[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-planning-enforcement-nl-2026":3},{"detail":4,"years":80},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":21,"page":14,"limit":79},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},105,"planning-enforcement-nl","Planning Enforcement","NL","2026-07-08T16:56:40.793Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":17},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":17},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,61,70],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"589","ECLI:NL:RBGEL:2026:5367","ecli-nl-rbgel-2026-5367","",60,"2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 26\u002F2749 en 26\u002F2822uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nop het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] )\n\nAls derde-partij nemen aan de zaken deel: [naam 1] en [naam 2] uit [plaats] .\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde last onder dwangsom wegens het plaatsen van vier chalets op het perceel aan de [adres] in Nijkerk (kadastraal bekend als gemeente Nijkerk Gelderland, sectie [sectie] perceelnummer [nummer] ) zonder benodigde omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom heeft mogen opleggen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dan ook ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij wijze van voorlopige voorziening de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht te verlengen tot zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Bij besluit van 16 december 2025 heeft het college de last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 22 mei 2026 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser, de gemachtigde van het college en de derde-partij hebben deelgenomen aan de zitting.\n\n2.2.. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat. Daarna zet zij het wettelijk kader uiteen. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van de opgelegde last onder dwangsom.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n4. Op 1 september 2025 heeft het college een handhavingsverzoek van de derde-partij ontvangen in verband met vier geplaatste chalets op het perceel van eiser. De derde-partij heeft verzocht om deze chalets te (laten) verwijderen aangezien deze illegaal zijn geplaatst. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek heeft een toezichthouder van het college een controle verricht op het perceel. De toezichthouder heeft geconstateerd dat vier\n\nchalets zijn geplaatst op het perceel binnen vijf meter van de perceelsgrens. Dit is een overtreding van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan van de gemeente Nijkerk . Eiser heeft geen omgevingsvergunning om van het omgevingsplan af te wijken. Op 16 december 2025 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd waarin hij gelast is om de geplaatste chalets te verwijderen of om de chalets vergunningvrij uit te voeren.\n\n4.1.. Tegen het besluit van 16 december 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt. Voordat het college een beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft het advies ingewonnen bij de bezwaarschriftencommissie. Bij besluit van 22 mei 2026 heeft het college, in navolging van het advies van de commissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de last onder dwangsom in stand gelaten.\n\nWettelijk kader\n\n5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de chalets staan, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nijkerk 2017, veegplan 2’ van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Nijkerk . Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt (onder meer) een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.\n\n5.1.. Op het perceel geldt de bestemming ‘Recreatie’ met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - 6’. Volgens artikel 17.2.2 onder b van het bestemmingsplan is het uitsluitend toegestaan om ‘andere bouwwerken’ te bouwen binnen een afstand van vijf meter tot enige perceelsgrens.\n\nBeginselplicht tot handhaving\n\n6. Eiser betwist niet dat sprake is van een overtreding. Tussen partijen is dan ook niet in geschil dat sprake is van een overtreding.\n\n6.1.. Als sprake is van een overtreding, dan is het college bevoegd om daar handhavend tegen op te treden. Als uitgangspunt geldt dat het college ook gebruik moet maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. Dit wordt ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving.\n\n6.2.. In bepaalde gevallen mag van het college toch worden verwacht dat het afziet van handhavend optreden. Dat is bijvoorbeeld het geval als handhavend optreden onevenredig is. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel zijn.\n\nIs handhavend optreden onevenredig omdat sprake is van concreet zicht op legalisatie?\n\n7. Eiser wijst erop dat hij een omgevingsvergunning heeft aangevraagd en dat er daarom sprake is van concreet zicht op legalisatie.\n\n7.1.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Dat legt zij hieronder uit.\n\n7.2.. \n\nDe voorzieningenrechter stelt voorop dat vaststaat dat eiser op 10 februari 2026 (opnieuw) een omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Het enkele feit dat een aanvraag is ingediend is echter niet voldoende om concreet zicht op legalisatie aan te nemen. Van concreet zicht op legalisatie is bij strijd met het omgevingsplan immers pas sprake als het college te kennen heeft gegeven bereid te zijn om de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het omgevingsplan. Het college heeft daar in het verweerschrift over opgemerkt dat het nieuw ingediende plan overeenkomt met een eerder ingediend plan uit 2023. Dit plan is in strijd met het omgevingsplan en het college is niet bereid om een omgevingsvergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan. Reeds om die reden is geen sprake van concreet zicht op legalisatie.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs handhavend optreden om andere redenen onevenredig?\n\n8. Eiser voert aan dat hij te maken heeft met aanzienlijke financiële druk en schuldeisers. De gevolgen van onmiddellijke handhaving zijn voor hem daarom zeer ingrijpend en mogelijk onomkeerbaar. De chalets zijn momenteel niet in gebruik en worden dus niet verhuurd. Er is daarom geen sprake van aantoonbare overlast. Ook wijst eiser erop dat er in de vergunningzaak, die op dit moment ook bij de rechtbank loopt, nog geen duidelijkheid is verschaft over een juridische houdbare oplossing. Volgens eiser is het redelijk om eerst de uitkomst van die procedure af te wachten. Ook heeft eiser aangevoerd dat de situatie eerst gedoogd werd en dat hij verwachtte dat er in overleg met de gemeente een oplossing gevonden zou worden. Die verwachting was ook logisch, omdat ondertussen gedurende meerdere jaren gesprekken zijn gevoerd over legalisatie, aangepaste plannen en alternatieve situeri ngen.\n\n8.1.. Voor wat betreft de gestelde de financiële gevolgen voor eiser merkt de voorzieningenrechter allereerst op dat eiser niet per se gelast is om de chalets te verwijderen. Zoals eerder aangegeven kan eiser (een deel van de) chalets vergunningvrij plaatsen op het perceel. Gehele verwijdering, verkoop of transport van de chalets is daarom niet per definitie aan de orde. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt verder dat het feit dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene ten laste van wie wordt gehandhaafd, niet maakt dat handhavend optreden daardoor zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het bestuursorgaan daarvan om die reden behoort af te zien.Dat geen sprake is van overlast, maakt ook niet dan het college om die reden van handhaving had behoren af te zien. Dit is namelijk geen bijzondere omstandigheid om van handhavend optreden af te zien. Ook als er geen overlast zou worden ervaren, wat door de derde-partij overigens wordt betwist, is het college in beginsel nog steeds verplicht om handhavend op te treden. Handhavend optreden kan in voorkomende gevallen wel onevenredig zijn bij een overtreding van geringe aard en omvang, maar daar is in dit geval geen sprake van.\n\n8.2.. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet onevenredig is dat het college de uitkomst van het beroep over de aangevraagde omgevingsvergunning bij de rechtbank niet af wil wachten. In die zaak gaat het over een aangevraagde omgevingsvergunning voor de plaatsing van vier chalets op het perceel. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat dit bouwplan volgens het college vergunningvrij is. Eiser heeft op zitting toegelicht dat dit bouwplan in de praktijk niet verwezenlijkt kan worden, omdat het plan betrekking heeft op kleinere chalets dan de chalets die nu aanwezig zijn op het perceel. De voorzieningenrechter is gelet daarop van oordeel dat de uitkomst in die zaak weinig tot geen betekenis heeft voor deze handhavingszaak. Dat bouwplan biedt namelijk geen reële mogelijkheid om de overtreding te beëindigen. Het is dan ook niet onredelijk dat het college de uitkomst in die zaak niet wil afwachten. Daar merkt de voorzieningenrechter nog bij op dat het naar haar oordeel voldoende duidelijk is hoe eiser aan de last kan voldoen; ofwel door de chalets af te breken, of door ze zo te plaatsen dat ze vergunningvrij zijn. Dat zou ook kunnen betekenen dat niet alle vier de chalets kunnen blijven staan, maar dat één of meerdere chalets verwijderd moeten worden. Het college heeft eiser terecht de vrijheid geboden om zelf te bepalen hoe hij aan de last kan voldoen, en dus ook op welke manier hij de chalets vergunningvrij kan plaatsen. Het is niet aan het college om daar alle mogelijke opties voor aan te dragen.\n\n8.3.. \n\nTen slotte overweegt de voorzieningenrechter dat de omstandigheid dat de situatie eerst gedoogd werd, niet maakt dat handhavend optreden onevenredig is. Het college erkent dat destijds is aangegeven dat de situatie tijdelijk gedoogd werd, maar daar is wel uitdrukkelijk bij aangegeven dat dit niet betekent dat het college nooit meer handhavend zou kunnen optreden. Toen er een handhavingsverzoek werd ingediend, was het college gehouden om daarop te beslissen en om uiteindelijk tot handhavend optreden over te gaan. Eiser heeft er niet gerechtvaardigd op kunnen vertrouwen dat het college niet handhavend op zou treden.