[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-maritime-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":89},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":23,"page":14,"limit":88},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},51,"maritime-law-nl","Maritime Law","NL","2026-07-08T16:53:53.209Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":17},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,62,71,79],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"664","ECLI:NL:GHARL:2026:4226","ecli-nl-gharl-2026-4226","",70,"2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.340.547\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 513216\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiser\n\nhierna: [appellant]\n\nadvocaat: mr. J.A.I. Verheul te Amsterdam\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde1]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\ndie ook hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als gedaagde\n\nen2. Wiflo Holding B.V.3. Extreme Tenders Holding B.V.4. Extreme Tenders B.V.5. Xtenders Shipyard B.V.6. Xtenders Custom B.V.7. Xtenders Yard B.V.8. Xtenders Carbon Solutions B.V.9. Extreme Tenders Shipyard B.V.10. Extreme Tenders Yard B.V.11. Xtenders Design B.V.12. Xtenders Production B.V.13. Xtenders Superyacht Solutions B.V.14. Xtenders Services B.V.15. Extreme Electric B.V.\n\ndie allen zaken doen in Almere en die bij de rechtbank optraden als gedaagden\n\nhierna samen: [geïntimeerden]en ieder afzonderlijk[geïntimeerde1]enXtenders c.s.\n\nadvocaat: mr. L.M. Noordzij te Amsterdam\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 11 oktober 2023tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis\n\n• de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep\n\n• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep\n\n• de akte overlegging producties van [geïntimeerden]\n\n• de akte overlegging producties van [appellant]\n\n• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 12 mei 2026 is gehouden.\n\nNa de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n [appellant] had een overeenkomst tot de bouw van een schip op maat. Die overeenkomst is ontbonden en zijn vordering tot terugbetaling van het al betaalde bedrag is toegewezen. Omdat de bouwende vennootschap geen verhaal meer bood, is [appellant] een aansprakelijkheidsprocedure gestart tegen [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt treft en hem veroordeeld tot betaling van een deel van het gevorderde bedrag. De rechtbank heeft de vordering tegen Xtenders c.s. afgewezen. [appellant] wil dat zijn vordering alsnog volledig wordt toegewezen, zowel tegen [geïntimeerde1] als tegen Xtenders c.s. [geïntimeerde1] wil dat de tegen hem toegewezen vordering alsnog volledig wordt afgewezen. Dit alles zal hierna worden beoordeeld. Eerst zal worden beschreven wat de relevante feiten zijn en wat bij de rechtbank aan de orde was en door haar is beslist.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.1. Extreme Tenders Custom B.V. (hierna: ETC) richt zich op het (op maat) bouwen en verkopen van vaartuigen, tenders geheten. Deze tenders worden gewoonlijk gebruikt door bezitters van (super)jachten om van en naar hun jacht te komen.\n\n3.2. \n [geïntimeerde1] is (enig) statutair bestuurder van ETC. Enig aandeelhouder van ETC is Extreme Tenders Holding. Enig aandeelhouder van Extreme Tenders Holding is Wiflo Holding. [geïntimeerde1] is enig aandeelhouder van Wiflo Holding en enig bestuurder van zowel Wiflo Holding als Extreme Tenders Holding.\n\n3.3. \n\nDe partijen 4. t\u002Fm 15. zijn zustervennootschappen van ETC. Ook van deze\n\nvennootschappen is [geïntimeerde1] enig bestuurder en, via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding, enig aandeelhouder.\n\n3.4. Op 18 maart 2018 heeft [appellant] met ETC een koopovereenkomst (hierna: ‘de koopovereenkomst’) gesloten. Daarbij heeft [appellant] van ETC gekocht een op maat te bouwen carbon vaartuig, de Custom XTender 12.3M, building [nummer] (hierna ‘het vaartuig’ te noemen). De koopprijs bedroeg € 800.013. ETC had op dat moment geen activiteiten.\n\n3.5. ETC was een ‘special purpose vehicle’ dat wil zeggen dat alleen de bouw van dit vaartuig daarin werd uitgevoerd. Alle betalingen door de klant zijn bestemd voor die bouw en alles wat wordt gebouwd, is bestemd voor de klant.\n\n3.6. In de koopovereenkomst (artikel A-4) is bepaald dat het vaartuig zal worden geleverd twaalf maanden nadat de eerste betaling is ontvangen. In artikel A-7 is een betaalschema opgenomen voor de termijnbetalingen die verschuldigd worden nadat een bepaalde fase in de bouw van het vaartuig is aangevangen of afgerond. De betreffende termijn moet betaald worden tien dagen na ontvangst van de factuur. Als tijdige betaling uitblijft, zo bepaalt dit artikel verder, mag ETC verdere werkzaamheden opschorten.\n\n3.7. \n\nHet eerste bedrag van € 80.000, dat na het tekenen van de koopovereenkomst\n\nverschuldigd werd, is door [appellant] betaald (betaling i.) en op 22 maart 2018 in goede orde door ETC ontvangen. De leverdatum van het vaartuig was daarmee aanvankelijk 22 maart 2019.\n\n3.8. Na de eerste betaling heeft [appellant] in de periode tot en met 11 februari 2019 nog vijf facturen van ETC betaald, in totaal € 520.000, te weten:\n\n 12 oktober 2018 t.b.v. ‘acceptance final design’ ad € 80.000\n\n 30 oktober 2018 t.b.v. ‘start carbon production’ ad € 160.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘order engine’ ad € 80.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘start paintjob hull’ ad € 120.000 en\n\n 11 februari 2019 t.b.v. ‘delivery engine’ ad € 80.000.\n\nIn totaal heeft [appellant] vanaf maart 2018 tot en met februari 2019 € 600.000 betaald.\n\n3.9. ETC heeft de door haar van [appellant] ontvangen bedragen – op € 1.026 na – vrijwel onmiddellijk overgemaakt aan Extreme Tenders Holding (partij 3.) en Extreme Tenders (partij 4.), te weten:\n\n€ 40.000 op 29 maart 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 39.974 op 3 april 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 80.000 op 12 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling ii.)\n\n€ 159.000 op 31 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling iii.)\n\n€ 200.000 op 6 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betalingen iv. en v.)\n\n€ 50.000 op 28 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.) en\n\n€ 30.000 op 1 maart 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.).\n\n3.10. In februari en maart 2019 heeft [appellant] viermaal bij [geïntimeerde1] geïnformeerd naar de voortgang van de bouw van het vaartuig.\n\n3.11. Op 26 april 2019 heeft [appellant] bij [geïntimeerde1] aangedrongen om de huidige situatie toe te lichten. Op 29 april 2019 heeft [geïntimeerde1] aan [appellant] geantwoord dat aflevering in juli 2019 niet mogelijk is, dat de planning is aangepast en dat het vaartuig in december 2019 zal worden geleverd. [geïntimeerde1] stelt vervolgens voor dat [appellant] in het seizoen 2019 een ander vaartuig van hen gaat gebruiken.\n\n3.12. \n [appellant] heeft de koopovereenkomst in een e-mail aan [geïntimeerde1] van 1 mei 2019 ontbonden en aanspraak gemaakt op terugbetaling van het al betaalde bedrag.\n\n3.13. Op 4 juni 2019 heeft [appellant] rechterlijk verlof verkregen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC, waarop [appellant] de termijnbetalingen van in totaal € 600.000 had overgemaakt. Het beslag heeft geen doel getroffen omdat de bankrekening geen saldo had.\n\n3.14. Op 14 juni 2019 heeft [appellant] ETC gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, en onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat hij de koopovereenkomst terecht heeft ontbonden, en daarnaast veroordeling van ETC tot (terug)betaling van € 600.000 alsmede tot vergoeding van de door hem geleden schade.\n\n3.15. \n\nOp 23 januari 2020 heeft [appellant] rechterlijk verlof gekregen voor het (opnieuw) leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC en voor het leggen van conservatoire beslagen op het vaartuig, de daarbij horende bootmotoren en een drietal “pre-owned” vaartuigen. Op 27 januari 2020 is het conservatoir derdenbeslag gelegd op de\n\nbankrekening van ETC. Wederom heeft het beslag geen doel getroffen omdat er geen saldo was. Op 27 januari 2020 heeft de deurwaarder in de werkplaats van ETC conservatoir beslag gelegd op het in aanbouw zijnde vaartuig, type Xtenders 12.3M, waarop [nummer] was geschreven. De deurwaarder is er niet in geslaagd beslag te leggen op twee bootmotoren, omdat het hem niet duidelijk werd (gemaakt) waar deze zich bevonden. Op 29 januari 2020 heeft de deurwaarder in de Jachthaven [plaats1] conservatoir beslag gelegd op twee schepen (hierna: ‘de schepen’) die eerder door ETC op haar website te koop waren aangeboden. Het gaat om twee ‘pre-owned’ tenders, één type Xtenders 12.3m met [registratienummer1] , en één type Xtenders 8.3m, met [registratienummer2] . Op 6 maart 2020 heeft de deurwaarder geconstateerd dat de twee schepen waarop op 29 januari 2020 beslag was gelegd, uit de jachthaven waren verdwenen.\n\n3.16. Het onafgebouwde vaartuig met opschrift ‘ [nummer] ’ is door ETC op enig moment verkocht aan Xtenders Production B.V. (partij 12.) die daarbij een beroep heeft gedaan op verrekening van de koopprijs met een vordering op ETC. Het vaartuig is afgebouwd en vervolgens door Xtenders Yard B.V. (partij 7.) aan een ander verkocht.\n\n3.17. Op 21 juli 2020 heeft [appellant] verlof gekregen voor het leggen van conservatoir beslag onder ETC op roerende zaken. Op 30 juli 2020 heeft de deurwaarder beslag gelegd ten laste van ETC op in het proces-verbaal omschreven roerende zaken, waaronder gereedschappen, een tweetal tenders in aanbouw, drie voltooide tenders en boottrailers.\n\n3.18. Op 3 juli 2020 heeft [appellant] , na daartoe op 2 juli 2020 verkregen rechterlijk verlof, conservatoir derdenbeslag gelegd onder [geïntimeerde1] ten laste van Wiflo Holding.\n\n3.19. In een vonnisvan 23 oktober 2020 heeft de kantonrechter in Amsterdam de in rov. 3.14 weergegeven vorderingen toegewezen, onder veroordeling van ETC in de beslagkosten van € 1.104,46 en de proceskosten van € 5.989,51, te vermeerderen met nakosten van € 131 en € 68. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. ETC biedt geen verhaal.\n\n4. Het geschil en de beslissing van de rechtbank\n\n4.1. \n [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat:\n\ni) [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van schade die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden, primair tot een bedrag van € 600.000, te vermeerderen met rente vanaf de dag der dagvaarding en subsidiair nader op te maken bij staat;\n\nii) [geïntimeerde1] wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\niii) Wiflo Holding wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\nmet hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde1] en Wiflo Holding in de kosten van de procedure, een vergoeding voor nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n4.2. De rechtbank heeft op 11 oktober 2023 de vordering (i) tot een beloop van € 415.619,20, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2020, tegen [geïntimeerde1] toegewezen. [geïntimeerde1] is verder veroordeeld in de beslagkosten en de proceskosten. De vorderingen zijn voor het overige afgewezen. [geïntimeerde1] heeft op 28 maart 2024 aan dit vonnis voldaan.\n\n4.3. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat wat van zijn vorderingen is afgewezen, alsnog wordt toegewezen. [appellant] heeft daarbij zijn vordering gewijzigd en vermeerderd als het gaat om sub (i) de gevorderde ingangsdatum van de wettelijke rente en daarnaast (iv) gevorderd dat [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de ten laste van ETC toegewezen vergoeding van beslag- en proceskosten van € 1.104,46, € 5.989,51, € 131 en € 68.\n\n4.4. De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerde1] is dat de tegen hem toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen en dat [appellant] wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat [geïntimeerde1] op basis van het vonnis van 11 oktober 2023 aan hem heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 maart 2024.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nInleiding\n\n5.1. Het hof zal oordelen dat het hoger beroep van [appellant] grotendeels slaagt en dat het gehele door hem aanbetaalde bedrag moet worden vergoed, maar niet door alle partijen die hij daarvoor aansprakelijk houdt. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) van partijen zullen daarbij thematisch worden behandeld.\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.2. Omdat [appellant] in [land1] woont, heeft deze zaak een internationaal karakter. De internationale bevoegdheidsregels zijn in procesrechtelijke zin van openbare orde. Het hof dient daarom eerst ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen. Aangezien de verwerende partijen [geïntimeerden] in een EU-land (Nederland) zijn gevestigd \u002F wonen, moet de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegdheid toekomt, worden beantwoord aan de hand van de Verordening Brussel I-bis.Deze bevoegdheid kan in dit geval (onder meer) worden gebaseerd op artikel 4 Verordening Brussel I-bis. Partijen hebben ook niet iets anders gesteld. De Nederlandse rechter is daarmee bevoegd.\n\n5.3. Tegen de impliciete vaststelling van de rechtbank dat op dit geschil Nederlands recht van toepassing is, hebben de partijen geen bezwaar gericht. Partijen hebben ook zelf Nederlandse wetsartikelen ingeroepen. Het hof is met partijen van oordeel dat het Nederlands recht hier van toepassing isen het zal de zaak dan ook naar Nederlands recht beoordelen.\n\nWijziging van eis\n\n5.4. De in rov. 4.3 bedoelde eisvermeerdering heeft processueel op het juiste moment plaatsgevonden en [geïntimeerden] hebben daartegen als zodanig geen bezwaar gemaakt. Ook ambtshalve ziet het hof geen reden deze eiswijziging buiten beschouwing te laten.\n\nBestuurdersaansprakelijkheid [geïntimeerde1]\n\n5.5. \n [appellant] stelt allereerst dat [geïntimeerde1] als bestuurder van onder meer ETC op grond van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk moet worden gehouden voor het door de ETC onbetaald laten van de onherroepelijk door de kantonrechter toegewezen terugbetaling van € 600.000.\n\nMaatstaf aansprakelijkheid\n\n5.6. De vordering van [appellant] betreft een vordering jegens [geïntimeerde1] als bestuurder van ETC, omdat [appellant] benadeeld is door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering op ETC.\n\n5.7. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijtkan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.\n\n5.8. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. [appellant] heeft zijn vordering niet gebaseerd op schending van deze zogenoemde ‘Beklamel-norm’, zodat het hof die verder buiten beschouwing zal laten.\n\n5.9. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.In de onder (ii) bedoelde gevallen draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.\n\nStelplicht en bewijslast\n\n5.10. De stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast voor de feiten en omstandigheden waarop het beroep op bestuurdersaansprakelijkheid is gebaseerd, rusten in beginsel op [appellant] als partij die zich op deze grondslag beroept (artikel 150 Rv). In geval als dit, waarin een partij die schade lijdt door wanprestatie van een vennootschap daarom verhaal zoekt op de bestuurder tevens (middellijk) enig aandeelhouder van die vennootschap, geldt niet een bijzondere regel van bewijslastverdeling, die meebrengt dat degene die volledige zeggenschap over de vennootschap heeft, wordt belast met het bewijs.\n\nUitgangspunt\n\n5.11. De betalingsverplichting van ETC staat definitief vast. Die is in een vonnis van 23 oktober 2020 (zie rov. 3.19) vastgesteld en die beslissing is onherroepelijk geworden. Daarmee moet in deze procedure worden uitgegaan van de verschuldigdheid door ETC van het in dat vonnis toegewezen bedrag van € 600.000. [geïntimeerden] . kunnen in deze procedure niet opnieuw discussie voeren over de verschuldigdheid van dat bedrag omdat zij niet worden aangesproken voor dat verschuldigde bedrag als zodanig, maar voor de schade die [appellant] door hun handelen heeft geleden. Tegen dat laatste, op een onrechtmatig handelen gebaseerd verwijt kunnen en mogen zij zich ook ten volle verweren. Voor zover [geïntimeerden] menen dat niet van een betalingsverplichting van ETC kan worden uitgegaan en daarom al het verwijt van [appellant] onjuist is, faalt dat. Dat het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 23 oktober 2020 tegenover [geïntimeerden] geen gezag van gewijsde heeft, maakt een en ander niet anders.\n\nOnrechtmatig handelen van [geïntimeerde1]\n\n5.12. Voorop staat dat het Xtender-concern in wezen een eenpersoonsconcern is. [geïntimeerde1] is van alle vennootschappen de enig bestuurder en via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding de enig aandeelhouder. Uit het navolgende blijkt ook dat de onderneming van [geïntimeerde1] om een ‘custom made’-vaartuig te bouwen, hoewel ingericht over meerdere vennootschappen, feitelijk één geheel is. Al deze vennootschappen treden naar buiten onder dezelfde handelsnaam en zijn gevestigd op hetzelfde adres en zijn bereikbaar via hetzelfde mailadres en telefoonnummer. Naar verklaring van [geïntimeerde1] tijdens de mondelinge behandeling wordt het terrein met bedrijfsgebouwen gehuurd door Extreme Tenders Holding die dat ter beschikking stelt aan de andere vennootschappen. Deze vennootschap heeft naar zeggen van [geïntimeerde1] ook de machines en de gereedschappen van de Xtenders-onderneming in eigendom. Het personeel van de onderneming is per 1 juni 2018 overgeheveld van Extreme Tenders (verwerende partij 4.) naar Xtenders Design (verwerende partij 11.). Via Xtenders Production (verwerende partij 12.) wordt de inkoop van al het benodigde materiaal gedaan en extern personeel ingeleend. De administratie van een en ander wordt op holding-niveau gedaan, waarna periodiek – zo blijkt ook uit de door [geïntimeerde1] overgelegde rapportages van de accountant – de doorbelasting van kosten e.d. via rekening-courantverhoudingen tussen de verschillende vennootschappen plaatsvindt. Alle hier niet-benoemde vennootschappen zijn volgens [geïntimeerde1] dan de ‘special purpose vehicles’, waarbinnen conform specifieke wensen van een klant een vaartuig wordt gebouwd.\n\n5.13. \n [appellant] heeft zijn overeenkomst gesloten met ETC, die is ingezet als zo’n ‘special purpose vehicle’ oftewel een projectvennootschap. In dat verband is overeengekomen dat [appellant] in termijnen de bouw van het vaartuig voorfinanciert. Hoewel geen bankgaranties of zekerheden zijn verstrekt, is, zo staat tussen partijen vast, met deze handelwijze bedoeld [appellant] te beschermen: zijn betalingen zijn alleen bedoeld voor de bouw van het vaartuig en alles wat gebouwd wordt, is voor hem bestemd. Dit betekent dat alles wat door [appellant] wordt betaald, aan de bouw van het vaartuig moet worden besteed. Het gegeven dat ETC een projectvennootschap was met bijhorende specifieke besteding van de ter beschikking gestelde gelden, die afhankelijk waren van de voortgang van de bouw (vgl. rov. 3.6) brengt mee dat verwacht mocht worden dat ETC een projectadministratie zou voeren en dienovereenkomstig verantwoording zou kunnen afleggen.