[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-local-fees-nl-2026":3},{"detail":4,"years":73},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":72},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},164,"local-fees-nl","Local Fees","NL","2026-07-08T17:09:31.935Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":17},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"823","ECLI:NL:RBDHA:2026:17353","ecli-nl-rbdha-2026-17353","",58,"2026-06-23T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 25\u002F5155\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V., gevestigd te [plaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. A. Wever),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de provincie Zuid-Holland, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nOp 28 juli 2000 is aan de rechtsvoorganger van eiseres een revisievergunning verleend voor een inrichting aan de [adres] te [plaats]. Aan de revisievergunning zijn meerdere voorschriften verbonden.\n\nOp 26 juni 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor het aanpassen van het voorschrift met betrekking tot de maximale hoeveelheid te lozen sulfaat op het riool.\n\nVerweerder heeft met dagtekening 17 oktober 2024 aan eiseres een aanslag leges opgelegd ten bedrage van € 16.800 (de aanslag).\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 juli 2025 de aanslag gehandhaafd.\n\nEiseres heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nOp verzoek van de rechtbank heeft verweerder voor de zitting nadere stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026.\n\nNamens eiseres zijn haar gemachtigde, [naam 1] en [naam 2] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3], mr. [naam 4], ing. [naam 5] en [naam 6].\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiseres drijft een inrichting aan de [adres] te [plaats] (de inrichting) voor het opslaan, overslaan, sorteren, scheiden en breken van diverse soorten afval. De inrichting omvat een IPPC-installatie.\n\n2. De inrichting is vergund met de omgevingsvergunning van 28 juli 2000. Deze bepaalt, voor zover hier van belang:\n\n“Besluit\n\nGelet op het vorenstaande, hebben wij besloten aan [rechtsvoorganger van eiseres] te [plaats] vergunning te verlenen voor [de inrichting] bestemd voor:\n\nI. het op- en overslaan, alsmede sorteren\u002Fscheiden van:\n\n- ongesorteerd bouw- en sloopafval (BSA);\n\n- niet-specifiek ziekenhuisafval;\n\n- kantoor- winkel- en dienstenafval (KWD);\n\n- agrarisch afval;\n\n- grof huishoudelijk afval (GHA);\n\n- dakafval.\n\nII. het breken van ongesorteerd bouw- en sloopafval (BSA).\n\nIII. het uitsluitend op- en overslaan van:\n\n- veegvuil;\n\n- verontreinigde grond;\n\n- gecontamineerd bouw- en sloopafval.\n\nTevens wordt vergunning verleend voor de bovengrondse opslag (1.500 liter) van\n\ndieselolie met brandstofafgiftepomp.\n\n[…]\n\nHieraan verbinden wij de volgende voorschriften.\n\n[…]12.3. \n\nHet afvalwater waarin in enig steekmonster:\n\na. de concentratie aan sulfaat bepaald volgens NEN 6487 hoger is dan 300 mg\u002Fl;\n\nb. […]\n\nmag niet op het openbaar riool worden geloosd.”\n\n3. De inrichting voert afvalwater af via het gemeentelijk riool. Dit afvalwater is hemelwater dat verontreinigd raakt met sulfaat door uitlogen van op het terrein van de inrichting in de buitenlucht opgeslagen bouw- en sloopafval.\n\n4. Bij aanvraag van 26 juni 2024 heeft eiseres verzocht om verruiming van het hiervoor geciteerde voorschrift dat de concentratie aan sulfaat van het op het openbaar riool geloosde water niet hoger mag zijn dan 300 mg\u002Fl (het lozingsvoorschrift). De aanvraag is daarin toegelicht als volgt:\n\n “In opdracht van [eiseres] is in voorliggende notitie een nadere onderbouwing gegeven voor de aanvraag van een veranderingsvergunning voor het verruimen van het lozingsvoorschrift voor sulfaat in het naar de riolering af te voeren mogelijk door de bedrijfsvoering verontreinigd hemelwater. De vigerende lozingsvoorschriften van sulfaat zijn opgenomen in de vergunning d.d. 28 juli 2000 met kenmerk DWM\u002F2000\u002F8917 in voorschrift 12.3a en zijn 300 mg. […]\n\nHet is voor [eiseres] niet mogelijk om kosteneffectief te komen tot een sulfaatconcentratie van 300 mg\u002Fl in het mogelijk door de bedrijfsvoering verontreinigd hemelwater. […]\n\nVolgens resultaten uit het onderzoek naar aantasting van het buizenstelsel volgt dat er geen schade wordt toegebracht aan het rioolstelsel door lozing van hemelwater met een sulfaatconcentratie van maximaal 1.500 mg\u002Fl.