[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-planning-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":115},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":29,"page":14,"limit":114},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},112,"planning-law-nl","Planning Law","NL","2026-07-08T16:56:56.673Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":19},6,{"month":27,"count":19},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,61,70,79,87,96,106],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"589","ECLI:NL:RBGEL:2026:5367","ecli-nl-rbgel-2026-5367","",60,"2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 26\u002F2749 en 26\u002F2822uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nop het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] )\n\nAls derde-partij nemen aan de zaken deel: [naam 1] en [naam 2] uit [plaats] .\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde last onder dwangsom wegens het plaatsen van vier chalets op het perceel aan de [adres] in Nijkerk (kadastraal bekend als gemeente Nijkerk Gelderland, sectie [sectie] perceelnummer [nummer] ) zonder benodigde omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom heeft mogen opleggen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dan ook ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij wijze van voorlopige voorziening de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht te verlengen tot zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Bij besluit van 16 december 2025 heeft het college de last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 22 mei 2026 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser, de gemachtigde van het college en de derde-partij hebben deelgenomen aan de zitting.\n\n2.2.. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat. Daarna zet zij het wettelijk kader uiteen. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van de opgelegde last onder dwangsom.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n4. Op 1 september 2025 heeft het college een handhavingsverzoek van de derde-partij ontvangen in verband met vier geplaatste chalets op het perceel van eiser. De derde-partij heeft verzocht om deze chalets te (laten) verwijderen aangezien deze illegaal zijn geplaatst. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek heeft een toezichthouder van het college een controle verricht op het perceel. De toezichthouder heeft geconstateerd dat vier\n\nchalets zijn geplaatst op het perceel binnen vijf meter van de perceelsgrens. Dit is een overtreding van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan van de gemeente Nijkerk . Eiser heeft geen omgevingsvergunning om van het omgevingsplan af te wijken. Op 16 december 2025 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd waarin hij gelast is om de geplaatste chalets te verwijderen of om de chalets vergunningvrij uit te voeren.\n\n4.1.. Tegen het besluit van 16 december 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt. Voordat het college een beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft het advies ingewonnen bij de bezwaarschriftencommissie. Bij besluit van 22 mei 2026 heeft het college, in navolging van het advies van de commissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de last onder dwangsom in stand gelaten.\n\nWettelijk kader\n\n5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de chalets staan, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nijkerk 2017, veegplan 2’ van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Nijkerk . Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt (onder meer) een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.\n\n5.1.. Op het perceel geldt de bestemming ‘Recreatie’ met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - 6’. Volgens artikel 17.2.2 onder b van het bestemmingsplan is het uitsluitend toegestaan om ‘andere bouwwerken’ te bouwen binnen een afstand van vijf meter tot enige perceelsgrens.\n\nBeginselplicht tot handhaving\n\n6. Eiser betwist niet dat sprake is van een overtreding. Tussen partijen is dan ook niet in geschil dat sprake is van een overtreding.\n\n6.1.. Als sprake is van een overtreding, dan is het college bevoegd om daar handhavend tegen op te treden. Als uitgangspunt geldt dat het college ook gebruik moet maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. Dit wordt ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving.\n\n6.2.. In bepaalde gevallen mag van het college toch worden verwacht dat het afziet van handhavend optreden. Dat is bijvoorbeeld het geval als handhavend optreden onevenredig is. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel zijn.\n\nIs handhavend optreden onevenredig omdat sprake is van concreet zicht op legalisatie?\n\n7. Eiser wijst erop dat hij een omgevingsvergunning heeft aangevraagd en dat er daarom sprake is van concreet zicht op legalisatie.\n\n7.1.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Dat legt zij hieronder uit.\n\n7.2.. \n\nDe voorzieningenrechter stelt voorop dat vaststaat dat eiser op 10 februari 2026 (opnieuw) een omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Het enkele feit dat een aanvraag is ingediend is echter niet voldoende om concreet zicht op legalisatie aan te nemen. Van concreet zicht op legalisatie is bij strijd met het omgevingsplan immers pas sprake als het college te kennen heeft gegeven bereid te zijn om de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het omgevingsplan. Het college heeft daar in het verweerschrift over opgemerkt dat het nieuw ingediende plan overeenkomt met een eerder ingediend plan uit 2023. Dit plan is in strijd met het omgevingsplan en het college is niet bereid om een omgevingsvergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan. Reeds om die reden is geen sprake van concreet zicht op legalisatie.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs handhavend optreden om andere redenen onevenredig?\n\n8. Eiser voert aan dat hij te maken heeft met aanzienlijke financiële druk en schuldeisers. De gevolgen van onmiddellijke handhaving zijn voor hem daarom zeer ingrijpend en mogelijk onomkeerbaar. De chalets zijn momenteel niet in gebruik en worden dus niet verhuurd. Er is daarom geen sprake van aantoonbare overlast. Ook wijst eiser erop dat er in de vergunningzaak, die op dit moment ook bij de rechtbank loopt, nog geen duidelijkheid is verschaft over een juridische houdbare oplossing. Volgens eiser is het redelijk om eerst de uitkomst van die procedure af te wachten. Ook heeft eiser aangevoerd dat de situatie eerst gedoogd werd en dat hij verwachtte dat er in overleg met de gemeente een oplossing gevonden zou worden. Die verwachting was ook logisch, omdat ondertussen gedurende meerdere jaren gesprekken zijn gevoerd over legalisatie, aangepaste plannen en alternatieve situeri ngen.\n\n8.1.. Voor wat betreft de gestelde de financiële gevolgen voor eiser merkt de voorzieningenrechter allereerst op dat eiser niet per se gelast is om de chalets te verwijderen. Zoals eerder aangegeven kan eiser (een deel van de) chalets vergunningvrij plaatsen op het perceel. Gehele verwijdering, verkoop of transport van de chalets is daarom niet per definitie aan de orde. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt verder dat het feit dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene ten laste van wie wordt gehandhaafd, niet maakt dat handhavend optreden daardoor zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het bestuursorgaan daarvan om die reden behoort af te zien.Dat geen sprake is van overlast, maakt ook niet dan het college om die reden van handhaving had behoren af te zien. Dit is namelijk geen bijzondere omstandigheid om van handhavend optreden af te zien. Ook als er geen overlast zou worden ervaren, wat door de derde-partij overigens wordt betwist, is het college in beginsel nog steeds verplicht om handhavend op te treden. Handhavend optreden kan in voorkomende gevallen wel onevenredig zijn bij een overtreding van geringe aard en omvang, maar daar is in dit geval geen sprake van.\n\n8.2.. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet onevenredig is dat het college de uitkomst van het beroep over de aangevraagde omgevingsvergunning bij de rechtbank niet af wil wachten. In die zaak gaat het over een aangevraagde omgevingsvergunning voor de plaatsing van vier chalets op het perceel. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat dit bouwplan volgens het college vergunningvrij is. Eiser heeft op zitting toegelicht dat dit bouwplan in de praktijk niet verwezenlijkt kan worden, omdat het plan betrekking heeft op kleinere chalets dan de chalets die nu aanwezig zijn op het perceel. De voorzieningenrechter is gelet daarop van oordeel dat de uitkomst in die zaak weinig tot geen betekenis heeft voor deze handhavingszaak. Dat bouwplan biedt namelijk geen reële mogelijkheid om de overtreding te beëindigen. Het is dan ook niet onredelijk dat het college de uitkomst in die zaak niet wil afwachten. Daar merkt de voorzieningenrechter nog bij op dat het naar haar oordeel voldoende duidelijk is hoe eiser aan de last kan voldoen; ofwel door de chalets af te breken, of door ze zo te plaatsen dat ze vergunningvrij zijn. Dat zou ook kunnen betekenen dat niet alle vier de chalets kunnen blijven staan, maar dat één of meerdere chalets verwijderd moeten worden. Het college heeft eiser terecht de vrijheid geboden om zelf te bepalen hoe hij aan de last kan voldoen, en dus ook op welke manier hij de chalets vergunningvrij kan plaatsen. Het is niet aan het college om daar alle mogelijke opties voor aan te dragen.\n\n8.3.. \n\nTen slotte overweegt de voorzieningenrechter dat de omstandigheid dat de situatie eerst gedoogd werd, niet maakt dat handhavend optreden onevenredig is. Het college erkent dat destijds is aangegeven dat de situatie tijdelijk gedoogd werd, maar daar is wel uitdrukkelijk bij aangegeven dat dit niet betekent dat het college nooit meer handhavend zou kunnen optreden. Toen er een handhavingsverzoek werd ingediend, was het college gehouden om daarop te beslissen en om uiteindelijk tot handhavend optreden over te gaan. Eiser heeft er niet gerechtvaardigd op kunnen vertrouwen dat het college niet handhavend op zou treden.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de begunstigingstermijn te kort?\n\n9. Eiser voert aan dat de hem geboden begunstigingstermijn van 6 weken te kort is.\n\n9.1.. In het primaire besluit heeft eiser een termijn gekregen tot 11 maart 2026. Vervolgens heeft het college deze termijn verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat het als uitgangspunt heeft genomen dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen en dat de termijn in overeenstemming is met Uitvoerings- en Handhavingsstrategie van het college. Het college heeft dus toegelicht waar de begunstigingstermijn op gebaseerd is. Eiser heeft daarentegen enkel in algemene zin gesteld dat dat de opgelegde begunstigingstermijn van zes weken naar zijn mening niet realistisch is, maar heeft in zijn geheel niet onderbouwd waarom dat zo is. De voorzieningenrechter heeft dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de begunstigingstermijn te kort was.\n\n9.2.. Op dit moment is de begunstigingstermijn al verstreken. De voorzieningenrechter heeft op zitting aangegeven in deze uitspraak met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen en de begunstigingsstermijn (uit coulance) te verlengen, om eiser op die manier nog een mogelijkheid te bieden om aan de last te voldoen zonder dat hij een dwangsom verbeurt. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht te verlengen tot zes weken na verzending van deze uitspraak.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter op het beroep beslist, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Zoals onder 9.2 is overwogen, wordt de begunstigingstermijn wel met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb (uit coulance) verlengd tot zes weken na verzending van deze uitspraak.\n\n10.1.. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;\n\n- verlengt bij wijze van voorlopige voorziening de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht tot zes weken na verzending van deze uitspraak.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n ABRvS 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1467 en ABRvS 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:614.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5367","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:38.266Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"1606","ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","ecli-nl-rbobr-2026-4762",72,"2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 26\u002F1562 OWNATU\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [verzoekers]\n\n ,\n\nuit [woonplaats] ,\n\nverzoekers\n\nen\n\nGedeputeerde Staten van de provincie Noord- Brabant, het college\n\n(gemachtigde: S.J.S. van Gils en L.A.M. Kroon)\n\nAls derde-partij heeft deelgenomen: Stichting [naam] , vergunninghouder\n\n(gemachtigde: mr. H.C. Lagouw)\n\nSamenvatting\n\n1.1.. De derde-partij is voornemens wijkgebouw [adres] en verpleeghuis [naam] aan de [adres] in [woonplaats] te slopen om daar nieuwbouw te realiseren. In dat kader heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verrichten van flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet om de gewone dwergvleermuis opzettelijk te verstoren en om voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleemuis (opzettelijk) te beschadigen of te vernielen, voor de periodes van 15 april tot en met 15 mei en 15 juli tot en met 15 augustus. Dit geldt vanaf de dag na de bekendingmaking van het besluit tot en met 15 mei 2031.\n\n1.2.. Met het besluit van 12 mei 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning met voorschriften aan de derde-partij verleend. Het college is – kort samengevat – van oordeel dat voor het doel van het project geen andere bevredigende oplossing is waarbij minder negatieve effecten op de beschermde soorten optreden en dat er een wettelijk belang is om de negatieve effecten te rechtvaardigen.\n\n1.3.. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.\n\n1.4.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek tot schorsing van het bestreden besluit af. Er wordt wel een voorziening getroffen met betrekking tot de geplande werkzaamheden totdat de huidige verblijfplaatsen conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning ongeschikt zijn gemaakt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Vergunninghouder heeft op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 mei 2026 toegewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] namens verzoekers. Verder waren aanwezig de gemachtigden van het college. Namens de derde-partij was aanwezig [naam] , bijgestaan door de gemachtigde. Ook waren aanwezig [naam] en [naam] , beide werkzaam als ecoloog..\n\nInleiding\n\n3.1.. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. Vergunninghouder wil nieuwbouw realiseren aan de [adres] (wijkgebouw) en [adres] (verpleeghuis) te [woonplaats] (de locatie). In de nieuwbouw komt een zorglocatie, 18 driekamerappartementen en gesloten parkeergarage. De herontwikkeling vindt plaats in twee fases. In de eerste fase wordt het bestaande verpleeghuis [naam] gesloopt en worden het nieuwe zorgcentrum gerealiseerd. In de tweede fase wordt het bestaande wijkgebouw [naam] gesloopt en wordt gestart met de bouw van de huurappartementen. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in het activiteitenplan, dat op 10 maart 2026 definitief is geworden.\n\n3.3.. Om te bepalen of met het project negatieve effecten optreden ten aanzien van de eventueel in het gebied voorkomende beschermde diersoorten heeft vergunninghouder ecologisch onderzoek laten uitvoeren en is gebleken dat de volgende verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in de bebouwing aanwezig zijn:\n\n- 1 zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 potentiële (massa)winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis.\n\nEen essentiële vliegroute voor vleermuizen is wel aanwezig, maar wordt niet aangetast zolang er geen additionele verlichting aanwezig zal zijn.\n\n3.4.. Om het bouwplan te realiseren, moet vergunninghouder de gewone dwergvleermuis verstoren en zijn voorplanting- en rustplaatsen vernielen. Dit is een overtreding van de bepalingen als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid onder b en d van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).3.5.. Om deze reden heeft vergunninghouder op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit.De ontheffing is gevraagd op grond van het belang “in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten” zoals genoemd in artikel 8.74k van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).\n\n3.6.. \n\nMet het besluit van 15 mei 2026 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend met voorschriften. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling resulteert in het opheffen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, maar zal door het nemen van maatregelen geen wezenlijke invloed hebben op de instandhouding van het soort. Maatregelen bestaan onder anderen uit dat het ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot en met 15 mei of 15 juli tot en met 15 augustus. Ongeschikt maken mag uitsluitend plaatsvinden nadat een voorafgaande controle\n\ndoor een deskundige ecoloog heeft vastgesteld dat de verblijfplaatsen niet (meer) in\n\ngebruik zijn. Verder bestaan de maatregelen uit het realiseren van tijdelijke en permanente mitigatie voor de gewone dwergvleermuis en het werken buiten kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis. Het college heeft hierbij niet bepaald dat het besluit vier weken later in werking treedt (en dus geen toepassing gegeven aan artikel 16.79, tweede lid van de Omgevingswet).