[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-public-procurement-nl-2026":3},{"detail":4,"years":220},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":218,"page":14,"limit":219},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},68,"public-procurement-nl","Public Procurement","NL","2026-07-08T16:54:19.266Z",2026,[13,15,17,19,22,25,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":14},2,{"month":18,"count":16},3,{"month":20,"count":21},4,6,{"month":23,"count":24},5,7,{"month":21,"count":23},{"month":24,"count":27},0,{"month":29,"count":27},8,{"month":31,"count":27},9,{"month":33,"count":27},10,{"month":35,"count":27},11,{"month":37,"count":27},12,[39,53,61,71,78,87,96,103,111,120,127,135,145,155,164,172,181,190,199,209],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"417","ECLI:NL:GHDHA:2026:2174","ecli-nl-ghdha-2026-2174","",58,"2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummers hof : 200.361.266\u002F01, 200.361.440\u002F01 en 200.361.896\u002F01 Zaaknummer rechtbank: C\u002F10\u002F702762 \u002F KG ZA 25-690\n\nArrest in kort geding van 30 juni 2026\n\nin de zaak van met zaaknummer 200.361.266\u002F01 van\n\nTWZ Connect B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. P.F.C. Heemskerk, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\nappellante,\n\ntegen\n\n1. de Gemeente Rotterdam,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. M. van Rijn, kantoorhoudend in Den Haag,\n\n2. RMC Rotterdam B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. P.H.L.M. Kuypers, kantoorhoudend in Brussel,\n\n3. Transvision B.V.,\n\ngevestigd in Capelle aan den IJssel,\n\nadvocaat: mr. J.W.A. Meesters, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\nverweersters,\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.440\u002F01 van\n\nTransvision B.V.,\n\ngevestigd in Capelle aan den IJssel,\n\nadvocaat: mr. J.W.A. Meesters, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\nappellante,\n\ntegen\n\n1. de Gemeente Rotterdam,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. M. van Rijn, kantoorhoudend in Den Haag,\n\n2. TWZ Connect B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. P.F.C. Heemskerk, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\n3. RMC Rotterdam,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. P.H.L.M. Kuypers, kantoorhoudend in Brussel,\n\nverweersters,\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.896\u002F01 van\n\nRMC Rotterdam B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. P.H.L.M. Kuypers, kantoorhoudend in Brussel\n\nappellante,\n\ntegen\n\n1. de Gemeente Rotterdam,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. M. van Rijn, kantoorhoudend in Den Haag,\n\n2. TWZ Connect B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. P.F.C. Heemskerk, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\n3. Transvision B.V.,\n\ngevestigd in Capelle aan den IJssel,\n\nadvocaat: mr. J.W.A. Meesters, kantoorhoudend in Amsterdam.\n\nHet hof zal partijen hierna noemen: TWZ, de Gemeente, RMC en TV.1. De zaak in het kort1.1. In deze drie samenhangende aanbestedingszaken vorderen de als tweede en derde geëindigde inschrijvers TWZ en TV in kort geding ieder onder meer intrekking van door de Gemeente ten gunste van RMC genomen gunningsbeslissingen en een gebod tot gunning aan TWZ respectievelijk TV. Volgens TWZ en TV had de Gemeente RMC van de aanbesteding moeten uitsluiten onder meer op grond van een ernstige beroepsfout wegens het te laat deponeren van haar jaarrekeningen. RMC vordert op haar beurt een gebod tot handhaving van de gunningsbeslissing. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen.1.2. TWZ, TV en RMC willen dat het hof hun vorderingen alsnog toewijst. Het hof verwerpt het hoger beroep in de drie zaken en bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. \n\nHet verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.266\u002F01:\n\nde dagvaarding van 11 november 2025, met grieven, waarmee TWZ in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2025;\n\nhet tussenarrest van dit hof van 25 november 2025;\n\nde memorie van antwoord van de Gemeente, met bijlage;\n\nde memorie van antwoord van RMC, met bijlagen;\n\nde memorie van antwoord van TV, met bijlagen;\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.440\u002F01:\n\nde dagvaarding van 18 november 2025, waarmee TV in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2025;\n\nde memorie van grieven van TV, met bijlage;\n\nde memorie van antwoord van de Gemeente;\n\nde memorie van antwoord van RMC, met bijlagen;\n\nde memorie van antwoord van TWZ;\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.896\u002F01:\n\nde dagvaarding van 25 november 2025 waarmee RMC in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2025;\n\nde memorie van grieven van RMC;\n\nde memorie van antwoord van de Gemeente;\n\nde memorie van antwoord van TWZ;\n\nde memorie van antwoord van TV, met bijlagen.2.2. Op 18 mei 2026 heeft in de drie gevoegde zaken een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. RMC en de Gemeente hebben bezwaar gemaakt tegen de akte houdende verzoek tot behandeling in incident van TWZ en de akte houdende verzoek tot het horen van getuigen van TWZ. Ter zitting is met partijen besproken dat het hof in dit arrest zal oordelen of deze aktes kunnen worden toegelaten en de daarin gedane verzoeken kunnen worden toegewezen.3. Feitelijke achtergrond3.1. Op 14 juli 2024 heeft de Gemeente de Europese openbare aanbesteding ‘Doelgroepenvervoer’ aangekondigd. Het doel van de aanbestedingsprocedure is het sluiten van een overeenkomst met een opdrachtnemer voor de duur van vier jaar, met een mogelijkheid tot verlenging van tweemaal twee jaar. De opdracht behelst de regie (aanname en planning) en uitvoering van doelgroepenvervoer (hierna: de opdracht). Onder doelgroepenvervoer valt Wmo-vervoer, Jeugdwetvervoer, leerlingenvervoer, werknemersvervoer en gym- en zwemvervoer. De geraamde waarde van de opdracht is € 320 miljoen.3.2. Naar aanleiding van bezwaren van de zittende opdrachtnemer Trevvel B.V. (hierna: Trevvel ) heeft de Gemeente de aanbestedingsdocumenten aangepast. Zij heeft deze op 17 januari 2025 gepubliceerd. De ingangsdatum van de te sluiten overeenkomst is daarbij verplaatst naar 21 juli 2026. Tot de (aangepaste) aanbestedingsstukken behoren het Beschrijvend Document met 22 bijlagen, waaronder het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (bijlage 2) en de Toelichting ‘ernstige beroepsfout’ (bijlage 3).3.3. \n\nParagraaf 2.1.2 van het Beschrijvend Document bepaalt:\n\n“De inkoopdoelen voor het DGV [hof: doelgroepenvervoer] luiden als volgt:\n\n1. Veilig, toegankelijk en betrouwbaar vervoer, waardoor Reizigers uit voornoemde doelgroepen, kunnen deelnemen aan de maatschappij; 2. Duurzaam en toekomstbestendig vervoer dat kan anticiperen op (toekomstige) ontwikkelingen; 3. Goed werkgeverschap vanuit de Opdrachtnemer naar personeel en Onderaannemers; 4. Zakelijk partnerschap tussen Opdrachtgever en Opdrachtnemer.”3.4. \n\nIn paragraaf 5.1 van het Beschrijvend Document staat dat inschrijvers bij de inschrijving het Uniform Europees Aanbestedingsdocument moeten invullen. Daarin moeten zij verklaren dat de in dat document van toepassing verklaarde facultatieve uitsluitingsgronden zich niet voordoen. Daarbij gaat het onder andere om de ernstige beroepsfout, de valse verklaring en de onrechtmatige beïnvloeding zoals bedoeld in art. 2.87 lid 1 sub c, h en i van de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012).\n\nIn de Toelichting ‘ernstige beroepsfout’ heeft de Gemeente toegelicht wat in het Beschrijvend Document en het Uniform Europees Aanbestedingsdocument onder “ernstige fout in de uitoefening van het beroep” wordt verstaan. De toelichting vermeldt:\n\n“Ter verduidelijking van het begrip “ernstige fout in de uitoefening van het beroep”, zoals bedoeld in het Uniform Europees Aanbestedingsdocument en beschreven in het Beschrijvend Document deelt de Aanbestedende Dienst mee dat hieronder wordt verstaan:\n\nKwade opzet of nalatigheid van een zekere ernst met betrekking tot het: (…) 10 het begaan van gedragingen in strijd met specifiek voor het beroep of bedrijf van een Inschrijver relevante wet- en regelgeving, tuchtregels, toezichtregels, gedragsregels of gedragscodes; (…) 12. alle andere delicten en gedragingen of omstandigheden die naar hun aard zijn aan te merken als ernstige fout in de uitoefening van het beroep.”\n\nVerder staat in de toelichting:\n\n“In verband met het voorgaande behoudt de Aanbestedende Dienst zich zowel gedurende de aanbestedingsprocedure als gedurende de looptijd van de Overeenkomst het recht voor een Inschrijver te screenen indien er op grond van enig signaal dat de Aanbestedende Dienst bereikt, op welke wijze dan ook, een vermoeden rijst dat er sprake is van een ernstige fout in de uitoefening van het beroep. (…) Ten aanzien van de uitsluitingsgrond als genoemd in artikel 2.87 lid 1 sub c van de Aanbestedingswet 2012 geldt dat indien een Inschrijver in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan de betreffende Inschrijver in beginsel wordt uitgesloten van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure, tenzij uitsluiting disproportioneel zou zijn.\n\nDe betreffende Inschrijver wordt in voorkomend geval in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat hij inmiddels de nodige maatregelen heeft genomen om herhaling in de toekomst te voorkomen en deze maatregelen voldoende zijn om zijn betrouwbaarheid aan te tonen ondanks de toepasselijke uitsluitingsgrond. Als dat bewijs toereikend wordt geacht, wordt de betrokken Inschrijver niet uitgesloten van de aanbestedingsprocedure. Bij het nemen van een besluit om al dan niet tot uitsluiting van deelname aan de aanbestedingsprocedure dan wel tot wijziging, opschorting of beëindiging van de Overeenkomst over te gaan kunnen onder meer de volgende aspecten in de afweging worden betrokken: ▪ de ernst van de overtredingen; ▪ de mate van betrokkenheid bij de overtredingen van leidinggevenden; ▪ de sinds de overtredingen verstreken tijd (de Aanbestedende Dienst betrekt uitsluitend ernstige fouten die zich in de drie jaar voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van het verzoek tot deelneming of de inschrijving hebben voorgedaan); ▪ het verband met de onderhavige aanbestedingen; ▪ de wegens overtredingen opgelegde sancties; ▪ de maatregelen die genomen zijn om herhaling te voorkomen; ▪ de omvang van de aanbestede opdracht; ▪ de houding\u002Fopstelling van de betreffende Inschrijver.\n\nTot daadwerkelijke uitsluiting (of ontbinding) wordt slechts besloten indien de Aanbestedende Dienst dat proportioneel acht.”3.5. \n\nParagraaf 6.2 van het Beschrijvend Document bepaalt dat de inschrijvingen inhoudelijk worden beoordeeld op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding. Daarbij kunnen maximaal 300 punten worden toegekend aan het subgunningscriterium prijs en maximaal 700 punten aan het subgunningscriterium kwaliteit. Bij de beoordeling van de kwaliteit wordt gekeken naar de volgende aspecten: 1. communicatie en klantbeleving (245 punten), 2. samenwerking met scholen, zorgaanbieders en werklocaties (210 punten), 3. bejegening passend bij de doelgroep (140 punten), 4. goed werkgeverschap en social return(105 punten).\n\nDe inschrijvers dienen per kwaliteitsaspect een plan van aanpak in. Dat wordt beoordeeld met een uitmuntend, goed, voldoende, onvoldoende of slecht, afhankelijk van de mate waarin het betreffende plan beantwoordt aan het betreffende kwaliteitsaspect. Daarbij worden er naar rato punten toegekend. Zo kunnen bij het derde kwaliteitsaspect (bejegening passend bij de doelgroep) 140 (uitmuntend), 105 (goed), 70 (voldoende), 35 (onvoldoende) of 0 (slecht) punten worden gegeven.3.6. TWZ, RMC en TV hebben met nog twee andere partijen ingeschreven op de aanbesteding. TWZ heeft ingeschreven met Trevvel als onderaannemer.3.7. Op 3 juni 2025 heeft de Gemeente aan de inschrijvers laten weten dat RMC met 1000 punten de winnende inschrijver is en dat zij daarom voornemens is om de opdracht aan RMC te gunnen (hierna: het gunningsvoornemen). TWZ en TV zijn volgens de Gemeente op de tweede respectievelijk derde plaats geëindigd.3.8. Bij brief van 13 juni 2025 heeft TWZ bezwaar gemaakt tegen het gunningsvoornemen. TWZ meent dat RMC had moeten worden uitgesloten van deelname aan de aanbestedingsprocedure omdat zij zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige beroepsfout. RMC heeft haar jaarrekeningen over de afgelopen zes boekjaren niet of niet-tijdig gedeponeerd (2023 was ten tijde van de inschrijving nog niet gedeponeerd, 2022 vijf maanden te laat, 2021 anderhalf jaar te laat, 2020 twee jaar te laat en 2019 en 2018 drie jaar te laat). TWZ vermoedt dat RMC hierover ook niets heeft verklaard in het Uniform Europees Aanbestedingsdocument. Daarmee doen zich volgens TWZ de uitsluitingsgronden valse verklaring en onrechtmatige beïnvloeding eveneens voor. Ten slotte maakt TWZ bezwaar tegen de beoordeling van de kwaliteitsaspecten bejegening passend bij de doelgroep en goed werkgeverschap en social return. De motivering is volgens TWZ op deze punten onbegrijpelijk, onvoldoende en onjuist.3.9. Bij brief van 1 juli 2025 heeft de gemeente aan TWZ geschreven dat zij na een zorgvuldige afweging heeft besloten om niet tot uitsluiting van RMC over te gaan. Volgens de Gemeente heeft RMC haar jaarrekeningen de afgelopen zes boekjaren te laat gedeponeerd en levert dit een economisch delict op. Zij meent echter dat geen sprake is van een ernstige beroepsfout, omdat de fout geen direct of inhoudelijk verband houdt met het voorwerp van de opdracht, maar een administratieve fout betreft. De fout geeft daarmee geen aanleiding om te twijfelen aan de capaciteiten van RMC bij de uitvoering van de opdracht en haar professionele integriteit. Omdat geen sprake is van een ernstige beroepsfout, hoefde RMC dit ook niet te melden bij het invullen van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument. Verder merkt de Gemeente op dat RMC de meest recente jaarcijfers (2023) inmiddels heeft gedeponeerd en vrijwillig een aantal administratieve maatregelen heeft doorgevoerd.3.10. Na afloop van de hieronder (onder 4) weergegeven kortgedingprocedure heeft de Gemeente op 21 oktober 2025 met RMC een overeenkomst gesloten waarin de opdracht definitief aan RMC is gegund.3.11. TWZ is op 18 november een tweede kort geding gestart, waarin zij jegens (onder andere) de Gemeente en RMC inzage heeft gevorderd in bescheiden ter onderbouwing van haar stelling dat RMC heeft geprofiteerd van onrechtmatige staatssteun. De voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam heeft de inzagevorderingen bij vonnis van 3 februari 2026 afgewezen.4. Procedure bij de rechtbank4.1. TWZ heeft de Gemeente in kort geding gedagvaard. TWZ heeft daarbij (onder meer) gevorderd, samengevat, de Gemeente te gebieden het gunningsvoornemen in te trekken en de opdracht aan TWZ te gunnen, dan wel de inschrijvingen opnieuw te laten beoordelen, dan wel het gunningsvoornemen alsnog deugdelijk te motiveren, dan wel tot heraanbesteding over te gaan, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Gemeente in de kosten.4.2. TV is toegelaten als tussenkomende partij en heeft gevorderd de Gemeente te verbieden de opdracht aan RMC of TWZ te gunnen en de Gemeente te gebieden deze alsnog aan TV te gunnen dan wel een nieuw gunningsvoornemen te nemen, met veroordeling van TWZ en de Gemeente in de kosten.4.3. RMC heeft als tussenkomende partij gevorderd de Gemeente te gebieden haar gunningsvoornemen te handhaven en uit te voeren en, voor het geval het tot heraanbesteding zou komen, ook andere deelnemers die te laat hun jaarrekeningen hebben gedeponeerd van de aanbesteding uit te sluiten.4.4. De voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam heeft de vorderingen van TWZ, TV en RMC afgewezen en hen in de kosten van de Gemeente veroordeeld.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. TWZ, RMC en TV zijn - ieder afzonderlijk - in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens zijn met het vonnis.5.2. TWZ vordert na eiswijziging, samengevat, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de Gemeente zal gebieden de overeenkomst met RMC te beëindigen, althans de Gemeente zal verbieden de overeenkomst hangende de beoordeling van de rechtsmiddelen aangewend tegen de verleende staatssteun, waaronder de bij de Europese Commissie ingediende klacht, uit te voeren. Daarnaast vordert TWZ dat het hof de Gemeente zal gebieden afschriften te verstrekken van alle documenten samenhangend met de verkoop van RMC, RMC zal gebieden te gehengen en gedogen dat de overeenkomst wordt beëindigd en de in eerste aanleg ingestelde vorderingen alsnog zal toewijzen, een en ander met rente en kosten.5.3. Ook RMC heeft haar eis (deels) gewijzigd. Zij vordert nu dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en TWZ zal veroordelen de uitvoering van de overeenkomst van 21 oktober 2025 te gehengen en gedogen, de Gemeente zal gebieden deze overeenkomst uit te voeren en verweersters te bevelen hetgeen RMC op grond van het vonnis heeft betaald terug te betalen, met rente, met veroordeling van verweersters in de kosten van beide instanties.5.4. Tot slot heeft ook TV vernietiging van het vonnis gevorderd. TV vordert dat het hof de Gemeente alsnog verbiedt de overeenkomst met RMC en de wachtkamerovereenkomst met TWZ uit te voeren en de Gemeente te veroordelen over te gaan tot heraanbesteding, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van beide instanties.6. Beoordeling in hoger beroepSpoedeisend belang6.1. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het hof, zo nodig ambtshalve, in hoger beroep in kort geding moet beoordelen of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof (nog steeds) een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen.6.2. \n\nNaar het oordeel van het hof hebben TWZ en TV voldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit de spoedeisendheid bij hun vorderingen in hoger beroep voortvloeit. De spoedeisendheid volgt reeds uit het gegeven dat de overeenkomst inmiddels is gesloten door de Gemeente met RMC maar nog niet is uitgevoerd, terwijl TWZ en TV van mening zijn dat de Gemeente de opdracht niet aan RMC had mogen gunnen en de overeenkomst op diverse gronden nog steeds kan worden aangetast. Op het (spoedeisend) belang van RMC bij haar vorderingen gaat het hof onder 6.15 in.\n\nToetsingskader bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vorderingen6.3. Doel van het hoger beroep van TWZ en TV is intrekking van de gunningsbeslissing van de Gemeente althans beëindiging van de op die gunningsbeslissing gebaseerde overeenkomst tussen de Gemeente en RMC, met daaropvolgende gunning van de opdracht aan TWZ dan wel TV. De vorderingen strekken dus tot aantasting van de inmiddels gesloten overeenkomst. De vorderingen van RMC strekken op hun beurt ertoe de reeds gesloten overeenkomst met de Gemeente te bestendigen met een rechterlijk bevel aan de Gemeente om deze overeenkomst (zonder meer) te handhaven en uit te voeren.6.4. Hoewel niet is uitgesloten dat in hoger beroep nog wordt ingegrepen in een na een afwijzend vonnis van de voorzieningenrechter tussen aanbesteder en winnende inschrijver gesloten overeenkomst, kan dat alleen in een beperkt aantal gevallen. Een dergelijk geval doet zich hier naar het oordeel van het hof niet voor.6.5. Daarbij geldt het volgende. De Hoge Raad heeft in zijn arrest in de zaak Xafax van 18 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2638) overwogen dat het stelsel van Richtlijn 89\u002F665\u002FEEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2007\u002F66\u002FEG, en de Aw 2012 op het volgende neerkomt. Inschrijvers en andere belanghebbenden moeten tegen de gunningsbeslissing opkomen voordat de overeenkomst is gesloten. Daartoe wordt hen een termijn gelaten waarvan de niet-inachtneming door de aanbestedende dienst leidt tot vernietigbaarheid van de overeenkomst. Is die termijn verstreken of een verzoek om een onmiddellijke voorziening met betrekking tot de gunningsbeslissing gedaan en daarop door de voorzieningenrechter in eerste aanleg afwijzend beslist, dan is de nadien tot stand gekomen overeenkomst tussen de aanbestedende dienst en de winnende inschrijver alleen aan te tasten in de bijzondere gevallen genoemd in art. 4.15 lid 1 Aw 2012. Dat is alleen anders in het geval van wilsgebreken en in het geval van nietigheid of vernietigbaarheid ingevolge art. 3:40 BW anders dan op grond van het aanbestedingsrecht.6.6. Volgens TWZ en TV zijn hun op beëindiging van de overeenkomst gerichte vorderingen in hoger beroep niettemin toewijsbaar, omdat de tussen de Gemeente en RMC gesloten overeenkomst bepalingen bevat op grond waarvan de Gemeente de met RMC gesloten overeenkomst kan opzeggen indien op de opdrachtnemer (alsnog) uitsluitingsgronden van toepassing (blijken te) zijn.6.7. Het hof volgt TWZ en TV niet in hun stelling dat de door de Gemeente in de overeenkomst met RMC bedongen eenzijdige beëindigingsmogelijkheden, hen een opening geven voor toewijzing van hun vorderingen in hoger beroep. TWZ en TV zien eraan voorbij dat het aan de Gemeente is om zich al dan niet op de desbetreffende bepalingen te beroepen. Derden kunnen daaraan niet, althans niet zonder meer, rechten ontlenen of de Gemeente dwingen van haar contractuele bevoegdheden gebruik te maken. Dat zou bovendien niet verenigbaar zijn met het Xafax-arrest. Het daarin beschreven stelsel beoogt een evenwicht te bereiken tussen de verschillende bij een aanbesteding betrokken belangen en, in verband daarmee, ten behoeve van de aanbestedende dienst en degene aan wie deze de opdracht gunt, te waarborgen dat geen te grote of te langdurige onzekerheid ontstaat over de vraag of de overeenkomst gesloten en uitgevoerd kan worden. Dit stelsel zou worden ondergraven indien het standpunt van TWZ en TV zou worden gevolgd.6.8. TWZ heeft zich daarnaast beroepen op de in het Xafax-arrest genoemde uitzondering van nietigheid wegens strijd met de openbare orde (art. 3:40 BW). Die nietigheid vloeit volgens TWZ allereerst voort uit een op 18 december 2024 plaatsgevonden aandelentransactie, waarbij de Gemeente via RET NV, waarin zij 99% van de aandelen houdt, aan Rotterdamse Taxi Centrale BV (hierna: RTC) haar aandelen RMC heeft overgedragen. Volgens TWZ zijn deze aandelen daarbij voor een te lage, niet marktconforme prijs verkocht, waardoor de aandelentransactie kwalificeert als staatssteun. Deze staatssteun is niet gemeld bij de Europese Commissie. Als gevolg daarvan is deze transactie nietig, waardoor de aandelen RMC moeten worden geacht bij RET te zijn gebleven. Dan is RMC geen van de Gemeente onafhankelijke inschrijver meer, en was daarmee in de onderhavige aanbesteding sprake van belangenconflict als bedoeld in art. 2.87 lid 1 sub e jo. 1.10b Aw 2012. Daarnaast heeft de niet-marktconforme koopprijs RMC bij de onderhavige aanbesteding in staat gesteld met een lagere prijs in te schrijven. Hierdoor was van aanvang af geen sprake van een level playing field, hetgeen in strijd is met het aanbestedingsrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Ten slotte heeft TWZ het vermoeden dat de opdracht wel aan RMC moest toekomen, omdat RMC zonder deze opdracht geen bestaansrecht meer zou hebben. Daarmee levert niet alleen de aandelentransactie als zodanig, maar ook de gunning van de onderhavige opdracht staatssteun op, aldus nog steeds TWZ.6.9. TV heeft ter zitting toegelicht dat, hoewel zij in haar memorie van grieven de door TWZ aangevoerde ‘nieuwe ontwikkelingen’ wel bespreekt, zij deze niet aan haar vorderingen ten grondslag legt of daarmee een uitzondering op de hoofdregel uit het Xafax-arrest bepleit.6.10. Los van de vraag of er enige grond bestaat voor de stelling van TWZ dat de verkoop van het belang van RET in RMC aan RTC verboden staatssteun inhoudt, kunnen de conclusies die TWZ daaraan verbindt geen grond vormen voor een uitzondering op de hoofdregel uit de Xafax-jurisprudentie. Volgens het Xafax-arrest kan een tussen een aanbestedende dienst en opdrachtnemer gesloten overeenkomst in hoger beroep alleen worden aangetast in het geval van nietigheid van de overeenkomst ingevolge art. 3:40 BW (i.c. strijd met de openbare orde) anders dan op grond van het aanbestedingsrecht(cursivering van het hof). De conclusies die TWZ aan de gestelde verboden staatssteun verbindt - strijd met het aanbestedingsrechtelijke gelijkheidsbeginsel en\u002Fof belangenverstrengeling – leveren geen nietigheid ingevolge art. 3:40 BW op ‘anders dan op grond van het aanbestedingsrecht’. Hetzelfde geldt voor zover TWZ en TV zich beroepen op nietigheid van de overeenkomst op grond van een belangenconflict en\u002Fof strijd met het gelijkheidsbeginsel wegens de vermeende betrokkenheid van een oud-medewerker van RMC bij de onderhavige aanbestedingsprocedure.6.11. Het voorgaande is niet anders omdat het volgens TWZ om ‘nieuwe’, na het vonnis gebleken, omstandigheden zou gaan. Uit het Xafax-arrest blijkt niet van een uitzondering voor eerst na het kort geding-vonnis gebleken feiten. Bovendien heeft TWZ onvoldoende betwist dat zij (via haar bestuurder [naam], tevens bestuurder van een vennootschap met een aandelenbelang in RTC) al in 2024 over aan haar toerekenbare kennis van de (modaliteiten van de) aandelentransactie beschikte, zodat niet aannemelijk dát het nieuwe omstandigheden zijn die TWZ niet bij de voorzieningenrechter had kunnen aanvoeren.6.12. Gelet op het voorgaande komt het hof dus niet toe aan het in hoger beroep door TWZ bij akte gedane (getuigen)bewijsaanbod en haar bij memorie van grieven en in de akte van 3 maart 2026 gedane inzageverzoeken (zie hiervoor, 2.2), die alle betrekking hebben op de vraag of ter zake van de aandelentransactie sprake is geweest van staatssteun.6.13. Ten overvloede merkt het hof hierover nog op dat de gestelde staatssteun in dit kort geding voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden. Dat sprake is geweest van staatssteun volgt niet zonder meer uit het gegeven dat het 50% belang van RET in RMC is verkocht voor een lagere prijs dan waarvoor het belang van 50% in RMC dat reeds in het bezit was van RTC, bij RTC op de balans stond. Zoals de Gemeente terecht heeft aangevoerd, kan de verschillende waardering van RMC door RET en RTC allerlei redenen hebben (gehad). Een verdere onderbouwing van de gestelde te lage verkoopprijs ontbreekt. Daarnaast levert een verkoop van haar belang in RMC door RET tegen een te lage prijs op zichzelf geen staatssteun op. Dat is slechts anders als de verkoopprijs aan de Gemeente valt toe te rekenen. TWZ heeft in dat verband gesteld dat RET onder bijzonder beheer stond en de Gemeente in haar hoedanigheid van aandeelhouder op de hoogte is gehouden van het verkoopproces en de verkoop heeft goedgekeurd. Dat is tegenover het verweer van de Gemeente dat het bijzonder beheer los stond van de verkoop en dat de Gemeente zich niet met de verkoopmodaliteiten heeft bemoeid, niet voldoende om aan te nemen dat de verkoopprijs aan de Gemeente kan worden toegerekend. Voor de stelling van TWZ dat de onderhavige opdracht door de Gemeente aan RMC is gegund omdat RMC anders geen bestaansrecht meer zou hebben, en daarom ook de verlening van de opdracht zelf staatssteun oplevert, ontbreekt iedere aanwijzing. RMC heeft inzage gevorderd en getuigenbewijs aangeboden om haar stellingen dat sprake is van staatssteun nader te kunnen onderbouwen. Voor bewijslevering is in kort geding in het algemeen evenwel geen plaats en het hof ziet daarvoor in dit geval ook onvoldoende aanleiding.6.14. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van TWZ en TV, die zijn gericht op aantasting van de door de Gemeente met RMC gesloten overeenkomst, in hoger beroep niet toewijsbaar zijn.6.15. \n\nHetzelfde geldt voor de vorderingen van RMC. Deze strekken in feite tot wijziging van de overeenkomst tussen de Gemeente en RMC, omdat bij toewijzing ervan de Gemeente de overeenkomst zonder meer zou moeten uitvoeren ongeacht of zij op enig moment contractueel tot beëindiging daarvan gerechtigd zou zijn. Een dergelijke wijziging van de overeenkomst nadat deze is gegund is onverenigbaar met het aanbestedingsrecht. Voor zover RMC een gebod tot handhaving van het gunningsbesluit vordert, mist RMC daarbij bovendien belang nu de Gemeente dit besluit immers heeft gehandhaafd door het sluiten van de overeenkomst met RMC.\n\nBeoordeling van de grieven (uitsluitend) in verband met de proceskosten in eerste aanleg6.16. TWZ en TV hebben ook gevorderd dat het vonnis wordt vernietigd voor zover het gaat om de in hun nadeel uitgevallen proceskostenbeslissing. Uitsluitend in dat kader behoeven hun tegen het afwijzende vonnis van de voorzieningenrechter gerichte grieven nog bespreking. Immers levert naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666) voor een partij die in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld, deze veroordeling een voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak, ongeacht of (spoedeisend) belang bestaat bij de (overige) in hoger beroep te beoordelen vorderingen.6.17. Ook RMC heeft een grief gericht tegen de door de voorzieningenrechter genomen beslissing over de proceskosten. Haar overige grieven behoeven ook in dat kader evenwel geen bespreking, nu RMC ook in eerste aanleg (voldoende) belang bij haar vorderingen miste en deze ook overigens niet toewijsbaar waren. Het hof verwijst naar het hiervoor onder 6.15 overwogene. De tegen het vonnis gerichte grieven van RMC kunnen dus niet leiden tot het oordeel dat de voorzieningenrechter haar vorderingen ten onrechte heeft afgewezen en RMC niet in de kosten had mogen worden veroordeeld.6.18. Dit ligt anders voor de grieven van TWZ en TV. Daaronder voeren zij aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de Gemeente in redelijkheid tot het besluit kon komen om RMC niet uit te sluiten op grond van een ernstige beroepsfout, valse verklaring, onrechtmatige beïnvloeding en relevante, gebrekkige ‘past performance’. Indien deze grieven gegrond zijn, en bijgevolg dat oordeel anders had moeten luiden en tot toewijzing van de vorderingen had moeten leiden, zou de proceskostenbeslissing in eerste aanleg anders hebben moeten uitvallen.6.19. \n\nHet hof zal de grieven van TWZ en TV beoordelen met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep.\n\nHet te laat deponeren van de jaarrekeningen door RMC6.20. Met hun grotendeels overeenstemmende grieven 1 tot en met 4 van TWZ en 1 tot en met 5 van TV, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, voeren zij samengevat het volgende aan. De voorzieningenrechter heeft een te beperkte uitleg gegeven aan het begrip ernstige beroepsfout en daarbij ten onrechte een onderscheid aangebracht tussen een ernstige fout en een ernstige beroepsfout. Alles dat hoort bij de uitoefening van het beroep, dus ook fouten bij de bedrijfsvoering, kunnen tot uitsluiting leiden. Het repeterend te laat deponeren van de jaarrekeningen door RMC vormt een economisch delict en kwalificeert als ernstige beroepsfout. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte van belang geacht of RMC de bedoeling heeft gehad de Gemeente te misleiden door niet (tijdig) jaarrekeningen te deponeren. De financiële positie van RMC was slecht. De geschonden wettelijke verplichting tijdig jaarrekeningen te deponeren dient de financiële transparantie. RMC had, mede gelet op de systematiek van het UEA, zelfs bij onzekerheid over de toepasselijkheid van de uitsluitingsgrond ernstige beroepsfout, een meldingsplicht. Het achterwege blijven van de melding ontneemt de aanbestedende dienst de mogelijkheid te beoordelen of een uitsluitingsgrond van toepassing is. Het nalaten van deze melding moet, ongeacht de uiteindelijke beoordeling van de beroepsfout, worden aangemerkt als een valse verklaring, het achterhouden van informatie en\u002Fof onrechtmatige beïnvloeding als bedoeld in art. 2.87 lid 1 sub h en i Aw 2012. Pas na voorlopige gunning aangeboden zelfreinigende maatregelen mogen niet meer worden meegenomen omdat de aanbestedende dienst in dat stadium daarover niet meer objectief kan oordelen. De Gemeente had het gunningsbesluit moeten intrekken en een nieuw gunningsbesluit moeten nemen. De met terugwerkende kracht afgegeven 403-verklaring leidt tot een gewijzigde inschrijving en dient buiten beschouwing te worden gelaten, aldus nog steeds TWZ en TV.6.21. Het hof stelt het volgende voorop. Volgens rechtspraak van het HvJEU volgt uit Richtlijn 2014\u002F24 dat het wat de facultatieve uitsluitingsgronden betreft uitsluitend aan de aanbestedende dienst is om te beoordelen of een inschrijver moet worden uitgesloten van een aanbestedingsprocedure (HvJEU 21 december 2023, C-66\u002F22, ECLI:EU:C:2023:1016 (Infraestruturas de Portugal). De rechter kan een zodanige beslissing van de aanbestedende dienst daarom alleen marginaal toetsen, hetgeen betekent dat de rechter slechts moet beoordelen of de aanbestedende dienst in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.6.22. Op grond van art. 2.87 lid 1 Aw 2012 kan de aanbestedende dienst een inschrijver uitsluiten van deelneming aan een aanbestedingsprocedure op de grond dat (aannemelijk is dat) de inschrijver in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, waardoor zijn integriteit in twijfel kan worden getrokken (sub c). Ingevolge art. 2.88 Aw 2012 kan de aanbestedende dienst afzien van toepassing van art. 2.87 indien naar het oordeel van de aanbestedende dienst uitsluiting niet proportioneel is met het oog op de tijd die is verstreken sinds de veroordeling en gelet op het voorwerp van de opdracht.6.23. Het hof leest in de onder 6.21 vermelde rechtspraak niet dat de bevoegdheid van de aanbestedende dienst om een inschrijver op een facultatieve uitsluitingsgrond (al dan) niet uit te sluiten, beperkt zou zijn tot de fase voorafgaand aan de voorlopige gunningsbeslissing. Ook overigens volgt een dergelijke beperking niet uit het (stelsel van) de Aw 2012 en\u002Fof de UEA. Evenmin kunnen TWZ en TV worden gevolgd in hun betoog dat een beoordeling of (afdoende) zelfreinigende maatregelen zijn genomen slechts voorafgaand aan de voorlopige gunningsbeslissing kan plaatsvinden en een inschrijver zich na de voorlopige gunningsbeslissing niet meer op zulke maatregelen kan beroepen. Integendeel volgt uit art. 2.87a lid 1 Aw 2012 dat een aanbestedende dienst een gegadigde op wie een uitsluitingsgrond van toepassing is, steeds in de gelegenheid stelt te bewijzen dat hij voldoende maatregelen heeft genomen om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Verder moet de aanbestedende dienst gedurende de hele procedure, ook bij de toepassing van facultatieve uitsluitingsgronden, het proportionaliteitsbeginsel in acht nemen (HvJEU 30 januari 2020, ECLI:EU:C:2020:58 (TIM); HvJEU 26 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:48 (HSC Baltic)).6.24. Naar het oordeel van het hof kon de Gemeente in redelijkheid tot de in de brief van 1 juli 2025 (zie hiervoor, 3.9) weergegeven beslissing komen RMC niet van de aanbestedingsprocedure uit te sluiten omdat het te laat deponeren van de jaarrekeningen volgens haar met het oog op de onderhavige opdracht geen ernstige beroepsfout oplevert, RMC bovendien voldoende zelfreinigende maatregelen heeft genomen en uitsluiting ook overigens niet proportioneel zou zijn. Daarbij kon de Gemeente in redelijkheid, gebruik makend van haar ruime beoordelingsmarge, in aanmerking nemen dat de fout geen direct of inhoudelijk verband houdt met het voorwerp van de opdracht (het verzorgen van doelgroepenvervoer), maar een administratieve fout betreft en naar haar oordeel geen aanleiding gaf om te twijfelen aan de capaciteiten van RMC bij de uitvoering van deze opdracht en haar professionele integriteit. De Gemeente heeft in haar beoordeling verder betrokken dat RMC de meest recente jaarcijfers inmiddels had gedeponeerd en een aantal administratieve maatregelen had doorgevoerd. Daarmee heeft de Gemeente in redelijkheid kunnen oordelen dat bovendien zelfreinigende maatregelen waren genomen die aan uitsluiting in de weg staan, althans in het licht waarvan uitsluiting disproportioneel zou zijn.6.25. \n\nTen overvloede merkt het hof nog op dat de Gemeente zich nadien in redelijkheid nog op het standpunt kon stellen dat enige door TWZ en TV geuite twijfel over de financiële betrouwbaarheid van RMC in ieder geval was weggenomen door de op 9 juli 2025 door RMC B.V. afgegeven 403-verklaring. Anders dan TWZ en TV aanvoeren is hierdoor van een gewijzigde inschrijving nog geen sprake, te minder nu in de onderhavige aanbesteding geen eisen aan de financieel-economische draagkracht van de gegadigden waren gesteld.\n\nUitsluiting wegens gebrekkige ‘past performance’6.26. Volgens grief 5 van TWZ had RMC op grond van gebrekkige ‘past performance’ moeten worden uitgesloten, omdat bij een eerder door Drechtsteden aan RMC gegunde opdracht, de opdrachtgever RMC onder dreiging van rechtsmaatregelen tot nakoming heeft moeten dwingen.6.27. RMC heeft hiertegenover aangevoerd dat met Drechtsteden slechts een geschil bestond over de vraag of de overeenkomst moest worden verlengd. Dat geschil is in goed overleg opgelost waarna RMC de (verlengde) opdracht naar tevredenheid is nagekomen. Aan de uitgebrachte dagvaarding is dan ook geen gevolg gegeven. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij de (verlengde) overeenkomst geheel en naar tevredenheid is nagekomen, heeft zij nog een ‘verklaring van tevredenheid’ van Stroomlijn B.V., de penvoerder en contractbeheerder van de overeenkomst, overgelegd (prod. 4 bij akte overlegging producties van 26 september 2025).6.28. \n\nOok deze grief faalt. Een aanbestedend dienst kan op grond van art. 2.87 lid 1 sub g Aw 2012 een inschrijver uitsluiten van deelneming aan een aanbestedingsprocedure indien de inschrijver heeft blijk gegeven van aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijk voorschrift van een eerdere overheidsopdracht en dit heeft geleid tot vroegtijdige beëindiging van de overheidsopdracht, tot schadevergoeding of vergelijkbare sancties. Ook hierbij heeft de aanbestedende dienst een ruime beoordelingsvrijheid een inschrijver al dan niet uit te sluiten. De Gemeente kon zich, mede gelet op de - onvoldoende weersproken - toelichting van RMC, in redelijkheid op het standpunt stellen dat bij de uitvoering van de door Drechtsteden verstrekte opdracht geen sprake is geweest van ‘aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen’ of van de in deze bepaling bedoelde sancties.\n\nUitsluiting wegens de nieuwe ontwikkelingen; belangenverstrengeling6.29. Zoals hiervoor onder 6.13 is overwogen, is in dit kort geding niet (voldoende) aannemelijk geworden dat ter zake van de aandelentransactie tussen RET en RTC sprake is geweest van ongeoorloofde staatssteun die van invloed is geweest op (de prijsbepaling in) de onderhavige aanbestedingsprocedure. Daarmee kan niet worden geoordeeld dat (de Gemeente in redelijkheid tot het besluit had moeten komen dat) RMC wegens een daaruit voortvloeiend belangenconflict (art. 2.87 lid 1 sub e jo. 1.10b Aw 2012) van de aanbesteding had moeten worden uitgesloten of de vorderingen anderszins wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel toewijsbaar zouden zijn.\n\nConclusie en proceskosten6.30. De conclusie is dat het hoger beroep van TWZ, TV en RMC niet slaagt. Daarom zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen. Het hof zal TWZ, TV en RMC als de in het ongelijk gestelde partij telkens veroordelen in de proceskosten van geïntimeerden in het desbetreffende hoger beroep.6.31. Het hof begroot de kosten aan de zijde van de geïntimeerden in de drie zaken telkens als volgt.\n\n griffierecht € 827,-\n\n salaris advocaat € 2.580,-(2 punten x tarief II)\n\n totaal € 3.407,-.\n\nIn alle gevallen met nakosten en vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten.7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.266\u002F01\n\n- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2025;\n\n- veroordeelt TWZ in de kosten van de Gemeente, RMC en TV in hoger beroep, tot aan deze uitspraak telkens begroot op € 3.407,-, alsmede € 189,- aan nasalaris, te verhogen met € 98,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten en nasalaris vanaf veertien dagen na vandaag, respectievelijk, wat het bedrag van € 98,- betreft, na de datum van betekening;\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.440\u002F01\n\n- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2025;\n\n- veroordeelt TV in de kosten van de Gemeente, TWZ en RMC in hoger beroep, tot aan deze uitspraak telkens begroot op € 3.407,-, alsmede € 189,- aan nasalaris, te verhogen met € 98,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten en nasalaris vanaf veertien dagen na vandaag, respectievelijk, wat het bedrag van € 98,- betreft, na de datum van betekening;\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.896\u002F01\n\n- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2025;\n\n- veroordeelt RMC in de kosten van de Gemeente, TWZ en TV in hoger beroep, tot aan deze uitspraak telkens begroot op € 3.407,-, alsmede € 189,- aan nasalaris, te verhogen met € 98,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten en nasalaris vanaf veertien dagen na vandaag, respectievelijk, wat het bedrag van € 98,- betreft, na de datum van betekening;\n\nin alle zaken:\n\n- verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n- wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. B.J. Lenselink, P. Glazener en A.G.J. Van Wassenaer van Catwijck en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2174","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:28.885Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":51,"updatedAt":60},"791","ECLI:NL:RBDHA:2026:18684","ecli-nl-rbdha-2026-18684","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F703521 \u002F KG ZA 26-406\n\nVonnis in kort geding van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nDELL B.V.te Amsterdam,\n\neiseres,\n\nadvocaten mr. S.P. Beenders en mr. T. Raats te Den Haag,\n\ntegen:\n\nde rechtspersoon met wettelijke taak POLITIEte Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nadvocaten mr. I.J. van den Berge en mr. M.A. Visser te Zwolle.\n\nPartijen worden hierna ‘Dell’ en ‘de Politie’ genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 21 april 2026, met producties 1 tot en met 7;\n\n- de akte intrekking en overlegging producties van Dell, waarbij Dell productie 1 heeft ingetrokken en aanvullende productie 8 heeft overgelegd;\n\n- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 9 juni 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, Dell mede aan de hand van een overgelegde pleitnota. Vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.1.. De Politie heeft een (niet openbare) Europese aanbesteding georganiseerd voor de levering van werkplekapparatuur en gerelateerde diensten. Op de aanbestedingsprocedure is de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (hierna: ADV) van toepassing.\n\n2.2.. De aanbestedingsprocedure en de eisen van de opdracht zijn omschreven in de selectieleidraad (hierna: de selectieleidraad) met bijbehorende bijlagen, waaronder een voorbeeldprijzenblad. Verder heeft de Politie twee nota’s van inlichtingen (hierna: NvI’s) gepubliceerd.2.3.. De opdracht betreft de levering van standaard IT-hardware, waaronder beeldschermen, laptops, desktopcomputers en randapparatuur. De verwachte omvang van de opdracht ligt tussen de dertig en veertig miljoen euro per jaar (exclusief btw). De gunning van de raamovereenkomst vindt plaats op basis van de laagste inschrijfprijs.\n\n2.4.. De opdracht is nader omschreven in paragraaf 1.2 van de selectieleidraad. Over de scope van de opdracht is daarin het volgende vermeld:\n\n“De Opdracht omvat “Levering werkplekapparatuur en gerelateerde diensten”.\n\nDe volgende Produktgroepen zijn in scope:\n\n Vaste werkstations:\n\no Fatclients;\n\no Thinclients;\n\n Mobiele werkstations;\n\no Laptops;\n\n Beeldschermen;\n\no Monitoren (met dockingfunctionaliteit);\n\n Specials:\n\no Foto- \u002Fvideoapparatur (analoog en digitaal incl. toebehoren) die wel is aangesloten aan een werkplek;\n\no Speciale monitoren;\n\no Pasjesprinter, vingerprintscanner en een documentscanner;\n\no Overige werkplekapparatuur, randapparatuur en Accesoires;\n\no Presenters voor bediening vergaderruimtes;\n\no Vergadermicrofoons;\n\no Dockingstations.\n\n Voor alle productgroepen:\n\no Het fungeren als contactpersoon voor de Politie. De Gegadigde hanteert een Nederlandstalige klantenservice waar de Politie meldingen kan doen over onder andere offertes, bestellingen, leveringen, een gebrek, garantie, klachten en overige aspecten. Waarbij Gegadigde borg staat voor een goede support en service, ook als dit wordt uitgevoerd door de Producent;\n\no Beveiligde opslag (VRKI-risicoklasse 3) in magazijn;\n\no Reinigen printkoppen van pasjesprinters;\n\no Projectmatige ondersteuning op urenbasis;\n\no Vernietiging van datadragers.\n\n (…)”\n\n2.5.. \n\nDe Politie is voornemens de raamovereenkomst te gunnen aan één opdrachtnemer\n\n– ook wel een resellergenoemd - en daarnaast een wachtkamerovereenkomst te sluiten met een andere opdrachtnemer. De te sluiten raamovereenkomst heeft volgens de selectieleidraad een looptijd van initieel vier jaar en vier aanvullende opties tot verlenging van één jaar. Daarnaast verlangt de Politie van de opdrachtnemer dat deze tijdens de looptijd van de overeenkomst nadere uitvragen in concurrentie uitvoert (paragraaf 1.2 selectieleidraad):\n\n“Nadere uitvragen in concurrentie\n\nVoor de productgroep Beeldschermen zal naar verwachting maximaal elke drie (3) jaren een uitvraag in concurrentie door de Opdrachtnemer moeten worden uitgevoerd. Voor de productgroepen werkstations (mobiel en vast) zal naar verwachting maximaal elke twee (2) jaren een uitvraag in concurrentie door de Opdrachtnemer moeten worden uitgevoerd.\n\nVoor de productgroep specials wordt een eenmalig NOK [nadere overeenkomst, vzr.] afgesloten met een looptijd die gelijk is aan de looptijd van de Raamovereenkomst.\n\nVia deze uitvragen in concurrentie krijgen alle door de Politie akkoord bevonden Producenten of distributeurs periodiek de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor de leveringen van de betreffende productgroepen. Ten aanzien van de Producent of distributeur met het laagste bid (per productgroep) wordt met de Opdrachtnemer een NOK afgesloten.\n\nOm de transparantie van de uitvragen te waarborgen moet de uitvraag aan de Producent of distributeurs in cc aan de Politie worden verstuurd. De Producent of distributeurs moeten hun bid\u002Fvoorstel aan de Opdrachtnemer eveneens met de Politie in de cc versturen.\n\nDe ARBIT is van toepassing op de Raamovereenkomst. Vragen over de van toepassing zijnde Voorwaarden kunnen pas worden gesteld in de inschrijvingsfase, waarin ook de conceptovereenkomst ter beschikking wordt gesteld.”\n\n2.6.. Paragraaf 1.3 selectieleidraad schrijft voor dat de inschrijvers moeten inschrijven met meerdere IT hardware merken (producenten), die door de Politie als onderaannemers worden beschouwd. Voor de productgroepen ‘vaste werkstations’, ‘mobiele werkstations’ en ‘beeldschermen’ moet de inschrijver met minimaal drie producenten inschrijven. Inschrijvers kunnen inschrijven met producenten die door de Politie zijn goedgekeurd op grond van door de Politie geformuleerde (en in de selectieleidraad neergelegde) criteria. Als een inschrijver bij zijn verzoek tot deelname andere dan de reeds door de Politie beoordeelde producenten opgeeft, moet de inschrijver aantonen dat deze aan de door de Politie criteria voldoen. De Politie toetst vervolgens of deze producenten aan de geformuleerde criteria voldoen.\n\n2.7.. Voor de productgroep ‘specials’ geldt een primair offerterecht voor de opdrachtnemer van de raamovereenkomst, dat in paragraaf 1.3 selectieleidraad als volgt is omschreven:\n\n“Voor de Productgroep specials geldt voor de producten een primair offerterecht voor de Opdrachtnemer van de Raamovereenkomst. Als de Politie bijzondere hardware en\u002Fof accessoires nodig heeft zal zij hiervoor een inkoop offerte aanvragen bij de Opdrachtnemer van de Raamovereenkomst. De Politie heeft daarentegen bij twijfel over de aangeboden offerte het recht om ook zelf een offerte uit te vragen (secundair offerte recht). Indien de offerte (die door de Politie is uitgevraagd) naar de mening van de Politie beter (bij een vergelijkbare kwaliteit een lagere prijs) is kan de Politie besluiten dat de Opdrachtnemer de door de Politie zelf uitgevraagde offerte moet overnemen. De overeengekomen opslagen (de vergoeding voor de geleverde diensten van de Opdrachtnemer) blijven van kracht en kunnen (naast de offerte met de inkoopprijzen) worden doorbelast aan de Politie.”\n\n2.8.. Paragraaf 1.4 selectieleidraad bevat verder de volgende toelichting over de te sluiten raamovereenkomst:\n\n“Op basis van deze aanbesteding wil de Politie met één (1) Inschrijver een Raamovereenkomst afsluiten. Met de Inschrijver die op de 2e plaats is geëindigd zal een wachtkamerovereenkomst worden afgesloten. De Politie werkt in deze aanbesteding dus niet met meerdere percelen. Dit vanwege het feit dat deze aanbesteding onder de ADV valt, maar ook omdat de Politie met één samenhangend hardware beleid wenst te werken.\n\nDe Politie ziet op dit moment het voorbeeld prijzenblad en de werking van de Raamovereenkomst als volgt voor zich, maar behoudt zich het recht voor om hier in de inschrijvingsfase nog wijzigingen aan te brengen. Vandaar ook dat het prijzenblad de status\n\nheeft van voorbeeld.\n\nIn de inschrijvingsfase dienen Inschrijvers in het prijzenblad de inkoopprijzen per Producent te vermelden. Deze inkoopprijzen dienen te corresponderen met het bij te voegen bid van de betreffende Producent. Op deze wijze bieden we transparantie en zekerheid aan de betreffende Producenten: Producent met het scherpste bid komt in aanmerking voor levering.\n\nDeze verplichting (bijvoegen bids Producenten) geldt ook voor de latere door de Opdrachtnemer van de Raamovereenkomst uit te voeren Nadere uitvragen.\n\nNaar het zich nu laat aanzien zal in het prijzenblad in ieder geval de restwaarde van de inkoopprijs (dat wil zeggen: dat de Inschrijver een restwaarde kan opgeven voor de hardware welke na afloop van het gebruik door Politie door de Politie aan de Opdrachtnemer wordt teruggegeven. Deze restwaarde wordt verrekend met de door Inschrijver op te geven kosten.) moeten worden vermeld, evenals de kosten van de dienstverlening per product (dat wil zeggen: de kosten voor de door de Opdrachtnemer uit te voeren werkzaamheden per product, zoals nader wordt gespecificeerd in het PvE) en de prijsdevaluatie (dat wil zeggen: de mogelijkheid voor Opdrachtnemers om de inkoopprijs voor relatief nieuw geïntroduceerde hardware na een bepaalde periode te verlagen).\n\nDe Gunning vindt plaats op laagste prijs. Dat wil zeggen aan de Inschrijver met de laagste totale inschrijfprijs. Vervolgens wordt per Productgroep (uitgezonderd PG specials) bepaald welke Producent de laagste prijs heeft. Voor deze Producent met de laagste prijs wordt de eerste, NOK afgesloten met de Opdrachtnemer.\n\nVoor afloop van deze NOK dient de Opdrachtnemer een nadere uitvraag uit te voeren. De Politie bepaalt wanneer deze nadere uitvraag moet worden uitgevoerd. Dit betekent dat de Opdrachtnemer bij alle betreffende Producenten een nieuwe prijsuitvraag uitzet, waarbij de Politie in de cc wordt meegenomen (zowel voor de prijsuitvraag alsook de bids van de Producenten). Op basis van de bids van de Producenten wordt op basis van laagste prijs per productgroep bepaald voor welke Producent een nieuwe NOK per Produktgroep wordt afgesloten.\n\nVoor de productgroep Specials wordt een NOK afgesloten, zonder dat hierbij nadere afspraken over bijvoorbeeld Producenten worden vastgelegd.”\n\n2.9.. De aanbestedingsprocedure is verdeeld in de selectiefase en de inschrijvingsfase. Op dit moment bevindt de aanbesteding zich in de selectiefase. In paragraaf 5.5 van de selectieleidraad is vermeld dat bij de inschrijvingsfase onder andere de volgende aanbestedingsstukken beschikbaar worden gesteld:\n\n Inschrijvingsleidraad;\n\n Definitief prijzenblad;\n\n Overeenkomst;\n\n Verwerkersovereenkomst;\n\n Toepasselijke Rijksvoorwaarden, te weten de Arbit; en\n\n Programma van eisen.\n\n2.10.. Op 26 maart 2026 heeft Dell een klacht ingediend bij het Klachtenmeldpunt Inkoop van de Politie (hierna: het klachtenmeldpunt). Deze klacht komt er – samengevat – op neer dat verschillende elementen van de aanbesteding in strijd zijn met de ADV en de aanbestedingsrechtelijke beginselen. Daarnaast heeft Dell verzocht om de uiterste termijn voor het aanhangig maken van een kort geding en de uiterste termijn voor het indienen van een verzoek tot deelname te verlengen.\n\n2.11.. Op 2 april 2026 heeft de Politie de uiterste inschrijftermijn voor de aanbesteding verplaatst naar 22 april 2026.\n\n2.12.. Bij brief van 14 april 2026 heeft het klachtenmeldpunt aan Dell bericht dat het klachtenbehandelteam de klacht ontvankelijk heeft verklaard en tot het oordeel is gekomen dat de klachten van Dell ongegrond zijn, waarbij het klachtbehandelteam wel enkele adviezen en aanbevelingen aan het inkoopteam meegeeft ten behoeve van de inschrijvingsfase. Verder bericht het klachtenmeldpunt dat zij zich aansluit bij de bevindingen van het klachtenbehandelteam en dat zij de klacht van Dell daarom ongegrond verklaart.\n\n2.13.. Op 21 april 2026 heeft Dell de Politie in kort geding gedagvaard.\n\n2.14.. Op 22 april 2026 zijn de verzoeken tot deelname ingediend. De Politie beoogt om na het vonnis in kort geding de gegadigden te berichten of zij al dan niet zijn geselecteerd en de inschrijvingsleidraad aan de geselecteerde gegadigden te verzenden.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Dell vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair\n\nI. de Politie gebiedt uiterlijk 48 uur na dagtekening van het vonnis de aanbesteding te staken en gestaakt te houden en dit aan geïnteresseerde partijen te communiceren;\n\nII. de Politie gebiedt dat, als zij de opdracht nog steeds wenst te gunnen, dit uitsluitend te doen door middel van een nieuwe aanbestedingsprocedure en met inachtneming van het vonnis;\n\nsubsidiair\n\nIII. een zodanige andere voorziening treft als de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht en die recht doet aan de belangen van Dell;\n\nmet veroordeling van Dell in de kosten van de procedure.\n\n3.2.. Dell stelt dat verschillende elementen van de aanbesteding in strijd zijn met de ADV en de aanbestedingsrechtelijke beginselen. Het standpunt van Dell komt er in de kern op neer dat:\n\ni) niet alle voorwaarden voor de gunning van nadere overeenkomsten zullen zijn bepaald in de raamovereenkomst;\n\nii) de inrichting van de aanbesteding de mededinging beperkt;\n\niii) de looptijd van de aanbesteding disproportioneel lang is en de mededinging verder beperkt;\n\niv) de Politie ten onrechte op laagste prijs gunt, zonder gedegen te motiveren waarom kwaliteit niet van belang zou zijn; en\n\nv) de restwaarde voor de hardware niet op voorhand is in te vullen.\n\n3.3.. De Politie voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n4. De beoordeling van het geschil\n\nBelang van Dell als onderaannemer\n\n4.1.. De Politie voert als meest verstrekkende verweer aan dat Dell als potentiële onderaannemer\u002FProducent geen belang heeft om de opzet en de modaliteiten van de aanbesteding ter discussie te stellen. Dat verweer slaagt niet. Dell stelt zich – onder meer – op het standpunt dat de opzet van de aanbesteding in strijd is met de wet en dat zij daardoor in haar positie wordt geschaad. Volgens Dell is het gevolg van die buitenwettelijke opzet dat nadere opdrachten feitelijk aan de mededinging worden onttrokken, dat Dell niet vrij en open kan concurreren om de nadere opdrachten en dat zij de aanbestedingsrechtelijke waarborgen en bijbehorende rechtsbescherming mist. Daarmee heeft Dell als potentiële onderaannemer voldoende belang om bezwaar te maken tegen de opzet van de aanbesteding. Dat Dell door de Politie is goedgekeurd als potentiële onderaannemer en door alle inschrijvers is genoemd als één van de in te schakelen onderaannemers, doet aan dat belang niet voldoende af.\n\nBelang van Dell bij specifieke bezwaren\n\n4.2.. De Politie stelt verder dat Dell geen belang heeft bij de behandeling van de bezwaren (ii) tot en met (v) en dat bezwaar (v) bovendien prematuur is. De voorzieningenrechter zal dit verweer van de Politie, voor zover nodig, bij de afzonderlijke bezwaren bespreken.\n\nBezwaar (i) – niet alle voorwaarden zullen bepaald zijn in de raamovereenkomst\n\n4.3.. Het eerste bezwaar van Dell komt erop neer dat de aanbesteding niet aan de eisen van artikel 2.131 ADV (en het daaraan ten grondslag liggende transparantiebeginsel) voldoet, omdat niet alle (essentiële) voorwaarden voor de gunning van nadere overeenkomsten in de raamovereenkomst zullen zijn bepaald. Volgens Dell staan zowel de prijzen als de producteisen en technische specificaties niet vast bij aanvang van de raamovereenkomst. De Politie is het daar niet mee eens. Volgens de Politie legt Dell artikel 2.131 ADV te beperkt uit en zijn de voorwaarden die in de raamovereenkomst worden opgenomen wel degelijk in lijn met de eisen die dit artikel stelt.\n\n4.4.. De voorzieningenrechter moet dus beoordelen of de beoogde raamovereenkomst voldoet aan de eisen van artikel 2.131 ADV. Om die vraag te kunnen beantwoorden, is van belang hoe de raamovereenkomst eruit zal komen te zien. In deze fase van de aanbesteding is echter nog geen raamovereenkomst voorhanden. De voorzieningenrechter zal daarom uitgaan van de informatie over de (nog op te stellen) raamovereenkomst zoals volgt uit de selectieleidraad, de door partijen aangehaalde vragen en antwoorden in de NvI’s en de stellingen die de Politie daarover in haar conclusie van antwoord en op de zitting heeft ingenomen. Op basis van die informatie, rijst het volgende beeld.\n\nDe Politie wenst een raamovereenkomst te sluiten met één opdrachtnemer (de reseller) voor een periode van vier jaar, die in totaal drie keer met één jaar kan worden verlengd. In de raamovereenkomst worden verschillende voorwaarden vastgelegd, waaronder de prijs voor dienstverlening van de reseller, de restwaarde van de producten en de devaluatiepercentages. Ook zullen daarin technische specificaties voor de hardware worden vastgelegd. Deze technische specificaties kunnen tijdens de looptijd van de raamovereenkomst door de Politie worden gewijzigd op grond van een (transparant aangekondigde) wijzigingsclausule.\n\nDe raamovereenkomst wordt gegund aan de reseller met de laagste totale inschrijfprijs.\n\nVoor de productgroepen ‘vaste werkstations’, ‘mobiele werkstations’ en ‘beeldschermen’ moet de inschrijver met minimaal drie producenten inschrijven. Dat geldt niet voor de productgroep ‘specials’.\n\nZodra de winnende reseller is geselecteerd, wordt voor de productgroepen ‘vaste werkstations’, ‘mobiele werkstations’ en ‘beeldschermen’ afzonderlijk bepaald welke van de drie producenten de laagste inkoopprijs heeft geboden. De Politie sluit voor ieder van deze productgroepen een eerstenadere overeenkomst met de reseller voor de producten van de producent met de laagste inschrijfprijs. Naar verwachting gelden dezeeerstenadere overeenkomsten voor een periode van twee á drie jaar. Voordat deze nadere overeenkomsten aflopen, moet de reseller per productgroep een nadere uitvraag uitvoeren. De Politie bepaalt wanneer deze uitvraag moet plaatsvinden. De reseller zet vervolgens bij alle – door hem als onderaannemer betrokken – producenten een nieuwe prijsuitvraag uit. Daarbij zet de reseller de Politie in de CC. Bij het uitbrengen van het bod aan de reseller zetten de producenten de Politie in de CC. Vervolgens sluit de Politie per productgroep een nieuwe nadere overeenkomst met de reseller voor de producten van de producent met de laagste inkoopprijs. Daarbij blijven de oorspronkelijke door de reseller aangeboden prijs voor dienstverlening, de restwaarde en de devaluatiepercentages gelden.\n\nVoor de productgroep ‘specials’ wordt slechts één nadere overeenkomst gesloten met de reseller, zonder dat daarbij nadere afspraken over bijvoorbeeld producenten worden vastgelegd. De reseller heeft voor de producten in deze productgroep een primair offerterecht. Per nadere uitvraag wordt gekeken wat de Politie op dat moment aan specials nodig heeft. De reseller kijkt op dat moment welke producent het – in zijn optiek – best passende product kan leveren. Voor de producten in deze productgroep zal de Politie een inkoopofferte aanvragen bij de reseller. Als de Politie twijfel heeft over de aangeboden offerte van de reseller, heeft de Politie het recht om ook zelf een offerte uit te vragen bij dezelfde producent (een secundair offerterecht). Als de Politie vindt dat de door haar uitgevraagde offerte beter is (een lagere prijs bij een vergelijkbare kwaliteit), kan de Politie besluiten dat de reseller de door de Politie uitgevraagde offerte moet overnemen. De afgesproken opslagen (de vergoeding voor de geleverde diensten van de reseller) blijven van kracht en kunnen (naast de offerte met de inkoopprijzen) worden doorbelast aan de Politie. Verder wordt in de raamovereenkomst opgenomen dat de reseller de specials tegen de laagst beschikbare prijs zal aanbieden.