifte daarvan. Een jaar later heeft de verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en samen met een ander [de benadeelde partij 2] beroofd van een tas.\n\nDit zijn ernstige feiten, die de rechtbank de verdachte aanrekent. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedrag voor de slachtoffers. Door zo te handelen heeft hij ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit en levenssfeer van de slachtoffers, waarbij hij bij hen veel angst heeft veroorzaakt. De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan moeten ondervinden, zoals onder meer blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding dat namens [de benadeelde partij 1] is ingediend. Hij kampt nog steeds met slaapproblemen, heeft angst om alleen naar buiten te gaan en heeft voor zijn klachten traumatherapie moeten ondergaan. Daarnaast tasten dit soort misdrijven ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan.\n\nPersoon van de verdachte\n\nMet betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.\n\nDe rechtbank heeft verder acht geslagen het rapport van de Raad van 27 mei 2026, uitgebracht door [raadsonderzoeker] .\n\nDaaruit komt naar voren dat de verdachte zich gedurende de schorsingsperiode grotendeels aan de voorwaarden heeft gehouden en na juli 2025 niet meer in beeld is gekomen bij politie en justitie. Hij is open en goed in gesprek met de hulpverlening en jeugdreclassering, hij heeft het IFA-traject positief afgerond en ook op school gaat het goed.\n\nUit het onderzoek is daarnaast naar voren gekomen dat het algemeen recidive risico op basis van het dossier op hoog is ingeschat, maar als er wordt gekeken naar de beschermende factoren dan kan worden vastgesteld dat de verdachte gedurende de schorsingsperiode een stijgende positieve lijn heeft laten zien. Daarnaast is een risicofactor dat de verdachte vrienden heeft die bekend zijn bij de politie, maar door de IFA-coach is hier aandacht aan besteed en de verdachte heeft hierin handvaten aangereikt gekregen.\n\nGelet op het voorgaande ziet de Raad geen meerwaarde in begeleiding door de jeugdreclassering, omdat er op dit moment geen grote zorgen naar voren komen over eventuele vaardigheidstekorten en\u002F of agressie en de verdachte zich de afgelopen twee jaar goed aan de (bijzondere) voorwaarden heeft gehouden. De Raad heeft daarom geadviseerd om de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf op te leggen.\n\nTer zitting hebben de deskundigen [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] en [vertegenwoordiger van de raad] het advies kort toegelicht en de conclusies bevestigd.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de duur en het soort straf acht geslagen op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor jeugdigen voor afpersing\u002Fdiefstal met geweld, zoals dat is vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten in groepsverband heeft gepleegd alsook met de mate waarin de verdachte en zijn mededaders geweld jegens de slachtoffers hebben toegepast.\n\nVoorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de redelijke termijn van berechting is overschreden met een periode van meer dan 8 maanden ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding dient te worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.\n\nVerder heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten noch in de periode van twee jaar nadien voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie of justitie en dat hij in de afgelopen twee jaar in een schorsing heeft gelopen, waarbij hij zich aan strenge voorwaarden, zoals een avondklok en een contactverbod heeft moeten houden.\n\nDeze omstandigheden maken dat de rechtbank het, net als de officier van justitie, niet meer passend vindt om een (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen.\n\nGelet op het voorgaande en alles afwegende zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van honderdtwintig (120) uren opleggen, bij niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door zestig (60) dagen jeugddetentie. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan van vijftig (60) uren vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van één (1) jaar, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.\n\n7. Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 1]\n\nNamens [de benadeelde partij 1] is een vordering tot schadevergoeding van € 1.600 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\ningediend. Hij werd daarin bijgestaan door [medewerker] , medewerker bij Slachtofferhulp Nederland.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij dient gelet op de bepleite vrijspraak primair niet ontvankelijk te worden verklaard.\n\nSubsidiair dient deze te worden gematigd naar een bedrag van € 1.000 omdat de vergelijkbare strafzaken die ter onderbouwing van de vordering zijn opgenomen veel heftiger zijn en daarom niet kunnen worden vergeleken met deze zaak. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om de hoofdelijkheidsclausule niet toe te passen omdat dan het risico bestaat dat één van de verdachten alles betaalt en dit niet kan verhalen op de medeverdachten. Daarom is het verzoek om de schadevergoeding te delen, hetgeen inhoudt dat iedere verdachte € 250 betaalt.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en wat op de zitting is besproken. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank overweegt dat, nu de immateriële schade bij uitspraak van 1 juli 2026 is vastgesteld, de wettelijke rente ook vanaf dat moment dient te gelden.\n\nAnders dan de verdediging heeft betoogd, zal de rechtbank niet afwijken van het wettelijke uitgangspunt om de vordering hoofdelijk toe te wijzen voor het geheel aan schade.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad, namelijk wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing. De benadeelde partij die rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte en zijn mededaders, kan aanspraak maken op vergoeding van die schade. Op grond van artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek zijn alle daders hoofdelijk verbonden tot het betalen van de gehele schade. De rechtbank ziet geen wettelijke grondslag om van dit uitgangspunt af te wijken. Het is juist ook de bedoeling van de wetgever geweest indien er sprake is van twee of meer medeplegers, dat niet het slachtoffer achter de daders aan hoeft te gaan om ieders deel van de schade te innen, maar dat hij de totale schade kan verhalen bij ieder van hen. Het is dan aan de mededaders om onderling een regeling te treffen over de verdeling van de schade. De rechtbank zal dan ook bepalen dat indien een van de medeverdachten dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nDaarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nschadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1,2 en 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen diefstal met geweld en medeplegen afpersing] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\n7.1.2 Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 2]\n\nDe benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 83,43 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe materiële schade bestaat uit: - een fles shampoo ad € 6,99 - een borstel ad € 8,50 - een fles parfum Calvin Klein ad € 39,95 - een bus haarlak ad € 9,49 - een fles cremespoeling ad € 6,50 - 20 stuks sigaretten ad € 12,00\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het feit dat de onderbouwing van de materiële schade ontbreekt, deze moet worden geschat op € 50 en voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat deze niet is onderbouwd. Subsidiair heeft zij om niet-ontvankelijkheid van de vordering verzocht omdat de spullen waarvoor vergoeding is gevorderd, niet overeenkomen met de gestolen spullen die in de aangifte staan vermeld.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze niet is onderbouwd.\n\n8. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe volgende wetsartikelen zijn van toepassing:\n\n36f, 47, 77a, 77g 77m, 77n, 77gg, 282, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.\n\nBepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.\n\nVerklaart de verdachte hiervoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERDTWINTIG (120) urentaakstraf, in de vorm van en werkstraf, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangendoor zestig (60) dagenjeugddetentie, met bevel dat een gedeelte grootzestig (60) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen doordertig (30) dagenjeugddetentie,nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de opéén (1) jaarbepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.\n\nWijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 1]geleden schade tot een bedrag van€ 1.600, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.\n\nBepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nVeroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.\n\nLegt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.600, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door0 dagengijzeling.\n\nBepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en\u002Fof de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen\n\nBepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.\n\nVerklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 2]niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nHeft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.\n\nSamenstelling rechtbank en uitspraakdatum\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. J. van Beek, voorzitter,\n\nmr. C.E. Voskens en mr. A.K. Mireku, allen (kinder)rechter,\n\nin tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8112","2026-07-13T00:29:42.172Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":43,"courtId":79,"decisionDate":80,"fullText":103,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":105,"parsedAt":50,"updatedAt":106},"1856","ECLI:NL:RBNHO:2026:8049","ecli-nl-rbnho-2026-8049","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie & Jeugd\n\nLocatie Haarlem\n\nMeervoudige kamer jeugdstrafzaken\n\nParketnummer: 15\u002F216421-24\n\nUitspraakdatum: 1 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 juni 2026 in de zaak tegen:\n\n [de verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] te [plaats] ,\n\ningeschreven in de Basis Registratie Personen op het adres [adres] .\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,\n\n [officier van justitie] .\n\nDaarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:\n\n- de verdachte en zijn raadsman, mr. M.J.C. Verlaan, advocaat te Amsterdam;\n\n- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de Jeugdreclassering) en\n\n- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)\n\nnaar voren hebben gebracht.\n\n1. Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nFeit 1hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij] - in een kamer in een woning aan de [adres] op\u002Fin te sluiten - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [de benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking;\n\nFeit 3\n\nhij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [de benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n] door die [de benadeelde partij] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking.2. Voorvragen\n\nDe rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.\n\n3. Beoordeling van het bewijs3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft betoogd dat de verdachte van het eerste feit, het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving dient te worden vrijgesproken. De verdachte wist niet dat de deur op slot was gedraaid en maakte geen onderdeel uit van het groeps-chatgesprek tussen de medeverdachten. Hij heeft de aangever bovendien niet geduwd of geslagen. Dat hij heeft gezien dat de aangever van de deur werd weggeduwd, op het moment dat deze de kamer probeerde te ontvluchten, is onvoldoende om tot een nauwe en bewuste samenwerking te komen. De enkele aanwezigheid van de verdachte in de kamer levert onvoldoende bewijs voor het onder feit 1 ten last gelegde.\n\nDe feiten 2 en 3 kunnen worden bewezen. Daarbij is sprake van eendaadse samenloop.3.3. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. \n\nRedengevende feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.\n\n3.3.2. Bewijsmotivering\n\nTen aanzien van feit 1\n\nOp basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt de rechtbank het volgende vast. [de medeverdachte 1] heeft de aangever gevraagd om in de middag van 9 juni 2024 bij hem thuis te chillen. Op een gegeven moment zijn de verdachte en medeverdachten [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ook naar de woning van de verdachte gekomen. In eerste instantie was er niets aan de hand, maar op enig moment sloeg de sfeer om en werd de aangever onder meer geslagen, werden zijn schoenen gestolen en is zijn jas afgenomen. De aangever heeft de woning verlaten, maar is kort daarna door [de medeverdachte 1] gebeld die hem vroeg terug te komen. De aangever is vervolgens teruggekeerd met het idee om zijn schoenen op te halen. Toen de aangever weer in de woning was, werd de deur van de kamer dicht gedaan en op slot gedraaid. Vanaf dat moment is de aangever van zijn vrijheid beroofd (gehouden), waarbij hij wederom door meerdere jongens geïntimideerd, geslagen, bedreigd en van zijn spullen is beroofd.\n\nDe verdachte is, samen met medeverdachten [de medeverdachte 3] , [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 1] ten tijde van het gehele incident in de woning aanwezig geweest. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte ook als medepleger kan worden aangemerkt van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving.\n\nVoor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en\u002Fof materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de afweging hiervan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.\n\nDe rechtbank overweegt dat de verdachte en medeverdachten samen in de woning waren en daar samen voor de aangever een zeer bedreigende en intimiderende situatie hebben gecreëerd, waarbij de aangever is belet om de woning waar hij zich – met zijn belagers – in bevond, te verlaten. Gedurende het gehele incident zijn de verdachte en de medeverdachten samen geweest. De verdachte heeft zich hier niet van gedistantieerd, maar heeft, ook nadat het de aangever werd belet de woning te verlaten, dreigende woorden geuit richting aangever en nog goederen van aangever afgenomen. De verdachte en de medeverdachten hebben vervolgens samen de woning verlaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan.\n\nHiermee is ook vast komen te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het medeplegen van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan dan ook bewezen worden verklaard. Dat de opzet van de verdachte en de medeverdachten alleen zou zijn gericht op de beroving van de spullen, doet – wat daar ook van zij – niet af aan de feitelijke situatie en juridische kwalificatie daarvan. Nadat de aangever was teruggekeerd, was hij voortdurend in de nabijheid van de verdachte en medeverdachten en werd hij belemmerd om de woning te verlaten, waarbij hij werd bedreigd en geslagen.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nFeit 1hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [de benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij] - in een kamer in een woning aan de [adres] , op te sluiten en - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", en - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen een paar schoenen en een jas en airpods en een hoeveelheid kleingeld en een telefoon en een vape en een aansteker, die aan [de benadeelde partij] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij] - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - hem dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\";\n\nFeit 3\n\nhij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [de benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van een shirt dat aan die [de benadeelde partij] toebehoorde door die [de benadeelde partij] tegen het gezicht te slaan en tegen lichaam te duwen.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.\n\nWat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\n4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\ndiefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 3:\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.\n\n5. Strafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.\n\n6. Motivering van de sanctie6.1. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met aftrek van de periode die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.\n\n6.2. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte nu twee jaar in een schorsing heeft gelopen en zich in positieve zin heeft ontwikkeld. Hij schaamt zich voor wat hij heeft gedaan en hij is niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Het risico op recidive is dan ook laag. Daarnaast dient bij de bepaling van de strafmaat de overschrijding van de redelijke termijn te worden meegewogen. Omdat de op te leggen straf een pedagogisch effect dient te hebben, is, gelet op voorgaande omstandigheden, de eis van de officier van justitie te hoog.\n\nDaarom heeft de raadsman verzocht de verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met een proeftijd van één jaar.\n\n6.3. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nIn het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met anderen [de benadeelde partij] in de kamer van een appartement van zijn vrijheid beroofd. De verdachte en zijn mededaders hebben [de benadeelde partij] bedreigd, geslagen en geduwd en hem gedwongen om in de kamer te blijven. Daarbij heeft de verdachte samen met anderen met geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij] beroofd van zijn bezittingen dan wel gedwongen tot afgifte daarvan.\n\nDit zijn ernstige feiten, die de rechtbank de verdachte aanrekent. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedrag voor het slachtoffer. Door zo te handelen heeft hij ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit en levenssfeer van het slachtoffer, waarbij hij bij hem veel angst heeft veroorzaakt. De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan moeten ondervinden, zoals onder meer blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding dat namens [de benadeelde partij] is ingediend. Hij kampt nog steeds met slaapproblemen, heeft angst om alleen naar buiten te gaan en heeft voor zijn klachten traumatherapie moeten ondergaan. Daarnaast tasten dit soort misdrijven ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan.\n\nPersoon van de verdachte\n\nMet betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.\n\nDe rechtbank heeft verder acht geslagen het rapport van de Raad van 10 juni 2026, uitgebracht door [raadsonderzoeker] .\n\nDaaruit komt naar voren dat de verdachte gedurende de schorsingsperiode zich goed aan de voorwaarden heeft gehouden, zijn afspraken is nagekomen en niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. Hij heeft afstand genomen van vrienden die een slechte invloed op hem hadden, hij werkt, gaat naar de sportschool en volgend schooljaar gaat hij starten met een nieuwe opleiding.\n\nDaarentegen is het hulpverleningstraject bij De Waag vroegtijdig gestopt en vindt de Raad het zorgelijk dat de verdachte veel blowt. De Raad zou het de verdachte gunnen om op een andere manier rust in zijn hoofd te krijgen.\n\nGelet op het lage recidive risico en de positieve ontwikkeling die de verdachte heeft ingezet, heeft de Raad geadviseerd een werkstraf op te leggen. Begeleiding door de jeugdreclassering vindt de Raad niet langer noodzakelijk, gezien het feit dat de risicofactoren laag zijn en de verdachte zich de afgelopen twee jaar goed aan de (bijzondere) voorwaarden heeft gehouden.\n\nDe rechtbank heeft ook acht geslagen op het rapport van de Waag van 7 mei 2026, opgesteld door [naam] en [naam] , en het evaluatieverslag van de jeugdreclassering van 28 mei 2026, opgesteld door [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , gezinsmanager.\n\nDe conclusies in het rapport en het verslag zijn in overeenstemming met de conclusies van de Raad. Na overleg met de Raad is ook de jeugdreclassering tot het advies gekomen om de verdachte geen verder toezicht en begeleiding op te leggen.\n\nTer zitting hebben de deskundigen [vertegenwoordiger van de raad] en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] het advies kort toegelicht en de conclusies bevestigd.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van het soort straf en de duur van de straf acht geslagen op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor jeugdigen voor afpersing\u002Fdiefstal met geweld, zoals dat is vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte het bewezenverklaarde feit in groepsverband heeft gepleegd alsook met de mate waarin de verdachte en zijn mededaders geweld jegens het slachtoffer hebben toegepast.\n\nVoorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de redelijke termijn van berechting is overschreden met een periode van meer dan 8 maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding dient te worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.\n\nVerder heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten noch in de periode van twee jaar nadien voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie of justitie en dat hij in de afgelopen twee jaar in een schorsing heeft gelopen, waarbij hij zich aan strenge voorwaarden, zoals een avondklok en een contactverbod heeft moeten houden.\n\nDeze omstandigheden maken dat de rechtbank, net als de officier van justitie, het niet meer passend vindt om een (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen.\n\nGelet op het voorgaande en alles afwegende zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van honderd (100) uren opleggen, bij niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door vijftig (50) dagen jeugddetentie. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan van vijftig (50) uren vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van één (1) jaar, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.\n\n7. Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij]\n\nNamens [de benadeelde partij] is een vordering tot schadevergoeding van € 1.600 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\ningediend. Hij werd daarin bijgestaan door [medewerker] , medewerker bij Slachtofferhulp Nederland.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de ernst van de feiten de hoogte van de vordering redelijk is en voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op de geringe rol van de verdachte bij het plegen van de feiten heeft hij verzocht niet het volledige bedrag met de hoofdelijkheidsclausule aan alle verdachten op te leggen, maar een onderlinge verdeling tussen de verdachten te maken, waarbij een bedrag van € 100 recht doet aan de bijdrage die de verdachte heeft geleverd bij het plegen van de feiten.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en wat op de zitting is besproken. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank overweegt dat, nu de immateriële schade bij uitspraak van 1 juli 2026 is vastgesteld, de wettelijke rente ook vanaf dat moment dient te gelden.