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de begunstigingstermijn te kort?\n\n9. Eiser voert aan dat de hem geboden begunstigingstermijn van 6 weken te kort is.\n\n9.1.. In het primaire besluit heeft eiser een termijn gekregen tot 11 maart 2026. Vervolgens heeft het college deze termijn verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat het als uitgangspunt heeft genomen dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen en dat de termijn in overeenstemming is met Uitvoerings- en Handhavingsstrategie van het college. Het college heeft dus toegelicht waar de begunstigingstermijn op gebaseerd is. Eiser heeft daarentegen enkel in algemene zin gesteld dat dat de opgelegde begunstigingstermijn van zes weken naar zijn mening niet realistisch is, maar heeft in zijn geheel niet onderbouwd waarom dat zo is. De voorzieningenrechter heeft dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de begunstigingstermijn te kort was.\n\n9.2.. Op dit moment is de begunstigingstermijn al verstreken. De voorzieningenrechter heeft op zitting aangegeven in deze uitspraak met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen en de begunstigingsstermijn (uit coulance) te verlengen, om eiser op die manier nog een mogelijkheid te bieden om aan de last te voldoen zonder dat hij een dwangsom verbeurt. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht te verlengen tot zes weken na verzending van deze uitspraak.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter op het beroep beslist, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Zoals onder 9.2 is overwogen, wordt de begunstigingstermijn wel met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb (uit coulance) verlengd tot zes weken na verzending van deze uitspraak.\n\n10.1.. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;\n\n- verlengt bij wijze van voorlopige voorziening de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht tot zes weken na verzending van deze uitspraak.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n ABRvS 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1467 en ABRvS 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:614.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5367","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:38.266Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"973","ECLI:NL:RBNNE:2026:2600","ecli-nl-rbnne-2026-2600",65,"2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F1925\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [verzoekster], uit [plaats], verzoekster\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen, het college\n\n(gemachtigden: D. Jansen en M.L. Ruessink).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij]uit [plaats], de derde-partij.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit op het perceel [perceel] in [plaats] (het perceel) en de afwijzing van het handhavingsverzoek van verzoekster over asbest en bouw\u002Fsloop op dat perceel. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om voorlopige voorziening aan de hand van de gronden van verzoekster.\n\n2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nProcesverloop\n\n3. De derde-partij heeft een aanvraag ingediend voor verlening van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit op het perceel. Het college heeft die omgevingsvergunning op 4 mei 2026 verleend. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n4. Verzoekster heeft op 8 februari 2026 een verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen asbest en bouw\u002Fsloop op het perceel. Het college heeft dat handhavingsverzoek met het besluit van 28 mei 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n5. Het college heeft op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft een schriftelijke reactie ingediend.\n\n6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoekster en de gemachtigden van het college deelgenomen. De derde-partij is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.Beoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat zijn de twee onderwerpen van deze zaak?\n\n7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het handhavingsverzoek van 8 februari 2026 is gericht tegen de sloopwerkzaamheden aan de woning op het perceel. In dat verzoek stelt verzoekster dat geen sloopmelding is gedaan en dat geen asbestinventarisatie is uitgevoerd. Ter zitting heeft verzoekster bevestigd dat het handhavingsverzoek alleen daarover gaat.\n\n8. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat de omgevingsvergunning van 4 mei 2026 is verleend voor het tijdelijk plaatsen van een woonunit op het perceel voor de omgevingsplanactiviteiten van het bouwen van een bouwwerk en het afwijken van de regels in het omgevingsplan. Is er sprake van onverwijlde spoed bij het treffen van een voorlopige voorziening?\n\n9. Verzoekster verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen inzake de sloopwerkzaamheden aan de woning op het perceel en in samenhang daarmee met de omgevingsvergunning voor de tijdelijke woonunit op het perceel. Volgens verzoekster worden de sloopwerkzaamheden aan de woning nog steeds voortgezet. Die werkzaamheden gaan verder dan het slopen van de schoorsteen, de tussenwanden en het vervangen van het dak. Mogelijk vinden ook sloopwerkzaamheden plaats in de kelder van de woning. Verzoekster vreest dat er asbest in de woning aanwezig is (geweest). Zij maakt zich grote zorgen over de gevolgen daarvan. Volgens verzoekster zijn belangrijke onderdelen van de woning zoals de kelder, het dak en delen van de oorspronkelijke dakconstructie niet of onvoldoende in de asbestinventarisatie onderzocht. Ook zijn bouwdelen die ten tijde van de inventarisatie al waren verwijderd, daarin ten onrechte niet meegenomen, aldus verzoekster.9.1.. \n\nHet college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van onverwijlde spoed bij het treffen van een voorlopige voorziening. De omgevingsvergunning voor de tijdelijke woonunit al is uitgevoerd. Uit het verzoek om voorlopige voorziening blijkt ook niet om welke redenen de vergunning geschorst zou moeten worden. Verder voert het college aan dat sprake is van een vergunningvrije verbouwing van de woning. Er is een asbestinventarisatierapport aanwezig, waarin is geconcludeerd dat er geen asbest is aangetroffen en dat het rapport geschikt is voor de verbouwing van de woning. Volgens het college heeft verzoekster tegen het handhavingsbesluit nog geen bezwaargronden ingediend en heeft zij zelf gevraagd om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Hiermee geeft verzoekster te kennen dat er geen sprake is van onverwijlde spoed, aldus het college.\n\n10. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als \"onverwijlde spoed\" dat vereist.10.1.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het betoog van verzoekster over de omgevingsvergunning voor de tijdelijke woonunit onvoldoende grond oplevert voor het oordeel dat sprake is van de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bedoelde ‘onverwijlde spoed’. Daarbij is van belang dat de woonunit al is geplaatst op het perceel en daar wordt gebruikt. Met het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening kan die plaatsing niet alsnog worden voorkomen. Ook anderszins is niet gebleken dat sprake is van onverwijlde spoed bij de gevraagde schorsing van die vergunning. Niet valt in te zien dat de bezwaarprocedure in dit geval niet kan worden afgewacht. Nu op dit punt geen sprake is van onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist, dient het verzoek om voorlopige voorziening te worden afgewezen voor zover dat ziet op de omgevingsvergunning.10.2.. \n\nDe voorzieningenrechter ziet in het betoog van verzoekster over de sloopwerkzaamheden op het perceel wel grond voor het oordeel dat sprake is van de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bedoelde ‘onverwijlde spoed’. Op zitting heeft verzoekster aangegeven dat de sloopactiviteiten aan de schoorsteen, de tussenwanden en het dak van de woning al zijn uitgevoerd. Ten aanzien van die activiteiten is er geen sprake van onverwijlde spoed. Evenmin is onverwijlde spoed gelegen in de zorgen die verzoekster heeft over mogelijke (gevolgen van) asbest in sloopmateriaal dat vrijgekomen is als gevolg van die uitgevoerde sloopwerkzaamheden. Dat sloopmateriaal is al afgevoerd. Het is echter niet uitgesloten dat nog niet alle sloopwerkzaamheden aan de woning zijn afgerond. Met die omstandigheid acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat in dit geval van spoedeisendheid sprake is met betrekking tot de sloopwerkzaamheden. Is een sloopmelding vereist?\n\n11. Verzoekster betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen sloopmelding moest worden gedaan. Volgens verzoekster is het feit dat de woning grotendeels is gestript en dat meerdere containers met materialen zijn afgevoerd, moeilijk verenigbaar met de conclusie van het college dat sprake zou zijn van beperkte, vergunningvrije werkzaamheden. Daarnaast betoogt verzoekster dat veel eerder een asbestinventarisatie had moeten plaatsvinden. De woning dateert uit een periode waarin asbesthoudende materialen veelvuldig werden toegepast. In dit geval heeft de asbestinventarisatie pas plaatsgevonden nadat omvangrijke sloopwerkzaamheden al waren uitgevoerd. Volgens verzoekster zijn daarbij belangrijke onderdelen van de woning niet of onvoldoende in die inventarisatie onderzocht. Er heeft in die inventarisatie geen destructief onderzoek plaatsgevonden, waardoor niet controleerbaar is of alle revelante bouwdelen voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden voldoende zijn onderzocht. Het college heeft verzuimd om handhavend tegen de sloopwerkzaamheden op te treden, aldus verzoekster.