[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-maintenance-obligations-nl-2026":3},{"detail":4,"years":190},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":188,"page":14,"limit":189},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},126,"maintenance-obligations-nl","Maintenance Obligations","NL","2026-07-08T16:57:28.104Z",2026,[13,15,17,19,22,25,27,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":14},2,{"month":18,"count":14},3,{"month":20,"count":21},4,0,{"month":23,"count":24},5,13,{"month":26,"count":14},6,{"month":28,"count":21},7,{"month":30,"count":21},8,{"month":32,"count":21},9,{"month":34,"count":21},10,{"month":36,"count":21},11,{"month":38,"count":21},12,[40,54,64,71,78,87,94,101,110,120,127,134,143,152,161,170,179],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"371","ECLI:NL:GHARL:2026:4253","ecli-nl-gharl-2026-4253","",60,"2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.362.708\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 436314)\n\nbeschikking van 30 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. A.M. Beuwer,\n\nen\n\n [verweerster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. E. El-Sharkawi.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet beroepschrift met producties, ingekomen op 17 december 2025;\n\neen journaalbericht namens de man van 28 januari 2026 met producties;\n\nhet verweerschrift;\n\neen journaalbericht namens de man van 4 juni 2026 met producties;\n\neen journaalbericht namens de vrouw van 5 juni 2026 met als bijlage een begeleidende brief van diezelfde datum;\n\neen journaalbericht namens de man van 10 juni 2026 met producties;\n\neen journaalbericht namens de man van 12 juni 2026 met een productie.\n\n2.2. De hierna te noemen [kind1] heeft bij ongedateerde brief, ingekomen bij het hof op 12 juni 2026, aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.\n\n2.3. De mondelinge behandeling heeft op 16 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk,\n\nde vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De vrouw heeft alleen de Egyptische nationaliteit. De man heeft de Egyptische en de Nederlandse nationaliteit.\n\n3.2. De man en de vrouw zijn [in] 2007 gehuwd in [plaats1] , Egypte.\n\n3.3. Zij zijn de ouders van:\n\n [kind1] , geboren [in] 2008 in [plaats1] , Egypte, en\n\n [de minderjarige2] , geboren [in] 2010 in [plaats1] , Egypte.\n\n3.4. \n [kind1] is [in] 2026 meerderjarig geworden.\n\n3.5. De vrouw heeft de rechtbank in eerste aanleg op 16 mei 2024 verzocht om:\n\nde echtscheiding tussen partijen uit te spreken;\n\nde hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vast te stellen;\n\nde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) vast te stellen op € 400,- per kind per maand; en\n\nde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) vast te stellen op € 1.330,- per maand.\n\n3.6. De man is in eerste aanleg niet verschenen.\n\n3.7. Op 12 februari 2025 is de hierna te noemen echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:\n\nde echtscheiding tussen partijen uitgesproken;\n\nde partneralimentatie bepaald op € 1.330,- per maand vanaf de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;\n\nde hoofdverblijfplaats van de dan nog beide minderjarige kinderen bij de vrouw bepaald;\n\nde kinderalimentatie bepaald op € 400,- per kind per maand met ingang van de datum van de beschikking.\n\n4.2. De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof:\n\nprimair: de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen dan wel al haar verzoeken af te wijzen; dan wel\n\nsubsidiair: die beschikking te vernietigen ten aanzien van de daarin vastgestelde kinder- en partneralimentatie en, opnieuw beschikkende, deze bijdragen vast te stellen als het hof juist oordeelt en wel met ingang van de datum van de door het hof te wijzen beschikking;\n\nmet compensatie van de kosten in die zin dat elk van partijen zijn eigen kosten draagt.\n\n4.3. De vrouw voert verweer. De vrouw vraagt het hof om:\n\nprimair: het verzoek in hoger beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen;\n\nsubsidiair: de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de daarin uitgesproken echtscheiding en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw; en\n\nbij nieuwe beschikking een kinder- en partneralimentatie vast te stellen als het hof juist oordeelt en wel met ingang van (primair) 1 oktober 2024 dan wel met ingang van (subsidiair) 17 december 2025.\n\n4.4. Bij beschikking van 17 maart 2026 heeft het hof geoordeeld dat de man tijdig hoger beroep heeft ingesteld van de bestreden beschikking en hem ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in hoger beroep.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nEchtscheiding\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.1. Partijen zijn in Egypte met elkaar gehuwd. Daardoor heeft deze zaak een internationaal karakter en dient het hof ambtshalve de rechtsmacht te onderzoeken.\n\n5.2. Omdat het verzoek tot echtscheiding is ingediend na 1 augustus 2022, dient de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dit geval beoordeeld te worden volgens de bevoegdheidsregels van de Verordening Brussel II-ter (nr. 2019\u002F1111). Op grond van artikel 3, aanhef en onder a sub v Brussel II-ter heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, omdat partijen de gewone verblijfplaats in Nederland hebben en de man sinds 1995 in Nederland woont.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.3. In het kader van de echtscheiding moet eerst worden vastgesteld of de echtscheiding in Egypte kan worden erkend in Nederland.\n\n5.4. Artikel 10:57 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt, voor zover hier van belang, in het eerste lid dat een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk in Nederland wordt erkend, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter (of een andere autoriteit) en indien aan die rechter (of die andere autoriteit) daartoe rechtsmacht toekwam. Voor de toepassing van artikel 10:57 BW is dus vereist dat de ontbinding van het huwelijk tot stand is gekomen door een beslissing van een rechter en constitutief is, nadat een behoorlijke rechtspleging heeft plaatsgevonden. De ontbinding van het huwelijk van partijen is niet tot stand gekomen door de uitspraak van de rechtbank na een behoorlijke rechtspleging. In plaats van die ontbinding uit te spreken, heeft de rechtbank immers vastgesteld dat de echtscheiding op 21 september 2012 heeft plaatsgevonden door de eenzijdige verklaring van de man. Van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake geweest. De uitspraak van de rechtbank is daarmee niet constitutief voor de ontbinding van het huwelijk, maar declaratoir van aard omdat wordt vastgesteld dat de “retourneerbare” echtscheiding heeft plaatsgevonden. De wilsverklaring van de man heeft de ontbinding van het huwelijk teweeg gebracht, niet de beslissing van de rechter. Op de erkenning van een ontbinding van een huwelijk door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten is artikel 10:58 BW van toepassing.\n\n5.5. In artikel 10:58 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is te lezen dat een ontbinding van het huwelijk in het buitenland, die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten is tot stand gekomen, erkend wordt indien:\n\nde ontbinding in deze vorm overeenstemt met een nationaal recht van de echtgenoot, die het huwelijk eenzijdig heeft ontbonden;\n\nde ontbinding in de staat waar zij geschiedde rechtsgevolg heeft; en\n\nduidelijk blijkt dat de andere echtgenoot uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust.\n\n5.6. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw nader toegelicht dat de vrouw erkent dat de echtscheiding in Egypte rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat deze echtscheiding in Egypte ook rechtsgevolg heeft. Echter, omdat sprake is van een eenzijdige verstoting (een recht van de man) kan deze echtscheiding niet worden erkend in Nederland. Nederland kent deze vorm van echtscheiding immers niet. Bovendien heeft de vrouw niet met de inschrijving van de echtscheiding ingestemd en heeft zij ook niet stilzwijgend ingestemd met de echtscheiding.\n\n5.7. Het hof is van oordeel dat voldaan is aan sub a en sub b van artikel 10:58 BW. De man had ten tijde van de ontbinding van het huwelijk in Egypte zowel de Egyptische als de Nederlandse nationaliteit. De ontbinding stemt overeen met het Egyptisch recht, terwijl de ontbinding in Egypte ook rechtsgevolg heeft. Daarover verschillen partijen ook niet van mening. Het hof dient daarom nog te beoordelen of uit de door partijen geschetste omstandigheden blijkt dat de vrouw stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust (sub c). Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en legt deze beslissing hierna uit.\n\n5.8. Het hof overweegt allereerst dat uit de door de man overgelegde productie 26 (bij journaalbericht van 10 juni 2026) blijkt dat de vrouw in 2007 en 2017 identiteitsbewijzen heeft aangevraagd. In 2007 stond op dit identiteitsbewijs dat de vrouw getrouwd was met de man, terwijl in 2017 dit niet meer op het identiteitsbewijs stond vermeld. Daarbij komt dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard dat zij geen verblijfsvergunning voor Nederland heeft gekregen in het kader van gezinshereniging met de man, maar op grond van verblijf bij een minderjarig kind (op grond van het Chavez-Vilchez-arrest). De vrouw kon ook niet naar Nederland komen op grond van gezinshereniging, omdat de man in Nederland inmiddels opnieuw was gehuwd en zij bovendien toestemming had moeten vragen aan de man om naar Nederland te komen. Hieruit volgt dat de vrouw er in Egypte naar heeft gehandeld dat zij van de man is gescheiden. Partijen hebben ook sinds de echtscheiding in 2012 geen rechtstreeks contact meer met elkaar gehad. Verder is van belang dat de families van partijen hebben bemiddeld om ervoor te zorgen dat de man zou bijdragen in de kosten van de kinderen. De vrouw heeft verder ter zitting verklaard dat zij wist dat er een echtscheiding was. Voor zover de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat een tante tegen haar heeft gezegd dat de echtscheiding van de man in het belang van de kinderen was teruggedraaid, overweegt het hof dat de vrouw dit op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat. Het hof is in het licht van de voorgaande van oordeel dat de vrouw heeft berust in de echtscheiding in Egypte.\n\n5.9. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de ontbinding van het huwelijk van partijen in 2012 in Egypte in Nederland wordt erkend. De vrouw kan dus niet opnieuw vragen om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en moet niet-ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek.\n\nKinder- en partneralimentatie\n\n5.10. Het hof overweegt dat de omstandigheid dat de vrouw niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot echtscheiding er niet aan in de weg staat om de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen te beoordelen. De vrouw hoeft hiervoor geen afzonderlijke procedure te starten. Het hof weegt hierbij mee dat zowel de man als de vrouw standpunten hebben ingenomen over de kinder- en partneralimentatie en dat zij deze standpunten tijdens de mondelinge behandeling nader hebben kunnen toelichten.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.11. Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3, aanhef en onder c, Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4\u002F2009) ook rechtsmacht wat betreft het verzoek betreffende de partneralimentatie, omdat dit een nevenverzoek is dat verbonden is met het echtscheidingsverzoek en de echtscheidingsbevoegdheid van de Nederlandse rechter niet uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust.\n\n5.12. De toepasselijkheid van het Nederlandse recht is ook hier niet in geschil, zodat het hof daarvan zal uitgaan.\n\nPartneralimentatie\n\n5.13. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw verklaard afstand te doen van haar recht op partneralimentatie. Het hof ziet daarom aanleiding om de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen op hetgeen door hem tot 16 juni 2026 is betaald.\n\nKinderalimentatie\n\n5.14. De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht kinderalimentatie vast te stellen. De man is in eerste aanleg niet verschenen. Daarop heeft de rechtbank een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vastgesteld.\n\n5.15. De man voert in hoger beroep aan dat de vrouw de behoefte van de kinderen en haar draagkracht om in die behoefte bij te dragen niet heeft onderbouwd, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.\n\n5.16. Het hof overweegt dat de vrouw - ondanks haar toezegging hiertoe - op geen enkele wijze inzage heeft gegeven in de behoefte van de kinderen en haar mogelijkheid om in deze behoefte bij te dragen. De vrouw heeft niet alleen nagelaten de hoogte van de behoefte van de kinderen te becijferen, maar zij heeft ook nagelaten om enig financieel stuk over te leggen. Dit terwijl de man wel inzage heeft gegeven in zijn inkomen en de vrouw nu zelf aanvoert dat zij in deeltijd werkt en inkomen uit arbeid heeft. De man heeft in hoger beroep wel verzocht om financiële gegevens van de vrouw. Het voorgaande klemt temeer nu de vrouw kennelijk langdurig in staat is geweest om zelf in de behoefte van de kinderen te voorzien. Weliswaar heeft de man gedurende een periode € 150,- per maand aan de vrouw voldaan, maar deze bijdrage was niet alleen ten titel van kinderalimentatie. De man betaalde hiermee ook de kosten van de huishouding. Daar komt bij dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep niet duidelijk is geworden over welke periode de man deze bijdrage heeft voldaan. Gelet op het vorenstaande wijst het hof het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie vast te stellen af, omdat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd.\n\n6. De slotsom\n\n6.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot echtscheiding. Daarnaast zal het hof beslissen over de verzoeken over de kinder- en partneralimentatie als hierna te melden.\n\n6.2. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2024 en opnieuw beschikkende:\n\nverklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding;\n\nwijst af het verzoek van de vrouw om een bijdrage vast te stellen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;\n\nwijst af het verzoek van de vrouw om een bijdrage vast te stellen in de kosten van haar levensonderhoud, met dien verstande dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud wordt bepaald op hetgeen de man tot 16 juni 2026 heeft voldaan;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\ncompenseert de kosten van het geding in hoger beroep;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, D.J.M. van de Voort en A.T. Bol, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 30 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4253","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:26.489Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":59,"fullText":60,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":63},"480","ECLI:NL:RBDHA:2026:17445","ecli-nl-rbdha-2026-17445",58,"2026-05-28T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-2231\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F682424\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Scheiding\n\nBeschikking op het op 25 maart 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. K. Moene te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S. Bhulai te ’s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 28 maart 2025, met bijlagen namens de vrouw;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen;\n\n- het bericht van 10 februari 2026 namens de vrouw;\n\n- de brief van 24 februari 2026, met bijlage, namens de vrouw inhoudende\n\n een wijziging van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling;\n\n- de brief van 17 april 2026, met bijlagen, namens de vrouw, tevens\n\n inhoudende een wijziging van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling;\n\n- het bericht van 21 april 2026, met bijlage, namens de man.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw en de man met hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2023 te Leidschendam-Voorburg in beperkte gemeenschap\n\n van goederen.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] .\n\n- De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast.\n\n- Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is op 24 maart 2025\n\n –voor zover hier van belang– bepaald dat:\n\nde vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekomt met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nde kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;\n\nde man aan de vrouw, met ingang van 10 maart 2025 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 250,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.\n\n- Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is op 19 maart 2026 –\n\n met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 24 maart 2025 –\n\n bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 11 maart 2026, een kinderalimentatie\n\n ten behoeve van de kinderen van € 167,- per kind per maand zal betalen, telkens bij\n\n vooruitbetaling te voldoen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet gewijzigde verzoek van de vrouw zoals dat nu luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen (zorgregeling), in die zin dat:\n\n de kinderen gedurende de schoolweken en onder de voorwaarde dat in dat\n\nweekend geen feestdagen vallen in het weekend van de oneven weken bij\n\nde man zijn van zaterdag 10:00 uur tot zondag 15:00 uur;\n\n invulling van vakanties en feestdagen in onderling overleg;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 167,- per maand per kind, bij\n\n vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van de beschikking;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de kinderen,\n\n -waarbij de kinderen bij de man zullen zijn:\n\n in de oneven weken van vrijdag na school (15:00 uur) tot zondag 18:00 uur;\n\n in de zomervakantie 1 week in overleg;\n\n met Vaderdag;\n\n -te bepalen dat de kinderen 2 video belmomenten op dinsdag en donderdag om\n\n 19:00 uur hebben met de man of elk ander moment dat de kinderen hun vader\n\n missen;\n\n- vaststelling van een regeling inzake de informatie over de kinderen, waarbij de vrouw de man maandelijks zal informeren over de ontwikkelingen van de\n\n kinderen;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 166,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van indiening van het verweerschrift althans een zodanige bijdrage en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht;\n\n- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform\n\n het voorstel van de man inhoudende dat de goederen opgenoemd in de inboedellijst (productie 3) aan de man zullen toekomen, zonder verrekening.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntbreken ouderschapsplan\n\nBij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. Partijen hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het partijen niet is gelukt om op alle punten ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank toch het verzoek tot echtscheiding.\n\nOmdat aan de overige wettelijke formaliteiten wel is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nDe vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man voert hiertegen geen verweer. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.\n\nZorgregeling\n\nUit de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank het volgende gebleken. Op 25 februari 2025 is aan de man een tijdelijk huisverbod opgelegd, omdat er een incident van huiselijk geweld in de echtelijke woning heeft plaatsgevonden. Dit huisverbod is ook nog verlengd tot 25 maart 2025. De vrouw is met de kinderen in de echtelijke woning gebleven. In de voorlopige voorzieningenprocedure (beschikking van\n\n24 maart 2025) is vervolgens het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toegekend alsmede zijn de kinderen aan haar toevertrouwd. Er is diverse hulpverlening bij het gezin betrokken geraakt, onder meer het Veilig Verder Team (VVT). Doel van dit team is het opstellen van veiligheidsafspraken en het maken van passende omgangsafspraken voor de kinderen. Op 20 januari 2026 heeft het VVT advies uitgebracht, waarbij is gebleken dat er nog geen definitieve veiligheids- en omgangsafspraken zijn vastgesteld.\n\nBeide ouders willen een vaste zorgregeling, maar zij verschillen van mening over de exacte invulling van deze regeling. Daarbij is het werkrooster van de man een complicerende factor.\n\nDe vrouw stelt een zorgregeling voor, waarbij de kinderen in de oneven weken bij de man zijn van zaterdag 10:00 uur tot zondag 15:00 uur. De vrouw hecht aan een vaste regeling die de man altijd kan nakomen. Om deze reden verzoekt zij zaterdag 10 uur, omdat vrijdag na school volgens de vrouw niet altijd voor de man haalbaar is. Daarnaast vindt de vrouw het van belang dat de kinderen op tijd naar bed gaan. Dit klemt temeer op de zondagen nadat de kinderen een weekend bij de man zijn geweest.\n\nDe man verzet zich tegen de verzochte invulling van de vrouw en verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen in de oneven weken van vrijdag na school (15:00 uur) tot zondag 18:00 uur bij hem verblijven.\n\nOp de zitting is naar voren gekomen dat de man op dit moment bij zijn huidige werkgever een werkrooster heeft, waarbij hij eenmaal in de drie weken een vrij weekend heeft. Mogelijk krijgt de man op korte termijn een nieuwe werkgever en wil hij gaan bespreken dat hij om de week een vrij weekend heeft.\n\nAlles overwegende zal de rechtbank nu bepalen dat de kinderen bij de man zijn eenmaal in de drie weken (het vrije weekend van de man) van vrijdag uit school (15:00 uur) tot zondag 17 uur. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de man in de weken dat hij de kinderen niet in het weekend ziet nog een dag dan wel dagdeel omgang zal hebben met de kinderen. Daarbij is het van belang dat de man de vrouw tijdig op de hoogte zal brengen van zijn vrije (doordeweekse) dagen in zijn werkrooster, waarna ze in onderling overleg – eventueel onder begeleiding van hulpverleners – voor de weken daarop, indien mogelijk, de doordeweekse contactmomenten kunnen vastleggen.\n\nDe ouders zijn het er verder over eens dat de invulling van vakanties en feestdagen in onderling overleg zal worden bepaald, maar dat de kinderen in ieder geval op vaderdag en in de zomervakantie één week bij de man zullen zijn. Ook hiervoor geldt dat de man de vrouw tijdig van zijn werkrooster op de hoogte zal moeten brengen, zodat deze vakantie(s) en feestdagen in onderling overleg – eventueel onder begeleiding van hulpverleners – kunnen worden bepaald.\n\nDe rechtbank geeft de ouders mee dat zij samen met VVT dan wel andere hulpverleners verdere afspraken moeten maken over de nadere invulling en uitbreiding van de zorgregeling, mede afhankelijk van de (nieuwe) werkroosters van de man en van het werkrooster van de vrouw voor zover zij erin slaagt te gaan werken zoals zij voornemens is. Daarbij moet ernaar worden gestreefd dat de kinderen in ieder geval om de week een weekend bij de man zullen verblijven, zoals beide ouders nu hebben verzocht.\n\nOp de zitting zijn de ouders verder overeengekomen dat de man twee keer per week, op dinsdag en donderdag, om 18 uur een (video) belmoment met de kinderen zal hebben. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, omdat dit ook in het belang van de kinderen is.\n\nInformatieregeling\n\nDe man verzoekt een informatieregeling vast te stellen, waarbij de vrouw de man maandelijks zal informeren over de ontwikkelingen van de kinderen. De vrouw verzet zich hiertegen en stelt dat het verzoek van de man buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het niet binnen de gegeven verweertermijn en dus te laat is ingediend.\n\nWat er ook zij van het standpunt van de vrouw, de rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek van de man om een informatieregeling vast te stellen, toe te wijzen. De ouders zijn immers gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast. Uit gezamenlijk gezag vloeit voort dat de ouders elkaar over en weer moeten informeren en consulteren over zaken die de kinderen aangaan. Daarnaast kan de man als gezaghebbende ouder ook zelf alle informatie over de kinderen opvragen bij betrokken instanties. Verder zal de man ook regelmatig contact met de kinderen hebben, zodat hij op basis hiervan ook al goed op de hoogte is van onder andere hun ontwikkeling. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.\n\nKinderalimentatie\n\nOp de zitting is gebleken dat de vrouw haar verzoek wijzigt en nu verzoekt een kinderalimentatie vast te stellen van € 167,- per maand per kind, zoals is bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2026 betreffende de wijziging van de voorlopige voorzieningen. Gelet op het zelfstandige verzoek van de man, waarin hij een bedrag van € 166,- per maand per kind aan kinderalimentatie verzoekt, concludeert de rechtbank dat de ouders over de kinderalimentatie overeenstemming hebben bereikt. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen. Daarbij zal de rechtbank de datum van beschikking als ingangsdatum bepalen, zoals de vrouw verzoekt, mede omdat er al een voorlopige kinderalimentatie in voorlopige voorzieningen is bepaald.\n\nVerdeling beperkte huwelijksgemeenschap\n\nDe man verzoekt te bepalen dat de inboedelgoederen opgenoemd in de als productie 3 overgelegde inboedellijst aan de man zullen toekomen, zonder verrekening. De vrouw verweert zich hiertegen en stelt dat de inboedel al tussen partijen is verdeeld. Mede gelet op wat op de zitting is besproken, concludeert de rechtbank dat de huwelijksgoederengemeenschap feitelijk al tussen partijen is verdeeld en dat de rechtbank op dit punt geen beslissing meer behoeft te nemen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2023 te [plaats] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ,\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] ,\n\nde hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat de hiervoor genoemde minderjarigen bij de man zullen zijn:\n\n- eenmaal in de drie weken (het vrije weekend van de man) van vrijdag uit school\n\n (15:00 uur) tot zondag 17 uur;\n\n- in de weken dat de man de kinderen niet in het weekend ziet nog een dag dan wel\n\n dagdeel, in onderling overleg te bepalen en afhankelijk van het werkrooster van de\n\n man;\n\n- de invulling van de vakanties en feestdagen in onderling overleg zal worden\n\n bepaald, waarbij de kinderen in ieder geval op vaderdag en één week in de\n\n zomervakantie bij de man zullen zijn;\n\n*\n\nbepaalt dat er twee keer per week, op dinsdag en donderdag, om 18 uur een (video) belmoment tussen de man en de kinderen zal plaatsvinden;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van vandaag, een kinderalimentatie ten behoeve van de hiervoor genoemde minderjarigen van € 167,- per maand per kind zal betalen, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking – tot zover en met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17445","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:32.552Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":59,"fullText":68,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":70},"411","ECLI:NL:RBDHA:2026:17451","ecli-nl-rbdha-2026-17451","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-3395\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F684783\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Scheiding\n\nBeschikking op het op 6 mei 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S.I. Kouwenhoven te Naaldwijk.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. drs. M. Erkens te Den Haag.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het op 6 mei 2025 ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw;\n\n- de brief van 7 juli 2025, inhoudende een wijziging van het petitum, namens de\n\n vrouw;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van 31 juli 2025 namens de\n\n man;\n\n- het verweer tegen het zelfstandig verzoek van 1 september 2025 namens de vrouw;\n\n- de brief van 27 februari 2026, met bijlage, namens de vrouw;\n\n- het bericht van 28 april 2026, met bijlage, namens de man.\n\nDe minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\n- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en H.C. de Man, tolk in de Franse taal;\n\n- de man, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2015 te [plaats 1] , [land] .\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] ,\n\n- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] .\n\n- De kinderen verblijven op dit moment bij de man en de vrouw in de echtelijke woning.\n\n- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- De man heeft in ieder geval de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Guinese nationaliteit.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen (zorgregeling), in die zin dat de kinderen bij de man verblijven -zodra hij passende huisvesting heeft gevonden om de kinderen te ontvangen en te laten overnachten-:\n\n om het weekend: vanaf zaterdagochtend tot zondagavond;\n\n om het weekend: de andere zaterdag overdag (tijdstip in overleg), waarbij\n\nde man zorg zal dragen voor het begeleiden van de kinderen naar voetbal en\u002Fof zwemles;\n\n eens in de maand zal de man de vrouw in de gelegenheid stellen om met\n\nde kinderen naar de ‘zaterdag bijeenkomsten van de Afrikaanse gemeenschap’ in Den Haag te gaan;\n\n de helft van de feestdagen en schoolvakanties, waarbij rekening wordt\n\ngehouden met de beperkte vrije dagen van het werk die de man kan\n\nopnemen;\n\n de helft van de feestdagen zoals Kerst, Pasen en Oud en Nieuw, waarbij de kinderen om en om de eerste feestdag bij de ene ouder verblijven en de tweede feestdag bij de andere ouder, waarbij oudejaarsdag als de eerste feestdag geldt en Nieuwsjaardag als de tweede feestdag;\n\n Suikerfeest en offerfeest verblijven de kinderen bij de vrouw, behalve wanneer deze feesten in het weekend vallen. Indien Suikerfeest en offerfeest in het weekend vallen worden de feestdagen gevierd bij de man, waarbij de partijen afspreken dat de kinderen met één van de ouders naar de Moskee gaan voor het ochtendgebed;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 125,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift;\n\n- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.