\n\n5.14. In dit geval moet worden vastgesteld dat van meet af aan anders is gehandeld dan met [appellant] is afgesproken en hij redelijkerwijs mocht verwachten. De van [appellant] ontvangen gelden zijn onmiddellijk doorbetaald aan andere vennootschappen van de Xtender-onderneming. Uit de overgelegde rapportages van de accountant blijkt dat dit is gedaan om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van andere onderdelen van de onderneming. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [geïntimeerde1] verklaard dat ETC ten behoeve van de bouw geen projectadministratie bijhield. De administratie van de gehele onderneming werd op holding-niveau gedaan, waarna achteraf via de tussen de vennootschappen bestaande rekening-courantverhoudingen gemaakte kosten e.d. werd toe- en\u002Fof afgerekend. Op basis waarvan dat plaatsvond, is niet duidelijk geworden.\n\n5.15. Immers, niet kenbaar zijn vóóraf met de andere vennootschappen van de Xtender-onderneming die bij de bouw van het vaartuig betrokken werden, afspraken gemaakt over kosten, uren en tarieven e.d. Er is ook niet kenbaar vooraf een kostprijscalculatie van de bouw van het vaartuig gemaakt. Verder is de financiële verantwoording van een en ander zoals die blijkt uit de verkorte balansen van ETC aangaande 2018 en 2019 ondoorzichtig; op de balans 2018 staat in essentie niet meer dan dat ETC (aan actiefzijde) een voorraad had van € 319.211 en (aan passiefzijde) een schuld van € 320.000. Hoe zich dit per einde 2018 verhoudt tot de voortgang van de bouw van het vaartuig (zo werd de romp van carbon op dat moment geproduceerd bij een derde) en tot de omvang van wat [appellant] al had aanbetaald, is onduidelijk gebleven. Uit de balans 2018 blijkt verder dat ETC voorafgaand aan het sluiten met de overeenkomst met [appellant] op 18 maart 2018 een schuld\u002Fnegatief eigen vermogen had van € 13.285. Hoe zich dit verhoudt met de met [appellant] overeengekomen bescherming van alles wat hij zou aanbetalen zoals hiervoor in rov. 5.13 is uiteengezet, is niet door [geïntimeerde1] uitgelegd.\n\n5.16. Het voorgaande verklaart waarom de besteding van de door [appellant] aanbetaalde bedragen niet helder is geworden en dat [geïntimeerde1] (ook) daarover tegenstrijdige stellingen heeft ingenomen. In eerste instantie heeft [geïntimeerde1] met beroep op een op 10 februari 2021 opgestelde proef- en saldibalans betoogd dat (zeker) € 680.990,50 is besteed aan de bouw van het vaartuig, waarna de door hem ingeschakelde accountant heeft gesteld, na onder meer toerekening van uren en kosten – al dan niet op basis van schatting, dat uitgegaan moet worden van € 576.989 in totaal. In dat bedrag zijn begrepen, zo is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd, ook alle uren die volgens [geïntimeerde1] zijn besteed ter wijziging van het ontwerp nadat de overeenkomst met [appellant] was opgesteld. Over die extra uren is [geïntimeerde1] verder weinig helder geweest; eerst is gesteld dat die uren een waarde hadden van tenminste de omvang van de koopsom van € 139.128 voor de romp en de twee motoren, terwijl in zijn memorie van antwoord die extra kosten op € 113.000 worden gesteld. Volgens [geïntimeerde1] gaven die extra kosten\u002Furen hem het recht om bedoelde koopsom te verrekenen in plaats van feitelijk aan ETC te betalen. Volgens de opgaaf van zijn eigen accountant dekten de aanbetalingen van [appellant] van € 600.000 in totaal echter alles al wat aan materiaal, inkoop en uren was besteed aan de bouw van het vaartuig. Hierop komt het hof hierna in rov. 5.19 nog terug. Hoe dan ook zijn de stellingen over wat is besteed aan de bouw van het vaartuig, zo al niet tegenstrijdig, niet sluitend.\n\n5.17. Het onmiddellijk doorbetalen van de van [appellant] ontvangen bedragen maakt – naast de kennelijk ongestructureerde bouw van het vaartuig – in voldoende mate aannemelijk dat daardoor ook onmiddellijk vertraging in de voortgang van de bouw ontstond. Daardoor was van meet af aan voorzienbaar dat ETC niet op het afgesproken moment zou kunnen leveren. [geïntimeerde1] had er dus al vanaf de eerste doorbetaling serieus rekening mee moeten houden dat [appellant] de vertraging in de levering van het vaartuig niet zou accepteren en conform wat daarover in de overeenkomst was afgesproken, de overeenkomst zou ontbinden.\n\n5.18. Anders dan [geïntimeerde1] aanvoert, is de vertraging niet in relevante mate terug te voeren op door hem gestelde en door [appellant] bestreden (substantiële) wijzigingen in het ontwerp van het vaartuig. Allereerst geldt dat in het vonnis van 23 oktober 2020, dat ook op dit aspect het hof tot uitgangspunt dient, is beslist dat ETC nog in mails van 8 en 18 mei 2028 heeft bevestigd dat op 19 maart 2018 zou worden geleverd (rov. 19) en dat als onvoldoende onderbouwd moet worden voorbijgegaan aan de stelling van ETC dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat de levering tot juli 2019 werd uitgesteld (rov. 21). Verder is in dat vonnis vastgesteld dat gesteld noch gebleken is dat ETC naar aanleiding van gestelde wijzigingen in het ontwerp [appellant] (schriftelijk) erop heeft gewezen dat de overeengekomen leverdatum hierdoor zou worden vertraagd en evenmin dat ETC voor de gestelde wijzigingen aan [appellant] extra kosten in rekening heeft gebracht en dat [appellant] in dat verband onbetwist heeft gesteld dat, in het geval ETC naar aanleiding van een verzochte wijziging heeft gezegd dat die wijziging tot extra kosten leidde, hij daarvan heeft afgezien (rov. 32). Het hof heeft, gezien het voorgaande, geen reden om in de aansprakelijkheidsprocedure tegen [geïntimeerde1] van iets anders uit te gaan. Het hof voegt daaraan nog toe dat uit de overeenkomst zelf volgt dat ná het sluiten daarvan per 18 maart 2018 nog ontwerpwerk verricht zou worden. In het in artikel A-7 van de overeenkomst opgenomen betaalschema is immers bepaald dat de tweede termijn van 10% van de koopsom ofwel € 80.000 moet worden betaald bij ‘acceptance final design’. Dat de wijzigingen in – en daarmee het finaliseren van – het ontwerp meer hebben omvat dan waarvan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst werd uitgegaan, is onvoldoende toegelicht. Daaraan gaat het hof dan ook voorbij.\n\n5.19. Ten tijde van de ontbindingsverklaring door [appellant] per 1 mei 2019 behoorden in ieder geval de onafgebouwde, inmiddels wel gespoten romp van het vaartuig (met dekplaat, zwemplatform, achterbankdelen en console) en de twee daarvoor aangeschafte motoren tot het vermogen van ETC, zoals beschreven in het taxatierapport van [naam1] van 5 september 2019. De waarde van een en ander is daarbij getaxeerd op € 95.000 excl. btw voor de romp met componenten en € 44.128 excl. btw voor de zich nog in de originele verpakking bevindende motoren, in totaal € 139.128. Van welk waardebegrip daarbij is uitgegaan, blijkt niet uit het rapport, maar evident is dat een en ander voor [geïntimeerde1] als kort gezegd bouwer van tenders een grotere waarde had dan voor een willekeurige derde. Voor alleen al de productie van de carbon romp en het zwemplatform is door de Zweedse leverancier Marstrom € 180.000 en € 20.000 berekend, terwijl de leverancier voor de motoren kort voordien € 51.486 excl. btw heeft gefactureerd. [geïntimeerde1] heeft genoemde zaken door een andere vennootschap (Xtenders Production) van zijn eenpersoonssconcern laten overnemen voor de hiervoor genoemde lagere taxatiewaarde, en het vaartuig afgebouwd. [geïntimeerde1] heeft geen inzicht gegeven in die verdere afbouw, daaronder begrepen de verdere kosten daarvan en de uiteindelijke daarmee gerealiseerde opbrengst. Gelet op de voor Xtenders Production gehanteerde koopsom moet het er echter voor gehouden worden dat [geïntimeerde1] met deze transactie een aanzienlijke besparing op de bouwkosten van die andere tender heeft gerealiseerd, die hij anders – dus als [appellant] niet om reden van het tekortschieten van ETC de overeenkomst had ontbonden – niet had gerealiseerd. Het laten toevallen van dat voordeel aan een andere vennootschap van zijn onderneming in plaats van aan [appellant] aan wie hij – via ETC – had terug te betalen, maakt dat ook deze handelwijze verwijtbaar onzorgvuldig is geweest tegenover [appellant] . Daarbij komt dat [geïntimeerde1] de tot uitgangspunt genomen koopsom van € 139.128 niet aan ETC heeft betaald maar met een beroep op een tegenvordering door Xtenders Production heeft doen behouden. Die tegenvordering is echter gefingeerd. In rov. 5.16 is immers al vastgesteld dat [appellant] al meer ter voorfinanciering had aanbetaald dan wat door de accountant van [geïntimeerde1] aan kosten van materiaal, inkoop en bestede uren aan de bouw van het vaartuig is toegerekend, zodat geen tegenvordering bestond, nog daargelaten de wisselende bedragen die daarvoor zijn gesteld. Daarbij komt dat ETC een eventuele vergoeding voor meer bestede uren aan design en engineering in beginsel verschuldigd zou zijn aan Xtenders Design omdat naar [geïntimeerde1] zelf heeft verklaard zijn personeel in dienst is bij die vennootschap. Dat Xtenders Production dan toch daarvoor een vordering zou hebben, is van iedere uitleg verstoken gebleven. Een en ander kan naar het oordeel van het hof geen andere conclusie dragen dan dat [geïntimeerde1] welbewust zijn eigen belang voorop heeft gesteld door een andere vennootschap van hem te bevoordelen en ETC ten koste van [appellant] te ontdoen van voor verhaal vatbare goederen en\u002Fof middelen. [geïntimeerde1] heeft ook in dat opzicht hoogst onzorgvuldig en verwijtbaar gehandeld.\n\n5.20. In de gegeven omstandigheden wist [geïntimeerde1] al onmiddellijk na de ontvangst van de (eerste) betaling(en) van [appellant] , dan wel moest hij begrijpen, dat bij een ontbinding van de overeenkomst ETC een verplichting tot terugbetaling van alles wat [appellant] ter voorfinanciering van de bouw van het vaartuig ter beschikking had gesteld, niet zou kunnen nakomen en daarvoor geen verhaal zou bieden. Ook na de ontbindingsverklaring heeft [geïntimeerde1] hoogst onzorgvuldig gehandeld door ETC te ontdoen van haar laatste vermogensbestanddelen en door te handelen zoals hierna wordt omschreven in rov. 5.37 met betrekking tot frustratie van verhaal op hem persoonlijk. [geïntimeerde1] kan daarom in zijn hoedanigheid van bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Hij heeft geen feiten aangevoerd die – indien bewezen – alsnog kunnen leiden tot het oordeel dat het aan hem te maken verwijt niet voldoende ernstig is. [geïntimeerde1] heeft aldus ernstig verwijtbaar onrechtmatig tegenover [appellant] gehandeld en is aansprakelijk voor de schade die [appellant] daardoor heeft geleden.\n\nRelativiteit\u002Fcausaal verband\u002Fschade\n\n5.21. Wat betreft de schade die [appellant] heeft geleden die aan [geïntimeerde1] moet worden toegerekend, geldt het volgende. De norm die door [geïntimeerde1] is geschonden, strekte bij uitstek tot bescherming van de (financiële) belangen van [appellant] . Doordat de voor de bouw van [appellant] ’s vaartuig betaalde bedragen onmiddellijk zijn doorgeleid naar andere vennootschappen om te voorzien in hun liquiditeitsbehoefte, konden die bedragen niet, zoals afgesproken, worden aangewend voor die bouw, zodat vertraging daarin voorzienbaar was en daarmee het niet halen van de afgesproken leverdatum en bijgevolg een ontbinding van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot terugbetaling. Daarmee is voldaan aan het zogeheten relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.\n\n5.22. Het hof verwerpt verder het verweer van [geïntimeerde1] dat geen causaal verband bestaat tussen zijn onrechtmatig handelen en de door [appellant] gestelde schade. Als het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] niet zou hebben plaatsgevonden, zou de bouw van het vaartuig niet zijn vertraagd en had ETC het vaartuig op de afgesproken leverdatum kunnen leveren. [appellant] zou daardoor niet de ontbinding van de overeenkomst hebben kunnen inroepen en dus was dan geen terugbetalingsverplichting ontstaan. Daarmee is het causaal verband aanwezig. [geïntimeerde1] heeft ook geen zodanige feiten of omstandigheden gesteld die dit causale verband zouden doorbreken.\n\n5.23. Doordat ETC – op € 1.026 na – alle van [appellant] ontvangen bedragen onmiddellijk heeft doorbetaald aan andere vennootschappen van de eenpersoons-onderneming van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde1] ETC – na de op goede grond ingeroepen ontbinding van de overeenkomst – de romp van het vaartuig, de twee motoren en de overige onderdelen heeft laten overdragen aan een zustervennootschap, onder verrekening van de bepaalde koopsom met, zoals hiervoor is vastgesteld, een fictieve tegenvordering, was daarmee gegeven dat ETC haar verplichting tot terugbetaling van alles wat ter voorfinanciering door [appellant] was betaald (zie rov. 3.7 en 3.8) niet kon nakomen. Dat uitblijvende bedrag is daarmee de omvang van de door [appellant] geleden schade.\n\nEigen schuld\n\n5.24. \n [geïntimeerden] beroepen zich op ‘eigen schuld’ (in de zin artikel 6:101 BW) van [appellant] , kennelijk met als doel dat de schade van [appellant] voor zijn eigen rekening moet worden gelaten. Op [geïntimeerden] rusten de stelplicht en de bewijslast van de feiten die zo’n beroep kunnen dragen.\n\n5.25. \n [geïntimeerden] beroepen zich daartoe op het niet door [appellant] accepteren van een volwaardig en redelijk alternatief voor de te late levering van het vaartuig in de vorm van een leen van een andere tender voor de zomer van 2019. Volgens [geïntimeerden] heeft [appellant] zelf schuld aan het intreden van zijn schade en heeft hij daarmee bovendien zijn plicht geschonden om zijn schade te beperken.\n\n5.26. [geïntimeerden] miskennen hiermee dat in het vonnis in de procedure tegen ETC onherroepelijk is vastgesteld dat [appellant] het recht had om de ontbinding van de overeenkomst met ETC in te roepen en dat [appellant] redelijkerwijs niet valt te verwijten dat hij niet alsnog is ingegaan op een aanbod tot tijdelijke bruikleen van een ander vaartuig (rov. 38. e.v.). Belangrijker is nog dat het hier gaat om een vanaf begin af aan ten onrechte negeren van de ter bescherming van [appellant] overeengekomen constructie om de bouw van het vaartuig onder te brengen in ETC als een ‘special purpose vehicle’. Van dat negeren is [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Ook bij een aanbod als gesteld, had [geïntimeerde1] , zoals hiervoor is vastgesteld, niet mogen handelen zoals hij heeft gedaan, waarbij niet valt in te zien hoe [appellant] een verwijt van dát handelen valt te maken. Daarmee faalt het beroep op eigen schuld van [appellant] .\n\n5.27. Voor zover [geïntimeerden] met dit verweer ook het oog hebben op de omstandigheid dat [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot voorfinanciering van de bouw van het vaartuig, geen zekerheden heeft bedongen, faalt dat eveneens. [appellant] mocht immers verwachten dat ETC de aanbetaalde bedragen alleen zou gebruiken voor de bouw van het vaartuig. Hij mocht verder verwachten dat [geïntimeerde1] bij zijn onmiddellijk negeren van de overeengekomen specifieke besteding van de aanbetalingen ernstig rekening zou houden met het mogelijk ontstaan van vertraging in de bouw van het vaartuig met als gevolg een ingeroepen ontbinding en het ontstaan van een terugbetalings-verplichting. Dat [appellant] geen zekerheden voor terugbetaling heeft verkregen, doet daarom niets af van wat hij mocht verwachten en wat van [geïntimeerde1] mocht worden gevergd.\n\nBillijkheidscorrectie\n\n5.28. Daar waar geen eigen schuld van [appellant] kan worden aangenomen als bedoeld in artikel 6:101 BW en dus geen vergoedingsplicht wordt verminderd ofwel schade wordt verdeeld tussen [geïntimeerden] en [appellant] , bestaat er evenmin ruimte voor een billijkheidscorrectie op een verdeling van die schade. Ook dat beroep van [geïntimeerden] . faalt.\n\nMatiging\n\n5.29. Wat betreft het beroep van [geïntimeerden] op matiging van de schadevergoeding, geldt dat niet is onderbouwd dat zij hun vermogen zullen kwijtraken en zij hun zakelijke activiteiten zullen hebben te beëindigen bij toewijzing van de gevorderde schadevergoeding. De omstandigheid dat [appellant] vermogend is, acht het hof geen zelfstandige grond voor matiging. Het gevorderde bedrag komt het hof in de gegeven omstandigheden niet bovenmatig of onevenredig voor, in welk verband geldt dat het niet aannemelijk is (geworden) dat er oorzaken zijn voor de non-betaling door ETC die buiten de invloedsfeer van [geïntimeerde1] liggen. Het is wel aannemelijk dat de non-betaling is veroorzaakt door het handelen van [geïntimeerde1] als hiervoor is vastgesteld. Een en ander leidt ertoe dat het beroep op matiging van de schadevergoeding faalt.\n\nGroepsaansprakelijkheid\n\n5.30. \n [appellant] heeft aangevoerd dat naast [geïntimeerde1] ook Wiflo (als grootmoeder-vennootschap), Extreme Tenders Holding (als moedervennootschap) en de sub 4. tot en met 15. genoemde entiteiten als zustervennootschappen aansprakelijk zijn voor de door [appellant] geleden schade. In de kern voert [appellant] daartoe onder meer aan dat die vennootschappen hebben meegewerkt aan het onttrekken van alle middelen aan ETC.\n\n5.31. In de rechtspraak is aanvaarddat aansprakelijkheid bestaat voor schade die het gevolg is van in groepsverband verrichte handelingen. Daarvoor bestaat grond als de aangesproken groepsleden zich bewust moeten zijn geweest van de kans op schade als gevolg van het onrechtmatige groepsoptreden, wat hen van verdere deelname daaraan had moeten weerhouden. In dit verband is relevant dat wetenschap van een bestuurder van een rechtspersoon in beginsel wordt toegerekend aan die vennootschap.Voor handelingen van een bestuurder is dit niet anders.