[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-parking-permits-nl-2026":3},{"detail":4,"years":73},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":72},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},102,"parking-permits-nl","Parking Permits","NL","2026-07-08T16:56:40.750Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,62],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"328","ECLI:NL:RBROT:2026:7506","ecli-nl-rbrot-2026-7506","",61,"2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F5845\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college\n\n(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om geen Europese gehandicaptenparkeerkaart voor passagiers (EGP-P) aan de dochter van eiseres toe te kennen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de aanvraag voor een EGP-P heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. De dochter van eiseres heeft op 17 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een EGP-P. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 30 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Op 11 november 2024 heeft een arts van het Team Sociaal Medische Advisering (SMA) een medisch advies uitgebracht naar aanleiding van de aanvraag van de dochter van eiseres. Uit dit advies blijkt – voor zover relevant – dat de dochter van eiseres een aantoonbare loopbeperking heeft van langdurig aard, dat zij van deur tot deur continu afhankelijk is van de bestuurder en dat de maximale loopafstand wordt geschat op 250-500 meter. Zij wordt dus in staat geacht om meer dan 100 meter zelfstandig te lopen en er zijn ook geen aantoonbare andere ernstige beperkingen, anders dan een loopbeperking.\n\n3.1.. \n\nMet het primaire besluit heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat de dochter van eiseres niet voldoet aan criteria voor een EGP-P. Met het bestreden besluit heeft het college zijn standpunt gehandhaafd. Het college is van mening dat de dochter van eiseres niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor een EGP-P en dat de\n\nSMA-arts een volledig beeld heeft gehad van haar medische situatie. Ook is er volgens het college geen reden om de hardheidsclausule toe te passen. Anders dan de loopbeperking is er geen andere aantoonbare ernstige beperking die het toekennen van de kaart alsnog rechtvaardigt, aldus het college.\n\nStandpunt eiseres\n\n4. Eiseres voert aan dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen, terwijl de dochter van eiseres een erkende medische diagnose heeft. Zij heeft nog steeds, net als een aantal jaar geleden toen er wel een EGP-P is verstrekt, continu intensieve begeleiding nodig. De situatie van de dochter is dus onveranderd en haar beperkingen rechtvaardigen het alsnog toekennen van een EGP-P.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. Het college kan een EGP-P verstrekken als er voldaan is aan de bij ministeriele regeling gestelde criteria.Voor een gehandicaptenkaart kunnen in aanmerking komen – voor zover voor de uitspraak van belang – passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurderen bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben.\n\n5.1.. De rechtbank overweegt als volgt. De SMA-arts heeft de dochter van eiseres gezien tijdens een spreekuur, heeft een lichamelijk en oriënterend psychologisch onderzoek verricht, heeft nadere vragen gevragen gesteld en het medisch dossier als ook de specialistenbrief van 24 september 2024 bestudeerd. De SMA-arts heeft vervolgens geconcludeerd dat de dochter van eiseres met haar loopbeperking meer dan 100 meter zelfstandig kan lopen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan het medisch advies van de SMA-arts. Eiseres heeft ook geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat haar dochter minder dan 100 meter zelfstandig kan lopen. De brief van 28 januari 2019 waar eiseres naar verwijst betreft de medische situatie van de dochter zes jaar geleden. De arts heeft in het aanvullend advies van 19 mei 2025 toegelicht dat zij destijds onder andere afhankelijk was van sondevoeding. Zes jaar geleden was de conclusie dat de dochter van eiseres minder dan 100 meter kan lopen, maar de huidige medische situatie is nu anders en op dat punt verbeterd. Dit betekent dat de dochter van eiseres als passagier niet in aanmerking komt voor een EGP-P, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, eerste lid, onder b van de Regeling gehandicaptenkaart.\n\n5.2.. Ook het beroep op de hardheidsclausuleslaagt niet. Volgens de toelichting op de Regeling gehandicaptenkaart (Staatscourant 2001, 130, pagina 12) gaat het bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling om een hardheidsclausule die kan worden toegepast als de aanvrager van de kaart ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare ernstige beperking heeft anders dan een loopbeperking, die het hebben van een gehandicaptenparkeerkaart rechtvaardigt.