\n\nOp basis van het gegeven dat er geen schade ontstaat aan het rioolstelsel bij de\n\naangevraagde lozingen van [eiseres], er wordt voldaan aan BBT en er geen algemene regels voor lozingen het riool zijn opgenomen in het Bal, verzoekt [eiseres] om voorschrift 12.3a uit de vigerende vergunning aan te passen zodat lozingen van afvalwater met een sulfaatconcentratie van maximaal 1.500 mg\u002Fl toegestaan worden.”\n\n5. Artikel 5 van de Legesverordening milieubelastende activiteiten Omgevingswet Zuid-Holland 2024bepaalt dat leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven die zijn opgenomen in de bij die verordening behorende tarieventabel (de tarieventabel). De tarieventabel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:\n\nParagraaf 3 Milieubelastende activiteiten\n\n[…]\n\nParagraaf 3.2 Complexe milieubelastende activiteiten\n\n[…]\n\n3.11 Afvalbeheer ippc-installaties (afdeling 3.3 Besluit activiteiten leefomgeving)\n\nIndien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet, bestaande uit activiteiten in de categorie complexe bedrijven als bedoeld in paragraaf 3.3.10 van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leef- omgeving, bedraagt het tarief:\n\n[…]\n\n3.11.3\n\n1°. voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het tijdelijk opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.5 van bijlage I bij de Richtlijn industriële emissies:\n\n€ 28.000,00\n\n[…]\n\nParagraaf 3.9 Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften bij milieubelastende activiteiten\n\n[…]\n\n3.23 Wijziging maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften\n\n3.23.1\n\nVoor het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften als bedoeld in artikel 4.5 Omgevingswet:\n\n€ 2.240,00\n\n[…]\n\nParagraaf 3.13 Wijzigen omgevingsvergunning bij milieubelastende activiteiten\n\n3.27 Wijzigen omgevingsvergunning met de uitgebreide voorbereidingsprocedure bij complexe milieubelastende activiteiten\n\n3.27.1\n\nBij een aanvraag om wijziging van één vergunde complexe milieubelastende activiteit, uit afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarop de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, is 60% van het tarief verschuldigd, voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit, waarop de wijziging betrekking heeft.\n\n3.27.2\n\nBij een aanvraag om wijziging van meerdere vergunde complexe milieubelastende activiteiten, uit afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarop de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, wordt het tarief berekend op basis van 3.25.1 en is 60% verschuldigd over de uitkomst daarvan.\n\n3.28 Wijzigen omgevingsvergunning met de reguliere voorbereidingsprocedure bij complexe milieubelastende activiteiten\n\n3.28.1\n\nBij een aanvraag om wijziging van één vergunde complexe milieubelastende activiteit, uit afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarop de regulier voorbereidingsprocedure van toepassing is, is 30% van het tarief verschuldigd, voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit, waarop de wijziging betrekking heeft.\n\n3.28.2\n\nBij een aanvraag om wijziging van meerdere vergunde complexe milieubelastende activiteiten, uit afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarop de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, wordt het tarief berekend op basis van 3.25.1 en is 30% verschuldigd over de uitkomst daarvan.\n\n3.29 Wijzigen omgevingsvergunning bij niet complexe milieubelastende activiteiten\n\n3.29.1\n\nBij een aanvraag om wijziging van een omgevingsvergunning van een niet complexe milieubelastende activiteit gelden de tarieven, genoemd in paragraaf 3.1 en 3.3 tot en met 3.8 voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit of activiteiten waarop de aanvraag tot wijziging betrekking heeft.