[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-parental-responsibility-nl-2026":3},{"detail":4,"years":209},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":207,"page":14,"limit":208},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},64,"parental-responsibility-nl","Parental Responsibility","NL","2026-07-08T16:54:19.202Z",2026,[13,15,17,20,22,25,28,30,31,33,35,37],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":14},2,{"month":18,"count":19},3,0,{"month":21,"count":16},4,{"month":23,"count":24},5,18,{"month":26,"count":27},6,8,{"month":29,"count":16},7,{"month":27,"count":19},{"month":32,"count":19},9,{"month":34,"count":19},10,{"month":36,"count":19},11,{"month":38,"count":19},12,[40,54,64,72,80,89,97,105,114,123,130,140,147,154,161,168,177,186,193,200],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"665","ECLI:NL:RBAMS:2026:6627","ecli-nl-rbams-2026-6627","",56,"2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F768717 \u002F FA RK 25-3298\n\nDatum uitspraak: 3 juli 2026\n\nBeschikking echtscheiding\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. S. Toughza uit Amsterdam,\n\nen\n\n [de man],\n\nhierna te noemen de man,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. J. Werner uit Amsterdam.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie [locatie 1] , hierna te noemen: de Raad.\n\nAls belanghebbende is aangemerkt:\n\nJeugdbescherming Regio Amsterdam,\n\ngevestigd te [locatie 2] ,\n\nhierna te noemen: JBRA.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op 6 mei 2025;\n\nhet verweerschrift van de man, met daarin een zelfstandig verzoek, ontvangen op 18 september 2025;\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 13 oktober 2025 met daaraan gehecht een brief van de Raad waaruit blijkt dat de Raad naar aanleiding van door Veilig Thuis gemelde zorgen een beschermingsonderzoek zal doen naar [minderjarige] ;\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 29 mei 2026 met de mededeling dat een audio-opname via Zivver wordt nagestuurd;\n\neen brief van de man van 2 juni 2026 waarin zijn advocaat reageert op het door de vrouw ingediende audiobestand en het zelfstandige tegenverzoek wordt gewijzigd;\n\nhet F-9 formulier van de vrouw van 4 juni 2026 waarin zij de rechtbank verzoekt dat de gezinsvoogd graag een uitnodiging krijgt voor de mondelinge behandeling en\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 4 juni 2026 met daaraan gehecht een productie.\n\n1.2.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nPartijen en hun advocaten, mevrouw [persoon 1] van de Raad en mevrouw [persoon 2] , gezinsvoogd werkzaam voor JBRA en een collega.\n\nPartijen hebben over en weer het woord gevoerd. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is beschikking bepaald op heden.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op 21 oktober 2022 in [plaats 1] , België.\n\n2.2.. De vrouw heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit en de man heeft de Algerijnse nationaliteit.\n\n2.3.. Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [plaats 2] .\n\n2.4.. De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij brief van 16 september 2025 de vrouw bericht dat na aanleiding van een melding van Veilig Thuis [locatie 3] een beschermingsonderzoek zal worden verricht naar de situatie van [minderjarige] .\n\n2.5.. Op 2 februari 2026 heeft deze rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van JBRA met ingang van 2 februari 2026 tot 2 november 2026.\n\n3. De beoordeling\n\nDe bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is\n\n3.1.. De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken en Nederlands recht is van toepassing.\n\nEchtscheiding\n\n3.2.. \n\nOp grond van artikel 815 lid 2 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van het minderjarige kind van partijen. In dit geval ontbreekt een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan. Er is voldoende onderbouwd waarom partijen geen ouderschapsplan hebben overgelegd. De rechtbank zal derhalve onder toepassing van artikel 815 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het verzoek tot echtscheiding inhoudelijk behandelen. De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals door beide partijen is verzocht, omdat zij vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.\n\nHoofdverblijfplaats\n\n3.3.. Beide partijen verzoeken de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hen te bepalen.\n\n3.4.. De vrouw stelt dat zij altijd hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest.\n\n3.5.. De man stelt dat beide partijen gezamenlijk de zorg over [minderjarige] hebben gedragen, er was nooit één hoofdverzorger. De man betwijfelt of de vrouw wel geschikt is om (alleen) voor de zoon te zorgen. De vrouw blowt veel en er komen bij haar thuis voortdurend mensen over de vloer waarbij er ook wel sprake is van drugsgebruik, de man wil daarover verder niet in detail treden. Dit zorgt voor een onvoldoende stabiele en veilige thuissituatie. De man denkt dat het meest in het belang van [minderjarige] is als hij het hoofdverblijf bij de man zal krijgen, echter op dit moment kan er geen sprake zijn van het bepalen van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem; de verhuurder staat niet toe dat [minderjarige] langer dan twee nachten elkaar bij de man verblijven. De man hoopt binnenkort een geschikte woning te krijgen waar [minderjarige] langer bij de man kan verblijven.\n\n3.6.. De rechtbank begrijpt het standpunt van de man aldus dat hij zijn verzoek op dit moment in feite niet langer handhaaft en dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek van de vrouw. Omdat [minderjarige] zijn feitelijke hoofdverblijf bij de vrouw heeft en de rechtbank het in zijn belang acht dat deze situatie ook juridisch wordt vastgelegd en de man daartegen niet langer verweer voert, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw toe. De Raad heeft het verzoek van de vrouw gesteund omdat [minderjarige] bij de vrouw woont.\n\nZorgregeling\n\n3.7.. Beide partijen hebben verzocht een zorgregeling vast te stellen.\n\n3.8.. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige] bij de man is elke dinsdag van 12.00 uur tot en met 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt voor de Lidl bij [locatie 4] .\n\n3.9.. In het verleden is er sprake geweest van huiselijk geweld, waar [minderjarige] ook getuige van is geweest. De vrouw onderschrijft het belang van contact tussen de man en [minderjarige] en heeft dit ondanks het verleden van partijen ook nooit geweigerd, maar zij maakt zich wel zorgen en wil dat er voorzichtig wordt omgegaan met [minderjarige] . [minderjarige] ziet zijn vader nu elke dinsdag. Inmiddels verloopt de regeling steeds beter. [minderjarige] had in het begin veel moeite om naar zijn vader toe te gaan. De vrouw wil dat de regeling rustig wordt uitgebreid, in afstemming op [minderjarige] . Op dit moment vindt na overleg met de gezinsvoogd de overdracht plaats in het appartementencomplex waar de vrouw en [minderjarige] wonen. [minderjarige] loopt de trap af en de man vangt hem daar op. De vrouw heeft niet het idee dat de man werkelijk naar een co-ouderschap wil toewerken. Zij vermoedt dat de man denkt dat een co-ouderschap de kansen van de man op een verblijfsvergunning verhoogt. De vrouw vindt het fijn dat JBRA en Sipi, de betrokken hulpverleningsorganisatie, meekijken. Zij hoopt dat er ook de mogelijkheid zal zijn dat [minderjarige] met een psycholoog kan praten. [minderjarige] slaapt heel erg onrustig end dat baart de vrouw zorgen. De vrouw is niet tegen een uitbreiding op termijn met overnachtingen, maar vindt dat de uitbreiding in het tempo moet gaan van [minderjarige] . Omdat de vrouw doordeweeks werkt na kantoortijden en in het weekend moet er in de regeling ruimte zijn voor haar om [minderjarige] op haar vrije momenten te zien. Als de man in het weekend de zorg niet kan dragen dan moet er een manier gevonden worden om de vrije momenten te delen. De vrouw zou de dinsdag willen aanhouden en daarbij een regeling in het weekend.\n\n3.10.. De man heeft verzocht om een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] om het weekend bij de man verblijft, van vrijdagmiddag tot zondagavond (na het eten) en waarbij de overdracht plaatsvindt op [locaties] .\n\n3.11.. Voor de man is het essentieel dat [minderjarige] en hij met grotere regelmaat en voor een langere tijd per keer omgang hebben. Het gaat goed met [minderjarige] . Hij is blij en vrolijk bij de man. De man kan goed voor [minderjarige] zorgen en het gaat steeds beter. De man wil een uitbreiding ook stap voor stap doen in het belang van [minderjarige] . De man wil zijn rol als vader serieus oppakken. De man wil wel graag duidelijkheid over wat er op termijn mogelijk zal zijn. De man heeft werk dat zich in het weekend concentreert. Daarom moet er een compromis gevonden worden waarin beide partijen tijd met [minderjarige] kunnen doorbrengen op hun vrije momenten. Overdag kan de man de zorg dragen in het weekend, maar hij werkt in het weekend ’s avonds. De man betwist dat hij enkel een co-ouderschap op papier zou willen om een verblijfsvergunning te kunnen krijgen. Zijn diepste wens is om meer tijd door te brengen met [minderjarige] .\n\n3.12.. De gezinsvoogd heeft op de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat sinds de afgelopen maanden dat JBRA betrokken is de situatie is verbeterd. Er is veel gebeurd in het verleden. Beide ouders werken nu goed mee met de hulpverlening. Op dit moment is Sipi betrokken die helpt bij de omgang. JBRA vindt het belangrijk dat uitbreiding van de zorgregeling veilig gebeurt. Gelet op de zeer jonge leeftijd van [minderjarige] is het belangrijk dat er wordt uitgebreid door vaker kortere momenten te organiseren. Het zou fijn zijn voor [minderjarige] als er meer duidelijkheid komt.\n\n3.13.. De raadsmedewerker heeft op de mondeling behandeling het volgende naar voren gebracht. De overdracht zoals die nu plaats vindt van [minderjarige] van de ene naar de andere ouder is niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is twee jaar en daarmee veel te jong om alleen de oversteek in het trappenhuis te moeten maken van moeder naar vader. Door de overdracht op deze manier te doen heeft [minderjarige] geen support van zijn ouders, geen toestemming om naar de andere ouder te gaan, en dat moet echt anders. Het is fijn dat Sipi helpt bij het organiseren van een goed veilige omgang. De vrouw moet vragen kunnen stellen over de omgang van [minderjarige] bij vader en vader andersom ook. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat beide ouders betrokken zijn, ook als [minderjarige] op dat moment niet bij hen is. Het is dus ook belangrijk dat informatie over het adres waar [minderjarige] met de man verblijft, kenbaar wordt gemaakt aan de vrouw. Ouders dienen zich te allen tijde af te vragen wat zij zelf kunnen doen om het voor [minderjarige] gemakkelijker te maken. Het is voor alle betrokkenen fijn om een stip op de horizon te hebben naar de toekomstige situatie waarin de zorgregeling verder is uitgebreid. Maar het voorstel van de man geeft te veel onrust. [minderjarige] is nog erg klein en de zorgregeling moet worden opgebouwd. Er zit nu teveel spanning op. De Raad wil meegeven dat er voorzichtig en langzaam naar uitbreiding met eerst een nachtje moet worden toegewerkt. Naar de vrouw toe geeft de Raad mee dat kinderen onrustiger gaan slapen als er spanningen zijn, maar dit ook past bij de leeftijd. [minderjarige] bevindt zich midden in de fase van het opbouwen van hechting met de man. Daar hoeft de vrouw zich nu geen zorgen over te maken. Het is belangrijk dat [minderjarige] terugkijkt op deze periode later en vindt dat zijn ouders dit best wel goed voor hem hebben geregeld. Omdat [minderjarige] nog heel klein is, is het extra belangrijk dat er goed naar [minderjarige] wordt gekeken. Als het een keer niet zo goed gaat, breng hem dan terug. Vader gaat steeds belangrijker worden. De Raad adviseert om in overleg met Sipi en JBRA op termijn uit te breiden naar contact op bijvoorbeeld maandag en van donderdag op vrijdag, dan is er iets meer ruimte tussen de contactmomenten. Toewerken naar twee nachtjes op termijn is een mogelijkheid. Maar het is afwachten hoe [minderjarige] daarop zal reageren. Kan hij met toestemming van beide ouders en onbelast toewerken aan een uitgebreidere zorgregeling? Het zal waarschijnlijk een stuk sneller gaan als de spanningen tussen partijen eindigen. Misschien kunnen partijen in overleg met hun advocaten kijken naar de werktijden van beide ouders en komen tot een plan.\n\n3.14.. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal de huidige zorgregeling vastleggen en daarbij bepalen dat deze regeling onder regie en aanwijzingen van JBRA plaatsvindt, die zich terzake laat informeren en adviseren door Sipi. Deze zorgregeling wordt op termijn uitgebreid naar een regeling waarbij [minderjarige] ook bij zijn vader zal overnachten. Dat zal eerst een nacht per week zijn en, indien dit goed gaat en JBRA daartoe aanleiding ziet, naar twee nachten per week. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de voorgeschiedenis van partijen moet deze uitbreiding behoedzaam en in afstemming op [minderjarige] plaatsvinden. Met betrekking tot de overdracht van [minderjarige] tussen de ouders is de rechtbank met de Raad van oordeel dat de huidige regeling, waarbij de twee-jarige [minderjarige] zelf het trappenhuis van de flat alleen naar boven en naar beneden moet lopen, niet in het belang van de minderjarige is. De overdracht dient bij de vrouw voor de deur plaats te vinden zodat [minderjarige] de toestemming voelt om naar de andere ouder te gaan. Van de ouders mag verwacht worden dat zij zich ervoor inspannen dat de overdracht voor [minderjarige] rustig en prettig verloopt. De man dient [minderjarige] bij de vrouw op te halen en weer terug te brengen.\n\nMitsdien wordt beslist als volgt.\n\n4. De beslissing\n\n4.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 21 oktober 2022 in [plaats 1] (België);4.2.. stelt vast dat [minderjarige] hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;4.3.. \n\nstelt vast dat [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man is:\n\n- iedere dinsdag van 12.00 uur tot en met 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en weer terugbrengt,\n\nwelke regeling onder regie en aanwijzingen van JBRA wordt uitgebreid met een nacht per week en in de verdere toekomst twee nachten per week, in afstemming op [minderjarige] ;\n\n4.4.. deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad met uitzondering van de echtscheiding;\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.B. Sluijs, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. van den Berg, griffier op 3 juli 2026.\n\nTegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\n- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem\u002Fhaar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.\n\n Echtscheiding: art. 3 Brussel II-ter en art. 10:56 BW. Ouderlijke verantwoordelijkheid: art. 7 Brussel II-ter en art. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6627","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.987Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":59,"fullText":60,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":63},"887","ECLI:NL:RBNNE:2026:2653","ecli-nl-rbnne-2026-2653",65,"2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie Groningen\n\nzaak-\u002Frekestnummer: C\u002F18\u002F258592 \u002F FA RK 26-4412\n\nbeschikking van 2 juli 2026 naar aanleiding van de informele rechtsingang\n\nin de zaak van\n\n [Naam minderjarige],\n\ndie is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2011 in [geboorteplaats] ,\n\nen die hierna \"de minderjarige\" wordt genoemd,\n\nadvocaat: mr. [naam advocaat] , die kantoor houdt in [plaats 1] .\n\nDe rechter merkt als belanghebbende aan:\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,\n\ndie gevestigd is in Groningen,\n\nen die hierna \"de voorlopige voogd\" wordt genoemd.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. Deze procedure is ingeleid met schriftelijk verzoek van de (de advocaat van de) minderjarige, dat de rechtbank heeft ontvangen op 2 juli 2026.\n\n1.2.. De rechtbank heeft met uitdrukkelijke instemming van (de advocaat van) de minderjarige telefonisch de voogd gehoord op 2 juli 2026.\n\n1.3.. De rechtbank heeft vervolgens met instemming van de belanghebbenden zonder verdere mondelinge behandeling direct uitspraak gedaan en aangekondigd dat de uitspraak schriftelijk wordt uitgewerkt in deze beschikking.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De rechtbank kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten.\n\n2.2.. De minderjarige staat onder voorlopige voogdij, nadat de met het gezag belaste ouders zijn overleden en daardoor onverwijld in het gezag over de minderjarige moest worden voorzien.\n\n2.3.. De minderjarige en de voogd hebben schriftelijk en telefonisch feiten en omstandigheden aangevoerd die het noodzakelijk maken dat onverwijld een bijzondere curator wordt benoemd.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Het verzoek heeft een uitzonderlijke en ingrijpende achtergrond, omdat sprake is van parenticide: het (vermoedelijk) opzettelijk doden van de ouders door een eigen kind. Dit feit heeft niet alleen strafrechtelijke consequenties, maar werkt ook door in de civielrechtelijke verhoudingen, in het bijzonder waar het de positie en belangen van de minderjarige betreft. In een dergelijk krachtenveld van rouw, loyaliteitsconflicten, mogelijke stigmatisering en complexe familierechtelijke en erfrechtelijke kwesties, bestaat een reëel risico dat de belangen van de minderjarige niet, niet voldoende of niet onbevangen tot hun recht komen.\n\n3.2.. Uit de ter onderbouwing van het verzoek gestelde feiten, bezien in samenhang met de achtergrond van parenticide, volgt dat de minderjarige zich in een uitermate kwetsbare positie bevindt. Enerzijds is sprake van het verlies van de ouders door een gewelddadige dood, anderzijds van ingrijpende erfrechtelijke gevolgen die moeten worden geregeld. Deze combinatie maakt dat het voor de minderjarige feitelijk onmogelijk is om eigen belangen kenbaar te maken, laat staan daarover zelfstandig een standpunt in te nemen.\n\n3.3.. De voorlopige voogd heeft toegelicht dat er bovendien bijzondere feiten en omstandigheden zijn die meebrengen dat het noodzakelijk is dat een bijzondere curator wordt benoemd met ter zake dienende kennis van het erfrecht, mede gelet op de rechtsvragen die rijzen over bijvoorbeeld de onwaardigheid om te erven en wat dit betekent voor de wijze van afwikkeling van de nalatenschap. In samenhang hiermee spelen er urgente contractuele kwesties die nu niet of niet voortvarend genoeg kunnen worden geadresseerd. De rechtsvragen overstijgen de mogelijkheden van de voorlopige voogd om zelfstandig te beoordelen wat in het belang van de minderjarige is aangewezen en welke stappen moeten worden gezet.\n\n3.4.. De rechtbank stelt vast dat hiermee sprake is van een vermogensrechtelijk spanningsveld dat de objectieve en onafhankelijke behartiging van de belangen van de minderjarige door de voorlopige voogd onder druk kan zetten. Onder deze omstandigheden is sprake van een zodanig risico dat de belangen van de minderjarige onvoldoende tot hun recht komen, dat benoeming van een bijzondere curator aangewezen is voor zover het de erfrechtelijke positie van de minderjarige betreft. De bijzondere curator zal de vermogensrechtelijke belangen van de minderjarige in en buiten rechte behartigen, de voorlopige voogd daarover adviseren en daarover aan de rechtbank rapporteren.\n\n3.5.. De rechtbank geeft hierbij een aantal gezichtspunten ten aanzien van de taak van de bijzondere curator en daarmee responderend op wat schriftelijk en mondeling is aangevoerd:\n\nEr lijkt sprake te zijn van wat wel een onbeheerde boedel wordt genoemd;\n\nHet laat zich aanzien er niet bij testament een executeur of afwikkelingsbewindvoerder is benoemd;\n\nDe nalatenschap door of namens de minderjarige kan slechts beneficiair worden aanvaard, hetgeen meebrengt dat de nalatenschap overeenkomstig de wettelijke regels moet worden vereffend;\n\nIn beginsel rust de taak tot vereffening op de erfgenamen en, voor zover het de minderjarige betreft, op diens wettelijk vertegenwoordiger, thans de voorlopige voogd;\n\nDe voorlopige voogdij geldt in beginsel voor een duur van maximaal drie maanden; binnen die periode moet door de Raad voor de Kinderbescherming worden verzocht een definitieve gezagsvoorziening, anders vervalt de maatregel;\n\nGezien de complexiteit en ontwrichting van de situatie lijkt het niet reëel dat de voorlopige voogd de nalatenschap zelf afwikkelt, noch dat een eventueel later in tijd uit het netwerk van de minderjarige te benoemen voogd met deze taak wordt belast.\n\nDe wet biedt de mogelijkheid om op verzoek van een belanghebbende een professionele vereffenaar te laten benoemen;\n\nNu hiervan tot op heden geen gebruik is gemaakt, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige dat de bijzondere curator de taak heeft te signaleren of benoeming van een vereffenaar geboden is en, indien dat het geval is, een daartoe strekkend verzoek te (doen) initiëren;\n\nEr zijn contractuele verplichtingen van de boedel die onverwijld moeten worden geadresseerd om financieel nadeel te voorkomen;\n\nIemand is in het Nederlandse recht alleen onwaardig is om te erven als hij onder één van de in artikel 4:3 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) limitatief opgesomde gevallen valt. De wet vereist onder meer een onherroepelijke rechterlijke veroordeling voor de in het artikel genoemde misdrijven; zolang hoger beroep of cassatie nog openstaat, is er nog geen wettelijke onwaardigheid. De mogelijke onwaardigheid speelt daarom ten aanzien van de minderjarige vooralsnog geen rol.\n\n3.6.. Mede gelet op de beschermingsgedachte die ten grondslag ligt aan de regeling omtrent minderjarige erfgenamen en beneficiaire aanvaarding, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige dat de bijzondere curator deze actieve rol vervult. Van de bijzondere curator mag in een situatie als de onderhavige worden verwacht dat zij niet afwacht totdat andere betrokkenen het initiatief nemen, maar dat zij zelfstandig beoordeelt of een formele vereffening onder leiding van een door de rechtbank te benoemen vereffenaar noodzakelijk of wenselijk is om de vermogensrechtelijke positie van de minderjarige veilig te stellen, en dat hij daaraan vervolgens de geëigende juridische stappen verbindt.\n\n3.7.. Op grond van de voorgaande overwegingen zal de rechtbank mr. [achternaam bijzondere curator] benoemen tot bijzondere curator, die zich bereid heeft verklaard deze benoeming te aanvaarden.\n\n3.8.. Deze bijzondere curator kan vanwege inschrijvingsvereisten bij de Raad voor de Rechtsbijstand niet door de rechtbank worden toegevoegd. Dit doet echter niet af aan de wettelijke bevoegdheid van de rechtbank om mr. [achternaam bijzondere curator] te benoemen als bijzondere curator. Voor de benoeming van een advocaat die niet aan de inschrijvingsvereisten voldoet is redengevend dat de wel op de lijst beschikbare advocaten niet de erfrechtelijke expertise nodig hebben om de hier voorliggende taak te kunnen vervullen. De rechtbank is van oordeel dat de te benoemen bijzondere curator ervaren en deskundig is in het familie- en jeugdrecht en ter zake het erfrecht voldoende gespecialiseerd is om haar taak naar behoren te vervullen.\n\n3.9.. Betaling gaat om bovenstaande reden op basis van het uurtarief. De rechtbank begroot de kosten van de bijzondere curator vooreerst op een tiental uren tegen het opgegeven uurtarief ter grootte van € 305,- exclusief BTW. De rechtbank zal het aldus begrote voorschot ter grootte van € 3.690 inclusief21% BTW voorlopig ten laste van ’s Rijkskas brengen. De rechtbank verzoekt de bijzondere curator wanneer het voorschot niet toereikend is om zo spoedig mogelijk een begroting te maken van de kosten van haar bijstand.\n\n3.10.. De rechtbank is voornemens te bepalen dat de kosten van de bijzondere curator ten laste van de boedel behoren te komen en zal te zijner tijd verlangen dat de boedelbeschrijving wordt overgelegd ter beoordeling van de mogelijkheden om de kosten ten laste van de boedel te brengen.\n\n3.11.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. benoemt met ingang van 2 juli 2026 tot bijzondere curator over de minderjarige, mr. [voorletter en achternaam bijzondere curator] , die kantoor houdt in [plaats 2] , ten einde de minderjarige te vertegenwoordigen als bedoeld in artikel 1:250 BW;\n\n4.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.3.. gelast de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking onverwijld aan de (advocaat van de) minderjarige, de voorlopige voogd en de bijzondere curator te zenden;\n\n4.4.. verzoekt de bijzondere curator uiterlijk op de rolzitting van vrijdag 2 oktober 2026, of zoveel eerder als mogelijk, het verslag van bevindingen aan de rechtbank, de voorlopige voogd en (de advocaat van) de minderjarige uit te brengen;\n\n4.5.. begroot de kosten van de deskundige voorlopig op € 3.690 inclusief 21% BTW en bepaalt dat de kosten van de bijzondere curator voorlopigten laste komen van 's-Rijks kas.\n\nDeze beslissing is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026. De beschikking is schriftelijk uitgewerkt in deze beschikking en ondertekend op 3 juli 2026.\n\nAls u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2653","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:53.026Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":51,"fullText":68,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":52,"updatedAt":71},"1988","ECLI:NL:GHAMS:2026:1732","ecli-nl-ghams-2026-1732","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht en belastingrecht\n\nTeam III (familie- en jeugdrecht)\n\nzaaknummer: 200.344.709\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank: C\u002F15\u002F332362 \u002F FA RK 22-4558\n\nbeschikking van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 de zaak van\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,\n\nverzoekster in het principaal hoger beroep,\n\nverweerster in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna: de moeder,\n\nadvocaat: mr. C.C. Sneper te Amersfoort,\n\nen\n\n [de vader] ,\n\nwonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,\n\nverweerder in het principaal hoger beroep,\n\nverzoeker in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna: de vader,\n\nadvocaat: mr. M.H. Gillis te Hoorn.\n\nHet hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:\n\n- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,\n\n- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .\n\nIn de procedure heeft een adviserende taak:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\ngevestigd te Den Haag, locatie Haarlem ,\n\nhierna: de raad.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe zaak gaat over [minderjarige 2] (14 jaar) en het contact met haar vader.\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna: de kinderen) een zorgregeling vastgesteld en het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen afgewezen.\n\nDe moeder was het daar niet mee eens en vond dat de zorgregeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door het hof moest worden aangepast en dat de hoofdverblijfplaats bij haar moest worden bepaald. Later in de procedure heeft de moeder het hof verzocht alleen de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 2] te beperken of een raadsonderzoek te gelasten.\n\nDe vader was het wel eens met de bestreden beschikking. Verder wil hij dat er een raadsonderzoek wordt ingesteld of een bijzondere curator voor [minderjarige 2] wordt benoemd.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. \n\nDe moeder is op 12 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van de beschikking van\n\n14 mei 2024 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).\n\n2.2. De vader heeft op 16 oktober 2024 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.3. De moeder heeft op 29 november 2024 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.4. Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:\n\n- een bericht van de zijde van vader van 13 november 2024 met bijlage,\n\n- een bericht van de zijde van vader van 22 november 2024 met bijlagen,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 4 december 2024 met bijlagen.\n\n2.5. De voorzitter heeft op 4 december 2024 met [minderjarige 2] gesproken. [minderjarige 1] heeft in een brief aan het hof laten weten wat zijn mening is. De voorzitter heeft tijdens de mondelinge behandeling van 5 december 2024 de inhoud van het gesprek met [minderjarige 2] en de brief van [minderjarige 1] zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.