\n\n4.5.. De voorzieningenrechter stelt vast dat de inkoopprijzen voor de productgroepen ‘vaste werkstations’, ‘mobiele werkstations’ en ‘beeldschermen’ niet vastliggen bij aanvang van de looptijd van de raamovereenkomst. De inkoopprijzen die de winnende reseller voor deze productgroepen in het prijzenblad heeft ingevuld, gelden slechts voor de eerstenadere overeenkomsten. Voor de daaropvolgende nadere overeenkomsten zal de winnende reseller immers een nieuwe uitvraag uitzetten. Daarnaast heeft de Politie de bevoegdheid om de technische specificaties van de hardware tijdens de looptijd van de raamovereenkomst te wijzigen met een beroep op een (nog vorm te geven) wijzigingsclausule. Hoewel de Politie stelt dat die bevoegdheid zal worden ingekaderd, heeft zij tegelijkertijd verklaard dat zij er niet aan zal ontkomen om de technische specificaties te wijzigen. De ervaring van de Politie leert namelijk dat producenten om de één tot twee jaar modellen vervangen en\u002Fof updaten, waardoor oude modellen (met bijbehorende specificaties) niet langer te bestellen zijn. De voorzieningenrechter acht het op basis van die verklaring zeer waarschijnlijk dat de Politie – op zich begrijpelijk - tijdens de looptijd van de raamovereenkomst gebruik zal maken van de wijzigingsbevoegdheid – en dus dat de technische specificaties – niet vastliggen – ook niet globaal - gedurende de looptijd van de raamovereenkomst.\n\n4.6.. De vervolgvraag is of de raamovereenkomst voldoet aan de voorwaarden die artikel 2.131 ADV daaraan stelt. Dit artikel geeft voorschriften voor de plaatsing van opdrachten bij een raamovereenkomst met één ondernemer, en luidt als volgt:\n\n1. Indien een raamovereenkomst is gesloten met een enkele ondernemer worden de op die raamovereenkomst gebaseerde opdrachten gegund volgens de in de raamovereenkomst gestelde voorwaarden.\n\n2. Opdrachten op basis van raamovereenkomsten met een enkele ondernemer kunnen worden gegund door die ondernemer schriftelijk te raadplegen en hem indien nodig te verzoeken zijn inschrijvingen aan te vullen.\n\n4.7.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, anders dan de Politie betoogt, artikel 2.131 ADV de Politie niet de ruimte geeft om de inkoopprijzen en de technische specificaties na het aangaan van de raamovereenkomst nader in te vullen c.q. te wijzigen.\n\n4.8.. Een belangrijk aanknopingspunt voor dat oordeel vormt artikel 2.129 ADV, waarin staat dat partijen bij de plaatsingen van opdrachten die op een raamovereenkomst zijn gebaseerd, geen substantiële wijzigingen mogen aanbrengen in de raamovereenkomst gestelde voorwaarden. Verder is de uitleg van de voorzieningenrechter van artikel 2.131 ADV in lijn met de uitleg die de Commissie van Aanbestedingsexperts (hierna: de CvAE) geeft aan het – vrijwel gelijkluidende – artikel 2.142 van de Aanbestedingswet 2012 (hierna: Aw). De CvAE heeft meerdere adviezen uitgebracht waarin zij overweegt dat een aanbesteder in strijd handelt met artikel 2.142 Aw als de voorwaarden waaronder de nadere opdrachten onder de raamovereenkomst zullen worden gegund onvoldoende in de raamovereenkomst zijn bepaald. Daarvan is volgens de CvAE sprake als een raamovereenkomst te ruim is geformuleerd en te veel ruimte laat voor nadere invulling bij het gunnen van de nadere opdrachten.Volgens de CvAE biedt artikel 2.142 lid 2 Aw de aanbesteder weliswaar ruimte om de ondernemer schriftelijk te raadplegen en hem indien nodig te verzoeken zijn inschrijvingen aan te vullen, maar een dergelijk verzoek mag er niet toe leiden dat de essentiële elementen voor de te plaatsen overheidsopdrachten, zoals producteisen en prijzen, pas na het aangaan van de raamovereenkomst worden ingevuld.Bij deze uitleg betrekt de CvAE ook de omstandigheid dat bij raamovereenkomsten met één ondernemer alleen bij de aanbesteding van de raamovereenkomst mededinging plaatsvindt, en niet bij het gunnen van nadere opdrachten.\n\n4.9.. De Politie heeft nog gewezen op paragraaf 2.2 van de Explanatory Notevan de Europese Commissie (hierna: de Commissie) over raamovereenkomsten, waaruit volgens haar blijkt dat het mogelijk is om een raamovereenkomst te sluiten met één ondernemer zonder dat die overeenkomst alle voorwaarden – waaronder prijzen – bevat en waarin minimale technische specificaties (voor computers) kunnen worden gegeven, zodat bij elke nadere overeenkomst de laatste modellen kunnen worden aangeboden. Dell heeft er echter op gewezen dat paragraaf 2.2 van dezeExplanatory Notezowel betrekking heeft op raamovereenkomsten met één ondernemer als op raamovereenkomsten met meerdere ondernemers. Daarmee is dus niet zonder meer gezegd dat de betreffende opmerkingen van de Commissie over prijzen en technische specificaties (ook) betrekking hebben op raamovereenkomsten met één ondernemer. De tekst van voetnoten 18 en 19 bij die paragraaf biedt juist een aanwijzing voor het tegendeel. In die voetnoten legt de Commissie een verband tussen het op een later moment bepalen van de prijs en de productspecificaties en het heropenen van de concurrentie (‘reopening competition’) en dat lijkt eerder te duiden op een raamovereenkomst met meerdere ondernemers. De tekst van deExplanatory Notebiedt dus onvoldoende houvast voor het standpunt van de Politie.\n\n4.10.. Het is de Politie dus niet toegestaan om inkoopprijzen en de technische specificaties pas op een later moment in te vullen c.q. te wijzigen in de nadere overeenkomsten. Door dat wel te doen, handelt de Politie in strijd met artikel 2.131 ADV, nu de voorwaarden waaronder de nadere overeenkomsten zullen worden gesloten, onvoldoende zijn gespecificeerd. Hoewel de voorzieningenrechter zich goed kan voorstellen dat de Politie vanwege de marktkenmerken is gebaat bij flexibiliteit, neemt dat niet weg dat zij zich moet houden aan de voorschriften die de ADV stelt. Bovendien heeft de door de Politie gekozen opzet, waarbij niet de Politie, maar de reseller zelf (die anders dan de Politie niet aan de aanbestedingsrechtelijke beginselen gehouden is) na het einde van de eerstenadere overeenkomsten een nieuwe uitvraag doet bij de door haar betrokken onderaannemers, bovendien tot gevolg dat een deel van de markt bij voorbaat wordt uitgesloten om mee te dingen onder de nieuwe voorwaarden.\n\n4.11.. \n\nDat betekent dat de aanbesteding in de huidige vorm niet kan worden voortgezet en er een heraanbesteding moet plaatsvinden als de Politie de opdracht nog wenst te gunnen.\n\nDe vorderingen van Dell tot staking van de aanbesteding en tot heraanbesteding van de opdracht (als de Politie de opdracht nog wenst te gunnen) zullen daarom worden toegewezen.\n\n4.12.. Nu de vorderingen van Dell reeds om deze reden toewijsbaar zijn, behoeven de overige bezwaren van Dell geen bespreking meer. De Politie heeft de voorzieningenrechter echter verzocht om toch een inhoudelijk oordeel te geven over de overige bezwaren van Dell, zodat wordt voorkomen dat deze bezwaren in de inschrijvingsfase opnieuw naar voren worden gebracht. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om, kort en voor zover dat op dit moment opportuun is, een inhoudelijk oordeel te geven over de overige bezwaren van Dell.\n\nBezwaar (ii) – de inrichting van de aanbesteding beperkt de mededinging\n\n4.13.. Het tweede bezwaar van Dell komt erop neer dat de inrichting van de aanbesteding door de Politie de mededinging beperkt. Zoals bij de bespreking van bezwaar (i) is vermeld, voldoet de aanbesteding niet aan de eisen van de ADV en kan de aanbesteding in deze vorm reeds daarom niet in stand blijven. Het tweede bezwaar, dat ook betrekking heeft op de opzet van de aanbesteding en hiervoor al kort is beoordeeld, behoeft geen nadere beoordeling meer.\n\nBezwaar (iii) – de looptijd van de aanbesteding is disproportioneel lang en beperkt de mededinging verder\n\n4.14.. De selectieleidraad vermeldt dat de Politie een raamovereenkomst wenst te sluiten met een looptijd van initieel vier jaar en vier aanvullende opties tot verlenging van één jaar. In haar dagvaarding heeft Dell zich op het standpunt gesteld dat dit strijd oplevert met artikel 2.129 lid 3 ADV, dat bepaalt dat de looptijd van een raamovereenkomst niet langer is dan zeven jaar, uitzonderingen daargelaten. Naar aanleiding van dat bezwaar heeft de Politie toegezegd dat de raamovereenkomst een looptijd van initieel vier jaar en drie aanvullende verlengingsopties van één jaar zal hebben, zodat sprake is van een maximale duur van zeven jaar. Naar aanleiding van die toezegging heeft Dell tijdens de zitting verklaard dat zij dit bezwaar niet langer handhaaft. Dat betekent dat dit bezwaar geen bespreking meer behoeft.\n\nBezwaar (iv) – de Politie gunt onterecht op laagste prijs, zonder gedegen te motiveren waarom kwaliteit niet van belang zou zijn\n\n4.15.. Verder maakt Dell bezwaar tegen het door de Politie gehanteerde gunningscriterium ‘laagste prijs’. Hoewel zij onderkent dat de Politie dit gunningscriterium op grond van artikel 2.105 onder b ADV mag hanteren, is zij van mening dat de Politie die keuze moet motiveren en dat de Politie dat heeft nagelaten. De Politie heeft er terecht op gewezen dat de ADV – anders dan de Aw – geen verplichting voor de aanbestedende dienst bevat om de keuze voor het gunningscriterium laagste prijs te motiveren. Zelfs als dit anders zou zijn, heeft de Politie die keuze naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd. In haar conclusie van antwoord heeft de Politie de bezwaren van Dell op dit punt geadresseerd en toegelicht waarom zij meent dat deze bezwaren moeten worden verworpen. Dell heeft vervolgens niet nader onderbouwd waarom de Politie haar keuze desondanks onvoldoende heeft gemotiveerd. De voorzieningenrechter gaat daarom voorbij aan dit bezwaar van Dell.\n\nBezwaar (v)–De restwaarde is op voorhand niet in te vullen\n\n4.16.. Tot slot stelt Dell dat het niet mogelijk is om per producttype één restwaarde in te vullen, omdat de restwaarde per merk en per concreet product verschilt en afhangt van de staat van het product bij inname. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Dell onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welk belang zij als potentiële onderaannemer heeft bij het adresseren van dit bezwaar. Zoals de Politie terecht heeft opgemerkt, is de reseller die een prijs voor dit onderdeel zal moeten invullen, en niet Dell als potentiële onderaannemer. Hoe Dell als gevolg van deze eis in haar positie wordt geraakt valt zonder nadere onderbouwing, die zij niet heeft gegeven, niet in te zien. Dell kan daarom niet worden ontvangen in dat bezwaar. Op voorhand acht de voorzieningenrechter het niet onmogelijk dat een reseller tot een gemiddelde restwaarde zou kunnen komen.\n\nSlotsom en proceskosten\n\n4.17.. Slotsom is dat de aanbesteding niet kan worden voortgezet en dat de Politie, als zij de opdracht alsnog wenst te gunnen, deze opnieuw zal moeten aanbesteden. De vorderingen van Dell zullen daarom worden toegewezen.\n\n4.18.. De Politie is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Dell worden begroot op:\n\n- dagvaarding € 128,65\n\n- griffierecht € 735\n\n- salaris advocaat € 1.177\n\n- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de\n\nbeslissing)\n\nTotaal € 2.229,65\n\n4.19.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1.. gebiedt de Politie uiterlijk 48 uur na dagtekening van het vonnis de aanbesteding te staken en gestaakt te houden en dit aan geïnteresseerde partijen te communiceren;\n\n5.2.. gebiedt de Politie om, als zij de opdracht nog steeds wenst te gunnen, dit uitsluitend te doen door middel van een nieuwe aanbestedingsprocedure en met inachtneming van het vonnis;\n\n5.3.. veroordeelt de Politie in de proceskosten van € 2.229,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Politie niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de Politie € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\nfjs\n\n CvAE 20 april 2026, advies 790, rn. 5.6.1, waarin zij verwijst naar: CvAE 17 februari 2022, advies 659, rn. 4.8.6; CvAE 20 november 2023, advies 699, rn. 5.15 en CvAE 29 september 2019, advies 545, rn. 5.10.\n\n CvAE 20 april 2026, advies 790, rn. 5.6.5; CvAE 20 november 2023, advies 699, rn. 5.15.\n\nCvAE 20 april 2026, advies 790, rn. 5.6.5.\n\n Explanatory Note – Framework Agreements – Classic Directive, Ref. Ares(2016)810203 – 16\u002F02\u002F2016.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18684","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:48.175Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":51,"updatedAt":70},"1994","ECLI:NL:RBNHO:2026:7508","ecli-nl-rbnho-2026-7508",67,"2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F377934 \u002F KG ZA 26-256\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. R.L.G.J. Eikelboom,\n\ntegen\n\nGEMEENTE ZAANSTAD,\n\nte Zaanstad,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaat: mr. M.W. Langhout.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 3\n\n- de producties 1 tot en met 3 van de gemeente - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van [eiser] - de pleitnota van de gemeente.\n\n1.2.. Voor de mondelinge behandeling op 11 juni 2026 zijn verschenen namens [eiser] de heer [betrokkene 1], echtgenoot van [eiser] en schriftelijk gemachtigd om haar ter zitting te vertegenwoordigen, bijgestaan door mr. Eikelboom voornoemd en namens de gemeente mevrouw [betrokkene 2] (contractmanager), de heer [betrokkene 3] (jurist) en de heer [betrokkene 4] (projectleider), bijgestaan door mr. Langhout voornoemd.\n\n1.3.. Tenslotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De gemeente Zaanstad heeft in december 2025 de Europese openbare aanbesteding Specialistische Jeugdhulp Segment C en V 2027 Zaanstreek-Waterland gepubliceerd. Zij treedt hierin samen op met de gemeenten Purmerend, Edam-Volendam, Wormerland, Landsmeer en Oostzaan.\n\n2.2.. \n\nDe Offerteleidraad (hierna: de leidraad) houdt onder meer het volgende in:\n\n(…)4.2. \n\nContactpersonen en -gegevens\n\n(…)\n\nIndien er naar aanleiding van deze aanbestedingsleidraad nog vragen zijn, dient de gegadigde deze via TenderNed te stellen. (…)Deze vragen dienen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk voor het op TenderNed gepubliceerde tijdstip, te zijn ingediend. Vragen die na dit tijdstip binnenkomen, worden in beginsel niet beantwoord. De gemeente behoudt zich het recht voor vragen die na dit tijdstip binnenkomen wel te beantwoorden als dat vanwege de aard van de vraag wenselijk is.\n\nBeantwoording van de vragen vindt plaats middels een nota van inlichtingen via TenderNed aan alle gegadigden. De vragen en de daarop gegeven antwoorden moeten worden beschouwd als integraal onderdeel van de aanbestedingsdocumenten en worden volgens planning gepubliceerd op TenderNed.\n\n(…)\n\n5. Beschrijving opdracht5.1. \n\nUitgangspunten, doelstellingen en voorzieningen\n\n(…)\n\nDe opdracht heeft betrekking op de gezamenlijke inkoop van specialistische jeugdhulp voor de periode 2027-2034. De inkoop richt zich op:\n\nsegment C: hoogspecialistische en\u002Fof complexe ambulante hulp;\n\nsegment V: verblijfszorg.\n\nSegmenten C en V zijn onderdeel van het jeugdzorgstelsel in de regio Zaanstreek-Waterland. Het jeugdhulpstelsel bestaat uit vijf onderdelen die segmenten worden genoemd. Segment A is de basis: lokale teams en lichte hulp die vrij toegankelijk is. Segment B biedt specialistische ambulante hulp voor enkelvoudige problemen. Segment C is voor complexe, hoogspecialistische hulp. Segment D richt zich op ernstige dyslexiezorg. Segment V omvat 24-uurs verblijf voor jeugdigen die tijdelijk niet thuis kunnen wonen.\n\n(…)\n\n6. Percelenverdeling en inkoopmethodiek\n\nDeze opdracht is onderverdeeld in drie percelen (zie tabel). Het betreft twee percelen voor segment C en één perceel voor segment V. (…)\n\n(…)6.1.2. \n\nIndeling in percelen\n\nDe inkoop van segment C is opgedeeld in twee percelen:\n\nPerceel 1A is bedoeld voor kernpartners die actief bijdragen aan de doorontwikkeling van het zorglandschap en vanaf 2030 gezamenlijk de volledige zorgvraag in segment C opvangen.\n\nPerceel 1B is bedoeld voor overige leveranciers die zonder ontwikkelverplichting een deel van de zorg leveren gedurende drie jaar tot 2030.\n\n(…)\n\nInkoopprocedure perceel 1B\n\nDe procedure voor perceel 1B bestaat uit twee fases. Inschrijvers moeten voldoen aan de\n\ngeschiktheidseisen en selectiecriteria (zie paragraaf 7.3). Na inschrijving wordt gecontroleerd of de ingediende stukken volledig en correct zijn. Vervolgens worden de inschrijvers die een juiste inschrijving hebben gedaan uitgenodigd voor de onderhandelingsgesprekken over de prijs.\n\n(…)6.6. \n\nRechtsverwerking\n\nDe aanbestedingsleidraad is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Desondanks kunnen er toch onduidelijkheden\u002Fonvolkomenheden in het document (en\u002Fof bijlagen) voorkomen.\n\nGemeente verwacht een proactieve houding van de gegadigden, wat betekent dat de gegadigden eventuele onduidelijkheden en\u002Fof onvolkomenheden in de aanbestedingsleidraad zo spoedig mogelijk, in ieder geval vóór de laatste nota van inlichtingen, aan Gemeente moeten melden.\n\n(…)6.7. \n\nMededeling van de gunningbeslissing\n\nDe aanbestedende dienst zal de inschrijvers gelijktijdig schriftelijk informeren over het voornemen tot gunning. De mededeling van de gunningsbeslissing bevat de relevante redenen voor die beslissing.\n\n(…)\n\nDe aanbestedende dienst neemt een termijn van 20 kalenderdagen (stand stilltermijn) in acht voordat zij de met de gunningsbeslissing beoogde raamovereenkomst sluit. De betrokken inschrijvers hebben aldus de gelegenheid om binnen 20 kalenderdagen ingaande op de dag na de verzenddatum van de mededeling van de gunningsbeslissing, tegen deze beslissing op te komen en een kort geding aanhangig te maken bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem.\n\nDeze termijn, die gelijkloopt met de stand still termijn, is een vervaltermijn. Een kort geding moet voor deze termijn aanhangig zijn gemaakt.\n\nEen kort geding is aanhangig vanaf het moment dat aan de aanbestedende dienst de datum van het kort geding en de inhoud daarvan (door het toesturen van de conceptdagvaarding) is medegedeeld óf vanaf de dag dat de deurwaarder de aanbestedende dienst heeft betekend.\n\n(…)6.8. \n\nKlachtenprocedure\n\nKlachten over deze aanbestedingsprocedure kunnen op de manier zoals in onze klachtenregeling omschreven, worden ingediend bij het volgende mailadres: klachtenInkoop@zaanstad.nl.\n\n(…)7.3. \n\nGeschiktheidseisen\n\n(…)\n\nAanvullende geschiktheidseis aandeel ZZP'ers\n\nDe inschrijver toont aan dat zijn organisatie beschikt over een stabiele personele bezetting met een substantieel aandeel medewerkers in loondienst. Dit draagt bij aan continuïteit, kwaliteit en borging van zorg.\n\nBij inschrijving voegt de inschrijver een ondertekend document toe waarin het percentage\n\nmedewerkers in loondienst wordt vermeld. Dit percentage bedraagt minimaal 80%. Dit document bevat:\n\nDe totale personeelskosten\n\nDe personeelskosten van de medewerkers in loondienst.\n\nHet berekende percentage medewerkers in loondienst ten opzichte van het totaal.\n\nEen verklaring dat dit percentage representatief is voor de inzet binnen de regio Zaanstreek- Waterland.\n\n(…).\n\nAanvullende geschiktheidseis samenstelling multidisciplinair team\n\nOpdrachtnemer heeft binnen haar organisatie een multidisciplinair team welke ter beschikking staat voor behandeling van Cliënten binnen de regio Zaanstreek-Waterland. Hier stellen we de volgende eisen aan:\n\nHet team dient te bestaan uit verschillende disciplines werkzaam binnen de organisatie en bevat minimaal: een (kinder- en jeugd)Psychiater of een Arts VG, een Klinisch psycholoog\u002FGZ psycholoog of Orthopedagoog Generalist (OG-er) en een systeemtherapeut.\n\nHet team kan gezamenlijk ondersteunen. Dit ten behoeve van de vorming van een behandelplan en\u002Fof oplossingen voor vragen van de jeugdige \u002F het gezin vanuit een interdisciplinaire visie vereist, teneinde de juiste dienstverlening te matchen bij de juiste probleemstellingen bij zeer complexe casussen, waarbij intercollegiale consultatie van een enkele behandelaar niet afdoende is.\n\nHet team dient een outreachend karakter te hebben en beschikbaar te zijn.\n\nHet team omvat 10 tot 15 fte.\n\nBij inschrijving voegt de inschrijver een document toe waarin de samenstelling van het team wordt beschreven, inclusief:\n\nFuncties en disciplines binnen het team inclusief BIG- en SKJ-registratienummers\n\nAantal FTE per discipline.\n\n(…)7.3.4. \n\nReferentie eisen\n\nWij verzoeken u om aan de hand van referenties aan te tonen dat u beschikt over de kerncompetenties die nodig zijn voor de uitvoering van deze opdracht. (…) U dient enkel een referentie in te dienen voor het perceel waarvoor u zich inschrijft. Het is ook toegestaan om referenties van een derde op te geven. In dat geval doet u een beroep op die derde, zoals bedoeld in paragraaf 10.3.4.\n\n(…)10.3.4. \n\nBeroep op draagkracht derde\n\nAls u een beroep wilt doen op de draagkracht van een derde om aan de geschiktheidseisen te voldoen zoals beschreven in hoofdstuk 7, dan moet u dat aan geven in deel IIC van het UEA. Hierbij moet u toelichten op welke specifieke draagkracht van de derde een beroep wordt gedaan. Daarnaast levert u bij inschrijving het door de derde ingevulde en ondertekende UEA in. Hiernaast dient u ook een ‘verklaring beroep op derde’ in, zie bijlage 13.\n\n(…)10.7.2. \n\nRechtsgang\n\nEen voorlopige selectie- of gunningsbeslissing is nog geen aanvaarding van een aanbod. De inkopende organisatie stuurt de mededeling van selectie of gunning via het aanbestedingsplatform. Is een potentiële opdrachtnemer het niet eens met een afwijzing? Dan kan hij een kort geding starten. Dat moet binnen 20 kalenderdagen na de bekendmaking van de selectie of gunning. Na die termijn vervalt het recht op bezwaar en schadevergoeding.\n\n2.3.. \n\n [eiser] is van beroep orthopedagoog-generalist en K&J NIP in afronding.\n\nZij heeft op 23 maart 2026 namens haar onderneming Jij, Ik en Wijingeschreven op de aanbesteding voor segment C, perceel 1 B.\n\n2.4.. \n\nBij brief van 24 april 2026 heeft de gemeente [eiser] de volgende beslissing meegedeeld:\n\n(…)\n\nUw inschrijving wordt uitgesloten van deelname. Uw inschrijving voldoet helaas niet aan de gestelde eisen.\n\nWe hebben vastgesteld dat de door u ingediende bijlagen voor geschiktheidseis aandeel ZZP'ers en samenstelling multidisciplinair team niet aan de gestelde eisen voldoen. U beschikt namelijk volgens uw ingediende stukken niet over 80% eigen personeel, maar 11%.\n\nDaarnaast beschikt u over onvoldoende FTE voor de samenstelling van het multidisciplinair team zoals beschreven in de offerteleidraad. Dit komt niet voor herstel in aanmerking.\n\nDaarom is uw inschrijving ongeldig, waardoor deze niet verder wordt beoordeeld en u niet in aanmerking komt voor deelname aan fase 2 noch voor gunning.\n\nBent u het niet eens met dit besluit?\n\nDan kunt u tot en met 14 mei 2026 bezwaar maken tegen deze beslissing. Wordt er geen bezwaar gemaakt uiterlijk op gemelde datum, dan is uw recht om dat te doen vervallen.\n\n2.5.. \n [eiser] is het niet eens met de beslissing en heeft bezwaar gemaakt bij de gemeente. Op 15 mei 2026 heeft de gemeente [eiser] bericht dat het niet mogelijk is om bezwaar te maken bij de gemeente, maar dat zij hiervoor een kort geding aanhangig moest maken binnen de termijn en dat dan uiterlijk op 14 mei 2026 de conceptdagvaarding aan de gemeente toegestuurd had moeten zijn.\n\n2.6.. \n\nOmdat [eiser] ook via een andere gegadigde had gehoord dat een kort geding de aangewezen weg is, heeft haar advocaat bij brief van 14 mei 2026 de rechtbank verzocht een datum te bepalen voor het kort geding. In zijn brief vermeldt hij: Ik werd gisteravond pas verzocht door cliënte, mevrouw [eiser] - de Boer, om het kort geding aan te vragen.\n\nDat moest uiterlijk vandaag (c.q. wellicht morgen i.v.m. hemelvaartsdag). De wederpartij (gemeente Zaanstad) heb ik nog niet kunnen contacteren (…).\n\n2.7.. Op 15 mei 2026 heeft de rechtbank de datum\u002Ftijd voor het kort geding bepaald en is die informatie gecommuniceerd aan de advocaat van [eiser], die deze informatie inclusief de concept-dagvaarding nog dezelfde dag heeft gedeeld met de gemeente.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert - na eisvermeerdering - dat de voorzieningenrechter:\n\nde gemeente gelast om de uitsluitingsbeslissing van 24 april 2026 in te trekken, althans totdat de inschrijving van [eiser] is herbeoordeeld te schorsen, althans [eiser] alsnog toe te laten tot fase 2 van de gunningsprocedure,\n\nII. de gemeente gelast om de inschrijving van [eiser] te herbeoordelen met in achtneming van het gelijkheidsbeginsel, het transparantiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel,\n\nIII. de gemeente gelast zich tot nader order te onthouden van het sluiten van overeenkomsten met andere gegadigden,\n\nIV.de gemeente primair veroordeelt in de volledige kosten van deze kortgedingprocedure\n\n(€ 3.250 excl. btw per zaak, te vermeerderen met de deurwaarderskosten en griffierechten) en subsidiair in de forfaitaire kosten van deze kortgedingprocedure, de nakosten daaronder\n\nbegrepen.\n\n3.2.. \n\n [eiser] stelt dat de gemeente haar uitsluitingsbeslissing onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd en dat de beslissing lijkt te berusten op een te beperkte uitleg van de\n\naanbestedingsstukken, met name waar het gaat om de betekenis van structureel beschikbare capaciteit, onderaanneming, beroep op derden en de onderscheiden positie van perceel 1B. Zij voert aan dat de afwijzingsbrief uitsluitend de uitkomst van de beoordeling vermeldt, maar niet inzichtelijk maakt:\n\na. of structureel verbonden professionals, onderaannemers of derden zijn beoordeeld,\n\nb. waarom geen nadere verificatie heeft plaatsgevonden van de opgegeven teamstructuur en beschikbare capaciteit.\n\nZij stelt dat zij daardoor niet kan controleren of de eisen juist en consistent zijn toegepast, wat temeer relevant is omdat de aanbestedingsstukken uitdrukkelijk voorzien in\n\ninschrijving als hoofdaannemer met onderaannemers, inschrijving als combinatie en beroep op draagkracht van derden. Zij wijst er in dat verband op dat in de opdrachtomschrijving is vermeld: : “Opdrachtgever heeft geen voorkeur voor de wijze waarop dit wordt georganiseerd door Opdrachtnemers. Dit kan bijvoorbeeld zijn door het versterken van eigen capaciteit, het werken met onderaannemers of het inschrijven als combinatie”waaruit blijkt dat de stukken niet uitsluitend uitgaan van één klassieke organisatievorm waarin alle relevante zorgprofessionals in loondienst zijn, maar juist erkennen dat capaciteit en deskundigheid ook via andere juridische structuren en samenwerking kan worden georganiseerd. Zij benadrukt dat zij al drie jaar samenwerkt met een groep van circa 11 zzp-ers, dat zij op die manier de zorg levert en dat dit op basis van de opdrachtomschrijving toegestaan zou moeten zijn. Zij stelt dat sprake is van volstrekte willekeur en toepassing van onduidelijke gunningscriteria, waarbij de persoonlijke voorkeuren van de vertegenwoordiger van de gemeente die daarmee is belast, naar bevind van zaken kunnen worden toegepast, wat vervolgens oncontroleerbaar is.\n\n3.3.. De gemeente voert verweer. In de eerste plaats voert zij aan dat [eiser] niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering, omdat zij haar vordering te laat heeft ingesteld. De gemeente wijst er op dat de selectiebeslissing dateert van 24 april 2026 en dat de laatste dag van de termijn om daartegen op te komen 14 mei 2026 was. Op die datum heeft [eiser] de rechtbank wel om een datum gevraagd, maar pas op 15 mei 2026 heeft [eiser] de gemeente geïnformeerd over de gevraagde datum en de concept-dagvaarding doen toekomen.\n\n3.4.. \n\nIn de tweede plaats betwist de gemeente dat sprake is van volstrekte willekeur bij het beoordelen van de inschrijvingen en al helemaal dat \"persoonlijke voorkeuren van de vertegenwoordiger van de gemeente die daarmee is belast, naar bevind van zaken kunnen worden toegepast”, zoals [eiser] heeft gesteld. De gemeente benadrukt dat de inschrijvingen zorgvuldig en door meerdere personen zijn beoordeeld, die daarbij naar eer en geweten hebben gehandeld. Verder voert de gemeente aan dat [eiser] erover klaagt dat de gunningscriteria onduidelijk zijn, maar dat zij daarover had moeten klagen voorafgaande aan haar inschrijving en dat zij haar recht om te klagen nu verwerkt heeft. De gemeente wijst er op dat van een gegadigde in een aanbestedingsprocedure proactief handelen verwacht mag worden, wat betekent dat [eiser] over onduidelijkheid van de gunningscriteria niet pas na ontvangst van de uitsluitingsbeslissing kan klagen.\n\nDe gemeente benadrukt dat er hoge eisen worden gesteld omdat het hier gaat om specialistische jeugdhulp met een meervoudig of hoogspecialistisch karakter, die niet vrij toegankelijk is en alleen beschikbaar is op basis van een verwijzing door een wettelijke verwijzer. Daarbij bestaat de doelgroep veelal uit jeugdigen met complexe problematiek, vaak in combinatie met ouders die worstelen met hun opvoedrol, mede als gevolg van eigen psychische of sociale problemen. De gemeente wijst er op dat het daarom van belang is om aan de hand van de geschiktheidseisen te kunnen vaststellen of de inschrijver geschikt is om de gevraagde opdracht uit te voeren. De eis van minimaal 80% medewerkers in loondienst is dan ook gesteld met het oog op borging van de continuïteit, kwaliteit en zorg en aan deze eis voldoet [eiser] niet. Ook heeft zij niet aangetoond dat zij voldoet aan de gestelde eis dat haar team bestaat uit 10 – 15 fte.\n\n3.5.. Over de eisvermeerdering van [eiser] stelt de gemeente in de eerste plaats dat deze moet worden geweigerd, omdat deze in strijd is met de goede procesorde. Daarnaast stelt zij dat de lat voor een reële proceskostenvergoeding hoog ligt en dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van misbruik van recht.\n\n3.6.. Op de stelling van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nOntvankelijkheid\n\n4.1.. Het meest verstrekkende verweer van de gemeente is dat [eiser] de gemeente niet tijdig in kort geding heeft betrokken om bezwaar te maken tegen de beslissing van 24 april 2026 en daarom niet in haar vordering kan worden ontvangen.\n\n4.2.. Dit verweer faalt. Vast staat dat de termijn om tegen de beslissing op te komen eindigde op Hemelvaartsdag. Dit is een in de Europese Unie erkende feestdag in Nederland. Uit de Memorie van Toelichting bij de Aanbestedingswet 2012 volgt dat een opschortingstermijn na de gunningsbeslissing die eindigt op een erkende feestdag, eindigt op het laatste uur van de daarop volgende werkdag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit ook moet gelden voor de beroepstermijn ten aanzien van de beslissing tot uitsluiting als bedoeld in artikel 10.7.2 van de leidraad. Dit betekent dat [eiser] deze kortgedingprocedure tijdig aanhangig heeft gemaakt.4.3.. Daarnaast heeft de gemeente in de brief met de uitsluitingsbeslissing zelf aangegeven dat er tot en met 14 mei 2026 bezwaargemaakt kon worden. Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] door die formulering op het verkeerde been is gezet en daarom haar bezwaar in eerste instantie bij de gemeente wilde indienen en niet direct een kortgedingprocedure is gestart. De gemeente heeft ter zitting ook erkend dat de formulering in de brief ongelukkig is geweest. Toen het voor [eiser], op grond van een reactie van de gemeente op het bezwaarschrift van een andere inschrijver, duidelijk was geworden dat in de brief bedoeld is dat zij een kortgedingprocedure moest starten, heeft zij direct een advocaat ingeschakeld die op 14 mei 2026 de rechtbank verzocht om een datumbepaling. Op 14 mei 2026 was het echter Hemelvaartsdag, een algemeen erkende feestdag, waarop de rechtbank gesloten was. Hierdoor is de aanvraag om een datumbepaling niet eerder in behandeling genomen dan op 15 mei 2026. Direct na ontvangst van de dagbepaling op 15 mei 2026 is ook de gemeente hierover ingelicht onder toezending van de concept dagvaarding. Aangezien de gemeente zelf onduidelijkheid heeft gecreëerd over de te volgen procedure, kan zij zich in dit geval in redelijkheid niet beroepen op een (eventuele) termijnoverschrijding met slechts één dag. [eiser] kan daarom worden ontvangen in haar vorderingen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.4.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\n4.5.. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering.\n\nBezwaar tegen de eisvermeerdering\n\n4.6.. Het bezwaar van de gemeente, dat de eisvermeerdering in strijd zou zijn met de goede procesorde en daarom niet geaccepteerd kan worden, wordt verworpen. [eiser] mocht haar eis nog wijzigen op de zitting, tenzij dat in strijd zou zijn met de goede procesorde. Dat is niet het geval. Het om een zeer beperkte aanvulling op de eis voor een proceskostenveroordeling. De gemeente heeft hiertegen ter zitting ook inhoudelijk verweer gevoerd, zodat zij door deze eisvermeerdering niet in haar verdediging is geschaad. De eisvermeerdering wordt toegelaten.\n\nIs de uitsluitingsbeslissing voldoende inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd?\n\n4.7.. \n\n [eiser] heeft gesteld dat de beslissing niet voldoende inzichtelijke en deugdelijk gemotiveerd is en dat niet blijkt of daarbij structureel verbonden professionals, onderaannemers of derden zijn beoordeeld. De gemeente heeft haar beslissing in de brief aan [eiser] als volgt toegelicht:\n\nWe hebben vastgesteld dat de door u ingediende bijlagen voor geschiktheidseis aandeel ZZP'ers en samenstelling multidisciplinair team niet aan de gestelde eisen voldoen. U beschikt namelijk volgens uw ingediende stukken niet over 80% eigen personeel, maar 11%.\n\nDaarnaast beschikt u over onvoldoende FTE voor de samenstelling van het multidisciplinair team zoals beschreven in de offerteleidraad. Dit komt niet voor herstel in aanmerking.\n\n4.8.. \n\nUit wat de gemeente naar voren heeft gebracht blijkt dat zij heeft gekeken naar de opgave van de door [eiser] ingeschakelde derden en de toelichting daarbij bij haar inschrijving, maar dat [eiser] de vraag of zij een beroep doet op de draagkracht van derden met ‘nee’ heeft beantwoord. Uit haar als bewijsstuk bijgevoegde lijst van het team waarmee zij de zorg verleent, blijkt dat dit team bestaat uit 1 regiebehandelaar ([eiser] zelf) en 8 zelfstandig werkende professionals. [eiser] heeft in haar toelichting zelf vermeld dat het aandeel zelfstandig werkende professionals circa 89% bedraagt.\n\nAan de hand van de uitleg van [eiser] heeft de gemeente vastgesteld dat [eiser] voor 89% een beroep doet op zzp-ers en dus hooguit 11% eigen personeel heeft om de gevraagde zorg te verlenen. Hiermee voldoet [eiser] niet aan de eis dat de inschrijver aantoont dat minimaal 80% van de betrokken medewerkers in loondienst is bij de inschrijver om zo de continuïteit, kwaliteit en zorg te borgen. Ook heeft de gemeente er terecht op gewezen dat uit de opgave van de door [eiser] in te schakelen zzp-ers niet kan worden afgeleid voor hoeveel fte per discipline deze personen kunnen bijdragen aan de zorg. De gemeente heeft er terecht op gewezen dat het hier gaat om zelfstandig opererende professionals, van wie het aannemelijk is dat zij er ook een eigen praktijk op na houden en dat niet is gebleken dat zij allen fulltime werken.\n\n4.9.. \n\nOok heeft [eiser] niet samen met anderen ingeschreven, om het samenwerkingsverband duidelijk te maken. Daarbij heeft de gemeente benadrukt dat ook als [eiser] de vraag of zij een beroep doet op de draagkracht van derden met ‘ja’ zou hebben beantwoord, ieder van de leden van het opgegeven team zelf ook een formulier had moeten indienen om de gemeente in staat te stellen te beoordelen of de afzonderlijke ‘teamleden’ aan de gestelde geschiktheidseisen voldoen. Omdat niet gezamenlijk is ingeschreven zijn die formulieren niet ingediend en kon de gemeente dit niet meenemen in haar beoordeling.\n\n [eiser] heeft nog betoogd dat zij dacht dat met ‘draagkracht’ financiële draagkracht werd bedoeld, maar dat komt voor haar rekening en risico. ‘Draagkracht’ is ook in relatie tot beroepsbekwaamheid een begrip uit de Aanbestedingswet 2012. Van een inschrijver mag worden verwacht dat deze daarmee bekend is. Bovendien is het begrip ook in de leidraad gebruiktin relatie tot de geschiktheidseisen.\n\n4.10.. \n [eiser] heeft nog gesteld dat de gemeente haar in de gelegenheid had moeten stellen om haar inschrijving hierop aan te passen, maar zoals de gemeente terecht heeft opgemerkt, is dat in een aanbesteding niet toegestaan. Het staat de gemeente niet vrij om een afzonderlijke inschrijver in de gelegenheid te stellen een inschrijving aan te passen of aan te vullen met nieuwe gegevens. Dat is in strijd met het gelijkheidsbeginsel waaraan de aanbestedende dienst gebonden is.\n\n4.11.. Tenslotte heeft [eiser] nog gesteld dat zij met haar team van zzp-ers wel gekeken heeft of zij gezamenlijk konden inschrijven, maar dat dit niet mogelijk bleek omdat men ook een referentie moest overleggen dat eerder voor de gemeente gewerkt was en de gemeente die referenties alleen wilde verstrekken als men als hoofdaannemer voor de gemeente actief was geweest, wat niet het geval was.\n\n4.12.. Wat hier ook van zij, [eiser] heeft ervoor gekozen om niet gezamenlijk met anderen in te schrijven en haar inschrijving voldeed niet aan de door de gemeente gestelde geschiktheidseisen. Dat zij ervan uit ging dat zij met de vermelding van haar team van zzp-ers wel aan de eis zou voldoen, maakt dit niet anders. De leidraad is op dit punt naar het oordeel van de voorzieningenrechter duidelijk. Die misvatting moet daarom voor rekening en risico van [eiser] blijven.\n\n4.13.. Uit het vorenstaande volgt dat de gemeente de inschrijving van [eiser] op goede gronden heeft uitgesloten van verdere deelname. Hieruit volgt dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.14.. \n\n [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure tot op heden aan de kant van de gemeente begroot op:\n\ngriffierecht € 735,00\n\nsalaris advocaat € 1.177,00\n\nnakosten € 189,00\n\nTotaal € 2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen af,\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de gemeente van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n1155\n\n MvT, Kamerstukken II, 32 027, nr. 3, p.6.\n\n Artikel 3.65a Aanbestedingswet 2012\n\n Artikel 10.3.4 van de leidraad","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7508","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:49.122Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":75,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":51,"updatedAt":77},"1940","ECLI:NL:RBNHO:2026:7506","ecli-nl-rbnho-2026-7506","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F377936 \u002F KG ZA 26-257\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nORTHOPEDAGOGISCHE PRAKTIJK DE REGENBOOG B.V.,\n\nte Zaanstad,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: De Regenboog,\n\nadvocaat: mr. H.R. Eikelboom,\n\ntegen\n\nGEMEENTE ZAANSTAD,\n\nte Zaanstad,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaat: mr. M.W. Langhout.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 4\n\n- de producties 1 tot en met 4 van de gemeente - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van De Regenboog - de pleitnota van de gemeente.\n\n1.2.. Voor de mondelinge behandeling op 11 juni 2026 zijn verschenen namens de Regenboog mevrouw [betrokkene 1] (directrice) en mevrouw [betrokkene 2] (operationeel manager), bijgestaan door mr. Eikelboom voornoemd en namens de gemeente mevrouw [betrokkene 3] (contractmanager), de heer [betrokkene 4] (jurist) en de heer [betrokkene 5] (projectleider), bijgestaan door mr. Langhout voornoemd.\n\n1.3.. Tenslotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De gemeente Zaanstad heeft in december 2025 de Europese openbare aanbesteding Specialistische Jeugdhulp Segment C en V 2027 Zaanstreek-Waterland gepubliceerd. Zij deed dit mede namens de gemeenten Purmerend, Edam-Volendam, Wormerland, Landsmeer en Oostzaan.\n\n2.2.. \n\nDe Offerteleidraad (hierna: de leidraad) houdt onder meer het volgende in:\n\n(…)4.2. \n\nContactpersonen en -gegevens\n\n(…)\n\nIndien er naar aanleiding van deze aanbestedingsleidraad nog vragen zijn, dient de gegadigde deze via TenderNed te stellen. (…) Deze vragen dienen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk voor het op TenderNed gepubliceerde tijdstip, te zijn ingediend. Vragen die na dit tijdstip binnenkomen, worden in beginsel niet beantwoord. De gemeente behoudt zich het recht voor vragen die na dit tijdstip binnenkomen wel te beantwoorden als dat vanwege de aard van de vraag wenselijk is.\n\nBeantwoording van de vragen vindt plaats middels een nota van inlichtingen via TenderNed aan alle gegadigden. De vragen en de daarop gegeven antwoorden moeten worden beschouwd als integraal onderdeel van de aanbestedingsdocumenten en worden volgens planning gepubliceerd op TenderNed.\n\n(…)\n\n5. Beschrijving opdracht5.1. \n\nUitgangspunten, doelstellingen en voorzieningen\n\n(…)\n\nDe opdracht heeft betrekking op de gezamenlijke inkoop van specialistische jeugdhulp voor de periode 2027-2034. De inkoop richt zich op:\n\nsegment C: hoogspecialistische en\u002Fof complexe ambulante hulp;\n\nsegment V: verblijfszorg.\n\nSegmenten C en V zijn onderdeel van het jeugdzorgstelsel in de regio Zaanstreek-Waterland. Het jeugdhulpstelsel bestaat uit vijf onderdelen die segmenten worden genoemd. Segment A is de basis: lokale teams en lichte hulp die vrij toegankelijk is. Segment B biedt specialistische ambulante hulp voor enkelvoudige problemen. Segment C is voor complexe, hoogspecialistische hulp. Segment D richt zich op ernstige dyslexiezorg. Segment V omvat 24-uurs verblijf voor jeugdigen die tijdelijk niet thuis kunnen wonen.\n\n(…)\n\n6. Percelenverdeling en inkoopmethodiek\n\nDeze opdracht is onderverdeeld in drie percelen (zie tabel). Het betreft twee percelen voor segment C en één perceel voor segment V. (…)\n\n(…)6.1.2. \n\nIndeling in percelen\n\nDe inkoop van segment C is opgedeeld in twee percelen:\n\nPerceel 1A is bedoeld voor kernpartners die actief bijdragen aan de doorontwikkeling van het zorglandschap en vanaf 2030 gezamenlijk de volledige zorgvraag in segment C opvangen.\n\nPerceel 1B is bedoeld voor overige leveranciers die zonder ontwikkelverplichting een deel van de zorg leveren gedurende drie jaar tot 2030.\n\n(…)\n\nInkoopprocedure perceel 1B\n\nDe procedure voor perceel 1B bestaat uit twee fases. Inschrijvers moeten voldoen aan de\n\ngeschiktheidseisen en selectiecriteria (zie paragraaf 7.3). Na inschrijving wordt gecontroleerd of de ingediende stukken volledig en correct zijn. Vervolgens worden de inschrijvers die een juiste inschrijving hebben gedaan uitgenodigd voor de onderhandelingsgesprekken over de prijs.\n\n(…)6.2. \n\nInkoop methodiek: Segment V\n\nSegment V betreft jeugdhulp waarbij de jeugdige tijdelijk of langdurig in een woonvoorziening verblijft.\n\nDit kan een pleeggezin, gezinshuis, logeerhuis of behandelgroep zijn. Het gaat om 24-uurszorg voor\n\njeugdigen die (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen vanwege de ernst of complexiteit van hun situatie.\n\n(…)6.6. \n\nRechtsverwerking\n\nDe aanbestedingsleidraad is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Desondanks kunnen er toch onduidelijkheden\u002Fonvolkomenheden in het document (en\u002Fof bijlagen) voorkomen.\n\nGemeente verwacht een proactieve houding van de gegadigden, wat betekent dat de gegadigden eventuele onduidelijkheden en\u002Fof onvolkomenheden in de aanbestedingsleidraad zo spoedig mogelijk, in ieder geval vóór de laatste nota van inlichtingen, aan Gemeente moeten melden.\n\n(…)6.7. \n\nMededeling van de gunningbeslissing\n\nDe aanbestedende dienst zal de inschrijvers gelijktijdig schriftelijk informeren over het voornemen tot gunning. De mededeling van de gunningsbeslissing bevat de relevante redenen voor die beslissing.\n\n(…)\n\nDe aanbestedende dienst neemt een termijn van 20 kalenderdagen (stand stilltermijn) in acht voordat zij de met de gunningsbeslissing beoogde raamovereenkomst sluit. De betrokken inschrijvers hebben aldus de gelegenheid om binnen 20 kalenderdagen ingaande op de dag na de verzenddatum van de mededeling van de gunningsbeslissing, tegen deze beslissing op te komen en een kort geding aanhangig te maken bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem.\n\nDeze termijn, die gelijkloopt met de stand still termijn, is een vervaltermijn. Een kort geding moet voor deze termijn aanhangig zijn gemaakt.\n\nEen kort geding is aanhangig vanaf het moment dat aan de aanbestedende dienst de datum van het kort geding en de inhoud daarvan (door het toesturen van de conceptdagvaarding) is medegedeeld óf vanaf de dag dat de deurwaarder de aanbestedende dienst heeft betekend.\n\n(…)6.8. \n\nKlachtenprocedure\n\nKlachten over deze aanbestedingsprocedure kunnen op de manier zoals in onze klachtenregeling omschreven, worden ingediend bij het volgende mailadres: klachtenInkoop@zaanstad.nl.\n\n(…)7.3. \n\nGeschiktheidseisen\n\n(…)\n\nAanvullende geschiktheidseis aandeel ZZP'ers\n\nDe inschrijver toont aan dat zijn organisatie beschikt over een stabiele personele bezetting met een substantieel aandeel medewerkers in loondienst. Dit draagt bij aan continuïteit, kwaliteit en borging van zorg.\n\nBij inschrijving voegt de inschrijver een ondertekend document toe waarin het percentage\n\nmedewerkers in loondienst wordt vermeld. Dit percentage bedraagt minimaal 80%. Dit document bevat:\n\nDe totale personeelskosten\n\nDe personeelskosten van de medewerkers in loondienst.\n\nHet berekende percentage medewerkers in loondienst ten opzichte van het totaal.\n\nEen verklaring dat dit percentage representatief is voor de inzet binnen de regio Zaanstreek- Waterland.\n\n(…).\n\nAanvullende geschiktheidseis samenstelling multidisciplinair team\n\nOpdrachtnemer heeft binnen haar organisatie een multidisciplinair team welke ter beschikking staat voor behandeling van Cliënten binnen de regio Zaanstreek-Waterland. Hier stellen we de volgende eisen aan:\n\nHet team dient te bestaan uit verschillende disciplines werkzaam binnen de organisatie en bevat minimaal: een (kinder- en jeugd)Psychiater of een Arts VG, een Klinisch psycholoog\u002FGZ psycholoog of Orthopedagoog Generalist (OG-er) en een systeemtherapeut.\n\nHet team kan gezamenlijk ondersteunen. Dit ten behoeve van de vorming van een behandelplan en\u002Fof oplossingen voor vragen van de jeugdige \u002F het gezin vanuit een interdisciplinaire visie vereist, teneinde de juiste dienstverlening te matchen bij de juiste probleemstellingen bij zeer complexe casussen, waarbij intercollegiale consultatie van een enkele behandelaar niet afdoende is.\n\nHet team dient een outreachend karakter te hebben en beschikbaar te zijn.\n\nHet team omvat 10 tot 15 fte.\n\nBij inschrijving voegt de inschrijver een document toe waarin de samenstelling van het team wordt beschreven, inclusief:\n\nFuncties en disciplines binnen het team inclusief BIG- en SKJ-registratienummers\n\nAantal FTE per discipline.\n\n(…)7.3.4. \n\nReferentie eisen\n\nWij verzoeken u om aan de hand van referenties aan te tonen dat u beschikt over de kerncompetenties die nodig zijn voor de uitvoering van deze opdracht. (…) U dient enkel een referentie in te dienen voor het perceel waarvoor u zich inschrijft. Het is ook toegestaan om referenties van een derde op te geven. In dat geval doet u een beroep op die derde, zoals bedoeld in paragraaf 10.3.4.\n\n(…)\n\nPerceel 2: Segment V\n\n Kerncompetentie 1 — Ervaring met het uitoefenen van specialistische jeugdhulp met een verblijfscomponent.\n\nDeze kerncompetentie ziet met name toe dat Inschrijver duidelijk ervaring heeft in het vakgebied verblijf gerelateerd aan de aard en inhoud zoals beschreven in de opdrachtomschrijving en programma van eisen.\n\nAan de referenties worden de volgende eisen gesteld:\n\nMet de referentie toont de Inschrijver aan voldoende ervaring te hebben met de kerncompetentie;\n\nDe referentie is in de afgelopen drie jaren uitgevoerd;\n\nDe referent toont aan minimaal 10 cliënten in een jaar gehuisvest hebben voor één opdrachtgever.\n\nDe gerefereerde opdracht is voor een gemeente en\u002Fof jeugdzorgregio.\n\nDe referentie behoeft niet naar aard, hoeveelheid of omvang en het doel van de uitgevraagde opdracht exact gelijk te zijn, maar wel op onderdelen van de opdracht vergelijkbaar, waardoor aangetoond wordt dat de Inschrijver voldoende kennis en ervaring heeft op dit gebied;\n\nDe referenties dienen een looptijd van minimaal 6 maanden te hebben gehad.\n\n(…)10.3.4. \n\nBeroep op draagkracht derde\n\nAls u een beroep wilt doen op de draagkracht van een derde om aan de geschiktheidseisen te voldoen zoals beschreven in hoofdstuk 7, dan moet u dat aan geven in deel IIC van het UEA. Hierbij moet u toelichten op welke specifieke draagkracht van de derde een beroep wordt gedaan. Daarnaast levert u bij inschrijving het door de derde ingevulde en ondertekende UEA in. Hiernaast dient u ook een ‘verklaring beroep op derde’ in, zie bijlage 13.\n\n(…)10.7.2. \n\nRechtsgang\n\nEen voorlopige selectie- of gunningsbeslissing is nog geen aanvaarding van een aanbod. De inkopende organisatie stuurt de mededeling van selectie of gunning via het aanbestedingsplatform. Is een potentiële opdrachtnemer het niet eens met een afwijzing? Dan kan hij een kort geding starten. Dat moet binnen 20 kalenderdagen na de bekendmaking van de selectie of gunning. Na die termijn vervalt het recht op bezwaar en schadevergoeding.\n\n2.3.. De Regenboog exploiteert een onderneming in de vorm van het ondersteunen en begeleiden van jeugdigen zonder verblijf (inclusief dagactviteiten) alsmede een maatschappelijke opvang met verblijf. Zij heeft op 23 maart 2026 ingeschreven op de aanbesteding voor perceel 1 B en perceel 2.\n\n2.4.. \n\nBij brief van 24 april 2026 heeft de gemeente De Regenboog de volgende beslissing meegedeeld:\n\n(…)\n\nUw inschrijving wordt uitgesloten van deelname. Uw inschrijving voldoet helaas niet aan de gestelde eisen.\n\nSegment C1b — Perceel 2\n\nWij hebben vastgesteld dat uw inschrijving niet voldoet aan twee geschiktheidseisen. Het ingediende document voor het aandeel ZZP'ers vermeldt enkel een percentage van 3%, zonder onderbouwing met personeelskosten en berekening conform pagina 24 van de offerteleidraad. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat aan de eis van minimaal 80% medewerkers in loondienst is voldaan.\n\nDaarnaast beschikt uw organisatie niet over een (kinder- en jeugd)Psychiater of Arts VG; een openstaande vacature volstaat hiervoor niet, een vacature toont immers niet aan dat de betreffende discipline daadwerkelijk beschikbaar en werkzaam is binnen uw organisatie (…). Daarnaast moest u bij uw inschrijving de BIG registraties overleggen van deze professionals, in geval van een vacature kan dat ook niet (…)\n\nDit komt niet voor herstel in aanmerking. Uw inschrijving is ongeldig voor segment C en komt niet in\n\naanmerking voor fase 2 noch gunning voor perceel 2.\n\nSegment V — Perceel 3\n\nConform pagina 26 van de offerteleidraad dient de referentie aan te tonen dat minimaal 10 cliënten in één kalenderjaar zijn gehuisvest voor één opdrachtgever (gemeente en\u002Fof jeugdzorgregio), binnen de afgelopen drie jaar.\n\nNa twee verduidelijkingsronden is dit niet aangetoond. In uw eerste antwoord gaf u aan meer dan 10 Zaanse cliënten te hebben bediend over meerdere jaren, maar niet gelijktijdig. In de tweede vragenronde, waarbij wij u uitdrukkelijk hebben gewaarschuwd dat het niet aantonen hiervan zou leiden tot ongeldigheid, heeft u erkend dat aantallen niet in de referentie zijn vermeld en verwezen naar contractmanagement. Dit is niet toegestaan. Bovendien ziet uw toelichting op een totaal over drie jaar, terwijl de eis betrekking heeft op minimaal 10 cliënten binnen één kalenderjaar.\n\nDit komt niet voor herstel in aanmerking. Uw inschrijving is ongeldig voor segment V en komt niet in\n\naanmerking voor fase 2 noch gunning voor perceel 3.\n\nBent u het niet eens met dit besluit?\n\nDan kunt u tot en met 14 mei 2026 bezwaar maken tegen deze beslissing. Wordt er geen bezwaar gemaakt uiterlijk op gemelde datum, dan is uw recht om dat te doen vervallen.\n\n2.5.. De Regenboog is het niet eens met de beslissing en heeft op 13 mei 2026 een bezwaarschrift ingediend bij de gemeente. Enkele minuten na het indienen van het bezwaar kreeg zij reactie vanuit de gemeente dat het bezwaar niet in behandeling genomen zou worden en dat zij hiervoor binnen de daarvoor geldende termijn een kort geding aanhangig zou moeten maken\n\n2.6.. \n\nBij brief van 14 mei 2026 heeft de advocaat van De Regenboog de rechtbank verzocht een datum te bepalen voor het kort geding. In zijn brief vermeldt hij: Ik heb de opdracht pas heden van De Regenboog ontvangen. De aanvraag moest heden (dan wel\n\nmorgen i.v.m. Hemelvaartsdag) ingediend worden.\n\nMet de wederpartij, de gemeente heb ik nog geen contact kunnen hebben. (…).\n\n2.7.. Op 15 mei 2026 heeft de rechtbank de datum\u002Ftijd voor het kort geding bepaald en is die informatie gecommuniceerd aan de advocaat van De Regenboog, die deze informatie inclusief de concept-dagvaarding nog dezelfde dag heeft gedeeld met de gemeente.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nDe Regenboog vordert - na eisvermeerdering - dat de voorzieningenrechter:\n\nI. de gemeente gelast om de uitsluitingsbeslissing van 24 april 2026 in te trekken, althans totdat de inschrijving van de Regenboog is herbeoordeeld, te schorsen, althans de Regenboog alsnog toe te laten tot -fase 2 van - de gunningsprocedure;\n\nII. de gemeente gelast de inschrijving van de Regenboog te herbeoordelen met in achtneming van het gelijkheidsbeginsel, het transparantiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel,\n\nIII. de gemeente gelast zich tot nader order te onthouden van het sluiten van overeenkomsten met andere gegadigden,\n\nIV.de gemeente primair veroordeelt in de volledige kosten van deze kortgedingprocedure\n\n(€ 3.250 excl. btw, te vermeerderen met de deurwaarderskosten en griffierechten) en subsidiair in de forfaitaire kosten van deze kortgedingprocedure, de nakosten daaronder\n\nbegrepen.\n\n3.2.. De Regenboog stelt dat de gemeente haar inschrijving ten onrechte heeft uitgesloten. Zij stelt dat de gemeente de geschiktheidseis ‘berekening personeelskosten’ onjuist heeft toegepast en wijst erop dat zij heeft voldaan aan de gestelde eisen in de leidraad, te weten een beschrijving van de functies en disciplines binnen het team, het aantal fte per discipline en een verklaring dat de beschreven teamsamenstelling representatief is voor de inzet binnen de regio Zaanstreek-Waterland. Zij benadrukt dat uit haar inschrijving aantoonbaar blijkt dat zij ruim meer dan 15 fte in loondienst heeft, aangevuld met circa 3% zzp-inzet en dat ook de multidisciplinaire samenstelling van het team en de beschikbaarheid daarvan voldoende zijn aangetoond.\n\n3.3.. \n\nVerder stelt De Regenboog dat de eis om een psychiater in loondienst te hebben onevenredig is. Zij erkent dat zij momenteel geen psychiater in loondienst heeft en wijst erop dat zij wel een vacature open heeft staan voor 2 tot 4 uur per week, maar dat de arbeidsmarkt voor psychiaters op dit moment uiterst krap is. Zij verklaart dat zij in de tussentijd voldoet aan de psychiatrische inzet door middel van samenwerkingsverbanden met partijen die een psychiater in loondienst hebben of met vrijgevestigde psychiaters en dat strikte toepassing van de eis om een psychiater in loondienst te hebben disproportioneel is en daarom strijdig met het proportionaliteitsbeginsel als bedoeld in artikel 1.10 van de Aanbestedingswet 2012.\n\nVerder plaatst De Regenboog vraagtekens bij de juridische en praktische uitvoerbaarheid van de eis dat gedurende de gehele contractperiode 10 tot 15 fte in loondienst moet zijn, omdat arbeidsverhoudingen onderhevig zijn aan verandering. Zij voert aan dat medewerkers\n\nde organisatie kunnen verlaten, wat leidt tot openstaande vacatures op specifieke\n\ndisciplines en dat onduidelijk is of het ontstaan van een dergelijke vacature grond vormt voor beëindiging van de overeenkomst.\n\nOver het segment verblijf erkent De Regenboog dat zij abusievelijk in haar inschrijving niet het cliëntenaantal heeft vermeld. Zij benadrukt dat zij nog geprobeerd heeft deze informatie alsnog te verstrekken in de nadere onderbouwing, maar dat zij geen nieuwe informatie meer mocht aanleveren, waardoor zij alleen nog maar kon verwijzen naar contractmanagement, zodat de gemeente die informatie zelf kon nagaan. Zij benadrukt daarbij dat zij referenties had kunnen overleggen van anderen, maar dat zij tot nu toe de specialistische zorg heeft verleend onder segment B en dat het haar niet was toegestaan om haar inschrijving aan te vullen. Daarbij voert zij aan dat zij niet begrepen heeft dat met de vraag of beroep gedaan wordt op de draagkracht van een derde niet gedoeld werd op financiële draagkracht maar op professionele draagkracht. Tenslotte wijst zij er op dat zij ook heeft aangegeven dat geen beroep gedaan wordt op een onderaannemer omdat het op dit moment bij de gemeente niet mogelijk is om een aanvraag te doen met een onderaannemer.\n\n3.4.. De gemeente voert verweer. In de eerste plaats voert zij aan dat De Regenboog niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering, omdat zij haar vordering te laat heeft ingesteld. De gemeente wijst er op dat de selectiebeslissing dateert van 24 april 2026 en dat de laatste dag van de termijn om daartegen op te komen 14 mei 2026 was. Op die datum heeft De Regenboog de rechtbank wel om een datum gevraagd, maar pas op 15 mei 2026 heeft De Regenboog de gemeente geïnformeerd over de gevraagde datum en de concept-dagvaarding doen toekomen.\n\n3.5.. In de tweede plaats voert de gemeente inhoudelijk verweer. Zij voert aan dat de inschrijving van De Regenboog (betreffende perceel 1B) niet voldoet aan de gestelde eisen, omdat:\n\nuit de inschrijving niet opgemaakt kan worden of aan de eis van minimaal 80% medewerkers in loondienst is voldaan;\n\nDe Regenboog niet beschikt over een (kinder- en jeugd)psychiater of Arts VG (een openstaande vacature volstaat niet);\n\nBIG- en registratienummers door De Regenboog zijn niet overgelegd.\n\nVerder voert de gemeente aan dat ook voor segment V de inschrijving van De Regenboog niet voldoet omdat uit de door haar aangeleverde referentie niet volgt dat minimaal tien cliënten in één jaar gehuisvest zijn voor één opdrachtgever.\n\nDe gemeente benadrukt daarbij dat er hoge eisen worden gesteld omdat het hier gaat om specialistische jeugdhulp met een meervoudig of hoogspecialistisch karakter, die niet vrij toegankelijk is en alleen beschikbaar is op basis van een verwijzing door een wettelijke verwijzer. Daarbij bestaat de doelgroep veelal uit jeugdigen met complexe problematiek, vaak in combinatie met ouders die worstelen met hun opvoedrol, mede als gevolg van eigen psychische of sociale problemen. De gemeente wijst er op dat het daarom van belang is om aan de hand van de geschiktheidseisen te kunnen vaststellen of de inschrijver geschikt is om de gevraagde opdracht uit te voeren. De eis van minimaal 80% medewerkers in loondienst is dan ook gesteld met het oog op borging van de continuïteit, kwaliteit en zorg en aan deze eis voldoet De Regenboog niet. Bovendien maakt vooral het feit dat De Regenboog geen psychiater in loondienst heeft, maar slechts een vacature open heeft staan, dat zij niet voldoet aan de geschiktheidseis, vooral niet nu niet is aangegeven dat een beroep wordt gedaan op de draagkracht van een derde, aldus de gemeente. Ook heeft De Regenboog niet de vereiste BIG- en registratienummers in haar inschrijving vermeld en de verwijzing naar contractmanagement is niet voldoende. De gemeente verklaart dat zij naar aanleiding van die verwijzing naar contractmanagement nog wel heeft gezocht, maar geen contract heeft aangetroffen onder segment C of V met betrekking tot De Regenboog. Zij benadrukt dat De Regenboog ook referenties van andere gemeenten of opdrachtgevers had kunnen overleggen.\n\n3.6.. Over de eisvermeerdering van De Regenboog stelt de gemeente in de eerste plaats dat deze moet worden geweigerd, omdat deze in strijd is met de goede procesorde. Daarnaast stelt zij dat de lat voor een reële proceskostenvergoeding hoog ligt en dat De Regenboog onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van misbruik van recht.\n\n3.7.. Op de stelling van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nOntvankelijkheid\n\n4.1.. Het meest verstrekkende verweer van de gemeente is dat De Regenboog de gemeente niet tijdig in kort geding heeft betrokken om bezwaar te maken tegen de beslissing van 24 april 2026 en daarom niet in haar vordering kan worden ontvangen.\n\n4.2.. Dit verweer faalt. Vast staat dat de termijn om tegen de beslissing op te komen eindigde op Hemelvaartsdag. Dit is een in de Europese Unie erkende feestdag in Nederland. Uit de Memorie van Toelichting bij de Aanbestedingswet 2012 volgt dat een opschortingstermijn na de gunningsbeslissing die eindigt op een erkende feestdag, eindigt op het laatste uur van de daarop volgende werkdag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit ook moet gelden voor de beroepstermijn ten aanzien van de beslissing tot uitsluiting als bedoeld in artikel 10.7.2 van de leidraad. Dit betekent dat De Regenboog deze kortgedingprocedure tijdig aanhangig heeft gemaakt.4.3.. Daarnaast heeft de gemeente in de brief met de uitsluitingsbeslissing zelf aangegeven dat er tot en met 14 mei 2026 bezwaargemaakt kon worden. Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat De Regenboog door die formulering op het verkeerde been is gezet en daarom haar bezwaar in eerste instantie bij de gemeente heeft ingediend en niet direct een kortgedingprocedure is gestart. De gemeente heeft ter zitting ook erkend dat de formulering in de brief ongelukkig is geweest. Toen het voor De Regenboog duidelijk was geworden dat in de brief bedoeld is dat zij een kortgedingprocedure moest starten, heeft zij direct een advocaat ingeschakeld die op 14 mei 2026 de rechtbank verzocht om een datumbepaling. Op 14 mei 2026 was het echter Hemelvaartsdag, een algemeen erkende feestdag, waarop de rechtbank gesloten was. Hierdoor is de aanvraag om een datumbepaling niet eerder in behandeling genomen dan op 15 mei 2026. Direct na ontvangst van de dagbepaling op 15 mei 2026 is ook de gemeente hierover ingelicht onder toezending van de concept dagvaarding. Vast staat dat de gemeente tijdig - dat wil zeggen voor afloop van de termijn - op de hoogte was van het feit dat De Regenboog bezwaar wilde maken en van de gronden daarvoor. Aangezien de gemeente bovendien zelf onduidelijkheid heeft gecreëerd over de te volgen procedure, kan zij zich daarom in dit geval in redelijkheid niet beroepen op een termijnoverschrijding met slechts één dag. De Regenboog kan daarom worden ontvangen in haar vorderingen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.4.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat De Regenboog daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\n4.5.. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering.\n\nBezwaar tegen de eisvermeerdering\n\n4.6.. Het bezwaar van de gemeente, dat de eisvermeerdering in strijd zou zijn met de goede procesorde en daarom niet geaccepteerd kan worden, wordt verworpen. De Regenboog mocht haar eis nog wijzigen op de zitting, tenzij dat in strijd zou zijn met de goede procesorde. Dat is niet het geval. Het om een zeer beperkte aanvulling op de eis voor een proceskostenveroordeling. De gemeente heeft hiertegen ter zitting ook inhoudelijk verweer gevoerd, zodat zij door deze eisvermeerdering niet in haar verdediging is geschaad. De eisvermeerdering wordt toegelaten.\n\nInhoudelijk\n\n4.7.. \n\nDe Regenboog heeft gesteld dat in de leidraad niet de eis is gesteld om bij inschrijving een berekening van de personeelskosten te voegen en dat de gemeente in dit stadium ten onrechte daar om heeft gevraagd. Dit betoog treft geen doel. Hoewel aan De Regenboog kan worden toegegeven dat het op basis van haar verklaring over de stabiele personele bezetting voor de gemeente voldoende duidelijk moet zijn geweest dat het percentage medewerkers in loondienst bij De Regenboog tenminste 80% bedraagt, kan dit haar niet helpen. Zoals de gemeente terecht heeft opgemerkt voldoet De Regenboog niet aan de eis dat in haar team een psychiater werkzaam is. De Regenboog heeft erkend dat zij hiervoor een vacature heeft openstaan. De Regenboog heeft gesteld dat deze eis disproportioneel is, maar hierin wordt zij niet gevolgd. Zeker gelet op de hoogspecialistische jeugdzorg waarop de aanbesteding betrekking heeft, kan niet worden geoordeeld dat de eis die de gemeente hier stelt onredelijk of disproportioneel is. De Regenboog had ervoor kunnen kiezen samen met een ander in te schrijven, of de psychiater waar zij naar eigen zeggen mee samenwerkt als onderaannemer op te voeren, maar dat heeft zij niet gedaan. Niet in geschil is dat De Regenboog in haar inschrijving heeft aangegeven dat zij geen gebruik maakt van de draagkracht van anderen. De Regenboog heeft gesteld dat zij de term ‘draagkracht’ in het UEA heeft opgevat als ‘financiële draagkracht’, maar dat komt voor haar rekening en risico. ‘Draagkracht’ is ook in relatie tot beroepsbekwaamheid een begrip uit de Aanbestedingswet 2012. Van een inschrijver mag worden verwacht dat deze daarmee bekend is. Bovendien is het begrip ook in de leidraad gebruiktin relatie tot de geschiktheidseisen.\n\nVoor zover De Regenboog heeft betoogd dat het niet mogelijk was om een psychiater als onderaannemer op te voeren omdat dit, zo begrijpt de voorzieningenrechter, in het bestaande digitale dashboard van de gemeente niet mogelijk is, had het op haar weg gelegen om daarover voorafgaande aan haar inschrijving een vraag te stellen. Zij kan zich hierover niet achteraf beklagen. Van een inschrijver in een aanbesteding wordt een proactieve houding verwacht op dit punt. Daar is De Regenboog in de leidraad ook op gewezen. Bovendien betreft de inschrijving een toekomstige opdracht en volgt uit de leidraad dat een beperkt deel van het team (maximaal 20%) kan bestaan uit onderaannemers.\n\n4.8.. Uit het betoog van De Regenboog dat zij zich afvraagt of de eis om 10-15 fte in loondienst te hebben praktisch wel uitvoerbaar is omdat arbeidsverhoudingen vaak aan verandering onderhevig zijn, komt naar voren dat De Regenboog het met die eis niet eens is. Het is echter aan de gemeente als aanbestedende dienst om de eisen te bepalen. Zoals hiervoor al is overwogen gaat het hier om hoog specialistische jeugdzorg waaraan door de gemeente als aanbestedende dienst eisen mogen worden gesteld. Deze eis, die dient om de aanwezigheid van de benodigde zorg te waarborgen, is niet disproportioneel. Voor zover De Regenboog heeft willen betogen dat het onmogelijk is om aan deze eis te voldoen, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. Nog daargelaten dat zij dit dan vóór haar inschrijving aan de gemeente kenbaar had moeten maken.\n\n4.9.. Met betrekking tot haar inschrijving op segment V (logeeropvang) heeft De Regenboog erkend dat zij abusievelijk het cliëntenaantal niet heeft vermeld. Dit komt voor haar rekening en risico. De enkele verwijzing naar contractsmanagement om dit te herstellen is onvoldoende, temeer omdat De Regenboog heeft erkend dat het daarbij gaat om werkzaamheden die zij heeft uitgevoerd in een ander segment, namelijk segment B. De gemeente heeft De Regenboog terecht niet in de gelegenheid gesteld haar aanschrijving op dit punt aan te passen met nieuwe gegevens. Als aanbestedende dienst is de gemeente gebonden aan het gelijkheidsbeginsel en mag zij een inschrijver niet toestaan zijn\u002Fhaar inschrijving aan te passen of aan te vullen.\n\n4.10.. Uit het vorenstaande volgt dat de gemeente de inschrijving van De Regenboog op goede gronden heeft uitgesloten van verdere deelname. Dit betekent dat de vorderingen van De Regenboog worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.11.. \n\nDe Regenboog wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de kant van de gemeente begroot op:\n\ngriffierecht € 735,00\n\nsalaris advocaat € 1.177,00\n\nnakosten € 189,00\n\nTotaal € 2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen af,\n\n5.2.. veroordeelt De Regenboog in de proceskosten van de gemeente van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n1155\n\n MvT, Kamerstukken II, 32 027, nr. 3, p.6.\n\n Artikel 3.65a Aanbestedingswet 2012\n\n Artikel 10.3.4 van de leidraad","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7506","2026-07-13T00:29:46.456Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":82,"fullText":83,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":51,"updatedAt":86},"433","ECLI:NL:RBNHO:2026:6348","ecli-nl-rbnho-2026-6348","2026-06-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F375522 \u002F KG ZA 26-114\n\nVonnis in kort geding van 5 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nUITKIJKPOST MEDIA B.V.,\n\nte Heiloo,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Uitkijkpost,\n\nadvocaat: mr. C.S.G. de Lange,\n\ntegen\n\nGEMEENTE HEILOO,\n\nte Heiloo,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaat: mr. M.W. Langhout.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding\n\n- de akte overlegging producties 1 tot en met 15\n\n- producties 1 tot en met 5 van de zijde van de gemeente - de mondelinge behandeling van 23 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van Uitkijkpost - de pleitnota van de gemeente.\n\n1.2.. Voor de mondelinge behandeling op 23 april 2026 zijn verschenen namens Uitkijkpost de heer [betrokkene 1] (bedrijfsleider) en de heer [betrokkene 2] (aandeelhouder\u002Fdirecteur), bijgestaan door mr. De Lange voornoemd en namens de gemeente mevrouw [betrokkene 3] (inkoopadviseur), mevrouw [betrokkene 4] (inkoopadviseur) en mevrouw [betrokkene 5] (communicatieadviseur), bijgestaan door mr. Langhout voornoemd.\n\n1.3.. \n\nNadat partijen over en weer het woord gevoerd hebben is de verdere behandeling van de zaak pro forma aangehouden voor de duur van drie weken om partijen in de gelegenheid te stellen met elkaar en met Rodi Media in gesprek te gaan.\n\nIn een bericht van 22 mei 2026 heeft mr. Langhout, mede namens Uitkijkpost de voorzieningenrechter verzocht vonnis te wijzen.\n\n1.4.. Tenslotte is vonnis bepaald op heden.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De gemeente heeft in september 2024 een meervoudig onderhandse aanbesteding aangekondigd voor het publiceren van het gemeentenieuws in een lokale krant. Zij heeft Uitkijkpost en Rodi Media uitgenodigd om in te schrijven. Gunningscriterium was beste- prijs-kwaliteit-verhouding.\n\n2.2.. In een brief van 3 december 2024 heeft de gemeente aan Uitkijkpost meegedeeld dat zij voornemens was de opdracht te gunnen aan Rodi Media.\n\n2.3.. Uitkijkpost heeft tegen die gunningsbeslissing bezwaar gemaakt en de gemeente verzocht de voorgenomen gunningsbeslissing in te trekken. De gemeente heeft hieraan geen gevolg gegeven, waarna Uitkijkpost een kort geding procedure is begonnen tegen de gemeente. In het vonnis van 31 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter de gemeente veroordeeld zowel de gunningsbeslissing aan Rodi Media als de aanbesteding in te trekken.\n\n2.4.. In april 2025 hebben evaluatiegesprekken plaatsgevonden tussen de gemeente en Uitkijkpost en de gemeente en Rodi Media.\n\n2.5.. \n\nIn november 2025 heeft de gemeente opnieuw een onderhandse aanbesteding aangekondigd en zowel Uitkijkpost als Rodi Media uitgenodigd om in te schrijven.\n\nBeide inschrijvers hebben in de twee vragenrondes vragen gesteld over het Programma van Eisen en de deadline. Na de eerste vragenronde werd het Programma van Eisen aangepast. Nadat partijen in de volgende vragenronde opnieuw vragen hadden gesteld, heeft de gemeente op 20 januari 2026 deze aanbesteding ingetrokken met de mededeling dat een nieuwe aanbesteding zou volgen.\n\nUitkijkpost heeft tegen de mededeling dat de aanbesteding werd ingetrokken geen bezwaar gemaakt.\n\n2.6.. Op 28 januari 2026 heeft de gemeente een aanbesteding uitgeschreven voor advertentieruimte ten behoeve van gemeentelijke publicaties in een huis-aan-huisblad. De gemeente heeft Uitkijkpost en Rodi Media opnieuw uitgenodigd om in te schrijven. In deze aanbesteding heeft de gemeente niet langer concrete eisen gesteld wat betreft oplage, redactie inhoud en bezorging. Het gunningscriterium is ‘laagste prijs’.\n\n2.7.. In de eerste vragenronde hebben beide inschrijvers vragen gesteld over:\n\na. de oplage (aantallen);\n\nb. de planning; en,\n\nc. het ontbreken van eisen m.b.t. redactie inhoud, bezorging, etc.\n\nDe gemeente heeft in de Nota van Inlichtingen 1 (NvI 1) geantwoord dat dit allemaal de verantwoordelijkheid is van de inschrijvers, dat zij beide titels kent en genoeg informatie heeft over hoe beide titels inhoudelijk zijn.\n\n2.8.. Op 10 februari 2026 heeft Uitkijkpost schriftelijk formeel bezwaren geuit tegen de opzet van de aanbestedingsprocedure (gunning op basis van laagste prijs).\n\n2.9.. In een brief van 19 februari 2026 heeft de gemeente als volgt gereageerd op de door Uitkijkpost ingediende bezwaren.\n\n‘Zoals aangegeven in de Nota van Inlichtingen zijn er in Heiloo twee partijen die een huis-aan-huisblad verspreiden. Wij wensen ons gemeentelijk nieuws in één van deze bestaande bladen te laten plaatsen. Wij kennen beide bladen. Wij menen dat, mede gegeven de gestelde eisen, beide partijen de gevraagde kwaliteit kunnen leveren en ook dat de kwaliteit van beide partijen niet veel verschilt. Dat is dan ook de reden dat wij wensen te gunnen op basis van laagste prijs (bovenop de gestelde eisen, blijft er naar onze mening te weinig onderscheidend vermogen over.)\n\n2.10.. Op 5 maart 2026 heeft de gemeente bekend gemaakt dat zij voornemens is de gunning toe te kennen aan Rodi Media.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Uitkijkpost vordert – samengevat - dat de voorzieningenrechter bepaalt dat de gemeente gehouden is de gunningsbeslissing in te trekken en de aanbesteding in te trekken c.q. te beëindigen en verder bepaalt dat de tweede aanbesteding wordt voortgezet met inachtneming van dit vonnis of, indien er een nieuwe aanbesteding moet plaatsvinden, dit gebeurt met inachtneming van wat in dit vonnis is bepaald, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding.\n\n3.2.. Uitkijkpost legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de gemeente de tweede aanbesteding op 20 januari 2026 niet had mogen stopzetten, omdat geen van de in de jurisprudentie genoemde mogelijke aanleidingen voor het intrekken van een aanbestedingsprocedure, te weten:\n\na. de gemeente wil op basis van gewijzigde inzichten de specificaties van de opdracht aanpassen,\n\nb. de gemeente heeft niet langer behoefte aan de aanbestede opdracht,\n\nc. de ingediende prijzen overschrijden het budget van de gemeente,\n\nd. de aanbestedingsprocedure bevat gebreken (bijvoorbeeld tegenstrijdige of dubbelzinnige eisen),\n\ne. er is maar één (geldige) inschrijving ontvangen, waardoor het concurrentieniveau te laag was,\n\nzich heeft voorgedaan, zodat de gemeente de tweede aanbestedingsprocedure moet voortzetten. Uitkijkpost stelt verder dat zij tegen het stopzetten van die aanbestedingsprocedure ook nu nog bezwaar kan maken, omdat de gemeente geen Alcatel-termijn heeft gesteld bij haar beslissing om die procedure te beëindigen.\n\n3.3.. De gemeente voert verweer. Zij voert aan dat zij besloten heeft de tweede aanbesteding in te trekken, omdat zij bij heroverweging tot de conclusie is gekomen dat zij slechts advertentieruimte in een bestaand huis-aan-huisblad wenst in te kopen, zodat zij veel van de eerder gestelde eisen kon laten varen. Zij stelt verder dat Uitkijkpost haar recht om te klagen over de intrekking van de tweede aanbesteding heeft verwerkt door hier niet tijdig over te klagen. Zij verklaart dat op het moment van intrekking van de aanbesteding nog niet was gegund en betwist dat sprake is van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel of dat sprake is van favoritisme en\u002Fof manipulatie. Zij voert aan dat zij beide bestaande huis-aan-huisbladen kent, dat beide partijen de door de gemeente gevraagde kwaliteit kunnen leveren en dat zij wenst dat het gemeentelijk nieuws in één van deze bladen wordt geplaatst, waarvoor zij van beide partijen een prijs wil ontvangen, waarbij de vraag is wat het haar kost om in een van deze bladen een advertentie te plaatsen en dat het voor het antwoord op die vraag niet nodig is dat zij aangeeft hoeveel exemplaren er verspreid moeten worden.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Uitkijkpost daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. Het gaat hier om een aanbestedingsprocedure en het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering.\n\nHeeft Uitkijkpost tijdig geklaagd?\n\n4.2.. De gemeente heeft onder meer als verweer gevoerd dat Uitkijkpost te laat geklaagd heeft tegen het beëindigen van de tweede aanbesteding. Uitkijkpost heeft hierover gesteld dat zij ook nu nog kan klagen tegen de intrekking van die aanbesteding omdat de gemeente daarbij geen Alcatel-termijn had gesteld. Dit betoog slaagt niet. De gemeente heeft op 20 januari 2026 zowel Uitkijkpost als Rodi Media geïnformeerd dat de tweede aanbesteding werd ingetrokken. Op dat moment heeft Uitkijkpost tegen die beëindiging geen bezwaar gemaakt. Die bezwaren voert zij voor het eerst nu, nadat in de huidige aanbestedingsprocedure is gegund. In het Grossmann-arrestis geoordeeld dat van een deelnemer aan een aanbesteding een proactieve houding mag worden verwacht, zodat wordt voorkomen dat aanbestedingsprocedures onnodig worden vertraagd en wordt bewerkstelligd dat eventuele omissies in de procedure zodanig tijdig aan de orde worden gesteld dat zij nog (eenvoudig) kunnen worden hersteld. Dit is zowel in het belang van de aanbestedende dienst als van de (andere) deelnemers, omdat voorkomen wordt dat kosten worden gemaakt voor een procedure die niet aan eisen voldoet. Het tijdstip waarop over een bepaald aspect van een aanbestedingsprocedure moet worden geklaagd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin dient van een gegadigde te worden verwacht dat hij zijn bezwaren kenbaar maakt zo spoedig mogelijk nadat hij kennis had of had behoren te hebben van de gestelde gebreken in de procedure. Die proactieve houding mag ook worden wanneer een inschrijver het niet eens is met de intrekking van een aanbesteding. Dat is bij uitstek een beslissing waarvoor geldt dat de hiervoor omschreven ratio van de Grossmann exceptie van de inschrijver actie verlangt. Dit betekent dat wordt geoordeeld dat Uitkijkpost te laat heeft geklaagd. Haar vordering om te bepalen dat de tweede aanbesteding wordt voortgezet wordt dan ook afgewezen.\n\nZijn de klachten van Uitkijkpost terecht aangevoerd?\n\n4.3.. \n\nWat betreft de huidige aanbesteding heeft Uitkijkpost aangevoerd dat geen sprake is van een gelijk speelveld tussen de inschrijvers als uitsluitend wordt uitgegaan van de laagste prijs. Uitkijkpost heeft verklaard dat zij voor de druk van haar blad afhankelijk is van Rodi Rotatie en dat zij voor de verspreiding van haar blad deels gebruik maakt van Rodi Verspreiding, beiden onderdeel van de Rodi|Groep, zodat Rodi Media marktkennis heeft van Uitkijkpost, wat in haar voordeel werkt en heeft gewerkt omdat Rodi Media weet dat haar prijs 25 % goedkoper is dan de kostprijs van Uitkijkpost. Uitkijkpost stelt dat de gemeente hiervoor een maatregel had moeten treffen.\n\nDe gemeente heeft dit betwist. Zij heeft benadrukt dat beide inschrijvers de door haar gevraagde kwaliteit kunnen leveren en dat de kwaliteit van beide bladen niet veel verschilt, terwijl het aan een inschrijver is om te bepalen met welke prijs er wordt ingeschreven. Uitkijkpost had alle ruimte bij het aanbieden van haar prijs en had in beginsel ook\n\nstrategisch mogen inschrijven. De gemeente betwist dat zij vooraf wist dat Uitkijkpost een aanbesteding op basis van laagste prijs nooit zou kunnen winnen.\n\n4.4.. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Dat Uitkijkpost gebruik maakt van diensten van andere onderdelen van de Rodi Groep maakt dat Rodi Media Uitkijkpost met haar inschrijving concurrentie kon aandoen. Rodi Media is echter niet bekend geraakt met deze informatie in de aanbestedingsprocedure, zodat zij die informatie niet onrechtmatig heeft verkregen. De omstandigheid dat Uitkijkpost voor het drukken en verspreiden van haar blad gebruik maakt van diensten van de Rodi Groep, maakt nog niet dat dit de gemeente ervan had moeten weerhouden als gunningscriterium ‘laagste prijs’ te bepalen. Niet gesteld of gebleken is dat de gemeente er vooraf mee bekend was dat Uitkijkpost gebruik maakt van deze diensten van Rodi Media. Bovendien was Uitkijkpost er uit de eerdere aanbestedingen mee bekend dat alleen zij en Rodi Media waren uitgenodigd om in te schrijven. Uitkijkpost had kunnen proberen haar bedrijfsproces aan te passen door bijvoorbeeld een andere drukker te vinden voor haar blad. Dat zij dit niet heeft gedaan, dient voor haar rekening en risico te blijven. Dit betekent dat het verwijt van Uitkijkpost aan de gemeente niet terecht is.\n\n4.5.. \n\nOok heeft Uitkijkpost erover geklaagd dat de gemeente haar eis wat betreft de oplage van het blad heeft laten vallen. Zij heeft gesteld dat de gemeente wenst dat haar lokale nieuws haar inwoners bereikt maar dat Rodi Media met haar blad een veel lagere dekkingsgraad heeft dan Uitkijkpost, te weten een dekkingsgraad van circa 8.800 exemplaren tegenover circa 10.000 exemplaren en dat Rodi Media bepaalde wijken in de gemeente helemaal niet bedient. De gemeente heeft verklaard dat haar geen klachten bereikt hebben van inwoners dat bepaalde wijken niet door Rodi bediend worden en dat zij genoegen neemt met de lagere oplage van Rodi Media. Uitkijkpost heeft nog aangevoerd dat de omstandigheid dat de gemeente hierover geen klachten heeft ontvangen verklaarbaar is omdat Uitkijkpost deze wijken met haar blad op dit moment, zolang er nog geen uitsluitsel is over de uitkomst van de aanbesteding, nog wel bedient. Uitkijkpost heeft haar stelling over de lagere dekkingsgraad en het niet bedienen van sommige wijken door Rodi Media echter niet onderbouwd, zodat haar betoog op dit punt onvoldoende aannemelijk is en hieraan voorbij gegaan wordt.\n\nDaar komt bij dat de gemeente heeft verklaard dat zij de kleinere oplage van Rodi, van circa 8.800 exemplaren voldoende dekkingsgraad acht en erop heeft gewezen dat Rodi Media haar blad ook verspreidt door het neer te leggen op bepaalde ophaalpunten. Nu niet langer eisen worden gesteld aan de oplage is het de gemeente toegestaan dit uitgangspunt te hanteren.\n\nEr bestaat dan ook geen grond om te bepalen dat de gemeente gehouden is de gunningsbeslissing in te trekken en de vorderingen van Uitkijkpost worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.6.. Uitkijkpost krijgt ongelijk. Daarom moet zij de proceskosten betalen die tot op heden aan de zijde van de gemeente worden begroot op:\n\ngriffierecht € 735,00\n\nsalaris advocaat € 1.177,00\n\nnakosten € 189,00((plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen af,\n\n5.2.. veroordeelt Uitkijkpost in de proceskosten van de gemeente van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op\n\n5 juni 2026.\n\n1155\n\n HvJ EG 12 februari 2004, ECLI:EU:C:2004:93","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6348","2026-06-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.814Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":91,"fullText":92,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":51,"updatedAt":95},"432","ECLI:NL:RBDHA:2026:14211","ecli-nl-rbdha-2026-14211","2026-05-28T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam Handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F701658 \u002F KG ZA 26-293\n\nVonnis in kort geding van 28 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nMEHLER VARIO SYSTEM GMBHte Fulda (Duitsland),\n\neiseres,\n\nadvocaten mr. J.I. Kohlen en mr. T. Beetstra, beiden te Den Haag,\n\ntegen:\n\nPOLITIEte Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nadvocaten mr. I.J. van den Berge en mr. M.A. Visser, beiden te Zwolle,\n\nwaarin is tussengekomen:\n\nSIOEN N.V.te Ardooie (België),\n\nadvocaten mr. J.H.J. Bax en mr. P.M. Smits, beiden te Rotterdam.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Mehler’, ‘de Politie’ en ‘Sioen’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 20 maart 2026, met producties 1 tot en met 18;\n\n- de akte overlegging nadere producties 19 en 20 van de zijde van Mehler;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst, althans voeging van Sioen;\n\n- de schriftelijke reactie van de Politie, met producties A tot en met C, waarvan B in een herziene versie;\n\n- de door Sioen overgelegde producties 1 en 2;\n\n- de akte uitlaten en overlegging aanvullende producties 21 tot en met 24 van de zijde van Mehler.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling is gehouden op 7 mei 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van Mehler en de Politie het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.\n\n1.3.. Tijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot tussenkomst, althans voeging\n\n2.1.. Sioen heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Mehler en de Politie, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Politie. Ter zitting hebben Mehler en de Politie verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. Sioen is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Verder is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n3.1.. Op 5 juni 2024 heeft de Politie op TenderNed een Europese openbare aanbestedingsprocedure aangekondigd voor de opdracht met de titel “Kogel- en steekwerend vest met Molle-draagsysteem (KSWV) & opschalingsmodule (OM)”, hierna ‘de opdracht’. Het KSWV, ook wel veiligheidsvest genoemd, is een essentieel onderdeel van het uniform en de verplichte uitrusting van bewapende politiemedewerkers en bestaat uit een hoes en beschermende soft ballistische inlagen. De OM is een platendrager met harde ballistische platen voor extra bescherming, die over het KSWV wordt gedragen. Het doel van de aanbestedingsprocedure is het sluiten van een raamovereenkomst met een looptijd van zes jaar, met de optie tot verlenging (drie keer drie jaren).\n\n3.2.. De opdracht is nader omschreven in de Inschrijvingsleidraad van 13 februari 2025, hierna ‘de Inschrijvingsleidraad’, met bijlagen. Verder heeft de Politie in de Nota van Inlichtingen d.d. 13 juni 2024-13 juni 2025, hierna ‘de Nota van Inlichtingen’, vragen van potentiële inschrijvers beantwoord.\n\n3.3.. In paragraaf 1.2 van de Inschrijvingsleidraad is vermeld dat het KSWV wordt geleverd met drie verschillende hoezen: een politieblauwe hoes met gele Huisstijlstrepen, een fluogele hoes met high-vis Huisstijlstrepen voor hoge zichtbaarheid in het verkeer en\u002Fof in het donker en een witte hoes voor onder de kleding voor verdekte activiteiten en werkzaamheden. Deze laatste hoes wordt na de gunning van de opdracht in samenspraak met de opdrachtnemer ontwikkeld.\n\n3.4.. In paragraaf 1.4.4 van de Inschrijvingsleidraad is opgenomen:\n\n3.5.. In Bijlage 1B bij de Inschrijvingsleidraad zijn de Producteisen met betrekking tot de hoezen, platendrager en transporttassen vermeld. Onderdeel 3 van deze bijlage ziet op de kwaliteitseisen (materialen) KSWV-hoezen. Voor zover voor deze procedure van belang gaat het daarbij om de volgende Producteisen (waarvan de eerste vier kolommen worden weergegeven):\n\nDe eerste kolom geeft het nummer weer, de tweede kolom de “Omschrijving”, de derde kolom de “Technische eis” en de vierde kolom geeft de “Testmethode\u002FNorm\u002FWijze van controleren” weer. Vervolgens is per Producteis in respectievelijk de kolommen 6, 7 en 9 van de tabel vermeld dat de conformiteit aan de betreffende Producteis moet worden aangetoond door middel van Samples (kolom 6), die moeten worden ingediend bij inschrijving (kolom 7) en “Niet conform is terzijde legging”(kolom 9).\n\n3.6.. In hoofdstuk 2 van de Inschrijvingsleidraad is beschreven dat Fase 1 van de beoordeling van de inschrijvingen bestaat uit de “Technische beoordeling of Product voldoet aan Producteisen (inclusief een wastest)”, dat per inschrijving vijf Samples van het KSWV (alleen de politieblauwe en fluogele hoezen) een wastest ondergaan zonder soft ballistische inlage en dat alleen inschrijvingen waarvan de Samples de wastest met een positief resultaat doorstaan en die aan alle andere aan de inschrijving gestelde eisen en Producteisen voldoen, voor beoordeling van de gunningscriteria in Fase 2 in aanmerking komen.\n\n3.7.. In paragraaf 3.2.1 van de Inschrijvingsleidraad is onder meer vermeld dat de inschrijver door een rechtsgeldig ondertekende Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) verklaart dat hij akkoord gaat met al het gestelde in de aanbestedingsstukken. In paragraaf 5.2 van de Inschrijvingsleidraad is meegedeeld dat de Politie een proactieve houding van de inschrijvers verwacht en dat eventuele onduidelijkheden, onvolkomenheden of tegenstrijdigheden in de aanbestedingsstukken uiterlijk op 30 mei 2025 moeten worden gemeld, waarna de inschrijvers hun recht verliezen om alsnog bezwaar te maken tegen (de gevolgen van) eventuele schendingen van het (aanbestedings)recht en geacht worden onverkort en onvoorwaardelijk met de inhoud van die stukken te hebben ingestemd.\n\n3.8.. Uit de antwoorden op de vragen 212 en 217 van de Nota van Inlichtingen volgt dat de testen van de Samples worden ondergebracht bij het EN-ISO 17025-geaccrediteerde laboratorium [bedrijf] , gevestigd in [vestigingsplaats] (hierna ‘ [bedrijf] ’), dat de testen die dit laboratorium zelf onder accreditatie kan testen door haar worden uitgevoerd en dat de testen die dit laboratorium niet zelf onder accreditatie kan testen zullen worden ondergebracht bij een ander EN-ISO 17025-geaccrediteerd laboratorium.\n\n3.9.. Mehler heeft tijdig een inschrijving voor de opdracht ingediend. Bij brief van 25 februari 2026 heeft de Politie aan Mehler kenbaar gemaakt dat de inschrijving van Mehler terzijde is gelegd, dat Mehler is uitgesloten van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure en dat de Politie voornemens is de opdracht te gunnen aan Sioen (hierna ‘de voorlopige gunningsbeslissing’). In de voorlopige gunningsbeslissing heeft de Politie aan Mehler meegedeeld dat tijdens de controle\u002Fbeoordeling door [bedrijf] is geconstateerd dat drie van de vijf door Mehler ingeleverde Samples 3-4 scoren met betrekking tot de Producteisen 3.28 en 3.30. Voor de onderbouwing van de beoordeling heeft de Politie in de voorlopige gunningsbeslissing verwezen naar Bijlage 2 bij de voorlopige gunningsbeslissing, te weten het verslag van het op 4 september 2025 door [bedrijf] uitgevoerde onderzoek, hierna ‘het Onderzoeksverslag’. Verder heeft de Politie er in de voorlopige gunningsbeslissing op gewezen dat de beoordeling volledig geanonimiseerd heeft plaatsgevonden en dat daartoe aan de Samples van Mehler de letter ‘P’ is toegekend.\n\n3.10.. In het Onderzoeksverslag heeft [bedrijf] de onderzoeksresultaten met betrekking tot de door Mehler (inschrijver ‘P’) ingediende Samples vermeld.\n\n3.11.. Bij brief van 3 maart 2026 heeft Mehler aan de Politie kenbaar gemaakt dat zij zich niet kan verenigen met de terzijdelegging van haar inschrijving en haar uitsluiting van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure. In die brief heeft Mehler aan de Politie meegedeeld dat zij de fluogele stof van haar Samples heeft ingekocht bij een gerenommeerde leverancier (Utexbel), dat zij deze stof heeft laten testen door een onafhankelijk laboratorium, te weten WKS Labservice in Duitsland (hierna ‘WKS’), en dat die test een score van 4-5 laat zien. Ter onderbouwing heeft Mehler een testrapport van WKS van 25 april 2025 als bijlage bij de brief aan de Politie toegestuurd. Verder heeft Mehler er in de brief op gewezen dat Sioen haar producten regelmatig door [bedrijf] laat testen, zodat [bedrijf] bekend is met de producten en materialen van Sioen, en dat Mehler zich daarom afvraagt of bij de beoordeling van de Samples sprake is geweest van een gelijke behandeling van de inschrijvers. Ten slotte heeft Mehler de Politie gevraagd om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en om de procedure met betrekking tot de wastest te verduidelijken door het beantwoorden van de in de brief vermelde vragen en heeft zij verzocht om de Samples aan Mehler te retourneren, zodat zij deze kan laten controleren door een onafhankelijk laboratorium.\n\n3.12.. In reactie op de in 3.11. bedoelde brief van Mehler heeft de Politie bij brief van 9 maart 2026 aan Mehler meegedeeld dat de Politie de voorlopige gunningsbeslissing niet zal intrekken, dat de beoordeling van alle inschrijvingen correct en conform de in de aanbestedingsstukken voorgeschreven procedures heeft plaatsgevonden en dat de voorlopige gunningsbeslissing voldoende is gemotiveerd. Daarbij heeft de Politie onder meer toegelicht dat er geen reden is om te twijfelen aan de integriteit van [bedrijf] , omdat [bedrijf] een onafhankelijk geaccrediteerd laboratorium is, dat de testen geanonimiseerd hebben plaatsgevonden, dat alle testen exclusief bij [bedrijf] zijn uitgevoerd en dat Mehler de ongewassen Samples retour kan krijgen. Verder heeft de Politie opgemerkt dat niet te controleren is welke stoffen Mehler door WKS heeft laten testen en heeft zij de door Mehler in haar brief van 3 maart 2026 gestelde vragen beantwoord. Daarbij heeft de Politie onder meer het volgende geanonimiseerde overzicht van de scores van de inschrijvers met betrekking tot de Producteisen 3.28 en 3.30 opgenomen:\n\nTen slotte heeft de Politie voor zover voor deze procedure van belang het volgende in de brief vermeld:\n\n3.13.. Mehler heeft op 18 maart 2026 via het digitale platform Mercell een bericht aan de Politie gestuurd, waarin zij een tweetal punten uit haar brief van 3 maart 2026 heeft verduidelijkt. Daarbij heeft zij er op gewezen dat zij een fluogeel vest uit dezelfde batch als de Samples door WKS heeft laten testen en dat Mehler naast de ongewassen Samples ook de gewassen Samples wil kunnen inspecteren, om de Politie ervan te overtuigen dat de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler onterecht is geweest.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. Mehler vordert – zakelijk weergegeven – primairde Politie te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler ongedaan te maken, Mehler toe te laten tot Fase 2 en haar inschrijving volledig te beoordelen in overeenstemming met hoofdstuk 2 van de Inschrijvingsleidraad;subsidiairde Politie te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken, evenals de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler, vijf van de door Mehler ingediende fluogele hoezen opnieuw te laten beoordelen door middel van een wastest bij een EN-ISO 17025-geaccrediteerde instantie, anders dan [bedrijf] , deze resultaten in de plaats te stellen van het Onderzoeksverslag en mee te wegen in de beoordeling van de inschrijving van Mehler en, als is bevestigd dat Mehler aan de Producteisen in Fase 1 voldoet, Mehler toe te laten tot Fase 2 en de inschrijving van Mehler volledig te beoordelen in overeenstemming met hoofdstuk 2 van de Inschrijvingsleidraad, waarbij de Politie moet waarborgen dat de Gebruikerstest anoniem en zonder vooringenomenheid zal plaatsvinden enmeer subsidiairde Politie te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en tot heraanbesteding over te gaan, voor zover de Politie de opdracht nog wil aanbesteden, althans een in goede justitie te bepalen andere voorziening te treffen, een en ander met veroordeling van de Politie in de proceskosten.\n\n4.2.. Daartoe stelt Mehler – samengevat – het volgende. De Politie heeft de inschrijving van Mehler terzijde gelegd, omdat deze volgens de Politie niet aan de Producteisen 3.28 en 3.30 voldoet. Mehler heeft echter twijfels over de manier waarop de wastest is uitgevoerd en hoe [bedrijf] tot haar eindoordeel is gekomen. Het door [bedrijf] opgestelde Onderzoeksverslag is ondeugdelijk gemotiveerd en niet te controleren. Daarmee voldoet de voorlopige gunningsbeslissing niet aan de vereiste normen van zorgvuldigheid en een deugdelijke motivering en deze kan de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler dan ook niet dragen. Verder heeft de Politie gehandeld in strijd met haar zorgvuldigheids- en motiveringsplicht door na te laten om nader onderzoek te doen naar de uitkomst van de wastest. Mehler heeft immers het testrapport van WKS aan de Politie verstrekt, waaruit blijkt dat het fluogele vest van Mehler wel voldoet aan de Producteisen. De Politie had Mehler in ieder geval in de gelegenheid moeten stellen om de testresultaten van [bedrijf] te controleren. Ten slotte had de Politie moeten onderzoeken en bevestigen dat er geen (schijn van) belangenverstrengeling is (geweest) bij [bedrijf] in het kader van het uitvoeren van de wastest.\n\n4.3.. De Politie concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Mehler in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Mehler in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van de Politie zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.\n\n4.4.. Sioen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Mehler, althans tot afwijzing van de vorderingen van Mehler. Ook het verweer van Sioen zal hierna, voor zover nodig, worden besproken. Verder vordert Sioen (1) Mehler te gebieden om te gehengen en te gedogen dat de Politie een overeenkomst met Sioen sluit, althans de opdracht definitief aan Sioen gunt, een en ander voor zover de Politie nog een overeenkomst wenst te sluiten, en (2) de Politie te gebieden om de gunningsbeslissing in stand te laten en de opdracht definitief aan Sioen te gunnen, een en ander voor zover de Politie nog een overeenkomst wenst te sluiten, met veroordeling van Mehler in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen de wettelijke rente, en met compensatie van proceskosten in de relatie tussen Sioen en de Politie.\n\n4.5.. Verkort weergegeven stelt Sioen daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van Mehler, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.\n\n4.6.. Voor zover nodig zullen de standpunten van Mehler en de Politie met betrekking tot de vorderingen van Sioen hierna worden besproken.\n\n5. De beoordeling van het geschil\n\n5.1.. In deze procedure moet (samengevat) worden beoordeeld of er aanleiding bestaat om de Politie te verplichten om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken, om Mehler toe te laten tot Fase 2 en haar inschrijving volledig te beoordelen, althans om de fluogele hoezen van Mehler opnieuw te laten beoordelen en Mehler bij een positief resultaat toe te laten tot Fase 2, althans om de opdracht opnieuw aan te besteden. Daartoe zullen de door Mehler naar voren gebrachte bezwaren achtereenvolgens worden besproken.\n\nHet Onderzoeksverslag en de motivering van de voorlopige gunningsbeslissing\n\n5.2.. Mehler heeft gesteld dat de terzijdelegging van haar inschrijving onterecht is geweest, omdat deze niet is gebaseerd op een controleerbare en deugdelijke motivering. Volgens Mehler voldoet het Onderzoeksverslag niet aan de daarvoor geldende marktstandaarden, zodat het niet kan dienen als grondslag voor de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler. Onder verwijzing naar een verklaring van Weber & Leucht, een EN-ISO 17025-geaccrediteerd laboratorium in Duitsland, heeft Mehler erop gewezen dat het met name bij fluogele vesten, vanwege de eigenschappen van de stof, essentieel is dat extra maatregelen worden genomen om tot een juiste testuitslag te komen, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de verlichting en de testomstandigheden, maar dat die aspecten en de omstandigheden waaronder de Samples zijn gedroogd en bewaard in het Onderzoeksverslag niet terugkomen. Daar komt volgens Mehler nog bij dat de door de Politie gekozen beoordelingsmethode, waarbij de kleurverandering wordt beoordeeld aan de hand van een grijsschaal, een subjectief element heeft, waardoor extra waarborgen zijn vereist die niet uit het Onderzoeksverslag blijken. Verder heeft Mehler uiteengezet dat uit diverse deskundigenverklaringen, die zij als producties in het geding heeft gebracht, volgt dat elke laboratoriummethode een meetonzekerheid kent, die over het algemeen 0,5 punt bedraagt, zodat de door Mehler behaalde score van 3-4 (met een grenswaarde van 4) alsnog als een voldoende moet worden beschouwd. Met betrekking tot de in het Onderzoeksverslag opgenomen foto’s heeft Mehler opgemerkt dat deze geen duiding geven en daarom niet kunnen bevestigen of de wastest juist is uitgevoerd. Ten slotte heeft Mehler tijdens de mondelinge behandeling nog gesteld dat onduidelijk is welk Sample [bedrijf] als origineel heeft gebruikt voor de vergelijking met de vijf gewassen Samples, omdat alle door Mehler speciaal ten behoeve van de wastest ingediende Samples door [bedrijf] zijn gewassen, dat niet duidelijk is of [bedrijf] een vergelijking heeft gemaakt tussen de gewassen Samples en dat evenmin duidelijk uit het Onderzoeksverslag blijkt dat en op welke wijze de testen door twee ervaren beoordelaars zijn uitgevoerd.\n\n5.3.. In paragraaf 1.4.4 van de Inschrijvingsleidraad is vermeld dat tijdens de technische beoordeling een wastest met de politieblauwe en fluogele hoezen wordt uitgevoerd en in hoofdstuk 2 van de Inschrijvingsleidraad is toegelicht dat die wastest wordt gedaan met het oog op de beoordeling van de inschrijvingen op de Producteisen. Vervolgens zijn de Producteisen beschreven in Bijlage IB bij de Inschrijvingsleidraad, voor deze kortgedingprocedure meer in het bijzonder de Producteisen 3.28 tot en met 3.31, waarbij is vermeld dat de conformiteit aan de Producteisen bij de inschrijving door middel van Samples moet worden aangetoond en dat de inschrijving terzijde wordt gelegd als deze niet conform is (zie hiervoor in randnummer 3.5.). De Politie heeft onbetwist aangevoerd dat Mehler weliswaar een vraag heeft gesteld over het aanleveren van de Samples ten behoeve van de wastest, maar dat zij geen vragen heeft gesteld over de in dit onderdeel van de Producteisen beschreven testmethode, de toepasselijke norm en de wijze van controleren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Politie er in dit verband, onder verwijzing naar paragraaf 3.2.1 en paragraaf 5.2 van de Inschrijvingsleidraad, terecht op gewezen dat Mehler door een UEA te ondertekenen akkoord is gegaan met de inhoud van de aanbestedingsstukken, waaronder de beoordelingsmethodiek zoals weergegeven in de vierde kolom van onderdelen 3.28 tot en met 3.31 van Bijlage 1B, en dat Mehler haar bezwaren met betrekking tot de daar beschreven wijze waarop de wastest zou worden uitgevoerd, inclusief de toepasselijke normen zoals vermeld in de Producteisen 3.28 tot en met 3.31 , eerder aan de Politie kenbaar had moeten maken, dan wel voorafgaand aan de inschrijving in een kortgedingprocedure aan de orde had moeten stellen. Dat geldt ook voor de voor het eerst in deze procedure door Mehler naar voren gebrachte bezwaren tegen het Onderzoeksverslag. De Politie heeft er terecht op gewezen dat in de toepasselijk verklaarde norm EN-ISO 6330:2021 in paragraaf 11 voorschriften zijn opgenomen ten aanzien van het opstellen van de onderzoeksrapportage en dat Mehler ook daarover op voorhand niet heeft geklaagd en daar ook geen vragen over heeft gesteld. Het voorgaande betekent dat Mehler haar rechten heeft verwerkt voor zover zij heeft gesteld dat het Onderzoeksverslag, en naar de voorzieningenrechter begrijpt, daarmee ook het onderzoek zelf, niet voldoet aan de geldende marktstandaarden, dat in het Onderzoeksverslag ontbreekt onder welke omstandigheden de Samples zijn getest, gedroogd en bewaard en dat in het Onderzoeksverslag niet is vermeld of extra waarborgen zijn ingebouwd om een subjectief element bij de beoordeling van kleurveranderingen te ondervangen.\n\n5.4.. Voor zover de door Mehler geuite bezwaren zien op de vraag of de wastest zorgvuldig en in overeenstemming met de aanbestedingsstukken is uitgevoerd en op de vraag of haar inschrijving op basis van de resultaten van de wastest terzijde mocht worden gelegd, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.\n\n5.5.. De Politie heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende onderbouwd dat het Onderzoeksverslag voldoet aan de daaraan op grond van de toepasselijke EN-ISO-normen gestelde eisen en dat het enkele ontbreken van bepaalde elementen in het Onderzoeksverslag, zoals het aantal getrainde beoordelaars dat de meting heeft verricht en of er tussen hen consensus was, anders dan Mehler heeft gesuggereerd, niet betekent dat moet worden getwijfeld aan de juistheid of de zorgvuldigheid van dat verslag. Daar komt nog bij dat de Politie heeft toegelicht dat de toepasselijke EN-ISO-normen niet voorschrijven dat de wastest door twee beoordelaars wordt uitgevoerd en dat de Politie alleen uit zorgvuldigheid heeft gekozen voor een ‘review’ van het oordeel van de beoordelaar door een tweede beoordelaar.\n\n5.6.. Verder heeft de Politie uiteengezet dat de oorspronkelijk norm in Producteis 3.28, inhoudende dat na de uitgevoerde wastest minimaal vier hoezen zonder Molle-draagysteem een score van 4-5 of hoger moesten hebben en dat één hoes de score 4 mocht hebben, overeenkomstig Producteis 3.28 is aangepast naar een score van minimaal 4 voor vijf hoezen, omdat de Samples van vijf inschrijvers de oorspronkelijk norm niet haalden. De Politie heeft daarbij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de mogelijke gevolgen van een meetonzekerheid al heeft ondervangen door het aanpassen van de norm, dat de mogelijkheid daartoe transparant aan de inschrijvers bekend is gemaakt in Producteis 3.28 en dat het opnieuw aanpassen van de norm, zoals Mehler nu voorstelt, alleen al niet mogelijk is omdat daarmee sprake zou zijn van schending van het transparantie- en het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van partijen die dachten de norm niet te kunnen halen en daarom hebben afgezien van inschrijving. Hiertegenover heeft Mehler onvoldoende concreet gemaakt dat de Politie in strijd handelt met het zorgvuldigheidsbeginsel door de in het Onderzoeksverslag vermelde testuitslagen tot uitgangspunt te nemen en deze niet te corrigeren en heeft zij onvoldoende gesteld ter rechtvaardiging van haar standpunt dat haar score 3-4 alsnog als ‘voldoende’ moet worden beschouwd.\n\n5.7.. Met betrekking tot de stelling van Mehler dat de in het Onderzoeksverslag opgenomen foto’s geen duiding geven en niet laten zien dat de wastest op de juiste wijze is uitgevoerd, overweegt de voorzieningenrechter dat de Politie in dit verband voldoende heeft onderbouwd dat het Onderzoeksverslag op grond van de toepasselijke EN-ISO-normen geen foto’s hoefde te bevatten en dat [bedrijf] de foto’s onverplicht in het Onderzoeksverslag heeft opgenomen. Daarbij heeft de Politie toegelicht dat die foto’s niet bedoeld zijn om de resultaten van de test te verifiëren, maar als extra waarborg om aan de Politie te laten zien dat het geteste vest hoort bij de geanonimiseerde inschrijver ‘P’, te weten Mehler. Aan deze stelling van Mehler wordt dan ook voorbijgegaan.\n\n5.8.. Ten slotte heeft de Politie tegenover het betoog van Mehler dat onduidelijk is welk Sample [bedrijf] als origineel heeft gebruikt voor de vergelijking met de vijf gewassen Samples voldoende onderbouwd dat Mehler meerdere Samples heeft aangeleverd, waarvan er vijf specifiek bedoeld waren voor de wastest, en dat een Sample uit de overige niet specifiek voor de wastest door Mehler ingediende Samples is gebruikt om de gewassen Samples mee te vergelijken. Tussen partijen is niet in geschil dat alle ingediende Samples aan de Producteisen moesten voldoen, ongeacht of zij bedoeld waren voor de wastest of niet. Bij die stand van zaken valt niet in te zien waarom de Politie als vergelijkingsvest niet een Sample mocht gebruiken dat Mehler niet specifiek voor de wastest had ingediend. Bovendien heeft Mehler nagelaten om voorafgaand aan de inschrijving vragen te stellen over het vergelijkingsvest, terwijl dit gelet op het bepaalde met betrekking tot rechtsverwerking in de paragrafen 3.2.1 en 5.2 van de Inschrijvingsleidraad wel op haar weg had gelegen. Ook dit argument kan Mehler daarom niet baten.\n\n5.9.. Tegen de achtergrond van het voorgaande heeft Mehler niet aannemelijk gemaakt dat het Onderzoeksverslag gebrekkig of in strijd met de aanbestedingsstukken is en evenmin dat dit de conclusie van terzijdelegging van haar inschrijving niet kan dragen.\n\nNader onderzoek?\n\n5.10.. Mehler heeft betoogd dat het door haar aan de Politie verstrekte testrapport van WKS voor de Politie aanleiding had moeten zijn om nader onderzoek te doen naar de in het Onderzoeksverslag vermelde resultaten en de door [bedrijf] uitgevoerde wastest en daarmee naar de vraag of de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler in stand kan blijven. Daarnaast heeft Mehler gesteld dat de Politie haar in ieder geval in de gelegenheid had moeten stellen om haar gewassen Samples, althans twee ongewassen Samples, te controleren om de uitkomst van de wastest te verifiëren of door een andere geaccrediteerde instantie te laten overdoen. Volgens Mehler zou zij aan de hand van die Samples kunnen aantonen dat haar inschrijving wel aan de Producteisen voldoet. De Politie heeft op dit punt onzorgvuldig gehandeld, te meer omdat een andere inschrijver zijn (gewassen) Samples wel heeft mogen inspecteren, aldus Mehler.\n\n5.11.. \n\nDe Politie heeft voldoende onderbouwd dat zij op basis van het door Mehler als bijlage bij haar brief van 3 maart 2026 aan de Politie verstrekte testrapport van WKS geen nader onderzoek hoefde te doen naar de uitkomst van de door [bedrijf] uitgevoerde wastest.\n\nDe voorzieningenrechter acht in dit verband relevant dat de Politie erop heeft gewezen dat WKS maar één vest heeft getest, in plaats van de vijf vesten die door [bedrijf] zijn getest, zodat niet aannemelijk is dat het door WKS opgestelde rapport voldoende representatief is. Daar komt nog bij dat WKS een ander Sample heeft getest dan de Samples die Mehler bij de Politie heeft ingediend. Hoewel Mehler heeft gesteld dat het door WKS geteste Sample afkomstig is uit dezelfde batch als de Samples die [bedrijf] heeft getest, kan niet worden uitgesloten dat sprake is van verschillen die tot een afwijkend resultaat hebben geleid. Daarmee is het door WKS opgestelde testrapport niet in voldoende mate vergelijkbaar met het testrapport van [bedrijf] en alleen al daarom hoefde de Politie naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen acht te slaan op het testrapport van WKS of nader onderzoek te doen naar de door [bedrijf] uitgevoerde wastest.\n\n5.12.. Anders dan Mehler heeft gesteld valt evenmin in te zien op grond waarvan de Politie gehouden was om Mehler in de gelegenheid te stellen om gewassen en ongewassen Samples te (laten) onderzoeken, om zo de testresultaten van [bedrijf] te verifiëren en de Politie ervan te overtuigen dat de inschrijving van Mehler niet terzijde had mogen worden gelegd. De Politie heeft voldoende toegelicht dat de gewassen Samples bij de Politie moeten blijven in verband met een eventuele (interne) controle of audit, en dat het verstrekken van Samples aan Mehler hoe dan ook niet tot geldigheid van de inschrijving van Mehler kan leiden, omdat door de Politie niet kan worden gecontroleerd of Mehler daadwerkelijk de van de Politie retour ontvangen Samples laat testen en evenmin aan de hand van welke methode dat zou zijn gebeurd. Tegenover de stelling van Mehler dat een andere inschrijver wel de gelegenheid heeft gekregen om Samples te inspecteren heeft de Politie genoegzaam uiteengezet dat de betreffende inschrijver op de politielocatie gewassen Samples heeft bekeken en dat de Samples ook aan die inschrijver niet ter beschikking zijn gesteld. Hiertegenover heeft Mehler niet aannemelijk gemaakt dat de Politie, zoals Mehler heeft gesteld, met twee maten meet.\n\nOnderzoek naar belangenverstrengeling?\n\n5.13.. Ten slotte heeft Mehler betoogd dat [bedrijf] een structurele commerciële relatie met Sioen onderhoudt en dat zij uit de markt heeft begrepen dat Sioen haar wastesten regelmatig door [bedrijf] laat uitvoeren. Volgens Mehler heeft zij de Politie hier op gewezen, maar heeft de Politie nagelaten om nader onderzoek te doen om (de schijn van) belangenverstrengeling, vooringenomenheid of willekeur te voorkomen. Verder heeft Mehler gesteld dat zij haar twijfels heeft met betrekking tot de anonimiteit van de uitgevoerde wastest, omdat [bedrijf] gelet op haar relatie met Sioen waarschijnlijk in staat is geweest om aan de hand van de constructie, de materiaalsamenstelling en de afwerking de herkomst van het vest van Sioen vast te stellen, waardoor Sioen in deze aanbestedingsprocedure mogelijk een oneigenlijk voordeel heeft gehad.\n\n5.14.. De Politie heeft allereerst terecht naar voren gebracht dat Mehler, hoewel zij er gelet op de antwoorden op de vragen 212 en 217 in de Nota van Inlichtingen (zie hiervoor in randnummer 3.8.) mee bekend kon zijn dat [bedrijf] de wastest zou uitvoeren, dit punt pas na de inschrijvingsdatum heeft opgeworpen, zodat de Politie daarmee eerder geen rekening heeft kunnen houden. Daarnaast heeft de Politie aangevoerd dat de stelling van Mehler bovendien is gebaseerd op niet-onderbouwde vermoedens en aannames en dat Mehler daarmee geen objectieve gegevens heeft verstrekt op grond waarvan aan de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van [bedrijf] moet worden getwijfeld. Ten slotte heeft de Politie voldoende onderbouwd dat de wastest anoniem heeft plaatsgevonden door het toekennen van de letters D, H, J, O, P, Q en R aan de van de diverse inschrijvers afkomstige Samples en dat de test is verricht door een geaccrediteerd onderzoekslaboratorium, waarbij die accreditatie waarborgt dat de test onafhankelijk en onpartijdig wordt uitgevoerd.\n\n5.15.. Hiertegenover heeft Mehler niet aannemelijk gemaakt dat aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van [bedrijf] moest worden getwijfeld. Bij die stand van zaken bestaat voor een nader onderzoek door de Politie geen aanleiding.\n\nSlotsom en proceskosten\n\n5.16.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van Mehler worden afgewezen.\n\n5.17.. Nu de Politie voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan Sioen, brengt voormelde beslissing mee dat Sioen geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. Sioen zal worden veroordeeld in de kosten van de Politie, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Politie als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet Mehler in haar verhouding tot Sioen worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Sioen was immers te voorkomen dat de opdracht aan Mehler zou worden gegund, welk doel is bereikt. Mehler zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van Sioen. Verder zal Mehler, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Politie.\n\n5.18.. De proceskosten van zowel de Politie als Sioen worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,--\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,--\n\n- nakosten\n\n€ 189,--\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,--\n\n5.19.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. wijst het gevorderde af;\n\n6.2.. veroordeelt Sioen voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen tegen de Politie in de kosten van de Politie, tot dusver begroot op nihil;\n\n6.3.. veroordeelt Mehler in de overige proceskosten van zowel de Politie als Sioen, ten behoeve van zowel de Politie als Sioen begroot op € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Mehler niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Mehler € 98,-- extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.4.. veroordeelt Mehler in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.5.. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.\n\nmvt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14211","2026-05-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.714Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":91,"fullText":100,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":51,"updatedAt":102},"438","ECLI:NL:RBDHA:2026:14207","ecli-nl-rbdha-2026-14207","Rechtbank den haag\n\nTeam Handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F701618 \u002F KG ZA 26-289\n\nVonnis in kort geding van 28 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nCOONEEN PROTECTION LTD., gevestigd in het Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland),\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. E. Verweij te Amsterdam,\n\ntegen:\n\n1. POLITIE te Den Haag,\n\n2. DE STAAT DER NEDERLANDEN(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Korps Politiediensten Caribisch Nederland (KPCN), Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Nederlandse Arbeidsinspectie en Ministerie van Justitie en Veiligheid, Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)).\n\ngedaagden,\n\nadvocaten mr. I.J. van den Berge en mr. M.A. Visser, beiden te Zwolle,\n\nwaarin is tussengekomen:\n\nSIOEN N.V.te Ardooie (België),\n\nadvocaat mr. J.H.J. Bax te Rotterdam.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Cooneen’, ‘de Politie’, ‘de Staat’ en ‘Sioen’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaardingen van 20 maart 2026, met producties 1 tot en met 20;\n\n- een aan de Staat betekend herstelexploot van 24 april 2026, waarin de woorden ‘rechtspersoon met wettelijke taak’, die in de oorspronkelijk aan de Staat betekende dagvaarding bij de vermelding van de Staat als gedaagde waren opgenomen, zijn weggelaten;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst, althans voeging van Sioen;\n\n- de schriftelijke reactie van gedaagden, met producties A tot en met C;\n\n- de door Cooneen overgelegde aanvullende producties 21 tot en met 23;\n\n- de door gedaagden overgelegde aanvullende productie D.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling is gehouden op 7 mei 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van Cooneen en gedaagden het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.\n\n1.3.. \n\nTijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot tussenkomst, althans voeging, en het debat over de door Cooneen overgelegde producties\n\n2.1.. Sioen heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Cooneen en gedaagden, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Politie. Ter zitting hebben Cooneen en gedaagden verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. Sioen is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Verder is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.\n\n2.2.. De advocaat van Sioen heeft er bij aanvang van de mondelinge behandeling op gewezen dat Cooneen niet al haar producties met Sioen heeft gedeeld. Uit een bericht van de advocaat van Cooneen, dat op 6 mei 2026 is geüpload in het digitale dossier, blijkt dat Cooneen de producties 9 tot en met 14, 22 en 23 niet aan Sioen beschikbaar heeft gesteld. De advocaat van Sioen heeft verzocht om op die stukken te mogen reageren, voor zover deze voor het debat nodig zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Cooneen stellingen naar voren gebracht, gebaseerd op met name haar producties 10 en 23. Nadat de voorzieningenrechter partijen had meegedeeld geen acht te kunnen slaan op die producties, tenzij deze alsnog zouden worden gedeeld met Sioen, heeft Cooneen zich bereid verklaard om de producties 10 en 23 aan Sioen te verstrekken. Dat heeft Cooneen vervolgens gedaan tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling. Tijdens deze schorsing heeft Sioen deze producties bestudeerd en zij heeft daarop in haar tweede termijn gereageerd.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n3.1.. Op 27 februari 2025 heeft de Politie op TenderNed een Europese openbare aanbestedingsprocedure aangekondigd voor de opdracht met de titel “Kogel- en steekwerend vest met Molle-draagsysteem (KSWV) & opschalingsmodule (OM)”, hierna ‘de opdracht’. Het KSWV, ook wel veiligheidsvest genoemd, is een essentieel onderdeel van het uniform en de verplichte uitrusting van bewapende politiemedewerkers en bestaat uit een hoes en beschermende soft ballistische inlagen. De OM is een platendrager met harde ballistische platen voor extra bescherming, die over het KSWV wordt gedragen. Het doel van de aanbestedingsprocedure is het sluiten van een raamovereenkomst met een looptijd van zes jaar, met de optie tot verlenging (drie keer drie jaren).\n\n3.2.. De opdracht is nader omschreven in de Inschrijvingsleidraad van 13 februari 2025, hierna ‘de Inschrijvingsleidraad’, met bijlagen. Verder heeft de Politie in de Nota van Inlichtingen d.d. 13 juni 2024-13 juni 2025, hierna ‘de Nota van Inlichtingen’, vragen van potentiële inschrijvers beantwoord.\n\n3.3.. In paragraaf 1.2 van de Inschrijvingsleidraad is vermeld dat het KSWV wordt geleverd met drie verschillende hoezen: een politieblauwe hoes met gele Huisstijlstrepen, een fluogele hoes met high-vis Huisstijlstrepen voor hoge zichtbaarheid in het verkeer en\u002Fof in het donker en een witte hoes voor onder de kleding voor verdekte activiteiten en werkzaamheden. Deze laatste hoes wordt na de gunning van de opdracht in samenspraak met de opdrachtnemer ontwikkeld.\n\n3.4.. De opdracht wordt volgens paragraaf 2 van de Inschrijvingsleidraad gegund aan de inschrijver die de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding, met hierin opgenomen de Gunningscriteria Prijs en Kwaliteit 1 tot en met 5. De kwalitatieve gunningscriteria zijn: K1 Draagcomfort, K2 Gebruiksgemak, K3 Uiterlijk, K4 Algehele beoordeling en K5 Slijtage-simulatietest. De beoordeling met betrekking tot gunningscriterium K5 wordt uitgevoerd door TNO.\n\n3.5.. In paragraaf 2.2. van de Inschrijvingsleidraad is beschreven dat de beoordeling van de inschrijvingen voor wat betreft de gunningscriteria K1 tot en met K4 plaatsvindt door middel van een gebruikerstest. Voor die gebruikerstest moesten de inschrijvers bij hun inschrijving 30 samples van het veiligheidsvest en de platendragers in de standaard dames- en herenmaten indienen (overeenkomstig paragraaf 3.1 van de Inschrijvingsleidraad). Verder is in paragraaf 2.2 van de Inschrijvingsleidraad onder meer vermeld:\n\n3.6.. In paragraaf 3.1 van de Inschrijvingsleidraad is met betrekking tot de samples voor de gebruikerstest een overzicht gegeven van de aantallen van iedere vestmaat die de inschrijver moest indienen, waarbij is vermeld “Let op: de maten hebben betrekking op de MENSmaattabel in Bijlage 15”.\n\n3.7.. In Bijlage 14 bij de Inschrijvingsleidraad (MENS-maattabellen) wordt het gebruik van de MENS-maattabellen voor het toekennen van de juiste maat vest voor de gebruikerstest nader toegelicht. Bij Bijlage 15 bij de Inschrijvingsleidraad (Tekeningen, Politiehuisstijl, logo’s en maatvoering), hierna Bijlage 15, zijn bijlagen verstrekt, waaronder bijlage 6 “Politie maattabellen KSWV”. In bijlage 6 bij Bijlage 15 zijn ten behoeve van het KSWV de MENS-maattabellen Politie normale maten, lange maten en korte maten (voor zowel mannen als vrouwen) en extra lange maten (voor mannen) opgenomen. In de tabellen zijn per confectiemaat en uitgesplitst in dames- en herenmaten afmetingen genoemd, bijvoorbeeld van de lichaamslengte, de taille-ruglengte, de bovenwijdte, de taillewijdte en de bandwijdte.