\n\n5.3.. De SMA-arts bevestigt in het aanvullend advies van 19 mei 2025 dat de dochter van eiseres snel overprikkeld is en geen situationeel bewustzijn heeft in een openbare ruimte en daarom nog steeds afhankelijk is van begeleiding. Wel concludeert de SMA-arts dat de neurologische aandoening voldoende onder controle is. Dat wat door eiseres is aangevoerd is door de SMA-arts meegewogen in het oordeel dat er geen sprake is van een aantoonbare ernstige beperking anders dan een loopbeperking. De rechtbank kan zich voorstellen dat het voor eiseres niet gemakkelijk is, maar heeft geen aanknopingspunten om anders te oordelen.\n\n5.4.. Gelet op het voorgaande, heeft het college zich mogen baseren op het advies van de SMA-arts en dus terecht de aanvraag van de dochter van eiseres afgewezen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht de aanvraag voor een EGP-P heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N. Shahani, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd te tekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer.\n\n Artikel 1, eerste lid, onder b, van de Regeling gehandicaptenkaart.\n\n Artikel 1, eerste lid, onder d, van de Regeling gehandicaptenkaart.\n\n Artikel 1, eerste lid, onder d, van de Regeling gehandicaptenkaart.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7506","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:24.634Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"292","ECLI:NL:RBROT:2026:7145","ecli-nl-rbrot-2026-7145","2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F3279\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2026 in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. J.J.A Leemans),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college\n\n(gemachtigde: mr. S. Ercan).\n\nInleiding\n\n1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder. Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 5 augustus 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2. In een uitspraak van 28 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.\n\n3. Met een besluit van 3 april 2026 op het bezwaar van verzoeker (het bestreden besluit) heeft het college de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n4. Over dit verzoek gaat deze uitspraak. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n5. Verzoeker lijdt aan ernstige astma. Verzoeker beschikte over een Europese gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder (een gehandicaptenparkeerkaart), die op 3 oktober 2025 is verlopen. Op 5 juni 2025 heeft verzoeker een aanvraag om verlenging van de gehandicaptenparkeerkaart ingediend. Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag van verzoeker afgewezen. Volgens het college is verzoeker namelijk in redelijkheid in staat om zelfstandig (eventueel met gebruik van hulpmiddelen) een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te overbruggen. Het college heeft dit standpunt gebaseerd op een medisch advies van [arts 1] (hierna: [arts 1] ), arts bij het Team Sociaal Medische Advisering (hierna: Team SMA) van 4 augustus 2025.\n\n6. In de bezwaarfase heeft verzoeker [arts 2] (hierna: [arts 2] ), als arts verbonden aan het expertisebureau Trompetter & partners, verzocht een contra-expertise uit te voeren. [arts 2] is in zijn rapport van 22 januari 2026 tot de conclusie gekomen, kort gezegd, dat verzoeker niet in staat is om in redelijkheid een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk lopend af te leggen.\n\n7. In een e-mail van 27 februari 2026 heeft [arts 3] , een andere arts van het Team SMA, hierop gereageerd, mede namens [arts 1] . In deze e-mail hebben de artsen geconcludeerd dat het rapport van [arts 2] geen aanleiding geeft om het eerdere medische advies te herzien.\n\n8. Het college heeft vervolgens in het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart gehandhaafd.\n\nHet standpunt van verzoeker\n\n9. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van de gehandicaptenparkeerkaart. Hij voert daartoe aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom verzoeker in het verleden wel in aanmerking kwam voor een gehandicaptenparkeerkaart en op dit moment niet meer. De arts van het Team SMA heeft een te theoretische benadering gehanteerd bij het onderzoek en heeft onvoldoende rekening gehouden met de aard en de variabiliteit van de aandoening van verzoeker. Het college heeft bovendien een aanvullend rapport van [arts 2] van 26 maart 2026 ten onrechte niet bij het bestreden besluit betrokken. Ook heeft het college het fair play-beginsel geschonden door geen onafhankelijke derde deskundige in te schakelen. Verzoeker wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat aan hem tijdelijk een gehandicaptenparkeerkaart wordt verstrekt, totdat op het beroep is beslist.