\n\n2.6. Op 5 december 2024 heeft een zitting plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Het hof heeft op deze zitting besloten de zaak pro-forma aan te houden tot 2 maart 2025 om de uitkomsten van het hulpverleningstraject via Focus2BE af te wachten. Vervolgens is de zaak een aantal keer aangehouden om het verdere verloop van de hulpverlening gericht op het herstellen van het contact tussen [minderjarige 2] en de vader af te wachten. De partijen hebben zich op verschillende moment uitgelaten over het verloop van de hulpverlening, de onderlinge verhoudingen tussen de ouders en de gewenste verdere voortgang van de procedure.\n\n2.7. Na de zitting van 5 december 2025 zijn bij het hof de volgende nadere stukken binnengekomen:\n\n- een bericht van de vader van 26 februari 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 3 maart 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 5 maart 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 15 maart 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 15 mei 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 15 mei 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 7 september 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 31 januari 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 22 maart 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 23 maart 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 24 maart 2026, met bijlagen.\n\n2.8. De mondelinge behandeling is voortgezet op 2 april 2026. Verschenen zijn:\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en\n\n- de raad vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren [in] 2009 te [plaats 2] en [minderjarige 2] , geboren op [in] 2012 te [gemeente] . De ouders zijn getrouwd geweest en zijn op 9 maart 2022 gescheiden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van 21 februari 2022. Het gezamenlijk gezag over de kinderen is na de echtscheiding in stand gebleven.\n\n3.2. Aan de hiervoor genoemde echtscheidingsbeschikking van 21 februari 2022 is een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan gehecht waarin - voor zover hier van belang - het volgende staat vermeld:\n\n- artikel 2.3 van het echtscheidingsconvenant: De ouders zijn overeengekomen dat beide kinderen ingeschreven zullen worden op het woonadres van de moeder, zodra zij een eigen woonadres heeft om zich in te schrijven. Tot zolang blijven de kinderen ingeschreven bij de vader.\n\n- artikel 4 van het ouderschapsplan: De ouders hebben overlegd over de wijze waarop zij na de scheiding de zorg willen verdelen. De ouder waar de kinderen verblijven is verantwoordelijk voor de dagelijkse zorg. De ouders zijn de volgende zorgregeling overeengekomen. Er is geen zorgregeling in tijd en plaats. Moeder volgt rooster vader op zo'n manier dat de verdeling 50\u002F50 is per periode van 28 dagen. Dit wordt elke periode opnieuw bekeken vanwege onregelmatig werkrooster. Dit wordt opnieuw bekeken als de contractbasis waarop moeder werkt verandert. Een mogelijkheid is een contract van 50%. In dat geval zal het co-ouderschap om de week worden.\n\n3.3. Bij proces-verbaal van de rechtbank van 8 november 2022 zijn partijen in de onderhavige zaak verwezen naar het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Bij tussenbeschikking van de rechtbank van 25 november 2022 is de beslissing in de bodemzaak over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie aangehouden in afwachting van bericht van de gemeente [gemeente] , de raad of partijen over het verloop en de uitkomsten van het hulpverleningstraject in het kader van het UHA.\n\n3.4. Uit het eindverslag van Altra, door de rechtbank ontvangen op 29 januari 2024, blijkt dat het hulpverleningstraject is gestagneerd en de doelen niet zijn behaald.\n\n4. De omvang van het hoger beroep\n\n4.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat [minderjarige 1] in de oneven weken van maandag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft en in de even weken bij de moeder, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen. Verder is bepaald dat [minderjarige 2] bij wijze van opbouwregeling in de week dat [minderjarige 1] bij de vader verblijft tweemaal bij de vader verblijft van donderdagmiddag uit school tot en met zondag aan het eind van de middag en daarna net als [minderjarige 1] in de oneven weken van maandag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen afgewezen.\n\n4.2. De moeder verzoekt in haar beroepschrift, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de zorgregeling voor beide kinderen te wijzigen, in die zin dat zij per datum beschikking eens in de twee weken een weekend van vrijdag tot zondag bij de vader verblijven alsmede dat de regeling van de vakanties blijft zoals overeengekomen, met uitzondering van de mei\u002Fkerstvakantie en de zomervakantie, waarvan zij de invulling vastgelegd wil zien door het hof. Tenslotte verzoekt de moeder dat het hoofdverblijf van de kinderen bij haar wordt vastgesteld.\n\n4.3. De vader verzoekt in zijn verweerschrift het beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader om de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals bepaald in de bestreden beschikking op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel tot een maximum van € 25.000,-. Verder verzoekt de vader om de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure van de vader, te weten € 3.440,56, alsmede tot betaling van de nakosten.\n\n4.4. De moeder verzoekt het hof om het incidentele hoger beroep van de vader in zijn geheel af te wijzen.\n\n4.5. De moeder heeft per brief van 2 februari 2026 het hof verzocht de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] te wijzigen en daarbij benadrukt dat [minderjarige 2] geen weekendregeling of vaste dag bij de vader meer wenst. Subsidiair verzoekt de moeder het hof een raadsonderzoek te gelasten.\n\n4.6. De vader verzoekt bij brief van 22 maart 2026 een bijzondere curator met een pedagogische en\u002Fof psychologische achtergrond te benoemen dan wel een raadsonderzoek te gelasten.\n\n4.7. \n\nOp de zitting op 2 april 2026 hebben de partijen, naar het hof begrijpt, het hof verzocht een tijdelijke zorgregeling vast te stellen en een bijzondere curator voor [minderjarige 2] te benoemen.\n\nVerder hebben partijen ter zitting hun verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] ingetrokken.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\n5.1. Omdat partijen hun verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] hebben ingetrokken, hoeft het hof hierop geen beslissing meer te nemen. De beoordeling van het hof gaat alleen nog over de verzoeken met betrekking tot [minderjarige 2] .\n\nHet wettelijk kader\n\n5.2. \n\nUit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:\n\n een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.\n\nDe standpunten\n\n5.3. De moeder vindt dat de zorgregeling moet worden afgestemd op de behoeften en wensen van [minderjarige 2] . Een co-ouderschapregeling is niet werkbaar. [minderjarige 2] wil geen weekendregeling met de vader meer en zelfs een vaste dag is haar te veel. Zij is wel bereid tot gestructureerd contact, maar de vader blijft hameren op een co-ouderschapsregeling. In de afgelopen periode heeft [minderjarige 2] contact gehad met de kindbehartiger om de situatie tussen haar en de vader te verbeteren. Er zijn verschillende gesprekken geweest, maar telkens loopt de communicatie tussen hen weer vast door de houding van de vader. Verder weigert de vader nog steeds met de moeder te communiceren. Volgens de moeder is de communicatie tussen de ouders niet verbeterd, terwijl een goede onderlinge communicatie noodzakelijk is voor de uitvoering van een zorgregeling. De moeder is van mening dat de zorgregeling moet worden beperkt in het belang van [minderjarige 2] . Een raadsonderzoek of de benoeming van een bijzondere curator kan nadere informatie opleveren die van belang is voor de beoordeling welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is.\n\n5.4. De vader wil dat onderzoek wordt gedaan naar de reden waarom [minderjarige 2] niet meer naar hem toe gaat. De zorgregeling wordt al een lange periode niet meer nageleefd en de vader ziet [minderjarige 2] weinig tot helemaal niet. Voor de vader is duidelijk dat [minderjarige 2] wel contact met hem wil, maar dat iets haar tegenhoudt. Zij stuurt hem berichten en neemt zelf contact op met de kindbehartiger. Hieruit blijkt dat zij zelf initiatief neemt om haar vader te zien. Volgens de vader worden er telkens stappen gemaakt in het contact tot er iets gebeurt waardoor het contact weer misloopt. De vader vermoedt dat de moeder hierin een rol speelt. Het doel van het onderzoek moet zijn dat wordt vastgesteld wat [minderjarige 2] tegenhoudt om weer volgens de co-ouderschapregeling bij hem te verblijven.\n\n5.5. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat zij wensen dat een bijzondere curator wordt benoemd en dat [minderjarige 2] tot die tijd één middag in de week naar de vader gaat. Als [minderjarige 2] dat wil, kan de tijdelijke regeling worden uitgebreid met een overnachting bij de vader. Het doel van de regeling is dat de vader en [minderjarige 2] samen tijd door kunnen brengen.\n\nHet advies van de raad\n\n5.6. De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende aangegeven. De ouders vinden het lastig om in het belang van de kinderen met elkaar te communiceren en hierdoor worden de kinderen belast met verantwoordelijkheden die zij niet kunnen dragen. [minderjarige 2] ervaart druk door de strijd tussen de ouders en raakt door de verstoorde verhoudingen verder verwijderd van haar vader. Eerdere hulpverlening is vastgelopen en de raad adviseert de ouders om via het traject solo-parallel ouderschap afspraken te maken, zodat de kinderen minder worden belast met de spanningen tussen de ouders. De raad merkt hierbij op dat andere trajecten gericht op gezamenlijk ouderschap niet meer aan de orde zijn. In eerste instantie zou het advies van de raad geweest zijn om een zorgregeling vast te stellen. Een raadsonderzoek of het benoemen van een bijzondere curator zal in dit geval niet veel toevoegen. De stem van [minderjarige 2] is voldoende gehoord. Er is een kindbehartiger betrokken (geweest) die naar [minderjarige 2] heeft geluisterd en heeft ingezet op contactherstel. De verantwoordelijkheid voor het bepalen van de zorgregeling moet niet alleen bij [minderjarige 2] komen te liggen. Nadat partijen ter zitting gezamenlijk hebben aangegeven dat zij het van belang vinden dat er een bijzondere curator wordt benoemd, heeft de raad zijn advies gewijzigd en geadviseerd een bijzondere curator te benoemen zodat onderzocht kan worden welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is. Het is van belang dat er een zorgregeling komt die aansluit bij de belastbaarheid van [minderjarige 2] . Tegelijkertijd benadrukt de raad dat [minderjarige 2] een vader heeft die betrokken wil zijn bij haar leven. Van de moeder wordt verwacht dat zij [minderjarige 2] aanspoort naar de vader te gaan, aldus de raad.\n\nDe beoordeling door het hof\n\n5.7. Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Het is de ouders de afgelopen jaren niet gelukt om het gedeelde ouderschap samen vorm te geven. Er is sprake van wederzijds wantrouwen tussen de ouders. Het hof constateert dat de ouders gebeurtenissen en situaties op wezenlijke punten verschillend beleven en duiden. Dit komt onder meer naar voren in hun lezing van de communicatie over de vakanties, het contact tussen [minderjarige 2] en de vader en de redenen waarom [minderjarige 2] op dit moment niet overeenkomstig de zorgregeling bij de vader verblijft. Tijdens de eerste zitting in hoger beroep zijn partijen overeengekomen dat de vader het initiatief zou nemen voor een hulpverleningstraject bij Focus2Be om het contact met [minderjarige 2] te herstellen. Op dat moment ging [minderjarige 2] al een aantal maanden niet meer naar haar vader toe en hield zij het contact met hem af. Tijdens de tweede zitting in hoger beroep is gebleken dat het contact tussen [minderjarige 2] en de vader nog niet is hersteld. De kindbehartiger heeft in een e-mailbericht van 19 maart 2026 aangegeven dat zij op dat moment geen mogelijkheden zag het traject gericht op contactherstel tussen [minderjarige 2] en de vader voort te zetten. Ter zitting in hoger beroep zijn de ouders een tijdelijke zorgregeling overeengekomen, waaruit het hof opmaakt dat de ouders kennelijk mogelijkheden zien om een (tijdelijke) regeling overeen te komen waarin de vader en [minderjarige 2] contact met elkaar zullen hebben.\n\n5.8. De ouders hebben ter zitting aangegeven dat zij willen dat een bijzondere curator onderzoekt welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is. Het hof zal geen bijzondere curator benoemen. Reden daarvoor is dat het hof zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht acht om een beslissing te kunnen nemen ten aanzien van de zorgregeling. De stem van [minderjarige 2] is in deze procedure voldoende naar voren gekomen en een advies van een bijzondere curator zal, gelet op de al aanwezige informatie, naar verwachting niet leiden tot nieuwe inzichten. Het nogmaals benoemen van een derde die in gesprek gaat met [minderjarige 2] is niet het middel om de voortdurende conflicten tussen de ouders op te lossen. De verantwoordelijkheid voor de zorgregeling behoort bij de ouders en niet overwegend bij [minderjarige 2] te liggen. Met de raad is het hof van oordeel dat het aan de ouders is om de spanningen tussen hen te verminderen, bijvoorbeeld door middel van het volgen van het traject solo-parallelouderschap, zoals door de raad geadviseerd. Daarnaast geldt dat met een onderzoek door een bijzondere curator tijd gemoeid zal zijn en dit zal in deze al langlopende procedure weer een periode van onzekerheid betekenen, hetgeen het hof niet in het belang van [minderjarige 2] acht. Daarnaast overweegt het hof dat de kindbehartiger nog steeds bij [minderjarige 2] betrokken is als vertrouwenspersoon en hiermee is er voor [minderjarige 2] een onafhankelijk persoon met wie zij kan spreken over het contact met haar vader. In die context kan in overeenstemming met de behoeften van [minderjarige 2] ook tot uitbreiding van de door de ouders op de zitting overeengekomen tijdelijke regeling worden gekomen.\n\n5.9. Het hof zal, gelet op het voorgaande, een zorgregeling vaststellen. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De komende periode dient gericht te zijn op het opbouwen van contact tussen [minderjarige 2] en de vader, waarbij de druk op haar zoveel mogelijk wordt beperkt. Het is in het belang van [minderjarige 2] dat zij op regelmatige basis contact heeft met haar vader. Zij heeft een vader die van haar houdt en deel wil uitmaken van haar leven. Omdat in de afgelopen periode het contact tussen de vader en [minderjarige 2] minimaal is geweest, is een co-ouderschapsregeling echter niet aan de orde. Het is positief dat de ouders ter zitting gezamenlijk tot een regeling zijn gekomen waarin [minderjarige 2] één middag in de week naar haar vader gaat en zij zelf mag bepalen of zij op den duur wil blijven slapen bij de vader. Het hof zal deze tijdelijke regeling als zorgregeling vaststellen. Met deze regeling kunnen [minderjarige 2] en de vader op regelmatige basis tijd met elkaar doorbrengen en wordt aangesloten bij haar behoeften. Hierbij geeft het hof de vader mee dat, hoe invoelbaar zijn wens om hervatting van de co-ouderschapsregeling ook is, het zijn contact met [minderjarige 2] ten goede zal komen als hij de situatie accepteert en luistert naar wat [minderjarige 2] van hem nodig heeft. Ten aanzien van de moeder merkt het hof op dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat de moeder het contact met de vader stimuleert en ondersteunt. Tot slot geeft het hof partijen mee dat als [minderjarige 2] vaker naar haar vader toe wil, zij daarvoor de ruimte moeten bieden.\n\n5.10. Gelet op bovenstaande ziet het hof, net zoals de raad, evenmin aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten.\n\n5.11. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats is het hof, net zoals de rechtbank, van oordeel dat de moeder geen belang heeft bij haar verzoek, omdat de inschrijving van de kinderen op het adres van de moeder niet ter discussie staat. Het hof wijst het verzoek van de moeder af.\n\n5.12. Het hof ziet gelet op de familierechtelijke aard van de procedure geen aanleiding om de moeder te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek van de vader zal worden afgewezen en het hof zal de proceskosten in hoger beroep tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, in principaal en incidenteel hoger beroep:\n\nvernietigt de in de bestreden beschikking van 14 mei 2024 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem voor [minderjarige 2] vastgestelde zorgregeling en in zoverre opnieuw beschikkende:\n\nbepaalt de verdeling van de zorg -en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 2] als volgt:\n\n [minderjarige 2] verblijft één middag in de week na school op een in onderling overleg tussen partijen en [minderjarige 2] te bepalen doordeweekse dag bij de vader, waarbij [minderjarige 2] als zij dat wil bij de vader kan blijven overnachten;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\ncompenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\nwijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. M.T. Hoogland en mr. M. Braak, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Tolman als griffier en is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1732","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:48.590Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":44,"courtId":76,"decisionDate":51,"fullText":77,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":79},"369","ECLI:NL:GHARL:2026:4258","ecli-nl-gharl-2026-4258",70,"GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.360.780\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 190548)\n\nbeschikking van 30 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoeker](de vader),\n\nwonende te [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep,\n\nverweerder in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden,\n\nen\n\n [verweerster](de moeder),\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerster in het principaal hoger beroep,\n\nverzoekster in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. J. Robben te Leeuwarden.\n\nIn zijn toetsende en\u002Fof adviserende taak is gekend:\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad),\n\nregio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 20 november 2023, 26 november 2024 en 23 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 22 oktober 2025;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 17 november 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 3 december 2025 met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;\n\n- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlage(n);\n\n- een brief van de raad van 6 maart 2026, waarin de raad laat weten aanwezig te zullen zijn bij de zitting;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 18 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 25 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 28 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 29 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 1 juni 2026 met bijlage(n).\n\n2.2. De minderjarige [de minderjarige] heeft bij brief van 24 april 2026 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de verzoeken.\n\n2.3. De mondelinge behandeling heeft op 3 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en een vertegenwoordiger namens de raad.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\n3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen, afgewezen en, voor zover hier van belang, een (definitieve) zorgregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] eens per twee weken van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft en in de andere week van woensdag uit school tot donderdag naar school. De rechtbank heeft tevens een vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld.\n\n3.3. \n\nBlijkens het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 7 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [de minderjarige] :\n\n• in de ene week -de oneven weken- van woensdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij de vader verblijft en\n\n• in de andere week -de even weken- van woensdagmiddag na school tot donderdagmorgen naar school bij de vader verblijft;\n\n• op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per overtreding met een\n\nmaximum van € 2.500,-.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. Tussen partijen is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] .\n\n4.2. \n\nDe vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 juli 2025. Deze grief ziet op de vastgestelde (reguliere) zorgregeling.\n\nDe vader verzoekt het hof om de bestreden beschikking te wijzigen, in die zin dat als structurele zorgregeling heeft te gelden dat [de minderjarige] om de week van maandag uit school tot maandag naar school en op de vrije dagen tot 14.00 uur bij de moeder en de vader verblijft, althans een zodanig beslissing te nemen als door het hof in goede orde te bepalen.\n\n4.3. De moeder is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof om, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek in hoger beroep van de vader af te wijzen en haar verzoek in hoger beroep toe te wijzen door de bestreden beschikking waar het gaat om de beslissing ter zake van de zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader in de andere week van woensdag na school tot donderdag voor school te vernietigen en de beslissing ter zake van de zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader van eens per twee weken van woensdag uit school tot maandag naar school te bekrachtigen.\n\n4.4. De vader verzoekt het hof om de moeder in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken ongegrond te verklaren.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\n5.1. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.\n\n5.2. Het hof stelt voorop dat het hoger beroep van de ouders zich richt tegen de door de rechtbank vastgestelde reguliere zorgregeling. De vakantie- en feestdagenregeling is niet in geschil. De ouders zijn het erover eens dat de huidige reguliere zorgregeling onrustig is voor [de minderjarige] . De vader stelt zich op het standpunt dat er, overeenkomstig het advies van de raad aan de rechtbank, een co-ouderschapsregeling moet worden vastgesteld. Dit betekent volgens de vader dat er minder wisselmomenten zullen zijn en er meer rust voor [de minderjarige] zal ontstaan. De moeder heeft aangevoerd dat het verblijf van [de minderjarige] bij de vader in de andere week, van woensdag uit school tot donderdag naar school, te onrustig is en verstorend werkt in de schoolweek. Gelet op de slechte verstandhouding en communicatie tussen de ouders, is volgens de moeder een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [de minderjarige] . De moeder kan zich vinden in een zorgregeling waarbij [de minderjarige] eens per twee weken (in de oneven weken) van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft.\n\n5.3. \n\nDe raad heeft zich tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, anders dan bij de rechtbank, op het standpunt gesteld dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang is\n\nvan [de minderjarige] . De raad heeft hierbij gewezen op de verstoorde verstandhouding en het ontbreken van overleg tussen de ouders. De raad adviseert om een zorgregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] om de week bij de vader verblijft van woensdagmiddag na school tot maandagochtend naar school. De omgang in de andere week van woensdag op donderdag is volgens de raad te veel voor [de minderjarige] .\n\n5.4. \n\nNet als de raad vindt het hof dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [de minderjarige] is. Voor een co-ouderschapsregeling is vereist dat ouders met elkaar kunnen communiceren en samenwerken om te voorkomen dat het kind door een dergelijke regeling onnodig (extra) wordt belast. De ouders zijn in de afgelopen jaren niet in staat gebleken om op een constructieve wijze en in goed overleg invulling te geven aan het ouderschap.\n\nDe raad had de ouders bij de rechtbank geadviseerd om het traject solo parallel ouderschap in te zetten, zodat zij ieder op hun eigen manier het ouderschap kunnen invullen.\n\nDit traject is niet van de grond gekomen. De verstandhouding tussen de ouders is inmiddels langdurig verstoord en er bestaan grote zorgen over het effect daarvan op [de minderjarige] .\n\nEen co-ouderschapsregeling is onder deze omstandigheden niet reëel. Het hof zal het verzoek van de vader daartoe afwijzen.5.5. \n\nGelet op het voorgaande, ziet het hof, conform het door de raad ter zitting gegeven advies en het verzoek van de moeder, aanleiding om te bepalen dat [de minderjarige] om de week bij de vader zal verblijven van woensdag uit school tot maandag naar school.\n\nDeze zorgregeling bevat minder wisselmomenten dan de door de rechtbank vastgestelde regeling en is daardoor rustiger voor [de minderjarige] . Het hof acht dit, gelet op de ernstig verstoorde verstandverhouding tussen de ouders en de gevolgen daarvan voor [de minderjarige] ,\n\nhet meest in haar belang. Het hof zal, in navolging van de beslissing van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2025, bepalen dat de omgang bij de vader in de oneven weken zal plaatsvinden, zodat de zorgregeling aansluit bij de regeling van de jongste dochter van de vader.\n\n6. De slotsom\n\nOp grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de in de bestreden beschikking vastgestelde reguliere zorgregeling om doelmatigheidsredenen in zijn geheel vernietigen en in zoverre beslissen als volgt.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 23 juli 2025, wat betreft de vastgestelde reguliere zorgregeling, en in zoverre opnieuw beschikkende:\n\nverdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder aldus dat [de minderjarige] eens per twee weken -in de oneven weken- van woensdag uit school tot maandag naar school\n\nbij de vader verblijft;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, J.G. Knot en E. Leentjes, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 30 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4258","2026-07-13T00:28:26.417Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":44,"courtId":84,"decisionDate":85,"fullText":86,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":52,"updatedAt":88},"923","ECLI:NL:GHARL:2026:4130","ecli-nl-gharl-2026-4130",60,"2026-06-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.364.780\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 328127\n\nbeschikking van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [Verzoeker](de vader),\n\ndie woont in [woonplaats1] , [land1] ,\n\nadvocaat: mr. H. Versluis,\n\nen\n\n [verweerster](de moeder), die woont in [woonplaats2] ( [gemeente1] ), advocaat: mr. P. van der Zalm.\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft op 13 november 2025 een zorg- en feestdagenregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld. Het hof stelt een andere zorgregeling vast dan de rechtbank en laat de feestdagenregeling in stand. Het hof legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [in] 2014.\n\n2.2.. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] . Zij woont bij de moeder.\n\n2.3.. In het ouderschapsplan [van] 2017 hebben de ouders afgesproken dat [de minderjarige] een weekend in de twee weken bij de vader verblijft. [in] 2019 hebben de ouders een aanvullend ouderschapsplan ondertekend met daarin een wijziging van de zorgregeling. De zorgregeling zou worden opgebouwd van één middag per twee weken naar de ene week een dag en een nacht bij de vader en de andere week een middag bij de vader.\n\n2.4.. In het ouderschapsplan [van] 2022 hebben de ouders weer een andere zorgregeling afgesproken. [de minderjarige] heeft eens in de twee weken contact met haar vader op zaterdag van 10:30 uur tot 16:30 uur in het huis van de vader. Het overdrachtsmoment vindt plaats op de carpoolplaats in [woonplaats3] . De omgang tijdens de kerstdagen bepalen de ouders in overleg met elkaar en de omgang tijdens oud en nieuw blijft zoals het is.\n\n2.5.. In de beschikking van 6 december 2022 heeft de rechtbank het ouderschapsplan [van] 2017 gewijzigd en bepaald dat de inhoud van het door de ouders [in] 2022 ondertekende ouderschapsplan daarvoor in de plaats komt.