\n\nDe man voert – onder referte voor het overige – verweer tegen het verzochte huurrecht, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met een nevenvoorziening tot:\n\n- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\nOntvankelijkheid\n\nBij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan.\n\nOp de zitting is de rechtbank gebleken dat de ouders een ouderschapsplan zijn overeengekomen, maar dat dit ouderschapsplan niet bij de rechtbank is overgelegd. Gelet hierop en omdat aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.\n\nHoofdverblijfplaats en Zorgregeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nDe vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man heeft hiertegen geen bezwaar. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.\n\nZorgregeling\n\nDe vrouw verzoekt een zorgregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen. De man kan zich vinden in de verzochte zorgregeling, zodat de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond zal toewijzen, mede ook omdat het belang van de kinderen zich hiertegen niet verzet.\n\nKinderalimentatie\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten en verzorging en opvoeding van de kinderen.\n\nOp het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen Nederlands recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vrouw verzoekt met ingang van 6 mei 2025, de datum van indiening van het verzoekschrift, een kinderalimentatie van € 125,- per maand per kind. De man is het hiermee eens, zodat de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond zal toewijzen.\n\nHuurrecht van de echtelijke woning\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nDe woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.\n\nDe rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe man en de vrouw verzoeken beiden het huurrecht aan hen toe te kennen.\n\nDe vrouw stelt dat zij er belang bij heeft om samen met de kinderen in de echtelijke woning te blijven wonen. Zij is de hoofdverzorger van de kinderen en het is in het belang van de kinderen dat zij in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. Zij zijn immers hier geworteld en gaan ook dichtbij de woning naar school. Volgens de vrouw heeft de man, gelet op zijn inkomen, meer mogelijkheden om andere geschikte woonruimte te vinden.\n\nDe man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt het huurrecht aan hem toe te kennen. De man stelt dat hij al meer dan 20 jaar huurder van de woning is en lange tijd alleen in de woning heeft gewoond, voordat de vrouw naar Nederland is gekomen. Volgens de man is de woning niet geschikt voor een gezin. Het betreft een twee-kamer-woning van slechts 64 m2 met een woonkamer en één slaapkamer.\n\nKort voor de zitting is gebleken dat partijen in mediation een overeenkomst hebben gesloten waarbij partijen ten aanzien van het huurrecht hebben afgesproken dat zij tijdelijk samen in de woning zullen blijven wonen totdat de vrouw een andere woning heeft gevonden. Tevens hebben partijen afgesproken dat het huurrecht aan de man zal worden toegekend onder de voorwaarde dat de vrouw voldoende tijd en ruimte krijgt om zelf een woning te zoeken.\n\nDe vrouw stelt dat er nu een tegenstrijdigheid is ontstaan over het huurrecht, omdat zij in deze procedure verzoekt het huurrecht aan haar toe te kennen, terwijl in de mediationovereenkomst is opgenomen dat de vrouw afstand doet van het huurrecht. De (advocaat van de) vrouw heeft daarom per e-mailbrief van 4 februari 2026 aan (de advocaat van) de man een beroep gedaan op vernietigbaarheid van dit deel van de overeenkomst, omdat afstand van het huurrecht niet in het belang van de vrouw is. De vrouw stelt de overeenkomst onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken te hebben gesloten. Zo stelt zij te hebben gedwaald over haar juridische positie, onvoldoende te zijn geïnformeerd en geen rekening te hebben kunnen houden met daarna gebleken omstandigheden.\n\nOp de zitting heeft de vrouw nader toegelicht dat zij niet begrepen heeft wat zij met de mediationovereenkomst heeft ondertekend. Zij stelt de consequenties hiervan niet goed te hebben doorzien. Immers voor de vrouw was het niet duidelijk dat het nu wellicht nog vijf jaar kan duren voordat partijen daadwerkelijk uit elkaar gaan. De vrouw meende dat ze onmiddellijk een urgentieverklaring zou krijgen en dat ze ook geholpen zou worden bij het vinden van een andere woning. De vrouw geeft aan zo spoedig mogelijk met de kinderen een andere woning te willen betrekken. Hiervoor is volgens de vrouw nu nodig dat het huurrecht aan haar wordt toegekend. Zij handhaaft daarom het verzoek.\n\nDe man verzet zich hiertegen en voert aan dat partijen via mediation een geldige overeenkomst hebben ondertekend. Deze overeenkomst is onder begeleiding van een professional tot stand gekomen. De vrouw is volgens de man dan ook goed geïnformeerd over wat zij heeft ondertekend. Daarnaast heeft de vrouw ook nagelaten haar advocaat hierover te raadplegen, wat voor haar eigen rekening en risico komt, aldus de man. Voor zover de vrouw zich beroept op vernietiging van de overeenkomst, stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw hiervoor een dagvaardingsprocedure moet beginnen. Verder geeft de man aan dat de vrouw in de woning kan blijven totdat zij een andere woning heeft gevonden, maar dat hij wel het huurrecht toegekend wenst te krijgen.\n\nDe rechtbank is zich ervan bewust dat beide partijen belang hebben bij het huurrecht van de (voormalige) echtelijke woning, omdat beide partijen mogelijk niet op korte termijn over zelfstandige andere woonruimte kunnen beschikken waar ze met beide kinderen kunnen wonen. De rechtbank moet daarom beoordelen van wie de belangen zwaarder wegen.\n\nDe rechtbank zal het huurrecht van de (voormalige) echtelijke woning aan de man toekennen, maar daarbij wel bepalen – zoals in de mediationovereenkomst is vastgelegd – dat de vrouw (met de kinderen) in de woning kan blijven totdat zij een eigen woning heeft gevonden. De rechtbank heeft bij deze beslissing het volgende in aanmerking genomen.\n\nGebleken is dat de vrouw, anders dan de man, in beginsel niet met de kinderen in de echtelijke woning wenst te blijven. De woning is te klein om er met de kinderen te verblijven. De vrouw is op zoek naar andere woonruimte. Zij is met behulp van haar advocaat bezig met het verkrijgen van een urgentieverklaring. Daarbij speelt mee dat de zoon van partijen, die zijn hoofdverblijf bij de vrouw heeft, bekend is met de Sikkelcelziekte en regelmatig ernstige acute pijnaanvallen heeft, wat hopelijk helpend zal kunnen zijn bij het verkrijgen van een urgentieverklaring. Verder is gebleken dat de vrouw in juni 2026 weer een afspraak bij de mediator heeft om over huisvesting te praten. De rechtbank neemt bij de afweging van de belangen verder in overweging dat partijen op 15 januari 2026 een mediationovereenkomst hebben afgesloten, waarbij zij zijn overeengekomen dat het huurrecht aan de man zal worden toegekend onder de voorwaarde dat de vrouw voldoende tijd en ruimte krijgt om zelf een woning te zoeken. Ondanks dat naar voren is gekomen dat de vrouw mogelijk andere ideeën en verwachtingen had bij het ondertekenen van de mediationovereenkomst, wat overigens door de man wordt betwist, stelt de rechtbank vast dat deze overeenkomst door beide partijen is ondertekend en dus geldig is. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er in deze procedure onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit anders zou zijn.\n\nConcluderend betekent dit dat de huidige situatie zal worden gecontinueerd, waarbij partijen voorlopig nog samen met de kinderen in de woning zullen verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat partijen niet meer samen met de kinderen in de woning zouden kunnen verblijven. Op de zitting heeft de man verklaard dat hij een groot gedeelte van de dag vanwege werk niet thuis is en voor zover hij niet werkt, dat hij zoveel mogelijk in het berghok verblijft. Het neemt niet weg dat het voor beide partijen en vooral de kinderen geen prettige situatie is en dat deze situatie niet al te lang moet duren. De partnerbreuk brengt spanningen met zich en de kinderen worden hiermee geconfronteerd. De rechtbank gaat er echter van uit dat de vrouw, zoals op de zitting ook is gebleken, samen met haar advocaat haar uiterste best gaat doen om zo spoedig mogelijk een andere woning te vinden en dat zodra zij deze heeft gevonden daarnaartoe zal vertrekken. Daarbij merkt de rechtbank tot slot op dat beide ouders samen verantwoordelijk zijn voor de kinderen en rust zullen moeten brengen in deze situatie. De ouders zullen samen hiervoor eventueel met behulp van hun advocaten of hulpverleners nadere afspraken moeten maken, voor zover dit nog niet is gedaan.\n\nProceskosten\n\nGelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2015 te [plaats 1] , [land] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] ,\n\n- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] ,\n\nde hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;\n\n*\n\nbepaalt dat de hiervoor genoemde minderjarigen bij de man zullen verblijven:\n\n om het weekend: vanaf zaterdagochtend tot zondagavond;\n\n om het weekend: de andere zaterdag overdag (tijdstip in overleg), waarbij\n\nde man zorg zal dragen voor het begeleiden van de kinderen naar voetbal en\u002Fof zwemles;\n\n eens in de maand zal de man de vrouw in de gelegenheid stellen om met\n\nde kinderen naar de ‘zaterdag bijeenkomsten van de Afrikaanse gemeenschap’ in Den Haag te gaan;\n\n de helft van de feestdagen en schoolvakanties, waarbij rekening wordt\n\ngehouden met de beperkte vrije dagen van het werk die de man kan\n\nopnemen;\n\n de helft van de feestdagen zoals Kerst, Pasen en Oud en Nieuw, waarbij de kinderen om en om de eerste feestdag bij de ene ouder verblijven en de tweede feestdag bij de andere ouder, waarbij oudejaarsdag als de eerste feestdag geldt en Nieuwsjaardag als de tweede feestdag;\n\n Suikerfeest en offerfeest verblijven de kinderen bij de vrouw, behalve wanneer deze feesten in het weekend vallen. Indien Suikerfeest en offerfeest in het weekend vallen worden de feestdagen gevierd bij de man, waarbij de partijen afspreken dat de kinderen met één van de ouders naar de Moskee gaan voor het ochtendgebed;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 6 mei 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van de hiervoor genoemde minderjarigen van € 125,- per maand, per kind zal betalen, telkens vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nbepaalt dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres [adres] , [plaats 2]\n\n (gemeente [gemeente] ), met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en onder de voorwaarde dat de vrouw (met de kinderen) in de woning kan blijven totdat zij een eigen woning heeft gevonden;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking –met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van\n\n28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17451","2026-07-13T00:28:28.549Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":59,"fullText":75,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":77},"416","ECLI:NL:RBDHA:2026:17450","ecli-nl-rbdha-2026-17450","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-3878\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F685736\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Echtscheiding met nevenvoorzieningen\n\nBeschikking op het op 22 mei 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] ,\n\nvolgens de huwelijksakte: [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. L.P. Lagerweij te Delft.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nvolgens de huwelijksakte: [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. J.W. Stok te Delft.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;\n\n- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;\n\n- het bericht van 24 april 2026, met bijlagen, van de zijde van de man.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vrouw, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk in de Arabische taal J. Labban;\n\n [naam] namens Jeugdbescherming west Haaglanden (de gecertificeerde instelling).\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op 30 januari 2015 te Khartoem, Soedan naar Islamitisch recht.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] .\n\n- De kinderen verblijven bij de vrouw.\n\n- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- De vrouw en de man hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 17 april 2025 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden tot 17 april 2026. Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2026 is deze ondertoezichtstelling verlengd tot 17 april 2027.\n\n- Deze rechtbank heeft op 22 juli 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:\n\ndat de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning;\n\ndat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;\n\ndat een voorlopige verdeling van zorg- en opvoedingstaken zal gelden, waarbij de kinderen vanaf het vertrek van de man uit de echtelijke woning bij de man zijn elke zaterdag gedurende twee uur, in onderling overleg (met de jeugdbeschermer) af te spreken, waarbij de man de kinderen haalt en terugbrengt, en waarbij de kinderen vanaf het moment dat de man eigen woonruimte heeft, bij de man zijn om de week van zaterdag 12.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de man de kinderen haalt en terugbrengt;\n\ndat deze voorlopige zorgregeling doorloopt in alle vakanties, tenzij een ouder met de kinderen op vakantie wil en verder dat de voorlopige zorgregeling – indien nodig – onder regie van de jeugdbeschermer kan worden aangepast;\n\ndat de man aan de vrouw, met ingang van 2 september 2025 of zoveel eerder als de man de echtelijke woning verlaat, voorlopig een kinderalimentatie van € 150,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen eens per veertien dagen bij de man zijn van zaterdag 12.00 uur tot zondag 17.00 voor het avondeten, waarbij de man de kinderen haalt en brengt als er gewisseld moet worden en de reguliere zorgregeling in de vakanties zal doorlopen, tenzij een ouder met de kinderen op vakantie wil, in welk geval voorafgaand overleg tussen de ouders plaatsvindt;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 150,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 22 mei 2025 (de datum van de indiening van het verzoekschrift);\n\n- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht het verzoek van de vrouw om de echtscheiding uit te spreken, toe te wijzen, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man;\n\n- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning;\n\n- toewijzing van het verzoek van de vrouw ten aanzien van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken indien de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal worden bepaald, met de toevoeging “op voorwaarde dat de man zelfstandige woonruimte heeft”.\n\nDe vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\nOntvankelijkheid\n\nBij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om voorafgaand aan de zitting op alle punten ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding, zonder ouderschapsplan.\n\nAan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vrouw stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en verzoekt om de echtscheiding uit te spreken. De man kan zich hiermee verenigen. Gelet hierop staat de gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk in rechte vast, zodat de rechtbank het daarop steunende verzoek tot echtscheiding als niet weersproken en op de wet gegrond zal toewijzen.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nTer zitting heeft de man ingestemd met het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw te bepalen. Gelet op deze overeenstemming, het gegeven dat de kinderen nu al langere tijd bij de vrouw verblijven en het feit dat de man momenteel bij een daklozenopvang verblijft, zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vrouw bepalen.\n\nVerdeling van zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling)\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de zorgregeling.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nUit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank duidelijk geworden dat de man de voorlopige zorgregeling niet (volledig) nakomt. Dat komt enerzijds door de gezondheidsproblemen die de man ervaart en de ziekenhuisafspraken die daarmee verband houden, en anderzijds vanwege het feit dat de man geen eigen woonruimte heeft en in een daklozenopvang verblijft. Ook de gecertificeerde instelling geeft aan dat de zorgregeling niet goed loopt, maar dat het voor de kinderen wel belangrijk is om contact te hebben met hun vader. Daarbij wijst de gecertificeerde instelling erop dat het contactmoment door de voorzieningenrechter in het kader van de voorlopige zorgregeling op zaterdag is bepaald, maar dat het lastig is om op zaterdagen hulpverlening rondom de contactmomenten te organiseren in verband met de werkuren van de hulpverlening.\n\nNaar aanleiding van het voorgaande heeft de rechtbank ter zitting met partijen en de gecertificeerde instelling gesproken over het organiseren van een contactmoment op een andere dag. De ouders zijn het erover eens geworden dat de kinderen voortaan niet op zaterdag, maar op donderdag gedurende twee uur contact zullen hebben met de man. De ouders dienen in samenspraak met de gecertificeerde instelling en\u002Fof de betrokken hulpverleners af te spreken op welk tijdstip het contactmoment plaatsvindt. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat de overige voorwaarden van de voorlopige zorgregeling blijven gelden, in die zin dat de zorgregeling zal doorlopen in alle vakanties, tenzij een ouder met de kinderen op vakantie wil, en dat de zorgregeling – indien nodig – onder regie van de jeugdbeschermer kan worden aangepast. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de ouders vanuit deze regeling (en al dan niet onder begeleiding van de gecertificeerde instelling en\u002Fof de betrokken hulpverleners) dienen toe te werken naar het uitbreiden van de zorgregeling conform het verzoek van de vrouw op het moment dat de man over huisvesting beschikt en zijn gezondheid een uitgebreidere regeling toelaat.\n\nHuurrecht van de echtelijke woning\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nDe woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.\n\nDe rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen hebben overeenstemming bereikt over de toebedeling van het huurrecht, in die zin dat de man tijdens de zitting heeft aangegeven dat hij zich – mede gelet op zijn standpunt ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen – erbij kan neerleggen dat het huurrecht onder de huidige omstandigheden aan de vrouw wordt toebedeeld. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.\n\nKinderalimentatie\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten en verzorging en opvoeding van de kinderen.\n\nOp het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen Nederlands recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de kinderalimentatie, in die zin dat de ouders het erover eens zijn geworden dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zal voldoen van € 25,- per kind per maand. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.\n\nDaarbij zal de rechtbank de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat er in de voorlopige voorzieningenprocedure al een voorlopige bijdrage is bepaald.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 22 juli 2025 – :\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op 30 januari 2015 te Khartoem, Soedan;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;\n\n*\n\nbepaalt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] elke donderdag gedurende twee uur bij de man zullen zijn, waarbij de ouders in samenspraak met de gecertificeerde instelling en\u002Fof betrokken hulpverleners afspreken op welk tijdstip het contactmoment plaatsvindt en dat toegewerkt kan worden naar een mogelijke uitbreiding van deze zorgregeling zoals in het lichaam van deze beschikking is weergegeven;\n\nbepaalt dat deze zorgregeling zal doorlopen in alle vakanties, tenzij een van de ouders met de kinderen op vakantie wil;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woning aan de [adres] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de man, met ingang van de dag van de datum van deze beschikking, voor de verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 25,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding en het toekennen van het huurrecht – uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17450","2026-07-13T00:28:28.820Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":82,"fullText":83,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":52,"updatedAt":86},"350","ECLI:NL:RBDHA:2026:17378","ecli-nl-rbdha-2026-17378","2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2333\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F701011\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 9 maart 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S.L.A. Verburgt te Den Haag.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. P. van de Kolk te Den Haag.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift.\n\nOp 13 mei 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\n- de man, bijgestaan door mr. M.S. Odink als waarnemend advocaat en een tolk,\n\nE. Roest;\n\n- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk: S. Steinert.\n\nVan de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.\n\nFeiten\n\nPartijen zijn gehuwd op [datum] 2020 te [plaats] , Duitsland.\n\nDe man en de vrouw zijn beiden burgers van de Bondsrepubliek Duitsland. De\n\nvrouw heeft daarnaast ook de Britse nationaliteit.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de man strekt ertoe dat:\n\n- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] , met inbegrip van de inboedel, en met het bevel dat de vrouw die woning moet verlaten en verder niet meer mag betreden;\n\n- een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige partneralimentatie van\n\n € 4.049,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 maart 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en waarbij de vrouw de hypotheeklasten van de echtelijke woning zal blijven voldoen;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw voert verweer tegen de verzochte partneralimentatie en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nDe Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe. De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.\n\nUitsluitend gebruik echtelijke woning\n\nDe man heeft verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning voor de duur van de echtscheidingsprocedure aan hem toe te wijzen. Partijen zijn het erover eens dat de woning uiteindelijk aan derden moet worden verkocht. De man gaat er daarbij van uit dat de vrouw vooralsnog de hypotheeklasten van de echtelijke woning zal blijven voldoen, gelet op haar inkomen en het feit dat de man op dit moment zelf geen inkomsten heeft.\n\nDe vrouw heeft ingestemd met het uitsluitend gebruik door de man en het voldoen van de hypotheeklasten, op de voorwaarde dat zij in de gelegenheid wordt gesteld om persoonlijke spullen, zoals kleding, foto’s en administratie uit de woning op te halen. Partijen hebben op de zitting afgesproken dat de vrouw op zaterdag 16 mei 2026 de spullen ophaalt, waarbij een Duitse gast van de man aanwezig is. De man is op dat moment niet thuis. Gelet op het feit dat dit op de datum van de beschikking al heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze afspraak in het dictum op te nemen.\n\nNu partijen overeenstemming hebben over het uitsluitend gebruik, zal de rechtbank dit vastleggen. Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij.\n\nVoorlopige partneralimentatie\n\nLotsverbondenheid\n\nDe man heeft verzocht om een voorlopige bijdrage aan partneralimentatie. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij is van mening dat de lotsverbondenheid, als grondslag van de onderhoudsverplichting, tussen partijen is verbroken vanwege grievend gedrag van de man. Dit bedrag bestaat uit intieme terreur, stalking, bedreigende berichten en ander grensoverschrijdend gedrag. Daarbij heeft de vrouw een eigen verklaring overgelegd, en ook verklaringen van haar therapeut en haar kinderen. De man betwist dat sprake is geweest van grievend gedrag. Hij erkent dat er een stopgesprek heeft plaatsgevonden bij de politie naar aanleiding van zijn berichten, maar wijt dit aan de emoties rondom het verbreken van de relatie. De man ontkent de door de vrouw beschreven gedragingen tijdens het huwelijk stellig. Volgens hem moeten zijn berichten anders geïnterpreteerd worden: niet als een bedreiging, maar als hoop op herstel van de relatie.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat artikel 1:156 Burgerlijk Wetboek (BW) het uitgangspunt is bij de beantwoording van de vraag of aan de (gewezen) echtgenoot een uitkering voor het levensonderhoud moet worden toegekend. Daar kan van worden afgeweken als de redelijkheid en billijkheid daar om vraagt, waarbij rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder vallen ook niet-financiële omstandigheden, zoals grievend gedrag van de echtgenoot die om een onderhoudsbijdrage verzoekt. Er kan sprake zijn van grievend gedrag van een zodanige aard dat van een (gewezen) echtgenoot in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd aan het levensonderhoud van de ander bij te dragen. De lotsverbondenheid die door het huwelijk is ontstaan en ook na de beëindiging van het huwelijk doorwerkt, kan in zo'n situatie niet langer gelden als grondslag voor de onderhoudsverplichting.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de man de inhoud van de door de vrouw overgelegde verklaringen van haar jong-meerderjarige kinderen heeft betwist, ziet de rechtbank in beginsel geen aanleiding om aan de feitelijke en zeer gedetailleerde beschrijvingen hierin te twijfelen. De rechtbank kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de man zich gedurende langere tijd zeer onaangenaam heeft gedragen. De rechter kan echter niet vaststellen dat het gedrag van dien aard is geweest dat in het kader van deze voorlopige voorzieningen-procedure kan worden geconcludeerd dat de lotsverbondenheid hierdoor is verbroken. In een bodemprocedure zal hier wellicht meer onderzoek naar gedaan kunnen worden.\n\nDe rechtbank zal het verzoek om een voorlopige partneralimentatie daarom hierna inhoudelijk beoordelen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nBij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.\n\nDaarbij merkt de rechtbank vooraf ook op dat bij de vaststelling van alimentatie de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, opgenomen in het Rapport alimentatienormen zoveel mogelijk als uitgangspunt worden genomen. Zoals in het navolgende zal blijken, is in dit geval echter sprake van een atypische situatie, omdat de vrouw werkzaam is voor de NAVO, een internationale organisatie. Zij is daardoor niet belastingplichtig in Nederland, waardoor steeds gerekend zal worden met netto bedragen. Verder is ook haar inkomen en de daarbij komende toelagen anders opgebouwd dan gebruikelijk, zodat de rechtbank in dit specifieke geval aanleiding ziet om op bepaalde onderdelen af te wijken van voornoemde aanbevelingen om tot een bijdrage in het levensonderhoud te komen die aansluit op de feitelijke situatie van partijen.\n\nIngangsdatum\n\nOm proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de voorlopige partneralimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat de vrouw in de afgelopen periode de hypotheeklasten van de woning heeft betaald en de man kennelijk in staat is geweest om in zijn levensonderhoud te voorzien.\n\nBehoefte en aanvullende behoefte\n\nDe rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de man berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. De man had ten tijde van het huwelijk geen inkomen. Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank uit van het inkomen dat zij verdient bij de NAVO. Daarbij gaat de rechtbank uit van haar netto-inkomen, nu zij door haar baan bij een internationale organisatie in Nederland niet belastingplichtig is.\n\nDe rechtbank neemt daarbij haar loonstrook van december 2025 als uitgangspunt. Hieruit volgt:\n\neen basissalaris van € 10.773,- per maand;\n\neen expatriation allowance van € 1.025,- per maand;\n\neen basic family allowance van € 653,- per maand.\n\nPartijen zijn het erover eens dat de ‘child allowance’ niet zal worden meegenomen, omdat dit een toelage betreft voor de meerderjarige kinderen van de vrouw. Rekening houdend met de inhoudingen op het loon van in totaal € 1.513,- per maand is haar netto-inkomen € 10.937,- per maand. Daarbij is de vergoeding voor benzinekosten buiten beschouwing gelaten.\n\nDe huwelijksgerelateerde behoefte van de man bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond\n\n€ 6.562,- netto per maand (60% van € 10.937,- per maand). Hierop moet het inkomen van de man in mindering worden gebracht. Omdat de man op dit moment geen inkomen heeft, is zijn aanvullende behoefte in beginsel gelijk aan de behoefte op basis van de hofnorm, aldus € 6.562,- netto per maand.\n\nDraagkracht\n\nDe rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit van een inkomen dat als volgt is opgebouwd:\n\neen basissalaris van € 10.773,- per maand;\n\neen expatriation allowance van € 1.025,- per maand;\n\neen single parent allowance van € 422,- per maand.\n\nDaarbij geldt ten aanzien van de laatstgenoemde toelage dat de rechtbank deze, anders dan door de vrouw betoogd, wel zal meenemen bij de berekening van het inkomen van de vrouw. Gebleken is dat de ‘single parent allowance’ na het verbreken van de relatie van partijen in de plaats komt van de ‘basic family allowance’. Het betreft daarmee geen aanvullende toelage ten behoeve van de kinderen. Voor hen ontvangt de vrouw de ‘child expatriation allowance’ en het ‘dependent child supplement’. Naar oordeel van de rechtbank moet het worden aangemerkt als een toelage voor extra kosten die een alleenstaande maakt. De vrouw heeft gesteld dat de ‘single parent allowance’ € 422,- per maand bedraagt. De man heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank hier van uitgaat. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw bedraagt, rekening houdend met dezelfde inhoudingen als bij de behoefte, dan € 9.863,- per maand.\n\nBij de berekening van de draagkracht van de vrouw neemt de rechtbank de volgende lasten in aanmerking:\n\nde werkelijke woonlasten van de vrouw;\n\nkosten van de kinderen.\n\nAd a)Gebleken is dat de vrouw op dit moment zowel de volledige hypotheeklasten van de echtelijke woning van € 2.123,- per maand voldoet als de huurlasten van haar tijdelijke woning van € 2.500,- per maand. Haar woonlasten zijn dus in totaal € 4.623,- per maand. Anders dan de man is de rechtbank met de vrouw van oordeel dat aanleiding bestaat om rekening te houden met haar werkelijke woonlasten, omdat deze aanmerkelijk hoger zijn dan op basis van het woonbudget van 30% van haar NBI (€ 2.959,- per maand).\n\nAd b)De vrouw heeft verder gesteld dat rekening moet worden gehouden met de kosten die zij draagt voor haar beide meerderjarige kinderen. Zij maakt aan hen ieder € 700,- per maand over en betaalt daarnaast losse kosten voor hen. In totaal betaalt de vrouw ongeveer € 1.100,- per maand per kind. De man betwist deze kosten. De kinderen van de vrouw zijn 21 en 23 jaar, zodat geen rekening meer moet worden gehouden met hun kosten. Uit de door de vrouw overgelegde toelichting volgt dat vanuit de NAVO rekening wordt gehouden met kosten van kinderen tot 22 jaar. De rechtbank zal daarom rekening houden met de kosten die de vrouw draagt voor het jongste kind van 21 jaar van € 700,- per maand, met aftrek van de toelages die zij voor dit kind ontvangt van € 522,- per maand. De aanvullende kosten zoals door de vrouw gesteld, laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat de vrouw deze kosten, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, niet heeft onderbouwd. De rechtbank zal daarom rekening houden met kosten van het jongste kind van € 177,- per maand.\n\nOp grond van het voorgaande, bedraagt de draagkrachtruimte van de vrouw € 3.875,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 2.325,- netto per maand. Daarop wordt het aandeel vrouw in de kosten van het jongste kind van € 175,- per maand in mindering gebracht. Hierna is € 2.150,- netto per maand nog beschikbaar voor partneralimentatie. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening.\n\nDe rechtbank zal het verzoek van de man tot een voorlopige bijdrage in zijn levensonderhoud toewijzen tot een bedrag van € 2.150,- netto per maand en afwijzen voor het overige.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nbepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van heden een voorlopige partneralimentatie van € 2.150,- netto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,\n\nverklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17378","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.587Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":82,"fullText":91,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":52,"updatedAt":93},"283","ECLI:NL:RBDHA:2026:17394","ecli-nl-rbdha-2026-17394","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-1934\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700299\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 25 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] , de vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S. Şeker te Den Haag.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. T. Kahya-Ekinci te Rijswijk.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift, van 25 februari 2026;\n\n- het F9-formulier met bijlagen, ingekomen op 12 mei 2026, van de vrouw;\n\n- het F9-formulier van 12 mei 2026, van de vrouw;\n\n- het F9-formulier van 12 mei 2026, van de man;\n\n- het F9-formulier van 13 mei 2026, van de vrouw;\n\n- het F9-formulier van 14 mei 2026, van de man.\n\n [minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.\n\nBlijkens de F9-formulieren van 12 mei 2026 en het F9-formulier van 13 mei 2026 hebben partijen overeenstemming bereikt. De rechtbank is verzocht de bereikte overeenstemming vast te leggen in een beschikking. De overige verzoeken zijn ingetrokken. Gelet hierop is afgezien van een behandeling op zitting.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2012 te [plaats 1] ( [land] ).\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ;\n\n- [minderjarige 2] , geboren [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] .\n\n- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.\n\n- Partijen bezitten de Poolse nationaliteit.\n\n-De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend; dat verzoek is onder zaak- en rekestnummer C\u002F09\u002F699940 FA RK 26-1708 in behandeling.Beoordeling\n\nPartijen hebben overeenstemming bereikt en zij hebben verzocht deze overeenstemming op te nemen in een beschikking, onder intrekking van hun andersluidende verzoeken.\n\nDe rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich daartegen verzet.\n Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n* bepaalt dat de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ;\n\n- [minderjarige 2] , geboren [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] .\n\naan de vrouw zullen worden toevertrouwd;\n\n * bepaalt dat voornoemde minderjarigen, vanaf de datum dat de man de echtelijke woning verlaat, voorlopig bij de man zijn:\n\n- de ene week van zaterdag 11.00 uur tot 18.00 uur;\n\n- de andere week van zondag 11.00 uur tot 18.00 uur;\n\n* bepaalt dat de vrouw per 26 juni 2026 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres] te [plaats 2] ;\n\n * bepaalt dat de man uiterlijk op 26 juni 2026 de echtelijke woning dient te verlaten, waarbij de man voor de maand mei 2026 en juni 2026 meebetaalt aan de helft van de kosten van de huur (van € 1.050,- in totaal, dus € 525,-) en aan Essent (van € 300,- in totaal, dus € 150,-), en dat de man de kosten voor de maand mei uiterlijk op 15 mei 2026 aan de vrouw voldoet en de kosten voor de maand juni op 29 mei 2026; indien de man de kosten niet op de afgesproken data voldoet, moet hij de echtelijke woning per direct verlaten;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw, vanaf de datum dat de man de echtelijke woning verlaat, dan wel met ingang van 26 juni 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van voornoemde minderjarigen (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van in totaal € 532,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n* verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n* wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17394","2026-07-13T00:28:22.549Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":82,"fullText":98,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":99,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":52,"updatedAt":100},"306","ECLI:NL:RBDHA:2026:17385","ecli-nl-rbdha-2026-17385","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2019\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700441\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 27 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw],\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. N. Bagci-Çiçek te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man],\n\nde man,\n\nwonende te op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. Sanger te Rotterdam.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens verzoekschrift.\n\nOp 13 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn op [datum] 2021 te [plaats 1] met elkaar gehuwd.\n\n- Op 5 februari 2026 heeft de man een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, bij de rechtbank bekend onder zaakkenmerk C\u002F09\u002F699137.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:\n\n- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 2.331,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van het verzoekschrift, te weten 27 februari 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n- althans een beschikking af te geven zoals de rechtbank in goede justitie mocht vermenen te behoren,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de man zelfstandig te bepalen dat:\n\n- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres], met het bevel dat de vrouw die woning verder niet mag betreden;\n\n- indien de rechtbank een bijdrage aan voorlopige partneralimentatie vaststelt, deze te bepalen op maximaal € 878,- bruto per maand, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen lager bedrag,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nUitsluitend gebruik echtelijke woning\n\nBeide partijen hebben verzocht het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning te verkrijgen voor de duur van de echtscheidingsprocedure.\n\nPartijen hebben op 27 juli 2025 afspraken gemaakt. Een van die afspraken was dat de man in de woning zou blijven. De broer van de vrouw heeft partijen geholpen om deze afspraken tot stand te brengen. Volgens de vrouw zijn deze afspraken echter onder dwang en druk tot stand gekomen. Zij wil terug naar de echtelijke woning, onder andere omdat zij in die omgeving haar sociale contacten heeft en psychologische behandeling krijgt. De vrouw stelt geen andere zelfstandige woonruimte te kunnen vinden in de omgeving. Zij heeft de afgelopen maanden bij familie en vrienden verbleven maar daar kan zij niet langer terecht. De man betwist dat de afspraken onder dwang of druk tot stand zijn gekomen. Hij verzoekt te bepalen dat het uitsluitend gebruik aan hem toekomt omdat hij niet over andere zelfstandige woonruimte beschikt en niet bij derden terecht kan.\n\nTussen partijen zijn afspraken vastgelegd, onder andere met betrekking tot de woning. De rechtbank gaat voorbij aan de stellingen van de vrouw dat deze afspraken onder druk tot stand zijn gekomen. Het lag op de weg van de vrouw om die stelling handen en voeten te geven maar zij heeft in het kader van deze procedure op geen enkele manier onderbouwd dat zij met de afspraken die zijn gemaakt op 27 juli 2025 onder druk heeft ingestemd. Bovendien is ook uitvoering gegeven aan de afspraken in die zin dat de vrouw de woning heeft verlaten, de man in de woning is gebleven en de man aan de vrouw een bedrag van € 5.500,- heeft betaald. De enkele omstandigheid dat zij enkele maanden later door de verhuurder weer is aangemerkt als medehuurder doet daar niet aan af. Een afweging van de belangen maakt dit niet anders. De vrouw heeft gesteld dat zij de afgelopen acht maanden bij familie en vrienden heeft verbleven in de omgeving van [plaats 3]. Zij reist nu voor haar psychologische behandeling vanuit die omgeving naar [plaats 2]. Daarnaast heeft zij op de zitting aangegeven dat zij deze behandeling ook op een andere plek kan volgen. De man verblijft momenteel in de echtelijke woning conform de door partijen gemaakte afspraken. De rechtbank ziet geen aanleiding daar nu verandering in te brengen en zal het verzoek van de vrouw afwijzen. Het verzoek van de man zal de rechtbank toewijzen en aan hem zal het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekennen voor de duur van echtscheidingsprocedure.\n\nVoorlopige partneralimentatie\n\nDe vrouw verzoekt een voorlopige partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.\n\nSpoedeisend belang\n\nDe vrouw heeft verzocht om een voorlopige partneralimentatie vast te stellen van € 2.331,- per maand.\n\nDe man heeft zich hiertegen verzet. Hij stelt dat de vrouw haar spoedeisend belang bij een dergelijke voorziening onvoldoende heeft onderbouwd. Ook heeft zij haar behoefte en haar aanvullende behoefte onvoldoende onderbouwd, aldus de man.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige partneralimentatie is, anders dan de man heeft aangegeven, gegrond op artikel 822 lid 1 sub e van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv). Dit artikel vereist niet dat een spoedeisend belang wordt aangetoond. De voorlopige voorzieningen op grond van artikel 822 Rv zijn wettelijk bedoeld als tijdelijke ordemaatregelen voor de duur van de echtscheidingsprocedure. De wetgever veronderstelt dat een spoedeisend belang aanwezig is, omdat partijen tijdens de scheidingsprocedure onmiddellijke duidelijkheid nodig hebben. Dit betekent dat de rechtbank voorbijgaat aan het primaire standpunt van de man en het verzoek van de vrouw inhoudelijk zal beoordelen.\n\nBehoefte\n\nDe vrouw heeft gesteld dat haar huwelijkse behoefte € 5.998,- netto per maand bedraagt. Zij heeft haar behoefte berekend aan de hand van de hofnorm. Primair betwist de man dat de vrouw behoeftig is, subsidiair berekent hij haar behoefte op € 4.348,- netto per maand.\n\nDe rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. Voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk, op het moment van feitelijk uiteengaan, worden bepaald.\n\nNBI man\n\nHet NBI van de man wordt berekend aan de hand van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023, 2024 en 2025. Deze gemiddelde winst uit onderneming bedraagt afgerond € 72.916,- bruto per jaar, gebaseerd op de door de man overgelegde aangiften Inkomstenbelasting van 2023 en 2024 en de prognose van 2025. Ook ten aanzien van zijn inkomen uit loon zal de rechtbank uitgaan van het gemiddelde van deze drie jaren. In 2023 had de man een inkomen uit loon van € 19.438,- bruto per jaar, in 2024 bedroeg dit € 3.872,- en van 2025 heeft de man op de zitting onbetwist gesteld dat dit circa € 6.000,- bruto bedroeg. Het gemiddelde inkomen uit loon van de man berekent de rechtbank daarmee op € 9.770,- bruto per jaar.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 4.670,- per maand.\n\nNBI vrouw\n\nVoor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de door haar overgelegde loonstroken van 2025, waaruit een brutoloon volgt van afgerond € 2.612,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:\n\nde pensioenpremie van afgerond € 120,- per maand;\n\nde premie AOP van afgerond € 2,- per maand;\n\nde premie PAWW van afgerond € 5,- per maand.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.410,- per maand.\n\nDe rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen op € 7.080,- per maand (€ 4.670 + € 2.410). De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 4.248,- netto per maand (60% van € 7.080,- per maand). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 4.443,- per maand.\n\nAanvullende behoefte vrouw\n\nOp de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 4.443,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het bruto-inkomen van de vrouw is in 2026 toegenomen naar afgerond € 2.733,- per maand. Dit volgt uit de door haar overgelegde loonstroken van januari en februari 2026. De rechtbank zal ook hier rekening houden met 8% vakantietoeslag.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:\n\nde pensioenpremie van afgerond € 136,- per maand;\n\nde premie AOP van afgerond € 3,- per maand;\n\nde premie PAWW van afgerond € 3,- per maand.\n\nOp basis hiervan berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 2.498,- per maand.\n\nDe man heeft aangevoerd dat voor de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw moet worden afgeweken van het woonbudget van 30% en dat voor de vrouw geen rekening moet worden gehouden met woonlasten. Zij woont immers nu in bij familie. De vrouw heeft dit betwist, haar woonlasten zijn niet nihil. Zij draagt bij in de woonkosten bij haar familie. Bovendien is zij opzoek naar een woning en hiervoor is ook het woonbudget bedoeld.\n\nDe rechtbank zal rekening houden met het gebruikelijke woonbudget van 30% van het NBI. In het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om hiervan af te wijken. De man heeft zijn stellingen dat niet gerekend moet worden met woonlasten onvoldoende onderbouwd.\n\nHet voorgaande leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.945,- netto per maand (€ 4.443 -\u002F- € 2.498). Dat is € 3.780,- bruto per maand.\n\nDraagkracht man\n\nOp basis van de inkomensgegevens van de man bij de berekening van de huwelijkse behoefte in 2025 berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.693,- per maand.\n\nOmdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)] toepassen.\n\nDe man heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met zijn maandelijkse aflossing van € 129,- voor zijn studieschuld. De vrouw heeft dit betwist en stelt dat deze schuld al lange tijd afgelost had kunnen zijn. Een last wordt niet meegenomen in de berekening van alimentatie wanneer deze vermijdbaar en\u002Fof verwijtbaar is. Van een vermijdbare last is sprake als de betaler zich geheel of gedeeltelijk van deze last kan bevrijden, bijvoorbeeld als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen of de maandelijkse aflossingen kan verlagen. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt niet dat dit voor de man mogelijk is. Ook is de rechtbank van oordeel dat de last niet verwijtbaar is. Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onderhoudsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan. Dat daarvan sprake is, is niet gebleken. De rechtbank houdt er daarom rekening mee in de berekening van de draagkracht van de man.\n\nHieruit volgt een draagkracht van de man van € 1.075,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,- + € 129,-)]). Gebruteerd komt dit neer op € 1.721,- per maand.\n\nInkomensvergelijking\n\nOm te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man gehouden zou zijn een hoger bedrag te betalen dan zijn draagkracht toelaat, namelijk € 1.918,- bruto per maand. De rechtbank zal daarom de voorlopige alimentatie vaststellen gelijk aan zijn bruto draagkracht van € 1.721,- per maand.\n\nIngangsdatum\n\nDe vrouw heeft verzocht de voorlopige alimentatie vast te stellen per datum indiening verzoekschrift. De man heeft hier geen verweer tegen gevoerd. De rechtbank komt deze ingangsdatum ook redelijk voor, omdat de man vanaf dit moment rekening heeft kunnen houden met een voorlopige bijdrage aan partneralimentatie. De rechtbank zal daarom de datum van het verzoekschrift als ingangsdatum hanteren.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning verder niet mag betreden;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van het verzoekschrift voorlopig een partneralimentatie van € 1.721,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17385","2026-07-13T00:28:23.652Z",{"id":102,"ecli":103,"slug":104,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":105,"fullText":106,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":108,"parsedAt":52,"updatedAt":109},"1674","ECLI:NL:RBDHA:2026:17241","ecli-nl-rbdha-2026-17241","2026-05-26T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-4591 (bodem), FA RK 26-386 (223 Rv)\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F687116 (bodem), C\u002F09\u002F697735 (223 Rv)\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026\n\nGezag, hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, dwangsom en kinderalimentatie\n\nBeschikkingop de op 16 juni 2025 en op 12 januari 2026 ingekomen verzoeken van:\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. Neermawatie Nandoe te Voorburg.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam.\n\nAls informant wordt aangemerkt:\n\nStichting Samen Veilig Midden-Nederland,\n\nde gecertificeerde instelling.\n\nProcedure\n\nBij vonnis van 3 juli 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591 te rapporteren en te adviseren.\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;\n\nhet verweer tegen het zelfstandig verzoek;\n\nde F9-formulieren van de moeder van 27 januari 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de vader van 29 januari 2026, met bijlage;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 3 februari 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de vader van 19 maart 2026;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 25 maart 2026;\n\nhet rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming te ’s-Gravenhage (hierna te noemen: de Raad) d.d. 26 maart 2026, kenmerk KZ-1-67GSR8L;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 17 april 2026, met bijlagen;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 20 april 2026, met bijlagen;\n\nhet e-mailbericht van de vader van 20 april 2026, met bijlagen.\n\nDe rechtbank heeft geen kennis genomen van de F9-formulieren van partijen van 23 april 2026, aangezien deze te laat zijn ingediend.\n\nIn de voorlopige voorzieningenprocedure met (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 20 april 2026, met bijlagen.\n\nDe rechtbank heeft geen kennis genomen van het F9-formulier van de moeder van 23 april 2026, aangezien deze te laat is ingediend.\n\nOp 24 april 2026 heeft op de zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel het verzoek in de bodemprocedure als het verzoek tot voorlopige voorzieningen. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;\n\n [naam 3] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nVan de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.\n\nVerzoek en verweer\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nDe moeder verzoekt, na aanvulling en wijziging:\n\nde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te bepalen;\n\neen zorgregeling te bepalen, inhoudende dat:\n\n- [minderjarige] bij de moeder zal zijn iedere dinsdag van 09.00 uur tot zaterdag 17.00 uur en dat de overdracht plaatsvindt in de McDonalds te [plaats 1] , dan wel dat [minderjarige] bij de moeder zal zijn iedere donderdag van 09.00 uur tot dinsdag 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt bij de [instantie] kantoorlocatie [plaats 2] , en;\n\n- naar verloop van deze regeling deze eventueel uit te breiden, in die zin dat [minderjarige] in de even weken bij haar moeder zal verblijven en in de oneven weken bij haar vader, waarbij als wisselmoment zal gelden de zondagmiddag om 18.00 uur in de McDonalds te [plaats 1] ;\n\n onder verbeurte van een dwangsom van € 1000,- per keer\u002Fper overtreding;\n\n- met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie op € 250,- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans indien uit de berekening een lager bedrag volgt dit lagere bedrag met ingang van de datum van de beschikking, althans op zodanig bedrag en met zodanige ingangsdatum als de rechtbank juist acht;\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt:\n\nde vader met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten;\n\nde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen;\n\nmet ingang van [geboortedatum] 2025 de door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie op € 250,- per maand te bepalen, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.\n\nIn de voorlopige voorzieningenprocedure (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nDe moeder verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de bodemprocedure te bepalen dat:\n\neen voorlopige zorgregeling zal gelden inhoudende dat [minderjarige] bij haar moeder zal zijn iedere dinsdag van 09.00 uur tot zaterdag 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt in de McDonalds te [plaats 1] , althans een zodanige voorlopige zorgregeling als de rechtbank juist acht;\n\n [minderjarige] voorlopig aan de moeder wordt toevertrouwd en dat haar voorlopige hoofdverblijfplaats bij de moeder zal zijn;\n\nde vader gehouden is zijn volledige medewerking hierin te verlenen, onder bepaling dat bij niet-nakoming een dwangsom wordt opgelegd van € 2.000,- per dag of dagdeel dat de vader in gebreke blijft;\n\nde vader wordt veroordeeld in de kosten van het incident;\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] .\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\nBij vonnis van 3 juli 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is [minderjarige] aan de vader toe vertrouwd.\n\nBij beschikking van 31 december 2025 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 31 december 2025 tot 14 januari 2026 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.\n\n- Bij beschikking van 13 januari 2026 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 13 januari 2026 tot 31 maart 2026 en is de voorlopige zorgregeling gewijzigd, in die zin dat de regie over de zorgregeling voortaan toekomt aan de gecertificeerde instelling, waaronder begrepen:\n\n- de frequentie van de omgang;\n\n- de locatie van de omgang en de overdracht;\n\n- de wijze van begeleiding en overdracht.\n\n- Bij beschikking van 30 maart 2026 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 30 maart 2027.\n\nBeoordeling\n\nRelatieve bevoegdheid\n\nOp grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats van de minderjarige. Volgens artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt de minderjarige de woonplaats van degene die het gezag over hem uitoefent. Indien sprake is van gezamenlijk gezag, dan volgt de minderjarige de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.\n\nDe rechtbank stelt vast dat in deze zaak de vader en de moeder gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag. [minderjarige] verblijft op dit moment feitelijk bij de vader in de [gemeente], zodat dat haar woonplaats is. Gelet hierop is de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bevoegd om over deze verzoeken te beslissen.\n\nOp grond van artikel 270 lid 1 Rv verwijst de rechter de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de bevoegde rechter. Echter, verwijzing als bedoeld in dit lid vindt niet plaats indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen.\n\nTijdens de zitting hebben de vader en de moeder aangegeven dat zij geen verwijzing wensen. De rechtbank zal daarom overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken.\n\nIn de voorlopige voorzieningenprocedure (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nOp grond van het eerste lid van artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.\n\nOntvankelijkheid\n\nDe vader stelt zich op het standpunt dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen, aangezien de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bij beschikking van 13 januari 2026 al heeft beslist over de voorlopige zorgregeling.\n\nDe rechtbank overweegt dat het feit dat door een andere rechtbank al een beslissing is genomen over de voorlopige zorgregeling niet maakt dat daarvan geen wijziging kan worden verzocht in de onderhavige procedure. De rechtbank zal de moeder daarom ontvankelijk verklaren in haar verzoek en zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nOmdat de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.\n\nProceskosten\n\nGelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nGezag, hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en dwangsom\n\nStandpunt moeder\n\nDe moeder wil dat de voorlopige zorgregeling wordt uitgebreid, zodat [minderjarige] iedere dinsdag tot zaterdag, dan wel iedere donderdag tot dinsdag bij haar verblijft. Na verloop van tijd zou deze regeling kunnen worden uitgebreid naar een week-op-week-af-regeling. Volgens de moeder bestaan er geen contra-indicaties voor het vaststellen van deze zorgregeling. De afgelopen periode is weliswaar onrustig geweest, maar de moeder wil geen strijd meer voeren met de vader en wil kijken naar de toekomst. Er moet worden ingezet op parallel solo ouderschap. Dat maakt ook dat eenhoofdig gezag niet nodig is. Het opleggen van een dwangsom kan helpend zijn als stok achter de deur voor maximale inzet van beide ouders bij het uitvoeren van de zorgregeling. De moeder stelt zich verder op het standpunt dat de definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats moet worden aangehouden, zolang er geen definitieve beslissing over de zorgregeling is genomen.\n\nOp de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij zich in afwachting van het NIKA-traject kan neerleggen bij de huidige voorlopige zorgregeling, waarbij [minderjarige] twee keer per week gedurende acht uur bij haar verblijft. Zij zou echter graag zien dat hierin een overnachting wordt bepaald. Zij haalt [minderjarige] op dit moment om 09.00 uur op bij het kantoor van de gecertificeerde instelling en brengt haar rond 16.30 uur terug. Vanwege de reistijd is de moeder hierdoor maar een paar uur met [minderjarige] bij haar thuis. Dit is belastend voor [minderjarige] .\n\nEr zijn volgens de moeder geen contra-indicaties voor een overnachting bij haar. De eerdere emotionele uitbarstingen van de moeder moeten in het licht worden gezien van de plotselinge contactbreuk tussen de moeder en [minderjarige] . Bovendien werd de moeder niet goed geïnformeerd door de Raad en de gecertificeerde instelling. Inmiddels is er meer duidelijkheid en daarmee ook meer rust voor de moeder gekomen. Daarnaast heeft zij aan zichzelf gewerkt door gesprekken met de praktijkondersteuner van haar huisarts en een psycholoog.\n\nStandpunt vader\n\nDe vader vindt het van belang dat de huidige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling doorloopt in afwachting van het NIKA-traject. De lange wachttijd voor dit traject is niet wenselijk, omdat de moeder en [minderjarige] recht hebben op contact met elkaar. Voor nu is het echter nodig dat de voorspelbaarheid en veiligheid voor [minderjarige] geborgd blijft. Wat de vader betreft is het daarom nog te vroeg voor een overnachting van [minderjarige] bij de moeder. Hij ziet dat de moeder momenteel stabieler blijkt, maar heeft ervaren dat zij veel moeite heeft om haar emoties te beheersen. Ook heeft de vader zorgen over het drugsgebruik van de moeder. De door de vader overgelegde beeld- en geluidsopnames illustreren dit. Onder deze omstandigheden is een overnachting van [minderjarige] bij de moeder nog niet aan de orde. De vader ziet ook niet dat [minderjarige] vermoeid is door de lange reistijd als zij bij haar moeder is geweest. Verder herkent hij zich niet in het feit dat de Raad en de gecertificeerde instelling onvoldoende met de ouders hebben gecommuniceerd. De vader ervaart de samenwerking met de betrokken instanties als prettig. Hij is bereid volledig mee te werken aan de voorlopige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling. Er is dan ook geen aanleiding om een dwangsom op te leggen.\n\nDe vader is het daarnaast eens met het advies van de Raad dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt bepaald. Zij groeit sinds haar geboorte op bij de vader en er zijn geen zorgen over zijn thuissituatie. Ook verzoekt de vader om hem met het eenhoofdig gezag te belasten, zodat hij in staat is om de voor [minderjarige] belangrijke beslissingen te kunnen nemen.