\n\n3.7.. Verzoekers wonen op verschillende adressen aan [adres] en [adres] en hebben tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4.1.. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Het wettelijk kader dat relevant is voor de beoordeling van dit geschil is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n4.2.. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter moet de voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit worden afgewezen. Er is wel aanleiding om een voorziening te treffen met betrekking tot de geplande stripwerkzaamheden voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning De voorzieningenrechter legt dit hierna uit.\n\nHebben verzoekers spoedeisend belang bij de beoordeling door de voorzieningenrechter?\n\n5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers spoedeisend belang hebben bij een beoordeling door de voorzieningenrechter, nu vergunninghouder op korte termijn gebruik wil maken van de omgevingsvergunning.\n\nZijn verzoekers belanghebbenden?\n\n6. Bij de beoordeling of een natuurlijke persoon belanghebbende is bij een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is bepalend of de handelingen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend ruimtelijke uitstraling hebben op de woon- en leefomgeving van de betrokkene. De ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt - in dit geval in dit geval de bouw van de zorglocatie en woningen - is bij die beoordeling niet van belang.\n\n6.1. In dit geval is de ontheffing verleend voor het opzettelijk verstoren en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis.\n\n6.2. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de Wet natuurbescherming-ontheffing kan worden afgeleid dat bij een afstand van meer dan 100 meter het niet aannemelijk is dat de ontheffing (nu de omgevingsvergunning) invloed zal hebben op de betreffende directe woon- en leefomgeving.Verzoekers wonen in dit geval echter op een afstand van minder dan 100 meter van de projectlocatie, waarbij de dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen op een afstand van ongeveer 25 meter van de projectlocatie en ongeveer 45 meter van plaatsen waar vleermuizen verblijven. Gelet op de hiervoor genoemde afstanden acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat het gebruiken van de verleende omgevingsvergunning ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van verzoekers.Dat geldt in ieder geval voor verzoekers 3 en 5 die schuin tegenover de locatie wonen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter voor deze verzoekers zonder meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en dat in het midden kan blijven of de overige verzoekers een rechtstreeks betrokken belang hebben.\n\nHet verzoek\n\n7. Het verzoek strekt tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen voor de beschermde fauna (de gewone dwergvleermuis). Volgens verzoekers start vergunninghouder ten onrechte op 6 juli 2026 met de sloopwerkzaamheden. Verzoekers hebben verzocht een voorziening te treffen die van kracht blijft totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak heeft gedaan in een lopende procedure over het bestemmingsplan.\n\nAanvang sloopwerkzaamheden op 6 juli 2026\n\n8. Vergunninghouder heeft aangegeven dat zij voornemens is om vanaf 6 juli 2026 te starten met werkzaamheden. Het zou gaan om stripwerkzaamheden die volgens haar geen invloed zouden hebben op de aanwezige beschermde soort (de gewone dwergvleermuizen) en daarom zijn toegestaan. Vanaf 15 juli 2026 (afhankelijk van weersomstandigheden maar niet eerder) gaat vergunninghouder beginnen met ongeschikt maken van de bebouwing voor de vleermuizen. Ook de stripwerkzaamheden zullen daarna naar alle waarschijnlijkheid nog plaatsvinden. Vanaf 17 augustus 2026 zal worden gestart met de sloopwerkzaamheden.\n\n8.1.. Uit de omgevingsvergunning blijkt dat het ongeschikt maken van de bebouwing voor vleermuizen voorafgaand aan de werkzaamheden moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot 15 mei of van 15 juli tot 15 augustus. Dit om te zorgen dat de vleermuizen weg zijn voordat aan de sloop van de bebouwing wordt begonnen. De sloopwerkzaamheden mogen pas plaatsvinden als na een controleronde is vastgesteld dat er geen vleermuizen meer aanwezig zijn en pas na expliciete toestemming van de ecoloog. In de voorschriften is ook bepaald dat alle werkzaamheden moeten plaatsvinden volgens het activiteitenplan dat aan de omgevingsvergunning is gehecht. Hierin is het volgende bepaald: “Voordat de bebouwing kan worden gesloopt, dient voorkomen te worden dat op moment van de werkzaamheden nog vleermuizen aanwezig zijn in de bebouwing. De bebouwing dient dan ook ongeschikt gemaakt te worden, waarbij de vleermuizen de mogelijkheid krijgen om uit zichzelf te vertrekken voordat de sloop plaatsvindt.” In voorschrift 1 is bepaald dat met werkzaamheden en\u002Fof activiteiten alle handelingen worden bedoeld die invloed hebben op de beschermde soorten, zoals het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen.\n\n8.2. Tijdens de zitting is gebleken dat het hoogst waarschijnlijk is dat er nog vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode.\n\n8.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook de door vergunninghouder bedoelde stripwerkzaamheden werkzaamheden zijn die vallen binnen het bereik van de vergunning. Het zijn handelingen die invloed kunnen hebben op de vleermuizen. De voorzieningenrechter beschouwt stripwerkzaamheden als onderdeel van de sloopwerkzaamheden. Het verrichten van de stripwerkzaamheden voordat de vleermuisverblijfplaatsen ongeschikt zijn gemaakt, is dus een handeling in strijd met algemeen voorschrift 6 van de omgevingsvergunning. Het uitvoeren van de stripwerkzaamheden vanaf 6 juli 2026 vóór het ongeschikt maken van de stripwerkzaamheden is dus verboden op grond van artikel 5.5, eerste lid onder g, van de Omgevingswet. Het is ook een economisch delict als bedoeld in artikel 1a, eerste lid in combinatie met artikel 6, eerste lid onder 1 van de Wet op de economische delicten.\n\n8.4. Het college geeft terecht aan dat dit een kwestie is van handhaving, en heeft ter zitting ook aangegeven dat steekproefsgewijs controles worden uitgevoerd. Het college heeft niet aangegeven of de uitvoering van stripwerkzaamheden is toegestaan en lijkt dit te laten afhangen van de aard van de werkzaamheden tijdens de controles. Gelet op het voorgaande oordeel dat stripwerkzaamheden onderdeel zijn van de sloopwerkzaamheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning.\n\n8.5. Volledigheidshalve wijst de voorzieningenrechter er op dat het uitvoeren van de werkzaamheden, in de wetenschap dat er hoogstwaarschijnlijk vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode, mede gelet op de te treffen voorlopige voorziening, wordt beschouwd als een overtreding van de specifieke zorgplicht in 11.27 eerste lid onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Nu hoogstwaarschijnlijk vleermuizen aanwezig zijn en de bebouwing op korte termijn ongeschikt wordt gemaakt voor vleermuizen, kan van vergunninghouder redelijkerwijze worden verwacht dat zij voor die tijd geen werkzaamheden uitvoert teneinde verstoring van de vleermuizen te voorkomen. Mocht een vleermuis als gevolg van verstoring door deze werkzaamheden overlijden, is sprake van een overtreding van artikel 11.46 eerste lid onder a, van het Bal omdat vergunninghouder dan willens en wetens de niet te verwaarlozen kans aanvaardt dat een beschermd dier wordt gedood .Dan is sprake van zogenoemde voorwaardelijke opzet.Daaronder valt dan bijvoorbeeld ook werkzaamheden aan een gebouw, waarvan je kunt verwachten dat het direct of indirecte schadelijke effecten heeft op de aanwezige vleermuizen en\u002Fof hun verblijfplaats.\n\nHeeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?\n\n9. Dan resteert de vraag of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen.\n\nToetsingskader\n\n10. De verleende omgevingsvergunning moet worden beoordeeld op grond van artikel 8.74 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van dit artikel wordt een omgevingsvergunning uitsluitend verleend indien is voldaan aan elk van de daarin genoemde voorwaarden, die voor zover hier van belang luiden:\n\n- er bestaat geen andere bevredigende oplossing;\n\n- op grond van het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieuwezenlijke gunstige effecten;\n\n- de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.\n\nDwingende redenen van groot openbaar belang\n\n11. Volgens verzoekers kan de omgevingsvergunning niet worden verleend op grond van \"dwingende redenen van groot openbaar belang\". Het maatschappelijke argument van ‘wijkintegratie’ en de realisatie van een gecombineerde multifunctionele accommodatie (MFA) wordt op oneigenlijke wijze als een deken over het ene project wordt gelegd. Zij wijzen erop dat de specifieke kwetsbare doelgroep in het verzorgingstehuis geenszins zelfstandig zal of kan participeren in het openbare wijkleven of de geplande MFA. Voor zover de nieuwbouw daarnaast voorziet in reguliere huisvesting (zoals in de woontoren), geldt dat voor die bewoners geen sprake is van een specifieke, dwingende zorgbehoefte die de aantasting van beschermde fauna rechtvaardigt.\n\n11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de huidige gebouw niet voldoet aan de (psychiatrische) ondersteuningsbehoefte van haar huidige bewoners. Zij zijn daarom op een andere locatie ondergebracht, maar kunnen hier niet blijven. Door het realiseren van een multifunctionele accommodatie met onder andere een gezamenlijke buurthuiskamer, waar ook zowel bewoners van de wijk als bewoners van de zorglocatie kunnen komen, verbetert de wijkintegratie. Ten slotte wordt ook het belang van woningbouw vermeld ter onderbouwing van het wettelijk belang. Er wordt verwezen naar de woningopgave van de gemeente Oss. Het betreft hier sociale huurwoningen waar in de gemeente Oss grote vraag naar is. Dit project draagt ook weer bij om aan de woningopgave te voldoen.\n\n11.2. Vergunninghouder wijst erop dat het vaste rechtspraak is dat woningbouw onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een maatschappelijke reden van sociale of economische aard, op basis waarvan sprake kan zijn van een groot openbaar belang op een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen. Uit de Woonagenda 2025-2207 volgt dat de gemeente Oss tot 2024 10.000 extra woningen wil bouwen. Op grond van de Regionale Woondeal zal Oss in de periode tot 2023 5217 sociale huurwoningen moeten bouwen. Het staat niet ter discussie dat er een dringende behoefte bestaat aan sociale huurwoningen.\n\n11.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in de behoefte aan een zorglocatie en woningen, een dwingende reden van groot openbaar belang heeft mogen zien. Het college heeft voldoende onderbouwd dat er behoefte is aan een zorglocatie voor zware zorg in de regio omdat de huidige bewoners uit noodzaak elders zijn ondergebracht, maar daar niet kunnen blijven. Doordat de nieuwbouw vertraging heeft opgelopen neemt de wachtlijst en de urgentie toe. Ook is er lokale behoefte aan woningbouw. Het college heeft daarbij gewezen op de woningopgave in de regio Oss van 600 woningen per jaar. De 18 te realiseren appartementen kunnen daaraan bijdragen. De voorzieningenrechter kan deze toelichting volgen en ziet geen reden hieraan te twijfelen.\n\nAndere bevredigende oplossing\n\n12. Verzoekers voeren aan dat ten onrechte het alternatief dat door verzoekers op 20 juni 2025 is aangedragen, na een quickscan is afgewezen omdat het niet past binnen de intern gestelde financiële kaders. Nadere uitwerking leert dat een alternatief wel haalbaar is en de volledige sloop overbodig maakt en meer zorgwoningen oplevert.\n\n12.1.. Het college heeft gesteld dat verzoekers het door hen voorgedragen alternatief niet nader hebben onderbouwd. Het kan daardoor niet reageren op de vraag of dit een redelijk alternatief zou zijn voor de uitvoering van het project. De vraag of er alternatieven beschikbaar zijn kan door het college alleen worden betrokken wanneer het doel van het project ook bereikt zou kunnen worden op een manier die tot minder effecten zou leiden voor de aanwezige flora en fauna. Het doel van dit project is het realiseren van 18 driekamerappartementen, een gesloten parkeergarage en een zorglocatie. Uit nader onderzoek, niet enkel uit de QuickScan, is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Ten slotte zou ook bij renovatie de spouwmuur verloren gaan, hetgeen leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\n12.2. Vergunninghouder wijst erop dat het door verzoekers voorgestelde alternatief qua uitgangspunten een geheel ander bouwplan betreft en dus geen alternatief bevat voor haar wensen, die van BrabantZorg en de gemeente. Uit hoofdstuk 3 van de presentatie van verzoekers \"Voorstel van een alternatief ontwerp\" blijken de verschillen. Het programma van verzoekers behelst 74 zorgappartementen, terwijl het programma van vergunninghouder 48 zorgappartementen, 18 woningen en een MFA. Nu het niet om hetzelfde bouwplan gaat, is het ook geen alternatief.\n\n12.3.. \n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit heeft mogen stellen dat er geen andere bevredigende oplossing is voor het project, die minder effect heeft op de gewone dwergvleermuis. Het college heeft toegelicht dat uit nader onderzoek is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Daarbij acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat bij renovatie de spouwmuren ook verloren gaan en dat leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\nGunstige staat van instandhouding\n\n13. Verzoekers stellen dat de voorgestelde mitigerende maatregelen niet effectief zijn, omdat verzuimd zou zijn om de toekomstige fysieke gebruikssituatie te betrekken. De beoogde locaties voor de permanente voorzieningen zullen zich namelijk in de nabijheid zullen bevinden van installaties zoals warmtepompen- en luchtbehandelingskasten.\n\n13.1. Het college heeft gesteld dat verzoeker verwijst naar de permanente inbouwvoorzieningen die pas tijdens de nieuwbouw worden geplaatst. Het college merkt op dat deze grond daarom niet spoedeisend is, aangezien de permanente voorzieningen niet op korte termijn worden geplaatst. Ten overvloede overweegt het college dat de exacte locaties van de inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en de kraamverblijfplaats nog moeten worden afgestemd met de initiatiefnemer in verband met de nieuwbouw. Alleen voor de massawinterverblijfplaats is de exacte locatie al bekend. Met de opsomming van eigenschappen en maatregelen ten aanzien van de permanente voorzieningen opgenomen op pagina 11 van de verleende omgevingsvergunning wordt de effectiviteit van de voorzieningen gewaarborgd.\n\n13.2. Vergunninghouder heeft daaraan toegevoegd dat vleermuizen veel geluiden niet waarnemen. Als er al enig geluid waarneembaar (voor mensen) zou zijn op de locaties van de permanente nestkasten, dan betekent dat dus niet dat die geluiden ook voor vleermuizen waarneembaar zouden zijn, laat staat dat dat zou betekenen dat deze geluiden tot verstoring zou leiden. Het is vergunninghouder op dit moment niet duidelijk óf en zo ja hoeveel trillingen de installaties veroorzaken. Hij gaat dit onderzoeken en zal zo nodig de locaties van de permanente voorzieningen hierop afstemmen.\n\n13.3. De voorzieningenrechter overweegt dat met de beschrijving van de eigenschappen en maatregelen en de in de voorschriften vervatte verplichting tijdelijke en permanente voorzieningen te treffen, in het bestreden besluit voldoende is geborgd dat er voldoende alternatieve verblijfsmogelijkheden in de directe omgeving behouden blijven tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden. Mede in combinatie met het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen buiten de kwetsbare periode, heeft het college voldoende bewerkstelligt dat door deze maatregelen en verplichtingen de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt.\n\n13.4.. Bij de volledige heroverweging in bezwaar moet nog wel meer concreet worden geborgd waar precies de exacte locaties van de permanente inbouwvoorzieningen van de vier inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en twee inbouwkasten voor de kraamverblijfplaats geplaatst moeten worden. De enkele verplichting om de locatie af te stemmen met vergunninghouder in verband met de nieuwbouw is onvoldoende. De voorzieningenrechter beschouwt de permanente voorzieningen als een mitigerende maatregel en dat de locaties van deze inbouwkasten ten tijde van de besluitvorming bepaald hadden moeten zijn. De voordelige effecten van de maatregel moeten bij mitigerende maatregelen namelijk op voorhand vaststaan. Zolang er onduidelijkheid blijft bestaan waar deze inbouwkasten worden gerealiseerd, staat niet vast dat met deze mitigerende maatregelen voldoende is geborgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de gewone dwergvleermuis in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. De voorzieningenrechter ziet hierin geen reden om het besluit te schorsen omdat de nieuwbouw niet op korte termijn gerealiseerd zal zijn en het college dit nog in bezwaar kan herstellen.\n\nOnderzoeken niet uitgevoerd conform het protocol\n\n14. Verzoekers voeren aan dat de brondata uit het Activiteitenplan fundamentele protocolfouten aantonen. Verzoekers geven hierbij aan dat in de nacht van 18 op 19 augustus 2025 opeenvolgende onderzoeksronden binnen één etmaal zijn samengepropt in plaats van 10 dagen tussentijd. Verzoekers verwijzen naar de reactie van de eigen onafhankelijke deskundige van de initiatiefnemer (Twisk) waarin schriftelijk wordt bevestigd dat deze najaarsronden niet voldoen aan de richtlijn van het vleermuisprotocol.