\n\n5.32. Zoals hiervoor in rov. 5.12 is vastgesteld, handelt [geïntimeerden] met zijn groep vennootschappen als een eenpersoonsconcern. In dat verband zijn door of op instructie van [geïntimeerde1] de door ETC ontvangen bedragen overgeheveld aan Extreme Tenders Holding en Extreme Tenders; dat gebeurde om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van die en andere vennootschappen van dat eenpersoonsconcern. Die vennootschappen profiteerden daarmee van voormelde schending van de aan [appellant] toegezegde bescherming. Hetzelfde geldt voor de overdracht van de romp van het vaartuig, de motoren en diverse onderdelen, aan Xtenders Production en de daaropvolgende doorlevering van een en ander (al dan niet in (geheel of gedeeltelijk) afgebouwde staat aan Xtenders Yard. Deze ook door [geïntimeerde1] geleide vennootschappen hebben geprofiteerd van het gegeven dat de romp en de motoren met diverse onderdelen tegen een lagere waarde zijn overgedragen dan zij ten behoeve van ETC zijn geproduceerd of ingekocht, waarbij de koopsom daarvoor niet feitelijk is betaald aan ETC maar is verrekend met een niet-bestaande tegenvordering. Ook op die wijze heeft [geïntimeerde1] met de niet anders dan als instrumenteel aan te merken inzet van Xtenders Production en Xtenders Yard, geprofiteerd van de ontstane situatie ter zake waarvan hem, zoals vastgesteld, een ernstig persoonlijk verwijt treft. Ook op die wijze is sprake geweest van een gezamenlijk optreden van genoemde vennootschappen via steeds [geïntimeerde1] , wier kennis en handelen aan hen moet worden toegerekend, dat heeft geresulteerd in het ontstaan en blijven voortbestaan van schade bij [appellant] .\n\n5.33. Met een en ander is er voldoende grond om ook de vennootschappen Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 3., 4., 7. en 12.) aansprakelijk te houden voor de bij [appellant] veroorzaakte schade.\n\n5.34. Behoudens ten aanzien van grootmoedervennootschap Wiflo Holding heeft [appellant] geen steekhoudende reden aangevoerd om de andere zustervennootschappen (verwerende partijen 5., 6., 8 t\u002Fm 11., 13. t\u002Fm 15.) aansprakelijk te houden voor voormelde schade. Gesteld noch gebleken is dat die vennootschappen in enig opzicht hebben geprofiteerd en\u002Fof instrumenteel zijn ingezet als hiervoor is beschreven. In zoverre is de tegen hen gerichte vordering niet toewijsbaar en faalt het hoger beroep van [appellant] .\n\n5.35. Voor zover [appellant] zich richt tegen Wiflo Holding in verband met de onttrekking aan ETC van de door hem ontvangen gelden en\u002Fof van de romp van het vaartuig, de motoren en andere onderdelen, is dat vergeefs. Gesteld noch gebleken is dat deze vennootschap door toedoen van [geïntimeerde1] daarvan heeft geprofiteerd en\u002Fof daarvoor instrumenteel is ingezet.\n\n5.36. Voor zover [appellant] Wiflo Holding aansprakelijk houdt vanwege een schending van een bijzondere zorgplicht, erin bestaande dat zij gehouden was nieuwe opdrachten onder te brengen in ETC en\u002Fof ETC aanvullend had moeten financieren en\u002Fof ten behoeve van ETC kredietruimte had moeten benutten, kan hij daarin niet worden gevolgd. Wiflo Holding is immers (via Extreme Tenders Holding) alleen aandeelhouder en niet ook bestuurder van ETC. Gesteld noch gebleken is dat Wiflo Holding betrokken of ingezet is geweest bij de aan [geïntimeerde1] te verwijten handelwijze, daaronder begrepen de met [appellant] overgekomen inzet van ETC als hem te beschermen ‘special purpose vehicle’. Zonder bijkomende omstandigheden is dan het enkele feit dat Wiflo Holding concernleiding moet worden toegedicht onvoldoende om het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] ook aan haar toe te rekenen. Daarnaast blijkt uit niets dat Wiflo Holding tegenover [appellant] instond voor kredietwaardigheid van ETC en\u002Fof voor terugbetaling van wat ETC eventueel aan hem verschuldigd zou worden. Ook zo bezien is er geen reden om Wiflo Holding (mede) aansprakelijk te houden voor de omstandigheid dat ETC – door verwijtbaar toedoen van [geïntimeerde1] – niet in staat is [appellant] terug te betalen.\n\n5.37. \n\nDat [geïntimeerde1] in verband met het in rov. 3.18 bedoelde conservatoir beslag een hypothecaire vordering van Wiflo Holding op hem, heeft overgedragen aan de oorspronkelijke geldschieter en die vordering, en daarmee ook de hypothecaire zekerheid met terugwerkende kracht uit het vermogen (van de vennootschap) van [geïntimeerde1] verdween – waarvoor [geïntimeerde1] inmiddels wegens valsheid in geschrift en onttrekken aan beslag strafrechtelijk is veroordeeld – moet Wiflo Holding wel worden aangerekend. De strafkamer van de rechtbank van Midden-Nederland heeft in dat verband in een vonnis van 14 november 2025 ( [parketnummer] )overwogen, waarbij voor verdachte [geïntimeerde1] moet worden gelezen:\n\n“De vordering van Wiflo op de verdachte was een vordering binnen het vermogen van de verdachte omdat hijzelf aandeelhouder\u002Fbestuurder van Wiflo was. Doordat aangever beslag had gelegd op het woonhuis ten laste van de verdachte en beslag op vorderingen van Wiflo op de verdachte bestond de kans dat de aangever bij winst van de civiele procedures tegen de verdachte en zijn vennootschappen, verhaal zou kunnen nemen op de woning van de verdachte. Door inschrijving van de akte van cessie later diezelfde dag, werd ervoor gezorgd dat de vordering van Wiflo op de verdachte met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de verdachte verdween, en overging naar CRD; en dat ook de hypothecaire rechten met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de (vennootschappen\n\nvan de) verdachte verdwenen. Beslag op de woning van de verdachte kwam toen dus na het recht van hypotheek, dat zich niet meer in het vermogen van de verdachte bevond.\n\nIn de akte van cessie van 3 juli 2020 staat dat al op 18 april 2019 zou zijn afgesproken om de lening van Wiflo aan CRD te cederen. Dat gelooft de rechtbank niet. Dat staat niet in de driepartijen-lening-overeenkomst, terwijl daarin wel een zogenaamde ‘entire agreement clause’ is opgenomen. Kortom: wat er niet staat, is niet afgesproken. Dat het niet was afgesproken wordt ook ondersteund door de hypothecaire inschrijving in december 2019 ten gunste van Wiflo en de verlenging van de driepartijen-overeenkomst in december 2019. Dat is allemaal totaal onlogisch als al in april 2018, althans uiterlijk in september 2019 cessie van de lening en de hypotheek zou zijn overeengekomen en met de notaris zou zijn gecommuniceerd.\n\nDe gang van zaken op 3 juli 2020 en de tekst van de akte van cessie van 3 juli 2020 vallen niet anders uit te leggen dan dat de notaris opdracht kreeg van de verdachte om het nodige te doen om de lening van Wiflo aan de verdachte en de rechten van hypotheek op de woning van de verdachte aan het beslag te onttrekken. De verdachte heeft daarbij minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het valselijk opmaken van de akte cessie en inschrijving daarvan.\n\nDe verklaring van de verdachte dat hij de notaris geen opdracht zou hebben gegeven en dat hij alleen heeft gebeld om te vragen wat hij in de verklaring derdenbeslag moest opnemen, gelooft de rechtbank niet. (…)”\n\nHet hof heeft, gelet op wat door partijen is aangevoerd, geen reden om er anders over te denken. Dit betekent dat als [geïntimeerde1] (als enig aandeelhouder en bestuurder van Wiflo Holding) die overdracht had nagelaten, [appellant] in dit verband een verhaalsmogelijkheid had gehad. Door (ook) deze verhaalsmogelijkheid te frustreren en Wiflo Holding daarvoor in te zetten, heeft [geïntimeerde1] ook in dat opzicht onzorgvuldig gehandeld. Er is, kortom, sprake van samenwerkende oorzakenvoor de onmogelijkheid bij [appellant] om verhaal te nemen. Een en ander leidt ertoe dat, omdat kennis en handelen van [geïntimeerde1] aan Wiflo Holding wordt toegerekend, ook Wiflo Holding aansprakelijk is.\n\n5.38. Gezien het voorgaande is de vordering van [appellant] ook tegen Wiflo Holding toewijsbaar en slaagt zijn hoger beroep.\n\nWettelijke rente\n\n5.39. De rechtbank heeft de door [appellant] gevorderde wettelijke rente toegewezen met ingang van de dag der dagvaarding van 7 augustus 2020. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt en gesteld dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de data dat ETC de van [appellant] ontvangen bedragen heeft doorbetaald, dan wel vanaf het moment van ontbinding van de koop\u002Faanneemovereenkomst per vanaf 1 mei 2019.\n\n5.40. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 1 mei 2019. Hoewel het onrechtmatig handelen zich eerder heeft voorgedaan, is de schade daardoor pas ontstaan op het moment dat [appellant] – terecht, zoals onherroepelijk is vastgesteld – de overeenkomst met ETC ontbond en vergeefs aanspraak maakte op terugbetaling van wat hij had aanbetaald.\n\nBeslag- en executiekosten\n\n5.41. De rechtbank heeft aan beslagkosten € 5.790,37, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020, aan [appellant] toegewezen. Dit gaat om kosten die [appellant] heeft gemaakt ter verzekering van zijn vordering op [geïntimeerden] In de formulering van zijn vordering aan het slot van zijn memorie van grieven komt deze vergoeding niet meer voor, maar het hof neemt aan dat dit op een vergissing berust. In die memorie zijn immers geen aanknopingspunten te vinden voor een aanname dat [appellant] geen aanspraak meer maakt of wil maken op deze vergoeding. Integendeel, [appellant] vordert in hoger beroep als vermeerdering van eis (ook) de vergoeding van de in de procedure tegen ETC gemaakte beslag- en proceskosten. Uit de memorie van antwoord is niet af te leiden dat [geïntimeerden] ervan uit zijn gegaan dat [appellant] zijn aanspraak op vergoeding van die kosten heeft laten varen. Tegen de toewijzing van deze kosten is door [geïntimeerden] ook geen afzonderlijk bezwaar gericht. Met deze post zal het hof dan ook rekening houden.\n\n5.42. \n [appellant] heeft in hoger beroep bij wege van vermeerdering van eis een vergoeding gevorderd voor de in de procedure tegen ETC toegewezen beslag- en proceskosten (inclusief nakosten) van € 7.297,97 in totaal. [geïntimeerden] hebben deze vordering in hun memorie van antwoord niet besproken en daarmee niet bestreden. Deze vordering zal dan ook worden toegewezen, daaronder begrepen de vanaf 4 juni 2019 over de beslagkosten van € 1.104,46 gevorderde wettelijke rente.\n\nHoofdelijke aansprakelijkheid\n\n5.43. Naar het oordeel van het hof zijn [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) ieder hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk voor het aan [appellant] verschuldigde bedrag. Deze (hoofdelijke) aansprakelijkheid is gebaseerd op het volgende. [geïntimeerde1] is aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW wegens onrechtmatig handelen zoals hiervoor omschreven (zie rov. 5.20). Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production hebben dit onrechtmatig handelen mede mogelijk gemaakt. Het hof kwalificeert hun handelen zoals beschreven in rov. 5.32, 5.33 en 5.37 als een bijdrage in de zin van artikel 6:166 BW (groepsaansprake-lijkheid). Zij zijn daarom op die grond aansprakelijk. Omdat het gaat om dezelfde schade worden zij daarom hoofdelijk veroordeeld.\n\nGeen bewijslevering\n\n5.44. \n [geïntimeerden] hebben nog bewijs aangeboden van hun stellingen. Voor zover dat ziet op het alsnog overleggen van stukken uit de administratie van de Xtenders-groep of het (laten) geven van toelichting daarop, wordt dat gepasseerd omdat [geïntimeerden] dat al eerder hadden kunnen en moeten doen. Dat aanbod wordt voor het overige gepasseerd. Enerzijds omdat die stellingen (m.b.t. tot wat aan het vaartuig is besteed en de getaxeerde waarde van de romp van het vaartuig en de motoren) al wegens een onvoldoende gemotiveerde betwisting zijn komen vast te staan. Anderzijds omdat die stellingen (m.b.t. de onbereidwilligheid van een kredietverschaffer om andere afspraken te maken of een aanvullend krediet te verlenen en\u002Fof de bereidheid van andere klanten om aanvullende kosten te betalen of een alternatief te accepteren bij vertraging van de bouw) niet relevant zijn voor de beoordeling.\n\nAndere gronden en verweren\n\n5.45. Wat partijen voor het overige hebben aangevoerd, kan gelet op het voorgaande onbesproken blijven.\n\nDe conclusie\n\n5.46. Het hoger beroep van [appellant] slaagt (deels) wel en dat van [geïntimeerden] niet. De vordering tot volledige vergoeding van de schade wordt toegewezen tegen [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) en afgewezen voor zover het de andere verwerende partijen betreft.5.47. Omdat in hoger beroep meer partijen worden veroordeeld om aan [appellant] een hoger bedrag aan schadevergoeding te betalen, zal voor alle duidelijkheid het bestreden vonnis in haar geheel worden vernietigd en zal het hof zijn beslissing daarvoor in de plaats stellen. Voor zich spreekt dat voor zover aan het bestreden vonnis is voldaan, niet opnieuw hoeft te worden betaald.\n\n5.48. Omdat [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) in het ongelijk worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten veroordelen, zowel in die van beide hoger beroepen als in die bij de rechtbank. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n5.49. Omdat gesteld noch gebleken is dat de andere verwerende partijen meer of andere proceskosten hebben gemaakt dan die partijen waartegen de vordering van [appellant] wordt toegewezen, zal een veroordeling van [appellant] in de proceskosten van die andere verwerende partijen achterwege worden gelaten.\n\n5.50. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 11 oktober 2023 en beslist opnieuw als volgt:\n\n6.2. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van:\n\n€ 600.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2019 tot de dag van betaling;\n\n€ 5.790,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020 tot de dag van betaling;\n\n€ 7.297,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.104,46 vanaf 4 juni 2019 tot de dag van betaling;\n\n6.3. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 1.639,- aan griffierecht\n\n€ 83,38 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 15.358,50 aan salaris van de advocaat van [appellant] (4,5 procespunten × tarief VII à € 3.413)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:\n\n€ 2.053 aan griffierecht\n\n€ 112,37 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 12.880 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2,5 procespunten × appeltarief VII à € 5.152)\n\n6.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n6.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. W.F Boele, M. Aksu en M.L. Lennarts, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351\u002F1 (Verordening Brussel I-bis).\n\n Conform artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II).\n\n Vgl. HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ).\n\n Vgl. HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873 (New Holland).\n\n Zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (Hezemans Air).\n\n HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, laatstelijk geduid in genoemd arrest van 5 september 2014.\n\n HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ) en vergelijk laatstelijk de conclusie van de AG van 28 november 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1304).\n\n HR 10 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1393 ( [naam3] \u002F [naam4] ).\n\n Vgl. HR 6 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914 (TVM).\n\n HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413 (HDI\u002FTreston).\n\n HR 6 april 1979, NJ 1980\u002F34( [naam5] ), bevestigd in HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7344 (P&F Project Furniture).\n\n Vgl. HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4033 (Comsys).\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Vgl. HR 24 december 1999, NJ 2000, 351.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4226","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.943Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"1283","ECLI:NL:GHDHA:2026:2085","ecli-nl-ghdha-2026-2085",58,"2026-06-25T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nUitspraakdatum : 25 juni 2026\n\nZaaknummer : 200.344.337\u002F01\n\nZaak-\u002Frekestnummer rechtbank : C\u002F10\u002F670251 \u002F HA RK 23-1234\n\nBeschikking\n\nin de zaak van:\n\n1. KOOLE TERMINALS B.V. (thans geheten Chane Terminals B.V.),\n\n gevestigd in Zaandam,\n\n2. KOOLE TANKSTORAGE BOTLEK B.V. (thans geheten Chane Terminals Botlek B.V.),\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nappellanten,\n\nhierna gezamenlijk te noemen: Koole,\n\nadvocaat: mr. J.J.O. Zandt (Rotterdam),\n\ntegen\n\nNATIONAL CHEMICAL CARRIERS LTD.,\n\ngevestigd in Riyadh, Saudi-Arabië,\n\nverweerster,\n\nhierna te noemen: NCC,\n\nadvocaat: mr. M. Wattel (Rotterdam),\n\nmet als verschenen belanghebbenden (nrs. 21 a-i op de lijst bij het inl. verzoekschrift):\n\na. Uni-Tankers A\u002FS, gevestigd in Middelfart, Denemarken,\n\nb. Uni-Chartering A\u002FS, gevestigd in Middelfart, Denemarken,\n\nc. Rederi AB Alvtank, gevestigd in Donsö, Zweden,\n\nd. Gear Bulk Shipowning Ltd, gevestigd in Hamilton, Zweden,\n\ne. G2 Ocean A\u002FS, gevestigd in Bergen, Noorwegen,\n\nf. Hersham Marine S.A., gevestigd in Panama City, Panama,\n\ng. Consolidated Marine Management Inc., gevestigd in Athene, Griekenland,\n\nh. Crystal Nordic Shipowning A\u002FS, gevestigd in Hellerup, Denemarken,\n\ni. Brødrene Klovning Shipping A\u002FS, gevestigd in Haugesund, Noorwegen,\n\nhierna gezamenlijk te noemen: Uni-Tankers c.s.,\n\nadvocaat: mr. M.M. Van Leeuwen (Rotterdam).\n\n1. Een korte samenvatting van het geschil\n\n1.1. Op 23 juni 2018 is de tanker Bow Jubail in de 3e Petroleumhaven in Rotterdam tegen een daar aanwezige steiger gevaren. Daardoor ontstond een gat in een bunkertank van de Bow Jubail. Door dat gat is stookolie in de haven gestroomd.\n\n1.2. NCC – destijds eigenaresse van de Bow Jubail – wil haar aansprakelijkheid voor de hierdoor ontstane verontreinigingsschade beperken overeenkomstig de bepalingen van het CLC-verdragen de op dat verdrag gebaseerde Wet aansprakelijkheid olietankschepen (Waot). Zij heeft een daartoe strekkend verzoek ingediend bij de Rb. Rotterdam. Een eerder verzoek van haar had de rechtbank afgewezen omdat het niet voorzag in toevoeging van rente aan het beperkingsbedrag waarvoor fonds diende te worden gevormd (beschikking van 25 oktober 2023 ECLI:NL:RBROT:2023:9936). Het onderhavige, nieuwe, verzoek, dat daarin wel voorziet, bevatte aanvankelijk een voorstel tot (aansprakelijkheidsbeperking door) fondsstelling in de vorm van een garantie door de P&I club, doch is nadien in die zin gewijzigd, dat NCC fonds wenst te stellen door middel van storting (van het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid, vermeerderd met rente en kosten) op een bankrekening van de rechter-commissaris of in de consignatiekas. Omdat storting op een bankrekening niet meer mogelijk is in beperkingsprocedures (aldus onbestreden de rechtbank), gaat het bij het gewijzigde verzoek om fondsvorming door storting in de consignatiekas.\n\n1.3. Koole heeft bezwaar tegen deze wijze van fondsvorming, omdat bij storting in de consignatiekas toevoeging van de wettelijke rente alleen plaatsvindt tot de datum waarop het fonds wordt gesteld (art. 642c, lid 2 sub a, Rv en art. 8:757 BW), waarna nog slechts de beduidend lagere rente op basis van (art. 9 van) de Wet op de consignatie van gelden wordt berekend, terwijl zekerheid door middel van een garantie de hogere wettelijke rente dekt tot aan de datum van de in art. 642v Rv bedoelde oproepingen aan de schuldeisers om het hun toekomende in ontvangst te nemen (art. 642c, lid 2 sub b, Rv). Storting in de consignatiekas geeft dus een lagere renteaanwas dan een clubgarantie.