\n\n11.1.. Het college stelt zich op het standpunt dat geen grond bestaat om de sloopwerkzaamheden stil te leggen en dat de derde-partij niet gehouden was om een sloopmelding te doen. Het handhavingsverzoek is beoordeeld aan de hand van de artikelen 7.9 en 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Niet geconstateerd is dat de hoeveelheid sloopafval meer dan 10 m³ bedroeg. Volgens het college heeft de derde-partij een redelijke inschatting van die hoeveelheid gemaakt en die doorgegeven aan het college. Dat sprake was van het afvoeren van sloopafval in meerdere containers leidt niet tot een andere conclusie. Verder stelt het college zich op het standpunt dat in dit geval geen sprake is geweest van sloop waarbij asbest is verwijderd. Volgens het college wist de derde-partij niet of kon hij redelijkerwijs niet vermoeden dat zich in de woning asbest of een asbesthoudend product bevond. Ondanks dat heeft de derde-partij een asbestinventarisatie laten uitvoeren. Uit dat rapport volgt dat er in de woning geen asbest of asbestverdacht materiaal aanwezig was. Het college acht het rapport volledig en ziet geen reden om aan dat rapport voorbij te gaan. Door verzoekster is niet aangetoond dat er wel sprake is van asbest. Het enkele feit dat een woning uit een periode komt waarin asbest werd toegepast, betekent niet dat er per definitie asbest in de woning aanwezig is. Als de derde-partij alsnog een sloopmelding zou doen, zou er geen aanleiding zijn om de sloopwerkzaamheden stil te leggen of maatwerkvoorschriften op te leggen, aldus het college.11.2.. De voorzieningenrechter overweegt dat een sloopmelding onder meer is vereist indien de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m³ bedraagt. Gelet op de grootte van de woning en de woningonderdelen die in de afgelopen maanden zijn gesloopt, was het naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter op voorhand niet uit te sluiten dat sprake zou zijn van meer dan 10 m³ sloopafval. Na ontvangst van meldingen van verzoekster over de sloopwerkzaamheden in het najaar van 2025 heeft een toezichthouder onderzoek gedaan naar de sloopwerkzaamheden. De derde-partij heeft een inschatting gegeven dat sprake was van minder dan 10 m³ sloopafval. Het college heeft dat niet met controlegegevens gestaafd. Over die inschatting heeft het college helemaal geen gegevens ingediend. Gelet daarop heeft de voorzieningenrechter twijfels bij het standpunt van het college dat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting niet meer dan 10 m³ zou bedragen. Het onderzoek daarnaar was erg beperkt en voldoet naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aan het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb.\n\n11.3.. \n\nOf ten tijde van de al verrichtte sloopactiviteiten artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl is overtreden, is voor de voorzieningenrechter niet meer goed vast te stellen. Dat geldt ook voor het vereiste van het doen van een melding voorafgaand aan de sloopactiviteiten. Wel is voor de voorzieningenrechter voldoende duidelijk geworden dat de derde-partij ten tijde van het handhavingsbesluit van 28 mei 2026 over een asbestinventarisatierapport beschikte. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het voorlopige oordeel dat op het moment van het nemen van het besluit om niet te handhaven ten aanzien van de op dat moment nog te verrichten activiteiten niet is voldaan aan de in het Bbl opgenomen norm.\n\nHoe weegt de voorzieningenrechter in dit geval de betrokken belangen?\n\n12. Uit bovenstaande overwegingen blijkt dat naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter aan het handhavingsbesluit van 28 mei 2026 een zorgvuldigheidsgebrek kleeft. Hierna zal de voorzieningenrechter ingaan op de gevolgen die dat heeft voor de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter weegt daarbij de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening enerzijds tegenover en de belangen van de derde-partij en het college die pleiten tegen het treffen daarvan anderzijds.\n\n12.1.. De voorzieningenrechter weegt enerzijds mee dat niet uitgesloten is dat in de toekomst nog sloopwerkzaamheden in de woning zullen plaatsvinden en dat die werkzaamheden onomkeerbare gevolgen kunnen hebben. Ook weegt mee dat niet uitgesloten is dat (gevolgen van) die werkzaamheden invloed zullen hebben op het woon- en leefklimaat van verzoekster. Anderzijds weegt de voorzieningenrechter mee dat al uitgebreide sloopwerkzaamheden aan de woning hebben plaatsgevonden, dat reeds afgevoerd sloopafval uit de woning niet meer kan worden onderzocht, dat de woning thans deels weer wordt opgebouwd, dat de derde-partij over een asbestinventarisatierapport beschikt, dat de derde-partij belang heeft bij het voortzetten van werkzaamheden in de woning en dat het college ter zitting heeft aangegeven bij het alsnog indienen van een sloopmelding geen aanleiding zou zien om maatwerkvoorschriften aan de derde-partij op te leggen.\n\n12.2.. Hiervoor heeft de voorzieningenrechter overwogen twijfels te hebben over de zorgvuldige voorbereiding van het besluit van 28 mei 2026. Dat is voor de voorzieningenrechter op zichzelf echter in dit geval niet voldoende om een voorlopige voorziening te treffen. Het college dient in het kader van de nog lopende bezwarenprocedure een volledige heroverweging te maken over dat besluit. Daarbij dient het college alle feiten en omstandigheden te betrekken. De voorzieningenrechter acht het niet uitgesloten dat het genoemde zorgvuldigheidsgebrek in die heroverweging kan worden hersteld.\n\n12.3.. Gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening minder zwaar wegen dan de belangen van het college en de derde-partij bij het niet treffen van een voorlopige voorziening. Vaststaat dat grote delen van de woning al zijn gesloopt en dat een hoeveelheid sloopafval al (enige tijd geleden) van het perceel is afgevoerd. Het treffen van een voorlopige voorziening kan die werkzaamheden niet meer ongedaan maken. Ook kunnen daarmee de zorgen van verzoekster over de al verrichtte werkzaamheden en het afgevoerd materiaal niet worden weggenomen. Voldoende aannemelijk is dat als er nog sloopwerkzaamheden in de toekomst gaan plaatsvinden, die zullen zien op een kleiner deel van de woning. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het college niet te volgen dat de asbestinventarisatie daarvoor van belang is. De voorzieningenrechter acht het daarbij van belang dat de asbestinventarisatie van maart 2026 is uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf, conform een werkveldspecifiek certificatieschema. Uit dat rapport volgt dat de hele woning is onderzocht. In het rapport is geconcludeerd dat ter plaatse van de woning geen asbesthoudende materialen zijn waargenomen en dat het rapport geschikt is voor het verbouwen van de woning. Dat verzoekster kritische kanttekeningen plaatst bij de juistheid en volledigheid van het rapport geeft geen aanleiding om aan dat rapport te twijfelen. Los van het feit dat het rapport is opgesteld door een deskundig bedrijf, heeft verzoekster dat rapport niet met een tegenrapport van een asbestdeskundige bestreden. Het college mocht de conclusies uit het rapport betrekken bij de beoordeling van het handhavingsverzoek van verzoekster en bij zijn standpunt dat als de derde-partij alsnog een sloopmelding zou doen geen aanleiding bestaat om maatwerkvoorschriften op te leggen. In het licht hiervan ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter nog dat als bij eventuele toekomstige sloopwerkzaamheden onverhoopt toch asbesthoudend materiaal wordt aangetroffen, de derde-partij dit moet melden aan het college en dat aan de voor de verwijdering daarvan geldende regels moet worden voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 3:2\n\nBij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.\n\nBesluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)\n\nArtikel 7.9 1. De normadressaat beschikt over een asbestinventarisatierapport voor het gedeelte van het bouwwerk waar wordt gesloopt, als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevindt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:\n\na. werkzaamheden die worden verricht in of aan een bouwwerk of gedeelte daarvan dat na 1 januari 1994 is gebouwd;\n\nb. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van rem- en frictiematerialen;\n\nc. het als een geheel verwijderen van verwarmingstoestellen;\n\nd. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk:\n\n1° verwijderen van waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen, telecombuizen en mantelbuizen, voor zover deze deel uitmaken van een ondergronds openbaar water-, gas-, elektra-, riool- of telecomleidingnet;\n\n2° verwijderen van geklemde vloerplaten onder een verwarmingstoestel;\n\n3° verwijderen van beglazingskit die is verwerkt in de constructie van een kas; of\n\n4°verwijderen van pakkingen uit:\n\ni. een verbrandingsmotor;\n\nii. een verwarmingstoestel met een nominaal vermogen dat lager is dan 2.250 kW; of\n\niii. een procesinstallatie of onderdelen van een procesinstallatie, inclusief aan- en afvoerende leidingen; of\n\n5° verwijderen van gas- en elektrotechnische componenten die aanwezig zijn in een distributiesysteem, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, door of vanwege een distributiesysteembeheerder, bedoeld in artikel 1.1 van die wet; en\n\ne. het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, anders dan dakleien, of van asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking, uit een woonfunctie of nevengebruiksfunctie daarvan, voor zover die woonfunctie of die nevengebruiksfunctie niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloertegels of vloerbedekking in totaal ten hoogste 35 m2 bedraagt.\n\n3. Degene die een handeling laat verrichten waarop het eerste lid van toepassing is, verstrekt, voordat de handeling wordt verricht, een afschrift van het asbestinventarisatierapport aan degene die de handeling verricht.\n\nArtikel 7.10 1. Het is verboden een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te melden.\n\n[…]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2600","2026-07-13T00:28:57.087Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":50,"updatedAt":69},"1133","ECLI:NL:RBGEL:2026:3432","ecli-nl-rbgel-2026-3432","2026-05-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8524uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n [eiseres] en [eiser] , uit [plaats] , eisers\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigde: mr. M. Litjens).