\n\nHeeft verzoeker een spoedeisend belang?\n\n10. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.\n\n11. Voldoende aannemelijk is geworden dat de afwijzing substantiële gevolgen heeft voor de mobiliteit van verzoeker. Evenals in de uitspraak van 28 oktober 2025 zal de voorzieningenrechter daarom een spoedeisend belang aannemen.\n\nHerhaald verzoek om een voorlopige voorziening\n\n12. Naar vaste rechtspraak is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure in beginsel bedoeld om te gelden totdat op het bezwaar is beslist en – wanneer vervolgens beroep wordt ingesteld – de rechtbank op dat beroep heeft beslist. Een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening kan alleen voor toewijzing in aanmerking komen als de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden die toewijzing van zo’n verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval als sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter of van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.\n\n13. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden, nu verzoeker in de bezwaarfase een tegenrapport heeft overgelegd waarvan de conclusie afwijkt van de medische beoordeling van de arts van het Team SMA. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening dus inhoudelijk behandelen. Dit is tussen partijen overigens niet in geschil.\n\nWat zijn de toepasselijke regels?\n\n14. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (de Regeling) kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke hulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen.\n\n15. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben.\n\nHet verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen\n\n16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De voorzieningenrechter licht dit oordeel als volgt toe. Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend in de beroepsprocedure.\n\n17. Het college heeft de weigering van de aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart gebaseerd op het medisch advies van de arts van het Team SMA van 4 augustus 2025 en op de e-mail van de twee artsen van het Team SMA van 27 februari 2026. Het bestuursorgaan mag, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige aan een bestuursorgaan een medisch advies is uitgebracht, dit advies betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, mits het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.Indien de betrokkene een tegenrapport overlegt, moet worden beoordeeld of er op basis daarvan aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid van het medisch advies.\n\n18. Verzoeker heeft met het rapport van [arts 2] een uitgebreid gemotiveerd rapport met een tegengestelde conclusie overgelegd. In het rapport van [arts 2] is onder meer vermeld dat, hoewel verzoeker met zijn longfunctie over een redelijke inspanningstolerantie en duurbelastbaarheid beschikt, de prikkelgevoeligheid van de luchtwegen, door specifieke en aspecifieke prikkels, maakt dat de longfunctie frequent veel beperkter is. In de e-mail van 27 februari 2026 hebben de artsen van het Team SMA hierop gereageerd. In deze e-mail is onder meer vermeld dat de gevoeligheid voor aspecifieke prikkels niet naar voren komt uit de medische informatie. De artsen zien geen reden om van het eerdere advies terug te komen. In zijn nadere rapport van 26 maart 2026 heeft [arts 2] op deze e-mail gereageerd. Hierin is onder meer vermeld dat [arts 2] de conclusie van de artsen van het Team SMA dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor een gehandicaptenparkeerkaart, niet redelijk vindt en niet passend bij de medische situatie van verzoeker. [arts 2] heeft er in zijn nadere rapport op gewezen dat een maximale loopafstand altijd een schatting is en dat de geschatte maximale afstand van 100-250 op zijn beperktst nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een gehandicaptenparkeerkaart. Het college heeft dit nadere rapport niet voorgelegd aan een arts van het Team SMA.