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De vader heeft de rechtbank gevraagd de zorgregeling te wijzigen. Hij wil dat:\n\n- de rechtbank bepaalt dat de vader eens per twee weken op zaterdag contact heeft met [de minderjarige] van 8:30 uur tot na het avondeten, rond 19:00 uur. De vader brengt [de minderjarige] terug naar de moeder;\n\n- [de minderjarige] in het contactweekend bij hem mag overnachten, wanneer [de minderjarige] aangeeft dat zij dit wil. Wanneer dit twee nachten goed gaat, moet het contactweekend worden uitgebreid met een overnachting, waarbij de vader [de minderjarige] op zondag om 11:00 uur weer naar de moeder brengt;\n\n- [de minderjarige] met de kerstdagen, oud en nieuw, Pasen en Pinksteren in de oneven jaren telkens op de eerste dag bij de vader is en in de even jaren telkens op de tweede dag, van 8:30 uur tot 19:00 uur;\n\n- [de minderjarige] in de zomervakantie een aaneengesloten week contact heeft met de vader.\n\n3.2.. De rechtbank heeft op 23 april 2025 een voorlopige zorgregeling vastgesteld. [de minderjarige] heeft eens per twee weken op zaterdag contact met de vader van 9:30 uur tot 19:00 uur, waarbij het overdrachtsmoment op de carpoolplaats in [woonplaats3] plaatsvindt. De rechtbank heeft de definitieve beslissing over de zorg- en vakantieregeling aangehouden.\n\n3.3.. \n\nDe rechtbank heeft op 13 november 2025 een definitieve zorg- en feestdagenregeling vastgesteld. [de minderjarige] heeft eens per twee weken op zaterdag contact met de vader van 9:30 uur tot 19:00 uur, waarbij het overdrachtsmoment op de carpoolplaats in [woonplaats3] plaatsvindt.\n\nVerder heeft de rechtbank bepaald dat [de minderjarige] en de vader contact hebben in de oneven jaren op eerste kerstdag, oudejaarsdag, eerste paasdag en eerste pinksterdag. In de even jaren hebben zij contact op tweede kerstdag, nieuwjaarsdag, tweede paasdag en tweede pinsterdag. Voor de feestdagen gelden dezelfde tijden en overdrachtslocatie als voor de reguliere zorgregeling. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de ouders hun eigen proceskosten moeten betalen.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. \n\nDe vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de reguliere zorgregeling. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel ongedaan maakt en bepaalt dat [de minderjarige] en de vader eens per twee weken van zaterdag 9:30 uur tot zondag 11:00 uur contact hebben.\n\nDe vader wil dat de moeder [de minderjarige] op zaterdag naar hem brengt en dat hij [de minderjarige] op zondag weer naar de moeder brengt. Verder wil de vader dat [de minderjarige] en hij in de zomervakantie een week aaneengesloten contact hebben. De vader is het wel eens met de feestdagenregeling, zoals door de rechtbank is vastgesteld.\n\n4.2.. De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ontvangen op 9 februari 2026;\n\nhet verweerschrift.\n\n4.4.. \n [de minderjarige] heeft op 18 mei 2026 gesproken met een rechter en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de zorgregeling.\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 26 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\neen vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad).\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.1.. De zaak heeft een internationaal karakter, omdat de vader in [land1] woont. Het hof zal dan ook eerst moeten beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om de verzoeken te beoordelen.\n\n5.2.. Het verzoek van de vader gaat over de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II-ter (Verordening (EU) 2019\u002F1111) is de Nederlandse rechter in zaken over de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd als een kind op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank zijn of haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op 30 januari 2025 heeft de vader het verzoekschrift bij de rechtbank ingediend. [de minderjarige] had toen haar gewone verblijfplaats in Nederland. De Nederlandse rechter heeft daarom rechtsmacht en is bevoegd het verzoek te beoordelen.\n\n5.3.. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. De ouders hebben daartegen geen bezwaren aangevoerd. Het hof zal daarom bij de beoordeling van de verzoeken ook het Nederlandse recht toepassen.\n\nWat in de wet staat\n\n5.4.. Op grond van artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing over de uitoefening van het ouderlijk gezag of een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen, wanneer de omstandigheden zijn gewijzigd of als bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan gaan over een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders.\n\nDe standpunten van de vader en de moeder\n\n5.5.. \n\nDe vader voert aan dat de huidige zorgregeling te beperkt is. Uitbreiding van de zorgregeling met een overnachting zal bijdragen aan de hechting tussen [de minderjarige] , de vader en zijn gezin. Dit is in het belang van [de minderjarige] . Volgens de vader wil [de minderjarige] bij hem overnachten, maar geeft de moeder haar hier geen emotionele toestemming voor. Wanneer de overdracht\n\nop de carpoolplaats wordt vervangen door een regeling waarin de ouders [de minderjarige] brengen en halen, zal [de minderjarige] die emotionele toestemming meer ervaren.5.6.. De moeder voert aan dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om de zorgregeling uit te breiden met een overnachting. De vader heeft geen echte interesse in [de minderjarige] . Hij informeert nergens naar en onderneemt niets met [de minderjarige] als ze bij hem is. [de minderjarige] moet zichzelf dan vermaken. De moeder staat niet onwelwillend tegenover een overnachting, maar alleen als dit in het belang van [de minderjarige] is. Dat is het op dit moment niet. [de minderjarige] wil niet overnachten bij de vader en haar wens moet worden gevolgd. Er is een risico dat uitbreiding van de zorgregeling leidt tot spanningen en een afnemende bereidheid tot contact, omdat uitbreiding niet aansluit bij de draagkracht van [de minderjarige] .\n\nHet advies van de raad\n\n5.7.. De raad heeft geadviseerd om de zorgregeling niet te wijzigen. De raad benadrukt dat [de minderjarige] een broos meisje is dat richting de puberteit gaat. De huidige zorgregeling loopt en lijkt het maximale te zijn dat [de minderjarige] op dit moment aankan. Wanneer zij tegen haar zin in bij de vader moet overnachten, kan zij dit haar ouders kwalijk gaan nemen.\n\nHet oordeel van het hof\n\n5.8.. Het hof is van oordeel dat uit de aangevoerde feiten volgt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Het hof komt vervolgens toe aan het oordeel over de zorgregeling.\n\n5.9.. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij en de vader na een korte opbouwperiode eens per twee weken van zaterdag 9:30 uur tot zondag 11:00 uur contact hebben. Het hof zal daarom op dit onderdeel de beslissing van de rechtbank vernietigen en dit verzoek van de vader alsnog toewijzen. Voor het overige laat het hof de beslissing van de rechtbank in stand.\n\n5.10.. Het hof vindt uitbreiding van deze zorgregeling met één overnachting in het belang van [de minderjarige] om de volgende redenen. Voor [de minderjarige] is het belangrijk dat de band met haar vader zich verder ontwikkelt. Het algemene uitgangspunt is namelijk dat het in het belang van kinderen is om met beide ouders een goede en stabiele relatie op te bouwen. De band tussen [de minderjarige] en de vader is in het verleden beschadigd. Dat komt enerzijds omdat de vader drie jaar afwezig is geweest in het leven van [de minderjarige] . Anderzijds hebben [de minderjarige] en haar vader ook weinig contact gehad, omdat het de ouders na hun scheiding niet lukte met elkaar daarover te overleggen. De ouders hebben hun communicatie, ondanks de hulpverlening, niet kunnen verbeteren. De huidige zorgregeling van één dag per twee weken is te beperkt om de band met haar vader te versterken. De uitbreiding met één overnachting biedt daartoe meer rust en tijd. Ook krijgt [de minderjarige] meer ruimte om haar plek in het gezin van haar vader te vinden. Het belang van [de minderjarige] bij het opbouwen van een goede relatie met de vader weegt zwaarder dan de reden die [de minderjarige] heeft om niet bij haar vader te overnachten, namelijk dat zij het spannend vindt en dat ze zich soms ook eenzaam voelt bij haar vader thuis. Dat geldt ook voor het advies van de raad dat de huidige zorgregeling het maximale lijkt te zijn wat [de minderjarige] op dit moment aankan. Daarbij weegt het hof mee dat onvoldoende is gebleken dat de uitbreiding van de zorgregeling, zoals deze in de bestreden beschikking is vastgesteld, negatief heeft uitgepakt voor [de minderjarige] . Verder zijn er geen signalen dat een overnachting bij de vader niet veilig is. Tot slot betrekt het hof in zijn oordeel dat [de minderjarige] het ook regelmatig leuk heeft bij haar vader, bijvoorbeeld als zij samen activiteiten ondernemen. Zo gaan zij regelmatig naar de speeltuin en soms naar de dierentuin. Het hof zal de reguliere regeling niet direct in laten gaan, zodat [de minderjarige] de tijd heeft om te wennen aan het idee van de overnachting. Daarom zal het hof bepalen dat [de minderjarige] het eerste contactweekend na deze beslissing nog niet bij haar vader overnacht, het contactweekend daarna wel, het contactweekend daarna niet en dat daarna de reguliere contactregeling zal gaan gelden.\n\n5.11.. Gelet op de draagkracht van [de minderjarige] heeft de vader een belangrijke rol en verantwoordelijkheid bij het versterken van hun band, zodat [de minderjarige] zich op haar gemak zal gaan voelen bij de overnachting en in het gezin van de vader. Daarbij is het belangrijk dat [de minderjarige] voldoende één op één tijd met de vader heeft. [de minderjarige] heeft hier behoefte aan. Het is ook belangrijk dat [de minderjarige] een eigen plek bij de vader heeft. Het helpt als de vader de slaapkamer klaarmaakt, voordat het eerste contactweekend met de overnachting plaatsvindt.\n\n5.12.. Het hof wijst het verzoek van de vader over het halen en brengen af. Dat betekent dat de carpoolplaats de haal- en brenglocatie blijft. Deze locatie is destijds afgesproken om escalatie aan de deur te vermijden. De ouders delen het halen en brengen en de carpoolplaats is een bekende plek voor [de minderjarige] . Het hof is niet gebleken dat [de minderjarige] moeite heeft met deze haal- en brenglocatie. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel.\n\n5.13.. Het hof wijst het verzoek van de vader over de aaneengesloten week contact in de zomervakantie ook af. Voor [de minderjarige] is het al een grote stap om eens per twee weken bij de vader te overnachten. Gelet op de draagkracht van [de minderjarige] is het niet in haar belang om direct een week in de zomervakantie bij de vader te overnachten, die stap is te groot. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 13 november 2025, voor zover de beslissing over de reguliere zorgregeling, en:\n\nstelt als zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader vast:\n\n- [de minderjarige] heeft eens per twee weken op zaterdag van 9:30 uur tot zondag 11:00 uur\n\n contact met de vader;\n\nbepaalt dat de zorgregeling als volgt wordt opgebouwd:\n\n- het eerste contactweekend na deze beschikking heeft [de minderjarige] contact met de vader op\n\n zaterdag van 9:30 uur tot 19:00 uur;\n\nhet volgende contactweekend heeft [de minderjarige] contact met de vader op zaterdag van 9:30 uur tot zondag 11:00 uur;\n\nhet daarop volgende contactweekend heeft [de minderjarige] contact met de vader op zaterdag van 9:30 uur tot 19:00 uur;\n\nvervolgens geldt de reguliere zorgregeling.\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 13 november 2025 voor het overige;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. L.R. Davila Talavera, E. de Boer en, D.J.M. van de Voort, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4130","2026-07-13T00:28:54.700Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":44,"courtId":84,"decisionDate":93,"fullText":94,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":93,"parsedAt":52,"updatedAt":96},"1910","ECLI:NL:GHARL:2026:4020","ecli-nl-gharl-2026-4020","2026-06-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummers gerechtshof 200.366.553\u002F01 en 200.366.553\u002F02\n\nzaaknummers rechtbank Midden-Nederland 602451 en 602454\n\nbeschikking van 18 juni 2026\n\nover de zorgregeling en het gezag\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker](de vader)\n\ndie nu verblijft in [verblijfplaats] in [plaats1] , gemeente [gemeentenaam]\n\nadvocaat: mr. K.W. van Nieuwkerk\n\nen\n\n [verweerster](de moeder) die woont in [woonplaats] advocaat: mr. J.X.C. Peters\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) heeft het gezag van de vader over van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geschorst en bepaald dat er voorlopig geen omgang plaatsvindt tussen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de vader. Het hof beslist dat de beslissing over het gezag niet zo moet blijven en de beslissing over de omgangsregeling wel zo moet blijven, en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn met elkaar getrouwd. De moeder heeft bij de rechtbank een verzoek tot echtscheiding ingediend.\n\n2.2.. Zowel de ouders als de kinderen hebben de Poolse nationaliteit.\n\n2.3.. De ouders hebben samen twee kinderen:\n\n- [de minderjarige1] , die is geboren [in] 2014 in [plaats2] (Polen) en,\n\n- [de minderjarige2] , die is geboren [in] 2016 in [plaats2] (Polen).\n\n2.4.. \n [de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen bij de moeder. De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.\n\n2.5.. De vader is sinds mei 2025 gedetineerd.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De vader heeft de rechtbank gevraagd een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen tweemaal per week met hem bellen (eenmaal doordeweeks en eenmaal in het weekend) en maandelijks met hem beeldbellen en bij hem in de Penitentiaire inrichting (PI) op bezoek komen.\n\n3.2.. De moeder heeft de rechtbank bij wege van zelfstandig verzoek gevraagd het gezamenlijke gezag van de ouders te beëindigen en haar alleen met het gezag over de kinderen te belasten.\n\n3.3.. De rechtbank heeft het gezag van de vader geschorst totdat hier definitief op is beslist en bepaald dat er voorlopig geen omgang plaatsvindt tussen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en de vader. De rechtbank heeft de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) verzocht te onderzoeken welke beslissing over het gezag in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is en wat de mogelijkheden zijn ten aanzien van het contact tussen de vader en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De definitieve beslissing heeft de rechtbank aangehouden tot 18 februari 2027.\n\n3.4.. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 18 februari 2026.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De vaderis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank over het schorsen van zijn gezag ongedaan maakt en dat het hof een (voorlopige) zorgregeling tussen hem en de kinderen vaststelt; die zorgregeling moet dan inhouden dat de kinderen tweemaal per week met hem bellen (eenmaal doordeweeks en eenmaal in het weekend) en maandelijks met hem beeldbellen, en dat ze bij hem in de PI op bezoek komen (tijdens vader-kinddag). De vader vraagt het hof ook voor de duur van het hoger beroep de werking van de bestreden beschikking te schorsen (de beslissing over het gezag).\n\n4.2.. De moederis het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat. De moeder vraagt het hof bij wege van zelfstandig verzoek het gezamenlijk gezag van partijen te schorsen voor de duur van de procedure in eerste aanleg totdat de rechtbank heeft beslist over het gezag, althans voor de duur van één jaar, en de moeder in deze periode alleen met het gezag te belasten.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ontvangen op 18 maart 2026\n\nhet verweerschrift\n\nde stukken van de vader, ingediend op 22 mei 2026\n\n4.4.. \n [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben allebei een brief geschreven. Zij hebben hierin verteld wat zij ervan vinden om contact te hebben met de vader.\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde vader met zijn advocaat\n\nde moeder met haar advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming\n\nBeide ouders werden bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.1.. Zowel de ouders als de kinderen hebben de Poolse nationaliteit. Daarom dient het hof eerst ambtshalve te beoordelen of aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Het geschil heeft betrekking op de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op grond van artikel 7 lid 1 van de Verordening Brussel II-ter (EU 2019\u002F1111) is de Nederlandse rechter bevoegd van dit geschil kennis te nemen omdat de kinderen op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden.\n\n5.2.. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven opgeworpen, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.\n\nOntvankelijkheid\n\n5.3. De beschikking van de rechtbank is een zogenoemde deelbeschikking: ten aanzien van een deel van het verzochte (over de schorsing van het gezag van de vader en de bepaling dat er voorlopig geen omgang plaatsvindt) is uitdrukkelijk beslist. Tegen dat deel staat hoger beroep open. De vader is dus ontvankelijk in zijn hoger beroep.\n\nWat staat in de wet?\n\nGezag5.4.. \n\nIn artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter na ontbinding van het huwelijk op verzoek van de ouders of van een van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:\n\na. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nOmgang5.5.. \n\nDe rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien: a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van\n\n het kind, of b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang\n\n met zijn ouder heeft doen blijken, of d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.\n\nIn het incident: de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad\n\n5.6.. De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beslissingen van de rechtbank meteen werking hebben, ook als – zoals nu – hoger beroep is ingesteld. De (advocaat van de) vader heeft verzocht om ten aanzien van de gezagsbeslissing de directe werking van de beschikking te schorsen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de advocaat dat verzoek ingetrokken, indien het hof een eindbeslissing neemt over het gezag. Het hof neemt een eindbeslissing. Dit betekent dat het verzoek is ingetrokken waarmee het hof aanneemt dat de vader de gronden van het hoger beroep die zien op het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de vader in dit verzoek niet-ontvankelijk zal verklaren.\n\nIn de hoofdzaak: de standpunten van de ouders\n\n5.7.. Volgens de vader was de rechtbank niet bevoegd om het gezag van de vader ambtshalve te schorsen. De beslissing was bovendien niet nodig omdat de ouders volgens de vader samen het gezag kunnen blijven uitoefenen, ook nu de vader gedetineerd zit. De vader mist [de minderjarige1] en [de minderjarige2] heel erg. Hij heeft ze al ruim een jaar niet gezien en wil graag dat het contact hersteld wordt. De vader vreest dat de band tussen de beide kinderen en hem anders verder zal verwateren en dat het contactherstel steeds lastiger zal worden.\n\n5.8.. Volgens de moeder kon de rechtbank het gezag van de vader wel ambtshalve schorsen. Zij stelt dat de rechtbank op grond van artikel 1:253a BW ook ‘het mindere’ (schorsing van het gezag) kan toewijzen. Volgens de moeder kunnen de ouders niet overleggen over de kinderen omdat de vader gedetineerd zit en de moeder getraumatiseerd is door het geweld dat tijdens het huwelijk heeft plaatsgehad.. De vader heeft bovendien een contact- en gebiedsverbod tot maart 2027. De kinderen hebben volgens de moeder ook veel meegekregen van de gebeurtenissen tijdens het huwelijk. Zij zijn als gevolg daarvan nog niet klaar voor contactherstel. Volgens de moeder is het van belang dat de hulpverlening voor de kinderen wordt opgestart en het tempo van de kinderen wordt gevolgd.\n\n5.9.. De raad heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de beschikking van de rechtbank in stand te laten. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben volgens de raad veel meegemaakt. Zij hebben hulp nodig om dit te verwerken en te werken aan hun herstel. De raad hoopt dat de kinderen de nare herinneringen kunnen verwerken en weer ruimte krijgen voor de fijne herinneringen aan hun vader. Ook de ouders hebben volgens de raad hulp nodig. De vader moet proberen te erkennen dat de kinderen door de gebeurtenissen zijn getraumatiseerd. Hij moet tevens zijn eigen emoties weghouden bij de kinderen en de kaartjes die hij aan de kinderen stuurt, luchtig houden. Ook de moeder moet de gebeurtenissen uit het verleden verwerken. Op grond van het bovenstaande is er op dit moment volgens de raad geen ruimte voor contactherstel.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\nGezag5.10.. \n\nHet hof zal eerst beoordelen of de rechtbank bevoegd was het gezag van de vader ambtshalve tijdelijk te schorsen. Naar het oordeel van het hof was de rechtbank hiertoe niet bevoegd.\n\nDe Hoge Raad heeft geoordeeld dat de wet geen mogelijkheid biedt om ambtshalve het gezag van de vader tijdelijk te schorsen. Schorsing van het gezag is mogelijk op grond van de artikelen 1:267 en 1:268 BW. De schorsing kan echter slechts worden uitgesproken op verzoek van een overheidsorgaan (de raad of het OM) of de pleegouders, niet door de ouders zelf. Omdat er geen schorsing door een overheidsorgaan is verzocht en er geen pleegouders betrokken zijn, kan de schorsing van het gezag niet worden uitgesproken.\n\n5.11.. Het hof volgt de moeder niet in haar standpunt dat op grond van haar verzoek op basis van artikel 1:253a BW de rechtbank het gezag van de vader tijdelijk kon schorsen. Artikel 1:253a BW is een geschillenregeling en biedt geen grond om de beslissing over het gezag zelf te wijzigen, in die zin dat alsnog een van de ouders met het gezag wordt belast.\n\n5.12.. Het hof zal dit deel van de beslissing van de rechtbank ongedaan maken (vernietigen).\n\nOmgang5.13.. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat contactherstel met de vader op dit moment niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is. De raad heeft in dezelfde zin geadviseerd. Op dit moment is de weerstand tegen contact met de vader die de kinderen laten zien, groot en hebben zij geen enkele ruimte om op een positieve manier aan de vader terug te denken. De kinderen zijn veelvuldig getuige geweest van huiselijk geweld en zij moeten eerst de tijd en rust krijgen om te verwerken wat zij hebben gezien en meegemaakt. Pas nadat zij de gepaste hulp hebben gekregen ontstaat er mogelijk ruimte voor een positiever beeld van hun vader, waaruit een interesse in hem kan groeien. Met de hulpverlening kan dan gekeken worden of contactherstel met de vader in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is. Ook de regeling die de vader voorstelt, beeldbellen of een video opnemen waarin de vader een boek voorleest, vindt het hof om deze reden nu nog niet in het belang van de kinderen.\n\n5.14.. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank afgesproken dat de moeder aan de vader, via een tussenpersoon, eens in de twee maanden een e-mail stuurt met informatie over de kinderen. Het hof benadrukt dat de moeder verplicht is om deze informatieregeling na te komen en dat zij – vooral omdat er nu geen omgang is – de vader ruim en volledig van informatie over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] moet voorzien. Het blijven informeren van de vader is belangrijk zodat de vader op de hoogte blijft van hoe het met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gaat. Dit is nodig om goed te kunnen aansluiten bij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] als de omgang in de toekomst mogelijk weer wordt opgestart, maar ook reeds omdat hij de vader is en het recht heeft om betrokken te blijven bij het wel en weer van zijn kinderen.\n\n5.15.. Het hof zal de beslissing van de rechtbank over de omgangsregeling in stand laten (bekrachtigen).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1.. \n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van\n\n18 februari 2026, voor zover die ziet op de schorsing van het ouderlijk gezag van de vader;\n\n6.2.. bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 februari 2026, ten aanzien van de omgangsregeling;\n\n6.3.. verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad in hoger beroep\n\n6.4.. wijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Feunekes en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier en in het openbaar uitgesproken op\n\n18 juni 2026.\n\n HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:684","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4020","2026-07-13T00:29:45.010Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":44,"courtId":84,"decisionDate":101,"fullText":102,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":52,"updatedAt":104},"924","ECLI:NL:GHARL:2026:3706","ecli-nl-gharl-2026-3706","2026-06-09T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.111\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 452763)\n\nbeschikking van 9 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoekster](de moeder),\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\nadvocaat: mr. S.L. Fronik\n\nen\n\n [verweerder](de vader),\n\ndie woont in [woonplaats2] ,\n\nadvocaat: mr. W.G.A. van Hoogstraten\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Gelderland heeft het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te krijgen voor een verhuizing met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar [woonplaats1] afgewezen. De rechtbank Gelderland heeft ook de zorgregeling gewijzigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven, zij het met een uitbreiding van de zorgregeling voor de moeder op dinsdag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn [in] 2016 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Zij zijn de ouders van:\n\n- [de minderjarige1] , die is geboren [in] 2016, en\n\n- [de minderjarige2] , die is geboren [in] 2019,\n\nover wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen.\n\n2.2. Door de rechtbank Limburg is bij beschikking van 22 april 2022 de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van de ouders uitgesproken. In deze beschikking is ook bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan, dat door de ouders op 25 maart 2022 is ondertekend, deel uitmaakt van de beschikking.\n\n2.3.. De ouders woonden ten tijde van het uiteengaan in [woonplaats2] . De vader is daar blijven wonen. De moeder is na de breuk in eerste instantie in [woonplaats3] gaan wonen. De kinderen gaan in [woonplaats2] naar school. In het ouderschapsplan is daarvan uitgaande bepaald dat [de minderjarige1] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en dat [de minderjarige2] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Ook is de volgende regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) vastgelegd:\n\n2.4.. \n\nDe wisselmomenten zijn als volgt:\n\n‘Oneven week: woensdag brengt moeder de kinderen naar school en haalt vader de\n\nkinderen uit school op. Even week: maandag brengt vader ze naar school,\n\nmoeder uit school. Donderdag moeder naar school, vader haalt ze op. Op zaterdag\n\nzal het wisselmoment plaats vinden om 14:00. '\n\n2.5.. In afwijking van het ouderschapsplan verblijven de kinderen elke maandag, dinsdag en woensdag voor school bij de moeder en elke woensdag na school, donderdag en vrijdag naar school bij de vader. De weekenden, vanaf vrijdag na school, worden om de week gedeeld. Hierbij haalt de moeder de kinderen op maandag van school, brengt zij ze op dinsdag en woensdag naar school en haalt zij de kinderen op de vrijdag dat de kinderen bij haar in het weekend verblijven, bij grootouders van vaderszijde op.\n\n2.6.. De moeder heeft een nieuwe partner. De partner van de moeder woont in [woonplaats1] in [gemeente1] . De moeder en haar partner hebben samen een dochter: [de minderjarige3] , die is geboren [in] 2025.\n\n2.7.. \n\nDe voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in het vonnis in kort geding van\n\n23 mei 2025 onder meer:\n\n- de vordering van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met\n\n de kinderen naar [woonplaats1] te verhuizen, afgewezen;\n\n- de primaire vordering van de vader om de moeder te verbieden met de kinderen naar\n\n [woonplaats1] te verhuizen, althans de moeder te bevelen te blijven wonen in\n\n [woonplaats3] en daar ook daadwerkelijk te verblijven, afgewezen;\n\n- de subsidiaire vordering van de vader om de moeder te bevelen in [woonplaats3] te\n\n verblijven conform de doordeweekse zorgregeling (van zondagavond tot woensdag\n\n naar school) en aldus wanneer de moeder de zorg voor de kinderen heeft,\n\n toegewezen;\n\n- de vordering van de vader om de moeder een dwangsom op te leggen per dag(deel)\n\n dat zij in gebreke blijft het vonnis na te komen, afgewezen.