[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-planning-permit-nl-2023":3},{"detail":4,"years":111},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":27,"page":14,"limit":110},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},104,"planning-permit-nl","Planning Permit","NL","2026-07-08T16:56:40.776Z",2023,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":19},7,{"month":29,"count":14},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63,72,82,90,100],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"514","ECLI:NL:RBDHA:2023:18213","ecli-nl-rbdha-2023-18213","",58,"2023-10-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 21\u002F6094uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2023 in de zaak tussen\n\n [eiser 1],\n\n [eisers 1],\n\n [eisers 2],\n\n [eiser 2],\n\n [eiser 3],\n\n [eiser 4],\n\n [eiser 5],\n\n [eiser 6],\n\n [eiser 7]\n\nte [woonplaats], eisers\n\n(gemachtigde: mr. R.B. van Heijningen),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. P. Yildirim).\n\nAls derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [woonplaats], vergunninghouder\n\n(gemachtigde: mr. F. van der Heijden).\n\nInleiding\n\n1. Verweerder heeft bij besluit van 10 september 2020 (het primaire besluit) een omgevingsvergunning verleend voor het transformeren van een kantoorgebouw aan de [adres 1] in [plaats] naar twaalf short stay appartementen voor een periode van tien jaar. Het daartegen door eisers gemaakte bezwaar is bij het besluit van 2 augustus 2021 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het bestreden besluit.\n\n2. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Vergunninghouder heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Eisers hebben nadere stukken ingediend.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan\n\nhebben deelgenomen: [eiser 1] en [namen], bijgestaan door hun\n\ngemachtigde, de gemachtigde van verweerder, en vergunninghouder, bijgestaan door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte de omgevingsvergunning heeft verleend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n5. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\n5.1.. Vergunninghouder heeft op 4 juni 2020 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het transformeren van een kantoorgebouw aan de [adres 1] in [plaats] naar twaalf short stay appartementen. De aanvraag heeft betrekking op de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).\n\n5.2.. In het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend.\n\n5.3.. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich - conform het advies van de bezwaarschriftencommissie - op het standpunt dat de functiewijziging van kantoor naar short stay appartementen niet in strijd is met de bestemming ‘Gemengd’ op grond van de beheersverordening ‘Willemspark e.o.’ (beheersverordening). De bezwaarschriftencommissie adviseerde echter de omgevingsvergunning in heroverweging te weigeren, omdat in het primaire besluit ten onrechte is overwogen dat het bouwplan voldoet aan de parkeereis. Vergunninghouder is in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen, maar is daarin niet binnen de gestelde termijn geslaagd. Verweerder concludeert op basis van nieuwe informatie van vergunninghouder, die is ontvangen ná het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat alsnog wordt voldaan aan de parkeereis. Verweerder wijkt daarom op dit punt af van het advies van de bezwaarschriftencommissie.\n\n6. Eisers betogen op hierna te noemen gronden dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden.\n\nOntvankelijkheid beroep\n\n7.1.. Vergunninghouder betoogt dat het beroep van eisers niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de gemachtigde van eisers het beroepschrift op 13 september 2021 niet met het inlogmiddel advocatenpas heeft ingediend maar met DigiD.\n\n7.2.. Op grond van artikel 2:15, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 8:40a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bericht elektronisch naar de bestuursrechter worden verzonden voor zover de bestuursrechter kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. De bestuursrechter kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg.\n\n7.3.. Op grond van het tweede en derde lid van artikel 2:15 van de Awb kan de bestuursrechter elektronisch verschafte gegevens en bescheiden weigeren voor zover de aanvaarding daarvan tot een onevenredige belasting voor de bestuursrechter zou leiden. De bestuursrechter kan een elektronisch verzonden bericht ook weigeren voor zover de betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid van dit bericht onvoldoende is gewaarborgd, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt.\n\n7.4.. Op grond van artikel 1.8, eerste lid, van het (op het moment van indiening van het beroepschrift geldende) Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 (Procesreglement) maakt dit reglement onderscheid tussen digitaal procederen en andere vormen van elektronisch berichtenverkeer met en van de bestuursrechter. Van digitaal procederen in deze zin is in de onderhavige procedure geen sprake.7.5.. Op grond van artikel 1.8, vierde lid, van het Procesreglement neemt de bestuursrechter een elektronisch ingediend beroepschrift dat niet is ingediend door middel van digitaal procederen uitsluitend in behandeling, indien het is ingediend via een daarvoor door de bestuursrechter opengesteld systeem dat wordt vermeld in de bijlage bij dit reglement met toepassing van de bepalingen vermeld in de bijlage.\n\n7.6.. Op grond van artikel 1 van bijlage 1 bij het Procesreglement heeft de bestuursrechter, voor het anders dan met digitaal procederen elektronisch indienen van beroepschriften en berichten, zoals bedoeld in artikel 1.8. vierde lid, van het reglement formulieren voor het instellen van (hoger) beroep beschikbaar gesteld op de digitale loketten www.rechtspraak.nl. Voor advocaten is alleen het inlogmiddel Advocatenpas toegelaten. Voor natuurlijke personen alleen DigiD.\n\n7.7.. Op het pro forma beroepschrift staat een stempel dat het is ontvangen op 13 september 2021 om 23:44 uur. Het beroepschrift is daarom tijdig ingediend. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting toegelicht dat het inlogmiddel Advocatenpas niet werkte en dat hij, gelet op de naderende deadline, het beroepschrift daarom met behulp van DigiD heeft ingediend. Daarbij heeft hij vermeld dat hij namens anderen beroep heeft ingesteld. Uit het pro forma beroepschrift blijkt dat hij als advocaat namens negen personen beroep heeft ingesteld.\n\n7.8.. \n\nDe rechtbank overweegt allereerst dat, anders dan vergunninghouder kennelijk meent, de bestuursrechter niet gehouden is om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren als niet wordt voldaan aan de vereisten bij of krachtens artikel 2:15, eerste lid, van de Awb. Daarbij wijst de rechtbank in de eerste plaats op de formulering van artikel 6:6 van de Awb, dat bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk kanworden verklaard indien aan enig bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep niet is voldaan. Daarnaast merkt de rechtbank op dat in de memorie van toelichting bij artikel 2:15 van de Awb is overwogen:\n\n“Indien een bericht langs elektronische weg aan een bestuursorgaan wordt toegezonden, terwijl het bestuursorgaan niet heeft kenbaar gemaakt dat deze weg is geopend voor dit soort berichten en deze weg inderdaad ook niet is opengesteld, dan kan het bestuursorgaan op die grond weigeren het bericht te aanvaarden. Het staat het bestuursorgaan echter ook onder die omstandigheid vrij het bericht te accepteren.”\n\n7.9.. Naar het oordeel van de rechtbank is niet-ontvankelijkheid van het beroep een te vergaande consequentie van het verzuim om het inlogmiddel Advocatenpas te gebruiken. De rechtbank betrekt daarbij dat deze regeling niet strekt tot bescherming van de belangen van verweerder en vergunninghouder, maar (mede gelet op de weigeringsgronden van artikel 2:15, tweede en derde lid, van de Awb) ziet op een betrouwbare en efficiënte wijze van elektronisch verkeer tussen de rechtbank en partijen. Verweerder en vergunninghouder zijn door de handelwijze van de gemachtigde van eisers ook niet benadeeld in hun procespositie.\n\n7.10.. Anders dan vergunninghouder ter discussie heeft gesteld, hebben bovendien alle eisers het bezwaarschrift, ingediend door eiser [eiser 1], ondertekend. Ook op dat punt ziet de rechtbank dus geen aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te achten. De rechtbank zal het beroep daarom inhoudelijk bespreken.\n\nStrijd met de bestemming in de beheersverordening?\n\n8.1.. Eisers stellen dat de short stay appartementen niet een hotelfunctie hebben, omdat geen sprake is van (volledige of gedeeltelijke) verzorging. Het bouwplan maakt feitelijk kamergewijze verhuur van tijdelijke aard mogelijk, zodat de functie ‘wonen’ aan de orde is. Verweerder heeft dit niet onderkend. Het gemeentelijk beleid is gericht op het vergroten van de woningvoorraad en het tegengaan van kamerbewoning. Voor de wijken Archipel en Willemspark geldt een verbod voor kamerverhuur en splitsing van woningen. Voor verhuur voor tijdelijk verblijf is een onttrekkingsvergunning vereist. Dat verweerder zelf uitgaat van strijd met de beheersverordening blijkt uit het feit dat in de bekendmaking van het besluit in het Gemeenteblad van 27 juli 2020 “Categorie: Ontheffing kruimel” staat. Uitgaande van strijd met de beheersverordening moet verweerder motiveren waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening en alle belangen afwegen. Het tijdelijk verblijf van twaalf huishoudens zal een nadelig effect hebben op de leefbaarheid in de wijk en voor (onder meer geluids-)overlast voor omwonenden en meer verkeersbewegingen zorgen.\n\n8.2.. Verweerder acht short stay appartementen in overeenstemming met een hotelfunctie omdat bij beiden sprake is van ‘logies’. In de aanvraag is ‘logiesfunctie’ vermeld. Verweerder definieert ‘logies’ als het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan personen die elders hun hoofdverblijf hebben. De bezwaarschriftencommissie verwijst voor het oordeel dat de logiesfunctie een vorm van de hotelfunctie is naar de omgevingsvergunning voor de Lekstraat 85. Verweerder wijst erop dat het gaat om een gebonden beschikking. Omdat short stay appartementen een hotelfunctie hebben, wordt het bouwplan voor wat betreft de wijziging van de functie akkoord bevonden. Verweerder stelt dat van gedeeltelijke verzorging sprake is, omdat de in de tekeningen aangegeven werkkast, stookruimte en tochthal gezamenlijke ruimtes zijn ten behoeve van het onderhoud en verzorging van de appartementen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat short stay in dit geval inhoudt dat sprake is van een tijdelijk verblijf van maximaal vier maanden.\n\n8.3.. Vergunninghouder heeft bij brief van 8 september 2020 toegelicht dat de verzorging bestaat uit stoffering en meubilering van de appartementen, een wasmachine en droger in een algemene ruimte, herstel en\u002Fof vervanging van schade aan verlichting en\u002Fof meubilering, huisregels met betrekking tot geluid, afval en onderhoud en controles met betrekking tot naleving daarvan, in- en uitchecken op afspraak, schoonmaken van de algemene ruimtes en de ramen en huurcontracten.\n\n8.4.. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het (voor zover hier relevant) verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.\n\n8.5.. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo kan de omgevingsvergunning worden verleend indien (voor zover hier relevant) de activiteit niet in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of regels die zijn gesteld op grond van artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.\n\n8.6.. Op grond van de beheersverordening geldt ter plaatse van het bouwplan de bestemming ‘Gemengd’. Op grond van artikel 5.1 van de planregels zijn de voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden bestemd voor onder meer ‘wonen’ (onder a) en ‘hotel’ (onder f).\n\n8.7.. Op grond van artikel 1.58 van de planregels wordt hotel en\u002Fof pension als volgt gedefinieerd:\n\n“Elk gebouw dan wel een gedeelte van een gebouw, alsmede de daarbij behorende voorzieningen zoals terrassen, tuinen, zwembaden, tennisbanen, erven of terreinen of gedeelten daarvan, waar de bedrijfsvoering hoofdzakelijk is gericht op het bedrijfsmatig verlenen van tijdelijke huisvesting met gehele of gedeeltelijke verzorging.”\n\n8.8.. Uit deze definitie blijkt dat naast het bedrijfsmatig verlenen van tijdelijke huisvesting een vorm van verzorging nodig is. De rechtbank overweegt dat het begrip (gehele of gedeeltelijke) verzorging niet wordt gedefinieerd in de planregels. De rechtbank sluit daarom aan bij de betekenis die in het normale spraakgebruik aan dit begrip wordt gegeven. Het \"Van Dale’s Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal\" definieert verzorging als: “(1) het voorzien in het welzijn van personen en (huis)dieren, (2) het in goede staat houden van iets, (3) het zorg dragen voor de uitvoering van een taak of opdracht”. Nu het begrip verzorging in relatie staat tot de hotelfunctie, is naar het oordeel van de rechtbank hier de eerste definitie relevant. Voor de vraag of de short stay appartementen onder het begrip hotel of pension zijn te scharen, is dus van belang of daar een vorm van verzorging bij wordt aangeboden die ziet op het welzijn van personen.\n\n8.9.. De rechtbank is van oordeel dat de toelichting van verweerder en vergunninghouder dat bij de short stay appartementen sprake is van gedeeltelijke verzorging, niet toereikend is om van een hotelfunctie te spreken. Het project behelst twaalf volledig zelfstandige appartementen met eigen voorzieningen. In de appartementen is ook een keukenvoorziening aanwezig, zodat bewoners zelfstandig kunnen voorzien in ontbijt, lunch en diner en daarvoor niet afhankelijk zijn van verzorging door de verhuurder. Er is dus uitsluitend sprake van logies, niet van logies met ontbijt, half- of volpension. Ter zitting heeft vergunninghouder toegelicht dat de bewoners gebruik kunnen maken van een broodservice. Deze voorziening is echter optioneel en geen standaard onderdeel van de bedrijfsvoering. Bovendien kunnen die broodjes niet genuttigd worden in een gemeenschappelijke ruimte, zoals gebruikelijk in hotels en pensions. Ook de andere door verweerder en vergunninghouder genoemde voorzieningen kunnen niet worden aangemerkt als een vorm van verzorging die ziet op het welzijn van personen die kenmerkend is voor een hotelfunctie. Het bouwplan is daarom niet in overeenstemming met de bestemming ‘Gemengd’ van de beheersverordening.\n\n8.10.. De beroepsgrond slaagt.\n\n8.11.. Met het oog op efficiënte geschilbeslechting zal de rechtbank de beroepsgronden met betrekking tot het parkeren nog bespreken. De beroepsgronden die zien op de goede procesorde in bezwaar en de bezwaartermijn laat de rechtbank onbesproken, nu verweerder opnieuw op het bezwaar zal moeten beslissen en eisers daarom geen belang meer hebben bij een oordeel daarover.\n\nAutoparkeren\n\n9. Ten aanzien van autoparkeren is het bestemmingsplan “Parapluherziening (fiets)parkeren” van toepassing. De parkeernormen zijn vastgelegd in de Nota Parkeernormen Den Haag van 10 november 2011 (RIS 181571), aangevuld bij raadsbesluit van 3 maart 2016 (RIS 291425) (hierna: Nota Parkeernormen Den Haag).\n\na. a) berekening parkeerbehoefte\n\n9.1.. Eisers stellen dat de parkeerbehoefte niet juist is berekend. In de huidige situatie is sprake van leegstaande kantoren en in de beoogde situatie worden 12 appartementen bewoond. De toename van het aantal parkeerplaatsen kan daarom niet slechts 6 zijn. Verweerder heeft in dit verband niet inzichtelijk gemaakt hoe hij heeft berekend dat in de oude situatie de parkeerbehoefte 3,89 parkeerplaatsen bedraagt. Daar komt bij dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de toename van de parkeerbehoefte in de openbare ruimte met 13 parkeerplaatsen als gevolg van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van 26 short stay appartementen in de directe omgeving van het pand aan de [adres 3].\n\n9.2.. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, alleen rekening behoort te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan.Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Dit houdt in dat slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte vanwege het te verbouwen pand. Het bovenstaande betekent dat verweerder een mogelijk bestaand parkeertekort als gevolg van de omgevingsvergunning voor het realiseren van 26 short stay appartementen aan de [adres 3] niet behoefde te betrekken bij het berekenen van de parkeerbehoefte voor het onderhavige bouwplan.