\n\n19. Hoewel het nadere rapport van [arts 2] op het punt van de aspecifieke prikkels niet geheel duidelijk is, heeft de voorzieningenrechter toch te veel twijfel aan de juistheid van de door de artsen van Team SMA getrokken conclusie dat verzoeker in redelijkheid in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen. Hierbij is met name ook het volgende van belang. Uit het medisch advies van 4 augustus 2025 blijkt dat de arts van het Team SMA zelf ook uitgaat van een forse en aantoonbare loopbeperking als gevolg van de chronische luchtwegaandoening van verzoeker. Verder staat in het advies: “Schatting van de maximale loopafstand: 100-250 meter”. De arts schat dus in dat verzoeker in het slechtste geval maximaal 100 meter lopend kan overbruggen. Daarvan uitgaande zou verzoeker wél in aanmerking komen voor een gehandicaptenparkeerkaart. Dat is immers het geval als verzoeker niet in staat is om zelfstandig een afstand van “meer dan” 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen. Ook als de schatting van de maximale loopafstand zo moet worden begrepen dat verzoeker wel iets meer dan 100 meter zou moeten kunnen lopen, neemt dit de twijfel niet weg. De geschatte maximale afstand komt dan nog steeds heel dicht bij de afstand die wel recht geeft op een gehandicaptenparkeerkaart.\n\n20. De voorzieningenrechter betrekt verder bij zijn oordeel dat bovenaan de reactie van de artsen van het Team SMA op het rapport van [arts 2] is vermeld: “Nee, deze contra-expertise geeft geen aanleiding het eerdere advies te herzien. Allereerst het is afkomstig van een commercieel adviesbureau. Deze moet u per definitie direct opzij leggen.” Hoewel het college hiervan in het bestreden afstand heeft genomen en heeft benadrukt dat de artsen wel inhoudelijk op het rapport van [arts 2] zijn ingegaan, draagt deze opmerking niet bij aan het vertrouwen dat het rapport van [arts 2] voldoende serieus is genomen.\n\n21. Er bestaat al met al op dit moment te veel twijfel of het bestreden besluit in beroep stand zal houden. Nu daarnaast verzoeker vóór 3 oktober 2025 jarenlang wel over een gehandicaptenparkeerkaart heeft beschikt en hij genoegzaam heeft toegelicht dat het ontbreken van een zo’n kaart voor hem een substantiële belemmering van zijn mobiliteit betekent, ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudend dat het college verzoeker moet behandelen als ware hij in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.Conclusie en gevolgen\n\n22. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de voorlopige voorziening treffen dat verzoeker moet worden behandeld als ware hij in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.\n\n23. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Het rapport van [arts 2] is ook in de beroepsprocedure ingediend. Over de vraag of het college ook de kosten van dat rapport dient te vergoeden, zal in de beroepsprocedure een beslissing genomen worden.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- treft de voorlopige voorziening dat het college verzoeker moet behandelen als ware hij in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, tot vier weken na de uitspraak op het beroep;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van verzoeker.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 7 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2141.\n\n In het medische advies is verwezen naar Richtlijn gehandicaptenkaart 2022 van de Vereniging Artsen Volksgezondheid.\n\n Zie de uitspraak van de Raad van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1609.\n\n Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:516, en van de Raad van 8 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2238.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7145","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.984Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"781","ECLI:NL:GHAMS:2026:1782","ecli-nl-ghams-2026-1782",56,"2026-04-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerk 25\u002F1409\n\n16 april 2026\n\nuitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [X], wonende te [Z], belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van 10 april 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24\u002F7665 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente [plaats], de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende een aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting ongegrond verklaard.\n\n1.2.. In het daartegen ingestelde hoger beroep heeft belanghebbende een hogerberoepschrift ingediend en de heffingsambtenaar een verweerschrift.\n\n1.3.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Met een scanauto is geconstateerd dat de auto van belanghebbende op 26 september 2024 om 13:14 uur stond geparkeerd langs de [straat] in [plaats], terwijl de op die plaats en op dat moment verschuldigde parkeerbelasting ter zake van dat parkeren niet was voldaan. Daarom heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd, welke aanslag hij bij uitspraak op bezwaar heeft gehandhaafd.