\n\n3.30 Wijzigen voorschriften omgevingsvergunning\n\n3.30.1\n\nEen aanvraag om wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning, niet zijnde een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 Omgevingswet:\n\n€ 2.240,00\n\n6. Verweerder heeft de aanvraag aangemerkt als betreffende een complexe milieubelastende activiteit en heeft bij het opleggen van de aanslag de artikelen 3.27.1 juncto 3.11.3.1 van de tarieventabel toegepast. Dat resulteert in een bedrag aan leges van (€ 28.000 x 60% =) € 16.800.\n\nGeschil\n\n7. In geschil is of de aanslag naar het juiste tarief is opgelegd en of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.\n\n8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de aanslag te hoog is vastgesteld, omdat verweerder ten onrechte artikel 3.27.1 heeft toegepast. Volgens haar is ter zake van de aanvraag niet artikel 3.27.1, maar artikel 3.23.1 dan wel 3.30.1 van toepassing. Verder stelt eiseres dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Zij concludeert tot vermindering van de aanslag tot één naar het tarief van artikel 3.23.1 of 3.30.1, derhalve tot € 2.240.\n\n9. Het standpunt van verweerder is dat de artikelen 3.27.1 juncto 3.11.3.1 van toepassing zijn en bijgevolg de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is volgens hem geen sprake.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n10. Vast staat, zoals door verweerder gesteld en door eiseres niet weersproken, dat het lozingsvoorschrift niet een maatwerk- of vergunningvoorschrift is als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het standpunt van eiseres voor zover zij stelt dat op de aanvraag artikel 3.23.1 van de legesverordening van toepassing is.\n\n11. Daarmee staat ter beoordeling of in casu artikel 3.27.1 dan wel artikel 3.30.1 van toepassing is.\n\n12. Het standpunt van eiseres berust op een grammaticale interpretatie van deze bepalingen. Artikel 3.27.1 betreft de “aanvraag om wijziging van één vergunde complexe milieubelastende activiteit”, terwijl het in artikel 3.30.1 gaat om de “aanvraag om wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning”. De aanvraag ziet niet op wijziging van de vergunde activiteit (het op- en overslaan, sorteren en scheiden van ongesorteerd bouw- en sloopafval), maar op wijziging van het lozingsvoorschrift van 300 mg\u002Fl naar 1.500 mg\u002Fl, waarmee niet artikel 3.27.1 maar artikel 3.30.1 van toepassing is.\n\n13. Verweerder legt daarentegen artikel 3.27.1 zó uit, dat deze iedere aanvraag bestrijkt voor wijziging van een vergunning ter zake van complexe milieubelastende activiteiten, behoudens aanvragen die niet een inhoudelijke beoordeling vergen. Hij onderbouwt deze uitleg ermee dat een aanvraag zoals de onderhavige een complexe en tijdsintensieve toetsing vergt, alsmede met het onderscheid dat consequent in de tarieventabel wordt gemaakt tussen complexe en niet-complexe milieubelastende activiteiten. Hij beroept zich in dit verband op de regel ‘lex specialis derogat legi generali’.\n\n14. De rechtbank is van oordeel dat de artikelen 3.27.1 en 3.30.1 moeten worden uitgelegd zoals zij luiden. Zij overweegt daartoe als volgt.\n\nDe bewoording van de bepalingen is eenduidig. De daarin gebezigde termen ‘activiteit’ en ‘voorschrift’ komen in nagenoeg iedere omgevingsvergunning voor, in die zin dat daarin typisch activiteiten worden vergund onder het stellen van voorschriften (zoals ook in casu, zie onder 2 hiervoor). Dat maakt al op zichzelf een van de gangbare betekenis afwijkende inhoud van de begrippen onaannemelijk.\n\nVerweerder benadrukt het onderscheid tussen complexe en niet-complexe milieubelastende activiteiten. Voor de vraag of onder wijziging van een activiteit ook de wijziging van een voorschrift valt (anders dan een niet-inhoudelijke wijziging) doet dit onderscheid niet ter zake. Paragraaf 3.13 geeft namelijk ook, in artikel 3.29.1, het tarief voor de aanvraag van wijziging van een vergunde niet-complexe activiteit.\n\nGegeven de opbouw van paragraaf 3.13 is voorts niet inzichtelijk wat verweerder betoogt met zijn beroep op de regel dat de generalis wijkt voor de specialis. De redenering van verweerder volgend is namelijk ieder van de vijf artikelen 3.27.1 tot en met 3.29.1 een specialis en valt niet een algemene regel te onderkennen.