\n\n14.1. Het college stelt dat verzoekers verwijzen naar processtuk 10, de aanvullingen van 24 april 2026. Hierin is het volgende opgenomen: “De genoemde bezoeken op 7 en 19 augustus voldoen aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol ten aanzien van onderzoek naar massa-winterverblijven, maar werd in het plangebied geen zwermgedrag waargenomen. Bij de bezoeken op 18 augustus en 8 september werd vroeger gestart en werd rond middernacht (18augustus) af een uur ervoor (8 september) gestopt, waarmee deze ronden niet voldoen aan de richtlijn in het Vleermuisprotocol voor massa-winterverblijven. Uit een vergelijking met de hiervoor beschreven informatie over zwermgedrag bij bekende massa winterverblijven kan echter geconcludeerd worden dat ook op 18 augustus de kans groot was dat zwermende gewone dwergvleermuizen zouden zijn waargenomen als er een massa winterverblijfplaats aanwezig was. Dat er alleen op 18 augustus, bijna anderhalf uur voor middernacht, vijf zwermende gewone dwergvleermuizen werden waargenomen, en niet tijdens de overige drie bezoeken die zijn uitgevoerd, maakt het zeer onwaarschijnlijk dat in de gebouwen aan de [adres] in [woonplaats] een massa-winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen aanwezig is.” Deze afwijking waar verzoekers naar verwijzen gaat enkel over de potentiële massawinterverblijfplaats. In het bestreden besluit is hierover opgenomen dat er in de nazomerzwermperiode 5 gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen. Deze vleermuizen keerden regelmatig terug rondom de kozijnen van één van de raampartijen aan de westzijde van het (voormalig) verpleeghuis, wat erop wijst dat de verblijfplaats zich ergens langs de kozijnen bevindt. Deze waarneming heeft plaatsgevonden om 22:33 uur. Gelet op het tijdstip, aantal individuen en de periode in het jaar, kan niet worden uitgesloten dat deze verblijfplaats een massawinterverblijfplaats betreft. Daarom wordt deze als zodanig beschouwd. De afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding.\n\n14.2. Vergunninghouder merkt op dat haar deskundige (Twisk) in zijn rapport 'Beoordeling verblijfplaats gewone dwergvleermuis, [adres] , [woonplaats] ' concludeert dat er geen massawinterverblijfplaats aanwezig is. Hij stelt dat de twee door Sweco uitgevoerd bezoeken op 7 en 19 augustus aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol voldoen. Dat is ook voldoende. De andere twee uitgevoerde rondes hadden een ander doel, namelijk het waarnemen van paar- en baltsgedrag. Deze hoeven dus ook niet volgens het massawinterprotocol uitgevoerd te worden.\n\n14.3. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoeken. Weliswaar heeft Het collefge toegelicht dat sprake is van afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen en die voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding. Verder is in het activiteitenplan van 15 september 2025 inderdaad een fout geslopen. Er staat 15 juli 2025 in de voetteksten, maar dat had de datum van 15 september 2025 moeten zijn. Dat maakt niet dat de gehele besluitvorming onzorgvuldig is en dat de omgevingsvergunning daarom niet verleend had mogen worden. Hierin ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nTransportroute en volksgezondheid\n\n15 Verzoekers stellen dat de route van de vrachtwagen in de sloopmelding anders loopt dan de route die is opgenomen in rapporten van de Aeriusberekeningen. Nu de vergunning expliciet eist dat verstoring van de fauna te allen tijde moet worden voorkomen, dwingt deze gewijzigde rijroute tot een hernieuwde ecologische beoordeling. De totale sloop van de huidige bebouwing vormt bovendien een acute bedreiging voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna.\n\n15.1. Het college stelt dat de AERIUS-berekeningen geen onderdeel uitmaken van het bestreden besluit. Deze procedure heeft geen betrekking op een Natura 2000-activiteit. Het college wijst erop dat het in de procedurele overwegingen van het besluit hebben overwogen dat er een toestemming op basis van andere wet- en regelgeving van toepassing kan zijn. Verzoekers hebben verder niet aangevoerd hoe de gekozen transportroute een zware belasting vormt qua trillingen en geluid.\n\n15.2.. Vergunninghouder merkt hierover op dat de vrachtwagens de route zullen rijden zoals aangegeven in de sloopmelding. Op het moment dat de vrachtwagen van de sloop gaan rijden, zullen de vleermuizen zich niet meer in de te slopen gebouwen bevinden vanwege de ontmoedigingsmaatregelen. Er zijn voor deze periode tijdelijke voorzieningen aangebracht op de woningen. Slechts een deel van de locaties van de tijdelijke voorzieningen ligt langs de aanvoerroute van de vrachtwagen. Dit is bovendien op redelijke grote afstand. Bovendien zal het zware verkeer als gevolg van de sloop geen significant effect hebben ten opzichte van het reeds bestaande zware verkeer op de verschillende omliggende straten.\n\n15.3.. Het bestreden besluit ziet niet op de stikstofemissies vanwege transport. Tijdens de zitting is voldoende aannemelijk geworden dat de verblijfplaatsen niet dicht in de buurt bij de transportroute zitten. Het college heeft dit gesteld en eisers hebben het niet weersproken. De voorzieningenrechter acht het op grond daarvan onvoldoende aannemelijk dat de transportroute zal leiden tot verstoring.\n\n15.4.. Verzoekers maken zich zorgen vanwege de stofoverlast door de sloop van de huidige bebouwing die een acute bedreiging zou vormen voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna. Vergunninghouder mag op grond van voorschrift 1 van de verleende omgevingsvergunning geen werkzaamheden uitvoeren die invloed hebben op een beschermde soort. Daarmee is voldoende geborgd dat de transporten een acute dreiging kunnen vormen voor de lokale (beschermde) fauna. De volksgezondheid is niet een belang dat het college bij deze besluitvorming heeft hoeven te betrekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Teneinde iedere verwarring omtrent de stripwerkzaamheden weg te nemen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen en ziet hij hierin geen reden om het bestreden besluit te schorsen en wijst hij het verzoek voor het overige af.\n\n17 Omdat het verzoek gedeeltelijk wordt toegewezen moet het college de door verzoekers betaalde griffierechten vergoeden. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nverbiedt bij wijze van voorlopige voorziening expliciet dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning;\n\nwijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 200 aan verzoekers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H. M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage\n\nWettelijk kader\n\nArtikel 5.1. tweede lid van de Omgevingswet\n\n2Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\na.een bouwactiviteit,\n\nb.een milieubelastende activiteit,\n\nc.een lozingsactiviteit op:\n\n1°.een oppervlaktewaterlichaam,\n\n2°.een zuiveringtechnisch werk,\n\nd.een wateronttrekkingsactiviteit,\n\ne.een mijnbouwlocatieactiviteit,\n\nf.een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot:\n\n1°.een weg,\n\n2°.een waterstaatswerk,\n\n3°.een luchthaven,\n\n4°.een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg,\n\n5°.een installatie in een waterstaatswerk,\n\ng.een flora- en fauna-activiteit,\n\nvoor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.\n\nArtikel 11.27 Bal\n\n1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:\n\na.alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;\n\nb.voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en\n\nc.als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.\n\n2. voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:\n\na.voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:\n\n1°.van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;\n\n2°.van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;\n\n3°.dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en\n\n4°.voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;\n\nb.als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nc.als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nd.alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;\n\ne.tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en\n\nf. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.\n\n3 Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.\n\nArtikel 11.46 Bal\n\nHet verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:\n\na. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn,bijlage IIbij het verdrag van Bern ofbijlage Ibij het verdrag van Bonn;\n\nb. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;\n\nc. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a;\n\nd. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en\n\ne. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn ofbijlage Ibij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.\n\nArtikel 8.74k Besluit kwaliteit leefomgeving\n\n1Voor zover een aanvraag een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid,11.47, eerste lid, of11.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:\n\na.er geen andere bevredigende oplossing voor het verrichten van de activiteit bestaat;\n\nb.de activiteit nodig is:\n\n1°.in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;\n\n2°.voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;\n\n3°.in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;\n\n4°.voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of\n\n5°.om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; en\n\nc.de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.\n\n2Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld inartikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgevingtot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, bedoeld in dat onderdeel onder 1°, 2° en 3°, in aanmerking genomen.\n\n3Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een faunabeheereenheid. In dat geval kan de omgevingsvergunning ook worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen.\n\n Artikel 5.1. tweede lid onder g van de Omgevingswet\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1830, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4197 en van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1234.\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n voorschrift 1 van de vergunning\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","2026-07-13T00:29:29.306Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":50,"updatedAt":69},"800","ECLI:NL:RBGEL:2026:5195","ecli-nl-rbgel-2026-5195",81,"2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Apeldoorn\n\nZaaknummer: 11908728 \\ CV EXPL 25-3150\n\nVonnis van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoonGEMEENTE [gemeentenaam],\n\nte [plaatsnaam] ,\n\neisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\ngemachtigde: mr. R.A. Oosterveer en mr. M. de Boer,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. W. Sallé.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 8 april 2026 - de akte van de gemeente - de akte van [gedaagde] .\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling in conventie en in reconventie\n\n2.1.. In het tussenvonnis is de gemeente in de gelegenheid gesteld nader toe te lichten hoe het bedrag van € 11.000,00 is ontstaan. De gemeente heeft in de akte uiteengezet dat dit bedrag volgt uit de toepassing van de Plankostenscan, zoals die in alle soortgelijke zaken wordt toegepast. Het betreft een rekentool met forfaitaire bedragen, die per 1 april 2017 is vastgelegd in een ministeriële regeling, de Regeling plankosten exploitatieplan (hierna: de Regeling). De gemeente hanteert sinds 2013 een vaste bijdrage. In 2018 is dit beleid door de gemeente geëvalueerd en daarbij is beoordeeld hoe de forfaitair in rekening gebrachte bedragen zich verhouden tot de werkelijke kosten. Daarbij is geconcludeerd dat de tot dan toe in rekening gebrachte bedragen niet kostendekkend waren voor een klein project met 1 of 2 woningen. Daarom zijn voor die projecten de bedragen vervolgens verhoogd. De plankosten zijn bij Collegebesluit van februari 2018 vastgesteld op € 11.000,00 voor een project met twee woningen. Er is voor [gedaagde] dus geen ander bedrag in rekening gebracht dan voor andere aanvragen, aldus de gemeente. De gemeente heeft verder in een werkoverzicht aangegeven welke (soorten) werkzaamheden door de gemeente zijn verricht ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging van [gedaagde] .2.2.. \n [gedaagde] heeft in haar akte betwist dat met de door de gemeente verstrekte informatie voldoende inzichtelijk geworden is dat het bedrag van € 11.000,00 gerechtvaardigd wordt door de werkzaamheden van de gemeente. Zij stelt dat hier geen sprake was van een kleinschalig woningbouwproject, maar slechts van een bestemmingswijziging om de formele bestemming in overeenstemming te brengen met de werkelijke situatie. Bovendien is in 2013 door de gemeente geadviseerd alleen voor nieuw te bouwen woningen het kostenverhaal te verplichten. De feitelijke werkzaamheden, zoals in het overzicht genoemd, zijn beperkt geweest en betreffen ook werkzaamheden van vóór het aangaan van de overeenkomst. De werkzaamheden rechtvaardigen de hoogte van het bedrag niet, aldus [gedaagde] .2.3.. Uit de door de gemeente aangeleverde informatie blijkt dat de in rekening gebrachte kosten niet zijn opgebouwd uit de kosten voor concrete uren met tarieven per uur, maar bestaan uit forfaitaire tarieven, die gebaseerd zijn op een landelijk gehanteerde manier van berekenen. Achter de forfaitaire tarieven zit een inschatting van in het algemeen voor dergelijke werkzaamheden benodigde uren en de kosten daarvan. In de door de gemeente overgelegde eindrapportage uit 2018 is opgenomen dat de (toenmalige) wettelijke regeling een minimale bijdrage van € 8.000,00 per plan zou voorschrijven. Dit is in zoverre onjuist dat in artikel 5 van de Regeling geen minimumbedrag, maar in beginsel een maximumbedrag van € 8.000,00 was opgenomen. In de rapportage wordt verder zonder controleerbare onderbouwing aangegeven dat de vaste kosten voor de planvoorbereiding en besluitvorming feitelijk € 8.825,00 bedragen. Hier wordt vervolgens een bedrag van € 1.500,00 per woning bij opgeteld aan variabele kosten voor planologische begeleiding en contractbeheer. Voor de bestuurlijke besluitvorming is dit kennelijk voldoende (inzichtelijk) geweest en hierop is het beleid aangepast.\n\n2.4.. Hoewel [gedaagde] er enigszins in kan worden gevolgd dat de door de gemeente aan haar beleid ten grondslag liggende inschatting van de werkelijke kosten niet erg inzichtelijk is, is met deze uitleg wel voldoende onderbouwd dat het bedrag van € 11.000,00 door de gemeente ook voor andere aanvragers van soortgelijke bestemmingsplanwijzigingen in een anterieure overeenkomst wordt gehanteerd. Dus niet alleen in situaties waarin het gaat om daadwerkelijke bouwactiviteiten, maar ook in alle situaties waarin het gaat om een aanvraag om alleen de bestemming te wijzigen. Daarmee strandt het verweer van misbruik van omstandigheden. Dat een deel van de in de berekening betrokken werkzaamheden is uitgevoerd voordat tot het sluiten van de overeenkomst is overgegaan, maakt dat niet anders. Het bedrag is immers ook dan gebaseerd op (de kosten voor) de werkzaamheden die samenhangen met de gevraagde bestemmingswijziging, ook in soortgelijke zaken.2.5.. Omdat een anterieure overeenkomst niet bestuursrechtelijk, maar privaatrechtelijk van aard is en een overeenkomst gesloten wordt op basis van wilsovereenstemming tussen partijen en in principe vrijwillig is, is de uitkomst van de plankostenscan strikt genomen niet bindend voor de gemeente. [gedaagde] heeft aangevoerd dat er in haar geval redenen hadden moeten zijn voor de gemeente om een lager bedrag in rekening te brengen, of in elk geval het overeengekomen bedrag niet op haar te verhalen. Hiermee doet zij een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Voor het slagen van een dergelijk beroep ligt de lat echter erg hoog. Dan moet worden vastgesteld dat het beroep van de gemeente op nakoming van de contractuele afspraken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Die hoge lat wordt hier niet gehaald. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van de gemeente in hoofdsom toewijsbaar is en dat de vorderingen van [gedaagde] in reconventie afgewezen zullen worden.\n\n2.6.. De gemeente vordert daarnaast een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Die vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagde] is een consument, zodat moet worden beoordeeld of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De gemeente heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal het bedrag van € 650,00, dat past bij de hoofdsom, worden toegewezen. Ook de gevorderde vergoeding van de wettelijke rente over de hoofdsom is toewijsbaar.\n\n2.7.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van de gemeente betalen. Omdat de standpunten en stellingen in reconventie samenvallen met de kosten in conventie worden daarvoor geen afzonderlijke kosten begroot. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n120,21\n\n- griffierecht\n\n€\n\n543,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n900,00\n\n(2,5 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.707,21.\n\n3. De beslissing in conventie en in reconventie\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 6.757,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 5.500,00, met ingang van 10 september 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.707,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,3.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5195","2026-07-13T00:28:48.835Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":50,"updatedAt":78},"1935","ECLI:NL:RBNNE:2026:2522","ecli-nl-rbnne-2026-2522",65,"2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: LEE 24\u002F4344 en LEE 24\u002F4345\n einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [naam] , uit Havelte, eiser 1 (LEE 24\u002F4344)\n\n [naam] uit Havelte, eiser 2 (LEE 24\u002F4345),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld\n\n(gemachtigde: mr. drs. E.A.A. van Dam).