\n\nAnders dan de verdediging heeft betoogd, zal de rechtbank niet afwijken van het wettelijke uitgangspunt om de vordering hoofdelijk toe te wijzen voor het geheel aan schade.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad, namelijk wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing. De benadeelde partij die rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte en zijn mededaders, kan aanspraak maken op vergoeding van die schade. Op grond van artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek zijn alle daders hoofdelijk verbonden tot het betalen van de gehele schade. De rechtbank ziet geen wettelijke grondslag om van dit uitgangspunt af te wijken. Het is juist ook de bedoeling van de wetgever geweest indien er sprake is van twee of meer medeplegers, dat niet het slachtoffer achter de daders aan hoeft te gaan om ieders deel van de schade te innen, maar dat hij de totale schade kan verhalen bij ieder van hen. Het is dan aan de mededaders om onderling een regeling te treffen over de verdeling van de schade.\n\nDe rechtbank zal dan ook bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nschadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1,2 en 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen diefstal met geweld en medeplegen afpersing] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\n8. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe volgende wetsartikelen zijn van toepassing:\n\n36f, 47, 77a, 77g 77m, 77n, 77gg, 282, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.\n\nBepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.\n\nVerklaart de verdachte hiervoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERD (100) urentaakstraf, in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangen doorvijftig (50) dagenjeugddetentie, met bevel dat een gedeelte grootvijftig (50) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen doorvijfentwintig (25) dagenjeugddetentie,nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de opéén (1) jaarbepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.\n\nWijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij]geleden schade tot een bedrag van€ 1.600, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.\n\nBepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nVeroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.\n\nLegt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.600, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door0 dagengijzeling.\n\nBepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en\u002Fof de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen\n\nBepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.\n\nHeft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.\n\nSamenstelling rechtbank en uitspraakdatum\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. J. van Beek, voorzitter,\n\nmr. C.E. Voskens en mr. A.K. Mireku, allen (kinder)rechter,\n\nin tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8049","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.258Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":43,"courtId":111,"decisionDate":112,"fullText":113,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":114,"sourceTimestamp":115,"parsedAt":50,"updatedAt":116},"1919","ECLI:NL:RBOVE:2026:3410","ecli-nl-rbove-2026-3410",57,"2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummer: 08.099249.25 (P)\n\nDatum vonnis: 18 juni 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1970 in [geboorteplaats 1] ,\n\nwonende aan de [woonplaats] .\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 28 mei 2026 en 4 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de door [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring en van de namens [slachtoffer 2] voorgedragen slachtofferverklaring. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] (hierna [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 3] (hierna [slachtoffer 3] ) door\n\nmr. D. van Bommel, advocaat in Arnhem, is aangevoerd en van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] door mr. A.C. van de Vosse, advocaat in Zwolle, is aangevoerd.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025, samen met een ander:\n\nfeit 1:zijn minderjarige kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft ontvoerd;\n\nfeit 2:zijn minderjarige kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft onttrokken aan het wettig gezag of aan het opzicht dat over hen werd uitgeoefend, terwijl de kinderen jonger waren dan twaalf jaar en terwijl er bij de onttrekking geweld is gebruikt en\u002Fof bedreigd is met geweld;\n\nfeit 3: een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad.\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\n1. hij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te [plaats 1] en\u002Fof [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 3] ( [slachtoffer 3] ) (geboren [geboortedatum 3] 2018) en [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2013) wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door - [slachtoffer 1] met de auto te blokkeren en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets af te trappen en\u002Fof te duwen (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto te trekken\u002Fsleuren en\u002Fof haar (vervolgens) in die auto te duwen\u002Fplaatsen en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vast te houden en\u002Fof (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] te houden en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond te duwen en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 3] uit de auto van diens pleegmoeder te tillen en\u002Fof in de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto te plaatsen en\u002Fof - (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 3] weg te voeren van de woning van de pleegmoeder en\u002Fof - (vervolgens) voornoemde auto te wisselen met een vooraf klaargezette (huur)auto en\u002Fof - (vervolgens) te dreigen dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en\u002Fof pijn zou worden gedaan en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België te vervoeren (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en\u002Fof kleding en\u002Fof andere attributen) en\u002Fof - (volgens) [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 1] in België onder te brengen in een door verdachte en\u002Fof medeverdachte gehuurd appartement;\n\n2. hij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te [plaats 1] en\u002Fof [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,(meermalen) opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 3] (geboren [geboortedatum 3] 2018) en [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2013), heeft onttrokken aan het wettig over hem\u002Fhaar gesteld gezag en\u002Fof aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem\u002Fhaar uitoefende, terwijl die minderjarige(n) beneden de twaalf jaren oud was\u002Fwaren en terwijl verdachte en\u002Fof medeverdachte geweld en\u002Fof bedreiging met geweld heeft\u002Fhebben gebezigd, immers hebben verdachte en\u002Fof medeverdachte - [slachtoffer 1] met de auto geblokkeerd en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets getrapt en\u002Fof geduwd (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto getrokken en\u002Fof gesleurd en\u002Fof haar (vervolgens) in die auto te geduwd en\u002Fof geplaatst en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vastgehouden en\u002Fof (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] gehouden en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond geduwd en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 3] uit de auto van diens pleegmoeder getild en\u002Fof in de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto geplaatst en\u002Fof - (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 3] weggevoerd van de woning van de pleegmoeder en\u002Fof - (vervolgens) voornoemde auto gewisseld met een vooraf klaargezette (huur)auto en\u002Fof - (vervolgens) gedreigd dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en\u002Fof pijn zou worden gedaan en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België vervoerd (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en\u002Fof kleding en\u002Fof andere attributen) en\u002Fof - (volgens) [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 1] in België ondergebracht in een door verdachte en\u002Fof medeverdachte gehuurd appartement;\n\n3. hij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te [plaats 1] en\u002Fof [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.3. De voorvragen\n\n3.1. Preliminair verweer\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie met betrekking tot feit 3 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De vervolging van de verdachte is op grond van het specialiteitsbeginsel beperkt tot de strafbare feiten waarvoor de verdachte is overgeleverd. De overlevering is alleen verzocht voor de eerste twee ten laste gelegde feiten, niet voor het derde.\n\n3.2. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe ontvankelijkheid van de officier van justitie\n\nIn de Overleveringswet is onder andere geregeld hoe een persoon in verband met een strafrechtelijk onderzoek door justitiële autoriteiten van de ene lidstaat van de Europese Unie aan de justitiële autoriteiten van een andere lidstaat overgeleverd kan worden. Artikel 14 van de Overleveringswet bepaalt het volgende: “Overlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd, gestraft of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd, tenzij (…)”.Na de tenzij-bepaling volgen zeven uitzonderingen op die hoofdregel (onderdelen a-g).\n\nDe uitlevering van verdachte heeft plaatsgevonden op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). In het EAB verzocht Nederland aanhouding en overlevering van de verdachte in verband met een verdenking van, kortgezegd, wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1) en het onttrekken aan het gezag (feit 2). In het EAB is niet het voorhanden hebben van een stroomstootwapen opgenomen (feit 3). Nu de overlevering niet zag op dit feit, kan verdachte hiervoor in beginsel niet voor worden vervolgd en gestraft. De rechtbank overweegt dat van een uitzondering zoals opgenomen in artikel 14, eerste lid, a tot en met g van de Overleveringswet geen sprake is. Dat de Belgische procureur des Konings (de Belgische officier van justitie) de officier van justitie in Nederland om vervolging van het wapenfeit heeft verzocht, is geen omstandigheid die onder de uitzonderingen valt en doet niet af aan de beperkingen van de vervolging. De rechtbank verklaart de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk in zijn vervolging van het ten laste gelegde feit 3.\n\n4. De bewijsmotivering\n\n4.1. Inleiding\n\nOp maandag 31 maart 2025 om 08.13 uur ontvangt de politie een telefonische melding van [slachtoffer 2] dat de elfjarige [slachtoffer 1] en de zesjarige [slachtoffer 3] zijn meegenomen door hun ouders. De ouders betreffen [medeverdachte 1] (medeverdachte) en [medeverdachte 2] (verdachte). De kinderen zijn sinds 12 april 2021 uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Overijssel. Ze verbleven in het kader van hun uithuisplaatsing in een gezinshuis in [plaats 1] bij gezinshuisouder [slachtoffer 2] .\n\nNa deze melding is de politie een grootschalig opsporingsonderzoek gestart. De ouders reden in een Mitsubishi, welke auto omstreeks 08.25 uur leeg werd aangetroffen op een parkeerplaats bij het treinstation in [plaats 1] . Aan het begin van de middag is er een landelijk AMBER Alertuitgegeven. Het opsporingsonderzoek leidt de politie uiteindelijk naar [plaats 2] in België. In de nacht van 1 april 2025 worden verdachten met de kinderen aangetroffen in een appartement in [plaats 2] .\n\n Vanuit de Raad voor de Kinderbescherming lag een advies om het gezag van de ouders te beëindigen. Het wettelijk gezag lag nog bij de ouders. Zij meenden op dat moment in hun recht te staan om de kinderen op te halen en mee te nemen naar België. Inmiddels is het gezag van de verdachten over [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] sinds 10 juni 2025 beëindigd.\n\n4.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Verdachte heeft deze feiten samen met medeverdachte [medeverdachte 1] gepleegd, zodat er sprake is van medeplegen.\n\n4.3. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman bepleit primair integrale vrijspraak. Subsidiair bepleit de raadsman verdachte vrij te spreken van de onderdelen in de tenlastelegging die zien op geweldshandelingen.\n\n4.4. Het oordeel van de rechtbank\n\nFeiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en van wat ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nVerdachte heeft op 31 maart 2025 samen met medeverdachte [medeverdachte 1] hun kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] opgehaald en meegenomen naar België. De kinderen waren op dat moment al bijna vier jaar uit huis geplaatst en zij stonden onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel (JBOV). De kinderen verbleven in het kader van hun uithuisplaatsing in een gezinshuis in [plaats 1] op een voor verdachten geheim adres bij de gezinshuisouder [slachtoffer 2] . JBOV was niet op de hoogte van de plannen van verdachte om de kinderen mee te nemen naar België.\n\nOp maandagmorgen 31 maart 2025 fietste de elfjarige [slachtoffer 1] naar school. Op enig moment werd zij geblokkeerd door een auto. Verdachte bestuurde de auto en medeverdachte [medeverdachte 1] was bijrijder. Medeverdachte [medeverdachte 1] stapte uit de auto en duwde [slachtoffer 1] van haar fiets waardoor [slachtoffer 1] viel. Medeverdachte [medeverdachte 1] trok [slachtoffer 1] over de grond richting hun auto en duwde [slachtoffer 1] erin. Dit gebeurde terwijl [slachtoffer 1] om hulp schreeuwde en zich afzette tegen de auto. Medeverdachte [medeverdachte 1] hield haar hand voor de mond van [slachtoffer 1] om het schreeuwen te stoppen. [slachtoffer 1] werd in de auto richting de grond geduwd door [medeverdachte 1] . [slachtoffer 1] moest meewerken, anders zouden ze haar pijn doen. Vervolgens reden verdachten naar het gezinshuis waar de kinderen verbleven. Daar aangekomen, zagen ze dat hun zesjarige zoon [slachtoffer 3] in de auto van gezinshuisouder [slachtoffer 2] zat. Verdachte stapte uit zijn auto en liep naar de auto van [slachtoffer 2] . Hij opende het portier, tilde [slachtoffer 3] uit de auto van [slachtoffer 2] en plaatste [slachtoffer 3] vervolgens in hun eigen auto. Verdachten reden vervolgens met hun kinderen weg en wisselden hun auto bij het station in [plaats 1] voor een huurauto die daar eerder klaargezet was. Verdachte heeft een auto gehuurd om een voorsprong op de Nederlandse politie te krijgen, zodat ze niet tegenhouden konden worden. Verdachten reden vervolgens met de kinderen via Hardenberg de grens over naar Duitsland naar hun huurappartement in België. Verdachten hadden voor de kinderen en voor henzelf andere kleding, nepbrillen en pruiken mee die als vermomming dienden om herkenning te voorkomen. Die middag kwamen verdachten met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] aan in hun huurappartement in België, waar zij die nacht 1 april 2025 zijn aangetroffen.\n\nOverwegingen van de rechtbank\n\nOp het moment van het meenemen van de kinderen stonden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] onder toezicht van JBOV. JBOV is in dat kader bevoegd opzichter over de kinderen. Daar komt bij dat de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinshuis bij beschikking van 5 juli 2024 heeft verlengd tot 5 juli 2025.\n\nDoor de kinderen mee te nemen, zonder toestemming van JBOV en zonder hen te informeren, en in strijd met de rechterlijke machtiging tot uithuisplaatsing de kinderen onderdak te verlenen in hun appartement in België, hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , hoewel zij nog ouderlijk gezag hadden, de kinderen onttrokken aan het bevoegd opzicht van JBOV.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de voorbereidingen die verdachten hebben getroffen en de wijze waarop de kinderen door verdachten zijn meegenomen, er op wijzen dat zij wel degelijk wisten dat wat zij deden juridisch ontoelaatbaar was. Verdachten hebben de kinderen meegenomen zonder overleg met JBOV, ze hebben de routes van de kinderen naar school eerder verkend, net als de wijze waarop de kinderen naar school gingen, dit terwijl de kinderen op een voor de ouders geheim adres verbleven. Verder hebben zij de huurauto en vermommingen gebruikt om uit handen van de politie te blijven. Dit alles wijst er op dat het voor verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] volstrekt duidelijk was dat zij niet gerechtigd waren om de kinderen zonder toestemming van JBOV mee te nemen en dat zij opzettelijk wederrechtelijk hebben gehandeld.\n\nVerdachte stelt dat hij de instanties op de hoogte heeft gebracht van de verhuizing. Verdachte doelt daarmee op een e-mail die vanuit zijn e-mailadres is verzonden naar de gemeente [plaats 1] over een verhuizing naar het buitenland. Deze e-mail werd pas om 16.01 uur in de middag verzonden, terwijl de kinderen al rond 08.00 uur meegenomen waren door verdachte en [medeverdachte 1] . De e-mail bevatte bovendien geen nieuw adres of verblijfplaats van de kinderen. Deze stelling van verdachte kan de rechtbank dan ook niet volgen en neemt de wederrechtelijkheid van het handelen niet weg.\n\nDoor de feitelijke wijze van handelen hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zich ook schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de kinderen. De kinderen werden van hun vrijheid beroofd door hen, ongevraagd en bij [slachtoffer 1] zelfs uitdrukkelijk tegen haar zin, in de auto te zetten en mee te voeren naar België.\n\nHoewel verdachte ontkent geweld te hebben gebruikt of bedreigd te hebben met geweld, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring over de geweldshandelingen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring gedetailleerd en consistent. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring op concrete onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van getuige [getuige] . [getuige] wordt door de rechtbank als onafhankelijke en betrouwbare getuige beschouwd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, zodat sprake is van medeplegen.\n\nAl met al acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.\n\n4.5. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. hij in de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 3] ( [slachtoffer 3] ) (geboren [geboortedatum 3] 2018) en [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2013) wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, door - [slachtoffer 1] met de auto te blokkeren en - [slachtoffer 1] met kracht van haar fiets te duwen waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam en - [slachtoffer 1] over de grond naar de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto te trekken en haar in die auto te duwen en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto vast te houden en (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] te houden en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond te duwen en - vervolgens [slachtoffer 3] uit de auto van diens gezinshuisouder te tillen en in de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto te plaatsen en - met voornoemde auto [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] weg te voeren van de woning van de gezinshuisouder en - voornoemde auto te wisselen met een vooraf klaargezette huurauto en - te dreigen dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders pijn zou worden gedaan en - [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] met die huurauto via Duitsland naar België te vervoeren terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en kleding en andere attributen en - [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] in België onder te brengen in een door verdachte gehuurd appartement.\n\n2. hij in de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 3] (geboren [geboortedatum 3] 2018) en [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2013), heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem\u002Fhaar uitoefende, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren en terwijl verdachte en medeverdachte geweld en bedreiging met geweld hebben gebezigd, immers hebben verdachte en medeverdachte - [slachtoffer 1] met de auto geblokkeerd en - [slachtoffer 1] met kracht van haar fiets geduwd waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam en - [slachtoffer 1] over de grond naar de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto getrokken en haar in die auto geduwd en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto vastgehouden en (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] gehouden en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond geduwd en - vervolgens [slachtoffer 3] uit de auto van diens gezinshuisouder getild en in de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto geplaatst en - met voornoemde auto [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] weggevoerd van de woning van de gezinshuisouder en - voornoemde auto gewisseld met een vooraf klaargezette huurauto en - gedreigd dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar pijn zou worden gedaan en\n\n- [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] met die huurauto via Duitsland naar België vervoerd terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en kleding en andere attributen en - [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] in België ondergebracht in een door verdachte gehuurd appartement.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.\n\nDe rechtbank heeft in de tenlastelegging het woord ‘pleegmoeder’ gewijzigd in ‘gezinshuisouder’ en [slachtoffer 3] in [slachtoffer 3] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte daardoor niet is geschaad in de verdediging.\n\n5. De kwalificatie\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 282 en 279 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het bewezenverklaarde levert op:\n\nfeiten 1 en 2\n\nde eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\nmedeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd,\n\nen\n\nmedeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl geweld en bedreiging met geweld is gebezigd, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd.\n\n6. De strafbaarheid\n\nDe verdediging beroept zich op afwezigheid van alle schuld (avas). Ter onderbouwing van het zogeheten avas-verweer stelt verdachte dat hij heeft gehandeld op basis van mondelinge adviezen van advocaten. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in 2023 mondeling advies heeft ingewonnen van een Belgische advocaat, gespecialiseerd in Nederlandse zaken in België. De Belgische advocaat kon pas iets voor verdachten betekenen zodra de kinderen in België zouden verblijven. Hij zou dan de zaak aan een Belgische rechter voorleggen. De Belgische advocaat kon niet adviseren over hoe verdachten de kinderen in België konden krijgen. Medeverdachte [medeverdachte 1] zou een Nederlandse strafrechtadvocaat hebben geconsulteerd en zij heeft dat advies vervolgens aan verdachte doorgegeven. Het advies van de Nederlandse advocaat was dat verdachte door moest geven waar hij was, dat ze zich niet moesten verstoppen voor de autoriteiten en dat hij moest vertellen wat hun intenties waren. Verdachte wil de namen van de betreffende advocaten niet noemen.