\n\nVerder kan, anders dan verweerder ingang wil doen vinden, niet worden verondersteld dat Provinciale Staten bij het vaststellen van de tarieventabel voor ogen hebben gehad dat steeds als de aanvraag een inhoudelijke beoordeling vergt de tarieven van de artikelen 3.27.1 tot en met 3.29.1 van toepassing zijn en artikel 3.30.1 is gereserveerd voor aanvragen voor een niet-inhoudelijke wijziging. Daar spreekt onder andere tegen dat artikel 3.23.1 hetzelfde tarief kent als artikel 3.30.1, terwijl wijziging van een maatwerk- of vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet zoal niet doorgaans dan toch veelal een inhoudelijke beoordeling vergt.\n\nDe slotsom is dat de legesverordening met artikel 3.30.1 een tarief kent (te weten € 2.240) voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een vergunningsvoorschrift van een reeds verleende omgevingsvergunning, ongeacht of deze vergunning nu ziet op een complexe of op een niet-complexe milieubelastende activiteit.\n\n15. Uit het voorgaande volgt dat het gelijk aan eiseres is en het beroep gegrond moet worden verklaard. Haar standpunt omtrent schending van het zorgvuldigheidsbeginsel behoeft daarmee geen behandeling.\n\nProceskosten\n\n16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvermindert de aanslag tot € 2.240;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.534;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385 aan eiseres te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. M.J. Pelinck en mr. J.G.E. Gieskes, leden, in aanwezigheid van mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Provinciaal blad, nr. 14168.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17353","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:49.818Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"748","ECLI:NL:GHARL:2026:3647","ecli-nl-gharl-2026-3647",60,"2026-06-02T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nnummer BK-ARN 25\u002F304\n\nuitspraakdatum: 2 juni 2026\n\nUitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [belanghebbende]te[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)\n\ntegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 18 december 2024, nummer ARN 22\u002F5578, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Doetinchem(hierna: de heffingsambtenaar) en\n\nde Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid)teDen Haag\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. Aan belanghebbende is een aanslag leges opgelegd van € 16.447.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft in zijn uitspraak op dit bezwaar de aanslag leges gehandhaafd.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor immateriële schade en proceskosten toegekend van respectievelijk € 1.000 en € 218,75.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.\n\n1.5.. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.6.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Namens belanghebbende zijn verschenen [naam1] en [naam2] , bijgestaan door [naam3] . Namens de heffingsambtenaar is [naam4] verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.\n\n2. Feiten\n\n2.1. Belanghebbende heeft op 16 september 2021 een verzoek bij de gemeente Doetinchem ingediend om een (nieuw) bestemmingsplan vast te stellen voor het perceel aan [adres1] en [adres2] te [plaats] Belanghebbende beoogt daarmee de agrarische bestemming om te zetten in een recreatieve bestemming. In samenhang daarmee wordt het bouwen van een woning met bijgebouwen ( [adres3] ) mogelijk gemaakt.\n\n2.2.. Op grond van onderdeel 2.8.1.1 van de tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2021 van de gemeente Doetinchem heeft de heffingsambtenaar leges ten bedrage van € 16.477 in rekening gebracht.\n\n2.3.. Belanghebbende heeft bezwaar en beroep ingesteld tegen de aanslag leges. De Rechtbank heeft deze aanslag gehandhaafd. Redengevend daarvoor is dat de door belanghebbende beoogde bestemmingsvaststelling verband houdt met een door haar gewenste herontwikkeling van het perceel (aanwenden voor recreatieve doeleinden en bewoning) en dat daarom sprake is van werkzaamheden door de gemeente die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht heeft opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.\n\n3.2.. Belanghebbende betoogt in dit verband dat het vaststellen van een bestemmingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en dus niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.\n\n3.3.. Tussen partijen is de berekening van de hoogte van de leges niet in geschil.\n\n3.4.