\n\n1.4. \n\nDe rechtbank verwierp het bezwaar van Koole. Honorering ervan zou afbreuk doen aan het uitgangspunt dat de schuldenaar vrij is om te kiezen of hij fonds wil vormen door storting of door zekerheidsstelling, aldus de rechtbank, die (in het dictum van de beschikking) het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid vaststelde en bepaalde dat NCC dit bedrag – vermeerderd met (a) wettelijke rente (vanaf de dag volgende op het voorval tot de dag volgende op die van het stellen van het fonds) en (b) kosten – in de consignatiekas diende te storten (beschikking van\n\n6 mei 2024).\n\n1.5. Koole is van deze beslissing in hoger beroep gekomen, maar tevergeefs: het hof is het eens met de rechtbank.2. Het verloop van de procedure in hoger beroep2.1. Koole is bij het op 4 juni 2024 op de griffie van het hof binnengekomen beroepschrift (met bijlagen) in hoger beroep gekomen van de beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 6 mei 2024. Het beroepschrift telt één grief.\n\n2.2. Er zijn twee verweerschriften ingediend, één door NCC en één door Uni-Tankers c.s.\n\n2.3. Vervolgens is een mondelinge behandeling gehouden. Aan het slot ervan is een datum voor de beschikking bepaald.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1. Het CLC-verdrag, dat rechtstreekse werking heeft, bepaalt in art. V lid 3, voor zover van belang, (i) dat, om zich op aansprakelijkheidsbeperking uit hoofde van het verdrag te kunnen beroepen, de eigenaar van het schip een fonds moet vormen tot het bedrag gelijk aan het maximum van zijn aansprakelijkheid en (ii) dat dit fonds kan worden gevormd door (a) het storten van de geldsom of (b) het stellen van een bankgarantie of iedere andere garantie die aanvaardbaar is en genoegzaam wordt geacht.\n\n3.2. Niet in geschil is dat het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid waarvoor fonds moet worden gevormd dient te worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag volgende op het voorval tot de dag volgende op die van het stellen van het fonds. Dit staat weliswaar niet in het CLC-verdrag – dat, anders dan (art. 11 lid 1 van) het LLMC-verdrag, niets zegt over rente – maar wel in (het met art. 11 lid 1 van het LLMC-verdrag overeenstemmende) art. 8:757 BW, dat (via de verwijzing naar art. 642c lid 2 Rv in art. 9 lid 2 Waot) als aanvullend nationaal recht van (overeenkomstige) toepassing is op dit niet in het CLC-verdrag geregelde onderwerp. Deze aanvullende toepassing van nationaal recht geldt niet alleen voor de (aan het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid toe te voegen) rente in de periode voorafgaand aan de fondsstelling, maar bijvoorbeeld ook voor de renteaanwas in de periode na de fondsstelling, de hoogte van de rente en de (hier verder niet aan de orde zijnde) verschuldigdheid van rente over de (tegen het fonds ingediende) vorderingen van de schuldeisers.\n\n3.3.1. Het (vaststellen en vervolgens) op deze wijze, dat wil zeggen: met het toepasselijke nationale recht, dichten van de leemte in het CLC-verdrag is in overeenstemming met de uitlegregels van het Weens Verdragenverdrag.Voor de bijtelling van de rente over de periode tot en met de fondsstelling kan hierbij worden gewezen op het volgende (door de rechtbank in haar eerdere beschikking van 25 oktober 2023 aangehaalde) citaat uit de ‘CMI Guidelines (in respect of Procedural Rules Relating to Limitation of Liability in Maritime Law adopted at the 39th Conference of the CMI, held in Athens in October 2008)’ - pag. 17, punt 1 (d):\n\n’11. Issues relating to the Fund.\n\n[…] Reference to interest is found only in the LLMC (article 11(1)) while both the CLC and the HNS Convention, respectively in article V(3) and in article 9(3), provide that the Fund must be constituted for the total sum representing the limit of liability and interest is not mentioned. The question arises, therefore, whether States may, in the implementing legislation, require that interest be added and it is suggested that the reply should be positive because otherwise the person liable would benefit from any delay in the constitution of the Fund.’\n\n3.3.2. Relevant in dit verband zijn ook de beraadslagingen met betrekking tot art. 11 lid 1 tweede zin van de LLMC, zoals die zijn te vinden in de (op de website www.comitemaritime.org geplaatste) travaux préparatoires van dat verdrag (pag. 290-295). Daaruit blijkt (i) dat destijds is onderkend dat het LLMC-verdrag, afgezien van het bepaalde in art. 11 lid 1 tweede zin, een groot aantal vragen met betrekking tot rente ongeregeld laat en (ii) dat eenstemmigheid bestond, althans erin is berust, dat die vragen daarom moeten worden beantwoord volgens het toepasselijke nationale recht. Ook deze lijn kan worden doorgetrokken naar de andere (twee in de zojuist genoemde CMI-guidelines bedoelde) IMO-verdragen die voorzien in een beperking van aansprakelijkheid voor maritieme schades door fondsvorming, waaronder het CLC-verdrag.\n\n3.3.3. \n\nVergelijk over de (aanvullende) toepasselijkheid van nationaal recht op de processuele en materiële aspecten van de globale beperking van aansprakelijkheid ook:\n\nHR 28 februari 1992, NJ 1992, 652 (‘Sylt’, met noot Schultsz, J.C. onder NJ 1992\u002F653 ‘Volvox Hollandia’) en Hof Den Haag 30 november 2016, ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ3412 (‘Balkhash’).\n\n3.4. De aanvullende toepassing van nationaal recht mag er echter niet toe leiden dat geen gebruik kan worden gemaakt van een mogelijkheid tot fondsvorming die in het verdrag verankerd is (vgl. art. 26, 27 en 33.a Weens Verdragenverdrag). Dat zou wel het effect zijn van het honoreren van het hiervoor in 1.3 genoemde bezwaar van Koole, dat daarom door de rechtbank terecht is verworpen. Storting van het beperkingsbedrag (inclusief rente tot de dag volgende op die van de fondsvorming) geldt krachtens het CLC-verdrag als een genoegzame wijze van fondsvorming, waarmee de scheepseigenaar voldoet aan de voorwaarde om, behoudens opzet of roekeloos handelen of nalaten, zijn aansprakelijkheid uit hoofde van het verdrag te kunnen beperken. Dat wordt niet anders doordat – als gevolg van de wijze waarop dit nationaal geregeld is – de renteaanwas na die (in art. 642c, lid 2 sub a, Rv voorziene) wijze van fondsvorming geringer is dan bij zekerheidstelling door middel van een garantie (als bedoeld in art. 642c, lid 2 sub b, Rv).\n\n3.5. \n\nTer toelichting op het verschil in ‘renteregimes’ wordt het volgende toegevoegd. Wettelijke rente is verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom (art. 6:119 BW). Die situatie doet zich niet (langer) voor na de (cfm. art. 642c lid 6 Rv geaccordeerde) storting in de consignatiekas. Die storting is in het kader van de (voor de aansprakelijkheidsbeperking) verplichte fondsvorming een vorm van bevrijdende betaling. Het gestorte bedrag behoort niet langer toe aan de schuldenaar, maar aan de Staat, die bij uitkering van het geconsigneerde bedrag enkelvoudige rente vergoedt (art. 8 lid 1 en art 9 lid 2 Wet op de consignatie van gelden). Hierbij past niet het ten laste van de schuldenaar laten voortduren van een renteverplichting over het gestorte bedrag.\n\nDaarentegen is (fondsvorming door) het stellen van zekerheid geen vorm van betaling, maar een belofte tot het doen van een latere betaling. Die belofte werkt niet bevrijdend ten aanzien van de betalingsverplichting. De zekerheid moet daarom ook de doorlopende renteverplichting ten aanzien van die betalingsverplichting dekken. Vergelijk art. 6:51, lid 2, BW dat, voor zover van belang, bepaalt dat de aangeboden zekerheid zodanig moet zijn dat de vordering en, zo daartoe gronden zijn, de daarop vallende rente (en kosten) behoorlijk gedekt zijn.\n\n3.6. Voor zover al het (aldus op basis van de nationale regeling verklaarbare) verschil in renteaanwas bij de twee opties van fondsvorming als problematisch kan worden gezien – bijvoorbeeld vanwege de wijze waarop, bij een ontoereikend CLC-fonds, een aanspraak op een aanvullende uitkering op basis van het Fondsverdrag 1992wordt of moet worden beoordeeld – vormt dat geen aanleiding om aan NCC de in het verdrag neergelegde keuzemogelijkheid te ontzeggen. Overigens kan niet in zijn algemeenheid worden geoordeeld dat fondsvorming door storting in de consignatiekas nadelig uitpakt voor de schuldeisers; storting in de consignatiekas kan de schuldeisers ook voordelen bieden, zoals een geringer insolventierisico dan bij zekerheidsstelling door middel van een garantie. Dat Koole in het onderhavige geval door NCC’s keuze van fondsvorming wordt beperkt in haar (uiteindelijke) verhaalsmogelijkheid blijkt niet uit wat zij heeft aangevoerd; voor zover zij dit al heeft bedoeld te stellen, is die, door NCC betwiste, stelling onvoldoende onderbouwd, maar dit terzijde.\n\n3.7. De slotsom is dat de grief van Koole geen doel treft. Er volgt daarom een bekrachtiging van de bestreden beschikking, met een veroordeling van Koole in de proceskosten van het hoger beroep, omdat zij daarin de in het ongelijk gestelde partij is.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n- bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;\n\n- veroordeelt Koole (hoofdelijk) in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van NCC en Uni-Tankers c.s., telkens bepaald op € 798 aan verschotten en op € 2.428 aan salaris voor de advocaat;\n\n- wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nAldus gegeven door mrs. J.M. van der Klooster, D.A. Schreuder en F.G.M. Smeele en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\n Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1992 (Aansprakelijkheidsverdrag, 1992), Londen, 27-12-1992.\n\n Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, Londen, 19 november 1976.\n\n Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969.\n\nInternationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992 (Fondsverdrag 1992), Londen 27-11-1992","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2085","2026-07-13T00:29:13.853Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":51,"updatedAt":70},"344","ECLI:NL:RBROT:2026:5540","ecli-nl-rbrot-2026-5540",61,"2026-05-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam Handel en Haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F694548 \u002F HA ZA 25-157\n\nVonnis van 13 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nTRANSNORDIC SHIPPING & LOGISTICS B.V.,\n\ngevestigd te Dordrecht,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: Transnordic,\n\nadvocaat: mr. Z.F. Poortvliet te Rotterdam,\n\ntegen\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nDELINA GMBH,\n\ngevestigd te Kempen (Duitsland),\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: Delina,\n\nadvocaat: mr. W.E. Boonk te Rotterdam.\n\n1. De kern van het geschil\n\nTransnordic wil betaald worden voor haar werkzaamheden als ontvangstexpediteur. Bij de import van voor Delina bestemde goederen zijn er vertragingen geweest in de haven van Rotterdam. Transnordic heeft daarover informatie aan Delina verschaft. Delina vraagt zich echter nog steeds af of die vertragingen aan Transnordic te verwijten zijn, wil nog meer informatie van Transnordic en vordert een schadevergoeding.\n\nDe rechtbank oordeelt – kort gezegd – dat Delina Transnordic moet betalen voor de door Transnordic verrichte werkzaamheden. Transnordic heeft ook voldoende informatie gegeven aan Delina. De rechtbank wijst de schadevergoedingsvordering van Delina af omdat zij daarvoor onvoldoende (onderbouwd) heeft gesteld. De rechtbank legt dat hieronder uit.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding 12 december 2024, met producties 1 tot en met 20; - de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie van 23 juli 2025, met producties 1 tot en met 3;\n\n- de brieven van de rechtbank van 5 augustus 2025, waarin mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- het bericht van de rechtbank van 5 november 2025, met daarin een zittingsagenda;\n\n- de op 21 november 2025 ingekomen akte van Delina van 4 december 2025, met producties 4 tot en met 9;\n\n- de op 23 november 2025 ingekomen conclusie van antwoord in reconventie tevens akte houdende wijziging van eis in conventie en overlegging producties in conventie van 4 december 2025, met producties 21 tot en met 28;\n\n- de mondelinge behandeling van 4 december 2025, en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mrs. Poortvliet en Boonk .\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Delina is een handelsonderneming die actief is in de levensmiddelenindustrie. Zij importeert goederen van buiten de EU.\n\n3.2.. Transnordic is een logistiek dienstverlener en treedt op als ontvangstexpediteur van Delina in de haven van Rotterdam. Dat houdt onder meer in dat zij binnenkomende containers van de zeevervoerder in ontvangst neemt en zorg draag voor het inklaren en (fytosanitaire) keuren van de goederen. Transnordic maakt daarbij gebruik van verschillende douane-agenten.\n\n3.3.. Partijen hebben ruim 16 jaar samengewerkt. De meest recente offerte op basis waarvan partijen hebben samengewerkt is op 21 december 2022 aan Delina gestuurd per e-mail. Onderaan de e-mail heeft Transnordic de ‘Transnordic Warehousing Conditions version 2019’ van toepassing verklaard op ‘any warehousing activities’ en op alle andere activiteiten de ‘Transnordic Forwarding Conditions version 2018’ (hierna: TFC), met daarbij hyperlinks naar die voorwaarden.\n\n3.4.. Sinds, althans vooral in het tweede kwartaal van 2024 is sprake van significante vertragingen tussen aankomst van de goederen in de haven van Rotterdam en het moment dat deze door de Douane en de NVWA zijn goedgekeurd voor verder transport. De hieraan verbonden extra kosten heeft Transnordic aan Delina doorbelast.\n\n3.5.. In de periode van augustus 2024 tot en met december 2024 heeft Transnordic 59 facturen verstuurd, welke Delina aanvankelijk niet heeft betaald. Het daarmee in totaal gefactureerde bedrag bedraagt € 127.006,44.\n\n3.6.. Op 28 oktober 2024 stelt Delina Transnordic formeel aansprakelijk voor de door haar geleden schade door de vertragingen en schorst zij betaling van de nog openstaande facturen op. Delina voegt daarbij een excel-overzicht van de vertraagde vrachten en verzoekt Transnordic om dat overzicht aan te vullen met haar gegevens, om te achterhalen hoe en waar de vertragingen werkelijk zijn ontstaan.\n\n3.7.. Op 31 oktober 2024 heeft Transnordic aan Delina geschreven dat opschorting volgens haar ongegrond is en contractueel niet is toegelaten. Het excel-overzicht heeft Transnordic aangevuld en gelijktijdig aan Delina toegezonden. Transnordic maant Delina daarbij aan tot betaling van de facturen en buitengerechtelijke kosten over de facturen waarvan de vervaldatum op dat moment is verstreken.\n\n3.8.. Op 6 november 2024 vraagt Delina aan Transnordic ook om alle onderliggende documenten dan wel ander beschikbaar bewijs van de door Transnordic ingevulde data.\n\n3.9.. Op 14 november 2024 reageert Transnordic dat zij dat een onnodig en disproportioneel aanvullend verzoek acht, en maant zij opnieuw aan tot betaling van de facturen en buitengerechtelijke kosten over de facturen waarvan de vervaldatum op dat moment is verstreken.\n\n3.10.. Op 20 november 2024, nadat partijen intussen enkele berichten hebben gewisseld, stelt Delina voor dat zij € 81.753,44 – volgens Delina de kosten exclusief demurrage(productie 18 bij dagvaarding) – van de openstaande facturen zal betalen, en dat Transnordic daarna de genoemde documenten zal toesturen.\n\n3.11.. Op 26 november 2024 heeft Delina € 66.795,74 aan Transnordic betaald, en op 4 december 2024 € 15.600,17. In beide gevallen heeft Delina daarbij gespecificeerd op welke facturen deze betalingen zien.\n\n3.12.. Op 18 april 2025 heeft Transnordic inzage gegeven in onderliggende documenten (die zij in de tussentijd al had verzameld) aan de advocaat van Delina. In mei heeft Delina ook zelf (technisch) toegang gekregen tot die documenten.\n\n3.13.. Op 8 juli 2025 heeft Delina inhoudelijk commentaar geleverd op de aangeleverde documenten, met nadere vragen.\n\n3.14.. Op 15 juli 2025 heeft Transnordic aangegeven geen nadere informatie meer te willen verstrekken.\n\n3.15.. Na het uitbrengen van dagvaarding heeft Transnordic van rederijen nog kosten doorbelast gekregen die ten behoeve van Delina zijn gemaakt. Op 24 januari 2025, 28 januari 2025, 25 februari 2025 respectievelijk 5 augustus 2025 heeft Transnordic die kosten doorbelast aan Delina met een negental facturen. Deze facturen bedragen gezamenlijk € 1.180,00. Delina heeft deze facturen niet betaald.\n\n4. Het geschil\n\nin conventie\n\n4.1.. \n\nTransnordic vordert, na wijziging van eis, – samengevat – de rechtbank om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. Delina te veroordelen om aan haar te betalen € 43.790,53 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over het per factuur openstaande bedrag van oorspronkelijk € 125.006,44 vanaf de vervaldatum van iedere factuur, met in achtneming van het bepaalde in artikel 6:44 BW ten aanzien van de tussentijds gedane betalingen;\n\nII. Delina te veroordelen aan haar te betalen € 12.465,64 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\nIII. Voor recht te verklaren dat Delina op grond van de toepasselijke Transnordic Condities gehouden is alle huidige en toekomstige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de vervaldata tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nIV. Delina te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na dit vonnis.\n\n4.2.. Delina voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Transnordic, met veroordeling van Transnordic in de kosten van deze procedure, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nin reconventie\n\n4.3.. \n\nDelina vordert – samengevat – de rechtbank om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Transnordic te veroordelen:\n\nI. aan haar te betalen € 118.100,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juli 2025 (de datum van de conclusie van eis in reconventie); en\n\nII. in de proceskosten.\n\n4.4.. Transnordic voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Delina, met veroordeling van Transnordic in de kosten van deze procedure, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\nDe rechtbank Rotterdam is (internationaal) bevoegd\n\n5.1.. De zaak heeft een internationaal karakter omdat Delina buiten Nederland is gevestigd. De rechtbank beoordeelt daarom ambtshalve of zij internationaal bevoegd is en, zo ja, welk recht van toepassing is.\n\n5.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat de TFC van toepassing zijn. In artikel 21 lid 3 TFC is bepaald dat, onder meer, de rechtbank Rotterdam bevoegd is kennis te nemen van geschillen verbonden aan overeenkomsten waarop de TFC van toepassing zijn. De rechtbank Rotterdam is daarom bevoegd kennis te nemen van dit geschil (artikel 25 Brussel I-bis).