\n\nHet advies van de Raad\n\nDe Raad adviseert om de beslissing omtrent de beslissing over de zorgregeling aan te houden voor de duur van zes maanden. De Raad is van mening dat de gecertificeerde instelling binnen de ondertoezichtstelling kan onderzoeken welke mogelijkheden er bij de ouders zijn, om (eventueel met hulpverlening) te komen tot uitbreiding van de zorgregeling en een veilige overdracht van [minderjarige] . Het inzetten van een NIKA-traject kan helpend zijn om meer zicht te krijgen op de interactie tussen [minderjarige] en haar ouders en de leerbaarheid van ouders.\n\nDe gecertificeerde instelling heeft de Raad in het kader van het raadsonderzoek verzocht om\n\nonderzoek te doen naar de inzet van de MASIC, maar de Raad twijfelt of er voldoende emotionele draagkracht bij moeder is om een intensief MASIC-gesprek aan te kunnen en of dit bijdraagt aan verbetering van de situatie van [minderjarige] .\n\nVerder adviseert de Raad om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen. [minderjarige] woont al vanaf haar geboorte in de woning van de vader en ervaart dit als een vertrouwde en veilige plek. Er zijn geen zorgen geconstateerd die maken dat wijziging van de hoofdverblijfplaats in haar belang is.\n\nInformatie vanuit de gecertificeerde instelling\n\nSinds begin maart 2026 verblijft [minderjarige] twee dagen, van 09.00 uur tot 16.30 uur, bij de moeder. De overdracht vindt plaats op het kantoor van de gecertificeerde instelling, waarbij de jeugdbeschermer [minderjarige] van de ene naar de andere ouder brengt. De gecertificeerde instelling heeft de ouders aangemeld voor een NIKA-traject om meer zicht te krijgen op de hechting tussen [minderjarige] en de ouders. Daarbij is aan de uitvoerende hulpverleningsinstantie verzocht om beslisdiagnostiek uit te voeren en een standpunt in te nemen over de (uitbreiding van de) zorgregeling en eventueel noodzakelijke hulpverlening. De verwachte wachttijd bedraagt acht maanden. Daarom is de gecertificeerde instelling ook nog op zoek naar andere aanbieders van dit traject. Verder is met beide ouders gesproken over de inzet van de MASIC om een advies te krijgen over de vraag of de ouders in de toekomst (door middel van interventies) toch weer in staat zouden kunnen zijn om het ouderschap gezamenlijk uit te voeren.\n\n [minderjarige] heeft in haar jonge leven al veel meegemaakt. Daarom moet er zorgvuldig worden omgegaan met de uitbreiding van de zorgregeling. Gelet hierop is de gecertificeerde instelling is van mening dat er op dit moment geen ruimte is voor uitbreiding van de zorgregeling, waaronder een overnachting, vooruitlopend op het NIKA-traject. Als in de tussentijd toch blijkt dat die ruimte er wel is, zal de gecertificeerde instelling overgaan tot uitbreiding van de voorlopige zorgregeling. De gecertificeerde instelling ziet daarnaast het liefst dat de beslissing omtrent de definitieve zorgregeling wordt aangehouden voor de duur van een jaar, zodat de focus komt te liggen op behandeling en interventie in plaats van een naderende zitting.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat er uit de stukken en op de zitting geen zorgen naar voren zijn gekomen over de (thuis)situatie bij de vader. Uit het rapport van de Raad en hetgeen de gecertificeerde instelling ter zitting heeft verteld, komen wel meerdere zorgen over de situatie bij de moeder naar voren. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de door de vader overgelegde beeld- en geluidsopnames ook de nodige zorgen oproepen. Hieruit komt een beeld naar voren van een moeder die op momenten geen controle heeft over haar emoties. Hierdoor zijn er hoogoplopende conflicten ontstaan tussen de ouders tijdens de overdracht van [minderjarige] bij de McDonalds in [plaats 1] , waar de politie op een melding van de moeder over wapenbezit bij de vader is afgekomen, terwijl dit loos alarm bleek. In een andere geluidsopname van een gesprek van de moeder met de zus van de vader is een lange monoloog van de moeder te horen waarbij het gedrag van de moeder volledig ontspoort. Daarnaast heeft de vader zorgen geuit over het blowen van de moeder in het bijzijn van [minderjarige] , maar ook in het bijzijn van haar oudste dochter. De door de vader overgelegde geluidsopnames lijken die zorgen te bevestigen.\n\n Op de zitting heeft de moeder verteld dat zij hulp voor zichzelf heeft ingeschakeld in de vorm van een praktijkondersteuner van de huisarts en een psycholoog teneinde haar emoties beter in beeld te krijgen en tips te krijgen hoe om te gaan met de situatie. Zij lijkt nu meer controle te hebben over haar emoties en daarmee lijkt een positieve lijn te zijn ingezet.\n\nTegelijkertijd zijn de genoemde zorgen op dit moment nog niet weggenomen. Hoewel de rechtbank de wenselijkheid van een overnachting van [minderjarige] bij de moeder op zichzelf begrijpt en ziet, is het naar het oordeel van de rechtbank nu nog te vroeg voor een overnachting. De rechtbank zal daarom het advies van de Raad volgen waarbij het contact tussen de moeder en [minderjarige] voorlopig plaatsvindt onder regie van de gecertificeerde instelling. Daarbij zal [minderjarige] gedurende twee dagen in de week bij de moeder verblijven en de overdracht zal plaatsvinden op het kantoor van de gecertificeerde instelling. Op het moment dat de gecertificeerde instelling voldoende vertrouwen heeft dat deze positieve ontwikkeling zich doorzet en dat een overnachting op een veilige en verantwoorde wijze mogelijk is, vertrouwt de rechtbank erop dat de gecertificeerde instelling hierop zal inzetten.\n\nDe rechtbank zal daarom een voorlopige zorgregeling bepalen die inhoudt dat de regie bij de gecertificeerde instelling ligt en een definitieve beslissing over de zorgregeling aanhouden, in afwachting van het verdere verloop van de ondertoezichtstelling en het NIKA-traject. Het is van belang dat er voldoende tijd en rust is om aan verdere verbetering van de situatie te werken, maar de rechtbank wil ook een vinger aan de pols houden om te waarborgen dat geen onnodige vertraging plaatsvindt. Het is dan ook van belang dat de gecertificeerde instelling voortvarend aan de slag gaat en overgaat tot uitbreiding van de zorgregeling, zodra dat in haar visie veilig en verantwoord is. Het belang van [minderjarige] dient hierbij te allen tijde voorop te staan. De rechtbank zal de definitieve beslissing over de zorgregeling daarom aanhouden tot 15 december 2026 pro forma.\n\nDe rechtbank zal daarnaast de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voorlopigbij de vader bepalen en de beslissing over de definitieve hoofdverblijfplaats ook aanhouden tot 1 december 2026 pro forma.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is het onder deze omstandigheden nog te vroeg om een beslissing over het gezag te nemen, zodat ook deze beslissing wordt aangehouden tot bovengenoemde pro formadatum.\n\nDe rechtbank ziet tot slot geen aanleiding om een dwangsom op te leggen, aangezien beide ouders hebben aangegeven dat zij willen meewerken aan de voorlopige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling. De rechtbank zal dit verzoek van de moeder daarom afwijzen.\n\nKinderalimentatie\n\nDe vader en de moeder hebben geen van beiden een standpunt ingenomen over de hoogte van de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van partijen. Ook hebben zij geen van beiden financiële gegevens overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zij daarmee allebei niet voldaan aan de stelplicht, zodat de verzoeken tot alimentatie over en weer zullen worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\nAangezien de rechtbank een definitieve beslissing over het gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorg-\u002Fomgangsregeling zal aanhouden, zal zij ook de beslissing over de proceskosten aanhouden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nbepaalt dat de minderjarige:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [plaats 2] ;\n\nvoorlopigde hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;\n\nbepaalt dat de regie over de voorlopigezorgregeling tussen de moeder en [minderjarige]\n\ntoekomt aan de gecertificeerde instelling, waaronder begrepen de frequentie van het contact, de locatie van het contact en de overdracht, en de wijze van begeleiding en overdracht. Daarbij geldt als minimale regeling de huidige regeling waarbij [minderjarige] op twee dagen in de week van 9.00 tot 16.30 uur bij de moeder verblijft (zonder overnachting). Alleen bij zwaarwegende contra-indicaties kunnen deze frequentie en duur worden ingeperkt;\n\nverklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het verzoek van de moeder tot het opleggen van een dwangsom;\n\nwijst af de verzoeken van de vader en de moeder om een kinderalimentatie te bepalen;\n\nhoudt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en de proceskostenaan tot1 december 2026 pro forma;\n\nin de voorlopige voorzieningenprocedure (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nwijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17241","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.864Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":44,"courtId":114,"decisionDate":115,"fullText":116,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":117,"sourceTimestamp":118,"parsedAt":52,"updatedAt":119},"592","ECLI:NL:RBZWB:2026:5446","ecli-nl-rbzwb-2026-5446",64,"2026-05-21T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F434734 FA RK 25-2152 (echtscheiding) en C\u002F02\u002F440296 FA RK 25-5006 (verdeling)\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking betreffende echtscheiding met nevenvoorzieningen\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. J.B. de Bree,\n\nen\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. M.M.H.B. Stoffels.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 25 april 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;\n\n- het op 1 augustus 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- het op 1 september 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- de brief van mr. De Bree van 3 april 2026, tevens houdende wijziging van het verzoek, met bijlagen.\n\n- de brief van mr. Stoffels van 7 april 2026, tevens houdende wijziging verzoek, met bijlagen.\n\n1.2 De behandeling van de zaak stond gepland op de zitting van 16 april 2026. Vanwege de onaangekondigde afwezigheid van de advocaat van de man is de zaak op die zitting niet inhoudelijk behandeld en is besloten om de behandeling aan te houden tot een nadere zitting. Deze zitting is bepaald op 7 mei 2026. Op die zitting is de zaak inhoudelijk behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.\n\n1.3 Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek.Zij hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en hebben een kindgesprek gehad met de kinderrechter op 14 april 2026.2. De feiten\n\n2.1. Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- zij zijn op 20 juni 2007 in de gemeente Moerdijk met elkaar gehuwd in wettelijke algehele gemeenschap van goederen;\n\n- uit hun huwelijk is het volgende, nu jong-meerderjarige kind geboren:\n\n1. [meerderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008;\n\n- uit hun huwelijk zijn verder de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:\n\n2. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2009;\n\n3. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2010;\n\n- zij hebben de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. \n\nDe vrouw verzoekt:\n\nI. echtscheiding;\n\nII. te bepalen dat [minderjarige 1] en, naar de rechtbank begrijpt, [minderjarige 2] hun hoofdverblijf hebben bij de man;\n\nIII. te bepalen dat het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] hersteld dient te worden en dat partijen hiervoor worden verwezen naar een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulp Aanbod (UHA);\n\nIII. vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) waarbij [minderjarige 2] om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten bij de vrouw verblijft;\n\nIV. vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] van € 285,= per maand met ingang van 1 juli 2025, dan wel de datum van indiening van het aanvullende verzoek tot en met 31 december 2025;\n\nV. vaststelling van een door haar aan de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] van € 17,= per maand met ingang van 1 juli 2025, dan wel de datum van indiening van het aanvullende verzoek;\n\nVI. te bepalen dat beide partijen recht hebben op de helft van de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire schuld en de betaling van de kosten van verkoop;\n\nVIII. te bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 35,= in verband met de verkoop van de caravan.\n\n3.2. \n\nDe man verzoekt:\n\nI. echtscheiding;\n\nII. bepaling dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hun hoofdverblijf hebben bij de man;\n\nIII. vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige 2] ;\n\nIV. bepaling dat geen zorgregeling wordt opgestart tussen de vrouw en [minderjarige 1] ;\n\nV. vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 25,= per maand per kind met ingang van 1 januari 2026, dan wel met ingang van zodanige datum en zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;\n\nVI. de verdeling van de gemeenschap te gelasten met inachtneming van hetgeen de man in de brief van 7 april 2026 heeft opgemerkt over verdeling van gemeenschappelijke tegoeden en schulden;\n\nVII. te bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van de caravan aan de man zal voldoen.\n\n3.3. Ter zitting heeft de man zijn in de brief van 7 april 2026 gedane verzoek te bepalen dat de vrouw zo spoedig mogelijk haar medewerking verleent aan het transport van de echtelijke woning op naam van een derde, met een daaraan verbonden dwangsom, ingetrokken.\n\n4. De beoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntvankelijkheid4.1. Uit artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. Geen van beide partijen heeft een ouderschapsplan ingediend. Dit kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van partijen in hun echtscheidingsverzoeken.4.2. De rechtbank is van oordeel dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken tot echtscheiding, ook al ontbreekt een ouderschapsplan. De verhouding tussen hen is zodanig verstoord dat zij er lange tijd niet in zijn geslaagd om in gezamenlijkheid afspraken te maken over de kinderen. Gebleken is dat partijen het inmiddels op hoofdlijnen eens zijn over het hoofdverblijf van de kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie.\n\nInhoudelijke beoordeling4.3. Tussen partijen staat vast dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als op de wet gegrond en onweersproken toewijzen.\n\nHoofdverblijf\n\n4.4. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de man moet worden bepaald. De rechtbank acht dit ook in het belang van de kinderen. Dit stemt tevens overeen met de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zoals is gebleken in het gesprek met de kinderrechter. De rechtbank zal de verzoeken van partijen die zien op het hoofdverblijf van de kinderen daarom toewijzen.\n\nZorgregeling\n\n [minderjarige 1]4.5. De vrouw legt aan haar verzoek gericht op contactherstel tussen haar en [minderjarige 1] door middel van inzet van hulverlening, het volgende ten grondslag. Het contact tussen haar en [minderjarige 1] is inmiddels al geruime tijd verbroken. De man heeft geen stimulerende rol in het contactherstel en het lukt partijen dus niet, zonder hulpverlening, om het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] te herstellen. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat inmiddels een jaar is verstreken sinds indiening van dit verzoek. Zij begrijpt dat [minderjarige 1] niet gedwongen kan worden om een hulpverleningstraject aan te gaan om het contact te herstellen. De vrouw mist [minderjarige 1] ontzettend en zou het heel fijn vinden als er in ieder geval nog een gesprek tussen hen plaats kan vinden, zodat zowel de vrouw als [minderjarige 1] nog een keer hun verhaal kan doen bij de ander. De vrouw heeft benadrukt dat haar deur altijd openstaat voor [minderjarige 1] .\n\n4.6. De man stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen en verzoekt te bepalen dat geen zorgregeling wordt opgestart tussen de vrouw en [minderjarige 1] . Ter zitting heeft hij toegelicht dat [minderjarige 1] écht geen contact wil met de vrouw. Hij heeft hierover met [minderjarige 1] gesproken, maar kan haar niet op andere gedachten brengen. [minderjarige 1] heeft een opvatting over haar moeder waardoor zij geen contact met haar wil, en de man kan die opvatting ook begrijpen.\n\n4.7. \n\nDe rechtbank is zowel uit de toelichting van partijen ter zitting als het gesprek met [minderjarige 1] gebleken dat zij geen contact wil met haar moeder. Zij is heel resoluut in haar beslissing om het contact met haar moeder te verbreken, maar ook in haar weigering om nog een keer in gesprek te gaan met haar moeder en eventuele hulpverlening te aanvaarden die haar verder kan helpen in hoe zij om moet gaan met dit contactverlies. De ernstige bezwaren van [minderjarige 1] tegen contact met de vrouw zijn een contra-indicatie voor het opleggen van contact. De rechtbank vreest ook dat verwijzing naar een hulpverleningstraject, tegen de wens van [minderjarige 1] in, de weerstand van [minderjarige 1] alleen maar zal vergroten. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen. De rechtbank heeft wel grote zorgen over de wijze waarop door zowel [minderjarige 1] , als in het gehele familiesysteem waarvan [minderjarige 1] deel uitmaakt, wordt omgegaan met conflicten. Conflicten resulteren in resolute afwijzing en verwijdering van de ander, getuige ook het ontbreken van iedere vorm van contact tussen oudste dochter [meerderjarige] en haar moeder en inmiddels, na een conflict wegens het wegdoen van de honden, ook haar vader. Ook is de rechtbank van oordeel dat alle kinderen van partijen zwaar belast zijn door en als gevolg van de echtscheidingsstrijd die tussen hun ouders woedt. Daar komt voor [minderjarige 1] bij dat het noodgedwongen moeten verlaten van de voor haar vertrouwende (woon- en sociale) omgeving, haar bijzonder zwaar valt.\n\nOp beide ouders rust de inspanningsverplichting om die strijd bij de kinderen weg te houden en om de (belangen van de) kinderen niet uit het oog te verliezen.\n\nDe rechtbank acht het zinvol dat [minderjarige 1] en haar moeder in ieder geval nog eenmaal met elkaar in gesprek gaan, zodat zowel [minderjarige 1] als haar moeder aan elkaar hun verhaal kunnen doen en het verhaal van de ander aan kunnen horen, zonder dat het doel van dat gesprek is tot een blijvend contactherstel te komen. Zo’n gesprek zou hen beiden verder kunnen helpen in de verwerking van de gebeurtenissen rondom de echtscheiding van partijen en het contactverlies tussen hen. Bij dat gesprek kan [minderjarige 1] eventueel worden bijgestaan door een vertrouwd persoon voor haar die zij als steunend ervaart. Omdat de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige 1] vindt om bij de huidige stand van zaken druk op haar uit te oefenen, laat zij het bij deze suggestie die zij in de brief aan [minderjarige 1] zal herhalen. De rechtbank ziet evenmin grond voor toewijzing van het verzoek van de man. Er wordt aangaande [minderjarige 1] geen zorgregeling bepaald, en daaruit vloeit reeds voort dat uitsluitend de man, bij wie [minderjarige 1] haar hoofdverblijf heeft, belast is met de volledige verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en dat de vrouw daarin geen aandeel heeft.\n\n [minderjarige 2]4.8. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het eens zijn over de zorgregeling die moet gelden voor [minderjarige 2] , inhoudende dat [minderjarige 2] om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten bij de vrouw verblijft. De rechtbank acht deze regeling in het belang van [minderjarige 2] en zal daarom de verzoeken van partijen tot vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige 2] op die wijze als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen. De man heeft ter zitting aangegeven dat gelet op de aankomende verhuizing naar [plaats] hij ervoor zorg zal dragen dat [minderjarige 2] naar de vrouw wordt gebracht en dat hij hem dus zal ondersteunen in de overbrugging van de afstand naar de woonplaats van de vrouw, zodat deze verhuizing een goed verloop van de zorgregeling niet in de weg staat. In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 2] verder aangegeven in deze zorgregeling flexibiliteit te wensen. In de praktijk ziet de rechtbank dat partijen [minderjarige 2] die flexibiliteit gunnen en bieden en de rechtbank gaat ervan uit dat zij hem die ruimte blijven geven. Dit is namelijk van belang voor het slagen van de zorgregeling, mede gelet op de ingewikkelde positie waarin [minderjarige 2] zich bevindt. [minderjarige 2] “draagt” de echtscheiding van zijn ouders en ziet zichzelf als het laatste lijntje tussen zijn ouders in een verbroken gezinssysteem. Hij worstelt zichtbaar met die last, en naar het oordeel van de rechtbank kan hij zich niet vrij, onbelast en onbevangen bewegen tussen beide ouders. [minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter duidelijke signalen afgegeven dat hij lijdt onder de spanningen van buitenaf en de spanningen die hij ongetwijfeld ook intern voelt. De zorgregeling vraagt in de huidige dynamiek tussen zijn ouders veel van hem en de sterke afwijzing van zijn moeder door de man en zijn zus belast het contact met zijn moeder. De rechtbank maakt zich ernstige zorgen over het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige 2] door toedoen van zijn ouders terecht is gekomen. Dit is potentieel heel erg schadelijk voor zijn ontwikkeling. Partijen moeten begrijpen dat [minderjarige 2] , hierin zoveel mogelijk steun van hen beiden dient te krijgen. Dat vraagt iets van beide ouders. Zij hebben beiden op grond van de wet (artikel 1:247 lid 2 en 3 van het Burgerlijk Wetboek BW)) de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van [minderjarige 2] , alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Ook hebben zij de verplichting om de ontwikkeling van de banden van [minderjarige 2] met de andere ouder te bevorderen. Dit houdt onder meer in dat zij ervoor moeten zorgen dat [minderjarige 2] niet langer onderdeel is van de strijd tussen hen. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat [minderjarige 2] op de hoogte is van alle informatie over de echtscheiding en de strijd tussen ouders. Het geestelijk welzijn van [minderjarige 2] is niet gediend met het delen van deze informatie en de rechtbank doet een dringend beroep op beide ouders om daar onmiddellijk mee te stoppen. De nieuwsgierigheid van [minderjarige 2] en zijn leeftijd vormen geen rechtvaardiging voor het ongeclausuleerd delen van informatie en opvattingen over de andere ouder en de echtscheiding. Ook moet [minderjarige 2] ondersteund en positief gestimuleerd worden in het contact met de andere ouder.\n\nKinderalimentatie\n\n4.9. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat in de periode dat [minderjarige 2] nog ingeschreven stond bij de vrouw, namelijk tot begin januari 2026, zij gerechtigd was tot een onderhoudsbijdrage van de man ten behoeve van [minderjarige 2] van € 285,= per maand. De rechtbank ziet in hetgeen de man ter zitting heeft aangevoerd, namelijk dat de vrouw gedurende die periode alle toeslagen voor [minderjarige 2] kreeg en tijdens het huwelijk veel informatie over geldzaken heeft achtergehouden, geen reden waarom dat bedrag niet betaald moet worden. Niet is gesteld of gebleken dat dit bedrag niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw onder VI. toewijzen.\n\n4.10. Gebleken is verder dat [minderjarige 1] al in de loop van 2025 bij haar vader is gaan verblijven en dat [minderjarige 2] vanaf begin januari 2026 bij de man verblijft en daar vanaf dat moment staat ingeschreven. Tussen partijen staat vast dat de vrouw een minimale draagkracht heeft ter hoogte van € 50,= per maand en dat zij die volledig moet aanwenden voor de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen. Tussen hen is in geschil over hoeveel kinderen die draagkracht moet worden verdeeld. Volgens de man enkel over de twee minderjarige kinderen van partijen, zodat de vrouw € 25,= per maand per kind dient te voldoen. Volgens de vrouw moet deze draagkracht worden verdeeld over alle drie de kinderen van partijen. De vrouw is immers ook nog onderhoudsplichtig voor [meerderjarige] . De bijdrage komt dan uit op € 17,= per maand per kind voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n4.11. De rechtbank overweegt dat hoewel [meerderjarige] op dit moment van beide ouders geen onderhoudsbijdrage ontvangt, partijen beiden wel onderhoudsplichtig zijn voor haar tot zij de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. Gelet op die onderhoudsverplichting en de mogelijkheid die [meerderjarige] heeft om aanspraak te maken op een bijdrage van ouders (eventueel met terugwerkende kracht), ziet de rechtbank aanleiding de draagkracht van de vrouw te verdelen over drie kinderen. Dat betekent dat zij voor [minderjarige 1] met ingang van 1 juli 2025 en voor [minderjarige 2] met ingang van 1 januari 2026 aan de man een onderhoudsbijdrage van € 17,= per maand per kind dient te voldoen. De verzoeken van partijen worden overeenkomstig het voorgaande toegewezen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.\n\nBrieven aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\n4.12. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aangegeven dat zij per brief van de kinderrechter geïnformeerd willen worden over de op de verzoeken die zien op hun hoofdverblijf, de zorgregeling en de kinderalimentatie. De kinderrechter vindt het ook belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf te horen krijgen wat er in deze procedure wordt beslist, zij het uitsluitend over de onderwerpen die hen betreffen, maar ook dat de ouders weten wat de kinderrechter hierover aan de kinderen terugkoppelt. Hierna volgt daarom de tekst van de brief gericht aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze tekst zal worden overgenomen in een brief van de griffier namens de (kinder)rechter, die naar hen wordt gestuurd.\n\n“Beste [minderjarige 1] ,\n\nOp 14 april heb jij een gesprek gehad met de (kinder)rechter. Op 7 mei zijn jouw ouders, met hun advocaten, naar de rechtbank gekomen. Daar zijn de verzoeken die over jou zijn gedaan, besproken. De rechter heeft naar iedereen geluisterd en ook jouw mening meegenomen in de beslissing.\n\nDe rechter heeft beslist dat jouw hoofdverblijf definitief bij jouw vader wordt bepaald. Dat betekent dat je bij je vader woont en op zijn woonadres blijft of wordt ingeschreven. Je vader is ook degene die jou verzorgt en opvoedt, want de rechter heeft verder besloten dat er geen regeling voor contact met jouw moeder wordt bepaald. De rechter verwijst jullie evenmin door naar een hulpverleningstraject om weer contact op te starten. Jij hebt de leeftijd waarop jij daarin zelf een afweging en keuze kan maken, en jouw keuze weegt zwaar mee in de beslissing van de rechter. De rechter gaat ervan uit dat jij de gevolgen van jouw keuze om het contact met je moeder te verbreken, begrijpt en overziet. De rechter maakt zich wel zorgen over de manier waarop jij resoluut het contact met jouw moeder hebt verbroken. De rechter meent dat het voor de verwerking van hetgeen gebeurd is, goed is om in ieder geval eenmalig het gesprek met jouw moeder aan te gaan, zonder de bedoeling of de verwachting dat het contact daarna herstelt. In dat gesprek kan jij je verhaal doen tegen jouw moeder en heeft zij ook de mogelijkheid om aan jou haar verhaal te vertellen. Jouw moeder heeft aangegeven dat zij daartoe bereid is en dat haar deur voor jou altijd open staat. Je moeder is ermee akkoord dat bij zo’n gesprek eventueel iemand aanwezig zijn die jij vertrouwt en die jou kan ondersteunen. Het is aan jou of je zo’n gesprek nu of op een later moment nog wil voeren en het is ook aan jou om dat aan je moeder duidelijk te maken als je dat gesprek wil aangaan.\n\nDe rechter heeft verder, rekening houdend met de financiële omstandigheden van allebei jouw ouders, beslist dat jouw moeder met ingang van 1 juli 2025 een bijdrage voor jouw kosten aan jouw vader moet betalen van € 17,= per maand.\n\nDe rechter wil jou bedanken voor het delen van jouw mening in het gesprek en wenst jou alle goeds voor de toekomst toe.”\n\n“Beste [minderjarige 2] ,\n\nOp 14 april heb jij een gesprek gehad met de (kinder)rechter over de verzoeken die over jou zijn gedaan. Op 7 mei zijn jouw ouders, met hun advocaten, naar de rechtbank gekomen. Daar zijn de verzoeken die over jou zijn gedaan besproken. De rechter heeft naar iedereen geluisterd en ook jouw mening meegenomen in de beslissing.\n\nDe rechter heeft beslist dat jouw hoofdverblijf definitief bij jouw vader wordt bepaald. Dat betekent dat je op zijn woonadres wordt of blijft ingeschreven en dat je vader jou voor het grootste deel verzorgt en opvoedt. Verder heeft de rechter beslist dat jij om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het eten bij jouw moeder bent. Jouw moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij het contact met jou heel belangrijk vindt en dat zij het heel fijn vindt als jij bij haar bent. Hoewel zij jou soms moet missen, begrijpt zij het dat jij flexibiliteit en een bepaalde vrijheid in de contactregeling belangrijk vindt, en zij zal daar ook rekening mee houden. Jouw vader heeft op de zitting verder aangegeven dat hij begrijpt dat de verhuizing naar [plaats] lastig is voor jou. Hij zal jou ondersteunen in het overbruggen van de reisafstand van jullie nieuwe woonplek in [plaats] naar jouw moeder in [woonplaats 1] . De rechter vindt het belangrijk dat je zowel bij je vader als je moeder verblijft en dat zij ervoor zorgen dat je geen last meer hebt van hun onderlinge strijd.\n\nDe rechter heeft verder, rekening houdend met de financiële omstandigheden van allebei jouw ouders, beslist dat jouw moeder met ingang van 1 januari 2026 een bijdrage aan jouw vader voor jouw kosten moet betalen van € 17,= per maand.\n\nDe rechter wil jou bedanken voor het delen van jouw mening in het gesprek en wenst jou alle goeds voor de toekomst toe.”\n\nVerdeling van de gemeenschappelijke goederen\n\n4.13. Partijen zijn gehuwd in wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Bij de verdeling van deze gemeenschap moet als uitgangspunt worden aangenomen dat partijen in gelijke mate delen in de goederen van de gemeenschap, terwijl ieder de schulden van de gemeenschap voor de helft moet dragen.\n\nPeildatum4.14. De gemeenschap van goederen is op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en sub b BW ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 25 april 2025. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.\n\n4.15. De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Van deze peildata zal ook in het onderstaande worden uitgegaan, tenzij daarvan ambtshalve of op verzoek van partijen uitdrukkelijk wordt afgeweken.\n\nSamenstelling gemeenschap van de gemeenschap4.16. De bestanddelen van de gemeenschap waarvan de verdeling nog in geschil is tijdens deze procedure zijn:\n\na. de woning, gelegen aan [adres] , te [woonplaats 2] (hierna: de woning);\n\nb. de schuld uit hoofde van de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;\n\nc. het saldo van de beleggingsrekening bij Nationale Nederlanden;\n\nd. een caravan en schuld wegens stallingskosten;\n\ne. een schuld aan de Interbank uit hoofde van een doorlopend krediet\n\nAd. A., b., c. en e. de woning en de schuld uit hoofde van de hypothecaire geldlening, het saldo van de beleggingsrekening bij Nationale Nederlanden en de schuld uit hoofde van een doorlopend krediet bij de Interbank\n\n4.17. Ter zitting is gebleken dat de woning is verkocht aan (een) derde(n). Op 12 juni 2026 zal de woning notarieel geleverd worden aan de kopende partij. Partijen zijn het erover eens dat van de verkoopopbrengst van de woning worden voldaan: de op de datum van overdracht resterende hypothecaire schuld en schuld uit hoofde van het doorlopend krediet bij de Interbank. Partijen zijn ieder gerechtigd tot de helft van de resterende overwaarde, te vermeerderen met de netto afkoopwaarde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde beleggingsrekening. Verder zijn partijen het erover eens dat de vrouw de volgende bedragen aan de man dient te vergoeden:\n\nin verband met eerder door de man voor zijn rekening genomen kosten gemoeid met verkoop van de woning (presentatiekosten die gemaakt zijn door makelaar Wino) een bedrag van € 350,=;\n\neen bedrag van € 137,50, zijnde de helft van de door de man gemaakte kosten die gemoeid waren met de aanvraag van een energielabel door de man;\n\n een bedrag van (5 maal € 141,60 =) € 708,=, zijnde haar aandeel in de maandelijkse aflossingen op de schuld uit hoofde van het doorlopend krediet bij de Interbank, die de man voor zijn rekening heeft genomen, terwijl partijen daarvoor ieder voor de helft draagplichtig waren.\n\n4.18. Aangezien partijen tot overeenstemming zijn gekomen over de verdeling van voormelde bestanddelen a., b., c. en e., is op grond van artikel 3:185 lid 1 BW voor de rechtbank geen taak meer weggelegd om de (wijze van) verdeling vast te stellen. De verzoeken die daartoe zien worden, voor zover die zien op deze bestanddelen, afgewezen. Dit laat onverlet dat partijen gehouden zijn om uitvoering te geven aan de door hen afgesproken wijze van verdeling van die bestanddelen.\n\nAd. d. een caravan en schuld wegens stallingskosten\n\n4.19. De vrouw stelt dat partijen het erover eens waren dat de caravan moest worden verkocht. Zij heeft vervolgens, korte tijd na de peildatum, de caravan verkocht voor een bedrag van € 1.750,=. De vrouw heeft met de verkoopopbrengst de achterstallige stallingskosten over drie jaar, zijnde in totaal een bedrag van € 1.680,= voldaan. Van de verkoopopbrengst is dus € 70,= over, zodat de man recht heeft op een bedrag van € 35,=.\n\n4.20. De man voert aan dat de vrouw zonder medeweten van de man de caravan van stalling heeft gehaald en verkocht. Ter zitting heeft de man aangegeven dat hij het niet eens is met de prijs waarvoor de vrouw de caravan heeft verkocht. Volgens hem hadden partijen er € 2.500,= voor kunnen krijgen en de man vraagt de rechtbank om van dat bedrag uit te gaan bij verdeling van de caravan. Hij erkent verder dat er een achterstand was in de betaling van de stallingskosten.\n\n4.21. De rechtbank overweegt als volgt. Door de vrouw is onweersproken aangevoerd dat de caravan van partijen na de peildatum is verkocht voor een bedrag van € 1.750,=. Of partijen overeenstemming hadden over het verkopen van de caravan kan de rechtbank niet vaststellen op grond van de standpunten van partijen en de overgelegde stukken. Daarbij heeft de man aan deze stelling verder geen conclusie verbonden. De rechtbank zal daarom ten aanzien van de caravan, die op de peildatum tot de ontbonden gemeenschap behoorde, een oordeel geven van de waarde op de peildatum. Het is de rechtbank niet gebleken dat de caravan meer waard is dan € 1.750,=, zijnde de verkoopprijs die kort na de peildatum tot stand is gekomen in de verkooptransactie tussen twee particulieren. De rechtbank betrekt bij haar oordeel de informatie die de vrouw ter zitting heeft gedeeld, zoals het merk en type van de caravan, dat het kenteken van de caravan in 1994 is afgegeven, en het bedrag dat partijen bij de aanschaf van de (toen al tweedehands) caravan hebben betaald, zijnde € 3.400,=. De rechtbank sluit daarom voor de waardering van de caravan op de peildatum aan bij de verkoopprijs van € 1.750,=. De man heeft verder erkend dat er een achterstand was in de betaling van de stallingskosten en hij heeft ter zitting aangegeven dat het door de vrouw genoemde bedrag kan kloppen. Ook niet weersproken is de stelling van de vrouw dat deze op de peildatum bestaande schuld is ingelost met de verkoopopbrengst van de caravan. De man is gerechtigd tot de helft van het resterende bedrag en dus tot € 35,=, door de vrouw aan hem te voldoen. Het verzoek van de vrouw zal gelet op het voorgaande worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 20 juni 2007 in de gemeente Moerdijk;5.2. stelt, uitvoerbaar bij voorraad, vast dat de minderjarigen\n\n1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2009,\n\n2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2010,\n\nhun hoofdverblijfplaats bij de man hebben;5.3. stelt, uitvoerbaar bij voorraad, vast dat genoemde minderjarige [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vrouw is: om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten;5.4. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man over de periode van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026 een bedrag van € 285,= (tweehonderdvijfentachtig euro) per maand moet betalen aan de vrouw ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 2] ;\n\n5.5. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw met ingang van 1 juli 2025 een bedrag van € 17,= (zeventien euro) per maand moet betalen aan de man ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 1] , vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand;\n\n5.6. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 17,= (zeventien euro) per maand moet betalen aan de man ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 2] , vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand;\n\n5.7. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw, uit hoofde van de verdeling van de caravan een bedrag ter hoogte van € 35,= aan de man moet voldoen;\n\n5.8. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bollen, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Reijerse, griffier, op 21 mei 2026.\n\nTegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\n- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem\u002Fhaar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5446","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.439Z",{"id":121,"ecli":122,"slug":123,"caseNumber":44,"courtId":114,"decisionDate":115,"fullText":124,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":118,"parsedAt":52,"updatedAt":126},"558","ECLI:NL:RBZWB:2026:5442","ecli-nl-rbzwb-2026-5442","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F438990 \u002F FA RK 25-4297\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking betreffende levensonderhoud\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. J.M. Molkenboer te Tilburg,\n\nen\n\n [jongmeerderarige 1],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de jongmeerderjarige ( [jongmeerderarige 1] ),\n\nadvocaat mr. J.M. Molkenboer te Tilburg,\n\ntegen\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. J. Verdonk te Heerenveen.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 20 augustus 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;\n\n- de brief met bijlage van 10 september 2025 van mr. Molkenboer;\n\n- het op 21 oktober 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen;\n\n- de brief met bijlagen van 13 april 2026 van mr. Molkenboer;\n\n- de brief, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, met bijlagen van 13 april 2026 van mr. Verdonk.\n\n1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 23 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:\n\nde vrouw en de jongmeerderjarige, bijgestaan door hun advocaat;\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- de vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd geweest van 23 mei 2008 tot 6 oktober 2010;\n\n- uit dit huwelijk zijn volgende nu jongmeerderjarige kinderen geboren:\n\n1. [jongmeerderarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2006 (hierna [jongmeerderarige 2] );\n\n2. [jongmeerderarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2008;\n\n- bij beschikking van deze rechtbank van 28 juni 2010 is, voor zover van belang, de echtscheiding tussen de vrouw en de man uitgesproken en bepaald dat de man met ingang van 1 mei 2010 tot 1 juni 2010 een bedrag van € 175,= per kind per maand als kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen en met ingang van 1 juni 2010 een bedrag van € 350,= per kind per maand. Ook is bepaald dat de overige regelingen uit het ouderschapsplan (waarvan een exemplaar aan de beschikking is gehecht) als overgenomen en herhaald dienen te worden beschouwd.\n\n- in dit ouderschapsplan zijn de vrouw en de man de hiervoor genoemde bedragen overeengekomen. Ook zijn zij het volgende overeengekomen ten aanzien van de alimentatie voor een jongmeerderjarige: “7.3 Alimentatie Jongmeerderjarige\n\n Vanaf het tijdstip waarop een kind meerderjarig wordt, betaalt de vader de in artikel 7.1 genoemde alimentatie aan het kind zelf ex artikel 1:395a BW op een door het kind aan te wijzen bankrekening, tenzij het kind op dat moment nog bij de moeder woont. In dat geval wordt door de ouders en het kind in onderling overleg bepaald op welke wijze wordt betaald, zolang die situatie voortduurt.\n\n De wettelijke indexeringsregeling blijft van toepassing totdat het kind de 21-jarige leeftijd heeft bereikt”.\n\n- bij beschikking van deze rechtbank van 8 september 2014 is de zaak naar team familie verwezen om verder te worden afgedaan. Bij beschikking van 10 februari 2016 is, voor zover van belang, de beschikking van 28 juni 2010 gewijzigd en bepaald dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een bedrag van € 273,50 per kind per maand als kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen.\n\n- op grond van laatstgenoemde beschikking dient de man nu -inclusief de wettelijke indexering- afgerond € 380,= per kind per maand te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De vrouw verzocht aanvankelijk de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderarige 1] met ingang van 1 maart 2025 nader vast te stellen op € 711,= per maand. Dit verzoek heeft zij ter zitting ingetrokken.\n\n3.2. De jongmeerderjarige verzoekt nu de door de man te betalen bijdrage voor haar kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 1 mei 2026 nader vast te stellen op € 1.400,= per maand.\n\n3.3. De man verzoekt nu zelfstandig de bijdrage voor de jongmeerderjarige met ingang van 1 mei 2026 te wijzigen en nader te bepalen op nihil.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. Nu de vrouw haar verzoek heeft ingetrokken, zullen de gronden van dat verzoek niet meer worden onderzocht, om welke reden het verzoek zal worden afgewezen. De rechtbank zal hieronder het verzoek van de jongmeerderjarige en het zelfstandige verzoek van de man beoordelen.\n\n4.2. Op grond van het bepaalde in artikel 1:401, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW), is een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud voor wijziging vatbaar wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.\n\n4.3. Partijen zijn het erover eens dat sinds 1 mei 2026 sprake is van een wijziging van omstandigheden. In dit verband staat vast dat [jongmeerderarige 1] inmiddels jongmeerderjarig is en inkomen uit dienstverband heeft gegenereerd. Aldus heeft zich een wijziging van omstandigheden voorgedaan die een onderzoek naar de behoefte van de jongmeerderjarige aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk maakt. Daarna zal blijken of deze wijziging als rechtens relevant is aan te merken.\n\n4.4. \n\nBij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële\n\ndraagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn\n\nneergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.\n\nIngangsdatum\n\n4.5. Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de door de man ten behoeve van de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 1 mei 2026 gewijzigd dient te worden. Nu partijen het daarover eens zijn, zal de rechtbank als ingangsdatum voor de eventueel gewijzigde alimentatieverplichting 1 mei 2026 bepalen.\n\nBehoefte van de jongmeerderjarige\n\n4.6. De jongmeerderjarige stelt dat zij een behoefte heeft van € 1.519,35 per maand, op basis van haar maandelijkse kosten. Zij volgt nu een opleiding aan de VAVO en zal in mei 2026 eindexamen doen. Daarnaast werkt zij bij [organisatie] op basis van een nul-urencontract. Met ingang van 1 augustus 2026 zal ze bij [middelbare school] een opleiding autotechniek gaan volgen (MBO 3 niveau), waarbij zij vijf dagen per week school heeft. Haar inkomen uit arbeid zal dan aanzienlijk verminderen of komen te vervallen. Subsidiair stelt de jongmeerderjarige dat voor haar behoefte moet worden aangesloten bij de WSF-norm.\n\n4.7. \n\nVolgens de man dient voor de behoefte van de jongmeerderjarige aansluiting te worden gezocht bij de WSF-norm. Over de maanden mei tot augustus 2026 bedraagt de WSF-norm € 778,99, welk bedrag moet worden verminderd met het lesgeld van € 121,50. Er resteert dan een behoefte in de periode van 1 mei tot 1 augustus 2026 van € 657,49 per maand. Voor deze periode is de man van mening dat de jongmeerderjarige zelf in haar behoefte voorziet of kan voorzien, door haar inkomen uit arbeid. In 2024 heeft zij haar examen niet gehaald, waarna ze is gaan werken bij de [bedrijf] en daarna bij [organisatie] . Het gaat om structurele en reële eigen inkomsten uit arbeid, waarmee zij in haar eigen behoefte kan voorzien.\n\nVoor de periode vanaf augustus 2026 geldt dat de WSF-norm is gewijzigd naar € 783,41 per maand, welk bedrag moet worden verminderd met de basisbeurs van € 107,26. Er resteert dan een behoefte van € 677,15 per maand.\n\n4.8. De rechtbank overweegt dat uit het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen volgt dat geen aparte maatstaven zijn ontwikkeld voor de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering vallen. Voor de behoeftebepaling van studerende kinderen kan aansluiting worden gezocht bij de voor hen geldende normbedragen in het kader van de Wet op de studiefinanciering (WSF-norm), waarbij een student kan aantonen dat voor een bepaalde post een hoger budget nodig is. De rechtbank oordeelt dat de jongmeerderjarige niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor één van deze posten een hoger budget nodig heeft. Het door haar overgelegde overzicht van haar kosten acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het primaire standpunt van de jongmeerderjarige. Dat betekent dat aansluiting zal worden gezocht bij de WSF-norm. Voor een thuiswonende MBO-student geldt over de maanden januari tot en met juli 2026 een normbedrag van € 778,99 en vanaf augustus 2026 een normbedrag van € 783,41. Partijen zijn het er dan over eens dat voor de periode van 1 mei 2026 tot 1 augustus 2026 dit bedrag moet worden verminderd met het lesgeld van € 121,50 (nu haar opleiding pas op 1 augustus 2026 start). Dat betekent dat de behoefte van de jongmeerderjarige over die periode € 657,49 bedraagt. Voor de periode vanaf 1 augustus 2026 geldt een normbedrag van € 783,41, welk bedrag moet worden verminderd met de basisbeurs van € 107,26. De behoefte van de jongmeerderjarige vanaf 1 augustus 2026 bedraagt van € 676,15. Gelet op het minimale verschil in behoefte in deze periode, ziet de rechtbank aanleiding om de behoefte van de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] met ingang van 1 mei 2026 te bepalen op afgerond € 676,= per maand.\n\n4.9. De rechtbank houdt geen rekening met eigen inkomsten van de jongmeerderjarige en overweegt daartoe als volgt. Uitgangspunt is dat alleen eigen inkomsten die in vergelijking met de behoefte structureel en substantieel zijn invloed kunnen hebben op de hoogte van de behoefte van een jongmeerderjarige. [jongmeerderarige 1] heeft aangegeven op dit moment minder te zijn gaan werken met het oog op haar eindexamens in mei 2026. Daarna zal zij niet, althans niet meer structureel, werken in verband met de opleiding die zij per augustus 2026 zal starten. De man betwist niet dat [jongmeerderarige 1] eindexamens heeft in mei en betwist evenmin dat zij met ingang van 1 augustus 2026 bij [middelbare school] een opleiding autotechniek gaat volgen. Gelet op de eindexamens en de nieuwe opleiding acht de rechtbank het redelijk om ervan uit te gaan dat de jongmeerderjarige geen structurele en substantiële inkomsten zal genereren in deze periode.\n\n4.10. \n\nBeoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de\n\njongmeerderjarige tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt\n\nook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de\n\nbehoefte tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht.\n\nDaartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te\n\nworden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per\n\nmaand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor\n\nde lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.\n\nDraagkracht vrouw\n\n4.11. Partijen zijn het erover eens dat de vrouw een WAJONG-uitkering ontvangt van € 19.003,= bruto per jaar. De rechtbank zal de berekening van de man volgen (overgelegd als productie 9), gelet op de daarin gehanteerde tarieven en de meegenomen uitgaven voor specifieke zorgkosten en de jonggehandicaptenkorting. Uit deze berekening volgt een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 2.001,= per maand, wat leidt tot een draagkracht van in totaal € 98,= per maand.\n\nDraagkracht man\n\n4.12. Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat voor de draagkracht van de man uit moet worden gegaan van een bruto jaarinkomen van € 100.023,=, welk bedrag nog moet worden verminderd met de bijtelling van de auto van € 12.000,=. Aldus resteert een bruto jaarinkomen van € 88.023,=. Ter zitting is ook gebleken dat partijen het erover eens zijn dat op dit moment geen rekening moet worden gehouden met winst of verlies uit de onderneming van de man.\n\n4.13. Tussen partijen is in geschil of rekening moet worden gehouden met een aflossing van € 211,= per maand op een schuld ten behoeve van door de man te betalen advocaatkosten. Volgens de man moet daar rekening mee worden gehouden, omdat hij geen spaargeld heeft om die lening af te lossen en hoge lasten heeft. De jongmeerderjarige is van mening dat de man de aflossing uit zijn vrije ruimte zou moeten voldoen.\n\n4.14. De rechtbank overweegt dat met andere noodzakelijke lasten rekening kan worden gehouden als deze niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd dat deze lasten niet vermijdbaar zijn. Niet is gebleken dat de man zich niet geheel\u002Fgedeeltelijk van deze last kan bevrijden door aflossing met behulp van zijn spaargeld of dat hij zich hiervan kan bevrijden door zijn draagkrachtvrije ruimte te gebruiken. De rechtbank houdt daarom geen rekening met de aflossing op een schuld ten behoeve van advocaatkosten.\n\n4.15. De man heeft tot slot met betrekking tot zijn draagkracht aangevoerd dat een deel van zijn inkomen prestatieafhankelijk is en pas aan het eind van het jaar wordt uitgekeerd. De rechtbank overweegt dat rekening wordt gehouden met het inkomen dat hij genereert in een kalenderjaar. Dat mogelijk een substantieel deel van zijn inkomen pas aan het eind van het jaar wordt uitgekeerd, is geen reden om daar geen rekening mee te houden. De rechtbank begrijpt dat dit de betalingsverplichtingen van de man bemoeilijkt, maar het is aan de man om een wijze van budgettering daarin te vinden. De man heeft bovendien desgevraagd geen juridische consequentie aan dit standpunt verbonden.\n\n4.16. Aan de hand van voornoemde uitgangspunten en rekening houdend met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op een bedrag van € 4.787,= per maand. De draagkracht van de man is dan volgens de formule in totaal € 1.390,= per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening.\n\nDraagkrachtvergelijking\n\n4.17. Ter zitting is besproken hoe de door de man te betalen bijdrage voor [jongmeerderarige 2] moet worden meegenomen. Volgens de vrouw moet uit worden gegaan van het bedrag dat de man feitelijk voor [jongmeerderarige 2] betaalt. Volgens de man moet de draagkracht van partijen naar rato van behoefte worden verdeeld.\n\n4.18. De rechtbank acht het redelijk dat de draagkracht van partijen gelijk wordt verdeeld over beide jongmeerderjarige kinderen. Gebleken is namelijk dat de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 2] ook een mbo-studie volgt en thuiswonend is. Het voorgaande betekent dat de vrouw een draagkracht voor de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] beschikbaar heeft van € 49,= per maand (€ 98 : 2 kinderen) en de man € 695,= per maand (€ 1.390 : 2 kinderen).\n\n4.19. Partijen hebben samen een draagkracht voor de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] van in totaal € 744,= per maand (€ 49 + € 695). Dat is voldoende om te voorzien in haar behoefte van afgerond € 676,= per maand. Omdat de gezamenlijke draagkracht de behoefte van de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] overstijgt, zal de rechtbank een draagkrachtvergelijking toepassen, om te bepalen welk bedrag ieder van de ouders voor de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] dient te dragen.\n\n4.20. \n\nDe verdeling van de kosten van de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] over de\n\nonderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld\n\ndoor de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:\n\nhet aandeel van de man bedraagt: € 695 \u002F € 744 x € 676 = € 631,=;\n\nhet aandeel van de vrouw bedraagt: € 49 \u002F € 744 x € 676 = € 45,=.\n\nZorgkorting\n\n4.21. De jongmeerderjarige stelt dat de man geen aanspraak maakt op een zorgkorting, nu zij feitelijk al langere tijd geen contact meer met de man heeft.\n\n4.22. Volgens de man is het onredelijk om geen zorgkorting toe te passen, omdat hij openstaat voor herstel van het contact. Daarnaast is het niet toepassen van de zorgkorting een prikkel om het gebrek aan contact in stand te houden.\n\n4.23. De rechtbank overweegt dat bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juni 218 een zorgregeling tussen de man en de kinderen is vastgesteld. Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, is echter gebleken dat er in ieder geval het afgelopen jaar geen contact tussen [jongmeerderarige 1] en de man heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht het gelet hierop passend om geen rekening te houden met een zorgkorting.\n\nConclusie\n\n4.24. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige bijdrage. De rechtbank zal de door de man ten behoeve van de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] te betalen bijdrage met ingang van 1 mei 2026 wijzigen naar € 631,= per maand.\n\nAanhechten berekening\n\n4.25. De rechtbank heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.\n\nProceskosten\n\n4.26. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nwijzigt voormelde beschikking van deze rechtbank van 10 februari 2016 als volgt:\n\n5.1. bepaalt dat de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2008, met ingang van 1 mei 2026 wordt gewijzigd naar een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 631,= (zeshonderdeenendertig euro) per maand, bij vooruitbetaling door de man aan de jong-meerderjarige te voldoen;\n\n5.2. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n5.3. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en, in tegenwoordigheid van mr. Van Egeraat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5442","2026-07-13T00:28:36.673Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":44,"courtId":114,"decisionDate":115,"fullText":131,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":132,"sourceTimestamp":118,"parsedAt":52,"updatedAt":133},"605","ECLI:NL:RBZWB:2026:5444","ecli-nl-rbzwb-2026-5444","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F441941 FA RK 25-5884\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking betreffende omgangsregeling en levensonderhoud\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. B. Krijnen,\n\nen\n\n [de man],\n\nwonende [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nzonder advocaat.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 7 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;\n\n- de brief van de griffier van de rechtbank aan de man van 24 december 2025, houdende de oproep voor de zitting;\n\n- de brief van mr. Krijnen van 9 april 2026, tevens houdende wijziging van het verzoek, met bijlagen;\n\n- het vonnis van deze rechtbank in kort geding van 25 november 2025.\n\n1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 16 april 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. De man is niet verschenen.2. De feiten\n\n2.1. Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- partijen hebben een relatie met elkaar gehad tot juni 2025;\n\n- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019 (hierna ook: [minderjarige] );\n\n- [minderjarige] is door de man erkend. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n3. De verzoeken\n\nDe vrouw verzoekt nu, samengevat:\n\nvaststelling van een omgangsregeling, inhoudende dat de man en de minderjarige contact met elkaar hebben om de week op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur;\n\nvaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 400,= per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.\n\n4. De beoordeling\n\nOproep van de man\n\n4.1. De man is voor de zitting opgeroepen bij brief van 24 december 2025 op bovenvermeld adres, zijnde het adres waar hij in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. De brief is zowel per gewone post als per aangetekende post verzonden. De aangetekend verzonden brief is door de man niet opgehaald en teruggestuurd naar de rechtbank. De per gewone post gestuurde brief is niet geretourneerd. Uit raadpleging van de BRP is gebleken dat genoemd adres met ingang van 12 december 2025 in onderzoek is. Een (ander) adres waarop de man bereikbaar is, ontbreekt. De rechtbank overweegt dat het de verantwoordelijkheid van de man is om te zorgen dat hij in de BRP staat ingeschreven op een adres waarop hij bereikbaar is. Mr. Krijnen heeft op de zitting toegelicht het verzoek en het gewijzigd verzoek ook per email aan de man te hebben toegestuurd, onder vermelding van de zittingsdatum en tijdstip, maar dat ook zij daar geen reactie van de man op heeft ontvangen. De rechtbank heeft op grond van het voorgaande op de zitting geconstateerd dat de man op de wettelijk voorgeschreven wijze is opgeroepen en heeft daarop de verzoeken inhoudelijk behandeld.\n\nOmgangsregeling\n\n4.2. De vrouw heeft toegelicht dat de man sinds het uiteengaan van partijen weinig interesse heeft getoond in [minderjarige] en dat er maar zeer weinig contact tussen hen heeft plaatsgevonden. De vrouw vindt het erg belangrijk dat de man en [minderjarige] op structurele basis contact met elkaar hebben en dat de situatie voor [minderjarige] voorspelbaar is, met name omdat zij kampt met bepaalde problematiek en veel aandacht vraagt. [minderjarige] geeft zelf ook aan dat zij haar vader mist en is altijd blij als zij haar vader heeft gezien. De vrouw is daarom eind 2025 een kort gedingprocedure gestart. In het vonnis van 25 november 2025 is een omgangsregeling vastgesteld gedurende iedere zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur. De afgelopen periode is echter gebleken dat het voor de man niet haalbaar is om iedere week omgang met [minderjarige] te hebben. Hij laat steeds op vrijdagavond weten of hij wel of niet komt. Dit is erg onrustig, zowel voor de vrouw als voor [minderjarige] . De vrouw verzoekt daarom nu te bepalen dat de man en [minderjarige] om de week op zaterdag contact met elkaar hebben. De vrouw hoopt dat de man zijn verantwoordelijkheid neemt en laat zien dat hij deze regeling kan nakomen. De vrouw zal het contact tussen de man en [minderjarige] blijven stimuleren.\n\n4.3. De Raad heeft op de zitting aangegeven dat een structurele omgang tussen de man en [minderjarige] wenselijk is en dat de door de vrouw verzochte regeling op dit moment het hoogst haalbare lijkt. Daarnaast vindt de Raad het belangrijk dat aan [minderjarige] op een kindvriendelijke manier wordt uitgelegd dat het niet aan haar ligt dat de contacten met haar vader nu onregelmatig zijn. Kinderen hebben namelijk de neiging dit soort zaken op zichzelf te betrekken.\n\n4.4. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe, omdat dit verzoek niet door de man is weersproken en omdat niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich tegen de verzochte regeling verzet. De vrouw heeft op de zitting toegezegd contact op te nemen met de gezinscoach, die haar begeleidt bij opvoedkundige vragen, om te bekijken op welke wijze [minderjarige] kan worden voorgelicht over het door de Raad genoemde punt. De rechtbank spreekt de hoop uit dat de man het belang van [minderjarige] voorop zal stellen en de omgangsregeling, zoals deze nu wordt vastgesteld, zal nakomen. Het is immers niet in het belang van [minderjarige] en haar ontwikkeling dat zij (om de week) op vrijdag in onzekerheid verkeert of zij haar vader zal zien.\n\nKinderalimentatie\n\n4.5. De vrouw verzoekt verder vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 400,= per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.