\n\nVerdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet gemaakt wat de vraag aan en de mondelinge adviezen van de advocaten exact inhielden en in welke mate deze advocaten deskundig waren. In zoverre kan de rechtbank daarom niet beoordelen of verdachte, die zelf destijds advocaat was, hierop gerechtvaardigd mocht vertrouwen. De namen van de advocaten zijn voor de rechtbank onbekend gebleven. Bovendien heeft verdachte zich niet aan een advies (‘doorgeven waar je bent, niet verstoppen voor de autoriteiten, vertellen wat je intenties zijn’) gehouden. Het verweer van verdachte wordt daarom verworpen. De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de strafbaarheid zouden uitsluiten.\n\n7. De op te leggen straf of maatregel\n\n7.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van veertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie vordert daarbij bijzondere voorwaarden op de leggen bestaande uit een meldplicht en een poliklinische, forensische behandeling.\n\nDaarnaast vordert de officier van justitie als vrijheidsbeperkende maatregelen de oplegging van een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en een locatieverbod voor de gemeenten [plaats 1] , Kampen en Zwolle voor de duur van vijf jaren, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis van drie weken wordt toegepast met een maximum van zes maanden. De maatregelen dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman stelt zich op het standpunt dat er sprake is geweest van een vormverzuim. Verdachte is aangehouden op basis van een mondelinge EAB, terwijl een schriftelijk EAB is vereist. Dit dient volgens de raadsman te leiden tot strafvermindering.\n\nDe raadsman verzoekt een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van de overleveringsdetentie en de voorlopige hechtenis. Het opleggen van een voorwaardelijke straf en het opleggen van bijzondere voorwaarden is volgens de raadsman niet noodzakelijk en heeft geen toegevoegde waarde meer.\n\n7.3. De gronden voor een straf of maatregel\n\nBij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.\n\nAard en ernst van de strafbare feiten\n\nVerdachte heeft zich samen met medeverdachte [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan het ontvoeren van zijn uithuisgeplaatste kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en het onttrekken van hen aan het opzicht van JBOV. De kinderen zijn sinds 2021 uit huis geplaatst en daar zijn verdachten het niet mee eens. Daarnaast dreigde hun ouderlijk gezag beëindigd te worden, waardoor ze hun kinderen wilden meenemen naar België om hun zaak daar aan een rechter voor te leggen.\n\nVerdachten hebben [slachtoffer 1] , die nietsvermoedend onderweg naar school was, van haar fiets geduwd en in de auto getrokken, vervolgens is [slachtoffer 3] bij het gezinshuis uit de auto van de gezinshuisouder gehaald en daarna zijn verdachten met hun kinderen via Duitsland naar België gereden. Verdachten hadden hun plannen grondig voorbereid. Ze hadden een auto gehuurd waarin ze tijdens hun vlucht konden overstappen en ze hadden vermomming mee voor onderweg om herkenning te voorkomen.\n\nVerdachte heeft voor eigen rechter gespeeld en dat keurt de rechtbank ten strengste af. De kinderen waren immers niet voor niets onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Ze verbleven al bijna vier jaar niet meer bij verdachten en werden van de een op de andere dag uit hun vertrouwde omgeving weggehaald, zonder enig overleg of toestemming van JBOV. Daarbij is het gebruik van geweld niet geschuwd. Door niet de belangen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , maar hun eigen belangen voorop te stellen hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] de rechterlijke beslissingen aan hun laars gelapt en het systeem van kinderbescherming, waarbinnen juist de veiligheid van de kinderen voorop staat, op ingrijpende wijze aangetast.\n\nHet handelen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] heeft negatieve gevolgen gehad voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . [slachtoffer 1] ervaart sinds de ontvoering veel angst, stress, gevoelens van onveiligheid en zij is zeer alert. Beide kinderen zijn bang dat ze nogmaals onverwacht mee zullen worden genomen. [slachtoffer 1] heeft tijdens haar spreekrecht op indrukwekkende wijze verteld hoe zij de ontvoering en de onttrekking heeft ervaren en welke gevolgen zij hier nog steeds van ondervindt. Ook voor de gezinshuisouder en de andere kinderen in het gezinshuis hebben de strafbare feiten impact gehad.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 23 april 2026. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Dit heeft geen strafverminderende of strafverzwarende werking.\n\nVerdachte is onderzocht door een psycholoog. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zijn kinderen hebben hem sterk aangegrepen waardoor hij een depressieve stoornis heeft ontwikkeld. De depressieve stoornis was ook aanwezig ten tijde van de strafbare feiten, maar de psycholoog adviseert de feiten volledig aan verdachte toe te rekenen, omdat hij rationeel de afweging heeft gemaakt om hiertoe over te gaan. De psycholoog acht de kans dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen klein. Er worden geen interventies of behandelingen geadviseerd. De rechtbank neemt dit advies over en gaat uit van volledige toerekening van de feiten aan verdachte.\n\nDe reclassering heeft een rapport over verdachte opgemaakt. Verdachte werkt al achtentwintig jaar als advocaat en heeft een advocatenkantoor welke gespecialiseerd is in bedrijfs- en ondernemingsrecht. Zijn werk heeft tijdens de voorlopige hechtenis stilgelegen en verdachte heeft zich inmiddels uitgeschreven van het advocatentableau. Omdat de reclassering geen informatie heeft over de status van de relatie van verdachte met medeverdachte, kan de kans op herhaling van strafbaar gedrag niet worden ingeschat. Bij een veroordeling kunnen de leefgebieden relatie partner\u002Fkinderen, financiën en dagbesteding een punt van zorg worden, waardoor de reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling door Transfore.\n\nVormverzuim?\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de raadsman niet heeft voldaan aan zijn stelplicht met betrekking tot het door hem gestelde vormverzuim. De raadsman heeft onvoldoende gemotiveerd welk nadeel door het verzuim voor de verdachte zou zijn veroorzaakt. Aan strafvermindering in dat kader komt de rechtbank daarom niet toe.\n\nStraf en\u002Fof maatregel\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met de ernst van de door verdachte gepleegde feiten, met daarbij de strafverzwarende omstandigheden van de nog jonge leeftijd van de kinderen (onder de twaalf jaar) en het toepassen van (bedreiging met) geweld, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een gevangenisstraf.\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar uitspraken in vergelijkbare zaken. De rechtbank ziet dat de omstandigheden van andere ontvoerings- of onttrekkingszaken sterk variëren waardoor er uiteenlopende straffen worden opgelegd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en zal een fors voorwaardelijk deel opleggen om te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout ingaat. De rechtbank zal daarbij geen bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de reclassering is geadviseerd. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank bovendien oog voor het principe van de generale preventie. De straf die aan verdachte wordt opgelegd dient van zodanige orde en zwaarte te zijn dat navolging van zijn handelwijze door anderen wordt ontmoedigd. Omdat het vaker zal voorkomen dat ouders van wie hun kind tegen hun wil uit huis is geplaatst, de sterke wens kunnen hebben hun kind weer zelf op te voeden, acht de rechtbank dit van belang. Een te lichte straf heeft onvoldoende afschrikkende werking.\n\nDe rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan zeventien maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in overleveringsdetentie in België, in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De proeftijd bedraagt drie jaren. Dit betekent dat verdachte het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf reeds heeft ondergaan.\n\nDe rechtbank zal daarnaast - op grond van artikel 38v Sr - als vrijheidsbeperkende maatregelen een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] opleggen en een locatieverbod voor de gemeenten [plaats 1] , Kampen en Zwolle voor de duur van drie jaren. Per overtreding van de maatregel zal vervangende hechtenis van 1 week uitgezeten dienen te worden. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden. De rechtbank zal bij het opleggen van deze maatregelen rekening houden met de mogelijkheid tot (begeleid) contact tussen de kinderen en verdachte, indien dat contact op aanwijzing van de voogd, JBOV, gewenst en uitvoerbaar is.\n\nDe rechtbank beveelt dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en\u002Fof zich belastend zal gedragen ten opzichte van bepaalde personen. Dit gevaar richt zich met name op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . De rechtbank acht het van belang dat zij zich vrijelijk binnen de genoemde gemeentes moeten kunnen bewegen en dat zij beschermd worden tegen ongevraagd contact met verdachte. De belangen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] wegen in dit kader zwaarder dan het belang van verdachte.\n\n8. De schade van benadeelden\n\n8.1. De vorderingen van de benadeelde partijen\n\nAls benadeelde partijen hebben zich in dit strafproces gevoegd: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , gezinshuisouder [slachtoffer 2] en gezinshuiskinderen [naam 1] en [naam 2] .\n\nVorderingen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] vorderen ieder afzonderlijk, verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 10.000,-- bestaande uit vergoeding van immateriële schade. De benadeelden doen een beroep op artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) waarin aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat in het geval waarin de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.\n\nVorderingen [slachtoffer 2] , [naam 1] en [naam 2]\n\n [slachtoffer 2] vordert in totaal een bedrag van € 13.350,77, waarvan € 5.350,77 materiële schadevergoeding betreft en € 8.000,-- immateriële schadevergoeding.\n\nDe materiële schade van [slachtoffer 2] bestaat volgens haar uit de volgende posten:\n\nReiskosten voor medische behandelingen € 158,--;\n\nMedische kosten fysiotherapie en haptonomie € 900,--;\n\nKosten informatieverstrekking huisarts € 67,60\n\nKosten beveiligingssysteem en huren woning. € 4.225,17.\n\n [naam 1] en [naam 2] vorderen ieder afzonderlijk, verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.000,-- bestaande uit vergoeding voor immateriële schade.\n\nDe benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [naam 1] en [naam 2] doen ten aanzien van de immateriële schade primair een beroep op shockschade en subsidiair een beroep op artikel 6:106 aanhef en onder b BW waarin aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat in het geval waarin de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.\n\nDe benadeelde partijen vorderen allen het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.\n\n8.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen toegewezen kunnen worden, inclusief wettelijke rente.\n\n8.3. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman verzoekt benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering in verband met het ontbreken van causaal verband tussen de kosten en de ten laste gelegde feiten. De benadeelden komt daarnaast volgens de raadsman geen beroep op shockschade toe, omdat er geen sprake is van een strafbaar feit waarbij iemand gedood of ernstig gewond is geraakt. In de vordering ontbreekt een BEM-clausule, de vordering kan niet toegewezen worden.\n\n8.4. Het oordeel van de rechtbank\n\nBeoordeling van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zijn op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.\n\nDe rechtbank overweegt het volgende.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen in deze zaak verschillend zijn voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . In verband met het toegepaste geweld en de bedreiging met geweld ten aanzien van [slachtoffer 1] , acht de rechtbank de aard en de ernst van de normschending voor [slachtoffer 1] ingrijpender, waardoor een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt. [slachtoffer 1] heeft daarnaast voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de nadelige gevolgen die de normschending voor haar hebben gehad, blijken. Zo is er EMDR en speltherapie voor haar ingezet. De rechtbank acht in het geval van [slachtoffer 1] op basis van haar onderbouwing van de nadelige gevolgen een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 3.000,-- billijk. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van [slachtoffer 1] daarom toe en verklaart haar in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 31 maart 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nIn het geval van [slachtoffer 3] is er geen geweld en bedreiging met geweld gebruikt. Deze omstandigheden maken, zonder afbreuk te willen doen aan de impact van de strafbare feiten op hem, dat de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen, afgewogen in dit juridische kader, voor hem minder ingrijpend zijn waardoor een aantasting in de persoon minder voor de hand ligt. In dit geval is het in beginsel aan de benadeelde partij om de schade met concrete gegevens te onderbouwen. Uit de overgelegde gegevens is weliswaar op te maken dat psychotherapie is ingezet bij [slachtoffer 3] , echter in dat licht wordt tevens opgemerkt dat eerste observaties daarbij zijn dat sprake zou zijn van een slechte basis qua hechting en dat zijn hoofd vol lijkt te zitten met beelden van wat hij vertelt. In hoeverre dit beelden zijn van de ontvoering of van andere traumatische ervaringen in het verleden vertellen deze gegevens niet. De rechtbank acht hiermee de nadelige gevolgen voor [slachtoffer 3] onvoldoende onderbouwd en zal hem daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.\n\nBeoordeling van de vorderingen van [slachtoffer 2] , [naam 1] en [naam 2]\n\nDe rechtbank meent dat wat [slachtoffer 2] , [naam 2] en [naam 1] hebben meegemaakt, erg naar moet zijn geweest en neemt aan dat dit impact heeft op hen. Dat is op zichzelf niet doorslaggevend voor beantwoording van de vraag of zij, gelet op de wettelijke criteria en jurisprudentie, voegingsgerechtigd zijn in de strafprocedure en in hun vorderingen tot schadevergoeding kunnen worden ontvangen. Op grond van artikel 51f, eerste lid Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Uit de Memorie van Toelichtingvolgt dat van rechtstreekse schade sprake is indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van derden belanghebbenden, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Artikel 51a Sv omschrijft het slachtoffer ook als degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is er ten aanzien van [slachtoffer 2] , [naam 2] en [naam 1] geen sprake van rechtstreekse schade, omdat de schade is ontstaan doordat anderen ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] ) zijn ontvoerd en onttrokken aan het opzicht. [slachtoffer 2] , [naam 2] en [naam 1] waren hier weliswaar (deels) getuigen van, maar hun belangen worden niet door de overtreden strafbepalingen beschermd. Hun schade valt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet onder rechtstreekse schade, als bedoeld in artikel 51f Sv. [slachtoffer 2] , [naam 2] en [naam 1] behoren daarmee als zodanig niet tot de categorie voegingsgerechtigden.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat bovendien niet is gebleken dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om [slachtoffer 2] , [naam 2] en [naam 1] immateriële schade toe te brengen, zodat zij ook op die grond niet als primair slachtoffer kunnen worden aangemerkt (artikel 6:106 onder a BW).\n\nDit kan anders zijn als sprake is van schokschade.\n\nSchokschade\n\nDe Hoge Raad heeft overwogen dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt.In het arrest worden ook gezichtspunten genoemd die bij deze afweging een rol spelen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de slachtoffers in deze zaak niet dood of ernstig verwond zijn, zoals beschreven in de genoemde uitspraak. De benadeelden hebben de ontvoering en de onttrekking van de kinderen (gedeeltelijk) waargenomen, maar dit valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder een confrontatie die een hevige emotionele schok teweeg kan hebben gebracht, zoals bedoeld in het arrest.\n\nDe rechtbank zal [slachtoffer 2] , [naam 1] en [naam 2] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, omdat er geen sprake is van rechtstreekse schade en omdat een andere grondslag voor vergoeding van materiële en immateriële schade ontbreekt.\n\nHoofdelijkheid en BEM-clausule\n\nOmdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nOmdat [slachtoffer 1] minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een zogenoemde BEM clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\n8.5. De schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.\n\nAls door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 30 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.\n\n9. De toegepaste wettelijke voorschriften\n\nDe hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w en 55 Sr.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nofficier van justitie niet-ontvankelijk\n\n- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde;\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feiten\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;\n\n- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nfeiten 1 en 2,\n\nde eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\nmedeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd,\n\nen\n\nmedeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl geweld en bedreiging met geweld is gebezigd, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd.\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van24 (vierentwintig) maanden;\n\n- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 17 (zeventien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van deproeftijd van drie jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:\n\n- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in overleveringsdetentie in België, in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;\n\nmaatregelen\n\n- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals\n\n bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van drie jaren, in de vorm van een\n\n contactverboden een locatieverbod;\n\n- beveelt dat de verdachte gedurende drie jaren op geenenkele wijze – direct of\n\nindirect – contactop zal nemen, zoeken of hebben met:\n\n- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2013;\n\n- [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2018,\n\ntenzij een dergelijk contact op aanwijzing van en onder begeleiding van JBOV uitvoerbaar en gewenst is;\n\n- beveelt dat de verdachte zich gedurende drie jaren niet binnen de gemeentegrenzen mag bevinden van de gemeenten Zwolle, Kampen en [plaats 1] , tenzij dit nodig is voor een op aanwijzing van en onder begeleiding van JBOV gewenst contact met de hiervoor genoemde kinderen;\n\n- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door een week hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;\n\n- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaaris, omdat er ernstig rekening mee moet\n\n worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en\u002Fof zich\n\n belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] ;\n\n- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;\n\nschadevergoedingen\n\n- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2],[slachtoffer 4]en[slachtoffer 5]in het geheelniet-ontvankelijkzijn in de vorderingen, en dat de benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;\n\n- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;\n\n- wijstdevorderingvan de benadeelde partij[slachtoffer 1]gedeeltelijk toetot een bedrag van€ 3.000,--(drieduizend euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2025;\n\n- veroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling van dit bedrag met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nbepaalt dat [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een BEM-clausule;\n\n-veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;\n\n- legt de maatregelop dat de verdachteverplichtis ter zake van de bewezen verklaarde feitentot betaling aan de Staat der Nederlandenvan een bedrag van € 3.000,-- (drieduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2025 ten behoeve van [slachtoffer 1] , en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van30 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;\n\n- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\nBijlage bewijsmiddelen\n\nDeze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnaam CITRIEN \u002F ON1R025033, bhv-nummer PL0600-2025145441. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.\n\nFeit 1\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Jeugdbescherming Overijssel van 17 april 2025, pagina’s 243 tot en met 247, voor zover inhoudende:\n\nIk doe aangifte namens de Jeugdbescherming Overijssel van het opzettelijk onttrekken van twee minderjarigen aan het wettig over hun gestelde gezag op maandag 31 maart 2025 te [plaats 1] . Niemand heeft het recht of de toestemming gegeven om deze kinderen opzettelijk mee te nemen en deze te onttrekken aan het wettelijk over hun gestelde gezag. Het gaat om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] .\n\nOp 12 april 2021 is er een VOTS uitgesproken. Die is drie maanden later naar een OTS gegaan. Er was ook een verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Dat is ook gebeurd in april 2021. De kinderen zijn toen op een geheim adres geplaatst.\n\nV: In hoeverre wisten de biologische ouders waar de kinderen verblijven en wonen?\n\nA: De kinderen hebben altijd geheim gezeten.\n\nV: Hebben de ouders uitspraken gedaan richting jullie, dat ze de kinderen mee wilden nemen?\n\nA: Nee\n\nV: wie heeft het wettelijk gezag over de kinderen?\n\nA: Dat ligt nog steeds bij de ouders. Maar de machtiging uithuisplaatsing overruled dat wettelijk gezag. En deze beperkt ook dat gezag. Het medisch gezag lag al bij ons.\n\n2. Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van 5 juli 2024, pagina’s 526 tot en met 533, voor zover inhoudende:\n\nDatum uitspraak: 5 juli 2024\n\nBeschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nStichting Jeugdbescherming Overijssel,\n\nde gecertificeerde instelling,\n\ngevestigd te Hengelo (O),\n\nmet betrekking tot:\n\n [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2013\n\nin [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [slachtoffer 1] , en\n\n [slachtoffer 3] , geboren op\n\n [geboortedatum 3] 2018 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen [slachtoffer 3] .