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze einduitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het herinrichten van het sportpark en het vernieuwen van de accommodatie aan de [adres] te Havelte (het perceel). Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Het college heeft op beide beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eisers en de gemachtigde van het college.\n\n2.4.. Op 23 december 2025 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken te herstellen.\n\n2.5.. Het college heeft het bestreden besluit per brief van 2 februari 2026 nader gemotiveerd. Het college heeft daarbij een rapport ‘Herinrichting sportpark Havelte, second opinion akoestisch onderzoek’ van bureau Peutz gevoegd.\n\n2.6.. De rechtbank heeft eisers op 18 februari 2026 in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het herstel van het gebrek kenbaar te maken. Zij hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.\n\n2.7.. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij mondeling op een nadere zitting willen worden gehoord. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe tussenuitspraak\n\n3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.\n\n3.1.. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college de vergewisplicht uit artikel 3:2 van de Awb geschonden heeft bij het volgen van de bevindingen en conclusie van het (aanvullend) geluidsonderzoek, door niet inhoudelijk te reageren op eisers’ stelling dat in het model is uitgegaan van een gesloten pand, terwijl het pand in- en uitgangen heeft aan de kant van de parkeerplaats, en dat aspect ook niet ter beoordeling aan de adviseur voor te leggen. Het college heeft daardoor onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van aanvaardbare geluidgevolgen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast heeft het college niet kenbaar onderzocht en gemotiveerd dat de door eisers genoemde locatie - in het licht van de relatieve vergelijking waarop het college zich beroept maar die niet kenbaar in de besluitvorming is betrokken - geen gelijkwaardig alternatief is met aanmerkelijk minder bezwaren.\n\nGoede ruimtelijke ordening en geluid\n\n4. In de aanvullende motivering stelt het college dat uit de rekenresultaten van het onderzoek door bureau Peutz volgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter hoogte van de woningen ten gevolge van het sportpark ten hoogste 45 dB(A) bedraagt in de dagperiode tijdens wedstrijddagen en ten hoogste 45 dB(A) in de maatgevende avondperiode tijdens trainingsdagen. Daarmee kan worden voldaan aan de standaard geluidgrenswaarde van 50 dB(A) voor de dagperiode en 45 dB(A) voor de avondperiode. Het college stelt dat de rekenresultaten van het onderzoek door bureau Peutz niet wezenlijk anders zijn dan de resultaten uit eerdere onderzoeken en concludeert dat de geluidgevolgen in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn.\n\n5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de aanvullende motivering het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld. Het college is namelijk ook in de aanvullende motivering niet inhoudelijk ingegaan op eisers’ stelling dat in het model bij het geluidsonderzoek is uitgegaan van een gesloten pand, terwijl het pand in- en uitgangen heeft aan de kant van de parkeerplaats.\n\nIn het geluidsonderzoek van bureau Peutz staat dat bij de akoestische modelvorming (inderdaad) uitsluitend de dubbele deur aan de oostzijde is beschouwd (de openslaande deuren naar het terras). In het geluidsonderzoek van bureau Peutz is aanvullend wél de geluidsemissie van een deur aan de noordzijde van de kantine betrokken, maar de in- en uitgangen aan de kant van de parkeerplaats -waar het gebrek in de tussenuitspraak op zag- zijn daarin niet (kenbaar) betrokken.\n\nAlternatieve situatie\n\n6. In de aanvullende motivering stelt het college dat de situering van de accommodatie is bepaald aan de hand van de plaatsing van het hoofdveld en de pupillenvelden. Het college stelt dat de accommodatie nog wel op de plaats van de pupillenvelden, aan de noordzijde van het hoofdveld, gesitueerd zou kunnen worden, maar dat gekozen is voor situering van de accommodatie aan de westzijde vanwege de beperkte ruimte en aanwezige infrastructuur. Volgens het college leidt de door eisers voorgestelde alternatieve locatie aan de noordzijde niet tot aanmerkelijk minder bezwaren. Het college verwijst naar de variantberekening in het rapport van Peutz. Het college merkt daarbij op dat de lagere geluidsbelasting bij de alternatieve locatie aan de noordzijde wordt veroorzaakt door het laten vervallen van een pupillenveld en dat mét dat pupillenveld vrijwel geen verschil wordt verwacht. Verder zou volgens het college voor vergunninghouder geen sprake zijn van een gelijkwaardig resultaat.\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de aanvullende motivering ook het tweede in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld. In de aanvullende motivering is het college op geen enkele wijze ingegaan op de relatieve vergelijking waarnaar bij de besluitvorming wel is verwezen, maar die niet kenbaar in die besluitvorming is betrokken. Verder heeft het college ook anderszins niet voldoende gemotiveerd dat de door eisers voorgestelde locatie geen gelijkwaardig alternatief is met aanmerkelijk minder bezwaren. De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat voor vergunninghouder geen sprake is van een gelijkwaardig alternatief is daarvoor onvoldoende, temeer omdat op de zitting van 28 november 2025 door eisers onweersproken is gesteld dat het voor vergunninghouder niet uitmaakte waar de accommodatie zou komen. Dat de door eisers voorgestelde locatie niet leidt tot aanmerkelijk minder bezwaren is naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende onderbouwd, omdat het college dat standpunt baseert op een berekening waarvan het college zelf aangeeft dat die onvolledig is. De reden voor de lagere geluidsbelasting die is berekend bij situering van de accommodatie aan de noordzijde van het hoofdveld is volgens het college dat in de vergelijking een van pupillenvelden is komen te vervallen. Volgens het college zou er geen verschil zijn als dat veld wordt meegerekend, maar die aanname wordt niet onderbouwd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet voldaan aan de in de tussenuitspraak geformuleerde opdracht. Het college heeft met de in de herstelpoging opgenomen informatie nog steeds niet inhoudelijk gereageerd op eisers’ stelling dat in het model is uitgegaan van een gesloten pand, terwijl het pand in- en uitgangen heeft aan de kant van de parkeerplaats, en dat aspect is ook niet (kenbaar) in het geluidsonderzoek bij de aanvullende motivering betrokken. Het college heeft daardoor onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van aanvaardbare geluidgevolgen in het kader van een goede ruimtelijke ordening.\n\nDaarnaast heeft het college nog steeds niet kenbaar onderzocht en gemotiveerd dat de door eisers genoemde locatie - in het licht van de relatieve vergelijking waarop het college zich beroept maar die niet kenbaar in de besluitvorming is betrokken - geen gelijkwaardig alternatief is met aanmerkelijk minder bezwaren.\n\n8.1.. Reeds omdat het college niet heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak geformuleerde opdracht van de rechtbank, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\n8.2.. De rechtbank ziet geen ruimte om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank ziet verder geen aanleiding opnieuw een bestuurlijke lus toe te passen. Het college zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat dit besluit binnen zes weken na verzending van deze uitspraak moet zijn genomen.\n\n8.3.. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen met zaaknummers LEE 24\u002F4344 en LEE 24\u002F4345 gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat het college het door eisers betaalde griffierecht van € 187,- aan beide eisers moet vergoeden;\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Volk, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de\n\nbehandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2522","2026-07-13T00:29:46.262Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":43,"courtId":74,"decisionDate":75,"fullText":83,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":50,"updatedAt":86},"1945","ECLI:NL:RBNNE:2026:2591","ecli-nl-rbnne-2026-2591","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F2066\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n\nResort Westerkwartier B.V., statutair gevestigd te Capelle aan den IJssel, verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. M. A . Jansen)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Westerkwartier\n\n(gemachtigde: mr. T.D. Polak)\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n1.1.. Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.\n\n1.2.. Bij e-mailbericht verzonden op 24 juni 2026 is door Westerkamp, werkzaam voor verweerder, het volgende medegedeeld aan Kleen Resorts.\n\n“In reactie op onderstaande communicatie deel ik u het volgende mee;\n\nOp basis van de huidige situatie mogen wij geen adressen opnemen in de BAG. Wij hebben via recente satellietfoto’s geconstateerd dat het terrein, gelegen achter en naast [adres] leeg is. Vergunningvrije objecten mogen pas in de BAG geregistreerd worden als geconstateerd is dat deze er feitelijk staan. […]”\n\n1.3.. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt.\n\nHet verzoek om een voorlopige voorziening\n\n2. Verzoekster verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verweerder uiterlijk dinsdag 30 juni 2026 om 13.00 uur de standplaatsen zoals weergegeven op de bij het verzoek gevoegde tekening van het recreatieterrein vast te stellen en nummers toe te kennen en dit te registreren. Voorts wordt verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten en tot het vergoeden van het griffierecht.Beoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. Het geschil gaat over een voormalige camping, gelegen op het adres plaatselijk bekend [adres] . In het bezwaarschrift gedateerd 25 juni 2026 is het terrein nader geduid als de percelen kadastraal bekend gemeente Marum, sectie [sectie] , nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] en [nummer 7] .\n\n4. In verweerders gemeente is de bevoegdheid om standplaatsen vast te stellen in de zin van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen door de raad van de gemeente gedelegeerd aan verweerder.\n\n5. Het door verzoekster gemaakte bezwaar richt zich tegen de weigering op grond van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen (Wet BAG) standplaatsen vast te stellen. De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of het niet-vaststellen van standplaatsen als bedoeld in artikel 6 van de Wet BAG een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.\n\n6. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet BAG volgt dat de in de adressen- en gebouwenregistraties opgenomen gegevens alle zijn terug te voeren op een in het adressen- of gebouwenregister opgenomen brondocument.Er is voor het college in beginsel geen interpretatievrijheid en opneming of wijziging van een gegeven is in beginsel niet op rechtsgevolg gericht. Als uitgangspunt geldt dat de wijziging van een registratie in de BAG geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.Niet valt in te zien waarom dat voor de weigering om standplaatsen vast te stellen anders zou zijn.\n\n7. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing om geen standplaatsen vast te stellen voor de litigieuze kadastrale percelen niet op rechtsgevolg is gericht. Dat is anders als een belanghebbende die gerede twijfel heeft over de juistheid van een in de basisregistratie opgenomen authentiek gegeven of het ontbreken van een authentiek gegeven in de basisregistratie het college van burgemeester en wethouders onder opgaaf van redenen heeft verzocht dat gegeven te wijzigen respectievelijk op te nemen in de basisregistratie.De voorzieningenrechter is van oordeel dat die situatie in het onderhavige geval niet aan de orde is, zodat geen sprake is van een besluit.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Daarom is de voorzieningenrechter kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening. Met overeenkomstige toepassing van artikel 2.5, zevende lid van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat geen griffierecht wordt geheven. Als inmiddels griffierecht is betaald, dan zal de griffier dit terugbetalen.\n\n9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n. Artikel 6 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, gelezen in samenhang met artikel 3 van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) gemeente Westerkwartier 2019; Gemeenteblad 2019, 3092.\n\n. Kamerstukken II2006\u002F07, 30 968, nr. 3, blz. 18 en 19.\n\n. Vgl. rov. 6 van ABRvS 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1043.\n\n. Artikel 38 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, gelezen in samenhang met artikel 41 van die wet.\n\n. Stcrt. 2025, 20750.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2591","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:46.716Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":91,"fullText":92,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":50,"updatedAt":95},"748","ECLI:NL:GHARL:2026:3647","ecli-nl-gharl-2026-3647","2026-06-02T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nnummer BK-ARN 25\u002F304\n\nuitspraakdatum: 2 juni 2026\n\nUitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [belanghebbende]te[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)\n\ntegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 18 december 2024, nummer ARN 22\u002F5578, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Doetinchem(hierna: de heffingsambtenaar) en\n\nde Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid)teDen Haag\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. Aan belanghebbende is een aanslag leges opgelegd van € 16.447.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft in zijn uitspraak op dit bezwaar de aanslag leges gehandhaafd.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor immateriële schade en proceskosten toegekend van respectievelijk € 1.000 en € 218,75.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.\n\n1.5.. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.6.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Namens belanghebbende zijn verschenen [naam1] en [naam2] , bijgestaan door [naam3] . Namens de heffingsambtenaar is [naam4] verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.\n\n2. Feiten\n\n2.1. Belanghebbende heeft op 16 september 2021 een verzoek bij de gemeente Doetinchem ingediend om een (nieuw) bestemmingsplan vast te stellen voor het perceel aan [adres1] en [adres2] te [plaats] Belanghebbende beoogt daarmee de agrarische bestemming om te zetten in een recreatieve bestemming. In samenhang daarmee wordt het bouwen van een woning met bijgebouwen ( [adres3] ) mogelijk gemaakt.\n\n2.2.. Op grond van onderdeel 2.8.1.1 van de tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2021 van de gemeente Doetinchem heeft de heffingsambtenaar leges ten bedrage van € 16.477 in rekening gebracht.\n\n2.3.. Belanghebbende heeft bezwaar en beroep ingesteld tegen de aanslag leges. De Rechtbank heeft deze aanslag gehandhaafd. Redengevend daarvoor is dat de door belanghebbende beoogde bestemmingsvaststelling verband houdt met een door haar gewenste herontwikkeling van het perceel (aanwenden voor recreatieve doeleinden en bewoning) en dat daarom sprake is van werkzaamheden door de gemeente die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht heeft opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.\n\n3.2.. Belanghebbende betoogt in dit verband dat het vaststellen van een bestemmingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en dus niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.\n\n3.3.. Tussen partijen is de berekening van de hoogte van de leges niet in geschil.\n\n3.4.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag leges. De heffingsambtenaar concludeert tot handhaving van deze aanslag.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\nRegelgeving4.1.. Op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro)stelt de gemeenteraad voor het grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven.\n\n4.2.. Ingevolge artikel 3.6 Wro kan bij een bestemmingsplan onder meer worden bepaald dat met inachtneming van de bij het bestemmingsplan te geven regels burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen.\n\n4.3.. In artikel 3.38 Wro is bepaald dat de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1 voor die delen van het grondgebied van de gemeente waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien, in plaats van een bestemmingsplan een beheersverordening kan vaststellen waarin het beheer van dat gebied overeenkomstig het bestaande gebruik wordt geregeld.\n\n4.4.. In artikel 3.39, lid 1 Wro is geregeld dat op het tijdstip van inwerkingtreding van een beheersverordening voor een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt, het bestemmingsplan vervalt voor zover het op dat gebied betrekking heeft. In het tweede lid is bepaald dat op het tijdstip van inwerkingtreding van een bestemmingsplan voor een gebied waarvoor een beheersverordening geldt, de beheersverordening vervalt voor zover zij op dat gebied betrekking heeft.\n\n4.5.. Op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Ingevolge artikel 5 Gemeentewet wordt onder gemeentebestuur verstaan ieder bevoegd orgaan van de gemeente.