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag leges. De heffingsambtenaar concludeert tot handhaving van deze aanslag.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\nRegelgeving4.1.. Op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro)stelt de gemeenteraad voor het grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven.\n\n4.2.. Ingevolge artikel 3.6 Wro kan bij een bestemmingsplan onder meer worden bepaald dat met inachtneming van de bij het bestemmingsplan te geven regels burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen.\n\n4.3.. In artikel 3.38 Wro is bepaald dat de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1 voor die delen van het grondgebied van de gemeente waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien, in plaats van een bestemmingsplan een beheersverordening kan vaststellen waarin het beheer van dat gebied overeenkomstig het bestaande gebruik wordt geregeld.\n\n4.4.. In artikel 3.39, lid 1 Wro is geregeld dat op het tijdstip van inwerkingtreding van een beheersverordening voor een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt, het bestemmingsplan vervalt voor zover het op dat gebied betrekking heeft. In het tweede lid is bepaald dat op het tijdstip van inwerkingtreding van een bestemmingsplan voor een gebied waarvoor een beheersverordening geldt, de beheersverordening vervalt voor zover zij op dat gebied betrekking heeft.\n\n4.5.. Op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Ingevolge artikel 5 Gemeentewet wordt onder gemeentebestuur verstaan ieder bevoegd orgaan van de gemeente.\n\nOverwegingen4.6.. Ten tijde van het in behandeling nemen van belanghebbendes aanvraag is de beheersverordening ‘Landelijk gebied 2020’ van toepassing. Een dergelijke beheersverordening regelt enkel het beheer overeenkomstig het bestaande gebruik (zie 4.3). Voor het uitvoeren van de door belanghebbende verzochte bestemmingswijziging moet daarom een bestemmingsplan worden vastgesteld als bedoeld in artikel 3.1 Wro (zie 4.1).\n\n4.7.. Op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b Gemeentewet kunnen leges worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten (zie 4.5). Onder dergelijke diensten worden verstaan de werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.\n\n4.8.. Naar het oordeel van het Hof gaat het bij het vaststellen door de gemeenteraad van de bestemming van gronden in een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wro, rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang. Juist dit publieke belang vormt de rechtvaardiging voor de beperkingen die een bestemmingsplan oplegt aan eigenaren van grond binnen dit bestemmingsplan. Het vaststellen van een bestemmingsplan door de gemeenteraad, ook als het plangebied slechts een of enkele percelen betreft, wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en houdt niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Bij het in behandeling nemen van een aanvraag tot het vaststellen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wro is derhalve niet, ook niet gedeeltelijk, sprake van een rechtstreeks aan de aanvrager verrichte dienst waarvoor op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b Gemeentewet leges kunnen worden geheven. Hoewel ook hier indirect sprake is van een particulier belang, zoals altijd als een bestemmingsplan wordt vastgesteld met betrekking tot een gebied dat (gedeeltelijk) in eigendom is bij particulieren, is dit particuliere belang naar het oordeel van het Hof niet rechtstreeks en in overheersende mate in het geding.Nu geen sprake is van een dienst in de zin van artikel 229, lid 1, letter b Gemeentewet, is heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk en dient de aanslag leges te worden vernietigd.\n\nSlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\n5.1.. Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van € 365 en € 579.\n\n5.2.. Het Hof vindt bovendien aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.\n\n5.3.. Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 666 voor de bezwaarfase (1 punt voor bezwaarschrift, wegingsfactor 1, waarde per punt € 666), € 1.868 voor de beroepsfase (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 934) en op € 1.868 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 934). Aangezien de Rechtbank de Staat heeft veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 218,75 aan kosten in verband met de behandeling van het beroep, en de Staat daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het Hof de door de heffingsambtenaar te betalen vergoeding met dit bedrag verminderen tot € 4.183,25.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof:\n\nverklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing over de vergoedingen van immateriële schade en van de proceskosten;\n\nvernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar;\n\nvernietigt de aanslag leges;\n\nveroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 4.183,25; en\n\ndraagt de heffingsambtenaar op de door belanghebbende betaalde griffierechten van € 365 en € 579 te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. J.W. Keuning, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.\n\nDe beslissing is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\n(G.J. van de Lagemaat) (A.J.H. van Suilen)\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n De Wet ruimtelijke ordening is per 1 januari 2024 vervangen door de Omgevingswet.\n\n HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4105, r.o. 3.3.1; Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1459, r.o. 4.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7776, r.o. 4.3.\n\n Vgl. HR 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2174, r.o. 4.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1459, r.o. 4.7; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7776, r.o. 4.5.\n\n Vgl. HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:399, r.o. 2.3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3647","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.311Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"737","ECLI:NL:RBZWB:2026:4284","ecli-nl-rbzwb-2026-4284",64,"2026-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F3517\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbenden], beiden uit [plaats] , belanghebbenden\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Baarle-Nassau, de heffingsambtenaar.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbenden tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 11 juni 2025.\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbenden leges in rekening gebracht van € 250 in verband met de behandeling van een conceptverzoek om een besluit over een bouwplan aan de zogeheten intaketafel.\n\n1.2.. Het bezwaar van belanghebbenden tegen de in rekening gebrachte leges heeft de heffingsambtenaar ongegrond verklaard. Tegen die beslissing hebben belanghebbenden beroep ingesteld.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbenden, en namens de heffingsambtenaar [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de leges terecht en niet tot een te hoog bedrag bij belanghebbenden in rekening heeft gebracht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbenden.\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar ten onrechte leges bij belanghebbenden in rekening heeft gebracht. De in rekening gebrachte leges moeten worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n4. Belanghebbenden hebben aan het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van [plaats] (college) op 27 oktober 2024 een aangetekende brief gestuurd, waarin zij het volgende verzoeken:\n\n4.1.. \n\nDe heffingsambtenaar heeft met dagtekening van 18 december 2024 een nota leges van € 250 aan belanghebbenden toegestuurd. In die nota is aangegeven:\n\n“Wij stellen vast dat u verzoekt een indicatie te krijgen of een of meer activiteiten passen in regelgeving en beleid over de fysieke leefomgeving en daarmee ‘kansrijk’ is om verder te ontwikkelen, wetende dat het bouwplan in strijd is met het geldende planologische regiem. Uw verzoek houdt in dat het door u voorgestelde bouwplan, als intake, wordt beoordeeld en dat conceptoverwegingen met u worden gedeeld. Deze dienstverlening wordt begrepen onder de naam ‘intaketafel’.\n\nOp grond van artikel 2.4, aanhef en onder b van de Tarieventabel bij de ‘Verordening op de heffing en de invordering van leges 2024’ zijn de leges voor een ‘intaketafel’ vastgesteld op een bedrag van € 250,-.”