\n\n9.3.. Verweerder berekent de oude en de nieuwe parkeerbehoefte als volgt. De parkeerbehoefte van de bestaande functie bedraagt op het maatgevend moment overdag 3,89 parkeerplaatsen. Door de functiewijziging is sprake van verschuiving van het maatgevend moment van 100% aanwezigheid van het overdag parkeren naar 5% aanwezigheid van het avond-nacht parkeren. Daarom bedraagt de parkeerbehoefte van de bestaande functie op het nieuwe maatgevende moment (5% x 3,89 =) 0,19 parkeerplaatsen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie is verweerder op grond van de Nota Parkeernormen Den Haag uitgegaan van een parkeernorm van 0,5 parkeerplaats per appartement. Deze norm geldt voor woningen (per woning) en voor hotels (per kamer). Omdat het om 12 appartementen gaat, is de nieuwe parkeerbehoefte 6 parkeerplaatsen. Na saldering bedraagt de parkeerbehoefte (6 – 0,19 =) 5,81 parkeerplaatsen. De parkeereis bedraagt daarom 6 parkeerplaatsen.\n\n9.4.. Gelet op het voorgaande is verweerder terecht uitgegaan van een toename van de parkeerbehoefte met 6 parkeerplaatsen als gevolg van de realisering van het bouwplan. Verweerder heeft de berekening van de parkeerbehoefte (zowel in de oude als de nieuwe situatie) bovendien inzichtelijk gemaakt in een spreadsheet, die als bijlage bij de pleitnota in bezwaar is gevoegd. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.\n\nb) parkeerdruk\n\n9.5.. Op 5 november 2019 is door de afdeling Mobiliteit van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling berekend dat de parkeerdruk in de omgeving 84% bedraagt. Daarom mag op grond van de Nota Parkeernormen Den Haag de openbare straat niet worden gebruikt om de parkeerbehoefte te faciliteren. De parkeerbehoefte moet worden opgelost door de aanleg van parkeerplaatsen op eigen terrein of het gebruik van een private garage of privaat parkeerterrein binnen loopafstand.Dit heeft eiser gedaan door één parkeerplek te realiseren op eigen terrein, vier parkeerplaatsen te huren op het naburige perceel [adres 2] en één parkeerplaats te huren aan [straatnaam]. De rechtbank zal hierna beoordelen of deze parkeeroplossing volstaat.\n\nc) [adres 2]\n\n9.6.. Eisers stellen dat het huren van vier parkeerplaatsen op het perceel [adres 2] niet mede ten grondslag kan liggen aan het voldoen aan de parkeereis. De vier parkeerplaatsen worden gebruikt ten behoeve van de zalenverhuur in [adres 2]. Indien zij worden gebruikt ten behoeve van de short stay appartementen, zullen de bezoekers van de [adres 2] uitwijken naar de openbare ruimte om te parkeren. Bovendien zijn de verhuurder en vergunninghouder met elkaar te vereenzelvigen, omdat zij gezamenlijk eigenaar zijn van het pand [adres 2]. De huurprijs bedraagt slechts 35 euro per parkeerplaats per maand. De huurovereenkomst garandeert daarom niet dat aan de parkeereis zal blijven worden voldaan. Het feit dat de parkeerplaatsen worden voorzien van parkeerbeugels biedt ook geen garantie, omdat vergunninghouder zeggenschap heeft over het feitelijk gebruik van de beugels.\n\n9.7.. De rechtbank overweegt dat in de huurovereenkomst is bepaald dat deze niet tussentijds opzegbaar is. Daarnaast zullen parkeerbeugels op de parkeerplaatsen worden geplaatst, waardoor derden geen gebruik daarvan kunnen maken. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate gegarandeerd dat de parkeerplaatsen uitsluitend door de bewoners van de short stay appartementen zullen worden gebruikt.\n\n9.8.. De rechtbank is verder van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het vervallen van de parkeerplaatsen ten behoeve van de [adres 2] tot gevolg zal hebben dat de bezoekers van de [adres 2] zullen gaan parkeren in de openbare ruimte. Ter zitting heeft vergunninghouder weliswaar toegelicht dat hij op 21 oktober 2021, na het bestreden besluit, een overeenkomst heeft gesloten met de exploitant van [adres 2] ten behoeve van het gebruik van de parkeerplaatsen door bezoekers van [adres 2]. De overeenkomst met de exploitant is echter tussentijds opzegbaar en de parkeerplaatsen moeten beschikbaar zijn zodra vergunninghouder het bouwplan gaat realiseren. Het betoog van eisers slaagt niet.\n\nd) Bonistraat\n\n9.9.. Eisers stellen dat de gehuurde parkeerplaats in [straatnaam] niet mede ten grondslag kan liggen aan het voldoen aan de parkeereis. [straatnaam] is 350 meter gelegen van de short stay appartementen, zodat bewoners dichterbij de appartementen in de openbare ruimte zullen parkeren.\n\n9.10.. De rechtbank overweegt dat op grond van de Nota Parkeernormen Den Haag de loopafstand van de short stay appartementen tot de parkeerplaats in [straatnaam] maximaal 500 meter mag zijn.Nu [straatnaam] op 350 meter afstand is gelegen, wordt aan deze eis voldaan. Het betoog slaagt niet.\n\ne) eigen terrein\n\n9.11.. Eisers stellen dat het realiseren van een parkeerplaats op eigen terrein ([adres 1]) een evidente privaatrechtelijke belemmering oplevert. Op de betreffende strook rust een recht van overpad en uitoefening van dit recht wordt belemmerd indien er een auto wordt geparkeerd.\n\n9.12.. Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.\n\n9.13.. De rechtbank overweegt dat het door eisers aangevoerde recht van overpad geldt voor de bewoners van de percelen in de Javastraat met de kadastrale nummers 1666, 1667 en 1669. Eisers zijn geen bewoners van de betreffende percelen, zodat de rechtbank van oordeel is dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan de behandeling van deze beroepsgrond.\n\nFietsparkeren\n\n10. Eisers stellen dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan de fietsparkeernormen als bedoeld in de beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016 (RIS 294386) (beleidsregel Fietsparkeernormen). In het bouwplan wordt niet voorzien in een toereikende fietsenstalling.\n\n10.1.. Op grond van artikel 5.1 van het bestemmingsplan “Parapluherziening (fiets)parkeren” dient verweerder te beoordelen of sprake is van voldoende fietsgelegenheid op basis van de fietsparkeernormen, fietsparkeereisen en berekeningsmethode zoals opgenomen in de beleidsregel Fietsparkeernormen.10.2.. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat voor de fietsparkeernorm ten behoeve van de short stay appartementen aansluiting is gezocht bij de norm voor de functie wonen.\n\n10.3.. De rechtbank overweegt dat in de beleidsregel Fietsparkeernormen voor de norm voor de functie wonen wordt verwezen naar artikel 4.31 van het Bouwbesluit 2012.Op grond van dit artikel moet een woning worden voorzien van een fietsenberging. In het bestreden besluit wordt niet gemotiveerd hoe aan deze eis wordt voldaan. Uit de stukken blijkt niet dat voorzien is in een berging voor fietsen. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de fietsparkeerbehoefte onder de vrijstellingsgrens van tien fietsparkeerplekken valt. Verweerder heeft echter niet toegelicht wat de berekende fietsparkeerbehoefte is, zodat niet kan worden beoordeeld of dit standpunt juist is. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb genomen. De rechtbank zal het besluit vernietigen. Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837 en wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat verweerder aan eisers het door hun betaalde griffierecht vergoedt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- gelast verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.674,-;\n\n- draagt verweerder op het door eisers betaalde griffierecht van € 181,- aan hun te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2023.\n\ngriffier rechter\n\nde griffier is verhinderd te tekenen\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.\n\n Memorie van toelichting bij de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer, Kamerstukken II2001-2002, 28 483, nr. 3, p. 39.\n\n ABRvS 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:865.\n\n Nota Parkeernormen Den Haag, p. 32-33.\n\n Nota Parkeernormen Den Haag, p. 33.\n\n Beleidsregel Fietsparkeernormen, p. 7-8.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:18213","2023-11-27T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:34.213Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"670","ECLI:NL:RBZWB:2023:6790","ecli-nl-rbzwb-2023-6790",64,"2023-10-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: BRE 23\u002F3681 en 22\u002F5416 WABOA\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 oktober 2023 in de zaken tussen\n \n [naam verzoeker 1] , [naam verzoeker 2] en [naam verzoeker 3] , uit [woonplaats] , verzoekers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg, het college.\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel:\n\n [naam vergunninghouder]uit [woonplaats] (vergunninghouder)\n\n(gemachtigde: mr. C.A.F. Haans).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de woning op het perceel [straatnaam] 4b in [woonplaats] en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.\n\n1.1.. Het college heeft deze omgevingsvergunning met het primaire besluit van 7 juni 2022 verleend.\n\n1.2.. Bij het bestreden besluit van 25 oktober 2022 heeft het college de bezwaren van verzoekers hiertegen ongegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning onder verbetering van de motivering gehandhaafd.\n\n1.3.. Verzoekers hebben hiertegen op 16 november 2022 beroep ingesteld. Op 12 juli 2023 hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.4.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 19 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker [naam verzoeker 1] , namens het college [naam vertegenwoordiger] en namens vergunninghouder zijn gemachtigde en zijn partner [naam partner] .\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nOordeel van de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\nNaar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers een spoedeisend belang bij hun verzoek om voorlopige voorziening. Ter zitting is namens vergunninghouder bevestigd dat de werkzaamheden zijn begonnen.\n\n2.1.. De voorzieningenrechter verder is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak en doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nHet bouwplan\n\n3. Het bouwplan van vergunninghouder bestaat uit het verwijderen van de kapconstructie (zadeldak) van de vrijstaande woning en het realiseren van een verdieping met een plat dak. Verder wordt de bestaande schuur op het voorerf verwijderd en in plaats daarvan wordt een garage\u002Fberging gebouwd aan de linker voorzijde van de woning. Aan de achterkant wordt de bestaande serre afgebroken en vervangen door een iets grotere aanbouw.\n\nHet bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’\n\n3. Het perceel ligt in het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’ en heeft daarin deels de bestemming ‘Wonen’ en deels de bestemming ‘Tuin’.\n\nHet college heeft vastgesteld dat het bouwplan van vergunninghouder op twee punten in strijd is met het bestemmingsplan:\n\nhet platte dak van de nieuwe verdieping heeft een (goot)hoogte van circa 6,1 meter, terwijl hoofdgebouwen een goothoogte mogen hebben van maximaal 4 meter; en\n\nde aanbouw aan de voorzijde van de woning bevindt zich op gronden met de bestemming ‘Tuin’, terwijl op deze gronden slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd mogen worden.\n\nAfwijken van het bestemmingsplan\n\n4. Het college heeft op deze twee punten omgevingsvergunning verleend in afwijking van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 4, eerste en negende lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\n4.1.. Verzoekers voeren aan dat de aanbouw aan de voorzijde niet gebaseerd kan worden op artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor, omdat het bebouwde oppervlakte en het bouwvolume worden vergroot. Zij hebben ook geen andere grondslag kunnen vinden op grond waarvan de aanbouw aan de voorzijde vergund zou kunnen worden. Verzoekers stellen dat zij ook geen grondslag hebben kunnen vinden voor de overschrijding van de goothoogte. Het gaat volgens hen dus om cumulatieve (aanbouw aan de voorzijde én goothoogte) strijdigheid met het bestemmingsplan waarvoor geen grondslag is.\n\n4.2.. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.\n\nIn artikel 4 van bijlage II bij het Bor heeft de wetgever categorieën van gevallen aangewezen waarin een omgevingsvergunning in afwijking van een bestemmingsplan kan worden verleend. Met het eerste lid is dat mogelijk gemaakt voor een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan. Onder bijbehorend bouwwerk wordt hierbij ook verstaan: een uitbreiding van het hoofdgebouw. Met het negende lid is dat mogelijk gemaakt voor het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten.\n\nVolgens vaste rechtspraakvan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, mogen artikel 4, eerste en negende lid, van het Bor met elkaar gecombineerd worden. De uitbreiding van het hoofdgebouw is een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het eerste lid. De bebouwde oppervlakte of het bouwvolume mag op grond van het negende lid niet worden vergroot, maar daar ziet nu juist de afwijking met het eerste lid op. En deze maakt ook de goothoogte van 6,1 meter mogelijk.\n\nDit betekent dat het college bevoegd is om op deze grondslag omgevingsvergunning te verlenen voor de afwijkingen van het bestemmingsplan.\n\nGoede ruimtelijke ordening\n\n5. Als een aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan kan de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo slechts worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.\n\n5.1.. \n\nBij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen, komt het college beleidsruimte toe en moet het de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.\n\nDe bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.5.2.. In het primaire besluit heeft het college overwogen dat het afwijken geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, en dat het geen onevenredige afbreuk doet aan het straat en bebouwingsbeeld. Het college is daarom van mening dat realisatie van het bouwplan ruimtelijk gezien aanvaardbaar is.\n\n5.3.. In bezwaar hebben verzoekers gewezen op artikel 2.2 van de ‘Beleidsregels afwijken van het bestemmingsplan’ van het college van 17 mei 2011 (hierna: de beleidsregels). Daarin staat:\n\n“2.2. Bijbehorend bouwwerk voor de voorgevel van de woning binnen de bebouwde kom\n\nIn de regel wordt medewerking verleend aan bouwplannen die gerealiseerd worden voor de voorgevelrooilijn zoals aangeduid in het vigerende bestemmingsplan, mits de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer bedraagt dan 6 m² en de goot (-of boeibord)hoogte niet meer dan 3 meter bedraagt. Afwijking van de regels van het bestemmingsplan mag niet tot gevolg hebben dat het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid onevenredig worden aangetast.”\n\nAan deze bepaling van de beleidsregels wordt niet voldaan, omdat de aanbouw aan de voorzijde meer bedraagt dan 6 m².\n\n5.4.. Op advies van de bezwaarschriftencommissie heeft het college de ruimtelijke motivering in het bestreden besluit aangevuld. Het college stelt dat op grond van artikel 12 van de beleidsregels gemotiveerd afwijken in bijzondere gevallen mogelijk is, indien toepassing ervan in een specifieke situatie onredelijk zou zijn. In dit geval wordt het bouwplan uitgevoerd op een groot perceel, ligt de betreffende woning ver naar achteren en wordt een voor de woning gelegen bijgebouw (de schuur van circa 70 m2) verwijderd. Dit maakt dat deze uitbreiding van het hoofdgebouw voor de voorgevelrooilijn in deze specifieke situatie aanvaardbaar wordt geacht. De hoofdmassa van de woning blijft op dezelfde plek. De grotere duurzame moderne woning past bij de moderne bebouwing van [naam bestemmingsplan] bedrijventerrein en de dierenartsenpraktijk.\n\n5.5.. De voorzieningenrechter kan het college in deze motivering volgen. Daar staan tegenover de belangen van verzoekers. Ter zitting is komen vast te staan dat verzoekers [naam verzoeker 2] ( [straatnaam] 8) en [naam verzoeker 3] ( [straatnaam] 6) geen zicht hebben op de woning van vergunninghouder, omdat tussen [straatnaam] 4b en hun percelen een loods staat, die hen het zicht op het bouwplan ontneemt. Ter zitting is aangegeven dat zij vrezen voor een waardedaling van hun woning als gevolg van het bouwplan van vergunninghouder, maar de voorzieningenrechter ziet niet in waarom de waarde van hun woningen zou dalen als het uitzicht ongewijzigd is. Verzoeker [naam verzoeker 1] ( [straatnaam] 4) heeft wel direct zicht op het bouwplan. Voor wat betreft zijn belang moet echter worden vastgesteld dat de aanbouw aan de voorkant van de woning [straatnaam] 4b op een grotere afstand van de perceelsgrens met zijn perceel komt dan de oude schuur, dat deze wordt uitgevoerd met een houten wand en dat er een groene haag zal worden teruggeplaatst. Gelet daarop kan niet worden staande gehouden dat verzoeker [naam verzoeker 1] onevenredig in zijn belangen wordt geschaad omdat het college medewerking wil verlenen aan het bouwplan van vergunninghouder.