\n\n3.8.. In Bijlage 1B bij de Inschrijvingsleidraad zijn de Producteisen met betrekking tot de hoezen, platendrager en transporttassen vermeld. Voor zover voor deze procedure van belang is in de producteisen 10.7 en 10.8 opgenomen dat voor de maten van het KSWV de in Bijlage 15 bij de Inschrijvingsleidraad vermelde MENS-maattabellen moeten worden gevolgd.\n\n3.9.. De politiemedewerkers die deelnamen aan de gebruikerstest moesten na de test de als bijlage 7 bij de Inschrijvingsleidraad verstrekte vragenlijst invullen, met per gunningscriterium een of meer vragen, waarbij per vraag een cijfer kon worden gegeven: 0 bij Onvoldoende, 1 bij Voldoende, 2 bij Goed en 3 bij Uitstekend.\n\n3.10.. In de Nota van Inlichtingen is antwoord gegeven op een aantal vragen met betrekking tot de gebruikerstest. In 125 wordt onder meer gevraagd op basis van welke parameters wordt bepaald welke vestmaat elke agent voor de gebruikerstest krijgt. Als antwoord op die vraag is vermeld:\n\nVerder heeft de Politie in het antwoord op vraag 144 duidelijk gemaakt dat niet de door de inschrijvers voorgestelde maattabellen zullen worden gebruikt om elke proefpersoon te voorzien van een passend vest, maar dat de Politie de eigen maattabel daarvoor zal hanteren.\n\nIn het antwoord op vraag 197 heeft de Politie toegelicht dat de beoordelaars draaginstructies van de Politie krijgen en geen instructieboekje en in het antwoord op vraag 211 heeft de Politie opgenomen:\n\nTen slotte heeft de Politie in het antwoord op vraag 231 meegedeeld dat de inschrijvers geen gelegenheid krijgen om een fysieke demonstratie of uitleg te geven, maar dat zij de mogelijkheid hebben om een instructiefilmpje te uploaden waarin het aantrekken\u002Fafstellen van het veiligheidsvest kan worden getoond.\n\n3.11.. De Politie heeft een Excel-bestand aan de inschrijvers verstrekt met daarin onder meer de volgende gegevens met betrekking tot de deelnemers die voor de gebruikerstest zijn geselecteerd: het model vest (dames of heren), de bovenwijdte, de bandwijdte, de lichaamslengte, voor de dames de taillewijdte en de “Te testen maat volgens maattabel normale maat”(de door de Politie geselecteerde maat op basis van de MENS-maattabel).De laatste kolom van de tabel is niet ingevuld en daar is ruimte gelaten voor het invullen van“Maat van de Inschrijver”door de inschrijver. In een begeleidend bericht bij dit Excel-bestand heeft de Politie onder meer het volgende aan de inschrijvers meegedeeld:\n\nCooneen heeft het bedoelde Excel-bestand niet ingevuld retour gestuurd.\n\n3.12.. Cooneen heeft tijdig een inschrijving voor de opdracht ingediend. Bij brief van 25 februari 2026 heeft de Politie aan Cooneen meegedeeld dat de inschrijving van Cooneen als tweede is geëindigd, dat de opdracht niet aan Cooneen zal worden gegund en dat de Politie voornemens is de opdracht te gunnen aan Sioen (hierna ‘de gunningsbeslissing’).\n\n3.13.. In de gunningsbeslissing is de volgende tabel opgenomen met een overzicht van de scores van Cooneen en Sioen op de verschillende gunningscriteria:\n\nDaarnaast is in Bijlage 1 bij de gunningsbeslissing (“Motivering kwalitatieve Gunningscriteria”) een toelichting gegeven op de scores met betrekking tot de kwalitatieve gunningscriteria K1 tot en met K4. In die toelichting is beschreven dat de beoordelaars met betrekking tot het draagcomfort (K1) hebben opgemerkt dat het vest van Cooneen omhoog kruipt, dat de buikband aan de korte kant is en dat het vest als ‘te klein’ voelt, zodat de beoordelaars zich te veel onbeschermd voelden. Met betrekking tot het gebruiksgemak (K2) hebben de beoordelaars over het vest van Cooneen opgemerkt dat het Molle-draagsysteem veel te gemakkelijk door derden kan worden losgetrokken, dat het volledig los van het vest kan worden gehaald, waardoor het risico bestaat dat een gebruiker na het opschalen vergeet om het losse Molle-systeem terug op de opschalingsmodule te plaatsen, wat een veiligheidsrisico inhoudt, dat de zakken te klein zijn en dat het klittenband te snel loslaat. Uit de toelichting volgt daarnaast dat de beoordelaars met betrekking tot het uiterlijk van het vest van Cooneen (K3) hebben geoordeeld dat het vest er vrij klein uit ziet, dat het een beetje te goedkoop oogt, dat het te weinig daadkracht uitstraalt en dat het fluogele vest te veel zwarte vlakken heeft. In het kader van gunningscriterium K4 (Algemene beoordeling) is door de beoordelaars opgemerkt dat het vest van Cooneen te kort is, dat de zakken te klein zijn, dat de buikbanden te kort en te smal zijn en dat het Molle-draagsysteem (met klittenband) te gemakkelijk loslaat. Ten slotte zijn in de toelichting op de scores de relatieve voordelen van het vest van Sioen beschreven.\n\n3.14.. Door middel van een bericht in Mercell van 6 maart 2026 heeft Cooneen aan de Politie om aanvullende informatie met betrekking tot de totstandkoming van de scores gevraagd. Daarbij heeft Cooneen kenbaar gemaakt te willen vernemen welk sample met welke maat door welke beoordelaar is gebruikt, hoe is beoordeeld of de aan de beoordelaars toegewezen maten van samples voldoende passen om een goede beoordeling te doen en of en hoeveel beoordelingen van beoordelaars buiten beschouwing zijn gelaten vanwege het onvoldoende passen van de maat. Verder heeft Cooneen verzocht om een overzicht van de individuele scores van de beoordelaars per kwaliteitscriterium en om een motivering van de score van Sioen met betrekking tot gunningscriterium K5( Slijtage-simulatietest).\n\n3.15.. In reactie op het in 3.14. bedoelde bericht van Cooneen heeft de Politie op 10 maart 2026 (samengevat) aan Cooneen meegedeeld dat de beoordelaars de toegewezen maten van de samples van Cooneen daadwerkelijk hebben getest, dat slechts één beoordelaar in aanmerking kwam voor een andere maat, omdat hij in de periode tussen het aanmeten en de gebruikerstest dertig kilo was afgevallen, en dat zijn beoordeling daardoor niet is meegenomen in de totaalbeoordeling. Verder heeft de Politie toegelicht dat de toegewezen maten van de samples op de testdag door een kledingdeskundige aan de hand van de door Cooneen ingediende handleiding maatvoering en instructievideo zijn gecontroleerd en dat bij twijfel een beoordeling is gedaan door een tweede kledingdeskundige. Ten slotte heeft de Politie aan Cooneen laten weten dat niet alle individuele scores zullen worden verstrekt. Volgens de Politie gaat de informatieverplichting van de Politie niet zo ver dat Cooneen in staat moet worden gesteld om de beoordeling volledig over te kunnen doen. Daarbij heeft de Politie toegelicht dat Cooneen op K5 een veel hogere score heeft behaald dan Sioen, zodat er geen sprake is van een relatief voordeel van de winnaar en er daarom ook geen aanleiding bestaat om de motivering van de score van Sioen aan Cooneen te verstrekken.\n\n3.16.. De advocaat van Cooneen heeft bij brief van 11 maart 2026 gereageerd op het bericht van de Politie van 10 maart 2026 en hij heeft daarbij aan de Politie gevraagd om te bevestigen dat de Politie de beoordeling van het toewijzen van maten in alle gevallen heeft verricht in overeenstemming met de documenten uit de inschrijving van Cooneen. Verder is in die brief gevraagd om de score met betrekking tot het uiterlijk van het fluogele vest te corrigeren, omdat het vest van Cooneen voldoet aan de gestelde eisen, en om een toelichting te geven op de score van Sioen op gunningscriterium K5.\n\n3.17.. In een brief van 17 maart 2026 heeft de Politie voor zover hier van belang en samengevat aan de advocaat van Cooneen meegedeeld dat Cooneen geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om voorafgaand aan de gebruikerstest op basis van de door de Politie verstrekte lichaamsmaten van de beoordelaars de juiste maat van het KSWV aan de Politie door te geven en dat de toewijzing en controle van de maten geheel conform de aanbestedingsstukken heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot dit laatste aspect heeft de Politie gemotiveerd toegelicht dat de toewijzing van de maten is gebaseerd op de MENS-maattabellen en dat aan de hand van de handleiding over aanmeten en controleren van de juiste maat van de inschrijvers, in voorkomende gevallen ondersteund door instructievideos, is gecontroleerd of de toegewezen maat voldoende past. Verder heeft de Politie een toelichting gegeven op de score van Cooneen met betrekking tot gunningscriterium K3 en is opnieuw meegedeeld dat de Politie niet verplicht is om een motivering van de score van Sioen op gunningscriterium K5 aan Cooneen te verstrekken.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. Cooneen vordert – zakelijk weergegeven en na wijziging van de eis ter zitting – primairgedaagden te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en een aangepaste voorlopige gunningsbeslissing te communiceren, waarin de aan Cooneen toegekende scores op de gunningscriteria K1 tot en met K4 zijn gecorrigeerd door de beoordeling van de in randnummer 2.21 van de pleitaantekeningen van Cooneen genoemde beoordelaars buiten beschouwing te laten, en om in die aangepaste voorlopige gunningsbeslissing een deugdelijke toelichting te geven op de met betrekking tot gunningscriterium K5 toegekende score. Subsidiairvordert Cooneen gedaagden te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken, een herbeoordeling van de inschrijving van Cooneen, althans van alle ontvangen geldige inschrijvingen, uit te laten voeren op de gunningscriteria K1 tot en met K4 en vervolgens een aangepaste voorlopige gunningsbeslissing te communiceren, waarin tevens een deugdelijke toelichting wordt gegeven op de met betrekking tot gunningscriterium K5 toegekende score.Meer subsidiairvordert Cooneen gedaagden te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en, als zij de opdracht nog willen gunnen, tot heraanbesteding over te gaan, althans een in goede justitie te bepalen maatregel te treffen, een en ander met veroordeling van gedaagde in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. \n\nDaartoe stelt Cooneen – kort samengevat – het volgende. De door Cooneen aangeleverde samples zijn niet op de in de aanbestedingsstukken vermelde wijze beoordeeld.\n\nVerder heeft de beoordeling met betrekking tot de gunningscriteria K2, K3 en K4 niet op de juiste wijze en in overeenstemming met de aanbestedingsstukken plaatsgevonden en heeft de Politie deze gunningscriteria niet voldoende duidelijk en transparant in de aanbestedingsstukken bekend gemaakt. Ten slotte weigert de Politie ten onrechte om een toelichting te geven op de score die Sioen met betrekking tot gunningscriterium K5 heeft behaald. Gelet op al het voorgaande moet de Politie de gunningsbeslissing intrekken en de scores van Cooneen corrigeren, althans de inschrijving van Cooneen\u002Falle inschrijvingen opnieuw beoordelen, althans de opdracht opnieuw aanbesteden.\n\n4.3.. Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Cooneen in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Cooneen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van gedaagden zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.\n\n4.4.. Sioen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Cooneen, althans tot afwijzing van de vorderingen van Cooneen. Ook het verweer van Sioen zal hierna, voor zover nodig, worden besproken. Verder vordert Sioen (1) Cooneen te gebieden om te gehengen en te gedogen dat de Politie een overeenkomst met Sioen sluit, althans de opdracht definitief aan Sioen gunt, een en ander voor zover de Politie nog een overeenkomst wenst te sluiten, en (2) de Politie te gebieden om de gunningsbeslissing in stand te laten en de opdracht definitief aan Sioen te gunnen, een en ander voor zover de Politie nog een overeenkomst wenst te sluiten, met veroordeling van Cooneen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen de wettelijke rente, en met compensatie van proceskosten in de relatie tussen Sioen en de Politie.\n\n4.5.. Verkort weergegeven stelt Sioen daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van Cooneen, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.\n\n4.6.. Voor zover nodig zullen de standpunten van Cooneen en de Politie met betrekking tot de vorderingen van Sioen hierna worden besproken.\n\n5. De beoordeling van het geschil\n\nOntvankelijkheid\n\n5.1.. De Staat heeft aangevoerd dat de Politie de aanbesteding heeft georganiseerd en dat de Staat geen deelnemer aan de aanbesteding is. Daarbij heeft de Staat er op gewezen dat hij de Politie een volmacht heeft gegeven om de aanbestedingsprocedure uit te voeren en de raamovereenkomst te sluiten en dat de Politie de opdrachtgever is met betrekking tot de onderhavige aanbesteding. De Staat heeft ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer verwezen naar de aankondiging van de opdracht, waarin alleen de Politie is vermeld als “Koper”, en naar de alleen namens de Politie verstuurde voorlopige gunningsbeslissing. Cooneen heeft zich met betrekking tot dit verweer van de Staat gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter.\n\n5.2.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Staat voldoende onderbouwd dat niet hij de aanbestedende dienst is die bij toewijzing van de vorderingen van Cooneen gehouden is om de gunningsbeslissing in te trekken en tot herbeoordeling, dan wel heraanbesteding van de opdracht over te gaan, maar dat dat de Politie is. Dit betekent dat Cooneen niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, voor zover die zijn gericht tegen de Staat.\n\n5.3.. Hierna zal worden beoordeeld of er aanleiding bestaat om de Politie te verplichten om de gunningsbeslissing in te trekken, om de aan Cooneen toegekende score op de gunningscriteria K1 tot en met K4 te corrigeren, althans de inschrijving van Cooneen opnieuw te beoordelen, althans de opdracht opnieuw aan te besteden. Daartoe zullen de door Cooneen naar voren gebrachte bezwaren achtereenvolgens worden besproken.\n\nDe uitgevoerde gebruikerstest (K1 tot en met K4)\n\n5.4.. Cooneen heeft gesteld dat de door haar aangeleverde samples niet op de in de aanbestedingsstukken vermelde wijze zijn beoordeeld, zodat die beoordeling ondeugdelijk is geweest. Daarbij heeft Cooneen betoogd dat de Politie heeft nagelaten om de door Cooneen verstrekte gedetailleerde informatie en instructies over de juiste toedeling van de maten van haar vesten bij de beoordeling van de samples te betrekken. Volgens Cooneen komt daar nog bij dat de Politie slechts in één geval een beoordeling buiten beschouwing heeft gelaten omdat het toegewezen vest onvoldoende paste, zodat onduidelijk is hoe de Politie in de overige gevallen heeft beoordeeld of het vest voldoende paste.\n\n5.5.. Op grond van het bepaalde in paragraaf 2.2 van de Inschrijvingsleidraad moesten inschrijvers ten behoeve van de gebruikerstest samples van het KSWV indienen met maten overeenkomstig de in paragraaf 3.1 vermelde informatie, waarbij er uitdrukkelijk op is gewezen dat die maten betrekking hebben op de MENS-maattabellen van Bijlage 15 bij de Inschrijvingsleidraad. In die MENS-maattabellen heeft de Politie informatie gegeven over de afmetingen van de in te dienen samples. Ook in de Producteisen 10.7 en 10.8 in Bijlage IB bij de Inschrijvingsleidraad en in de antwoorden op de vragen 125, 144 en 211 in de Nota van Inlichtingen heeft de Politie tot uitdrukking gebracht dat de MENS-maattabellen bepalend zijn voor de toewijzing van de maten van het KSWV. In het antwoord op vraag 125 in de Nota van Inlichtingen heeft de Politie daarnaast uiteengezet dat na toewijzing van de maten aan de hand van de MENS-maattabellen op basis van de handleiding over aanmeten en controleren van de juiste maat van de inschrijver wordt gecontroleerd of de toegewezen maat voldoende past. Daaruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter op ondubbelzinnige wijze dat de toewijzing van de maten van het KSWV voor de gebruikerstest plaatsvond aan de hand van de MENS-maattabellen en dat vervolgens aan de hand van de door de inschrijver verstrekte handleiding werd gecontroleerd of de toegewezen maat ook passend was. Voor de situatie dat uit de controle bleek dat de toegewezen maat van het vest niet passend was, is in paragraaf 2.2 van de Inschrijvingsleidraad vermeld dat de beoordeling van de betreffende deelnemer aan de test dan niet mee zou tellen.\n\n5.6.. Voorafgaand aan de gebruikerstest heeft de Politie de afmetingen van de deelnemers aan de gebruikerstest aan de inschrijvers bekend gemaakt (zie hiervoor in 3.11.) en de inschrijvers in de gelegenheid gesteld om desgewenst andere vestmaten door te geven voor specifieke beoordelaars. Vast staat dat Cooneen van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.\n\n5.7.. De Politie heeft genoegzaam toegelicht dat bij de gebruikerstest van de door Cooneen verstrekte samples op basis van de door Cooneen verstrekte handleiding met betrekking tot de maatvoering en instructievideo is geconcludeerd dat alle beoordelaars de juiste maat toegewezen hadden gekregen, op een beoordelaar na, die in de periode tussen de toewijzing van de maat en de gebruikerstest dertig kilo was afgevallen, waarna die beoordeling buiten beschouwing is gelaten.\n\n5.8.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Politie voldoende onderbouwd dat de gebruikerstest met betrekking tot de door Cooneen aangeleverde samples heeft plaatsgevonden overeenkomstig de aanbestedingsstukken: de Politie heeft aan de hand van de MENS-maattabellen aan de deelnemers aan de gebruikerstest een maat van het KSWV toegewezen (overeenkomstig (de bijlagen bij) de Inschrijvingsleidraad en de Nota van Inlichtingen) en heeft vervolgens aan de hand van de door Cooneen verstrekte handleiding over aanmeten en controleren van de juiste maat (en instructievideo) gecontroleerd of die maat voldoende wassend pas (overeenkomstig onder meer paragraaf 2.2 van de Inschrijvingsleidraad en het antwoord op vraag 125 in de Nota van Inlichtingen). Hiertegenover heeft Cooneen niet aannemelijk gemaakt dat de Politie nog andere door Cooneen verstrekte informatie bij de gebruikerstest had moeten betrekken, dat haar samples anderszins ondeugdelijk en in strijd met de aanbestedingsstukken zijn beoordeeld of dat de Politie onduidelijkheid heeft laten bestaan met betrekking tot de wijze waarop de samples zijn beoordeeld. Daarmee heeft Cooneen niet aannemelijk gemaakt dat intrekking van de gunningsbeslissing gerechtvaardigd is.\n\nDe score van Cooneen op gunningscriterium K3\n\n5.9.. Cooneen heeft gesteld dat de beoordeling met betrekking tot gunningscriterium K3 niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Volgens Cooneen is het oordeel van enkele beoordelaars dat het door Cooneen aangeleverde fluogele vest te veel zwarte vlakken bevat niet in overeenstemming met de aanbestedingsstukken. Daarbij heeft Cooneen uiteengezet dat de Politie nergens in de aanbestedingsstukken heeft beschreven dat het fluogele vest zo min mogelijk zwarte vlakken moest bevatten. Verder heeft Cooneen benadrukt dat haar fluogele vest voldoet aan de door de Politie voorgeschreven specificaties voor de onderdelen van het vest die fluogeel moesten zijn en voor de onderdelen van het vest die zwart mochten zijn.\n\n5.10.. De Politie heeft aangevoerd dat gunningscriterium K3 uitsluitend betrekking heeft op het uiterlijk van het KSWV en dat de deelnemers aan de gebruikerstest niet hoefden te beoordelen of het vest voldeed aan de gestelde eisen. Daarbij heeft de Politie toegelicht dat een aantal deelnemers aan de gebruikerstest het fluogele vest van Cooneen als minder mooi heeft beoordeeld vanwege de zwarte vlakken op het vest. De Politie heeft er naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op gewezen dat dit subjectieve oordeel met betrekking tot het uiterlijk van het vest onverlet laat dat het vest overigens voldoet aan de door de Politie gestelde minimumeisen. Verder heeft de Politie voldoende onderbouwd dat in de aanbestedingsstukken duidelijk is gemaakt dat het KSWV op het uiterlijk zou worden beoordeeld, dat Cooneen daarover geen vragen heeft gesteld en dat zij door haar inschrijving met de bekendgemaakte beoordelingssystematiek heeft ingestemd. Dat de deelnemers aan de gebruikerstest een oordeel hebben gegeven over het uiterlijk van het vest van Cooneen, inhoudende dat zij de zwarte vlakken minder mooi worden, is daarmee in lijn met de vooraf bekend gemaakte beoordelingssystematiek en niet onredelijk. Voor zover Cooneen zich heeft beroepen op de in Bijlage 15 bij de Inschrijvingsleidraad weergegeven afbeelding met specificaties van de fluogele hoes, volgens Cooneen inclusief de voorgeschreven zwarte vlakken, overweegt de voorzieningenrechter dat de Politie hiertegenover voldoende heeft onderbouwd dat de op die afbeelding zichtbare donkere kleur op het vest niet betekent dat het vest op die plek zwart moet zijn, maar dat die donkere kleur correspondeert met een legenda, waarmee de “Ruimte voor Molle (bovenzijde) en Molle-draagsysteem (onderzijde)”wordt aangegeven.\n\n5.11.. Tegen de achtergrond van het voorgaande heeft Cooneen niet aannemelijk gemaakt dat het uiterlijk van haar vest onjuist en in strijd met de aanbestedingsstukken is beoordeeld. Voor intrekking van de gunningsbeslissing op die grond bestaat dan ook geen aanleiding.\n\nDe score van Cooneen op gunningscriteria K2 en K4\n\n5.12.. Ook de beoordeling met betrekking tot de gunningscriteria K2 en K4 heeft volgens Cooneen niet in overeenstemming met de aanbestedingsstukken plaatsgevonden. Cooneen heeft in dit verband gesteld dat de Politie niet duidelijk en op een transparante manier in de aanbestedingsstukken bekend heeft gemaakt dat het niet wenselijk is dat het Molle-draagsysteem volledig kan worden losgekoppeld van het vest. Het door Cooneen aangeboden Molle-draagsysteem voldoet aan de door de Politie gestelde eisen en specificaties en de in de gunningsbeslissing gegeven motivering ziet niet op de kwaliteit van het door Cooneen aangeboden vest, maar op de wijze waarop sommige gebruikers met het vest omgaan, aldus Cooneen.\n\n5.13.. De Politie heeft er naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op gewezen dat in Bijlage 7 bij de Inschrijvingsleidraad, met daarin de vragen die de deelnemers aan de gebruikerstest moesten beantwoorden, vragen zijn gesteld met betrekking tot het gebruik van de draagmiddelen aan het vest, de mate waarin de beoordelaar zich beschermd voelde door het betreffende vest en de wijze waarop het geheel van het vest en de OM werd beoordeeld. Daarbij heeft de Politie voldoende onderbouwd dat de deelnemers aan de gebruikerstest in het kader van die vragen in hun oordeel met betrekking tot het gebruik van het KSWV konden meewegen dat de draagmiddelen en het Molle-draagsysteem te gemakkelijk los kwamen en dat zij zich daardoor onvoldoende beschermd voelden. Hiertegenover heeft Cooneen niet concreet gemaakt dat de beoordeling van de gunningscriteria K2 en K4 in afwijking van de aanbestedingsstukken heeft plaatsgevonden. Voor zover Cooneen heeft betoogd dat de Politie heeft nagelaten om specifieke eisen te stellen aan de bevestiging van het Molle-draagsysteem aan het vest, overweegt de voorzieningenrechter dat de Politie in dit verband voldoende heeft toegelicht dat het niet de taak van de Politie is om uitdrukkelijk voor te schrijven hoe een inschrijver de maximale score op de gunningscriteria kan behalen, maar dat het de inschrijver is die inventief moet inschrijven en inzicht moet tonen in de aard van de opdracht en de strekking van de gunningscriteria.\n\n5.14.. Het voorgaande betekent dat ook de beoordeling van de gunningscriteria K2 en K4 geen aanleiding geeft voor intrekking van de gunningsbeslissing.\n\nDe motivering met betrekking tot gunningscriterium K5\n\n5.15.. Cooneen heeft ten slotte gesteld dat de Politie ten onrechte weigert om een toelichting te geven op de score die Sioen met betrekking tot gunningscriterium K5 heeft behaald. Volgens Cooneen heeft zij die toelichting nodig om de score van Sioen en daarmee de uitkomst van de aanbestedingsprocedure te kunnen verifiëren.\n\n5.16.. Op grond van vaste jurisprudentie moet de motivering van de gunningsbeslissing alle relevante redenen voor die beslissing bevatten. Hieronder vallen in ieder geval de kenmerken en voordelen van de winnende inschrijver. De achtergrond van die verplichting is dat een afgewezen inschrijver in staat moet worden gesteld om na te gaan om welke redenen zij niet en de winnende inschrijver wel is uitgekozen. Die motivering is echter niet bedoeld om het voor de afgewezen inschrijver mogelijk te maken om te controleren of de beoordeling op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, zoals Cooneen met haar vordering op dit punt beoogt. Vast staat dat de Politie in de gunningsbeslissing heeft meegedeeld dat Cooneen op gunningscriterium K5 de maximale score van 9 punten heeft behaald en Sioen een score van 2,81 punten. Verder staat vast dat de Politie met betrekking tot de gunningscriteria K1 tot en met K4, waarop Sioen hoger heeft gescoord dan Cooneen, in Bijlage 1 bij de gunningsbeslissing een toelichting heeft gegeven op de beoordeling van zowel het vest van Cooneen als dat van Sioen, waarbij de Politie de relatieve voordelen van het door Sioen aangeboden vest heeft beschreven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Cooneen daarmee in voldoende mate heeft kunnen nagaan waarom de gunningsbeslissing in het voordeel van Sioen is uitgevallen. Anders dan Cooneen heeft gesteld gaat de motiveringsplicht van de Politie niet zo ver dat ook een toelichting moet worden gegeven met betrekking tot de onderdelen waarop Sioen lager heeft gescoord dan Cooneen, zoals gunningscriterium K5, wanneer er zoals hier geen enkele concrete aanleiding bestaat om aan te kunnen nemen dat er bij die beoordeling een fout is gemaakt. Ook de daartoe strekkende vordering wordt daarom afgewezen.\n\nSlotsom en proceskosten5.17.. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van Cooneen worden afgewezen.\n\n5.18.. Nu de Politie voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan Sioen, brengt voormelde beslissing mee dat Sioen geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. Sioen zal worden veroordeeld in de kosten van de Politie, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Politie als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet Cooneen in haar verhouding tot Sioen worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Sioen was immers te voorkomen dat de opdracht aan Cooneen zou worden gegund, welk doel is bereikt. Cooneen zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van Sioen. Verder zal Cooneen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden.\n\n5.19.. De proceskosten van zowel gedaagden als Sioen worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,--\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,--\n\n- nakosten\n\n€ 189,--\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,--\n\n5.20.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. verklaart Cooneen niet-ontvankelijk in haar vorderingen, voor zover deze zijn gericht tegen de Staat;\n\n6.2.. wijst de tegen de Politie gerichte vorderingen af;\n\n6.3.. veroordeelt Sioen voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen tegen de Politie in de kosten van de Politie, tot dusver begroot op nihil;\n\n6.4.. veroordeelt Cooneen in de overige proceskosten van zowel gedaagden als Sioen, ten behoeve van zowel gedaagden als Sioen begroot op € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Cooneen niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Cooneen € 98,-- extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.5.. veroordeelt Cooneen in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.6.. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.\n\nmvt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14207","2026-07-13T00:28:30.141Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":107,"fullText":108,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":51,"updatedAt":110},"442","ECLI:NL:RBDHA:2026:14752","ecli-nl-rbdha-2026-14752","2026-05-26T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam Handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F701649 \u002F KG ZA 26-291\n\nVonnis in kort geding van 26 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres] B.V.te [vestigingsplaats 1],\n\neiseres,\n\nadvocaten: mr. J.H.J. Bax en mr. S.C. Brackmann te Rotterdam,\n\ntegen:\n\nVeiligheidsregio Limburg-Noordte Venlo,\n\ngedaagde,\n\nadvocaten: mr. drs. M.G.G. van Nisselroij en mr. E.L.B. Geraedts,\n\nwaarin is tussengekomen:\n\n [belanghebbende] B.V.te [vestigingsplaats 2],\n\nadvocaten: mrs. N.A.D. Groot en E.H. van der Kwast.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiseres]’, ‘de Veiligheidsregio’ en ‘[belanghebbende]’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 15;\n\n- de door de Veiligheidsregio overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 en 2;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst dan wel voeging met producties 1 tot en met 3;\n\n- de op 12 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.\n\n1.2.. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot tussenkomst dan wel voeging\n\n2.1.. \n [belanghebbende] heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [eiseres] en de Veiligheidsregio, dan wel zich in de hoofdzaak te mogen voegen aan de zijde van de Veiligheidsregio. Ter zitting hebben [eiseres] en de Veiligheidsregio verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. [belanghebbende] is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n3.1.. De Veiligheidsregio heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het verlenen van een opdracht voor het leveren van bluskleding en\u002Fof blushandschoenen en THV-handschoenen. De opdracht is verdeeld in twee percelen. Dit kort geding heeft betrekking op perceel 1 betreffende de levering van bluskleding.\n\n3.2.. Uit het Beschrijvend Document (hierna: BD) blijkt dat de procedure tot gunning van perceel 1 bestaat uit twee hoofdonderdelen als volgt:\n\n“8 Gunningscriteria en beoordeling\n\n(…)\n\n1) COMFORTTEST\n\nDoor iedere leverancier worden in totaal 5 proefpakken vooraf aangeleverd in een volledige standaardmaatrange van klein tot groot. Deze pakken mogen gebruikt zijn maar dienen wel in de uitvoering zoals geëist te worden aangeboden. Dit geldt niet voor technische details zoals lusjes, klittenband t.b.v. schouderstukken etc. Maar dus wél voor uitvoering, pasvorm, padding, spacing etc.. De pakken worden na afloop schoon geretourneerd, en er vindt géén vergoeding plaats. Leveranciers mogen aanwezig zijn tijdens de comforttest om het pak op de juiste wijze af te stellen indien noodzakelijk.\n\nDe eerste stap van de gunning betreft een comforttest. Doel is om de pasvorm, draagcomfort en bewegingsvrijheid te beoordelen, zonder afleiding van niet-relevante technische details. (…) Uitkomst van deze test is dat de 3 hoogst scorende leveranciers worden uitgenodigd voor een vervolgtest. De overige aanbieders vallen af. In de comforttest wordt door een beoordelingsgroep van 10 gebruikers punten gegeven voor de volgende onderdelen:\n\n1) omhangen ademluchttoestel\n\n2) ladder klimmen\n\n3) over een hek klimmen\n\n4) kruipen\n\n5) stoten bal\n\n6) reanimatie\n\n(…)\n\n2) GUNNINGSPROCEDURE\n\nDe gunningscriteria bestaan uit drie criteria op het gebied van kwaliteit en prijs. De kwalitatieve criteria en de prijscriteria worden verschillend gewaardeerd. (…)\n\nDe gunningscriteria zijn opgenomen in de onderstaande tabel:\n\n(…)8.1. Gunningscriterium G1: praktijktest op de PPMO-baan (bluspak)\n\n(…) Door iedere leverancier worden in totaal 5 proefpakken vooraf aangeleverd in een volledige maatrange van klein tot groot. Deze pakken mogen gebruikt zijn maar dienen wél in de uitvoering zoals geëist te worden aangeboden. Dit geldt dus óók voor technische details zoals lusjes, klittenband t.b.v. schouderstukken, padding, spacing etc. (…) Leveranciers mogen aanwezig zijn tijdens de comforttest om het pak op de juiste wijze af te stellen indien noodzakelijk.\n\nHet pak dat is beoordeeld in de comforttest wordt door 10 Testpersonen beoordeeld op de volgende onderdelen (…):\n\n1) Aan -en uittrekken bluspak 0,6 punten\n\n2) Openen\u002Fafsluiten ritsen 0,6 punten\n\n3) In -en uitstappen 0,6 punten\n\n4) Brandweerslang oprollen met ademlucht 0,6 punten\n\n5) Stand & reach 0,6 punten\n\n6) Sit and reach 0,6 punten\n\n7) Armen en rug strekken 0,6 punten\n\nTotaal 4,2 punt (per beoordelaar)\n\n(…)”\n\n3.3.. Bijlage 10 bij het BD bevat het Programma van Eisen (PvE), waarin onder meer specifieke eisen voor de bluskleding en leveringseisen zijn opgenomen.\n\n3.4.. Na publicatie van het BD zijn er twee nota’s van inlichtingen (NvI) gepubliceerd. Hierin zijn diverse eisen aangepast. De aanlevertermijn voor de pakken is verschoven van 17 december 2025 naar 8 januari 2026. Naar aanleiding van de gestelde vragen zijn op onderdelen verduidelijkingen gegeven en wijzigingen doorgevoerd, onder meer als volgt:\n\n- Het antwoord op vraag 4 (NvI 1) over de proefpakken voor de comforttest en voor de praktijktest op de PPMO-baan (hierna: de praktijktest) luidt:\n\n“1) inschrijvers dienen maximaal 10 testpersonen te voorzien van een pak. De maatvoering van de testpersonen wordt u vooraf aangereikt in deze Nota (zie ook meegepubliceerd document). Inschrijvers mogen aanwezig zijn bij het aanmeten van het pak dus is het wel zaak dat er voldoende pakken beschikbaar zijn. Het aantal benodigde pakken wordt overgelaten aan de inschrijver. Er dient 1 type pak te worden te worden aangeleverd i.p.v. de eerder genoemde 2. Het proefpak hoeft niet voorzien te worden van alle technische details zoals portofoonlus, klittenband, badge, ophanglussen etc. omdat er geen extra pak hoeft te worden gemaakt voor de praktijkdag wordt de vergoeding geschrapt.\n\n2) de inlevertermijn voor de proefpakken is uiterlijk 8 januari 2026, bij de start van de test. de gegevens van de testdag volgt na de inschrijfdatum (17 december). 3) de comforttest en praktijktest (inclusief handschoenen) vindt plaats op 8 & 9 januari 2026.”\n\n- Het antwoord op vraag 29 (NvI 1) over de maten van de proefpakken luidt:\n\n“De maatvoering wordt overgelaten aan de inschrijver, we spreken inderdaad over een UNI-sex pak.”\n\n- In het antwoord op vraag 45 (NvI 1) zijn vragen beantwoord over de eisen die worden gesteld aan de vijf aan te leveren pakken. Daarbij is aangegeven dat de op 8 en 9 januari 2026 te testen bluspakken niet langer hoeven te voldoen aan 13 van de in het PvE genoemde technische eisen, zoals labels, striping, badges, lussen en bevestigingsmogelijkheden.\n\n- Het antwoord op vraag 52 over de aan te leveren pakken luidt:\n\n“1) we geven de maten van de proefpersonen door, op basis van de huidige kleding. Daar waar er iemand onverhoopt toch niet kan deelnemen zorgt VRLN voor een vervanger met dezelfde maat.\n\n2) alle proefkleding moet nieuw zijn en minimaal 5x gewassen voorafgaande aan de testen, gebruikte pakken zijn derhalve niet toegestaan.\n\n3) de pakken hoeven niet voorzien te zijn van striping conform huisstijl.”\n\n- In antwoord op vraag 85 (NvI 2) over de maattabellen van de huidige pakken heeft de Veiligheidsregio bij NvI 2 een maatvoeringstabel gepubliceerd, alsmede de meest actuele maattabel van de testpersonen. Daarbij heeft zij correcties doorgevoerd en twee reservepersonen toegevoegd. In deze meest actuele maattabel van de testpersonen zijn de maten aangegeven met S, M, L, EL en EEL met bij sommige personen de toevoeging: -5 of +5.\n\n- De Veiligheidsregio heeft inschrijvers in de gelegenheid gesteld de huidige pakken te komen opmeten bij de Brandweer in Roermond. De Veiligheidsregio heeft (in antwoord op vraag 89) aangegeven geen maattabel te zullen publiceren waarin de specifieke maatvoering (afmetingen) zijn opgenomen.\n\n3.5.. In paragraaf 3.16.2 van het BD is het volgende opgenomen over de klachtenprocedure:\n\nIn het kader van het flankerend beleid bij de Aanbestedingswet heeft het Ministerie van Economische\n\nZaken en Klimaat de ‘Handreiking Klachtenafhandeling januari 2022’ opgesteld. Deze handreiking\n\nbiedt ondernemers en aanbestedende diensten een laagdrempelig instrument voor het oplossen van\n\ngeschillen met betrekking tot aanbestedingsprocedures waarop de Aanbestedingswet van toepassing\n\nis.\n\nOnder een klacht wordt verstaan “een tijdige en gemotiveerde uiting van ontevredenheid met een\n\ncorrigerend of afwijzend karakter inzake onderhavige aanbesteding of een onderdeel daarvan”.\n\nInschrijver behoort een vraag of opmerking in eerste instantie te stellen via de procedure van de nota\n\nvan inlichtingen. Indien een inschrijver van mening is dat opdrachtgever een vraag ten behoeve van\n\nde nota van inlichtingen niet naar behoren afhandelt, kan zij hierover een klacht indienen. Ook indien\n\nInschrijver na de procedure van de nota van inlichtingen van mening is dat opdrachtgever een beslissing neemt waarmee inschrijver zich niet kan verenigen heeft inschrijver de mogelijkheid tot het indienen van een klacht.\n\nDe aanbestedende dienst maakt ter uitvoering van de klachtenafhandeling bij aanbesteden als onderdeel van de Aanbestedingswet 2012 gebruik van haar eigen klachtenmeldpunt. Een ondernemer die een klacht wil indienen kan de klachtenregeling downloaden en vult het klachtenformulier in. De bijlagen zijn te downloaden via: Inkoopcentrum Zuid\n\nHet indienen van een klacht bij VRLN of de Commissie van Aanbestedingsexperts schort de aanbestedingsprocedure niet automatisch op. VRLN is vrij om te besluiten of zij naar aanleiding van de klacht de aanbestedingsprocedure al dan niet opschort. Indien een Ondernemer zowel een klacht\n\nheeft ingediend als een gerechtelijke procedure is gestart dan wordt de behandeling van de klacht\n\nopgeschort tot na de uitspraak van de rechter.”\n\n3.6.. Op 8 januari 2026 heeft de comforttest plaatsgevonden. Alle drie de inschrijvers, waaronder [eiseres] en [belanghebbende], zijn na de comforttest doorgegaan naar de gunningsprocedure, waarvan de praktijktest een onderdeel was. Die test heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026.\n\n3.7.. De Veiligheidsregio heeft bij brief van 21 januari 2026 (hierna: de gunningsbeslissing) aan [eiseres] bericht dat haar inschrijving niet is beoordeeld als de hoogst scorende en dat [belanghebbende] de inschrijver is met de hoogste score. Uit de bijlage bij deze brief blijkt dat [eiseres] 31,2 punten heeft behaald voor de praktijktest en [belanghebbende] 34,2 punten. Verder blijkt uit dit formulier het door [eiseres] behaalde aantal punten voor gunningscriterium 2 (Onderhouds en levensduurstrategie) en voor de prijs van het bluspak, alsmede het door [belanghebbende] en [eiseres] behaalde eindtotaal van respectievelijk 86,6 en 76,7 punten.\n\n3.8.. In de bijlage bij de gunningsbeslissing is\u002Fzijn:\n\n- de opmerkingen vermeld die de testers op de eerste en de tweede testdag hebben gemaakt, zijnde een persoonlijke interpretatie, te weten:\n\n“*) stug pak, redelijk dik (2x genoemd)\n\n*) fijne band onderzijde jas\n\n*)fijne schouderband, goed afstelbaar (2x genoemd)\n\n*) prettige kniestukken (2x genoemd)\n\n*) jas zit fijn, kruipt niet omhoog\n\n*) beweeglijk\n\n*) broek komt niet omhoog\n\n*) schouderstuk houdt goed op de plek\n\n*) comfortabel pak, zeer warm (3x genoemd)\n\n*) omhangen ademlucht ging stroef door antislip schouderstuk\n\n*) knelt in de knieën\n\n*) jas blijft goed zitten bij reanimatie\n\n*) kniepadding is smal\n\n*) kniepadding is dun”\n\n- bij gunningscriterium 2 opgemerkt dat het plan waarin de onderhouds- en levensduurstrategie is beschreven als voldoende wordt aangemerkt en daarmee een 6 scoort, wat inhoudt dat de aanbieder zich voldoende onderscheidt ten opzichte van alternatieve inschrijvingen. Daaronder staan enkele punten opgesomd die zijn opgemerkt door de projectgroep, te weten:\n\n“-) Het is niet helder welke KPI's er gehanteerd moeten worden er staan wel voorbeelden in de tabel op pagina 7 maar er staat niet wat [eiseres] aanbeveelt.\n\n-) we lezen niet dat de kledingleverancier samen met zeepleverancier en apparatuurleverancier samen een bindende instructie opstelt. De kledingleverancier is hier volgens ons leidend in.\n\n-) een concrete beschrijving van het onderdeel frequentie en planning ontbreekt\n\n-) duidelijke taakverdeling bij predictief ontbreekt.\n\n-) Niet duidelijk of onze eigen naaister mag repareren. De bewijslast van haar kennis en kunde ligt bij VRLN.\n\n-) jaarlijks \"grondige reiniging\" verplicht, en wat houdt dit dan precies in?\n\n-) niet helder of er separate documentatie beschikbaar is, wat er nu staat is enkel gebaseerd op kledinglabel en gebruikshandleiding.\n\n-) kwetsbare punten kleding zijn niet benoemd.”\n\n- en enkele relevante verschillen met de winnende inschrijving, te weten:\n\n“*) Sterke inzet op behoud EN 469 eisen waarbij [belanghebbende] een voortrekkersrol pakt.\n\n*) [belanghebbende] neemt de verantwoordelijkheid om te blijven voldoen aan de EN469.\n\n*) Kruiscertificatie wordt duidelijk beschreven. Herbruikbaarheid van de reeds bestaande kledij wordt vastgesteld en indien mogelijk in de nieuwe kleding verwerkt.\n\n*) aantoonbare toepassing l502361 6 werkwijze.\n\n*) duidelijke rolverdeling in stappen mbt gebruik, controle en herstel (gebruiker, getraind persoon, geïnstrueerd hersteller, fabrikant)\n\n*) biedt een registratiesysteem aan.”\n\nIn zijn algemeenheid wordt opgemerkt dat kan worden gesteld dat [belanghebbende] met haar plan op 11 pagina's een compact, gedegen, op maat gemaakt en geconcretiseerd, stuk heeft geschreven.\n\n3.9.. \n [eiseres] heeft op 6 februari 2026 bezwaar gemaakt tegen de gunningsbeslissing. De Veiligheidsregio heeft daar op 2 maart 2026 op gereageerd en concluderend aangegeven geen reden te zien om de gunningsbeslissing in te trekken.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiseres] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nde Veiligheidsregio te verbieden om op basis van de gunningsbeslissing een overeenkomst met [belanghebbende] te sluiten, en de Veiligheidsregio te gebieden de gunningsbeslissing uiterlijk twee werkdagen na dagtekening van dit vonnis, dan wel een andere termijn, in te trekken en ingetrokken te houden en dat aan alle bij de aanbesteding betrokken ondernemers kenbaar te maken; en\n\nde Veiligheidsregio te verbieden om op basis van de aanbesteding een opdracht voor de levering van bluspakken (perceel 1) te gunnen en de Veiligheidsregio te gebieden om de aanbestedingsprocedure voor perceel 1 in te trekken en ingetrokken te houden en het daartoe bedoelde intrekkingsbericht uiterlijk twee werkdagen na dagtekening van dit vonnis, dan wel een andere termijn, aan alle bij de aanbesteding betrokken inschrijvers bekend te maken; en\n\nals de Veiligheidsregio nog een opdracht voor de levering van bluspakken (perceel 1) wenst te gunnen, de Veiligheidsregio te gebieden om dat niet anders te doen dan door middel van een nieuwe aanbestedingsprocedure, waarbij de Veiligheidsregio in ieder geval [eiseres] in de gelegenheid stelt om opnieuw een inschrijving in te dienen;\n\nmet veroordeling van de Veiligheidsregio in de proceskosten en de nakosten op de wijze zoals in de dagvaarding vermeld.\n\n4.2.. Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. [eiseres] heeft een zestal bezwaren tegen het verloop van de aanbestedingsprocedure. Deze komen in de kern op het volgende neer. In de eerste plaats was er om meerdere redenen sprake van een ongelijk speelveld bij het voorbereiden van de pakken voor de testen. Verder was de comforttest niet geschikt om het comfort te testen. De gehanteerde systematiek leidt namelijk niet tot gunning aan de beste prijs-kwaliteitverhouding. Als derde heeft te gelden dat de gunningssystematiek na ontvangst van de inschrijvingen is gewijzigd. De Veiligheidsregio paste voorts maatvoeringen niet toe en zij gaf onvoldoende gegevens over de maatvoering. Het vijfde bezwaar is dat de voor gunningscriterium 2 behaalde scores onjuist zijn. Er zijn evidente fouten gemaakt in de beoordeling. Ten slotte is de gunningsbeslissing onvolledig gemotiveerd.\n\n4.3.. De Veiligheidsregio en [belanghebbende] voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n4.4.. \n [belanghebbende] heeft een voorwaardelijke vordering ingesteld, alleen voor het geval de voorzieningenrechter van oordeel is dat een vordering is vereist voor tussenkomst. Nu aan die voorwaarde niet is voldaan, behoeft deze vordering geen verdere bespreking.\n\n5. De beoordeling van het geschil\n\nOnjuiste feitelijke uitgangspunten\n\n5.1.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van een aantal feitelijke stellingen die [eiseres] aan haar bezwaren ten grondslag heeft gelegd, zodat deze bezwaren reeds daarom moeten worden gepasseerd.\n\n5.2.. Dat geldt in de eerste plaats voor de stelling van [eiseres] dat [belanghebbende] de huidige (‘zittende’) leverancier is van bluspakken van de Veiligheidsregio. De Veiligheidsregio en [belanghebbende] hebben dit gemotiveerd weersproken, waarna [eiseres] haar stelling niet langer heeft gehandhaafd. Aan het bezwaar van [eiseres] dat er sprake was van een ongelijk speelveld, omdat [belanghebbende] als zittende leverancier op een aantal onderdelen voordeel had van een kennisvoorsprong, wordt daarom voorbij gegaan.\n\n5.3.. Verder hebben de Veiligheidsregio en [belanghebbende] betwist dat de comforttest en de praktijktest zijn samengevoegd, zoals [eiseres] in de dagvaarding stelde. Volgens de Veiligheidsregio en [belanghebbende] waren het verschillende tests, die ook op afzonderlijke dagen hebben plaatsgevonden. [eiseres] heeft ook deze stelling vervolgens niet langer gehandhaafd. Het bezwaar dat de gunningssystematiek na ontvangst van de inschrijvingen is gewijzigd, wordt daarom eveneens gepasseerd.\n\nRechtsverwerking\n\n5.4.. De Veiligheidsregio en [belanghebbende] hebben het verweer gevoerd dat [eiseres] haar recht heeft verwerkt om te klagen over de in de dagvaarding beschreven aspecten van de aanbesteding, omdat zij hier te lang mee heeft gewacht, namelijk tot nadat de gunningsbeslissing was genomen. Het gaat hierbij om de volgende bezwaren van [eiseres].\n\n- De Veiligheidsregio heeft voorafgaand aan de testen de door de inschrijvers aangeleverde testpakken niet onderworpen aan een zogenoemde tafeltest om te controleren of deze wel aan de gestelde eisen voldeden. Dat had volgens [eiseres] wel gemoeten om ervoor te zorgen dat alleen pakken die aan de eisen voldoen werden vergeleken.\n\n- Verder moesten de testpakken binnen een beperkte tijd worden gefabriceerd terwijl de aan deze pakken te stellen eisen laatstelijk in NvI 2 nog werden gewijzigd. Daardoor waren volgens [eiseres] de testen niet objectief, was er geen sprake van een gelijke behandeling en konden deze testen niet leiden tot een keuze voor de economisch meest voordelige inschrijving omdat kort gezegd de testpakken niet een goed beeld gaven van de pakken die de inschrijver zou (kunnen) leveren.\n\n- Tot een weloverwogen keuze voor de economisch meest voordelige inschrijving kon volgens [eiseres] ook niet worden gekomen omdat door de versoepeling van de aan de testpakken te stellen eisen, onvoldoende informatie kon worden verkregen over het (comfort van de) uiteindelijk te leveren pakken. Door de versoepeling konden de testpakken volgens [eiseres] ook niet goed met elkaar worden vergeleken. [eiseres] heeft hiertoe verklaard dat sommige testpakken niet aan de voor de tests vervallen eisen voldeden, maar andere wel, omdat deze al eerder in productie waren gegaan (zoals haar pakken). [eiseres] heeft daarbij toegelicht dat en waarom bijvoorbeeld ook striping en zakken (die door de wijziging van de eisen niet langer op de testpakken hoefden te zijn aangebracht) van invloed kunnen zijn op stijfheid van onderdelen van het pak en daarmee op het draagcomfort.\n\n- [eiseres] heeft ook bezwaar gemaakt tegen de wijze en het moment waarop de Veiligheidsregio en [belanghebbende] de inschrijvers heeft geïnformeerd over de maatvoering van de pakken.\n\n5.5.. De voorzieningenrechter volgt de Veiligheidsregio en [belanghebbende] in hun rechtsverwerkingsverweer tegen al deze bezwaren van [eiseres]. Daartoe is het volgende redengevend.\n\n5.6.. Uit het Grossmann-arrest (HvJEG 12 februari 2004, C-230\u002F02) en de daarop gebaseerde jurisprudentie volgt dat van een adequaat handelend inschrijver\u002Fgegadigde mag worden verwacht dat hij zich proactief opstelt bij het naar voren brengen van bezwaren in het kader van een aanbestedingsprocedure. De eisen van redelijkheid en billijkheid die de inschrijver\u002Fgegadigde jegens de aanbestedende dienst in acht heeft te nemen, brengen mee dat hij zijn bezwaren duidelijk naar voren brengt en in een zo vroeg mogelijk stadium aan de orde stelt, zodat eventuele onregelmatigheden desgewenst kunnen worden gecorrigeerd met zo min mogelijk consequenties voor het verdere verloop van de aanbestedingsprocedure. Een inschrijver\u002Fgegadigde die bezwaren heeft maar er (te lang) mee wacht om die te melden, handelt in strijd met het hiervoor genoemde arrest en heeft het recht verwerkt om hierover te klagen.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het BD geen melding wordt gemaakt van een controle van de testpakken op de gestelde eisen (een tafeltest), voorafgaand aan de draagtests. Als [eiseres] had gemeend dat het uitvoeren van een dergelijke controle noodzakelijk was, had zij dat aan de orde moeten stellen en daar een vraag over moeten stellen. Dat heeft zij niet gedaan, en zij heeft ook op de testdagen, toen duidelijk was dat geen tafeltest werd uitgevoerd, daar geen bezwaar tegen gemaakt. Het is dan te laat om hierover pas te klagen na het versturen van de gunningsbeslissing. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het primair aan de aanbestedende dienst is hoe zij toetst en beoordeelt of inschrijvers aan de gestelde eisen voldoen. In geval van gerede twijfel of een inschrijving niet irreëel is, is de aanbestedende dienst gehouden om daar nader onderzoek naar te doen, maar dat daarvan in dit geval sprake was is niet aannemelijk geworden.\n\n5.8.. Ook de andere onder 5.5 genoemde bezwaren had [eiseres] eerder naar voren kunnen en moeten brengen. Over de maten van de testpakken is naar aanleiding van vragen daarover nadere informatie verstrekt in NvI 2. Als dat te laat was en\u002Fof [eiseres] daarna onvoldoende beeld had van wat verwacht werd, dan had zij daar destijds een punt van kunnen maken. [eiseres] is echter na kennis te hebben genomen van de in NvI 2 verstrekte info en gewijzigde eisen, verder gegaan met de productie van haar testpakken (zonder gebruik te maken van de gegeven mogelijkheid om de bestaande pakken op te meten), zij heeft haar pakken meegenomen naar de testdagen waar zij (gelet op haar stellingen) ook de pakken van de andere inschrijvers heeft gezien en zij heeft vervolgens de gunningsbeslissing afgewacht. Dat op de testdag een testpersoon aanwezig was met maten die niet waren opgegeven, zoals [eiseres] stelt, is gemotiveerd betwist en door [eiseres] niet nader onderbouwd. Overigens is gesteld noch gebleken dat [eiseres] daarover tijdens de testdagen heeft geklaagd. [eiseres] heeft ook op geen enkel moment gebruik gemaakt van de onder 3.16.2 in het BD vermelde klachtenprocedure. Het is te laat om, pas na ontvangst van een onwelgevallige gunningsbeslissing, met bezwaren als deze te komen.\n\n5.9.. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [eiseres] haar recht heeft verwerkt om nu nog te klagen over deze aspecten van de aanbesteding.\n\nTen overvloede\n\n5.10.. Overigens heeft [eiseres] ter zitting ook onvoldoende aannemelijk weten te maken dat er sprake was van zodanige verschillen tussen de testpakken van de inschrijvers dat dit van noemenswaardige betekenis is geweest bij de beoordeling. De door de testers gemaakte opmerkingen, zoals vermeld in de gunningsbeslissing, geven er ook geen blijk van dat de pakken van [eiseres] minder goed zijn beoordeeld op die onderdelen, waar bijvoorbeeld de striping en zakken op van invloed zouden kunnen zijn. Daarbij merkt de rechtbank op dat de comforttest – waarop veel van de bezwaren van [eiseres] zien – niet meetelde bij de toekenning van punten die leidden tot de gunningsbeslissing. De comforttest was immers de eerste fase van het gunningsproces en alle drie de inschrijvers zijn doorgegaan naar de praktijktest. Alleen die praktijktest was onderdeel van de gunningscriteria. De omstandigheid dat de Veiligheidsregio volledigheidshalve in de gunningsbeslissing ook de opmerkingen heeft opgenomen die de testers op de eerste dag (bij de comforttest) hebben gemaakt, maakt dit niet anders. De stelling van [eiseres] dat het gevoel van de testers bij het comfort op de eerste dag wel van invloed moet zijn geweest op de puntentoekenning tijdens de praktijktest op de tweede dag, zoals [eiseres] die ter zitting (in haar tweede termijn) naar voren heeft gebracht, acht de voorzieningenrechter te vaag en onvoldoende concreet om daaraan conclusies te verbinden of daar verder op in te gaan.\n\nBeoordelingsfouten\n\n5.11.. \n [eiseres] heeft in de dagvaarding verder betoogd dat de aan haar toegekende score voor gunningscriterium 2 onjuist is. Er zijn volgens haar evidente fouten gemaakt in de beoordeling van haar inschrijving. [eiseres] heeft hier echter geen vordering tot herbeoordeling aan gekoppeld. Nu haar stellingen op dit punt niet kunnen leiden tot toewijzen van de wel ingestelde vorderingen, behoeven deze stellingen geen nadere bespreking.\n\n5.12.. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat [eiseres], na de gemotiveerde betwisting door de Veiligheidsregio van de in de dagvaarding op dit punt ingenomen stellingen, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van inhoudelijke onjuistheden bij de beoordeling van het plan van aanpak.\n\nMotivering\n\n5.13.. Nadat de Veiligheidsregio (met toestemming van [belanghebbende]) na het uitbrengen van de dagvaarding ook de subscores van [belanghebbende] op Gunningscriterium 2 en op Prijs bekend heeft gemaakt, heeft [eiseres] haar bezwaar ten aanzien van de motivering van de gunningsbeslissing niet langer gehandhaafd. Ook dit kan dus verder onbesproken blijven.\n\nProceskosten\n\n5.14.. \n [eiseres] heeft verzocht om, ook als zij in het ongelijk wordt gesteld, de Veiligheidsregio in de proceskosten te veroordelen omdat zij de onder 5.13 bedoelde informatie over de subscores pas zo laat heeft verstrekt. Daar ziet de voorzieningenrechter geen reden toe. [eiseres] heeft dit kort geding immers doorgezet nadat zij deze informatie heeft verkregen, omdat zij een oordeel van de voorzieningenrechter wenste over haar overige bezwaren tegen de gunningsbeslissing en een beslissing op de ingestelde vorderingen.\n\n5.15.. \n [eiseres] zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van de Veiligheidsregio en [belanghebbende]. De proceskosten van zowel de Veiligheidsregio als [belanghebbende] worden begroot op:\n\n- griffierecht € 735,-\n\n- salaris advocaat € 1.177,-\n\n- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de\n\nbeslissing)\n\n -------------------\n\nTotaal € 2.101,-\n\n5.16.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. wijst het gevorderde af;\n\n6.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van zowel de Veiligheidsregio als [belanghebbende] van ieder € 2.101,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] € 98,- extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.3.. veroordeelt [eiseres] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.4.. verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.\n\nts","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14752","2026-07-13T00:28:30.330Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":43,"courtId":115,"decisionDate":107,"fullText":116,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":117,"sourceTimestamp":118,"parsedAt":51,"updatedAt":119},"443","ECLI:NL:GHARL:2026:3328","ecli-nl-gharl-2026-3328",60,"GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.355.611\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 585427\n\narrest van 26 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nBBN Beveiliging B.V.\n\ndie is gevestigd in Maarssen\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld\n\nen bij de rechtbank optrad als eiseres\n\nhierna: BBN\n\nadvocaat: mr. L.M. Engels\n\ntegen\n\nGemeente Nieuwegein\n\ndie zetelt in Nieuwegein\n\nen bij de rechtbank optrad als gedaagde\n\nhierna: de gemeente\n\nadvocaat: mr. E.M.M. Vendrig\n\nen\n\nD.V. Services B.V.\n\ndie is gevestigd in Nieuwegein\n\ndie bij de rechtbank optrad als tussenkomende partij\n\nhierna: DV\n\nadvocaat: mr. R.S. van der Spek\n\n1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1. Naar aanleiding van het arrest in het incident van 19 september 2025, hebben partijen de volgende processtukken ingediend:\n\n de akte vermeerdering van eis namens BBN;\n\n de memorie van antwoord namens DV;\n\n de memorie van antwoord van de gemeente;\n\nde antwoordakte namens DV;\n\nde antwoordakte namens de gemeente.\n\n1.2. Op 14 april 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. In september 2024 heeft de gemeente een Europese openbare aanbestedingsprocedure (hierna: de aanbesteding) uitgeschreven voor de objectbeveiliging van het stadhuis en surveillance en alarmopvolging met betrekking tot haar vastgoed (hierna: de opdracht).\n\n2.2. Zowel BBN als DV heeft op deze opdracht ingeschreven.\n\n2.3. \n\nIn november 2024 heeft de gemeente aangekondigd de opdracht te willen gunnen aan DV. BBN is als vierde geëindigd. Naar de mening van BBN is dat onterecht, onder meer omdat haar inschrijving verkeerd is beoordeeld en de inschrijving van DV had moeten worden uitgesloten. Dit heeft BBN in kort geding aan de voorzieningenrechter voorgelegd.\n\nDe voorzieningenrechter heeft de gemeente bevolen om de gunningsbeslissing in te trekken en -na herbeoordeling van de inschrijvingen- een nieuwe gunningsbeslisssing te nemen.\n\n2.4. Omdat de voorzieningenrechter de vordering om de inschrijving van DV uit te sluiten, heeft afgewezen, is BBN in hoger beroep gekomen. Doel van haar hoger beroep is dat deze vordering alsnog wordt toegewezen en dat de (resterende) inschrijvingen op meer aspecten worden herbeoordeeld dan door de voorzieningenrechter is toegewezen. De gemeente en DV hebben zich hiertegen verweerd.\n\n2.5. Het hoger beroep van BBN slaagt niet en het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigen. Daarvoor geldt het volgende.\n\n3. Feiten\n\n3.1.. \n\nHet hof gaat bij zijn oordeel uit van de feiten zoals de voorzieningenrechter\n\ndie in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het vonnis heeft vastgesteld. Het hof gaat voorts uit van de volgende vaststaande feiten.\n\n3.2.. De Stichting Sociaal Fonds Particuliere Beveiliging (hierna: SFPB) heeft begin 2024 bij DV een controle uitgevoerd op de naleving van de CAO Particuliere Beveiliging. Dit onderzoek betrof de periode juni 2022 - mei 2023. Hieruit kwam naar voren dat DV haar werknemers in die periode niet volgens de CAO heeft beloond. Daarop heeft DV met terugwerkende kracht een looncorrectie toegepast en daarmee de geconstateerde tekortkoning hersteld. Op 27 september 2024 heeft SFBP schriftelijk aan DV medegedeeld:\n\n“U heeft de door ons vastgestelde cao-overtredingen over de controleperiode inmiddels\n\nhersteld en ons daarvan bewijsstukken toegestuurd. Hierbij beëindigen wij dan ook hetcao-onderzoek binnen uw onderneming.”\n\n3.3.. DV heeft het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (hierna: UEA) op 25 oktober 2024 ingevuld, ondertekend en als onderdeel van haar inschrijving ingediend bij de gemeente. Ten aanzien van de (uitgevraagde) schending van de verplichtingen op basis van milieu-, sociaal of arbeidsrecht heeft DV de vraag of zij voldoet aan de gestelde eisen met “Ja” beantwoord.\n\n“Schending verplichtingen o.b.v. milieu-, sociaal of arbeidsrecht\n\nWetsverwijzing(en): Artikel 2.87, lid 1a Aanbestedingswet 2012\n\nJuridische beschrijving: Heeft de ondernemer, voor zover hij weet, zijn verplichtingen op het gebied van het milieu-, sociaal of arbeidsrecht geschonden?\n\nDoor te antwoorden met ‘Ja’ geeft u aan dat deze uitsluitingsgrond niet op u van toepassing is en u voldoet aan deze eis.\n\nVoldoet u aan deze eis? Ja\n\n Nee”\n\n3.4.. SFPB heeft DV in november 2024 op de lijst van overtreders van de CAO Particuliere Beveiliging geplaatst.\n\n3.5.. Bij brief van 11 februari 2025 heeft SFPB aan DV geschreven:\n\n“Daarna hebben is er een half jaar de tijd om een hercontrole aan te vragen. Wordt er in die tijd geen hercontrole aangevraagd dan wordt het bedrijfsoordeel gepubliceerd. In dit geval is dit in november 2024 geweest.”\n\nOmdat DV geen hercontrole heeft aangevraagd bij SFPB, is zij in juni 2025 wederom op de lijst van overtreders van de CAO Particuliere Beveiliging geplaatst.\n\n3.6.. Naar aanleiding van het vonnis van de voorzieningenrechter in deze zaak, heeft de gemeente op 17 juni 2025 een nieuwe gunningsbeslissing genomen (onder intrekking van de gunningsbeslissing van 20 november 2024). Daarbij is DV als eerste geëindigd en BBN als vierde. Ook tegen deze tweede gunningsbeslissing is door BBN een kort geding ingeleid. De voorzieningenrechter in die zaak heeft zijn beslissing aangehouden tot dit hof heeft beslist over de gunningsbeslissing van november 2024 (hierna: de eerste gunningsbeslissing).