\n\n4.6. Dit verzoek zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1. bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, gerechtigd zijn tot omgang met elkaar om de week op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur;\n\n5.2. \n\nbepaalt dat de man met ingang van 7 november 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw moet voldoen een bedrag van\n\n€ 400,= (vierhonderd euro) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, en, in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5444","2026-07-13T00:28:38.946Z",{"id":135,"ecli":136,"slug":137,"caseNumber":44,"courtId":114,"decisionDate":138,"fullText":139,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":140,"sourceTimestamp":141,"parsedAt":52,"updatedAt":142},"421","ECLI:NL:RBZWB:2026:5414","ecli-nl-rbzwb-2026-5414","2026-05-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F442299 FA RK 25\u002F6059\n\n20 mei 2026\n\nbeschikking betreffende echtscheiding\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. D.C.M. Smeulders-Martens,\n\ntegen\n\n [de man] ,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. J.A.E. van Raak-Kuiper.\n\n1. Het procesverloop\n\nDit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 24 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;\n\n- het op 26 januari 2026 ontvangen gecorrigeerde verzoekschrift;\n\n- het F9-formulier van mr. Smeulders-Martens van 4 februari 2026 met als bijlage een door partijen op 29 januari en 1 februari 2026 ondertekend ouderschapsplan;\n\n- het F9-formulier van mr. Van Raak-Kuiper van 9 februari 2026;\n\n- de brief van mr. Smeulders-Martens van 11 maart 2026;\n\n- de brief van mr. Smeulders-Martens van 20 maart 2026;\n\n- het F9-formulier van mr. Van Raak-Kuiper van 23 maart 2026.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- zij zijn op [datum] 2020 in de gemeente Dongen met elkaar gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen;\n\n- tijdens hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:\n\n1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2020,\n\n2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2022,\n\n3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 2025.\n\n- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;\n\n- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.\n\n3. Het verzoek\n\nDe vrouw verzoekt nu, samengevat,\n\n- echtscheiding;\n\n- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve\n\nvan de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 25,= per maand per kind;\n\n- opneming van de door partijen getroffen regelingen in de beschikking.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Bij brieven van 11 en 19 maart 2026 is namens de vrouw bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt en dit is vastgelegd in een ouderschapsplan. Gelet hierop wijzigt de vrouw haar verzoek zoals hiervoor onder 3. is weergegeven. Verder verzoekt de vrouw, zo de rechtbank begrijpt, de zaak schriftelijk af te doen.\n\n4.2.. Bij F9-formulier van 23 maart 2026 is namens de man bericht dat hij instemt met de gewijzigde verzoeken van de vrouw. De rechtbank begrijpt dat ook de man geen behoefte heeft aan een mondelinge behandeling.\n\n4.3.. Aangezien het verzoek op de wet is gegrond en de man hiermee heeft ingestemd, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen. Hierbij overweegt de rechtbank ten aanzien van het ouderschapsplan en de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat tussen partijen niet in geschil is dat de man niet de biologische vader van [minderjarige 3] is. Nu [minderjarige 3] echter binnen het huwelijk van partijen is geboren, is de man wel de juridische vader. De vrouw heeft een procedure aanhangig gemaakt tot gegrondverklaring van de ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap. Gelet hierop zal de rechtbank geen gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het ouderschapsplan geen betrekking heeft op [minderjarige 3] en er voor hem geen onderhoudsbijdrage wordt verzocht.\n\n4.4.. Nu de overige verzoeken zijn ingetrokken, kunnen deze verzoeken niet meer worden onderzocht en zullen deze worden afgewezen.\n\n4.5.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2020 in de gemeente [woonplaats 1] met elkaar gehuwd;\n\n bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 februari 2026 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen\n\n1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2020,\n\n2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2022,\n\naan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 25,= (vijfentwintig euro) per maand;\n\ncompenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n bepaalt dat de onderlinge regelingen uit het als bijlage toegevoegde ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking;\n\n wijst het meer of anders verzochte af.\n\n Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Verhamme, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5414","2026-06-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.040Z",{"id":144,"ecli":145,"slug":146,"caseNumber":44,"courtId":114,"decisionDate":147,"fullText":148,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":149,"sourceTimestamp":150,"parsedAt":52,"updatedAt":151},"1750","ECLI:NL:RBZWB:2026:5326","ecli-nl-rbzwb-2026-5326","2026-05-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F434955 FA RK 25-2268\n\ndatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nbeschikking betreffende levensonderhoud\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [plaats 1] (Spanje),\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. J.J. Bronsveld,\n\nen\n\n [de man],\n\nwonende te [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. M.H.A. Wijen.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 1 mei 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlage;\n\n- het op 10 juli 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- het op 3 september 2025 ontvangen verweer op zelfstandig verzoek;\n\n- de F9-formulieren van mr. Bronsveld van 28 mei 2025, met bijlage, en 9 april 2026, met bijlage;\n\n- de brief van mr. Wijen van 8 april 2026, met bijlagen;\n\n- de beschikking betreffende de echtscheiding van 10 december 2020 en het daaraan gehechte echtscheidingsconvenant.\n\n1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 20 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.2. De feiten\n\n2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 1998 tot [datum 2] 2021.\n\n2.2. \n\nIn voormeld echtscheidingsconvenant zijn partijen het volgende overeengekomen over partneralimentatie:\n\n“Bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw\u002Fman\n\nPartijen hebben momenteel geen draagkracht om over en weer partneralimentatie te\n\nvoldoen.\n\nHoewel de vrouw op dit moment niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, en\n\nderhalve behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van haar\n\nlevensonderhoud, heeft de man geen draagkracht aan de vrouw een bijdrage in de kosten\n\nvan haar levensonderhoud te voldoen.\n\nIn geval van een na het sluiten van dit convenant opgetreden wijziging van\n\nomstandigheden, waardoor de vrouw zich op het standpunt zou kunnen stellen dat de\n\nman wel c.q. een hogere draagkracht heeft voor het betalen aan de vrouw van een\n\nbijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, staat het de vrouw vrij zich alsnog tot de\n\nrechter te wenden met het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie, alles voor\n\nzover de partijen de partneralimentatie niet in onderling overleg hebben kunnen\n\nvaststellen.\n\nTeneinde te kunnen beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden, zullen\n\npartijen elkaar jaarlijks op eerste verzoek kopie van de Aangifte Inkomstenbelasting doen\n\ntoekomen.”\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De vrouw verzoekt bepaling dat de man, per datum van de echtscheiding, een bedrag moet voldoen ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw van € 3.000,= bruto per maand, bij vooruitbetaling aan haar te voldoen, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen.\n\n3.2. De man verzoekt bepaling dat hij gehouden is aan de vrouw een bedrag van € 10.000,= te voldoen ter zake afkoop van de partneralimentatie.\n\n4. De beoordeling\n\nInternationale bevoegdheid en toepasselijk recht4.1. Omdat de vrouw in Spanje woont, heeft deze zaak internationaalprivaatrechtelijke aspecten en dient als eerste te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is te beslissen op de verzoeken en welk recht daarbij moet worden toegepast.\n\n4.2. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4\u002F2009 Raad van 18 december 2008) internationaal bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage kennis te nemen, omdat de verweerder (de man) zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.\n\n4.3. Op de verzoeken betreffende de partneralimentatie is op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening juncto. artikel 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, het recht van de staat van toepassing waar de onderhoudsgerechtigde (de vrouw) haar gewone verblijfplaats heeft. Omdat de vrouw in Spanje haar gewone verblijfplaats heeft, is in beginsel het Spaanse recht van toepassing op de beoordeling van de verzoeken betreffende de partneralimentatie.\n\n4.4. Ingevolge artikel 5 van voornoemd protocol is in geval van onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten, ex-echtgenoten of tussen partijen bij een nietig verklaard huwelijk, artikel 3 niet van toepassing indien een van de partijen zich daartegen verzet en het recht van een andere Staat, in het bijzonder dat van de Staat van hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, nauwer verbonden is met het huwelijk. In dat geval is het recht van die andere Staat van toepassing. Ter zitting is namens de vrouw onweersproken gesteld dat het huwelijk van partijen de meeste aanknopingspunten heeft met Nederland, zodat het Nederlandse recht moet worden toegepast. De rechtbank is, met de vrouw, van oordeel dat het Nederlandse recht nauwer verbonden is met het huwelijk van partijen dan het Spaanse recht. Partijen zijn immers in Nederland gehuwd en hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats tijdens het huwelijk was ook in Nederland. Daarom zal het Nederlandse recht worden toegepast bij de beoordeling van de verzoeken.\n\nInhoudelijke beoordeling4.5. De vrouw voert als grond voor haar verzoek aan dat sinds de ondertekening van voormeld echtscheidingsconvenant de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd, waardoor een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud moet worden vastgesteld. Volgens de vrouw is het inkomen van de man na echtscheiding namelijk aanzienlijk toegenomen. Vaststaat verder, op grond van het echtscheidingsconvenant, dat de vrouw een aanvullende behoefte heeft. Het inkomen van de man moet geschat worden op € 8.000,= netto per maand, zodat hij in staat wordt geacht de verzochte bijdrage aan de vrouw te voldoen.\n\n4.6. De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel haar verzoek af te wijzen. Hij voert daartoe enkele verweren aan. Zijn primaire verweer houdt in dat geen sprake meer is van een alimentatieverplichting, omdat partijen een overeenkomst hebben gesloten inhoudende dat de man aan de vrouw een bedrag van € 10.000,= zou voldoen ter afkoop van de partneralimentatie. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst de man naar de correspondentie tussen partijen hierover (productie 1 en 2). Gelet op dit primaire verweer doet de man tevens zijn verzoek zoals hiervoor onder 3.2. weergegeven.\n\n4.7. De vrouw betwist dat sprake is van een overeenkomst tussen partijen ter zake de afkoop van de partneralimentatie. Zij heeft ter zitting aangegeven weliswaar te hebben ingestemd met een voorstel van de man dat hij de partneralimentatie zou afkopen voor een bedrag van € 10.000,=, maar later bleek dat hij deze afkoop wenste te verrekenen met een vordering die hij op de vrouw meent te hebben. De man heeft dus een andere voorstelling van zaken gehad bij de totstandkoming van deze overeenkomst en heeft gelet daarop geen ondubbelzinnig aanbod gedaan zonder enig voorbehoud. Gelet daarop is er geen overeenstemming bereikt tussen partijen. Verder heeft de vrouw aangevoerd dat partijen nooit een schriftelijk contract hebben opgesteld met daarin de afspraken, terwijl dit wel hun intentie was. Zij had daarin ook vastgelegd willen zien dat zij niet hoeft mee te betalen aan schulden van de man.\n\n4.8. De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of sprake is van een overeenkomst over de afkoop van de partneralimentatie zoals door de man gesteld. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, bestaat geen verplichting meer voor de man om partneralimentatie aan de vrouw te voldoen en hoeft het verzoek van de vrouw niet verder inhoudelijk te worden beoordeeld.\n\n4.9. De rechtbank stelt voorop dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Of hiervan sprake is hangt, kort gezegd, af van wat partijen tegenover elkaar hebben verklaard en hoe zij die verklaringen over en weer in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten opvatten (artikel 3:33 en 3:35 BW). Ter zitting heeft de vrouw erkend te hebben ingestemd met het aanbod van de man om de partneralimentatie af te kopen voor een bedrag van € 10.000,=. Dat de vrouw dit aanbod heeft aanvaard volgt tevens uit de door de man overgelegde correspondentie tussen partijen. Zo geeft de vrouw in een e-mailbericht van 19 april 2024 het volgende aan: “In onderling overleg hebben we vastgesteld dat jij mij 10.000 euro als afkoopsom zou betalen.” (productie 2 van de man). In een WhatsApp-gesprek tussen partijen geeft de vrouw verder aan de man het volgende aan: “Die 10000 euro komt [persoon] wel halen. Die komt naar Spanje.” (productie 2 van de man). De man heeft onweersproken gesteld dat deze afspraken zijn gemaakt in 2022. Vervolgens heeft de man naar aanleiding van een rechterlijke procedure, over een arbeidsconflict jegens zijn voormalig opdrachtgever dat betrekking heeft op de huwelijkse periode, bij de vrouw aangegeven een vordering die hij op haar meent te hebben te willen verrekenen met de vordering van de vrouw op de man ter zake de afkoop van de partneralimentatie. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit niet dat deze verrekening daardoor onderdeel is geworden van zijn aanbod aan de vrouw over de afkoop van de partneralimentatie, zoals namens de vrouw aangevoerd. Verrekening door de man is in beginsel namelijk toegestaan, mits is voldaan aan de eisen die artikel 6:127 BW daaraan stelt. Van deze bepalingen van regelend recht kan worden afgeweken door verrekening uit te sluiten bij overeenkomst. Desgevraagd hebben beide partijen ter zitting aangegeven dat een eventuele verrekening van vorderingen geen onderdeel is geweest bij het maken van de afspraken over de afkoop van de partneralimentatie. Gelet op het standpunt van de vrouw en met het oog op de in 2022 al lopende procedure van de man jegens zijn voormalige opdrachtgever, hadden partijen, in afwijking van het regelend recht over het verrekenen van vorderingen, daarover afspraken kunnen maken. Dat hebben zij echter niet gedaan. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat in 2022 een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen die inhoudt dat de man de partneralimentatie zal afkopen door betaling van een bedrag van € 10.000,= aan de vrouw. De rechtbank merkt daarbij op dat het niet schriftelijk vastleggen van die afspraak niet afdoet aan de geldigheid van de overeenkomst, zoals door de vrouw aangevoerd. Een overeenkomst is namelijk niet aan vormvereisten gebonden en is, ondanks een eventuele intentie van partijen deze nog schriftelijk vast te leggen, ook mondeling gesloten rechtsgeldig. Het voorgaande betekent dat het primaire verweer van de man slaagt en er door de overeenkomst over de afkoop van de partneralimentatie geen verplichting meer is voor de man een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen.\n\n4.10. De rechtbank begrijpt het zelfstandige verzoek van de man verder zo dat hij een verklaring voor recht verzoekt dat hij gehouden is aan de vrouw een bedrag van € 10.000,= te voldoen ter zake afkoop van de partneralimentatie. Gelet op voorgaande rechtsoverweging zal de rechtbank zijn verzoek op die wijze toewijzen.\n\n4.11. De rechtbank komt gelet op het voorgaande niet meer toe aan de overige verweren van de man.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. verklaart voor recht dat de man gehouden is aan de vrouw een bedrag van € 10.000,= te voldoen ter zake afkoop van de partneralimentatie;\n\n5.2. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Willemsen, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5326","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:36.948Z",{"id":153,"ecli":154,"slug":155,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":156,"fullText":157,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":158,"sourceTimestamp":159,"parsedAt":52,"updatedAt":160},"1920","ECLI:NL:RBDHA:2026:15203","ecli-nl-rbdha-2026-15203","2026-05-06T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-5435\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F688667\n\nDatum beschikking: 6 mei 2026Gezag, verdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en alimentatie\n\nBeschikking op het op 16 juli 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. M.W. Kuiper te Den Haag.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;\n\n- de berichten van 16 maart 2026 van de zijde van de moeder;\n\n- het bericht van 22 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader.\n\nOp 24 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\nDe minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] Ntiranyibagira hebben zich in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.\n\nTijdens de zitting is met partijen gesproken over de late indiening van de stukken van 22 maart 2026 van de zijde van de vader en over het ontbreken van recente inkomensgegevens van de moeder. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank de moeder de gelegenheid gegeven om deze stukken nog te overleggen, en de vader de gelegenheid gegeven om op basis van deze stukken een nieuwe berekening te maken. De rechtbank heeft op 7 april 2026 de inkomensgegevens van de moeder en de nieuwe berekening van de vader ontvangen. Tot slot heeft de rechtbank op 14 april 2026 een reactie ontvangen van de moeder op de berekening van de vader.\n\nFeiten\n\n- De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ,\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] .\n\n- De vader heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] erkend.\n\n- De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] belast, ingevolge aantekeningen in het gezagsregister 8 juli 2014 en 10 januari 2016.\n\n- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens – te bepalen:\n\ndat de moeder het eenhoofdig gezag over de kinderen toekomt;\n\ndat de vader met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2024\u002F1 maart 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de moeder een bedrag van € 700,- per maand dient te voldoen, dan wel een zodanig bedrag door de rechtbank in goede justitie vast te stellen.\n\nDe moeder doet haar verzoek tot wijziging van de gezagsverhoudingen steunen op de stelling dat de omstandigheden ten opzichte van het moment waarop het gezamenlijk gezag ontstond zijn gewijzigd.\n\nDe vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt de rechtbank te bepalen:\n\ndat er een bijdrage wordt vastgesteld op basis van de inkomensgegevens van de vader en de moeder en met ingang van de datum beschikking, althans met ingang van de datum indiening verzoekschrift;\n\ndat er tussen de vader en de kinderen sprake zal zijn van een regeling waarbij de kinderen ieder weekend bij de vader verblijven van vrijdag uit school tot maandag naar school, alsmede de helft van de feestdagen en de helft van de schoolvakanties.\n\nBeoordeling\n\nGezag\n\nDe moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderen klem en\u002Fof verloren zullen raken bij handhaving van het gezamenlijk ouderlijk gezag, omdat de communicatie tussen partijen sinds het uiteengaan zeer stroef verloopt. Volgens de moeder is de vader slecht bereikbaar, negeert hij de zorgen van de moeder over de kinderen en is hij onvoorspelbaar in zijn gedrag als gevolg van zijn wiet- en hasjgebruik. Ook stelt de moeder dat de vader in eerste instantie niet heeft meegewerkt aan het aanvragen van paspoorten voor de kinderen en dat het verkrijgen van toestemming van de vader voor een vakantie met de kinderen moeizaam is verlopen. Daarnaast stelt de moeder dat het voor haar moeilijk is om contact te hebben met de vader, omdat de vader haar heeft aangerand.\n\nDe vader stelt dat het in het belang van de kinderen is dat de ouders het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen en dat er geen reden is om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Hij betwist dat wat de moeder stelt over de communicatie tussen de ouders, het negeren van de zorgen van de moeder, het wiet- en\u002Fof hasjgebruik en de aanranding uitdrukkelijk. Verder geeft de vader aan dat hij zijn medewerking heeft verleend voor het aanvragen van de paspoorten en dat hij toestemming heeft gegeven voor de vakantie, maar dat dit laatste langer duurde omdat de moeder (gedeeltelijk) niet-ingevulde formulieren gaf. De vader meent dat hij wel degelijk zijn verantwoordelijkheid als ouder met gezag neemt en dat hij een serieuze rol in het leven van de kinderen wil blijven spelen.\n\nWettelijk kader\n\nDe rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd in het geval er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nBij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het beëindigen van het gezag een ingrijpende beslissing is met vergaande gevolgen, die daarom niet lichtzinnig mag worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken niet gebleken dat het de ouders onvoldoende lukt om gezamenlijk de belangrijke beslissingen over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te nemen. De ouders zijn het weliswaar over sommige zaken rond de kinderen niet (volledig) met elkaar eens, bijvoorbeeld over de Arabische lessen, maar zij blijven op een respectvolle wijze met elkaar communiceren. Bovendien is gebleken dat de ouders met elkaar meedenken over problemen waar zij in de dagelijkse praktijk tegenaan lopen en dat zij dit proberen op te lossen in het belang van de kinderen. Zo is het hen gelukt om samen psychologische hulp voor [de minderjarige 2] in te schakelen en ook om hulp van het jeugdteam in te schakelen voor [de minderjarige 1] in verband met de problemen en het verdriet waarmee zij kampt als gevolg van het uiteengaan van de ouders. Gelet hierop ziet de rechtbank onvoldoende aanwijzingen dat het gezamenlijk gezag ertoe leidt dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. Ook is het de rechtbank niet gebleken dat het anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de moeder afwijzen.\n\nTen overvloede overweegt de rechtbank dat de ouders weliswaar met elkaar communiceren en dat dit redelijk gaat, maar dat er op dat gebied ook verbetering mogelijk is. Het is duidelijk geworden dat de verwachtingen van de ouders over en weer regelmatig uiteenlopen en dat het valt op dat er regelmatig sprake is van miscommunicatie en daaruit voortvloeiende misverstanden. Naar aanleiding daarvan geeft de rechtbank de ouders mee dat mediation en\u002Fof ouderschapsbemiddeling behulpzaam kan zijn bij het verbeteren en afstemmen van de onderlinge communicatie, en daarmee bij het voorkomen of verminderen van misverstanden in de toekomst. Dat is uiteindelijk ook het meest in het belang van hun kinderen. Indien de ouders wensen daarvan gebruik te maken, kunnen zij deze hulpverlening zelf inschakelen, bijvoorbeeld via het betrokken Jeugdteam.\n\nVerdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang\n\nIn de loop van de procedure hebben de ouders afspraken gemaakt over de zorgregeling. Deze overeengekomen zorgregeling voeren zij sinds november 2025 uit en houdt in dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] om de week van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de vader zijn. De ouders hebben ook overeenstemming bereikt over de verdeling van de vakanties. Zij hebben afgesproken dat de vakanties in onderling overleg bij helfte worden verdeeld tussen de ouders.\n\nOp de zitting is met de ouders gesproken over deze regeling. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de vader het belangrijk vindt dat de kinderen op vrijdag en zondag naar Arabische les gaan, en dat de moeder het belangrijk vindt dat [de minderjarige 1] op zaterdag naar haar voetbalwedstrijd kan gaan. Ook is gebleken dat het is voorgekomen dat de vader [de minderjarige 1] niet naar haar voetbalwedstrijd liet gaan, omdat zij niet naar Arabische les was geweest. De rechtbank geeft de ouders mee dat dit niet weer mag gebeuren, omdat de vader [de minderjarige 1] hiermee straft voor iets waar de ouders verschillend in staan en waarvan het de ouders niet lukt om daar goede afspraken over te maken. Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [de minderjarige 1] heel duidelijk uitgelegd dat ze enorm uitkijkt naar de voetbalwedstrijden in het weekend en dat zij ontzettend teleurgesteld is als zij daar niet heen mag. Zoals de rechtbank ook op de zitting heeft besproken met de ouders, betekent het feit dat de kinderen het ene weekend bij de vader en het andere weekend bij de moeder zijn dat de ouders beiden verantwoordelijk zijn om in het weekend dat de kinderen bij hen zijn, naar voetbal en naar Arabische les te brengen. Praktisch betekent dat dat de vader de kinderen naar Arabische les en naar voetbal brengt wanneer zij bij hem zijn, en dat van de moeder mag worden verwacht dat zij de kinderen ten minste een keer naar Arabische les en op zaterdag naar voetbal brengt wanneer zij bij haar zijn. De rechtbank verwacht dan ook van de ouders dat zij dit zullen (blijven) doen.\n\nGelet op het voorgaande, en omdat de rechtbank de door de ouders overeengekomen zorgregeling en verdeling van de vakanties in het belang van de kinderen acht, zal de rechtbank de overeengekomen zorgregeling en vakantieverdeling vastleggen en opnemen in het dictum.\n\nKinderalimentatie\n\nAfspraak\n\nVolgens de moeder hebben de ouders de afspraak gemaakt dat de vader maandelijks € 700,- aan kinderalimentatie aan haar zou betalen, maar heeft de vader dit slechts één keer, in april 2024, betaald. De moeder stelt dat de vader deze afspraak daarna niet meer is nagekomen.\n\nDe vader betwist het bestaan van de door de moeder gestelde afspraak. Volgens de vader hebben de ouders afgesproken dat, omdat de broer van de moeder bij de vader inwoont en dat hij daarvoor € 650,- betaalt, deze broer dit bedrag aan de moeder overmaakt als vorm van kinderalimentatie. De vader stelt dat dit bedrag niet is gebaseerd op de draagkracht van de ouders en dat deze betalingen op enig moment zijn gestopt omdat de moeder heeft aangegeven dat ze het geld niet meer nodig had. Volgens de vader brengt dit mee dat hij ervan uit mocht gaan dat de moeder geen behoefte meer had aan een bijdrage.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de moeder haar stelling met betrekking tot het bestaan van een afspraak, mede gelet op de betwisting daarvan, onvoldoende heeft onderbouwd. Daarom zal de rechtbank het primaire verzoek van de moeder tot nakoming van de gestelde afspraak afwijzen. In het hiernavolgende zal de rechtbank de door de vader te betalen kinderalimentatie vaststellen.\n\nIngangsdatum\n\nOm proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de moeder ter zitting heeft aangegeven dat de laatste betaling in februari 2025 zou zijn gedaan en dat daarom 1 maart 2025 de ingangsdatum van de kinderalimentatie zou moeten zijn, heeft zij nadien schriftelijk verzocht om 1 mei 2025 als ingangsdatum te hanteren omdat de laatste betaling in maart of april zou zijn geweest. De vader heeft erkend dat de betalingen op enig moment zijn gestopt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vader zijn stelling dat de moeder heeft gezegd dat zij het geld voor de kinderen niet meer nodig heeft, onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk om de kinderalimentatie met ingang van 1 mei 2025 vast te stellen.\n\nBehoefte\n\nBij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.\n\nVoor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun relatie worden bepaald.\n\nPartijen zijn het niet eens over het NBI van de moeder, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 56.123,- bruto per jaar, op grond van de jaaropgaaf van 2025 van de moeder.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 3.482,- per maand.\n\nPartijen zijn het ook niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Aangezien de omzet die de vader genereert per maand varieert, gaat de rechtbank hierbij uit van het gemiddelde van de facturen die de vader heeft overgelegd over de periode van april 2025 tot en met december 2025, gedeeld door negen maanden en vermenigvuldigd met twaalf. Dat leidt tot een jaaromzet van € 31.077,- . Na aftrek van kosten schat de rechtbank op basis van deze jaaromzet de winst uit onderneming op € 25.000,- per jaar.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van de samenleving op € 1.997,- per maand.\n\nHet netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus € 5.479,- per maand (€ 3.482,- (NBI vrouw) +€ 1.997,- (NBI man)). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 192,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.304,- per maand voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gezamenlijk, dat wil zeggen € 652,- per maand per kind.\n\nDe rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.\n\nDraagkracht moeder\n\nVoor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 4.855,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van het gemiddelde van de overgelegde salarisspecificaties van 2026, aangezien het bruto inkomen van de moeder per maand varieert.\n\nHet kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met:\n\nde gemiddelde pensioenpremie van € 535,-;\n\nde gemiddelde premie WW Loyalis van € 5,-, en;\n\nde gemiddelde premie WGA Hiaat van € 15,-.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 4.273,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.\n\nOmdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [4.273 – (1.282 + 1.310)] = € 1.177,- per maand.