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een last onder dwangsom aan eisers wegens het zonder vergunning uitvoeren van grondwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van een grotere serre aan hun woning. Eisers zijn het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zicht terecht op het standpunt heeft gesteld dat de werkzaamheden niet omgevingsvergunningvrij zijn en dat eisers ook niet hebben aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig waren, zodat eisers een vergunning nodig hadden. Nu ze daarover niet beschikten was sprake van een overtreding van het facetbestemmingsplan Archeologie 2023 en was het college bevoegd om handhavend op te treden. De rechtbank komt ook tot het oordeel dat dit handhavend optreden niet onevenredig was. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. In de bijlage bij de uitspraak staat de voor deze uitspraak van belang zijnde wet- en regelgeving.\n\nProcesverloop\n\n2. In het besluit van 8 juli 2024 heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. In de beslissing op bezwaar van 18 oktober 2024 heeft het college het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard en de grondslag van het besluit aangepast.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers met hun gemachtigde en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van de beslissing op bezwaar\n\n3. Eisers wonen op het adres [adres 1] in [plaats] . Eisers willen de bestaande uitbouw (serre) achter hun woning vervangen en uitbreiden. Ze hebben in februari 2023 laten beoordelen of er voor dat bouwplan een omgevingsvergunning nodig was. Uit de vergunningscheck op [website 1] bleek dat op dat moment niet het geval.\n\n3.1.. Eisers hebben op 17 mei 2024 een melding gedaan bij de gemeente voor de sloop van de bestaande uitbouw. Op 13 juni 2024 heeft de gemeente akkoord gegeven. Vervolgens is de aannemer van eisers aan het werk gegaan. Daarbij heeft de aannemer ook graafwerkzaamheden uitgevoerd. Op donderdag 4 juli 2024 is door de toezichthouder van de gemeente Nijmegen aan eisers telefonisch te kennen gegeven dat de grondwerkzaamheden met onmiddellijke ingang dienden te worden gestaakt en gestaakt te blijven op last van een dwangsom, in verband met een overtreding van het op 29 november 2023 in werking getreden bestemmingsplan “Facetbestemmingsplan Archeologie 2023” (verder: facetbestemmingsplan). In het besluit van 8 juli 2024 heeft het college de opgelegde last onder dwangsom schriftelijk bevestigd. In het besluit is aangegeven dat sprake was van een overtreding van artikel 3.1 van het facetbestemmingsplan omdat er grondwerkzaamheden zijn uitgevoerd zonder omgevingsvergunning.\n\n3.2.. In de beslissing op bezwaar heeft het college de last onder dwangsom in stand gelaten. Wel heeft het college de wettelijke grondslag gewijzigd. Aangegeven is dat de last niet op artikel 3.1 van het facetbestemmingsplan had moeten worden gebaseerd maar op artikel 3.4.1 van het facetbestemmingsplan, gelezen in combinatie met artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet, waar staat dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.\n\n3.3.. Tijdens de zitting bij de rechtbank hebben eisers aangegeven dat zij in november 2024 een omgevingsvergunning hebben aangevraagd voor de uitbouw en dat deze omgevingsvergunning eind december 2024 is verleend. Vervolgens is de verbouwing op 22 mei 2025 gestart en is de verbouwing aan het eind van 2025 afgerond. Eiser hebben dus uiteindelijk de uitbouw kunnen realiseren, met een aanpassing van het bouwplan. Zij hebben echter nog wel een belang bij het beroep omdat zij van mening zijn dat het college ten onrechte een last onder dwangsom heeft opgelegd en van hen heeft verlangd een omgevingsvergunning aan te vragen. Volgens eisers kon het oorspronkelijke bouwplan zonder omgevingsvergunning worden gerealiseerd. Zij geven aan dat de procedure hen veel tijd en geld heeft gekost. Eiser vragen daarom een schadevergoeding van ongeveer € 76.000.\n\nToetsingskader\n\n4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Daarmee kreeg elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Voor het perceel van eisers zijn de bestemmingsplannen “ Nijmegen -Oost” en “Facetbestemmingsplan Archeologie 2023” van toepassing. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan. Gemeenten hebben tot eind 2031 de tijd om deze tijdelijke delen om te zetten in hun omgevingsplan. Tijdens de periode tot 2031 kan het zo zijn dat voor dezelfde situatie artikelen van toepassing zijn uit zowel de bruidsschat als de bestemmingsplannen. Daarom is in de bruidsschat, in artikel 22.1 van het omgevingsplan, een voorrangsbepaling opgenomen waaruit volgt welk artikel in zo’n situatie van toepassing is.\n\n4.1.. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt onder meer een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.\n\n4.2.. Op het perceel geldt op grond van het bestemmingsplan “ Nijmegen Oost” aan de achterzijde van de woning de bestemming “Wonen” en op grond van het “Facetbestemmingsplan archeologie 2023” de bestemming “Waarde-Archeologie 1”.\n\n5. Het college stelt zich op het standpunt dat uit het facetbestemmingsplan volgt dat het verboden is om zonder vergunning grondwerkzaamheden te verrichten op gronden met de bestemming “Waarde-Archeologie 1”, tenzij op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Volgens het college is niet aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn, terwijl er evenmin een vergunning is verleend, zodat sprake is van een overtreding. Het college heeft ook geen aanleiding gezien om van handhavend optreden af te zien.\n\nIs sprake van een overtreding?\n\n6. Eisers betogen dat geen sprake is van een overtreding. Ten eerste voeren zij daartoe aan dat het facetbestemmingsplan niet op hen van toepassing is omdat zij bij de voorbereiding van de gewenste werkzaamheden in 2023 al hebben geconstateerd dat volgens de vergunningscheck op [website 1] voor de werkzaamheden geen omgevingsvergunning nodig was. Daarbij vallen de werkzaamheden ook onder het overgangsrecht van het nadien vastgestelde facetbestemmingsplan. Voor zover de werkzaamheden wel onder de werking van het nieuwe facetbestemmingsplan zouden vallen betogen eisers dat de bouw niet in strijd is met dat bestemmingsplan en dat het bouwen van de serre sowieso omgevingsvergunningvrij is op grond van de bruidsschat van het omgevingsplan.\n\nKunnen eisers rechten ontlenen aan een vergunningcheck in februari 2023?\n\n7. Eisers stellen dat zij in februari 2023 aan de hand van een vergunningcheck hebben vastgesteld dat geen omgevingsvergunning nodig was voor het bouwplan. Eisers vinden dat het toen geldende planologische kader nog steeds op hen van toepassing is, zeker nu het college hen ten onrechte niet op de hoogte heeft gesteld van de inwerkingtreding van het facetbestemmingsplan in november van dat jaar. Daarbij doen zij ook een beroep op het overgangsrecht van het facetbestemmingsplan.\n\n7.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Nog daargelaten of een vergunningcheck op [website 1] kan leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen dat inderdaad geen vergunning nodig is, zegt een check alleen iets over de situatie op dat moment. Als later nieuwe regels worden vastgesteld kan aan zo’n check dus geen waarde meer worden gehecht. Toen eisers ruim een jaar later, ná de inwerkingtreding van het facetbestemmingsplan in november 2023, begonnen met de grondwerkzaamheden konden zij dus niet meer afgaan op die eerdere check. Het betoog van eisers dat het college hen op de hoogte had moeten stellen van de vaststelling van het facetbestemmingsplan maakt dat ook niet anders. Niet gebleken is dat de gemeenteraad van de gemeente Nijmegen het facetbestemmingsplan op onjuiste wijze bekend heeft gemaakt. Het is niet gebruikelijk dat een nieuw bestemmingsplan aan elke betrokken inwoner van de gemeente persoonlijk wordt toegezonden. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van burgers om in de gaten te houden welke wet- en regelgeving van toepassing is op hun perceel.\n\n7.2.. De werkzaamheden vallen evenmin onder het overgangsrecht van het facetbestemmingsplan. In artikel 12.1.1. van de planvoorschriften staat dat een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, onder het overgangsrecht valt. De bouw van de nieuwe serre valt niet onder een van deze voorwaarden, omdat het op 29 november 2023 nog niet gebouwd of in uitvoering was en er evenmin een vergunning voor was verleend. Een enkele gestelde check op internet valt namelijk niet gelijk te stellen met een verkregen omgevingsvergunning. Evenmin kan worden gesteld dat de werkzaamheden toen al in uitvoering waren. Het overgangsrecht is dus niet van toepassing. De verwijzing van eisers naar artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet slaagt evenmin. Dit overgangsrecht ziet ook op bouwwerkzaamheden die al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren gestart.\n\n7.3.. Het voorgaande betekent dat deze zaak moet worden beoordeeld aan de hand van het facetbestemmingsplan en de overige regels in het omgevingsplan.\n\nZijn de werkzaamheden omgevingsvergunningvrij?\n\n8. De rechtbank stelt vast dat het facetbestemmingsplan voor zover van belang twee verbodsbepalingen bevat. Artikel 3.2.1. van de planvoorschriften bepaalt dat op gronden met ‘Waarde - Archeologie 1’, zoals het perceel van eisers, niet mag worden gebouwd, met dien verstande dat (delen van) een bouwwerk dat geen bodemingreep met zich meebrengt, zijn toegestaan. Op grond van artikel 3.3.1. van het facetbestemmingsplan kan een vergunning worden verleend om van artikel 3.2.1. af te wijken. Een omgevingsvergunning kan worden verleend als op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. Artikel 3.4.1. van de planvoorschriften bepaalt dat het verboden is op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren, waartoe onder meer worden gerekend het afgraven, woelen of mengen van gronden, alsmede het aanleggen van drainage en het verwijderen van bestaande funderingen. Artikel 3.4.2. bepaalt dat dit verbod niet van toepassing is als op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.