\n\n2.2.. Op de [straat] gelden stopverboden. Parkeren is nochtans (in elk geval) toegestaan in diverse verharde parkeervakken, al dan niet gelegen op een parkeerterrein, en op een strook langs de rijbaan bij de golfbaan. Op die laatste strook, waarvan de bovenlaag uit zand met wat grind, split of schelpen bestaat, stond de auto van belanghebbende geparkeerd.\n\n2.3.. In de stukken van het geding bevinden zich diverse foto’s van de [straat] en de directe omgeving, met daarop zichtbaar allerlei bebording over betaald parkeren en diverse parkeermeters. Onmiddellijk aan de strook waar de auto van belanghebbende geparkeerd stond, staat geen betaaldparkerenbord of een parkeermeter, maar wel enige meters verderop bij het direct naastgelegen, verharde parkeerterrein. Aan het begin van de [straat] hing in september 2024 verder een geel bord waarop met zwarte letters was vermeld:\n\n“Let op! Per 1 juli 2023\n\nverkeerssituatie gewijzigd\n\nVanaf 1 juli enkel\n\nbetaald-\u002Fvergunning\n\nparkeren”\n\n3. Geschil in hoger beroep\n\nIn geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\n4.1.. De rechtbank heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Zij heeft overwogen dat zoveel borden over betaald parkeren en parkeermeters staan in de omgeving van de plek waar de auto van belanghebbende stond geparkeerd, dat duidelijk is dat (ook) daar betaald parkeren geldt, net als in de rest van [plaats], en dat de modderigheid van de bewuste parkeerplek daaraan niet afdoet.\n\n4.2.. In hoger beroep betoogt belanghebbende dat de rechtbank is voorbijgegaan aan de door hem naar voren gebrachte argumenten. Die argumenten komen erop neer dat voor de strook langs de rijbaan waar zijn auto stond geparkeerd het betaald parkeren niet duidelijk kenbaar is gemaakt. De situatie ter plaatse wijst volgens belanghebbende zelfs erop dat op die strook het betaald parkeren juist niet geldt. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing mede naar de “(verkeers)psychologische begrippen perceptie, schema’s en inattentional blindness”.\n\n4.3.. Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat, door de aanwezigheid van vele borden en parkeermeters, te zien op de foto’s in de stukken, voldoende kenbaar is dat ten tijde van het parkeren op de gehele [straat] betaald parkeren gold, zoals in de Verordening Parkeerbelastingen 2024 van Gemeente [plaats] is bepaald. Belanghebbende is langs die borden en meters gereden naar de plek waar hij zijn auto heeft geparkeerd en kon, nog steeds gezien de foto’s in de stukken, bij het uitstappen in zijn directe nabijheid een parkeermeter zien. De bewuste parkeerplek was bovendien duidelijk openbaar terrein, behorende bij de weg, terwijl nergens een uitzondering op het alom in de omgeving (i.e.de plaats [plaats]) geldende betaald parkeren kenbaar is gemaakt. Het ontbreken van bestrating met belijning op de bewuste strook, het ontbreken van een bord of parkeermeter specifiek bij die strook, en de ligging naast een golfclub, wijzen in redelijkheid evenmin op een dergelijke uitzondering.\n\n4.4.. Het Hof heeft ook kennisgenomen van de verkeerspsychologische inzichten waarnaar belanghebbende heeft verwezen, maar die inzichten hebben niet tot een ander oordeel geleid. Indien belanghebbende inderdaad oprecht heeft gedwaald over het betaald parkeren, zoals hij stelt, ligt het veeleer in de rede dat die dwaling het gevolg is van een hem persoonlijk aangaande inattentional blindnessof onoplettendheid. Een perceptie en\u002Fof schematische indeling van de situatie ter plaatse in die zin dat het in de omgeving geldende en kenbaar gemaakte betaald parkeren specifiek op de bewuste strook niet zou gelden, en dat de parkeermeter enige meters verderop er slechts zou staan voor de met klinkers verharde en door belijning gemarkeerde parkeerplaatsen, is naar het oordeel van het Hof in elk geval niet objectief gerechtvaardigd. De situatie ter plaatse had belanghebbende minimaal aanleiding moeten geven het geldende parkeerregime nader te onderzoeken. De gestelde dwaling kan daarom niet afdoen aan de verschuldigdheid van de parkeerbelasting en de kosten van de naheffingsaanslag.\n\n4.5.. Ten slotte moge het zo zijn dat in diverse door belanghebbende aangehaalde uitspraken van andere rechters andere oordelen zijn geveld over de kenbaarheid van betaald parkeren dan wel van parkeerverboden, maar dat zijn casuïstische oordelen over andere plaatsen. Voor deze zaak zijn die uitspraken zonder betekenis.\n\n4.6.. De slotsom is daarom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.\n\n5. Kosten\n\nVoor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 16 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1782","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.749Z",20,[11,74],2023]