\n\nDe rechtbank:6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] tot 6 juli 2025;6.2.. \n\nverlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] in een\n\ngezinshuis tot 6 juli 2025;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking verhoor [slachtoffer 1] (dochter verdachten) van 12 mei 2025, pagina’s 216 tot en met 236, voor zover inhoudende:\n\nHet was ochtend, ik was op de fiets naar school. Ik was bijna bij de kruising en toen kwam er opeens een zwarte auto achter me. En toen reed ie opeens voor me langs. En ik fietste toen om de auto heen. Maar toen gooide ze de auto er weer voor. En ik fietste er toen aan de andere kant omheen. En toen gooiden ze hem er nog een keer voor.\n\nToen stapte mijn moeder uit. En toen werd ik er vanaf geduwd en viel ik in een doornstruik. Ik werd meegesleurd. En ik zat in de tussentijd om hulp te roepen. Ik was toen in de auto gestopt. Had ze me in de auto gekregen en toen kwamen ze dus bij het gezinshuis. En toen is [slachtoffer 3] zo uit de auto getrokken en in hun auto gestopt. Toen reden ze eerst naar het station, waar een huurauto stond. En daar moesten ik en [slachtoffer 3] in. En toen zijn ze naar Hardenberg gereden, vanaf daar zijn ze Duitsland in gereden. Toen zijn we gestopt bij een hele grote Shell in Duitsland. Daar moesten we dingen met een pruik en andere kleding. En van daaruit hebben we een uur of twee gereden België in. En toen werden ik en mijn broertje in een appartementsgebouw gebracht, die schuin tegenover een matrassenfabriek stond.\n\n Ik ben in de doornstruik gevallen (wijst naar haar rechterzij kant) hier heb ik ook een wondje zitten en hier heb ik ook, bij mijn navel, een wondje zitten. Dat gebeurde in [plaats 1] . Net voor een kruispunt. Ik werd van mijn fiets afgeduwd door mijn moeder. Zij stapte ineens zo schuin voor en duwde zo naar de zijkant en toen vloog ik in die struik. De fiets lag op mijn linkerbeen.\n\nIk werd toen meegesleurd en ik probeerde me tegen te houden. En toen werd ik over het fietspad heen gesleurd. Ik voelde de pijn hier (wijst haar linker been aan) hier (wijst haar rechter elleboog\u002Farm aan) hier (rechter heup), eigenlijk overal behalve mijn hoofd. Ik werd daar dus in mee gesleurd en ik heb me ook afgezet tegen de zijkanten van de deur heb ik me afgezet om eraf te komen. Toen hebben ze mij zeg maar zo naar voren geduwd. Ja, en dit (wijst naar haar vinger) komt zeg maar mijn hand, de nagels van mijn moeder werden in mijn hand gezet zodat ik los liet. Mijn moeder zei dat ik op moest houden en dat ik mee werk en zo. Mijn moeder kwam achter me zitten, en ik werd in dat voeteneind gedrukt door mijn moeder. Volgens mij hebben ze hem op kinderslot gezet. Mijn vader reed. Papa moest [slachtoffer 3] halen. Dat had mama gezegd. Ik heb gezien dat de deur werd opengedaan, [slachtoffer 3] werd opgetild en toen zijn ze naar de auto gelopen.\n\nDe hele weg naar het station werd ik naar beneden gedrukt. Toen moesten we overstappen in de huurauto. Ik moest meewerken omdat ze me anders pijn gaat doen en zo. De autodeuren zaten op kinderslot.\n\nDe huurauto stond ernaast en daar werd ik ingewerkt en [slachtoffer 3] werd erin getild. Op dezelfde manier als bij het begin van onze ontvoering eigenlijk.\n\n Toen we bijna bij de grens waren moesten ik en [slachtoffer 3] andere kleding en een andere jas aan en andere schoenen van mijn moeder. Zij pakte de kleren uit de tas van achteren. Ik moest een thermoding onder aantrekken en toen moest ik een roze trui aan. [slachtoffer 3] en ik kregen een hoofddoek op of zo die had ze bij ons aangedaan met een nepbril. Ik had een paarse, [slachtoffer 3] een blauwe. En toen even later, toen we bijna bij die Shell waren, had ze dezelfde pruik voor mij en [slachtoffer 3] . De pruik moesten we op doen van mijn moeder.\n\nToen zijn we naar het appartement gereden in België. Daar kwamen we vier uur ’s middags aan.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 31 maart 2025, pagina’s 26 en 27, voor zover inhoudende:\n\nOp maandag 31 maart 2025 omstreeks 08:00 uur fietste ik op de Leemculeweg. Voor mij zag ik een meisje fietsen die ik bijna wilde gaan inhalen. Ik zag toen dat ik werd ingehaald door een zwarte auto. Ik zag dat de auto slingerde toen deze ter hoogte van het meisje reed. Vervolgens zag ik dat de auto meer gas bij gaf en een stukje voor het meisje stopte. Ik zag dat de bijrijder, een vrouw, uit het voertuig stapte en het meisje op de fiets hardhandig van de fiets duwde. Ik zag dat het meisje ten van kwam bij de bosjes net voorbij het voetbalveldje aan de Leemculeweg. Ik zag dat de vrouw het meisje hardhandig het voertuig in trok. Ik hoorde dat het meisje meerdere keren hard om hulp riep.\n\n5. Een geschrift van de federale gerechtelijke politie arro Oost-Vlaanderen, verhoor van [verdachte] van 1 april 2025, pagina’s 121 tot en met 128, voor zover inhoudende:\n\nIk heb het advies van de Raad voor de Kinderbescherming waarin zij adviseerden om ons ouderlijk gezag af te nemen, midden maart 2025 via de post in Nederland ontvangen. Dit advies is de reden waarom wij dit alles ondernomen hebben.\n\nNormaal rijd ik in een Mitsubishi, maar ik ben hier gisteren gekomen met een Seat Alhambra die ik had gehuurd. Ik heb de auto gehuurd van zaterdag 29\u002F04\u002F2025 tot en met 01\u002F04\u002F2025 12.30 uur via SnappCar. De eigenaar woont in [plaats 3] . Wij dachten dat wij via het huren van een auto een voorsprong zouden kunnen krijgen op de Nederlandse politie zodat ze ons niet konden tegenhouden.\n\nGisterenochtend hebben wij onze dochter die naar school fietste onderschept en meegenomen. Daarna zijn wij naar het huis gereden waar beide kinderen momenteel verblijven. Wij zagen dat ons zoontje op dat moment in de auto werd geplaatst om naar school te gaan. Ik heb de deur van de auto opengetrokken en mijn zoontje uit de auto genomen en naar mijn auto, de Mitsubishi, gebracht. Ik heb mijn zoontje linksachter geplaatst. Wij zijn weggereden naar een parkeerplaats bij het treinstation van [plaats 1] . Daar hebben wij van auto gewisseld. Wij hadden de Seat, zoals eerder vermeld, daar al vroeger geplaatst met het oog op het wisselen van de voertuigen. Wij zijn toen doorgereden met de Seat naar Leupegem in België. Wij kenden de fietsroute van onze dochter. Wij hebben haar daar eerder zien rondfietsen. Wij zijn daar eerder gaan kijken, wel vaker, met de optiek om ze mee te nemen indien het anders niet kon. Wij hebben eerder gezien dat ons zoontje met de auto naar school werd gebracht.\n\n6. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende:\n\nWe gebruikten onderweg in de auto pruiken, kleding en brillen om herkenning tegen te gaan.\n\nFeit 2\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Jeugdbescherming Overijssel van 17 april 2025, pagina’s 243 tot en met 247, voor zover inhoudende:\n\nIk doe aangifte namens de Jeugdbescherming Overijssel van het opzettelijk onttrekken van twee minderjarigen aan het wettig over hun gestelde gezag op maandag 31 maart 2025 te [plaats 1] . Niemand heeft het recht of de toestemming gegeven om deze kinderen opzettelijk mee te nemen en deze te onttrekken aan het wettelijk over hun gestelde gezag. Het gaat om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] .\n\nOp 12 april 2021 is er een VOTS uitgesproken. Die is drie maanden later naar een OTS gegaan. Er was ook een verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Dat is ook gebeurd in april 2021. De kinderen zijn toen op een geheim adres geplaatst.\n\nV: In hoeverre wisten de biologische ouders waar de kinderen verblijven en wonen?\n\nA: De kinderen hebben altijd geheim gezeten.\n\nV: Hebben de ouders uitspraken gedaan richting jullie, dat ze de kinderen mee wilden nemen?\n\nA: Nee\n\nV: wie heeft het wettelijk gezag over de kinderen?\n\nA: Dat ligt nog steeds bij de ouders. Maar de machtiging uithuisplaatsing overruled dat wettelijk gezag. En deze beperkt ook dat gezag. Het medisch gezag lag al bij ons.\n\n2. Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van 5 juli 2024, pagina’s 526 tot en met 533, voor zover inhoudende:\n\nDatum uitspraak: 5 juli 2024\n\nBeschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nStichting Jeugdbescherming Overijssel,\n\nde gecertificeerde instelling,\n\ngevestigd te Hengelo (O),\n\nmet betrekking tot:\n\n [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2013\n\nin [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [slachtoffer 1] , en\n\n [slachtoffer 3] , geboren op\n\n [geboortedatum 3] 2018 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen [slachtoffer 3] .\n\nDe rechtbank:6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] tot 6 juli 2025;6.2.. \n\nverlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] in een\n\ngezinshuis tot 6 juli 2025;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking verhoor [slachtoffer 1] (dochter verdachten) van 12 mei 2025, pagina’s 216 tot en met 236, voor zover inhoudende:\n\nHet was ochtend, ik was op de fiets naar school. Ik was bijna bij de kruising en toen kwam er opeens een zwarte auto achter me. En toen reed ie opeens voor me langs. En ik fietste toen om de auto heen. Maar toen gooide ze de auto er weer voor. En ik fietste er toen aan de andere kant omheen. En toen gooiden ze hem er nog een keer voor.\n\nToen stapte mijn moeder uit. En toen werd ik er vanaf geduwd en viel ik in een doornstruik. Ik werd meegesleurd. En ik zat in de tussentijd om hulp te roepen. Ik was toen in de auto gestopt. Had ze me in de auto gekregen en toen kwamen ze dus bij het gezinshuis. En toen is [slachtoffer 3] zo uit de auto getrokken en in hun auto gestopt. Toen reden ze eerst naar het station, waar een huurauto stond. En daar moesten ik en [slachtoffer 3] in. En toen zijn ze naar Hardenberg gereden, vanaf daar zijn ze Duitsland in gereden. Toen zijn we gestopt bij een hele grote Shell in Duitsland. Daar moesten we dingen met een pruik en andere kleding. En van daaruit hebben we een uur of twee gereden België in. En toen werden ik en mijn broertje in een appartementsgebouw gebracht, die schuin tegenover een matrassenfabriek stond.\n\n Ik ben in de doornstruik gevallen (wijst naar haar rechterzij kant) hier heb ik ook een wondje zitten en hier heb ik ook, bij mijn navel, een wondje zitten. Dat gebeurde in [plaats 1] . Net voor een kruispunt. Ik werd van mijn fiets afgeduwd door mijn moeder. Zij stapte ineens zo schuin voor en duwde zo naar de zijkant en toen vloog ik in die struik. De fiets lag op mijn linkerbeen.\n\nIk werd toen meegesleurd en ik probeerde me tegen te houden. En toen werd ik over het fietspad heen gesleurd. Ik voelde de pijn hier (wijst haar linker been aan) hier (wijst haar rechter elleboog\u002Farm aan) hier (rechter heup), eigenlijk overal behalve mijn hoofd. Ik werd daar dus in mee gesleurd en ik heb me ook afgezet tegen de zijkanten van de deur heb ik me afgezet om eraf te komen. Toen hebben ze mij zeg maar zo naar voren geduwd. Ja, en dit (wijst naar haar vinger) komt zeg maar mijn hand, de nagels van mijn moeder werden in mijn hand gezet zodat ik los liet. Mijn moeder zei dat ik op moest houden en dat ik mee werk en zo. Mijn moeder kwam achter me zitten, en ik werd in dat voeteneind gedrukt door mijn moeder. Volgens mij hebben ze hem op kinderslot gezet. Mijn vader reed. Papa moest [slachtoffer 3] halen. Dat had mama gezegd. Ik heb gezien dat de deur werd opengedaan, [slachtoffer 3] werd opgetild en toen zijn ze naar de auto gelopen.\n\nDe hele weg naar het station werd ik naar beneden gedrukt. Toen moesten we overstappen in de huurauto. Ik moest meewerken omdat ze me anders pijn gaat doen en zo. De autodeuren zaten op kinderslot.\n\nDe huurauto stond ernaast en daar werd ik ingewerkt en [slachtoffer 3] werd erin getild. Op dezelfde manier als bij het begin van onze ontvoering eigenlijk.\n\n Toen we bijna bij de grens waren moesten ik en [slachtoffer 3] andere kleding en een andere jas aan en andere schoenen van mijn moeder. Zij pakte de kleren uit de tas van achteren. Ik moest een thermoding onder aantrekken en toen moest ik een roze trui aan. [slachtoffer 3] en ik kregen een hoofddoek op of zo die had ze bij ons aangedaan met een nepbril. Ik had een paarse, [slachtoffer 3] een blauwe. En toen even later, toen we bijna bij die Shell waren, had ze dezelfde pruik voor mij en [slachtoffer 3] . De pruik moesten we op doen van mijn moeder.\n\nToen zijn we naar het appartement gereden in België. Daar kwamen we vier uur ’s middags aan.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 31 maart 2025, pagina’s 26 en 27, voor zover inhoudende:\n\nOp maandag 31 maart 2025 omstreeks 08:00 uur fietste ik op de Leemculeweg. Voor mij zag ik een meisje fietsen die ik bijna wilde gaan inhalen. Ik zag toen dat ik werd ingehaald door een zwarte auto. Ik zag dat de auto slingerde toen deze ter hoogte van het meisje reed. Vervolgens zag ik dat de auto meer gas bij gaf en een stukje voor het meisje stopte. Ik zag dat de bijrijder, een vrouw, uit het voertuig stapte en het meisje op de fiets hardhandig van de fiets duwde. Ik zag dat het meisje ten van kwam bij de bosjes net voorbij het voetbalveldje aan de Leemculeweg. Ik zag dat de vrouw het meisje hardhandig het voertuig in trok. Ik hoorde dat het meisje meerdere keren hard om hulp riep.\n\n5. Een geschrift van de federale gerechtelijke politie arro Oost-Vlaanderen, verhoor van [verdachte] van 1 april 2025, pagina’s 121 tot en met 128, voor zover inhoudende:\n\nIk heb het advies van de Raad voor de Kinderbescherming waarin zij adviseerden om ons ouderlijk gezag af te nemen, midden maart 2025 via de post in Nederland ontvangen. Dit advies is de reden waarom wij dit alles ondernomen hebben.\n\nNormaal rijd ik in een Mitsubishi, maar ik ben hier gisteren gekomen met een Seat Alhambra die ik had gehuurd. Ik heb de auto gehuurd van zaterdag 29\u002F04\u002F2025 tot en met 01\u002F04\u002F2025 12.30 uur via SnappCar. De eigenaar woont in [plaats 3] . Wij dachten dat wij via het huren van een auto een voorsprong zouden kunnen krijgen op de Nederlandse politie zodat ze ons niet konden tegenhouden.\n\nGisterenochtend hebben wij onze dochter die naar school fietste onderschept en meegenomen. Daarna zijn wij naar het huis gereden waar beide kinderen momenteel verblijven. Wij zagen dat ons zoontje op dat moment in de auto werd geplaatst om naar school te gaan. Ik heb de deur van de auto opengetrokken en mijn zoontje uit de auto genomen en naar mijn auto, de Mitsubishi, gebracht. Ik heb mijn zoontje linksachter geplaatst. Wij zijn weggereden naar een parkeerplaats bij het treinstation van [plaats 1] . Daar hebben wij van auto gewisseld. Wij hadden de Seat, zoals eerder vermeld, daar al vroeger geplaatst met het oog op het wisselen van de voertuigen. Wij zijn toen doorgereden met de Seat naar Leupegem in België. Wij kenden de fietsroute van onze dochter. Wij hebben haar daar eerder zien rondfietsen. Wij zijn daar eerder gaan kijken, wel vaker, met de optiek om ze mee te nemen indien het anders niet kon. Wij hebben eerder gezien dat ons zoontje met de auto naar school werd gebracht.\n\n6. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende:\n\nWe gebruikten onderweg in de auto pruiken, kleding en brillen om herkenning tegen te gaan.\n\n Kamerstukken II, 1989\u002F1990, 21 345, nr. 3, p. 11\n\n HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3410","2026-06-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:45.495Z",{"id":118,"ecli":119,"slug":120,"caseNumber":43,"courtId":111,"decisionDate":112,"fullText":121,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":115,"parsedAt":50,"updatedAt":123},"1917","ECLI:NL:RBOVE:2026:3408","ecli-nl-rbove-2026-3408","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummer: 08.216984.25 (P)\n\nDatum vonnis: 18 juni 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1982 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [woonplaats] .\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van\n\n4 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. M.N.A.J. de Vroom, advocaat in Tilburg, naar voren is gebracht.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door mr. D. van Bommel, advocaat in Arnhem, is aangevoerd en van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] door mr. A.C. van de Vosse, advocaat in Zwolle, is aangevoerd.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, medeplichtig is geweest aan de ontvoering van twee minderjarige kinderen van haar zus (feit 1) en aan het onttrekken van die minderjarige kinderen aan het wettig gezag of aan het bevoegd opzicht, terwijl (bedreiging met) geweld is gebruikt en\u002Fof de minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren (feit 2).\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\n1 [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] in of omstreeks 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te [plaats 2] en\u002Fof [plaats 1] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (meermalen) opzettelijk [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013) wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door - [slachtoffer 1] met de auto te blokkeren en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets af te trappen en\u002Fof te duwen (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto te trekken\u002Fsleuren en\u002Fof haar (vervolgens) in die auto te duwen\u002Fplaatsen en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vast te houden en\u002Fof (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] te houden en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond te duwen en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] uit de auto van diens pleegmoeder te tillen en\u002Fof in de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto te plaatsen en\u002Fof - (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] weg te voeren van de woning van de pleegmoeder en\u002Fof - (vervolgens) voornoemde auto te wisselen met een vooraf klaargezette (huur)auto en\u002Fof - (vervolgens) te dreigen dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en\u002Fof pijn zou worden gedaan en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België te vervoeren (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en\u002Fof kleding en\u002Fof andere attributen) en\u002Fof - (volgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] in België onder te brengen in een door verdachte en\u002Fof medeverdachte gehuurd appartement,\n\ntot en\u002Fof bij het plegen van welk(e) misdrijf\u002Fmisdrijven verdachte in of omstreeks de periode 1 maart 2025 tot en met 31 maart 2025, te [plaats 2] en\u002Fof Zwolle en\u002Fof Enschede, in ieder geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft en\u002Fof opzettelijk behulpzaam is geweest, door tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens)\n\n- advies te geven aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] over het (voorgenomen) moment en de wijze van uitvoering van voornoemd delict en\u002Fof - advies te geven aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] , althans informatie te verkrijgen\u002Fvoorhanden te hebben over de plaats waar [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] naartoe gebracht zouden worden (te weten [plaats 1] in België) en\u002Fof - assistentie te verlenen bij het huren van een (vlucht)auto en\u002Fof het ophalen van die gehuurde (vlucht)auto en\u002Fof - informatie in te winnen over het besturen van een auto met een automatische versnelling (terwijl de gehuurde (vlucht)auto een auto met een automatische versnelling betrof) en\u002Fof deze informatie te verstrekken aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof - ter plekke op het treinstation en het busstation in [plaats 2] informatie in te winnen met betrekking tot vertrektijden van de treinen en bussen aldaar en\u002Fof deze locaties voor te verkennen en\u002Fof hierover informatie te verstrekken aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof - informatie in te winnen met betrekking tot mogelijke verblijfplaatsen in [plaats 2] van voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof en\u002Fof deze informatie te verstrekken aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] ;\n\n2. [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te [plaats 2] en\u002Fof [plaats 1] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (meermalen) opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013), heeft onttrokken aan het wettig over hem\u002Fhaar gesteld gezag en\u002Fof aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem\u002Fhaar uitoefende, terwijl die minderjarige(n) beneden de twaalf jaren oud was\u002Fwaren en terwijl verdachte en\u002Fof medeverdachte geweld en\u002Fof bedreiging met geweld heeft\u002Fhebben gebezigd, immers hebben verdachte en\u002Fof medeverdachte - [slachtoffer 1] met de auto geblokkeerd en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets getrapt en\u002Fof geduwd (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto getrokken en\u002Fof gesleurd en\u002Fof haar (vervolgens) in die auto te geduwd en\u002Fof geplaatst en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vastgehouden en\u002Fof (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] gehouden en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond geduwd en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] uit de auto van diens pleegmoeder getild en\u002Fof in de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto geplaatst en\u002Fof - (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] weggevoerd van de woning van de pleegmoeder en\u002Fof - (vervolgens) voornoemde auto gewisseld met een vooraf klaargezette (huur)auto en\u002Fof - (vervolgens) gedreigd dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en\u002Fof pijn zou worden gedaan en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België vervoerd (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en\u002Fof kleding en\u002Fof andere attributen) en\u002Fof - (volgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] in België ondergebracht in een door verdachte en\u002Fof medeverdachte gehuurd appartement,\n\ntot en\u002Fof bij het plegen van welk(e) misdrijf\u002Fmisdrijven verdachte in of omstreeks de periode 1 maart 2025 tot en met 31 maart 2025, te [plaats 2] en\u002Fof Zwolle en\u002Fof Enschede, in ieder geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft en\u002Fof opzettelijk behulpzaam is geweest, door tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens) - advies te geven aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] over het (voorgenomen) moment en de wijze van uitvoering van voornoemd delict en\u002Fof - advies te geven aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] , althans informatie te verkrijgen\u002Fvoorhanden te hebben over de plaats waar [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] naartoe gebracht zouden worden (te weten [plaats 1] in België) en\u002Fof - assistentie te verlenen bij het huren van een (vlucht)auto en\u002Fof het ophalen van die gehuurde (vlucht)auto en\u002Fof - informatie in te winnen over het besturen van een auto met een automatische versnelling (terwijl de gehuurde (vlucht)auto een auto met een automatische versnelling betrof) en\u002Fof deze informatie te verstrekken aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof - ter plekke op het treinstation en het busstation in [plaats 2] informatie in te winnen met betrekking tot vertrektijden van de treinen en bussen aldaar en\u002Fof deze locaties voor te verkennen en\u002Fof hierover informatie te verstrekken aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof - informatie in te winnen met betrekking tot mogelijke verblijfplaatsen in [plaats 2] van voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof en\u002Fof deze informatie te verstrekken aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] . 