\n\n8.1.. Niet in geschil is dat ten behoeve van de bouw van de serre grondwerkzaamheden hebben plaatsgevonden waarbij een andere en grotere fundering werd aangebracht dan die van de oorspronkelijke serre, zodat sprake is van strijd met deze verbodsbepalingen. In het bestreden besluit is het college ingegaan op zowel de strijd met artikel 3.2.1. als met artikel 3.4.1 van de planregels. Zoals op de zitting toegelicht heeft het college uiteindelijk de bepaling van artikel 3.4.1 van de planregels tegengeworpen om duidelijk te maken dat het verbod ziet op de grondwerkzaamheden, niet het bovengronds bouwen van de serre. Het college heeft in dat kader in het bestreden besluit verwezen naar de toelichting bij het facetbestemmingsplan, met een verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling.\n\n8.2.. Eisers hebben geen punt gemaakt van de vraag welke van de twee verbodsbepalingen gehanteerd moet worden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om daar verder op in te gaan omdat het duidelijk is dat ofwel beide verbodsbepalingen, ofwel één van die bepalingen van toepassing is en de gronden die eisers aanvoeren in gelijke mate van toepassing zijn op beide verbodsbepalingen. Eisers voeren namelijk aan dat aan de verbodsbepalingen van het facetbestemmingsplan geen waarde toekomt omdat het bouwplan en de grondwerkzaamheden op grond van de bruidsschat van het omgevingsplan vergunningvrij zijn. Op grond van artikel 22.22 van het omgevingsplan, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold,is sprake van een vrijstelling van archeologisch onderzoek omdat de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. Volgens eisers gaat dit artikel voor op de bepalingen in het facetbestemmingsplan. Eisers wijzen verder op artikel 22.27, artikel 22.28, vierde lid, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold,en artikel 22.36 van het omgevingsplan. Op grond van die bepalingen is het bouwplan, waaronder ook de daarbij behorende grondwerkzaamheden, omgevingsvergunningvrij. Ook deze bepalingen gaan voor op het facetbestemmingsplan zodat het bouwplan zonder omgevingsvergunning mag worden gerealiseerd, ongeacht wat er in het facetbestemmingsplan is opgenomen.\n\n8.3.. Dit betoog slaagt niet. In artikel 22.22 van het omgevingsplan is kort samengevat bepaald dat regels over het verrichten van archeologisch onderzoek voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, niet van toepassing zijn als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2, of een afwijkende andere oppervlakte als die in het bestemmingsplan is opgenomen. Ten eerste volgt uit het facetbestemmingsplan dat bij de bestemming “Waarde - Archeologie 1” voor alle activiteiten waarbij sprake is van een bodemingreep, hoe beperkt ook, een omgevingsvergunning nodig is. Dit is anders bij de bestemmingen “Waarde - Archeologie 2” en “Waarde - Archeologie 3” waar wel een aantal m2 is opgenomen waarbinnen geen omgevingsvergunning nodig is. In de zin van artikel 22.22 van het omgevingsplan geldt binnen de bestemming “Waarde – Archeologie 1” dus een afwijkende oppervlakte, namelijk 0 m2, zodat geen sprake is van strijd met dit artikel. Ten tweede is van belang dat als wél sprake zou zijn van strijd met artikel 22.22 van het omgevingsplan, sprake zou zijn van strijd tussen die bepaling en de bepalingen in het facetbestemmingsplan. Op dat moment wordt de voorrangsbepaling in artikel 22.1, eerste lid van het omgevingsplan van belang.In die voorrangsbepaling staat kort samengevat dat als de regels van de bruidsschat in strijd zijn met het facetbestemmingsplan, de regels van het facetbestemmingsplan in de meeste gevallen voorgaan. Artikel 22.22 valt onder deze hoofdregel, zodat in dit geval de verbodsbepalingen van het facetbestemmingsplan voorrang krijgen en blijven gelden. In zoverre is dus geen sprake van omgevingsvergunningvrije activiteiten.\n\n8.4.. Ditzelfde geldt voor artikel 22.27 van het omgevingsplan, waarin criteria zijn opgenomen wanneer een bijbehorend bouwwerk zonder omgevingsvergunning mag worden gebouwd. Ook voor artikel 22.27 geldt de hoofdregel dat bij strijdigheid het facetbestemmingsplan voorgaat. Artikel 22.27 doet daarom dus al niet af aan de tegengeworpen verbodsbepaling. Daarbij heeft het college er ook terecht op gewezen dat in artikel 22.28, vierde lid, van het omgevingsplan een uitzondering is opgenomen op het omgevingsvergunningvrije bouwen. Daarin is bepaald dat artikel 22.27 niet van toepassing is als in het tijdelijke deel van het omgevingsplan regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 van het omgevingsplan, tenzij, onder meer, dat tijdelijke deel een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Uit de toelichting bij deze bepaling volgt dat bedoeld is dat een eventuele vrijstelling voor een vergunning om te bouwen, een bestaande vergunningplicht voor de grondwerkzaamheden wegens archeologische onderzoek, onverlet laat. De toelichting bij de bruidsschat verwijst daarbij naar de hiervoor al aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014. Het college heeft dan ook terecht overwogen dat uit (deze toelichting bij) de bruidsschat volgt dat de grondwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van de serre sowieso niet onder de werking van artikel 22.27 van het omgevingsplan vallen.\n\n8.5.. Nu de grondwerkzaamheden niet onder vrijstelling van artikel 22.27 van het omgevingsplan vallen, vallen ze evenmin onder de werking van artikel 22.36 van het omgevingsplan. Dat artikel ziet namelijk op de in artikel 22.27 van het omgevingsplan bedoelde gevallen. Nu artikel 22.27 niet op de grondwerkzaamheden ziet, slaagt het beroep op artikel 22.36 ook niet.\n\n8.6.. Het voorgaande betekent dat de grondwerkzaamheden niet vergunningvrij zijn op grond van de bepalingen van het omgevingsplan.\n\nHebben eisers aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn?\n\n9. Vervolgens hebben eisers betoogd dat het verbod om de grondwerkzaamheden uit te voeren in hun geval niet geldt, omdat zij hebben aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn en deze waarden dus ook niet onevenredig kunnen worden geschaad.\n\n9.1.. Ook dit betoog faalt. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers ten tijde van het opleggen van de last geen archeologisch onderzoek of andere stukken hadden overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat dat er geen archeologische waarden meer aanwezig waren. Zij hebben er nadien wel op gewezen dat de betrokken gronden bij de bouw in 1914 en bij de bouw van de serre in 1994 flink zijn geroerd. Vast staat echter dat het bouwplan een uitbreiding van de serre omvat zodat uit die eerdere werkzaamheden niet volgt dat ook op de plaats van de uitbreiding geen archeologische waarden meer aanwezig zijn.9.2.. Verder betogen eisers dat in 2017 archeologisch onderzoekis gedaan en dat toen is geconstateerd dat ter plaatse sprake is van een verstoorde en gewoelde grond. Eisers geven echter zelf al aan dat het onderzoek uit 2017 ziet op de voorzijde van de woning. Het is niet in geschil dat juist de achterzijde van het perceel boven een voormalige Romeinse gracht ligt, zodat de situatie daar weer anders kan zijn dan aan de voorzijde van het perceel. Daarbij heeft het college er terecht op gewezen dat, juist omdat het gaat om een archeologisch bijzonder gebied, de bevindingen op elk perceel weer anders kunnen zijn. Daarom zeggen bevindingen op andere locaties in de omgeving niet zonder meer iets over de situatie ter plaatse van de uitbreiding van de serre.\n\n9.3.. \n\nNa het opleggen van de last hebben eisers een archeoloog van [naam bedrijf] B.V. opdracht gegeven onderzoek te verrichten. Deze heeft op 1 augustus 2024 een programma van eisen opgesteld, waarna het [naam bureau] grondboringen heeft verricht en op 5 november 2024 een advies heeft opgesteld. Daarin is geconcludeerd dat de bodem ter hoogte van de meeste boringen tot grote diepte was verstoord, maar dat op twee punten op 95 cm onder maainiveau onverstoorde zandafzettingen aanwezig waren met daarin een donker spoor dat betreft ligging en oriëntatie overeenkomt met een van de spitsgrachten van het Romeinse legioensfort. Geadviseerd wordt om een zandlaag van 30 cm boven het spoor van de spitsgracht in acht te nemen.\n\nEisers hebben het onderzoek van [naam bedrijf] bekritiseerd en ook het advies van [naam bureau]. Zij hebben daartoe onder meer een rapport van hun architect, [naam architect] van september 2024 overgelegd. Wel hebben ze hun bouwplan zodanig aangepast dat een zandlaag van 30 cm boven de spitsgracht in acht werd gehouden.\n\n9.4.. De rechtbank stelt voorop dat deze onderzoeken dateren van na de last, het advies van [naam bureau] zelfs van na de beslissing op bezwaar. Daarnaast volgt uit het advies van [naam bedrijf] dat nader onderzoek plaats moet vinden en komt uit dat nader onderzoek door [naam bureau] naar voren dat het bouwplan enigszins aangepast moet worden om de nog aanwezige sporen van de Romeinse gracht te beschermen. Eisers betwisten deze rapporten wel en ook de noodzaak van het behouden van een zandlaag van 30 cm, maar daarmee hebben zij nog niet aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.\n\n9.5.. Het voorgaande betekent dat eisers niet hebben aangetoond dat er geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Nu zij ten tijde van het opleggen van de last en ook ten tijde van de beslissing op bezwaar evenmin een vergunning hadden voor de grondwerkzaamheden, was sprake van een overtreding van de bepalingen van het facetbestemmingsplan.\n\nIs sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien?\n\n10. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, moet in geval van een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik maken. Handhavend optreden is alleen onevenredig, als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.\n\n10.1.. Eisers voeren aan dat sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en wijzen op het vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Eisers vinden het belang van archeologisch onderzoek van een klein stukje grond dat volgens hen zeker verstoord is (gelet op eerdere onderzoeken) niet in verhouding staan tot het dwingen van burgers om maandenlang in een gesloopt huis zonder achtergevel te bivakkeren.\n\nIs handhaving evenredig?\n\n11. De rechtbank stelt vast dat het college heeft gehandeld overeenkomstig het facetbestemmingsplan. De kritiek van eisers komt er voor een groot deel ook op neer dat zij vinden dat het facetbestemmingsplan te streng is, omdat nu voor alle activiteiten waarbij grondwerkzaamheden nodig zijn, een omgevingsvergunning nodig is. Ook als de (bouw)activiteiten op minder dan 50 m2 zien.