\n\n4. Het oordeel van het hof\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1. Uit de gedingstukken en de aard van de zaak blijkt dat van een spoedeisend belang aan de zijde van BBN als oorspronkelijk eiseres onverminderd sprake is. Als gevolg van het arrest in het incident op grond van artikel 217 en 223 Rv van dit hof van 19 september 2025 is het de gemeente verboden om de opdracht definitief te gunnen aan DV tot in deze zaak is beslist. Een situatie als beoordeeld in het Xafaxarrestis daarom niet aan de orde.\n\nBelang\n\n4.2. DV heeft in hoger beroep gesteld dat BBN alleen een belang bij haar vordering tot het als ongeldig terzijde leggen van de inschrijving van DV heeft, in het geval het hof van oordeel zou zijn dat de inschrijving van BBN moet worden herbeoordeeld. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de advocaat van DV dit verweer ingetrokken zodat het geen beoordeling behoeft. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zowel de gemeente als DV hun verweer laten vallen dat BBN, nu zij als vierde is geëindigd, in het geheel geen belang bij haar vorderingen in dit kort geding toekomt. Uit een nader door de gemeente verstrekte toelichting op de rangorde is inmiddels gebleken dat indien de inschrijving van DV terzijde moet worden gelegd en een herbeoordeling van de resterende inschrijvingen plaatsvindt, BBN als eerste kan eindigen.\n\nOmvang van het beroep\n\n4.3. Voor zover de grieven van BBN zo moeten worden begrepen dat daarin ook (deels) de tweede gunningsbeslissing van de gemeente wordt aangevallen, kan dat in dit arrest niet worden beoordeeld. In dit arrest wordt alleen de eerste gunningsbeslissing beoordeeld (binnen de reikwijdte van de grieven tegen de beoordeling daarvan door de voorzieningenrechter).\n\nUitsluiting\n\n4.4. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat er geen verplichting voor de gemeente bestaat om de inschrijving van DV terzijde te leggen. Volgens de voorzieningenrechter heeft de gemeente, door het aanleggen van een proportionaliteitstoets met betrekking tot de gestelde toepasselijkheid van de facultatieve uitsluitingsgronden, in redelijkheid kunnen beslissen om DV niet uit te sluiten. De gemeente hoeft die beslissing niet te motiveren naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in het midden gelaten of de facultatieve uitsluitingsgronden op DV van toepassing zijn.\n\n4.5. \n\nMet de grieven 1 tot en met 5 komt BBN hiertegen op. Volgens haar heeft de voorzieningenrechter ten onrechte geoordeeld dat de gemeente in dit geval een proportionaliteitstoets mocht toepassen, nu de Aanbestedingsleidraad (in par. 4.1) bepaalt dat als zich een van de facultatieve uitsluitingsgronden voordoet, uitsluiting volgt. Verder heeft BBN betoogd dat de voorzieningenrechter twee van de vier grondslagen van de vorderingen van BBN ten onrechte niet heeft behandeld, namelijk het afleggen van een valse verklaring en het onrechtmatig beïnvloeden van het aanbestedingsproces. Ook die van toepassing verklaarde uitsluitingsgronden moeten leiden tot uitsluiting van de inschrijving van DV, zeker nu op die punten geen zelfreinigende maatregelen door DV zijn aangeboden. Het desondanks niet overgaan tot uitsluiting van DV is voorts, zo betoogt BBN in de grieven, ten onrechte niet aan de andere inschrijvers medegedeeld en toegelicht.\n\nTenslotte stelt BBN met haar grieven aan de orde dat DV nog steeds niet heeft bewezen aan de CAO te voldoen.\n\n4.6. De grieven lenen zich grotendeels voor gezamenlijke behandeling. Dat geldt ook voor de daartegen gevoerde verweren van de gemeente en DV.\n\nBeoordelingskader\n\n4.7. Bij zijn beoordeling neemt het hof het volgende tot uitgangspunt. Deze zaak betreft een Europese openbare aanbestedingsprocedure waarop de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012) van toepassing is. De Aw 2012 zal door het hof worden uitgelegd in het licht van de bepalingen van Richtlijn 2014\u002F24\u002FEU(hierna: de Richtlijn).\n\n4.8. Van de aanbestedingsstukken maakt ook het UEA deel uit. Dit document dient door alle inschrijvers te worden ingevuld. Met het invullen van het UEA geeft een ondernemer onder andere een (eigen) verklaring af over de vraag of uitsluitingsgronden op hem van toepassing zijn (artikel 2:84 lid 1 Aw 2012).\n\n4.9. In Deel III onder C van het UEA wordt in het kader van gronden die verband houden met insolventie, belangenconflicten of beroepsfouten onder meer gevraagd of de ondernemer zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige beroepsfouten (als bedoeld in artikel 2.87 lid 1 sub c Aw 2012) en aan schendingen van verplichtingen op basis van milieu-, sociaal of arbeidsrecht (als bedoeld in artikel 2.87 lid 1 sub a Aw 2012).\n\n4.10. Artikel 2.87 lid 1 aanhef en onder h en i Aw 2012 bepaalt onder andere dat de aanbestedende dienst een inschrijver kan uitsluiten wanneer die zich in ernstige mate schuldig maakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie die nodig is voor onder meer de controle op het ontbreken van gronden voor uitsluiting of die informatie heeft achtergehouden en zo de aanbesteding onrechtmatig heeft beïnvloed.\n\n4.11. Om te kunnen beoordelen of een van de facultatieve uitsluitingsgronden aan de orde is en of een inschrijver zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie die nodig is voor onder meer de controle op het ontbreken van gronden voor uitsluiting of die informatie heeft achtergehouden, moet worden onderzocht welke verklaringen zijn afgelegd en hoe die verklaringen, in het licht van de bewoordingen van de aanbestedingsstukken als geheel, moeten worden uitgelegd. Nu het hier om een uitleg gaat die mede de positie van derden, zoals andere (potentiële) inschrijvers op deze aanbesteding beïnvloedt, moet een uitleg naar objectieve maatstaven worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de aanbestedingsstukken, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de aanbestedende dienst maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de aanbestedingsstukken zijn gesteld. Dit sluit ook aan bij het transparantiebeginsel dat impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze opdat alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers dit op dezelfde wijze kunnen begrijpen.\n\n4.12. Op grond van artikel 2.87a lid 1 Aw 2012 is een aanbestedende dienst verplicht om een inschrijver op wie een uitsluitingsgrond van toepassing is, in de gelegenheid te stellen om te bewijzen dat hij voldoende maatregelen heeft genomen om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Als de aanbestedende dienst die maatregelen toereikend acht, vindt geen uitsluiting plaats. Artikel 2.87a Aw vormt de implementatie van artikel 57, lid 6 van de Richtlijn. In dat kader zijn ook de onderdelen 101 en 102 van de Considerans bij die Richtlijn van belang:\n\n“(101)\n\nDe aanbestedende diensten moet verder de mogelijkheid worden geboden ondernemers uit te sluiten die onbetrouwbaar zijn gebleken, bijvoorbeeld wegens schending van milieu- of sociale verplichtingen, met inbegrip van regels inzake de toegankelijkheid voor gehandicapten of wegens andere ernstige beroepsfouten, zoals schending van de mededingingsregels of van de intellectuele-eigendomsrechten. Verduidelijkt moet worden dat een ernstige fout de integriteit van de ondernemer kan aantasten en ertoe kan leiden dat hij niet meer in aanmerking komt voor het plaatsen van een overheidsopdracht, ook al beschikt hij over de technische bekwaamheid en de economische draagkracht om de opdracht uit te voeren.\n\nRekening houdend met het feit dat de aanbestedende dienst aansprakelijk zal zijn voor de gevolgen van een eventuele foute beslissing, moet hij tevens naar eigen inzicht kunnen blijven beoordelen hoeverre er sprake is van een ernstige fout, ingeval hij, voordat bij definitief, bindend besluit is vastgesteld dat er verplichte uitsluitingsgronden voorhanden zijn, met elk passend middel kan aantonen dat de ondernemer zijn verplichtingen heeft geschonden, waaronder de verplichtingen in verband met de betaling van belastingen of socialezekerheidsbijdragen tenzij in het nationale recht anders is bepaald. Hij moet voorts gegadigden of inschrijvers kunnen uitsluiten die zich bij eerdere overheidsopdrachten schuldig hebben gemaakt aan grove wanprestatie, bijvoorbeeld niet-levering of niet-uitvoering, levering of uitvoering met grote gebreken die het product of de dienst onbruikbaar maken voor het beoogde doel, en wangedrag dat ernstige twijfel doet rijzen aan de betrouwbaarheid van de ondernemer. In het nationaal recht moet in een maximumtermijn voor dergelijke uitsluitingen voorzien worden.\n\nBij het hanteren van facultatieve uitsluitingsgronden, moeten de aanbestedende diensten bijzondere aandacht schenken aan het proportionaliteitsbeginsel. Kleine onregelmatigheden mogen slechts in uitzonderlijke omstandigheden tot de uitsluiting van een ondernemer leiden. Doen zich echter herhaaldelijk kleine onregelmatigheden voor, dan kan dit twijfel doen rijzen over de betrouwbaarheid van de ondernemer en reden tot uitsluiting zijn.\n\n(102)\n\nWel moeten ondernemers de mogelijkheid krijgen om maatregelen te nemen die de gevolgen van strafrechtelijke inbreuken of fouten verhelpen en herhaling van het wangedrag doeltreffend voorkomen. Met name kan het gaan om maatregelen op het gebied van personeel en organisatie, zoals het verbreken van alle banden met personen of organisaties die betrokken zijn bij het wangedrag, passende maatregelen voor de reorganisatie van het personeel, de implementatie van verslagleggings- en controlesystemen, het opzetten van een interne controlestructuur voor toezicht op de naleving, en de vaststelling van interne regels met betrekking tot aansprakelijkheid en vergoeding. Als zulke maatregelen voldoende garanties bieden, mag de ondernemer niet langer uitsluitend op deze gronden worden uitgesloten. De ondernemer moet kunnen verzoeken dat de maatregelen die met het oog op mogelijke toelating tot de aanbestedingsprocedure zijn genomen, getoetst worden. Het bepalen van de exacte procedurele en inhoudelijke voorwaarden die in zulke gevallen van toepassing zijn, dient aan de lidstaten te worden overgelaten. Het moet de lidstaten meer bepaald vrijstaan te beslissen of zij de individuele aanbestedende diensten toelaten de desbetreffende evaluaties uit te voeren, dan wel deze taak aan andere autoriteiten op een centraal of decentraal niveau toevertrouwen.”\n\n4.13. Op grond van artikel 2.88 Aw 2012 kan een aanbestedende dienst ook afzien van uitsluiting (1) om dwingende redenen van algemeen belang of (2) indien uitsluiting disproportioneel is. Het proportionaliteitsbeginsel vereist dat het gedrag van een inschrijver op basis van alle relevante gegevens concreet en individueel wordt beoordeeld en dat de uitsluiting steeds evenredig is. Dat ligt besloten in artikel 57, lid 3 en 18, lid 1 van de Richtlijn en volgt uit de jurisprudentie van het HvJ EU.\n\nBeoordeling uitsluiting\n\n4.14. \n\nDe eerste vraag die moet worden beantwoord is of sprake is een uitsluitingsgrond in de zin van een ernstige beroepsfout aangaande de integriteit van de inschrijver (als bedoeld in artikel 2.87 lid 1 sub c Aw 2012) of een schending van verplichtingen op basis van\n\nmilieu-, sociaal of arbeidsrecht (als bedoeld in artikel 2.87 lid 1 sub a Aw 2012). Volgens de gemeente en DV is daarvan geen sprake nu DV al voor inschrijving maatregelen heeft genomen die de door SFPB geconstateerde onregelmatigheden met terugwerkende kracht hebben hersteld.\n\n4.15. \n\nDit verweer slaagt. Het SFPB heeft begin 2024 geconstateerd dat over de periode juni 2022 tot mei 2023 de CAO verplichtingen door DV niet volledig zijn nageleefd. Daarop heeft DV met terugwerkende kracht een looncorrectie toegepast die dit gebrek heeft hersteld. Dat is in september 2024 door SFPB bevestigd. De inschrijving van DV op deze opdracht dateert van oktober 2024. Tegen die achtergrond kon de gemeente oordelen dat de uitsluitingsgronden van 2.87 lid 1 onder a en c Aw 2012 niet op DV van toepassing zijn, althans is aannemelijk dat zij die beslissing bij deze feiten en omstandigheden in redelijkheid kon nemen. Dat DV in november 2024 nog op de lijst van SFPB stond (als bedrijf dat de CAO heeft geschonden) maakt dat niet anders. De daarvoor door DV gegeven verklaring, namelijk dat alleen na een hercontrole de lijst door SFPB wordt aangepast en dat DV daartoe geen aanleiding zag omdat zij in september 2024 reeds een brief van SFPB heeft ontvangen waarin staat dat het onderzoek naar haar is gesloten vanwege de door DV genomen maatregelen, is naar het voorshands oordeel van het hof voldoende duidelijk. Daarbij weegt het hof mee dat de door SFPB geconstateerde schending van de CAO nog kon worden teruggedraaid (zoals ook is gebeurd). In die zin wijkt deze situatie af van bijvoorbeeld een schending van de Meststoffenwet, waarvan overtreding niet (met terugwerkende kracht) ongedaan kan worden gemaakt.\n\nDe gemeente heeft in haar brief van 4 april 2025 beide onderwerpen ook voldoende duidelijk geadresseerd, zodat het verwijt van BBN (in grief 4) dat de gemeente haar beslissing om DV niet uit te sluiten niet heeft gecommuniceerd, geen doel treft.\n\n4.16. Volledigheidshalve heeft de gemeente gevraagd naar de door DV getroffen maatregelen om het niet naleven van de verplichtingen uit de CAO in de toekomst te voorkomen. Op basis van de door DV genomen maatregelen, waaronder de certificering door het “Keurmerk Beveiliging” dat externe audits op de naleving van alle verplichtingen uit het arbeidsrecht inhoudt, de toepassing van software die de correcte toepassing van de arbeidsvoorwaarden faciliteert en fouten mitigeert en het voldoen aan de ISO 9001 norm, heeft de gemeente geoordeeld dat DV voldoende maatregelen heeft genomen zodat uitsluiting van haar inschrijving niet aan de orde is. Ook dat is in de brief van 4 april 2025 met BBN gedeeld.\n\n4.17. \n\nHet verwijt van BBN dat de gemeente DV deze gelegenheid niet had mogen bieden omdat de Aanbestedingsleidraad, bij het van toepassing zijn van uitsluitingsgronden, alleen de mogelijkheid van uitsluiting kent, treft evenmin doel. Uit het voorgaande volgt dat de gemeente DV zekerheidshalve terecht in de gelegenheid heeft gesteld om te bewijzen dat zij voldoende maatregelen heeft genomen om haar betrouwbaarheid aan te tonen op het onderdeel van het arbeidsrecht en de in dat kader door het SFPB begin 2024 geconstateerde schending van de CAO. Daaraan staat par. 4.1 van de Aanbestedingsleidraad niet in de weg. Weliswaar lijkt daaruit te volgen dat indien sprake is van een facultatieve uitsluitingsgrond de inschrijving steeds terzijde wordt gelegd, maar dat is in strijd met artikel 2.87a jo. 2.88 Aw, gelezen in het licht van de Richtlijn, zoals uitgelegd door het HvJ EU.\n\nDaaruit volgt immers dat het gedrag van een inschrijver op basis van alle relevante gegevens (waaronder de maatregelen die de inschrijver heeft genomen), individueel en concreet dient te worden beoordeeld en dat de uitsluiting steeds evenredig dient te zijn.\n\nZo er al sprake zou zijn van de toepasselijkheid van de uitsluitingsgronden van artikel 2.87 lid 1 onder a en c Aw 2012, dan nog heeft de gemeente na haar onderzoek (subsidiair) in dit geval kunnen beslissen niet tot uitsluiting van DV over te gaan.\n\n4.18. Nu de gemeente terecht heeft kunnen beslissen dat er ten tijde van de inschrijving geen uitsluitingsgronden in de zin van 2.87 lid 1 sub a en c Aw 2012 op DV van toepassing waren, is er naar het voorshands oordeel van het hof evenmin sprake van een situatie waarin DV zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan het afleggen van een valse verklaring door de vraag in het UEA (zoals hiervoor weergegeven in randnummer 3.3) met Jate beantwoorden. Datzelfde geldt voor het verwijt van BBN dat DV door dat antwoord de aanbesteding onrechtmatig heeft beïnvloed. Voor beide geldt dat op het moment van inschrijving DV de geconstateerde schending met terugwerkende kracht had gecorrigeerd en zij bericht van SFPB als controlerende instantie had ontvangen dat dat het geval was en het onderzoek naar haar was gestaakt. DV mocht als behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver aannemen dat waar op het moment van het invullen van de UEA (op 25 oktober 2024) geen sprake meer was van schending van de CAO zij hier “Ja” mocht invullen. Dat in de betreffende vraag in het UEA (zie randnr. 3.3 hierboven) letterlijk staat “heeft geschonden” maakt dat niet anders. Hoewel die werkwoordsvorm ook kan zien op een schending in het verleden, mocht DV bij deze stand van zaken en met name in het licht van de brief van SFPB van 27 september 2024, de vraag met “Ja” beantwoorden.\n\n4.19. Ten overvloede merkt het hof op dat BBN in de grieven 1 en 3 niet stelt dat sprake is van een situatie waarin sprake is van het in ernstige mate schuldig maken aan het afleggen van een valse verklaring of het onrechtmatig beïnvloeden van de aanbesteding. Zij stelt slechts dat DV een valse verklaring heeft afgelegd en de aanbesteding onrechtmatig heeft beïnvloed. Dat is onvoldoende om van de toepasselijkheid van artikel 2.87 lid 1 onder h en i Aw 2012 uit te gaan.\n\nTussenconclusie\n\n4.20. Uit het voorgaande volgt dat het hof voorlopig van oordeel is dat de gemeente terecht niet tot uitsluiting van de inschrijving van DV is overgegaan.\n\nHerbeoordeling\n\n4.21. \n\nDe voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis (r.o. 3.16) de gemeente bevolen om ten aanzien van het plan van aanpak over te gaan tot een herbeoordeling van alle inschrijvingen.\n\nDe daarbij aan de gemeente geven instructie luidt dat alle inschrijvingen op dezelfde wijze volgens de Aanbestedingsleidraad moeten worden beoordeeld en dat voor de inschrijving van BBN (als zittende dienstverlener) geen zwaardere eisen mogen gelden dan voor de andere inschrijvingen.\n\nDeze herbeoordeling behoefde van de voorzieningenrechter geen betrekking te hebben op de inschrijfprijs en de wet DBA (Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties, hierna: wet DBA), zoals door BBN betoogd. De beoordelingscommissie behoefde evenmin in een nieuwe samenstelling de herbeoordeling uit te voeren, zoals door BBN gevorderd.\n\n4.22. Met haar grieven 6 (prijs), 8 (wet DBA) en 9 (beoordelingscommissie) komt BBN hier tegen op.\n\n4.23. Volgens BBN heeft DV op deze opdracht ingeschreven met een prijs die als abnormaal laag moet worden gekwalificeerd en door de gemeente om die reden terzijde had moeten worden gelegd. De gemeente heeft dit betwist en gewezen op de in de Aanbestedingsleidraad (par. 5.2) weergegeven bandbreedte voor de inschrijfprijs:\n\n“De tarieven moeten liggen tussen het minimum en maximum wat per onderdeel bepaald is, zoals aangegeven op het tarievenblad. Indien u een tarief hierbuiten opgeeft, wordt uw inschrijving als ongeldig terzijde gelegd.”\n\nTussen partijen is niet in geschil dat DV met haar inschrijving binnen de toegestane bandbreedte is gebleven en behoefde reeds daarom haar inschrijving niet te worden uitgesloten. Dat die bandbreedte zelf inschrijving met een abnormaal lage prijs zou toestaan, zoals BBN lijkt te betogen, is naar het voorlopig oordeel van het hof - in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door DV - niet aannemelijk geworden.\n\nDaarbij komt, zoals de gemeente terecht aanvoert, dat BBN door inschrijving deze bandbreedte heeft geaccepteerd (vgl. 2.18, 3.3 en 3.5 van de Aanbestedingsleidraad) en daarover dus niet meer kan klagen.\n\nGrief 6 faalt.\n\n4.24. \n\nGrief 8 richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat van een onjuiste beoordeling van het Plan van Aanpak ten aanzien van het onderdeel “personeel” geen sprake is. Volgens BBN heeft de gemeente dit onderdeel ten onrechte in haar nadeel laten meewegen. Zij maakt geen gebruik van ZZP’ers en heeft dan ook niets te maken met de wet DBA. Door desondanks toch van haar te verwachten dat zij de wet DBA betrekt bij haar inschrijving, treedt de gemeente buiten haar toetsingskader.\n\nDeze grief faalt. De inschrijving van BBN is niet op dit aspect beoordeeld. In die zin mist deze grief een feitelijke grondslag. De gemeente heeft BBN inderdaad wel minder punten toegekend op dit onderdeel van het plan van aanpak omdat BBN in het geheel niet is ingegaan op de ontwikkelingen rond het thema “inzetbaarheid van personeel”, onduidelijk is gebleven hoe het personeelsbestand van BBN is opgebouwd en welke risico’s hier voor de gemeente aan kleven. Dat de wet DBA invloed heeft op de inzetbaarheid van personeel en het kunnen aantrekken daarvan acht het hof voorshands aannemelijk en in dat kader mocht de gemeente verwachten dat de inzetbaarheid van personeel in deze context in het plan van aanpak door BBN (en de andere inschrijvers) werd geadresseerd. Dat BBN wel en andere inschrijvers niet op dit onderdeel zouden zijn beoordeeld, is niet gebleken of aannemelijk geworden.\n\n4.25. \n\nDe voorzieningenrechter heeft de vordering van BBN om de herbeoordeling door een nieuwe beoordelingscommissie te laten uitvoeren, afgewezen. Daartegen komt BBN op met grief 9. Volgens haar is een nieuwe beoordelingscommissie wel degelijk noodzakelijk. De commissie die de eerste gunningsbeslissing heeft genomen is ver buiten de beoordelingskaders van deze aanbesteding getreden, is vooringenomen en daarmee ongeschikt om de herbeoordeling uit te voeren. Dat is volgens BBN ook gebleken uit de tweede gunningsbeslissing: daarbij is de commissie opnieuw buiten het beoordelingskader getreden.\n\nHet hof beoordeelt in deze zaak alleen de eerste gunningsbeslisssing. Waar grief 9 wordt onderbouwd met een verwijzing naar de tweede gunningsbeslissing, weegt dat dus hier niet mee. Voor het overige faalt deze grief. Voorshands is niet aannemelijk geworden dat de huidige beoordelingscommissie door het maken van één fout bij het nemen van de eerste gunningsbeslissing vooringenomen of ongeschikt is de duidelijke instructie van de voorzieningenrechter voor de herbeoordeling van de inschrijvingen (in r.o. 3.16 van het vonnis) uit te voeren. De stelling van BBN dat in gevallen als deze steeds een nieuwe beoordelingscommissie moet aantreden, volgt het hof niet. Dat hangt steeds af van de feiten en omstandigheden van het geval. Als er aanwijzingen zijn dat de eerste commissie niet langer geschikt is, kan dat aanleiding zijn voor het instellen van een nieuwe commissie. Die aanwijzingen ontbreken hier naar het voorshands oordeel van het hof.\n\nTussenconclusie herbeoordeling\n\n4.26. Het hof zal de vorderingen van BBN ten aanzien van de herbeoordeling afwijzen, behalve voor zover de voorzieningenrechter die al heeft toegewezen.\n\n4.27. \n\nVoor zover BBN met grief 7 betoogt dat de eerste gunningsbeslissing in algemene zin onvoldoende is gemotiveerd en daarom moet worden aangepast, mist zij naar het voorshands oordeel van het hof belang bij beoordeling van deze grief. De eerste gunningsbeslisssing is immers door de gemeente (op bevel van de voorzieningenrechter) ingetrokken en kan daarom niet nader worden gemotiveerd in de blijkbaar door BBN beoogde zin.\n\nTen aanzien van het verwijt dat de eerste gunningsbeslissing geen motivering ten aanzien van het niet uitsluiten van DV bevat, heeft het hof hiervoor (in r.o. 4.15 slot) al geoordeeld.\n\nConclusie\n\n4.28. Het hoger beroep van BBN faalt. Het hof zal het bestreden vonnis daarom bekrachtigen.\n\n4.29. \n\nAls de in het ongelijk gestelde partij zal het hof BBN veroordelen in de kosten van de gemeente en DV in het hoger beroep in de hoofdzaak. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor betekening van de uitspraak en de wettelijke rente over deze proceskosten als deze niet binnen 14 dagen worden betaald.\n\nHet hof zal de kosten van de beide incidenten compenseren in die zin dat alle partijen de eigen kosten daarvan dragen.\n\n4.30. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1. bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 7 mei 2025;\n\n5.2. veroordeelt BBN in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de gemeente begroot op:\n\n€ 827,- aan griffierecht;\n\n€ 2.580, -aan salaris van de advocaat van de gemeente (2 punten in tarief II)\n\nen aan de zijde van DV begroot op:\n\n€ 827,- aan griffierecht;\n\n€ 2.580, -aan salaris van de advocaat van DV (2 punten in tarief II)\n\n5.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.4. compenseert de kosten van de incidenten in die zin dat alle partijen hun eigen kosten dragen;\n\n5.5. verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. S.M. Evers, A.A. van Rossum en G.J. Meijer en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.\n\n HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2638.\n\n Richtlijn 2014\u002F24\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004\u002F18\u002FEG.\n\n HvJ EU, 26 januari 2023, C-682\u002F21 (onder andere punt 38, 40 en 41).\n\n Vgl. voetnoot iii\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9625.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3328","2026-05-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:30.429Z",{"id":121,"ecli":122,"slug":123,"caseNumber":43,"courtId":115,"decisionDate":107,"fullText":124,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":118,"parsedAt":51,"updatedAt":126},"444","ECLI:NL:GHARL:2026:3333","ecli-nl-gharl-2026-3333","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.503\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 455472\n\narrest in kort geding van 26 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n1. Becedo Vastgoed IV B.V.\n\ndie is gevestigd in Didam\n\n2. [appelante sub 2] B.V.\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats]\n\neisende partijen bij de voorzieningenrechter\n\nhierna samen: Becedo c.s.\n\nadvocaat: mr. A.A. al Khatib\n\nen\n\ngemeente Doesburg\n\ndie zetelt in Doesburg\n\ngedaagde partij bij de voorzieningenrechter\n\nhierna: de gemeente\n\nadvocaat: mr. E.M.M. Vendrig\n\nen\n\nEkoma Onroerend Goed B.V.\n\ndie is gevestigd in Apeldoorn\n\ntussenkomende partij bij de voorzieningenrechter\n\nhierna: Ekoma\n\nadvocaat mr. H. Doornhof.\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. Becedo c.s. heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de voorzieningenrechter) op 1 december 2025tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep met grieven, met producties\n\nde memorie van antwoord van de gemeente\n\nde memorie van antwoord van Ekoma\n\neen akte overlegging producties van Becedo\n\neen nadere productie van Becedo\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 31 maart 2026 is gehouden\n\n1.2.. Hierna hebben partijen arrest verzocht en heeft het hof daarvoor een datum bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n\nDe gemeente heeft het voornemen tot overdracht (via een grondruil) van een perceel grond gelegen in de wijk Beinum in Doesburg (hierna te noemen: Perceel Gemeente) aan Ekoma die daar een supermarkt wil vestigen. Ekoma heeft een perceel grond in dezelfde wijk waarop een supermarkt is gevestigd (hierna te noemen: Perceel Ekoma), welk perceel zij wil overdragen aan de gemeente.\n\nBecedo c.s. vindt dat zij ook moet kunnen meedingen naar verkrijging van het Perceel Gemeente. Volgens haar had de gemeente potentiële gegadigden voor de verkrijging van het Perceel Gemeente mededingingsruimte moeten bieden door middel van een openbare selectieprocedure. Naar haar mening handelt de gemeente in strijd met artikel 3:14 BW en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door dit perceel op de voorgenomen wijze aan Ekoma over te dragen. Daarnaast stelt Becedo c.s. dat er sprake is van (verboden) staatssteun door de gemeente aan Ekoma doordat zij het Perceel Gemeente overdraagt tegen een te lage, niet marktconforme, prijs. Haar vorderingen in eerste aanleg waren erop gericht te voorkomen dat de gemeente een definitieve overeenkomst met Ekoma zou sluiten en het Perceel Gemeente aan Ekoma zou overdragen zonder eerst een openbare selectieprocedure te doorlopen. De gemeente heeft zich daartegen verweerd en gewezen op haar “Bekendmaking van voornemen tot verkoop c.q. grondruil van gemeentegrond” van juli 2025. Daarin heeft zij toegelicht dat Ekoma de enige serieuze gegadigde voor het perceel is en dat daarom een openbare selectieprocedure achterwege kon blijven.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Becedo c.s. afgewezen. Kort gezegd heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de keuze voor de wijze van herontwikkeling van het centrum van Beinum valt binnen de beleidsvrijheid van de gemeente en dat de gemeente in het kader van die ontwikkeling Ekoma heeft kunnen aanmerken als enige serieuze gegadigde. Tot slot heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de voorgenomen verkoop c.q. grondruil (verboden) staatssteun oplevert.\n\n2.3.. De bedoeling van het hoger beroep is dat de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van Becedo c.s. worden toegewezen. Kort gezegd komen de vorderingen van Becedo c.s. in hoger beroep erop neer dat ze wil dat de gemeente wordt veroordeeld tot het intrekken van de publicatie over haar voornemen tot overdracht van het Perceel Gemeente aan Ekoma, haar wordt verboden om het Perceel Gemeente aan Ekoma te verkopen en te leveren zonder selectieprocedure en wordt geboden om een eventuele verkoop c.q. grondruil aan Ekoma ongedaan te maken. Deze laatste vordering richt zich ook tot Ekoma. Becedo c.s. vordert tevens oplegging van een dwangsom en een proceskostenveroordeling.\n\n2.4.. Het hof is voorshands van oordeel dat de keuze voor de wijze van herontwikkeling van het centrum van Beinum valt binnen de beleidsvrijheid van de gemeente en dat de gemeente Ekoma in dat kader heeft kunnen aanmerken als enige serieuze gegadigde voor het Perceel Gemeente. Het hof zal echter het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is geworden dat de voorgenomen verkoop c.q. grondruil staatssteun oplevert, vernietigen de gemeente veroordelen in de proceskosten van Becedo c.s. in beide instanties. De proceskosten tussen Becedo c.s. en Ekoma zal het hof in beide instanties compenseren. Ten behoeve van de leesbaarheid van het dictum zal het hele vonnis van de voorzieningenrechter worden vernietigd.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Ekoma is eigenaar van Perceel Ekoma, gelegen in het centrum van de wijk Beinum in Doesburg . Op Perceel Ekoma exploiteert Dekamarkt, gelieerd aan Ekoma, een supermarkt.\n\n3.2.. De gemeente is eigenaar van de omliggende percelen in het centrum van de wijk Beinum, met uitzondering van een perceel dat is gelegen naast het Perceel Ekoma waarop een snackbar wordt geëxploiteerd en een perceel met vijver van het Waterschap Rijn en IJssel.\n\n3.3.. De gemeente is sinds 2016 voornemens om het centrum van Beinum te herontwikkelen. Dit voornemen is opgenomen in de Ruimtelijke Structuurvisie Doesburg 2030 van 22 juni 2016. Ten behoeve van de herontwikkeling heeft de gemeente een participatieproces ingericht en is een projectgroep opgericht. In deze projectgroep zaten verschillende deskundigen, adviseurs en belanghebbenden waaronder een vertegenwoordiger van Ekoma\u002FDekamarkt. De eigenaar van de snackbar is uitgenodigd voor deelname aan de projectgroep, maar heeft daar niet aan deelgenomen.\n\n3.4.. Op 29 maart 2022 is het Projectplan Herontwikkeling Centrum Beinum voltooid. Hierin staat een beschrijving van het project die luidt:\n\n “2.1. Wat is de opgave?\n\nHet centrum van Beinum heeft een gedateerde en vervallen uitstraling. Hierdoor functioneert dit centrum onvoldoende als kloppend hart van de wijk. Dit komt mede door:\n\n de beeldbepalende en introverte sporthal en de gedateerde supermarkt en snackbar;\n\n een supermarkt die door haar huidige omvang te klein is om toekomstbestendig haar rol in de wijk te kunnen vervullen;\n\n een tussenliggend parkeerterrein dat te krap, te onoverzichtelijk en verkeersonveilig is;\n\n een groot stuk ongebruikt openbaar groen;\n\n de slechte waterkwaliteit van vijver De Brink die door de beperkte doorstromingsmogelijkheden de laatste jaren hard achteruit gegaan;\n\n het ontbreken van samenhang en groen- \u002Fverblijfskwaliteit (van belang voor een gezonde leefomgeving).\n\nHet project ziet op het aantrekkelijk maken van het centrum van Beinum zodat de locatie een toekomstbestendige bijdrage levert aan de leefbaarheid van de wijk.”\n\n3.5.. Op 8 april 2022 is het in opdracht van de gemeente uitgevoerde distributie-planologisch onderzoek (DPO) voltooid. De conclusies van dit onderzoek luiden:\n\n “Kwalitatieve uitbreiding gewenst\n\nIn de gemeente Doesburg is er nu en in de toekomst geen marktruimte voor het uitbreiden van het dagelijkse aanbod. Er is echter aanleiding om de supermarkt in de wijk Beinum uit te breiden en te moderniseren, waarmee voor de inwoners van de wijk een toekomstbestendige boodschappenlocatie gerealiseerd wordt.\n\nEffecten afhankelijk van omvang supermarkt\n\nEen dergelijke ontwikkeling past binnen het gemeentelijk detailhandelsbeleid, mits de uitbreiding geen afbreuk doet aan de algehele detailhandelsstructuur van de gemeente. Het centrum van Doesburg is hét hoofdwinkelgebied en de enige bovenlokale boodschappenlocatie in de gemeente. Om deze positie niet te ondermijnen is het belangrijk dat de supermarkt in Beinum geen bovenlokale aantrekkingskracht krijgt. Er wordt dan ook geadviseerd een uitbreinding van de supermarkt tot maximaal 1.200 m2 wvo toe te staan. Dit is een iets ruimere maat dan in de Detailhandelsstructuurvisie opgenomen (maximaal 1.000 m2 wvo). Deze verruiming is te onderbouwen door de inmiddels doorgezette trend van schaalvergroting in de supermarktsector. Een supermarkt van 1.200 m2 wvo vervult nog steeds een wijkverzorgende functie. DTNP adviseert hierbij een maximale brutovloeroppervlakte (bvo)* van 1.500 m2 aan te houden. (…)\n\n* De totale ruimte van een winkel bestaat uit winkelvloeroppervlak en niet voor consumenten toegankelijke ruimten (opslag, kantine, etc.). (…)”\n\n3.6.. Op 2 augustus 2022 heeft Becedo c.s. een brief geschreven aan de gemeente waarin zij interesse toont in het realiseren van een supermarkt op de locatie van de huidige sporthal in Beinum. De gemeente heeft hierop geantwoord dat zij bezig is met de planontwikkeling voor woningbouw in het centrum van Beinum en dat hierbij ook de huidige functies in het gebied worden betrokken. Ook schrijft zij dat zij bij gronduitgifte het Didam-arrest zal naleven en dat daarom in voorkomend geval ofwel een openbare selectieprocedure zal worden gestart ofwel bekend zal worden gemaakt dat er sprake is van één serieuze gegadigde. Daarop heeft Becedo c.s. geantwoord dat zij ervan uitgaat in alle situaties uitgenodigd te zullen worden voor een openbare aanbesteding of selectieprocedure omdat zich een situatie dat er sprake is van één serieuze gegadigde zich niet zal voordoen.\n\n3.7.. Op 14 oktober 2022 heeft de gemeenteraad de Nota van Uitgangspunten voor de Herontwikkeling centrum Beinum vastgesteld. Hierin staat dat er nog geen harde omlijning is van het plangebied. Als kernpunten worden genoemd het realiseren van ten minste veertig appartementen en een supermarkt van 1.600 m2 inclusief laden en lossen (inpandig), maar geen extra winkels.\n\n3.8.. De gemeente heeft op basis van de Nota van Uitgangspunten een ontwerpstudie laten uitvoeren. Vervolgens zijn drie schetsontwerpen voor de herontwikkeling gepresenteerd tijdens een wijkbijeenkomst. In één van deze ontwerpen is een supermarkt ingetekend op de huidige plek van de Dekamarkt; in de andere twee ontwerpen staat een supermarkt op een andere plek in het plangebied ingetekend.\n\n3.9.. Op 6 juni 2023 heeft Becedo c.s. de gemeente nogmaals verzocht om geïnformeerd te worden over plannen voor de ontwikkelingen betreffende supermarkten in Doesburg .\n\n3.10.. Op 5 juli 2023 zijn de stedenbouwkundige uitgangspunten vastgesteld waarin is bepaald waaraan het definitieve ontwerp moet voldoen. Vervolgens is het voorlopig ontwerp van het Hart van Beinum in november 2023 voltooid, resulterend in een definitief ontwerp- en beeldkwaliteitsplan Hart van Beinum in april 2024. Dit definitieve ontwerp is op 29 mei 2024 in de gemeenteraad vastgesteld.\n\n3.11.. In april 2024 heeft Arcadis in opdracht van de gemeente een residuele grondwaardeberekening uitgevoerd van het Perceel Gemeente. Arcadis concludeert tot een grondprijs van € 1.701.500.\n\n3.12.. Teneinde het plan volgens het vastgestelde definitieve ontwerp te kunnen uitvoeren is de gemeente in overleg getreden met Ekoma over de voorwaarden voor verkoop c.q. grondruil van het Perceel Ekoma en de verplaatsing van de Dekamarkt. Dit heeft geresulteerd in een concept-koopovereenkomst tussen de gemeente en Ekoma in juni 2025. Hierin staat, voor zover van belang:\n\n “Artikel 7: Aan- en verkoop bouwgrond\n\nAankoop Nieuwe Locatie door Ondernemer van Gemeente\n\n1. Ondernemer koopt van de Gemeente de Nieuwe Locatie in bouwrijpe staat. De koopsom bedraagt € 1.231.500. Dit bedrag is gebaseerd op een winkelvloeroppervlak van 1200 m2 (bruto oppervlak van circa 2.000 m2) én de realisatie van parkeerplekken op het dak van de Supermarkt.\n\n2. (…)\n\n3. De prijs voor de Nieuwe Locatie is conform artikel 4.1 sub 3 residueel bepaald met als aanvullende voorwaarden:\n\na. Voor het parkeren op het dak is gerekend met een onrendabele top van\n\n€ 10.000 per parkeerplaats, waarbij is uitgegaan van 47 parkeerplaatsen. De uiteindelijke meer\u002Fminder te realiseren parkeerplaatsen worden verrekend op basis van voornoemd bedrag van € 10.000.”\n\n3.13.. Op 21 juli 2025 heeft de gemeente het voornemen tot verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente aan Ekoma of een aan haar gelieerde onderneming gepubliceerd in het Gemeenteblad (hierna: de publicatie). De publicatie luid als volgt:\n\n“Bekendmaking van voornemen tot verkoop c.q. ruil van gemeentegrond\n\nDe Hoge Raad heeft op 26 november 2021 het Didam-arrest gewezen. Daarin is bepaald dat een overheidslichaam bij de verkoop van onroerende zaken, of een uitgifte anderszins, gelegenheid moet bieden aan (potentiële) gegadigden om:\n\n1. mee te dingen naar deze onroerende zaak, of;\n\n2. in ieder geval kennis te nemen van het voornemen dat deze onroerende zaak wordt uitgeven aan één specifieke partij of persoon.\n\nEnige serieuze gegadigde\n\nDe Gemeente Doesburg is voornemens om bouwgrond (voor de realisatie van een supermarkt met aangrenzend parkeerterrein) (…) te verkopen aan Ekoma (…) of een aan haar gelieerde onderneming.\n\nDe Gemeente Doesburg is van oordeel dat Ekoma op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria de enige serieuze gegadigde is die voor de aankoop van de percelen in aanmerking komt. De Gemeente komt tot die conclusie op grond van de volgende criteria:\n\n1. De gemeente wenst het centrum van Beinum te transformeren in een aantrekkelijk verblijfsgebied voor de wijk Beinum. Daarvoor zijn op 29 mei 2024 de ruimtelijke kaders door de gemeenteraad van Doesburg vastgesteld (onder meer een definitief ontwerp en een beeldkwaliteitsplan Hart van Beinum);\n\n2. Ekoma beschikt over gronden binnen het transformatiegebied. Indien de gemeente niet beschikt over deze gronden van Ekoma, kan het door de raad vastgestelde plan voor het centrum van Beinum niet worden gerealiseerd. Ekoma is slechts bereid haar gronden te verkopen indien zij de (voornoemde) percelen in eigendom verkrijgt;\n\n3. Met deze verkoop c.q. grondruil wordt het mogelijk om de door de Gemeente gestelde doelen voor het centrum van Beinum te behalen. Door de positie van Ekoma en de omstandigheid dat zij beschikt over gronden die de Gemeente nodig heeft voor de transformatie, is Ekoma – in het kader van de grondruil – aan te merken als enige serieuze gegadigde. Zonder de medewerking van Ekoma kan het plan voor het centrum van Beinum niet gerealiseerd worden. (…)”\n\n3.14.. Becedo c.s. heeft de gemeente gesommeerd de publicatie in te trekken en een openbare selectieprocedure voor de verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente te starten. Dit heeft de gemeente geweigerd.\n\n3.15.. In maart 2026 heeft Kendes Rentmeesters Veenendaal B.V. (hierna: Kendes) in opdracht van de gemeente de waarde van Perceel Gemeente getaxeerd. Bij de taxatie is rekening gehouden met het uitgangspunt dat het bouwrijpe grond is, bestemd voor de realisatie van een supermarkt inclusief parkeerdek. Het taxatierapport benoemt tevens dat de te realiseren supermarkt een brutovloeroppervlakte van 1.600 m2 zal kennen en een winkelvloeroppervlakte van circa 1.200 m2. De taxateur heeft zowel de comparatieve methode als de residuele grondwaardemethode gebruikt bij de taxatie. De taxateur concludeert (na middeling van de uitkomsten van beide methodes) tot een grondwaarde van het perceel van afgerond € 1.500.000.\n\n3.16.. In maart 2026 heeft Baken B.V. (hierna: Baken) in opdracht van Becedo c.s. de waarde van Perceel Gemeente getaxeerd. Ook Baken gaat uit van bouwrijpe grond bestemd voor de realisatie van een supermarkt inclusief parkeerdek. Het taxatierapport benoemt dat de te realiseren supermarkt een brutovloeroppervlakte van maximaal 2.000 m2 zal kennen. Ook Baken heeft zowel de comparatieve als de residuele taxatiemethode gebruikt. Baken concludeert tot een grondwaarde van afgerond € 2.000.000.\n\n4. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nSpoedeisend belang4.1.. Becedo c.s. heeft ook in hoger beroep nog een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorzieningen.\n\nDe Didam arresten en de toepassing daarvan4.2.. In het Didam-arrestheeft de Hoge Raad kort gezegd beslist dat wanneer een overheidslichaam voornemens is een onroerende zaak te verkopen, het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat dit overheidslichaam mededingingsruimte moet aanbieden door het houden van een selectieprocedure om zodoende aan potentiële gegadigden gelijke kansen te bieden om de onroerende zaak te verwerven.4.3.. De mededingingsruimte hoeft volgens de Hoge Raad alleen dan niet te worden geboden indien bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop (hierna: uniciteit). In dat geval dient het overheidslichaam zijn voornemen tot verkoop tijdig voorafgaand aan de verkoop op zodanige wijze bekend te maken dat een ieder daarvan kennis kan nemen, waarbij het dient te motiveren waarom naar zijn oordeel op grond van de hiervoor bedoelde criteria bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt.\n\n4.4.. In het Didam II-arrestheeft de Hoge Raad overwogen dat de regels uit het Didam-arrest de aan het overheidslichaam toekomende ruimte om ontwikkelingsplannen en ruimtelijke plannen vast te stellen in beginsel onverlet laten, maar dat op het moment dat zo’n plan leidt tot (het voornemen tot) verkoop van een onroerende zaak door het overheidslichaam, het overheidslichaam de Didam-regels zal moeten toepassen. Ook in het geval dat een overheidslichaam een plan heeft ontwikkeld waarin zakelijke (objectieve) voorwaarden zijn gesteld waaraan volgens het overheidslichaam slechts één partij zal kunnen voldoen, zal het overheidslichaam zich tijdig voorafgaand aan de verkoop aan deze regels moeten houden. Het Didam-arrest strekt zich volgens vaste jurisprudentie ook uit tot grondruil.\n\n4.5.. Met de hierboven gegeven feitenvaststelling is grief 1 voldoende besproken. De overige klachten in grief 1 over de feitenvaststelling door de voorzieningenrechter betreffen stellingen en gevolgtrekkingen van Becedo c.s. waarvoor geen plaats is in het overzicht van de tussen partijen vaststaande feiten. In zoverre is de grief ongegrond.\n\nTijdigheid4.6.. De gemeente heeft op 21 juli 2025 haar voornemen om Perceel Gemeente over te dragen aan Ekoma bekendgemaakt. Dit heeft zij gedaan via de publicatie van dat voornemen in het Gemeenteblad. De gemeente heeft gegadigden twintig kalenderdagen na publicatie de tijd geboden om een kort geding tegen de voorgenomen overdracht aanhangig te maken en gedurende die periode heeft de gemeente geen uitvoering gegeven aan haar voornemen om Perceel Gemeente aan Ekoma over te dragen. Ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep was er ook nog geen definitieve overeenkomst met Ekoma gesloten. Het hof is voorlopig van oordeel dat de gemeente haar voornemen daarmee tijdig en op zodanige wijze bekend heeft gemaakt dat een ieder daarvan kennis kon nemen en daartegen kon opkomen. Aan de door de Hoge Raad in het Didam-arrest gestelde voorwaarde van tijdige bekendmaking is voldaan.\n\n4.7.. Volgens Becedo c.s. had de gemeente reeds in de planfase ruimte voor mededinging moeten creëren en heeft de gemeente ten onrechte geen mogelijkheid aan marktpartijen geboden om een alternatief plan te presenteren. In die zin is er volgens Becedo c.s. geen sprake van een tijdige publicatie.\n\n4.8.. Becedo c.s. gaat er hierbij vanuit dat de gemeente al vanaf maart 2022 een exclusief partnerschap met Ekoma is aangegaan door Ekoma wél en anderen niet deel uit te laten maken van de projectgroep. Het standpunt dat er sprake was van een exclusief partnerschap vanaf maart 2022 vindt echter onvoldoende steun in de feiten, althans is onvoldoende aannemelijk geworden. Een vertegenwoordiger van Ekoma \u002F Dekamarkt is inderdaad in 2022 toegetreden tot de projectgroep. Volgens de gemeente is dit het logische gevolg van de grondpositie van Ekoma in het plangebied. Op dit punt verschilt de situatie ook van de situatie die voorlag in de zaak waarin dit hof op 4 april 2023 arrest heeft gewezen. In die zaak was de gemeente Didam exclusieve onderhandelingen aangegaan met een partij die nog geen grondpositie had.\n\n4.9.. Voorshands oordelend is de keuze van de gemeente om een vertegenwoordiger van Ekoma \u002F Dekamarkt toe te voegen aan de projectgroep logisch en verdedigbaar en past dit binnen haar beleidsruimte op het punt van het inrichten van het participatieproces. Om dezelfde reden zijn het betreffende waterschap, eigenaar van de vijver, en de eigenaar van de snackbar benaderd voor de projectgroep. De eigenaar van de snackbar heeft daarvan vervolgens afgezien. De gemeente heeft onbetwist aangevoerd dat er daarnaast meerdere openbare inspraakavonden en wijkbijeenkomsten zijn gehouden waarop Ekoma wél en Becedo c.s. niet is verschenen. In zoverre is Becedo c.s. inspraak geboden. Hoe de gemeente de participatie \u002F inspraak organiseert, valt binnen haar beleidsruimte. De deelname van een vertegenwoordiger van Ekoma \u002F Dekamarkt aan de projectgroep doet naar het voorshands oordeel van het hof niet af aan de tijdigheid van de publicatie van 21 juli 2025.\n\nUniciteit4.10.. Vervolgens is de vraag of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de gemeente terecht heeft aangenomen dat er sprake is van uniciteit.\n\n4.11.. Becedo c.s. stelt dat de herontwikkeling naar Ekoma is toegeschreven. Becedo c.s. voert ter onderbouwing daarvan aan dat alleen een vertegenwoordiger van Ekoma deel heeft genomen aan de projectgroep en er ook andere plannen denkbaar zijn om de publieke doelen van de gemeente te realiseren. De gemeente heeft Perceel Ekoma ook niet nodig volgens Becedo c.s.; de gewenste huisvesting kan ook op andere locaties binnen het plangebied. De verkoop c.q. grondruil is bovendien disproportioneel. De verhuizing van de supermarkt wordt niet gedragen door redelijke, objectieve en toetsbare criteria die maken dat de verkoop c.q. grondruil noodzakelijk is en daarmee sprake is van uniciteit.\n\n4.12.. De gemeente en Ekoma betwisten dat de plannen zijn toegeschreven naar Ekoma. Zij wijzen erop dat de gemeente met betrekking tot het centrum van Beinum al in 2016 beleid heeft vastgesteld met als doel de herontwikkeling van dit centrum. Ze wilde appartementen bouwen in het plangebied en het supermarktaanbod verbeteren zonder daar winkels aan toe te voegen.\n\n4.13.. De gemeente heeft als het gaat om gebiedsontwikkeling een grote mate van beleidsruimte. Het door de gemeente opgestelde beleid blijkt uit de stukken waarnaar zij heeft verwezen en die hiervoor onder de feiten zijn opgesomd. De Didam-regels strekken zich naar het voorshands oordeel van het hof niet uit tot de keuze van de gemeente voor de omvang van het plangebied. Die keuze valt binnen de beleidsruimte die de gemeente toekomt bij het inrichten van de omgeving. De gemeente heeft op voorhand voldoende aannemelijk gemaakt dat de voorgenomen overdracht gekoppeld kan worden aan vastgesteld beleid. Het is, is in het licht van het hiervoor beschreven beleid vanaf 2016, niet aannemelijk gemaakt dat het beleid en de selectiecriteria naar Ekoma zijn toegeschreven. Het is juist dat een vertegenwoordiger van Ekoma \u002F Dekamarkt deel uit heeft gemaakt van de projectgroep en anderen, zoals de eigenaar van de snackbar en een vertegenwoordiger van Becedo c.s. niet, maar het beleid dateert al van vóór het oprichten van de projectgroep en de uiteindelijke beslissing is niet aan de projectgroep, maar aan de gemeenteraad en ook door de gemeenteraad genomen. Dat een grondeigenaar betrokken is bij de projectgroep is voorshands oordelend onvoldoende om te concluderen dat het plan naar Ekoma is toegeschreven. Het is in het kader van dit kort geding ook niet aannemelijk geworden dat de invloed van de vertegenwoordiger van Ekoma \u002F Dekamarkt de keuze voor het definitieve ontwerp heeft bepaald.\n\n4.14.. Uiteindelijk is het de keuze van de gemeenteraad geweest om woningen te willen realiseren op de huidige plek van de supermarkt. Ook als het juist zou zijn dat er hiervoor alternatieven waren, zoals Becedo c.s. stelt, valt de keuze voor de wijze van inrichten van het plangebied binnen de beleidsruimte van de gemeente. Het gevolg van deze keuze is dat de gemeente Perceel Ekoma, wil verwerven voor woningbouw én daarmee ontstaat de noodzakelijkheid van het verplaatsen van de supermarkt. Ekoma, als grondeigenaar, is immers bereid hieraan mee te werken onder de voorwaarde van grondruil. De inzet van eigen grondposities voor het realiseren van beleidsdoelen valt binnen de beleidsruimte die de gemeente toekomt. Dát er slechts plaats is voor één supermarkt in het centrum van Beinum volgt uit het beleid van de gemeente evenals de behoefte aan het realiseren van woningen. Ook maakt deel uit van het beleid dat de supermarkt in Beinum moet worden vernieuwd en uitgebreid.\n\n4.15.. De vraag is vervolgens of er alternatieven zijn om het door de gemeenteraad vastgestelde definitieve ontwerp met inachtneming van het beleid, te realiseren, zoals Becedo c.s. stelt. Die alternatieven zijn niet aannemelijk gemaakt. Uitgaande van de keuze voor woningbouw op de plek van de huidige supermarkt, de noodzaak tot herontwikkeling van de huidige supermarkt, de ruimte voor hooguit één supermarkt in Beinum én de grondpositie van Ekoma, is de voorgestelde verkoop c.q. grondruil de enige mogelijkheid. Daar komt bij dat de Didam-regels de gemeente niet dwingen om voor onteigening te kiezen. De alternatieven van Becedo c.s. waarbij Ekoma niet uitgekocht wordt, komen neer op een situatie dat er twee supermarkten in Beinum zullen zijn. Dat is echter in strijd met het gemeentelijke beleid, zodat naar het voorshands oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat dat een reëel alternatief is.\n\n4.16.. Het hof acht, voorlopig oordelend, de privaatrechtelijke medewerking van Ekoma als eigenaar van een perceel dat deel uitmaakt van het te herontwikkelen centrum van Beinum, een objectief, toetsbaar en redelijk criterium. Tegen deze achtergrond heeft de gemeente naar het voorlopig oordeel van het hof ook redelijkerwijs mogen aannemen dat Ekoma is aan te merken als de enige serieuze gegadigde voor de verwerving van het Perceel Gemeente.\n\nMotivering publicatie4.17.. Volgens Becedo c.s. is de publicatie gebrekkig gemotiveerd omdat de vindplaats van de genoemde plannen niet genoemd worden en uit de gegeven toelichting niet blijkt waarom daaruit volgt dat Ekoma de enige gegadigde is. Ook volgt uit de publicatie niet waarom het Perceel Ekoma essentieel is voor de herontwikkeling van het centrum van Beinum, benoemt de publicatie niet of alternatieven zijn onderzocht voor het realiseren van de herontwikkeling en benoemt de publicatie niet waarom op basis van objectieve, toetsbare en redelijke criteria is gekozen voor het alternatief waarbij de supermarkt naar de nieuwe locatie verhuist. Tot slot benoemt de publicatie niet waarom dit perceel geschikt is voor grondruil, terwijl het meer dan drie keer zo groot is als Perceel Ekoma, aldus Becedo c.s.\n\n4.18.. Aan Becedo c.s. kan worden toegegeven dat de motivering van de publicatie, mede gelet op wat de gemeente in deze procedure naar voren heeft gebracht en de stukken waarnaar zij in dat verband heeft verwezen, uitgebreider en concreter had kunnen zijn, maar de Didam-regels gaan niet zover dat het overheidslichaam de vindplaatsen van alle stukken hoeft te noemenof dat uit de publicatie moet blijken of alternatieven zijn onderzocht. Ook hoeft daarin niet te staan waarom het perceel geschikt is voor grondruil terwijl het meer dan drie keer zo groot is als Perceel Ekoma. De gemeente moet wel goed en toetsbaar uitleggen dat er slechts één serieuze gegadigde is. De ratio van de Didam-regels is immers dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om na te gaan waarom het overheidslichaam van plan is de onroerende zaken aan een bepaalde gegadigde te verkopen in plaats van een openbare selectieprocedure te organiseren en om tegen dat voornemen op te kunnen komen als die redenen volgens die belanghebbenden niet voldoen aan het Didam-arrest.\n\n4.19.. Voorshands kan niet geoordeeld worden dat de publicatie zo summier is dat de gemeente daarmee niet kon volstaan. Naar het voorlopig oordeel van het hof benoemt de publicatie de criteria op grond waarvan de gemeente tot de conclusie is gekomen dat Ekoma de enige serieuze gegadigde is. Deze criteria zijn in dit geval (i) dat de gemeente het centrum van Beinum wil herontwikkelen binnen de ruimtelijke kaders die de gemeenteraad heeft vastgesteld (ii) dat Ekoma een bestaande grondpositie in het plangebied heeft en zonder deze gronden de herontwikkeling niet gerealiseerd kan worden; de gemeente heeft de medewerking van Ekoma nodig (iii) dat Ekoma alleen bereid is tot verkoop c.q. grondruil - medewerking - indien zij Perceel Gemeente verkrijgt. Becedo c.s. is ook in staat gebleken haar bezwaren tegen het voornemen van de gemeente in dit kort geding naar voren te brengen.\n\nOverige argumenten van Becedo c.s.4.20.. Becedo c.s. stelt dat de gemeente afwijkt van haar beleid en naar een uitbreiding van Dekamarkt toeschrijft door een supermarkt toe te staan met een bovenwijks karakter als gevolg van de grootte. Of de te vestigen supermarkt door haar grootte een bovenwijks karakter zal hebben, is echter niet van belang voor de beoordeling van de voorliggende vorderingen. Het is ook niet relevant voor de beantwoording van de vraag of er uniciteit is. De centrale vraag is immers of er objectieve, toetsbare en redelijke criteria zijn om Perceel Gemeente aan Ekoma over te dragen. Die vraag is hiervoor reeds beantwoord. Hetzelfde geldt voor het aantal parkeerplaatsen.\n\nStaatssteun4.21.. Volgens Becedo c.s. heeft de gemeente in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 107 lid 1 en 108 lid 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van verboden staatssteun. Daartegen richten zich de grieven 9 tot en met 14 van Becedo c.s., die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Centraal hierbij staat de vraag of de concept-koopovereenkomst van juni 2025 (of een deel daarvan) een steunmaatregel vormt in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU die op grond van artikel 108 lid 3 VWEU had moeten worden aangemeld bij de Europese Commissie (hierna: de Commissie) en wat in dat geval de gevolgen van het niet aanmelden zijn. Vaststaat dat de concept-koopovereenkomst niet is aangemeld en dat de gemeente geen contact daarover heeft gehad met het Coördinatiepunt Staatsteun van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.\n\nStaatssteun algemeen4.22.. Artikel 107 lid 1 VWEU bepaalt, voor zover hier van belang, dat steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, met de interne markt onverenigbaar zijn, voor zover zij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. Ingevolge vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) is er sprake van een steunmaatregel indien aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 107 lid 1 VWEU is voldaan. Ten eerste moet het gaan om een maatregel van de staat of om een maatregel die met staatsmiddelen is bekostigd. Ten tweede moet deze maatregel een selectief voordeel verschaffen aan de begunstigde ervan. Ten derde moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Ten vierde moet hij de mededinging op de interne markt vervalsen of dreigen te vervalsen.\n\n4.23.. Voor de uitleg van de in artikel 107 VWEU gehanteerde begrippen dient te worden aangesloten bij de rechtspraak van het HvJ EU. Verdere aanwijzingen voor de wijze waarop artikel 107 lid 1 VWEU door de nationale rechter dient te worden toegepast, zijn te vinden in de Mededeling van de Commissie betreffende het begrip “staatssteun” (hierna: de Mededeling).\n\n4.24.. Artikel 108 lid 3 VWEU verplicht de lidstaten om (voorgenomen) steunmaatregelen aan de Commissie te melden. Het in artikel 108 lid 3 laatste volzin VWEU vervatte verbod strekt ertoe te waarborgen dat een steunmaatregel geen gevolgen heeft voordat de Commissie een redelijke tijd heeft gehad om het voornemen te onderzoeken en, in voorkomend geval, de procedure van lid 2 van artikel 108 VWEU in te leiden. Een steunmaatregel in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU die niet overeenkomstig artikel 108 lid 3 VWEU is aangemeld, wordt als een onrechtmatige steunmaatregel beschouwd. Het uitvoeren van een onrechtmatige steunmaatregel is (ook naar Nederlands recht) onrechtmatig. De nationale rechter heeft op grond van artikel 108 lid 3 VWEU tot taak de rechten van de justitiabelen te beschermen tegen niet-aangemelde steunmaatregelen; het verbod in artikel 108 lid 3 VWEU heeft rechtstreekse werking en strekt zich uit tot iedere steunmaatregel die zonder melding tot uitvoering is gebracht.Het oordeel of er sprake is van met artikel 107 VWEU onverenigbare staatssteun is exclusief aan de Commissie voorbehouden. In de Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties wordt de bevoegdheidsverdeling (tussen Commissie en nationale rechters) verder uitgewerkt.\n\nToetsing4.25.. Becedo c.s. heeft gesteld dat de voorgenomen verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 107 lid 1 VWEU, zoals hiervoor onder 4.22 opgesomd, waaronder de voorwaarde dat de maatregel een selectief voordeel biedt, als deze een niet marktconform voordeel aan Ekoma verschaft. Becedo c.s. komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Ekoma haar stellingen over verboden staatssteun gemotiveerd heeft weersproken. Daarop is door Ekoma in hoger beroep alleen gereageerd met betrekking tot de vraag of zij Ekoma een selectief voordeel heeft verschaft. Het hof is daarom in het kader van dit kort geding voorlopig van oordeel dat inderdaad aan de bedoelde voorwaarden is voldaan met uitzondering van de vraag of met de verkoop c.q. grondruil een niet marktconform voordeel aan Ekoma wordt gegeven. Daarover zal het hof hieronder zijn oordeel geven.\n\n4.26.. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een voordeel in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU, gaat het erom of de prijs die Ekoma voor het Perceel Gemeente betaalt, een prijs is die onder normale marktvoorwaarden, dat wil zeggen zonder overheidsingrijpen, voor aankoop door Ekoma zou zijn betaald.Beslissend daarbij is of een vergelijkbare particuliere grondeigenaar in de gegeven omstandigheden een vergelijkbare (koop)prijs zou hebben gevraagd voor (een perceel als) het Perceel Gemeente. Voor dat onderzoek worden - waar het grondtransacties betreft - in randnummer 103 van de Mededeling door de Commissie aanwijzingen gegeven, zoals :\n\n“(……) In the case of sales of land, an independent expert evaluation prior to the sale negotiations to establish the market value on the basis of generally accepted market indicators and valuation standards is in principle satisfactory.”\n\n4.27.. In dit geval heeft de gemeente op verschillende momenten taxaties van Perceel Gemeente laten verrichten, te weten in april 2024 door Arcadis en in maart 2026 door Kendes. Het object van deze taxaties was verschillend:\n\nArcadis heeft in april 2024 een residuele grondwaarde berekend voor een BVO van 1.985 m2. De getaxeerde waarde bedraagt volgens haar € 1.701.500,-\n\nKendes is in maart 2026 uitgegaan van een BVO van 1.600 m2 en waardeert die (op basis van een combinatie van twee waarderingsmethodes) op\n\n€ 1.500.000,-\n\nIn de hier ter beoordeling voorliggende concept-koopovereenkomst van juni 2025 gaat het om Perceel Gemeente van circa 2.000 m2 BVO voor een koopprijs van € 1.231.500,-.