3. De beoordeling van het bewijs\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van feit 1. De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 2, met uitzondering van de strafverzwarende omstandigheid dat geweld is gebruikt of bedreigd is met geweld.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman bepleit integrale vrijspraak.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in het dossier aanwijzingen voorhanden dat verdachte op de hoogte was van de plannen van de ouders (medeverdachten) om de uithuisgeplaatste kinderen mee te nemen, zoals zij dit ook min of meer ter terechtzitting heeft verklaard. Deze wetenschap op zich is echter onvoldoende om te kunnen spreken van medeplichtigheid aan de feiten waarvoor de heer [medeverdachte 2] en mevrouw [medeverdachte 1] zijn veroordeeld.\n\nEr is onvoldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat verdachte de handelingen van de ouders daadwerkelijk heeft ondersteund en hen daarbij behulpzaam is geweest dan wel gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van de misdrijven heeft verschaft.\n\n4. De schade van benadeelden\n\nOmdat verdachte van de ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partijen op grond van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\n- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;\n\nschadevergoedingen\n\n- verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in het geheel niet-ontvankelijk in hun vorderingen;\n\n- bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3408","2026-07-13T00:29:45.372Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":43,"courtId":111,"decisionDate":112,"fullText":128,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":129,"sourceTimestamp":115,"parsedAt":50,"updatedAt":130},"1918","ECLI:NL:RBOVE:2026:3409","ecli-nl-rbove-2026-3409","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummer: 08.099608.25 (P)\n\nDatum vonnis: 18 juni 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1979 in [geboorteplaats 1] ,\n\nwonende aan de [adres 1] .\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 28 mei 2026 en 4 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. D.C.O. Ayinla, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de door [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring en van de namens [getuige 1] voorgedragen slachtofferverklaring. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] (hierna [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna [slachtoffer 2] ) door\n\nmr. D. van Bommel, advocaat in Arnhem, is aangevoerd en van wat namens de benadeelde partijen [getuige 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] door mr. A.C. van de Vosse, advocaat in Zwolle, is aangevoerd.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025, samen met een ander:\n\nfeit 1:haar minderjarige kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft ontvoerd;\n\nfeit 2:haar minderjarige kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft onttrokken aan het wettig gezag of aan het opzicht dat over hen werd uitgeoefend, terwijl de kinderen jonger waren dan twaalf jaar en terwijl er bij de onttrekking geweld is gebruikt en\u002Fof bedreigd is met geweld;\n\nfeit 3: een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad.\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\n1. zij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te Dalfsen en\u002Fof [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013) wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door - [slachtoffer 1] met de auto te blokkeren en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets af te trappen en\u002Fof te duwen (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto te trekken\u002Fsleuren en\u002Fof haar (vervolgens) in die auto te duwen\u002Fplaatsen en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vast te houden en\u002Fof (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] te houden en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond te duwen en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] uit de auto van diens pleegmoeder te tillen en\u002Fof in de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto te plaatsen en\u002Fof - (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] weg te voeren van de woning van de pleegmoeder en\u002Fof - (vervolgens) voornoemde auto te wisselen met een vooraf klaargezette (huur)auto en\u002Fof - (vervolgens) te dreigen dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en\u002Fof pijn zou worden gedaan en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België te vervoeren (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en\u002Fof kleding en\u002Fof andere attributen) en\u002Fof - (volgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] in België onder te brengen in een door verdachte en\u002Fof medeverdachte gehuurd appartement;\n\n2. zij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te Dalfsen en\u002Fof [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,(meermalen) opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013), heeft onttrokken aan het wettig over hem\u002Fhaar gesteld gezag en\u002Fof aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem\u002Fhaar uitoefende, terwijl die minderjarige(n) beneden de twaalf jaren oud was\u002Fwaren en terwijl verdachte en\u002Fof medeverdachte geweld en\u002Fof bedreiging met geweld heeft\u002Fhebben gebezigd, immers hebben verdachte en\u002Fof medeverdachte - [slachtoffer 1] met de auto geblokkeerd en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets getrapt en\u002Fof geduwd (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto getrokken en\u002Fof gesleurd en\u002Fof haar (vervolgens) in die auto te geduwd en\u002Fof geplaatst en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vastgehouden en\u002Fof (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] gehouden en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond geduwd en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] uit de auto van diens pleegmoeder getild en\u002Fof in de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto geplaatst en\u002Fof - (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] weggevoerd van de woning van de pleegmoeder en\u002Fof - (vervolgens) voornoemde auto gewisseld met een vooraf klaargezette (huur) auto en\u002Fof - (vervolgens) gedreigd dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en\u002Fof pijn zou worden gedaan en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België vervoerd (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en\u002Fof kleding en\u002Fof andere attributen) en\u002Fof - (volgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] in België ondergebracht in een door verdachte en\u002Fof medeverdachte gehuurd appartement;\n\n3. zij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te Dalfsen en\u002Fof [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.3. De voorvragen\n\n3.1. Preliminair verweer\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie met betrekking tot feit 3 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De vervolging van de verdachte is op grond van het specialiteitsbeginsel beperkt tot de strafbare feiten waarvoor de verdachte is overgeleverd. De overlevering is alleen verzocht voor de eerste twee ten laste gelegde feiten, niet voor het derde.\n\n3.2. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe ontvankelijkheid van de officier van justitie\n\nIn de Overleveringswet is onder andere geregeld hoe een persoon in verband met een strafrechtelijk onderzoek door justitiële autoriteiten van de ene lidstaat van de Europese Unie aan de justitiële autoriteiten van een andere lidstaat overgeleverd kan worden. Artikel 14 van de Overleveringswet bepaalt het volgende: “Overlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd, gestraft of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd, tenzij (…)”.Na de tenzij-bepaling volgen zeven uitzonderingen op die hoofdregel (onderdelen a-g).\n\nDe uitlevering van verdachte heeft plaatsgevonden op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). In het EAB verzocht Nederland aanhouding en overlevering van de verdachte in verband met een verdenking van, kortgezegd, wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1) en het onttrekken aan het gezag (feit 2). In het EAB is niet het voorhanden hebben van een stroomstootwapen opgenomen (feit 3). Nu de overlevering niet zag op dit feit, kan verdachte hiervoor in beginsel niet voor worden vervolgd en gestraft. De rechtbank overweegt dat van een uitzondering zoals opgenomen in artikel 14, eerste lid, a tot en met g van de Overleveringswet geen sprake is. Dat de Belgische procureur des Konings (de Belgische officier van justitie) de officier van justitie in Nederland om vervolging van het wapenfeit heeft verzocht, is geen omstandigheid die onder de uitzonderingen valt en doet niet af aan de beperkingen van de vervolging. De rechtbank verklaart de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk in zijn vervolging van het ten laste gelegde feit 3.\n\n4. De bewijsmotivering\n\n4.1. Inleiding\n\nOp maandag 31 maart 2025 om 08.13 uur ontvangt de politie een telefonische melding van [getuige 1] dat de elfjarige [slachtoffer 1] en de zesjarige [slachtoffer 2] zijn meegenomen door hun ouders. De ouders betreffen [verdachte] (verdachte) en [medeverdachte] (medeverdachte). De kinderen zijn sinds 12 april 2021 uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Overijssel. Ze verbleven in het kader van hun uithuisplaatsing in een gezinshuis in [plaats 1] bij gezinshuisouder [getuige 1] .\n\nNa deze melding is de politie een grootschalig opsporingsonderzoek gestart. De ouders reden in een Mitsubishi, welke auto omstreeks 08.25 uur leeg werd aangetroffen op een parkeerplaats bij het treinstation in Dalfsen. Aan het begin van de middag is er een landelijk AMBER Alertuitgegeven. Het opsporingsonderzoek leidt de politie uiteindelijk naar [plaats 2] in België. In de nacht van 1 april 2025 worden verdachten met de kinderen aangetroffen in een appartement in [plaats 2] .\n\n Vanuit de Raad voor de Kinderbescherming lag een advies om het gezag van de ouders te beëindigen. Het wettelijk gezag lag nog bij de ouders. Zij meenden op dat moment in hun recht te staan om de kinderen op te halen en mee te nemen naar België. Inmiddels is het gezag van de verdachten over [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] sinds 10 juni 2025 beëindigd.\n\n4.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Verdachte heeft deze feiten samen met medeverdachte [medeverdachte] gepleegd, zodat er sprake is van medeplegen.\n\n4.3. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman bepleit primair integrale vrijspraak. Subsidiair bepleit de raadsman verdachte vrij te spreken van de onderdelen in de tenlastelegging die zien op geweldshandelingen.\n\n4.4. Het oordeel van de rechtbank\n\nFeiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en van wat ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nVerdachte heeft op 31 maart 2025 samen met medeverdachte [medeverdachte] hun kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opgehaald en meegenomen naar België. De kinderen waren op dat moment al bijna vier jaar uit huis geplaatst en zij stonden onder toezicht van JBOV. De kinderen verbleven in het kader van hun uithuisplaatsing in een gezinshuis in [plaats 1] op een voor verdachten geheim adres bij de gezinshuisouder [getuige 1] . JBOV was niet op de hoogte van de plannen van verdachte om de kinderen mee te nemen naar België.\n\nOp maandagmorgen 31 maart 2025 fietste de elfjarige [slachtoffer 1] naar school. Op enig moment werd zij geblokkeerd door een auto. Medeverdachte [medeverdachte] bestuurde de auto en verdachte was bijrijder. Verdachte stapte uit de auto en duwde [slachtoffer 1] van haar fiets waardoor [slachtoffer 1] viel. Verdachte trok [slachtoffer 1] vervolgens over de grond richting hun auto en duwde [slachtoffer 1] erin. Dit gebeurde terwijl [slachtoffer 1] om hulp schreeuwde en zich afzette tegen de auto. Verdachte hield haar hand voor de mond van [slachtoffer 1] om het schreeuwen te stoppen. [slachtoffer 1] werd in de auto richting de grond geduwd door verdachte. [slachtoffer 1] moest meewerken, anders zouden ze haar pijn doen. Vervolgens reden verdachten naar het gezinshuis waar de kinderen verbleven. Daar aangekomen, zagen ze dat hun zesjarige zoon [slachtoffer 2] in de auto van gezinshuisouder [getuige 1] zat. Medeverdachte [medeverdachte] stapte uit zijn auto en liep naar de auto van [getuige 1] . Hij opende het portier, tilde [slachtoffer 2] uit de auto van [getuige 1] en plaatste [slachtoffer 2] vervolgens in hun eigen auto. Verdachten reden vervolgens met hun kinderen weg en wisselden hun auto bij het station in Dalfsen voor een huurauto die daar eerder klaargezet was. Medeverdachte [medeverdachte] heeft een auto gehuurd om een voorsprong op de Nederlandse politie te krijgen, zodat ze niet tegengehouden konden worden. Verdachten reden vervolgens met de kinderen via Hardenberg de grens over naar Duitsland naar hun huurappartement in België. Verdachten hadden voor de kinderen en voor henzelf andere kleding, nepbrillen en pruiken mee die als vermomming dienden om herkenning te voorkomen. Die middag kwamen verdachten met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan in hun huurappartement in België, waar zij die nacht 1 april 2025 zijn aangetroffen.\n\nOverwegingen van de rechtbank\n\nOp het moment van het meenemen van de kinderen stonden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel (JBOV). JBOV is in dat kader bevoegd opzichter over de kinderen. Daar komt bij dat de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinshuis bij beschikking van 5 juli 2024 heeft verlengd tot 5 juli 2025.\n\nDoor de kinderen mee te nemen, zonder toestemming van JBOV en zonder hen te informeren, en in strijd met de rechterlijke machtiging tot uithuisplaatsing de kinderen onderdak te verlenen in hun appartement in België, hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , hoewel zij nog ouderlijk gezag hadden, de kinderen onttrokken aan het bevoegd opzicht van JBOV.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de voorbereidingen die verdachten hebben getroffen en de wijze waarop de kinderen door verdachten zijn meegenomen, er op wijzen dat zij wel degelijk wisten dat wat zij deden juridisch ontoelaatbaar was. Verdachten hebben de kinderen meegenomen zonder overleg met JBOV, ze hebben de routes van de kinderen naar school eerder verkend, net als de wijze waarop de kinderen naar school gingen, dit terwijl de kinderen op een voor de ouders geheim adres verbleven. Verder hebben zij de huurauto en vermommingen gebruikt om uit handen van de politie te blijven. Dit alles wijst er op dat het voor verdachte en medeverdachte [medeverdachte] volstrekt duidelijk was dat zij niet gerechtigd waren om de kinderen zonder toestemming van JBOV mee te nemen en dat zij opzettelijk wederrechtelijk hebben gehandeld.\n\nVerdachte stelt dat zij de instanties op de hoogte heeft gebracht van de verhuizing. Verdachte doelt daarmee op een e-mail die vanuit het e-mailadres van medeverdachte [medeverdachte] is verzonden naar de gemeente Dalfsen over een verhuizing naar het buitenland. Deze e-mail werd pas om 16.01 uur in de middag verzonden, terwijl de kinderen al rond 08.00 uur meegenomen waren door verdachte en [medeverdachte] . De e-mail bevatte bovendien geen nieuw adres of verblijfplaats van de kinderen. Deze stelling van verdachte kan de rechtbank dan ook niet volgen en neemt de wederrechtelijkheid van het handelen niet weg.\n\nDoor de feitelijke wijze van handelen hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zich ook schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de kinderen. De kinderen werden van hun vrijheid beroofd door hen, ongevraagd en bij [slachtoffer 1] zelfs uitdrukkelijk tegen haar zin, in de auto te zetten en mee te voeren naar België.\n\nHoewel verdachte ontkent geweld te hebben gebruikt of bedreigd te hebben met geweld, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring over de geweldshandelingen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring gedetailleerd en consistent. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring op concrete onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van getuige [getuige 2] . [getuige 2] wordt door de rechtbank als onafhankelijke en betrouwbare getuige beschouwd.\n\nDe verdediging heeft [slachtoffer 1] –​​ ondanks de initiatieven daartoe – niet kunnen ondervragen. De rechtbank komt tot het oordeel dat de procedure als geheel eerlijk is verlopen en overweegt in dat verband het volgende. De rechtbank heeft de verdediging geen ondervragingsgelegenheid geboden, omdat [slachtoffer 1] kwetsbaar en jong (13 jaar) is. Zoals eerder overwogen vindt haar verklaring steun in de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige 2] . Hij verklaart onder andere over het hardhandig van de fiets duwen en over hoe het meisje hardhandig het voertuig werd ingetrokken. [slachtoffer 1] ’s verklaring vindt ook steun in de verklaring van verdachte zelf. Verdachte verklaart onder andere dat ze [slachtoffer 1] vastgepakt heeft, dat [slachtoffer 1] van haar fiets viel, dat [slachtoffer 1] de auto niet in wilde en worstelde, dat ze [slachtoffer 1] richting de auto heeft getrokken en dat ze een hand voor [slachtoffer 1] ’s mond hield tegen het schreeuwen. Daarnaast heeft [slachtoffer 1] na de gebeurtenissen haar verhaal gedaan bij onder andere getuigen [getuige 1] , [getuige 3] en [getuige 4] . Haar verhaal over de gebeurtenissen tegenover hen komt op grote lijnen overeen. Tot slot heeft het verhoor van [slachtoffer 1] plaatsgevonden door een gecertificeerd studio-verhoorder, in een kindvriendelijke verhoorstudio en het verhoor is audiovisueel vastgelegd. De verdediging is in de gelegenheid gesteld om het verhoor te bekijken, te beoordelen en te controleren.\n\nDe rechtbank acht, gelet op wat hiervoor is overwogen, dat er voldoende compensatie is geboden voor het ontbreken van de ondervragingsgelegenheid en is van oordeel dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, zodat sprake is van medeplegen.\n\nAl met al acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.\n\n4.5. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. zij in de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013) wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, door - [slachtoffer 1] met de auto te blokkeren en\n\n- [slachtoffer 1] met kracht van haar fiets te duwen waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam en - [slachtoffer 1] (over de grond) naar de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto te trekken en haar in die auto te duwen en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto vast te houden en (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] te houden en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond te duwen en - vervolgens [slachtoffer 2] uit de auto van diens gezinshuisouder te tillen en in de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto te plaatsen en - met voornoemde auto [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weg te voeren van de woning van de gezinshuisouder en - voornoemde auto te wisselen met een vooraf klaargezette huurauto en - te dreigen dat [slachtoffer 1] mee moest werken, omdat haar anders pijn zou worden gedaan en - [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met die huurauto via Duitsland naar België te vervoeren terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en kleding en andere attributen en - [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in België onder te brengen in een door medeverdachte gehuurd appartement;\n\n2. zij in de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013), heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem\u002Fhaar uitoefende, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren en terwijl verdachte en medeverdachte geweld en bedreiging met geweld hebben gebezigd, immers hebben verdachte en medeverdachte - [slachtoffer 1] met de auto geblokkeerd en - [slachtoffer 1] met kracht van haar fiets geduwd waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam en - [slachtoffer 1] (over de grond) naar de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto getrokken en haar in die auto geduwd en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto vastgehouden en (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] gehouden en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond geduwd en - vervolgens [slachtoffer 2] uit de auto van diens gezinshuisouder getild en in de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto geplaatst en - met voornoemde auto [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weggevoerd van de woning van de gezinshuisouder en - voornoemde auto gewisseld met een vooraf klaargezette huur auto en - gedreigd dat [slachtoffer 1] mee moest werken, omdat haar anders pijn zou worden gedaan en - [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met die huurauto via Duitsland naar België vervoerd terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en kleding en andere attributen en\n\n- [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in België ondergebracht in een door medeverdachte gehuurd appartement.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.\n\nDe rechtbank heeft in de tenlastelegging het woord ‘pleegmoeder’ gewijzigd in ‘gezinshuisouder’ en [slachtoffer 2] in [slachtoffer 2] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte daardoor niet is geschaad in de verdediging.\n\n5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 282 en 279 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:\n\nfeiten 1 en 2\n\nde eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\nmedeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd,\n\nen\n\nmedeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl geweld en bedreiging met geweld is gebezigd, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.\n\n7. De op te leggen straf of maatregel\n\n7.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert primair verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van het voorarrest en tot een maatregel terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging. Subsidiair vordert de officier van justitie verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van veertig maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\nDaarnaast vordert de officier van justitie als vrijheidsbeperkende maatregelen de oplegging van een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor de gemeenten Dalfsen, Kampen en Zwolle voor de duur van vijf jaren, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis van drie weken wordt toegepast met een maximum van zes maanden. De maatregelen dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. De officier van justitie vordert tot slot de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen in verband met de recidivegrond.