\n\n2.8.. Door de moeder is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 23 mei 2025. In het arrest in kort geding van 22 juli 2025 van dit hof is het vonnis van 23 mei 2025 bekrachtigd.\n\n2.9.. De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft in het vonnis in kort geding van 10 juli 2025:\n\n- de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling uit het vonnis van 23 mei\n\n 2025, in die zin dat zij verplicht is om in [woonplaats3] te verblijven conform de\n\n doordeweekse zorgregeling op de dagen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar school\n\n moeten;\n\n- de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 500,- voor\n\n iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 1.\n\n voldoet, tot een maximum van € 15.000,- is bereikt;\n\n- de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere\n\n partij de eigen kosten draagt.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De moeder heeft de rechtbank verzocht om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [woonplaats1] . Voor het geval de rechtbank de toestemming niet zou geven heeft de moeder gevraagd om een aanpassing van de zorgregeling, waarbij:\n\n- de kinderen elke week vanaf dinsdag 17.00 uur tot vrijdag naar school bij de vader en elke maandag (hele dag en nacht) en dinsdag tot 17.00 uur bij de moeder zijn, en de weekenden (vanaf vrijdag na school tot maandag naar school) om en om, of\n\n- de kinderen op de doordeweekse dagen bij de moeder zijn (en zij zullen dan in [woonplaats1] naar school gaan) en elk weekend van vrijdag na school tot maandag naar school (of tot zondagavond) bij de vader zijn, of\n\n- de kinderen op doordeweekse dagen bij de vader zijn en elk weekend van vrijdag na school tot maandag naar school bij de moeder.\n\n3.2.. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder afgewezen en de beschikking van de rechtbank Limburg van 22 april 2022 en het van die beschikking deel uitmakende ouderschapsplan gewijzigd en als zorgregeling vastgesteld dat de kinderen:\n\n- om de week in het weekend bij de moeder verblijven vanaf vrijdag na school waarbij de moeder de kinderen uit school ophaalt tot zondag waarbij de moeder de kinderen om 19.30 uur terugbrengt naar de vader;\n\n- tijdens de vakanties die één week duren, bij de moeder verblijven;\n\n- tijdens de overige vakanties bij de ouders zijn, bij helfte tussen de ouders te verdelen.\n\n3.3.. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 21 oktober 2025.\n\n3.4. De moeder heeft er vervolgens voor gekozen om haar woonruimte in [woonplaats3] op te zeggen en zelf te verhuizen naar [woonplaats1] , om daar te gaan samenwonen met haar nieuwe partner en [de minderjarige3] . Zij voert de zorgregeling uit vanuit [woonplaats1] .\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ter zake van de zorgregeling ongedaan maakt en bepaalt dat:\n\nPrimair:\n\nde kinderen bij de moeder zijn elke maandag van 8.30 uur tot dinsdag 17.00 uur en bij de vader elke dinsdag van 17.00 uur tot vrijdag 08.30 uur, waarbij de kinderen het ene weekend vanaf vrijdag 08.30 uur bij de vader zijn en de andere week het weekend vanaf vrijdag 08.30 uur bij de moeder en de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld;\n\nSubsidiair:\n\nde kinderen bij de vader zijn elke maandag van 08.30 uur tot vrijdag 08.30 uur en bij de moeder elke vrijdag van 08.30 uur tot maandag 08.30 uur en de vakanties bij helfte worden gedeeld, en de kinderen en de moeder twee keer per week een videobelcontact met elkaar hebben.\n\nMeer subsidiair (voorwaardelijk):\n\nindien het hof bepaalt dat de door de rechtbank bepaalde zorgregeling grotendeels in stand blijft, verzoekt de moeder de kinderen in haar weekend naar school te brengen (in de plaats van zondagavond), voor de schoolvakanties te bepalen dat de kinderen iedere vakantie bij de moeder zijn, met uitzondering van twee weken in de zomervakantie en voor de feestdagen te bepalen dat deze bij helfte worden verdeeld. En de kinderen en de moeder twee keer per week een videobelcontact met elkaar hebben.\n\n4.2.. De vaderis het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 30 december 2025\n\nhet verweerschrift\n\nde stukken van de vader ingediend op 28 april 2026\n\nde stukken van de moeder ingediend op 7 mei 2026\n\n4.4.. \n [de minderjarige1] heeft op 11 mei 2026 gesproken met een rechter in hoger beroep en een griffier van het hof.\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 12 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde moeder met haar advocaat\n\nde vader met zijn advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1.. Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.\n\nStandpunten\n\n5.2.. De moeder vindt de door de rechtbank bepaalde zorgregeling niet in het belang van de kinderen. De rechtbank heeft bij de regeling de reisafstand [woonplaats1] - [woonplaats2] betrokken. De moeder denkt daar anders over. Volgens de moeder is het voor de kinderen niet schadelijk om heen en terug steeds anderhalf uur in de auto te zitten. De kinderen hoeven volgens de moeder ook niet heel veel eerder op te staan om vanuit [woonplaats1] in [woonplaats2] naar school te worden gebracht. Zij staan nu om half zeven op en toen de moeder nog in [woonplaats3] woonde stonden ze om kwart voor zeven op. De moeder kan de kinderen zelf naar school brengen en in de auto hebben zij extra tijd samen. Bij de vader moeten de kinderen op de maandag en de dinsdag naar de BSO of naar de ouders van de vader. De moeder kan de kinderen zelf opvangen. De moeder vindt het niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij hun moeder maar eenmaal in de twee weken zien. Zij zijn hierdoor ook maar heel weinig bij hun halfzusje, [de minderjarige3] . Volgens de moeder weegt de lange reistijd niet op tegen het verlies aan contact en is het beter voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] als zij de moeder vaker zien.\n\n5.3.. De vader vindt de reistijd van en naar de moeder belastend voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Hij vindt dat dit ten koste gaat van de rust, de hersteltijd en de regelmaat die de kinderen nodig hebben. De vader begrijpt dat de moeder de kinderen graag meer wil zien en dat de kinderen hier ook behoefte aan hebben. Volgens de vader heeft de moeder deze situatie zelf veroorzaakt door te verhuizen naar [woonplaats1] . De kinderen zijn inmiddels gewend aan de zorgregeling en de vader heeft zijn werkuren hierop afgestemd. De door de rechtbank vastgestelde zorgregeling is volgens de vader praktisch uitvoerbaar en duurzaam. De regeling sluit aan bij de bestaande schoolgang, het sociale leven en het dagelijkse ritme van de kinderen en vereist geen structurele lange reistijden of complexe logistiek. De vader vindt het daarom niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om de zorgregeling opnieuw te wijzigen. De vader heeft ter zitting aangegeven dat de moeder doordeweeks zondermeer welkom is in [woonplaats2] om daar met de kinderen een aantal uur omgang te kunnen hebben.\n\n5.4.. De raad heeft de ouders tijdens de mondelinge behandeling bij het hof geadviseerd om te werken aan hun onderlinge communicatie. De raad begrijpt dat de moeder de kinderen vaker wil zien, maar vindt het niet in het belang van de kinderen om ze op de maandag heen en weer te laten reizen en dan dinsdag weer heen. De raad vindt de afstand daarvoor te groot. De raad stelt voor dat de weekenden die de kinderen bij de moeder verblijven worden uitgebreid met de maandagmiddag. De moeder kan de kinderen dan op maandagochtend naar school brengen en de kinderen op maandagmiddag van school ophalen. De moeder moet volgens de raad op maandagmiddag wel met de kinderen in de omgeving van [woonplaats2] blijven, zodat de kinderen niet tweemaal op een dag de lange afstand hoeven af te leggen.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.5.. \n\nHet hof vindt het niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om de zorgregeling met de moeder uit te breiden met de maandag en de dinsdag. Dit zou namelijk betekenen dat de moeder de kinderen iedere maandagmorgen en dinsdagmorgen vanuit [woonplaats1] naar de school van de kinderen in [woonplaats2] moet brengen, en ze in de middag weer moet ophalen. De extra tijd die de kinderen dan doorbrengen met de moeder vindt het hof niet opwegen tegen de afstand en met name de reistijd, van anderhalf uur enkele reis, die hiermee gepaard gaat. Hierin neemt het hof ook mee dat [de minderjarige1] verteld heeft dat zij snel wagenziek wordt en hierdoor geen ontbijt kan eten in de auto. Het hof vindt het in het belang van\n\n [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij hun schooldag rustig op kunnen starten en uitgerust en met genoeg energie aan hun dag kunnen beginnen. De reisafstand die zij moeten overbruggen van de moeder naar school maakt dit voor hen onmogelijk.\n\n5.6.. Het hof begrijpt dat de moeder de kinderen mist. Ook de kinderen geven aan graag meer tijd door te brengen met de moeder. Feit is echter dat de moeder er de voorkeur aan heeft gegeven te verhuizen naar [woonplaats1] in plaats van veel dichter bij de kinderen te gaan wonen. Door deze keuze heeft de moeder een situatie gecreëerd waarbij vaker en\u002Fof langer contact met de kinderen veel van de kinderen vraagt, omdat zij dan steeds een grote afstand moeten overbruggen. Om tegemoet te komen aan de wens van de kinderen, om de moeder vaker te zien, zal het hof de zorgregeling aanvullen in die zin dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ook op de dinsdagmiddag na school tot 17.00 uur bij de moeder in de buurt van [woonplaats2] verblijven. De moeder kan op de dinsdagmiddag na school iets met de kinderen ondernemen in de buurt van [woonplaats2] . [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zien de moeder dan een extra middag in de week, zonder dat zij een grote afstand moeten afleggen.\n\n5.7.. \n\nHet subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de moeder, onder andere inhoudende dat de kinderen ieder weekend bij de moeder zijn, acht het hof niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Integendeel, het hof vindt het belangrijk voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij ook weekenden en vakanties bij de vader kunnen doorbrengen. Het hof betrekt daarbij wederom dat het de eigen keuze van de moeder is geweest waardoor deze situatie is ontstaan. Die keuze hoeft er niet toe te leiden dat de vader moet interen op de weekenden en vakanties. Bij toewijzing van het subsidiaire verzoek van de moeder zullen de kinderen nooit meer in de weekenden en vakanties bij de vader zijn. Dit vindt het hof niet in hun belang.\n\nHet hof zal wel bepalen dat de moeder en de kinderen twee keer per week een videobelcontact met elkaar hebben. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vader verteld dat dit al een periode is gebeurd. Het hof maakt hieruit op dat de vader geen bezwaar heeft tegen toewijzing van dit deel van het verzoek van de moeder. Nu het hof het ook in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vindt dat zij kunnen videobellen met de moeder, zal het hof dit deel van het verzoek van de moeder toewijzen.\n\n5.8.. Het hof zal de beslissing van de rechtbank bevestigen (bekrachtigen) en aanvullen in die zin dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ook op de dinsdagmiddag vanuit school tot 17.00 uur bij de moeder in de omgeving van [woonplaats2] verblijven en dat zij tweemaal in de week op een door de vader en de kinderen te bepalen moment videobelcontact met de moeder hebben.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van\n\n21 oktober 2025, waarin is bepaald dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] :\n\n- om de week in het weekend bij de moeder verblijven vanaf vrijdag na school waarbij de moeder de kinderen uit school ophaalt tot zondag waarbij de moeder de kinderen om 19.30 uur terugbrengt naar de vader;\n\n- tijdens de vakanties die één week duren, bij de moeder verblijven;\n\n- tijdens de overige vakanties bij de ouders zijn, bij helfte tussen de ouders te verdelen.\n\nen vult deze regeling als volgt aan:\n\n- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven iedere dinsdag uit school tot 17.00 uur bij de moeder in de omgeving van [woonplaats2] ;\n\n- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben tweemaal in de week videobelcontact met de moeder op een door de vader en de kinderen te bepalen moment;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, D.J.M. van de Voort en\n\nE.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op\n\n9 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3706","2026-07-13T00:28:54.764Z",{"id":106,"ecli":107,"slug":108,"caseNumber":44,"courtId":109,"decisionDate":110,"fullText":111,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":52,"updatedAt":113},"1080","ECLI:NL:RBMNE:2026:4014","ecli-nl-rbmne-2026-4014",63,"2026-06-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F603809 \u002F FO RK 25-1557\n\nVaststelling ouderschap\n\nBeschikking van 8 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de moeder],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. A.J. Begthel,\n\ntegen\n\n [de man],\n\noverleden op [datum overlijden] 2025 in [plaats] ,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nmet als belanghebbende\n\nmr. L.M. Bongers,\n\nkantoorhoudende in Wijk bij Duurstede,\n\nals bijzondere curator over het kind [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats] .\n\n1. De procedure\n\n1.1. De moeder heeft op 8 december 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend.\n\n1.2. In de beschikking van 8 januari 2026 heeft de rechtbank mr. L.M. Bongers benoemd als bijzondere curator over [minderjarige] . De bijzondere curator vertegenwoordigt [minderjarige] in deze procedure en komt op voor zijn belang.\n\n1.3. Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:\n\nhet advies van de bijzondere curator van 27 januari 2026;\n\nhet bericht van de moeder van 11 februari 2026;\n\nhet bericht van de moeder van 30 april 2026 met bijlage.\n\n1.4. Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde moeder met haar advocaat;\n\nde bijzondere curator.1.5. Aan de heer [A.] , mevrouw [B.] (grootouders moederszijde), de heer [C.] en mevrouw [D.] (grootouders vaderszijde) is bijzondere toegang tot de zittingszaal verleend.\n\n1.6. Na de zitting heeft de moeder nog een origineel afschrift van de geboorteakte van [minderjarige] overgelegd.\n\n2. De belangrijke feiten\n\n2.1. De moeder en de man hebben een relatie gehad.\n\n2.2. De man is overleden op [datum overlijden] 2025 in [plaats] .\n\n2.3. \n\nDe moeder is vervolgens bevallen van een zoon:\n\n- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats] .\n\n2.4. \n [minderjarige] is niet erkend.\n\n2.5. De moeder heeft alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.6. Partijen hebben (of hadden) allen de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. Verzoeken en verweer3.1. De moeder verzoekt de rechtbank om het ouderschap van de man over [minderjarige] vast te stellen.\n\n3.2. Omdat de man is overleden kan hij geen verweer voeren tegen het verzoek.\n\n3.3. Hoewel de grootouders (van beide kanten) geen belanghebbenden zijn in deze procedure, merkt de rechtbank op dat zij het verzoek wel ondersteunen.\n\n3.4. De bijzondere curator adviseert de rechtbank om een DNA-onderzoek te gelasten naar de vraag of de man de biologische vader is van [minderjarige] . Als uit dit DNA-onderzoek blijkt dat de man de biologische vader is van [minderjarige] , verzoekt de bijzondere curator om het vaderschap van de man over [minderjarige] gerechtelijk vast te stellen. Ook verzoekt de bijzondere curator om daarbij te bepalen dat [minderjarige] de geslachtsnaam van de man zal dragen.\n\n4. De beoordeling\n\nConclusie4.1. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe en stelt het ouderschap vast van de man over [minderjarige] . De rechtbank zal ook bepalen dat [minderjarige] voortaan de geslachtsnaam van de man draagt. Hierna licht de rechtbank de beslissing toe.\n\nOntvankelijkheid4.2. De rechtbank zal de moeder ontvankelijk verklaren in haar verzoek, omdat zij het verzoek binnen vijf jaren na de geboorte van het kind heeft ingediend.Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de moeder inhoudelijk kan beoordelen.\n\nHet wettelijk kader4.3. Op grond van de wet kan het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, door de rechtbank worden vastgesteld op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. Dit kan op verzoek van de moeder of het kind.\n\nGeen DNA-onderzoek4.4. De rechtbank is van oordeel dat DNA-onderzoek in dit geval niet noodzakelijk is om het vaderschap van de man over [minderjarige] vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is er gelet op de stukken en wat tijdens de zitting is besproken voldoende grond om te concluderen dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Gebleken is namelijk dat de moeder en de man een bestendige relatie met elkaar hadden toen de man plotseling overleed. Op dat moment woonden zij ook met elkaar samen. Naar de buitenwereld toe hebben de moeder en de man samen bekend gemaakt dat zij in verwachting waren van een kindje, hetgeen blijkt uit de overgelegde verklaringen van familie en vrienden, Whatsappberichten en berichten van de moeder op Facebook. Daarnaast blijkt uit de overgelegde verloskundigenkaart van de moeder dat de man met de moeder mee is geweest naar afspraken bij de verloskundige en dat hij daar werd gezien als vader van het toen nog ongeboren kind. Tot slot is van belang dat ook de grootouders van beide kanten het verzoek ondersteunen en er bij alle betrokkenen geen enkele twijfel is over het verwekkerschap van de man.\n\nGeslachtsnaam4.5. De moeder heeft verklaard dat zij graag wil dat [minderjarige] de geslachtsnaam van de man zal dragen.\n\n4.6. Uit de wet volgt dat als een kind door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, het de geslachtsnaam van de moeder houdt, tenzij de moeder en de man wiens vaderschap is vastgesteld ter gelegenheid van de vaststelling gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben of van beide ouders in vrij te bepalen volgorde.Als één van de ouders voorafgaand aan de naamskeuze is overleden, dan legt de andere ouder een verklaring omtrent de naamskeuze af.\n\n4.7. In dit geval is de man overleden, zodat de ouders niet gezamenlijk een naamskeuze kunnen doen. De moeder kan op grond van de wet in dat geval alleen de naamskeuze afleggen. De rechtbank zal daarom de naamskeuze opnemen in de beslissing.\n\nUitvoerbaar bij voorraad4.8. De moeder heeft verzocht om de beslissing ‘voor zover mogelijk’ uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan de geboorteakte namelijk pas aanpassen (door een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte) wanneer de beslissing onherroepelijk is.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. \n\nstelt het ouderschap vast van:\n\n [de man], geboren op [geboortedatum 2] 1996 in [geboorteplaats] en overleden op [datum overlijden] 2025 in [plaats] ,\n\nover het kind:\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats] ;\n\n5.2. stelt vast dat de moeder heeft verklaard dat [minderjarige] de geslachtsnaam [naam]zal dragen, zodat hij zal heten:[minderjarige];\n\n5.3. wijst de verzoeken voor het overige af.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Artikel 1:207 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Artikel 1:207 lid 1 BW\n\n Artikel 1:5 lid 2 BW\n\n Artikel 1:5 lid 9 BW","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4014","2026-07-13T00:29:03.053Z",{"id":115,"ecli":116,"slug":117,"caseNumber":44,"courtId":118,"decisionDate":119,"fullText":120,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":52,"updatedAt":122},"1056","ECLI:NL:RBMNE:2026:3856","ecli-nl-rbmne-2026-3856",71,"2026-06-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Lelystad\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F607393 \u002F FL RK 26-234\n\nOmgang\n\nBeschikking van 4 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de vader],\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nadvocaat mr. A. Patist,\n\ntegen\n\n [de moeder],\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. K. Benchaïb.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift (met bijlagen) van de vader, binnengekomen op 23 februari 2026;\n\nhet bericht van de vader van 19 maart 2026;\n\nhet verweerschrift (met bijlagen) van de moeder met daarin een aantal zelfstandige verzoeken van 24 april 2026;\n\nhet verweerschrift (met bijlagen) van de vader op de zelfstandige tegenverzoeken van de moeder met daarin een aantal tegenverzoeken van 30 april 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de moeder van 5 mei 2026;\n\nhet bericht (met bijlage) van de vader van 6 mei 2026.\n\n1.2. \n\nDe verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van\n\n7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader en zijn advocaat;\n\nde moeder en haar advocaat;\n\n [A.] , als vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\n2. Waar de procedure over gaat\n\n2.1. De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.\n\n2.2. Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .\n\n2.3. \n [minderjarige] woont bij de moeder.\n\n2.4. De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hem moeten nemen.\n\n2.5. Er is geen ouderschapsplan. Dat betekent dat de ouders niet samen afspraken hebben gemaakt over de zorg voor [minderjarige]\n\n2.6. Bij beschikking van 14 juni 2024 van deze rechtbank is – voor zover van belang in deze procedure – de volgende (opbouwende) zorgregeling vastgesteld, waarbij:\n\nde zorgregeling met ingang van 20 mei 2024 voor vier weken wordt opgebouwd waarbij twee keer per week omgang plaatsvindt tussen de vader en [minderjarige] . Iedere maandag heeft de vader van 13.00 tot 16.00 uur omgang met [minderjarige] in de woning van de moeder in [plaats 3] . Iedere vrijdag brengt de moeder [minderjarige] om 12.00 uur bij de vader in [plaats 1] , waarna zij [minderjarige] om 15.00 uur weer ophaalt bij de vader thuis;\n\nmet ingang van 17 juni 2024 heeft [minderjarige] elke maandag van 13.00 tot 16.00 uur omgang met de vader in of rond [plaats 3] . Omdat [minderjarige] nog erg jong is en het slecht weer kan zijn tijdens de omgang hebben de ouders afgesproken dat het in overleg mogelijk is dat de omgang bij de moeder thuis plaatsvindt. De vader dient dit tijdig met de moeder te overleggen;\n\n [minderjarige] iedere vrijdag van 10.00 tot 18.00 uur bij de vader verblijft. De moeder brengt [minderjarige] om 10.00 uur bij de vader thuis in [plaats 1] en de vader brengt [minderjarige] om 18.00 uur terug bij de moeder thuis in [plaats 3] ;\n\nde wisselmomenten op maandag en vrijdagmiddag vinden plaats bij de moeder thuis en het wisselmoment op vrijdagochtend vindt plaats bij de vader thuis.\n\n2.7. Bij vonnis in kort geding van 6 augustus 2024 van deze rechtbank is – samengevat – de moeder veroordeelt tot het nakomen van de zorgregeling zoals vastgesteld bij de hiervoor genoemde beschikking, op straffe van een dwangsom van € 250,- per overtreding per dag of gedeelte van een dag, tot een maximum van € 5.000,-.\n\n2.8. De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de beschikking van 14 juni 2024 van deze rechtbank. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 27 maart 2025 de beschikking van 14 juni 2024 van deze rechtbank vernietigt en de volgende zorgregeling vastgesteld:\n\nde opbouwperiode\n\n- in week 14 heeft [minderjarige] omgang met de vader op maandagmiddag 31 maart 2025 van14.00. uur tot 17.00 uur in [plaats 3] en op vrijdag 4 april 2025 van 10.00 uur tot 18.00 uur in [plaats 1] ;\n\n [minderjarige] zal drie keer in de oneven weken bij de vader verblijven van vrijdagochtend 9.00 uur tot zaterdagmiddag 15.00 uur; het gaat dan om de weekenden startend op vrijdag 11 april 2025, vrijdag 25 april 2025 en vrijdag 9 mei 2025;\n\ndaarna zal [minderjarige] drie keer in de weekenden in de oneven weken bij de vader verblijven van vrijdagochtend 9.00 uur tot zondagochtend 10.00 uur; het gaat dan om de weekenden startend op vrijdag 23 mei 2025, vrijdag 6 juni 2025 en vrijdag 20 juni 2025;\n\nvanaf week 15 heeft [minderjarige] daarnaast omgang met de vader op de maandagen in de oneven weken van 14.00 uur tot 17.00 uur, voor het eerst op 7 april 2025, waarbij de locatie ter vrije bepaling van de vader staat;\n\nde ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder;\n\nde definitieve zorgregeling\n\n [minderjarige] verblijft met ingang van het weekend dat start op vrijdag 4 juli 2025 eens in de veertien dagen een weekend bij de vader van vrijdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur;\n\ndaarnaast heeft [minderjarige] eens in de veertien dagen omgang met de vader op de maandagen van 9.00 uur tot 17.00 uur, voor het eerst op maandag 14 juli 2025, waarbij de locatie ter vrije bepaling van de vader staat;\n\nde ouder waarbij [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De vader verzoekt na aanvulling van zijn verzoeken – samengevat – de rechtbank te bepalen dat:\n\nZorgregeling vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat\n\n- [minderjarige] vanaf het moment dat hij naar de basisschool gaat steeds per drie weekenden, twee weekenden van vrijdag uit school tot zondag na het avondeten bij de vader is, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader toebrengt en de vader [minderjarige] naar de moeder terugbrengt;\n\n2026 (als [minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat)\n\n- [minderjarige] op de volgende momenten bij de vader verblijft:\n\no van 24 april 2026 tot en met 1 mei 2026;\n\no in week 1, 3 en 4 van de zomervakantie 2026 zoals het schema schoolvakanties geldt in de gemeente [gemeente] ;\n\no of de eerste week of de tweede week van de kerstvakantie;\n\n2027 (in de periode voordat [minderjarige] naar de basisschool gaat)\n\n- [minderjarige] op de volgende momenten bij de vader verblijft:\n\no gedurende één week in de voorjaarsvakantie;\n\no week 1, 3 en 4 van de zomervakantie;\n\nvanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat (na de zomervakantie van 2027)\n\nprimairde vakantie- en feestdagen bij helfte worden verdeeld en de ouders in september van ieder jaar afspraken maken voor het dan volgende schooljaar;\n\nsubsidiairindien en voor zover het niet lukt om de schoolvakanties in september van ieder jaar in onderling overleg te verdelen:\n\no dat zal gelden dat de vader in de oneven jaren (waarmee bedoeld het jaar waarin de afspraken in september gemaakt zouden moeten worden) de eerste keuze heeft en de moeder in de even jaren, waarbij in elk geval zal gelden dat de zomervakantie wordt opgedeeld in twee perioden van drie weken;\n\no voor de tweeweekse schoolvakanties (mei en kerst), zal gelden dat elk van de ouders de gelegenheid heeft om één week met [minderjarige] door te brengen;\n\no in de schoolvakanties die één week duren de reguliere zorgregeling doorloopt, tenzij één van de ouders gedurende die week op vakantie wil met [minderjarige] ;\n\nfeestdagen\n\noud en nieuw: jaarlijks wisselend;\n\nSinterklaas (5 december): jaarlijks wisselend;\n\nKoningsdag: jaarlijks wisselend;\n\nMoederdag: bij moeder;\n\nVaderdag: bij vader;\n\nKerst: het ene jaar verblijft [minderjarige] op kerstavond en eerste kerstdag bij de ene ouder en van tweede kerstdag om 9.00 uur bij de andere ouder en dit het andere jaar andersom is;\n\nOud en Nieuw: [minderjarige] verblijft bij de ouder waar hij dat jaar op tweede kerstdag verbleef;\n\nverjaardag [minderjarige] : de reguliere zorgregeling doorloopt;\n\nOverige bijzondere dagen\n\n- te bepalen dat er te allen tijde de mogelijkheid is dat [minderjarige] op bijzondere dagen, zoals familieaangelegenheden, bruiloften, jubilea en uitvaarten, hij deze kan bijwonen en dus wordt afgeweken van de reguliere zorgregeling;\n\ndan wel een beslissing te nemen die de rechtbank juist vindt;\n\nin alle gevallen de moeder te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2. De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader en vindt dat deze moeten worden afgewezen. De moeder wil dat de ouders naar een Parallel Solo Ouderschap traject via de gemeente [gemeente] worden doorverwezen en in dat kader de regeling zoals opgenomen in het door de moeder opgestelde concept ouderschapsplan als uitgangspunt wordt genomen voor het uitbreiden van de zorgregeling in de vakanties en feestdagen in de toekomst.