\n\nDe taxatie van Arcadis, waarin wordt uitgegaan van 1.985 m², lijkt daarbij aan te sluiten. Op de door Arcadis getaxeerde waarde hebben de gemeente en Ekoma een afslag toegepast van € 470.000,-, omdat wordt uitgegaan van de financiering door de gemeente van een onrendabele top voor het parkeren op het dak van de beoogde supermarkt, waarbij is uitgegaan van 47 parkeerplaatsen en € 10.000,- per parkeerplaats. Uiteindelijk meer of minder te realiseren parkeerplaatsen worden op basis van dit bedrag verrekend. Het hof laat hier in het midden dat niet aannemelijk is gemaakt door de gemeente waarom onrendabele top financiering nodig zou zijn en of die financiering zelf de toets aan artikel 107 VWEU kan doorstaan. Doordat de gemeente in een later stadium een van de taxatie van Arcadis afwijkende taxatie van Kendes heeft overgelegd, kan het hof in het kader van dit kort geding niet uitgaan van de juistheid van de in de taxatie van Arcadis geformuleerde uitgangspunten. De nader overgelegde taxatie van Kendes sluit niet aan bij het object van de concept-koopovereenkomst, nu daarin wordt uitgegaan van een BVO van 1.600 m². Gesteld noch aannemelijk is gemaakt dat de concept-koopovereenkomst in overeenstemming is gebracht met de taxatie van Kendes en daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten, althans dat daarover tussen Ekoma en de gemeente wilsovereenstemming is bereikt. Dat betekent naar het voorlopig oordeel van het hof ten eerste dat de concept-koopovereenkomst op het punt van de door Ekoma te betalen koopprijs niet wordt onderbouwd met een taxatie die de koopprijs verklaart, terwijl de gemeente geen andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit die prijs wel zou voortvloeien. Weliswaar is een taxatie in de Mededeling (onder 103) niet dwingend voorgeschreven en levert het ontbreken daarvan niet (automatisch) een vermoeden van staatssteun (in formele zin) op, maar in combinatie met het ontbreken van andere aanwijzingen voor de door de gemeente in de concept-koopovereenkomst opgenomen prijs van € 1.231.500,- is dat vermoeden in dit kort geding wel aannemelijk geworden.\n\n4.28.. Daar komt bij dat de gemeente in het licht van de gemotiveerde en concrete stellingen van Becedo c.s. onvoldoende heeft betwist dat de koopprijs in de concept-koopovereenkomst, te weten € 1.231.500,- ook vanuit materieel oogpunt bekeken een niet marktconforme prijs oplevert voor Ekoma en een prijs is die de gemeente van een particuliere koper niet zou hebben ontvangen en evenmin overeenstemt met de prijs die Ekoma aan een particuliere grondeigenaar zou hebben betaald. Het hof kan de gemeente niet volgen waar zij aanvoert dat de BVO prijs per m² ongeveer gelijk is in de taxatie van Arcadis - die bepalend is geweest voor de koopprijs - en de taxatie van Kendes (€ 857,- versus € 850,- per m² BVO). Het hof komt waar het de taxatie van Kendes betreft op een BVO prijs per m² van € 937,50 (€ 1.500.000\u002F1.600 m²) en daarmee tot een meer substantieel prijsverschil.\n\n4.29.. Daaruit volgt naar het voorshands oordeel van het hof dat op grond van het bovenstaande aannemelijk is dat de concept-koopovereenkomst op het gebied van de prijs van Perceel Gemeente voorgenomen staatssteun is. Vast staat dat de concept-koopovereenkomst niet als voorgenomen steunmaatregel bij de Commissie is gemeld.\n\n4.30.. Bij deze stand van zaken behoeft het hof niet meer in te gaan op de stellingen en weren van partijen over de rol van het sleutelgeld en de financiering door de gemeente van de onrendabele top van de parkeerplaatsen, het aantal parkeerplaatsen en de vraag of deze financiering van de onrendabele top op zich ook een (meldingsplichtige) staatssteunmaatregel zou kunnen zijn, zoals Becedo c.s. betoogt.\n\n108 lid 3 VWEU4.31.. Uit de Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties (randnr. 57) volgt dat het hof als nationale rechter (nu hij voorlopig heeft geoordeeld dat aannemelijk is geworden dat de concept-koopovereenkomst wat betreft de prijs op grond van artikel 107 lid 1 VWEU als staatssteun kwalificeert) vervolgens moet beoordelen of de betrokken maatregel onder de standstillverplichting van artikel 108 lid 3 VWEU valt.\n\n4.32.. Om onder de standstillverplichting van artikel 108 lid 3 VWEU te vallen, moeten twee voorwaarden vervuld zijn: ten eerste moet de maatregel kwalificeren als nieuwe steun, (met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun) en ten tweede moet de maatregel onder de verplichting tot voorafgaande aanmelding van artikel 108 lid 3 VWEU vallen.\n\n4.33.. Gesteld noch gebleken is dat het hier zou gaan om bestaande steun. Aan de voorwaarde dat het moet gaan om nieuwe steun wordt voldaan.\n\n4.34.. Ten aanzien van de verplichting tot voorafgaande aanmelding geldt dat daarvan (in bepaalde gevallen) geen sprake is als wordt voldaan aan de voorwaarden van een Groepsvrijstelling of de De Minimis-Verordening. Ook op dit punt is door de gemeente gesteld noch is in dit kort geding op een andere wijze gebleken dat aan de voorwaarden van de (relevante) Groepsvrijstellingen of de De Minimis-Verordening wordt voldaan. Dat betekent dat de verplichting tot voorafgaande aanmelding van de voorgenomen steunmaatregel (verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente aan Ekoma) naar het voorlopig oordeel van het hof in dit geval geldt. Indien het verweer van de gemeente dat geen sprake is van een voorgenomen verkoop c.q. grondruil van het perceel voor een bedrag van tenminste € 1.000.000,- te weinig, maar (subsidiair) hoogstens van minder dan € 300.000,- te weinig (het verschil tussen de prijs in de concept-koopovereenkomst € 1.231.500,- voor 2.000 m2 en de taxatie van Kendes ter hoogte van € 1.500.000,- voor 1.600 m2) gelezen moet worden als een beroep op de De-Minimisregeling, gaat dat verweer niet op. Gesteld noch gebleken of aannemelijk is gemaakt dat het totale bedrag aan De Minimis-steun dat in de lidstaat Nederland over een periode van drie jaar is verleend aan de in Ekoma gevoerde onderneming maximaal € 300.000,- heeft bedragen (vgl. artikel 3 lid 2 De Minimis-Verordening). Het lag op de weg van de gemeente, voor zover zij op deze uitzondering van de aanmeldverplichting een beroep heeft willen doen, om aannemelijk te maken dat dat bedrag in die periode niet is overschreden. Dat heeft zij niet gedaan.\n\n4.35.. Uit artikel 108 lid 3 VWEU vloeit voort dat het hof als nationale rechter beoordelingsvrijheid heeft om de voor de(ze) situatie meest passende maatregel te treffen om de standstillverplichting te effectueren. In dit geval, waarin de gemeente nog niet is overgegaan tot het finaliseren en uitvoeren van de concept-koopovereenkomst van juni 2025, mag de nationale rechter die uitvoering beletten. Onder punt 2. van het subsidiaire petitum heeft Becedo c.s. gevorderd dat de gemeente wordt verboden Perceel Gemeente te verkopen\u002Fte leveren aan Ekoma of enige andere aan haar gelieerde partij. Toewijzing van die vordering zou een te algemeen geformuleerd en daarmee te ruim verbod aan de gemeente opleggen. Niet kan worden uitgesloten dat de gemeente en Ekoma naar aanleiding van deze uitspraak de prijs van Perceel Gemeente aanpassen aan het juiste aantal BVO m2 en taxatie(s), dan wel een nieuwe taxatie laten uitvoeren waardoor de situatie anders komt te liggen. Het hof zal daarom het mindere toewijzen in die zin dat het de gemeente wordt verboden om uitvoering te geven aan de concept-koopovereenkomst van juni 2025 tot het moment dat na aanmelding van de concept-koopovereenkomst op grond van artikel 108 lid 3 VWEU de Commissie heeft geoordeeld dat geen sprake is van steun of dat deze steun verenigbaar is met het VWEU. Voor het opleggen van een dwangsom om dit verbod te versterken, zoals Becedo c.s. heeft gevorderd, ziet het hof op dit moment geen aanleiding. Er zijn geen aanwijzingen dat de gemeente zich niet aan het uit te spreken verbod zal houden.\n\nBelangenafweging4.36.. Voor zover de toepassing van het VWEU in dit geval het hof als nationale rechter al ruimte zou bieden tot een belangenafweging, leidt die niet tot een ander resultaat. Zowel de gemeente als Ekoma zijn of dienen op de hoogte te zijn van het verbod op het verlenen van staatssteun, de verplichting tot het melden van voorgenomen staatssteunmaatregelen en de daaruit voortvloeiende standstillverplichting.\n\n4.37.. Partijen hebben een bewijsaanbod gedaan. Door de aard van het kort geding is in deze procedure in het algemeen geen plaats voor uitgebreide bewijslevering. Er zijn geen redenen om van dat uitgangspunt af te wijken. Het hof gaat daarom aan het (nader) bewijsaanbod van partijen voorbij.\n\nDe conclusie4.38.. Het hoger beroep slaagt. Omdat de gemeente in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof de gemeente tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de voorzieningenrechter veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n4.39.. Ten aanzien van de vordering van Becedo c.s. tegen Ekoma bepaalt het hof dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten).\n\n4.40.. \n\nDe veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1.. vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 1 december 2025 en beslist;\n\n5.2.. verbiedt de gemeente om uitvoering te geven aan de concept-koopovereenkomst van juni 2025 met Ekoma tot het moment dat na aanmelding van de concept-koopovereenkomst op grond van artikel 108 lid 3 VWEU, de Europese Commissie heeft geoordeeld dat geen sprake is van een steunmaatregel dan wel dat deze steunmaatregel verenigbaar is met artikel 108 VWEU;\n\n5.3.. \n\nveroordeelt de gemeente tot betaling van de volgende proceskosten van Becedo c.s. tot aan de uitspraak van de voorzieningenrechter:\n\n€ 714,- aan griffierecht\n\n€ 119,40 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan de gemeente\n\n€ 1.107,- aan salaris van de advocaat van Becedo c.s.\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van Becedo c.s. in hoger beroep:\n\n€ 851,- aan griffierecht\n\n€ 119,40 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan de gemeente\n\n€ 1.177 aan salaris van de advocaat van Becedo c.s.\n\n5.4.. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.5.. bepaalt dat de proceskosten tussen Becedo c.s. en Ekoma worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de voorzieningenrechter en het hof;\n\n5.6.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.7.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. G.J. Meijer, S.M. Evers en G.D. Hoekstra, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.\n\n Rechtbank Gelderland 1 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10505.\n\n HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778.\n\n HR 15 november 2024: ECLI:NL:HR:2024:1661.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2796.\n\n Gerechtshof Den Haag, 18 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1368.\n\n Gerechtshof Den Haag, 18 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:476.\n\n Mededeling van de Commissie betreffende het begrip staatssteun in de zin van artikel 107 lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 2016\u002FC 262\u002F01.\n\n HvJ EU, 11 november 2015, zaak C-505\u002F14, ECLI:EU:C:2015:742, Klausner Holz.\n\n Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, 2021\u002FC 305\u002F01.\n\n HvJ EG 11 juli 1996, zaak C-39\u002F94, ECLI:EU:C:1996:285, SFEI e.a.\u002FLa Poste e.a.\n\n Verordening (EU) nr. 1407\u002F2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L 352 van 24.12.2013).\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3333","2026-07-13T00:28:30.513Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":131,"fullText":132,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":133,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":51,"updatedAt":134},"436","ECLI:NL:RBDHA:2026:14677","ecli-nl-rbdha-2026-14677","2026-05-22T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam Handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F702122 \u002F KG ZA 26-317\n\nVonnis in kort geding van 22 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nSENSORNET B.V.te Den Haag,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. Tj.P. Grünbauer te Ede,\n\ntegen:\n\nOMGEVINGSDIENST WEST-HOLLANDte Leiden,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat mr. W.J.W. Engelhart en mr. A.C.M. Kusters te Utrecht.\n\nwaarin zich heeft gevoegd aan de zijde van gedaagde:\n\nSPOTTEN B.V.te Utrecht,\n\nadvocaat mr. W.J. de Vries te Utrecht.\n\nPartijen worden hierna ‘Sensornet’, ‘ODWH’ en ‘Spotten’ genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 27 maart 2026, met producties 1 tot en met 15;\n\n- de incidentele conclusie tot voeging van Spotten;\n\n- de conclusie van antwoord van ODWH, met producties 1 en 2;\n\n- de akte eiswijziging en overlegging aanvullende producties van Sensornet, met producties 16 tot en met 19.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 6 mei 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, Sensornet mede aan de hand van een overgelegde pleitnota. Vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot voeging\n\n2.1.. Spotten heeft gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van ODWH. Ter zitting hebben Sensornet en ODWH verklaard geen bezwaar te hebben tegen de voeging. Spotten is vervolgens toegelaten als gevoegde partij, aangezien zij daarbij een belang heeft als bedoeld in artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verder is niet gebleken dat de voeging aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n3.1.. ODWH heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de levering, plaatsing en het beheer van een meetsysteem voor de monitoring van luchtvaartgeluid (voornamelijk afkomstig van en naar luchthaven Schiphol).\n\n3.2.. De aanbestedingsprocedure en de eisen van de opdracht zijn nader omschreven in de aanbestedingsleidraad (hierna: de leidraad) met bijbehorende bijlagen, waaronder het programma van eisen (bijlage 3), en in de twee nota’s van inlichtingen.\n\n3.3.. De opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving, die wordt vastgesteld op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding (paragraaf 3.1.2 leidraad). De gunningscriteria prijs en kwaliteit zijn uitgewerkt in hoofdstuk 5 van de leidraad.\n\n3.4.. Het gunningscriterium kwaliteit is opgedeeld in vier subgunningscriteria, te weten:\n\nSG1: Plan van Aanpak;\n\nSG2: Dataverwerking, Validatie en Informatiewaarde;\n\nSG3: Beheer, Communicatie en Sport;\n\nSG4: Dashboard en Gebruiksfunctionaliteit.\n\n3.5.. In hoofdstuk 5 van de leidraad is – voor zover in deze zaak relevant – het volgende vermeld over de beoordeling van SG1 tot en met SG4:\n\nNr.\n\nToelichting\n\nSG1\n\nPlan van Aanpak\n\nHet Plan van Aanpak geeft inzicht in de wijze waarop de Inschrijver de opdracht uitvoert en de kwaliteit van de aangeboden oplossing waarborgt.\n\nHet plan dient in ieder geval aandacht te besteden aan de volgende onderdelen:\n\n Technische dienstverlening\n\nBeschrijf het ontwerp van de aangeboden geluidmeetpost, inclusief meetmethodiek en benodigde voorzieningen (zoals internet- en stroomvoorziening).\n\n Koppeling met aanvullende datasystemen\n\nLicht toe welke datasysteemkoppelingen noodzakelijk zijn om het meetsysteem optimaal te laten functioneren en de gewenste data te leveren.\n\n Indicatie meetnetwerk\n\nGeef een onderbouwde indicatie van het aantal benodigde meetposten om voor de acht deelnemende gemeenten een dekkend en valide meetnetwerk te realiseren.\n\n Risicoanalyse\n\nWerk een risicoanalyse uit waarin ten minste de volgende aspecten zijn opgenomen:\n\no Weersbestendigheid van de meetposten;\n\no Betrouwbaarheid en continuïteit van het dataplatform.\n\n Plaatsingsmethode\n\nBeschrijf de verschillende wijzen waarop de meetposten kunnen worden geplaatst, geïnstalleerd en in gebruik genomen afhankelijk van de locatie.\n\n Meetbetrouwbaarheid en continuïteit\n\nLicht toe hoe wordt gezorgd voor betrouwbare, reproduceerbare en nauwkeurige metingen, en beschrijf de maatregelen om continuïteit van metingen te waarborgen (zoals kalibratie, redundantie, storingsdetectie en herstelprocedures).\n\nBeoordelingskader ‘Plan van Aanpak’\n\nOWDH hecht waarde aan:\n\n Een realistisch en uitvoerbaar implementatieplan en plaatsingsmethode;\n\n Structuur en helderheid van het plan;\n\n Technische kwaliteit van het meetsysteem;\n\n Effectieve risicobeheersing en calamiteitenaanpak;\n\n Zorgvuldige en transparante maatregelen om continuïteit van metingen te waarborgen.\n\nSG2\n\n(…)\n\nSG3\n\nBeheer, Communicatie en Support\n\nBeschrijf de organisatie van het beheer, inclusief de waarborging van de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening. Beschrijf tevens hoe effectieve en transparante communicatie en samenwerking met alle betrokken partijen wordt gerealiseerd.\n\nDe toelichting dient in ieder geval de volgende onderdelen te omvatten:\n\n Beheer en onderhoud\n\nDe onderhoudsstrategie en -frequentie (preventief en correctief) van het meetsysteem, inclusief software-updates, systeemmonitoring en beveiliging.\n\n Afstemming bij plaatsing\n\nDe wijze van contact en afstemming met locatiehouders en de contracthouder over de plaatsing van meetposten.\n\n Communicatiestructuur\n\nBeschrijf hoe communicatie tussen alle betrokken partijen is georganiseerd, welke middelen worden ingezet en hoe eenduidige informatievoorziening wordt gewaarborgd.\n\n Incidentafhandeling\n\nGeef inzicht in de procedure voor signalering, responstijden, terugkoppeling en afhandeling van incidenten of storingen in het meetsysteem, inclusief het storingsprotocol.\n\n Support\n\nBeschrijf de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de helpdesk\u002Fsupportorganisatie en de wijze van rapportage over storingen, uptime en prestaties van het meetsysteem.\n\n Proactieve houding\n\nBeschrijf op welke wijze actief initiatief wordt genomen wanneer verplaatsing of aanpassing van een meetpost noodzakelijk is (bijvoorbeeld door veranderende omstandigheden, optimalisatie van het meetsysteem of uitval van een meetpost).\n\nBeoordelingskader ‘Beheer, Communicatie en Support’\n\nODWH hecht waarde aan:\n\n Heldere communicatieprocessen en korte lijnen;\n\n Effectieve risicobeheersing en calamiteitenaanpak;\n\n Tijdige signalering en proactieve opvolging van incidenten.\n\nSG4\n\nDashboard en Gebruikersfunctionaliteit\n\nElke deelnemende gemeente dient via een eigen dashboard inzicht te krijgen in de verzamelde meetdata van de betreffende gemeente.\n\nNa beoordeling van de schriftelijke inschrijvingen worden de Inschrijvers uitgenodigd voor een praktische demonstratie van het aangeboden dashboard. Het doel van de demonstratie is om de werking, functionaliteit en bruikbaarheid van het dashboard in de praktijk te toetsen en te beoordelen in welke mate deze voldoet aan de eisen zoals opgenomen in dit subgunningscriterium.\n\nTijdens de demonstratie wordt gekeken naar:\n\n Gebruiksvriendelijkheid, overzichtelijkheid en intuïtieve navigatie;\n\n Beschikbaarheid van realtime data, historische overzichten en trendvisualisaties;\n\n Mogelijkheden voor personalisatie per gemeente, locatie of gebruiker;\n\n Functionaliteiten voor data-analyse, rapportages en export (bijvoorbeeld CSV, XLSX, PDF);\n\n Filter- en instellingsopties voor het aanpassen van weergaven;\n\n Weergave van storingsmeldingen per meetpost.\n\nBeoordelingskader ‘Dashboard en Gebruiksfunctionaliteit’\n\nODWH hecht waarde aan:\n\n Transparantie en toegankelijkheid voor gebruikers;\n\n Hoog gebruiksgemak en overzichtelijkheid;\n\n Volledige en inzichtelijke presentatie van relevante meetdata;\n\n Adequate functionaliteiten voor analyse, rapportage en export.\n\n3.6.. In hoofdstuk 6 van de leidraad is beschreven hoe de inschrijvingen worden beoordeeld. De aanbestedende dienst beoordeelt eerst of de inschrijving volledig en rechtsgeldig is (paragraaf 6.1), of geen van de uitsluitingsgronden op de inschrijver van toepassing zijn en of de inschrijver aan de geschiktheidseisen voldoet (paragraaf 6.2). Uit paragraaf 6.3 volgt dat de aanbestedende dienst vervolgens beoordeelt of de inschrijving voldoet aan eisen die, bij het niet voldoen daaraan, kunnen leiden tot uitsluiting van verdere deelname aan de aanbesteding (hierna: knock-out eisen):\n\n“6.3 Fase 3: Knock-out eisen kwaliteit\n\nIndien fase 2 niet leidt tot uitsluiting, dan wordt uw Inschrijving verder inhoudelijk beoordeeld. De beoordeling in deze fase betreft het nalopen van de door u aangeleverde Bijlage Programma van Eisen. Indien u niet aan één of meerdere van deze eisen kan voldoen of u één of meerdere van deze eisen voorwaardelijk of met ‘nee’ hebt beantwoord, kan dit leiden tot uitsluiting van verdere deelname aan de aanbesteding.”\n\n3.7.. De aanbestedende dienst beoordeelt dus of is voldaan aan de eisen zoals neergelegd in het programma van eisen (bijlage 3). In het programma van eisen zijn, voor zover relevant, de volgende eisen vermeld waaraan de inschrijving moet voldoen:\n\n2.3.. Dienstverlening\n\nInhoud\n\n(…)\n\n(…)\n\nEis 12\n\nHet meetsysteem moet kunnen koppelen met ten minste de volgende systemen:\n\n- LNVL\n\n- Weerstations\n\n(…)\n\n(…)\n\nEis 15\n\nDe leverancier test de datakwaliteit op nauwkeurigheid en volledigheid en validiteit. De data die wordt opgehaald door het meetsysteem moet een validiteit hebben van tenminste 90%. Indien dit percentage lager is, dient dit te worden aangegeven bij Opdrachtgever. De oorzaak dient onderbouwd te worden, evenals mogelijke maatregelen.\n\n2.4.. Dashboard\n\nInhoud\n\n(…)\n\n(…)\n\nEis 22\n\nHet dashboard moet minimaal de volgende functionaliteiten bieden:\n\n­ Gemeente-specifieke toegang:Data wordt gepresenteerd afhankelijk van de inlogrechten per gemeente;\n\n­ Realtime datavisualisatie:Geluidsdata per meetpunt(en) wordt realtime weergegeven en gepresenteerd per gemeente;\n\n­ Historische data:Toegang tot alle gemeten data gedurende de looptijd van de overeenkomst;\n\n­ Automatische koppeling met vluchtinformatie:Geluidsdata wordt automatisch gekoppeld aan relevante vluchtinformatie;\n\n­ Exportmogelijkheden:Data kan geëxporteerd worden naar gangbare bestandsformaten, zoals CSV, PDF en Excel;\n\n­ Selectiemogelijkheden:Gebruikers kunnen per meetpost selecties maken in dag, week, maand of jaar met bijbehorende datagegevens.\n\n(…)\n\n(…)\n\nEis 29\n\nOp de dashboards per gemeente moeten minimaal de volgende gegevens overzichtelijk weergegeven zijn:\n\n- Lden, Lnight en LAeq;\n\n- SEL-waarden;\n\n- Type vliegtuigen;\n\n- Vluchtdata per meetpost (vlieghoogte, datum, tijdstip, vluchtnummer, type);\n\n- Per dag\u002Favond\u002Fnacht en totaal;\n\n- Aantal vliegtuigpassages dag\u002Favond\u002Fnacht per meetpost;\n\n- Onderscheid vliegverkeer naar luchthavens.\n\n3.8.. Na de beoordeling van de knock-out eisen, start de beoordeling van de gunningscriteria. Paragraaf 6.4.1 van de leidraad vermeldt dat het gunningscriterium kwaliteit wordt beoordeeld aan de hand van de toelichting op de subgunningscriteria. De inschrijvingen worden beoordeeld door een beoordelingsteam dat bestaat uit meerdere medewerkers van ODWH. SG4 wordt beoordeeld door een beoordelingsteam met een andere samenstelling, waaronder gebruikers van het dasboard. De scores per subgunningscriterium worden vastgesteld aan de hand van de volgende beoordelingstabel (paragraaf 6.4.2):\n\nBeoordeling\n\nWaardering\n\nPunten\n\n5\n\nUitstekend\n\nAan allebij het kwaliteitscriterium genoemde aspecten wordt volledig voldaan en\u002Fof deze aspecten worden uiterst concreet (kwalitatief) onderbouwd\u002Fuitgewerkt.Bovendienworden er aanvullende, aan het betreffende kwaliteitscriterium gerelateerde onderwerpen benoemd, gemotiveerd en uitgewerkt, die naar oordeel van Opdrachtgever kunnen bijdragen aan een kwalitatief goede uitvoering van de Opdracht. Indien er al sprake is van enig commentaar dan beperkt zich dat enkel tot details.\n\n100\n\n4\n\nGoed\n\nAan de bij het kwaliteitscriterium genoemde aspecten wordt (zo goed als) volledigvoldaan en deze aspecten worden concreet (kwalitatief) onderbouwd\u002Fuitgewerkt. Slechts een beperkt aantal beoordelingsaspecten scoort minder goed.\n\n70\n\n3\n\nVoldoende\n\nAan de bij het kwaliteitscriterium genoemde aspecten wordt grotendeelsvoldaan en\u002Fof deze worden voldoende concreet (kwalitatief) onderbouwd\u002Fuitgewerkt. Inschrijver weet te overtuigen zoals van een deskundig Inschrijver verwacht mag worden echter, diverse beoordelingsaspecten worden als minder goed beoordeeld.\n\n40\n\n2\n\nMatig\n\nAan de bij het kwaliteitscriterium genoemde aspecten wordt deelsvoldaan en\u002Fof deze worden in mindere mate concreet (kwalitatief) onderbouwd\u002Fuitgewerkt. Inschrijver weet met de uitwerking dan ook niet direct te overtuigen doordat een substantieel deel van de beoordelingsaspecten als minder goed wordt beoordeeld.\n\n10\n\n1\n\nOnvoldoende\n\nHet blijkt onvoldoende dat aan (het merendeel van) de bij het kwaliteitscriterium genoemde aspecten wordt voldaan en\u002Fof het voldoen aan deze aspecten wordt onvoldoende concreet (kwalitatief)onderbouwd\u002Fuitgewerkt. Of inschrijver geeft in het geheel geen invulling aan het betreffende onderdeel.\n\n0\n\n3.9.. Verder volgt uit paragraaf 3.7.9 van de leidraad dat het inschrijvers niet is toegestaan om irreëel of manipulatief in te schrijven:\n\n“3.7.9 Irreële of manipulatieve Inschrijving\n\nHet indienen van een irreële of manipulatieve Inschrijving is verboden. Van een manipulatieve Inschrijving kan sprake zijn wanneer – als gevolg van miskenning door de Inschrijver van bepaalde aannames van Opdrachtgever – de beoordelingssystematiek zo wordt gemanipuleerd dat het daarmee beoogde doel, zoals bijvoorbeeld het innemen van een realistische positie, wordt verstoord. Een irreële of manipulatieve Inschrijving is ongeldig en kan terzijde gelegd worden. Een Inschrijving is in ieder geval doch niet uitsluitend manipulatief en\u002Fof irreëel als:\n\n Eén of meer tarieven worden aangeboden die op zichzelf beschouwd niet marktconform en\u002Fof niet realistisch zijn;\n\n De tarieven niet een in de branche gebruikelijke opbouw\u002Fsamenhang hebben;\n\n Eén of meerdere tarieven de gehanteerde formule frustreren;\n\n Er sprake is van nultarieven;\n\n Er in de uitwerking van de Subgunningscriteria veelvuldig zaken worden benoemd of aangeprezen,\n\nterwijl deze niet in het Prijzenblad worden opgenomen.”\n\n3.10.. In de eerste nota van inlichtingen is onder 11 de volgende vraag met betrekking tot paragraaf 2.1.4 van de leidraad opgenomen, met het antwoord van ODWH daarop:\n\nVraag\n\nIn paragraaf [geen nummer opgenomen, voorzieningenrechter] is vermeld dat de exacte locaties van de meetposten in overleg met locatiehouder (gemeente) worden bepaald en dat de gemeente eindverantwoordelijk is voor de locatiebepaling. Tevens dient inschrijver een vaste all-in prijs per meetpunt aan te bieden. Kan opdrachtgever aangeven of er op de door de gemeente aangewezen locaties een vaste stroomvoorziening (bijvoorbeeld via openbare verlichting) beschikbaar wordt gesteld door Opdrachtgever? Of dient Inschrijver in de all-in prijs rekening te houden met kosten voor autonome energievoorziening (zoals zonnepanelen en accu’s) voor locaties waar geen netspanning voorhanden is?\n\nAntwoord\n\nOpdrachtgever bevestigt dat wordt uitgegaan van plaatsing van meetpunten op locaties die door de gemeente (locatiehouder) worden aangewezen. Het uitgangspunt is dat, waar beschikbaar en doelmatig, een vaste stroomvoorziening (netspanning) wordt benut.\n\nOpdrachtgever zal in dat geval de benodigde afstemming met de locatiehouder faciliteren.\n\n(…)\n\nVoor locaties waar geen netspanning beschikbaar is, of waar aansluiting niet doelmatig of niet tijdig realiseerbaar is, zal Opdrachtgever in overleg treden met Opdrachtnemer. Dit valt buiten de inschrijving.\n\n3.11.. In de tweede nota van inlichtingen is onder 7 de volgende vraag opgenomen met betrekking tot eis 2 van het programma van eisen (bijlage 3), met het antwoord van ODWH daarop:\n\nVraag\n\nHet meetsysteem moet te koppelen zijn met LVNL en weerstations. Met welke data van LVNL moet er gekoppeld en hoe wordt dit gedeeld met de opdrachtnemer?\n\nAntwoord\n\nRelevante en geverifieerde data van LVNL wordt gebruikt ten behoeve van de informatie die in het dasboard wordt weergegeven, zoals beschreven in eis 29. Opdrachtgever verwacht van Inschrijvers dat zij weten welke koppelingen noodzakelijk zijn om aan de 90% validiteitseis (Eis 15) te voldoen.\n\n3.12.. Zowel Sensornet als Spotten hebben op de aanbesteding ingeschreven. Bij brief van 6 maart 2026 heeft ODWH aan Sensornet meegedeeld dat zij voornemens is de opdracht aan Spotten te gunnen.\n\n3.13.. Bij brief van 20 maart 2026 heeft Sensornet zich beklaagd over de gunningsbeslissing en verzocht om een toelichting op de door haar genoemde punten tijdens een – reeds gepland – toelichtend gesprek op 24 maart 2026.\n\n3.14.. Op 24 maart 2026 heeft ODWH gereageerd dat zij geen aanleiding ziet om het eerder ingenomen standpunt te herzien, dat zij geen nadere inhoudelijke informatie zal verstrekken en dat zij tijdens het (op diezelfde dag geplande) gesprek uitsluitend de beoordeling van Sensornet zal toelichten.\n\n3.15.. Op 27 maart 2026 heeft Sensornet ODWH in kort geding gedagvaard.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. Sensornet vordert – zakelijk weergegeven en na eiswijziging – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair\n\nI. ODWH gebiedt de gunningsbeslissing van 6 maart 2026 in te trekken, de inschrijving van Spotten als ongeldig uit te sluiten van deze aanbesteding en, voor zover ODWH nog tot gunning wenst over te gaan, de opdracht aan geen ander te gunnen dan aan Sensornet;\n\nsubsidiair\n\nII. ODWH gebiedt de gunningsbeslissing van 6 maart 2026 in te trekken, de inschrijving van Spotten als onrealistisch terzijde te leggen en, voor zover ODWH nog tot gunning wenst over te gaan, de opdracht aan Sensornet te gunnen;\n\nmeer subsidiair\n\nIII. ODWH gebiedt de gunningsbeslissing van 6 maart 2026 in te trekken en beide inschrijvingen binnen vier weken na de datum van het vonnis integraal te laten herbeoordelen, althans alle inschrijvingen op gunningcriteria SG1, SG3 en SG4 te laten herbeoordelen, met inachtneming van het te wijzen vonnis, door een nieuwe beoordelingscommissie, samengesteld uit ter zake deskundige beoordelaars, waarbij kenbaar en gemotiveerd alle onderdelen van de inschrijvingen op die criteria worden besproken in de herbeoordeling, en op basis van de resultaten van die herbeoordeling een nieuwe gunningsbeslissing te nemen, waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen open staan;\n\nnog meer subsidiair\n\nIV. ODWH gebiedt de gunningsbeslissing van 6 maart 2026 in te trekken en opnieuw en thans deugdelijk te motiveren, door bij de beoordeling van gunningcriteria SG1, SG2 en SG4 kenbaar en gemotiveerd alle onderdelen van de inschrijving op die criteria te bespreken in de beoordeling, met inachtneming van het te wijzen vonnis, en op basis van het resultaat van die beoordeling een nieuwe gemotiveerde gunningsbeslissing te nemen, waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen open staan;\n\nmet veroordeling van Sensornet in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. Het standpunt van Sensornet komt er in de kern op neer dat (i) de inschrijving van Spotten ongeldig is, (ii) de inschrijving van Spotten onrealistisch is, (iii) ODWH de inschrijving van Sensornet onjuist heeft beoordeeld en (iv) ODWH de gunningsbeslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.\n\n4.3.. ODWH en Spotten voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n5. De beoordeling van het geschil\n\n5.1.. In dit kort geding moet worden beoordeeld of aanleiding bestaat om ODWH te verplichten om (i) de inschrijving van Spotten uit te sluiten althans (ii) terzijde te leggen en de opdracht aan Sensornet te gunnen, of (iii) de inschrijvingen te laten herbeoordelen door een nieuwe beoordelingscommissie of (iv) de gunningsbeslissing deugdelijk te motiveren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat daar geen aanleiding voor. Dat oordeel wordt hierna uitgelegd.\n\n(i) Ongeldige inschrijving Spotten?\n\n5.2.. Sensornet stelt ten eerste dat Spotten een ongeldige inschrijving heeft gedaan, omdat haar inschrijving niet voldoet aan de eisen 12 en 29 uit het programma van eisen. Eis 12 bepaalt dat het meetsysteem moet kunnen koppelen met LVNL en eis 29 schrijft voor welke gegevens op de dashboards per gemeente overzichtelijk weergegeven moeten zijn, zoals de vluchtdata per meetpost (vlieghoogte, datum, tijdstip, vluchtnummer, type) en het onderscheid van vliegverkeer naar luchthavens. Volgens Sensornet wordt met de (in eis 12 voorgeschreven) koppeling met LVNL bedoeld dat het meetsysteem via het systeem van LVNL directtoegang moet hebben tot gegevens op het punt van vluchtinformatie. Het gaat volgens haar daarbij omreal timeof historische vluchtdata van LVNL, zoals vluchtnummers, vlieghoogtes, tijdstippen en vliegtuigtypes. Volgens Sensornet voldoet Spotten niet aan die eis, omdat de koppeling die Spotten met LVNL heeft, een zogenoemdeopen sourcekoppeling met het Geoportaal van LVNL is. Het Geoportaal bevat alleen statische, geografische datasets en kaarten en geenreal timevluchtinformatie. Nu Spotten niet de volgens Sensornet vereiste koppeling met LVNL heeft en niet over door LVNL geverifieerde vluchtdata beschikt, moet de inschrijving van Spotten ongeldig worden verklaard, aldus Sensornet. ODWH en Spotten betwisten deze stellingen van Sensornet. Volgens hen kan uit de formulering van eis 12 (en de overige aanbestedingsstukken) niet worden afgeleid dat het meetsysteem de door Sensornet bedoelde koppeling met LVNL moet hebben en voldoet de inschrijving van Spotten wel degelijk aan de eisen.\n\n5.3.. De vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden, is of de in eis 12 bedoelde koppeling inhoudt dat het meetsysteem moet kunnen koppelen met alle data van LVNL, en dus ook direct toegang moet hebben tot deze (door LVNL geverifieerde) vluchtdata. Daarbij komt het aan op de uitleg van de aanbestedingsstukken. Naar vaste jurisprudentie brengen de toepasselijke beginselen van transparantie en gelijkheid mee dat het er bij de uitleg van de aanbestedingsstukken om gaat hoe een behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende gegadigde een criterium heeft kunnen begrijpen. Hierbij moet worden uitgegaan van de zogenoemde ‘cao-norm’: de bewoordingen van het criterium – gelezen in het licht van de gehele tekst van de overige (relevante) aanbestedingsstukken – zijn van doorslaggevende betekenis, waarbij het aankomt op de betekenis die – naar objectieve maatstaven – volgt uit de bewoordingen waarin die stukken zijn opgesteld.\n\n5.4.. De voorzieningenrechter is met ODWH en Spotten van oordeel dat uit de aanbestedingsstukken redelijkerwijs niet kan worden afgeleid dat het meetsysteem moet beschikken over een directe koppeling met alle data van LVNL, waaronder (door LVNL geverifieerde) vluchtinformatie. Eis 12 schrijft slechts voor dat het meetsysteem moet kunnen koppelen met LVNL. In deze eis wordt niet gespecificeerd hoe die koppeling er precies uit moet zien (met andere woorden: met welke data uit het systeem van LVNL moet worden gekoppeld). Tijdens de inlichtingenfase heeft één van de inschrijvers daarnaar geïnformeerd en aan ODWH gevraagd met welke data van LVNL moet worden gekoppeld (vraag 7 tweede nota van inlichtingen, zie hiervoor bij 3.11). Daarop heeft ODWH geantwoord dat “relevante en geverifieerde data van LVNL wordt gebruikt ten behoeve van de informatie die in het dashboard wordt weergegeven, zoals beschreven in eis 29” en dat“Opdrachtgever verwacht van Inschrijvers dat zij weten welke koppelingen noodzakelijk zijn om aan de 90% validiteitseis (Eis 15) te voldoen.” Uit het eerste deel van het antwoord volgt alleen dat (relevante en geverifieerde) data van LVNL wordt gebruikt voor het dashboard, maar laat in het midden om welke data het specifiek gaat. Uit het tweede deel van het antwoord blijkt dat ODWH ruimte laat voor de inschrijvers om zelf te bepalen welke soort koppelingen met (onder andere) LVNL) noodzakelijk zijn om aan de 90% validiteitseis te voldoen. Een behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende inschrijver mocht er op basis van de formulering van eis 12 en het antwoord op vraag 7 in de tweede nota van inlichtingen van uitgaan dat een koppeling met LVNL is vereist, maar het aan de inschrijver zelf is om te bepalen welke koppelingen noodzakelijk zijn, zolang maar aan de validiteitseis wordt voldaan. Hieruit volgt logischerwijs ook dat inschrijvers ervoor kunnen kiezen om de bij eis 29 bedoelde vluchtinformatie via een andere bron te verkrijgen, uiteraard als daardoor wel wordt voldaan aan de validiteitseis. Dat Spotten niet beschikt over een volledige koppeling met (alle data van) LVNL, maakt haar inschrijving dus niet ongeldig. De vordering van Sensornet tot uitsluiting van de inschrijving van Spotten wegens ongeldigheid (vordering I) zal daarom worden afgewezen.\n\n(ii) Irreële inschrijving Spotten?\n\n5.5.. Ten tweede stelt Sensornet zich op het standpunt dat de inschrijving van Spotten onrealistisch (de voorzieningenrechter begrijpt: irreëel) is. Van een irreële inschrijving is sprake als op voorhand vaststaat of als uit onderzoek blijkt dat de inschrijver haar inschrijving (op onderdelen) niet waar zal kunnen maken. Daarbij geldt dat de aanbestedende dienst bij de beoordeling van de inschrijvingen in beginsel moet uitgaan van de juistheid van de verklaring van een inschrijver dat de inschrijving aan de gestelde eisen voldoet. Bij de beantwoording van de vraag of een inschrijving irreëel is, is het binnen het bestek van een kort geding aan de eisende partij om eerst voldoende concreet te stellen, en zo nodig met stukken te onderbouwen, dat haar concurrent een niet realistische en\u002Fof marktconforme inschrijving heeft gedaan en om concreet uiteen te zetten waarom deze haar inschrijving niet gestand kan doen. Pas als twijfel mogelijk is over het realistische gehalte van de inschrijving dient de aanbestedende dienst voldoende inzichtelijk te maken dat en waarom aan de door haar gestelde eisen en voorwaarden wordt voldaan.\n\n5.6.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Sensornet onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het zonder de door haar voorgestane koppeling met LVNL niet mogelijk is om aan de validiteitseis te voldoen en de inschrijving van Spotten daarmee irreëel is. Sensornet stelt dat een volledige koppeling met de data van LVNL de enige verantwoorde manier is om relevante en geverifieerde gegevens te verkrijgen, maar ODWH heeft die stelling weersproken door erop te wijzen dat Spotten een andere werkwijze heeft dan Sensornet en zij voor het verkrijgen van data ook andere bronnen gebruikt dan LVNL, waarbij door Spotten is verklaard dat alle in eis 29 voorgeschreven informatie beschikbaar zal zijn. Sensornet heeft haar stelling vervolgens niet nader onderbouwd, zodat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen reden bestaat om op voorhand te twijfelen aan het realistisch gehalte van de inschrijving van Spotten. Daarbij weegt mee dat uit de aanbestedingsstukken ook niet af te leiden valt dat allein eis 29 opgenomen informatie geverifieerd dient te worden door LVNL.\n\n5.7.. Verder is ook niet gebleken dat de inschrijving van Spotten op het onderdeel planning onrealistisch is, zoals Sensornet stelt. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit het programma van eisen niet dat inschrijvers moeten beschikken over de door Sensornet voorgestane volledige koppeling met LVNL. De voorzieningenrechter gaat daarom voorbij aan de stelling van Sensornet dat Spotten die koppeling nog zou moeten aanvragen en daarmee niet aan de planning kan voldoen. Ook de enkele verwijzing van Sensornet naar het feit dat Spotten geen referentie heeft voor een geluidspostennetwerk en een beroep heeft gedaan op de in de leidraad geformuleerde uitzonderingsregel en in plaats van een referentie een uitgebreid plan van aanpak heeft ingediend, is onvoldoende om aan te nemen dat Spotten er niet in zal slagen om de gevraagde producten en diensten tijdig te leveren. Deze stelling is suggestief en onvoldoende geconcretiseerd. Hetzelfde geldt voor de stelling van Sensornet dat de planning voor een kleine en nieuwe onderneming als Spotten niet realistisch is.\n\n5.8.. Uit het voorgaande volgt dat Sensornet niet aannemelijk heeft gemaakt dat Spotten een irreële inschrijving heeft gedaan. Voor toewijzing van de vordering tot terzijdelegging van de inschrijving van Spotten (vordering II) bestaat dus geen grond.\n\n(iii) Onjuiste beoordeling inschrijving Sensornet?\n\n5.9.. Het derde bezwaar van Sensornet komt erop neer dat ODWH haar inschrijving op drie van de vier onderdelen van het gunningscriterium kwaliteit onjuist heeft beoordeeld. De voorzieningenrechter zal deze bezwaren per subgunningscriterium bespreken.\n\n5.10.. Bij de beoordeling stelt de voorzieningenrechter voorop dat aan enige mate van subjectiviteit bij de beoordeling van de door ODWH gehanteerde gunningscriteria niet te ontkomen valt. Dat brengt weliswaar enige spanning teweeg met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het behoeft nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht en\u002Fof die beginselen. Van belang is dat (i) het voor een potentiële inschrijver duidelijk is wat er van hem wordt verwacht, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld en (iii) de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk wordt gemotiveerd dat het voor een afgewezen inschrijver mogelijk is om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. Voor het overige komt aan de voorzieningenrechter slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van kwalitatieve criteria. Aan de aangewezen beoordelingscommissie, waarvan de deskundigheid in beginsel moet worden aangenomen, moet de nodige beoordelingsruimte worden gegund, mede omdat de rechter geen specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht. Alleen als sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling, dan wel procedurele of inhoudelijke onjuistheden en\u002Fof onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter.\n\nSG 1: Plan van Aanpak\n\nOnderscheiden van vliegtuiggeluid\n\n5.11.. Sensornet verzet zich tegen het oordeel van de beoordelingscommissie dat een concrete uitwerking ontbreekt over hoe vliegtuiggeluid wordt onderscheiden van andere geluiden. Volgens Sensornet heeft de beoordelingscommissie een onjuiste toets gehanteerd, omdat een dergelijk onderscheid iets is dat bij subgunningscriterium 2 (‘Validatie’) thuishoort en er daar ook expliciet naar is gevraagd. De voorzieningenrechter volgt haar niet in dat bezwaar. ODWH heeft er terecht op gewezen dat bij de uitvraag in SG1 wordt verzocht om toe te lichten hoe wordt gezorgd voor betrouwbare, reproduceerbare en nauwkeurige metingen, en de maatregelen te beschrijven om continuïteit van metingen te waarborgen. Dat de beoordelingscommissie bij de uitwerking van Sensornet op dit onderdeel graag had gezien dat Sensornet in haar aanpak had toegelicht hoe vliegtuiggeluid wordt onderscheiden van andere geluiden, valt binnen haar beoordelingsvrijheid en dat oordeel acht de voorzieningen-rechter ook niet onbegrijpelijk.\n\nNetspanning\n\n5.12.. Ook heeft Sensornet bezwaar geuit tegen het oordeel van de beoordelingscommissie dat Sensornet niet heeft uitgewerkt hoe wordt gehandeld als reguliere netspanning ontbreekt. Volgens Sensornet is dat onterecht, omdat uit het antwoord op vraag 11 van de eerste nota van inlichtingen (zie hiervoor bij 3.10) volgt dat in zo’n geval overleg met de opdrachtnemer wordt gezocht en – zo begrijpt de voorzieningenrechter – nadere uitwerking op dat punt dus niet nodig is. De voorzieningenrechter gaat daar niet in mee. Zoals ODWH terecht heeft opgemerkt, heeft het antwoord op vraag 11 betrekking op het ontbreken van netspanning bij de plaatsing van een meetpunt, en niet op het uitvallen van netspanning op een later moment. In de uitvraag bij SG1 is op het onderdeel ‘risicoanalyse’ gevraagd om een risicoanalyse uit te werken waarin ten minste de weerbestendigheid en de betrouwbaarheid en continuïteit van het dataplatform aan bod komen. Dat de beoordelingscommissie op dit onderdeel een uitwerking van het scenario bij het uitvallen van de (reguliere) netspanning heeft gemist, acht de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk.\n\nPlaatsingsmethode\n\n5.13.. De voorzieningenrechter gaat verder voorbij aan het bezwaar dat Sensornet maakt tegen het kritiekpunt van de beoordelingscommissie dat Sensornet bij de plaatsingsmethode uitsluitend ingaat op platte daken en niet op andere methoden\u002Flocaties, terwijl de plaatsing op platte daken niet de enige gangbare situatie is. Volgens Sensornet maakt de beoordelingscommissie dit kritiekpunt te groot, omdat plaatsing op een andere manier dan op een plat dak in de praktijk maar weinig voorkomt. Dat neemt echter niet weg dat de uitvraag op dit punt (zie hiervoor bij 3.5) vraagt om “de verschillende wijzen” te beschrijven waarop de meetposten kunnen worden geplaatst, geïnstalleerd en in gebruik genomen afhankelijk van de locatie. De beoordelingscommissie heeft gesignaleerd dat Sensornet in haar inschrijving maar op één plaatsingswijze is ingegaan en dat acht de voorzieningenrechter, gelet op de uitvraag, niet onbegrijpelijk. In het verlengde daarvan valt niet in te zien waarom de deskundigheid van de beoordelingscommissie in twijfel zou moeten worden getrokken, zoals Sensornet betoogt.\n\n5.14.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordelingscommissie bij SG1, gelet op de onder 5.11 tot en met 5.13 genoemde kritiekpunten, in redelijkheid tot een score ‘matig’ heeft kunnen komen.\n\nSG 3: Beheer, Communicatie en Support\n\nAfstemming bij plaatsing\n\n5.15.. Sensornet maakt verder bezwaar tegen de beoordeling van de beoordelingscommissie over haar uitwerking bij SG3. De beoordelingscommissie heeft bij dit onderdeel geoordeeld dat de uitwerking van Sensornet kort en summier is. Daarbij heeft de beoordelingscommissie vermeld dat Sensornet de onderhoudsstrategie en frequentie heeft benoemd, maar zonder concrete termijnen of detaillering van onderhoudsaanpak. Ook is volgens haar onvoldoende duidelijk hoe en door wie een potentiële locatie wordt doorgegeven en op welke wijze de opdrachtgever en gemeente gedurende het proces worden geïnformeerd. Sensornet acht deze kritiek onterecht, omdat zij in haar inschrijving heeft vermeld dat storingen automatisch worden gesignaleerd en zij verder een helder procesverloop heeft beschreven. Ook wijst zij erop dat uit het antwoord op vraag 11 van de eerste nota van inlichtingen (zie hiervoor bij 3.10) volgt dat de gemeente de betreffende locatie aanwijst, Sensornet vervolgens de opdrachtgever (ODWH hetzij de betreffende gemeente) informeert en dat dit –in zijn kortheid– duidelijk is. De voorzieningenrechter gaat ook aan dit bezwaar voorbij. ODWH heeft er terecht op gewezen dat Sensornet in haar inschrijving beschrijft dat communicatie plaatsvindt, maar verder niet heeft geconcretiseerd hoe dat precies in zijn werk gaat: wie met wie communiceert, wanneer en hoe. Kennelijk had de beoordelingscommissie op dit punt een gedetailleerdere uitwerking van Sensornet gewenst en dat acht de voorzieningenrechter, mede gelet op het feit dat ODWH waarde hecht aan heldere communicatieprocessen (zie hiervoor bij 3.5) en de dienstverlening die hier aan de orde is, niet onbegrijpelijk. Ook de stelling van Sensornet dat ODWH haar ten onrechte heeft afgerekend op het gebruik van het woord ‘bewoner’ terwijl duidelijk was dat zij daarmee ‘locatiehouder’ bedoelde, kan haar niet baten. Zelfs als het hier ging om een verschrijving van Sensornet, doet dat niet af aan de hiervoor omschreven meer algemene kritiek van de beoordelingscommissie, die naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid de score ‘voldoende’ rechtvaardigt.\n\nSG4: Dashboard en Gebruiksfunctionaliteit\n\nIntuïtiviteit en burgers\n\n5.16.. Een andere klacht van Sensornet is dat de beoordelingscommissie bij SG4 heeft geoordeeld dat het dashboard ‘wat ouderwets oogt’, niet erg intuïtief en interactief wordt bevonden en wordt betwijfeld of een burger ook zijn weg erop weet te vinden. Volgens Sensornet gaat het om een subjectief esthetisch oordeel dat geen substantiële puntenaftrek rechtvaardigt. Ook stelt zij dat de beoordelingscommissie ten onrechte inzoomt op burgers als één van de gebruiksgroepen, terwijl wordt gesproken over ‘gebruikers’, en dat het dashboard bovendien al jaren door burgers in de betrokken gemeenten wordt gebruikt en Sensornet geen klachten of signalen heeft ontvangen dat die burgers hun weg niet zouden weten te vinden. Deze stellingen kunnen Sensornet niet baten. Uit de uitvraag op dit onderdeel (zie hiervoor bij 3.5) volgt dat de beoordelingscommissie de gebruiksvriendelijkheid, overzichtelijkheid en intuïtieve navigatie van het dashboard beoordeelt en bovendien waarde hecht aan transparantie en toegankelijkheid voor gebruikers. Het oordeel van de beoordelingscommissie over de esthetiek van het dashboard en de bevindingen bij het gebruik past daar alleszins binnen. Verder acht de voorzieningenrechter het niet onbegrijpelijk dat de beoordelingscommissie specifiek is ingegaan op het gebruik van het dashboard door burgers c.q. inwoners van de gemeente, nu niet ter discussie staat dat zij een belangrijke gebruiksgroep vormen. Dat de beoordelingscommissie er op basis van de demonstratie niet van overtuigd is geraakt dat burgers hun weg weten te vinden bij het gebruik van het door Sensornet gepresenteerde dashboard, valt binnen haar beoordelingsvrijheid en is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk.\n\nExportfunctie\n\n5.17.. Ook de stelling dat de beoordelingscommissie ten onrechte heeft geoordeeld dat gebruikers de data op dit moment niet zelf kunnen exporteren, kan Sensornet niet baten. Hoewel Sensornet erop heeft gewezen dat een rapportage kan worden gedownload in ‘CSV’, heeft ODWH in haar conclusie van antwoord toegelicht dat de kritiek van de beoordelingscommissie erop ziet dat voor specifiek burgers (de gebruiksgroep inwoners) geen exporteerknop in het door Sensornet aangeboden –en tijdens de demonstratie gepresenteerde– dashboard zit. Dat tijdens de demonstratie zou zijn besproken dat de exportfunctie voor burgers mogelijk is, zoals Sensornet stelt, maakt dat niet anders. De beoordelingscommissie heeft bij de beoordeling immers uit te gaan van de inschrijving zoals door Sensornet is ingediend.\n\n5.18.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordelingscommissie bij SG4 in redelijkheid heeft kunnen komen tot de gegeven beoordeling ‘goed’.\n\n5.19.. Gelet op al het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat Sensornet niet aannemelijk heeft weten te maken dat bij de door haar genoemde onderdelen bij SG1, SG2 en SG4 sprake is van een onbegrijpelijke of evident onjuiste beoordeling, dan wel dat er procedurele of inhoudelijke onjuistheden en\u002Fof onduidelijkheden kleven aan de beoordeling, die ertoe zouden moeten leiden dat de voorzieningenrechter – ondanks de beperkte toetsingsruimte zoals vermeld onder 5.10 – moet concluderen dat de beoordeling van de inschrijving van Sensornet door de beoordelingscommissie niet deugt. Voor de gevorderde hernieuwde beoordeling van de inschrijving van Sensornet, laat staan die van Spotten, door een nieuwe beoordelingscommissie is dus geen plaats. Dat betekent dat vordering III zal worden afgewezen.\n\n(iv) Ondeugdelijke motivering gunningsbeslissing?\n\n5.20.. Tot slot stelt Sensornet dat de beoordeling van ODWH te summier is in relatie tot de ingediende inschrijving. Volgens Sensornet bespreekt de gunningsbrief per gunningscriterium slechts enkele kritiekpunten en laat de overige aspecten onbesproken. Zo worden bij SG1 drie punten genoemd op een uitwerking van acht pagina’s en bij SG4 worden vier van de zes te beoordelen aspecten in het geheel niet besproken, aldus Sensornet. Volgens Sensornet kan zij niet nagaan waarom zij punten heeft verloren op de niet-besproken onderdelen en dat is volgens haar in strijd met artikel 2.130 Aanbestedingswet (Aw) en met antwoord 5 van de eerste nota van inlichtingen, waarin ODWH heeft bevestigd dat in de gunningsbrief uitgebreid zou worden ingegaan op de behaalde score en de bijbehorende beoordeling. Ook blijft de vergelijking met de winnende inschrijving steken in algemeenheden, aldus Sensornet.\n\n5.21.. De voorzieningenrechter volgt ODWH daarin niet. Uit artikel 2.130 Aw volgt dat de mededeling van de gunningsbeslissing de relevante redenen moet bevatten voor die beslissing en dat daaronder in ieder geval wordt verstaan de kenmerken en relatieve voordelen van de uitgekozen inschrijving, alsmede de naam van de begunstigde of de partijen bij de raamovereenkomst. Volgens de parlementaire geschiedenis van dit artikel ligt het, indien de aanbestedende dienst (zoals hier) het criterium ‘economisch meest voordelige inschrijving’ heeft gehanteerd, in de rede dat de aan de inschrijvingen toegekende scores en de relatieve positie van de afgewezen inschrijver ten opzichte van de geselecteerde inschrijver ter onderbouwing van de mededeling van de gunningsbeslissing door de aanbestedende dienst worden meegezonden. Hoewel een precieze invulling van de relevante redenen afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, geldt in zijn algemeenheid dat de relevante redenen onder meer de volgende elementen zullen bevatten:\n\nbekendmaking van de eindscores van zowel de afgewezen inschrijver als van de geselecteerde inschrijver;\n\nbekendmaking van de scores van de afgewezen inschrijver op specifieke kenmerken en de reden(en) waarom op dat specifieke kenmerk eventueel niet een hogere score is toegekend.\n\n5.22.. Anders dan Sensornet stelt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de gunningsbeslissing voldoende blijkt waarom Sensornet op de verschillende subgunningscriteria niet een hogere score heeft toegekend. De beoordelingscommissie heeft geoordeeld dat Sensornet op onderdelen steken heeft laten vallen en zij heeft hier per subgunningscriterium ook specifieke voorbeelden bij genoemd. Zoals hiervoor is overwogen, heeft Sensornet onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de beoordelingscommissie niet tot haar oordeel heeft kunnen komen. Ook valt zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in te zien dat de beoordelingscommissie aspecten onbesproken zou hebben gelaten terwijl dat wel tot puntenverlies zou hebben geleid, zoals Sensornet stelt.\n\n5.23.. Verder biedt de gunningsbeslissing voldoende inzicht in de relevante verschillen tussen de inschrijving van Sensornet enerzijds en die van Spotten als winnende inschrijver anderzijds. ODWH heeft de scores van Sensornet op de verschillende (sub)gunningscriteria afgezet tegen die van de overige inschrijvers (Spotten) en daaruit valt de relatieve positie van Sensornet ten opzichte van Spotten af te leiden. Ook heeft ODWH op de subgunningscriteria waar Sensornet lager heeft gescoord dan Spotten een toelichting gegeven over de kenmerken en relatieve voordelen van de inschrijving van Spotten. Die toelichting is weliswaar in algemene bewoordingen gegeven, maar die bewoordingen sluiten aan bij de gehanteerde beoordelingsmaatstaf. De toelichting is summier, maar de op een aanbestedende dienst rustende motiveringsverplichting reikt niet zover dat hij gehouden is afgewezen inschrijvers meer gedetailleerd opgave te doen van de aanbieding van de winnende inschrijver; het ligt in de rede dat die aanbieding bedrijfsvertrouwelijke informatie bevat die de aanbestedende dienst niet prijs mag geven. De conclusie is dat Sensornet met de verstrekte gegevens voldoende in staat moet worden geacht om te beoordelen of het zinvol is om een juridische procedure te starten.\n\n5.24.. Nu niet is gebleken dat de gunningsbeslissing ondeugdelijk is gemotiveerd, is voor de door Sensornet onder IV. gevorderde gebod geen ruimte. Deze vordering wordt daarom afgewezen.\n\nSlotsom en proceskosten\n\n5.25.. Slotsom is dat niet is gebleken dat de inschrijving van Spotten ongeldig of irreëel is, noch dat ODWH evidente beoordelingsfouten heeft gemaakt bij de beoordeling van de inschrijving van Sensornet of het beoordelingskader onjuist heeft toegepast en dat moet worden geoordeeld dat ODWH de gunningsbeslissing deugdelijk heeft gemotiveerd. Voor de gevorderde intrekking van de gunningsbeslissing en de uitsluiting\u002Fterzijdelegging van de inschrijving van Spotten, althans herbeoordeling van de inschrijvingen, althans een gebod tot deugdelijke motivering van de gunningsbeslissing is dus geen plaats. De vorderingen van Sensornet zullen daarom worden afgewezen.\n\n5.26.. Sensornet is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van zowel ODWH als Spotten betalen. De proceskosten van Spotten en ODWH worden, ieder afzonderlijk, begroot op:\n\n- griffierecht € 735\n\n- salaris advocaat € 1.177\n\n- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de\n\nbeslissing)\n\nTotaal € 2.101\n\n5.27.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. wijst de vorderingen van Sensornet af;\n\n6.2.. veroordeelt Sensornet in de proceskosten van zowel ODWH als Spotten van ieder € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Sensornet niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Sensornet € 98 extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.3.. veroordeelt Sensornet in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.4.. verklaart de onder 6.2 en 6.3 opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.\n\nfjs","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14677","2026-07-13T00:28:30.046Z",{"id":136,"ecli":137,"slug":138,"caseNumber":43,"courtId":139,"decisionDate":140,"fullText":141,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":142,"sourceTimestamp":143,"parsedAt":51,"updatedAt":144},"447","ECLI:NL:RBNNE:2026:1749","ecli-nl-rbnne-2026-1749",65,"2026-05-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Groningen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F252582 \u002F KG ZA 26-45\n\nVonnis in kort geding van 8 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nCGI NEDERLAND B.V.,\n\nte Amstelveen,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: CGI,\n\nadvocaten: mrs. S.C. Brackmann en P.M. Smid,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENTE GRONINGEN,\n\nte Groningen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de Gemeente,\n\nadvocaten: mrs. S.S. Schouten en M.R. Blom\n\nen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nOPEN LINE MANAGED SERVICES B.V.,\n\ngevestigd te Maastricht,\n\nde tussenkomende partij, hierna te noemen: Open Line,\n\nadvocaten mrs. B.C. Lievers en P.F.C. Heemskerk.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de producties van CGI, waaronder producties die niet kenbaar zijn voor Open Line; - de conclusie van antwoord, waarbij een versie met passages die niet kenbaar zijn voor Open Line; - de producties van de Gemeente, waaronder productie 10 die niet kenbaar is voor Open Line;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair tot voeging van Open Line; CGI en de Gemeente hebben verklaard daartegen geen bezwaar te hebben; de voorzieningenrechter heeft vervolgens bepaald dat Open Line als tussenkomende partij wordt toegelaten;\n\n- de producties van Open Line; - de mondelinge behandeling van 21 april 2026; - de pleitnota van CGI; - de pleitnota van de Gemeente, waarbij een versie met passages die niet kenbaar zijn voor Open Line;\n\n- de pleitnota van Open Line.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nDe Gemeente op 15 oktober 2024 op Tenderned een Europese aanbesteding volgens de mededingingsprocedure met onderhandeling gepubliceerd voor de volgende opdracht:\n\nBack-end: Platformdiensten en Technisch Applicatiebeheer.\n\nVoor nadere informatie over de opdracht is daarbij verwezen naar het betreffende hoofdstuk 3 van de Selectieleidraad.\n\nOp 17 april 2025 is de Gunningsleidraad verstrekt aan de geselecteerde gegadigden. De Gunningsleidraad geeft inzicht in de procedure en inhoudelijke aspecten van de onderhandelings- en gunningsfase. De aanbesteding wordt in drie fasen gehouden: een Selectiefase, de Onderhandeling en een Gunningsfase. In de Selectiefase zijn vijf gegadigden geselecteerd, waaronder CGI en Open Line.\n\n2.2.. De Opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI) op basis van beste prijs-kwaliteitverhouding (BPKV), waarbij naast de prijs ook de kwalitatieve aspecten worden beoordeeld.\n\n2.3.. In de Gunningsleidraad is op pagina 24 (paragraaf 5.3.1. en 5.3.2.) de volgende beoordelingsmethodiek opgenomen:\n\n“5.3.1 Beoordelingsmethodiek\n\nAls Gunningscriterium hanteert de Aanbestedende Dienst EMVI op basis van ‘beste prijs-kwaliteitverhouding’ waarbij kwaliteit en prijs als gunningscriteria worden gehanteerd. Onder kwaliteit wordt de wijze van invulling van Kwalitatieve Gunningscriteria verstaan (zie Bijlage D). Onder prijs wordt verstaan de totaalprijs die volgt uit de optelling van de subtotaalposten in het Prijzenblad (zie Bijlage E).5.3.2. \n\nOverzicht gunningscriteria en weging\n\nVoor kwaliteit geldt een weging van 70%, en voor prijs 30%. Deze verhouding is al\n\nverwerkt in de maximaal per criterium te behalen punten, namelijk 700 punten voor\n\nkwaliteit en 300 punten voor prijs. De punten behaald voor de beide gunningscriteria worden bij elkaar opgeteld voor de totaalscore. In totaal kan Inschrijver voor zijn Inschrijving maximaal 1.000 punten behalen.”2.4.. \n\nDe inschrijvers hebben een groot aantal vragen gesteld, die de Gemeente in vier Nota’s van Inlichtingen (NvI) heeft beantwoord. In de NvI’s zijn diverse vragen gesteld ten aanzien van de gebruikte definities voor “wijzigingen\u002Fchanges” en het prijscriterium.\n\nVoor zover thans van belang luiden vraag 391 en 392 in de derde NvI en vraag 438 in de vierde NvI en het antwoord daarop van de Gemeente als volgt.\n\nVraag 391: In de terugkoppeling & uitkomsten Onderhandelingen geeft u onder\n\n“wijzigingen” op pagina 4 geeft u aan dat “Voor het Prijzenblad worden er andere\n\ndefinities gehanteerd voor wijzigingen”. Deze definities komen niet overeen met de\n\ndefinities zoals door u gegeven in Bijlage B-Definities v1.1. Mag inschrijver ervan uitgaan dat de definities van Bijlage B-Definities v1.1 prevaleren? Zo nee, kunt u dit toelichten?