\n\n11.1.. Als eisers het niet eens waren met het facetbestemmingsplan, hadden zij rechtsmiddelen moeten indienen tegen de vaststelling van het facetbestemmingsplan. Die mogelijkheid hebben zij ook gehad. Het facetbestemmingsplan is nu echter onherroepelijk en de inhoud van het facetbestemmingsplan kan daarom niet aan de orde komen.\n\n11.2.. Uit dat facetbestemmingsplan volgt dat onderzoek plaats moest vinden. Als het college daarop niet zou handhaven dan zou dit facetbestemmingsplan een lege huls zijn. Daarmee is geen sprake van een relatief gering belang van de gemeente, dat niet zou opwegen tegen gevolgen voor eisers. Dat in het geval van eisers niet alleen dat onderzoek nodig was, maar dat het ook heeft geleid tot vertraging van de bouw en stress, maakt dat niet anders. Dat is immers niet het gevolg van de plicht om het onderzoek te verrichten, maar van het feit dat eisers dat niet vóór de werkzaamheden hadden gedaan. Zoals hiervoor overwogen mocht het college van eisers verwachten dat zij op de hoogte waren van (wijzigingen in) de regels die voor hun perceel gelden. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de handelswijze van het college niet onevenredig is. Om diezelfde redenen kan het betoog van eisers dat een onjuiste belangenafweging heeft plaatsgevonden, evenmin slagen.\n\nIs sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel?\n\n12. Voor zover eisers aanvoeren dat de opgelegde last onder dwangsom in strijd is met het gelijkheidsbeginsel volgt de rechtbank dat niet. Volgens eisers hebben de bewoners van het pand [adres 2] in [plaats] op 16 februari 2024 een brief gekregen van het college waarin staat dat eenzelfde soort verbouwing (vervanging en uitbreiding van een aanbouw buiten de bestaande fundering) zonder omgevingsvergunning is toegestaan. Het college heeft aangegeven dat bij [adres 2] een fout is gemaakt omdat het college een verkeerde uitleg van de Omgevingswet had gevolgd. Het college wil deze fout niet herhalen. Ook is aangegeven dat het college de gemaakte fout zal herstellen door te beoordelen of er voor die situatie alsnog een omgevingsvergunning verleend kan worden. De rechtbank is het met het college eens dat daarom geen sprake is van een gelijk geval waar een dergelijke uitbouw wel is toegestaan zonder omgevingsvergunning.\n\nIs sprake van schending van vertrouwensbeginsel door de acceptatie van de sloopmelding?\n\n13. Eisers voeren verder aan dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel omdat het college akkoord heeft gegeven op de melding voor de sloopwerkzaamheden. Het moet voor het college toen bekend zijn geweest dat onderdeel van de sloopwerkzaamheden het uitgraven van de fundering was. Dit betekent dat het college impliciet een omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouwwerkzaamheden.\n\n13.1.. Ook dit betoog faalt. Als eerste geldt voor de sloopmelding een ander toetsingskader, afdeling 7.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. De grondwerkzaamheden waarvoor de last is opgelegd betreffen daarnaast een groter oppervlak dan alleen de bestaande serre, zodat ook in zoverre de sloopmelding geen vertrouwen kon opleveren dat alle grondwerkzaamheden akkoord waren.\n\n14. Eisers voeren ook aan dat er tijdens de procedure veel onduidelijkheid is geweest in de communicatie van de gemeente. Telkens werden door ambtenaren, juristen en andere vertegenwoordigers van de gemeente over de bepalingen uit het facetbestemmingsplan andere interpretaties gegeven en andere verwachtingen gewekt. De adviseur rechtsbescherming heeft volgens eisers aan hen medegedeeld dat de afdeling juridische zaken aan de handhavingsambtenaar zou adviseren om de last onder dwangsom in te trekken omdat het bouwplan zonder omgevingsvergunning zou kunnen worden gerealiseerd. Later bleek dit niet zo te zijn. Daarnaast wijzen eisers erop dat in de beslissing op bezwaar de grondslag van de last onder dwangsom is gewijzigd.\n\n14.1.. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat er bij de gemeente onduidelijkheid bestond over de toepassing van het omgevingsplan en het facetbestemmingsplan. Dit is ook naar eisers toe geuit. Eisers hebben daarom langere tijd in onzekerheid verkeerd over hun situatie. De rechtbank merkt daarbij wel op dat deze onduidelijkheid niet zozeer was gelegen in het facetbestemmingsplan. Dat schrijft duidelijk voor dat bij deze bestemming voor alle grondwerkzaamheden, al dan niet in combinatie met bouwactiviteiten, archeologisch onderzoek nodig is. De onduidelijkheid zag op de vraag of dit door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan door de bruidsschat opzij werd gezet. Dat ook binnen de gemeente over die landelijke regelgeving onduidelijkheid bestond, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat de adviseur rechtsbescherming zou hebben aangegeven dat geadviseerd is om de last onder dwangsom in te trekken kan niet worden aangemerkt dat als een ondubbelzinnige toezegging van een daartoe bevoegde ambtenaar dat zonder omgevingsvergunning gebouwd mocht worden. Daarbij wijst de rechtbank erop dat een wijziging van de grondslag van een last onder dwangsom in de beslissing op bezwaar mogelijk is omdat de bezwaarschriftenprocedure een algehele heroverweging van het primaire besluit inhoudt.In de bezwaarschriftenprocedure kunnen daarom gemaakte fouten worden hersteld. Het college heeft weliswaar een andere grondslag aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd, dit maakt de gevolgen van het primaire besluit niet anders.\n\nZorgvuldigheidsbeginsel\n\n15. Voor zover eisers aanvoeren dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat zij bij de oplegging van de last onder dwangsom niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze tegen dit besluit kenbaar te maken volgt de rechtbank dat niet. Er was sprake van een spoedeisende situatie waarbij de werkzaamheden direct stil moesten worden gelegd om mogelijke schade aan archeologische waarden te voorkomen. In geval van een spoedeisende situatie kan op grond van artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het vragen van een zienswijze achterwege worden gelaten. Daarnaast blijkt uit de last onder dwangsom dat eisers door de toezichthouder van de gemeente Nijmegen telefonisch in de gelegenheid zijn gesteld om een zienswijze te geven.\n\n16. Gelet op voorgaande oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en dat er voor het college geen grond was om af te zien van handhaving.\n\nConclusie en gevolgen\n\n17. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Om die reden is er ook geen aanleiding om het college te veroordelen in door eisers gemaakte en te maken kosten voor archeologisch onderzoek, extra kosten als gevolg van de vertraging van de bouw en de aanpassingen aan het bouwplan, of proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid\n\nvan mr. M.H. Dijkman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage\n\nInvoeringswet Omgevingswet\n\nArtikel 4.6.\n\n1. Als deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet, gelden:\n\n(...)\n\ng. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening,\n\n(...)\n\nArtikel 4.14\n\nAls een activiteit voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van die wet voor die activiteit een verbod als bedoeld in artikel 5.1, 5.3 of 5.4 van de Omgevingswet van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die wet een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die wet. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor daarbij aangegeven activiteiten worden bepaald dat:\n\na. een omgevingsvergunning van rechtswege geldt voor een andere daarbij aangegeven termijn,\n\nb. aan de geldigheid van een omgevingsvergunning van rechtswege geen termijn is verbonden.\n\nOmgevingsplan Nijmegen\n\nArtikel 22.1. Voorrangsbepaling\n\n1. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.\n\n(...)\n\nArtikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek\n\n1. Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.\n\n2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.\n\nArtikel 22.26\n\nHet is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.\n\nArtikel 22.27\n\nHet verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:\n\na. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:\n\n1. op de grond staand;\n\n2. gelegen in achtererfgebied;\n\n3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;\n\n4. niet hoger dan 5 m;\n\n5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en\n\n6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;\n\n(...)\n\nArtikel 22.28\n\n(...)\n\n4. Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij:\n\na. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of\n\nb. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.\n\nArtikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan\n\nOnverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:\n\na. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:\n\n1. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:\n\ni. 5 m;\n\nii. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en\n\niii. het hoofdgebouw;\n\n(...)\n\nFacetbestemmingsplan Archeologie 2023\n\nArtikel 3 Waarde - Archeologie 13.1. \n\nBestemmingsomschrijving\n\nDe voor Waarde - Archeologie 1 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.\n\n3.2. Bouwregels3.2.1. \n\nAlgemene bouwregels\n\nOp deze gronden mag niet worden gebouwd, met dien verstande dat (delen van) een bouwwerk dat geen bodemingreep met zich meebrengt, zijn toegestaan.\n\n3.3. Afwijken van de bouwregels3.3.1. \n\nAfwijkingsbevoegdheid\n\nHet bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.1 voor bouwwerken ten behoeve van deze dubbelbestemming en van de overige voor deze gronden geldende bestemmingen.\n\n3.3.2. \n\nToelaatbaarheid\n\nEen omgevingsvergunning kan worden verleend indien op basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.\n\n3.3.3. \n\nAdviesprocedure voor afwijkingen\n\nAlvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.3.