\n\nOverwegingen4.6.. Ten tijde van het in behandeling nemen van belanghebbendes aanvraag is de beheersverordening ‘Landelijk gebied 2020’ van toepassing. Een dergelijke beheersverordening regelt enkel het beheer overeenkomstig het bestaande gebruik (zie 4.3). Voor het uitvoeren van de door belanghebbende verzochte bestemmingswijziging moet daarom een bestemmingsplan worden vastgesteld als bedoeld in artikel 3.1 Wro (zie 4.1).\n\n4.7.. Op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b Gemeentewet kunnen leges worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten (zie 4.5). Onder dergelijke diensten worden verstaan de werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.\n\n4.8.. Naar het oordeel van het Hof gaat het bij het vaststellen door de gemeenteraad van de bestemming van gronden in een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wro, rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang. Juist dit publieke belang vormt de rechtvaardiging voor de beperkingen die een bestemmingsplan oplegt aan eigenaren van grond binnen dit bestemmingsplan. Het vaststellen van een bestemmingsplan door de gemeenteraad, ook als het plangebied slechts een of enkele percelen betreft, wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en houdt niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Bij het in behandeling nemen van een aanvraag tot het vaststellen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wro is derhalve niet, ook niet gedeeltelijk, sprake van een rechtstreeks aan de aanvrager verrichte dienst waarvoor op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b Gemeentewet leges kunnen worden geheven. Hoewel ook hier indirect sprake is van een particulier belang, zoals altijd als een bestemmingsplan wordt vastgesteld met betrekking tot een gebied dat (gedeeltelijk) in eigendom is bij particulieren, is dit particuliere belang naar het oordeel van het Hof niet rechtstreeks en in overheersende mate in het geding.Nu geen sprake is van een dienst in de zin van artikel 229, lid 1, letter b Gemeentewet, is heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk en dient de aanslag leges te worden vernietigd.\n\nSlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\n5.1.. Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van € 365 en € 579.\n\n5.2.. Het Hof vindt bovendien aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.\n\n5.3.. Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 666 voor de bezwaarfase (1 punt voor bezwaarschrift, wegingsfactor 1, waarde per punt € 666), € 1.868 voor de beroepsfase (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 934) en op € 1.868 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 934). Aangezien de Rechtbank de Staat heeft veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 218,75 aan kosten in verband met de behandeling van het beroep, en de Staat daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het Hof de door de heffingsambtenaar te betalen vergoeding met dit bedrag verminderen tot € 4.183,25.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof:\n\nverklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing over de vergoedingen van immateriële schade en van de proceskosten;\n\nvernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar;\n\nvernietigt de aanslag leges;\n\nveroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 4.183,25; en\n\ndraagt de heffingsambtenaar op de door belanghebbende betaalde griffierechten van € 365 en € 579 te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. J.W. Keuning, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.\n\nDe beslissing is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\n(G.J. van de Lagemaat) (A.J.H. van Suilen)\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n De Wet ruimtelijke ordening is per 1 januari 2024 vervangen door de Omgevingswet.\n\n HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4105, r.o. 3.3.1; Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1459, r.o. 4.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7776, r.o. 4.3.\n\n Vgl. HR 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2174, r.o. 4.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1459, r.o. 4.7; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7776, r.o. 4.5.\n\n Vgl. HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:399, r.o. 2.3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3647","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.311Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":43,"courtId":100,"decisionDate":101,"fullText":102,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":50,"updatedAt":105},"1778","ECLI:NL:RBMNE:2026:1300","ecli-nl-rbmne-2026-1300",63,"2026-04-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 25\u002F4413en 25\u002F4652\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2026 op het verzoek om bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking van\n Provinciale Staten van Utrecht, uit Utrecht, PS\n\n(gemachtigden: mr. J.J. Hoekstra en mr. N. Haireche).\n\nTegen de onteigeningsbeschikking zijn bedenkingen ingediend door:\n\n [BV] B.V.,uit [vestigingsplaats] , [BV] ;\n\n [Vof] v.o.f., uit [vestigingsplaats] , de Vof\n\n(gemachtigde: mr. C.F. van Helvoirt).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel:\n\nTenneT TSO B.V. uit Arnhem, TenneT\n\n(gemachtigde: mr. J.A.M.A. Sluysmans).\n\nInleiding\n\n1.1.. Langs de A2 in de gemeente Stichtse Vecht ligt het transformatorstation ‘Breukelen-Kortrijk 380-150 Kv’. TenneT wil dit transformatorstation uitbreiden om de transportcapaciteit in de provincies Utrecht, Flevoland en Gelderland te vergroten.\n\n1.2.. Om deze uitbreiding planologisch mogelijk te maken hebben PS op 2 oktober 2024 het provinciaal inpassingsplan ‘Uitbreiding transformatorstation Breukelen-Kortrijk 380-150 kV’ (het PIP) vastgesteld. Het PIP maakt van rechtswege onderdeel uit van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan gemeente Stichtse Vecht (het omgevingsplan). [BV] en de Vof hebben beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), maar zij hebben geen voorlopige voorziening gevraagd. Dit betekent dat het PIP in werking is getreden.\n\n1.3.. Om het transformatorstation te kunnen uitbreiden, heeft TenneT aan PS gevraagd om de volgende drie percelen (de percelen), gelegen in de gemeente Stichtse Vecht, te onteigenen:\n\nperceel [perceelnummer 1] gedeeltelijk, 16.043 m2;\n\nperceel [perceelnummer 2] , gedeeltelijk, 20.975 m2;\n\nperceel [perceelnummer 3] , gedeeltelijk, 26.104 m2.\n\nDe percelen zijn in eigendom van [BV] en in gebruik als grasland. Daarnaast zijn op de percelen diverse zakelijke rechtengevestigd. Op de percelen zijn voor N.V. Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland (WRK) opstalrechten nutsvoorzieningen gevestigd. De overige zakelijk gerechtigden zijn Saranne B.V. en Stedin Netbeheer B.V. (voor alle drie de percelen) en voor perceel [perceelnummer 3] ook KPN B.V., Ziggo Netwerk B.V., Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) en Vitens N.V. (de overige zakelijk gerechtigden).\n\n1.4.. PS hebben op 4 juni 2025 een onteigeningsbeschikking genomen en Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht (GS) belast met de bekendmaking, de mededeling en de terinzagelegging van de onteigeningsbeschikking met bijbehorende stukken en met het indienen van het verzoek tot bekrachtiging bij de rechtbank.\n\n1.5.. GS hebben de rechtbank op 28 juli 2025 – namens PS – verzocht om de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen.\n\n1.6.. \n [BV] en de Vof hebben op 12 augustus 2025 bedenkingen ingediend tegen de onteigeningsbeschikking. PS hebben op 3 oktober 2025 op de bedenkingen gereageerd. TenneT heeft ook op de bedenkingen gereageerd.\n\n1.7.. De rechtbank heeft het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:\n\n- namens PS: [A] , [B] en hun gemachtigden.\n\n- namens [BV] en de Vof: [C] , statutair directeur van [BV] en zijn gemachtigde. Zij werden vergezeld door [D] , adviseur van [makelaar] B.V.\n\n- namens TenneT: [E] , [F] en hun gemachtigde. Zij werden vergezeld door [G] van [onderzoeksbureau] Nederland B.V..1.8.. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank zowel [BV] en de Vof als PS in de gelegenheid gesteld om aanvullende informatie in de procedure te brengen. [BV] en de Vof hebben deze informatie op 10 februari 2026 ingebracht en PS op 6 maart 2026.\n\n1.9.. De rechtbank heeft het onderzoek op 25 maart 2026 gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOntvankelijkheid\n\n2. Belanghebbenden kunnen bij de rechtbank bedenkingen inbrengen tegen de onteigeningsbeschikking. Dat staat in artikel 16.97, eerste lid, van de Omgevingswet (Ow). In dat artikel worden verschillende belanghebbenden expliciet genoemd, zoals eigenaren, opstallers, pachters en rechthebbenden op rechten van gebruik. [BV] is eigenaresse van de percelen en kan daarom worden aangemerkt als belanghebbende. De bedenkingen zijn echter ook ingebracht namens de Vof. Volgens PS kan de Vof niet als belanghebbende in de zin van artikel 16.97 Ow worden aangemerkt. De Vof is geen eigenaar van en heeft geen rechten op de gronden die moeten worden verworven.2.1.. De rechtbank is het hier niet mee eens. De rechtbank stelt voorop dat de opsomming van belanghebbenden in de Ow niet limitatief is: het gaat om een opsomming van wie ‘in ieder geval’ belanghebbenden zijn en een zienswijze kan indienen. Een belanghebbende bij een besluit is diegene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken en als het gaat om rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.Het standpunt van PS dat alleen degenen die in artikel 16.97, eerste lid, van de Ow worden genoemd bedenkingen kunnen indienen, is onjuist.\n\n2.2.. De rechtbank is van oordeel dat de Vof wel een belanghebbende is die wordt genoemd in artikel 16.97, eerste lid, van de Ow, omdat zij een gebruiksrecht heeft.Op de zitting heeft de statutair directeur van [BV] verklaard dat [BV] slechts eigenaar is van de percelen, maar niet het melkveebedrijf exploiteert. [BV] is vennoot in de Vof en heeft de percelen ingebracht in de Vof. De Vof exploiteert het melkveebedrijf. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen en dit sluit ook aan bij het uittreksel uit de Kamer van Koophandel dat de Vof heeft ingebracht. Daarin staat dat de activiteiten van de Vof onder andere bestaan uit het houden van melkvee. Hiermee is voldoende aannemelijk dat de Vof een gebruiksrecht ten aanzien van de percelen heeft en dus belanghebbende bij de onteigeningsbeschikking is. De bedenkingen van de Vof zijn daarmee ontvankelijk.\n\nHet toetsingskader\n\n3. De rechtbank beoordeelt het verzoek om bekrachtiging aan de hand van de wettelijk voorgeschreven ambtshalve basistoets en de door belanghebbenden ingebrachte bedenking.\n\n3.1.. De ambtshalve basistoets bestaat uit de volgende vier onderdelen:\n\nIs de onteigeningsbeschikking volgens de wettelijke vormvoorschriften voorbereid?\n\nIs de onteigeningsbeschikking gegeven in het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving (het onteigeningsbelang)?\n\nIs de onteigeningsbeschikking noodzakelijk (de noodzaak)?\n\nIs de onteigening urgent (de urgentie)?\n\n3.2.. De rechtbank zal in deze uitspraak achtereenvolgens ingaan op voornoemde vier onderdelen van de basistoets en daarbij aanvullend de bedenkingen bespreken.\n\nDe wettelijke vormvoorschriften\n\n4. Met de wettelijke vormvoorschriften wordt bedoeld de voorschriften die zien op de procedure van totstandkoming van de onteigeningsbeschikking. Op de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.In deze afdeling zijn onder meer regels opgenomen over de terinzagelegging en kennisgeving van het ontwerpbesluit.\n\n4.1.. De rechtbank stelt vast dat PS een ontwerpbeschikking met de bijbehorende stukken zes weken ter inzage hebben gelegd bij Het Huis voor de Provincie Utrecht en het gemeentehuis van de gemeente Stichtse Vecht. Van deze terinzagelegging hebben PS kennisgeving gedaan in het Provinciaal blad. Voor [BV] en WRK was ook het logboek in te zien. PS hebben ook kennisgeving gedaan van de definitieve onteigeningsbeschikking in het Provinciaal blad en deze is met de daarbij behorende stukken op de voorgeschreven wijzeter inzage gelegd.\n\n4.2.. De ontwerp- en vastgestelde onteigeningsbeschikking moeten als de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt toegepast niet alleen ter inzage worden gelegd, PS moeten de ontwerp onteigeningsbeschikking voorafgaand aan de terinzagelegging en vervolgens de vastgestelde onteigeningsbeschikking ook toezenden aan de belanghebbenden aan wie de beschikking is gericht.Onder de belanghebbenden tot wie de beschikking is gericht, moeten in elk geval worden verstaan eigenaren, rechthebbenden, gebruikers en andere persoonlijk gerechtigden van percelen waarop het desbetreffende besluit betrekking heeft.\n\n4.3.. De rechtbank stelt vast dat PS met brieven van 20 februari 2025 de ontwerp onteigeningsbeschikking hebben toegestuurd aan [BV] en WRK. [BV] en de Vof hebben een zienswijze ingediend tegen de ontwerpbeschikking. Hoe PS deze zienwijze bij het nemen van de definitieve onteigeningsbeschikking hebben betrokken, staat in de ‘Zienswijzennota inzake de ontwerp onteigeningsbeschikking tot aanwijzing van onroerende zaken te onteigening in de gemeente Stichtse Vecht die nodig zijn voor onteigeningsplan ‘Uitbreiding transformatorstation Breukelen-Kortrijk 380-150 kV’’. PS hebben ook de vastgestelde onteigeningsbeschikking aan [BV] en WRK toegezonden.\n\n4.4.. De ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking zijn niet aan de Vof gestuurd. Dat had wel gemoeten want, zoals overwogen, is de Vof gebruiker van de percelen die worden onteigend. Daarmee staat vast dat de Vof een belanghebbende is tot wie de onteigeningsbeschikking is gericht. Omdat de beschikkingen wel naar [BV] zijn gestuurd en [BV] vennoot is van de Vof, is de rechtbank van oordeel dat PS dit gelet op de vennootschapsstructuur achterwege hebben kunnen laten.\n\n4.5.. De ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking zijn ook niet aan de overige zakelijk gerechtigden gestuurd. Wel zijn KPN, Ziggo, HDSR en Vitens door TenneT per brief in november 2024 geïnformeerd over de onteigening. In deze brieven staat dat de opstalrechten van de betreffende zakelijk gerechtigde niet rusten op de benodigde perceelsgedeelten en dat daardoor een mogelijke onteigening hiervan geen gevolgen voor deze zakelijke rechten heeft. De rechtbank heeft de positie van de overige zakelijk gerechtigden op de zitting besproken. Zowel PS als TenneT hebben op de zitting aangegeven dat de overige zakelijk gerechtigden niet worden geraakt door de onteigening. Daarom is ervoor gekozen om hen alleen te informeren over de onteigening.\n\n4.6.. De rechtbank heeft PS na de zitting in de gelegenheid gesteld om dit standpunt nader toe te lichten. In de reactie van 6 maart 2026 hebben PS dit gedaan en inzichtelijk gemaakt waar de overige zakelijke rechten ten opzichte van de te onteigenen gedeelten van de percelen zijn gevestigd. PS zijn van mening dat de overige zakelijk gerechtigden niet in hun belangen worden geraakt, nu hun rechten zijn gevestigd buiten de te onteigenen perceelsgedeelten. Zij worden door de eigendomsontneming niet rechtstreeks in hun belangen geraakt in de zin van artikel 1:2 van de Awb.\n\n4.7.. Uit de wetsgeschiedenis bij de invoering van artikel 3:13 Awb volgt dat onder ‘belanghebbenden tot wie de beschikking is gericht’, in elk geval worden verstaan eigenaren, rechthebbenden, gebruikers en andere persoonlijk gerechtigden van percelen waarop het desbetreffende besluit betrekking heeft. De rechtbank ziet geen reden om in het geval van een onteigeningsbeschikking hiervan af te wijken door onderscheid te maken in perceelsgedeelten die wel of niet door de onteigening worden geraakt. De onteigeningsprocedure is bovendien gebaat bij een eenvoudig en helder criterium voor het toesturen van de ontwerpbeschikking en het bekendmaken van de vastgestelde beschikking aan (zakelijk) gerechtigden. Dit voorkomt ook dat de rechtbank in het kader van de basistoets moet beoordelen welke rechten betrekking hebben op een te onteigenen perceelsgedeelte. Dit betekent dat PS de ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking dus aan KPN, Ziggo, HDSR, Vitens en Stedin hadden moeten sturen, zodat zij de gelegenheid hadden gehad om daartegen een zienswijze en bedenkingen in te dienen. Zij hebben immers een recht van opstal ten aanzien van de te onteigenen percelen en zijn daarmee belanghebbenden die een zienswijze en bedenkingen kunnen indienen.Anders dan waar PS in hun reactie van 6 maart 2026 van uitgaan, gaat het hierbij niet om naburige percelen. Daarmee zijn de belangen van KPN, Ziggo, HDSR, Vitens en Stedin rechtstreeks bij de onteigeningsbeschikking betrokken en zijn zij belanghebbenden tot wie de onteigeningsbeschikking is gericht.\n\n4.8.. Voor Saranne ligt dit anders. Uit het overgelegde uittreksel uit de Kamer van Koophandel blijkt dat zij een 100% dochtervennootschap is van TenneT. Hoewel Saranne ook zakelijk gerechtigde is en dus formeel ook de ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking toegestuurd had moeten krijgen, is de rechtbank van oordeel dat PS dit gelet op de vennootschapsstructuur achterwege hebben kunnen laten.\n\n4.9.. Het voorgaande betekent dat de onteigeningsbeschikking niet volgens de wettelijke vormvoorschriften is voorbereid. De rechtbank kan aan het gebrek bij de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking voorbijgaan als het aannemelijk is dat KPN, Ziggo, HDSR, Vitens en Stedin niet zijn benadeeld doordat de ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking niet aan hen zijn toegezonden.Samen met de reactie van 6 maart 2026 hebben PS verklaringen overgelegd van KPN, Ziggo, HDSR, Vitens en Stedin. Uit deze verklaringen volgt dat zij niet als belanghebbenden willen deelnemen aan de procedure. Daarom is het niet aannemelijk dat zij door het niet toesturen van de ontwerp- en vastgestelde onteigeningsbeschikking zijn benadeeld en passeert de rechtbank het gebrek.