\n\nAdvies WARK\n\n6. Verzoekers voeren aan dat zij pas op de hoorzitting van 8 september 2022 op de hoogte werden gebracht van het advies van het Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit (het WARK) van 12 augustus 2021. Zij vinden dat dit advies niet ten grondslag kan worden gelegd aan de pas op 13 april 2022 aangevraagde en op 7 juni 2022 verleende omgevingsvergunning. Dit advies had op grond van artikel 9.8, tweede lid, van de Bouwverordening van de gemeente Middelburg bij de aanvraag om omgevingsvergunning moeten worden gevoegd. Volgens verzoekers heeft het WARK zijn bevoegdheid overschreden door zich niet te beperken tot het geven van algemene informatie in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 7 van de ‘Verordening regelende de samenstelling, werkwijze en bevoegdheden van het WARK’. Bovendien staat in het advies ten onrechte dat ervan uitgegaan wordt dat het bestaande groen zo goed als volledig intact blijft. Daarvan is, gelet op de uitbreiding van het bebouwde oppervlak, geen sprake.\n\n6.1.. Het college stelt zich op het standpunt dat het zich wel mocht baseren op het advies van het WARK van 12 augustus 2021. Door het WARK worden bouwplannen beoordeeld op basis van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Middelburg van 2016. Deze nota is niet veranderd en ook het bouwplan is ongewijzigd, waardoor niet wordt ingezien dat het advies gedateerd zou zijn. Het WARK zou met andere woorden het ongewijzigde bouwplan nu dan ook niet anders beoordelen.\n\n6.2.. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.\n\n6.3.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich op het advies van het WARK mocht baseren. Nu de nota en het bouwplan niet gewijzigd zijn ten opzichte van de beoordeling op 12 augustus 2021, is er onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit advies nu niet meer zou gelden. Verzoekers hebben geen tegenrapport ingediend van een ander deskundig te achten persoon of instantie. Dat verzoekers het bouwplan te ingrijpend en niet mooi vinden, is een subjectief standpunt dat onvoldoende is om aan het advies van het WARK te twijfelen. Het WARK vindt het bouwplan van vergunninghouder een aanzienlijke verbetering van de bestaande beeldkwaliteit. Zij gaan ervan uit, en dringen erop aan, dat het bestaande groen zo goed als volledig intact blijft, maar stellen dit niet als vereiste voor haar goedkeuring.\n\nOverleg\n\n7. Verzoekers geven aan dat zij betreuren dat er voor de aanvraag om een omgevingsvergunning geen overleg heeft plaatsgevonden tussen hen en vergunninghouder en\u002Fof de gemeente. Zij werden pas geconfronteerd met de plannen door de officiële publicatie van de omgevingsvergunning op 15 juni 2022, terwijl het WARK kennelijk al op 12 augustus 2021 op de hoogte was van de plannen.\n\n7.1.. Het college stelt dat het uiteraard raadzaam is dat omwonenden rechtsreeks door de initiatiefnemer over bouwplannen (vooraf) geïnformeerd worden. Dit is echter geen wettelijke verplichting. De gemeente publiceert bouwaanvragen. Dit geeft voor omwonenden de gelegenheid om hierover contact op te nemen met de initiatiefnemer.\n\n7.2.. De voorzieningenrechter overweegt op dit punt dat de huidige regelgeving voor het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van een bestemmingsplan, als hier aan de orde, geen verplichting tot participatie of het verkrijgen van voldoende draagvlak bevat.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Nu de beroepsgronden niet slagen, zal het beroep ongegrond worden verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen. Dit betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.\n\n8.1. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 3 oktober 2023 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Met toepassing van artikel 8:86 van de Awb.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:819.\n\n ABRvS 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3465.\n\n ABRvS 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2635.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:6790","2023-10-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:42.314Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":51,"updatedAt":71},"1319","ECLI:NL:RBZWB:2023:6276","ecli-nl-rbzwb-2023-6276","2023-08-31T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 23\u002F1919 WABO\n\nuitspraak van 31 augustus 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] en [eiseres] , te [plaats] , eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats], verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 6 februari 2023, verzonden 23 februari 2023 (bestreden besluit) inzake de aan [vergunninghouder] verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een dakopbouw op de bestaande garage met carport op het perceel [adres 1] te [plaats] .\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 19 juni 2023. [eiser] is in persoon verschenen. [eiseres] is niet verschenen.\n\nHet college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Gielen en [naam] . [vergunninghouder] heeft zich niet als derde belanghebbende aangemeld.\n\nDe rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.\n\nOverwegingen\n\n1. Op 12 april 2022 heeft [vergunninghouder] omgevingsvergunning gevraagd voor het realiseren van een dakopbouw op de bestaande garage met carport op het perceel [adres 1] te [plaats] .\n\nOp 18 mei 2022 heeft de gemeentelijke Welstandscommissie geoordeeld dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand.\n\nOp een daartoe strekkend verzoek van het college heeft vergunninghouder een verslag van de omgevingsdialoog overgelegd. Deze dialoog was nodig omdat de dakopbouw een goothoogte heeft van 5,50 meter, die daarmee 2,50 meter hoger is dan op grond van het bestemmingsplan is toegelaten.\n\nBij het primaire besluit van 16 juni 2022 heeft het college de gevraagde vergunning verleend. Het college heeft omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen “het bouwen van een bouwwerk” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en voor de activiteit “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Ten behoeve van deze laatste activiteit heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, eerste lid, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) voor een goothoogte van 5,50 meter.\n\nTegen dit besluit hebben eisers een bezwaarschrift ingediend. Zij wonen op het perceel [adres 2] en hun achtertuin grenst aan de achtertuin van [adres 1] . Door de dakopbouw hebben zij minder zicht op de bomen die achter de dakopbouw staan.\n\nBij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.\n\n2. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat zij zich niet kunnen vinden in het positieve welstandsadvies. Naar hun mening is de Welstandscommissie onvoldoende duidelijk over de gebruikte welstandscriteria en is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van omwonenden en de impact van het bouwplan op hun woon- en leefklimaat. Het college heeft het advies overgenomen zonder motivering. Dit is in strijd met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Voorts hebben eisers er op gewezen dat vergunninghouder de omgevingsdialoog niet op de juiste manier heeft uitgevoerd. Zij zijn namelijk niet betrokken in die dialoog en daarom is hun belang niet meegenomen in de besluitvorming. Daarnaast hebben eisers, met een beroep op Europeesrechtelijke verdragsbepalingen, betoogd dat hun uitzicht onrechtmatig beperkt wordt door de dakopbouw en dat daardoor de waarde van hun woning vermoedelijk zal dalen. In dit verband hebben zij zich op het standpunt gesteld dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar alternatieve bouwmogelijkheden die minder nadelig zijn voor hun woon- en leefklimaat. Ten slotte hebben eisers aangevoerd dat zij vermoeden dat niet alle bijlagen in de bezwaarfase ter inzage hebben gelegen.\n\n3.1. Volgens eisers kregen zij de stukken in de bezwaarfase te laat aangeleverd. Ter zitting heeft het college aangegeven dat in de bezwaarfase, met het oog op de hoorzitting, alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage hebben gelegen en dat eisers daarvan op de hoogte zijn gesteld. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat hij niet in zijn belangen is geschaad door de late toezending van de stukken. Voorts is ter zitting vastgesteld dat eisers in beroep over dezelfde stukken beschikken als de rechtbank.\n\nDit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de grief van eisers dat zij vermoeden dat niet alle bijlagen in de bezwaarfase ter inzage hebben gelegen en dat zij stukken te laat kregen aangeleverd, niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.\n\n3.2. Blijkens het advies van de Bezwaarschriftencommissie heeft het college op 31 januari 2017 een beleidsregel vastgesteld met de strekking dat ter onderbouwing van een aanvraag waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan een verslag van een omgevingsdialoog wordt overgelegd. De bedoeling daarvan is om voor het bouwplan een breder draagvlak in de buurt te krijgen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat vergunninghouder het bouwplan alleen heeft voorgelegd aan de bewoners van de Glennstraat die zicht kunnen hebben op de dakopbouw. Hij heeft verzuimd om ook eisers als achterburen te consulteren. Volgens eisers is hen nu de mogelijkheid onthouden om aanpassing van het bouwplan te bewerkstelligen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers door dit verzuim niet in hun belangen geschaad omdat zij daarna in bezwaar en nu in beroep bij de rechtbank alsnog hun visie op (de omvang van) het bouwplan kunnen geven.\n\nDe rechtbank oordeelt dat deze grief van eisers niet kan slagen.\n\n3.3. De gemeentelijke Welstandscommissie heeft getoetst aan de Nota Ruimtelijke Kwaliteit [plaats] (hierna: de Nota). Naar aanleiding van het bezwaarschrift van eisers heeft de Welstandscommissie in een notitie van 5 oktober 2022 nog eens expliciet uitgelegd op welke wijze zij tot het positieve welstandsadvies is gekomen. Aangegeven is aan welke criteria getoetst is en in welk hoofdstuk en op welke bladzijde van de Nota dit terug te vinden is. Eisers zijn het niet eens met de desbetreffende regels van de Nota en met het welstandsoordeel, maar nu de Welstandscommissie het bouwplan op de juiste wijze heeft getoetst aan de Nota kan de andersluidende visie van eisers niet tot de conclusie leiden dat het bouwplan negatief beoordeeld had moeten worden. Deze grief van eisers kan evenmin slagen. Verder mocht het college het advies van de Welstandscommissie overnemen. Dit is niet in strijd met de door eisers aangevoerde beginselen. Zoals hiervoor is vermeld, is het advies nader toegelicht. Daarnaast hebben eiseres zelf geen advies van een andere deskundige overgelegd of nadere aanknopingspunten aangevoerd, waardoor er twijfel zou kunnen bestaan over de deskundigheid van de Welstandscommissie of het overnemen van het advies.\n\n4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Woongebieden en bedrijventerreinen, [plaats] ” rust op het perceel [adres 1] de bestemming “Wonen” met de aanduiding “specifieke bouwaanduiding 1” en maatvoering “maximum bouwhoogte: 9 m; maximum goothoogte: 6 m”.\n\n4.1. \n\nHet bouwplan is voor een deel geprojecteerd op gronden met de aanduiding “specifieke bouwaanduiding 1” en voor een deel op gronden zonder deze aanduiding. Op dit deel mogen ingevolge artikel 13.2.1 van de planregels aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd met een bouwhoogte van 5,5 m en een goothoogte van 3 m.\n\nHet bouwplan heeft deels schuine dakvlakken en voor het overige een plat dakvlak op de bouwhoogte, waardoor ook de goothoogte op 5,5 m komt. Voor het deel van het platte dak dat buiten de aanduiding “specifieke bouwaanduiding 1” is geprojecteerd is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan omdat daar een maximale goothoogte van 3 m geldt.\n\n4.2. Deze afwijking van het bestemmingsplan heeft het college vergund met toepassing van de zogeheten kruimelregeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor.\n\n4.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid toepassing kunnen geven aan deze afwijkingsmogelijkheid. De “specifieke bouwaanduiding 1” op de plankaart heeft een uitstulping die grenst aan de [straatnaam] . Daardoor is het op grond van het bestemmingsplan zonder meer toegestaan om op die uitstulping de woning [adres 1] uit te breiden met een bouwhoogte van 9 m. Dat betekent dat eisers geconfronteerd hadden kunnen worden met een dakopbouw met een bouwhoogte van 9 m, waardoor hun zicht op de bomen nog veel verder beperkt had kunnen worden zonder dat het college een belangenafweging had moeten maken. Die maximale bouwmogelijkheid op grond van het bestemmingsplan maakt dat het college doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van vergunninghouder bij realisatie van het bouwplan boven het belang van eisers bij het niet beperken van hun uitzicht op de bomen achter de dakopbouw. Daarbij wijst de rechtbank op onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:708, waarin is geoordeeld dat - anders dan eisers stellen - er geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. De woning van eisers is gelegen in een stedelijke omgeving zodat enig verlies van uitzicht door het bouwplan niet volledig is uit te sluiten. Het zoeken naar een alternatieve dakopbouw is dan ook niet zinvol en in een dergelijke situatie is het college gehouden om te beslissen op de aanvraag zoals die door vergunninghouder is ingediend. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eventuele waardevermindering geen doorslaggevend gewicht in de schaal kon leggen.\n\n4.4. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep van eisers, voor zover gericht tegen de afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een hogere goothoogte, ongegrond verklaard dient te worden.\n\n5.1. Omdat de beroepsgronden van eisers mede gericht zijn tegen de bouwhoogte van het bouwplan, kan de rechtbank er niet omheen dat omgevingsvergunning is gevraagd en verleend voor het realiseren van een dakopbouw op de bestaande garage met carport terwijl de carport niet bestaand is. Ter zitting heeft het college erkend dat de carport vergund is door de onjuiste vermelding in de aanvraag en de onjuiste bouwtekeningen waarop de carport al is ingetekend in de bestaande situatie, waarop in de nieuwe situatie de dakopbouw wordt geplaatst.\n\n5.2. Omdat het college de carport vergund heeft zonder dat dit bouwwerk is aangevraagd zal de rechtbank het beroep van eisers op dit punt gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de activiteit “bouwen”. Omdat vergunninghouder zijn bouwaanvraag moet corrigeren en de bouwtekeningen zodanig moet aanpassen dat ook omgevingsvergunning gevraagd wordt voor de carport, zal de rechtbank ook het bezwaar van eisers gegrond verklaren voor zover dit gericht was tegen de bouwhoogte en het primaire besluit herroepen voor zover daarbij omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit “bouwen”.\n\n5.3. Dit betekent dat het bestreden besluit voor het overige in stand blijft en dat de omgevingsvergunning van 16 juni 2022 in stand blijft voor zover deze betrekking heeft op de activiteit “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan”. Voorts betekent deze uitspraak dat als vergunninghouder zijn bouwaanvraag zodanig aanpast dat ook omgevingsvergunning gevraagd wordt voor het bouwen van de carport, hiervoor geen afwijking van het bestemmingsplan meer vereist is. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo staat niet aan splitsing van de beide activiteiten in de weg.\n\n5.4. Vanwege de gedeeltelijke gegrond verklaring zal de rechtbank het college opdragen het betaalde griffierecht aan eisers te vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de bouwhoogte van de dakopbouw en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;\n\nverklaart de bezwaren van eisers gegrond voor zover gericht tegen de bouwhoogte en herroept het primaire besluit voor zover daarbij omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit “bouwen”;\n\nverklaart het beroep van eiseres voor het overige ongegrond;\n\ndraagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,-- aan eisers te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 31 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.\n\nP.H.M. Verdonschot, griffier A.G.J.M. de Weert, rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:6276","2023-09-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.798Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":76,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":51,"updatedAt":81},"337","ECLI:NL:RBAMS:2023:4789","ecli-nl-rbams-2023-4789",56,"2023-07-21T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 23\u002F1181\n uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2023 in de zaak tussen\n de besloten vennootschap Fastned B.V. (Fastned), uit Amsterdam, eiseres\n\n(gemachtigden: mr. L.P.W. Mensink en mr. I.A. Siskina),\n\nen\n\nde minister van Infrastructuur en Waterstaat (de minister), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. M.R. Botman en mr. A.D. Röell).