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman stelt zich op het standpunt dat er sprake is geweest van een vormverzuim. Verdachte is aangehouden op basis van een mondelinge EAB, terwijl een schriftelijk EAB is vereist. Dit dient volgens de raadsman te leiden tot strafvermindering.\n\nDe raadsman verzoekt een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijk strafdeel. De raadsman verzet zich tegen het opleggen van een tbs-maatregel, omdat niet aan de wettelijke vereisten wordt voldaan en het opleggen van de maatregel niet proportioneel is. De raadsman verzet zich tegen het opheffen van de schorsing van de voorlopige hechtenis, omdat er geen gronden zijn die hier aanleiding toe geven.\n\n7.3. De gronden voor een straf of maatregel\n\nBij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.\n\nAard en ernst van de strafbare feiten\n\nVerdachte heeft zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan het ontvoeren van haar uithuisgeplaatste kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het onttrekken van hen aan het opzicht van JBOV. De kinderen zijn sinds 2021 uit huis geplaatst en daar zijn verdachten het niet mee eens. Daarnaast dreigde hun ouderlijk gezag beëindigd te worden, waardoor ze hun kinderen wilden meenemen naar België om hun zaak daar aan een rechter voor te leggen.\n\nVerdachten hebben [slachtoffer 1] , die nietsvermoedend onderweg naar school was, van haar fiets geduwd en in de auto getrokken, vervolgens is [slachtoffer 2] bij het gezinshuis uit de auto van de gezinshuisouder gehaald en daarna zijn verdachten met hun kinderen via Duitsland naar België gereden. Verdachten hadden hun plannen grondig voorbereid. Ze hadden een auto gehuurd waarin ze tijdens hun vlucht konden overstappen en ze hadden vermomming mee voor onderweg om herkenning te voorkomen.\n\nVerdachte heeft voor eigen rechter gespeeld en dat keurt de rechtbank ten strengste af. De kinderen waren immers niet voor niets onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Ze verbleven al bijna vier jaar niet meer bij verdachten en werden van de een op de andere dag uit hun vertrouwde omgeving weggehaald, zonder enig overleg of toestemming van JBOV. Daarbij is het gebruik van geweld niet geschuwd. Door niet de belangen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , maar hun eigen belangen voorop te stellen, hebben verdachte en haar medeverdachte de rechterlijke beslissingen aan hun laars gelapt en het systeem van kinderbescherming, waarbinnen juist de veiligheid van de kinderen voorop staat, op ingrijpende wijze aangetast.\n\nHet handelen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] heeft negatieve gevolgen gehad voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] ervaart sinds de ontvoering veel angst, stress, gevoelens van onveiligheid en zij is zeer alert. Beide kinderen zijn bang dat ze nogmaals onverwacht mee zullen worden genomen. [slachtoffer 1] heeft tijdens haar spreekrecht op indrukwekkende wijze verteld hoe zij de ontvoering en de onttrekking heeft ervaren en welke gevolgen zij hier nog steeds van ondervindt. Ook voor de gezinshuisouder en de andere kinderen in het gezinshuis hebben de strafbare feiten impact gehad.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 11 mei 2026. Daaruit volgt dat verdachte de afgelopen jaren niet voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. In 2005 is verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor (kinder)mishandeling. Nu deze veroordeling ruim 20 jaar geleden is, houdt de rechtbank hier niet in strafverzwarende zin rekening mee.\n\nVerdachte is in het [locatie] geplaatst voor onderzoek naar haar geestvermogens en om inzicht te krijgen in haar persoon. Verdachte heeft haar medewerking aan het onderzoek geweigerd. Omdat verdachte niet meewerkt, kunnen de onderzoekers niet vaststellen of er bij verdachte sprake is van een of meerdere stoornissen en of er sprake is geweest van een eventuele doorwerking van een of meerdere stoornissen in het ten laste gelegde. De indruk bestaat dat er geen sprake is van ernstige psychiatrische beelden.\n\nIn het beeld dat onderzoekers van verdachte hebben kunnen krijgen, staan strijd en verzet voorop. Er is sprake van een disfunctioneel patroon van conflicthantering, waardoor verdachte gaandeweg in conflict is geraakt met een groot deel van de betrokken professionals. Verdachte lijkt onwillig of onvermogend om op zichzelf te reflecteren en heeft onvoldoende oog voor wat haar gedrag betekent voor anderen. Ze weerspreekt, beklaagt en verzet zich tegen wat vanuit instanties (school van de kinderen, hulpverlening, Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis, politie en justitie) wordt aangedragen op een manier die de samenwerking belemmert of zelfs onmogelijk maakt.\n\nVormverzuim?\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de raadsman niet heeft voldaan aan zijn stelplicht met betrekking tot het door hem gestelde vormverzuim. De raadsman heeft onvoldoende gemotiveerd welk nadeel door het verzuim voor de verdachte zou zijn veroorzaakt. Aan strafvermindering in dat kader komt de rechtbank daarom niet toe.\n\nStraf en\u002Fof maatregel\n\nDe officier van justitie heeft onder andere gevorderd tbs met dwangverpleging aan verdachte op te leggen. Voor het opleggen van een dergelijke maatregel gelden wettelijke vereisten. Er dient sprake te zijn van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld dan wel een in de wet aangewezen delict, van een verdachte bij wie ten tijde van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dienen het opleggen van de maatregel te vereisen. De rechtbank dient te beschikken over een recente multidisciplinaire gedragsrapportage.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende diagnostische gegevens voorhanden zijn om een uitspraak te kunnen doen over de aanwezigheid van een stoornis bij verdachte, over de toerekeningsvatbaarheid, over de kans op recidive en over de behandelbaarheid van verdachte. De rechtbank kan op basis van het rapport van het [locatie] , het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, niet vaststellen dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. Dit is één van de criteria die de wet aan het opleggen van een tbs-maatregel stelt, waardoor de rechtbank reeds daarom geen mogelijkheid en reden ziet om een tbs-maatregel op te leggen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met de ernst van de door verdachte gepleegde feiten, met daarbij de strafverzwarende omstandigheden van de nog jonge leeftijd van de kinderen (onder de twaalf jaar) en het toepassen van (bedreiging met) geweld, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een gevangenisstraf.\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar uitspraken in vergelijkbare zaken. De rechtbank ziet dat de omstandigheden van andere ontvoerings- of onttrekkingszaken sterk variëren waardoor er uiteenlopende straffen worden opgelegd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en zal een fors voorwaardelijk deel opleggen om te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout ingaat. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank bovendien oog voor het principe van de generale preventie. De straf die aan verdachte wordt opgelegd dient van zodanige orde en zwaarte te zijn dat navolging van haar handelwijze door anderen wordt ontmoedigd. Omdat het vaker zal voorkomen dat ouders van wie hun kind tegen hun wil uit huis is geplaatst, de sterke wens kunnen hebben hun kind weer zelf op te voeden, acht de rechtbank dit van belang. Een te lichte straf heeft onvoldoende afschrikkende werking.\n\nDe rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan zeventien maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in overleveringsdetentie in België, in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De proeftijd bedraagt drie jaren. Dit betekent dat verdachte het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf reeds heeft ondergaan.\n\nDe rechtbank zal daarnaast - op grond van artikel 38v Sr - als vrijheidsbeperkende maatregelen een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opleggen en een locatieverbod voor de gemeenten Dalfsen, Kampen en Zwolle voor de duur van drie jaren. Per overtreding van de maatregel zal vervangende hechtenis van 1 week uitgezeten dienen te worden. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden. De rechtbank zal bij het opleggen van deze maatregelen rekening houden met de mogelijkheid tot (begeleid) contact tussen de kinderen en verdachte, indien dat contact op aanwijzing van de voogd, JBOV, gewenst en uitvoerbaar is.\n\nDe rechtbank beveelt dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en\u002Fof zich belastend zal gedragen ten opzichte van bepaalde personen. Dit gevaar richt zich met name op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank acht het van belang dat zij zich vrijelijk binnen de genoemde gemeentes moeten kunnen bewegen en dat zij beschermd worden tegen ongevraagd contact met verdachte. De belangen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wegen in dit kader zwaarder dan het belang van verdachte.\n\n8. Voorwaardelijk verzoek\n\nAangezien de rechtbank in haar beoordeling zoals hiervoor overwogen geen gebruik maakt van dossierstukken uit het opsporingsonderzoek ‘Alpaca’, behoeft het voorwaardelijke verzoek van de raadsman tot het horen van getuigen geen bespreking.\n\n9. De schade van benadeelden\n\n9.1. De vorderingen van de benadeelde partijen\n\nAls benadeelde partijen hebben zich in dit strafproces gevoegd: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gezinshuisouder [getuige 1] en gezinshuiskinderen [naam 1] en [naam 2] .\n\nVorderingen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vorderen ieder afzonderlijk, verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 10.000,-- bestaande uit vergoeding van immateriële schade. De benadeelden doen een beroep op artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) waarin aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat in het geval waarin de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.\n\nVorderingen [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2]\n\n [getuige 1] vordert in totaal een bedrag van € 13.350,77, waarvan € 5.350,77 materiële schadevergoeding betreft en € 8.000,-- immateriële schadevergoeding.\n\nDe materiële schade van [getuige 1] bestaat volgens haar uit de volgende posten:\n\nReiskosten voor medische behandelingen € 158,--;\n\nMedische kosten fysiotherapie en haptonomie € 900,--;\n\nKosten informatieverstrekking huisarts € 67,60\n\nKosten beveiligingssysteem en huren woning. € 4.225,17.\n\n [naam 1] en [naam 2] vorderen ieder afzonderlijk, verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.000,-- bestaande uit vergoeding voor immateriële schade.\n\nDe benadeelde partijen [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2] doen ten aanzien van de immateriële schade primair een beroep op shockschade en subsidiair een beroep op artikel 6:106 aanhef en onder b BW waarin aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat in het geval waarin de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.\n\nDe benadeelde partijen vorderen allen het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.\n\n9.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen toegewezen kunnen worden, inclusief wettelijke rente.\n\n9.3. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman verzoekt primair de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Subsidiair verzoekt de raadsman de hoogte van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te matigen.\n\n9.4. Het oordeel van de rechtbank\n\nBeoordeling van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.\n\nDe rechtbank overweegt het volgende.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen in deze zaak verschillend zijn voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . In verband met het toegepaste geweld en de bedreiging met geweld ten aanzien van [slachtoffer 1] , acht de rechtbank de aard en de ernst van de normschending voor [slachtoffer 1] ingrijpender, waardoor een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt. [slachtoffer 1] heeft daarnaast voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de nadelige gevolgen die de normschending voor haar hebben gehad, blijken. Zo is er EMDR en speltherapie voor haar ingezet. De rechtbank acht in het geval van [slachtoffer 1] op basis van haar onderbouwing van de nadelige gevolgen een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 3.000,-- billijk. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van [slachtoffer 1] daarom toe en verklaart haar in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 31 maart 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nIn het geval van [slachtoffer 2] is er geen geweld en bedreiging met geweld gebruikt. Deze omstandigheden maken, zonder afbreuk te willen doen aan de impact van de strafbare feiten op hem, dat de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen, afgewogen in dit juridische kader, voor hem minder ingrijpend zijn waardoor een aantasting in de persoon minder voor de hand ligt. In dit geval is het in beginsel aan de benadeelde partij om de schade met concrete gegevens te onderbouwen. Uit de overgelegde gegevens is weliswaar op te maken dat psychotherapie is ingezet bij [slachtoffer 2] , echter in dat licht wordt tevens opgemerkt dat eerste observaties daarbij zijn dat sprake zou zijn van een slechte basis qua hechting en dat zijn hoofd vol lijkt te zitten met beelden van wat hij vertelt. In hoeverre dit beelden zijn van de ontvoering of van andere traumatische ervaringen in het verleden vertellen deze gegevens niet. De rechtbank acht hiermee de nadelige gevolgen voor [slachtoffer 2] onvoldoende onderbouwd en zal hem daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.\n\nBeoordeling van de vorderingen van [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2]\n\nDe rechtbank meent dat wat [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] hebben meegemaakt, erg naar moet zijn geweest en neemt aan dat dit impact heeft op hen. Dat is op zichzelf niet doorslaggevend voor beantwoording van de vraag of zij, gelet op de wettelijke criteria en jurisprudentie, voegingsgerechtigd zijn in de strafprocedure en in hun vorderingen tot schadevergoeding kunnen worden ontvangen. Op grond van artikel 51f, eerste lid Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Uit de Memorie van Toelichtingvolgt dat van rechtstreekse schade sprake is indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van derden belanghebbenden, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Artikel 51a Sv omschrijft het slachtoffer ook als degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is er ten aanzien van [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] geen sprake van rechtstreekse schade, omdat de schade is ontstaan doordat anderen ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) zijn ontvoerd en onttrokken aan het opzicht. [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] waren hier weliswaar (deels) getuigen van, maar hun belangen worden niet door de overtreden strafbepalingen beschermd. Hun schade valt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet onder rechtstreekse schade, als bedoeld in artikel 51f Sv. [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] behoren daarmee als zodanig niet tot de categorie voegingsgerechtigden.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat bovendien niet is gebleken dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] immateriële schade toe te brengen, zodat zij ook op die grond niet als primair slachtoffer kunnen worden aangemerkt (artikel 6:106 onder a BW).\n\nDit kan anders zijn als sprake is van schokschade.\n\nSchokschade\n\nDe Hoge Raad heeft overwogen dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt.In het arrest worden ook gezichtspunten genoemd die bij deze afweging een rol spelen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de slachtoffers in deze zaak niet dood of ernstig verwond zijn, zoals beschreven in de genoemde uitspraak. De benadeelden hebben de ontvoering en de onttrekking van de kinderen (gedeeltelijk) waargenomen, maar dit valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder een confrontatie die een hevige emotionele schok teweeg kan hebben gebracht, zoals bedoeld in het arrest.\n\nDe rechtbank zal [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, omdat er geen sprake is van rechtstreekse schade en omdat een andere grondslag voor vergoeding van materiële en immateriële schade ontbreekt.\n\nHoofdelijkheid en BEM-clausule\n\nOmdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nOmdat [slachtoffer 1] minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een zogenoemde BEM clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\n9.5. De schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.\n\nAls door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 30 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.\n\n10. De toegepaste wettelijke voorschriften\n\nDe hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w en 55 Sr.\n\n11. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nofficier van justitie niet-ontvankelijk\n\n- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde;\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feiten\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;\n\n- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nfeiten 1 en 2,\n\nde eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\nmedeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen geleegd,\n\nen\n\nmedeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl geweld en bedreiging met geweld is gebezigd, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van24 (vierentwintig) maanden;\n\n- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 17 (zeventien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van deproeftijd van drie jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:\n\n- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in overleveringsdetentie in België, in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;\n\nmaatregelen\n\n- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals\n\n bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van drie jaren, in de vorm van een\n\n contactverboden een locatieverbod;\n\n- beveelt dat de verdachte gedurende drie jaren op geenenkele wijze – direct of\n\nindirect – contactop zal nemen, zoeken of hebben met:\n\n- [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013;\n\n- [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2018,\n\ntenzij een dergelijk contact op aanwijzing van en onder begeleiding van JBOV uitvoerbaar en gewenst is;\n\n- beveelt dat de verdachte zich gedurende drie jaren niet binnen de gemeentegrenzen mag bevinden van de gemeenten Zwolle, Kampen en Dalfsen, tenzij dit nodig is voor een op aanwijzing van en onder begeleiding van JBOV gewenst contact met de hiervoor genoemde kinderen;\n\n- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door een week hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;\n\n- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaaris, omdat er ernstig rekening mee moet\n\n worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en\u002Fof zich\n\n belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;\n\n- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;\n\nschadevergoedingen\n\n- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [getuige 1],[slachtoffer 3]en[slachtoffer 4]in het geheelniet-ontvankelijkzijn in de vorderingen, en dat de benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;\n\n- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [getuige 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;\n\n- wijstdevorderingvan de benadeelde partij[slachtoffer 1]gedeeltelijk toetot een bedrag van€ 3.000,--(drieduizend euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2025;\n\n- veroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling van dit bedrag met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nbepaalt dat [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een BEM-clausule;\n\n-veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;\n\n- legt de maatregelop dat de verdachteverplichtis ter zake van de bewezen verklaarde feitentot betaling aan de Staat der Nederlandenvan een bedrag van € 3.000,-- (drieduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2025 ten behoeve van [slachtoffer 1] , en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van30 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;\n\n- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;\n\nvoorlopige hechtenis\n\n- heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis op.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\nBijlage bewijsmiddelen\n\nDeze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnaam CITRIEN \u002F ON1R025033, bhv-nummer PL0600-2025145441. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.\n\nFeit 1\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Jeugdbescherming Overijssel van 17 april 2025, pagina’s 243 tot en met 247, voor zover inhoudende:\n\nIk doe aangifte namens de Jeugdbescherming Overijssel van het opzettelijk onttrekken van twee minderjarigen aan het wettig over hun gestelde gezag op maandag 31 maart 2025 te [plaats 1] . Niemand heeft het recht of de toestemming gegeven om deze kinderen opzettelijk mee te nemen en deze te onttrekken aan het wettelijk over hun gestelde gezag. Het gaat om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .\n\nOp 12 april 2021 is er een VOTS uitgesproken. Die is drie maanden later naar een OTS gegaan. Er was ook een verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Dat is ook gebeurd in april 2021. De kinderen zijn toen op een geheim adres geplaatst.\n\nV: In hoeverre wisten de biologische ouders waar de kinderen verblijven en wonen?\n\nA: De kinderen hebben altijd geheim gezeten.\n\nV: Hebben de ouders uitspraken gedaan richting jullie, dat ze de kinderen mee wilden nemen?\n\nA: Nee\n\nV: wie heeft het wettelijk gezag over de kinderen?\n\nA: Dat ligt nog steeds bij de ouders. Maar de machtiging uithuisplaatsing overruled dat wettelijk gezag. En deze beperkt ook dat gezag. Het medisch gezag lag al bij ons.\n\n2. Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van 5 juli 2024, pagina’s 526 tot en met 533, voor zover inhoudende:\n\nDatum uitspraak: 5 juli 2024\n\nBeschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nStichting Jeugdbescherming Overijssel,\n\nde gecertificeerde instelling,\n\ngevestigd te [plaats 3] ,\n\nmet betrekking tot:\n\n [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013\n\nin [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [slachtoffer 1] , en\n\n [slachtoffer 2] , geboren op\n\n [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen [slachtoffer 2] .