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast en welke voorschriften, ter bescherming van de archeologische waarden, aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden zoals:\n\nde verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals: alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;\n\ntot het doen van een opgraving in de zin van artikel 1.1 lid c Erfgoedwet;\n\nhet begeleiden van de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend door een daarvoor aangewezen archeologisch deskundige;\n\nhet doen van nader archeologisch onderzoek.\n\n3.4. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden\n\n3.4.1. \n\nWerken en werkzaamheden\n\nHet is verboden op of in de in lid 3.1 bedoelde grond zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren:\n\ngrondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en het verwijderen van bestaande funderingen;\n\nhet ophogen van de bodem met meer dan 1 meter;\n\nhet tot stand brengen en\u002Fof in exploitatie brengen van boor-en pompputten;\n\nhet aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen,\n\nhet uitvoeren van heiwerkzaamheden en\u002Fof het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;\n\nhet verlagen van het grondwaterpeil, buiten de bandbreedte van de natuurlijke fluctuatie;\n\nhet aanleggen of rooien van houtopstand(en) waarbij stobben worden verwijderd;\n\net omzetten van grasland in bouwland;\n\nhet aanleggen van nieuwe ondergrondse transport-, energie-,of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.\n\n3.4.2. \n\nUitzonderingen\n\nHet in lid 3.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden indien aan een van onderstaande voorwaarden wordt voldaan:\n\nop basis van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;\n\nde werken en werkzaamheden:\n\n1. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;\n\n2. reeds als bestaand gebruik in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;\n\n3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;\n\n4. het archeologisch onderzoek betreffen.\n\n3.4.3. \n\nToelaatbaarheid\n\nDe werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.4.1 zijn slechts toelaatbaar voor zover op grond van archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.\n\n3.4.4. \n\nAdviesprocedure voor omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden\n\nAlvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast en welke voorschriften, ter bescherming van de archeologische waarden, aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.\n\n12.1. Overgangsrecht bouwwerken12.1.1. \n\nAlgemeen\n\nEen bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,\n\na. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;\n\nb. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.\n\n Uitspraak van 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2066\n\n Artikel 22.22 van het omgevingsplan van de gemeente Nijmegen is per 13 april 2026 geschrapt.\n\n Artikel 22.28 is per 13 april 2026 van het omgevingsplan van de gemeente Nijmegen is per 13 april 2026 gewijzigd.\n\n In artikel 22.1, eerste lid van het Omgevingsplan staat: “De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.” Dit betekent dat een bestemmingsplan in zo’n geval voorgaat op de artikelen 22.4 t\u002Fm 22.35 en de artikelen 22.41 t\u002Fm 22.270 als deze in strijd zijn met het Omgevingsplan. Dit geldt niet voor de artikelen 22.36 t\u002Fm 22.40.\n\n [website 2]\n\n Zie artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3432","2026-04-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:05.865Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":65,"fullText":75,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":50,"updatedAt":78},"1681","ECLI:NL:RBDHA:2026:11003","ecli-nl-rbdha-2026-11003",58,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SGR 23\u002F6629, 24\u002F2357 en 24\u002F32uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaken tussen\n\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.R.D.D. Speelman)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, het college\n\n(gemachtigde: mr. J. dos Santos).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een last onder dwangsom aan eiser (SGR 23\u002F6629), het buiten behandeling stellen van twee aanvragen om een omgevingsvergunning (SGR 24\u002F32) en het invorderen van een dwangsom (SGR 24\u002F2357). Eiser is het niet eens met deze besluiten. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de bestreden besluiten.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. Eiser krijgt dus gelijk en de beroepen zijn daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\nZaak SGR 23\u002F6629\n\n2. Op 23 november 2020 heeft een toezichthouder van de afdeling Veiligheid, Toezicht en Handhaving van de gemeente Leidschendam-Voorburg geconstateerd dat op de uitbouw van de woning aan de [adres 1] door eiser, eigenaar van de bovengelegen woning aan de Parkweg 85A, een dakterras met hekwerk is gerealiseerd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.\n\n2.1.. Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. De last strekt tot (1) het verwijderen en verwijderd houden van het hekwerk op de uitbouw bij de woning aan de [adres 1] , (2) het plaatsen van een valbeveiliging bij de deur die toegang geeft tot het dak en (3) het staken en gestaakt houden van het gebruik van het dak van de uitbouw als dakterras.2.2.. Bij besluit van 24 augustus 2023 heeft het college de bezwaren van eiser tegen het opleggen van de last onder dwangsom ongegrond verklaard.\n\nZaak SGR 24\u002F322.3.. Op 15 oktober 2022 heeft eiser een omgevingsvergunning verzocht ter legalisatie van zijn dakterras.\n\n2.4.. Bij brief van 17 november 2022 heeft het college aan eiser meegedeeld dat het zijn verzoek om een omgevingsvergunning niet in behandeling kan nemen.\n\n2.5.. Op 17 februari 2023 heeft eiser opnieuw verzocht om een omgevingsvergunning ter legalisatie van zijn dakterras.\n\n2.6.. Bij brief van 27 februari 2023 heeft het college dit verzoek buiten behandeling gesteld onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n2.7.. Bij besluit van 22 november 2023 heeft het college de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 17 november 2022 en 27 februari 2023 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.\n\nZaak SGR 24\u002F23572.8.. Bij brief van 13 december 2023 heeft het college aan eiser medegedeeld dat een toezichthouder tijdens een controle op 16 november 2023 heeft geconstateerd dat het gebruik van het dakterras niet is gestaakt.\n\n2.9.. Bij besluit van 8 februari 2024 heeft het college een dwangsom van € 1.500,- bij eiser ingevorderd.\n\nIn alle zaken2.10.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 24 augustus 2023, 22 november 2023 en 8 februari 2024. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.11.. De rechtbank heeft de zaken gevoegd en op 20 maart 2026 behandeld op zitting. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank eerst ingaan op de door eiser verzochte omgevingsvergunning (zaak 24\u002F32). Vervolgens zal het opleggen van de last onder dwangsom worden beoordeeld (zaak 23\u002F6629). Tot slot zal de rechtbank het invorderen van de dwangsom beoordelen (zaak 24\u002F2357).\n\nDe omgevingsvergunning (SGR 24\u002F32)\n\n4. Het college heeft de verzoeken van eiser om een omgevingsvergunning voor het dakterras niet in behandeling genomen. Volgens het college kunnen deze verzoeken niet worden aangemerkt als aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, omdat eiser geen belanghebbende is. Het college stelt zich hiertoe op het standpunt dat het dakterras niet gerealiseerd kan worden, omdat eiser niet beschikt over de hiervoor vereiste privaatrechtelijke toestemming van zijn buren.\n\n5. Eiser betoogt dat hij wel belanghebbende is. Hij voert aan dat alle betrokken omwonenden op enig moment hebben ingestemd met de realisatie van het dakterras. Eiser verwijst hiertoe naar een proces-verbaal van een zitting bij de rechtbank Den Haag van 5 juli 2022,de splitsingsakte van 26 oktober 2022, de notulen van de vergadering van de Vereniging van Eigenaren (VvE) van 16 november 2022 en een door de omwonenden ondertekende brief van 23 november 2019. Verder voert eiser aan dat toestemming van de eigenaren van de naastgelegen woning [adres 2] niet nodig is, omdat een op de zij-erfgrens aanwezig privacyscherm ervoor zorgt dat er vanaf het dakterras geen zicht is op het naastgelegen erf. Voor zover ten aanzien van dit erf sprake zou zijn van een privaatrechtelijke belemmering, is die volgens eiser dan ook weggenomen.\n\n5.1.. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.\n\n5.2.. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.\n\n5.3.. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat bij de beoordeling van de belanghebbendheid de hoofdregel geldt dat degene die een verzoek om vergunning indient, in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op het verzoek. Dit kan anders zijn als het verzoek om het verlenen van een vergunning betrekking heeft op gronden die bij een ander in eigendom zijn of waarop een ander zakelijke rechten heeft. Als aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteit niet kan worden verwezenlijkt omdat de rechthebbende hiervoor geen toestemming wil geven en er geen mogelijkheid bestaat om de activiteit te verwezenlijken tegen de wens van de rechthebbende in, dan is de verzoeker geen belanghebbende. In dat geval is het verzoek om vergunning geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.\n\n5.4.. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie zich hier niet voordoet. Eiser heeft in dit verband terecht gewezen op onder meer het proces-verbaal van een zitting bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2022, waaruit volgt dat de eigenaren van de woning aan de [adres 1] toestemming verlenen voor de aanleg en het gebruik van het reeds gerealiseerde dakterras op hun uitbouw. Ook in de akte van splitsing van 26 oktober 2022 wordt bevestigd dat de eigenaren van de uitbouw de aanwezigheid van het dakterras accepteren. Dat betekent dat niet aannemelijk is geworden dat het dakterras niet kan worden gelegaliseerd omdat de rechthebbenden op de uitbouw hiertegen bezwaar hebben. Het college heeft dan ook ten onrechte aangenomen dat eiser geen belanghebbende is bij zijn verzoek om een omgevingsvergunning voor het dakterras.