\n\nTevens neemt aan de zaak deel: de besloten vennootschap Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V. (Shell), uit Rotterdam, belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. T.J.J. Slegers).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Fastned tegen de aan haar verleende vergunningop verzorgingsplaats Haarrijn.\n\nDe minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Shell heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\nOok Shell heeft beroep ingesteld tegen deze Wbr-vergunning. Het beroep van Shell is geregistreerd onder zaaknummer AMS 23\u002F2506.\n\nDe rechtbank heeft beide beroepen op 14 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van Fastned, vergezeld door mr. C.S. Schekkerman, de gemachtigden van de minister, bijgestaan door mr. M.D. van Gils, mr. K.E. Masmeijer-Haan en vergezeld door [naam 1] , [naam 2] en de gemachtigde van Shell, vergezeld door [naam 3] , mr. M.J.G. Goossens en mr. L. Yuen.\n\nDe rechtbank heeft de zaak AMS 23\u002F2506 op de zitting geschorst, omdat de minister heeft aangekondigd een gewijzigd besluit te nemen voor wat betreft het aspect verkeersveiligheid.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\nFastned heeft op 23 december 2011 een Wbr-vergunning aangevraagd voor het realiseren van een energielaadpunt als basisvoorziening op verzorgingsplaats Haarrijn naast de rijksweg A2 in de gemeente Stichtse Vecht. Op 19 april 2021 heeft Fastned deze aanvraag aangevuld.\n\nOp verzorgingsplaats Haarrijn is al een vergunde en gerealiseerde basisvoorziening van Mister Green Fast Charging Network B.V. (Fast Charging Network) aanwezig en een vergunde en gerealiseerde aanvullende voorziening van Shell voor elektrisch snelladen. Ook heeft Fastned een vergunning voor een (nog niet gerealiseerde) aanvullende voorziening voor elektrisch snelladen. Deze is voorzien naast de basisvoorziening van Fast Charging Network.\n\n3. De minister heeft de vergunning voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De ontwerpvergunning voor een energielaadpunt met zestien laadplekken heeft van 16 juni 2022 tot en met 27 juli 2022 ter inzage gelegen. Shell heeft tegen de ontwerpvergunning een zienswijze ingediend.\n\n4. Met het bestreden besluit van 14 februari 2023 heeft de minister de vergunning aan Fastned verleend. Ten opzichte van de ontwerpvergunning heeft de minister een wijziging aangebracht. In plaats van een looptijd van 15 jaar is aan de vergunning een looptijd van 5,5 jaar verbonden. Op 23 december 2022 heeft de minister namelijk de Tijdelijke beleidsregel gepubliceerd. In deze Tijdelijke beleidsregel heeft de minister aanvullende regels gesteld over de geldigheidsduur van Wbr-vergunningen en heeft hij een vergunningenstop opgenomen. Op grond van de Tijdelijke beleidsregel moet de minister bij de vergunningverlening aan Fastned rekening houden met de looptijd van de aan Fast Charging Network verleende vergunning voor een basisvoorziening. Deze vergunning loopt op 24 september 2028 af. Om die reden is de vergunning aan Fastned door de minister ook tot 24 september 2028 verleend.\n\n5. Het beroep van Fastned tegen het bestreden besluit richt zich uitsluitend tegen de looptijd van de vergunning.\n\nJuridisch kader\n\n6. Artikel 3, eerste lid, van de Wbr bepaalt, voor zover hier relevant, dat een vergunning slechts kan worden geweigerd, gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken, met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken. Een aanvraag tot wijziging van een Wbr-vergunning moet, kort gezegd, worden beoordeeld op veiligheid en doelmatigheid.\n\n7. Het toetsingskader voor aanvragen om een vergunning voor het aanbieden van voorzieningen op een verzorgingsplaats langs rijkswegen, als bedoeld in artikel 3 van de Wbr, is het beleid, zoals neergelegd in de Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen (de Kennisgeving). De Kennisgeving is in 2004 vastgesteld en in 2011, 2013, 2017, 2021 en 2022 gewijzigd. Daarnaast is in aanvulling op de Kennisgeving op 23 december 2022 de Tijdelijke beleidsregel gepubliceerd in de Staatscourant.\n\n8. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt een vergunning slechts verleend of gewijzigd met een geldigheidsduur die in ieder geval is beperkt (a) tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van een voor inwerkingtreding van deze beleidsregel verleende vergunning voor een basisvoorziening energielaadpunt op de betreffende verzorgingsplaats, of (b) als voor de betreffende verzorgingsplaats geen vergunning als bedoeld in onderdeel a, is verleend, tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van de voor inwerkingtreding van deze beleidsregel gesloten huurovereenkomst van een locatie voor een motorbrandstoffenverkooppunt als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen op deze verzorgingsplaats.\n\n9. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt geen vergunning verleend, indien toepassing van het eerste lid zou leiden tot een geldigheidsduur van minder dan vijf jaar.\n\n10. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel treedt de beleidsregel in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en dus op 24 december 2022.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt in dit beroep of de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten de Wbr-vergunning met een geldigheidsduur tot 24 september 2028 aan Fastned te verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van Fastned.\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nIs de Tijdelijke beleidsregel een beleidsregel?\n\n13. Alvorens de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden, geeft zij eerst een oordeel over het karakter van de Tijdelijke beleidsregel. Shell stelt zich namelijk op het standpunt dat de Tijdelijke beleidsregel geen beleidsregel is, maar een concretiserend besluit van algemene strekking, waartegen zelfstandig rechtsmiddelen (hadden) kunnen worden aangewend en daarom in deze procedure niet meer ter discussie kan worden gesteld.\n\n14. Een beleidsregel wordt in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedefinieerd als een 'bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan’.\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat de Tijdelijke beleidsregel een beleidsregel is. De rechtbank is met de minister van oordeel dat de Tijdelijke beleidsregel algemene regels geeft die van toepassing zijn bij de beoordeling van iedere aanvraag om een vergunning voor het realiseren en behouden van elektrische laadpunten op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen. De Tijdelijke beleidsregel bevat een uitleg van de toepassing van de bevoegdheden van de minister neergelegd in artikel 2 en artikel 3 van de Wbr en geeft regels voor de afweging van belangen door de minister bij het gebruik van die bevoegdheden. Het gaat dus niet om een besluit dat een algemeen verbindend voorschrift nader naar tijd, plaats, of ruimte bepaalt, zonder in een zelfstandige normstelling te voorzien. Van een concretiserend besluit van algemene strekking is daarom geen sprake.\n\nMoet de Tijdelijke beleidsregel buiten toepassing worden gelaten?\n\n16. Fastned voert aan dat toepassing van de Tijdelijke beleidsregel in strijd is met de doelstellingen van de nieuwe beleidsvisie van de minister, het verzekeren van het veilig en doelmatig gebruik van de verzorgingsplaatsen en met het faciliteren van de energietransitie. Verder pakt de toepassing van de Tijdelijke beleidsregel onnodig onevenredig uit voor Fastned, gelet op de met het bestreden besluit te dienen doelen. De minister had daarom moeten afzien van toepassing van de Tijdelijke beleidsregel op grond van artikel 3:4 van de Awb.\n\n17. Uit de rechtspraakvolgt dat als de (on)evenredigheid van een besluit in geschil is en dat besluit (mede) berust op een beleidsregel, de bestuursrechter al dan niet uitdrukkelijk ook de evenredigheid van de beleidsregel toetst. Als de beleidsregel zelf niet onrechtmatig is, toetst de bestuursrechter het besluit aan de norm van artikel 4:84 van de Awb. Daarbij gelden dezelfde maatstaven als bij de toetsing van het besluit aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Ook de al in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden kunnen ‘bijzondere omstandigheden’ zijn.\n\n18. Uit de toelichting bij de Tijdelijke beleidsregel en de aanvullende toelichting van de minister in het verweerschrift en op de zitting, volgt dat de minister streeft naar een emissieloos wagenpark in 2050. Onderdeel hiervan is de herordening van het aanbod van laadpunten op verzorgingsplaatsen. Gezien de omvang van de opgave en het belang van een efficiënte ruimtelijke inrichting van verzorgingsplaatsen is een duidelijkere (regie)rol van de overheid nodig. Omdat veel vergunningen voor basisvoorzieningen energielaadpunten in 2028 aflopen - en dus opnieuw kunnen worden verdeeld - is dit een belangrijk moment voor de inwerkingtreding van nieuw beleid op verzorgingsplaatsen. Uitgangspunt van de herordening is de ontwikkeling van concurrentie tussen verzorgingsplaatsen in plaats van de huidige (juridische) strijd om laadvoorzieningen op verzorgingsplaatsen. Om dit te bereiken zal per verzorgingsplaats één kavel snelladen komen. De uitgifte van dat kavel snelladen zal aan één onderneming per verzorgingsplaats worden gegeven. Daarnaast zal een gebiedscriterium worden geïntroduceerd, wat inhoudt dat dezelfde onderneming niet gelijktijdig op twee achtereenvolgende verzorgingsplaatsen kavels snelladen kan exploiteren. De beperking van de looptijd in de Tijdelijke beleidsregel is volgens de minister in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de wegen waar de verzorgingsplaatsen toe behoren. Het nieuwe beleid beoogt immers (onder meer) de beschikbaarheid van voorzieningen voor snelladen te verzekeren. De vraag daarnaar zal in de loop van de energietransitie aanzienlijk toenemen. Juist door de beschikbaarheid van deze voorzieningen dienen de verzorgingsplaatsen het veilig en doelmatig gebruik van het hoofdwegennet. Er is voor gekozen om de Tijdelijke beleidsregel direct in te laten gaan, zodat wordt voorkomen dat er ineens nog een groot aantal aanvragen voor laadvoorzieningen worden ingediend. Onderkend is dat het tijdelijk beperken van de looptijd van vergunningen nadelige gevolgen heeft voor initiatiefnemers, omdat deze daarmee worden beperkt in de tijd waarbinnen investeringen in de laadinfrastructuur terugverdiend kunnen worden. Een minder beperkende mogelijkheid, zoals een langere looptijd, is echter geen geschikt alternatief omdat daarmee de verwezenlijking van het kabinetsvoornemen en het behalen van zwaarwegende publieke doelen alsnog vertraagd wordt. Deze nadelige gevolgen wegen volgens de minister niet op tegen het belang van een spoedige invoering van de nieuwe uitgiftesystematiek. Met deze toelichting acht de rechtbank, alles overziend, de Tijdelijke beleidsregel niet kennelijk onredelijk en ook niet in strijd met de doelstellingen van de nieuwe beleidsvisie.\n\nMoest de minister in dit geval afwijken van het beleid op grond van artikel 4:84 Awb?\n\n19. Volgens Fastned dient zij met het realiseren van haar laadpalen juist het doel van de minister, namelijk voldoende beschikbaarheid van voorzieningen voor snelladen en is het toepassen van de verkorte looptijd uit de beleidsregel daarom niet geschikt om het doel te bereiken. De minister had daarom moeten afzien van toepassing van de Tijdelijke beleidsregel op grond van artikel 4:84 van de Awb. De minister stelt zich daarentegen op het standpunt dat niet moet worden gekeken naar realisatie van energielaadpunten op korte termijn, maar naar oplossingen voor de langere termijn. Het uitgangspunt is dat er per verzorgingsplaats één kavel energieladen komt, met één aanbieder en dat het gebiedscriterium wordt ingevoerd. Het verkorten van de looptijd van nieuwe vergunningen is volgens de minister geschikt om het doel, namelijk het op lange termijn kunnen verzekeren van beschikbaarheid van voorzieningen snelladen, te bereiken. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat het verkorten van de looptijd een geschikt middel is om dit doel te bereiken.\n\n20. Volgens Fastned is het verkorten van de looptijd in haar geval ook niet noodzakelijk. Er is namelijk slechts één ander soortgelijk geval, op verzorgingsplaats De Abt. Daarvoor was ook al een ontwerpvergunning ter inzage gelegd, maar is de looptijd in de definitieve vergunning verkort. Verder is het verkorten van de looptijd volgens Fastned niet noodzakelijk, omdat Fastned op verzorgingsplaats Haarrijn een vergunning heeft voor een aanvullende voorziening snelladen met een looptijd tot 2036. De minister stelt zich op het standpunt dat iedere verzorgingsplaats van belang is waarbij zo snel mogelijk uitgifte volgens de nieuwe verdelingssystematiek kan plaatsvinden. Ook staat de aan Fastned verleende vergunning voor een aanvullende voorziening snelladen niet in de weg aan het overgaan op de nieuwe verdelingssystematiek. De rechtbank volgt dit standpunt van de minister en oordeelt dat het verkorten van de looptijd in het geval van Fastned eveneens voldoet aan de eis van noodzakelijkheid.\n\n21. Fastned voert verder aan dat het beperken van de looptijd niet evenwichtig is. Volgens Fastned is de beslistermijn door de minister al lang overschreden en heeft zij op verzorgingsplaats Haarrijn al veel investeringen gedaan. Dat de wettelijke beslistermijn is overschreden acht de rechtbank geen relevante factor en is overigens grotendeels gelegen in de omstandigheid dat Fastned de aanvraag uit 2011 niet eerder heeft aangevuld. Daarbij heeft Fastned de gestelde financiële investeringen op Haarrijn niet met stukken onderbouwd en overigens niet aannemelijk gemaakt dat binnen de looptijd van de vergunning de gestelde investeringen niet kunnen worden terugverdiend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Fastned een vergunning heeft gekregen voor 16 energielaadpunten maar niet gehouden is alle 16 energielaadpunten te realiseren. Bovendien is het de eigen keuze van Fastned als onderneming geweest om voorafgaand aan de onherroepelijkheid van de Wbr-vergunning investeringen te doen. Naar het oordeel van de rechtbank is toepassing van de verkorte looptijd ook niet onevenwichtig.\n\n22. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Er was daarom geen reden voor de minister om toepassing te geven aan artikel 4:84 van de Awb.\n\nArtikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet\n\n23. Fastned voert verder aan dat de vergunning in strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet is verleend voor de duur van 5,5 jaar. Zij wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 juli 2021.\n\n24. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet. Uit de door Fastned genoemde uitspraak volgt weliswaar dat de minister er rekening mee moet houden dat aan vergunninghouders voldoende tijd wordt geboden om de door hen noodzakelijk gemaakte investeringen en de investeringen die zij lopende de geldigheidsduur van de vergunning redelijkerwijs moeten maken, te kunnen afschrijven, maar deze termijn hoeft niet per afzonderlijke vergunning of vergunninghouder te worden bepaald. Wel kan volgens de uitspraak per branche, met inachtneming van de tijd waarin de noodzakelijke investeringen van de standplaatshouders binnen die branche gemiddeld genomen worden terugverdiend, worden vastgesteld binnen welke termijn de hiervoor bedoelde afschrijvingen redelijkerwijs kunnen worden gedaan. In de Tijdelijke beleidsregel heeft de minister dit gedaan door een zogenoemde ‘kap’ te zetten op vijf jaar en in de toelichting bij de Tijdelijke beleidsregel heeft hij deze kap gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nEx tunc of ex nunc\n\n25. Fastned voert nog aan dat de minister het recht had moeten toepassen zoals dat gold ten tijde van de laatste dag waarop de aanvraag was ingediend. HHet toepassen van de Tijdelijke beleidsregel is namelijk in strijd met de systematiek van de verdeling van schaarse vergunningen. Fastned beroept zich op een uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012.Volgens Fastned volgt uit deze uitspraak dat als de beoordeling van aanvragen om schaarse vergunningen via een zogenoemd tendersysteem verloopt, als uitgangspunt geldt dat het beleid dient te worden toegepast zoals dat gold op de laatste dag waarop de aanvragen konden worden ingediend. Een bestuursorgaan mag het beleid dan niet hangende de besluitvormingsprocedure ten nadele van een of meer aanvragers wijzigen.\n\n26. De rechtbank oordeelt dat de vergelijking met de door Fastned genoemde uitspraak niet opgaat. Anders dan in die uitspraak, ziet de beleidswijziging in dit geval niet direct op de methode aan de hand waarvan wordt bepaald aan wie de vergunningen worden verleend, maar slechts op de duur van de vergunning. Kortom, de duur van de vergunning heeft geen betrekking op de verdeelprocedure als zodanig. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.