\n\nMotivering\n\n5. Belanghebbenden voeren verschillende gronden aan tegen de aan hen in rekening gebrachte leges. Onder meer stellen belanghebbenden dat zij niet hebben verzocht om de beoordeling van een bouwplan aan de intaketafel, maar slechts hebben verzocht om een informatief gesprek. Die beroepsgrond bespreekt de rechtbank hierna als eerste.\n\n5.1.. De heffingsambtenaar heeft de in rekening gebrachte leges gebaseerd op artikel 2 van de legesverordening 2024 van de Gemeente Baarle-Nassau, en op artikel 2.4, aanhef en onder b van de tarieventabel behorend bij die legesverordening. In die artikelen is het volgende bepaald:\n\nArtikel 2 van de legesverordening 2024:\n\n“1. Onder de naam \"leges\" worden rechten geheven voor:\n\na. het genot van, door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;\n\nb. het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart of een reisdocument;\n\neen en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.”\n\nTarieventabel behorende bij de Legesverordening 2024\n\n“Artikel 2.4 Conceptverzoek\n\nVoordat een formele aanvraag om een besluit als bedoeld in de overige paragrafen van deze titel wordt ingediend en betrekking heeft op een conceptverzoek over een of meer activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, bedraagt het tarief:\n\nvoor een informatie-overleg: € 0,00\n\nvoor een intaketafel: € 250,00\n\nvoor een omgevingstafel: € 850,00”\n\n5.2.. Belanghebbenden voeren aan dat zij in hun brief van 27 oktober 2024 aan de gemeenteraad en het college slechts hebben verzocht dan wel bedoeld te verzoeken om een informatief gesprek met de wethouder. Naast dat in de brief letterlijk wordt verzocht om een informatiegesprek, wordt in de brief ook verwezen naar eerder contact met de wethouder. De wethouder heeft de brief echter ongevraagd en ten onrechte doorgezonden naar de afdeling vergunningen, aldus belanghebbenden.\n\n5.3.. De heffingsambtenaar betwist dat slechts om een informatief overleg is verzocht. Hij stelt daartoe dat in de brief ook wordt verzocht om aan te geven of de gemeente medewerking verleent aan een bouwplan. Belanghebbenden verzochten dus om inlichtingen over conceptoverwegingen over gemeentelijke medewerking aan een concreet bouwplan, en niet om inlichtingen over feitelijke gegevens. Om het verzoek van belanghebbenden te beoordelen was de intaketafel nodig, zodat terecht daarvoor leges bij belanghebbenden in rekening zijn gebracht, aldus de heffingsambtenaar.\n\n5.4.. De rechtbank is van oordeel dat het gelijk aan belanghebbenden is. De heffingsambtenaar heeft de brief van 27 oktober 2024, zonder in contact te treden met belanghebbenden over de interpretatie van (een) verzoek(en) in die brief, direct € 250 aan leges bij belanghebbenden in rekening gebracht. De brief van belanghebbenden kon echter gelet op de door belanghebbenden gegeven context, die door de heffingsambtenaar niet is betwist, niet zo worden begrepen dat belanghebbenden daarmee onmiskenbaar een conceptverzoek hebben gedaan dat besproken zou moeten worden aan de intake-tafel. Weliswaar verzoeken belanghebbenden in de brief om “aan te geven of de gemeentemedewerking verleent aan het bouwplan van de gemeente” maar zij noemen daarnaast ook expliciet “om een informatiegesprek” en verwijzen in hun brief naar eerder contact met de wethouder hierover en hebben deze mailwisseling als bijlage met hun brief meegezonden. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar in dit geval daarom ten onrechte € 250 leges in rekening heeft gebracht. Het beroep is dus gegrond.\n\n5.5.. Gelet op dit oordeel behoeven de andere beroepsgronden van belanghebbenden geen bespreking.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. De rechtbank vernietigt de in rekening gebrachte leges van € 250. Het beroep is gegrond.\n\n6.1.. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat belanghebbenden niet concreet hebben gesteld dat zij kosten hebben gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Wel krijgen belanghebbenden het griffierecht vergoed. De heffingsambtenaar moet die vergoeding betalen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvernietigt de in rekening gebrachte leges van € 250;\n\nbepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan belanghebbenden moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4284","2026-07-13T00:28:45.719Z",20,[11]]