\n\nDraagkracht vader\n\nTussen partijen is in geschil of er een verdiencapaciteit aan de vader moet worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder haar stelling, namelijk dat de vader een netto-omzet van € 3000,- per maand zou hebben gehad op het moment dat partijen uit elkaar gingen, niet voldoende onderbouwd. Tevens heeft de vader deze stelling betwist door te stellen dat zijn gemiddelde bruto-omzet € 3000,- per maand was. Omdat ook de stelling van de vader niet met stukken onderbouwd is, zal de rechtbank niet rekenen met een verdiencapaciteit aan de zijde van de vader, maar de draagkracht bepalen op basis van de overgelegde stukken.\n\nAangezien de omzet die de vader genereert per maand varieert, gaat de rechtbank hierbij uit van het gemiddelde van de facturen die de vader heeft overgelegd voor de periode van april 2025 tot en met februari 2026, gedeeld door elf maanden en vermenigvuldigd met twaalf om tot een jaaromzet van € 29.288,- te komen. Na aftrek van kosten schat de rechtbank op basis van deze jaaromzet de winst uit onderneming op € 25.000,- per jaar.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2025 op € 1.997,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.\n\nBij een NBI van € 1.875,- tot € 2.125,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 1.975,- en € 2.025,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2025) een draagkracht van € 98,- per maand voor de vader in aanmerking nemen.\n\nDraagkrachttekort\n\nDe draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.275,- per maand (€ 1.177,- + € 98,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 29,- per maand.\n\nDe rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Indien met de berekende draagkracht van de ouders niet (geheel) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait (0,3 x NBI), zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.\n\nGelet op deze uitspraak van de Hoge Raad en de conclusie dat sprake is van een draagkrachttekort, zal de rechtbank hierna ambtshalve onderzoeken of toepassing van de werkelijke woonlasten de vader leidt tot een hogere bijdrage.\n\nDe rechtbank overweegt dat uit de bankafschriften van de vader blijkt dat hij € 789,- per maand aan huur aan de wooncorporatie betaalt. Dit bedrag overstijgt het woonbudget van € 599,- (30% van € 1.997,- (NBI vader)). Als de rechtbank de draagkracht van de vader zou berekenen met inachtneming van de huurprijs die de vader betaalt, zou dit tot gevolg hebben dat zijn draagkracht lager wordt en dus dat er een lager bedrag beschikbaar is voor de kinderen. Dit acht de rechtbank niet wenselijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder onvoldoende onderbouwd dat de vader zijn woning deelt met anderen die ook een deel van de huurprijs voldoen en dat zijn werkelijke woonlasten daarom duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget.\n\nZorgkorting\n\nOmdat de vader gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , geldt een zorgkortingspercentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 326,- per maand (25% van € 1.304,- (behoeftebedrag)). Omdat sprake is van een tekort van € 29,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de vader. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van afgerond € 312,- per maand.\n\nDe kosten die de vader aldus draagt voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn gelijk aan het bedrag van de berekende zorgkorting en bedragen daarom € 312,- per maand. Op dit bedrag komt in mindering zijn eigen draagkracht van € 98,- per maand. Hij kan dus voor een bedrag van € 214,- niet zelf voorzien in de zorgkosten die hij maakt als de kinderen bij hem verblijven.\n\nDe vader heeft de rechtbank in zijn laatste brief echter verzocht om de bijdrage die hij aan de moeder dient te betalen in de kosten en verzorging van de kinderen op € 50,- vast te stellen. Kennelijk is de vader in staat om deze bijdrage te voldoen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de vader met ingang van 1 mei 2025 aan de moeder een kinderalimentatie dient te voldoen van € 25,- per maand per kind.\n\nProceskosten\n\nOmdat het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren als hierna vermeld.\n\nBeslissing De rechtbank:\n\n*\n\nstelt een verdeling van zorg- en opvoedingstaken vast, waarbij de minderjarigen:\n\n [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te Leiden, en;\n\n [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te Leiden;\n\nbij de vader zullen zijn:\n\nom de week van vrijdagmiddag tot zondagavond;\n\ngedurende de helft van de schoolvakanties, waarbij de ouders de vakanties in onderling overleg verdelen;\n\n*\n\nbepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 1 mei 2025, een kinderalimentatie ten behoeve van de [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , van € 25,- per maand, per kind zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;\n\n*\n\nwijst af het anders of meer verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15203","2026-06-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:45.571Z",{"id":162,"ecli":163,"slug":164,"caseNumber":44,"courtId":165,"decisionDate":166,"fullText":167,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":168,"sourceTimestamp":166,"parsedAt":52,"updatedAt":169},"1823","ECLI:NL:RBNHO:2026:2240","ecli-nl-rbnho-2026-2240",73,"2026-03-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie en Jeugd\n\nlocatie Alkmaar\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F360255 \u002F FA RK 24-6431 en C\u002F15\u002F366942 \u002F FA RK 25-3302\n\nBeschikking d.d. 5 maart 2026 betreffende de echtscheiding\n\nin de zaak van:\n\n [de man] ,\n\nwonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. A.C. Mens, gevestigd te Hoofddorp,\n\ntegen\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [plaats] , [land] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. B.R. de Boer-Kühn, gevestigd te Amsterdam.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 17 december 2024;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 20 mei 2025;\n\n- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 24 juni 2025;\n\n- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 18 september 2025;\n\n- het gewijzigd verzoek van de vrouw, ingekomen op 8 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de man, ingekomen op 26 januari 2026 en 27 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 3 februari 2026.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026.\n\nBij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] . De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw is burger van de Bondsrepubliek Duitsland.\n\n2.2.. Scheiding\n\n2.2.1.. De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.\n\n2.2.2.. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n2.2.3.. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van de man zich in Nederland bevond, deze daar sinds ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan die indiening verblijfplaats had en ten tijde van de indiening reeds de Nederlandse nationaliteit bezat, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.\n\n2.2.4.. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\n2.2.5.. Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\n2.3.. Onderhoudsbijdrage\n\n2.3.1.. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw aan hem een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) moet betalen van € 1.500,- per maand.\n\n2.3.2.. De vrouw heeft zich verweerd tegen dit verzoek en heeft verzocht de partnerbijdrage op nihil te stellen. De rechtbank begrijpt dat de vrouw verzoekt het verzoek tot het vaststellen van een partnerbijdrage af te wijzen, omdat van nihilstelling pas sprake kan zijn als eerder een partnerbijdrage is vastgesteld.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n2.3.3.. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening (nr. 4\u002F2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.\n\n2.3.4.. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.\n\nBehoefte\n\n2.8.3.. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het Tremarapport. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond.\n\nIngangsdatum\n\n2.3.5.. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op laatstgenoemde datum.\n\nBehoefte\n\n2.3.6.. De man heeft zijn huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van de zogenoemde Hofnorm berekend, waartegen de vrouw zich niet heeft verweerd. De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van partijen beoordelen aan de hand van het netto gezinsinkomen van partijen over 2023, zijnde het laatste volledige jaar voordat partijen medio 2024 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat de behoefte moet worden berekend aan de hand van het inkomen van één echtgenoot. Tijdens haar studie heeft de vrouw immers evenals de man gewerkt en in Duitsland heeft de man ook gewerkt gelijktijdig met de vrouw. De rechtbank constateert verder dat geen van partijen duidelijk en volledig inzage heeft gegeven in zijn of haar inkomen over 2023. Van de vrouw is een salarisspecificatie van juni 2023 overgelegd, waaruit een netto inkomen volgt van € 2.048,- per maand, exclusief extra’s zoals de kerstbonus die zij stelt jaarlijks te ontvangen. Zij heeft zelf gesteld dat zij een netto besteedbaar inkomen had van € 2.115,- per maand, wat de rechtbank gelet op het bovenstaande netto inkomen van de vrouw niet onaannemelijk voorkomt, zodat hierbij zal worden aangesloten. De man heeft gesteld dat hij tijdens het huwelijk een salaris had van € 1.933,- netto per maand, welk bedrag door de vrouw niet is betwist, zodat de rechtbank daar eveneens van zal uitgaan.2.3.7.. Op grond van bovenstaande inkomens van partijen, bedroeg het netto besteedbaar inkomen van partijen in 2023 € 4.048,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de man bedroeg dan 60% hiervan, te weten € 2.429,- netto per maand.\n\nAanvullende behoefte\n\n2.3.8.. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud. De man heeft gedurende het huwelijk altijd gewerkt en heeft voldoende mogelijkheden om een baan te vinden. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van de man gelijk aan het minimumloon voor een 36-urige werkweek ter hoogte van € 2.304,- netto per maand. De man heeft gesteld dat hij niet in staat is te werken vanwege zijn psychische gesteldheid. Hij lijdt aan een depressie als gevolg van de scheiding van partijen en de situatie waarin hij hierdoor is komen te verkeren. De man ontvangt sinds mei 2025 een bijstandsuitkering, waarbij hij is vrijgesteld van zijn sollicitatieplicht.\n\n2.3.9.. De rechtbank stelt vast dat de man al langere tijd een bijstandsuitkering ontvangt. De man heeft verder voldoende onderbouwd dat hij om psychische redenen nu niet in staat is te werken. Om die reden zal de rechtbank niet uitgaan van een hogere verdiencapaciteit aan de zijde van de man. Wel wordt rekening gehouden met een eigen inkomen ter hoogte van de bijstandsuitkering die de man ontvangt van € 782,- netto per maand. Na aftrek van deze eigen inkomsten, resteert een aanvullende behoefte van de man van € 1.647,- netto per maand.\n\nDraagkracht vrouw\n\n2.3.10.. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.\n\n2.3.11.. Bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw, sluit de rechtbank aan bij haar inkomen zoals blijkt uit haar salarisspecificatie van november 2025. De rechtbank is van oordeel dat hieruit voldoende gegevens zijn af te leiden over het inkomen van de vrouw, mede gelet op de toelichting die de vrouw ter zitting heeft gegeven, zodat voorbij zal worden gegaan aan het verzoek van de man de vrouw te gelasten haar jaaropgave 2025 te overleggen, temeer nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat deze in beginsel niet wordt verstrekt in Duitsland.\n\n2.3.12.. Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht moet worden berekend aan de hand van het netto inkomen van de vrouw, omdat zij in Duitsland belastingplichtig is. Uit de salarisspecificatie van november 2025 blijkt een netto inkomen van de vrouw van € 2.358,- per maand, wat neerkomt op € 28.296,- netto per jaar. De vrouw heeft gesteld dat zij daarnaast jaarlijks een “kerstbonus” krijgt, welke in 2025 € 888,- netto bedroeg. De rechtbank houdt daarom rekening met een totaal inkomen van de vrouw van € 29.184,- netto per jaar.\n\n2.3.13.. Verder houdt de rechtbank rekening met de forfaitaire woonlast. De man heeft gesteld dat de vrouw bij haar ouders woont en geen woonlasten heeft. De vrouw heeft deze stelling weersproken en gesteld dat zij inmiddels weer een eigen woning heeft en hiervoor maandelijks huur betaalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt om rekening te houden met de forfaitaire woonlast.\n\n2.3.14.. Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank de draagkracht van de vrouw op € 202,- netto per maand. De rechtbank zal een door de vrouw aan de man te betalen partnerbijdrage vaststellen ter hoogte van dit bedrag, te voldoen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal de partnerbijdrage vaststellen als netto bijdrage, omdat partijen niet weten of deze bijdrage aftrekbaar is voor de vrouw in Duitsland.\n\n2.4.. Verdeling\n\n2.4.1.. Partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande beperkte gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n2.4.2.. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.\n\n2.4.3.. Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.\n\n2.4.4.. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.\n\n2.4.5.. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.\n\n2.4.6.. Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd. Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, lid 2 van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 1 van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het Nederlandse recht, van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.\n\n2.4.7.. Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden opgesteld. Dit betekent dat tussen hen een wettelijke beperkte huwelijksgemeenschap is ontstaan.\n\nPeildatum\n\n2.4.8.. De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke peildatum voor de omvang van de gemeenschap de datum van indiening van het verzoekschrift is, zijnde 17 december 2024. Vanaf dat moment is de gemeenschap ontbonden en vatbaar voor verdeling.\n\n2.4.9.. Voor wat betreft de waarde van de bestanddelen zal ten aanzien van de banksaldi en de schulden in beginsel worden uitgegaan van de waarde per peildatum. Ten aanzien van de overige bestanddelen is het uitgangspunt de waarde op het moment van de feitelijke verdeling, waarvan partijen in onderling overleg kunnen afwijken. Voor wat betreft schulden van partijen geldt dat deze niet kunnen worden verdeeld. De rechtbank kan enkel een beslissing nemen over de onderlinge draagplicht van partijen.\n\nBestanddelen\n\n2.4.10.. De rechtbank zal hieronder de bestanddelen bespreken die volgens partijen of één van hen in de verdeling moeten worden betrokken.\n\n2.4.11.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Voor zover partijen overeenstemming hebben bereikt, is er geen rol voor de rechter weggelegd.\n\n1. Inboedel\n\n2.4.12.. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een bedrag van € 500,- zal voldoen aan de man, zijnde de helft van de verkoopopbrengst van de inboedel. Nu partijen het hierover eens zijn, hoeft de rechtbank op dit punt geen beslissing meer te nemen.\n\n2. Bankrekeningen\n\n2.4.13.. De man had op de peildatum een bankrekening bij de ABN AMRO met rekeningnummer [nummer] . Uit de door man overgelegde bankafschriften leidt de rechtbank af dat het saldo op deze bankrekening op de peildatum (nagenoeg) nihil was, zodat partijen in zoverre niets meer met elkaar hebben te verdelen.\n\n2.4.14.. De vrouw heeft geen inzage gegeven in haar banksaldi per peildatum. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling van de banksaldi vaststellen, inhoudende dat de vrouw alsnog inzage dient te geven aan de man in haar banksaldi per 17 december 2024, waarna deze saldi bij helfte tussen partijen zullen worden verdeeld, dan wel waarbij zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor het negatieve saldo.\n\n3. Waarborgsom\n\n2.4.15.. Vast staat dat de waarborgsom voor de huurwoning van partijen € 2.400,- bedroeg. Partijen verschillen van mening over de vraag hoe deze waarborgsom moet worden verdeeld.\n\n2.4.16.. De rechtbank stelt vast dat de vrouw in haar verweerschrift heeft gesteld dat de waarborgsom van partijen nog niet is vrijgegeven, omdat de nevenkosten nog moesten worden voldaan en de hoogte daarvan nog moest worden vastgesteld. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de nevenkosten moeten worden verrekend met de waarborgsom die de vrouw heeft teruggekregen en dat het restant tussen partijen moet worden verdeeld. Uit de door de vrouw overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat over 2023 een bedrag van € 1.290,97 aan nevenkosten in rekening is gebracht en over 2024 een bedrag van € 588,-, derhalve in totaal € 1.878,97. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw met de door haar overgelegde stukken niet aangetoond dat zij de waarborgsom niet heeft teruggekregen en dat bovenstaande nevenkosten hier bovenop in rekening zijn gebracht. Nu de nevenkosten de waarborgsom niet overstijgen, zal de rechtbank bepalen dat het resterende deel van de waarborgsom bij helfte moet worden verdeeld tussen partijen. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 260,52 aan de man moet voldoen (€ 2.400 - € 1.878,97 \u002F 2).\n\n4. Tegemoetkoming DUO\n\n2.4.17.. Tussen partijen staat vast dat de vrouw tijdens het huwelijk een tegemoetkoming heeft ontvangen van de DUO ter hoogte van € 1.800,-. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de helft van dit bedrag aan hem moet voldoen. De vrouw heeft hiertegen naar voren gebracht dat de tegemoetkoming niet in de gemeenschap valt, omdat deze is verknocht aan haar.\n\n2.4.18.. De rechtbank stelt voorop dat naar vaste rechtspraak alleen in uitzonderlijke gevallen op grond van bijzondere verknochtheid kan worden afgeweken van de hoofregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat. De vraag of een goed op bijzondere wijze is verknocht en zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, hangt af van de aard van dat goed, zoals mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. De omstandigheid dat de vrouw een tegemoetkoming heeft ontvangen, omdat zij in coronatijd is afgestudeerd, betekent niet reeds dat sprake is van verknochtheid. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de verknocht rust op de vrouw.\n\n2.4.19.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende gesteld en onderbouwd dat de tegemoetkoming die zij heeft ontvangen van de DUO, aan haar is verknocht. De tegemoetkoming is een financiële compensatie waar studenten tijdens de corona epidemie onder voorwaarden aanspraak op hebben, wat niet kan worden aangemerkt als verknocht aan de vrouw. Dit betekent dat de tegemoetkoming bij helfte moet worden verdeeld tussen partijen, wat betekent dat de vrouw een bedrag van € 900,- aan de man moet voldoen.\n\n5. Schulden\n\n2.4.20.. Uit de door de man overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat op de peildatum een schuld aan de belastingdienst aanwezig was in verband met teveel ontvangen zorgtoeslag over de jaren 2018 tot en met 2020. De man heeft daarnaast gesteld dat op de peildatum een creditcardschuld aanwezig was van de ABN AMRO Credit Card, welke schuld is ontstaan tijdens het huwelijk. Ook heeft de man gesteld dat hij daadwerkelijk een schuld heeft aan [naam] vanwege een lening die hij heeft afgesloten om in de kosten van zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. De man heeft daartoe ook een lening overeenkomst overgelegd.\n\n2.4.21.. Nu de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat bovenstaande schulden huwelijkse schulden betreffen die aanwezig waren op de peildatum, zal de rechtbank bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hoogte van deze schulden per peildatum (17 december 2024).\n\n2.5.. Proceskosten\n\n2.5.1.. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;\n\n3.2.. bepaalt dat de vrouw € 202,- per maand dient te betalen aan de man als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n3.3.. gelast de wijze van verdeling van de banksaldi van partijen aldus, dat de vrouw de man inzage moet geven in de saldi van de op haar naam staande bankrekeningen per peildatum (17 december 2024), waarna zij de helft van de banksaldi aan de man moet betalen;\n\n3.4.. bepaalt verder in het kader van de verdeling dat de vrouw een bedrag van € 260,52 aan de man moet voldoen uit het restant van de waarborgsom, alsmede een bedrag van € 900,- inzake de tegemoetkoming van DUO;\n\n3.5.. bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hoogte van de schuld aan de belastingdienst, de creditcardschuld bij de ABN AMRO en de schuld aan [naam] per peildatum (17 december 2024);\n\n3.6.. verklaart de beslissing met betrekking tot de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;\n\n3.8.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C.S. Goedèl, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 5 maart 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2240","2026-07-13T00:29:40.532Z",{"id":171,"ecli":172,"slug":173,"caseNumber":44,"courtId":114,"decisionDate":174,"fullText":175,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":176,"sourceTimestamp":177,"parsedAt":52,"updatedAt":178},"1525","ECLI:NL:RBZWB:2026:5087","ecli-nl-rbzwb-2026-5087","2026-02-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F435794 \u002F HA ZA 25-310\n\nVonnis van 4 februari 2026\n\nin de zaak van\n\n [eisende partij],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eisende partij] ,\n\nadvocaat: mr. K.M. van Wijngaarden,\n\ntegen\n\n [gedaagde partij] handelend onder de naam [bedrijf],\n\nwonende\u002Fgevestigd in [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij] ,\n\nadvocaat: mr. A.M.M. de Waal.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [eisende partij] en de heer [persoon] (hierna te noemen: “ [persoon] ) zijn ex-partners, die samen twee kinderen hebben. [persoon] is bij beschikking van 28 november 2017 veroordeeld tot betaling van kinderalimentatie aan [eisende partij] . [persoon] heeft de kinderalimentatie niet betaald. [eisende partij] heeft daarom ten laste van [persoon] loonbeslag gelegd onder [gedaagde partij] , de werkgever van [persoon] . [gedaagde partij] heeft hierna een verklaring afgelegd dat zij maandelijks € 318,18 aan [persoon] moet betalen. [eisende partij] betwist dat die verklaring juist is. [eisende partij] stelt dat het loon van [persoon] hoger moet zijn. [eisende partij] wil daarom dat [gedaagde partij] voor de rechtbank een nieuwe verklaring aflegt. Ook eist [eisende partij] dat [gedaagde partij] veroordeeld wordt tot betaling van het bedrag dat zij aan [eisende partij] moet betalen. De rechtbank wijst deze vorderingen af.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties van 16 mei 2025;\n\n- de akte in aanvulling op de conclusie van eis van 2 juli 2025 van [eisende partij] ; - de conclusie van antwoord met producties van 13 augustus 2025; - de conclusie van repliek met producties van 24 september 2025; - de conclusie van dupliek met producties van 5 november 2025; - de akte uitlating producties en overlegging productie 11 van 3 december 2025 van [eisende partij] ;\n\n- de antwoordakte uitlaten productie 11 van 24 december 2025 van [gedaagde partij] .\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [gedaagde partij] drijft een eenmanszaak onder de naam [bedrijf] . Deze eenmanszaak richt zich op arbeidsbemiddeling en de detachering van personeel.\n\n3.2.. \n [gedaagde partij] is de echtgenote van [persoon] . Voordat [gedaagde partij] met [persoon] een relatie kreeg, heeft [eisende partij] een relatie gehad met [persoon] . [eisende partij] en [persoon] hebben samen twee minderjarige kinderen. Deze relatie is in 2015 geëindigd.\n\n3.3.. \n [eisende partij] heeft op 9 oktober 2017 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank tot vaststelling van de kinderalimentatie. Dit verzoek is bij beschikking van 28 november 2017 toegewezen. Op grond van deze beschikking moet [persoon] kinderalimentatie betalen aan [eisende partij] .\n\n3.4.. \n [persoon] heeft de kinderalimentatie niet betaald. De deurwaarder heeft daarom onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om de kinderalimentatie betaald te krijgen door [persoon] .\n\n3.5.. Uit dit onderzoek is in februari 2025 gebleken dat [persoon] in loondienst is bij [bedrijf] , de eenmanszaak van [gedaagde partij] .\n\n3.6.. Op 28 februari 2025 heeft [eisende partij] executoriaal loonbeslag gelegd onder [gedaagde partij] ten laste van [persoon] .\n\n3.7.. \n [gedaagde partij] heeft op 29 maart 2025 een verklaring afgelegd over het bedrag dat [gedaagde partij] aan [persoon] verschuldigd is en zal zijn. In de verklaring staat dat [gedaagde partij] per vier weken een brutoloon van € 500,00 betaalt aan [persoon] . Bij de verklaring zijn drie loonspecificaties gevoegd. In de loonspecificaties is een brutoloon van € 1.600,00 opgenomen, waarop maandelijks uren in mindering worden gebracht tot een bedrag van ongeveer € 1.300,00. Er resteert daardoor een nettoloon van tussen de € 313,18 tot € 335,55 per vier weken. De beslagvrije voet bedraagt volgens de verklaring € 341,00. Verder is in de verklaring vermeld dat er schulden zijn bij [website] en de Belastingdienst, die op 18 en 20 maart 2025 eveneens loonbeslag zouden hebben gelegd.\n\n3.8.. \n\nOp het LinkedIn-profiel van [persoon] stond dat hij Maintenance Supervisor is.\n\nUit informatie van de Nationale Vacaturebank blijkt dat het salaris van een Maintenance Supervisor tussen de € 3.395,00 en 4.019,00 bruto per maand bedraagt.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eisende partij] vordert - samengevat – om [gedaagde partij] te bevelen een gerechtelijke verklaring te doen naar aanleiding van het beslag van 28 februari 2025. Daarnaast vordert [eisende partij] om [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling of afgifte van hetgeen zij aan [eisende partij] verschuldigd is.\n\n4.2.. \n [eisende partij] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij betwist dat [gedaagde partij] als derde-beslagene een juiste verklaring heeft afgelegd over het bedrag dat zij maandelijks verschuldigd is aan [persoon] .\n\n4.3.. \n [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.\n\n4.4.. \n [gedaagde partij] bestrijdt dat zij een onjuiste verklaring heeft afgelegd over het bedrag dat zij per maand moet betalen aan [persoon] . [gedaagde partij] blijft bij de door haar afgelegde verklaring, die zij in deze procedure verder toelicht en aanvult.\n\n4.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\n [gedaagde partij] wordt niet veroordeeld tot het afleggen van een gerechtelijke verklaring\n\n5.1.. De rechtbank wijst de vordering van [eisende partij] om [gedaagde partij] te bevelen om een gerechtelijke verklaring te verstrekken af. De reden daarvoor is dat [gedaagde partij] in deze procedure heeft volhardt in de door haar afgelegde verklaring. [gedaagde partij] heeft deze verklaring verder toegelicht en aangevuld in de door haar ingediende processtukken. [gedaagde partij] heeft daarmee al een gerechtelijke verklaring afgelegd, zodat [eisende partij] geen belang meer heeft bij deze vordering. De rechtbank gaat hierna inhoudelijk op de verklaring van [gedaagde partij] in.\n\nDe vordering van [eisende partij] tot veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling wordt afgewezen\n\n5.2.. De vordering van [eisende partij] tot veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van het bedrag dat zij verschuldigd is aan [eisende partij] wordt ook afgewezen. Hoewel [eisende partij] de verklaring van [gedaagde partij] heeft betwist, moet de rechtbank uitgaan van de juistheid van de verklaring van [gedaagde partij] . Uit die verklaring volgt dat [gedaagde partij] geen bedrag aan [eisende partij] hoeft te betalen. De rechtbank zal dit oordeel hierna uitleggen.\n\n [eisende partij] heeft onvoldoende betwist dat de verklaring van [gedaagde partij] juist is\n\n5.3.. \n [eisende partij] betwist de juistheid van de verklaring van [gedaagde partij] van 29 maart 2025. [eisende partij] betwist ook de toelichting en de aanvulling die [gedaagde partij] in deze procedure op haar verklaring heeft gegeven.\n\n5.4.. \n [eisende partij] stelt zich op het standpunt dat het door [gedaagde partij] opgegeven loon van [persoon] van € 500,00 bruto per vier weken onevenredig laag is. Volgens [eisende partij] is [persoon] werkzaam als Maintenance Supervisor.Het gemiddeld salaris van een Maintenance Supervisor bedraagt tussen de € 3.395,00 en 4.019,00 bruto per maand.[eisende partij] acht een vergoeding van € 3.800 bruto per maand daarom redelijk voor de werkzaamheden van [persoon] . Hierdoor zou per maand € 1.200,00 door het beslag getroffen zijn in plaats van het door [gedaagde partij] opgegeven bedrag van gemiddeld € 500,00 bruto per maand.\n\n5.5.. Daarnaast trekt [eisende partij] de loonspecificaties in twijfel. De reden daarvoor is dat in de loonspecificaties een salaris van € 1.600,00 bruto per maand is opgenomen, maar daarop maandelijks uren in mindering worden gebracht tot een bedrag van € 1.300,00 bruto per maand.\n\n5.6.. De rechtbank stelt voorop dat de stelplicht en bewijslast voor de stelling dat de verklaring van [gedaagde partij] onjuist is op [eisende partij] als beslaglegger rusten.[gedaagde partij] dient op haar beurt gemotiveerd te betwisten dat haar verklaring onjuist is. Daarnaast mag in een verklaringsprocedure zoals deze van [gedaagde partij] als derde-beslagene verwacht worden dat zij haar verklaring met redenen omkleedt en haar verklaring zo veel mogelijk vergezeld doet gaan met stukken ter onderbouwing van die verklaring.\n\n5.7.. De rechtbank concludeert dat [gedaagde partij] gemotiveerd heeft betwist dat haar verklaring onjuist is en dat zij haar verklaring heeft onderbouwd met verschillende stukken. [eisende partij] heeft onvoldoende onderbouwd dat de verklaring van [gedaagde partij] desondanks onjuist is. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\n5.8.. \n [gedaagde partij] heeft gemotiveerd weersproken dat zij een onjuiste verklaring heeft afgelegd. [gedaagde partij] heeft aangevoerd dat de functieomschrijving van [persoon] op LinkedIn verouderd is. [persoon] is van 30 juni 2024 tot 1 mei 2025 in dienst geweest bij [gedaagde partij] in de functie van monteur metaaltechniek voor gemiddeld zeven uur per week. [gedaagde partij] heeft dit onderbouwd door de tussen [gedaagde partij] en [persoon] gesloten arbeidsovereenkomst.Het lage inkomen van [persoon] kan volgens [gedaagde partij] worden verklaard, doordat [persoon] gemiddeld maar zeven uur per week werkt omdat hij vooral voor de kinderen en het huishouden zorgt.