\n\n27. Volgens Fastned is het toepassen van de verkorte looptijd in haar geval ook in strijd met de rechtszekerheid. Als sprake is van rechtmatig gevoerd beleid dat wordt gewijzigd, dan moet die wijziging wel tijdig bekend worden gemaakt en mag niet zonder meer een kortere looptijd worden toegepast op lopende aanvragen. Fastned wijst op een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 3 september 2019. Uit de rechtspraak volgt verder dat op het uitgangspunt dat het gewijzigde recht moet worden toegepast bij beslissingen op een vergunningsaanvraag een uitzondering bestaat, als ten tijde van het indienen van de aanvraag een rechtstreekse aanspraak bestond op het verkrijgen van de vergunning. Fastned wijst op een uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021.\n\n28. Als hoofdregel geldt dat het bestuursorgaan rekening moet houden met het recht zoals dit geldt ten tijde van het nemen van het besluit (op bezwaar). Dit geldt ook voor beleidsregels.In bijzondere gevallen kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank echter niet gebleken. Anders dan in de door Fastned genoemde uitspraak van de Afdeling is geen sprake van een gebonden beschikking of bijzonder peilmoment. Ook gaat de vergelijking met de uitspraak van het CBb over subsidies niet op. Anders dan in die uitspraak, zijn alle aanvragers hetzelfde beoordeeld en is de looptijd van de vergunning geen onderdeel van de selectieprocedure. Dat de uiteindelijke vergunning ten nadele afwijkt van de ontwerpvergunning is evenmin een bijzondere omstandigheid waardoor van de hoofdregel moet worden afgeweken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVertrouwensbeginsel\n\n29. Fastned voert tot slot aan dat de minister heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Fastned heeft sinds de verdelingsprocedure uit 2012 altijd vergunningen voor energielaadpunten als basisvoorziening gekregen met een looptijd van vijftien jaar. Daaraan mocht Fastned het vertrouwen ontlenen dat zij ook voor de verzorgingsplaats Haarrijn een vergunning met een looptijd van vijftien jaar zou krijgen.\n\n30. De rechtbank oordeelt dat van strijd met het vertrouwensbeginsel geen sprake is. Er zijn door de minister geen toezeggingen gedaan over de looptijd van deze vergunning. Fastned kon er redelijkerwijs ook niet van uitgaan dat het beleid in meer dan tien jaar tijd niet zou wijzigen. Voor zover Fastned erop heeft gewezen dat de aanvraag vooral lang heeft stilgelegen omdat er (aan haar zijde) onduidelijkheid was over toepassing van de Kennisgeving 2017, levert dat naar het oordeel van de rechtbank ook geen rechtens te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel op. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n31. De minister heeft aan Fastned in redelijkheid een Wbr-vergunning kunnen verlenen met een looptijd tot 24 september 2028.\n\n32. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Fastned geen gelijk krijgt. Fastned krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, voorzitter, en mr. C.F. de Lemos Benvindo en mr. J.F. Kuiken, leden, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2023.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr).\n\n Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 december 2022, tot vaststelling van een tijdelijke beleidsregel inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op elektrische laadpunten op verzorgingsplaatsen, Stcrt, 23 december 2022, nr. 32554.\n\n Zie de Kamerbrief van 23 december 2022 met daarbij een beleidsvisie over de verzorgingsplaatsen van de toekomst, Kamerstukken II 2022\u002F23, 31 305, nr 376.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:285.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:1588.\n\n ECLI:NL:RVS:2012:BW7592.\n\n ECLI:NL:CBB:2019:378.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2835.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:433.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:4789","2023-07-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.071Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":51,"updatedAt":89},"1470","ECLI:NL:RBDHA:2023:10352","ecli-nl-rbdha-2023-10352","2023-07-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 21\u002F5754\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2023 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp\n\n(gemachtigde: mr. S.W. Boot).\n\nInleiding\n\n1. In het besluit van 26 maart 2021 (primair besluit) heeft het college de bij besluit van 7 mei 1974 verleende vergunning voor de bouw van een bedrijfswoning ingetrokken.\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 20 juli 2021 op het bezwaar van eiser is het college bij de intrekking gebleven.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n1.3.. Het college heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door mr. Goumans, en namens het college mr. S.W. Boot, vergezeld door [naam] .\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2. Op 7 mei 1974 heeft het college aan de toenmalige eigenaar van het perceel [adres] nabij [nummer] , kadastraal bekend als: gemeente [gemeenteplaats] , sectie [X] , nummer [kadastraal nummer] , een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfswoning ten behoeve van een varkensmesterij. Deze vergunning is op enig moment bij een opvolgend eigenaar in het ongerede geraakt.\n\n2.1.. Eiser is sinds 2015 eigenaar van het perceel. Hij heeft het college verzocht om een afschrift van de vergunning. Na diverse zoekpogingen is deze vergunning gevonden en op 9 maart 2021 aan eiser overhandigd. Tegelijkertijd heeft het college het voornemen kenbaar gemaakt aan eiser om de omgevingsvergunning voor de bouw van een bedrijfswoning in te trekken. Eiser heeft op 24 maart 2021 hiertegen een zienswijze tegen dit voornemen ingediend. Het college heeft de zienswijze niet gevolgd en de omgevingsvergunning ingetrokken in het primaire besluit.\n\n2.2.. Eiser heeft bezwaar ingediend tegen het intrekkingsbesluit. De gemeentelijke commissie behandeling bezwaarschriften (hierna: de commissie) heeft advies uitgebracht naar aanleiding van dit bezwaar. De commissie adviseert om het bezwaar ongegrond te verklaren en het primaire besluit in stand te laten. Het college heeft het advies overgenomen onder aanvulling van de motivering.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van de beroepsgronden die hij heeft ingediend.\n\nMocht het college afwijken van het advies van de commissie?\n\n4. Eiser betoogt dat het college ten onrechte afwijkt van het advies van de commissie. De enkele verwijzing naar het verweerschrift is onvoldoende als onderbouwing voor die afwijking, nu de commissie commentaar heeft gegeven op dat verweerschrift.\n\n4.1.. In het bestreden besluit wordt door het college verwezen naar (delen van) het advies van de commissie. Verder wordt de conclusie van dat advies integraal overgenomen. Voor de motivering van de afwijking van de onderbouwing van het advies heeft het college volstaan met een verwijzing naar zijn verweerschrift in bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het gegeven dat de motivering van het advies niet geheel is overgenomen, niet dat er niet conform artikel 3:49 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is gehandeld. Het staat het college immers vrij tot een eigen overweging te komen ten aanzien van het advies. Voorts heeft het college mogen vasthouden aan zijn eerdere onderbouwing van de intrekking zoals verwoord in het verweerschrift in bezwaar. De grond slaagt niet.\n\nHeeft het college vooringenomen gehandeld?\n\n6. Eiser stelt dat het besluit in strijd is met het verbod op vooringenomenheid van artikel 2:4 Awb. Hiervoor zijn volgens eiser verschillende redenen. De behandelend ambtenaar is in het verleden betrokken geweest bij een handhavingszaak tegen eiser, waarbij het college in hoger beroep in het ongelijk is gesteld. Dezelfde ambtenaar heeft al begin 2021 aan eiser te kennen gegeven dat er op betreffende locatie geen bedrijfswoning mag worden gebouwd. Ook is het primaire besluit genomen twee dagen nadat de zienswijze is ingediend, zodat daarover geen college-overleg kan hebben plaatsgevonden. Daarnaast is de vergunning half januari 2021 gevonden, maar pas anderhalve maand later, tegelijkertijd met het voornemen tot intrekken, overhandigd. Hierdoor stond eiser voor een voldongen feit. Vervolgens heeft een toezichthouder van de gemeente gefrustreerd dat eiser de door hem spoorslags begonnen bouw van de bedrijfswoning kon voortzetten doordat hij weigerde de rooilijn aan te geven en de bouwhoogte te bepalen. Tot slot is er voor een ander adres in dezelfde gemeente ook reeds een bedrijfswoning toegestaan.\n\n6.1.. Het college bestrijdt dat de betreffende ambtenaar een persoonlijk belang bij de zaak heeft. Het is ook niet waar dat zij in haar eentje de hele behandeling van de procedure over de handhaving heeft gedaan. De besluitvorming rond het primaire besluit heeft plaatsgevonden door het hoofd Ruimte, Belastingen en Gegevensbeheer, die daartoe is gemandateerd. Het besluit is genomen me medeweten en instemming van het college. Van vooringenomenheid is dan ook volstrekt geen sprake volgens het college.\n\n6.2.1. Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid. Ingevolge het tweede lid waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.\n\n6.2.2.. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:701) is in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2:4 van de Awb (Kamerstukken II 1998\u002F89, 21221, 3, p. 53–55) benadrukt dat de strekking van artikel 2:4 is dat het erom gaat dat het bestuursorgaan de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bijvoorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden. Het gaat erom, zo is in de toelichting opgemerkt, dat de overheid de nodige objectiviteit moet betrachten en zich niet door vooringenomenheid mag laten leiden.\n\n6.3.. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat het college vooringenomen is geweest bij de totstandkoming van het besluit. Er is geen enkele aanwijzing dat een ambtenaar van de gemeente doelbewust heeft geacteerd om een bepaalde uitkomst te bewerkstelligen. Het enkele feit dat een behandelend ambtenaar ook betrokken is geweest bij een procedure die het college in hoger beroep heeft verloren is daarvoor onvoldoende. Dat de omgevingsvergunning pas enkele weken na de vondst naar eiser is opgestuurd is evenmin grond om vooringenomenheid aan te nemen. Het college heeft toegelicht dat na de vondst van de vergunning er eerst intern overleg heeft plaatsgevonden over hoe met de situatie om te gaan. Gelet op het feit dat het om een vergunning van 47 jaar terug ging, is dit voorstelbaar dat het college enige tijd nodig had om de belangen af te wegen en tot een conclusie te komen over de te volgen handelwijze. Verder is begrijpelijk dat het college na bekendmaking van het voornemen tot intrekken van de vergunning niet wilde meewerken aan het bepalen van de voorgevelrooilijn en bouwhoogte. Daarmee zou immers een dubbelzinnig signaal zijn afgegeven. Dat het college voor een bedrijfswoning op een ander perceel wel vergunning heeft verleend, is op zichzelf al evenmin een aanwijzing voor vooringenomenheid. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n6.4.. Voor zover eiser met zijn grond over de verlening van een vergunning voor een bedrijfswoning op een ander perceel een beroep dat op het gelijkheidsbeginsel slaagt dit ook niet. Ter zitting heeft verweerder daarover onweersproken toegelicht dat het een andere situatie betrof en dat het ging om een perceel waar een ander bestemmingsplan op van toepassing is.\n\nWas het college bevoegd tot het nemen van het intrekkingsbesluit?\n\n7. Eiser voert aan dat het college niet bevoegd is om het intrekkingsbesluit te nemen, omdat hij al aan het bouwen was voordat het intrekkingsbesluit werd genomen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van 18 november 2002 van de rechtbank Roermond.\n\n7.1.. Het college betoogt dat de bevoegdheid tot het intrekken van een bouwvergunning ontstaat en blijft bestaan als niet binnen 26 weken gebruik wordt gemaakt van de verguning. Het alsnog gebruik maken van de vergunning, nadat reeds kenbaar was gemaakt dat het voornemen bestond de vergunning in te trekken, doet volgends het college aan de bevoegdheid niets af.\n\n7.2.. Ingevolge artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.\n\n7.3.. Vaststaat dat van de vergunning van 7 mei 1974 geen gebruik is gemaakt binnen 26 weken. De werkzaamheden die eiser heeft uitgevoerd op het terrein zijn immers pas in maart 2021 gestart. Het college was daarom in beginsel bevoegd tot intrekking van de vergunning. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nMocht het college in dit geval gebruikmaken van zijn bevoegdheid de omgevingsvergunning in te trekken?\n\n8. Volgens eiser zijn zijn belangen onvoldoende meegewogen in de besluitvorming. Het geen gebruik kun maken van de vergunning betekent financieel nadeel voor eiser. Ten eerste was het bestaan van de bouwmogelijkheid op het perceel verdisconteerd in de aankoopprijs van het perceel. Maar ook neemt de waarde van het gevestigde paardenfokkerijbedrijf af, doordat het niet mogelijk is om het voor een paardenfokkerij benodigde toezicht te houden. Eiser wijst erop dat de paardenfokkerij daar legaal is gevestigd. Voor zover verweerder stelt dat het bouwplan niet aan de bouwtechnische eisen voldoet, had hij de tijd moeten krijgen om de nodige aanpassingen door te voeren.\n\n8.1. Het college wijst erop dat de opeenvolgende bestemmingsplannen al sinds 1975 geen (woon)bebouwing ter plaatse toestaan. Verder is er sinds 2013 een bestendige gedragslijn dat verouderde vergunningen worden ingetrokken, zoals ook blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Den Haag.Dat eiser alsnog gebruik wil maken van de vergunning, betekent niet dat het college niet over kan gaan op het intrekken van de vergunning. De algemene belangen die gediend zijn met de intrekking wegen volgens het college zwaarder dan de financiële belangen van eiser. Het college betwijfelt of een bedrijfswoning noodzakelijk is voor de paardenfokkerij. Eiser heeft het perceel immers aangekocht, ondanks de onzekerheid over het bestaan van een bouwvergunning. Tot slot is de destijds verleende vergunning niet in lijn met de huidige bouwregelgeving.\n\n8.2.. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie, is de intrekking van een omgevingsvergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid. Bij de toepassing van die bevoegdheid komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De rechter toetst of het bestuursorgaan in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.\n\n8.3.. Het is eveneens vaste jurisprudentiedat bij de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning alle in aanmerking te nemen belangen moeten worden betrokken en tegen elkaar afgewogen. Daartoe behoren naast de door het bestuursorgaan gestelde belangen, waaronder het realiseren van gewijzigde planologische inzichten, ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is voldoende om de intrekking van een ongebruikte vergunning te rechtvaardigen.\n\n8.4.. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die het college ervan hadden moeten weerhouden om het bestreden besluit te nemen. Het college heeft in redelijkheid gewicht toe kunnen kennen aan de zeer lange periode waarin de vergunning niet is gebruikt. Dat de vergunning ook bij de gemeente in het ongerede was geraakt en eerst na diverse zoekpogingen is gevonden, vormt geen reden voor een ander oordeel, nu de verzoeken van eiser om de vergunning te zoeken zeer lange tijd na afloop van de 26-weken termijn bij het college binnen zijn gekomen. Verder mocht het college ook belang hechten aan een actueel vergunningenbestand waarin geen ongebruikte vergunningen zijn opgenomen die zijn verleend op basis van verouderde of vervallen regelgeving. Niet is gebleken dat het college daarin niet consistent handelt. Dat eiser ter zitting één voorbeeld heeft gegeven van een niet ingetrokken bouwvergunning die dertig jaar oud is en waarbij het plan nog niet is gerealiseerd, is onvoldoende om aan te nemen dat er geen sprake is van een bestendige gedragslijn.