\n\nDe rechtbank:6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot 6 juli 2025;6.2.. \n\nverlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een\n\ngezinshuis tot 6 juli 2025;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking verhoor [slachtoffer 1] (dochter verdachten) van 12 mei 2025, pagina’s 216 tot en met 236, voor zover inhoudende:\n\nHet was ochtend, ik was op de fiets naar school. Ik was bijna bij de kruising en toen kwam er opeens een zwarte auto achter me. En toen reed ie opeens voor me langs. En ik fietste toen om de auto heen. Maar toen gooide ze de auto er weer voor. En ik fietste er toen aan de andere kant omheen. En toen gooiden ze hem er nog een keer voor.\n\nToen stapte mijn moeder uit. En toen werd ik er vanaf geduwd en viel ik in een doornstruik. Ik werd meegesleurd. En ik zat in de tussentijd om hulp te roepen. Ik was toen in de auto gestopt. Had ze me in de auto gekregen en toen kwamen ze dus bij het gezinshuis. En toen is [naam 3] zo uit de auto getrokken en in hun auto gestopt. Toen reden ze eerst naar het station, waar een huurauto stond. En daar moesten ik en [naam 3] in. En toen zijn ze naar Hardenberg gereden, vanaf daar zijn ze Duitsland in gereden. Toen zijn we gestopt bij een hele grote Shell in Duitsland. Daar moesten we dingen met een pruik en andere kleding. En van daaruit hebben we een uur of twee gereden België in. En toen werden ik en mijn broertje in een appartementsgebouw gebracht, die schuin tegenover een [omschrijving] stond.\n\n Ik ben in de doornstruik gevallen (wijst naar haar rechterzij kant) hier heb ik ook een wondje zitten en hier heb ik ook, bij mijn navel, een wondje zitten. Dat gebeurde in [plaats 1] . Net voor een kruispunt. Ik werd van mijn fiets afgeduwd door mijn moeder. Zij stapte ineens zo schuin voor en duwde zo naar de zijkant en toen vloog ik in die struik. De fiets lag op mijn linkerbeen.\n\nIk werd toen meegesleurd en ik probeerde me tegen te houden. En toen werd ik over het fietspad heen gesleurd. Ik voelde de pijn hier (wijst haar linker been aan) hier (wijst haar rechter elleboog\u002Farm aan) hier (rechter heup), eigenlijk overal behalve mijn hoofd. Ik werd daar dus in mee gesleurd en ik heb me ook afgezet tegen de zijkanten van de deur heb ik me afgezet om eraf te komen. Toen hebben ze mij zeg maar zo naar voren geduwd. Ja, en dit (wijst naar haar vinger) komt zeg maar mijn hand, de nagels van mijn moeder werden in mijn hand gezet zodat ik los liet. Mijn moeder zei dat ik op moest houden en dat ik mee werk en zo. Mijn moeder kwam achter me zitten, en ik werd in dat voeteneind gedrukt door mijn moeder. Volgens mij hebben ze hem op kinderslot gezet. Mijn vader reed. Papa moest [naam 3] halen. Dat had mama gezegd. Ik heb gezien dat de deur werd opengedaan, [naam 3] werd opgetild en toen zijn ze naar de auto gelopen.\n\nDe hele weg naar het station werd ik naar beneden gedrukt. Toen moesten we overstappen in de huurauto. Ik moest meewerken omdat ze me anders pijn gaat doen en zo. De autodeuren zaten op kinderslot.\n\nDe huurauto stond ernaast en daar werd ik ingewerkt en [naam 3] werd erin getild. Op dezelfde manier als bij het begin van onze ontvoering eigenlijk.\n\n Toen we bijna bij de grens waren moesten ik en [naam 3] andere kleding en een andere jas aan en andere schoenen van mijn moeder. Zij pakte de kleren uit de tas van achteren. Ik moest een thermoding onder aantrekken en toen moest ik een roze trui aan. [naam 3] en ik kregen een hoofddoek op of zo die had ze bij ons aangedaan met een nepbril. Ik had een paarse, [naam 3] een blauwe. En toen even later, toen we bijna bij die Shell waren, had ze dezelfde pruik voor mij en [naam 3] . De pruik moesten we op doen van mijn moeder.\n\nToen zijn we naar het appartement gereden in België. Daar kwamen we vier uur ’s middags aan.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 31 maart 2025, pagina’s 26 en 27, voor zover inhoudende:\n\nOp maandag 31 maart 2025 omstreeks 08:00 uur fietste ik op de [adres 2] . Voor mij zag ik een meisje fietsen die ik bijna wilde gaan inhalen. Ik zag toen dat ik werd ingehaald door een zwarte auto. Ik zag dat de auto slingerde toen deze ter hoogte van het meisje reed. Vervolgens zag ik dat de auto meer gas bij gaf en een stukje voor het meisje stopte. Ik zag dat de bijrijder, een vrouw, uit het voertuig stapte en het meisje op de fiets hardhandig van de fiets duwde. Ik zag dat het meisje ten van kwam bij de bosjes net voorbij het voetbalveldje aan de [adres 2] . Ik zag dat de vrouw het meisje hardhandig het voertuig in trok. Ik hoorde dat het meisje meerdere keren hard om hulp riep.\n\n5. Een geschrift van de federale gerechtelijke politie arro Oost-Vlaanderen, verhoor van [medeverdachte] van 1 april 2025, pagina’s 121 tot en met 128, voor zover inhoudende:\n\nIk heb het advies van de Raad voor de Kinderbescherming waarin zij adviseerden om ons ouderlijk gezag af te nemen, midden maart 2025 via de post in Nederland ontvangen. Dit advies is de reden waarom wij dit alles ondernomen hebben.\n\nNormaal rijd ik in een Mitsubishi, maar ik ben hier gisteren gekomen met een Seat Alhambra die ik had gehuurd. Ik heb de auto gehuurd van zaterdag 29\u002F04\u002F2025 tot en met 01\u002F04\u002F2025 12.30 uur via SnappCar. De eigenaar woont in [woonplaats] . Wij dachten dat wij via het huren van een auto een voorsprong zouden kunnen krijgen op de Nederlandse politie zodat ze ons niet konden tegenhouden.\n\nGisterenochtend hebben wij onze dochter die naar school fietste onderschept en meegenomen. Daarna zijn wij naar het huis gereden waar beide kinderen momenteel verblijven. Wij zagen dat ons zoontje op dat moment in de auto werd geplaatst om naar school te gaan. Ik heb de deur van de auto opengetrokken en mijn zoontje uit de auto genomen en naar mijn auto, de Mitsubishi, gebracht. Ik heb mijn zoontje linksachter geplaatst. Wij zijn weggereden naar een parkeerplaats bij het treinstation van Dalfsen. Daar hebben wij van auto gewisseld. Wij hadden de Seat, zoals eerder vermeld, daar al vroeger geplaatst met het oog op het wisselen van de voertuigen. Wij zijn toen doorgereden met de Seat naar Leupegem in België. Wij kenden de fietsroute van onze dochter. Wij hebben haar daar eerder zien rondfietsen. Wij zijn daar eerder gaan kijken, wel vaker, met de optiek om ze mee te nemen indien het anders niet kon. Wij hebben eerder gezien dat ons zoontje met de auto naar school werd gebracht.\n\n6. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende:\n\nIk heb [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 31 maart 2025 meegenomen naar België samen met medeverdachte. We reden die ochtend in [plaats 1] met de auto en daar fietste [slachtoffer 1] . Ik sprak [slachtoffer 1] aan. Ik stapte uit en deed mijn armen om [slachtoffer 1] heen. Ik trok haar naar de auto. Ze worstelde en ze hield met haar handen de auto tegen. Ze wilde niet in de auto zitten en ze schreeuwde om hulp. In de auto schreeuwde ze om hulp en toen hield ik mijn hand over haar mond heen. Ze vertelde later dat ze een wondje aan haar vinger had door het duwen tegen de auto.\n\nWe zijn daarna naar het gezinshuis gereden. Daar heeft medeverdachte [slachtoffer 2] uit de auto van [getuige 1] getild en bij ons in de auto geplaatst. Ik had nepbrillen en pruiken voor hen meegenomen in de auto. Dat was bedoeld om ons te vermommen zodat we niet herkend zouden worden. We wilden namelijk zo snel mogelijk naar België. Die middag kwamen we aan in het huurappartement in België.\n\nFeit 2\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Jeugdbescherming Overijssel van 17 april 2025, pagina’s 243 tot en met 247, voor zover inhoudende:\n\nIk doe aangifte namens de Jeugdbescherming Overijssel van het opzettelijk onttrekken van twee minderjarigen aan het wettig over hun gestelde gezag op maandag 31 maart 2025 te [plaats 1] . Niemand heeft het recht of de toestemming gegeven om deze kinderen opzettelijk mee te nemen en deze te onttrekken aan het wettelijk over hun gestelde gezag. Het gaat om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .\n\nOp 12 april 2021 is er een VOTS uitgesproken. Die is drie maanden later naar een OTS gegaan. Er was ook een verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Dat is ook gebeurd in april 2021. De kinderen zijn toen op een geheim adres geplaatst.\n\nV: In hoeverre wisten de biologische ouders waar de kinderen verblijven en wonen?\n\nA: De kinderen hebben altijd geheim gezeten.\n\nV: Hebben de ouders uitspraken gedaan richting jullie, dat ze de kinderen mee wilden nemen?\n\nA: Nee\n\nV: wie heeft het wettelijk gezag over de kinderen?\n\nA: Dat ligt nog steeds bij de ouders. Maar de machtiging uithuisplaatsing overruled dat wettelijk gezag. En deze beperkt ook dat gezag. Het medisch gezag lag al bij ons.\n\n2. Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van 5 juli 2024, pagina’s 526 tot en met 533, voor zover inhoudende:\n\nDatum uitspraak: 5 juli 2024\n\nBeschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nStichting Jeugdbescherming Overijssel,\n\nde gecertificeerde instelling,\n\ngevestigd te [plaats 3] ,\n\nmet betrekking tot:\n\n [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013\n\nin [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [slachtoffer 1] , en\n\n [slachtoffer 2] , geboren op\n\n [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen [slachtoffer 2] .\n\nDe rechtbank:6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot 6 juli 2025;6.2.. \n\nverlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een\n\ngezinshuis tot 6 juli 2025;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking verhoor [slachtoffer 1] (dochter verdachten) van 12 mei 2025, pagina’s 216 tot en met 236, voor zover inhoudende:\n\nHet was ochtend, ik was op de fiets naar school. Ik was bijna bij de kruising en toen kwam er opeens een zwarte auto achter me. En toen reed ie opeens voor me langs. En ik fietste toen om de auto heen. Maar toen gooide ze de auto er weer voor. En ik fietste er toen aan de andere kant omheen. En toen gooiden ze hem er nog een keer voor.\n\nToen stapte mijn moeder uit. En toen werd ik er vanaf geduwd en viel ik in een doornstruik. Ik werd meegesleurd. En ik zat in de tussentijd om hulp te roepen. Ik was toen in de auto gestopt. Had ze me in de auto gekregen en toen kwamen ze dus bij het gezinshuis. En toen is [naam 3] zo uit de auto getrokken en in hun auto gestopt. Toen reden ze eerst naar het station, waar een huurauto stond. En daar moesten ik en [naam 3] in. En toen zijn ze naar Hardenberg gereden, vanaf daar zijn ze Duitsland in gereden. Toen zijn we gestopt bij een hele grote Shell in Duitsland. Daar moesten we dingen met een pruik en andere kleding. En van daaruit hebben we een uur of twee gereden België in. En toen werden ik en mijn broertje in een appartementsgebouw gebracht, die schuin tegenover een matrassenfabriek stond.\n\n Ik ben in de doornstruik gevallen (wijst naar haar rechterzij kant) hier heb ik ook een wondje zitten en hier heb ik ook, bij mijn navel, een wondje zitten. Dat gebeurde in [plaats 1] . Net voor een kruispunt. Ik werd van mijn fiets afgeduwd door mijn moeder. Zij stapte ineens zo schuin voor en duwde zo naar de zijkant en toen vloog ik in die struik. De fiets lag op mijn linkerbeen.\n\nIk werd toen meegesleurd en ik probeerde me tegen te houden. En toen werd ik over het fietspad heen gesleurd. Ik voelde de pijn hier (wijst haar linker been aan) hier (wijst haar rechter elleboog\u002Farm aan) hier (rechter heup), eigenlijk overal behalve mijn hoofd. Ik werd daar dus in mee gesleurd en ik heb me ook afgezet tegen de zijkanten van de deur heb ik me afgezet om eraf te komen. Toen hebben ze mij zeg maar zo naar voren geduwd. Ja, en dit (wijst naar haar vinger) komt zeg maar mijn hand, de nagels van mijn moeder werden in mijn hand gezet zodat ik los liet. Mijn moeder zei dat ik op moest houden en dat ik mee werk en zo. Mijn moeder kwam achter me zitten, en ik werd in dat voeteneind gedrukt door mijn moeder. Volgens mij hebben ze hem op kinderslot gezet. Mijn vader reed. Papa moest [naam 3] halen. Dat had mama gezegd. Ik heb gezien dat de deur werd opengedaan, [naam 3] werd opgetild en toen zijn ze naar de auto gelopen.\n\nDe hele weg naar het station werd ik naar beneden gedrukt. Toen moesten we overstappen in de huurauto. Ik moest meewerken omdat ze me anders pijn gaat doen en zo. De autodeuren zaten op kinderslot.\n\nDe huurauto stond ernaast en daar werd ik ingewerkt en [naam 3] werd erin getild. Op dezelfde manier als bij het begin van onze ontvoering eigenlijk.\n\n Toen we bijna bij de grens waren moesten ik en [naam 3] andere kleding en een andere jas aan en andere schoenen van mijn moeder. Zij pakte de kleren uit de tas van achteren. Ik moest een thermoding onder aantrekken en toen moest ik een roze trui aan. [naam 3] en ik kregen een hoofddoek op of zo die had ze bij ons aangedaan met een nepbril. Ik had een paarse, [naam 3] een blauwe. En toen even later, toen we bijna bij die Shell waren, had ze dezelfde pruik voor mij en [naam 3] . De pruik moesten we op doen van mijn moeder.\n\nToen zijn we naar het appartement gereden in België. Daar kwamen we vier uur ’s middags aan.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 31 maart 2025, pagina’s 26 en 27, voor zover inhoudende:\n\nOp maandag 31 maart 2025 omstreeks 08:00 uur fietste ik op de [adres 2] . Voor mij zag ik een meisje fietsen die ik bijna wilde gaan inhalen. Ik zag toen dat ik werd ingehaald door een zwarte auto. Ik zag dat de auto slingerde toen deze ter hoogte van het meisje reed. Vervolgens zag ik dat de auto meer gas bij gaf en een stukje voor het meisje stopte. Ik zag dat de bijrijder, een vrouw, uit het voertuig stapte en het meisje op de fiets hardhandig van de fiets duwde. Ik zag dat het meisje ten van kwam bij de bosjes net voorbij het voetbalveldje aan de [adres 2] . Ik zag dat de vrouw het meisje hardhandig het voertuig in trok. Ik hoorde dat het meisje meerdere keren hard om hulp riep.\n\n5. Een geschrift van de federale gerechtelijke politie arro Oost-Vlaanderen, verhoor van [medeverdachte] van 1 april 2025, pagina’s 121 tot en met 128, voor zover inhoudende:\n\nIk heb het advies van de Raad voor de Kinderbescherming waarin zij adviseerden om ons ouderlijk gezag af te nemen, midden maart 2025 via de post in Nederland ontvangen. Dit advies is de reden waarom wij dit alles ondernomen hebben.\n\nNormaal rijd ik in een Mitsubishi, maar ik ben hier gisteren gekomen met een Seat Alhambra die ik had gehuurd. Ik heb de auto gehuurd van zaterdag 29\u002F04\u002F2025 tot en met 01\u002F04\u002F2025 12.30 uur via SnappCar. De eigenaar woont in [woonplaats] . Wij dachten dat wij via het huren van een auto een voorsprong zouden kunnen krijgen op de Nederlandse politie zodat ze ons niet konden tegenhouden.\n\nGisterenochtend hebben wij onze dochter die naar school fietste onderschept en meegenomen. Daarna zijn wij naar het huis gereden waar beide kinderen momenteel verblijven. Wij zagen dat ons zoontje op dat moment in de auto werd geplaatst om naar school te gaan. Ik heb de deur van de auto opengetrokken en mijn zoontje uit de auto genomen en naar mijn auto, de Mitsubishi, gebracht. Ik heb mijn zoontje linksachter geplaatst. Wij zijn weggereden naar een parkeerplaats bij het treinstation van Dalfsen. Daar hebben wij van auto gewisseld. Wij hadden de Seat, zoals eerder vermeld, daar al vroeger geplaatst met het oog op het wisselen van de voertuigen. Wij zijn toen doorgereden met de Seat naar Leupegem in België. Wij kenden de fietsroute van onze dochter. Wij hebben haar daar eerder zien rondfietsen. Wij zijn daar eerder gaan kijken, wel vaker, met de optiek om ze mee te nemen indien het anders niet kon. Wij hebben eerder gezien dat ons zoontje met de auto naar school werd gebracht.\n\n6. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende:\n\nIk heb [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 31 maart 2025 meegenomen naar België samen met medeverdachte. We reden die ochtend in [plaats 1] met de auto en daar fietste [slachtoffer 1] . Ik sprak [slachtoffer 1] aan. Ik stapte uit en deed mijn armen om [slachtoffer 1] heen. Ik trok haar naar de auto. Ze worstelde en ze hield met haar handen de auto tegen. Ze wilde niet in de auto zitten en ze schreeuwde om hulp. In de auto schreeuwde ze om hulp en toen hield ik mijn hand over haar mond heen. Ze vertelde later dat ze een wondje aan haar vinger had door het duwen tegen de auto.\n\nWe zijn daarna naar het gezinshuis gereden. Daar heeft medeverdachte [slachtoffer 2] uit de auto van [getuige 1] getild en bij ons in de auto geplaatst. Ik had nepbrillen en pruiken voor hen meegenomen in de auto. Dat was bedoeld om ons te vermommen zodat we niet herkend zouden worden. We wilden namelijk zo snel mogelijk naar België. Die middag kwamen we aan in het huurappartement in België.\n\n Kamerstukken II, 1989\u002F1990, 21 345, nr. 3, p. 11\n\n HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3409","2026-07-13T00:29:45.424Z",{"id":132,"ecli":133,"slug":134,"caseNumber":43,"courtId":135,"decisionDate":136,"fullText":137,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":50,"updatedAt":140},"671","ECLI:NL:RBDHA:2026:17352","ecli-nl-rbdha-2026-17352",58,"2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nMeervoudige kamer jeugdstrafzaken\n\nParketnummers: 09-131355-24 en 09-219014-25 (ttz. gev.)\n\nDatum uitspraak: 27 mei 2026\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:\n\n [verdachte](hierna: de verdachte),\n\n geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteland] , Nederlandse Antillen,\n\n BRP-adres: [adres 1] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDe strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 11 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 13 mei 2026 (sluiten onderzoek).\n\nDe officier van justitie in deze zaak is mr. L. Kooijmans en de raadsman van de verdachte is mr. F.C. Knoef te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting van 11 mei 2026 verschenen.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nDagvaarding 1 (09-131355-24)\n\n1\n\nhij op of omstreeks 24 februari 2024 te ’s-Gravenhave en\u002Fof Rijswijk, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door\n\n- die [aangever 1] in de auto te duwen en\u002Fof in te sluiten, en\u002Fof tegen de achterbank te drukken en\u002Fof te beletten dat die [aangever 1] de auto kon verlaten en\u002Fof\n\n- een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op\u002Ftegen de knie en\u002Fof het hoofd van die [aangever 1] te zetten, althans op die [aangever 1] te richten;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 24 februari 2024 te ’s-Gravenhage en\u002Fof Rijswijk, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld\n\n [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en\u002Fof een bril en\u002Fof huissleutels en\u002Fof een pinpas en\u002Fof een pincode en\u002Fof een pakje sigaretten, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), door\n\n- aan die [aangever 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen en\u002Fof tegen\u002Fop het hoofd en\u002Fof de knie van die [aangever 1] te zetten, althans door een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [aangever 1] te richten en\u002Fof\n\n- tegen die [aangever 1] te zeggen \"Geef je telefoon, pinpas,pincode, huissleutels en sigaretten\" en\u002Fof \"Maak je zakken leeg\", althans woorden van gelijke strekking;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 24 februari 2024 te ’s-Gravenhage en\u002Fof Rijswijk, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een pinpas waartoe hij niet gerechtigd was die te gebruiken;\n\nDagvaarding 2 (09-219014-25)\n\nhij op of omstreeks 22 maart 2025 te 's-Gravenhage op de openbare weg, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [aangever 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit\n\n- het duwen en\u002Fof vastpakken van die [aangever 2] waardoor die [aangever 2] op de grond belandde, en\u002Fof\n\n- het tegen de grond houden van die [aangever 2] , en\u002Fof\n\n- het een of meermaals trappen tegen het hoofd en\u002Fof lichaam van die [aangever 2] , en\u002Fof\n\n- het een of meermaals slaan tegen het hoofd en\u002Fof lichaam van die [aangever 2] .\n\n3. De bewijsbeslissing\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft - op gronden als verwoord in haar schriftelijk requisitoir - gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft - op in de schriftelijke pleitnota weergegeven gronden - primair vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding 1 onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde omdat, aldus de raadsman, de verklaringen van de aangever niet betrouwbaar zijn en, ook los hiervan, niet kan worden bewezen dat de verdachte de door de aangever genoemde “verdachte 2” is. Mocht de rechtbank de verklaringen wel betrouwbaar achten en bewezen achten dat de verdachte “verdachte 2” is geweest, dan heeft de raadsman zich voor wat betreft de (verdere) bewijsvraag (subsidiair) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het bij dagvaarding 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nOp specifieke (bewijs)verweren wordt hierna - voor zover relevant - ingegaan.\n\n3.3. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in bijlage I de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.\n\n3.4. Bewijsoverwegingen\n\n3.4.1. Dagvaarding 1 (09-131355-24)\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangever onvoldoende betrouwbaar zijn en dus niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Hij meent dat er door de onjuiste verklaring van de aangever over het in bewaring geven van € 180,- aan “ [naam 1] ”, het gegeven dat hij zelf verklaart soms dingen te zien die er niet zijn en herinneringen heeft aan het bezoeken van plaatsen terwijl hij er niet is geweest, in combinatie met het gegeven dat “ [naam 1] ”, een belangrijke getuige die volgens aangever bij de tenlastegelegde gebeurtenissen aanwezig was, niet is gevonden, concrete redenen zijn om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Nu de verdenkingen van alle feiten in de kern zijn gebaseerd op de verklaringen van de aangever, moet de verdachte van deze feiten worden vrijgesproken, aldus de raadsman.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat in strafzaken als uitgangspunt geldt dat aangiftes en andere verklaringen kritisch en zorgvuldig worden bezien. Verklaringen moeten worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen op onderdelen kleine verschillen voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf niet onbetrouwbaar. Dat verklaringen - op onderdelen of op detailniveau - niet geheel overeenkomen, kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht door emoties ontstaan door hetgeen zij hebben waargenomen, of door tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.\n\nAnders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de aangever als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en daarom voor het bewijs gebruikt kunnen worden. De door de aangever afgelegde verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende consistent, accuraat en volledig geweest. De rechtbank stelt vast dat de aangever op verschillende momenten door de politie is gehoord en dat hij op hoofdlijnen telkens hetzelfde heeft verklaard. Dat de aangever in eerste instantie heeft verklaard dat hij € 180,- aan “ [naam 1] ” in bewaring had gegeven en daar later op terug is gekomen, doet daar niet aan af. Dat het de politie niet is gelukt in contact te komen met “ [naam 1] ”, leidt evenmin tot de conclusie dat de verklaringen van de aangever onvoldoende betrouwbaar zijn.