\n\n5.3.. In artikel 21 lid 1 TFC is voorts bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op overeenkomsten waarop de TFC van toepassing zijn. Nederlands recht is zodoende van toepassing op dit geschil (artikel 3 Rome I).\n\nin conventie\n\nDe gevorderde openstaande factuurbedragen zijn toewijsbaar\n\n5.4.. Transnordic vordert aan hoofdsom € 43.790,53 aan onbetaald gebleven facturen. Zij stelt dat Transnordic de overeengekomen logistieke diensten heeft verleend. Daarnaast komen extra kosten wegens langere laad- en lostijden, waaronder demurrageen wachttijd, voor rekening van Delina, gelet op artikel 6 lid 6 TFC:\n\n“Article 6. Remunerations\n\n(…)\n\n6. Other than in cases of intent or deliberate recklessness on the part of the Freight Forwarder, in the event of the loading and\u002For unloading time being inadequate, all costs resulting therefrom, such as demurrage, waiting times, etc. shall be borne by the Client, even when the Freight Forwarder has accepted the bill of lading and\u002For the charter party from which the additional costs arise without protestation. The Freight Forwarder must make every effort to avoid these costs.”\n\nDelina is daarom verplicht om Transnordic de nog openstaande factuurbedragen te betalen op grond van artikel 15 lid 1 TFC. Opschorting daarvan is contractueel uitgesloten in artikel 15 lid 10 TFC, aldus Transnordic:\n\n“Article 15. Payment conditions\n\n1. The Client shall pay to the Freight Forwarder the agreed remunerations and other costs, freights, duties, etc. ensuing from the Agreement upon commencement of the Services, unless agreed otherwise.\n\n(…)\n\n10. It shall not be permissible for claims receivable to be set off against payment of remunerations arising from the Agreement on any other account in respect of the Services owed by the Client or of other costs chargeable against the Goods with claims of the Client or suspension of the aforementioned claims by the Client.”\n\n5.5.. Delina voert aan dat zij niet gehouden is te betalen voor diensten die niet deugdelijk zijn verleend. Als de vertragingen die zijn opgelopen in het traject bij de Douane en de NVWA aan Transnordic te verwijten zijn, dan heeft Transnordic haar werk niet goed gedaan. Delina voert aan dat zij nog steeds niet over de volledige benodigde informatie beschikt. Of Transnordic haar werk goed heeft gedaan, is voor Delina tot op heden nog niet te beoordelen geweest. Delina voert aan daarom nog niet verplicht te zijn de facturen te betalen en dat zij de betaling van de facturen daarom heeft opgeschort.\n\n5.6.. Daarnaast voert Delina aan dat als Transnordic haar werk niet goed heeft gedaan, Delina dan een schadevordering heeft op Transnordic, waardoor zij eveneens kan opschorten en verrekenen.\n\n5.7.. De rechtbank oordeelt dat in artikel 15 lid 1 TFC is bepaald dat Transnordic de aan haar verschuldigde bedragen voor door haar verleende diensten direct opeisbaar zijn vanaf het moment dat die betreffende diensten zijn verleend. Daaronder vallen ook de extra kosten (artikel 6 lid 6 TFC). Of Transnordic al dan niet deugdelijk heeft gepresteerd doet daaraan niet af. Op grond van artikel 15 lid 10 TFC is Delina namelijk niet bevoegd deze betalingsverplichtingen op te schorten. Vaststaat dat er aanvankelijk € 128.186,44 onbetaald is gebleven en dat Delina daarvan intussen € 82.395,91 heeft voldaan (zie 3.5, 3.11 en 3.15). Dat betekent dat er in ieder geval nog een bedrag van € 45.790,53 aan factuurbedragen openstaat. De door Transnordic gevorderde hoofdsom van € 43.790,53 is daarom toewijsbaar.\n\nTransnordic vordert wettelijke handelsrente over € 125.006,44\n\n5.8.. Bij dagvaarding heeft Transnordic gevorderd “Delina te veroordelen om aan Transnordic te betalen een hoofdsom van EUR 125.006,44, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over het openstaande bedrag vanaf de vervaldatum van iedere factuur (…), alsmede te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten (…)”, waarna het totaal moet “worden verminderd met het reeds door Delina betaalde bedrag (…), waarbij betalingen worden toegerekend conform artikel 6:44 BW”. Daarbij heeft Transnordic toegelicht dat de intussen door Delina gedane betalingen op grond van artikel 6:44 BW eerst in mindering op de reeds verlopen rente en buitengerechtelijke kosten moeten worden gebracht en daarna pas op de hoofdsom.\n\n5.9.. Bij wijziging van eis heeft Transnordic gevorderd “Delina te veroordelen om aan Transnordic te betalen een hoofdsom van EUR 43.790,53, waarbij de betalingen worden toegerekend conform artikel 6:44 BW, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over het openstaande bedrag vanaf de vervaldatum van iedere factuur (…), alsmede te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten (…)”.\n\n5.10.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Transnordic, op vragen van de rechtbank, toegelicht dat zij nog steeds de wettelijke handelsrente vordert over het bedrag van € 125.006,44, waarbij ten aanzien van de tussentijdse betaling van Delina rekening moet worden gehouden met hetgeen in artikel 6:44 BW is bepaald.\n\n5.11.. De rechtbank begrijpt de vordering van Transnordic zo dat zij nog steeds de wettelijke handelsrente over € 125.006,44 vordert. Transnordic heeft namelijk herhaaldelijk gewezen op de systematiek van artikel 6:44 BW, waaronder in de letterlijke tekst van haar eisvermindering. Bij het vorderen van de wettelijke handelsrente over € 43.790,53 zou dat artikel niet meer van belang zijn geweest. De rechtbank begrijpt uit die verwijzing dat Transnordic haar eis niet heeft willen wijzigen ten aanzien van de gevorderde wettelijke handelsrente en dat dat ook voor Delina duidelijk moet zijn geweest.\n\nDe gevorderde wettelijke handelsrente is toewijsbaar5.12. Transnordic hanteert, anders dan uit de directe opeisbaarheid van artikel 15 lid 1 TFC volgt, in haar facturen een vervaltermijn van 30 dagen. Met het uitblijven van betaling van de betreffende facturen binnen de daarin gestelde vervaltermijnen is sprake van verzuim aan de zijde van Delina vanaf die vervaltermijnen (artikel 6:83 aanhef en onder a BW).\n\n5.13.. De gevorderde wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW is daarom toewijsbaar over € 125.006,44, zijnde het totaal van de bij dagvaarding gevorderde factuurbedragen, vanaf de vervaldata van die facturen, een en ander met in achtneming van artikel 6:44 BW en de tussentijds door Delina ten aanzien van die facturen gedane betalingen.\n\nDe gevorderde BIK is toewijsbaar na matiging\n\n5.14.. Transnordic stelt dat tot het moment van dagvaarden Delina in verzuim is geraakt met de betaling van 55 facturen, met een totaal factuurbedrag van € 124.656,44. Uit het bepaalde in artikel 16 lid 2 TFC volgt dat Delina daardoor 10% van dat bedrag aan Transnordic verschuldigd is als buitengerechtelijke kosten, te weten € 12.465,64:\n\n“Article 16. Allocation of payments and judicial and extrajudicial costs\n\n(…)\n\n2. The Freight Forwarder shall be entitled to charge to the Client extrajudicial and judicial costs for collection of the claim. The extrajudicial collection costs are owed as from the time at which the Client is in default and these amount to 10% of the claim, with a minimum of € 100.00.”\n\nDe advocaat van Transnordic is anderhalve week bezig geweest met het invullen van het overzicht van Delina en het verzamelen van alle onderliggende documenten, met als doel buiten rechte tot een oplossing te komen. Van een boetebeding is geen sprake omdat het gaat om een beding over buitengerechtelijke kosten. Onaanvaardbaar is het beding niet, omdat het al 16 jaar tussen partijen geldt en het een gebruikelijk beding is in de branche, aldus Transnordic.\n\n5.15.. Delina betwist dat zij dit bedrag verschuldigd is. Direct vanaf de eerste brief werd aangemaand tot het betalen van € 8.763,85 aan buitengerechtelijke kosten. Het kan niet zo zijn dat deze buitengerechtelijke kosten werkelijk zijn gemaakt. De gevorderde buitengerechtelijke kosten staan ook niet in verhouding tot de in deze procedure resterende hoofdsom. Delina verzoekt de rechtbank daarom de buitengerechtelijke kosten te matigen.\n\n5.16.. Betreffende het beroep van Transnordic op artikel 16 lid 2 TFC voert Delina aan dat dit een boetebeding in de zin van artikel 6:91 BW is. Daarom kan Transnordic niet én nakoming én betaling van de boete vorderen (artikel 6:92 lid 1 BW), waarbij de boete dan ook in de plaats treedt van de gevorderde wettelijke rente (artikel 6:92 lid 2 BW).\n\n5.17.. Ten slotte voert Delina het verweer dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Transnordic aanspraak maakt op vergoeding van niet-gemaakte kosten, terwijl zij weigert om werkelijk inzicht te geven in de wijze waarop zij haar dienstverlening heeft verricht.\n\n5.18.. De rechtbank oordeelt als volgt. Transnordic vordert in deze procedure de buitengerechtelijke kosten over € 124.656,44 aan te laat betaalde facturen, zoals deze kosten, samen met de gerechtelijke kosten, contractueel zijn bedongen in artikel 16 lid 2 TFC. Dit artikel betreft een boetebeding. Echter, anders dan Delina betoogt, is artikel 6:92 lid 1 BW hier niet van toepassing. Het boetebeding ziet hier namelijk alleen op de buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten (artikel 16 lid 2 TFC). Artikel 6:92 lid 2 BW is daarom wel van toepassing en houdt, zoals Delina wel terecht aanvoert, niets anders in dan dat naast de contractuele buitengerechtelijke kosten niet ook de wettelijke buitengerechtelijke kosten kunnen worden gevorderd. Aangezien de wettelijke buitengerechtelijke kosten niet ook worden gevorderd, heeft artikel 6:92 lid 2 BW hier geen verdere betekenis.\n\n5.19.. Op grond van artikel 242 Rv kan de rechter bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van proceskosten of van buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b en c BW ambtshalve matigen tot de krachtens de wet te begroten proceskosten dan wel buitengerechtelijke kosten.\n\n5.20.. Zoals al geconstateerd is, vordert Transnordic alleen buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 16 lid 2 TFC. De gerechtelijke kosten vordert zij immers afzonderlijk zonder een beroep op deze contractuele bepaling. De door Transnordic van meet af aan gesommeerde buitengerechtelijke kosten komen de rechtbank over als in ieder geval op dat moment nog buitensporige kosten. Voor zover in deze procedure is gebleken en vaststaat, betroffen de buitengerechtelijke handelingen van Transnordic tot dan toe nog slechts één sommatiebrief en, voor zover dat niet eigenlijk bij het uitvoeren van de informatieplicht van de opdrachtnemer hoort, het aanvullen van het door Delina aangeleverde excel-overzicht. Het toesturen van de onderbouwende stukken heeft Transnordic eerst gedaan nadat Delina daartoe concrete gerechtelijke stappen had voorbereid en aangezegd aan Transnordic. Delina had op dat moment ook al een groot deel van de nog openstaande facturen betaald. Het voorgaande neemt gelijktijdig niet weg dat het verzamelen van die onderbouwende stukken uiteindelijk wel buiten rechte is geweest en dat dit Transnordic veel tijd heeft gekost. Transnordic heeft met die onderbouwende stukken, naast de communicatie tijdens het uitvoeren van de opdrachten en alle eerder gegeven toelichtingen daarover, voldoende inzicht gegeven in de wijze waarop zij haar dienstverlening heeft verricht.\n\n5.21.. De volgens de wet conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten te begroten buitengerechtelijke kosten over € 124.656,44 bedragen € 2.446,09 inclusief btw. Gelet op het voorgaande matigt de rechtbank de gevorderde buitengerechtelijke kosten tot 50% van het gevorderde bedrag, te weten € 6.232,82. Dit is toewijsbaar, een en ander met in achtneming van artikel 6:44 BW en de tussentijds door Delina gedane betalingen. Toekenning van de gevorderde € 12.465,64 als toepassing van een boetebeding zou in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leiden.\n\nDe gevolgen van de eiswijziging in het licht van artikel 6:44 BW\n\n5.22.. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat gelet op de systematiek van artikel 6:44 BW moeten de door Delina tussentijds gedane betalingen eerst in mindering worden gebracht op de op dat moment reeds verlopen rente en de buitengerechtelijke kosten. Vermoedelijk resteert daarna een groter bedrag aan openstaande facturen dan waarvan is uitgegaan in overweging 5.7. De eiswijziging in deze procedure biedt de rechtbank geen ruimte voor toewijzing van dat meerdere.\n\nTransnordic heeft gedeeltelijk belang bij de gevorderde verklaring voor recht5.23.. De door Transnordic gevorderde verklaring voor recht dat Delina alle huidige en toekomstige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic moet vergoeden, is toewijsbaar voor zover het alle huidigekosten betreft. In de overwegingen 5.7 en 5.22 is reeds overwogen dat de door Transnordic in deze procedure gevorderde betalingen niet dekkend zijn voor ‘alle huidige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic’. Daarbij is eveneens gebleken dat Transnordic wel recht heeft op betaling daarvan.5.24.. De door Transnordic gevorderde verklaring voor recht wordt echter afgewezen voor zover het toekomstigekosten betreft omdat Transnordic daarbij onvoldoende belang heeft (artikel 3:303 BW). Deze procedure ziet al op alle huidige kosten, met inbegrip van het toewijsbare deel van de gevorderde verklaring voor recht. Transnordic heeft verder niet kunnen toelichten dat en waarom er nog toekomstige kosten te verwachten zijn, anders dan dat rederijen soms erg laat factureren. Het gaat hier echter over zendingen tot in 2024, waarbij de als laatste aan Delina doorbelaste kosten in januari, februari en vervolgens pas augustus 2025 zijn gefactureerd. Een redelijke verwachting dat er nog toekomstige kosten te verwachten zijn, is er niet.\n\n5.25.. De rechtbank verklaart zodoende voor recht dat Delina op grond van de toepasselijke Transnordic Condities gehouden is alle huidige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de vervaldata van de daartoe aan Delina toegezonden facturen tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nin reconventie\n\nDe gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen\n\n5.26.. Delina vordert € 118.100,00 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover. De schade bestaat uit kosten die zij wegens vertraging heeft moeten betalen. Het totaalbedrag dat Delina heeft moeten betalen voor de vertraagde zendingen waarover Transnordic geen openheid van zaken heeft wil geven bedraagt € 118.100,00. Voor al die zendingen heeft Delina, ook met de in april respectievelijk mei 2025 ontvangen informatie, niet kunnen vaststellen dat Transnordic zich als goed opdrachtnemer heeft gekweten van haar taken. Daarom gaat Delina ervan uit dat bij die zendingen ten minste een groot deel van de vertraging te wijten is aan handelen of nalaten van Transnordic in strijd met hetgeen Delina onder de overeenkomst van haar mocht verwachten.\n\n5.27.. Transnordic betwist de vordering van Delina. Transnordic voert, onder meer, aan dat zij niet toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, dat zij wel inzichtelijk heeft gemaakt en onderbouwd, voor zover mogelijk, waardoor er vertraging is ontstaan, dat die vertraging niet aan haar te verwijten is. Voorts betwist Transnordic dat Delina schade heeft geleden en de hoogte van de door Delina gestelde schade.\n\n5.28.. Naar het oordeel van de rechtbank moet de vordering van Delina worden afgewezen als onvoldoende onderbouwd gesteld.\n\n5.29.. Transnordic is als opdrachtnemer verplicht om bij haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen (artikel 7:401 BW). Daarbij moet worden beoordeeld of zij heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan.\n\n5.30.. Daarnaast is Transnordic verplicht aan de opdrachtgever rekening en verantwoording af te leggen van de wijze waarop zij zich van de opdracht heeft gekweten (artikel 7:403 lid 2 eerste zin BW). In hoeverre verantwoording is verschuldigd, hangt af van de aard en inhoud van de opdracht en de verhouding tussen partijen.\n\n5.31.. Allereerst, Transnordic heeft de zorg van een goed opdrachtnemer in acht genomen.\n\n5.32.. Al tijdens de uitvoering van de vertraagde opdrachten heeft Transnordic daarover gecommuniceerd en heeft zij meegedacht om de vertragingen te beperken. Transnordic heeft aangeboden om van douane-agent te wisselen en heeft dat ook gedaan. Dat sorteerde op de langere termijn echter geen effect. Transnordic heeft ook voorgesteld via de haven van Antwerpen te verschepen in plaats van de haven van Rotterdam, omdat in Antwerpen al invoercontroles kunnen worden uitgevoerd voordat de goederen zijn aangekomen.\n\n5.33.. Delina heeft bij haar conclusie van eis in reconventie voor een aantal specifieke zendingen uitgelicht waarom de opgelopen vertragingen aan Transnordic te verwijten zouden zijn. Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft Transnordic die voorbeelden weerlegt, in die zin dat de bij die zendingen opgelopen vertragingen niet aan haar kunnen worden verweten, maar dat deze (grotendeels) aan de Douane en\u002Fof de NVWA te verwijten zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Delina die weerleggingen niet bestreden en waren partijen het er wel over eens dat ten minste een groot deel van de vertragingen is ontstaan door toedoen van de NVWA en\u002Fof de Douane. Dat is niet aan Transnordic te verwijten.\n\n5.34.. Tijdens de mondelinge behandeling zijn door Delina wederom zeer specifieke stellingen ingenomen ten aanzien van een aantal andere vertraagde zendingen. Deze stellingen zijn door haar echter te laat ingenomen om Transnordic voldoende gelegenheid te geven daarop nog te kunnen reageren. Deze voorbeelden moeten daarom buiten beschouwing worden gelaten (artikel 19 Rv).\n\n5.35.. Delina heeft (verder) niet concreet gesteld welke (verwijtbare) fouten door Transnordic zouden zijn gemaakt en welk causaal verband er zou bestaan tussen het handelen van Transnordic en de (al dan niet) door Delina geleden schade. Die schade is bovendien ook slechts genoemd, maar geenszins door Delina inzichtelijk gemaakt. Onder meer over wat voor schade het betreft heeft Delina niets gesteld. Daarbij vordert Delina bijna € 120.000 aan schadevergoeding, terwijl zij eerder zelf aan Transnordic heeft geschreven dat zij slechts ruim € 40.000 aan factuurbedragen onbetaald heeft gelaten omdat die bedragen zagen op door Transnordic gefactureerde extra kosten wegens vertraging.\n\n5.36.. Ten tweede, betreffende het afleggen van rekening en verantwoording aan Delina treft Transnordic eveneens geen blaam. Het excel-overzicht van Delina heeft zij in drie dagen ingevuld en aan Delina retour gestuurd.\n\n5.37.. Ook nadien heeft Transnordic adequaat verantwoording afgelegd. De onderliggende stukken heeft Transnordic uiteindelijk ook aan Delina toegestuurd. Daarover is door Transnordic gesteld en door Delina niet betwist dat het verzamelen en toesturen van alle onderliggende stukken ongebruikelijk is in de branche, zeker nu dit niet tevoren is overeengekomen en daaraan dus ook niet een hogere vergoeding is verbonden voor Transnordic.