\n\n8.5.. Ook is van belang dat het planologische beleid van de gemeente sinds 1975 geen bedrijfswoningen meer toestaat. Het feit dat, volgens eiser, de vergunning onder het overgangsrecht valt van de elkaar opvolgende bestemmingsplannen, helpt hem niet, nu het meerdere bestemmingsplannen betreft en overgangsrecht niet legaliseert. Het college heeft onder deze omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om eiser de kans te bieden het bouwplan zodanig aan te passen dat het voldoet aan het Bouwbesluit 2012, zoals dat thans luidt. Daar komt nog bij dat niet valt uit te sluiten dat het bouwplan zodanige wijzigingen behoeft dat in feite sprake zou zijn van een nieuwe aanvraag. Hoewel het door eiser gestelde financiële belang bij behoud van de vergunning aannemelijk is, maakt niet dat het ook doorslaggevend is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor het exploiteren van de paardenfokkerij noodzakelijk is dat een bedrijfswoning op het perceel wordt gerealiseerd. In dat kader acht de rechtbank van belang dat eiser ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat de paardenfokkerij al enige jaren functioneert. Bovendien heeft eiser welbewust een perceel gekocht waarvan hij slechts op basis van mededelingen van de verkoper aannam dat er in het verleden vergunning was verleend voor de bouw van een bedrijfswoning. Daarmee heeft hij een risico genomen, dat niet op het college kan worden afgewenteld. Dat eiser voorafgaand aan het primaire besluit al aanstalten had gemaakt om met de bouwwerkzaamheden te starten en in dat kader kosten heeft gemaakt ondanks dat hem al een voornemen tot intrekking van de vergunning was overhandigt, moet eveneens voor eigen rekening en risico komen. In het feit zelf dat deze werkzaamheden waren gestart heeft het college evenmin aanleiding hoeven zien om de intrekking van de vergunning af te zien, nu deze werkzaamheden pas zijn gestart na ontvangst van het voornemen tot intrekking van de vergunning. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het college heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om de bouwvergunning in te trekken. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n10. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. M.W. ten Brummelhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op\n\n14 juli 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraak van 18 november 2002 van de rechtbank Roermond, ECLI:NL:RBROE:2002:AF1580.\n\n Uitspraak van 29 juli 2020 van de rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2020:8020.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 oktober 2019, ECLI: NL:RVS:2019:3642.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1825.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:10352","2026-07-13T00:29:22.590Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":43,"courtId":94,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":51,"updatedAt":99},"580","ECLI:NL:RBOBR:2023:3260","ecli-nl-rbobr-2023-3260",72,"2023-07-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SHE 22\u002F2751 en SHE 22\u002F2730\n uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2023 in de zaken tussen\n Brabant Luchtvaart Beheer B.V. h.o.d.n. Kempen Airport, uit Budel, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Schnitker),\n\nen\n\n [eisers], uit [woonplaats] , eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck, het college\n\n(gemachtigden: mr. A.W.R. Verbruggen, D. Kara en M.B.E.J. Kösters).\n\nAls derde-partijen nemen aan de zaken deel: de raad van de gemeente Cranendonck,[naam] B.V.en[naam] B.V., beide uit [vestigingsplaats] , (gemachtigde: mr. S.L. Kombrink).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres en eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor een zonnepark, genaamd Nyrstar II, gelegen in een gebied tussen de Fabrieksstraat en de Hoofdstraat in Budel-Dorplein, gemeente Cranendonck.\n\n2. Het college heeft deze omgevingsvergunning met het besluit van 5 oktober 2022 verleend.\n\n3. Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. [naam] B.V. ( [naam] ) heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\n4. De rechtbank heeft de beroepen op 24 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [naam] , de gemachtigden van het college, en de gemachtigde van [naam] en [naam] B.V., vergezeld door [naam] , [naam] , [naam] en [naam] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. De rechtbank beoordeelt de verlening van de omgevingsvergunning voor de realisatie van het zonnepark. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres en eisers.\n\n6. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eisers gegrond is en het beroep van eiseres ongegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n7. De voor de beoordeling van de beroepen van belang zijnde regels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nFeiten\n\n8. [naam] en [naam] B.V (derde-partijen) willen een zonnepark realiseren, genaamd Nyrstar II, op het industrieterrein Nyrstar te Budel-Dorplein, op de percelen kadastraal bekend gemeente Budel, sectie G, nummers [nummers] . Het zonnepark is voorzien op het (braakliggend) terrein van een zinkfabriek en wordt omgeven door natuurgebied de Loozerheide aan de oostzijde, de Zuid-Willemsvaart aan de zuidzijde en aan de noordzijde door een spoorlijn. Het zonnepark heeft, inclusief de landschappelijke inpassing, een omvang van ongeveer 41 hectare, waarvan ongeveer 23 hectare zal worden gebruikt voor het plaatsen van zonnepanelen. Het zonnepark zal ongeveer 58 megawattpiek aan duurzame energie opwekken en ligt in de directe nabijheid van een al aanwezig zonnepark.\n\n9. Eisers wonen allen in het dorp Budel-Dorplein op een afstand van meer dan één kilometer van het zonnepark. Eiseres exploiteert luchthaven Budel, ook wel Kempen Airport genoemd, en richt zich met name op de kleine zakelijke luchtvaart die gebruik maakt van een verharde landingsbaan. Het vliegveld beschikt daarnaast over een grasbaan voor Micro Light Aircrafts (MLA’s), die gelegen is tussen de verharde hoofdbaan en de Loozerheide.\n\n10. Ter plaatse van de percelen waarop het zonnepark is voorzien geldt op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Industrieterrein Dorplein” de bestemming “Bedrijventerrein 1a”. Op grond van dit plan zijn aan een deel van het perceel de aanduidingen “ondergrondse leiding” en “invliegfunnel vliegveld Budel” toegekend. Daarnaast geldt voor een gedeelte van het plangebied het bestemmingsplan “Zonering Luchthaven Budel”. Op grond van dit plan heeft een gedeelte van het plangebied de gebiedsaanduidingen “geluidzone – luchthaven Budel 3”, “luchtvaartverkeerzone – 1”, “luchtvaartverkeerzone - 2”, “luchtvaartverkeerzone – 3” en “veiligheidszone – externe veiligheid luchthaven Budel 2”. Het college heeft de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan “Industrieterrein Dorplein” verleend, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). De omgevingsvergunning heeft een geldigheidsduur van 25 jaar. Ten behoeve van het project heeft de raad van de gemeente Cranendonck op 27 september 2022 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven als bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo.\n\n11. Op deze zaak is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet (de Chw) van toepassing, omdat het project ziet op de aanleg van een productie-installatie ten behoeve van hernieuwbare elektriciteit met behulp van zonne-energie, zoals bedoeld in categorie 1.1 van bijlage I bij de Chw.Beroepsgronden\n\nIngetrokken\n\n12. Ter zitting heeft eiseres haar beroepsgrond over de strijd van het bestreden besluit met artikel 20 van de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen ingetrokken.\n\nVrees voor veiligheid en geluidoverlast\n\n13. Eiseres stelt dat MLA’s nu vliegen over het perceel waarop het zonnepark zal worden aangelegd. Zij vreest dat er een gevaarlijke situatie kan ontstaan voor de inzittenden van MLA’s, als zij over het zonnepark vliegen op het moment dat er een motorstoring optreedt. Er wordt ter hoogte van het zonnepark namelijk nog op lage hoogte gevlogen, waardoor het voor een MLA-vlieger, die bij een eventuele motorstoring alleen nog rechtuit kan landen, niet mogelijk is om op tijd een open gebied te vinden waar een noodlanding kan worden uitgevoerd. Eiseres en ook eisers vrezen daarom dat piloten na realisatie van het zonnepark uit veiligheidsoogpunt een andere vliegroute zullen kiezen en dan dichter bij Dorplein zullen gaan vliegen. Dat blijkt volgens eiseres ook uit het onderzoek ‘MLA circuit versus Metalot (DIC) en zonnepanelen’ van To70 van juli 2019, welk onderzoek door het college ten onrechte niet is betrokken bij zijn besluitvorming. Omdat de plannen omtrent het zonnepark na het uitbrengen van het rapport van Adecs Airinfra Consultants (Adecs) in 2021 zijn aangepast, stelt eiseres dat het college zijn besluit daarop niet heeft mogen baseren. Dat het college de veiligheid van de luchtvaart niet heeft betrokken bij zijn besluit, blijkt volgens eiseres ook uit het feit dat bij het opstellen van het inpassingsplan op geen enkele wijze met haar overleg is gevoerd. Een andere vliegroute heeft volgens eisers voor hen tot gevolg dat de geluidbelasting op hun woningen zal toenemen. Die geluidbelasting is al hoog vanwege een nabijgelegen NAVO-vliegbasis, de zinkfabriek en vrachtverkeer over de Hoofdstraat. Eiseres stelt dat er hierdoor een hogere geluidbelasting kan optreden op de handhavingspunten HH1 en HH2. Overschrijding van de geluidgrenswaarden kan nadelige gevolgen hebben voor het toegestane gebruik van de luchthaven.\n\n14. Het college betwist niet (langer) dat het zonnepark, wat het MLA-vliegverkeer betreft, voor een klein deel onder het MLA-vliegcircuit ligt en deels onder exit 21. Er zijn geen specifieke regels voor MLA-vliegverkeer, aldus het college. De uiteindelijke verantwoordelijkheid ligt bij de vlieger zelf. MLA-vliegtuigen staan er volgens het college om bekend dat zij een korte landings- en startmogelijkheid hebben zonder grote eisen aan infrastructuur. Een goed weiland zou volgens het college voldoende moeten zijn. Daar is rondom het zonnepark ook sprake van. De omgeving van Nystar bestaat veelal uit bebossing en treinrails. Het is niet realistisch om met een noodlanding rekening te moeten houden. Bovendien is nood- of voorzorglanden in een zonnepanelenveld in principe niet anders dan op een andere locatie met obstakels in de vorm van bebouwing. Daarbij wijst het college erop dat op grond van het geldende bestemmingsplan ter plaatse bebouwing is toegelaten met een hogere bouwhoogte dan de zonnepanelen, die een hoogte hebben van 2 meter. Dit maakt volgens het college de overlevingskansen groter bij een goed uitgevoerde noodlanding dan wanneer hogere bouwwerken zouden zijn gerealiseerd. Het college heeft verder naar voren gebracht dat er, op grond van het bestemmingsplan “Zonering luchthaven Budel”, veiligheidszones zijn aangewezen. Met de realisatie van het zonneveld worden deze zones vrijgehouden. Bovendien is door Adecs nader onderzocht of er mogelijke effecten kunnen optreden. De conclusie van dit onderzoek is dat de realisatie van het zonneveld niet leidt tot aanpassing van vliegroutes. Wat de wijziging van de geluidbelasting op de handhavingspunten HH1 en HH2 betreft, heeft het college gesteld dat deze handhavingspunten op respectievelijk 1,8 km en 1,35 km van het punt liggen waar MLA-vliegers zouden moeten uitwijken. MLA-vliegers hebben in een dergelijk geval alle ruimte om weer terug op de aangewezen routes te komen. Volgens het college dienen MLA-vliegers zich in beginsel echter te allen tijde te houden aan de voorgeschreven vliegroutes, zodat uitwijken naar HH1 en HH2 voor MLA-vliegverkeer in de eerste plaats geen optie is en ook niet noodzakelijk is. Daarnaast is voor het uitwijken voorafgaande toestemming van de verkeersleiding nodig. Verder kan het MLA-vliegverkeer er in de praktijk mogelijk voor kiezen om het zonnepark te mijden en iets noordelijker en daarmee verder van de bebouwing en de omwonenden te vliegen. Dit zal geen extra geluidhinder in de omgeving veroorzaken. Het college stelt dat het zich, ondanks dat de plannen rondom het zonnepark na het uitbrengen van het rapport van Adecs op 14 september 2021 zijn aangepast, in die zin dat het zonnepark nu uit één groot geheel zal bestaan in plaats van uit twee delen, nog steeds op de bevindingen in dit rapport kan beroepen, omdat deze aanpassingen geen gevolg hebben voor de door het MLA-vliegverkeer gehanteerde route. Ten aanzien van het landschappelijk inpassingsplan van Eelerwoude heeft het college gesteld dat er geen wettelijke plicht bestaat om hierover overleg te voeren alvorens het bestreden besluit te nemen. Bovendien maken de vliegroutes van onder andere het MLA-vliegverkeer geen onderdeel uit van het landschappelijk inpassingsplan. Bij een dergelijk plan is het doel om het zonnepark vanuit zichtlijnen op de beste manier op te laten gaan in het landschap door middel van bijvoorbeeld grondwallen, struweel, bosschage, hagen, groenstroken, bosranden en groenwallen. Wat de vliegroutes betreft dient het college wettelijk gezien alleen rekening te houden met specifieke veiligheidszones of obstakelvrije zones. Hierin valt het plangebied niet. 15. De rechtbank stelt vast dat de MLA-vliegtuigen na het opstijgen op grasbaan 21 van het vliegveld een bepaald circuit volgen over het Nystar industrieterrein. Dit heeft te maken met de AIP (Aeronautical Information Publication), op grond waarvan er in principe vaste vliegroutes binnen een circuitgebied gelden waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. Vast staat dat de MLA-vliegtuigen ook na realisatie van het zonnepark op zich gebruik kunnen blijven maken van het huidige vliegcircuit. Door de aanleg van het zonnepark ontstaat er namelijk geen situatie die met de luchtvaartregelgeving in strijd is. Ter beoordeling ligt dan ook alleen voor of het verlenen van een omgevingsvergunning voor het zonnepark in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, uit een oogpunt van veiligheid voor inzittenden van MLA’s en eisers en geluidhinder ter plaatse van onder meer de woningen van eisers. In dat kader is van belang of MLA’s gebruik zullen blijven maken van het huidige vliegcircuit als het zonnepark is gerealiseerd of hierom het zonnepark zullen gaan mijden, ook al zijn zij in principe gebonden aan de vaste route. Hoewel in het rapport van To70 van juli 2019 op basis van een enquête onder dertien vliegers die regelmatig vanaf Kempen Airport vliegen is geconcludeerd dat vliegers na realisatie van het zonnepark anders zullen gaan vliegen, is dit een inschatting op basis van een nog niet bestaande situatie. Niet met zekerheid kan worden gesteld dat dit ook zal gaan gebeuren, maar het kan ook niet worden uitgesloten. Hoewel de rechtbank er ter zitting niet van overtuigd is geraakt dat er in de directe omgeving van het zonnepark geen enkele veilige noodlanding meer mogelijk is, is wel aannemelijk geworden dat na realisatie van het zonnepark het in elk geval moeilijker zal zijn om een locatie zonder bouwwerken of andere belemmeringen te vinden voor een noodlanding. Voor zover eiseres vreest dat een noodlanding in het zonnepark zou leiden tot de dood van de inzittenden vanwege het feit dat zonnepanelen onder spanning staan, heeft vergunninghoudster zich op het standpunt gesteld dat deze vrees ongegrond is. Het zonnepark bevat meerdere veiligheidssystemen in de vorm van aardlekbeveiliging en zekeringen. Bij een defect van de zonnepanelen die tot een aardfout leiden zullen de beveiligingen van de omvormers geactiveerd worden, waardoor deze automatisch uitschakelen. Niet aannemelijk is geworden dat dit standpunt onjuist is. Hoewel vliegers van een MLA, gelet op wat hiervoor is overwogen, door de realisatie van het zonnepark mogelijkerwijs een gevoel van onveiligheid kunnen ervaren en hierom het zonnepark zullen mijden en een noodlanding in een zonnepark niet zonder risico is, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding voor het oordeel dat het college hierom geen omgevingsvergunning voor het zonnepark heeft kunnen verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college veel belang kunnen hechten aan het feit dat het zonnepark voorziet in een grote lokale en regionale behoefte aan duurzame energie. Ook heeft het college in redelijkheid kunnen stellen dat de locatie geschikt is omdat het zonnepark is voorzien op een nu braakliggend, tot “Bedrijventerrein” bestemd perceel in de directe nabijheid van een al bestaand zonneveld en slechts een gering aantal bewoners hierop zicht zal hebben. Daarbij heeft het college mogen betrekken dat op grond van het geldende bestemmingsplan, dus zonder afwijking van het bestemmingsplan, hogere bouwwerken op het perceel zijn toegelaten dan de voorziene zonnepanelen. Dat het bestemmingsplan volgens eisers gedateerd is, leidt, wat daarvan ook zij, niet tot een ander oordeel. Verder heeft de rechtbank bij haar oordeel met betrekking tot de veiligheid in aanmerking genomen dat ter zitting onbetwist is gesteld dat er in de afgelopen 30 jaar twee à drie noodlandingen zijn geweest met MLA’s in de nabije omgeving van het vliegveld. Er komen dus noodlandingen voor, maar de frequentie is tot op heden laag. Over het landschappelijk inpassingsplan heeft het college terecht gesteld dat het niet gehouden was om met eiseres hierover overleg te voeren alvorens het bestreden besluit te nemen. 