\n\n3.3. Bij wijze van een zelfstandig verzoek verzoekt de moeder om:\n\nvanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat, vervalt de vrijdag 09:00–17:00 uur bij vader en zal de aanvangstijd van de weekendregeling aangepast worden naar een tijd na schooltijd, in alle redelijkheid en in overleg, rekening houdend met de te reizen afstand;\n\nmet ingang van de datum dat [minderjarige] de schoolgaande leeftijd bereikt, zullen vakantieperiodes geleidelijk ingevuld worden en worden opgebouwd in aantal overnachtingen bij vader, waarbij [minderjarige] leeftijd, ontwikkeling en gewenningsperiode in acht genomen worden;\n\nten aanzien van de feestdagen geldt dat deze worden gedeeld zoveel mogelijk aansluiting zoekende bij de weekendregeling die geldt.\n\n3.4. De vader is het niet eens met de zelfstandige verzoeken van de moeder en vindt dat deze moeten worden afgewezen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. De rechtbank zal het volgende beslissen:\n\nde beslissing over de zorgregeling en de definitieve beslissing over de verdeling van de vakantie- en feestdagen zal voor de duur van negen maanden worden aangehouden in afwachting van het Parallel Solo Ouderschapstraject;\n\ner zal een voorlopige verdeling van de vakantie- en feestdagen gelden, welke luidt als volgt:\n\no verjaardag [minderjarige]: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\no zomervakantie 2026: [minderjarige] verblijft in week 1 en in week 4 van de zomervakantie van maandag tot vrijdag, aansluitend op het omgangsweekend van de vader, bij de vader;\n\no herfstvakantie 2026: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\no Sinterklaas: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\no kerstvakantie 2026-2027 (inclusief de feestdagen): [minderjarige] verblijft van\n\n18 december 2026 9.00 uur tot 26 december 2026 11.00 uur bij de vader en van 26 december 2026 11.00 uur tot en met 3 januari 2027 bij de moeder;\n\no voorjaarsvakantie 2027: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\n- de ouder waarbij [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder.\n\n4.2. De rechtbank legt haar beslissing hierna uit.\n\n4.3. In de wet staat dat beide ouders het recht op en de verplichting tot gelijkwaardig ouderschap hebben.Dat betekent niet dat de zorg altijd 50\u002F50 verdeeld moet worden. Wel brengt het mee dat de ouders allebei een gelijkwaardige positie hebben en een daarbij passende rol voor [minderjarige] moeten kunnen vervullen. Ook staat in de wet dat de ouders de verplichting hebben om de bang van hun kind met de andere ouder te bevorderen.Dit wettelijke kader vormt het uitgangspunt bij de beoordeling van de verzoeken van de ouders.\n\n4.4. De achtergrond van deze wettelijke bepalingen is dat het in zijn algemeenheid in het belang van de identiteitsontwikkeling van een kind is dat het met beide ouders goed contact heeft. Dat geldt ook voor [minderjarige] . Het lukt de ouders op dit moment echter niet om op een goede manier aan hun wettelijke verplichting te voldoen. Zij houden allebei veel van hun zoon, maar blijven – tegen het belang van [minderjarige] in – verwikkeld in een voortdurende strijd over wanneer [minderjarige] bij welke ouder verblijft. De oorzaak hiervoor lijkt te zijn dat er veel tussen de ouders is gebeurd in het verleden en dat dit hen in de weg blijft staan. Allebei hebben ze hier in de processtukken en tijdens de zitting over verteld. De grootste zorg van de vader is daarbij dat de moeder hem uit het leven van [minderjarige] duwt. Hij heeft het gevoel dat hij ieder extra moment met [minderjarige] moet bevechten, omdat de moeder hem geen ruimte gunt in het leven van [minderjarige] . De moeder maakt zich op haar beurt ook zorgen. Zij voelt zicht door de vader geïntimideerd omdat hij zich dwingend en bepalend opstelt, en geen enkel oog heeft voor haar zorgen over [minderjarige] . De zorgen komen er, verkort weergegeven, op neer dat de moeder betwijfelt of de vader wel rekening houdt met wat voor [minderjarige] het beste is.4.5. Deze strijd tussen de ouders is niet goed voor [minderjarige] . Hij is nu nog jong, maar krijgt al veel mee, en dat zal als hij ouder wordt alleen maar meer worden. Het is belangrijk dat de ouders alles op alles zetten om dit anders te gaan doen en zich daarbij te richten op wat zijzelf – niet de ander, maar zijzelf – kunnen doen. De ouders hebben tijdens de zitting verteld dat zij allebei nog altijd bereid om aan de slag te gaan met het Parallel Solo Ouderschapstraject. De rechtbank wil de ouders de kans geven om dit hulpverleningstraject aan te gaan, zodat zij kunnen werken aan de onderliggende problematiek en zij zich – los van elkaar – kunnen ontwikkelen en zij weer gaan handelen in het belang van [minderjarige] . Om deze reden zal de rechtbank nu nog geen beslissing nemen over de definitieve zorgregeling en verdeling van de vakantie- en feestdagen, maar deze beslissing nog negen maanden uitstellen. In de tussentijd blijft de reguliere zorgregeling gelden zoals deze nu is. De rechtbank ziet namelijk geen aanleiding om hier nu – in het belang van [minderjarige] – een wijziging in aan te brengen. De strijd tussen de ouders is, zoals toegelicht, op zichzelf heel zorgelijk en gaat ten koste van de (emotionele) veiligheid van [minderjarige] , maar het is niet gebleken dat het bij één van de ouders los hiervan onveilig is of dat één van hen niet goed voor [minderjarige] kan zorgen. De rechtbank wil van de ouders over uiterlijk negen maanden bericht krijgen over hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure.\n\nVoorlopige vakantie- en feestdagenregeling4.6. In de tussentijd zal de rechtbank wel een voorlopige vakantie- en feestdagenregeling vaststellen (tot en met de voorjaarsvakantie 2027), zodat hier de komende periode – terwijl ouders met hulpverlening aan de slag gaan – in ieder geval duidelijkheid over is en dit de strijd hierover hopelijk vermindert. De rechtbank heeft hiervoor geschetst hoe deze voorlopige vakantie- en feestdagenregeling eruit zal zien. De rechtbank is tot de hiervoor genoemde regeling gekomen, omdat zij het in het belang vindt van [minderjarige] dat hij meer (en kwalitatieve) tijd met zijn vader kan doorbrengen. Om die reden vindt de rechtbank het goed dat [minderjarige] ook naast de reguliere zorgregeling tijd met zijn vader heeft, end at daar een concrete opbouw in plaatsvindt. De moeder heeft verteld dat zij op zichzelf niet tegen een opbouw is, maar zij wil wel dat deze in (hele) kleine stappen plaatsvindt. De rechtbank vindt een geleidelijke opbouw ook belangrijk, maar vindt tegelijkertijd dat het nu wel tijd is voor iets langere periodes van [minderjarige] bij zijn vader. Een 50\u002F50 verdeling zou daarbij een duidelijk en logisch doel zijn – de moeder heeft ook gezegd dat zij daar uiteindelijk ook wel naartoe zou willen. Op dit moment is dat nog een te grote stap. Feit blijft dat dit voor grote weerstand zorgt bij de moeder en dat [minderjarige] hier – al dan niet bewust – het nodige van meekrijgt, terwijl het juist zo belangrijk is dat de moeder [minderjarige] emotionele toestemming geeft in het contact met de vader. Hier kan de hulpverlening bij gaan helpen. Omdat [minderjarige] nog jong is, is in de zomervakantie een ‘pauze’ ingebouwd. Hij is twee keer 5 dagen bij zijn vader, zodat hij op die manier kan wennen aan het idee om langere tijd aaneengesloten bij de vader door te brengen.\n\nDe uitvoerbaarheid bij voorraad4.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. stelt de volgende voorlopige vakantie- en feestdagenregeling vast:\n\nverjaardag [minderjarige]: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\nzomervakantie 2026: [minderjarige] verblijft in week 1 en in week 4 van de zomervakantie van maandag tot vrijdag, aansluitend op het omgangsweekend van de vader, bij de vader;\n\nherfstvakantie 2026: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\nSinterklaas: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\nkerstvakantie 2026-2027 (inclusief de feestdagen): [minderjarige] verblijft van\n\n18 december 2026 9.00 uur tot 26 december 2026 11.00 uur bij de vader en van\n\n26 december 2026 11.00 uur tot en met 3 januari 2027 bij de moeder;\n\n- voorjaarsvakantie 2027: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\n- de ouder waarbij [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder;\n\n5.2. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.3. houdt de (verdere) beslissing over de definitieve zorgregeling, vakantie- en feestdagenregeling aan voor de duur van negen maanden, in afwachting van de uitkomst van het Parallel Solo Ouderschapstraject, met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:\n\nof meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;\n\nof een nieuwe zitting nodig is;\n\nof de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Art. 1:247 lid 4 BW.\n\n Art. 1:247 lid 3 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3856","2026-07-13T00:29:01.899Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":44,"courtId":118,"decisionDate":119,"fullText":127,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":52,"updatedAt":129},"1043","ECLI:NL:RBMNE:2026:3854","ecli-nl-rbmne-2026-3854","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Lelystad\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F607887 \u002F FL RK 26-280\n\nZorgregeling\n\nBeschikking van 4 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de vader],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nadvocaat mr. J.B. Streefkerk,\n\ntegen\n\n [de moeder],\n\nwonende in [plaats] ,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. M. Falkena.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift (met bijlagen) van de vader, binnengekomen op 2 maart 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de vader van 12 maart 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de moeder van 12 maart 2026;\n\nhet verweerschrift (met bijlagen) van de moeder van 2 april 2026;\n\nhet bericht (met bijlage) van de vader van 9 april 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de moeder van 28 april 2026.\n\n1.2. \n\nDe verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van\n\n7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader en zijn advocaat;\n\nde moeder en haar advocaat;\n\n [A.] , een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\n1.3. De moeder heeft tijdens de zitting een persoonlijke brief voorgelezen, welke – zoals tijdens de zitting is afgesproken – op 7 mei 2026 namens de moeder door mr. Falkena is ingediend.\n\n1.4. De rechtbank heeft aan de minderjarige [minderjarige] , de zoon van de ouders, gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. [minderjarige] heeft daar op 4 mei 2026 met de rechter over gesproken.\n\n2. Waar de procedure over gaat\n\n2.1. De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.\n\n2.2. Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] .\n\n2.3. De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] moeten nemen.\n\n2.4. De ouders hebben in het ouderschapsplan van 15 februari 2019, dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 5 april 2019, afgesproken dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft.\n\n2.5. \n [minderjarige] verblijft sinds 2 februari 2026 feitelijk bij de vader.\n\n2.6. \n\nBij beschikking van 12 mei 2021 van deze rechtbank is het ouderschapsplan van\n\n15 februari 2019 en de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2019 – ten aanzien van de zorg-, vakantie- en feestdagenregeling – gewijzigd in die zin dat:\n\nmet ingang van 30 april 2021 zal tussen [minderjarige] en vader een zorgregeling gelden waarbij [minderjarige] één keer in de veertien dagen een weekend bij vader verblijft van vrijdag uit school (14:00 uur) tot en met dinsdagochtend naar school. In de week erop zal vader [minderjarige] op maandag op school halen en dan blijft hij bij hem tot dinsdagochtend naar school;\n\nde vakanties worden als volgt verdeeld: de vakanties van één week worden niet\n\nverdeeld, de overeengekomen zorgregeling loopt dan door. Voor vakanties die twee weken duren, geldt dat deze bij helfte verdeeld worden. Indien [minderjarige] in een vakantie van twee weken de eerste week bij vader is, dan is dat vanaf vrijdag om 14.00 uur uit school. Deze eerste week eindigt derhalve op de vrijdag erna om 14.00 uur. Vader brengt [minderjarige] alsdan naar moeder zodat [minderjarige] om 14.00 uur bij de moeder is;\n\nvoor de meivakantie 2021 is afgesproken dat [minderjarige] de eerste week bij vader is en de tweede week bij moeder;\n\nten aanzien van de zomervakantie en kerstvakantie geldt dat deze eveneens bij helfte worden verdeeld, met dien verstande dat ieder jaar [minderjarige] wisselend eerste kerstdag bij de ene ouder is, tweede kerstdag bij de andere ouder, ongeacht de week waarin de zorgregeling plaatsvindt. De jaarwisseling zal [minderjarige] doorbrengen bij de ouder waarbij hij eerste kerstdag heeft doorgebracht. Voor 2020 geldt dat [minderjarige] van 21 tot en met 27 december bij vader zal zijn, tweede kerstdag bij moeder, waarbij [minderjarige] om 11:00 uur bij de moeder zal zijn en op 27 december 12:00 uur weer bij de vader. De tweede week van de kerstvakantie (28 december tot en met 3 januari) zal [minderjarige] bij de moeder zijn, maar op Oudejaarsdag om 11:00 uur naar de vader gaan en op Nieuwjaarsdag om 12.00 uur weer bij de moeder zijn. Voor 2021 geldt het tegenovergestelde: [minderjarige] zal eerste kerstdag en de jaarwisseling bij moeder zijn en tweede kerstdag bij vader. De zomervakantie 2021 zal bij helfte verdeeld worden waarbij [minderjarige] de eerste drie weken bij moeder is in de laatste drie weken bij vader, het wisselmoment is vrijdag 14.00 uur. Als locatie voor de overdracht wordt de woning van moeder aangehouden;\n\ntijdens de vakanties die twee of meer weken duren, zal de ouder waar [minderjarige] verblijft hem in de gelegenheid stellen in ieder geval twee maal per week met de andere ouder te telefoneren. Die andere ouder zal de telefoon correct opnemen en als het moment van telefoneren niet uitkomt dat direct uitleggen. De oproep zal niet beëindigd worden zonder dat er verbinding lot stand is gekomen;\n\nten aanzien van de vorderingen van [minderjarige] op school of op sport, zijn de vader en de\n\nmoeder zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van deze informatie. Zij zullen dus\n\nniet bij elkaar die informatie vragen. Gesprekken op school worden niet gezamenlijk\n\nbezocht. Ieder zal een eigen afspraak met school maken;\n\nhet is ouders niet toegestaan zonder nader overleg dan wel zonder gegronde reden eenzijdig de zorgregeling stop te zetten.\n\n2.7. De ouders hebben geprobeerd om samen afspraken te maken tijdens een mediationtraject. Het mediationtraject is echter vroegtijdig beëindigd.\n\n2.8. \n\nBij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van\n\n30 maart 2026 is [minderjarige] voorlopig toevertrouwd aan de vader.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De vader verzoekt om:\n\nprimair\n\nde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen;\n\nte bepalen dat [minderjarige] – nadat contactherstelgesprekken tussen moeder en [minderjarige] hebben plaatsgevonden –één keer in de twee weken vanaf vrijdag 19:30 uur tot maandag 19:30 uur bij de moeder verblijft en de vakantie- en feestdagen bij helfte worden verdeeld;\n\nde kinderalimentatie op nihil wordt gesteld;\n\nsubsidiair\n\n- te bepalen dat [minderjarige] de ene helft van de tijd bij de vader verblijft en de andere helft van de tijd bij de moeder verblijft met als wisselmoment vrijdag 19.30 uur;\n\nmeer subsidiair\n\neen beslissing te nemen die de rechtbank juist vindt.\n\n3.2. De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader en vindt dat hij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat zijn verzoeken moeten worden afgewezen.\n\n4. De beoordeling\n\nZorgregeling4.1. De rechtbank zal de volgende zorgregeling vaststellen:\n\nopbouwperiode:[minderjarige] verblijft voorlopig om de week van vrijdag na school tot dinsdag 19.30 uur bij de moeder en de overige tijd bij de vader;\n\ndefinitieve zorgregeling:[minderjarige] verblijft vanaf 16 augustus 2026 (dus: na de zomervakantie) voortaan in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader, waarbij het wisselmoment op vrijdag om 19.30 uur plaatsvindt.\n\nDe rechtbank legt haar beslissing hierna uit.\n\n4.2. Waar [minderjarige] eerder het grootste deel van de tijd bij de moeder verbleef, verblijft hij sinds februari bij de vader en is hij in een kortgeding procedure voorlopig aan de vader toevertrouwd. Ondanks verschillende pogingen van de ouders om samen afspraken te maken, is dit nog niet gelukt. Binnenkort zullen de ouders gaan werken aan hun onderlinge communicatie met systeemtherapie bij [naam] . De rechtbank vindt dit verstandig, omdat de communicatie nu regelmatig via [minderjarige] verloopt en daar heeft hij last van. In de tussentijd hebben zowel [minderjarige] als de ouders al wel behoefte aan duidelijkheid over de zorgregeling. De rechtbank zal om die reden een definitieve zorgregeling vaststellen.\n\n4.3. De rechtbank is van oordeel dat een co-ouderschapsregeling – waarbij [minderjarige] de ene helft van de tijd bij de moeder en de andere helft van de tijd bij de vader verblijft – het meest in het belang van [minderjarige] is. Daarmee sluit de rechtbank zich aan bij de Raad, die dit tijdens de zitting ook heeft geadviseerd. Een co-ouderschap past goed bij het uitgangspunt in de wet dat er sprake moet zijn van ‘gelijkwaardig ouderschap’.Gelijkwaardig ouderschap betekent dat beide ouders een rol van betekenis in [minderjarige] ’s leven spelen, en zorg- en opvoedtaken verrichten. Dat is belangrijk voor [minderjarige] identiteitsontwikkeling.. Het is niet gebleken dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [minderjarige] is. Dat de ouders allebei een andere opvoedstijl hebben, is geen reden om van een co-ouderschap af te zien. Verschillende opvoedstijlen kunnen elkaar namelijk ook aanvullen en daarmee juist van meerwaarde zijn voor een kind. Een mooi voorbeeld is huiswerk; dit is tijdens de zitting besproken. De moeder houdt, zo heeft ze verteld, meer in de gaten of [minderjarige] wel zijn huiswerk doet. Ze zit hem achter zijn broek aan als dat nodig is. De vader laat dit meer los; hij vindt dat [minderjarige] moet leren dat er gevolgen zijn als hij zijn huiswerk niet maakt, en dat leert hij het beste door het gewoon maar eens te ervaren. Dat zijn allebei manieren om [minderjarige] te helpen: het is juist goed als [minderjarige] van allebei een stukje meekrijgt. De ouders kunnen bovendien tijdens het hulpverleningstraject afspraken maken over hoe zij hier het beste mee om kunnen gaan en elkaar hierbij én in hun waarde laten, én ondersteunen waar nodig. Wanneer dit lukt, kan er op termijn hopelijk ook meer flexibiliteit in de zorgregeling komen. Een voorbeeld hiervan is dat [minderjarige] bijvoorbeeld een keer in de week dat hij bij de vader is bij de moeder kan avondeten of andersom. Dat past ook bij de leeftijd van [minderjarige] , waarbij steeds wat meer autonomie voor hem fijn is.\n\n4.4. De zorgregeling zal in de periode tot en met de zomervakantie van dit jaar worden opgebouwd, zodat [minderjarige] kan wennen aan de nieuwe situatie en de ouders in de tussentijd kunnen werken aan de communicatie. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de vakantieregeling ongewijzigd blijft. De vakantie van [minderjarige] en de moeder naar Indonesië zal dus gewoon kunnen doorgaan en [minderjarige] zal ook tijd met de vader kunnen doorbrengen. De wisselmomenten van de week-op-week-afregeling zullen plaatsvinden op vrijdag om19.30. uur, zoals door de vader is verzocht.\n\nHoofdverblijfplaats4.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en zal daarom het verzoek van de vader afwijzen. Er wordt de komende periode toegewerkt naar co-ouderschap, waardoor [minderjarige] evenveel tijd bij de moeder als bij de vader doorbrengt. Een wijziging is daarom niet nodig, wat betekent dat [minderjarige] bij de moeder ingeschreven kan blijven staan.\n\nKinderalimentatie4.6. De rechtbank zal een beslissing op het verzoek over de kinderalimentatie aanhouden in afwachting van de verweertermijn. De reden daarvoor is dat toen de zitting werd gepland, de verweertermijn nog niet was verstreken, zodat dit verzoek niet inhoudelijk op de zitting kon worden behandeld. De rechtbank wil over uiterlijk zes weken van de ouders bericht krijgen hoe het verder moet in deze procedure en of voor de kinderalimentatie een nieuwe zitting nodig is of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.\n\nDe uitvoerbaarheid bij voorraad4.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. stelt de volgende zorgregeling vast:\n\nopbouwperiode:[minderjarige] verblijft voorlopig om de week van vrijdag na school tot dinsdag 19.30 uur bij de moeder en de overige tijd bij de vader;\n\ndefinitieve zorgregeling:[minderjarige] verblijft vanaf 16 augustus 2026 (dus na de zomervakantie) voortaan in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader, waarbij het wisselmoment op vrijdag om 19.30 uur plaatsvindt;\n\n5.2. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.3. houdt de beslissing over kinderalimentatie aan voor de duur van zes weken, met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:\n\nof een nieuwe zitting nodig is;\n\nof de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting;\n\n5.4. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Art. 1:247 lid 4 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3854","2026-07-13T00:29:00.929Z",{"id":131,"ecli":132,"slug":133,"caseNumber":44,"courtId":134,"decisionDate":135,"fullText":136,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":137,"sourceTimestamp":138,"parsedAt":52,"updatedAt":139},"480","ECLI:NL:RBDHA:2026:17445","ecli-nl-rbdha-2026-17445",58,"2026-05-28T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-2231\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F682424\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Scheiding\n\nBeschikking op het op 25 maart 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. K. Moene te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S. Bhulai te ’s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 28 maart 2025, met bijlagen namens de vrouw;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen;\n\n- het bericht van 10 februari 2026 namens de vrouw;\n\n- de brief van 24 februari 2026, met bijlage, namens de vrouw inhoudende\n\n een wijziging van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling;\n\n- de brief van 17 april 2026, met bijlagen, namens de vrouw, tevens\n\n inhoudende een wijziging van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling;\n\n- het bericht van 21 april 2026, met bijlage, namens de man.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw en de man met hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2023 te Leidschendam-Voorburg in beperkte gemeenschap\n\n van goederen.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] .\n\n- De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast.\n\n- Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is op 24 maart 2025\n\n –voor zover hier van belang– bepaald dat:\n\nde vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekomt met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nde kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;\n\nde man aan de vrouw, met ingang van 10 maart 2025 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 250,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.\n\n- Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is op 19 maart 2026 –\n\n met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 24 maart 2025 –\n\n bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 11 maart 2026, een kinderalimentatie\n\n ten behoeve van de kinderen van € 167,- per kind per maand zal betalen, telkens bij\n\n vooruitbetaling te voldoen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet gewijzigde verzoek van de vrouw zoals dat nu luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen (zorgregeling), in die zin dat:\n\n de kinderen gedurende de schoolweken en onder de voorwaarde dat in dat\n\nweekend geen feestdagen vallen in het weekend van de oneven weken bij\n\nde man zijn van zaterdag 10:00 uur tot zondag 15:00 uur;\n\n invulling van vakanties en feestdagen in onderling overleg;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 167,- per maand per kind, bij\n\n vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van de beschikking;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de kinderen,\n\n -waarbij de kinderen bij de man zullen zijn:\n\n in de oneven weken van vrijdag na school (15:00 uur) tot zondag 18:00 uur;\n\n in de zomervakantie 1 week in overleg;\n\n met Vaderdag;\n\n -te bepalen dat de kinderen 2 video belmomenten op dinsdag en donderdag om\n\n 19:00 uur hebben met de man of elk ander moment dat de kinderen hun vader\n\n missen;\n\n- vaststelling van een regeling inzake de informatie over de kinderen, waarbij de vrouw de man maandelijks zal informeren over de ontwikkelingen van de\n\n kinderen;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 166,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van indiening van het verweerschrift althans een zodanige bijdrage en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht;\n\n- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform\n\n het voorstel van de man inhoudende dat de goederen opgenoemd in de inboedellijst (productie 3) aan de man zullen toekomen, zonder verrekening.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntbreken ouderschapsplan\n\nBij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. Partijen hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het partijen niet is gelukt om op alle punten ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank toch het verzoek tot echtscheiding.\n\nOmdat aan de overige wettelijke formaliteiten wel is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nDe vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man voert hiertegen geen verweer. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.\n\nZorgregeling\n\nUit de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank het volgende gebleken. Op 25 februari 2025 is aan de man een tijdelijk huisverbod opgelegd, omdat er een incident van huiselijk geweld in de echtelijke woning heeft plaatsgevonden. Dit huisverbod is ook nog verlengd tot 25 maart 2025. De vrouw is met de kinderen in de echtelijke woning gebleven. In de voorlopige voorzieningenprocedure (beschikking van\n\n24 maart 2025) is vervolgens het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toegekend alsmede zijn de kinderen aan haar toevertrouwd. Er is diverse hulpverlening bij het gezin betrokken geraakt, onder meer het Veilig Verder Team (VVT). Doel van dit team is het opstellen van veiligheidsafspraken en het maken van passende omgangsafspraken voor de kinderen. Op 20 januari 2026 heeft het VVT advies uitgebracht, waarbij is gebleken dat er nog geen definitieve veiligheids- en omgangsafspraken zijn vastgesteld.\n\nBeide ouders willen een vaste zorgregeling, maar zij verschillen van mening over de exacte invulling van deze regeling. Daarbij is het werkrooster van de man een complicerende factor.\n\nDe vrouw stelt een zorgregeling voor, waarbij de kinderen in de oneven weken bij de man zijn van zaterdag 10:00 uur tot zondag 15:00 uur. De vrouw hecht aan een vaste regeling die de man altijd kan nakomen. Om deze reden verzoekt zij zaterdag 10 uur, omdat vrijdag na school volgens de vrouw niet altijd voor de man haalbaar is. Daarnaast vindt de vrouw het van belang dat de kinderen op tijd naar bed gaan. Dit klemt temeer op de zondagen nadat de kinderen een weekend bij de man zijn geweest.\n\nDe man verzet zich tegen de verzochte invulling van de vrouw en verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen in de oneven weken van vrijdag na school (15:00 uur) tot zondag 18:00 uur bij hem verblijven.\n\nOp de zitting is naar voren gekomen dat de man op dit moment bij zijn huidige werkgever een werkrooster heeft, waarbij hij eenmaal in de drie weken een vrij weekend heeft. Mogelijk krijgt de man op korte termijn een nieuwe werkgever en wil hij gaan bespreken dat hij om de week een vrij weekend heeft.\n\nAlles overwegende zal de rechtbank nu bepalen dat de kinderen bij de man zijn eenmaal in de drie weken (het vrije weekend van de man) van vrijdag uit school (15:00 uur) tot zondag 17 uur. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de man in de weken dat hij de kinderen niet in het weekend ziet nog een dag dan wel dagdeel omgang zal hebben met de kinderen. Daarbij is het van belang dat de man de vrouw tijdig op de hoogte zal brengen van zijn vrije (doordeweekse) dagen in zijn werkrooster, waarna ze in onderling overleg – eventueel onder begeleiding van hulpverleners – voor de weken daarop, indien mogelijk, de doordeweekse contactmomenten kunnen vastleggen.