\n\n5.9.. \n [gedaagde partij] heeft daarbij het formulier van de deurwaarder ingevuld. Bij dat formulier heeft zij drie loonspecificaties gevoegd, waarop zij in deze procedure een nadere toelichting heeft gegeven. [gedaagde partij] heeft toegelicht dat er maandelijks uren in mindering zijn gebracht op de loonspecificaties van [persoon] , omdat in het boekhoudsysteem standaard wordt gerekend met 152 uur per vier weken terwijl [persoon] gemiddeld 7 uur per week werkt. [gedaagde partij] heeft een e-mailbericht van de boekhouder overgelegd, waarin hij dit uitlegt.De boekhouder heeft ook bevestigd dat de door [gedaagde partij] aan de deurwaarder toegestuurde verklaring juist is.\n\n5.10.. \n [gedaagde partij] heeft door deze onderbouwing voldaan aan haar verplichting om haar verklaring met feitelijke gegevens te staven.5.11.. \n [eisende partij] heeft tegen de stellingen van [gedaagde partij] uitsluitend ingebracht dat [persoon] al vanaf 2018 in dienst was bij [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft erkend dat [persoon] al vanaf 2018 voor haar werkzaam was, maar dat [persoon] pas vanaf 30 juni 2024 bij haar werkzaam is als monteur metaaltechniek. Dit maakt niet dat de verklaring van [gedaagde partij] onjuist is. [eisende partij] heeft namelijk geen verweer gevoerd tegen de stellingen van [gedaagde partij] dat [persoon] vanaf 30 juni 2024 werkzaam was in de functie van monteur metaaltechniek voor gemiddeld zeven uur per week. [eisende partij] heeft de beperkte omvang van het dienstverband van [persoon] en de toelichting daarop van [gedaagde partij] niet betwist. Daarmee staat vast dat [persoon] gemiddeld zeven uur per week als monteur metaaltechniek werkte bij [gedaagde partij] . Door [eisende partij] is niet gesteld waarom het in de verklaring genoemde loon van € 500,00 bruto per vier weken voor een monteur metaaltechniek die zeven uur per week werkt onredelijk laag is. [eisende partij] heeft verder niets ingebracht tegen de verklaring van [gedaagde partij] over de redenen waarom en de wijze waarop er minderuren worden verrekend. [eisende partij] heeft ook niet gesteld dat er nog andere redenen zijn om aan te nemen dat de door [gedaagde partij] afgelegde verklaring en\u002Fof de informatie uit de loonspecificaties onjuist zijn. De enkele stelling van [eisende partij] dat de verklaringen van [gedaagde partij] leugenachtig zijn is niet voldoende, omdat die stelling niet nader is onderbouwd. Om die reden is niet vast komen te staan dat [persoon] tegen een onevenredig lage vergoeding voor [gedaagde partij] werkzaamheden heeft verricht.\n\n [gedaagde partij] hoeft niets aan [eisende partij] te betalen\n\n5.12.. De conclusie is dan ook dat [eisende partij] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verklaring van [gedaagde partij] over de hoogte van het inkomen van [persoon] en het door het beslag getroffen bedrag onjuist is. De rechtbank moet daarom uitgaan van de juistheid van de verklaring van [gedaagde partij] .\n\n5.13.. \n [gedaagde partij] heeft verklaard dat zij maandelijks € 318,18 aan [persoon] verschuldigd is. Uit de verklaring volgt daarnaast dat de beslagvrije voet € 341,00 bedraagt. [eisende partij] heeft niet betwist dat die beslagvrije voet juist is. Doordat het maandelijkse salaris van [persoon] lager is dan de beslagvrije voet, hoeft [gedaagde partij] niets aan [eisende partij] af te dragen.\n\nHet dienstverband van [persoon] bij een andere werkgever is niet relevant\n\n5.14.. Over het nieuwe dienstverband van [persoon] bij een andere werkgever overweegt de rechtbank voor de goede orde nog dat de discussie daarover relevantie mist. Zelfs als vast zou komen te staan dat [persoon] in dienst is gebleven bij [gedaagde partij] , is [gedaagde partij] niet gehouden om bedragen aan [eisende partij] te betalen gelet op de conclusie van de rechtbank bij rechtsoverweging 5.13. Tot slot geldt dat de rechtbank moet beoordelen of de door [gedaagde partij] afgelegde verklaring van 29 maart 2025 over het bedrag dat zij aan [persoon] verschuldigd is juist is. Het nieuwe dienstverband staat daar los van, nog daargelaten dat [eisende partij] niet met feitelijke gegevens heeft onderbouwd dat [persoon] vanaf 1 mei 2025 nog in dienst is geweest bij [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft daarbij verschillende stukken ingediend waarmee wordt onderbouwd dat [persoon] sindsdien in dienst is bij een andere werkgever.\n\n [eisende partij] moet de proceskosten van [gedaagde partij] vergoeden\n\n5.15.. Hoewel het gaat om de executie van een beschikking tot betaling van kinderalimentatie en de proceskosten in familierechtelijke geschillen in beginsel worden gecompenseerd, wordt in deze zaak een proceskostenveroordeling uitgesproken.De reden daarvoor is dat [eisende partij] [gedaagde partij] heeft aangesproken als derde-beslagene. [gedaagde partij] is dus geen partij bij het geschil over de kinderalimentatie, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om de proceskosten te compenseren.\n\n5.16.. \n [eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n331,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.535,00\n\n(2,5 punten × € 614,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n178,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.044,00\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eisende partij] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 2.044,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.\n\n Artikel 477a lid 2 Wetboek van Rechtsvordering (Rv).\n\n Productie 5 bij dagvaarding.\n\n Productie 6 bij dagvaarding.\n\n Artikel 150 Rv; Hoge Raad 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5256.\n\n Artikel 476a lid 2 en 476b Rv; Hoge Raad 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5256.\n\n Productie 1 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 3 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 3 bij conclusie van antwoord.\n\n Artikel 476b lid 2 Rv; Hoge Raad 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5256.\n\n Productie 2 conclusie van antwoord en productie 4-10 conclusie van dupliek.\n\n Artikel 237 Rv.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5087","2026-06-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.389Z",{"id":180,"ecli":181,"slug":182,"caseNumber":44,"courtId":183,"decisionDate":184,"fullText":185,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":186,"sourceTimestamp":184,"parsedAt":52,"updatedAt":187},"716","ECLI:NL:GHARL:2026:81","ecli-nl-gharl-2026-81",70,"2026-01-08T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.349.155\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 562863)\n\nbeschikking van 8 januari 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker](de man),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nverzoeker in het principaal hoger beroep,\n\nverweerder in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. D. Rezaie te Amsterdam,\n\nen\n\n [verweerster](de vrouw),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nverweerster in het principaal hoger beroep,\n\nverzoekster in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. I.M.G. Maste te Almere.\n\n1. De procedure in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 11 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met bijlage(n)*, ingekomen op 10 december 2024;\n\n- een journaalbericht namens de man van 26 januari 2025 net bijlage(n);\n\n- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;\n\n- een journaalbericht namens de man van 8 oktober 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vrouw van 28 oktober 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de man van 3 november 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de man van 10 november 2025 met bijlage(n).\n\n2.2.. De mondelinge behandeling heeft op 11 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn de man met zijn advocaat en een tolk in de taal Farsi en de vrouw met haar advocaat. De advocaat van de vrouw heeft mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n\nPartijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd in [plaats] ( Iran ). In de (vertaalde) huwelijksakte is onder andere het volgende opgenomen:\n\n“MARRIAGE PORTION : One volume of Holy Koran for Rls. 10,000 and one set of mirror and a candle holder for Rls.200,000 which are recieved and 100 gold coins which are indebted by the husband and payable on demand.signed.”\n\n3.2.. De man is in 1994 naar Nederland gekomen. De vrouw is in 1998 met de oudste dochter van partijen in het kader van gezinshereniging in Nederland bij de man komen wonen. In 2000 hebben de man en de vrouw samen nog een dochter gekregen.\n\n3.3.. Partijen hebben sinds ongeveer 2008 de Nederlandse nationaliteit.\n\n3.4.. De man en de vrouw waren eigenaar van een woning aan de [adres] te [woonplaats] . Voor de aankoop van die woning hadden zij een hypothecaire lening afgesloten bij NIBC.\n\n3.5.. De vrouw heeft op 29 augustus 2023 een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking van 11 september 2024 de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 22 januari 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is ontbonden.\n\n3.6.. \n\nBij beschikking van 2 december 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland in aanvulling op de bestreden beschikking als volgt beslist:\n\n“4.1. gelast, in aanvulling op de beschikking van 11 september 2024, de wijze van verdeling van de woning aan de [adres] in [woonplaats] als volgt:e. in beide situaties, bij overname door de vrouw of bij verkoop van de woning aan een derde, dient de over- dan wel onderwaarde tussen partijen bij helfte te worden verdeeld, dan wel te worden gedragen. De over- of onderwaarde wordt als volgt berekend = taxatiewaarde of verkoopprijs -\u002F- hypotheekschuld op 26 november 2023;4.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;4.3. bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten betalen;4.4. wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.”3.7.. De voorzieningenrechter in kort geding in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 22 april 2025, in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat dat vonnis ex artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in de plaats treedt van de medewerking van de man en alle daarmee verband houdende stukken benodigd voor de juridische levering van de eigendom van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] aan de vrouw, de man veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders verzochte afgewezen. In reconventie heeft hij de vorderingen van de man afgewezen.\n\n3.8.. \n\nDe akte van verdeling van de bovenvermelde woning is op 17 juli 2025 gepasseerd. Hierbij is de woning toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 415.000,- en onder de verplichting voor de vrouw om: a. met ingang van de overnamedatum alle verplichtingen voortvloeiend uit de hypotheekschuld bij NIBC ter hoogte van (afgerond) € 256.870,- voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen;\n\nb. wegens overbedeling aan de man een bedrag van € 79.065,- te voldoen.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1.. Bij de bestreden beschikking van 11 september 2024 heeft de rechtbank, voor zover in dit hoger beroep van belang, als volgt beslist:\n\n“4.3. gelast de wijze van verdeling van de woning aan de [adres] in [woonplaats] als volgt:\n\na. de woning zal worden toegedeeld aan de vrouw tegen een nog te taxeren waarde, onder de ontbindende voorwaarden dat de vrouw binnen drie maanden na datum inschrijving echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand aan de man aantoont dat zij in staat is de woning over te nemen en hem te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;\n\nb. de woning wordt getaxeerd door [makelaardij] waartoe partijen binnen een week na vandaag gezamenlijk opdracht tot taxatie geven. Beide partijen behoren hun medewerking aan de taxatie te verlenen en geen van hen (ook geen derde) zal aanwezig zijn bij de taxatie. Partijen dienen de kosten van de taxatie bij helfte te dragen;\n\nc. indien aan de hiervoor onder a. genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal de man zijn aandeel in de woning overdragen aan de vrouw, onder de voorwaarde dat hij uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening wordt ontslagen;\n\nd. indien en voor zover niet aan de hiervoor onder a genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal de woning worden verkocht en geleverd aan een derde, waartoe partijen gezamenlijk een verkoopopdracht zullen verstrekken aan de hiervoor bedoelde makelaar, die partijen, indien zij geen overeenstemming bereiken, bindend zal adviseren ten aanzien van de vraag- en laatprijs. Bij verkoop en levering van de woning dient uit de verkoopopbrengst de op de woning rustende hypothecaire geldlening te worden afgelost en dienen de kosten verbonden aan de verkoop te\n\nworden voldaan;4.4.. bepaalt dat de man aan de vrouw dient te voldoen de bruidsgave, zijne het equivalent van 100 gouden munten, zijnde een bedrag van€ 49.820,-;\n\n4.5.. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft;”.\n\n4.2.. De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\n- de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de beslissingen betreft met betrekking tot de bruidsgave en de toedeling van de woning aan de vrouw tegen een nog te taxeren waarde,\n\nen opnieuw beschikkende, te bepalen dat:\n\nde woning tegen een waarde van € 427.261,- aan de vrouw zal worden toegedeeld;\n\nde inboedelgoederen van de echtelijke woning onder verrekening van een bedrag van € 10.000,- door de vrouw aan de man, aan de vrouw worden toegescheiden,\n\nde sieraden van partijen onder verrekening van een bedrag van € 25.000,- door de vrouw aan de man, aan de vrouw worden toegescheiden.\n\n4.3.. \n\nDe vrouw voert verweer en is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. Haar grief ziet op de waarde van de bruidsgave. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep: primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep en subsidiair de verzoeken van de man in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.in het incidenteel hoger beroep:1. A. de bestreden beschikking onder 4.4 van het dictum op het punt van de waarde van de\n\n100 gouden munten te vernietigen en\n\n B. te bepalen dat de man binnen één week na de door het hof uit te spreken beschikking aan de vrouw moet voldoen: 100 (honderd) Bahar Azadi gouden munten met de volgende specifieke informatie: maat 1 met een gewicht van 8,13598 (gram), met nettogewicht van puur goud 7.32238 (gram), 22 mm met de puurheid van 0.9000 en bij het uitblijven van deze betaling: het equivalent daarvan te bepalen aan de hand van de wisselkoers primair per datum beschikking, subsidiair per datum zitting.\n\n2. Te bepalen dat de man het onder 1 toegekende equivalent binnen één week en één dag na de beschikking dient te voldoen.\n\n3. Te bepalen dat het onder 1 vermelde bedrag na het verstrijken van de termijn van één week zal worden vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nIn het principaal en incidenteel hoger beroep:\n\n4. onder veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.\n\n4.4.. De man voert verweer en hij verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in het incidenteel hoger beroep, dan wel die verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking op de punten waarop het incidenteel hoger beroep betrekking heeft te bekrachtigen.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\n5.1.. De kern van het geschil betreft de vermogensrechtelijke afwikkeling ten gevolge van de ontbinding van het huwelijk van partijen en meer in het bijzonder de waarde van de voormalige echtelijke woning, de vraag of de man de bruidsgave aan de vrouw dient te voldoen en zo ja, welke waarde aan de bruidsgave moet worden toegekend. Daarnaast ligt de vraag voor of de inboedel, de sieraden en het goud moeten worden verdeeld en zo ja, tegen welke waarde.\n\nRechtsmacht5.2.. \n\nDe zaak kent internationale elementen. Daarom zal het hof beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is de hiervoor vermelde nevenverzoeken in de echtscheidingsprocedure te beoordelen.\n\nOmdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de echtscheiding, komt de Nederlandse rechter tevens rechtsmacht toe om beslissingen te nemen over zaken betreffende de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.Op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk is Iraans recht van toepassing (zie 5.7). Volgens Iraans recht ontstaat er geen gemeenschappelijk vermogen door het huwelijk, maar is er een strikte scheiding van vermogen gedurende het huwelijk. De voorliggende verzoeken betreffen, met uitzondering van het verzoek over de bruidsgave, dan ook verzoeken die hun grondslag vinden in het algemene vermogensrecht.\n\n5.3.. Volgens de in Nederland geldende heersende leer is de bruidsgave een rechtsfiguur met een geheel eigen karakter (sui generis). De rechtsmacht ten aanzien van het verzoek dat betrekking heeft op de bruidsgave wordt niet bestreken door internationale verdragen of verordeningen. Het betreft een nevenvoorziening bij het echtscheidingsverzoek. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzoek over de bruidsgave.\n\n5.4.. De eenvoudige gemeenschap van woning vindt zijn oorsprong niet in het relatievermogensrecht. Het verzoek heeft betrekking op de toedeling van de woning en de waarde van de woning in het kader van de verdeling van die woning en betreft dus een zakelijk recht. Omdat de ligging van de woning in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.\n\n5.5.. Ook de verzoeken ten aanzien van de inboedel, de sieraden en het goud vinden hun als gezegd hun grondslag in het algemene vermogensrecht. Omdat de man, verweerder in eerste aanleg, in Nederland woonplaats heeft, komt de Nederlandse rechter ook ten aanzien van deze verzoeken rechtsmacht toe.\n\nToepasselijk recht5.6. Partijen verschillen van mening over het van toepassing zijnde recht op de verzoeken die betrekking hebben op de bruidsgave en op de (verdeling van de) inboedel, de sieraden en het goud. Het hof dient daarom te beoordelen welk recht van toepassing is op de genoemde verzoeken.\n\n5.7.. Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] in Iran . Zij hebben geen rechtskeuze uitgebracht. Partijen hadden ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de [nationaliteit] . Gelet op het arrest Chelouche\u002FVan Leerdient – bij gebreke van een rechtskeuze – te worden aangesloten bij het recht van het land waarvan de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de nationaliteit hadden. Dat betekent dat het Iraans huwelijksvermogensrecht dient te worden toegepast. Partijen zijn het erover eens dat de woning, de inboedel, de sieraden en het goud op grond van het toepasselijke huwelijksvermogensrecht niet gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn geworden.\n\n5.8.. De rechtsfiguur van de bruidsgave, die is gekwalificeerd als sui generis, wordt volgens de heersende leer onderworpen aan het recht dat het huwelijk beheerst, omdat de bruidsgave onlosmakelijk is verbonden met het huwelijk. Omdat op het huwelijk Iraans recht wordt toegepast, leidt dat ertoe dat de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave moet worden beoordeeld naar het Iraans recht. Dat kennelijk slechts in zeer geringe mate een nauwe band met Iran bestaat en een veel nauwere band met Nederland bestaat, zoals door de man aangevoerd, is door hem slechts ten dele en daarmee onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet gebleken.\n\n5.9.. Bij de mondelinge behandeling bij het hof is duidelijk geworden dat geen van partijen beoogd heeft een grief te richten tegen de toepassing van Nederlands recht op het verzoek van de man met betrekking tot de woning. Daarom zal ook het hof van de toepasselijkheid van het Nederlandse recht op dit verzoek uit gaan.\n\n5.10.. \n\nDe verzoeken van de man met betrekking tot de (verdeling van de) inboedel, de sieraden en het goud betreffen het goederenrechtelijke regime van deze zaken. Omdat deze zaken zich op het grondgebied van Nederland bevinden, is hierop Nederlands recht van toepassing.\n\nBespreking van de geschilpunten\n\nDe bruidsgave5.11.. Aan de orde is de vraag of de man de bruidsgave aan de vrouw is verschuldigd en zo ja, wat het equivalent van de waarde van de gouden munten in euro’s is.\n\n5.12.. Het staat vast dat partijen bij de huwelijksvoltrekking in Iran een bruidsgave zijn overeengekomen van 100 gouden munten. Deze bruidsgave is naar Iraans recht opeisbaar. Ook staat vast dat de vrouw geen afstand heeft gedaan van de bruidsgave. Dit heeft ze ter zitting expliciet verklaard. De man is dan ook de 100 gouden munten aan de vrouw verschuldigd.\n\n5.13.. Het hof moet vervolgens nagaan of de hiervoor vermelde uitkomst naar Iraans recht mogelijk in strijd is met de Nederlandse openbare orde. De man voert aan dat er sprake is van een khul-echtscheiding op grond waarvan hij de bruidsgave in Iran niet zou zijn verschuldigd. De vrouw betwist dit. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van schending van de Nederlandse openbare orde. In Nederland is een echtscheidingsprocedure gevoerd waarbij Nederlands recht op de beslissing tot echtscheiding is toegepast. Dit echtscheidingsverzoek is tegelijk met het verzoek tot voldoening van de bruidsgave ingediend en tegen de echtscheidingsbeslissing is geen grief ingesteld, waardoor de beslissing met betrekking tot de naar Nederlands recht uitgesproken echtscheiding onherroepelijk is geworden. De aldus in Nederland gevoerde echtscheidingsprocedure kan niet worden gekwalificeerd als een khul-scheiding. Dat de vrouw in het kader van een kuhl-scheiding in Iran mogelijk afstand had moeten doen van de bruidsgave, maakt niet dat veroordeling van de man tot betaling van de bruidsgave in strijd komt met de Nederlandse openbare orde. Vaststaat immers dat de vrouw van de bruidsgave geen afstand heeft gedaan, zodat deze opeisbaar is. Ook in de hoogte van de bruidsgave ziet het hof geen reden om veroordeling van de man tot betaling daarvan in strijd te achten met de Nederlandse openbare orde. Wat er ook zij van het argument als zodanig, uit het dossier is voldoende gebleken dat de man geacht kan worden de bruidsgave te kunnen voldoen. Het hof zal het verzoek van de vrouw tot voldoening van de bruidsgave in gouden munten daarom toewijzen.\n\nDe waarde van de gouden munten5.14.. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het hof toekomt aan de beoordeling van de vraag hoe de waarde van de gouden munten moet worden vastgesteld. Niet in geschil is dat met de gouden munten waar de bruidsgave op ziet, gedoeld wordt op de Iraanse Bahar Azadi munt, die als volgt is gespecificeerd: een diameter van 22 millimeter en een gewicht van 8,13598 gram waarvan 7,32238 gram puur goud met een fijnheid van 0.900.\n\n5.15.. In hoger beroep wenst de vrouw, anders dan in eerste aanleg, uit te gaan van een waarde in euro’s ter hoogte van de waarde op primair de datum van de uitspraak van het hof en subsidiair van de datum van de zitting bij het hof (11 november 2025).\n\n5.16.. Het hof constateert dat het Iraanse recht geen rechtsregel kent die iets bepaalt over de waarde van het equivalent van de gouden munten in andere (buitenlandse) valuta. Wel kent het Iraanse recht regels met betrekking tot de waarde van de bruidsgave als het bedrag daarvan is overeengekomen in Rial . Deze regels zijn opgenomen in de uitvoeringswetgeving bij artikel 1082 van het Iraans Burgerlijk Wetboek. Hierin is bepaald dat het moment waarop uitbetaling wordt gevraagd, beslissend is voor de bepaling van de waarde van de bruidsgave. Hierbij zal het hof naar analogie aansluiten. Dat betekent dat de waarde van de gouden munten moet worden bepaald tegen de koers op de dag dat de vrouw voor het eerst de bruidsgave in rechte heeft opgeëist. In dit geval is dat de dag van indiening van het echtscheidingsverzoek (29 augustus 2023).\n\n5.17.. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de vrouw wenst, op grond van de (Nederlandse) redelijkheid en billijkheid een andere waarde vast te stellen dan € 49.820,-, zijnde het bedrag dat de vrouw in eerste aanleg heeft verzocht en welk bedrag door de man niet wordt weersproken. Het Iraanse recht is van toepassing op de bruidsgave en dit recht biedt verder geen aanknopingspunten voor de vaststelling van de waarde per een andere datum. Dat geldt ook voor de door de vrouw verzochte toepassing van de wettelijke rente bij te late voldoening (volgens Nederlands recht).\n\n5.18.. \n\nUit rechtsoverweging 5.13 in combinatie met rechtsoverweging 5.17 en 5.18 volgt dat de man een bruidsgave van 100 gouden munten is verschuldigd aan de vrouw of een bedrag van € 49.820,- als equivalent voor de waarde van die munten per datum waarop de vrouw de bruidsgave voor het eerst in rechte heeft opgeëist. Omdat de vrouw in hoger beroep haar verzoek met betrekking tot de bruidsgave heeft aangepast, zal het hof de man veroordelen tot betaling van de gouden munten of de vervangende waarde daarvan in euro’s van € 49.820,-. Hieruit volgt dat grief I van de man faalt en grief A van de vrouw deels faalt en deels slaagt.\n\nDe woning in [woonplaats]5.19.. Partijen verschillen van mening over de waarde van de woning. De man wil uitgaan van een waarde van € 427.261,- (het gemiddelde van de op pagina 29 van het taxatierapport van 24 september 2024 vermelde modelwaardes van € 429.318,- (Calcasa) en € 425.203,- (Ortax)). De vrouw vindt dat van de getaxeerde waarde van € 415.000,- moet worden uitgegaan.\n\n5.20.. \n\nPartijen hebben gezamenlijk een taxatierapport laten opmaken door [makelaardij] . Deze heeft de waarde van de woning getaxeerd op € 415.000,-.\n\nIn het taxatierapport wordt de afwijking van de door de man aangehaalde modelwaardes toegelicht: de kwaliteit van de verbouwing is matig uitgevoerd, de hal is weggehaald, waardoor het toilet grenst aan de woonkamer en ook de trap naar de verdieping is open, waardoor er warmteverlies is. Naar het oordeel van het hof heeft de makelaar hiermee de getaxeerde waarde van € 415.000,- onderbouwd. De man heeft op geen enkele wijze, bijvoorbeeld door een andere rapportage, onderbouwd dat de waarde van € 415.000,- niet klopt of dat de deskundige zijn werk niet goed heeft gedaan. Daarom faalt grief II van de man\n\nDe inboedel, de sieraden en het goud5.21.. De man vindt dat de inboedel, de sieraden en het goud moet worden verdeeld en dat alles aan de vrouw moet worden toegescheiden, waarbij zij aan hem dan voor de inboedel een bedrag van € 10.000,- is verschuldigd en een bedrag van € 25.000,- voor de sieraden en het goud. De vrouw stelt zich op het standpunt dat er niets hoeft te worden verdeeld, omdat het Iraanse recht geen huwelijksgemeenschap kent en de zaken ook overigens geen gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn geworden.\n\n5.22.. Het hof stelt voorop dat het toepasselijke Iraanse huwelijksvermogensrecht geen gemeenschap van goederen kent. Ter zitting heeft de man aangevoerd dat de inboedel, de sieraden en het goud in Nederland zijn aangeschaft van gemeenschappelijke gelden, te weten de PGB-gelden die werden ontvangen ten behoeve van de dochter van partijen. Niet gebleken is echter dat de PGB-gelden gemeenschappelijke inkomsten van partijen waren. De vrouw nam de zorg voor de dochter van partijen voor haar rekening, wat de man niet heeft betwist. Het daarvoor ontvangen PGB behoort daarom tot het inkomen van de vrouw en is op basis van het toepasselijke Iraanse huwelijksvermogensrecht niet in enige gemeenschap gevallen. Overigens is niet komen vast te staan dat de vrouw de ontvangen PGB-gelden anders heeft besteed, dan waarvoor deze waren bedoeld. Ook verder is niet komen vast te staan dat de inboedel, de sieraden en het goud van (andere) gemeenschappelijke gelden zijn aangeschaft of anderszins gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn. Hieruit volgt dat de grieven III en IV van de man falen.\n\n6. De slotsom\n\n6.1.. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven van de man in het principaal hoger beroep en faalt grief A van de vrouw in het incidenteel hoger beroep voor zover het de waarde van de gouden munten betreft. Het hof zal vanwege het aanvullende verzoek van de vrouw in hoger beroep en ter voorkoming van misverstanden punt 4.4 van het dictum van de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna onder 7 vermeld.\n\n6.2.. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, omdat het verzoek om een proceskostenveroordeling door de vrouw niet is gemotiveerd, partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de vermogensrechtelijke gevolgen van de ontbinding van hun huwelijk betreft.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:7.1.. vernietigt punt 4.4 van het dictum van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere , van 11 september 2024, en in zoverre opnieuw beschikkende:7.2.. bepaalt dat de man binnen één week van de datum van deze beschikking aan de vrouw dient te voldoen de bruidsgave van 100 gouden Bahar Azadi munten met de volgende specifieke informatie: een diameter van 22 millimeter en een gewicht van 8,13598 gram waarvan 7,32238 gram puur goud met een fijnheid van 0.900, althans het equivalent daarvan in euro’s, zijnde een bedrag van € 49.820,-;7.3.. bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere , van 11 september 2024 voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;7.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n7.5.. compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;7.6.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Knot, M.A.F. Veenstra en M. Kemmers, bijgestaan door mr. J.M.G. van Wijk als griffier, en is op 8 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n Artikel 5 lid 1 Huwelijksvermogensrechtverordening.\n\n Artikel 4 lid 3 Rv.\n\n Artikel 24, aanhef en sub 1, Brussel I-bis.\n\n Artikel 4 lid 1 Brussel I-bis.\n\n HR 10 december 1976, NJ 1977, 275.\n\n Een en ander in de zin van artikel 10:8 BW.\n\n Artikel 10:127 lid 1 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:81","2026-07-13T00:28:44.473Z",17,20,[11,191,192],2025,1915]