\n\nHet onteigeningsbelang\n\n5. De onteigeningsbeschikking moet zijn gegeven in het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving. Hiervan is sprake als de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving mogelijk is gemaakt in een vastgesteld omgevingsplan.\n\n5.1.. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een onteigeningsbelang. Zoals vermeld onder 1.3, is de beoogde vorm van ontwikkeling en gebruik van de fysieke leefomgeving – namelijk de uitbreiding van het transformatorstation – mogelijk gemaakt in het omgevingsplan. Met het PIP dat van rechtswege onderdeel uitmaakt van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan zijn hiervoor aan de percelen de bestemmingen ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ ‘Groen’, ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ en ‘Waarde – Archeologie’ toegekend. Dit zijn bestemmingen die de uitbreiding van het transformatorstation mogelijk maken.\n\nDe noodzaak\n\n6. De noodzaak tot onteigening ontbreekt in ieder geval als de onteigenaar geen redelijke poging heeft gedaan tot minnelijke verwerving van de percelen vrij van rechten en lasten. Of als aannemelijk is dat op afzienbare tijd alsnog overeenstemming kan worden bereikt over minnelijke verwerving.Ook ontbreekt de noodzaak als belanghebbenden hebben aangetoond bereid en in staat te zijn om de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving op zich te nemen.Dit is het zogenaamde recht op zelfrealisatie.6.1.. \n [BV] en de Vof hebben geen beroep gedaan op het recht op zelfrealisatie. Zij hebben aangevoerd dat de noodzaak van de voorgenomen onteigening niet is aangetoond, omdat er geen redelijke poging is gedaan tot minnelijke verwerving van de percelen en omdat op het moment van het onteigeningsverzoek van TenneT nog niet vast stond dat een minnelijke regeling niet mogelijk zou zijn. Ook is het onteigeningsverzoek prematuur volgens [BV] en de Vof.\n\nHet onteigeningsverzoek is niet prematuur6.2.. \n [BV] en de Vof hebben er op gewezen dat TenneT voor een volgende uitbreiding van het transformatorstation binnen enkele jaren opnieuw interesse zal hebben in de verwerving van gronden van [BV] . Deze gronden vallen buiten het plangebied van het PIP, maar [BV] en de Vof vinden het redelijk dat TenneT deze gronden nu al verwerft in het kader van deze onteigeningsprocedure. Het betreft een strook grond van 125 meter diepte. Zij vinden de onteigening daarom prematuur.6.3.. De rechtbank is het daar niet mee eens. Het gaat in deze procedure om de gronden die nodig zijn voor de uitbreiding van het transformatorstation zoals het PIP dat mogelijk maakt. Dat is het onteigeningsbelang. De strook grond van 125 meter valt daar niet onder. Het is voorstelbaar dat [BV] en de Vof graag in één keer alle gronden die TenneT nu en in de toekomst nodig heeft, willen verkopen, maar dat is niet relevant voor beantwoording van de vraag of de onteigening van de percelen die binnen het plangebied van het PIP vallen noodzakelijk is.\n\nMinnelijke verwerving\n\n7. De rechtbank oordeelt verder dat er redelijke pogingen zijn gedaan om de percelen minnelijk te verwerven en dat het niet aannemelijk is dat op het moment van het onteigeningsverzoek nog een minnelijke regeling mogelijk was. De rechtbank legt dat hierna uit.\n\n7.1.. Uit het logboek blijkt dat TenneT diverse pogingen heeft ondernomen tot minnelijke verwerving van de percelen. Op 12 september 2024 heeft TenneT aangeboden om de gronden binnen het plangebied te kopen voor € 35,- per m2, wat neerkomt op een bedrag € 2.280.000,-. Dit aanbod heeft TenneT op 24 oktober 2024 herhaald. TenneT heeft toen een bijkomend aanbod gedaan om de gronden binnen het plangebied én de strook van 125 meter te kopen voor € 35 per m2, dat komt neer op een bedrag van € 4.120.000,-. Op 24 maart 2025 heeft [BV] dit aanbod afgewezen, omdat zij vindt dat TenneT de gronden binnen het plangebied en de strook van 125 meter moet kopen voor een prijs van € 60,- per m2. Dat komt neer op een bedrag € 8.915.450,-. TenneT is hier niet mee akkoord gegaan en heeft op 19 mei 2025 aangeboden om alleen de gronden binnen het plangebied te kopen voor € 40,- per m2, wat neerkomt op een bedrag van € 2.760.000,-. Het ging dus om minder grond (het aanbod om ook de strook van 125 meter te kopen is komen te vervallen), maar tegen een hogere prijs per m2. [BV] heeft dit aanbod op 5 juni 2025 afgewezen. In december 2025 heeft TenneT het bod van € 2.760.000,- herhaald, maar dit heeft [BV] vooralsnog niet geaccepteerd.\n\n7.2.. Zoals ook op de zitting besproken, zit het bezwaar voor [BV] en de Vof er vooral in dat PS op 19 maart 2024 een concept koopovereenkomst hebben gestuurd met daarin een aanbod om de gronden binnen het plangebied aan te kopen voor een prijs van € 60,- per m2. Dit aanbod is op 13 mei 2024 ingetrokken omdat TenneT de regie over de aankoop van de gronden van PS heeft overgenomen. [BV] en de Vof vinden dat onredelijk. Zij vinden dat de prijs van € 60,- per m2 het uitgangspunt had moeten blijven bij de onderhandelingen, ook omdat het aanbod alweer was ingetrokken voordat [BV] het kon accepteren.\n\n7.3.. Op de zitting hebben TenneT en PS uitgelegd dat de bieding van PS is gedaan om direct grond te verwerven en een procedure te voorkomen, en dat PS dit aanbod niet in opdracht van TenneT hebben gedaan. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze uitleg te twijfelen. De verplichting om redelijke pogingen te doen om de percelen minnelijk te verwerven rust op de onteigenaar,dus op TenneT. Alleen al daarom kan de omstandigheid dat PS een aanbod hebben gedaan dat vervolgens weer is ingetrokken niet tot de conclusie leiden dat de onteigening niet noodzakelijk is. Maar ook overigens maakt deze gang van zaken niet dat er geen redelijke poging is gedaan om de gronden minnelijk te verwerven. [BV] heeft immers bijna twee maanden de tijd gehad om het bod van PS te accepteren, maar dat heeft zij niet gedaan.7.4.. Uit de stukken blijkt dat het aanbod dat TenneT daarna heeft gedaan voor de gronden binnen het plangebied (een bedrag van € 2.760.000,-) is gebaseerd op een door [onderzoeksbureau] uitgevoerd onderzoek. Aan de hand van twee verschillende taxatiemethoden is een grondprijs voor de percelen bepaald. De rechtbank vindt dit aanbod niet evident onredelijk. De rechtbank wil daarbij nog meegeven dat het antwoord op de vraag wat een realistische, marktconforme grondprijs is, niet ter beoordeling voor ligt in deze procedure. Dat komt aan de orde bij de schadeloosstellingsprocedure.\n\n7.5.. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat aannemelijk is dat de onteigenaar een redelijke poging tot minnelijke verwerving van de percelen heeft gedaan. Gelet op het grote verschil tussen wat TenneT heeft geboden en wat [BV] vraagt voor de percelen, viel ook niet te verwachten dat op afzienbare termijn alsnog overeenstemming kan worden bereikt over de minnelijke verwerving van de percelen. De onteigening is dus noodzakelijk.\n\nDe urgentie\n\n8. De urgentie tot onteigening ontbreekt in ieder geval als niet aannemelijk is dat binnen drie jaar na het inschrijven van de onteigeningsakte een begin wordt gemaakt met de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling.\n\n8.1.. Op de zitting is door PS toegelicht dat de aanbesteding inmiddels is gegund. De werkzaamheden starten zodra de gronden zijn verworven. In het derde kwartaal van dit jaar wordt dan begonnen met het realiseren van de inpassing en de voorbelasting van de gronden waarop gebouwd gaat worden. TenneT heeft op de zitting toegelicht dat daarna de daadwerkelijk werkzaamheden starten. De rechtbank is gelet op deze toelichting van oordeel dat de onteigening urgent is.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De onteigeningsbeschikking is noodzakelijk, de onteigening is urgent en er is een onteigeningsbelang. De onteigeningsbeschikking is niet volgens de wettelijke vormvoorschriften voorbereid, maar de rechtbank passeert dit gebrek.De rechtbank zal het verzoek om de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen daarom toewijzen.\n\nGriffierecht en kosten\n\nGriffierecht\n\n10. Van PS wordt een griffierecht geheven.Dit betreft een griffierecht voor het indienen van het verzoek tot bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking en een griffierecht voor elke ingebrachte bedenking. In deze zaak wordt griffierecht geheven voor een bedrag van € 770,-, een bedrag van € 385,- voor het verzoekschrift en een bedrag van € 385,- voor de bedenkingen van [BV] en de Vof.\n\nKosten [BV] en de Vof\n\n11. De rechtbank zal PS veroordelen in de kosten die [BV] en de Vof redelijkerwijs hebben moeten maken. Het gaat hierbij allereerst om de kosten in verband met de behandeling van het verzoek. Daarnaast gaat het ook om de kosten die belanghebbenden hebben moeten maken in het kader van de minnelijke verwerving en de zienswijze en de behandeling daarvan bij de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking.Het woord ‘redelijkerwijs’ betekent hier een dubbele redelijkheidstoets. Beoordeeld moet worden of de bijstand redelijkerwijs is ingeroepen en of de kosten daarvan redelijk zijn.11.1.. \n [BV] en de Vof hebben op 1 september 2025 declaraties overgelegd van hun gemachtigde voor de werkzaamheden tot en met 1 september 2025 en op 10 februari 2026 hebben zij declaraties overgelegd voor de werkzaamheden van 1 september 2025 tot en met de zitting. Het betreft een bedrag van in totaal € 21.409,46 inclusief btw voor de kosten van rechtsbijstand. De rechtbank acht het inroepen van de bijstand door de gemachtigde redelijk. Het uurtarief vindt de rechtbank ook redelijk (€ 195,- en vanaf 1 januari 2026 € 225,- voor mr. Akdemir en € 310 tot 1 juli 2025, € 325,- tot 31 december 2025 en vanaf 1 januari 2026 € 335,- voor mr. Helvoirt, beiden exclusief btw). Voor het aantal uren dat de gemachtigde in rekening heeft gebracht geldt het volgende. Bij de facturen zijn overzichten overgelegd van de uitgevoerde werkzaamheden en het uurloon. Van de uitgevoerde werkzaamheden zijn 8,9 uren voor een totaalbedrag van € 2.099,95, gemaakt in het kader van een gedoogplichtbeschikking, de vergunning voor het transformatorstation en de schadeloosheidsprocedure. Deze kosten houden geen verband met deze bekrachtigingsprocedure en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De overige uren komen wel voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft een bedrag van in totaal € 19.309,51 inclusief btw.\n\n11.2.. \n [BV] en de Vof hebben verder bijstand gehad van [makelaar] B.V., adviseur. [BV] en de Vof hebben een overzicht van werkzaamheden van de heer [D] overgelegd voor de werkzaamheden tot en met 1 september 2025. Het betreft een bedrag van in totaal € 93.490,27 inclusief btw. Op 10 februari 2026 is dit overzicht aangevuld met de werkzaamheden van 1 september 2025 tot en met de zitting, dat gaat om een bedrag van € 5.314,19 inclusief btw. Ook deze bijstand is redelijkerwijs ingeroepen en het uurtarief van de heer [D] van € 195,- per uur, verhoogd met 5% kantoorkosten en exclusief btw vindt de rechtbank redelijk. Dat geldt niet voor het aantal uren dat in rekening wordt gebracht. De overzichten beslaan de periode 15 december 2022 tot en met de zitting. De minnelijke overleggen zijn gestart op 28 september 2023. Dit betekent dat werkzaamheden die vóór dit moment zijn uitgevoerd niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarnaast zijn in het overzicht onder de omschrijving ‘kantoor’ uren opgenomen die betrekking hebben op de gedoogplichtbeschikking, de beoordeling van het PIP en de schadeloosstellingsprocedure. Deze uren komen in ieder geval niet voor vergoeding in aanmerking, omdat die geen verband houden met deze bekrachtigingsprocedure. Verder worden onder de omschrijving ‘kantoor’ 70 uren opgevoerd voor het beoordelen van inkomende e-mail, 18 uren voor het boordelen van uitgaande e-mail, 52 uren voor het bijwerken van de administratie en 25 uren voor kadastrale recherche. Zonder nadere specificatie kan de rechtbank niet beoordelen of deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Dat geldt ook voor de werkzaamheden van 1 september 2025 tot en met de zitting: ook daar staan veel ongespecificeerde posten op zoals ‘procedure’, ‘statenbrief’ en ‘overleg’, en een aantal posten die geen verband lijken te houden met deze bekrachtigingsprocedure zoals ‘beschikking schadeloosstellingsprocedure’. Het had wel verwacht mogen worden dat er een voldoende duidelijke specificatie was overgelegd waar alleen de werkzaamheden op staan die verband houden met deze bekrachtigingsprocedure. Zeker gezien de 5% kantoorkosten die in rekening worden gebracht en de verklaring van [D] op zitting dat hij een administratie bijhoudt. Het is op basis van de overzichten onduidelijk welke uren betrekking hebben op de werkzaamheden voor het overleg over de minnelijke verwerving, het naar voren brengen van een zienswijze en de behandeling daarvan bij de voorbereiding van de onteigeningbeschikking en de bekrachtigingsprocedure. Daarom moet de rechtbank een schatting maken van de kosten die belanghebbenden redelijkerwijs hebben moeten maken.\n\n12. Voor de kosten die [BV] en de Vof hebben gemaakt acht de rechtbank een tijdsbesteding van de heer [D] van in totaal 100 uur redelijk. Daarmee komen de kosten van [D] die [BV] en de Vof redelijkerwijs hebben moeten maken neer op een bedrag van € 24.774,75 inclusief btw.\n\n13. Dit betekent dat de rechtbank de gemeenteraad zal veroordelen in de kosten die belanghebbenden hebben gemaakt voor een bedrag van in totaal € 44.084,26, inclusief btw.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst het verzoek toe;\n\n- bekrachtigt de onteigeningsbeschikking;\n\n- heft van PS een bedrag van € 770,- aan griffierecht;\n\n- veroordeelt PS tot betaling van € 44.084,26, inclusief btw aan kosten voor [BV] en de Vof.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzitter, en mr. J.A. Spee en mr. A. de Snoo, leden, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDe griffier is verhinderd om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Als bedoeld in artikel 5, derde lid, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht.\n\n Artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Als bedoeld in artikel 16.97, eerste lid, onder e, van de Ow.\n\n Artikel 16.106 van de Omgevingswet (Ow).\n\n Artikel 16.107 van de Ow.\n\n Artikel 16.33b van de Ow.\n\n Artikel 3:44 van de Awb en artikel 16.33d, tweede lid, van de Ow.\n\n Artikel 3:13 en artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.\n\n De rechtbank verwijst hierbij naar de Memorie van Toelichting bij de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb, Kamerstukken II 2003-2004, 29421, nr. 3, p. 14 en 15.\n\n Deze zakelijke gerechtigden worden genoemd in artikel 16.97, eerste lid, onder c, van de Ow en daarmee staat vast dat zij belanghebbenden zijn.\n\n Zie ook de uitspraak ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:720.\n\n Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, dat op grond van artikel 16.113, eerste lid, van de Ow ook van toepassing is in een bekrachtigingsprocedure.\n\n Artikel 11.6, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang met artikel 4.4a van de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet.\n\n Artikel 11.7, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Ow.\n\n Artikel 11.7, tweede lid, van de Ow.\n\n Artikel 11.7, eerste lid, van de Ow.\n\n Artikel 11.11 van de Ow.\n\n Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.\n\n Artikel 16.110, eerste lid, van de Ow.\n\n Dit volgt uit de artikelen 16.111 en 16.112 van de Ow.\n\n Kamerstukken II 2018\u002F2019 35133, 3, p. 280 en 281.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1300","2026-04-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.329Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":110,"fullText":111,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":50,"updatedAt":113},"1784","ECLI:NL:RBGEL:2026:1905","ecli-nl-rbgel-2026-1905","2026-03-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F451561 \u002F HA ZA 25-201\n\nVonnis van 11 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nde stichting\n\nSTICHTING ZORGWONEN BRONBEEK,\n\ngevestigd te Gilze,\n\neisende partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: de Stichting,\n\nadvocaten: mr. E.W.J. van Dijk en mr. T.D. Rijs,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENTE ARNHEM,\n\nzetelend te Arnhem,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\ngedaagde partij in het incident,\n\nhierna te noemen: de Gemeente,\n\nadvocaten: mr. A.M.E. van Wijk-Driessen en mr. T.E.P.A. Lam.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 10 september 2025\n\n- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 januari 2026.\n\n1.2.. Ten slotte is bepaald dat de rechtbank vandaag vonnis wijst in de hoofdzaak en in het incident ex artikel 223 Rv.\n\n2. De zaak in het kort\n\n2.1.. De Gemeente is eigenaar van een perceel aan [adres] . Op dit perceel is sinds 1968 een recht van erfpacht gevestigd. Dit recht van erfpacht is in 2018 overgedragen aan de Stichting. Na een voorlopige aanwijzing door het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 23 november 2021 heeft de gemeenteraad op 16 februari 2022 een voorkeursrecht als bedoeld in de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) gevestigd op het perceel. Dit is nu een voorkeursrecht op grond van de Omgevingswet.