16.Ten aanzien van de vrees voor een toename van de geluidbelasting op de door eiseres genoemde handhavingspunten HH1 en HH2 als bedoeld in artikel 6 van de Verordening luchthavenbesluit luchthaven Budel Noord-Brabant en op de woningen van onder andere eisers overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel door eiseres ter zitting is gesteld dat de aanname in het rapport van Adecs dat de MLA’s mogelijkerwijs iets noordelijker zullen gaan vliegen om het zonnepark te mijden feitelijk niet mogelijk is, is de rechtbank er niet van overtuigd geraakt, gelet op de ligging van deze punten, dat het vermijden van het zonnepark door MLA-vliegers per definitie betekent dat zij dan zo dicht bij de handhavingspunten HH1 en HH2 zullen gaan vliegen dat hierdoor de daar geldende geluidgrenswaarden zullen worden overschreden. Ook is onvoldoende onderbouwd dat vliegers dan zo dicht de dorpskern Budel-Dorplein zullen naderen dat het woon- en leefklimaat van eisers of andere inwoners van het dorp hierdoor onaanvaardbaar zal worden aangetast. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat niet zomaar van het MLA-circuitgebied mag worden afgeweken. Verder hebben derde-partijen ter zitting onbetwist gesteld dat als er iets meer richting het zuiden wordt gevlogen (om het park heen), de afstand tot het dorp nog steeds ongeveer 1 kilometer bedraagt. Al met al is de rechtbank van oordeel dat het college in de vrees voor afname van de veiligheid van MLA-vliegers en van eisers en de vrees voor toename van de geluidbelasting op de woningen van inwoners van het dorp Budel-Dorplein geen aanleiding heeft behoeven te zien om de omgevingsvergunning te weigeren. Dit betoog faalt. Geen draagvlak\n\n17. Eiseres en eisers stellen dat er bij grote ruimtelijke ontwikkelingen, zoals het zonnepark, een breed maatschappelijk draagvlak voor het zonnepark moet worden gecreëerd alvorens tot besluitvorming wordt overgegaan. Dat is hier niet gebeurd.\n\n18. In paragraaf 5.3.1 van de Visie Zonneparken Cranendonck 2019-2024 staat dat de initiatiefnemer van een zonnepark de omgeving en andere belanghebbenden bij de plannen moet betrekken. De initiatiefnemer moet bij de aanvraag van een zonnepark aantonen welke inspanningen door de initiatiefnemer en omgeving en belanghebbenden zijn gepleegd om de eventuele aantasting van de aantoonbaar aanwezige belangen tot een acceptabel niveau te beperken. Initiatiefnemer zoekt met omgeving en belanghebbenden naar mogelijkheden ter compensatie van de overlast die zij mogelijk gaan ondervinden van een zonnepark (mitigerende maatregelen). Dat kan mogelijk in natura (aanpassing van het initiatief voor wat betreft afstanden en\u002F of opstelling, creëren van overgangszone) of financieel (bijvoorbeeld laten meedelen in opbrengst of korting op stroomprijs). Hierover dient een afspraak te worden vastgelegd die door de gemeente kan worden meegewogen bij de definitieve vergunningverlening.\n\n19. Uit de aanvraag blijkt dat er door derde-partijen meerdere informatiebijeenkomsten voor de inwoners van Cranendonck zijn georganiseerd. Ook is een website in het leven geroepen waarop informatie te vinden is over het project. Verder zijn er keukentafelgesprekken gehouden met omwonenden en zijn er gesprekken geweest met eiseres. Naar aanleiding van deze bijeenkomsten en gesprekken hebben er aanpassingen plaatsgevonden aan het project. Voor omwonenden is het mogelijk om 50% korting te krijgen op hun eigen zonnepanelen. Ook doen derde-partijen eenmalig een bedrag van € 100.000,00 en ook jaarlijks een donatie in het omgevingsfonds dat door de gemeente wordt beheerd en waarvan een substantieel deel in de vorm van leefbaarheidsinitiatieven, waaronder het verduurzamen van woningen en het toevoegen van groen, terugvloeit naar de inwoners van Budel-Dorplein. Ten behoeve van eiseres hebben derde-partijen onderzoek laten verrichten naar de gevolgen van de aanleg van het zonnepark in relatie tot het aan- en uitvliegen naar Kempen Airport. Dit onderzoek is neergelegd in het rapport van Adecs. Daarmee hebben derde-partijen naar het oordeel van de rechtbank de omgeving, eiseres en andere belanghebbenden voldoende bij hun plannen betrokken zoals bedoeld in paragraaf 5.3.1 van de Visie Zonneparken Cranendonck 2019-2024. Van overige eisen op grond van gemeentelijke beleid met betrekking tot het creëren van maatschappelijk draagvlak is de rechtbank niet gebleken. Voor zover eiseres ter zitting heeft gesteld dat het college met haar een dialoog had moeten aangaan alvorens het bestreden besluit te kunnen nemen, heeft het college terecht gesteld dat het daartoe niet verplicht was op grond van enig wettelijk voorschrift. Wat eisers en eiseres hierover hebben aangevoerd kan dan ook geen aanleiding geven voor de conclusie dat het besluit op dit punt onrechtmatig is. Dit betoog slaagt niet.\n\nInterim omgevingsverordening20. Eisers stellen dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3.41 van de geldende provinciale Interim omgevingsverordening (IOV). In dat kader brengen zij naar voren dat een integraal en actueel onderzoek naar alle vormen van duurzame energie voor de gemeente Cranendonck niet beschikbaar is en dat er evenmin onderzoek beschikbaar is waaruit blijkt dat binnen Cranendonck in onvoldoende mate kan worden voorzien in duurzame energie binnen stedelijk gebied, waartoe het projectgebied niet behoort. De vergunningaanvraag is volgens hen ten onrechte getoetst aan de IOV die gold tot 15 april 2022.\n\n21. Het college heeft erkend dat de aanvraag is getoetst aan een IOV die op dat moment niet meer van kracht was. Het college heeft echter terecht gesteld dat artikel 3.41 van de IOV dat gold tot 15 april 2022 niet wezenlijk verschilt van dat artikel in de IOV die gold met ingang van 15 april 2022. De rechtbank is van oordeel dat het college de aanvraag in het bestreden besluit terecht heeft getoetst aan artikel 3.41 van de IOV, omdat het projectgebied in de IOV is weergegeven als ‘Landelijk gebied – gemengd landelijk gebied’. De rechtbank stelt vast dat de mogelijkheden voor zonne-energie zijn onderzocht in de Visie Zonneparken Cranendonck 2019-2024 (Visie Zonneparken), waarin rekening is gehouden met (on-)mogelijkheden van andere energiebronnen. Uit deze visie volgt dat de mogelijkheden voor energieopwekking in stedelijk gebied te beperkt zijn om aan de doelen voor duurzame energie te voldoen en dat er opwekking in landelijk gebied noodzakelijk is. In de gemeentelijke visie wordt gerefereerd aan het rapport \"Energie en ruimte Zuidoost Brabant -Uitsplitsing naar gemeenten\" (Posad (2017). Daarin zijn scenario's onderzocht over de energievraag in Zuid-Oost Brabant en de wijze waarop daarin kan worden voorzien. Het rapport is een aanvulling op het rapport \"Energiestrategie Zuidoost Brabant\" - Energie & Ruimte voor de regionale energiestrategie Regio Zuidoost Brabant (Posad, april 2017). Er is in Cranendonck gekozen voor een maximaal scenario voor duurzaam opwekpotentieel. Het maximale scenario gaat uit van een combinatie van windmolens, zonnepanelen op dak, zonneparken en biomassavergisters. Dit scenario is niet voldoende om de landelijke doelstelling 'nagenoeg energieneutraal in 2050' te halen. Daarvoor moet meer duurzame energie worden opgewekt: 923 TeraJoule meer dan in het maximale scenario is voorzien. Volgens de gemeentelijke visie zouden zonneparken in gemengd landelijk gebied in (een deel van) deze nog extra benodigde duurzame opwekcapaciteit kunnen voorzien, evenals extra windmolens, benutting van geothermie\u002Frestwarmte en extra biomassavergisters. Uit het onderzoek van Posad komt naar voren dat andere hernieuwbare bronnen als windmolens en biovergisters niet in de volledige vraag kunnen voorzien. Ook zijn er niet voldoende beschikbare en geschikte daklocaties of andere binnenstedelijke locaties om voldoende zonne-energie op te wekken. De stelling van eisers dat deze visie louter een politiek stuk is, niet als een toereikend onderzoek kan worden beschouwd als bedoeld in artikel 3.41 van de IOV en achterhaald is, is onvoldoende onderbouwd. Omdat uit het onderzoek naar voren komt dat niet volledig in de behoefte aan duurzame energie in 2050 kan worden voorzien door alleen de inzet van andere duurzame energiebronnen dan zonne-energie, is daarmee de in artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV genoemde noodzaak gegeven. Dit betoog slaagt niet.\n\nMaximum areaal bereikt\n\n22. Eisers voeren ook aan dat realisatie van het zonnepark in strijd is met de Visie Zonneparken, omdat hierin een maximum is vastgesteld van 83 hectare netto voor zonneparken in het buitengebied van Cranendonck en dit maximum met dit project wordt overschreden.\n\n23. Het college heeft hierover gesteld dat het zonnepark is uitgezonderd van de Visie Zonneparken. Daarbij is gewezen op het feit dat het project is voorzien op gronden waar het bestemmingsplan “Industrieterrein Dorplein” geldt. Het industrieterrein behoort daardoor tot het stedelijk gebied, zodat de aanleg van het zonnepark niet meetelt in de hectares uit de Visie Zonneparken.\n\n24. In paragraaf 4.2.1 van de Visie Zonneparken is gesteld dat Nyrstar een bedrijventerrein is dat valt binnen het bestaand stedelijk gebied. Derhalve is het in dit gebied toegestaan, zo staat vermeld, om een stedelijke ontwikkeling – zoals een zonnepark – te realiseren als dat via een ruimtelijke procedure is geregeld. Gelet hierop heeft het college terecht gesteld dat het bestreden besluit in zoverre niet in strijd is met de Visie Zonneparken. Dat de projectlocatie in het provinciale beleid wordt aangeduid als ‘Landelijk gebied – gemengd landelijk gebied’ betekent niet dat deze locatie in het gemeentelijk beleid ook als buitengebied moet worden aangemerkt. Dit betoog faalt.\n\nBestemmingsplan\n\n25. Eisers betogen dat de omgevingsvergunning niet had mogen worden verleend, omdat het zonnepark niet past binnen het geldende bestemmingsplan. Ten onrechte is in de ruimtelijke onderbouwing verwezen naar een bestemmingsplan dat in 2017 is vernietigd.\n\n26. Niet in geschil is tussen partijen dat een zonnepark op grond van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan op de voorziene locatie. Dat betekent echter niet dat het college de gevraagde omgevingsvergunning hierom niet heeft kunnen verlenen. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo geeft immers aan het college de bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen als aan de hierin genoemde voorwaarden wordt voldaan. In het bestreden besluit is gesteld dat derde-partijen in de ruimtelijke onderbouwing hebben aangegeven waarom hun initiatief voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en wenselijk is op die locatie. Daarbij hebben derde-partijen zich gebaseerd op een vergelijkbaar plan op deze locatie, waarvoor bij de gemeente draagvlak bestond en waarbij de gemeente zich destijds kon vinden in de bijbehorende motivatie. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college de ruimtelijke onderbouwing hierom niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Dit betoog slaagt niet.\n\nBodemreflectie\n\n27. Eisers brengen verder naar voren dat de effecten van het terugkaatsen van geluid van allerlei geluidbronnen door de zonnepanelen ten onrechte niet is meegenomen bij de besluitvorming over het zonnepark.\n\n28. Het college heeft hierover overwogen dat de dichtstbijzijnde woning op een veelvoud ligt van de richtafstand van 30 meter voor een elektriciteitsinstallatie. Bovendien ligt er een industrieel complex tussen het zonnepark en de woningen in. Enige geluidreflectie vanuit het zonnepark zal volgens het college niet significant bijdragen aan het reeds aanwezige omgevingsgeluid, mede vanwege de afgelegen ligging van de panelen. Derde-partijen hebben nog aanvullend gesteld dat gelet op de hoek van 15 graden waarin de zonnepanelen worden geplaatst, directe reflectie van geluid niet mogelijk is en zelfs kan leiden tot een afname van het geluid. Daarbij is gewezen op een geluidstudie door TNO met betrekking tot zonnepanelen.\n\n29. Gelet op hetgeen het college en derde-partijen naar voren hebben gebracht, is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat, zo er al sprake mocht zijn van enige geluidreflectie vanwege de zonnepanelen, deze zodanig zal zijn dat het college hierom de gevraagde omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen. Dit betoog faalt.\n\nCoalitieakkoord\n\n30. Eisers stellen ook dat het bestreden besluit in strijd is met landelijk beleid. In het coalitieakkoord, dat ten grondslag ligt aan het kabinet Rutte IV, is afgesproken dat er vooral wordt ingezet op grootschalige installatie van zonnepanelen op daken. Zonnepanelen op land worden alleen toegestaan als multifunctioneel gebruik van dat land mogelijk is, bijvoorbeeld op rijksgronden. Het zonnepark is echter niet voorzien op rijksgronden.\n\n31. De rechtbank is van oordeel dat het coalitieakkoord geen toetsingskader voor het college vormt bij de beoordeling van de aanvraag voor de realisatie van een zonnepark, zodat het college hieraan niet is gebonden. Reeds hierom ziet de rechtbank in deze beroepsgrond geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Dit betoog slaagt niet.\n\nStikstofdepositie\n\n32. Eisers en eiseres stellen dat tijdens de bouwfase van het zonnepark sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie op het nabijgelegen en kwetsbare Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven. Ten onrechte is hiernaar geen onderzoek verricht voordat het bestreden besluit werd genomen.\n\n33. Het college en derde-partijen hebben hierover gesteld dat het relativiteitsvereiste zich verzet tegen de inhoudelijke behandeling van deze beroepsgronden.\n\n34. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept (het relativiteitsvereiste).\n\n35. De bepalingen in de Wet natuurbescherming (de Wnb) over de beoordeling van plannen, projecten of andere handelingen, die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Indien een natuurlijke persoon zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, beroept hij zich op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. De individuele belangen van een natuurlijke persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen echter zo verweven zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Het perceel van eiser [naam] ligt het dichtst bij het hiervoor genoemde Natura 2000-gebied en wel op een afstand van ongeveer 103 meter. Ter zitting heeft hij gesteld vanaf de zolderverdieping van zijn woning zicht te hebben op het natuurgebied. Het Natura 2000-gebied maakt gelet op de afstand en het (zij het beperkte) zicht daarmee onderdeel uit van zijn woon- en leefomgeving, zodat in dit geval verwevenheid bestaat tussen het individuele belang van eiser [naam] bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om deze beroepsgrond inhoudelijk te behandelen. Wanneer aan één van de eisers namens wie een beroepschrift is ingediend, het relativiteitsvereiste niet kan worden tegengeworpen, bestaat geen aanleiding om dit ook na te gaan voor de overige eisers namens wie dat beroepschrift is ingediend. 36. Naar het oordeel van de rechtbank strekken de betrokken normen van de Wnb voor de natuur- en landschapsbescherming echter kennelijk niet tot bescherming van de bedrijfseconomische belangen van eiseres waarvoor zij in deze procedure opkomt, zodat haar betoog niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.\n\n37. Vast staat dat er voor het nemen van het bestreden besluit geen onderzoek is verricht naar de stikstofdepositie in de bouwfase omdat met ingang van 1 juli 2021 artikel 2.9a van de Wnb en artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming in werking waren getreden, waarin de zogenoemde partiële bouwvrijstelling was geregeld. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 november 2022is echter geoordeeld dat deze bouwvrijstelling niet had mogen worden toegepast. Gelet hierop had het onderzoek naar stikstofdepositie in de bouwfase voor het nemen van het bestreden besluit moeten zijn verricht. Dat pas na de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022 bekend was dat de partiele bouwvrijstelling niet had mogen worden toegepast leidt niet tot een ander oordeel. Dit betoog slaagt. 38. De rechtbank stelt vast dat het college na het nemen van het bestreden besluit alsnog onderzoek heeft laten verrichten naar de stikstofdepositie in de bouwfase. Uit het daarover uitgebrachte rapport van Eelerwoude van 3 februari 2023 volgt dat in de bouwfase geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied vanwege het feit dat er elektrisch wordt gebouwd. De conclusie in het rapport dat er geen sprake zal zijn van een depositie boven de 0,00 mol\u002Fha\u002Fjaar hebben eisers niet betwist. Nu uit het rapport volgt dat het project in de bouwfase evenmin als in de gebruiksfase gevolgen zal hebben voor het Natura 2000-gebied, is het standpunt van het college in het bestreden besluit dat voor het zonnepark geen passende beoordeling behoefde te worden gemaakt ook achteraf bezien juist. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.Conclusie en gevolgen\n\n39. Het beroep van eisers is gegrond en dat van eiseres ongegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, maar laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat derde-partijen op grond van de verleende omgevingsvergunning een zonnepark aan de Fabrieksstraat mogen aanleggen en in gebruik mogen nemen. Omdat het beroep van eisers gegrond is, krijgen zij het door hen betaalde griffierecht terug. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat het beroep van eiseres ongegrond is, krijgt zij daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank: - verklaart het beroep van eiseres ongegrond; - verklaart het beroep van eisers gegrond; - vernietigt het besluit van 5 oktober 2022; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,00 aan eisers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. D.J. Hutten, leden, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2023.\n\nde griffier is verhinderd te tekenen\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nAls u het niet met deze uitspraak eens bent, kunt u een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin u uitlegt waarom u het niet met de uitspraak eens bent. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Deze datum staat hierboven.\n\nOp het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.\n\nBIJLAGE\n\nInterim-omgevingsverordening provincie Noord-Brabant\n\nArtikel 3.41 Zonneparken in Landelijk gebied (tekst van voor 15 april 2022)\n\nLid 1\n\nBinnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als:\n\na. uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is;\n\nb. de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit;\n\nc. de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving;\n\nd. e ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;\n\ne. de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.\n\nLid 2\n\nDe maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria:\n\na. de mate van meervoudig ruimtegebruik;\n\nb. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken;\n\nc. de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen.\n\nLid 3\n\nEr kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:\n\na. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;\n\nb. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd;\n\nc. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.\n\nArtikel 3.41 Zonneparken in Landelijk gebied (tekst met ingang van 15 april 2022)\n\nLid 1\n\nBinnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als:\n\na. uit onderzoek blijkt dat de aanleg van het zonnepark noodzakelijk is omdat in onvoldoende mate voorzien kan worden in de behoefte voor duurzame energie:\n\n1. door de ontwikkeling van andere vormen van duurzame energie;\n\n2. binnen Stedelijk gebied;\n\n3. door meervoudig ruimtegebruik in Landelijk gebied of binnen bestaand ruimtebeslag op bouwpercelen; en\n\n4. op gronden aansluitend op Stedelijk gebied.\n\nde nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit;\n\nde ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving;\n\nde ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;\n\nde ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.\n\nLid 2\n\nDe maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria:\n\na. de mate van meervoudig ruimtegebruik;\n\nb. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken;\n\nc. de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen.\n\nLid 3\n\nEr kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:\n\na. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;\n\nb. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd;\n\nc. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2065.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:283.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:3159.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2023:3260","2023-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.874Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":43,"courtId":104,"decisionDate":105,"fullText":106,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":108,"parsedAt":51,"updatedAt":109},"1316","ECLI:NL:RBMNE:2023:1249","ecli-nl-rbmne-2023-1249",63,"2023-03-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 22\u002F4218\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2023 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren\n\n(gemachtigde: A. Debie).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats]\n\nInleiding\n\nEiser woont aan de [adres 1] in [woonplaats] . Derde-partij woont naast eiser op het perceel aan de [adres 2] in [woonplaats] . Op 15 december 2017 is aan de vorige eigenaar van het perceel aan de [adres 2] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning met een toegangsbrug. Vervolgens is op 22 april 2020 een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een tijdelijke woning op de [adres 2] .\n\nDerde-partij heeft een nieuwe aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning omdat hij zijn woning op een andere manier wil bouwen dan is toegestaan in de omgevingsvergunning van 15 december 2017. Het college heeft in het besluit van 18 februari 2022 (het primaire besluit) de omgevingsvergunning verleend aan derde-partij voor de bouw van een woning aan de [adres 2] (de planlocatie).\n\nOp 9 mei 2022 heeft het college, na verzoek daartoe van derde-partij, de omgevingsvergunning van 15 december 2017 gedeeltelijk ingetrokken. De gedeeltelijke intrekking ziet op de bouw van de woning.\n\nHet bezwaar van eiser tegen het primaire besluit is ongegrond verklaard in het besluit van 18 juli 2022 (het bestreden besluit). Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft beroep ingesteld.\n\nHet college heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld op de zitting van 13 februari 2023. Eiser is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook derde-partij is verschenen. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en medegedeeld dat er binnen zes weken uitspraak wordt gedaan.\n\nNadat de rechtbank het onderzoek op de zitting heeft gesloten, heeft het college nadere stukken naar de rechtbank toegestuurd. Omdat de stukken zijn toegestuurd nadat het onderzoek is gesloten, heeft de rechtbank deze stukken niet betrokken bij het onderzoek.Beoordeling door de rechtbank\n\nHet bestreden besluit\n\nVolgens het college is het bouwplan in overeenstemming met de regels uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Ook is het bouwplan in overeenstemming met de redelijke eisen van welstand, het Bouwbesluit 2012 en de bouwverordening. Dat betekent dat er geen weigeringsgronden zijn zoals bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In dat geval heeft het college geen andere keuze dan de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Uit de bezwaargronden van eiser volgt volgens het college niet dat er wel een weigeringsgrond is. De verleende omgevingsvergunning blijft daarom in stand en de bezwaren van eiser worden door het college ongegrond verklaard.\n\nHet geschil\n\nEiser is het niet met het college eens dat er geen weigeringsgronden zijn. Volgens eiser wordt door het bouwplan het maximale bebouwingsoppervlakte van het bestemmingsplan overschreden. Het college is uitgegaan van bebouwingsoppervlakte van maximaal 230 m², terwijl dit volgens eiser maximaal 190 m² is. Verder is eiser van mening dat bij de berekening van het maximale bebouwingsoppervlakte het college ten onrechte de inrit niet heeft meegerekend, nu met de aanleg van de inrit er ook een bouwwerk zal worden gerealiseerd.\n\nOok stelt eiser zich op het standpunt dat met de bouw van de woning een tweede woning wordt toegestaan terwijl volgens het bestemmingsplan maar één woning is toegestaan aan de [adres 2] . Eiser vreest dat er hierdoor twee woningen blijven bestaan en dat vindt eiser onwenselijk. Tot slot heeft het college volgens eiser verzuimd om na te gaan of de bouw van de woning mogelijk is binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens eiser staat het bestemmingsplan een woning binnen dat gebied niet toe.\n\nHet planologische kader\n\n4. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘ [locatie] 2013’ (hierna: het bestemmingsplan). Op grond van dit bestemmingsplan geldt de enkelbestemming ‘Wonen’, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied 1’.\n\n5. De rechtbank zal hierna aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordelen of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met de regels uit het bestemmingsplan.\n\nWat is het maximale bebouwingsoppervlakte?\n\n6. Volgens eiser is de afstand tussen de te bouwen woning en de zijdelingse perceelsgrenzen minder dan tien meter. Bij een afstand van minder dan tien meter tussen de te bouwen woning en de zijdelingse perceelsgrenzen is het maximale bebouwingsoppervlakte volgens het bestemmingsplan 190 m² en niet de 230 m² waar het college vanuit is gegaan. Dat betekent volgens eiser dat de te bouwen woning te groot is.\n\n7. De rechtbank volgt eiser niet. In artikel 19.2.1, lid a, onder 2, van de planregels staat dat de maximale bebouwingsoppervlakte 230 m² is als de afstand van het hoofdgebouw tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen groter is dan 10 meter. Daarbij is het volgens dat artikel niet van belang of er al bouwwerken aanwezig zijn in die strook van tien meter tussen de te bouwen woning en een van de zijdelingse perceelsgrenzen. De rechtbank merkt daarbij op dat uit dit artikel voldoende duidelijk wordt wat qua bebouwing is toegestaan. De toelichting op het huidige of voorgaande bestemmingsplan is dan niet relevant voor de uitleg van artikel 19.2.1, lid, onder 2. Uit de bouwtekeningen die bij de aanvraag zijn ingediend blijkt dat de afstand van het hoofdgebouw tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 24.42 meter is. Dat is meer dan 10 meter. Dat betekent dat het college terecht heeft geconcludeerd dat het maximale bebouwingsoppervlakte 230 m² is en niet 190 m². De beroepsgrond slaagt niet.\n\nDe inrit\n\n8. Eiser vindt dat het college bij de berekening van het maximale bebouwingsoppervlakte de oppervlakte van de inrit ook had moeten betrekken. Aan weerszijden van de inrit wordt een muur gebouwd. Door deze muren aan weerzijden van de inrit wordt het maximale bebouwingsoppervlakte overschreden, aldus eiser.\n\n9. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 19.2.1, lid a, de totale bebouwingsoppervlakte niet meer mag bedragen dan 30% van het bouwperceel. Aan de voorzijde van de woning wil derde-partij een oprit realiseren met aan weerzijden een muur. Het college heeft toegelicht dat deze muren van de oprit niet betrokken hoeven te worden bij de berekening van het maximum bebouwingsoppervlakte en heeft daarbij verwezen naar artikel 27.1, van de planregels. Artikel 27.1 luidt: Een in de planregels aangegeven percentage geeft aan hoeveel van het desbetreffende bouwperceel ten hoogste mag worden bebouwd met gebouwen en overkappingen.\n\n10. De rechtbank vindt dat het college terecht de oppervlakte van de inrit niet heeft betrokken bij de berekening van het totale bebouwingsoppervlakte. Uit artikel 27.1, volgt dat uitsluitend gebouwen of overkappingen betrokken mogen worden bij de berekening van het maximale bebouwingsoppervlakte. Volgens artikel 1.51 van het bestemmingsplan is een gebouw elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijke met wanden omsloten ruimte vormt. Het is niet in geschil dat de inrit met bijbehorende muren geen gebouw of overkapping is nu de inrit niet overdekt is. Dat betekent dat het college terecht de inrit met bijbehorende muren niet heeft meegenomen in de berekening van het totale bebouwingsoppervlakte. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nTweede woning\n\n11. Eiser voert aan dat op grond van het bestemmingsplan één woning is toegestaan op de planlocatie en dat met de omgevingsvergunning van 22 april 2020 al een (tijdelijke) woning toegestaan is. Met het primaire besluit wordt een tweede woning toegestaan en dat is in strijd met het bestemmingsplan. Het college is in het bestreden besluit volgens eiser ten onrechte bij het standpunt gebleven dat voor de bouw van de tweede woning geen omgevingsvergunning nodig is voor de activiteit handelen in strijd met het bestemmingsplan.Eiser vreest dat er permanent twee woningen worden toegestaan aan de [adres 2] .\n\n12. De rechtbank stelt vast dat op 22 april 2020 een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een tijdelijke woning. Deze tijdelijke woning dient als woning tijdens de bouwfase van de nieuwe woning die is vergund in het primaire besluit. De rechtbank is het met eiser eens dat met het verlenen van het primaire besluit er een tweede woning toegestaan wordt binnen het bestemmingsvlak op de planlocatie. Op hetzelfde moment zijn er dus twee woningen toegestaan, de tijdelijke woning en de nieuwe woning. Dat is in strijd met artikel 19.2.2, lid a, van het bestemmingsplan, nu volgens dat artikel slechts één woning per bestemmingsvlak is toegestaan. In het primaire besluit heeft het college uitsluitend een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen en niet ook voor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Dat had het college wel moeten doen. De beroepsgrond slaagt.\n\n13. De rechtbank zal in de conclusie nader ingaan op de gevolgen voor het bestreden besluit.\n\nIs het bouwplan in strijd met de aanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’?\n\n14. Volgens artikel 28.1, lid a, van de planregels zijn bouwwerken binnen de gebiedsaanduiding 'milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ alleen toegestaan als deze bouwwerken ten behoeve van het grondwaterbeschermingsgebied zijn. Volgens artikel 28.1, onder b, van de planregels kan het college bij omgevingsvergunning afwijken van onder a.\n\n15. De rechtbank stelt vast dat de bouw van de woning in strijd is met artikel 28.1, onder a, omdat de woning geen bouwwerk is ten behoeve van het grondwaterbeschermingsgebied. Dat betekent dat eiser voor de bouw van zijn woning ook een omgevingsvergunning nodig heeft voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Die activiteit is ook niet vergund in het primaire besluit voor het bouwen van de woning in strijd met artikel 28.1, onder a, van het bestemmingsplan. Dat levert een gebrek op in de besluitvorming.\n\n16. Het bestemmingsplan biedt het college de mogelijkheid om via artikel 28.1, onder b, een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van de woning in strijd met artikel 28.1, onder a. Voorwaarden voor het verlenen van die omgevingsvergunning zijn dat het belang van het grondwaterbeschermingsgebied niet onevenredig wordt geschaad en dat eerst advies is ingewonnen bij de beheerder van het grondwaterbeschermingsgebied. Het college heeft een dergelijk advies niet overgelegd in de procedure bij de rechtbank. Het college verwijst in het bestreden besluit en op de zitting bij de rechtbank naar een advies van 25 november 2020. Dit advies is niet als stuk toegevoegd aan het bestreden besluit. Het college heeft het advies van 25 november 2020 ook niet overgelegd in de procedure bij de rechtbank. Het is daarom voor de rechtbank onduidelijk wat er in het advies staat en van wie dit advies afkomstig is. De rechtbank kan niet beoordelen of uit het gestelde advies van 25 november 2020 blijkt dat de beheerder van het grondwaterbeschermingsgebied vindt dat het belang van het grondwaterbeschermingsgebied niet onevenredig wordt geschaad. De beroepsgrond slaagt.\n\n17. Ook voor dit gebrek zal de rechtbank in de conclusie nader ingaan op de gevolgen voor het bestreden besluit.\n\nConclusie\n\n18. Het beroep is gegrond. Het college heeft – gelet op de rechtsoverwegingen 12 en 15 – ten onrechte geconcludeerd dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan.\n\n19. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank geeft het college hiervoor acht weken de tijd.\n\n20. In de nieuwe beslissing op bezwaar moet het college onderzoeken of hij voor de bouw van de tweede woning en de bouw van de woning binnen het grondwaterbeschermingsgebied wil meewerken aan een omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.\n\n21. Volgens artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo kan het college die omgevingsvergunning alleen verlenen als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college moet daarom in de nieuwe beslissing op bezwaar ingaan op de vraag of het (tijdelijk) toestaan van een tweede woning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ook moet het college in de nieuwe beslissing op bezwaar motiveren – na eerst advies te hebben ingewonnen bij de beheerder van het grondwaterbeschermingsgebied – of het belang van het grondwaterbeschermingsgebied onevenredig wordt geschaad met de bouw van de nieuwe woning.\n\n22. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 15 juli 2022;\n\n- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. T.E.G. van Heukelom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2023.\n\n(De rechter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen)\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:1249","2023-03-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.603Z",20,[112,113,11],2026,2024]