\n\nDe ouders zijn het er verder over eens dat de invulling van vakanties en feestdagen in onderling overleg zal worden bepaald, maar dat de kinderen in ieder geval op vaderdag en in de zomervakantie één week bij de man zullen zijn. Ook hiervoor geldt dat de man de vrouw tijdig van zijn werkrooster op de hoogte zal moeten brengen, zodat deze vakantie(s) en feestdagen in onderling overleg – eventueel onder begeleiding van hulpverleners – kunnen worden bepaald.\n\nDe rechtbank geeft de ouders mee dat zij samen met VVT dan wel andere hulpverleners verdere afspraken moeten maken over de nadere invulling en uitbreiding van de zorgregeling, mede afhankelijk van de (nieuwe) werkroosters van de man en van het werkrooster van de vrouw voor zover zij erin slaagt te gaan werken zoals zij voornemens is. Daarbij moet ernaar worden gestreefd dat de kinderen in ieder geval om de week een weekend bij de man zullen verblijven, zoals beide ouders nu hebben verzocht.\n\nOp de zitting zijn de ouders verder overeengekomen dat de man twee keer per week, op dinsdag en donderdag, om 18 uur een (video) belmoment met de kinderen zal hebben. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, omdat dit ook in het belang van de kinderen is.\n\nInformatieregeling\n\nDe man verzoekt een informatieregeling vast te stellen, waarbij de vrouw de man maandelijks zal informeren over de ontwikkelingen van de kinderen. De vrouw verzet zich hiertegen en stelt dat het verzoek van de man buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het niet binnen de gegeven verweertermijn en dus te laat is ingediend.\n\nWat er ook zij van het standpunt van de vrouw, de rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek van de man om een informatieregeling vast te stellen, toe te wijzen. De ouders zijn immers gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast. Uit gezamenlijk gezag vloeit voort dat de ouders elkaar over en weer moeten informeren en consulteren over zaken die de kinderen aangaan. Daarnaast kan de man als gezaghebbende ouder ook zelf alle informatie over de kinderen opvragen bij betrokken instanties. Verder zal de man ook regelmatig contact met de kinderen hebben, zodat hij op basis hiervan ook al goed op de hoogte is van onder andere hun ontwikkeling. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.\n\nKinderalimentatie\n\nOp de zitting is gebleken dat de vrouw haar verzoek wijzigt en nu verzoekt een kinderalimentatie vast te stellen van € 167,- per maand per kind, zoals is bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2026 betreffende de wijziging van de voorlopige voorzieningen. Gelet op het zelfstandige verzoek van de man, waarin hij een bedrag van € 166,- per maand per kind aan kinderalimentatie verzoekt, concludeert de rechtbank dat de ouders over de kinderalimentatie overeenstemming hebben bereikt. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen. Daarbij zal de rechtbank de datum van beschikking als ingangsdatum bepalen, zoals de vrouw verzoekt, mede omdat er al een voorlopige kinderalimentatie in voorlopige voorzieningen is bepaald.\n\nVerdeling beperkte huwelijksgemeenschap\n\nDe man verzoekt te bepalen dat de inboedelgoederen opgenoemd in de als productie 3 overgelegde inboedellijst aan de man zullen toekomen, zonder verrekening. De vrouw verweert zich hiertegen en stelt dat de inboedel al tussen partijen is verdeeld. Mede gelet op wat op de zitting is besproken, concludeert de rechtbank dat de huwelijksgoederengemeenschap feitelijk al tussen partijen is verdeeld en dat de rechtbank op dit punt geen beslissing meer behoeft te nemen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2023 te [plaats] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ,\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] ,\n\nde hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat de hiervoor genoemde minderjarigen bij de man zullen zijn:\n\n- eenmaal in de drie weken (het vrije weekend van de man) van vrijdag uit school\n\n (15:00 uur) tot zondag 17 uur;\n\n- in de weken dat de man de kinderen niet in het weekend ziet nog een dag dan wel\n\n dagdeel, in onderling overleg te bepalen en afhankelijk van het werkrooster van de\n\n man;\n\n- de invulling van de vakanties en feestdagen in onderling overleg zal worden\n\n bepaald, waarbij de kinderen in ieder geval op vaderdag en één week in de\n\n zomervakantie bij de man zullen zijn;\n\n*\n\nbepaalt dat er twee keer per week, op dinsdag en donderdag, om 18 uur een (video) belmoment tussen de man en de kinderen zal plaatsvinden;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van vandaag, een kinderalimentatie ten behoeve van de hiervoor genoemde minderjarigen van € 167,- per maand per kind zal betalen, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking – tot zover en met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17445","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:32.552Z",{"id":141,"ecli":142,"slug":143,"caseNumber":44,"courtId":134,"decisionDate":135,"fullText":144,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":145,"sourceTimestamp":138,"parsedAt":52,"updatedAt":146},"408","ECLI:NL:RBDHA:2026:17440","ecli-nl-rbdha-2026-17440","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 23-5949\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F652435\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag, zorg-\u002Fomgangsregeling, informatie en consultatieregeling\n\nBeschikking op het op 10 augustus 2024 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader],\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. D.H.P.C. Glaudemans te Delft.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder],\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. M.J.W. Jongenelen te Roosendaal.\n\nProcedure\n\nBij beschikking van 12 april 2024 van deze rechtbank is een beslissing ter zake van het gezag, de zorg-\u002Fomgangsregeling en de informatieregeling aangehouden zodat de ouders op eigen aanmelding een hulpverleningstraject konden gaan starten om aan hun verstoorde communicatie te werken.\n\nDe rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:\n\nhet bericht van 7 oktober 2024 van de moeder;\n\nhet bericht van 8 oktober 2024 van de vader;\n\nde brief van 27 mei 2025 van de moeder;\n\nde brief van 3 juni 2025 van de vader;\n\nde brief van 30 september 2025 van de moeder;\n\nde brief van 3 oktober 2025 van de vader;\n\nhet bericht van 6 januari 2026 van de moeder met bijlagen;\n\nde brief van 20 april 2026 van de moeder met bijlagen.\n\nDe kinderen hebben zich in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.\n\nOp 30 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en de moeder met haar advocaat.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.\n\nGezag\n\nVoor de vader is het belangrijkste dat er een goede omgangsregeling tussen hem en de kinderen wordt vastgesteld en hij gaat ervan uit dat een beslissing over het gezag door de rechtbank juist wordt genomen.\n\nVolgens de moeder is het niet in het belang van de kinderen dat de moeder samen met de vader het gezamenlijk gezag uitoefent gelet op het feit er geen enkel constructief overleg tussen hen mogelijk is.\n\nHet is de rechtbank uit de stukken en op de zitting gebleken dat de verhoudingen tussen de ouders nog steeds zodanig verstoord zijn dat de kinderen klem en verloren dreigen te raken wanneer de vader en de moeder het gezag gezamenlijk zouden uitvoeren. De ouders zijn anderhalf jaar verder en de inzet van verschillende hulptrajecten, zoals mediation en parallel solo ouderschap, bleek hen niet verder te brengen in het verbeteren van het contact. De rechtbank acht het niet in het belang van de kinderen dat de vader en de moeder het gezamenlijk gezag uitoefenen en wijst het verzoek van de vader daarom af.\n\nOmgangsregeling\n\nHet is de hulpverlening niet gelukt om de ouders met elkaar in contact te brengen. Er is door het UHA-traject een advies opgesteld om een omgangsregeling vast te stellen zodat er duidelijkheid voor de kinderen komt. Daarbij is het van belang dat hun wensen en behoeften leidend zijn in het contact met de vader.\n\nDe vader heeft op de zitting aangegeven zich neer te leggen bij de voorgestelde omgangsregeling uit het advies vanuit het UHA-traject. Het is voor de vader het belangrijkste dat het contact met de kinderen weer wordt opgestart, omdat hij ze graag weer zou willen zien.\n\nDe moeder wenst geen vastlegging van een omgangsregeling, omdat het contact tussen de vader en de kinderen al enige tijd stilligt en de vader zich daarnaast tegenover [minderjarige 1] negatief uitlaat over de moeder.\n\nUit de stukken en op de zitting is de rechtbank het volgende gebleken. De kinderen ervaren de omgang met hun vader als beladen, niet onbelast en regelmatig oppervlakkig. Uit het UHA rapport blijkt daarnaast dat de kinderen het als lastig ervaren als de vader hen vragen stelt over een uitbreiding van de omgang. De kinderen vonden de eerder afgesproken regeling voldoende, maar de vader vond dit moeilijk te accepteren. Het is in het belang van de kinderen om tijdens contactmomenten een leuke dag te hebben met de vader waarbij de focus door de vader niet – alsmaar – verlegd wordt naar de mogelijkheden tot een uitbreiding van de omgangsregeling. Omdat het wel in het belang van de kinderen is om met beide ouders contact te hebben, zal de rechtbank de volgende omgangsregeling vastleggen voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. Een zondag per vier weken zullen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar de vader gaan van 11:00 uur tot 19:00 uur waarbij de moeder de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wegbrengt naar de vader en de vader de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] terugbrengt naar de moeder. Voor [minderjarige 3] komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Gelet op de leeftijd van [minderjarige 3] acht de rechtbank hem zelfstandig genoeg om in onderling overleg met de vader afspraken te maken over contactmomenten. Het is des te meer ook aan de vader om zich voor dit contact met [minderjarige 3] in te zetten. Het is de rechtbank gebleken dat de vader moeite heeft om het strijdkader los te laten. Het lukt de vader niet om de wensen en behoeften van de kinderen los te zien van zijn boosheid richting de moeder. Het is echter in het belang van de kinderen dat de vader hier verandering in brengt en zijn aandacht meer gaat richten op zijn band met de kinderen en minder op hetgeen waar hij recht op meent te hebben met betrekking tot de kinderen. De vader zal oprechte belangstelling in de kinderen moeten tonen en zo met hen in gesprek kunnen gaan om erachter te komen wat zij willen en wat er in hen omgaat. In het kader van oprechte belangstelling kan het de vader helpen om, ondanks zijn financiële problemen, toch bij de voetbal van de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te gaan kijken, mede omdat zij hebben aangegeven dit heel leuk te vinden. Het is in het belang van de kinderen om zich gezien en gehoord te voelen door hun vader. Hiervoor zal eerst het contact met de vader en de kinderen hersteld moeten worden en daarvoor acht de rechtbank de vader aan zet. Het zal een wat langere adem vragen om de relatie tussen de vader en de kinderen te herstellen en de rechtbank hoopt dat de vader zichzelf en vooral de kinderen deze tijd gunt.\n\nInformatie-\u002Fconsultatieregeling\n\nDe vader verzoekt de rechtbank om te bepalen dat de moeder de vader bij voorkeur één keer per maand per mail informeert over de ontwikkeling van de kinderen. Voorts verzoekt de vader dat de moeder haar medewerking verleent dat de school van de kinderen informatie verstrekt aan de vader over de ontwikkeling van de kinderen op school.\n\nHet is de rechtbank uit de stukken en op de zitting gebleken dat de vader niet altijd geheel op de hoogte is van de ontwikkelingen omtrent de kinderen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader toewijzen. Hiermee hoopt de rechtbank de vader handvatten te bieden voor gesprekken met de kinderen zodat hij belangstelling voor hen kan tonen. De moeder zal daarom de vader eens per maand per mail informeren over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de de kinderen. Daarbij valt te denken aan hun gezondheid, hoe zij het op school doen, hun sport en wat er in hun leven verder speelt. Deze verplichting ziet uitdrukkelijk slechts op informatie-uitwisseling en het is niet de bedoeling dat de vader enige reactie op het bericht van de moeder zal geven. Mocht dat wel voorkomen, is het aan de moeder om deze reactie naast zich neer te leggen. Door het toewijzen van het verzoek van de vader en het vastleggen van de informatieregeling, zal de vader zich kunnen inzetten om meer interesse te tonen in de kinderen. Mede gelet op het feit dat de moeder het eenhoofdig gezag behoudt, acht de rechtbank het niet noodzakelijk dat de moeder haar medewerking verleent aan de vader zodat de school van de kinderen informatie over hen aan de vader verstrekt. De voorgaande informatieregeling houdt voor de moeder ook in om de vader te informeren over de ontwikkelingen van de kinderen op school.\n\nKindbrief\n\nTot slot heeft de rechtbank besloten om in een aparte brief aan [minderjarige 3], [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit te leggen wat de uitkomst van de procedure is. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap zij hebben ontvangen.\n\n“Beste [minderjarige 3], [minderjarige 2] en [minderjarige 1],\n\nOp 29 april 2026 hebben wij elkaar gesproken. Jullie hebben mij veel verteld over het contact met jullie vader. De dag erna heb ik met jullie ouders gesproken. Zij vinden het allebei belangrijk dat jullie contact houden met jullie vader, maar komen er niet goed uit hoe dat dan moet. Ik heb goed naar jullie en naar jullie ouders geluisterd en heb een beslissing genomen. Die leg ik jullie hier uit.\n\nJullie moeder is degene die de belangrijke beslissingen over jullie blijft nemen en dus het gezag over jullie houdt. Jullie vader krijgt niet het gezag. Jullie ouders willen allebei het allerbeste voor jullie, maar het lukt hen niet goed genoeg om samen met elkaar te beslissen. Dat ligt niet aan jullie, zo loopt het soms nou eenmaal tussen gescheiden ouders. Omdat ik me zorgen maak of er nog wel beslissingen genomen kunnen worden als jullie ouders allebei het gezag hebben, lijkt het me beter dat jullie moeder alleen beslist.\n\nDaarbij zal jullie moeder dan wel elke maand informatie over jullie aan jullie vader geven. Dat gaat dan over school, over sport, over jullie gezondheid, en wat er verder nog aan de hand is. Zo blijft jullie vader op de hoogte van wat er speelt in jullie leven. Dat geeft hem ook de kans om gericht met jullie te praten over wat er belangrijk is voor jullie, zoals een operatie of een voetbalwedstrijd.\n\nVoor de omgang heb ik beslist dat jij, [minderjarige 3], zelf moet bekijken wat handig is. Je hebt je vrienden, je werk, school en wat er verder allemaal belangrijk voor je is. Ik heb gezien dat jij prima in staat bent om zelf met je vader afspraken te maken over wanneer je hem spreekt of ziet. Die ruimte geef ik jou dan ook.\n\n [minderjarige 2] en [minderjarige 1], jullie gaan één keer per maand op zondag van 11:00u tot 19:00u naar jullie vader. Samen. Als de ene niet kan, gaat de ander ook niet. Dan kunnen jullie misschien de zondag erna samen gaan om de dag in te halen. Ik schrijf ook een brief (dat heet dan een beschikking) aan jullie ouders. Daarin vraag ik jullie vader om zich op die zondag vooral te richten op jullie. Het is de bedoeling dat hij er met jullie een leuke dag van maakt en wat minder focust op meer contact of op overnachtingen. Hij heeft verteld dat hij het leuk vindt om met jullie milkshakes te maken en het park in te gaan. Dat is een goed begin. Ik heb hem ook laten weten dat het voor jullie belangrijk is dat hij de moeite neemt om bijvoorbeeld eens bij jullie voetbal te gaan kijken. Ik hoop dat hij dat doet, maar dat is aan jullie vader om te regelen.\n\nIk beslis niets over vakanties of feestdagen voor jullie alle drie. Wat hiervoor over de omgang staat, blijft dan gewoon gelden. Ik beslis ook niks over uitbreiding van deze regeling. Ik vind het belangrijk dat jullie elkaar weer vinden in een gezellige en fijne omgang, zonder dat er druk op ligt van uitbreiding of extra dagen in een vakantie.\n\nIk hoop dat jullie je hier een beetje in kunnen vinden. Ik hoop ook dat jullie vader er een gezellige boel van gaat maken en dat jullie je weer fijn bij hem gaan voelen. Daar wens ik jullie het allerbeste, en ook veel plezier bij!\n\nHartelijke groetjes,\n\nde kinderrechter”\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 12 april 2024 –:\n\nwijst het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag af;\n\nstelt de volgende omgangsregeling vast:\n\n [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zullen een zondag per vier weken naar de vader gaan van 11:00 uur tot 19:00 uur waarbij de moeder de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wegbrengt naar de vader en de vader [minderjarige 2] en [minderjarige 1] terugbrengt naar de moeder;\n\n [minderjarige 3] regelt in onderling overleg met de vader wanneer zij elkaar zien;\n\nbepaalt dat de moeder eens per maand de vader per mail informeert over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de kinderen;\n\nwijst af het meer of anders verzochte;\n\nen verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17440","2026-07-13T00:28:28.207Z",{"id":148,"ecli":149,"slug":150,"caseNumber":44,"courtId":134,"decisionDate":135,"fullText":151,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":152,"sourceTimestamp":138,"parsedAt":52,"updatedAt":153},"415","ECLI:NL:RBDHA:2026:17448","ecli-nl-rbdha-2026-17448","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2689\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F701622\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken, hoofdverblijfplaats en informatieregelingBeschikking op het op 17 maart 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. J.L.J. Kapteijn in Alphen aan den Rijn.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. H.H.R. Bruggeman in Leiderdorp.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 19 maart 2026 met bijlagen van de moeder;\n\nhet bericht van 29 april 2026 met bijlage van de moeder;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken;\n\nhet bericht van 6 mei 2026 met bijlagen van de vader;\n\nhet bericht van 8 mei 2026 met bijlagen van de moeder;\n\nhet bericht van 11 mei 2026 van de vader.\n\nOp 11 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\nde advocaat van de vader;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .\n\n [minderjarige] staat blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres van de moeder.\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nte bepalen dat [minderjarige] de hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft;\n\nte bepalen dat er een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal worden vastgesteld, waarbij [minderjarige] onder toezicht bij de vader zal zijn:\n\nom de week van vrijdag 16:00 uur tot zaterdag na het avondeten, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader zal brengen, waar de moeder, vader of zus vaderszijde ook aanwezig zal zijn en de vader of zijn familielid [minderjarige] op zaterdag na het avondeten weer bij de moeder terugbrengt;\n\ngedurende één kerstdag en Sinterklaas;\n\nmet Oud en Nieuw in de oneven jaren, in de even jaren zal [minderjarige] bij de moeder zijn.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek:\n\n- te bepalen dat er een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal worden vastgesteld, waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:\n\niedere dinsdag- en donderdagmiddag tot na het avondeten;\n\néén weekend in de veertien dagen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur, welk weekend samenvalt met het weekend dat de andere kinderen van de vader bij hem zijn;\n\n- de volgende vakantieregeling wordt vastgesteld, waarbij [minderjarige] bij de vader is:\n\nin de even jaren: de voorjaarsvakantie, de tweede week van de meivakantie, de laatste drie weken van de zomervakantie en de tweede week van de kerstvakantie;\n\nin de oneven jaren: de eerste week van de meivakantie, de eerste drie weken van de zomervakantie, de herfstvakantie en de eerste week van de kerstvakantie,\n\nwaarbij de overdracht op vrijdag om 16.00 uur is;\n\n- de moeder de vader minimaal één keer per maand per email dient te informeren over de ontwikkeling van [minderjarige] , en zodra van toepassing, over zijn ontwikkeling op school, in zijn vrije tijd, in zijn relaties met vrienden\u002Fvriendinnen alsmede over zijn lichamelijk en geestelijk welzijn.\n\nBeoordeling\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nBlijkens het bericht van de vader van 11 mei 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat de vader niet in staat was om op de zitting te verschijnen, omdat hij in detentie zit. De rechtbank acht het van belang dat de vader in de gelegenheid wordt gesteld om zijn standpunt ten aanzien van de zorgregeling naar voren te kunnen brengen. De rechtbank zal gelet op deze bijzondere omstandigheden de inhoudelijke behandeling van de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aanhouden tot een nader te bepalen zittingsdatum.\n\nIn afwachting van de inhoudelijke behandeling van de definitieve zorgregeling, zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vaststellen. De rechtbank acht het namelijk van belang dat er contact is tussen de vader en [minderjarige] . Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat de moeder dat zich grote zorgen maakt over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader. De moeder stelt daarnaast dat er een aantal incidenten hebben plaatsgevonden en dat de vader door middelengebruik gedurende een langere periode [minderjarige] niet heeft gezien. Mede gelet op de verschillende meldingen die bij Veilig Thuis binnen zijn gekomen, zoals volgt uit het rapport van Cardea, acht de rechtbank deze zorgen niet zonder meer ongegrond. In afwachting tot de inhoudelijke behandeling ten aanzien van de definitieve zorgregeling, zal de rechtbank daarom bepalen dat contact tussen de vader en [minderjarige] voorlopig zal plaatsvinden onder begeleiding van de moeder, vader of zus vaderszijde, conform het verzoek van de moeder.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nWettelijk kader\n\nIn het eerste lid van artikel 1:253a BW is bepaald dat in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van sub b van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder stelt dat zij sinds het uit elkaar gaan van de ouders, de hoofdzorg draagt over [minderjarige] en dat het dan ook belangrijk is dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. De vader gaat akkoord met het verzoek van de moeder tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder. De rechtbank zal conform de overeenstemming van de ouders beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.\n\nInformatieregeling\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:253a BW, sub c van het tweede lid kan de rechtbank een regeling vaststellen inzake de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vader stelt dat het wenselijk is een duidelijk omschreven informatieregeling vast\n\nte leggen. Op de zitting is gebleken dat de moeder heeft ingestemd met het verzoek van de vader om hem minimaal één keer per maand per email te informeren over de ontwikkeling van [minderjarige] , en zodra van toepassing, over zijn ontwikkeling op school, in zijn vrije tijd, in zijn relaties met vrienden\u002Fvriendinnen alsmede over zijn lichamelijk en geestelijk welzijn. De rechtbank zal conform de overeenstemming van de ouders beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat [minderjarige] voorlopigbij de vader zal zijn: om de week van vrijdag 16:00 uur tot zaterdag na het avondeten, waar de moeder, vader of zus vaderszijde ook aanwezig zal zijn en waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader zal brengen en de vader of zijn familielid [minderjarige] op zaterdag na het avondeten weer bij de moeder terugbrengt;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,\n\nde hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;\n\n*\n\nbepaalt dat de moeder de vader minimaal één keer per maand per email dient te informeren over de ontwikkeling van [minderjarige] , en zodra van toepassing, over zijn ontwikkeling op school, in zijn vrije tijd, in zijn relaties met vrienden\u002Fvriendinnen alsmede over zijn lichamelijk en geestelijk welzijn;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nhoudt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstakenaan toteen nader te bepalen zittingsdatum.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17448","2026-07-13T00:28:28.773Z",{"id":155,"ecli":156,"slug":157,"caseNumber":44,"courtId":134,"decisionDate":135,"fullText":158,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":159,"sourceTimestamp":138,"parsedAt":52,"updatedAt":160},"546","ECLI:NL:RBDHA:2026:17481","ecli-nl-rbdha-2026-17481","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-6256\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F690293\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling\n\nBeschikking op het op 15 augustus 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder],\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.V. Paniagua in Rotterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader],\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.J. Ottens in Noordwijk.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 10 november 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 11 november 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 12 november 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.\n\nOp 11 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\nde vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nDe minderjarige [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.\n\nFeiten\n\nPartijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2012 tot [datum 2] 2022.\n\nZij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:\n\n- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1].\n\n- Daarnaast zijn zij de ouders van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2004 in [geboorteplaats 2].\n\nDe kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\nDe moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en de vader heeft de Marokkaanse nationaliteit.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt om haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader bij wijze van zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\neen raadsonderzoek te gelasten om te onderzoeken hoe [minderjarige] onbelast contact met beide ouders kan hebben;\n\neen dwangsom van €500,00 aan de moeder op te leggen voor iedere keer dat zij de zorgregeling niet nakomt, met een maximum van €15.000,00.\n\nBeoordeling\n\nGezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling\n\nDe moeder stelt dat de ouders nauwelijks contact hebben en als zij contact hebben, dit in discussies vervalt. De houding van de vader heeft er in het verleden voor gezorgd dat de moeder niet makkelijk met de kinderen op vakantie kon. De moeder moet elke keer weer een procedure voeren of dreigen met een procedure om toestemming te krijgen. De vader maakt volgens de moeder misbruik van het gezag, waardoor zij steeds weer extra onnodige kosten moet maken om de kinderen een vakantie in het buitenland te kunnen geven. Daarnaast merkt de moeder op dat de vader meermaals aan haar heeft laten weten dat hij akkoord zal gaan met beëindiging van het gezag.\n\nDe vader stelt dat de moeder op allerlei manieren het contact tussen hem en de kinderen heeft gefrustreerd. De vader heeft op dit moment geen contact met [minderjarige] hoewel er in de echtscheidingsbeschikking een zorgregeling is vastgelegd tussen de vader en [minderjarige], welke door het Hof is bekrachtigd. De moeder blokkeert echter het contact tussen de vader en de kinderen. De vader betwist het inzetten van procedures om toestemming te krijgen voor vakanties, omdat hij al eerder toestemming had gegeven. Daarnaast legt de moeder geen bewijs over van haar andere stellingen. De vader stelt dat de moeder hem van een aantal zaken beschuldigt, wat de communicatie moeilijk maakt. De vader staat open voor hulpverlening of mediation om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. Gezien de weigerachtigheid van de moeder om mee te werken met hulpverlening om de omgang weer op gang te krijgen, is de vader van mening dat een verwijzing naar Cardea niet meer voldoende is.