\n\n2.2.. Deze zaak gaat over de vraag of dit voorkeursrecht in de weg staat aan vervreemding van het erfpachtrecht aan derden. De Stichting heeft namelijk bij brief van 21 november 2023 aan het college gevraagd om binnen vier weken de rechter te verzoeken om een oordeel over de prijs te geven, een en ander als bedoeld in artikel 13 lid 1 Wvg. Het college heeft geen verzoekschrift ingediend bij de rechtbank. Volgens de Stichting heeft zij daarom, gezien artikel 13 lid 3 Wvg, de vrijheid om het perceel te vervreemden aan derden.\n\n2.3.. De Stichting heeft het erfpachtrecht eind januari 2024 verkocht aan Stichtse Advies B.V. voor € 9.300.000,00. De levering, die in februari 2024 zou plaatsvinden, is echter niet doorgegaan. Dit na een e-mail van de advocaat van de Gemeente aan de notaris waarin staat dat de Stichting niet vrij is om het erfpachtrecht te verkopen. Op 23 oktober 2025 heeft de Stichting een koopovereenkomst gesloten met REB Projects B.V. voor € 6.525.000,00. De overeenkomst bevat een ontbindende voorwaarde in verband met het voorkeursrecht die tot 1 mei 2026 kan worden ingeroepen. De voorgenomen leveringsdatum is 1 juni 2026.\n\n2.4.. In de hoofdzaak vordert de Stichting – kort samengevat – verklaringen voor recht dat zij gedurende drie jaar na 22 december 2023 vrij is om het erfpachtrecht te vervreemden en dat de Gemeente onrechtmatig handelt door te stellen dat dit niet zo is en aldus de verkoop daarvan tegen te houden. Zij vordert ook een verklaring voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die de Stichting lijdt en een veroordeling om die schade te vergoeden, op te maken bij staat. Zij vordert verder een bevel dat de Gemeente zich onthoudt van handelen dat de verkoop van het perceel belemmert of frustreert.\n\n2.5.. De Stichting heeft, tot slot, een provisionele vordering ingesteld, mede met het oog op de verkoop van het erfpachtrecht aan REB Projects (zie hierna in 4.1-4.3).\n\n2.6.. De Gemeente vindt dat alle vorderingen moeten worden afgewezen.\n\n2.7.. De rechtbank is van oordeel dat de Stichting niet vrij is om het erfpachtrecht aan derden te vervreemden en geen recht heeft op schadevergoeding. Zij legt hierna uit waarom.\n\n3. De beoordeling in de hoofdzaak\n\n3.1.. De rechtbank moet eerst beoordelen of de brief van de Stichting van 21 november 2023 kan worden aangemerkt als een verzoek aan het college als bedoeld in artikel 13 lid 1 van de Wvg. Ten tijde hier van belang luidde dit artikellid als volgt: “Indien burgemeester en wethouders en de vervreemder in onderhandeling zijn getreden ter bepaling van de vervreemdingsvoorwaarden en gehandeld is overeenkomstig de artikelen 11 en 12, eerste lid, kan de vervreemder aan burgemeester en wethouders verzoeken om binnen vier weken de rechter te verzoeken een oordeel over de prijs te geven.”\n\nAan de eisen van artikel 13 lid 1 Wvg, inclusief het onderhandelingsvereiste, is voldaan\n\n3.2.. Partijen zijn het erover eens dat is gehandeld overeenkomstig artikel 11 en 12 lid 1 Wvg. De Stichting heeft namelijk op 17 oktober 2023 aan het college laten weten dat zij bereid is het pand te verkopen tegen nader overeen te komen voorwaarden. Het college heeft vervolgens op 6 november 2023 aan de Stichting geschreven dat de Gemeente in beginsel bereid is het perceel aan te kopen tegen nader overeen te komen voorwaarden.\n\n3.3.. Vast staat ook dat de brief van de Stichting van 21 november 2023 tekstueel gezien een verzoek aan het college als bedoeld in artikel 13 lid 1 Wvg bevat. In deze brief staat:\n\n“Op 16 oktober jl. hebben wij als eigenaar van een pand aan [adres] , kadastraal bekend [gegevens kadaster] , door middel van aangehecht schrijven tot u gericht.\n\nIn het schrijven hebben wij aangegeven bereid te zijn voornoemde goed aan de gemeente te verkopen tegen nader overeen te komen voorwaarden. Echter hebben tot heden geen besluit ontvangen.\n\nDerhalve verzoeken wij, ingevolge art. 13 Wvg, om binnen vier(4) weken de rechter te verzoeken een oordeel over de prijs te geven.”\n\n3.4.. De Stichting stelt dat deze brief op 22 november 2023 is verzonden en op 24 november 2023 is bezorgd. De Gemeente betwist de ontvangst hiervan niet. Ook in zoverre is dus voldaan aan de ingangseisen van artikel 13 lid 1 Wvg.\n\n3.5.. Volgens de Gemeente was de Stichting echter op 21 november 2023 (nog) niet gerechtigd om een verzoek als bedoeld in artikel 13 lid 1 Wvg te doen, omdat niet aan het onderhandelingsvereiste werd voldaan. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.\n\n3.6.. Uit de parlementaire geschiedenis van de oorspronkelijke aanbiedingsprocedure van de Wvg, zoals die tot 1 juli 2010 luidde, volgt dat de formele en procedurele voorschriften van de Wvg de vrijheid van partijen onverlet laten om de onderhandelingen te voeren naar eigen inzicht en op meer informele wijze. De wijze waarop partijen de onderhandelingen voeren, moet in beginsel aan hen worden overgelaten. Waar de wet termijnen noemt waarbinnen verzoeken moeten worden gedaan, hebben die termijnen de strekking in het belang van de verkoper een zo vlot mogelijk verloop van de voorkeursprocedure te waarborgen. In de artikelsgewijze toelichting staat verder dat de verkoper, als degene die uit eigen beweging tot vervreemding heeft besloten, ook zelf de voortgang van de onderhandelingen met de gemeente moet kunnen bepalen, aldus de memorie van toelichting.In de memorie van antwoord staat dat de woorden ‘in onderhandeling zijn getreden’ niet bedoelen dat al brieven zijn gewisseld of gesprekken zijn gevoerd. Zij duiden alleen aan dat partijen verkeren in een stadium van onderhandelen.Per 1 juli 2010 is de aanbiedingsprocedure vereenvoudigd. Uit de parlementaire geschiedenis hiervan volgt, deels in afwijking van voornoemde memorie van toelichting, het volgende. De wetgever is ervan uitgegaan dat partijen in beginsel door het voeren van onderhandelingen tot vaststelling van de vervreemdingsvoorwaarden komen. Daarom is in artikel 13 lid 1 Wvg vastgelegd dat partijen voorafgaand aan een eventuele rechterlijke procedure dienen te onderhandelen (brieven wisselen of gesprek(ken) voeren). De vervreemder kan een rechterlijke prijsbepalingsprocedure aanvragen wanneer partijen er gezamenlijk niet uitkomen, dat wil zeggen, als de onderhandelingen zonder resultaat blijven. Het uitgangspunt dat de vervreemder de voortgang van de onderhandelingen bepaalt, is gehandhaafd.\n\n3.7.. Tegen deze achtergrond en gelet op het navolgende is de rechtbank van oordeel dat wel degelijk aan het onderhandelingsvereiste is voldaan.\n\n3.8.. Na het beginselbesluit van 6 november 2023 verkeerden partijen in het stadium van onderhandelingen over de vervreemdingsvoorwaarden. In het beginselbesluit staat dat door de mededeling dat de Gemeente in beginsel bereid is het perceel aan te kopen tegen nader overeen te komen voorwaarden, de onderhandelingen formeel zijn gestart. De Gemeente betwist dat de Stichting de brief van 21 november 2023 heeft geschreven naar aanleiding van dit beginselbesluit, omdat in die brief staat “echter hebben tot op heden geen besluit ontvangen”. Daargelaten of het moment van het nemen van het beginselbesluit dan wel het moment van het bekendmaken van het beginselbesluit hier bepalend is, heeft de Stichting echter gesteld dat zij bedoelde dat het beginselbesluit niet formeel bij haar zelf was bezorgd. Het beginselbesluit was evenwel niet alleen per aangetekende brief aan de Stichting maar ook per e-mail aan mr. Rijs verzonden, zoals de Gemeente ter zitting heeft erkend. De Stichting stelt dat mr. Rijs deze e-mail met het beginselbesluit direct heeft doorgestuurd aan de Stichting, zodat de Stichting hiervan ten tijde van de verzending van de brief van 21 november 2023 op de hoogte was. De Gemeente heeft dit niet betwist. Vast staat dan ook dat partijen na 6 november 2023 in de fase van onderhandelingen verkeerden.\n\n3.9.. Het standpunt van de Gemeente dat partijen niet daadwerkelijk hebben onderhandeld, wordt verworpen. Bij brief van 3 juli 2023 heeft de Gemeente een aanbod van € 3.683.000,00 gedaan. Bij e-mail van 6 november 2023 heeft de Gemeente dit aanbod (samen met het beginselbesluit) opnieuw toegestuurd aan de advocaat en adviseur van de Stichting en schrijft zij dat zij dit aanbod tot 27 november 2023 gestand kan doen. Ter zitting is besproken dat de Stichting op enig moment heeft gezegd dat zij € 9.000.000,00 wilde, maar wanneer dit precies zou zijn gezegd, kon de Stichting niet aangeven. De heer [ambtenaar 3] van de Gemeente heeft verklaard dat de Stichting vóór 6 november 2023 mondeling zal hebben laten weten dat het aanbod van € 3.683.000,00 niet akkoord was, maar was hier niet zeker van. Wat hier ook van zij, vast staat dat er op 6 november 2023 een aanbod is gedaan door de Gemeente dat kennelijk niet aanvaardbaar was voor de Stichting. Dit moest de Gemeente redelijkerwijs afleiden uit de brief van 21 november 2023, ook al staat dat er niet met zoveel woorden in. De Gemeente wijst erop dat de Stichting voorafgaand aan de brief van 21 november 2023 niet (schriftelijk) aan de Gemeente heeft laten weten dat zij het aanbod van de Gemeente verwerpt en partijen dus niet op basis van die reactie in onderhandeling zijn getreden. Dat is echter geen vereiste voor het kunnen doen van een verzoek als bedoeld in artikel 13 lid 1 Wvg. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt immers dat de vervreemder degene is die de voortgang van de onderhandelingen bepaalt. De vervreemder bepaalt dus ook wanneer de voortgang van de onderhandelingen voor hem aanleiding vormt voor het indienen van een verzoek als bedoeld in artikel 13 lid 1 Wvg.\n\nDe Stichting heeft misbruik van haar bevoegdheid gemaakt\n\n3.10.. Het voorgaande betekent dat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het subsidiaire verweer van de Gemeente, namelijk dat het verzoek tot het starten van een prijsbepalingsprocedure is ingetrokken. In de conclusie van antwoord stelt de Gemeente dat op 28 november 2023 een bespreking plaatsvond waaruit zij mocht afleiden dat het verzoek was ingetrokken. Ter zitting heeft zij hieraan toegevoegd dat de Gemeente er niet op bedacht had hoeven zijn dat de Stichting een verzoek had ingediend, omdat daarna op 28 november 2023 is gesproken over het inschakelen van taxateurs. De Gemeente denkt dat het een bewuste strategie is dat de bestuurder van de Stichting, [bestuurder] , een brief stuurt aan een antwoordnummer die daardoor te laat aankomt bij de juiste personen binnen de Gemeente terwijl de Gemeente ondertussen alleen contact heeft met de adviseur van de Stichting, [adviseur] , die tijdens de bespreking op 28 november 2023 geen melding maakt van het verzoek dat de bestuurder heeft gedaan. Volgens de Gemeente werpt de Stichting rookgordijnen op, zodat zij net aan de wet voldoet en de Gemeente om de tuin kan leiden.\n\n3.11.. Onder aanvulling van rechtsgronden (artikel 25 Rv) moet dit verweer mede worden aangemerkt als een beroep op misbruik van bevoegdheid. Dit verweer slaagt.\n\n3.12.. In artikel 3:13 lid 1 BW is bepaald dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen voor zover hij haar misbruikt. In lid 2 staat dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. In artikel 3:15 BW is bepaald dat artikel 3:13 BW toepassing vindt buiten het vermogensrecht, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.\n\n3.13.. Ten eerste blijkt uit niets dat de intentie van de Stichting erop was gericht het erfpachtrecht daadwerkelijk aan de Gemeente te verkopen, noch op het bereiken van overeenstemming over de vervreemdingsvoorwaarden door middel van serieuze onderhandelingen. De in 3.2 genoemde brief van 17 oktober 2023 bevat slechts de mededeling dat de Stichting het pand wil verkopen tegen nader overeen te komen voorwaarden en bevat geen reactie op het aanbod van de Gemeente van 3 juli 2023 noch een indicatie van de voorwaarden waaronder de Stichting het erfpachtrecht wél zou willen verkopen. Op het aanbod van 3 juli 2023 is nooit schriftelijk gereageerd. Hier komt bij dat de Gemeente onbetwist heeft gesteld dat de Stichting de brief van 17 oktober 2023 heeft afgegeven aan het Loket Zuid van de Gemeente, waar alleen paspoorten kunnen worden aangevraagd. Gelet op deze wijze van afgifte lijkt het erop dat de Stichting beoogde dat het college niet binnen de zeswekentermijn een beginselbesluit zou nemen, zodat zij vervreemdingsvrijheid zou verkrijgen (artikel 12 lid 1 en 3 Wvg).\n\n3.14.. De Gemeente heeft het aanbod van 3 juli 2023 herhaald op 6 november 2023. In de betreffende e-mail schrijft [ambtenaar 1] van de Gemeente dat zij meerdere keren heeft aangeboden de aanbieding van 4 juli 2023, die was gebaseerd op een taxatie, in een gesprek toe te lichten en dat zij dit aanbod opnieuw wil doen. De Stichting heeft het verzoek ingediend op 21 november 2023. Deze brief bevat geen inhoudelijke reactie op het herhaalde aanbod van 6 november 2023 noch enige uitleg waarom een prijsvaststellingsprocedure volgens de Stichting opportuun is. In de dagvaarding staat dat het aanbod voor de Stichting niet acceptabel was en wat de Stichting betreft nooit tot overeenstemming zou kunnen leiden. Tijdens de zitting heeft de Stichting verklaard dat niet met de Gemeente is gecommuniceerd dat het aanbod van 6 november 2023 niet aanvaardbaar was voor de Stichting. Volgens de Stichting ligt dit besloten in de brief van 21 november 2023. Op zichzelf is dit juist (zie hiervoor in 3.9), maar het ontbreken van een inhoudelijke reactie maakt dat het college te minder bedacht hoeft te zijn op het verzoek tot het indienen van een verzoekschrift én stelt het college buiten staat om geïnformeerd te beslissen of het een verzoekschrift indient.\n\n3.15.. Hier komt bij dat het verzoek – in tegenstelling tot de brief van 17 oktober 2023 – is geadresseerd aan een antwoordnummer. Op de vraag waarom deze brief is geadresseerd aan een antwoordnummer heeft de Stichting ter zitting geantwoord dat de bestuurder het antwoordnummer kende en dacht “het is makkelijk zo.” Ter zitting heeft de Gemeente toegelicht dat de post aan het antwoordnummer wel op het stadhuis binnenkomt, maar dat de postkamer vervolgens moet uitzoeken waar de brief naartoe moet. Het verzoek van 21 november 2023 bevat hiertoe weinig aanknopingspunten. Zo stond op het verzoek geen kenmerk, contactpersoon of verwijzing naar het beginselbesluit. De Stichting moet hebben beseft dat zij de tijdige en zorgvuldige afhandeling van haar verzoek aldus bemoeilijkte en de kans dat het college niet op tijd een verzoekschrift zou indienen, zou vergroten. Dit wekt bij de rechtbank de indruk dat het doel van de Stichting was dat het college niet tijdig een verzoekschrift zou indienen, zodat zij vervreemdingsvrijheid zou verkrijgen (artikel 13 lid 3 Wvg). De Stichting heeft die indruk niet met een toereikende verklaring kunnen wegnemen.\n\n3.16.. Vast staat dat het verzoek pas na afloop van de vierwekentermijn van artikel 13 Wvg op het bureau van de behandelend ambtenaren, [ambtenaar 1] en [ambtenaar 2] , is terechtgekomen. Gedurende deze vier weken is verder geen melding gemaakt van het bestaan van het verzoek door de Stichting. Dit terwijl in de tussentijd wel een bespreking heeft plaatsgevonden tussen deze ambtenaren en de adviseur van de Stichting, [adviseur] , op 28 november 2023. Vast staat dat de ambtenaren van de Gemeente tijdens deze bespreking niet op de hoogte waren van het bestaan van het verzoek en dat [adviseur] hiervan geen melding heeft gemaakt. In het licht van het feit dat het verzoek op dat moment niet bekend was bij de relevante personen binnen de Gemeente en niet is besproken op 28 november 2023 heeft de Gemeente onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom zij uit die bespreking redelijkerwijs heeft mogen afleiden dat de Stichting het verzoek van 21 november 2023 introk. Uit wat zij stelt over het onderwerp van deze bespreking (zie hierna in 3.17), kan dit niet worden afgeleid. Dit standpunt wordt derhalve in zoverre verworpen.\n\n3.17.. Partijen verschillen van mening over de vraag wat er tijdens die bespreking op 28 november 2023 is besproken dan wel is afgesproken. Volgens de Stichting was zij slechts geïnteresseerd in de onderbouwing van het aanbod van de Gemeente van 6 november 2023, is er niet onderhandeld en zijn er geen afspraken gemaakt. Volgens de Gemeente hebben partijen concrete afspraken gemaakt over de wijze waarop zij gezamenlijk tot een prijs van het erfpachtrecht wilden komen. Er zou een vervolgafspraak gepland worden waarbij de taxateurs van de Stichting en de Gemeente zouden aanschuiven en de [gebouwnaam] zou gezamenlijk bezichtigd worden. Op dit punt wijst de Gemeente op de e-mail van [ambtenaar 2] aan [adviseur] van 1 december 2023. Hierin staat dat [adviseur] tijdens de bespreking heeft aangegeven dat hij eerst met de bestuurder van de Stichting in overleg wilde gaan of hij akkoord is met de bezichtiging van de [gebouwnaam] door de taxateurs van de Stichting en de Gemeente en dat is afgesproken dat de Gemeente de reactie van [adviseur] afwacht.\n\n3.18.. De rechtbank stelt vast dat de vierwekentermijn nog niet was verstreken op het moment van verzending van deze e-mail. De Stichting althans haar adviseur hebben niet gereageerd op deze e-mail. Volgens de Stichting was dat omdat zij na de bespreking van 28 november 2023 de taxatie van de Stichting ontving, die hoger uitkwam dan de taxatie van de Gemeente. Maar (ook) dat heeft zij niet aan de Gemeente laten weten. Ter zitting heeft de Stichting verklaard dat de taxatie van de Stichting pas later, in het kader van een procedure over de opzegging van het erfpachtrecht, is gedeeld met de Gemeente. Weliswaar heeft de Stichting onder verwijzing naar een verklaring van [adviseur] naar voren gebracht dat hij niet over een mandaat beschikte, maar zij heeft de stelling van de Gemeente dat de Gemeente nog nooit iemand van de Stichting heeft gesproken (zoals haar bestuurder) en dat [adviseur] in de gesprekken naar voren werd geschoven als degene die sprak namens de Stichting niet betwist. Dit staat dus vast: de Gemeente sprak met [adviseur] en [adviseur] heeft na 28 november 2023 niet gecommuniceerd met de Gemeente.