\n\nDaarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Zo is de aangever, direct nadat hij door de verdachten uit de auto werd gelaten, in shock (of in ieder geval ontdaan) aangetroffen door een onafhankelijke getuige (de melder) op straat. Die getuige heeft bovendien verklaard dat de aangever op dat moment aan het bellen was met (zo bleek later) zijn moeder, en dat hij al snel begreep dat de aangever ontvoerd was en dat zijn spullen (bril, sleutels en pinpas) waren weggenomen.\n\nDe rechtbank weegt verder mee dat de verklaringen van de aangever ook steun vinden in de Snapchatgesprekken die de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) heeft gevoerd met de aangever en met de medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). Hieruit blijkt onder andere dat de aangever en [medeverdachte 1] een afspraak hadden om hasj te (ver)kopen en dat [medeverdachte 1] van plan was om de bankrekening van iemand te legen die om 18:00 uur bij station Laan van Nieuw Oost-Indië in Den Haag zou zijn. Dan zou [medeverdachte 1] , in zijn woorden, een “p” (de rechtbank begrijpt: een pistool) op die persoon richten zodat hij zijn pas zou afstaan. Tot slot zijn de weggenomen goederen van aangever aangetroffen in de woning van [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) aan de [adres 2] , waar [medeverdachte 1] eerder die dag was geweest.\n\nBetrokkenheid van de verdachte\n\nDe raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de verdachte van alle feiten moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende bewijs is dat hij de door de aangever als “verdachte 2” beschreven verdachte is.\n\nAnders dan door de raadsman is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte bij de tenlastegelegde feiten betrokken is geweest. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.\n\nDe aangever heeft als volgt verklaard. Op 24 februari 2024 omstreeks 18.00 uur had hij met [medeverdachte 1] afgesproken bij station Laan van Nieuw Oost-Indië in Den Haag om hasj te kopen. Toen de aangever naar de auto liep waar [medeverdachte 1] naast stond, is hij door [medeverdachte 1] op de achterbank van de auto geduwd en werd gelijk het portier dichtgedaan. In de auto zaten (naast de aangever) drie jongens: [medeverdachte 2] (verdachte 3) zat achter het stuur, [medeverdachte 1] (verdachte 1) ging rechts van de aangever op de achterbank zitten, nadat hij de aangever de auto had ingeduwd, en verdachte 2, door de aangever omschreven als een man van 16 jaar oud met een donkere huidskleur en vermoedelijk van Antilliaans of Surinaamse afkomst, zat al in de auto. Tijdens de autorit haalde [medeverdachte 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) uit zijn broeksband en gaf dit aan verdachte 2. Verdachte 2 richtte het vuurwapen meerdere malen op de aangever. [medeverdachte 1] pakte vervolgens de bril van de aangever af. Ook moest de aangever zijn telefoon, pinpas, huissleutels en pakje sigaretten aan [medeverdachte 1] afgeven en zijn (bank)apps openen, terwijl verdachte 2 het vuurwapen tegen zijn hoofd gedrukt hield. Vervolgens moest de aangever - onder dreiging van het vuurwapen - zijn pincode afstaan. Hierna heeft [medeverdachte 1] met de pinpas van de aangever € 450,- gepind. De aangever heeft vervolgens zijn telefoon teruggekregen van [medeverdachte 1] .\n\nDe van de aangever afgepakte bril en de weggenomen pinpas en sleutels zijn op 25 februari 2024 aangetroffen in de woning van [medeverdachte 3] aan de [adres 2] , waar [medeverdachte 1] eerder die dag was geweest. Volgens [medeverdachte 3] waren er die bewuste avond drie jongens in haar woning geweest, onder wie een persoon met de bijnaam “ [bijnaam] ”. Zij beschrijft [bijnaam] als een man jonger dan 18 jaar met een donkere huidskleur en lang rastahaar.\n\nOp de telefoon van [medeverdachte 1] is een Snapchatgesprek van 24 februari 2024 aangetroffen, waarin [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afspreken om iemand met een “p” (de rechtbank begrijpt: een pistool) van zijn geld te beroven. Er werd afgesproken dat [medeverdachte 1] door [medeverdachte 2] zou worden opgehaald op het adres [adres 2] en dat “ [bijnaam] ” ook mee zou komen. De buit zouden zij met zijn drieën verdelen.\n\nOp basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en “ [bijnaam] ” een plan hadden gemaakt om iemand te beroven en dat dit plan ook daadwerkelijk is uitgevoerd.\n\nUit het dossier leidt de rechtbank verder af dat in één van de uitgeluisterde Teliogesprekken van [medeverdachte 1] (gevoerd vanuit de penitentiaire inrichting) het telefoonnummer van “ [bijnaam] ” met [medeverdachte 1] werd gedeeld door een onbekend gebleven persoon. Het telefoonnummer dat in het gesprek werd genoemd is [telefoonnummer] .\n\nUit de verkeersgegevens van de telefoon van [medeverdachte 1] blijkt dat er voorafgaand aan het incident op 24 februari 2024 contact is geweest met het telefoonnummer [telefoonnummer] , oftewel het telefoonnummer van de persoon met de bijnaam “ [bijnaam] ”.\n\nUit het dossier volgt dat de verdachte in de politiesystemen staat geregistreerd als de mogelijke gebruiker van genoemd telefoonnummer. Dit gevoegd bij het feit dat de verdachte past in het signalement dat de aangever van “verdachte 2” en [medeverdachte 3] van “ [bijnaam] ” hebben verstrekt, brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid als gebruiker van genoemd telefoonnummer kan worden aangemerkt.\n\nDe verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 24 februari 2024 thuis was. Uit de onderzochte verkeersgegevens van de telefoon met voormeld telefoonnummer - aldus in gebruik bij de verdachte - blijkt echter dat er op die bewuste dag verplaatsingen hebben plaatsgevonden vanaf de omgeving [straatnaam 1] te Rijswijk naar de omgeving [straatnaam 2] te Den Haag. De politie concludeert op basis hiervan, en de rechtbank volgt die conclusie, dat de verdachte bij het voorval betrokken kan zijn omdat de verplaatsingen binnen de tijdlijn van het incident passen.\n\nDe hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien,\n\ngevoegd bij de omstandigheid dat de verdachte geen enkele verklaring heeft afgelegd die moet leiden tot een andere uitleg van de inhoud van die bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte één van de jongens is geweest die zich schuldig hebben gemaakt aan de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en gekwalificeerde diefstal.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. Er is sprake van een voortgezette handeling.\n\n3.4.2. Dagvaarding 2 (09-219014-25)\n\nDe verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij de aangever heeft geschopt, maar dat dit uit zelfverdediging was. De rechtbank ziet in het dossier, waarin zich ook camerabeelden van het incident bevinden, echter geen reden om aan te nemen dat er sprake was van een noodweersituatie waarin de verdachte zichzelf mocht verdedigen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\n3.5. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\nDagvaarding met parketnummer 09-131355-24\n\n1\n\nhij op 24 februari 2024 te 's-Gravenhage en Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [aangever 1] in de auto te duwen en in te sluiten, en tegen de achterbank te drukken en te beletten dat die [aangever 1] de auto kon verlaten en een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op de kniete richtenenophet hoofd van die [aangever 1] te zetten;\n\n2\n\nhij op 24 februari 2024 te ‘s-Gravenhage en\u002Fof Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en huissleutels en een pinpas en een pincode en een pakje sigaretten, dieaan die [aangever 1] toebehoorden, door aan die [aangever 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen en tegen het hoofd van die [aangever 1] te zetten, en tegen die [aangever 1] te zeggen \"Geef je telefoon, pinpas, huissleutels en sigaretten\" en\u002Fof \"Maak je zakken leeg\", althans woorden van gelijke strekking;\n\n3\n\nhij op 24 februari 2024 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag,\n\ndat aan [aangever 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich\n\nwederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een pinpas waartoe hij niet gerechtigd was die te gebruiken.\n\nDagvaarding met parketnummer 09-219014-25\n\nhij op 22 maart 2025 te 's-Gravenhage op de openbare weg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit\n\n- het duwen en vastpakken van die [aangever 2] waardoor die [aangever 2] op de grond belandde, en\n\n- het tegen de grond houden van die [aangever 2] , en\n\n- het meermaals trappen tegen het hoofd en lichaam van die [aangever 2] , en\n\n- het meermaals slaan tegen het hoofd en lichaam van die [aangever 2] .\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De op te leggen straffen\n\n6.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 76 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de aangevers.\n\nDe officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, gevorderd.\n\n6.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest op te leggen en daarnaast eventueel een voorwaardelijke jeugddetentie - zonder bijzondere voorwaarden - als stok achter de deur of een taakstraf in de vorm van een werkstraf. De verdediging heeft zich ten aanzien van de omvang van een eventuele taakstraf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feitenDe verdachte heeft zich op 24 februari 2024, samen met zijn mededaders, schuldig gemaakt aan een wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en gekwalificeerde diefstal. Het slachtoffer is een auto ingeduwd en door de verdachten gedurende enige tijd in die auto vastgehouden. Gedurende de autorit hebben zij een (op een) vuurwapen (gelijkend) voorwerp op het slachtoffer gericht en hem gedwongen tot afgifte van zijn telefoon, pinpas, huissleutels en pakje sigaretten en tot het openen van zijn (bank)apps. Ook hebben zij het slachtoffer onder bedreiging van het (op een) vuurwapen (gelijkend) voorwerp gedwongen om zijn pincode af te staan, waarna zij met de afgeperste pinpas en pincode de bankrekening van het slachtoffer hebben leeggehaald.\n\nDe verdachten hebben met hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid, psychische integriteit en het eigendomsrecht van het slachtoffer. De situatie moet voor het slachtoffer zeer intimiderend en beangstigend zijn geweest. Dit blijkt ook uit de aangifte, waarin het slachtoffer heeft verklaard dat hij zich gedurende de autorit erg onveilig voelde en in paniek was. Ook in de periode na het incident heeft hij zich angstig en onveilig gevoeld. De verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. De rechtbank rekent hem dit aan.\n\nDaarnaast heeft de verdachte zich op 22 maart 2025, samen met zijn vader, schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging. Daarbij hebben zij het slachtoffer onder andere tegen de grond gehouden en hem meermaals tegen het hoofd en het lichaam geslagen en geschopt. De verdachten hebben met hun handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het incident heeft bovendien plaatsgevonden op de openbare weg, meer specifiek op de trambaan. Niet alleen waren daardoor omstanders daarvan ongewild getuige, maar ook had dit tot gevaarlijke situaties kunnen leiden. Feiten als deze dragen bij aan gevoelens van angst en onrust in de samenleving.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 25 maart 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet eerder is veroordeeld voor feiten soortgelijk aan de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal rekening houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).\n\nPersoon van de verdachte\n\nOver de persoon van de verdachte zijn verschillende rapportages opgemaakt, maar deze zijn niet langer actueel. De rechtbank zal hierna, voor zover van belang, bespreken wat de deskundigen ter zitting over de verdachte naar voren hebben gebracht.\n\nDe deskundige van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft naar voren gebracht dat de Raad geen aanvullend onderzoek heeft kunnen doen. De Raad onthoudt zich daarom van een strafadvies en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\nDe deskundige van Jeugdbescherming west (hierna: de jeugdreclassering) heeft aangevoerd dat de verdachte goed heeft meegewerkt aan de bijzondere voorwaarden die waren verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis en zich goed aan de afspraken heeft gehouden. De jeugdreclassering blijft bij het eerder uitgebrachte advies dat een jeugdreclasseringsmaatregel niet langer nodig is en dat een werkstraf een passende straf is.\n\nRedelijke termijn\n\nDe redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In de zaak met parketnummer 09-131355-24 (dagvaarding 1) is die termijn met 7 maanden overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen.\n\nStrafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt voor diefstal met geweld\u002Fafpersing een taakstraf van 60 uur dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie opgenomen. Bij openlijke geweldpleging tegen personen geldt als uitgangspunt een taakstraf van 40 uren dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie. Als omstandigheden die van belang zijn bij de straftoemeting worden onder andere in het bijzonder genoemd; de aard en ernst van het geweld, bedreiging met\u002Fgebruik van een wapen, de plaats van het delict en de kwetsbaarheid van het slachtoffer. Voor een wederrechtelijke vrijheidsberoving, gepleegd door een minderjarige, bestaan geen oriëntatiepunten. In de regel worden hiervoor forse straffen opgelegd.\n\nIn dit geval weegt de rechtbank ten aanzien van de bij dagvaarding 1 bewezenverklaarde feiten in strafverzwarende zin mee dat sprake is van medeplegen. Ook acht de rechtbank strafverzwarend dat het slachtoffer is bedreigd met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp).\n\nMet betrekking tot de openlijke geweldpleging acht de rechtbank strafverzwarend dat deze heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag bij een tramhalte, waardoor verschillende personen hiervan ongewild getuige zijn geweest. Als strafverzwarend weegt de rechtbank verder mee dat de verdachte fors geweld tegen het slachtoffer heeft gebruikt.\n\nIn strafverlagende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat de voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 09-131355-24 (dagvaarding 1) sinds 10 juli 2024 is geschorst en dat hij zich tijdens deze (lange) periode goed aan zijn schorsende voorwaarden heeft gehouden. Ook houdt de rechtbank (zoals reeds overwogen) rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en past zij artikel 63 Sr toe.\n\nGezien de aard en ernst van de feiten kan daarop naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van (een deels voorwaardelijke) jeugddetentie. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie niet langer moet zijn dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nDe weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank\n\n- conform de eis van de officier van justitie - oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht (te weten: 44 dagen) passend en geboden vindt. Een gedeelte daarvan, namelijk 76 dagen, zal voorwaardelijk worden opgelegd. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer [aangever 2] , het slachtoffer in de zaak met parketnummer 09-219014-25 (dagvaarding 2). Anders dan gevorderd door de officier van justitie, ziet de rechtbank, gezien het tijdsverloop, geen aanleiding om aan de verdachte ook een contactverbod met het slachtoffer [aangever 1] , het slachtoffer in de zaak met parketnummer 09-131355-24 (dagvaarding 1), op te leggen.\n\nIn de aard en ernst van de feiten ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte ook een\n\ntaakstraf in de vorm van een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe dat het van belang is dat de verdachte ook nog concrete gevolgen van zijn handelen ondervindt door tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid. De rechtbank vindt een werkstraf voor de duur van 60 uren passend en geboden.\n\n7. De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel\n\n7.1.. \n [aangever 1] (dagvaarding 1, parketnummer 09-131355-24)\n\n [aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van materiële schade een bedrag van € 450,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke veroordeling gevorderd.\n\n7.1.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n7.1.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk kan worden toegewezen indien de verdachte voor het onder feit 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld.\n\n7.1.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nDe vordering is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 450,-, en dat de verdachte daarvoor aansprakelijk is.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van\n\n€ 450,-, bestaande uit materiële schade.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 24 februari 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade op die datum is ontstaan.\n\nProceskostenveroordeling\n\nNu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en\u002Fof proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nNu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 450,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 1] .\n\nGelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.\n\n7.2.. \n [aangever 2] (dagvaarding 2, parketnummer 09-219014-25)\n\n [aangever 2] , ter terechtzitting bijgestaan door mevrouw [naam 2] van Slachtofferhulp Nederland, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 676,92, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 91,92 aan materiële schade en € 585,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke veroordeling verzocht.\n\n7.2.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n7.2.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om rekening te houden met het aandeel van de benadeelde partij in de vechtpartij en het gevorderde bedrag aan immateriële schade om die reden te matigen.\n\n7.2.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nDe vordering, voor zover deze betrekking heeft op materiële schade, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 91,92, en dat de verdachte daarvoor aansprakelijk is.\n\nImmateriële schade\n\nArtikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat is hier het geval.\n\nBij het naar billijkheid vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de normschending, het letsel en bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen dat, kort gezegd, bestaat uit pijn aan zijn nek en rug.\n\nDe rechtbank neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. In deel A, Lichamelijk letsel, hoofdstuk 13 ‘Licht letsel’ wordt onder categorie ‘(a) Herstelperiode van ongeveer vier tot zes maanden’ een bedrag tussen de € 1.450,00 tot € 2.675,00 genoemd. Het voorgaande in ogenschouw genomen en gelet op het geringe letsel van de benadeelde partij, zal de rechtbank de vergoeding voor geleden immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 250,-.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van\n\n€ 341,92, bestaande uit € 91,92 aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 22 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nProceskostenveroordeling\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en\u002Fof proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nNu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 341,92, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 2] .\n\nGelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.\n\n8. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:\n\n 36f, 47, 56, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij:\n\ndagvaarding 1 met parketnummer 09-131355-24 onder feit 1, feit 2 en feit 3;\n\ndagvaarding 2 met parketnummer 09-219014-25;\n\ntenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert deze als:\n\nin de zaak met parketnummer 09-131355-24\n\nde voortgezette handeling van:\n\nmedeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;\n\nen\n\nafpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nen\n\ndiefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang\n\ntot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;\n\nin de zaak met parketnummer 09-219014-25\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;\n\nverklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nstraffen\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen jeugddetentievoor de duur van120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;\n\nbeveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (door de rechtbank begroot op 44 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt, dat een gedeelte van die straf, te weten 76 (ZESENZEVENTIG) DAGENniet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij optwee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nen onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:\n\n1. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect en ook niet via sociale media - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:\n\n- [aangever 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2008;\n\n veroordeelt de verdachte voorts tot:\n\neen taakstraf, bestaande uit eenwerkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van60 (ZESTIG) UREN;\n\nbeveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (DERTIG) DAGEN;\n\nde vorderingen van de benadeelde partijen\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1]hoofdelijk toe tot een bedrag van € 450,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag van € 450,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 februari 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;\n\nbepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;\n\nveroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2]gedeeltelijk en hoofdelijk toe tot een bedrag van € 341,92 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag van € 341,92, bestaande uit € 91,92 aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 maart 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;\n\nbepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;\n\nverklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;\n\nde schadevergoedingsmaatregelen\n\nlegt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 450,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;\n\nlegt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 341,92, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;\n\nbepaalt de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen als de verdachte niet voldoet aan zijn betalingsverplichtingen;\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van de verschuldigde bedragen door de verdachte of door zijn mededader(s) aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van de verschuldigde bedragen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;\n\nhet bevel tot voorlopige hechtenis\n\nheft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.E. Bierling, kinderrechter, voorzitter,\n\nmr. E.E. Schotte, kinderrechter,\n\nen mr. T.P. Sarneel, kinderrechter,\n\nin tegenwoordigheid van\n\nmr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17352","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:42.366Z",20,[11,143],2024]