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat de ouders elkaar over en weer van verschillende zaken beschuldigen. De moeder stelt dat er bij Veilig Thuis een melding is gemaakt over seksueel misbruik en de vader heeft daartegenover gesteld dat Veilig Thuis telefonisch aan hem heeft medegedeeld dat er sprake was van een misverstand. Hier zijn echter door beide ouders geen stukken van overgelegd. Voorts is gebleken dat de ouders bij Cardea een hulpverleningstraject zijn gestart, maar deze is beëindigd waarvan wederom geen stukken zijn overgelegd. Daarnaast heeft de moeder op de zitting toegelicht dat zij meerdere malen een kort geding is gestart om vervangende toestemming te vragen voor vakanties, terwijl de vader daartegenin brengt dat hij deze toestemming telkens wel heeft gegeven. Ook hiervan ontbreken de stukken waaruit de feitelijke gang van zaken kan worden afgeleid. De rechtbank constateert dat er sprake is van spanningen tussen de ouders, maar dat de beschikbare informatie ontoereikend is om de feitelijke situatie en de belangen van [minderjarige] te kunnen beoordelen.\n\nOp dit moment acht de rechtbank zich nog onvoldoende voorgelicht teneinde een beslissing te nemen ten aanzien van het gezag en de zorgregeling. De rechtbank wil de Raad daarom verzoeken om onderzoek te doen en de volgende vragen daarin te betrekken:\n\nIs gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige], of is het belang van [minderjarige] er het meest mee gediend als de moeder belast wordt met het eenhoofdig gezag?\n\nZo ja, welke zorg c.q. omgangsregeling (begeleid of onbegeleid) is in het belang van [minderjarige]?\n\nIs hulpverlening voor [minderjarige] en\u002Fof de ouders noodzakelijk, en zo ja, welke?\n\nBeslissing De rechtbank:\n\nverzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;\n\nbepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;\n\nbepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling op de zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;\n\nbeveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter zitting ieder via de eigen advocaten op te roepen;\n\nhoudt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, zorgregeling c.q. omgangsregeling en de dwangsomaan tot1 februari 2027 pro forma;\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17481","2026-07-13T00:28:36.117Z",{"id":162,"ecli":163,"slug":164,"caseNumber":44,"courtId":134,"decisionDate":135,"fullText":165,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":166,"sourceTimestamp":138,"parsedAt":52,"updatedAt":167},"595","ECLI:NL:RBDHA:2026:17452","ecli-nl-rbdha-2026-17452","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 24-9227\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F677799\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 20 december 2024 ingekomen verzoekschrift van:\n\n [de vader] ,\n\nde man, hierna: de vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.W. den Hoek in Leiden.\n\nAls belanghebbenden worden aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. P.F.D.P. de Milliano in Katwijk.\n\nProcedure\n\nBij beschikking van 5 februari 2026 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is aan de vader vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] te erkennen en is iedere verdere beslissing over het gezag en de proceskosten pro forma aangehouden.\n\nDe rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook van het bericht van 12 mei 2026 van de vader, met bijlage.\n\nBeoordeling\n\nZoals is overwogen in de beschikking van 5 februari 2026 kan de rechtbank pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning van [de minderjarige] door de vader tot stand is gebracht. Uit de op 12 mei 2026 door de vader overgelegde akte van erkenning blijkt dat de vader [de minderjarige] heeft erkend op 31 maart 2026. Dit betekent dat de rechtbank nu definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag kan beslissen, in die zin dat het verzoek van de vader om te bepalen dat de ouders gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] zullen uitoefenen zal worden toegewezen, conform dat wat hierover reeds is overwogen in de beschikking van 5 februari 2026.\n\nOmdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat voortaan aan de vader, [de vader] , geboren op [geboortedatum 1] 1982 in [geboorteplaats 1] , mede het gezag zal toekomen over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats 2] ;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat iedere ouder de eigen proceskosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, kinderrechter, in tegenwoordigheid van\n\nmr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17452","2026-07-13T00:28:38.560Z",{"id":169,"ecli":170,"slug":171,"caseNumber":44,"courtId":134,"decisionDate":172,"fullText":173,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":174,"sourceTimestamp":175,"parsedAt":52,"updatedAt":176},"286","ECLI:NL:RBDHA:2026:17386","ecli-nl-rbdha-2026-17386","2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2124\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700644\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nBeschikking op het op 3 maart 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. N. Rastegar in Amsterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 27 maart 2026 met bijlage van de vader.\n\nOp 29 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader bijgestaan door zijn advocaat.\n\nDe moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] .\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.\n\n [de minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek strekt tot het treffen van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in die zin dat de vader verzoekt een regeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] om de week een heel weekend bij de vader is, van vrijdagmiddag 16.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur, waarbij ouders gelijkelijk verantwoordelijk zijn voor het halen en brengen, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.\n\nDe moeder heeft geen verweer gevoerd.\n\nBeoordeling\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:253a tweede lid onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een zorgregeling vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het voor de (identiteits-)ontwikkeling van een kind in algemene zin van belang is om contact te hebben met beide ouders. Een kind heeft ook het recht om contact te hebben met beide ouders, tenzij dit niet in het belang is van het kind. Een ouder heeft – tenzij er sprake is van ernstige, wettelijk vastgelegde, contra-indicaties – ook recht op contact met zijn kind. De rechtbank heeft geen redenen om aan te nemen dat contact met de vader niet in het belang van [de minderjarige] zou zijn. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vader onweersproken heeft gesteld dat er een informele zorgregeling heeft bestaan, waarbij [de minderjarige] om de week een weekend bij de vader was. Van contra-indicaties, waaruit zou volgen dat contact niet (langer) in het belang is van [de minderjarige] , is niet gebleken. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van de vader om vaststelling van een zorgregeling zal toewijzen. Omdat [de minderjarige] nog heel jong is en hij zijn vader al geruime tijd niet meer heeft gezien, zal de rechtbank bepalen dat de contacten moeten worden opgebouwd, zodat [de minderjarige] weer rustig aan het contact met zijn vader kan wennen.\n\nDe rechtbank zal ook het verzoek van de vader om te bepalen dat beide ouders een gelijk aandeel hebben in het halen en brengen van [de minderjarige] toewijzen, nu dit verzoek de rechtbank redelijk voorkomt. Om te voorkomen dat de verdeling van deze taken tot verdere discussies leidt, zal de rechtbank een concrete regeling vaststellen.\n\nVolledigheidshalve merkt de rechtbank het volgende op. De enige reactie van de zijde van de moeder op het verzoek om het contact te herstellen, komt erop neer dat zij vindt dat de vader [de minderjarige] pas weer mag zien als hij kinderalimentatie voor hem betaalt. De rechtbank stelt voorop dat het feit dat de vader niet bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geen reden is om hen het recht op contact met elkaar te ontzeggen. De rechtbank stelt ook vast dat de vader tijdens zitting heeft gezegd dat hij bereid is om kinderalimentatie te betalen. Partijen hebben echter nog geen afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten van de opvoeding. Het ligt op de weg van de ouders om daarover met elkaar te overleggen, elkaar inzicht te geven in hun financiële situatie en concrete voorstellen te doen, omdat duidelijk is dat dit onderwerp tot discussies en spanningen tussen hen leidt. Die discussies en spanningen zijn niet in het belang van [de minderjarige] .\n\nProceskosten\n\nGelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt, ter vaststelling van de regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vader zal zijn:\n\nin juni 2026: om de week op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur;\n\nin juli 2026: om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;\n\nvanaf augustus 2026: om de week van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.00 uur;\n\nwaarbij de moeder de minderjarige naar de vader brengt en de vader de minderjarige bij de moeder terugbrengt;\n\n*\n\nen verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17386","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.744Z",{"id":178,"ecli":179,"slug":180,"caseNumber":44,"courtId":134,"decisionDate":181,"fullText":182,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":183,"sourceTimestamp":184,"parsedAt":52,"updatedAt":185},"1674","ECLI:NL:RBDHA:2026:17241","ecli-nl-rbdha-2026-17241","2026-05-26T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-4591 (bodem), FA RK 26-386 (223 Rv)\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F687116 (bodem), C\u002F09\u002F697735 (223 Rv)\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026\n\nGezag, hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, dwangsom en kinderalimentatie\n\nBeschikkingop de op 16 juni 2025 en op 12 januari 2026 ingekomen verzoeken van:\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. Neermawatie Nandoe te Voorburg.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam.\n\nAls informant wordt aangemerkt:\n\nStichting Samen Veilig Midden-Nederland,\n\nde gecertificeerde instelling.\n\nProcedure\n\nBij vonnis van 3 juli 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591 te rapporteren en te adviseren.\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;\n\nhet verweer tegen het zelfstandig verzoek;\n\nde F9-formulieren van de moeder van 27 januari 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de vader van 29 januari 2026, met bijlage;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 3 februari 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de vader van 19 maart 2026;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 25 maart 2026;\n\nhet rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming te ’s-Gravenhage (hierna te noemen: de Raad) d.d. 26 maart 2026, kenmerk KZ-1-67GSR8L;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 17 april 2026, met bijlagen;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 20 april 2026, met bijlagen;\n\nhet e-mailbericht van de vader van 20 april 2026, met bijlagen.\n\nDe rechtbank heeft geen kennis genomen van de F9-formulieren van partijen van 23 april 2026, aangezien deze te laat zijn ingediend.\n\nIn de voorlopige voorzieningenprocedure met (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 20 april 2026, met bijlagen.\n\nDe rechtbank heeft geen kennis genomen van het F9-formulier van de moeder van 23 april 2026, aangezien deze te laat is ingediend.\n\nOp 24 april 2026 heeft op de zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel het verzoek in de bodemprocedure als het verzoek tot voorlopige voorzieningen. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;\n\n [naam 3] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nVan de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.\n\nVerzoek en verweer\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nDe moeder verzoekt, na aanvulling en wijziging:\n\nde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te bepalen;\n\neen zorgregeling te bepalen, inhoudende dat:\n\n- [minderjarige] bij de moeder zal zijn iedere dinsdag van 09.00 uur tot zaterdag 17.00 uur en dat de overdracht plaatsvindt in de McDonalds te [plaats 1] , dan wel dat [minderjarige] bij de moeder zal zijn iedere donderdag van 09.00 uur tot dinsdag 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt bij de [instantie] kantoorlocatie [plaats 2] , en;\n\n- naar verloop van deze regeling deze eventueel uit te breiden, in die zin dat [minderjarige] in de even weken bij haar moeder zal verblijven en in de oneven weken bij haar vader, waarbij als wisselmoment zal gelden de zondagmiddag om 18.00 uur in de McDonalds te [plaats 1] ;\n\n onder verbeurte van een dwangsom van € 1000,- per keer\u002Fper overtreding;\n\n- met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie op € 250,- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans indien uit de berekening een lager bedrag volgt dit lagere bedrag met ingang van de datum van de beschikking, althans op zodanig bedrag en met zodanige ingangsdatum als de rechtbank juist acht;\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt:\n\nde vader met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten;\n\nde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen;\n\nmet ingang van [geboortedatum] 2025 de door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie op € 250,- per maand te bepalen, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.\n\nIn de voorlopige voorzieningenprocedure (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nDe moeder verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de bodemprocedure te bepalen dat:\n\neen voorlopige zorgregeling zal gelden inhoudende dat [minderjarige] bij haar moeder zal zijn iedere dinsdag van 09.00 uur tot zaterdag 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt in de McDonalds te [plaats 1] , althans een zodanige voorlopige zorgregeling als de rechtbank juist acht;\n\n [minderjarige] voorlopig aan de moeder wordt toevertrouwd en dat haar voorlopige hoofdverblijfplaats bij de moeder zal zijn;\n\nde vader gehouden is zijn volledige medewerking hierin te verlenen, onder bepaling dat bij niet-nakoming een dwangsom wordt opgelegd van € 2.000,- per dag of dagdeel dat de vader in gebreke blijft;\n\nde vader wordt veroordeeld in de kosten van het incident;\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] .\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\nBij vonnis van 3 juli 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is [minderjarige] aan de vader toe vertrouwd.\n\nBij beschikking van 31 december 2025 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 31 december 2025 tot 14 januari 2026 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.\n\n- Bij beschikking van 13 januari 2026 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 13 januari 2026 tot 31 maart 2026 en is de voorlopige zorgregeling gewijzigd, in die zin dat de regie over de zorgregeling voortaan toekomt aan de gecertificeerde instelling, waaronder begrepen:\n\n- de frequentie van de omgang;\n\n- de locatie van de omgang en de overdracht;\n\n- de wijze van begeleiding en overdracht.\n\n- Bij beschikking van 30 maart 2026 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 30 maart 2027.\n\nBeoordeling\n\nRelatieve bevoegdheid\n\nOp grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats van de minderjarige. Volgens artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt de minderjarige de woonplaats van degene die het gezag over hem uitoefent. Indien sprake is van gezamenlijk gezag, dan volgt de minderjarige de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.\n\nDe rechtbank stelt vast dat in deze zaak de vader en de moeder gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag. [minderjarige] verblijft op dit moment feitelijk bij de vader in de [gemeente], zodat dat haar woonplaats is. Gelet hierop is de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bevoegd om over deze verzoeken te beslissen.\n\nOp grond van artikel 270 lid 1 Rv verwijst de rechter de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de bevoegde rechter. Echter, verwijzing als bedoeld in dit lid vindt niet plaats indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen.\n\nTijdens de zitting hebben de vader en de moeder aangegeven dat zij geen verwijzing wensen. De rechtbank zal daarom overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken.\n\nIn de voorlopige voorzieningenprocedure (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nOp grond van het eerste lid van artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.\n\nOntvankelijkheid\n\nDe vader stelt zich op het standpunt dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen, aangezien de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bij beschikking van 13 januari 2026 al heeft beslist over de voorlopige zorgregeling.\n\nDe rechtbank overweegt dat het feit dat door een andere rechtbank al een beslissing is genomen over de voorlopige zorgregeling niet maakt dat daarvan geen wijziging kan worden verzocht in de onderhavige procedure. De rechtbank zal de moeder daarom ontvankelijk verklaren in haar verzoek en zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nOmdat de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.\n\nProceskosten\n\nGelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nGezag, hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en dwangsom\n\nStandpunt moeder\n\nDe moeder wil dat de voorlopige zorgregeling wordt uitgebreid, zodat [minderjarige] iedere dinsdag tot zaterdag, dan wel iedere donderdag tot dinsdag bij haar verblijft. Na verloop van tijd zou deze regeling kunnen worden uitgebreid naar een week-op-week-af-regeling. Volgens de moeder bestaan er geen contra-indicaties voor het vaststellen van deze zorgregeling. De afgelopen periode is weliswaar onrustig geweest, maar de moeder wil geen strijd meer voeren met de vader en wil kijken naar de toekomst. Er moet worden ingezet op parallel solo ouderschap. Dat maakt ook dat eenhoofdig gezag niet nodig is. Het opleggen van een dwangsom kan helpend zijn als stok achter de deur voor maximale inzet van beide ouders bij het uitvoeren van de zorgregeling. De moeder stelt zich verder op het standpunt dat de definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats moet worden aangehouden, zolang er geen definitieve beslissing over de zorgregeling is genomen.\n\nOp de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij zich in afwachting van het NIKA-traject kan neerleggen bij de huidige voorlopige zorgregeling, waarbij [minderjarige] twee keer per week gedurende acht uur bij haar verblijft. Zij zou echter graag zien dat hierin een overnachting wordt bepaald. Zij haalt [minderjarige] op dit moment om 09.00 uur op bij het kantoor van de gecertificeerde instelling en brengt haar rond 16.30 uur terug. Vanwege de reistijd is de moeder hierdoor maar een paar uur met [minderjarige] bij haar thuis. Dit is belastend voor [minderjarige] .\n\nEr zijn volgens de moeder geen contra-indicaties voor een overnachting bij haar. De eerdere emotionele uitbarstingen van de moeder moeten in het licht worden gezien van de plotselinge contactbreuk tussen de moeder en [minderjarige] . Bovendien werd de moeder niet goed geïnformeerd door de Raad en de gecertificeerde instelling. Inmiddels is er meer duidelijkheid en daarmee ook meer rust voor de moeder gekomen. Daarnaast heeft zij aan zichzelf gewerkt door gesprekken met de praktijkondersteuner van haar huisarts en een psycholoog.\n\nStandpunt vader\n\nDe vader vindt het van belang dat de huidige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling doorloopt in afwachting van het NIKA-traject. De lange wachttijd voor dit traject is niet wenselijk, omdat de moeder en [minderjarige] recht hebben op contact met elkaar. Voor nu is het echter nodig dat de voorspelbaarheid en veiligheid voor [minderjarige] geborgd blijft. Wat de vader betreft is het daarom nog te vroeg voor een overnachting van [minderjarige] bij de moeder. Hij ziet dat de moeder momenteel stabieler blijkt, maar heeft ervaren dat zij veel moeite heeft om haar emoties te beheersen. Ook heeft de vader zorgen over het drugsgebruik van de moeder. De door de vader overgelegde beeld- en geluidsopnames illustreren dit. Onder deze omstandigheden is een overnachting van [minderjarige] bij de moeder nog niet aan de orde. De vader ziet ook niet dat [minderjarige] vermoeid is door de lange reistijd als zij bij haar moeder is geweest. Verder herkent hij zich niet in het feit dat de Raad en de gecertificeerde instelling onvoldoende met de ouders hebben gecommuniceerd. De vader ervaart de samenwerking met de betrokken instanties als prettig. Hij is bereid volledig mee te werken aan de voorlopige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling. Er is dan ook geen aanleiding om een dwangsom op te leggen.\n\nDe vader is het daarnaast eens met het advies van de Raad dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt bepaald. Zij groeit sinds haar geboorte op bij de vader en er zijn geen zorgen over zijn thuissituatie. Ook verzoekt de vader om hem met het eenhoofdig gezag te belasten, zodat hij in staat is om de voor [minderjarige] belangrijke beslissingen te kunnen nemen.\n\nHet advies van de Raad\n\nDe Raad adviseert om de beslissing omtrent de beslissing over de zorgregeling aan te houden voor de duur van zes maanden. De Raad is van mening dat de gecertificeerde instelling binnen de ondertoezichtstelling kan onderzoeken welke mogelijkheden er bij de ouders zijn, om (eventueel met hulpverlening) te komen tot uitbreiding van de zorgregeling en een veilige overdracht van [minderjarige] . Het inzetten van een NIKA-traject kan helpend zijn om meer zicht te krijgen op de interactie tussen [minderjarige] en haar ouders en de leerbaarheid van ouders.\n\nDe gecertificeerde instelling heeft de Raad in het kader van het raadsonderzoek verzocht om\n\nonderzoek te doen naar de inzet van de MASIC, maar de Raad twijfelt of er voldoende emotionele draagkracht bij moeder is om een intensief MASIC-gesprek aan te kunnen en of dit bijdraagt aan verbetering van de situatie van [minderjarige] .\n\nVerder adviseert de Raad om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen. [minderjarige] woont al vanaf haar geboorte in de woning van de vader en ervaart dit als een vertrouwde en veilige plek. Er zijn geen zorgen geconstateerd die maken dat wijziging van de hoofdverblijfplaats in haar belang is.\n\nInformatie vanuit de gecertificeerde instelling\n\nSinds begin maart 2026 verblijft [minderjarige] twee dagen, van 09.00 uur tot 16.30 uur, bij de moeder. De overdracht vindt plaats op het kantoor van de gecertificeerde instelling, waarbij de jeugdbeschermer [minderjarige] van de ene naar de andere ouder brengt. De gecertificeerde instelling heeft de ouders aangemeld voor een NIKA-traject om meer zicht te krijgen op de hechting tussen [minderjarige] en de ouders. Daarbij is aan de uitvoerende hulpverleningsinstantie verzocht om beslisdiagnostiek uit te voeren en een standpunt in te nemen over de (uitbreiding van de) zorgregeling en eventueel noodzakelijke hulpverlening. De verwachte wachttijd bedraagt acht maanden. Daarom is de gecertificeerde instelling ook nog op zoek naar andere aanbieders van dit traject. Verder is met beide ouders gesproken over de inzet van de MASIC om een advies te krijgen over de vraag of de ouders in de toekomst (door middel van interventies) toch weer in staat zouden kunnen zijn om het ouderschap gezamenlijk uit te voeren.\n\n [minderjarige] heeft in haar jonge leven al veel meegemaakt. Daarom moet er zorgvuldig worden omgegaan met de uitbreiding van de zorgregeling. Gelet hierop is de gecertificeerde instelling is van mening dat er op dit moment geen ruimte is voor uitbreiding van de zorgregeling, waaronder een overnachting, vooruitlopend op het NIKA-traject. Als in de tussentijd toch blijkt dat die ruimte er wel is, zal de gecertificeerde instelling overgaan tot uitbreiding van de voorlopige zorgregeling. De gecertificeerde instelling ziet daarnaast het liefst dat de beslissing omtrent de definitieve zorgregeling wordt aangehouden voor de duur van een jaar, zodat de focus komt te liggen op behandeling en interventie in plaats van een naderende zitting.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat er uit de stukken en op de zitting geen zorgen naar voren zijn gekomen over de (thuis)situatie bij de vader. Uit het rapport van de Raad en hetgeen de gecertificeerde instelling ter zitting heeft verteld, komen wel meerdere zorgen over de situatie bij de moeder naar voren. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de door de vader overgelegde beeld- en geluidsopnames ook de nodige zorgen oproepen. Hieruit komt een beeld naar voren van een moeder die op momenten geen controle heeft over haar emoties. Hierdoor zijn er hoogoplopende conflicten ontstaan tussen de ouders tijdens de overdracht van [minderjarige] bij de McDonalds in [plaats 1] , waar de politie op een melding van de moeder over wapenbezit bij de vader is afgekomen, terwijl dit loos alarm bleek. In een andere geluidsopname van een gesprek van de moeder met de zus van de vader is een lange monoloog van de moeder te horen waarbij het gedrag van de moeder volledig ontspoort. Daarnaast heeft de vader zorgen geuit over het blowen van de moeder in het bijzijn van [minderjarige] , maar ook in het bijzijn van haar oudste dochter. De door de vader overgelegde geluidsopnames lijken die zorgen te bevestigen.\n\n Op de zitting heeft de moeder verteld dat zij hulp voor zichzelf heeft ingeschakeld in de vorm van een praktijkondersteuner van de huisarts en een psycholoog teneinde haar emoties beter in beeld te krijgen en tips te krijgen hoe om te gaan met de situatie. Zij lijkt nu meer controle te hebben over haar emoties en daarmee lijkt een positieve lijn te zijn ingezet.\n\nTegelijkertijd zijn de genoemde zorgen op dit moment nog niet weggenomen. Hoewel de rechtbank de wenselijkheid van een overnachting van [minderjarige] bij de moeder op zichzelf begrijpt en ziet, is het naar het oordeel van de rechtbank nu nog te vroeg voor een overnachting. De rechtbank zal daarom het advies van de Raad volgen waarbij het contact tussen de moeder en [minderjarige] voorlopig plaatsvindt onder regie van de gecertificeerde instelling. Daarbij zal [minderjarige] gedurende twee dagen in de week bij de moeder verblijven en de overdracht zal plaatsvinden op het kantoor van de gecertificeerde instelling. Op het moment dat de gecertificeerde instelling voldoende vertrouwen heeft dat deze positieve ontwikkeling zich doorzet en dat een overnachting op een veilige en verantwoorde wijze mogelijk is, vertrouwt de rechtbank erop dat de gecertificeerde instelling hierop zal inzetten.\n\nDe rechtbank zal daarom een voorlopige zorgregeling bepalen die inhoudt dat de regie bij de gecertificeerde instelling ligt en een definitieve beslissing over de zorgregeling aanhouden, in afwachting van het verdere verloop van de ondertoezichtstelling en het NIKA-traject. Het is van belang dat er voldoende tijd en rust is om aan verdere verbetering van de situatie te werken, maar de rechtbank wil ook een vinger aan de pols houden om te waarborgen dat geen onnodige vertraging plaatsvindt. Het is dan ook van belang dat de gecertificeerde instelling voortvarend aan de slag gaat en overgaat tot uitbreiding van de zorgregeling, zodra dat in haar visie veilig en verantwoord is. Het belang van [minderjarige] dient hierbij te allen tijde voorop te staan. De rechtbank zal de definitieve beslissing over de zorgregeling daarom aanhouden tot 15 december 2026 pro forma.\n\nDe rechtbank zal daarnaast de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voorlopigbij de vader bepalen en de beslissing over de definitieve hoofdverblijfplaats ook aanhouden tot 1 december 2026 pro forma.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is het onder deze omstandigheden nog te vroeg om een beslissing over het gezag te nemen, zodat ook deze beslissing wordt aangehouden tot bovengenoemde pro formadatum.\n\nDe rechtbank ziet tot slot geen aanleiding om een dwangsom op te leggen, aangezien beide ouders hebben aangegeven dat zij willen meewerken aan de voorlopige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling. De rechtbank zal dit verzoek van de moeder daarom afwijzen.