\n\n5.38.. Bij het weerleggen van de specifieke voorbeelden van Delina heeft Transnordic bij conclusie van antwoord in reconventie nog stukken in het geding gebracht. Delina stelt dat daaruit blijkt dat Transnordic haar niet volledig heeft geïnformeerd. Echter, naar het oordeel van de rechtbank past dit juist in het beeld dat het niet nodig is om altijd alle stukken te achterhalen, onder meer bij derden als de douane-agent, maar dat het wel nodig is om bij concrete vragen daar achteraan te gaan.\n\n5.39.. Op een gegeven moment kan dat laatste ook weer anders liggen - zoals bij de nieuwe specifieke voorbeelden en daaraan verbonden vragen in de spreekaantekeningen van mr. Boonk - mede gelet op het gegeven dat verzamelen en toesturen van onderliggende stukken in deze situatie ongebruikelijk is en de eerdere concrete voorbeelden respectievelijk (impliciete) vragen ook niets hebben opgeleverd.\n\n5.40.. Zodoende oordeelt de rechtbank dat Transnordic niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen als opdrachtnemer (artikel 6:74, 7:401 en 7:403 BW). Gelet op het voorgaande is eveneens geen sprake van onrechtmatig handelen van Transnordic jegens Delina in de zin van artikel 6:162 BW. De vorderingen van Delina worden daarom afgewezen.\n\nin conventie en reconventie\n\nDelina wordt in de proceskosten veroordeeld\n\n5.41.. Delina wordt grotendeels in het ongelijk gesteld. Delina wordt daarom veroordeeld in de proceskosten (artikel 237 Rv). De proceskosten van Transnordic worden begroot op:\n\n- dagvaarding € 135,97\n\n- griffierecht € 2.995,00\n\n- salaris advocaat conv. € 2.580,00 (2 x 1 punt × tarief IV € 1.290,00)\n\n- salaris advocaat reconv. € 2.051,00 (2 x 0,5 punt x tarief V € 2.051,00)\n\n- nakosten € 296,00(plus de verhoging vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 8.057,97\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.42.. De rechtbank verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad (artikel 233 Rv).\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n6.1.. veroordeelt Delina aan Transnordic te betalen € 43.790,53;\n\n6.2.. veroordeelt Delina aan Transnordic te betalen de wettelijke handelsrente over € 125.006,44 vanaf de vervaldata van de onderliggende factuurbedragen en € 6.228,32 aan buitengerechtelijke kosten, een en ander met in achtneming van artikel 6:44 BW en de tussentijds door Delina gedane betalingen;\n\n6.3.. verklaart voor recht dat Delina op grond van de toepasselijke Transnordic Condities gehouden is alle huidige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de vervaldata van de daartoe aan Delina toegezonden facturen tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nin reconventie6.4. wijst de vorderingen van Delina af;\n\nin conventie en reconventie\n\n6.5.. veroordeelt Delina in de proceskosten van € 8.057,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;\n\n6.6.. verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026. 3718\u002F32\n\n Zoals hierna verder toegelicht onder 5.8 t\u002Fm 5.11.\n\n Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).\n\n Verordening (EG) nr. 593\u002F2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I).\n\n HR 9 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6159.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5540","2026-07-13T00:28:25.343Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":78},"502","ECLI:NL:RBROT:2026:7478","ecli-nl-rbrot-2026-7478","2026-04-16T00:00:00.000Z","beschikkingRECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\n Zeeschip ‘Hein’\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F10\u002F713749 \u002F HA RK 26-64 en C\u002F10\u002F714137 \u002F HA RK 26-82\n\nBeschikking van 16 april 2026\n\nin de zaken van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nBAGGER- EN AANNEMINGSMAATSCHAPPIJ VAN DER KAMP B.V.\n\ngevestigd te Zwolle,\n\nhierna: BAVDK,\n\nadvocaat mr. J. Smit te Rotterdam,\n\nen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nVAN DER KAMP BAGGER BEHEER B.V.\n\ngevestigd te Zwolle,\n\nhierna: Van der Kamp,\n\nadvocaat mr. A. van Hal,\n\nen in het 195 Rv incident van\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nNiedersachsen Ports GmbH & Co. KG.\n\ngevestigd te Oldenburg, Duitsland\n\nhierna: Niedersachsen Ports\n\nadvocaat mr. P.J. Hoepel\n\ntegen\n\nBAVDK\n\n1. De procedure1.1.. De rechtbank heeft kennis genomen van het op 22 januari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van BAVDK en van het op 27 januari 2026 ontvangen aanhaakverzoek met bijlagen van Van der Kamp.\n\n1.2.. De rechtbank heeft een datum voor de mondelinge behandeling bepaald en de griffier heeft verzoeksters en de in de verzoekschriften genoemde belanghebbenden voor die mondelinge behandeling opgeroepen.\n\n1.3.. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 maart 2026. [huidige naam havenbedrijf] (voorheen [voormalige naam havenbedrijf] ) heeft per brief van 9 maart 2026 aan de rechtbank laten weten dat zij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig zal zijn. Zij gaven daarbij aan dat zij wel (nog steeds) een vordering op verzoeksters hebben. De andere in de verzoekschriften genoemde belanghebbende, Niedersachsen Ports, is op de mondelinge behandeling verschenen. De spreekaantekeningen van mr. Smit, mr. Van Hal en mr. Hoepel zijn aan de procesdossiers toegevoegd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben mr. Smit en mr. Van Hal aangegeven dat zij de verklaringen van de ander over en weer wensen over te nemen.\n\n1.4.. De rechtbank heeft kennis genomen van het op 17 maart 2026 namens Niedersachsen Ports ingediende verweerschrift (inclusief een incidentele vordering ex 195 Rv) door mr. P.J. Hoepel (tegen het beperkings- en het aanhaakverzoek).1.5.. Van het verhandelde op de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\n1.6.. Op de zitting is de datum van de beschikking bepaald op 16 april 2026.\n\n2. De beoordeling2.1.. \n\nHet verzoek van BAVDK strekt tot het vaststellen van het bedrag van het zakenfonds waartoe haar aansprakelijkheid is beperkt op SDR 2.310.904 overeenkomstig artikel 8:755 lid 1 BW en\u002Fof het LLMC 1996, ter zake van een schadevaring op 25 juli 2025 waarbij de Hein in aanraking is gekomen met een kade in de haven van Brake (Duitsland).\n\nVan der Kamp verzoekt om te bepalen dat het zakenfonds dat door BAVDK zal worden gesteld, mede wordt geacht te zijn gesteld door Van der Kamp.\n\nDeze rechtbank is bevoegdheid\n\n2.2.. BAVDK en Van der Kamp zijn in Nederland gevestigd. BAVDK wordt naar aanleiding van de schadevaring door een Nederlandse partij (Van der Kamp) aansprakelijk gehouden. Van der Kamp wordt door Duitse partijen – [huidige naam havenbedrijf] en Niedersachsen Ports – aansprakelijk gehouden. De bevoegdheid van deze rechtbank om kennis te nemen van dit beperkings- en aanhaakverzoek is door Niedersachsen Ports betwist.\n\n2.3.. \n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Als het verzoek op grond van artikel 642a lid 1 Rv binnen de reikwijdte valt van de Brussel 1 bis-Voen de artikelen 4 tot en met 8 Brussel 1 bis-Vo zich lenen voor toepassing op dit verzoek, dan is de rechtbank op grond van artikel 4 Brussel I-bis-Vo jo. artikel 642a lid 1 Rv bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van BAVDK voor zover dat is gericht tegen de Nederlandse belanghebbenden door wie BAVDK aansprakelijk is gehouden (waaronder Van der Kamp). Voor zover het beperkings- of aanhaakverzoek is gericht tegen buitenlandse belanghebbenden (zoals J. Müller en Niedersachsen Ports) moet dan ook worden aangenomen dat op grond van artikel 8, aanhef, onder 1 Brussel I-bis-Vo de vereiste ‘nauwe band’ bestaat.\n\nAls het verzoek niet valt binnen de materiële werkingssfeer van de Brussel I-bis Vo is deze rechtbank op grond van artikelen 3, aanhef onder a en c, 10 en 642a lid 1 Rv bevoegd om kennis te nemen van het verzoek.\n\nTot slot wordt daarom ook voldaan aan het bepaalde in artikel 11 lid 1 LLMC.\n\nBAVDK en Van der Kamp zijn ontvankelijk en behoren tot de kring van beperkingsgerechtigden\n\n2.4.. Niedersachsen Ports heeft betwist dat BAVDK en Van der Kamp ontvankelijk zijn in hun verzoeken, en daarmee gerechtigd tot het beperken van hun aansprakelijkheid. Zij zet vraagtekens bij het bestaan van de bevrachtingsovereenkomst tussen BAVDK en Van der Kamp. Indien geen bevrachtingsovereenkomst van kracht was op het moment van de schadevaring, dan is BAVDK ook niet ontvankelijk in haar verzoek, aldus Niedersachsen Ports. Zij heeft de advocaten van BAVDK en Van der Kamp daarom gevraagd om facturen en betaalbewijzen over te leggen ten aanzien van de gestelde bevrachting in 2025 alsook overige documentatie op basis waarvan kan worden geverifieerd dat sprake is van een waarachtige bevrachting en een werkelijke vrijwaringsvordering. Tijdens de mondelinge behandeling bevestigde Niedersachsen Ports dat zij naar aanleiding van haar verzoek enkele stukken en toelichting heeft ontvangen van de advocaat van BAVDK. Niedersachsen Ports gaf daarbij aan dat deze stukken het bestaan van een bevrachtingsovereenkomst lijken te bevestigen. Echter, ook de (aannemings)overeenkomst, op grond waarvan de Hein op 25 juli 2025 werd ingezet, dient volgens haar overgelegd te worden ten einde inzicht te geven in welke partij de Hein op dat moment exploiteerde.\n\n2.5.. De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft BAVDK toegelicht dat Van der Kamp iedere maand een verzamelfactuur stuurt aan BAVDK voor de verhuur van aan Van der Kamp in eigendom toebehorende schepen en ander verhuurd baggermateriaal. De dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de advocaat van BAVDK aan de advocaat van Niedersachsen Ports de facturen gestuurd (en ter zitting aan de spreekaantekeningen gehecht) die zien op de maanden januari en juli 2025. Zoals ook in haar e-mail aan Niedersachsen Ports van 17 maart 2026 (eveneens aan de spreekaantekeningen gehecht) is toegelicht, vermelden de facturen onder meer het in de bevrachtingsovereenkomst vermelde tarief. De rechtbank is van oordeel dat met de overgelegde bevrachtingsovereenkomst tussen Van der Kamp en BAVDK aangaande de Hein (bijlage 4 bij het verzoekschrift van BAVDK) en de door BAVDK overgelegde facturen met toelichting, in het kader van de voorfase van deze beperkingsprocedure voldoende is toegelicht dat BAVDK de rompbevrachter van de Hein was ten tijde van de schadevaring. Zij valt daarom binnen de kring van gerechtigden van de Hein als bedoeld in artikel 11 lid 1 en 2 LLMC en kan zodoende voorshands haar recht tot beperking van aansprakelijkheid inroepen.\n\n2.6.. Gezien dit oordeel heeft Niedersachsen Ports (thans) onvoldoende belang bij het door haar verzochte afschrift van gegevens. Het verzoek ex artikel 195 Rv wordt dan ook afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n2.7.. \n\nVan der Kamp is de eigenaresse van de Hein, zo blijkt uit het overgelegde Kadastrale uittreksel, en is daarom medegerechtigd om haar aansprakelijkheid te beperken op grond van artikel 11 lid 1 en 2 LLMC.\n\nDat het zakenfonds door BAVDK nog niet is gevormd, maakt niet, zoals door Niedersachsen Ports is aangevoerd, dat Van der Kamp niet ontvankelijk is in haar verzoek om te mogen aanhaken bij het door BAVDK te stellen zakenfonds. Noch het LLMC, noch de Nederlandse wettelijke bepalingen staan in de weg aan een geclausuleerde toewijzing van het aanhaakverzoek, in die zin dat het door BAVDK te stellen fonds, zodra gesteld, mede geacht moet worden te zijn gesteld door Van der Kamp als eigenaar van het schip en daarmee beperkingsgerechtigde.\n\nEr is geen sprake van misbruik van bevoegdheid ex artikel 3:31 BW\n\n2.8.. Volgens Niedersachsen Ports maken Van der Kamp en BAVDK misbruik van hun bevoegdheid. Zij voert daartoe, kort gezegd, het volgende aan. Niedersachsen Ports is op 17 november 2025 een bodemprocedure in Duitsland gestart tegen Van der Kamp. Aan haar was niet medegedeeld dat er een rompbevrachtingsovereenkomst bestond met BAVDK. De bodemprocedure die Van der Kamp daarna bij deze rechtbank aanhangig heeft gemaakt, waarin zij vordert dat BAVDK gehouden is haar te vrijwaren, is geen waarachtige procedure en is volgens Niedersachsen Ports enkel bedoeld om de mogelijkheid te scheppen om in Nederland een beperkingsprocedure te starten. Immers, Van der Kamp en BAVDK hebben (deels) dezelfde bestuurders, zijn op hetzelfde adres gevestigd en hebben één en dezelfde P&I Club. Verder blijkt nergens uit dat BAVDK de verplichting tot vrijwaring betwist. In plaats van een beperkingsprocedure in Duitsland te starten, hebben BAVDK en Van der Kamp hun verzoeken in Nederland ingediend met geen ander doel dan om Niedersachsen Ports te schaden, op kosten te jagen en van het natuurlijke en bevoegde gerecht in Duitsland te onttrekken. Deze wijze van handelen is volgens Niedersachsen Ports vergelijkbaar met het misbruiken van de in artikel 8 lid 1 EEX-Vo gecreëerde mogelijkheid van het overdagen van meerdere verweerders. Volgens het Hof van Justitie kwalificeren kunstmatig gecreëerde procedures als misbruik van recht als daarmee verweerders van de rechter van hun woonplaats worden afgetrokken.De schadevaring en de daaruit voortgevloeide Duitse bodemprocedure alwaar het toepasselijke Duitse recht zal worden toegepast, heeft geen enkele band met Nederland of de Nederlandse jurisdictie, aldus Niedersachsen Ports.\n\n2.9.. \n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Het gaat hier om een bevoegdheid op grond van het LLMC, een verdrag met rechtstreekse werking in Nederland. Voor zover al de uitoefening van een door het LLMC gegeven bevoegdheid kan worden bestreden op basis van de Nederlandse interne norm van misbruik van bevoegdheid, oordeelt de rechtbank dat van zodanig misbruik hier niet gebleken is.\n\nVan der Kamp is in Nederland een bodemprocedure gestart tegen BAVDK. Niet in geschil is dat - op grond van een forumkeuzebeding in de bevrachtingsovereenkomst - de Nederlandse rechter bevoegd is om van dat geschil kennis te nemen. In deze bodemprocedure acht Van der Kamp BAVDK op grond van contractuele afspraken gehouden om haar te vrijwaren voor alle schade naar aanleiding van de schadevaring. Volgens Niedersachsen Ports is deze procedure geen waarachtige procedure; maar bedoeld om de rechtbank ertoe te bewegen om BAVDK en Van der Kamp toe te staan in Nederland te beperken in plaats van in Duitsland.\n\nMet haar standpunten lijkt Niedersachsen Ports voorwaarden aan het karakter van de ‘legal proceedings’ te stellen die in artikel 11 lid 1 van het LLMC zelf niet zijn terug te vinden en daar - bij een redelijke verdragsuitleg, overeenkomstig de regels uit het Weens verdragenverdrag - ook niet noodzakelijkerwijs uit voortvloeien. Voorwaarde voor het beperken van aansprakelijkheid is niet dat de aansprakelijkheid en\u002Fof het vorderingsrecht wordt\u002Fworden betwist en evenmin dat degene die ‘legal proceedings’ begint niet in een vennootschapsrechtelijke betrekking mag staan tot de aansprakelijk gehouden partij. Ook indien aan die of dergelijke ‘voorwaarden’ niet is voldaan kan sprake zijn van een reële, voor beperking vatbare vordering.\n\nDat dit hier anders is en dat de vordering van Van der Kamp in werkelijkheid niet bestaat, volgt onvoldoende uit wat Niedersachsen Ports aanvoert.\n\n2.10.. Dat Niedersachsen Ports advocaatkosten moet maken in Nederland voor een beperkingsprocedure is géén grond voor afwijzing van het verzoek op grond van misbruik van bevoegdheid. Voor een Duitse beperkingsprocedure had zij dit immers ook moeten doen.\n\n2.11.. Bovendien heeft de schadevaring, anders dan Niedersachsen Ports stelt, wel een band met Nederland, aangezien de Hein vaart onder de Nederlandse vlag, eigendom is van een Nederlandse partij (Van der Kamp) en geëxploiteerd wordt door een Nederlandse partij (BAVDK). Het is bovendien inherent aan het internationale karakter van de maritieme zaken en de systematiek van een beperkingsprocedure, dat partijen geconfronteerd kunnen worden met beperkingsprocedures in andere landen dan hun ‘thuisland’ en de daarmee gepaard gaande juridische complicaties. BAVDK en Van der Kamp maken gebruik van de mogelijkheden die het beperkingsrecht hen biedt. Dit levert geen misbruik van bevoegdheid op.\n\n2.12.. \n\nDaarnaast wordt Niedersachsen Ports, met een bodemprocedure en de daaropvolgende beperkingsprocedure in Nederland, niet van de bevoegde rechter van haar woonplaats onttrokken. Als hiervoor geoordeeld onder 2.3 is de rechtbank Rotterdam bevoegd om kennis te nemen van de onderhavige verzoeken. Een procedure tot aansprakelijkheidsbeperking in Nederland laat onverlet dat de bodemprocedure ten aanzien van de schadeplichtigheid in Duitsland kan worden gevoerd.\n\nVan der Kamp en BAVDK hebben aangevoerd dat de keuze om op lange termijn in Nederland te dagvaarden verband houdt met het afwachten van wat er in de Duitse bodemprocedure gebeurt. Van der Kamp en BAVDK sluiten ook niet uit dat de uitkomst van de Duitse bodemprocedure dienstig kan zijn voor de verificatie van de schuldvorderingen in de Nederlandse beperkingsprocedure.\n\nDe door Niedersachsen Ports bepleite analoge toepassing van uitspraken van het Hof van Justitie aangaande (thans) artikel 8 Brussel I-Bis Vo volgt de rechtbank dan ook niet.\n\nEr is geen sprake van litispendentie of samenhang in de zin van artikel 29 of 30 Brussel I-bis Vo\n\n2.13.. \n\nIndien en voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat BAVDK niet niet ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat het verzoek niet onmiddellijk dient te worden afgewezen, heeft Niedersachsen Ports verzocht om de beperkingsprocedure, althans het aanhaakverzoek, aan te houden op grond van artikel 29 lid 1 Brussel I-bis Vo (litispendentie), dan wel artikel 30 lid 1 (samenhang). Zij voert daartoe het volgende aan.\n\nIn de bodemprocedure in Duitsland tegen Van der Kamp, vordert Niedersachsen Ports: 1) betaling van de contractueel overeengekomen kosten van de berging van de Hein van € 1.150.000,- en 2) een verklaring voor recht dat Van der Kamp aansprakelijk is voor de schade van Niedersachsen Ports tot het bedrag van de maximale aansprakelijkheid op grond van het LLMC\u002FProtocol 1996, te weten SDR 2.310.904. Onderwerp van de Duitse procedure is onder meer de vraag of de bergingskosten worden beknot door de LLMC limiet en de vraag of het beperkingsbedrag integraal aan Niedersachsen Ports toekomt vanwege het voorrecht waarover zij zou beschikken op grond van artikel 614 van het Duitse Handelswetboek. Niedersachsen Ports verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank in de Perficioen voert aan dat in onderhavig geval zowel de verzoeken van BAVDK en Van der Kamp als de Duitse bodemprocedure draaien om de beperkingsvraag. Nu de Duitse procedure eerder aanhangig is gemaakt, moet deze rechtbank haar uitspraak aanhouden, aldus Niedersachsen Ports.