\n\nAntwoord: Nee, daar mag u niet vanuit gaan. Aanbestedende Dienst heeft in het prijzenblad de specificaties aangegeven op basis waarvan Inschrijver wijzigingen dient te beprijzen. De definities in Bijlage B - Definities geven inzicht in de wijze waarop Aanbestedende Dienst wijzigingen in het kader van het Changemanagement proces definieert. Om onduidelijkheid te voorkomen heeft Aanbestedende Dienst in het Prijzenblad de Engelse terminologie gehanteerd en Bijlage B - Definities hierop aangepast.\n\nVraag 392: In Bijlage B-Definities v1.1 hebt u gedefinieerd wat u onder standaardwijzigingen verstaat en in het Prijzenblad geeft u aan dat alle standaardwijzigingen deel uit moeten maken van hier genoemde prijs. In Gunningsleidraad v1.1 vraagt u ons op pagina 20 van 33 een overzicht van standaardwijzigingen bij te voegen. Kunt u aangeven wat het doel\u002Fnut van dit overzicht van standaardwijzigingen is aangezien de definitie reeds bepaalt wat een standaardwijziging is?\n\nAntwoord; In het Prijzenblad geeft Aanbestedende Dienst aan welke wijzigingen tot\n\nstandaardwijzigingen behoren. Deze definitie prevaleert gedurende de looptijd van de overeenkomst. Gegadigde wordt gevraagd een overzicht van de standaardwijzigingen van Gegadigde in te dienen om Aanbestedende Dienst inzicht te geven in de best practices van Gegadigde.\n\nVraag 438: In het antwoord (op vraag 392, opm. vzr.) is gesteld: “Gegadigde wordt gevraagd een overzicht van de standaardwijzigingen van Gegadigde in te dienen om Aanbestedende Dienst inzicht te geven in de best practices van Gegadigde.” Op welke wijze wordt het inzicht in de best practices van gegadigde meegewogen in de beoordeling van zijn inschrijving?\n\nAntwoord: De lijst weegt niet mee in de beoordeling, maar wordt gebruikt om inzicht te verschaffen in standaardwijzigingen. In bijlage B ‘Definities’ staat bij begrip ‘Emergency Change’ beschreven wat een standaardwijziging betreft.\n\n2.5.. \n\nDe aangepaste definities zijn opgenomen in de aangepaste Bijlage B, versie 1.2 alsmede in het aangepaste Prijzenblad, versie 1.3.\n\nDaarin is – voor zover thans van belang – het volgende opgenomen:\n\n2.6.. \n\nGovernance wordt gedefinieerd als het geheel van afspraken, structuren en processen waarmee besluitvorming, coördinatie en verantwoording tussen Opdrachtgever en Opdrachtnemer wordt vormgegeven en bewaakt, met als doel een voor alle partijen duidelijke samenwerking en sturing. Aangaande Governance is in punt SM-20 van het Programma van Eisen (PvE) opgenomen dat de inschrijver zich conformeert aan de werkwijze zoals uiteengezet in Bijlage Q – Governance, in welke bijlage onder meer wordt beschreven aan welke processen en vereisten Governance moet voldoen.\n\nMet betrekking tot de kosten van Governance heeft de Gemeente geen apart prijsonderdeel opgenomen in het Prijzenblad; de inschrijvers worden geacht deze kosten te verwerken in andere kostenposten.\n\n2.7.. Onderdeel van de mededingingsprocedure met onderhandeling zijn onderhandelingen met de inschrijvers. De gemeente Groningen heeft hiervan een verslag opgesteld dat aan alle inschrijvers is verstrekt.\n\n2.8.. CGI heeft op 1 september 2025 tijdig haar inschrijving, het Best and Final Offer, ingediend.2.9.. \n\nDe Gemeente heeft de inschrijving beoordeeld en CGI op 19 januari 2026 geïnformeerd over het resultaat daarvan. De inschrijving van CGI is als tweede gerangschikt, en CGI komt daarom in aanmerking voor de wachtkamerovereenkomst. De Gemeente heeft de inschrijving van Open Line als eerste gerangschikt en de opdracht voorlopig aan haar gegund.\n\nCGI heeft een totaalscore van 739,5 punten behaald tegenover 845 punten voor de voorlopige winnaar Open Line (een verschil van 105,5 punten). CGI heeft op kwaliteit 472,5 punten gescoord en op prijs 267 punten. Open Line verkreeg op kwaliteit 545 punten, en op prijs 300 punten.\n\n2.10.. Naar aanleiding van de gunningsbeslissing wenste CGI een bespreking met de Gemeente omdat zij vragen had over de beoordeling en de onderbouwing ervan. Dat gesprek heeft plaatsgevonden op woensdag 4 februari 2026.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De vordering van CGI strekt ertoe:\n\nPrimair:\n\nde Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de in de aanbesteding verzonden voorgenomen gunningsbeslissing d.d. 19 januari 2026 in te trekken en ingetrokken te houden en de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan deze voorgenomen gunningsbeslissing en de Gemeente te verbieden om op basis van de huidige aanbestedingsprocedure een opdracht te gunnen; en\n\nde Gemeente te gebieden om uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de aanbesteding te staken en gestaakt en ingetrokken te houden; én\n\nde Gemeente te gebieden om, als zij nog steeds een overeenkomst wenst te gunnen, over te gaan tot heraanbesteding van die overeenkomst.\n\nSubsidiair:\n\nde Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de in de aanbesteding verzonden voorgenomen gunningsbeslissing d.d. 19 januari 2026 in te trekken en ingetrokken te houden en de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan deze voorgenomen gunningsbeslissing en de Gemeente te verbieden om op basis van de huidige aanbestedingsprocedure een opdracht te gunnen; en\n\nde Gemeente te gebieden om, voor zover zij de Opdracht nog wil gunnen, over te gaan tot herbeoordeling van alle voor de aanbesteding Platformdiensten en TAP tijdige ingediende en geldige inschrijvingen, door een nieuw samen te stellen en onafhankelijke beoordelingscommissie, waarbij de beoordelingscommissie bij haar herbeoordeling in acht neemt de beoordelingsbezwaren en motiveringsbezwaren tegen de voorgenomen gunningsbeslissing (zoals die uiteengezet zijn in de inleidende dagvaarding) waarvan de voorzieningenrechter in dit vonnis heeft geoordeeld dat die bezwaren gegrond zijn, en waarna een nieuwe gunningsbeslissing wordt genomen met daarin wederom een standstilltermijn van 20 dagen.\n\nMeer subsidiair:\n\nde Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de in de aanbesteding verzonden voorgenomen gunningsbeslissing d.d. 19 januari 2026 in te trekken en ingetrokken te houden en de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan deze voorgenomen gunningsbeslissing en de Gemeente te verbieden om op basis van de huidige aanbestedingsprocedure een opdracht te gunnen; en\n\nde Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, voor zover zij de opdracht nog wil gunnen, over te gaan tot het verstrekken van een nieuwe motivering van de verzonden gunningsbeslissingen in de aanbesteding, waarbij de beoordelingscommissie bij haar nieuwe motivering in acht neemt de motiveringsbezwaren tegen de voorgenomen gunningsbeslissing (zoals die uiteengezet zijn in de inleidende dagvaarding) waarvan de voorzieningenrechter in dit vonnis heeft geoordeeld dat die bezwaren gegrond zijn, en waarna een nieuwe gunningsbeslissing wordt genomen met daarin wederom een standstilltermijn van 20 dagen.\n\nIn alle gevallen:\n\nde in dit petitum verwoorde en op te leggen geboden en verboden op straffe van verbeurte van een eenmalige en in geval van overtreding van het betreffende gebod of verbod direct opeisbare dwangsom ter hoogte van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) per dag van overtreding, met een maximum van € 250.000,00 (zegge: tweehonderdvijftigduizend euro) per gedagvaarde partij, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag.\n\nde Gemeente te veroordelen in de kosten van in dit kort geding, waaronder begrepen een redelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand van CGI, alsmede de nakosten (zonder of met betekening) van dit vonnis, met de aantekening dat als niet binnen veertien (14) kalenderdagen na wijziging van het vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan daarover de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de vijftiende (15e) kalenderdag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.\n\n3.2.. De Gemeente heeft verweer gevoerd.\n\n3.3.. De vordering van Open Line strekt ertoe:\n\nIN HET INCIDENT:\n\n toe te staan dat Open Line in het kort geding wordt toegelaten als tussenkomende partij, althans subsidiair in het kort geding wordt toegelaten als voegende partij aan de zijde van de Gemeente, met veroordeling van CGI in de kosten van dit incident, met bepaling dat deze kosten binnen twee weken na dagtekening van dit vonnis moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan CGI zonder nadere aankondiging over die kosten wettelijke rente zal zijn verschuldigd;\n\nIN DE HOOFDZAAK:\n\n1. CGI niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans de vorderingen van CGI af te wijzen; en\n\n2. voorwaardelijk, indien dat door de voorzieningenrechter noodzakelijk wordt geacht voor toelating van Open Line als tussenkomende partij, de Gemeente te gebieden om de Opdracht, indien zij deze nog wenst te vergeven, te gunnen aan Open Line; en\n\n3. CGI in de kosten van deze procedure te veroordelen, waaronder begrepen de nakosten, met bepaling dat deze kosten binnen twee weken na dagtekening van het vonnis aan Open Line moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan CGI zonder nadere aankondiging over die kosten wettelijke rente is verschuldigd.\n\n4. De beoordeling\n\nHet incident ter zake van de interventie\n\n4.1.. \n\nDe voorzieningenrechter overweegt het volgende terzake van de incidentele conclusie van Open Line tot tussenkomst, subsidiair voeging. Het kenmerkende verschil tussen voeging en tussenkomst is dat een gevoegde partij geen zelfstandige, eigen vordering jegens de anderen instelt en een tussenkomende partij wel.\n\nOpen Line heeft weliswaar een eigen vordering jegens het UMCG ingesteld, doch materieel komt deze naar het oordeel van de voorzieningenrechter neer op afwijzing van de vordering van CGI zodat geen sprake is van een zelfstandige, eigen vordering van Open Line. Derhalve kan Open Line slechts als gevoegde partij worden toegelaten en heeft zij geen belang bij beoordeling van haar vordering. De voorzieningenrechter overweegt dat een gevoegde partij in eerste aanleg als procespartij wordt aangemerkt en uit dien hoofde in beginsel het recht heeft een rechtsmiddel aan te wenden tegen een in die procedure gewezen vonnis, zodat dit evenmin reden is Open Line toe te laten om tussen te komen.\n\nHet incident ter zake van de producties4.2.. De voorzieningenrechter heeft ter zitting dienaangaande – zakelijk weergegeven – het volgende overwogen.\n\n4.3.. \n\nNu Open Line als interveniërende partij tot dit kort geding is toegelaten, heeft zij in beginsel op grond van de artikelen 19 en 85 Rv recht op alle gedingstukken die relevant zijn voor de onderhavige beoordeling.\n\nUit het arrest Varecblijkt echter dat dat recht niet onbeperkt is en dat onder omstandigheden ook overgelegde stukken die vertrouwelijk moeten blijven en niet kunnen worden gedeeld met iedere partij, bij de beoordeling kunnen worden betrokken.4.4.. Gelet op het toetsingskader van het vorenbedoeld arrest is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door CGI en de Gemeente weggelakte passages in de aan Open Line overgelegde producties niet openbaar behoeven te worden gemaakt en ook niet aan Open Line kenbaar behoeven te worden gemaakt. Het gaat in dit kort geding immers om een niet-afgeronde aanbesteding. Het openbaar maken van de weggelakte passages zouden nadelig kunnen zijn bij de afronding van deze aanbestedingsprocedure en gelet op de wijze waarop Open Line haar zaak bij de voorzieningenrechter heeft doen bepleiten, kan niet worden volgehouden dat de weggelakte passages aan een effectieve rechtsbescherming van Open Line in de weg hebben gestaan. Open Line heeft overigens ook zelf erkend dat stukken die met de inschrijving van CGI verband houden, niet aan haar behoeven te worden geopenbaard. Dit betreft in ieder geval de producties 12a-12c van CGI. Naar het voorlopig oordeel is ook de gunningsbeslissing (productie 13) en de notulen van de onderhandelingen (productie 11) en productie 10 bij de conclusie van antwoord nauw verbonden met de inschrijving zodat ook deze stukken vertrouwelijk behoren te blijven.\n\n4.5.. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter overwogen dat, indien tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat nadere kennisneming van enige weggelakte passages en of de overige producties door Open Line toch nodig is, zal worden bezien of en in hoeverre dat – beperkt – kan worden toegestaan, bijvoorbeeld in die zin dat de advocaten van Open Line kennis nemen van de weggelakte dan wel anderszins geredigeerde stukken. Partijen hebben zich akkoord verklaard met deze gang van zaken. Tijdens de mondelinge behandeling is dat verder niet nodig gebleken.\n\nInhoudelijk\n\nGrossmann-verweer\n\n4.6.. Het meest verstrekkende verweer van de Gemeente – evenals van Open Line – is dat CGI haar recht heeft verloren c.q. verwerkt om zich alsnog op vermeende onregelmatigheden in de aanbestedingsprocedure te beroepen. Daartoe hebben de Gemeente en Open Line verwezen naar de inmiddels uitgebreide jurisprudentie in het spoor van het arrest Grossmann.4.7.. In algemene zin overweegt de voorzieningenrechter omtrent de beweerdelijke gebrekkigheid van de door Gemeente verstrekte informatie het volgende. De aanbestedende dienst dient zich in te spannen om aanbestedingsdocumenten duidelijk, precies en ondubbelzinnig te doen zijn, opdat enerzijds de inschrijvers de draagwijdte kunnen begrijpen en gelijk interpreteren, anderzijds de dienst in staat is de offertes naar behoren te beoordelen; een en ander is verwoord in het Succhi di Frutta-arrest. Uit het Grossmann-arrest en de mede daarop gebaseerde jurisprudentie volgt evenwel dat in het belang van een snelle en effectieve aanbestedingsprocedure, van een meedingende onderneming een pro-actieve houding mag worden verwacht: als deze inschrijver onduidelijkheden of onvolkomenheden in de aanbestedingsstukken signaleert in een stadium waarin deze nog ongedaan kunnen worden gemaakt, dient hij daarin in dat stadium tegen op te komen. Van een inschrijver mag worden verwacht dat hij bezwaar maakt tegen de procedure of de daarin te hanteren gunningscriteria op een moment dat deze zo nodig nog kunnen worden gecorrigeerd met zo gering mogelijke consequenties voor het verloop van de aanbestedingsprocedure.Met dit een en ander staan aanbestedende dienst en mededingende onderneming in een zodanige relatie met elkaar dat zij beide, in het eigen belang en dat van de ander, voortdurend gespitst moeten zijn op het zo mogelijk verhelpen van onvolkomenheden. De potentiële inschrijver kan niet volstaan met een verwijzing naar de verantwoordelijkheid van de dienst voor goede informatievoorziening; bij die inschrijver berust – uiteraard – niet de verantwoordelijkheid om de aanbestedingsdocumenten op te stellen, maar wel degelijk de mede-verantwoordelijkheid om deze voldoende duidelijk, precies en ondubbelzinnig te doen zijn, op straffe van het later niet meer ontvangen worden in klachten die voortvloeien uit eigen onwetendheid.4.8.. Weliswaar zijn in diverse vragenrondes – die hebben geleid tot de Nota’s van Inlichtingen 1 tot en met 4 – vragen gesteld aan de Gemeente omtrent het Prijzenblad, de gehanteerde definities van de verschillende typen wijzigingen, Governance en overige gebleken onduidelijkheden, doch waar voor CGI zich kennelijk – gelet ook op de in het onderhavige kort geding aan de orde gestelde punten – nog steeds onduidelijkheden voordeden, ondanks de door de Gemeente gegeven antwoorden, had het op de weg van CGI gelegen in een eerder stadium, te weten vóór de inschrijving, nadere actie te ondernemen. CGI heeft echter na de Nota’s van Inlichtingen en vóór de inschrijving geen aanvullende vragen gesteld, geen nadere bezwaren aangevoerd en geen kort geding aanhangig gemaakt. CGI heeft gesteld dat zij de kwestie heeft aangeroerd (‘We moeten dit goed afstemmen’) tijdens de onderhandelingen met de Gemeente. Maar hierin is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen klacht te lezen. Evenmin is gesteld of gebleken dat CGI haar inschrijving onder protest en\u002Fof voorbehoud heeft gedaan.\n\n4.9.. \n\nOnder deze omstandigheden heeft CGI naar het oordeel van de voorzieningenrechter haar recht verwerkt om over de door haar aangevoerde punten ná inschrijving alsnog te klagen.\n\nVermeende gebreken\n\n4.10.. Ten aanzien van de Grossmann-doctrine heeft CGI aangevoerd dat in de onderhavige aanbestedingsprocedure sprake is van fundamentele gebreken en dat de Gemeente zich daarom daarop niet kan beroepen.\n\n4.11.. In de jurisprudentie daaromtrent, waarnaar CGI ook heeft verwezen, is overwogen dat bij een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure een beroep op de Grossmann-doctrine en rechtsverwerking niet kan worden gehonoreerd. De redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de aanbestedende dienst en de inschrijver op grond van artikel 6:2 BW beheerst, brengt mee dat bij een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsstukken en in de beoordelingssystematiek, zoals hier aan de orde, de aanbestedende dienst zich er niet tegen kan verzetten dat een inschrijver dit gebrek in de procedure voor de rechter aan de orde stelt, ook al heeft deze vóór de inschrijving daarover geen bezwaren geuit. Bij een fundamenteel gebrek mag de aanbestedende dienst er niet op vertrouwen dat de inschrijver door na te laten vóór inschrijving actie te ondernemen, dit aspect niet meer aan de rechter ter beoordeling kan voorleggen.\n\n4.12.. \n\nVan een fundamenteel gebrek als hiervoor bedoeld is in het onderhavig geval naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter geen sprake.\n\nTer zake overweegt de voorzieningenrechter het volgende.\n\n4.13.. De voorzieningenrechter stelt bij deze beoordeling de ratio van elke aanbestedingsprocedure voorop. Die ratio is dat ondernemers met gelijke kansen in kunnen schrijven op overheidsopdrachten, opdat in vrije concurrentie een optimale prijs-kwaliteitverhouding voor de overheid tot stand komt. Alle vragen die rijzen dienen in het licht van deze ratio te worden beantwoord.\n\n4.13.1.. Het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan de procedure deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van hun voorstel en de beoordeling door de aanbestedende dienst dezelfde kansen krijgen. Het hiermee samenhangende transparantiebeginsel strekt ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbesteder wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten voor de inschrijvers op ondubbelzinnige wijze worden geformuleerd, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Een en ander brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaats heeft.4.14.. Een ander uitgangspunt is dat aanbesteders bij hantering van het gunningscriterium de economisch meest gunstige aanbiedingeen ruime beoordelingsmarge hebben bij de vergelijking van ingediende offertes, mits deze beoordeling is gebaseerd op objectieve en transparante criteria, die expliciet en uitputtend in de aankondiging of het bestek dienen te worden vermeld.4.15.. \n\nTerzake van de door CGI gestelde gebreken in de gevolgde procedure heeft zij onder meer het volgende aangevoerd.\n\ni) Gebrek aan gelijke behandeling en transparantie doordat de inschrijvers hun inschrijvingen niet baseren op dezelfde informatie en uitgangspunten voor wat betreft Standaardwijzigingen en Niet-Standaardwijzigingen.\n\nii) Gebrek aan gelijke behandeling en transparantie doordat niet is vast te stellen of en hoe de inschrijvers de kosten voor Governance hebben verwerkt in de componenten in het prijzenblad, doordat niet is te controleren of de inschrijvingen voldoen aan de eisen die de Gemeente heeft gesteld aan Governance en doordat niet is te controleren of de inschrijvers de Governance realistisch hebben ingeschat.\n\niii) Gebrek aan zorgvuldigheid doordat de beoordeling van de inschrijving van CGI zo onzorgvuldig is verlopen dat herstel via herbeoordeling niet aan de orde is.\n\nTer zake bezwaar i)\n\n4.16.. De in casu opgestelde en in geding zijnde gunningsleidraad en de daarbij behorende bijlages zijn door de Gemeente in het kader van de aanbestedingsprocedure opgesteld. De uitleg daarvan betreft derhalve in beginsel de uitleg van een eenzijdige rechtshandeling (en de daaraan te ontlenen verwachtingen) en ziet derhalve niet op de uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen. Over het algemeen zullen bij de uitleg van een dergelijke, door één partij opgestelde, tekst de bewoordingen daarvan zwaar wegen, nu er doorgaans geen bijkomende omstandigheden zijn die een van de bewoordingen afwijkende uitleg zullen (kunnen) rechtvaardigen. Dergelijke omstandigheden kunnen immers niet voortvloeien uit een aan de betreffende rechtshandeling voorafgaand onderhandelingsproces (en de daaraan - over en weer - te ontlenen verwachtingen en bedoelingen). Bovendien gaat het hier om een geschrift waarin een regeling is vastgelegd die naar haar aard is bestemd (ook) de rechtspositie te beïnvloeden van derden, die de bedoeling van de opsteller uit dat geschrift niet kunnen kennen en die geen invloed op de inhoud of de formulering daarvan hebben gehad, zodat ook daarom een uitleg naar objectieve maatstaven van de bewoordingen van de aanbestedingsdocumenten het meest voor de hand zal liggen.4.17.. In de kern komt de klacht van CGI erop neer dat in de aanbestedingsdocumenten de definities voor ‘standaardwijzigingen’ en ‘niet-standaard wijzigingen’ in bijlage B en het prijzenblad niet duidelijk zijn. Het onderscheid tussen beide is relevant, want de inschrijver moet de kosten van de standaardwijziging verwerken in de geoffreerde prijzen en tarieven in het prijzenblad. Volgens CGI is de demarcatie tussen deze begrippen onduidelijk.\n\n4.18.. Met de stelling dat sprake is van een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure in die zin dat onduidelijkheid bestaat over de definitie en begrippen ten aanzien van de verschillende typen wijzigingen\u002Fchanges miskent CGI naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat in de NvI’s 3 en 4 door de Gemeente nieuwe, verduidelijkende definities\u002Fbegrippen zijn gebruikt. De Gemeente heeft een Nederlandstalig (standaardwijziging en niet-standaardwijziging) en een Engelstalig begrippenpaar (Standard change en non-standard change) ingevoerd. Na vraag 391 (3e NvI) heeft de Gemeente de definities in het prijzenblad en bijlage B juist op elkaar afgestemd. Uit het prijzenblad en bijlage B blijkt dat een ‘standard change’ betrekking heeft op wijzigingen die doorgevoerd (moeten) worden om de dienstverlening aan het Programma van Eisen te blijven voldoen. Als er al onduidelijkheden bestonden, waardoor verwarring zou kunnen ontstaan over de door de Gemeente gebruikte definities als zojuist bedoeld, zijn deze onduidelijkheden weggenomen in de NvI’s 3 en 4. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat door de Gemeente later aangebrachte verduidelijkingen iedere behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver de juiste draagwijdte van die definities heeft kunnen begrijpen en op dezelfde manier interpreteren en voor iedere inschrijver was op dit punt geheel duidelijk waaraan de inschrijving moest voldoen.4.19.. In dit opzicht kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet worden gesproken van een zodanig gebrek dat (enige van) de beginselen van het aanbestedingsrecht zijn geschonden, laat staan een fundamenteel gebrek.\n\nTer zake bezwaar ii)\n\n4.20.. \n\nOver het vermeende fundamentele gebrek vanwege de omgang met “Governance” overweegt de voorzieningenrechter dat geen rechtsregel bestaat die de Gemeente ertoe verplicht om tijdens een aanbestedingsprocedure een controle uit te voeren op iedere\n\nwillekeurige uitvoeringseis van de Opdracht. Evenmin is er een rechtsplicht om te controleren of alle inschrijvers daadwerkelijk alle kosten voor de uitvoering van de Opdracht juist en realistisch in hun prijsaanbieding hebben verdisconteerd. De Gemeente als aanbestedende dienst mag erop vertrouwen dat inschrijvers datgene nakomen waaraan zij zich door inschrijving hebben gecommitteerd: een uitvoering van Governance conform het PvE (in het bijzonder Eis SM-20) en Bijlage Q. CGI heeft nog aangedragen dat zij tijdens de onderhandelingen de Gemeente heeft verzocht de prijssystematiek aan te passen. De voorzieningenrechter is met de Gemeente echter van oordeel dat de Gemeente vrij is om zelf te bepalen hoe zij haar systematiek wenst in te richten.\n\nDe stelling van CGI dat de Gemeente het Prijzenblad zo had moeten inrichten dat de Gemeente in staat zou zijn geweest om op het punt van “Governance” te controleren of\n\ninschrijvers alle daaraan verbonden kosten volledig en realistisch in hun prijsaanbieding\n\nhebben verdisconteerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook onjuist.\n\n4.21.. Ook in dit opzicht kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet worden gesproken van een zodanig gebrek dat (enige van) de beginselen van het aanbestedingsrecht zijn geschonden, laat staan een fundamenteel gebrek.\n\nTer zake bezwaar iii)\n\n4.22.. Omtrent de op dit punt door CGI aangevoerde beoordelingsgebreken overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De gemeente heeft alle door CGI aangevoerde beoordelingsgebreken gemotiveerd betwist. Verder heeft de Gemeente ook gesteld dat CGI ook na de door haar gevorderde herbeoordeling het verschil van 105,5 punt in geen geval zou kunnen overbruggen met de maximale 95 punten die ze zou kunnen behalen in het geval dat ze op ieder van 6 planonderdelen (waarop haar 11 klachtonderdelen zien) het maximale cijfer ‘10’ zou scoren, in plaats van het behaalde cijfer.\n\n4.23.. \n\nDe voorzieningenrechter stelt het volgende bij de beoordeling voorop. Slechts indien zodanige procedurele of inhoudelijke tekortkomingen aan de beoordeling kleven dat de beoordelingscommissie in redelijkheid die beoordeling niet heeft kunnen geven, kan plaats zijn voor ingrijpen door de rechter. Het is in de rechtspraak ook aanvaard dat het puntenverschil overbrugbaar moet zijn, om een voldoende processueel belang bij herbeoordeling te hebben. CGI heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het zo juist bedoelde verschil zou kunnen overbruggen indien een herbeoordeling plaatsvindt. CGI heeft in dit verband immers niet meer aangedragen dan een suggestie tijdens het pleidooi, dat gelet op de vermeende beoordelingsgebreken in de inschrijving van CGI, aangenomen moet worden dat de inschrijvingen van de overige inschrijvers ook onzorgvuldig beoordeeld zijn door de gemeente. Zij meent dat om deze reden alle inschrijvingen opnieuw beoordeeld zouden moeten worden.\n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat daarmee onvoldoende aanleiding is om tot herbeoordeling van alle inschrijvingen over te gaan. De voorzieningenrechter komt daarom tot het voorlopig oordeel dat de inschrijving van Open Line op de juiste wijze is beoordeeld en dat herbeoordeling van de inschrijving van CGI niet tot een andere uitkomst kan leiden.\n\nGelet daarop heeft CGI geen rechtens te respecteren belang bij de het door CGI opgeworpen bezwaar daaromtrent en bij de door haar gevorderde herbeoordeling.\n\n4.24.. \n\nNaar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorshands niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan aannemelijk is geworden dat de gemeente in strijd heeft gehandeld met enige beginselen van aanbestedingsrecht.\n\nEr bestaat dan ook geen grondslag voor toewijzing van de gevraagde voorzieningen.\n\n4.25.. \n\nDe slotsom is dat de vorderingen van CGI worden afgewezen.\n\nCGI is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\nDe proceskosten van Open Line worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n4.26.. De door Open Line gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van CGI af;\n\n5.2.. veroordeelt CGI in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als CGI niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n5.3.. veroordeelt CGI in de proceskosten, aan de zijde van Open Line tot op heden begroot op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als CGI niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n5.4.. veroordeelt CGI tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van Open Line als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.5.. verklaart dit vonnis wat betreft alle kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken door mr. C.S. Huizinga op 8 mei 2026.\n\njs (319)\n\n Hof van Justitie EU van 14 februari 2008, ECLI:EU:C:2008:91\n\nHof van Justitie EU 12 februari 2004, ECLI:EU:C:2004:93\n\n Hof van Justitie EU 29 april 2004, ECLI:EU:C:2004:236\n\n o.m. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1150 en rechtbank Noord-Holland 5 juli 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:6266\n\nvgl. (HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1059; zie ook ECLI:NL:PHR:2016:368\n\nvgl. Gerechtshof Den Haag 21 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:823, r.o. 2.4; Rechtbank Overijssel 4 december 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:4542, r.o. 2.42;\n\nRechtbank Limburg 12 juni 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:4220, r.o. 4.3\n\nvgl. rechtbank Den Haag 15 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3915; rechtbank Den Haag 12 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:11408","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1749","2026-05-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:30.783Z",{"id":146,"ecli":147,"slug":148,"caseNumber":43,"courtId":149,"decisionDate":150,"fullText":151,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":152,"sourceTimestamp":153,"parsedAt":51,"updatedAt":154},"440","ECLI:NL:RBROT:2026:5718","ecli-nl-rbrot-2026-5718",61,"2026-04-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F713938 \u002F KG ZA 26-85\n\nVonnis in kort geding van 28 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. SOSYTRAINING B.V.,\n\ngevestigd in Zeist,\n\n2. [eiseres 2] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\neiseressen,\n\nadvocaten: mrs. J.W.A. Meesters en M. van ‘t Hof,\n\ntegen\n\n1. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL,\n\nzetelend in Dordrecht,\n\n2. GEMEENTE ALBLASSERDAM,\n\nzetelend in Alblasserdam,\n\n3. GEMEENTE DORDRECHT,\n\nzetelend in Dordrecht,\n\n4. GEMEENTE HARDINXVELD-GIESSENDAM,\n\nzetelend in Hardinxveld-Giessendam,\n\n5. GEMEENTE HENDRIK-IDO-AMBACHT,\n\nzetelend in Hendrik-Ido-Ambacht,\n\n6. GEMEENTE PAPENDRECHT,\n\nzetelend in Papendrecht,\n\n7. GEMEENTE SLIEDRECHT,\n\nzetelend in Sliedrecht,\n\n8. GEMEENTE ZWIJNDRECHT,\n\nzetelend in Zwijndrecht,\n\ngedaagden,\n\nadvocaat: mr. D. van Leersum,\n\nmet als tussenkomende partij\n\nNEWBEES INCLUSION SOLUTIONS B.V.,\n\ngevestigd in Amsterdam,\n\nadvocaten: mrs. D.E. van Oeveren en P.W. Juttmann.\n\nPartijen worden hierna Sosytraining, [eiseres 2] , Drechtsteden (gedaagden gezamenlijk) en NewBees genoemd. Eiseressen worden gezamenlijk aangeduid als de combinatie.\n\nDe zaak in het kort\n\nDrechtsteden heeft een aanbestedingsprocedure uitgeschreven voor de inkoop van het participatieonderdeel van de zelfredzaamheidsroute voor inburgeringsplichtigen binnen haar gemeenten. Sosytraining en [eiseres 2] hebben als Combinatie een inschrijving ingediend. Ook NewBees heeft op de opdracht ingeschreven. Drechtsteden heeft de opdracht in eerste instantie voorlopig aan de combinatie gegund. Vervolgens heeft zij geconstateerd dat de Aanbestedingsleidraad in geval van Combinatievorming van elke combinant een referentie vereist. Zij heeft de inschrijving van de combinatie daarop ongeldig verklaard, omdat bij de inschrijving van de Combinatie maar één referentie (van Sosytraining) was gevoegd, en de opdracht voorlopig aan NewBees gegund. In dit kort geding vordert de combinatie dat de opdracht alsnog aan haar gegund wordt. De voorzieningenrechter wijst de vordering af.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende stukken:\n\nde dagvaardingen van 28 januari 2026, met producties 1 tot en met 12,\n\nde aanvullende productie 13 van de combinatie,\n\nde conclusie van antwoord van Drechtsteden, met producties 1 tot en met 17,\n\nde incidentele conclusie tot tussenkomst tevens bevattende verzoek tot verstrekken afschrift ex artikel 195(a) Rv van NewBees, met producties 1 tot en met 5,\n\nde reactie van Drechtsteden op het verzoek ex artikel 195(a) Rv,\n\nde reactie van de combinatie op het verzoek ex artikel 195(a) Rv,\n\nde spreekaantekeningen van mr. Meesters,\n\nde pleitnota van mr. Van Oeveren.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 april 2026.\n\n1.3.. NewBees heeft gevorderd om te mogen tussenkomen in het geding. De vordering is aan het begin van de mondelinge behandeling besproken. De combinatie en Drechtsteden hebben ter zitting verklaard daartegen geen bezwaar te hebben. NewBees is vervolgens toegelaten als tussenkomende partijen, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft en niet is gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat.\n\n1.4.. NewBees heeft op grond van artikel 195(a) Rv gevorderd om de combinatie en\u002Fof Drechtsteden te veroordelen om uiterlijk bij aanvang van de mondelinge behandeling afschrift van of inzage in de referentie van Sosytraining aan NewBees te verstrekken. Ook deze vordering is aan het begin van de mondelinge behandeling besproken. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. Daartoe was redengevend dat de beoordeling van een inschrijving is voorbehouden aan de aanbestedende dienst en in beginsel van de juistheid van die beoordeling moet worden uitgegaan. Dit kan slechts anders zijn als op grond van concrete feiten gerede twijfel over de juistheid van de beoordeling bestaat. NewBees vermoedt op basis van haar kennis van de markt, onderzoek op TenderNed en door Drechtsteden verstrekte, beperkte, informatie dat Sosytraining niet aan de gestelde referentie-eis voldoet. In feite komt het standpunt van NewBees erop neer dat zij geen door Sosytraining uitgevoerde opdracht kan bedenken die aan de eisen voldoet. Dit zijn echter geen concrete feiten op grond waarvan gerede twijfel over de juistheid van de beoordeling van Drechtsteden gerechtvaardigd is. Voorts is meegewogen dat Drechtsteden ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat zij de referentie nogmaals heeft bekeken en heeft vastgesteld dat deze aan de in de aanbestedingsstukken gestelde eisen voldoet.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 15 juni 2025 hebben de Sociale Dienst Drechtsteden (SDD), onderdeel van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal (gedaagde sub 1), en de deelnemers aan die regeling, te weten de gemeenten Alblasserdam, Dordrecht, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht (gedaagden sub 2 tot en met 8), op TenderNed de Europese aanbestedingsprocedure ‘Inburgering Participatie Z-route’ aangekondigd. Het doel van de procedure is om met één partij een raamovereenkomst te sluiten voor de inkoop van het participatieonderdeel van de zelfredzaamheidsroute (Z-route) voor inburgeringsplichtigen in Drechtsteden (de opdracht). De Z-route is één van de drie in de Wet Inburgering 2021 voorgeschreven leerroutes waarmee een inburgeraar kan voldoen aan zijn inburgeringsplicht. Het is een intensief traject dat aansluit bij de persoonlijke capaciteiten van de inburgeringsplichtige, gericht op het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, zelfredzaamheid, activering en participatie in de Nederlandse maatschappij.\n\n2.2.. Hoofdstuk 2 van de Aanbestedingsleidraad bepaalt dat binnen de scope van de opdracht de volgende (hoofd)activiteiten vallen:\n\nhet uitvoeren van een intake en het opstellen van een leerplan voor de inburgeringsplichtige,\n\nhet verzorgen van het participatieaanbod in het leerplan,\n\nhet verzorgen van minimaal 40 praktijkuren voor de module arbeidsmarkt en participatie (MAP),\n\nhet afstemmen met de consulent inburgering van SDD van de voortgang van de participatie-uren,\n\nhet samenwerken met (lokale) maatschappelijke partners om benodigde integraliteit en samenhang van de inburgering te waarborgen.\n\nBinnen de Z-route volgen inburgeringsplichtigen minimaal 800 participatie-uren binnen 2,5 jaar en stijgt 80% minimaal twee treden op de participatieladder.\n\n2.3.. In hoofdstuk 4 van de Aanbestedingsleidraad staat hoe kan worden ingeschreven en zijn de selectie-eisen (uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen) genoemd. Paragraaf 4.2 bepaalt dat een inschrijver alleen, in Combinatie met een andere partij of als hoofdaannemer met onderaannemers kan inschrijven. Daarbij staat vermeld:\n\n“Schrijft u in als Combinatie? Dan zijn de uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen van toepassing op elke deelnemer aan de Combinatie. Elke deelnemer moet een UEA [vzr: Uniform Europees Aanbestedingsdocument] indienen bij de inschrijving. In hoofdstuk IIA, onder 'wijze van deelnemen' vult iedereen zijn rol in en de andere deelnemers aan de Combinatie.\n\n(…)\n\nHet kan voorkomen dat u niet zelfstandig voldoet aan de gevraagde geschiktheidseisen. Of u nu alleen, of als Combinatie of hoofdaannemer met onderaannemers inschrijft: u kunt altijd een beroep doen op draagkracht van derden om aan de geschiktheidseisen te voldoen. In dat geval vult u ook Deel IIC in van het UEA. Van elke partij op wie u een beroep doet moet een UEA worden ingediend.”\n\n2.4.. De geschiktheidseisen zijn opgenomen in de paragrafen 4.4 tot en met 4.6 van de Aanbestedingsleidraad. Paragraaf 4.5 ziet op de eisen betreffende de technische en beroepsbekwaamheid en vermeldt het volgende:\n\n“4.5.1 Referenties\n\nToelichting:\n\nU beschikt op de uiterste datum voor het indienen van de Inschrijving over de hieronder beschreven kerncompetentie. U toont aan dat u over deze kerncompetentie beschikt door het overleggen van één referentie per kerncompetentie.\n\nDe volgende kerncompetenties zijn van toepassing:\n\n1. Participatieaanbod Z-route: in staat tot het uitvoeren van de participatiecomponent aangaande de zelfredzaamheid, voor inburgeraars met een lage leerbaarheid die moeite hebben met het leren van een nieuwe taal en in beperkte mate zelfredzaam zijn.\n\nDe referentie dient minimaal aan de hieronder gegeven beschrijving van een referentieproject te voldoen en dient door de onderneming binnen de drie voorgaande jaren (gerekend vanaf het moment voor het uiterlijk indienen van het verzoek tot deelneming van deze aanbesteding) te zijn uitgevoerd.\n\nVerder dienen alle referenties aan de volgende eisen te voldoen:\n\nDe referentie betreft groepsgewijze dienstverlening op gebied van participatie aan inburgeraars. De afspraken\u002Fovereenkomsten met de meerdere, individuele inburgeraars kunnen dus als geheel als referentie opgevoerd worden.\n\nDe referentie is wat betreft inhoud passend voor en vergelijkbaar met de gestelde kerncompetenties en betreft groepsgewijze dienstverlening op gebied van participatie aan inburgeraars.\n\nDe referentie heeft betrekking op minimaal 15 inburgeraars, die het gehele inburgeringstraject zijn begeleid.\n\nHet referentieproject heeft betrekking op een opdracht, waarvan tenminste 12 maanden vallen in een periode van 3 jaar voorafgaand aan de datum van Aanbesteding.\n\nBewijsmiddel:\n\nVoor de opgave van uw referentie maakt U gebruik van het modelblad 'opgave referentieprojecten', dat toegevoegd is als Bijlage F – Verklaring Referenties. De omschrijving van uw referentie omvat maximaal 1 pagina A4.\n\nPer ingediende referentie een tevredenheidsverklaring, ondertekend door referent, waaruit blijkt dat de referentie tijdig, correct en naar tevredenheid van referent is uitgevoerd.\n\n4.5.2. Kwaliteitsmanagementsysteem\n\nToelichting:\n\nInschrijver dient voor het inschrijven in het bezit zijn van een op het moment van Inschrijving geldig Keurmerk Blik op Werk \"Arbeid\" en dit keurmerk te behouden gedurende de gehele contractperiode. (…)\n\nIn geval van inschrijving in Combinatie dienen alle combinanten in bezit te zijn van het hiervoor bedoelde kwaliteitssysteemcertificaat.\n\n(…)”\n\n2.5.. In hoofdstuk 5 van de Aanbestedingsleidraad zijn de gunningscriteria opgenomen. Paragraaf 5.3 bepaalt dat de opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding.\n\n2.6.. Op 17 september 2025 dienen Sosytraining en [eiseres 2] als Combinatie een inschrijving in. Daarbij voegen zij een modelblad 'opgave referentieprojecten' (bijlage F bij de Aanbestedingsleidraad) en een tevredenheidsverklaring, die betrekking hebben op een opdracht van Sosytraining. In het modelblad, dat op 13 september 2025 door [functionaris] van Sosytraining, [functionaris Sosytraining] , is ondertekend, staat het volgende:\n\n4\n\nBeknopte omschrijving aard van de opdracht en type overeenkomst\n\nWe hebben een 4-jarige overeenkomst met de gemeente waarbij we verantwoordelijk zijn voor de participatie Z-route (800 uur), PVT [vzr: participatieverklaringtraject] en MAP in 1 perceel.\n\nStartdatum en einddatum van opdracht\n\nStartdatum: 01-01-2024 Einddatum: 31-12-2027\n\n5\n\nOmvang van de opdracht (in aantallen deelnemers per contractjaar\n\nAantal deelnemers per 30\n\n6\n\nNadere toelichting inhoud van opdracht\n\n------------------------------------------------------------------------------- We zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de volledige 800 uur in de Z-route, inclusief de uitvoering van de PVT en MAP. We begeleiden 30 deelnemers per jaar. 90% van de deelnemers lopen op schema. ------------------------------------------------- -----------------------------------------------------------------------Al onze participatieactiviteiten zijn in een taalrijke omgeving .------------------------------------------------------\n\n2.7.. NewBees heeft eveneens een inschrijving ingediend. Zij is (als onderaannemer van NLTraining) de zittende partij voor de uitvoering van de Z-route in Drechtsteden.\n\n2.8.. Bij brief van 24 november 2025 (hierna: Gunningsbeslissing I) schrijft Drechtsteden aan de combinatie dat de combinatie de economisch meest voordelige inschrijving heeft ingediend en dat Drechtsteden daarom voornemens is om de opdracht aan de combinatie te gunnen. Drechtsteden verzoekt de combinatie in dit verband om bewijsstukken toe te zenden, te weten een uittreksel uit het handelsregister, een gedragsverklaring aanbesteden, een verklaring van de belastingdienst, kopieën van verzekeringspolissen en kopieën van het keurmerk Blik op Werk. Op 26 november 2025 verstrekt de combinatie de stukken.\n\n2.9.. Op 1 december 2025 vindt een gesprek plaats tussen Drechtsteden en NewBees. Daarin geeft Drechtsteden een toelichting op Gunningsbeslissing I.\n\n2.10.. Bij e-mail van 2 december 2025 schrijft [inkoopadviseur] , inkoopadviseur, namens Drechtsteden aan [functionaris Sosytraining] als penvoerder van de Combinatie dat bij controle van de bewijsstukken is gebleken dat een referentie van [eiseres 2] ontbreekt. Daarbij wijst [inkoopadviseur] op paragraaf 4.2 van de Aanbestedingsleidraad (zie ook 2.3. hiervoor) en vraagt hij [functionaris Sosytraining] om een verduidelijking. [functionaris Sosytraining] neemt hierover nog dezelfde dag telefonisch contact op met [inkoopadviseur] en zendt later die dag een modelblad 'opgave referentieprojecten' en een tevredenheidsverklaring toe. Het modelblad, dat op 9 september 2025 door [functionaris] van [eiseres 2] , [functionaris eiseres 2] , is ondertekend, en de tevredenheidsverklaring van 12 september 2025, zien op een opdracht van [eiseres 2] . In het modelblad staat:\n\n4\n\nBeknopte omschrijving aard van de opdracht en type overeenkomst\n\nOpdracht: Kortst mogelijke route invulling participatie uren.\n\nStartdatum en einddatum van opdracht\n\nStartdatum: 01-07-2024 Einddatum: 01-03-2025\n\n5\n\nOmvang van de opdracht (in aantallen deelnemers per contractjaar\n\nAantal deelnemers 34\n\n6\n\nNadere toelichting inhoud van opdracht\n\nOnze uitvoering en actieve begeleiding.\n\nWij hebben vanuit [eiseres 2] het gehele traject actief vormgegeven en begeleid. We hebben deelnemers stap voor stap ondersteund in het vergroten van hun zelfredzaamheid, kennis en netwerk--------------------------------------------------------------------------------------------------- We hebben gezorgd voor een passende en haalbare invulling van de 800 participatie-uren die binnen het traject konden worden behaald.----------------\n\n2.11.. Bij brief van 3 december 2025 schrijft [functionaris NewBees] , [functionaris] van NewBees, aan [inkoopadviseur] dat NewBees zich afvraagt of de combinatie wel voldoet aan de referentie-eis als bedoeld in paragraaf 4.5.1 van de Aanbestedingsleidraad, meer in het bijzonder of de referentie betrekking heeft op minimaal 15 inburgeraars die het gehele inburgeringstraject zijn begeleid. [inkoopadviseur] antwoordt bij brief van 5 december 2025 dat de combinatie voldoet aan de gestelde eisen. Bij brief van 9 december 2025 vraagt [functionaris NewBees] aan [inkoopadviseur] om aan NewBees te laten weten welke referent door de Combinatie is aangedragen en op welke opdracht en periode de referentie betrekking heeft. [inkoopadviseur] laat bij brief van 10 december 2025 aan [functionaris NewBees] weten dat vanwege de vertrouwelijkheid de referentie niet met NewBees wordt gedeeld en bevestigt nogmaals dat de combinatie aan de gestelde eisen voldoet.\n\n2.12.. Bij brief van 11 december 2025 stelt mr. Juttmann namens NewBees vier vragen aan Drechtsteden over de door de combinatie ingediende referentie(s).\n\n2.13.. Bij brief van 16 december 2025 (hierna: Gunningsbeslissing II) laat Drechtsteden aan de combinatie weten dat uit nadere controle is gebleken dat de inschrijving van de combinatie niet voldoet aan de eisen betreffende technische en beroepsbekwaamheid. Volgens Drechtsteden geldt in geval van inschrijving door een Combinatie op grond van paragraaf 4.2 van de Aanbestedingsleidraad de referentie-eis voor elk van beide combinanten. Drechtsteden schrijft dat de combinatie bij haar inschrijving maar één referentie heeft ingediend en dat zij geen beroep heeft gedaan op de draagkracht van een derde. Verder laat zij weten dat de later ingediende referentie niet aan paragraaf 4.5.1 van de Aanbestedingsleidraad voldoet. Volgens Drechtsteden is de inschrijving van de combinatie daarmee ongeldig en moet de combinatie van verdere deelname worden uitgesloten. In de brief trekt Drechtsteden Gunningsbeslissing I in en neemt zij een nieuwe gunningsbeslissing, die inhoudt dat zij de opdracht voorlopig aan NewBees gunt.\n\n2.14.. Bij brief van 14 januari 2026 heeftt mr. Meesters namens de combinatie bezwaar gemaakt tegen de ongeldigverklaring van de inschrijving. Daarbij verzoekt zij Drechtsteden om de beslissing terug te draaien en een nadere toelichting te geven.\n\n2.15.. Bij brief van 23 januari 2026 wijst Drechtsteden het bezwaar van de combinatie van de hand en handhaaft zij Gunningsbeslissing II.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nDe combinatie vordert, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nprimair:\n\nDrechtsteden verbiedt om de opdracht aan NewBees te gunnen en haar gebiedt Gunningsbeslissing II in te trekken,\n\nDrechtsteden gebiedt om de inschrijving van de combinatie alsnog als geldig aan te merken en de opdracht aan de combinatie te gunnen,\n\nsubsidiair:\n\nDrechtsteden veroordeelt tot heraanbesteding van de opdracht,\n\nprimair en subsidiair:\n\nDrechtsteden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.2.. Drechtsteden voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de combinatie in de proceskosten.\n\n3.3.. NewBees concludeert ook tot afwijzing van de vorderingen van de combinatie. Daarnaast vordert zij dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Drechtsteden gebiedt om uitvoering te geven aan Gunningsbeslissing II door de opdracht aan haar te gunnen, met veroordeling van de combinatie in de proceskosten. NewBees vordert voorwaardelijk, in geval van toewijzing van de primaire vordering, dat de combinatie en\u002Fof Drechtsteden worden veroordeeld om een afschrift van de referentieverklaring van SosyTraining aan NewBees te verstrekken.\n\n4. De beoordeling\n\nspoedeisend belang\n\n4.1.. \n\nDe combinatie heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen. Dat vloeit voort uit de aard ervan.\n\nDe zaak is tijdig aangebracht. Op grond van artikel 2.127 Aw neemt de aanbestedende dienst een opschortende termijn van twintig dagen in acht voordat hij de met de gunningsbeslissing beoogde overeenkomst sluit. In Gunningsbeslissing II staat dat Drechtsteden vanwege de feestdagen heeft besloten om die termijn vanaf 5 tot en met 26 januari 2026 te laten lopen. Bij brief van 23 januari 2026 heeft Drechtsteden de termijn met twee dagen verlengd tot en met 28 januari 2026. De Combinatie heeft dit kort geding voor het verstrijken van de termijn aanhangig gemaakt om te voorkomen dat Drechtsteden de opdracht definitief aan NewBees gunt.\n\nvoorwaarde in paragraaf 4.2 is niet disproportioneel\n\n4.2.. De kernvraag die partijen verdeeld houdt is of in geval van inschrijving door een combinatie de combinanten elk afzonderlijk aan de referentie-eis voor de uitgevraagde kerncompetentie moeten voldoen. Drechtsteden beantwoordt die vraag inmiddels bevestigend en beroept zich daarbij op paragraaf 4.2 van de Aanbestedingsleidraad. NewBees onderschrijft het standpunt van Drechtsteden. De combinatie stelt dat de voorwaarde dat beide combinanten aan de referentie-eis moeten voldoen haaks staat op het principe van combinatievorming en getuigt van een onjuiste toepassing van het aanbestedingsrecht. Daarnaast was ook Drechtsteden aanvankelijk van mening dat het voldoende was als één van de combinanten aan de referentie-eis voldeed.\n\n4.3.. Vooropgesteld wordt dat bij combinatievorming twee of meer partijen gezamenlijk inschrijven op een opdracht. Het idee daarachter is dat ondernemingen die niet in staat zijn om een opdracht alleen uit te voeren, bijvoorbeeld omdat zij niet over de vereiste bekwaamheden beschikken, de krachten bundelen. Op die manier kunnen zij toch deelnemen aan een aanbestedingsprocedure en wordt de mededinging bevorderd. Voorschrift 3.5 H van de Gids Proportionaliteit, waarnaar de combinatie verwijst, schrijft voor dat de aanbestedende dienst geen hogere eisen stelt aan combinaties dan aan enkelvoudige inschrijvers. Daarbij is de volgende toelichting gegeven:\n\n“(…) Combinatievorming vindt in de praktijk slechts plaats wanneer partijen duidelijke redenen hebben niet enkelvoudig maar gezamenlijk in te schrijven. Het gaat hierbij altijd om een noodzaak tot samenwerking, niet alleen vanwege noodzakelijke spreiding van risico’s en allocatie van middelen, maar ook om gezamenlijke competenties te bundelen en om restcapaciteit te benutten. Wanneer een onderneming zelfstandig in staat is op een opdracht in te schrijven, ligt Combinatievorming in de praktijk niet in de rede, omdat ondernemingen er over het algemeen liever geen andere onderneming (concurrent) bij willen halen als ze de opdracht zelf kunnen doen. Bovendien geldt dat slechts onder bepaalde omstandigheden samengewerkt mag worden. Dit vastgesteld hebbende, is er vervolgens geen enkele reden een dergelijke Combinatie bij toetsing aan de eisen op een andere wijze te behandelen dan een zelfstandig inschrijver. Het stellen van verhoogde eisen aan Combinaties kan dan ook snel als disproportioneel worden aangemerkt.. (…)”\n\n4.4.1.. \n\nHoewel het uitgangspunt dus is dat een combinatie als één inschrijver wordt behandeld, volgt daaruit niet dat nooit eisen aan elk van de combinanten afzonderlijk gesteld kunnen worden. De Drechtsteden hebben in dit geval in de aanbestedingsdocumenten bepaalde eisen aan elk van de combinanten gesteld. Paragraaf 4.2 van de Aanbestedingsleidraad vermeldt dat de uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen op elke deelnemer aan de Combinatie van toepassing zijn (zie ook 2.3. hiervoor). De geschiktheidseisen zijn in de paragrafen 4.4 tot en met 4.6 genoemd. Paragraaf 4.5 ziet op de eisen betreffende de technische en beroepsbekwaamheid en bepaalt dat als bewijs van bekwaamheid op het gebied van de in die paragraaf opgenomen kerncompetentie (het uitvoeren van de participatiecomponent aangaande de zelfredzaamheid) één referentie moet worden overgelegd (zie ook 2.4. hiervoor), die aan bepaalde eisen moet voldoen. Hierbij is niet vermeld of het om één referentie per combinant of voor de totale combinatie gaat. Wel volgt uit de woorden ‘per ingediende referentie’ dat er meer dan één referentie kan zijn.\n\nIn paragraaf 4.5.2 staat met zoveel woorden dat elk van de combinanten het daar bedoelde certificaat dient over te leggen.\n\n4.4.2.. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de tekst van 4.2 van de Aanbestedingsleidraad duidelijk en zal een normaal oplettende inschrijver uit de tekst en samenhang van paragraaf 4.2 en 4.5.1 begrijpen dat de Aanbestedingsleidraad als voorwaarde stelt dat in geval van inschrijving door een combinatie de combinanten elk afzonderlijk aan de referentie-eis voor de uitgevraagde kerncompetentie moeten voldoen. Dit betekent dat iedere deelnemer aan een combinatie een referentie (modelblad met tevredenheidsverklaring) moet indienen. Dat is niet in strijd met 4.5.2, want die paragraaf vergt evenzeer dat het certificaat door elk van de combinanten moet worden overgelegd. Dat dat in 4.5.1 niet staat rechtvaardigt geen uitleg a contrario, gelet op het algemene en overkoepelende 4.2. In dat verband is van belang dat de tekst van 4.5.1 geen enkel aanknopingspunt biedt voor de gedachte dat volstaan kon worden met een referentie voor één van de combinanten.\n\n4.4.3.. Naar voorlopig oordeel is voorwaarde 4.5.1,, net als 4.2 en 4.5.2, niet in strijd met het doel en de ratio van combinatievorming. Drechtsteden hadden de vrijheid om voor deze geschiktheidseisen af te wijken van het algemene uitgangspunt en van elk van de combinanten deze bewijsstukken te vragen. Bij 4.5.1 gaat het om een kerncompetentie, die van bijzonder belang is. Van een situatie waarin deze eis disproportioneel moet worden geacht is geen sprake. Weliswaar hebben Sosytraining en [eiseres 2] toegelicht dat zij elk een andere rol vervullen, maar zoals NewBees en Drechtsteden terecht hebben aangegeven is de precieze rolverdeling tussen de combinanten niet zo duidelijk dat de referentie-eis, die immers ziet op de ervaring met een andere, soortgelijke opdracht en in die zin algemeen van aard is, voor [eiseres 2] zonder belang is.\n\nberoep op rechtsverwerking\n\n4.5.1.. Gelet op het vorenstaande wordt aan het beroep op rechtsverwerking niet toegekomen. Nu de combinatie ervan uitging dat bij haar inschrijving maar één referentie hoefde te worden ingediend is dat te wijten aan onzorgvuldig lezen aan haar zijde.\n\n4.5.2.. Opmerking verdient wel het volgende. De combinatie noemt terecht dat Drechtsteden aanvankelijk ook meenden dat in geval van combinatievorming één referentie volstond. Pas na de brief van mr. Juttmann van 11 december 2025 (zie 2.12.) hebben Drechtsteden een ander standpunt ingenomen. Daargelaten of dit inzicht is ontstaan door eigen nadere recherche of door die brief, dit is een aspect dat Drechtsteden terecht zelf ook als ongelukkig erkennen. Zij hebben na die ontdekking echter terecht het gelijkheidsbeginsel, dat meebrengt dat zij zich hebben te houden aan de duidelijke tekst waarvan alle inschrijvers zijn uitgegaan, de doorslag laten geven en de inschrijvingen opnieuw bezien.\n\n4.6.. Omdat de Combinatie inmiddels wel een tweede referentie, die van [eiseres 2] , heeft ingediend dienden Drechtsteden nog wel te beoordelen of daarmee aan de Combinatie alsnog de opdracht gegund moest worden. Dat is niet zo. Die referentie voldoet niet omdat de periode van 1 juli 2024 tot 1 maart 2025 niet voldoet aan de eis dat van het referentieproject tenminste 12 maanden in de drie jaar voorafgaand aan de aanbesteding moet liggen. Dat betekent dat de overige geschilpunten die zien op de inhoud van de referenties belang missen en dus geen bespreking behoeven.\n\n4.7.. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vorderingen worden afgewezen.\n\nNewBees krijgt geen inzage in referentieverklaring Sosytraining\n\n4.8.1.. NewBees heeft de voorzieningenrechter erop gewezen dat in geval van toewijzing van de primaire vordering van de combinatie door Drechtsteden een nieuwe gunningsbeslissing dient te worden genomen, waartegen NewBees in rechte op kan komen. Om een nieuw kort geding te voorkomen, heeft NewBees de deugdelijkheid van de referentie van Sosytraining in dit kort geding ter beoordeling voorgelegd. Nu de vorderingen van de combinatie worden afgewezen komt de voorzieningenrechter hieraan niet toe, met de kanttekening dat voorshands het uitgangspunt dat NewBees in het andere geval opnieuw in rechte had kunnen opkomen bepaald niet vanzelf spreekt.\n\n4.8.2.. Nu het de ter zitting herhaalde bedoeling van Drechtsteden is om de opdracht aan haar te gunnen heeft NewBees geen belang bij toewijzing van haar vordering op dat punt, zodat deze wordt afgewezen.\n\nProceskosten4.9.. De Combinatie is in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van Drechtsteden en NewBees. De proceskosten aan de zijde van Drechtsteden worden begroot op:\n\n- griffierecht € 735,00\n\n- salaris advocaat € 1.107,00(tarief gemiddeld complexe zaak)\n\nTotaal € 1.912,00.\n\n4.10.. De proceskosten aan de zijde van NewBees worden begroot op:\n\n- griffierecht € 734,00\n\n- salaris advocaat € 1.107,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)\n\n- nakosten € 189,00\n\nTotaal € 2.101,00\n\n4.11.. Omdat er geen verweer is gevoerd tegen de gevorderde tussenkomst, is er geen aanleiding voor een (aparte) kostenveroordeling in het incident. In het incident draagt iedere partij de eigen kosten.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nin het incident\n\n5.1.. compenseert de proceskosten in het incident tot tussenkomst aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.2.. wijst de vorderingen van de Combinatie af,\n\n5.3.. veroordeelt de Combinatie in de proceskosten van Drechtsteden van € 1.912,00,\n\n5.4.. wijst de vorderingen van NewBees af,\n\n5.5.. veroordeelt de Combinatie in de proceskosten van NewBees van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de onderdelen 5.3 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026. [2971\u002F106]\n\n plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5718","2026-05-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:30.229Z",{"id":156,"ecli":157,"slug":158,"caseNumber":43,"courtId":159,"decisionDate":160,"fullText":161,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":162,"sourceTimestamp":150,"parsedAt":51,"updatedAt":163},"445","ECLI:NL:RBMNE:2026:1977","ecli-nl-rbmne-2026-1977",71,"2026-04-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F608504 \u002F KL ZA 26-67\n\nVonnis in kort geding van 23 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eisende partij sub 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] , 2. EUROPA PARK B.V.,\n\ngevestigd te Zwolle, 3. AMH FLEVOLAND B.V.,\n\ngevestigd te Zwolle,\n\neisende partijen,\n\nadvocaat: mr. J.R. Bügel,\n\ntegen\n\nGEMEENTE DRONTEN,\n\nzetelend te Dronten,\n\ngedaagde partij,\n\nadvocaat: mr. M.P.C. Hendriks en mr. J.R. Joosten.\n\nPartijen zullen hierna [eisende partij c.s.] en de gemeente worden genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 24 maart 2026, met bijlagen;\n\n- de conclusie van antwoord met bijlagen;\n\n- de nagezonden productie 6 aan zijde van [eisende partij c.s.] ; - de pleitnota van [eisende partij c.s.] ; - de pleitnota van de gemeente.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling is gehouden op 9 april 2026. Bij de mondelinge behandeling waren namens [eisende partij c.s.] aanwezig de heer [eisende partij sub 1] , tevens bestuurder van Europark B.V. en AMH Flevoland B.V., samen met mr. Bügel. Namens de gemeente was mevrouw [A] , senior projectleider gebiedsontwikkeling bij de gemeente, aanwezig, samen met mr. Hendriks en mr. Joosten. Door en namens partijen zijn de standpunten verder toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de voorzieningenrechter. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.\n\n1.3.. Daarna volgt dit vonnis.\n\n2. De kern\n\n2.1.. \n [eisende partij c.s.] kan zich niet verenigen met de voorgenomen verkoop van een perceel grond door de gemeente. Volgens [eisende partij c.s.] heeft de gemeente ten onrechte gesteld dat er slechts één serieuze gegadigde voor de koop van het perceel grond is nu zij ook een belang bij de koop van het betreffende perceel heeft en daarmee een serieuze gegadigde is.\n\n2.2.. \n [eisende partij c.s.] is van mening dat de gemeente conform de Didam-arresten van de Hoge Raad een openbare selectieprocedure op basis van objectieve, toetsbare en redelijk criteria had moeten organiseren om (potentiële) gegadigden ruimte te bieden om mee te dingen naar het door de gemeente te koop aangeboden perceel grond. Nu zij dat niet heeft gedaan handelt de gemeente volgens [eisende partij c.s.] in strijd met artikel 3:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Zij vordert daarom een verbod tot verkoop zonder dat de gemeente eerst een dergelijke openbare selectieprocedure doorloopt. De vorderingen worden toegewezen, zoals hierna in dit vonnis wordt toegelicht.\n\n3. De achtergrond\n\n3.1.. De gemeente is eigenaar van een perceel grond nabij de Rendierweg in Dronten, kadastraal bekend gemeente Dronten, sectie B, nummer 4139 (het Perceel).