\n\nKinderalimentatie\n\nDe vader en de moeder hebben geen van beiden een standpunt ingenomen over de hoogte van de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van partijen. Ook hebben zij geen van beiden financiële gegevens overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zij daarmee allebei niet voldaan aan de stelplicht, zodat de verzoeken tot alimentatie over en weer zullen worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\nAangezien de rechtbank een definitieve beslissing over het gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorg-\u002Fomgangsregeling zal aanhouden, zal zij ook de beslissing over de proceskosten aanhouden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nbepaalt dat de minderjarige:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [plaats 2] ;\n\nvoorlopigde hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;\n\nbepaalt dat de regie over de voorlopigezorgregeling tussen de moeder en [minderjarige]\n\ntoekomt aan de gecertificeerde instelling, waaronder begrepen de frequentie van het contact, de locatie van het contact en de overdracht, en de wijze van begeleiding en overdracht. Daarbij geldt als minimale regeling de huidige regeling waarbij [minderjarige] op twee dagen in de week van 9.00 tot 16.30 uur bij de moeder verblijft (zonder overnachting). Alleen bij zwaarwegende contra-indicaties kunnen deze frequentie en duur worden ingeperkt;\n\nverklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het verzoek van de moeder tot het opleggen van een dwangsom;\n\nwijst af de verzoeken van de vader en de moeder om een kinderalimentatie te bepalen;\n\nhoudt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en de proceskostenaan tot1 december 2026 pro forma;\n\nin de voorlopige voorzieningenprocedure (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nwijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17241","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.864Z",{"id":187,"ecli":188,"slug":189,"caseNumber":44,"courtId":134,"decisionDate":181,"fullText":190,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":191,"sourceTimestamp":184,"parsedAt":52,"updatedAt":192},"1654","ECLI:NL:RBDHA:2026:17243","ecli-nl-rbdha-2026-17243","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-8725\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F694828\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 10 november 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet F9-formulier van de zijde van de moeder van 24 november 2025, met bijlagen;\n\nhet F9-formulier van de zijde van de moeder van 24 januari 2026, met bijlage;\n\nhet F9-formulier van de zijde van de moeder van 1 april 2026.\n\nOp 11 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\nmevrouw [naam] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nDe minderjarige [de minderjarige] heeft zich in de raadkamer uitgelaten over het verzoek.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder verzoekt:\n\n- het gezamenlijk gezag over de minderjarige [de minderjarige] te beëindigen en het eenhoofdig gezag aan haar toe te kennen.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 1999 tot [datum 2] 2019.\n\n- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:\n\n- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] .\n\n- De minderjarige heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\n- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 7 april 2017 is - voor zover hier van belang - : - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken (welke blijkens een uitdraai van de Basisregistratie Personen nadien niet is ingeschreven in de registers);\n\n- bepaald dat de kinderen de hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder;\n\n- een zorgregeling vastgesteld;\n\n- zijn partijen verwezen naar het omgangshuis Cardea voor het verbeteren van de communicatie en het komen tot het opstellen van een ouderschapsplan ten aanzien van de kinderen.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 13 juni 2018 is - voor zover hier van belang - aan de moeder toestemming verleend — welke toestemming die van de vader vervangt — om van 12 juli 2018 tot en met 23 juli 2018 met de minderjarige kinderen op vakantie te gaan naar Griekenland en tevens vervangende toestemming verleend — welke toestemming die van de vader vervangt — ten behoeve van de aanvraag van reisdocumenten van de minderjarige kinderen;\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 1 april 2019 is - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, bepaald dat de minderjarige de hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder en een zorgregeling vastgesteld.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 23 juli 2021 is – voor zover hier aan de orde – aan de moeder toestemming verleend — welke toestemming die van de vader vervangt — voor een vakantie naar de oranje gebieden in Iran in de periode 26 juli 2021 tot en met uiterlijk 23 augustus 2021 met de minderjarige.\n\nBeoordeling\n\nGezag\n\nJuridisch kader\n\nHet wettelijk uitgangspunt is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen. Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van lid 2 van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a lid 1 BW, van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan daarom worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nOntvankelijkheid\n\nHet is de rechtbank gebleken dat er sinds de zomer van 2023 geen contact meer is tussen de vader en [de minderjarige] , waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt haar eenhoofdig met het ouderlijk gezag te belasten over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] . Zij stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Er is al een tijd geen communicatie mogelijk tussen de ouders. De communicatie is na de ouderschapsbemiddeling dusdanig slecht geworden dat de vader geen contact meer wil met haar. De moeder voert aan dat zij verschillende procedures heeft moeten voeren om vervangende toestemming te verkrijgen. [de minderjarige] heeft zijn vader voor het laatste gezien in de zomer van 2023. De vader heeft geen contact meer met [de minderjarige] en hij reageert niet op berichten van de moeder. Dit geeft de moeder veel spanning en onrust, omdat zij niet weet of de vader in zal stemmen met te nemen gezagsbeslissingen. Volgens de moeder brengt handhaving van het gezamenlijk gezag het gevaar met zich mee dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. Dit maakt dat de moeder wenst de gezagsbeslissingen over [de minderjarige] voortaan alleen te kunnen nemen.\n\nDe vader heeft geen verweer gevoerd.\n\nDe Raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij snapt dat de moeder zaken moet kunnen regelen en de huidige situatie lastig is voor haar.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Onweersproken is gesteld dat de vader [de minderjarige] sinds de zomer van 2023 niet meer heeft gezien en dat de vader op geen enkele manier betrokken is bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De vader is uit beeld geraakt en reageert niet op de verzoeken van de moeder om gezagsbeslissingen te nemen. Overleg over praktische zaken met betrekking tot [de minderjarige] is daardoor voor de moeder onmogelijk. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat dit niet binnen een afzienbare termijn zal veranderen. Een en ander ziet de rechtbank bevestigd in het niet verschijnen van de vader in deze procedure. Er bestaat een groot risico dat [de minderjarige] klem en verloren raakt tussen beide ouders. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat de moeder alleen met het gezag wordt belast over [de minderjarige] . De rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 2] 1982 in [geboorteplaats 2] te [land] , het gezag zal toekomen over het minderjarige kind:\n\n- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers , kinderrechter, bijgestaan door mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17243","2026-07-13T00:29:31.797Z",{"id":194,"ecli":195,"slug":196,"caseNumber":44,"courtId":134,"decisionDate":181,"fullText":197,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":198,"sourceTimestamp":184,"parsedAt":52,"updatedAt":199},"1624","ECLI:NL:RBDHA:2026:17238","ecli-nl-rbdha-2026-17238","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-347\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F697671\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026Informele rechtsingang\n\nBeschikkingnaar aanleiding van de op 13 januari 2026 ingekomen aanvraag via de informele rechtsingang als bedoeld in artikel 1:253a lid 4 jo 1:377g van het Burgerlijk Wetboek (BW) van:\n\n [minderjarige],\n\nhierna te noemen: [minderjarige],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nAls belanghebbenden worden aangemerkt:\n\n [de moeder],\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. E.A.G. van Acker te Sint Jansteen.\n\nen\n\n [de vader],\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S.C. Braun te Den Haag.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft op 9 januari 2026 de brief ontvangen die [minderjarige] heeft gestuurd.\n\nOp 3 maart 2026 heeft [minderjarige] in een gesprek met de kinderrechter van deze rechtbank gesproken over deze brief.\n\nBij brief van 6 maart 2026 heeft de rechtbank de ouders ingelicht over het gesprek met [minderjarige] en hen uitgenodigd om hun mening over de wensen van [minderjarige] aan de rechtbank kenbaar te maken. Ook de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) is voor de zitting uitgenodigd.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nde brief van [minderjarige] van 13 januari 2026;\n\nhet bericht van de vader op 2 maart 2026;\n\nhet bericht van de moeder op 2 maart 2026;\n\nde brief van de vader op 11 maart 2026;\n\nde brief van de vader op 13 maart 2026;\n\nde brief van de vader op 28 april 2026;\n\nde brief van de moeder op 8 mei 2026.\n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en [naam] namens de Raad.\n\nFeiten\n\nDe vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:\n\n- [minderjarige] ([minderjarige]), geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats].\n\nDe ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit ingevolgde een aantekening in het gezagsregister van 10 augustus 2016.\n\n [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de vader.\n\nBij de beschikking van 22 november 2019 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die is bekrachtigd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 24 december 2020, is het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader vastgesteld en is een zorgregeling vastgesteld, in die zin dat de moeder twee van de drie weekenden voor [minderjarige] zorgt, waarbij zij [minderjarige] op vrijdag ophaalt uit school en de vader haar op zondag om 18.00 uur, althans na het eten, ophaalt bij de moeder en dat [minderjarige] 60% van de vakantieperiodes bij de moeder verblijft en 40% bij de vader, in onderling overleg tussen partijen nader overeen te komen.\n\nBij de beschikking van deze rechtbank op 22 juli 2024 is de bestaande weekendregeling en een vaste verdeling van de feest- en vakantiedagen vastgesteld.\n\nAanvraag en verzoeken\n\n [minderjarige] heeft de kinderrechter gevraagd om de zorgregeling te wijzigen in die zin dat zij haar hoofdverblijfplaats voortaan bij haar moeder zal hebben en haar vader volgens een nader vast te stellen zorgregeling te zien in de weekenden en vakanties.\n\nDe vader heeft bij de brief van 28 april 2026 de rechtbank verzocht om een zorgregeling vast te stellen die passend is bij de situatie dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. De vader verzoek daarom vast te stellen:\n\neen wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] naar de moeder per 6 juli 2026;\n\neen weekendregeling waarbij [minderjarige] om het weekend bij de vader verblijft (conform de aangepaste schema’s);\n\neen omgekeerde haal- en brengregeling ten opzichte van de huidige situatie, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder;\n\neen gelijke (50\u002F50) verdeling van de vakantiedagen, overeenkomstig de door de vader aangepaste schema’s;\n\nhandhaving van de beschikking van 22 juli 2024 vastgestelde feestdagenregeling, met dien verstande dat de schema’s zijn aangepast aan de nieuwe hoofdverblijfssituatie.\n\nDe moeder heeft bij de brief van 8 mei 2026 de rechtbank verzocht om, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:\n\nde beschikking van 22 juli 2024 wordt vernietigd;\n\nhet hoofdverblijf van [minderjarige] met ingang van 6 juli 2026 bij de moeder te bepalen, waardoor zij tevens gerechtigd is alle tegemoetkomingen voor de minderjarige te innen;\n\neen zorgregeling wordt vastgesteld die recht doet aan de wensen van [minderjarige] waarbij [minderjarige] gedurende één weekend per maand en verder op verzoek van [minderjarige] bij de vader verblijft, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, althans een regeling welke de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;\n\nde vader [minderjarige] op vrijdag na school ophaalt en de moeder [minderjarige] op zondagavond rond 18:00 uur weer ophaalt bij de vader;\n\nop een later moment in deze procedure, rekening houdend met de nog vast te stellen zorgregeling, een bijdrage van de vader aan de moeder wordt vastgesteld voor de kosten van de opvoeding en verzorging van de minderjarige, welke bij vooruitbetaling dient te worden voldaan.\n\nOp de zitting heeft de moeder het verzoek om kinderalimentatie ingetrokken. De rechtbank stelt vast dat zij daarom op dat punt niets meer hoeft te beslissen.\n\nBeoordeling\n\nHoofdverblijfplaats\n\nJuridisch kader\n\nOp grond van de artikelen 1:377g en 1:253a BW kan de rechter, indien haar blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing nemen over de zorgregeling. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Hoewel de wet geen expliciet wetsartikel heeft opgenomen voor een informele rechtsingang tot een wijziging van de hoofdverblijfplaats, kan dit naar het oordeel van de kinderechter wel. De wijziging van de hoofdverblijfplaats is namelijk ‘het mindere’ is van een gezagswijziging, waarvoor de wetgever wel heeft voorzien in een informele rechtsingang.\n\nBeide ouders hebben ook zelfstandig verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats. De rechtbank zal daarom niet het verzoek van [minderjarige] in behandeling nemen maar beslissen op de verzoeken van de ouders op grond van artikel 1:253a, lid 2, onderdeel b BW.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n [minderjarige] heeft in haar brief en in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij graag bij haar moeder zou willen wonen. Zij heeft de kinderrechter wel gevraagd terughoudend om te gaan met hetgeen zij heeft verteld in dat gesprek. De kinderrechter heeft de indruk dat [minderjarige] dat heeft gevraagd omdat zij niemand wil kwetsen. De kinderrechter heeft besloten de wens van [minderjarige] te respecteren en ouders tijdens de mondelinge behandeling alleen voorgehouden dat [minderjarige] bij haar moeder wilde wonen.\n\nTijdens de mondelinge bleek dat de ouders al op de hoogte waren van de wens van [minderjarige] en dat [minderjarige] vooraf de informele rechtsingang had besproken met de advocaat van de moeder. De vader en de moeder hebben uitgesproken dat zij kunnen instemmen met de wens van [minderjarige] om per 6 juli 2026 te verhuizen naar haar moeder en daar voortaan haar hoofdverblijfplaats te zullen hebben. De rechtbank zal daarom de verzoeken van de vader en de moeder toewijzen waarmee de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] per 6 juli 2026 wijzigt naar het adres van de moeder.\n\nZorgregeling\n\nJuridisch kader\n\nDe rechtbank kan op grond van artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 3 BW op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing over een zorgregeling of een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank neemt in een dergelijk geval een beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.\n\nNu [minderjarige] per 6 juli 2026 haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben, is de rechtbank van oordeel dat er sprake van een wijziging van omstandigheden als hiervoor bedoeld. De zorgregeling zal daarom door de rechtbank opnieuw beoordeeld worden.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nUit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank gebleken dat de ouders niet geheel op één lijn lagen met betrekking tot het wijzigen van de zorgregeling. De mondelinge behandeling is daarom geschorst om ouders gelegenheid te geven met elkaar in gesprek te gaan om te kijken of ze hierover toch nadere afspraken konden maken. Dit is de ouders gelukkig met behulp van de advocaten en de Raad gelukt. De ouders zijn overeengekomen dat [minderjarige] om het weekend bij haar vader verblijft waarbij de vader haar vrijdag ophaalt uit school en de moeder [minderjarige] op zondag rond 18:00 uur weer ophaalt bij de vader. Wat betreft de vakanties en feestdagen zijn de ouders overeengekomen dat deze moeten worden vastgesteld in lijn met de beschikking van 22 juli 2024. Hiervoor heeft de vader destijds schema’s aangeleverd die wederom zullen gelden. Dit betekent voor verdere jaren dat het schema van 2027 geldt voor de komende oneven jaren en het schema van 2028 geldt voor de even jaren in de toekomst. Het is in het belang van [minderjarige] dat de ouders gezamenlijk afspraken hebben kunnen maken. De rechtbank zal daarom de zorgregeling wijzigen overeenkomstig met wat de ouders hebben afgesproken. De schema’s zal de rechtbank aan deze beschikking hechten\n\nGeen kindbrief\n\nDe kinderrechter heeft tijdens het gesprek met [minderjarige] besproken of zij een brief van de kinderrechter wilde ontvangen. Zij gaf aan geen prijs hierop te stellen. De kinderrechter zal haar daarom geen brief sturen. Wel wil de kinderrechter ouders nadrukkelijk vragen om [minderjarige] te vertellen dat zij samen hebben ingestemd met haar wens tot wijziging van de hoofdverblijfplaats én ook samen hebben gekozen voor de nieuwe zorgregeling omdat zij vinden dat die regeling in het belang van [minderjarige] is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nneemt geen ambtshalve beslissing op de vraag van [minderjarige];\n\nmet wijziging in zoverre van de beschikking van 22 november 2019 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die is bekrachtigd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 24 december 2020:\n\nstelt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vast bij de moeder per 6 juli 2026;\n\nbepaalt dat [minderjarige] om het weekend bij haar vader verblijft waarbij de vader [minderjarige] vrijdag uit school ophaalt en de moeder [minderjarige] op zondag rond 18:00 uur weer ophaalt;\n\nstelt vast dat de vakanties en feestdagen gelden volgens de schema’s zoals bepaald bij de beschikking van deze rechtbank van 22 juli 2024 waarbij het schema van 2027 geldt voor de komende oneven jaren en het schema van 2028 geldt voor de even jaren in de toekomst;\n\nwijst al het meer en anders verzochte af;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17238","2026-07-13T00:29:30.190Z",{"id":201,"ecli":202,"slug":203,"caseNumber":44,"courtId":134,"decisionDate":181,"fullText":204,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":205,"sourceTimestamp":184,"parsedAt":52,"updatedAt":206},"1602","ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","ecli-nl-rbdha-2026-17233","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-1859\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700170\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 23 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw],\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. El Aqde te Amsterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man],\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.G. de Jong te ‘s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet F9-formulier van 7 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;\n\nhet verweerschrift, tevens verzoekschrift.\n\nOp 12 mei 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:\n\n- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- het minderjarige kind van partijen, [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de vrouw wordt toevertrouwd;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nTevens heeft de man zelfstandig verzocht:\n\n- primair: te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres];\n\n- subsidiair: te bepalen dat de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en te bepalen dat de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is;\n\n- het minderjarige kind van partijen [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de man toe te vertrouwen;\n\n- en een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van het minderjarige kind van partijen vast te stellen, in die zin dat [minderjarige] afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders verblijft, met dien verstande dat:\n\n- in de even weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- in de oneven weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n en daarbij te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 250,-- met een maximum van € 25.000,-- verbeurt per dag dat zij haar medewerking niet verleent aan de voorlopige zorgregeling;\n\n en te bepalen dat de feestdagen afwisselend in onderling overleg bij helfte worden gedeeld;\n\neen en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordelingToevertrouwing minderjarige, uitsluitend gebruik echtelijke woning en zorgregeling\n\nStandpunten van partijen\n\nDe vrouw stelt dat het in het belang is van [minderjarige] dat zij bij uitsluiting gebruik mag maken van de echtelijke woning, dat [minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd en dat de contacten tussen de man en [minderjarige] onder professionele begeleiding worden opgestart. De vrouw voert daartoe aan dat zij vermoedt dat de man kampt met psychiatrische problematiek, dat er een patroon is van intieme terreur en verbaal en fysiek geweld, waarvan [minderjarige] getuige is geweest. Professionele omgangsbegeleiding is gelet op deze voorgeschiedenis noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige] en de vrouw te waarborgen. Het is ook in het belang van [minderjarige] dat hij – samen met de vrouw, die altijd zijn hoofdverzorger is geweest – in zijn vertrouwde omgeving kan wonen, zodat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend zou moeten worden. De vrouw verblijft nu met [minderjarige] bij haar moeder, maar dat is voor zowel de vrouw als [minderjarige] onwenselijk.\n\nDe man heeft betwist dat de vrouw altijd de hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest en gesteld dat er sprake is geweest van gedeelde zorg. De man wenst dat [minderjarige] aan hem wordt toevertrouwd, nu hij [minderjarige] sinds het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning niet meer heeft gezien en de vrouw hiermee heeft laten zien dat zij niet in het belang van [minderjarige] handelt. De man heeft geen beschikking over andere woonruimte waar hij voor [minderjarige] kan zorgen en daarom wil hij dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem wordt toegekend. Subsidiair verzoekt de man de rechtbank om een birdnestingregeling vast te stellen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n [minderjarige] is getuige is geweest van hoogoplopende ruzies tussen partijen. Dat is onwenselijk, maar de rechtbank ziet daarin geen aanleiding om te oordelen dat het contact tussen de man en [minderjarige] alleen onder begeleiding zou kunnen worden opgestart. Dat de veiligheid van [minderjarige] in het geding zou zijn als hij bij de man verblijft – doordat sprake is van psychiatrische problematiek bij de man en\u002Fof omdat sprake is van een patroon van geweld of intieme terreur – is door de vrouw niet onderbouwd en ook niet anderszins aannemelijk geworden. Dat betekent dat de rechtbank een onbegeleide zorgregeling zal vaststellen. De rechtbank vindt voor de voorlopig vast te stellen zorgregeling een opbouwregeling als na te melden nodig, omdat [minderjarige] pas 2 jaar is en hij de man na enkele hoogopgelopen ruzies 3 maanden niet heeft gezien. De rechtbank zal het verzoek om te bepalen dat de feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld afwijzen, nu de vast te stellen voorlopige zorgregeling er uiteindelijk op neerkomt dat de ouders [minderjarige] de helft van de tijd bij zich hebben en daarmee ook ongeveer de helft van de feestdagen.\n\nHet voorgaande houdt in dat de over en weer gedane verzoeken met betrekking tot de toevertrouwing van [minderjarige] zullen worden afgewezen.\n\nMet betrekking tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning overweegt de rechtbank als volgt. Beide partijen hebben geen goed alternatief voor woonruimte. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij afwisselend door beide ouders verzorgd wordt. De rechtbank zal daarom vaststellen dat sprake zal zijn van birdnesting, waarbij [minderjarige] in zijn vertrouwde omgeving kan verblijven en de ouders om en om met hem in de echtelijke woning verblijven. De rechtbank realiseert zich dat birdnesting geen ideale situatie is voor beide partijen, maar op dit moment is dit wel de situatie die het meest in het belang is van [minderjarige].\n\nHet verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen.\n\nOp de zitting is nog gesproken over de overdracht. Nu er sprake zal zijn van birdnesting kan [minderjarige] in de echtelijke woning blijven en kunnen de ouders elkaar aflossen in de echtelijke woning. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich ervoor zullen inspannen om de overdrachten, in het belang van [minderjarige], rustig te laten verlopen en elkaar in het bijzijn van [minderjarige] geen verwijten te maken. Het ligt daarbij op de weg van de ouder die de woning moet verlaten om ervoor te zorgen dat alle benodigde spullen klaar staan op het moment van de wissel, zodat partijen niet langdurig gezamenlijk in de echtelijke woning hoeven te verblijven.\n\nDwangsom\n\nDe rechtbank zal het verzoek van de man tot het opleggen van een dwangsom afwijzen. De vrouw heeft zich ter zitting weliswaar verzet tegen onbegeleid contact tussen [minderjarige] en de man, maar zij heeft tevens verklaard dat zij inziet dat het in het belang is van [minderjarige] om contact te hebben met zijn vader. De rechtbank verwacht dat de vrouw uitvoering zal geven aan de voorlopige zorgregeling, omdat zij inziet dat contact in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank vindt het opleggen van een dwangsom in dit stadium daarom prematuur.\n\nUniform hulpaanbod\n\nOp de zitting hebben beide ouders de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De vrouw zou graag zien dat ook het traject ook ziet op omgangsbegeleiding, maar de rechtbank ziet daartoe, zoals hiervoor is overwogen, geen aanleiding. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.\n\nDe rechtbank verzoekt de ouders om in de scheidingsprocedure bekend onder kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van het ouderschapsbemiddelingstraject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nstelt de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], als volgt vast:\n\nde eerste twee weken na heden: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 10.00 uur tot 15.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 9.00 uur tot 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag van 9.00 uur tot donderdag 18.00 uur en zondag van 9.00 uur tot maandag 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\ndaarna: [minderjarige] verblijft afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders, met dien verstande dat:\n\n- [minderjarige] in de even weken op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- [minderjarige] in de oneven weken op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en beveelt mitsdien dat de man gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is en beveelt mitsdien dat de vrouw gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n*\n\nstelt vast dat de ouders, te weten:\n\n [de man],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nen\n\n [de vrouw],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres;\n\nbij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;\n\nbeveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:\n\nKenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;\n\nbepaalt dat de ouders de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 informeren over het verloop van voornoemd traject;\n\nbepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat om deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","2026-07-13T00:29:29.133Z",32,20,[11]]