\n\n2.14.. \n\nDe rechtbank oordeelt dat geen sprake is van litispendentie en dat er dus ook geen reden is om de beperkingsprocedure aan te houden op grond van artikel 29 Brussel I-bis Vo. Zij overweegt daartoe als volgt. De litispendentieregeling van artikel 29 Brussel I-bis Vo vereist onder meer dat voor de gerechten van verschillende lidstaten vorderingen aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten. Aan de eis van ‘hetzelfde onderwerp’ is voldaan als de vorderingen hetzelfde doel hebben. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in de Duitse bodemprocedure en de onderhavige beperkingsprocedure geen sprake. De vordering tot schadevergoeding in de Duitse bodemprocedure is erop gericht de aansprakelijkheid van Van der Kamp vast te stellen, terwijl de vordering tot beperking van aansprakelijkheid tot doel heeft te verkrijgen dat, ingeval de aansprakelijkheid wordt vastgesteld, deze wordt beperkt.\n\nAan de eis van ‘dezelfde oorzaak’ is voldaan als de vorderingen gegrond zijn op hetzelfde feitencomplex en op dezelfde rechtsregels die tot staving van de vordering worden aangevoerd. Ook aan deze eis is in onderhavige zaak niet voldaan, aangezien de vorderingen in de Duitse bodemprocedure en de beperkingsprocedure op verschillende rechtsregels zijn gebaseerd: de vordering tot schadevergoeding is gebaseerd op het recht inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid, terwijl de vordering om een fonds te vormen is gebaseerd op het LLMC. Dat Niedersachsen Ports voor de hoogte van haar vordering tegen Van der Kamp heeft aangesloten bij het beperkingsbedrag op grond van het LLMC maakt dat niet anders. Zoals ook door verzoeksters aangevoerd, betekent dit niet dat de Duitse rechter zich moet uitlaten over het recht op beperking van Van der Kamp. Daarnaast onderschrijft het juist het standpunt van verzoeksters dat geen sprake zal zijn van tegengestelde beslissingen in het kader van artikel 30 Brussel I-bis Vo, zoals hierna te bespreken, aangezien Niedersachsen Ports niet meer vordert dan het beperkingsbedrag.\n\n2.15.. De vraag of de kosten van Niedersachsen Ports voor de bergingsoperatie van de Hein worden beknot door een zakenfonds, alsmede de vraag of het voorrecht dat Niedersachsen Ports mogelijk heeft op grond van artikel 614 Duits Handelswetboek dat ziet op schade aan havenwerken tot gevolg heeft dat het beperkingsbedrag integraal toekomt aan Niedersachsen Ports (en er dus geen ruimte bestaat voor concurrerende vorderingen), maakt dit oordeel ook niet anders. Deze onderwerpen raken niet aan de vraag ofVan der Kamp en BAVDK hun aansprakelijkheid mogen beperken. Deze onderwerpen raken aan de vraag of aansprakelijkheid voor een bepaald type vordering mag worden beperkt en\u002Fof hoe bepaalde vorderingen eventueel gerangschikt moeten worden. De discussie hierover volgt eventueel in de verificatiefase en – indien nodig – tijdens renvooiprocedures. Dat een renvooiverwijzing tot onoverkomelijke juridische complicaties in Nederland en Duitsland zou leiden, zoals door Niedersachsen Ports gesteld, is niet, althans onvoldoende door Niedersachsen Ports onderbouwd en volgt de rechtbank, gelet op voorgaand oordeel, niet.\n\n2.16.. Ook het beroep op artikel 30 Brussel I-bis Vo gaat niet op. Zoals door Van der Kamp aangevoerd, zal de Duitse bodemrechter een uitspraak doen over de aard en omvang van de vordering van Niedersachsen Ports op Van der Kamp, en die uitspraak laat onverlet dat een andere rechter zich kan en mag uitlaten over de vraag of Van der Kamp en BAVDK een beroep toekomt op het recht om hun aansprakelijkheid voor alle vorderingen naar aanleiding van één en bepaald voorval te beperken. Van tegenstrijdige beslissingen is dan ook geen sprake.\n\nVerdere beoordeling\n\n2.17.. BAVDK stelt dat het bruto tonnage van de Hein 3.326 bedraagt. Dit wordt bevestigd in het door BAVDK overgelegde afschrift van het International Tonnage Certificate in bijlage vijf. BAVDK stelt verder dat op grond van dit bruto tonnage het beperkingsbedrag overeenkomstig artikel 8:755 lid 1 BW en het LLMC 1996 neerkomt op SDR 2.310.904.\n\n2.18.. Naast de hierboven behandelde en afgewezen verweren heeft de verschenen belanghebbende geen andere verweren gevoerd tegen het verzoek van BAVDK met betrekking tot de beperking van aansprakelijkheid voor de schadevaring. Evenmin is verweer gevoerd tegen de berekening van het te stellen zakenfonds zoals opgenomen in het verzoekschrift.\n\n2.19.. Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid voor vorderingen waarvoor beperking wordt verzocht voorshands is beperkt, te weten het zakenfonds, beloopt daarom SDR 2.310.904, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag volgende op de dag van het voorval, te weten 26 juli 2025, tot en met de dag volgende op de dag waarop het fonds zal zijn gesteld. De genoemde rekeneenheid SDR is het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds (IMF), naar de koers van de dag van het stellen van het fonds om te rekenen in euro’s volgens de waarderingsmethode die door het IMF op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties.\n\n2.20.. Tot zover voldoen de verzoeken aan de wettelijke vereisten. Daarom zal de rechtbank bepalen dat BAVDK fonds dient te stellen tot het in 2.19 bedoelde totaal beloop en dat dit zakenfonds, zodra gesteld, wordt geacht mede te zijn gesteld door Van der Kamp. Verder zal de rechtbank bepalen dat verzoeksters fonds dienen te stellen ter bestrijding van de kosten van de procedures zoals hierna te vermelden. Deze kosten zijn door de vereffenaar voorlopig begroot op € 8.500,00 per zaak. Verzoeksters hebben zich hier tijdens de mondelinge behandeling mee akkoord verklaard. Verder zal de rechtbank een rechter-commissaris aanwijzen en de vereffenaar benoemen.\n\n2.21.. Fondsvorming zal plaatsvinden middels storting in de consignatiekas, zoals door BAVDK in haar verzoekschrift verzocht.\n\nVerzoeksters dienen bij storting in de consignatiekas een kopie van deze beschikking te sturen aan:\n\nMinisterie van Financiën\n\nt.a.v. de Consignatiekas\n\nPostbus 20201\n\n2500 EE Den Haag\n\ne-mail: consignatiekas@minfin.nl\n\nZij zullen in de begeleidende brief bij deze beschikking worden geïnformeerd over de praktische afhandeling.\n\nVoeging\n\n2.22.. \n\nHet verzoek tot voeging van de aanhaakprocedure met de beperkingsprocedure, is ingevolge artikel 642b Rv toewijsbaar. De verzoekschriften betreffen hetzelfde voorval en geen van de in het verzoekschrift vermelde belanghebbenden heeft bezwaar gemaakt tegen de verzochte voeging. Het ligt voor de hand dat vorderingen tegen de ‘aanhakende’\n\npartij door dezelfde vereffenaar worden behandeld en ten overstaan van dezelfde\n\nrechter-commissaris. Daarmee worden de vorderingen van alle schuldeisers binnen\n\nhetzelfde beperkingsfonds op efficiënte, gelijk(vormig)e en proceseconomische wijze\n\nbehandeld. Voeging van de procedures tot beperking van aansprakelijkheid ligt daarom in\n\nde rede. Geen verdragsrechtelijke of wettelijke regeling verzet zich tegen voeging van een\n\nverzoek tot ‘aanhaken’ bij een lopende procedure tot beperking van aansprakelijkheid. De\n\nrechtbank zal daarom de voeging bevelen.\n\n2.23.. Ingevolge artikel 642c lid 5 Rv is deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin de zaken van BAVDK en Van der Kamp\n\n3.1.. bepaalt het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van BAVDK ter zake van de zaakschade in verband met het in 2.1 bedoelde voorval voorshands is beperkt op SDR 2.310.904 om te rekenen in euro’s naar de koers van de dag van het stellen van het fonds volgens de waarderingsmethode die door het IMF op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover te berekenen vanaf de dag volgende op de dag van het voorval, te weten 26 juli 2025, tot de dag volgende op de dag van het stellen van het fonds;\n\n3.2.. bepaalt dat BAVDK uiterlijk op 28 mei 2026 fonds dient te stellen tot het beloop van het in 3.1 bedoelde bedrag aan hoofdsom en rente, te vermeerderen met € 8.500,00 ter bestrijding van de kosten van de procedure, en wel door storting van dit totale bedrag in de consignatiekas op naam van de rechter-commissaris en de vereffenaar;\n\n3.3.. bepaalt dat het door BAVDK te stellen zakenfonds ter uitvoering van deze beschikking, zodra gesteld, mede wordt geacht te zijn gesteld door Van der Kamp;\n\n3.4.. stelt vast dat de eventuele aansprakelijkheid van ieder van verzoeksters tezamen voor het voorval voorshands is beperkt tot het in deze beschikking bepaalde bedrag;\n\n3.5.. bepaalt dat Van der Kamp uiterlijk op 28 mei 2026 het bedrag van € 8.500,00 ter bestrijding van de kosten van de procedure dient te storten in de consignatiekas op naam van de rechter-commissaris en de vereffenaar;\n\n3.6.. benoemt tot vereffenaar van het fonds mr. A. van Steenderen, [adres] , [postcode] [woonplaats] , arnold.vansteenderen@mainportlawyers.com;\n\n3.7.. beveelt de voeging van de procedure die door Van der Kamp aanhangig is gemaakt onder C\u002F10\u002F714137 \u002F HA RK 26-82 met de door BAVDK ingeleide procedure tot beperking van aansprakelijkheid onder C\u002F10\u002F713749 \u002F HA RK 26-64;\n\n3.8.. wijst aan als rechter-commissaris ter vaststelling van de staat van verdeling van het fonds mr. D.L. Spierings;\n\n3.9.. houdt alle verdere beslissingen aan;\n\nin het 195 Rv incident\n\n3.10.. wijst het verzoek van Niedersachsen Ports op grond van artikel 195 Rv af;\n\n3.11.. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.\n\n3597\u002F2459\n\n Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen 1976 zoals gewijzigd bij het Protocol van 1996.\n\nVerordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.\n\n Vgl Hof Den Haag 19 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:344, ro. 4.3.\n\nHvJEU, 13 juli 2006, ECLI:EU:C:2006:471 en HvJEU, 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:335.\n\n Stolt Commitment \u002F Thorco Cloud bij Hof Den Haag 19-02-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:346.\n\n Rechtbank Rotterdam 23 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9088.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7478","2026-07-13T00:28:33.725Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":83,"fullText":84,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":51,"updatedAt":87},"334","ECLI:NL:RBROT:2026:6678","ecli-nl-rbrot-2026-6678","2026-03-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11105822 CV EXPL 24-12715\n\ndatum uitspraak: 27 maart 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [eiseres],\n\ngevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. M.M.A. Timmermans, advocaat te Druten,\n\ntegen\n\n [gedaagde], die handelt onder de naam[handelsnaam],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. P.E. van Dam, advocaat te Zwolle.\n\nPartijen worden hierna “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ” genoemd.\n\n1. De verdere procedure\n\n1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\n- het tussenvonnis van 1 november 2024 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken; - de akte bewijslevering van [eiseres] , met bijlagen 20 tot en met 22; - het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 9 april 2025;\n\n- het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 4 november 2025.\n\n1.2.. Partijen zijn in januari 2026 geïnformeerd dat er een rechterswissel heeft plaatsgevonden, omdat mr. W.J.J. Wetzels is overleden. Mr. C. Sikkel heeft de behandeling van de zaak overgenomen. Vervolgens is de uitspraak van het vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. In het tussenvonnis van 1 november 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter [eiseres] opgedragen om te bewijzen dat de [naam schip 1] schuld heeft aan de schadevaring in de vroege ochtend van 6 februari 2023.\n\n2.2.. Om aan de bewijsopdracht te voldoen heeft [eiseres] bij akte een aantal producties in het geding gebracht en heeft zij de sluiswachter, die in dienst is van de gemeente Waalwijk, als getuige laten horen. [gedaagde] heeft daarna tijdens het tegenverhoor zichzelf laten horen. Vervolgens heeft [eiseres] de kantonrechter laten weten dat zij afziet van het nemen van een conclusie na getuigenverhoor.\n\n2.3.. De kantonrechter begrijpt dat [eiseres] de [naam schip 1] verwijt een fout te hebben gemaakt door in weerwil van rood sein in strijd met artikel 6.28a BPR de sluis in te varen nadat de [naam schip 2] deze had verlaten, zonder groen sein af te wachten of met de sluismeester af te stemmen dat de [naam schip 1] de sluis veilig kon invaren. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] ten eerste betwist dat het sein op rood stond en ten tweede stelt dat de sluismeester hem acht minuten voor de schadevaring telefonisch een instructie, althans toestemming had gegeven voor het invaren van de sluis.\n\n2.4.. De kantonrechter stelt (onder 2.10) de toedracht vast aan de hand van de op de dag van het ongeval (6 februari 2023) opgestelde verklaringen van de sluiswachter (geciteerd in het tussenvonnis en hieronder weergegeven) en van [gedaagde] (in de schademelding van 6 februari 2023), in samenhang met de getuigenverklaringen van de sluiswachter en van [gedaagde] .\n\nDe verklaringen\n\n2.5.. De schriftelijke verklaring van de sluiswachter op 6 februari 2023 luidt als volgt:\n\n “Ik ben bezig met een schutting van buiten (Maas) naar binnen (haven).\n\n In de kolk ligt ms [naam schip 2] .\n\n Tijdens deze schutting krijg ik telefoon (06.37 uur) van [naam 1] schipper van ms [naam schip 1] .\n\n Hij meldt dat hij naar buiten wil vanuit de haven naar de Maas.\n\n Ik geef hem te kennen dat ik met een schutting naar binnen bezig ben en de deur voor hem open laat staan.\n\n Ik zet het grote beeldscherm op camera 10 (Ik kijk hiermee de kolk in) zodat ik ms [naam schip 2] kan zien uitvaren richting de haven.\n\n Intussen ga Ik verder met het inschrijven van ms [naam schip 2] in onze administratie en houdt het\n\n schip op het grote scherm in de gaten.\n\n Ms [naam schip 2] is voorbij de binnenhoofd en ik zet het uitvaarsein in de kolk op rood en tevens staan op dat moment alle seinen op rood (zowel binnen als buiten).\n\n In het systeem verschijnt het kader om deuren te sluiten en zoals gewoonlijk klik ik ‘deuren\n\n sluiten’ aan. Ik ben op dat moment de ms [naam schip 1] vergeten.\n\n Deuren kunnen alleen bediend worden als alle seinen op rood staan.\n\n Vanuit camera 10 zie ik een schip aankomen dat vervolgens tegen de dicht gaande vloeddeuren vaart. Op dat moment staan de seinen dus op rood.\n\n Circa 06.45 uur vaart ms [naam schip 1] tegen de dicht gaande vloeddeuren van het binnenhoofd.06.50. \n\nuur nam de schipper direct telefonisch contact met mij op.\n\n Daarna heb ik de storingsdienst gebeld en heb ik [naam 2] en [naam 3] ingelicht.”\n\n2.6.. De sluiswachter heeft onder ede voor zover relevant het volgende verklaard:\n\n “U houdt mij de verklaring voor waarvan U zegt dat deze door gedaagde is overgelegd bij de brief van 19 september 2024. (…) Die verklaring heb ik zelf opgesteld. Het zijn dus mijn woorden in die verklaring. Die verklaring heb ik opgesteld op dezelfde dag van de aanvaring. (…)\n\n Ook nu ik onder ede sta blijf ik bij de juistheid van die verklaring.\n\nIn aanvulling daarop kan ik ten aanzien van de toedracht van de aanvaring nog het volgende verklaren. Vlak voor de aanvaring was ik bezig om de MS [naam schip 2] naar binnen te schutten. Ik had toen het beeld voor me van camera 10 waarop de [naam schip 2] te zien was. Op dat moment belde [gedaagde] die ik ken en die ik [naam 1] noem dat hij met de [naam schip 1] de sluis in wilde. Ik heb hem telefonisch gezegd dat ik de deur van de sluis open liet staan. Vervolgens duurde het de nodige tijd voordat de [naam schip 2] de sluis uit ging. De [naam schip 2] was voor het eerst in de sluis en voer erg langzaam. Op dat moment stond het sein voor de [naam schip 2] op groen en het sein voor de [naam schip 1] op rood. Op het moment dat de [naam schip 2] de sluis verlaten had, heb ik handmatig het uitvaart sein op rood gezet en tegelijkertijd op de knop gedrukt waarmee de deuren van de sluis dicht gingen. Toen de deuren voor de helft gesloten waren zag ik dat de [naam schip 1] tegen de deuren aanvoer. Op dat moment belde [naam 1] mij met de vraag “Wat doe je nu?”. Ik heb daarop gezegd, “Je vaart door rood”. [gedaagde] is toen achteruit gevaren, maar toen was het leed al geschied.\n\nU zegt mij dat [gedaagde] gezegd heeft dat ik na de aanvaring excuses aan hem heb aangeboden toen hij mij belde. Ik weet niet meer of ik toen excuses heb aangeboden.\n\nIn mijn schriftelijke verklaring heb ik ook nog opgeschreven dat ik de [naam schip 1] vergeten was. Ik weet niet meer of dat klopt. Ik zie het meer als een gedachte die erbij gekomen is. U moet weten dat het een heftige dag was met de aanvaring. (…)\n\nU vraagt mij hoe ik zo zeker weet dat de [naam schip 1] rood licht had vlak voor de aanvaring. (…) Op de derde foto ziet u de situatie dat de [naam schip 2] de sluis verlaten heeft en dat de verkeerslichten aan beide zijden van de sluis op rood staan. Alleen in die situatie kan ik de deuren van de sluis sluiten. (…)\n\nIk heb hiervoor en ook in mijn schriftelijke verklaring van 6 februari 2023 gezegd dat ik tegen [gedaagde] vlak voor de aanvaring gezegd heb dat ik de deuren van de sluis voor hem liet openstaan. (...) Ik heb per abuis op de knop gedrukt waarmee de deuren gesloten werden. Ik heb dat gedaan nadat ik handmatig het licht voor de [naam schip 2] op rood gezet had en toen zag ik op mijn display de afbeelding die u ook ziet op foto 3 waarna ik routinematig op de knop deuren sluiten gedrukt heb.\n\n(...)\n\nVanuit mijn positie heb ik voldoende zicht op de sluis en de kolk. Dat zicht heb ik via drie schermen waarop ik in totaal de beelden van dertien camera’s kan zien. Voor een goed begrip moet u weten dat ik op twee schermen in het klein tegelijkertijd alle beelden van de dertien camera’s kan zien. Ik kan op het derde scherm een keuze maken om de afbeelding van één van de dertien camera’s in het groot te bekijken. Ik heb er vlak voor de aanvaring voor gekozen om het beeld waarop de [naam schip 2] te zien was in het groot te bekijken en ik heb geen acht geslagen op de beelden van de camera waarop de [naam schip 1] te zien was. Ik heb vanuit mijn positie geen volledig overzicht op de situatie buiten.”\n\n2.7.. De verklaring van [gedaagde] in de schademelding van 6 februari 2023 luidt als volgt:\n\n“Bij aankomst sluis Waalwijk telefonisch contact opgenomen met de sluiswachter omstreeks 06:45.\n\nVia telefonisch contact toestemming gekregen om meteen de sluis in te varen, nadat het schip [naam schip 2] de sluis uit komt gevaren en de sluis open blijft staan. Eenmaal de buitendeuren gepasseert, beginnen de binnendeuren te sluiten.\n\nNadat dit geconstateerd word op de camera van het voorschip, heb ik de kopschroef en hoofdmotor meteen volaan achteruit laten slaan om het schip te laten stoppen en terug te varen. Dit was niet meer mogelijk hierdoor raakte het voorschip de deur.