\n\n5.4.1.. \n\nVoor zover het college meent dat het dakterras te dicht op de erfgrens is gerealiseerd en dat hiervoor daarom de instemming van omwonenden is vereist, leidt dit niet tot een ander oordeel. De vraag of sprake is van privaatrechtelijke belangen van derden die eraan in de weg kunnen staan dat een omgevingsvergunning voor het dakterras wordt verleend, dient het college te beantwoorden bij de beoordeling van de aanvraag voor die omgevingsvergunning. Daartoe zal het college deze aanvraag dus eerst in behandeling moeten nemen. Bij de beoordeling van de aanvraag zal het college acht moeten slaan op de door eiser overgelegde documenten waaruit volgens hem blijkt dat de betrokken omwonenden akkoord zijn met de realisatie van het dakterras.\n\nHet betoog van eiser slaagt.\n\n5.5.. De conclusie van het voorgaande is dat het college de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. De rechtbank zal het bestreden besluit van 22 november 2023 daarom vernietigen. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.\n\nHet opleggen van de last onder dwangsom (SGR 23\u002F6629)\n\n6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór 1 januari 2024 een last onder dwangsom is opgelegd voor een gepleegde overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing, tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Het college heeft de last onder dwangsom vóór 1 januari 2024 opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.\n\n7. Eiser betoogt dat het college de last onder dwangsom niet mocht opleggen, omdat – zo begrijpt de rechtbank het betoog van eiser – sprake is van concreet zicht op legalisatie van het dakterras. Eiser heeft er in dit verband op gewezen dat zowel de bewoners van de [adres 1] als de betrokken overige omwonenden geen bezwaar hebben tegen het dakterras.\n\n8. Het college stelt zich op het standpunt dat de last onder dwangsom terecht is opgelegd. Volgens het college is sprake van een overtreding. Concreet zicht op legalisatie hiervan ontbreekt, nu het college niet bereid is de voor het dakterras vereiste omgevingsvergunning te verlenen.\n\n8.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding, nu het dakterras strijd oplevert met het bestemmingsplan en zonder de hiervoor vereiste omgevingsvergunning is gerealiseerd. Eiser heeft zijn beroepsgrond dat het dakterras kon worden gerealiseerd met gebruikmaking van een bouwvergunning die in 1980 is verleend ter zitting ingetrokken. De rechtbank zal hierover daarom geen oordeel geven.\n\n8.2.. Het is vaste rechtspraak dat het algemeen belang gediend is met handhaving. Gelet op dit algemeen belang, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder dwangsom op te leggen, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.\n\n8.3.. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er sprake is van concreet zicht op legalisatie. Bij strijd met het bestemmingsplan bestaat concreet zicht op legalisatie, als er een ontvankelijke aanvraag is ingediend en het college bereid is de gevraagde afwijking van het bestemmingsplan toe te staan.Die situatie doet zich hier niet voor. In beginsel volstaat het feit dat het college niet bereid is om een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken, namelijk als op voorhand duidelijk is dat het standpunt om niet mee te werken aan legalisatie rechtens niet houdbaar is. De weigering om planologische medewerking te verlenen moet zeer terughoudend worden getoetst.\n\n8.4.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat het college in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat concreet zicht op legalisatie ontbreekt. Hierboven is onder 5.5 overwogen dat het college de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning voor het dakterras ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. Dat ten tijde van het besluit op bezwaar geen ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning was ingediend, kan eiser daarom niet worden tegengeworpen. Het college heeft verder ter zitting bevestigd dat – als de aanvraag om een omgevingsvergunning inhoudelijk zou zijn beoordeeld – de enige reden om géén omgevingsvergunning te verlenen zou zijn gelegen in het ontbreken van de toestemming van de omwonenden. Dat betekent dat het college zich op het standpunt stelt dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan vergunningverlening in de weg staat. Naar het oordeel van de rechtbank is op voorhand niet zeker of dit standpunt van het college kan worden gevolgd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een privaatrechtelijke belemmering slechts in de weg kan staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan, als deze belemmering evident is. Dat wil zeggen dat zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van het dakterras de toestemming van een ander is vereist en die ander deze toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven.Gelet op de door eiser overgelegde stukken waarmee hij zijn standpunt heeft onderbouwd dat de betrokken omwonenden op enig moment hebben ingestemd met de aanwezigheid van het dakterras, is naar het oordeel van de rechtbank twijfelachtig of sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter.\n\nHet betoog van eiser slaagt.\n\n8.5.. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de opgelegde last onder dwangsom onvoldoende duidelijk is waar het gaat om het staken en gestaakt houden van het gebruik van het dak van de uitbouw als dakterras. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen.De rechtbank is van oordeel dat de last aan dit criterium voldoet, omdat het staken van het gebruik van het dakterras naar normaal spraakgebruik duidelijk is.\n\n8.6.. Gelet op wat is overwogen onder 8.4 is het beroep tegen het bestreden besluit van 24 augustus 2023 gegrond. De rechtbank zal dit besluit vernietigen omdat het niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een draagkrachtige motivering. Het college zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van eiser moeten beslissen.\n\nDe invordering van de dwangsom (SGR 24\u002F2357)\n\n9. Bij besluit van 8 februari 2024 heeft het college bij eiser een dwangsom van € 1.500,- ingevorderd omdat eiser niet tijdig heeft voldaan aan de last om het gebruik van het dakterras te staken en gestaakt te houden (hierna: last 3).\n\n9.1.. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 24 augustus 2023 is van rechtswege mede gericht tegen het invorderingsbesluit van 8 februari 2024. Dit volgt uit artikel 5:39, eerste lid, van de Awb.\n\n10. Onder verwijzing naar een rapport van een controle die is uitgevoerd op 16 november 2023, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat eiser niet tijdig aan last 3 heeft voldaan. Volgens het college was het gebruik van het dakterras ten tijde van de controle niet gestaakt.\n\n11. Eiser bestrijdt het standpunt van het college dat hij niet tijdig aan last 3 heeft voldaan.\n\n11.1.. Dit betoog van eiser slaagt. Uit het controlerapport en de daarbij gevoegde foto’s volgt dat het hekwerk rond het dakterras ten tijde van de controle was verwijderd en los op het dak lag. Verder is geconstateerd dat de schuifpui die toegang gaf tot het dakterras met een hangslot was afgesloten en is op de foto’s zichtbaar dat in de hoek van het dakterras tegen de woning aan wat tuinmeubilair is opgestapeld. Gelet op deze bevindingen van de toezichthouder en op de onweersproken toelichting van eiser ter zitting dat de huurders van de woning niet beschikten over de sleutel van het hangslot waarmee de schuifpui kon worden geopend, was naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van de controle geen sprake van een overtreding van last 3. Het dakterras was op het moment van de controle niet als zodanig in gebruik en hiervoor – door de verwijdering van het hekwerk – ook niet meer geschikt. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser ook gehouden was tot verwijdering van de tegels op de uitbouw en tot het weghalen van het opgeslagen tuinmeubilair, volgt dit niet uit het handhavingsbesluit.\n\n11.2.. Het college heeft daarom ten onrechte aangenomen dat eiser niet heeft voldaan aan last 3 en is ten onrechte tot invordering van de dwangsom overgegaan.\n\n12. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de invorderingsbeschikking van 8 februari 2024 vernietigen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. De beroepen van eiser zijn gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen. Het college zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 4 oktober 2022 (SGR 23\u002F6229) en op de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 17 november 2022 en 27 februari 2023 (SGR 24\u002F32).\n\n14. Omdat de beroepen gegrond zijn, veroordeelt de rechtbank het college in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (2 punten voor het indienen van een beroepschrift in de zaken SGR 23\u002F6629 en 24\u002F32 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nIn zaak SGR 23\u002F6629:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 24 augustus 2023;\n\n- draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze\n\n uitspraak;\n\n- bepaalt dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- aan hem vergoedt.\n\nIn zaak SGR 24\u002F32:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 22 november 2023;\n\n- draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze\n\n uitspraak;\n\n- bepaalt dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- aan hem vergoedt.\n\nIn zaak SGR 24\u002F2357:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 8 februari 2024.\n\nIn alle zaken gezamenlijk:\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr., A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zaaknummer 9144842\u002F21-50250.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1232.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1691.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5796.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1186.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1555.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11003","2026-05-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.258Z",20,[11,81,82,83,84],2025,2024,2023,2022]