\n\n3.19.. De rechtbank acht ook feiten en omstandigheden van na het verstrijken van de vierwekentermijn relevant. Bij e-mail van 30 januari 2024 schrijft [ambtenaar 2] aan [adviseur] dat zij helaas niets meer van hem heeft vernomen, en graag van hem verneemt wat de status is. Ter zitting heeft de Stichting verklaard dat er in de tussentijd – dus tussen 1 december 2023 en 30 januari 2024 – geen contact is geweest tussen de Stichting en de Gemeente. Op de e-mail van 30 januari 2024 heeft de Stichting, althans haar adviseur, evenmin gereageerd. Hiermee staat vast dat de Stichting de Gemeente – los van het verzoek van 21 november 2023 zelf – niet alleen tijdens de vierwekentermijn niet op de hoogte heeft gesteld van het indienen van dit verzoek maar zich ook na het verstrijken hiervan niet direct op het standpunt heeft gesteld ten opzichte van de Gemeente dat die termijn was verstreken en zij dus (in haar ogen) vrij was om het erfpachtrecht aan derden te verkopen.\n\n3.20.. Eind januari 2024 heeft de Stichting het erfpachtrecht verkocht aan Stichtse Advies. In het dossier bevinden zich e-mails van Apollo Investments B.V. namens Stichtse Advies en [bestuurder] van de Stichting. In een e-mail van 19 februari 2024 schrijft Apollo dat [bestuurder] heeft aangegeven dat “het Wet Voorkeursrecht Gemeente dat op het object rustte er van af was”. Op dezelfde dag antwoordt [bestuurder] : “Dit staat bij kadaster nog wel geregistreerd maar wij zijn vrij om te verkopen. Dit is dus niet meer van toepassing.” En ook schrijft [bestuurder] : “De afgesproken leverdatum was 7 februari, ik wil niet langer meer wachten. Kun jij bevestigen dat de overdracht zal plaatsvinden uiterlijk 28 februari 2024?”\n\n3.21.. Ter zitting heeft de advocaat van de Gemeente toegelicht dat zij op 22 februari 2024 werd gebeld door notaris mr. [notaris] . Hij wilde met spoed weten of de Stichting mocht verkopen vanwege de levering de dag erna. De Stichting had tegen hem gezegd dat er geen voorkeursrecht meer gold, maar de notaris zag in de registers dat dit er wel nog was en hij wilde weten of het voorkeursrecht nog gold. De advocaat van de Gemeente heeft de notaris gevraagd om zijn vraag per e-mail te stellen. Er is niet gesproken over het niet tijdig indienen van een verzoekschrift door de Gemeente, aldus de Gemeente. De Stichting heeft dit niet betwist. Ter zitting heeft de advocaat van de Gemeente gezegd dat zij niet weet of zij zelf tegen de notaris heeft gezegd dat het verzoekschrift niet tijdig is ingediend.\n\n3.22.. In de e-mail van de notaris aan de advocaat van de Gemeente van 22 februari 2024 staat het volgende: “Op dit moment ben ik bezig te onderzoeken of het mogelijk zou zijn voor Stichting Zorgwonen Bronbeek om het recht van erfpacht over te dragen aan een andere partij. Gesteld wordt van de kant van Stichting Zorgwonen Bronbeek dat zij inmiddels vrij zouden zijn om het recht van erfpacht te verkopen. Zou u dat namens de gemeente kunnen bevestigen?” De advocaat van de gemeente antwoordt op 23 februari 2024: “de stelling van Stichting Zorgwonen Bronbeek dat zij inmiddels vrij zou zijn om het recht van erfpacht te verkopen is onjuist. De Wet Voorkeursrecht Gemeente is nog altijd van toepassing en de gemeente stemt niet in met verkoop van het recht van erfpacht.”\n\n3.23.. Tijdens de zitting heeft mr. Van Wijk-Driessen eerst gezegd dat zij er vrij zeker van was dat zij het verzoek van 21 november 2023 kende ten tijde van haar telefoongesprek en correspondentie van de notaris. Aan het einde van de zitting heeft mr. Lam echter naar voren gebracht dat zij pas bij e-mail van 15 maart 2024 door [ambtenaar 1] van de Gemeente op de hoogte is gebracht van het verzoek van 21 november 2023 en heeft hij uit deze e-mail, waarbij het verzoek zou zijn gevoegd, geciteerd. De Stichting wijst er terecht op dat een en ander niet met elkaar te rijmen is en dat de e-mail van 15 maart 2024 niet in het geding is gebracht. Het laatste standpunt van de Gemeente strookt echter wel daarmee dat eerst na februari 2024 is gecorrespondeerd tussen partijen over de stelling van de Stichting dat de Gemeente niet tijdig een verzoekschrift heeft ingediend. De rechtbank zal er dan ook van uitgaan dat de advocaat van de Gemeente in februari 2024 nog niet op de hoogte was van het verzoek van 21 november 2023.\n\n3.24.. De notaris schrijft op 23 februari 2024 aan Apollo en [bestuurder] dat er nu nog niet gepasseerd kan worden en ook niet op 28 februari 2024. Op 23 februari 2024 schrijft Apollo aan [bestuurder] dat hij telkenmale heeft aangegeven dat het voorkeursrecht eraf was en dat er zo spoedig mogelijk getransporteerd kan\u002Fmoet worden. De notaris geeft aan dat er niet getransporteerd kan worden. Hierdoor lijdt de koper schade, geeft zij de vordering uit handen en stelt de Stichting in gebreke. Onder verwijzing naar artikel 11.2 van de koopovereenkomst claimt zij 10% van de koopsom, aldus Apollo. Op 27 februari 2024 heeft de advocaat van Stichtse Advies een ingebrekestelling verstuurd. Op 4 maart 2024 maakt zij aanspraak op betaling van de contractuele boete van 10% ad € 930.000,00. Uiteindelijk heeft deze rechtbank eind 2024 op vordering van Stichtse Advies voor recht verklaard dat de Stichting is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst en dat Stichtse Advies een geslaagd beroep kan doen op artikel 11.2 van de koopovereenkomst.\n\n3.25.. In het dossier zit een aangetekende brief van de Stichting aan de Gemeente van 26 februari 2024. Hierin staat dat de overdracht morgen dient plaats te vinden: “Op het pand was een voorkeursrecht gemeente gevestigd. Stichting Zorgwonen Bronbeek is hiervan nu vrij om te verkopen omdat u -de gemeente Arnhem- de rechtbank niet ingeschakeld heeft om een prijs te bepalen.” De gemeente wordt verzocht het voorkeursrecht uiterlijk op 27 februari 2024 om 17:00 uur door te halen. Bij brief van 28 februari 2024 schrijft de Stichting dat zij niet van de Gemeente heeft vernomen en verzoekt zij de Gemeente ervoor zorg te dragen dat het voorkeursrecht wordt doorgehaald zodat de leveringsakte uiterlijk vrijdag a.s. kan passeren.\n\n3.26.. De rechtbank stelt vast dat (ook) deze beide brieven zijn geadresseerd aan een antwoordnummer. Op de brieven staat geen contactpersoon of kenmerk. Wanneer de brieven zijn verzonden en ontvangen door de (behandelend ambtenaren binnen de) Gemeente heeft de Stichting niet vermeld. In de brief van 26 februari 2024 staat weliswaar dat de Stichting vrij is om te verkopen omdat de Gemeente de rechtbank niet heeft ingeschakeld om een prijs te bepalen, maar daarin wordt niet verwezen naar het verzoek van 21 november 2023 noch naar het feit dat de Gemeente niet binnen de vierwekentermijn van artikel 13 Wvg een verzoekschrift heeft ingediend. Deze brieven zijn al met al geen geschikt middel om ervoor te zorgen dat de Gemeente tijdig zou bevestigen dat inderdaad geen verzoekschrift was ingediend, zodat de levering alsnog doorgang zou kunnen vinden. Op de vraag of de Stichting in die periode nog op een andere manier heeft geprobeerd om contact op te nemen met de Gemeente om de levering te laten doorgaan, heeft de Stichting ter zitting ontkennend geantwoord.\n\n3.27.. Eerst na het niet doorgaan van de levering in februari 2024 stelt de (advocaat van de) Stichting zich schriftelijk op het standpunt ten opzichte van de Gemeente dat zij de vrijheid tot vervreemding aan derden heeft als gevolg van het overschrijden van de vierwekentermijn van artikel 13 Wvg naar aanleiding van het verzoek van 21 november 2023. Dat dit op enig moment vóór maart 2024 op voor de Gemeente voldoende duidelijke wijze is gebeurd, heeft de Stichting (los van de voornoemde brieven van 26 en 28 februari 2024) niet aangevoerd. Uit het telefoongesprek tussen de notaris en de advocaat van de Gemeente, zijn vraag per e-mail van 22 februari 2024, haar antwoord bij e-mail van 23 februari 2024 en de correspondentie tussen Apollo en [bestuurder] kan niet worden afgeleid dat de Stichting zich in die context met zoveel woorden op het standpunt heeft gesteld dat zij vrij was om het erfpachtrecht aan derden te verkopen omdat de vierwekentermijn van artikel 13 Wvg ongebruikt was verstreken na indiening van het verzoek van 21 november 2023. Uit termen als ‘het voorkeursrecht geldt niet meer’ en de Stichting ‘is vrij te verkopen’ hoefde de Gemeente bij gebrek aan een verwijzing naar het verzoek van 21 november 2023 niet te begrijpen dat de Stichting vond dat het rechtsgevolg van artikel 13 lid 3 Wvg (vervreemdingsvrijheid) was ingetreden, laat staan waarom.\n\n3.28.. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het handelen van de Stichting in november en december 2023 niet was gericht op het bereiken van overeenstemming over de vervreemdingsvoorwaarden noch op het starten van een gerechtelijke prijsbepalingsprocedure (omdat de taxaties van de Stichting en de Gemeente uiteenliepen), maar op het laten verstrijken van fatale termijnen door de Gemeente door een verzoek in te dienen en dat zoveel mogelijk buiten het zicht van de betrokken ambtenaren – met wie haar adviseur in dezelfde periode contact had – te houden. Het handelen van de Stichting in januari en februari 2024 was voorts niet geschikt om tijdig een bevestiging van de Gemeente te verkrijgen dat zij vrij was om het erfpachtrecht te vervreemden aan derden en de levering aan Stichtse Advies alsnog doorgang te laten vinden.\n\n3.29.. Tegen deze achtergrond concludeert de rechtbank dat de Stichting te kwader trouw heeft gehandeld en misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 13 lid 1 Wvg om een verzoek bij het college in te dienen. Dit betekent dat, hoewel vaststaat dat het college geen verzoekschrift heeft ingediend bij de rechtbank binnen de fatale termijn van vier weken van artikel 13 lid 1 Wvg, dit in de gegeven omstandigheden niet leidt tot het rechtsgevolg van artikel 13 lid 3 jo. artikel 12 lid 2 en 3 Wvg, namelijk dat de Stichting gedurende drie jaar de vrijheid tot vervreemding aan derden heeft. De hierop betrekking hebbende verklaring voor recht die wordt gevorderd, is daarom niet toewijsbaar.\n\nOnrechtmatige daad en schade\n\n3.30.. De Stichting stelt verder dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld en nog steeds onrechtmatig handelt door het standpunt in te nemen dat de situatie van artikel 13 lid 3 Wvg zich niet voordoet en dat de Stichting niet vrij is het erfpachtrecht te vervreemden en door dit standpunt ook uit te dragen richting de notaris. De voormelde e-mail van de advocaat van de Gemeente van 23 februari 2024 bevat een onjuiste mededeling. Dit standpunt is herhaald in een brief van de advocaat van de Gemeente van 9 september 2024 aan de advocaat van de Stichting, aldus de Stichting.\n\n3.31.. Uit wat hiervoor in 3.11 tot en met 3.29 is overwogen, volgt reeds dat van een onrechtmatige daad van de Gemeente geen sprake is. Nu het rechtsgevolg van artikel 13 lid 3 Wvg niet is ingetreden, is de mededeling aan de notaris niet feitelijk onjuist. De gevorderde verklaring voor recht dat de Gemeente onrechtmatig handelt en het gevorderde bevel aan de Gemeente om zich te onthouden van elk handelen dat de verkoop belemmert of frustreert, zullen daarom worden afgewezen. Ditzelfde geldt voor de gevorderde verklaring voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die de Stichting lijdt als gevolg van de onrechtmatige daad van de Gemeente en de gevorderde veroordeling tot schadevergoeding, op te maken bij staat.\n\nTen overvloede: de Stichting heeft eigen schuld\n\n3.32.. Nu de Gemeente niet aansprakelijk is, wordt niet toegekomen aan de beoordeling van het eigenschuldverweer van de Gemeente. Ten overvloede overweegt de rechtbank hierover het volgende. Uit de hiervoor in 3.13 tot en met 3.18 vermelde gang van zaken volgt dat de Stichting het verzoek van 21 november 2023 zoveel mogelijk uit het zicht van de Gemeente heeft willen houden om zo de kans te vergroten dat het college niet tijdig een verzoekschrift zou indienen. Na het verstrijken van de vierwekentermijn heeft de Stichting het erfpachtrecht, zoals gezegd, eind januari 2024 verkocht aan Stichtse Advies. In de koopovereenkomst staat dat de leveringsakte uiterlijk 7 februari 2024 wordt gepasseerd, dat de verkoper instaat voor zijn bevoegdheid tot verkoop en eigendomsoverdracht, dat verkoper verklaart dat geen verplichtingen ten opzichte van derden bestaan wegens voorkeursrecht en dat de onroerende zaak niet meer is opgenomen in een (voorlopige) aanwijzing als bedoeld in de Wvg, althans dat zij thans vrij is de onroerende zaak te verkopen. Later werd de leveringsdatum 28 februari 2024. Uit de hiervoor in 3.19-3.27 beschreven gang van zaken volgt evenwel dat de Stichting zich in januari en februari 2024 niet ten opzichte van de Gemeente op het onmiskenbare standpunt heeft gesteld dat zij vrij was het erfpachtrecht te vervreemden aan derden (en waarom) noch voldoende tijdig en duidelijk heeft gevraagd aan de Gemeente om deze vervreemdingsvrijheid schriftelijk aan haar te bevestigen.Deze bevestiging was niet voorhanden ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst. De Stichting kon er redelijkerwijs niet van uitgaan dat de vraag van de notaris en haar brieven aan een antwoordnummer van 26 en 28 februari 2024 ertoe zouden leiden dat de Gemeente tijdig (dat wil zeggen: vóór de levering op 28 februari 2024) zou bevestigen dat de Stichting inderdaad de vrijheid tot vervreemding aan derden had. Niet alleen voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst maar ook ten tijde van de levering van het erfpachtrecht had de Stichting dus geen enkele zekerheid dat de Gemeente zich hier niet tegen zou verzetten met een beroep op het voorkeursrecht, terwijl zij wél met zoveel woorden aan Stichtse Advies heeft gegarandeerd dat het voorkeursrecht ‘ervan af was’ althans niet meer van toepassing was. In plaats van te vragen om uitstel van de levering heeft zij vervolgens erop aangedrongen bij Stichtse Advies dat de levering uiterlijk op 28 februari 2024 zou plaatsvinden. De schade die de Stichting stelt doordat het erfpachtrecht niet voor de overeengekomen koopprijs aan Stichtse Advies is geleverd (inclusief de misgelopen opbrengst, gemist rendement, misgelopen aflosmogelijkheden, doorlopende lasten, boete van 10% en kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW), is dus mede het gevolg van omstandigheden die aan de Stichting kunnen worden toegerekend. Zij had deze schade in elk geval kunnen voorkomen door duidelijk en transparant met de Gemeente te communiceren. In het licht daarvan moet de schade zozeer worden beschouwd als het gevolg van de gedragingen van de Stichting dat de schade geheel voor haar rekening moet blijven. Ook als de Gemeente wel onrechtmatig zou hebben gehandeld, zou de Stichting dus geen recht hebben gehad op schadevergoeding.\n\nProceskosten in de hoofdzaak\n\n3.33.. De Stichting krijgt ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n3.34.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beoordeling in het incident\n\n4.1.. De Stichting heeft op de voet van artikel 223 Rv gevorderd dat de rechtbank bij vonnis in het incident, uitvoerbaar bij voorraad en voor de duur van het geding in de hoofdzaak, voorlopige voorzieningen treft. Primair vordert zij een bevel dat de Gemeente zich onthoudt van elk handelen of nalaten met een beroep op het voorkeursrecht dat de verkoop van het perceel belemmert of frustreert, daaronder begrepen het in strijd hiermee verspreiden van informatie over de onroerende zaak, en dat de Gemeente in voorkomend geval de instrumenterend notaris op eerste verzoek meldt dat het voorkeursrecht niet aan levering in de weg staat, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Subsidiair vordert zij een zodanige voorziening als de rechtbank in goede justitie geraden acht. Tot slot vordert zij een veroordeling van de Gemeente in de proceskosten en nakosten.\n\n4.2.. Deze vorderingen zullen worden afgewezen. Hiervoor is overwogen dat en waarom de vorderingen van de Stichting in de hoofdzaak niet toewijsbaar zijn. In de hoofdzaak wordt eindvonnis gewezen. Een voorlopige voorziening op de voet van artikel 223 Rv kan evenwel slechts worden getroffen voor de duur van het geding. Zij verliest haar werking zodra in de hoofdzaak einduitspraak wordt gedaan in de instantie die de voorziening heeft verleend, ongeacht of tegen die einduitspraak een rechtsmiddel wordt aangewend en of die einduitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Voor een eventuele procedure in hoger beroep kan de rechtbank geen voorlopige voorziening treffen. Gelet op een en ander heeft de Stichting geen belang bij de beoordeling van haar vorderingen in het incident.\n\n4.3.. De Stichting krijgt ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kosten van de gemeente worden begroot op € 653,00 aan salaris advocaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident\n\n5.1.. wijst de vorderingen van de Stichting af,\n\n5.2.. veroordeelt de Stichting in de proceskosten van € 653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.3.. wijst de vorderingen van de Stichting af,\n\n5.4.. veroordeelt de Stichting in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de Stichting niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.5.. veroordeelt de Stichting tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.\n\n1906\n\n Kamerstukken II 1975\u002F1976, 13713, nr. 3, p. 12, 16, 19.\n\n Kamerstukken II 1976\u002F1977, 13713, nr. 9, p. 35.\n\n Kamerstukken II 2007\u002F2008, 31285, nr. 3, p. 2-3 en 14.\n\n Rechtbank Gelderland 4 december 2024, C\u002F05\u002F435349 \u002F HA ZA 24-226 (niet gepubliceerd).\n\n Vgl. het vonnis Rechtbank Gelderland 4 december 2024, C\u002F05\u002F435349 \u002F HA ZA 24-226 (niet gepubliceerd), onder 4.14, waarop de Gemeente in dit verband wijst.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:1905","2026-07-13T00:29:38.691Z",20,[11,116,117,118,119],2025,2024,2023,2022]