\n\nEenmaal achteruit de sluis uit, meteen telefonisch contact opgenomen met de sluismeester die ook in shock was en verklaarde dat hij mij vergeten was”.\n\nDit is de situatieschets die [gedaagde] heeft gemaakt bij de schademelding:\n\n2.8.. \n [gedaagde] heeft onder ede voor zover relevant het volgende verklaard:\n\n“(…) Ik kom bijna dagelijks met mijn schip bij de sluis waar de aanvaring heeft plaatsgevonden. Ik ken de sluiswachter en hem spreek ik aan met [naam 4] . Ik heb hem gebeld toen ik met mijn schip voor de sluis lag. Op dat moment was de [naam schip 2] bezig om de sluis uit te varen. Ik heb tegen [naam 4] gezegd dat ik er uit wilde en hij heeft toen gezegd dat de [naam schip 2] bezig was om uit te varen, dat ik daarna naar binnen kon varen en dat hij de deuren van de sluis zou open laten voor mij. Nadat de [naam schip 2] de sluis verlaten had ben ik met mijn schip de sluis ingevaren. (…)\n\nOp het moment dat ik de sluis ingevaren ben stond het licht in mijn beleving op groen.\n\n(…) Ik wijs u op de schets waarvan u zegt dat deze als productie 1 bij de conclusie van antwoord is overgelegd. Daarop ziet u dat ik met het schip al in de sluis gevaren was, dat ik de eerste deur al gepasseerd was en dat ik toen tegen de tweede deur ben aangevaren omdat de sluiswachter die deur dichtgedaan had. (…)\n\nNadat ik met mijn schip tegen de tweede deur was aangevaren heb ik de sluiswachter gebeld en hem gezegd ‘ [naam 4] wat doe je nu’ hij heeft daarop gereageerd met de woorden ‘sorry ik ben je vergeten’.\n\nUit de mededeling van de sluiswachter ‘ik laat de deuren voor je open’ heb ik afgeleid dat hij mij toestemming gaf om de sluis in te varen. Hij heeft ook tegen mij gezegd dat ik naar binnen kon varen als de [naam schip 2] uitgevaren was.\n\n(…)\n\nTussen het moment dat de sluiswachter telefonisch tegen mij gezegd heeft dat hij de deuren voor mij openliet en het moment van de aanvaring heb ik geen contact meer gehad met de sluiswachter. Tussen die twee momenten zat een tijdsverloop van 8.36 minuten. Dat tijdsverloop is betrekkelijk kort omdat het ook wel vaker een half uur duurt voordat ik de sluis in kan varen. Dat korte tijdsverloop duidt erop dat ik al met mijn schip kort voor de sluis lag en de sluiswachter mij kon zien vanuit zijn sluishuisje.”\n\n [eiseres] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs\n\n2.9.. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs. Hierna legt de kantonrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\nDe toedracht\n\n2.10.. Op 6 februari 2023 is de sluiswachter bezig met een schutting van buiten (Bergsche Maas) naar binnen (haven in Waalwijk). In de sluiskolk ligt het schip de [naam schip 2] . Tijdens de schutting belt [gedaagde] om 06.37 uur naar de sluiswachter met de melding dat hij van binnen naar buiten wil (vanuit de haven in Waalwijk richting de Bergsche Maas). De sluiswachter zegt in dit telefoongesprek tegen [gedaagde] dat hij met de schutting van de [naam schip 2] naar binnen bezig is en dat hij de sluisdeuren voor hem open zal laten staan. Het voor [gedaagde] zichtbare sein aan de invaartopening van de sluis staat op rood. Als de [naam schip 2] voorbij het binnenhoofd is, klikt de sluiswachter per ongeluk routinematig op de knop waarmee de sluisdeuren gesloten worden. Hij is de afspraak met de [naam schip 1] vergeten. De [naam schip 1] vaart door rood sein de sluis in. Op het moment dat de [naam schip 1] de openstaande buitendeuren van de sluis is gepasseerd, beginnen de binnendeuren te sluiten. Om ongeveer 06.45 uur vaart de [naam schip 1] tegen de dichtgaande binnendeuren van de sluis aan, waardoor deze zijn beschadigd en niet meer volledig operationeel zijn.\n\nHet sein stond op rood\n\n2.11.. \n [eiseres] stelt dat het invaarsein bij de sluisdeur zowel voor, tijdens als na de aanvaring op rood stond. Ter onderbouwing verwijst [eiseres] naar data van het besturingsprogramma en het bericht van 6 maart 2023, waarin de gemeente Waalwijk aan de hand van die data uitlegt dat rond het tijdstip van de schadevaring geen groen sein is gegeven en dat het laatste groene sein voor invaren die dag omstreeks 5.00 uur is afgegeven. [eiseres] verwijst verder naar het logboek invaarseinen en naar de verklaringen van de sluiswachter.\n\n2.12.. \n [gedaagde] betwist dat het sein bij de sluisdeur op rood stond. Bij het invaren van de sluis stond het invaarsein in zijn beleving op groen.\n\n2.13.. \n\nDe kantonrechter overweegt als volgt.\n\n [eiseres] heeft bewezen dat het sein bij de sluisdeur op rood stond. Dit volgt uit het door [eiseres] overgelegde logboek invaarseinen en de verklaring van de sluiswachter dat alleen als de verkeerslichten aan beide zijden van de sluis op rood staan, de sluisdeuren gesloten kunnen worden (zoals tijdens het incident gebeurde). Uit het logboek en de toelichting daarop van [eiseres] , volgt dat de twee aan weerszijde van de sluis aanwezige invaarseinen met nummer 3 en 4 tijdens de schadevaring om 06.45 uur op rood stonden. Dit blijkt uit de waarde op de Y-as met de codes 0 en 1, gecombineerd met het tijdsverloop op de X-as. Ten tijde van het ongeval gold code 1, wat staat voor rood sein. Het groene sein heeft niet gebrand tijdens de aanvaring, maar ook niet kort daarvoor. Op de Y-as is dit af te lezen aan de waarde 0,0. Het groene invaarsein is rond 5.00 uur ’s ochtends kortstondig aan geweest voor een ander schip (zie X-as). Tegen deze achtergrond legt de verklaring van [gedaagde] dat het sein in zijn beleving op groen stond, onvoldoende gewicht in de schaal. De beelden die [gedaagde] heeft overgelegd zien op een andere dag en geven geen informatie over de toedracht op 6 februari 2023.\n\nDe [naam schip 1] heeft schuld\n\n2.14.. Ter plaatse geldt het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Door rood sein varen is verboden volgens artikel 6.28a BPR (In- en uitvaren van sluizen). De schipper van de [naam schip 1] , [gedaagde] , heeft een fout gemaakt door in weerwil van het rode sein de sluis in te varen. Dat hij het rode sein niet actief waarnam, en veronderstelede dat het groen was, disculpeert hem niet. Daarmee heeft [gedaagde] het BPR overtreden. Dit levert in beginsel ‘schuld van het schip’ in de zin van artikel 8:1004 lid 1 BW op (zie r.o. 4.5 tussenvonnis).\n\n2.15.. \n\nEr kunnen bijzondere omstandigheden zijn die tot het oordeel leiden dat toch geen sprake is van enige relevante schuld van het schip, zoals concrete toezeggingen van het bevoegd gezag om ondanks rood sein toch de sluis in te varen. Daarvoor is nodig dat komt vast te staan dat [gedaagde] de mededeling van de sluiswachter “ik laat de deuren voor je open” mocht opvatten en heeft opgevat als een instructie of toestemming voor het invaren van de sluis zonder verdere afstemming met de sluiswachter, zelfs als het sein nog op rood stond. Dat is niet vast komen te staan. Dat de sluiswachter fouten heeft gemaakt en [gedaagde] de verwachting had dat hij na de [naam schip 2] in de sluis zou worden toegelaten, is daarvoor niet genoeg. Van een impliciete toestemming van de sluiswachter om ook bij rood sein de sluis in te varen is niet gebleken en er is niets gesteld of gebleken waaruit volgt dat [gedaagde] dat toch mocht denken.\n\nUit het dossierblijkt dat [gedaagde] dat ook niet concreet dacht. [gedaagde] rekende op groen licht en anticipeerde daarop. Hij heeft zich er niet van vergewist dat het sein op groen stond en is de sluis gaan invaren zonder voldoende op te letten. Als [gedaagde] wel voldoende had opgelet, dan had hij het rode sein waargenomen en was hij de sluis niet ingevaren. Uit de getuigenverklaring van [gedaagde] volgt immers dat [gedaagde] wist dat hij bij rood sein moest stoppen, maar dat hij dacht dat het sein groen was en dat hij op grond van het gesprek met de sluismeester geen aanleiding had te veronderstellen dat het sein op rood stond. Daarmee ontkracht hij zijn standpunt dat hij het rode sein mocht negeren, omdat hij een concrete aanwijzing van de sluiswachter had.\n\n2.16.. Dat de sluiswachter vooraf concreet heeft toegestaan dat [gedaagde] door rood sein mocht varen is niet gebleken Uit de verklaring van de sluiswachter volgt dat hij vindt dat [gedaagde] op groen sein had moeten wachten en bij twijfel had moeten bellen en dat hij geen toestemming heeft gegeven om door rood sein te varen. [gedaagde] weerspreekt ook niet dat de sluiswachter hem direct na de raking voorhield “je vaart door rood licht”, waaruit volgt dat ook de sluiswachter verwachtte dat hij niet zonder groen sein zou invaren.\n\n2.17.. \n [gedaagde] heeft dus een fout gemaakt door, in de verwachting dat het sein op groen zou staan, zonder opletten door rood sein de sluis in te varen terwijl hij niet daadwerkelijk veronderstelde dat hij (zelfs) daarvoor toestemming had. Dat is de initiële fout geweest en zonder die fout zou het ongeval niet zijn gebeurd en de schade voor [eiseres] niet zijn ontstaan. Daarmee is het causaal verband gegeven.\n\n2.18.. Aannemelijk is dat ook de sluismeester een fout heeft gemaakt. Uit zijn verklaring en de vaststaande feiten volgt dat hij, ongeveer acht minuten na het telefoongesprek met [gedaagde] waarin hij had gezegd de sluisdeuren open te laten staan, op een prompt van het systeem gewoontegetrouw op de knop “deuren sluiten” drukte. De sluiswachter was afgeleid door het trage schutten van nieuwkomer [naam schip 2] en had de [naam schip 1] niet in de gaten. De sluiswachter heeft toen direct en uitdrukkelijk zijn excuses aangeboden en gezegd dat hij de [naam schip 1] was vergeten. Door zijn druk op de knop raakten de sluisdeuren de [naam schip 1] en andersom. Zonder die fout zou het ongeval ook niet zijn gebeurd. De fout van de [naam schip 1] en de fout van de sluiswachter hebben samen de schade veroorzaakt. Een fout van de sluiswachter levert echter geen aftrek op jegens [eiseres] . Omdat de [naam schip 1] meer dan verwaarloosbare schuld heeft, is zij volledig aansprakelijk jegens [eiseres] . Dat is niet anders als de kantonrechter aanneemt dat de sluiswachter bij [gedaagde] de redelijke verwachting heeft gewekt dat hij de sluisdeuren niet zou sluiten en dat hij de [naam schip 1] na de [naam schip 2] zou binnenlaten door groen licht te geven. Dat heeft alleen gewicht in de verhouding van [gedaagde] tot de gemeente Waalwijk, die ook een procedure tegen [gedaagde] heeft aangespannen.\n\nAan het relativiteitsvereiste is voldaan\n\n2.19.. \n [gedaagde] betoogt dat een volgens [eiseres] door [gedaagde] geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade die [eiseres] stelt te hebben geleden. [gedaagde] verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de inhoud van een brief van EOC van 27 november 2023 (productie 17 bij dagvaarding). De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810). Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [gedaagde] voert verder aan dat [eiseres] geen eigenaar of beheerder van de sluis is en evenmin deelnemer aan het scheepvaartverkeer. Zij heeft geen garantie op een altijd functionerende sluis en evenmin op een continue bereikbaarheid van de haven, aldus [gedaagde] .\n\n2.20.. Dit verweer wordt verworpen. Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het in artikel 6:163 BW neergelegde vereiste dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt.De door de [naam schip 1] \u002F [gedaagde] toe te passen normen uit het BPR dienen het algemene belang van bevordering van de veiligheid, het voorkomen van aanvaringen het waarborgen van een veilige en vlotte doorvaart. Dit omvat ook het voorkomen van schade aan kunstwerken (zie artikel 1.14 BPR) en sluizen. Voor de aanvoer van grind en zand heeft [eiseres] haar productielocatie vanuit strategisch oogpunt aan het water en is zij afhankelijk van de werking van de sluis. Dat het negeren van een rood sein kan leiden tot een schadevaring met de sluisdeuren en het blokkeren van de doorvaart voor bedrijven die daarvan afhankelijk zijn was voor [gedaagde] voorzienbaar. De geschonden norm strekt in dit geval ook uit tot bescherming van het belang dat [eiseres] heeft bij een ongestoorde losvoorziening voorscheepvaart direct aan haar bedrijfslocatie.\n\n [gedaagde] moet [eiseres] € 21.499,75 aan schade betalen\n\n2.21.. Nu de [naam schip 1] schuld heeft aan de schadevaring, is [gedaagde] als eigenaar van het schip verplicht de schade die [eiseres] lijdt door de buitenwerking stelling van de sluis op 6 februari 2023 te vergoeden.\n\n2.22.. \n\n [eiseres] onderbouwt de schade die zij stelt te hebben geleden als volgt.\n\n [eiseres] houdt zich onder meer bezig met de vervaardiging van stortklaar beton. Omdat [eiseres] in Waalwijk aan het water ligt, is het mogelijk om vanuit het zuiden en oosten grondstoffen, zoals en grind en zand, via het water te laten aanvoeren. [naam bedrijf 1] . (hierna: [naam bedrijf 1] ) bevoorraadt [eiseres] over het water met grind en zand. Wekelijks levert zij circa 5.000 tot 8.000 ton grind en zand per schip aan. Als gevolg van de schadevaring was [eiseres] in de periode van 9 februari 2023 tot en met 9 maart 2023 niet bereikbaar over het water. Noodgedwongen moest [eiseres] schepen daarom laten uitwijken naar de Kerkvaart in Waspik, een gemeentelijke loswal die de gemeente Waalwijk vanwege de buitenwerking stelling van de sluis had vrijgegeven. [naam bedrijf 1] heeft daarvoor een bedrag van € 5.777,25 aan toeslagen aan [eiseres] doorbelast. [eiseres] verwijst naar de facturen van [naam bedrijf 1] en de verklaring van haar commercieel directeur van 13 november 2023. Het zand en grind is vervolgens over de weg vervoerd naar [eiseres] in Waalwijk. De daarmee gemoeide kosten van in totaal € 15.722,50 die [naam bedrijf 2] voor dit specifieke transport aan [eiseres] in rekening hebben gebracht, kwalificeren ook als schade die door [gedaagde] moet worden vergoed. [eiseres] verwijst naar facturen van [naam bedrijf 2] .\n\n2.23.. \n\n [gedaagde] voert hiertegen het volgende verweer:\n\nVoor zover de toeslag ziet op een extra reisvoorbereiding, is deze buitensporig, omdat het gaat om een zeer geringe afwijking van de gebruikelijke route, waarvoor ten hoogste eenmaal een extra reisvoorbereiding is vereist.\n\nEen bedrag van € 785,45 komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat een aantal dagen sprake was van hoog water en de haven van Waalwijk op die dagen wel kon worden bereikt. De wegtransportkosten die het gevolg zijn van daardoor onnodig in Waspik lossen, komen ook niet voor vergoeding in aanmerking. [gedaagde] verwijst naar de verklaring van de commercieel directeur van [naam bedrijf 1] . [gedaagde] betwist verder dat de opgevoerde wegtransportkosten (Waspik - Waalwijk) in verband staan met de schadevaring.\n\nDe bespaarde kosten aan haven- en (gecompenseerde) kadegelden moeten op de gestelde schade in mindering worden gebracht. [gedaagde] verwijst naar de Verordening haven- en kadegeld 2023.\n\n2.24.. \n\nDe kantonrechter overweegt als volgt.\n\nDe omvang van schade moet worden bepaald door vergelijking van de situatie waarin [eiseres] na de schadevaring verkeerde in de periode van 9 februari 2023 tot en met 9 maart 2023 dat zij niet bereikbaar was over het water, met de hypothetische situatie waarin de schadevaring niet had plaatsgevonden.\n\nMet het overleggen van de facturen van [naam bedrijf 1] en de verklaring van haar commercieel directeur heeft [eiseres] voldoende onderbouwd dat zij in die periode kosten heeft moeten maken van in totaal € 5.777,25, welke kosten zij niet zou hebben gemaakt als de schadevaring niet zou hebben plaatsgevonden. Zoals de directeur heeft verklaard betreffen dit toeslagen die [naam bedrijf 1] voor het uitwijken naar de loslocatie in Waspik aan [eiseres] in rekening heeft gebracht. Die toeslagen staan vermeld op de betreffende facturen. De directeur heeft een geloofwaardige uitleg gegeven waarom ook de toeslag is doorbelast van de enkele keer dat het vanwege de waterstand op zichzelf wel mogelijk was om te lossen in Waalwijk. Dat was omdat [naam bedrijf 1] op die dagen bij het bepalen van de route al had voorzien dat gelost moest worden in Waspik. De directeur heeft verder verklaard dat [eiseres] de betreffende facturen integraal heeft betaald. [gedaagde] heeft niet onderbouwd waarom de toeslagen volgens hem zouden zien op extra reisvoorbereiding, zodat de kantonrechter aan dat verweer voorbij gaat.\n\nMet het overleggen van de facturen van Harteman heeft [eiseres] voldoende onderbouwd dat zij in die periode extra transportkosten heeft moeten maken van in totaal\n\n€ 15.722,50. De facturen zien op de periode van 9 februari 2023 tot en met 9 maart 2023. Uit de omschrijving op de facturen volgt dat het gaat om transport van zand en grind van Waspik naar Waalwijk. [eiseres] heeft daarmee voldoende aangetoond dat de opgevoerde wegtransportkosten van Waspik naar Waalwijk in verband staan met de schadevaring.\n\n [gedaagde] heeft zijn verweer dat [eiseres] normaal gesproken havengelden verschuldigd is en dat [eiseres] is gecompenseerd voor kadegelden onvoldoende onderbouwd. De enkele verwijzing naar de Verordening haven- en kadegeld 2023 is niet genoeg.\n\nHet voorgaande betekent dat [gedaagde] in totaal € 21.499,75 aan [eiseres] moet betalen, te vermeerderen met de op zichzelf niet betwiste wettelijke rente vanaf 14 november 2023.\n\n [gedaagde] moet de proceskosten betalen\n\n2.25.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 1.409,00 aan griffierecht, € 112,99 aan exploitkosten, € 1.512,00 aan salaris voor de gemachtigde (3,5 punten x € 432,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 3.177,99. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.\n\nDe proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.26.. De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat verzoekt en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 21.499,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2023 tot de dag van volledige betaling,\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.177,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 144,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n3.3.. verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026. 21915\u002F16744\n\nArt. 6.28 a lid 1 a t\u002Fm c BPR: Voor het invaren van een sluis kunnen tekens worden getoond aan weerszijden van de invaartopening op gelijke hoogte dan wel aan de stuurboordszijde daarvan. Deze tekens betekenen:\n\na. twee rode vaste lichten boven elkaar: het invaren is verboden, de sluis wordt niet bediend;\n\nb. één rood vast licht: het invaren is verboden, de sluis wordt bediend;\n\nc. een rood vast licht en daaronder een groen vast licht: het invaren is verboden, maar dit zal aanstonds worden toegestaan;\n\nbrief van EOC van 27 november 2023 (productie 17 bij dagvaarding), e-mail van EOC aan Senso van 20 maart 2024 (productie 2 bij conclusie van antwoord) en randnummer 26 van de conclusie van antwoord\n\nHR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, r.o. 3.4.1 (Duwbak ‘Linda’).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6678","2026-06-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.929Z",20,[11,90],2024]