\n\n3.2.. \n\nIn de gemeente nemen studenten en tijdelijke arbeidsmigranten een belangrijke\n\nplaats in. Het gemeentelijke beleid op het gebied van huisvesting van studenten en\n\ntijdelijke arbeidsmigranten is vastgelegd in de Beleidsvisie huisvesting studenten en tijdelijke arbeidsmigranten (de Beleidsvisie). Eén van de doelen uit de Beleidsvisie is de woningmarkt in Dronten beter te laten functioneren op basis van uitgangspunten die inspelen op huidige en toekomstige woonvraag van voormelde groepen.\n\n3.3.. Onderdeel van de Beleidsvisie is dat in verband met de daaruit voortvloeiende overlast de grote concentratie van studentenwoningen in Dronten-Noord moet worden verminderd. In dat kader doorlopen de eigenaren van studentenwoningen in Dronten-Noord een apart traject. De gemeente heeft in dat verband gesprekken gevoerd met partij [familie] die onder meer eigenaar is van 17 studentenwoningen in Dronten-Noord.\n\n3.4.. \n\nDe gemeente heeft vervolgens met [familie] de overeenkomst inzake sanering\n\nstudentenwoningen en compensatie gesloten, waarin is opgenomen dat [familie] medewerking verleent aan het beëindigen van de studentbewoning in zijn 17 woningen in Dronten-Noord. Ter compensatie daarvan heeft [familie] het recht gekregen om van de gemeente het Perceel aan te kopen ten behoeve van de ontwikkeling van huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten, een groep waarvoor binnen de gemeente een groot tekort aan huisvesting bestaat. Door uitvoering te geven aan deze overeenkomst wordt de situatie rondom de studentenhuisvesting in Dronten-Noord in overeenstemming gebracht met de Beleidsvisie, te weten maximaal één studentenwoning per 100 meter reguliere bebouwing.\n\n3.5.. \n\nOp 19 januari 2026 heeft de gemeente haar voorgenomen verkoop van het Perceel op haar website gepubliceerd (de Publicatie). De Publicatie luidt als volgt:\n\n“Voorgenomen verkoop van grond door de gemeente Dronten gelegen\n\nnabij de Rendierweg te Dronten\n\nDe gemeente Dronten heeft het voornemen om het perceel grond gelegen nabij de Rendierweg(ongenummerd) in Dronten, kadastraal bekend gemeente Dronten, sectie B, nummer 4139, groot 9.009 m² hierna te noemen “het Perceel”, over te dragen aan de initiatiefnemer (familie [familie] ), hierna te noemen: Initiatiefnemer.\n\nMet het sluiten van de koopovereenkomst voor de overdracht van het bovengenoemde perceel wordt uitvoering gegeven aan beleid van de Gemeente om de studentenhuisvesting in Dronten-Noord zodanig terug te brengen dat dit - zoveel als mogelijk - in overeenstemming is met de beleidsmatige uitgangspunten van één bijzondere woonvorm in een reguliere woning per 100 meter.\n\nNaar het oordeel van de gemeente Dronten is Initiatiefnemer de enige serieuze gegadigde die in aanmerking komt voor het sluiten van een koopovereenkomst ten behoeve van de overdracht van de grond op het hierboven aangegeven Perceel, dit om navolgende redenen:\n\n1. De gemeente voert met de Initiatiefnemer al gedurende een lange periode overleg om het aantal studentenhuizen in woonwijken te verminderen en heeft daarover met de initiatiefnemer afspraken gemaakt die het mogelijk maken dat het aantal studentenhuizen in reguliere woonwijken binnen afzienbare tijd zal verminderen;\n\n2. Initiatiefnemer is in principe de enige partij die op korte termijn het maatschappelijke probleem van studentenhuisvesting in reguliere woonwijken in Dronten-Noord kan oplossen. Dit maatschappelijke probleem bestaat uit het feit dat er thans te hoge aantallen studentenwoningen in woonwijken aanwezig zijn, waardoor de leefbaarheid van de bewoners in het geding is. Het beleid van de gemeente is er op gericht om de leefbaarheid van de woonwijken te verbeteren en studenten elders te huisvesten;\n\n3. In aanvulling op het hiervoor gestelde, is de Initiatiefnemer eveneens in staat om naast het verminderen van het aantal studentenhuizen in reguliere woonwijken, te voorzien in een uitbreiding van huisvesting voor arbeidsmigranten, hetgeen eveneens een belangrijk speerpunt is van het woonbeleid van de gemeente Dronten aangezien er veel vraag is naar huisvesting voor arbeidsmigranten maar onvoldoende aanbod van huisvesting is.\n\nUit de hiervoor genoemde argumenten, in onderlinge samenhang bezien, vloeit voort dat de\n\ngemeente van oordeel is dat er op grond van objectieve, redelijke en toetsbare criteria, slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor het sluiten van de overeenkomst met de gemeente Dronten.”\n\n3.6.. Onder andere bij e-mail van 15 februari 2026 heeft [eisende partij c.s.] bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de gemeente om het Perceel aan [familie] te verkopen. De gemeente heeft bij brief van 10 maart 2026 toegelicht bij haar standpunt te blijven. Zij schrijft verder dat [eisende partij c.s.] al sinds januari 2024 bekend zou zijn met het traject met [familie] , dat [eisende partij c.s.] niet voldoet aan de gestelde selectiecriteria en dat in verband met de lopende vervaltermijn, zoals opgenomen in de Publicatie, zijn reactie te laat is ingediend.\n\nStandpunt en vordering van [eisende partij c.s.]\n\n3.7.. Na kennisneming van het bericht van de gemeente van 10 maart 2026 is [eisende partij c.s.] van mening dat de gemeente ten onrechte stelt dat [familie] als enige serieuze gegadigde voor het Perceel kan worden aangemerkt. Volgens [eisende partij c.s.] had de gemeente op grond van de zogenaamde Didam-regels een openbare selectieprocedure op basis van objectieve, toetsbare en redelijk criteria moeten organiseren om (potentiële) gegadigden ruimte te bieden om mee te dingen naar het door het Perceel. Nu zij dat heeft nagelaten heeft de gemeente volgens [eisende partij c.s.] er onvoldoende blijk van gegeven dat zij de belangen van derden, waaronder die van [eisende partij c.s.] , heeft betrokken bij haar besluit tot verkoop van het Perceel. Dit is volgens [eisende partij c.s.] in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel.\n\n3.8.. Volgens [eisende partij c.s.] heeft hij tevens belang bij de koop van het Perceel. [eisende partij c.s.] stelt ook actief te zijn als aanbieder van huisvesting voor arbeidsmigranten in de omgeving van Dronten en als zodanig tevens tot ontwikkeling van huisvesting voor arbeidsmigranten op het Perceel over te kunnen gaan. De aanname dat [familie] de enige serieuze gegadigde is voor de koop van het Perceel is niet gebaseerd op objectieve, toetsbare en redelijke criteria die bekend zijn gemaakt in de Publicatie en daarin deugdelijk zijn gemotiveerd, aldus [eisende partij c.s.]\n\n3.9.. \n\nGezien het voorgaande vordert [eisende partij c.s.] – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente:\n\nI. te verbieden uitvoering te geven aan het voornemen tot vervreemding van het Perceel op welke wijze dan ook dan wel uitvoering te geven aan de terzake gesloten overeenkomst met [familie] ;\n\nII. te gebieden, voor zover de gemeente nog voornemens is het Perceel te verkopen, mededingingsruimte te bieden, zodat ook [eisende partij c.s.] kan meedingen naar het Perceel;\n\nIII. te gebieden de Publicatie in te trekken en, voor zover de gemeente nog voornemens is het Perceel te verkopen aan één serieuze gegadigde, de gemeente een nieuwe Publicatie moet doen uitgaan die voldoet aan de daaraan te stellen motiverings- en rechtsbeschermingsvereisten; en\n\nIV. te veroordelen tot betaling van de proceskosten.\n\nStandpunt en verweer van de gemeente\n\n3.10.. Onder wijzing naar de door de Hoge Raad gewezen Didam-arresten stelt de gemeente zich – kort gezegd – op het standpunt dat de zogenaamde Didam-regels uit voormelde arresten het mogelijk maken om één-op-één te contracteren, indien redelijkerwijs te verwachten is dat er maar één serieuze gegadigde is. Uit die arresten volgt ook dat aan de gemeente beleidsruimte toekomt bij het bepalen van de (kring van) gegadigden die voor het Perceel in aanmerking komen.\n\n3.11.. \n\nDe gemeente stelt dat zij bij de verkoop van het Perceel volgens de zogenoemde Didam-regels heeft gehandeld nu zij vooraf op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria heeft geconcludeerd dat [familie] als enige serieuze gegadigde voor verkrijging van het Perceel aanmerking kwam. De gehanteerde criteria houden volgens de gemeente rechtstreeks verband met het gemeentelijk beleid zoals opgenomen in de Beleidsvisie, waaronder de sanering van studentenhuisvesting in Dronten-Noord en het realiseren van nieuwe huisvesting voor arbeidsmigranten. De gemeente stelt verder dat zij het voornemen tot verkoop, inclusief criteria en de bijbehorende motivering, tevens tijdig en met een passende mate van openbaarheid door middel van de Publicatie heeft gepubliceerd. Volgens de gemeente voldoet [eisende partij c.s.] op zijn beurt niet aan de gehanteerde criteria en kan daarom niet als serieuze gegadigde voor het Perceel worden aangemerkt. De gemeente concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij c.s.] met veroordeling van [eisende partij c.s.] in de proceskosten.\n\n4. De beoordeling\n\nDe te beantwoorden vragen en opbouw van dit vonnis\n\n4.1.. Deze procedure kan worden opgesplitst in drie (hoofd)vragen die beantwoord moeten worden.\n\n4.2.. De eerste vraag is of [eisende partij c.s.] een voldoende belang heeft bij de door hem ingestelde vorderingen in de zin van artikel 3:303 BW. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord moet vervolgens als tweede worden beoordeeld of de termijn, zoals opgenomen in de Publicatie, als een vervaltermijn moet worden aangemerkt en in het vervolg daarvan of het verstrijken van deze termijn tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij c.s.] moet leiden. Indien wordt geoordeeld dat [eisende partij c.s.] ontvankelijk is in zijn vorderingen moet als derde vraag worden beantwoord of de gemeente [familie] als enige serieuze gegadigde voor de koop van het Perceel heeft mogen aanmerken.\n\n4.3.. Hierna zullen voornoemde onderwerpen in de bovengenoemde volgorde worden besproken.\n\ni.) Heeft [eisende partij c.s.] een voldoende belang bij de door hem ingestelde vorderingen?\n\n4.4.. \n\nDe eisende partijen in deze procedure zijn de heer [eisende partij sub 1] , Europa\n\nPark B.V. en AMH Flevoland B.V. Volgens de gemeente heeft [eisende partij c.s.] onvoldoende toegelicht wat het belang is bij de door hem ingestelde vorderingen. De gemeente stelt dat het om die reden onduidelijk is waarom [eisende partij c.s.] ook aan de door de gemeente gehanteerde criteria zou voldoen en daarmee als serieuze gegadigde voor de koop van het Perceel moet worden aangemerkt.\n\n4.5.. In het kader van het door de gemeente gehanteerde criterium inhoudende dat de concentratie van studentenwoningen in Dronten-Noord moet worden verminderd heeft [eisende partij c.s.] toegelicht dat ook hij diverse woningen in Dronten-Noord kan inleveren. De betreffende woningen zijn eigendom van de heer [eisende partij sub 1] in privé en niet van de onder 4.4 genoemde vennootschappen. Uit het voorgaande volgt volgens de gemeente dat niet kan worden vastgesteld dat alle eisende partijen een eigen, rechtstreeks en voldoende concreet belang hebben bij de ingestelde vorderingen. Daar komt bij dat [eisende partij c.s.] heeft nagelaten om inzichtelijk te maken in welke hoedanigheid de eisende partijen gezamenlijk bij de aankoop van het Perceel betrokken zijn. Reden waarom [eisende partij c.s.] volgens de gemeente niet-ontvankelijk dient te worden verklaard met betrekking tot de door hem ingestelde vorderingen.\n\n4.6.. Tijdens de mondelinge behandeling is door [eisende partij c.s.] toegelicht dat zijn belang bij de vorderingen erin is gelegen dat de heer [eisende partij sub 1] in privé eigenaar is van diverse panden, die worden geëxploiteerd door Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V. Voornoemde vennootschappen zijn de professionele marktpartijen die de huisvesting aanbieden en hebben volgens [eisende partij c.s.] dus een direct bedrijfseconomisch belang bij het verwerven van nieuwe locaties, zoals het Perceel. Volgens [eisende partij c.s.] voldoet hij daarmee aan de vereisten van artikel 3:303 BW.\n\n4.7.. Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe. Dat volgt uit artikel 3:303 BW. Met toepassing van dat toetsingskader is de voorzieningenrechter van oordeel dat Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V. niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Daartoe is redengevend dat de onderhavige zaak - in de kern genomen - betrekking heeft op het feit of mededinging had moet worden geboden in de vorm van een openbare selectieprocedure voor de aankoop van het Perceel. [eisende partij c.s.] heeft toegelicht dat partijen Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V. enkel tot exploitatie overgaan van het onroerend goed dat de heer [eisende partij sub 1] in privé in eigendom heeft. Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V kopen dus niet zelf onroerend goed aan en [eisende partij c.s.] heeft ook niet toegelicht dat voornoemde vennootschappen tot aankoop van het Perceel wensen over te gaan indien daartoe de mogelijkheid wordt geboden. Daar komt bij dat tevens onvoldoende feitelijk is toegelicht dat wanneer de heer [eisende partij sub 1] in privé de mogelijkheid wordt geboden het Perceel aan te kopen Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V. ook daadwerkelijk de partijen zijn die tot exploitatie van het Perceel zullen overgaan. Voormelde omstandigheden in samenhang beschouwd acht de voorzieningenrechter onvoldoende voor een eigen, rechtsreeks en voldoende concreet belang van Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V.\n\n4.8.. Omdat de heer [eisende partij sub 1] in privé ( [eisende partij sub 1] ) wel tot aankoop van het Perceel wenst over te gaan, heeft hij wel een eigen, rechtstreeks en voldoende concreet belang bij de ingestelde vorderingen in de zin van artikel 3:303 BW en is daarmee ontvankelijk in deze procedure. Hetgeen in het vervolg in dit vonnis wordt geoordeeld zal daarom alleen op de partijen [eisende partij sub 1] en de gemeente betrekking hebben.\n\nii.) Is er sprake van een in de Publicatie opgenomen verlopen vervaltermijn?\n\n4.9.. Nu vaststaat dat [eisende partij sub 1] voldoende belang heeft bij zijn vorderingen, moet vervolgens worden beoordeeld of de termijn, zoals opgenomen in de Publicatie, als een fatale – door [eisende partij sub 1] overschreden – termijn moet worden aangemerkt.\n\n4.10.. \n\nIn de Publicatie is met betrekking tot het maken van bezwaar tegen de door de gemeente voorgenomen verkoop van het Perceel aan [familie] het volgende opgenomen:\n\n“Vervaltermijn\n\nIndien u zich niet kunt verenigen met het omschreven voornemen en u eveneens meent in aanmerking te komen voor het sluiten van een dergelijke koopovereenkomst voor het voornoemde perceel, dan dient u dit binnen een termijn van twintig kalenderdagen na de datum van deze publicatie, schriftelijk aan de gemeente Dronten kenbaar te maken en te motiveren waarom u het niet eens bent met het voornemen tot het sluiten van een koopovereenkomst. U kunt uw reactie aan de gemeente kenbaar maken door het invullen van het formulier via de link (www.dronten.nl\u002Fdidam-arrest). Indien het invullen van het formulier via de link (www.dronten.nl\u002Fdidam-arrest) niet mogelijk is, dan kunt u uw reactie ook binnen de hiervoor genoemde termijn schriftelijk sturen naar de gemeente, dit naar onderstaand adres.\n\nWij merken op dat het indienen van een reactie niet automatisch meebrengt dat de gemeente geen uitvoering geeft aan het voornemen. Daarvoor is het noodzakelijk dat u binnen de hiervoor genoemde termijn een kort geding tegen dit voornemen aanhangig maakt bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (postadres: Postbus 16005, 3500 DA Utrecht), waarbij u de voorzieningenrechter verzoekt een voorlopige voorziening te treffen.\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten\n\nt.a.v. afdeling Grondzaken\n\npostbus 100\n\n8250 AC DRONTEN\n\nOnder vermelding van “Overdracht perceel Rendierweg te Dronten”.\n\nIndien de gemeente Dronten geen aanmeldingen ontvangt met betrekking tot de voorgenomen verkoop van het voornoemde perceel grond aan Initiatiefnemer binnen de hiervoor gestelde termijn dan zal de gemeente Dronten tot verkoop overgaan.\n\nDronten, 19-01-2026.”\n\n4.11.. \n [eisende partij sub 1] heeft bij e-mail van 15 februari 2026 bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de gemeente om het Perceel aan [familie] te verkopen. Dat betekent dat [eisende partij sub 1] zich na het verstrijken van de in de Publicatie genoemde termijn van 20 kalenderdagen bij de gemeente heeft gemeld. Volgens de gemeente mocht zij erop vertrouwen dat na het verstrijken van de door haar gestelde vervaltermijn zich geen gegadigden meer zouden melden die tegen het voornemen tot verkoop van het Perceel wilden opkomen. De gemeente stelt dat wanneer zij aan de koopovereenkomst met [familie] uitvoering wenst te geven, dat gezien de voormelde termijnoverschrijding niet onrechtmatig is jegens [eisende partij sub 1] . Op basis van het voorgaande is de gemeente van mening dat dat de vorderingen van [eisende partij sub 1] moeten worden afgewezen, althans dat [eisende partij sub 1] daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.\n\n4.12.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er in het geval van een voorgenomen verkoop van grond door een overheidslichaam geen wettelijke vervaltermijn geldt zoals in het aanbestedingsrecht het geval is. Ook is er geen sprake van een contractueel overeengekomen vervaltermijn. De termijn waarop de gemeente een beroep doet is éénzijdig door de gemeente opgelegd. Er moet daarom aan de hand van het algemene leerstuk van rechtsverwerking worden bepaald of sprake is van rechtsverwerking of niet. Het enkel stilzitten is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijkomende omstandigheden. Dat daarvan sprake is, is niet gebleken. De gemeente heeft slechts aangevoerd dat [eisende partij sub 1] voor de Publicatie al op de hoogte was van de onderhandelingen met [familie] en desondanks geen actie heeft ondernomen om daar tegenop te komen. De gemeente verwijst in dat verband naar een e-mail van 15 januari 2024 van [eisende partij sub 1] gericht aan de gemeente waarin hij schrijft over “de deal met [familie]”. Het op de hoogte zijn van onderhandelingen tussen de gemeente en [familie] is echter wat anders dan dat [eisende partij sub 1] ook daadwerkelijk op de hoogte was of kon zijn van het moment waarop de koop met betrekking tot het Perceel zou worden geëffectueerd. Dit geldt temeer nu de gemeente kennelijk al sinds 2024 met [familie] in onderhandeling is over aankoop van het Perceel. De gemeente heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [eisende partij sub 1] voorafgaand aan de Publicatie van de voorgenomen koop op de hoogte was of kon zijn. Daar komt bij dat niet van andere feiten of omstandigheden is gebleken waaruit kan worden afgeleid dat door [eisende partij sub 1] bij de gemeente het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat hij niet tegen de door de gemeente voorgenomen verkoop van het Perceel zou opkomen. De conclusie is dan ook dat van rechtsverwerking geen sprake is. Daarmee wordt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak toegekomen.\n\niii.) Is [familie] door de gemeente terecht aangemerkt als enige serieuze gegadigde voor het Perceel?\n\nHet toetsingskader: de Didam-regels\n\n4.13.. De vorderingen van [eisende partij sub 1] zijn gegrond op de zogenoemde Didam-regels die volgen uit de door de Hoge Raad gewezen twee Didam-arresten (26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 en 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661). Deze arresten houden in de kern het volgende in.\n\n4.14.. Uit het Didam I-arrest volgt dat (op grond van het gelijkheidsbeginsel) een overheidslichaam dat het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak, indien (redelijkerwijs te verwachten is dat) er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop. Het overheidslichaam zal daartoe, met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte, criteria moeten opstellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd. Deze criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Ook moet het overheidslichaam, teneinde gelijke kansen te realiseren, een passende mate van openbaarheid verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. Het overheidslichaam moet hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen. Ten slotte heeft de Hoge Raad een uitzondering op de hiervoor omschreven hoofdregel geformuleerd: de door middel van een selectieprocedure beoogde mededingingsruimte hoeft niet te worden geboden indien bij voorbaat vaststaat, of redelijkerwijs mag worden aangenomen, dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop.\n\n4.15.. In het Didam II-arrest heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat de regels uit het Didam I-arrest ook van toepassing zijn op het handelen van de overheid in de periode voordat het Didam I-arrest werd gewezen en dat een overeenkomst die is gesloten in strijd met de Didam-regels op die grond niet nietig of vernietigbaar is, maar dat een overheidslichaam daardoor in beginsel wel onrechtmatig handelt jegens een (potentiële) gegadigde en op die grond (onder meer) schadeplichtig kan zijn jegens die gegadigde. Verder heeft de Hoge Raad in dit arrest overwogen dat de Didam-regels de aan het overheidslichaam toekomende ruimte om ontwikkelingsplannen en ruimtelijke plannen vast te stellen in beginsel onverlet laten, maar dat op het moment dat zo’n plan leidt tot (het voornemen tot) verkoop van een onroerende zaak door het overheidslichaam, het overheidslichaam de Didam-regels zal moeten toepassen. Ook in het geval dat een overheidslichaam een plan heeft ontwikkeld waarin zakelijke (objectieve) voorwaarden zijn gesteld waaraan volgens hem slechts één partij zal kunnen voldoen, zal het overheidslichaam zich tijdig voorafgaand aan de verkoop aan deze regels moeten houden.\n\nOp basis van de Publicatie kan [familie] niet worden aangemerkt als enige serieuze gegadigde voor het Perceel\n\n4.16.. De gemeente heeft de voorgenomen verkoop van het Perceel bekend gemaakt via de onder 3.5 opgenomen Publicatie. Met de Publicatie stelt zij aan het toepasselijke transparantiebeginsel volgend uit de Didam-regels te hebben voldaan. De Publicatie vormt dus het uitgangspunt bij de beoordeling of de gemeente conform de Didam-regels heeft gehandeld bij de selectie van [familie] als enige serieuze gegadigde voor het Perceel.\n\n4.17.. \n\nDe in de Publicatie gehanteerde criteria zien – kort gezegd – op het enerzijds verminderen van studentenhuisvesting in Dronten-Noord, en anderzijds op het uitbreiden van arbeidsmigrantenhuisvesting. In de uitvoeringsagenda bij de Beleidsvisie is in dit kader – voor zover relevant – het volgende opgenomen:\n\n“2. Faciliteren van bouwlocaties\n\nIn deze beleidsvisie is vermeld dat er een tekort is aan studentenwoningen en arbeidsmigrantenaccommodaties.\n\nOm dit tekort op te lossen, zal de gemeente de nieuwbouw van studentenwoningen en arbeidsmigrantenaccommodaties faciliteren conform de regels zoals beschreven in deze beleidsvisie. De\n\ngemeente zal nieuwbouwlocaties planologisch mogelijk maken. Het betreft nieuwbouwlocaties zowel in de\n\nbebouwde kom als daarbuiten. Voor de nieuwbouwlocaties buiten de bebouwde kom is de toestemming van de\n\nprovincie benodigd.\n\n4. Verminderen concentratie studentenwoningen in Dronten-Noord\n\nIn het verleden zijn te grote concentraties studentenwoningen in de woonwijk Dronten-Noord ontstaan omdat\n\nop basis van het bestemmingsplan gebruik als studentenbewoning bij recht was toegestaan. Deze concentratie\n\nheeft onder andere geleid tot overlast voor omwonenden. De ongewenste grote concentraties die in het verleden\n\nzijn ontstaan, verdwijnen echter niet met het huidige beleid. Om de te grote concentratie van studentenwoningen\n\nin Dronten-Noord te verminderen, doorlopen de huiseigenaren in samenwerking met de gemeente een apart\n\ntraject. (…)”\n\n4.18.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat noch uit de Publicatie noch uit de Beleidsvisie van de gemeente blijkt dat de verkoop van het Perceel door de gemeente onlosmakelijk is verbonden met de oplossing van de grote concentratie studentenwoningen in Dronten-Noord. Sterker, uit paragraaf 1.5 van de Beleidsvisie volgt dat studenten en tijdelijke arbeidsmigranten twee verschillende doelgroepen met bijbehorende uitdagingen zijn, reden waarom deze bewust apart van elkaar in de Beleidsvisie zijn opgenomen. Er is dan ook geen koppeling van beleid tussen het verminderen van studentenhuisvesting in Dronten-Noord en het realiseren van huisvesting voor arbeidsmigranten. Uitgangspunt is daarom enkel het doel waarvoor de gemeente het Perceel wenst te verkopen, te weten het realiseren van huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten.\n\n4.19.. Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter verder van oordeel dat door de gemeente ten onrechte is gesteld dat haar selectiecriteria direct zijn gerelateerd aan gemeentelijk beleid ten aanzien van huisvesting voor studenten en tijdelijke arbeidsmigranten, waaruit zou volgen dat [familie] als enige serieuze gegadigde voor het Perceel in aanmerking komt. Op grond van het onder 4.15 opgenomen Didam II-arrest geldt dat de Didam-regels de aan het overheidslichaam toekomende ruimte om ontwikkelingsplannen en ruimtelijke plannen vast te stellen in beginsel onverlet laten, maar dat op het moment dat zo’n plan leidt tot (het voornemen tot) verkoop van een onroerende zaak door het overheidslichaam, het overheidslichaam de Didam-regels zal moeten toepassen. Dat betekent in geval van een gronduitgifte dat er sprake moet zijn van (i) vastgesteld, openbaar en actueel beleid, (ii) het beleid een duidelijk beleidsdoel en beleidsinstrument moet bevatten, en (iii) de beoogde gronduitgifte intrinsiek verbonden moet zijn met dat beleid. Enkel dan kan de gemeente haar beleidsdoelen vertalen naar selectiecriteria op basis waarvan kan worden beoordeeld of er slechts één partij in aanmerking komt die dat beleid kan realiseren, in dit geval via de verkoop van het Perceel.\n\n4.20.. In de onderhavige zaak is er echter sprake van een oneigenlijke koppeling tussen de verkoop van het Perceel en het beleid van de gemeente. Anders dan de gemeente betoogt, blijkt het door de gemeente gevoerde beleid en haar keuze voor [familie] niet uit de stukken waarnaar zij heeft verwezen en heeft de gemeente onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de voorgenomen verkoop van het Perceel gekoppeld kan worden aan vastgesteld beleid. De Beleidsvisie bepaalt enkel dat de huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten en studenten moet worden uitgebreid en de concentratie studentenwoningen in Dronten-Noord moet worden teruggedrongen. De Beleidsvisie schrijft niet voor dat dit moet worden gerealiseerd via de verkoop van grond, meer specifiek de verkoop van het Perceel. Daar komt bij dat, zoals onder 4.17 is opgenomen, uit de Beleidsvisie volgt dat met het huidige beleid de grote concentraties studenten in Dronten-Noord niet wordt opgelost. Om tot een oplossing te komen doorlopen de huiseigenaren een apart traject. De vermindering van het aantal studentenwoningen in Dronten-Noord is dus niet gegrond op vastgesteld beleid en maakt daarmee geen onderdeel uit van de Beleidsvisie.\n\n4.21.. Uit het voorgaande volgt dat de verkoop van het Perceel een achteraf door de gemeente gekozen middel is. Zoals door de gemeente zelf aangevoerd betreft het een “compensatie” voor de beëindiging van de studentenbewoning in de woningen van [familie] in Dronten-Noord. Door [eisende partij sub 1] is onweersproken gesteld dat er naast [familie] meerdere marktpartijen zijn, waaronder [eisende partij sub 1] zelf, die huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten op het Perceel kunnen realiseren. Die partijen komen door de tussen de gemeente en [familie] onderhands gemaakte afspraken nu niet in aanmerking voor de verwerving van het Perceel. Voornoemde “compensatie” is dus niet beleidsmatig, maar contractueel en daarmee selectief ingegeven. Met andere woorden: de verkoop van het Perceel is niet gegrond op vastgesteld beleid, maar wordt door de gemeente achteraf gepresenteerd als noodzakelijk om twee beleidsdoelen met elkaar te verbinden. Daarmee zijn de gehanteerde criteria uit de Publicatie niet objectief, toetsbaar en redelijk. Het eerste criterium betreft enkel een beschrijving van de situatie dat tussen de gemeente en [familie] overleg heeft plaatsgevonden. Het tweede en derde criterium zijn grotendeels een vastlegging van de uitkomst van dat overleg. De Publicatie bevat geen objectieve criteria die bijvoorbeeld inhouden hoeveel studentenhuizen minimaal in Dronten-Noord dienen te verdwijnen. Of hoeveel slaapplaatsen minimaal voor tijdelijke arbeidsmigranten op het Perceel dienen te worden gecreëerd. En binnen welke tijdsbestek het een en ander vervolgens dient te worden gerealiseerd.\n\n4.22.. Gezien het voorgaande is de vraag of [familie] op basis van de door de gemeente in de Publicatie gehanteerde criteria de enige serieuze gegadigde is daarom niet te beantwoorden. Het vereiste van objectiviteit houdt in dat de criteria ondubbelzinnig en zo duidelijk mogelijk moeten worden geformuleerd zodat een onpartijdige behandeling kan worden verzekerd en willekeur wordt voorkomen. Het is niet toegestaan de criteria toe te schrijven naar één bepaalde gegadigde, omdat juist alle gegadigden met een reëel belang gelijke kansen dienen te worden geboden. Dit toeschrijven lijkt de gemeente nu (achteraf) te doen, door enkel de onderhandeling met [familie] en de uitkomst daarvan te beschrijven waarbij de beleidsdoelen niet in redelijkheid zijn vertaald naar selectiecriteria. Dat had op grond van de Didam-regels wel op de weg van de gemeente gelegen. Nu zij dat niet heeft gedaan moet dat voor haar risico blijven.\n\n4.23.. Tegen deze achtergrond heeft de gemeente naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet mogen aannemen dat [familie] is aan te merken als de enige serieuze gegadigde voor de koop van het Perceel. Dit betekent dat de gemeente geen beroep toekomt op de uitzondering van het Didam-arrest.\n\nSlotsom\n\n4.24.. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de gemeente bij de verkoop van het Perceel aan [familie] in strijd met het gelijkheidsbeginsel en daarmee met de Didam-regels heeft gehandeld. Dit is onrechtmatig jegens [eisende partij sub 1] . Door het ontbreken van duidelijke objectieve, toetsbare en redelijke criteria, is niet bij voorbaat uitgesloten dat [eisende partij sub 1] ook een serieuze gegadigde voor de aankoop van het Perceel zou kunnen zijn. Zijn belangstelling voor het Perceel is in ieder geval kenbaar nu hij heeft gesteld ook huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten op het Perceel te kunnen realiseren. Dit leidt ertoe dat in deze procedure niet aannemelijk is geworden dat de door de Hoge Raad geformuleerde uitzondering in het Didam-arrest van toepassing is.\n\n4.25.. Evenmin is uitgesloten dat wanneer de gemeente alsnog (duidelijke) objectieve, toetsbare en redelijke criteria hanteert, zoals volgt uit de Didam-arresten, deze criteria ertoe leiden dat alsnog bij voorbaat vaststaat dat slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop van het Perceel. In dat geval kan dus alsnog worden voldaan aan de uitzondering en hoeft geen selectieprocedure te worden doorlopen. De Hoge Raad heeft in het Didam II-arrest tevens bepaald dat zolang er geen overeenkomst is gesloten die verplicht tot levering of die levering nog niet heeft plaatsgevonden, de overheid bij handelen in strijd met de Didam-regels onder omstandigheden ook kan worden verboden om tot verkoop of tot levering over te gaan. Gezien het voorgaande zijn de vorderingen van [eisende partij sub 1] toewijsbaar in die zin dat de gemeente tot intrekking van de Publicatie dient over te gaan en, voor zover zij nog tot verkoop van het Perceel wenst over te gaan, geen uitvoering mag geven aan de koopovereenkomst met [familie] en bij de verkoop van het Perceel dient te voldoen aan de vereisten die volgen uit de door de Hoge Raad gewezen twee Didam-arresten (26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 en 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661).\n\nProceskosten\n\n4.26.. De gemeente zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat is geconcludeerd dat enkel [eisende partij sub 1] voldoende belang heeft bij de in deze procedure ingestelde vorderingen zal voor de hoogte van het griffierecht worden aangesloten bij het bedrag dat geldt voor natuurlijke personen. De kosten aan de zijde van [eisende partij sub 1] worden begroot op:\n\n- dagvaarding € 125,57\n\n- griffierecht € 341,00\n\n- salaris advocaat € 1.177,00\n\ntotaal € 1.643,57\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. verklaart Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V. niet-ontvankelijk in hun vorderingen jegens de gemeente;\n\n5.2.. gebiedt de gemeente tot intrekking van de Publicatie;\n\n5.3.. verbiedt de gemeente, voor zover zij nog tot verkoop van het Perceel wenst over te gaan, om uitvoering te geven aan de koopovereenkomst met [familie] ;\n\n5.4.. gebiedt de gemeente, voor zover zij nog tot verkoop van het Perceel wenst over te gaan, te voldoen aan de vereisten die volgen uit de door de Hoge Raad gewezen twee Didam-arresten (26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 en 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661);\n\n5.5.. veroordeelt de gemeente in de proceskosten die tot op heden aan de zijde van [eisende partij sub 1] worden begroot op een bedrag van € 1.643,57;\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, voorzieningenrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.\n\ntype: BEv \u002F 4998\n\ncoll:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1977","2026-07-13T00:28:30.596Z",{"id":165,"ecli":166,"slug":167,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":168,"fullText":169,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":170,"sourceTimestamp":140,"parsedAt":51,"updatedAt":171},"360","ECLI:NL:RBDHA:2026:11046","ecli-nl-rbdha-2026-11046","2026-04-17T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam Handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F699956 \u002F KG ZA 26-193\n\nVonnis in kort geding van 17 april 2026\n\nin de zaak van\n\nTMS GmbHte Viersen (Duitsland),\n\neiseres,\n\nadvocaten mr. drs. F.J.J. Cornelissen en mr. M. Jonkers, beiden te Arnhem,\n\ntegen:\n\nDE STAAT DER NEDERLANDEN(MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT) te Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nadvocaten mr. J.E. Palm en mr. D. Wolters Rückert, beiden te Den Haag,\n\nwaarin is tussengekomen:\n\nCONNEXXION TAXI SERVICES B.V.te IJsselmuiden,\n\nadvocaten mr. J.F. van Nouhuys en mr. S.G. Tichelaar, beiden te Rotterdam,\n\nen waarin zich hebben gevoegd:\n\n1. ZORGVERVOERCENTRALE NEDERLAND B.V. te Rotterdam en\n\n2. WILLEMSEN-DE KONING GROEP B.V. te Rotterdam,\n\nadvocaten mr. P.F.C. Heemskerk en mr. I. de Jong, beiden te Amsterdam.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘TMS’, ‘de Staat’, ‘CTS’ en ‘de Combinatie’ (de gevoegde partijen gezamenlijk).\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 23 februari 2026, met producties 1 tot en met 4 en 6 tot en met 10;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging, van de zijde van CTS;\n\n- de akte overlegging productie 5, met een begeleidende brief van 24 maart 2026 van de zijde van TMS;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging, van de zijde van de Combinatie;\n\n- de akte overlegging producties 11 tot en met 13 van de zijde van TMS;\n\n- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 12;\n\n- de akte houdende overlegging producties 1 en 2 van de zijde van CTS;\n\n- productie 5 van de zijde van TMS, met een begeleidende brief van 25 maart 2026.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling is gehouden op 27 maart 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaat van TMS, de Staat en CTS het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.\n\n1.3.. De datum voor het wijzen van vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. De incidenten tot tussenkomst, althans voeging\n\n2.1.. CTS heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen TMS en de Staat. Ter zitting hebben TMS en de Staat verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. CTS is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.\n\n2.2.. De Combinatie heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen TMS en de Staat, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van TMS. Ter zitting is er van de zijde van CTS terecht op gewezen dat de Combinatie, die net als TMS (samengevat) intrekking van de aanbestedingsprocedure en heraanbesteding heeft gevorderd, geen eigen vordering heeft (in)gesteld. De Combinatie heeft onvoldoende toegelicht welk zelfstandig belang zij heeft bij toewijzing van de door haar (voorwaardelijk) geformuleerde vorderingen. Nu de Combinatie haar belang bij voeging aan de zijde van TMS wel voldoende concreet heeft gemaakt en TMS, de Staat en CTS tegen die voeging geen bezwaar hebben gemaakt, wordt de Combinatie toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van TMS. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat niet is gebleken dat de voeging aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat, zodat er geen strijd met de goede procesorde in het algemeen ontstaat.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n3.1.. In verband met de wens om de dienstverleningsovereenkomsten voor het Valys doelgroepenvervoer (bovenregionaal vervoer over een langere afstand van mensen met een mobiliteitsbeperking door bijvoorbeeld ziekte of een handicap) en het Sportvervoer opnieuw aan te besteden heeft de Staat (het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)) op 13 oktober 2023 een vooraankondiging voor die aanbesteding gedaan en gevraagd om informatie uit de markt (marktconsultatie). In die vooraankondiging, die is gepubliceerd op https:\u002F\u002Fted.europa.eu (TED), is een geraamde totale waarde van € 52.250.000,-- vermeld.\n\n3.2.. Na de marktconsultatie (en een cliëntconsultatie) heeft de Staat een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de opdracht “VWS EA – Valys 2026”, hierna ‘de opdracht’. De opdracht is op 25 februari 2025 aangekondigd op TenderNed. In de aankondiging is voor zover hier van belang vermeld:\n\n3.3.. Gelijktijdig met de aankondiging van de opdracht zijn de aanbestedingsstukken gepubliceerd. De aanbestedingsstukken konden, na registratie, via de “CTM Solution Aanbestedingstool” (CTM) worden gedownload.\n\n3.4.. Tot de aanbestedingsstukken behoort het Beschrijvend Document, met bijlagen, van 8 juli 2025, hierna ‘het Beschrijvend Document’. In het Beschrijvend Document is in paragraaf 1.2. als doel van de aanbesteding vermeld: “het sluiten van een Overeenkomst met een dienstverlener of een Combinatie van dienstverleners, voor regie en uitvoering van zowel het Valys-vervoer als het Sportvervoer.”. In paragraaf 2.5. van het Beschrijvend Document is opgenomen dat de te sluiten overeenkomst een initiële looptijd van zes jaar heeft, met de mogelijkheid om de overeenkomst eenzijdig en onder gelijkblijvende voorwaarden maximaal twee keer te verlengen voor een periode van maximaal twee jaar.\n\n3.5.. De omvang van de opdracht is in het Beschrijvend Document als volgt beschreven:\n\n3.6.. Voor de opdracht hebben zich vijf partijen ingeschreven, waaronder CTS en de Combinatie. Op 17 november 2025 is de opdracht voorlopig gegund aan CTS.\n\n3.7.. Drie inschrijvers op de opdracht, te weten de Combinatie, Transvision B.V. en de combinatie bestaande uit Qarin B.V., DVG Regie B.V., BEN’RR B.V., Taxicentrale Zwolle B.V., TCR B.V. en Vloettax B.V., hebben in verband met bezwaren tegen (de uitkomst van) de aanbestedingsprocedure ieder een kortgedingprocedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt. De mondelinge behandeling in die procedures is gepland op 4 mei 2026.\n\n3.8.. Bij brief van 10 februari 2026 heeft mr. Cornelissen namens TMS aan de Staat meegedeeld dat de aanbestedingsprocedure moet worden ingetrokken omdat er gebreken aan kleven, als gevolg waarvan TMS geen reële kans heeft gekregen om de opdracht te verwerven. Daarbij is de Staat gesommeerd om de aanbestedingsprocedure in te trekken en de opdracht (desgewenst) opnieuw aan te besteden. De Staat heeft aan die sommatie geen gevolg gegeven.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. TMS vordert – zakelijk weergegeven – primairde Staat te gebieden om de Valys-aanbesteding in te trekken en ingetrokken te houden, om de Valys-opdracht opnieuw aan te besteden voor zover de Staat dat wenst, om bij een nieuwe aanbesteding van de Valys-opdracht in de aankondiging van de opdracht de (geraamde) waarde van de opdracht bekend te maken en in de aankondiging van de opdracht of in het bestek de maximale waarden en\u002Fof maximale hoeveelheid bekend te maken.Subsidiairvordert TMS een in goede justitie te bepalen maatregel te treffen die recht doet aan de belangen van TMS. Daarbij vordert TMS de Staat te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. Daartoe stelt TMS – samengevat – het volgende. TMS is een Duits (personen)vervoersbedrijf, dat zich met name richt op specialistische chauffeursdiensten in de regio Viersen (Noord-Rijnland-Westfalen) in Duitsland en de omliggende regio’s. TMS heeft de ambitie om zich ook te richten op vervoersopdrachten in Nederland. TMS is pas in de gunningsfase door informatie van een concurrerend vervoersbedrijf bekend geworden met de aanbestedingsprocedure. TMS had graag aan de aanbestedingsprocedure willen deelnemen, maar zij heeft deze ondanks nauwlettende monitoring van aangekondigde overheidsopdrachten gemist. TMS heeft vastgesteld dat dit is veroorzaakt doordat er aan de aanbestedingsprocedure twee gebreken kleven. Allereerst heeft de Staat verzuimd om bij de aankondiging van de opdracht de (juiste) waarde ervan te vermelden. Omdat de Staat ervoor heeft gekozen om een waarde van € 1,-- te vermelden, is de opdracht niet bij TMS in beeld gekomen, omdat zij als zoekfilter een minimale waarde van € 750.000,-- hanteert. Het tweede gebrek bestaat er uit dat de Staat heeft verzuimd om bij de bekendmaking van de opdracht en in de aanbestedingsstukken de maximale opdrachtwaarde of de maximale hoeveelheid van de opdracht te vermelden. De Staat moet deze gebreken in de aanbestedingsprocedure herstellen door een heraanbesteding van de opdracht, waarbij de geraamde waarde van de opdracht wordt vermeld en waarbij bekend wordt gemaakt wat de maximale waarde of de maximale hoeveelheid van de opdracht is.\n\n4.3.. De conclusies van de Staat en van CTS strekken tot afwijzing van de vorderingen van TMS. Hun verweren zullen hierna, voor zover nodig, worden besproken.\n\n4.4.. CTS vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te verbieden om CTS te passeren voor gunning van de opdracht, voor zover de Staat de opdracht nog wenst te gunnen, met veroordeling van TMS in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.5.. Verkort weergegeven stelt CTS daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van TMS, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.\n\n4.6.. Voor zover nodig zullen de standpunten van TMS, de Staat en de Combinatie met betrekking tot de vorderingen van CTS hierna worden besproken.\n\n5. De beoordeling van het geschil\n\n5.1.. Tussen partijen is in geschil of de aanbestedingsprocedure zodanige gebreken kent dat de opdracht opnieuw moet worden aanbesteed. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Hierna zal dit oordeel worden toegelicht.\n\nHet eerste gebrek: had de Staat de geraamde waarde van de opdracht moeten vermelden?\n\n5.2.. Volgens TMS was de Staat op grond van artikel 49 van de Richtlijn 2014\u002F24\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten (hierna ‘de Richtlijn’) en de daarbij behorende Bijlage V, deel C, verplicht om de geraamde waarde van de opdracht in de aankondiging te vermelden. Als de Staat dit had gedaan, dan was de opdracht voor TMS, die als zoekfilter een minimale waarde van € 750.000,-- heeft ingesteld, in beeld gekomen en had zij er naar kunnen meedingen. Dit zoekfilter is immers gekoppeld aan het veld “geraamde waarde” dat door de aanbestedende dienst moet worden ingevuld in de aankondiging van de opdracht, aldus TMS. TMS heeft daarbij betoogd dat zij er bij het bepalen van haar zoekfilters geen rekening mee hoefde te houden dat in de aankondiging van de opdracht een onjuiste opdrachtwaarde van € 1,-- zou worden vermeld.\n\n5.3.. In artikel 49 van de Richtlijn is bepaald dat de aankondiging van een opdracht de informatie bevat als vermeld in bijlage V, deel C. In bijlage V, deel C, is in de punten 7. en 8. (samengevat) vermeld dat een beschrijving moet worden gegeven van de “aard en omvang van diensten”en dat de“geraamde totale orde van grootte van de opdracht”moet worden vermeld. De Staat heeft terecht aangevoerd dat in die punten niet wordt voorgeschreven dat de geraamde waarde in de aankondiging moet worden vermeld. Uit punt 7. blijkt immers niet dat de waarde van de opdracht deel uitmaakt van de beschrijving die moet worden gegeven, terwijl in het arrest van het Europese Hof van Justitie van 17 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:490 (Simonsen & Weel A\u002FS), hierna ‘het arrest Simonsen & Weel A\u002FS’, met betrekking tot de in punt 8. genoemde “geraamde totale orde van grootte van de opdracht” is overwogen dat het feit dat slechts wordt verwezen naar een “orde van grootte” en niet naar een nauwkeurig bepaalde waarde doet vermoeden dat de van de aanbestedende dienst gevraagde waardering“approximatief”kan zijn.\n\n5.4.. Daar komt nog het volgende bij. Bij de Uitvoeringsverordening (EU) 2019\u002F1780 van de Commissie van 23 september 2019 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten, hierna ‘de Uitvoeringsverordening’, hoort een bijlage. In Tabel 2 van die bijlage zijn de velden in standaardformulieren en aankondigingen opgenomen, waarbij telkens wordt vermeld of de informatie in het betreffende veld verplicht (V) of facultatief (F) is. De Staat heeft er terecht op gewezen dat bij het onderdeel “De geraamde waarde van de aanbestedingsprocedure of het perceel gedurende de gehele looptijd ervan, met inbegrip van opties en verlengingen”in de hiervoor genoemde Tabel 2 de letter ‘F’ van facultatief is vermeld. Dit betekent dat uit de bijlage bij de Uitvoeringsverordening evenmin een verplichting kan worden afgeleid om de geraamde waarde van de opdracht in de aankondiging bekend te maken. Aan de stelling van TMS dat de Europese wetgever, althans de minister van VWS, het veld ‘waarde’ in het formulier waarmee een opdracht via TED\u002FTenderNed wordt aangekondigd verplicht heeft gesteld, wordt voorbij gegaan. Hiertegenover heeft de advocaat van CTS immers voldoende aannemelijk gemaakt dat de verplicht gestelde gebruikmaking van TED\u002FTenderned is uitgewerkt door programmeurs, die ervoor hebben gekozen om het veld ‘waarde’ in het formulier voor de aankondiging van een opdracht op te nemen, en dat die keuze dus niet het gevolg is van een wettelijk voorschrift.\n\n5.5.. \n\nTegen de achtergrond van het voorgaande heeft De Staat voldoende onderbouwd dat hij niet verplicht was de geraamde waarde van de opdracht in de aankondiging op te nemen.\n\nMede in het licht van het betoog van de Staat dat op de waarde van de totale opdracht een groot aantal variabelen van invloed is, waaronder het aantal te rijden kilometers en de hoogte van de vergoeding, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Staat er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om in de aankondiging van de opdracht het evident fictieve bedrag van € 1,-- op te nemen, om op die manier de potentiële inschrijvers aan te moedigen om voor de opdrachtwaarde de aanbestedingsstukken te raadplegen.\n\n5.6.. Dat TMS ervoor heeft gekozen om in haar zoekfilter een minimale waarde van de opdracht van € 750.000,-- te hanteren, is een omstandigheid die voor haar rekening en risico moet komen en betekent niet dat de Staat de aanbestedingsprocedure anders had moeten inrichten. Daar komt nog bij dat de Staat in de marktconsultatie een waarde van meer dan € 750.000,-- heeft opgenomen, zodat in ieder geval die marktconsultatie in de aanloop naar de opdracht met het door TMS gebruikte zoekfilter zichtbaar had kunnen worden.\n\n5.7.. Reeds gelet op het voorgaande levert het ontbreken van de geraamde waarde in de aankondiging van de opdracht geen gebrek op dat in trekking van de aanbestedingsprocedure en heraanbesteding rechtvaardigt. Op de overige argumenten die TMS in het kader van dit gestelde gebrek naar voren heeft gebracht, hoeft daarom niet meer te worden ingegaan.\n\nHet tweede gebrek: had de Staat de maximale waarde en\u002Fof hoeveelheid van de opdracht bekend moeten maken?\n\n5.8.. TMS heeft gesteld dat de Staat in de aankondiging van de opdracht en\u002Fof in de aanbestedingsstukken heeft verzuimd om de maximale waarde en\u002Fof de maximale hoeveelheid van de opdracht bekend te maken. Ook om die reden is de aanbestedingsprocedure volgens TMS gebrekkig en moet deze worden ingetrokken.\n\n5.9.. De Staat heeft er allereerst op gewezen dat de maximale waarde en\u002Fof de maximale hoeveelheid van een opdracht alleen moet(en) worden vermeld bij een raamovereenkomst. Anders dan TMS heeft gesteld betreft de onderhavige aanbestedingsprocedure niet het sluiten van een raamovereenkomst, waarin de voorwaarden worden vastgelegd waaronder met de individuele reizigers vervoersopdrachten worden gesloten. De Staat heeft voldoende uiteengezet dat deze aanbesteding ziet op een concrete opdracht voor het uitvoeren van Valys- en Sportvervoer, met inbegrip van ondersteunende taken en verantwoordelijkheden. De Staat heeft daarbij toegelicht dat de werkzaamheden die de opdrachtnemer moet uitvoeren nauwkeurig zijn omschreven in het Programma van Eisen en dat van deelopdrachten of verdere bemoeienis van de Staat met de uitvoering van de opdracht geen sprake is.\n\n5.10.. Ook als moet worden aangenomen dat geen sprake is van een raamovereenkomst had de Staat volgens TMS de maximale waarde en hoeveelheid van de opdracht bekend moeten maken, omdat anders de aanbestedingsrechtelijke beginselen van gelijke behandeling en transparantie in het geding komen. Daarbij heeft TMS uiteengezet dat de Staat de maximale waarde en hoeveelheid in de aankondiging van de opdracht had moeten opnemen en dat hij op grond van het arrest Simonsen & Weel A\u002FS alleen mocht volstaan met vermelding daarvan in de aanbestedingsstukken als aan de voorwaarde van kosteloze, rechtstreekse en volledige toegang tot die aanbestedingsstukken is voldaan. TMS heeft er in dit verband op gewezen dat een inschrijver om toegang te krijgen tot de aanbestedingsstukken een registratieproces moest doorlopen en dat dat voor een buitenlandse partij als TMS niet eenvoudig is, omdat zij niet beschikt over een KvK-nummer dat voor de registratie noodzakelijk is. Aan dit betoog gaat de voorzieningenrechter voorbij. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van CTS er op gewezen dat een buitenlandse partij bij de registratie gebruik kon maken van haar eigen (buitenlandse) registratienummer, dat zij had kunnen invullen in een veld dat tijdens de registratie verscheen nadat eerst een (fictief) nummer in het veld voor het KvK-nummer was ingevuld. Verder heeft de Staat aangevoerd dat een buitenlandse partij desgewenst eenvoudig contact kon opnemen met de servicedesk van CTM wanneer zij tegen een probleem aanliep bij de registratie, waarna een code werd verstrekt om toegang te krijgen tot de aanbestedingsstukken. Hiertegenover heeft TMS onvoldoende concreet gemaakt dat buitenlandse partijen door het door de Staat gekozen registratieproces op onredelijke wijze zijn beperkt in hun mogelijkheden om kennis te nemen van de aanbestedingsstukken.\n\n5.11.. Ten slotte heeft TMS gesteld dat de aanbesteding gebrekkig is, omdat de maximale waarde en de maximale hoeveelheid van de opdracht ook niet uit de aanbestedingsstukken blijken. Volgens TMS is in paragraaf 2.6. van het Beschrijvend Document opgenomen dat de in de bijlagen 17 en 34 bij het Beschrijvend Document vermelde aantallen kilometers een indicatie zijn van de omvang van de opdracht. TMS heeft daarbij uiteengezet dat de bedoelde bijlagen uit een groot aantal Excel-documenten bestaan, met in totaal ongeveer vierhonderdduizend regels met historische ritdata, en dat een inschrijver het aantal kilometers per rit of het totale aantal kilometers – en daarmee de indicatie – daaruit niet op een eenvoudige wijze kan opmaken. Verder heeft TMS erop gewezen dat in paragraaf 2.6. van het Beschrijvend Document is vermeld dat een overeenkomst wordt gesloten met een omvang van 150% van de indicatie en dat, nu de indicatie niet duidelijk is, ook hieruit onvoldoende blijkt wat de omvang van de opdracht is.\n\n5.12.. De Staat heeft hiertegenover aangevoerd dat in paragraaf 2.3.2. en 2.3.3. van het Beschrijvend Document een aantal kengetallen zijn genoemd om een beeld te geven van het Valys-vervoer en het Sportvervoer, waarbij is verwezen naar cijfermatige informatie over de opdracht, gebaseerd op het uitgevoerde vervoer in de jaren 2018\u002F2019 tot en met 2024 Q3 (de bijlagen 17 tot en met 20 bij het Beschrijvend Document voor het Valysvervoer en de bijlagen 34 en 35 bij het Beschrijvend Document voor het Sportvervoer). Daarbij heeft de Staat toegelicht dat inschrijvers op basis van de verstrekte informatie met behulp van de software die zij als vervoerder tot hun beschikking hebben, op eenvoudige wijze een goede inschatting konden maken van de waarde van de opdracht, door het gemiddelde aantal kilometers uit te rekenen, dat aantal te vermenigvuldigen met de looptijd van de overeenkomst en de uitkomst te vermenigvuldigen met 150%. De Staat heeft daarmee voldoende onderbouwd dat is voldaan aan de in het arrest Simonsen & Weel A\u002FS geformuleerde rechtsregels en dat van schending van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie geen sprake is.\n\nSlotsom en proceskosten\n\n5.13.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de primaire vorderingen van TMS worden afgewezen. Voor het treffen van een andere maatregel die recht doet aan de belangen van TMS ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, zodat ook de subsidiaire vordering wordt afgewezen.\n\n5.14.. Nu de Staat voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan CTS, brengt voormelde beslissing mee dat CTS geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. CTS zal worden veroordeeld in de kosten van de Staat, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Staat als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet TMS in haar verhouding tot CTS worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van CTS was immers te voorkomen dat de opdracht aan TMS zou worden gegund, welk doel is bereikt. TMS zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van CTS. Voorts zullen TMS en de Combinatie, als de in het ongelijk gestelde partijen, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat.\n\n5.15.. De proceskosten van zowel de Staat als CTS worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,--\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,--\n\n- nakosten\n\n€ 189,--\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,--\n\n5.16.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. wijst de vorderingen af;\n\n6.2.. veroordeelt CTS voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens de Staat in de kosten van de Staat, tot dusver begroot op nihil;\n\n6.3.. veroordeelt TMS in de proceskosten van CTS, begroot op € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als TMS niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet TMS € 98,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.4.. veroordeelt TMS en de Combinatie in de proceskosten van de Staat, begroot op € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als TMS en de Combinatie niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten TMS en de Combinatie € 98,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.5.. veroordeelt TMS in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten ten behoeve van CTS, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.6.. veroordeelt TMS en de Combinatie in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten ten behoeve van de Staat, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.7.. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.\n\nmvt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11046","2026-07-13T00:28:26.035Z",{"id":173,"ecli":174,"slug":175,"caseNumber":43,"courtId":176,"decisionDate":177,"fullText":178,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":179,"sourceTimestamp":177,"parsedAt":51,"updatedAt":180},"446","ECLI:NL:RBLIM:2026:3569","ecli-nl-rblim-2026-3569",74,"2026-04-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F349941 \u002F KG ZA 26-78\n\nVonnis in kort geding van 15 april 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nTOPICUS HEALTHCARE B.V.,\n\nte Deventer,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Topicus,\n\nadvocaat: mr. A.J.F. Vokurka-Viruly,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGENEESKUNDIGE GEZONDHEIDSDIENST ZUID-LIMBURG,\n\nte Heerlen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de GGD,\n\nadvocaat: mr. N.A.D. Groot\n\nen waarin is tussengekomen:\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [tussenkomende partij] B.V.,\n\nte Utrecht,\n\ntussenkomende partij,\n\nhierna te noemen: [tussenkomende partij] ,\n\nadvocaat: mr. H.S.A. Wijnands,\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 14; - de conclusie van antwoord en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 6, waarvan op verzoek van Topicus ten aanzien van productie 3 alleen de door Topicus gedeeltelijk zwart gelakte versie deel uitmaakt van het procesdossier;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging van [tussenkomende partij] ; - de mondelinge behandeling van 26 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van Topicus; - de pleitnota van de GGD; - de pleitnota van [tussenkomende partij] .\n\n1.2. Voorafgaand aan de procedure is door de GGD naast de zwart gelakte versie ook een niet zwartgelakte versie van (onder meer) haar productie 3 overgelegd, met de opmerking dat dit document bedrijfsgevoelige gegevens van Topicus bevat en (in elk geval vooralsnog) niet met [tussenkomende partij] mocht worden gedeeld. De voorzieningenrechter heeft dat (vertrouwelijke) document niet ingezien en uitsluitend kennis genomen van de bovenstaande processtukken.\n\n2. Het incident\n\n2.1. [tussenkomende partij] heeft gevorderd (primair) te mogen tussenkomen, dan wel (subsidiair) zich te mogen voegen in de procedure tussen Topicus en de GGD.\n\n2.2. Ter zitting hebben Topicus en de GGD verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. Mede gelet hierop heeft de voorzieningenrechter de primaire vordering tot tussenkomst ter zitting toegewezen. De voorzieningenrechter heeft daarbij – het spoedeisend belang en de goede procesorde staan niet in de weg aan toewijzing – met name het belang van [tussenkomende partij] bij de tussenkomst in aanmerking genomen, dat hierin is gelegen dat zij, als partij aan wie voorlopig is gegund, nadelige gevolgen kan ondervinden van de uitspraak in dit kort geding.\n\n2.3. Op de vordering van [tussenkomende partij] tot (onder meer) veroordeling van Topicus in de proceskosten in het incident zal in het navolgende worden beslist.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De GGD heeft op 28 november 2025 de Europese openbare aanbesteding ‘Selectie Digitaal Dossier JGZ’ aangekondigd op TenderNed. Doel van de aanbesteding is het verstrekken van een opdracht voor het ter beschikking stellen, inrichten, implementeren en onderhouden van nieuw Digitaal Dossier Jeugdgezondheidzorg (hierna: JGZ).\n\n3.2. Topicus is de huidige dienstverlener van de GGD met betrekking tot het Digitaal Dossier JGZ, waarbij gebruik wordt gemaakt van het ICT-systeem ‘KD+’. De GGD heeft de lopende overeenkomst met Topicus opgezegd tegen 1 januari 2027.\n\n3.3. Tot de gepubliceerde aanbestedingsstukken behoort het Beschrijvend Document. Daarin is opgenomen dat het gunningscriterium is de “economisch meest voordelige inschrijving” (EMVI). De kwaliteit van de inschrijvingen wordt daarbij beoordeeld aan de hand van vijf toetsingsonderdelen, te weten (i) het Oplossingsvoorstel; (ii) het Transitieplan; (iii) de Beantwoording wensen met betrekking tot Service Level Agreement (SLA); (iv) het Kansensdossier; en (v) de ‘Usability test’. De eerste vier onderdelen betreffen door de inschrijvers in te dienen ‘kwaliteitsdocumenten’, het vijfde onderdeel is een gebruikerstest.\n\n3.4. Bij het Beschrijvend Document is als bijlage de ‘Lichtblauwdruk SOLL processen’ gevoegd (hierna: de Lichtblauwdruk). De Lichtblauwdruk geeft op hoofdlijnen de processen en wensen weer van de activiteiten van de GGD en vormt voor de inschrijvers het uitgangspunt voor het opstellen van het Oplossingsvoorstel.\n\n3.5. Op 19 december 2025 is de eerste Nota van Inlichtingen gepubliceerd.\n\nOp 15 januari 2026 is de tweede Nota van Inlichtingen gepubliceerd. De\n\nuiterlijke datum voor inschrijving was 26 januari 2026.\n\n3.6. Er zijn drie inschrijvingen ingediend die door de GGD als geldig zijn aangemerkt. Dit betreffen inschrijvingen van Topicus, [tussenkomende partij] en [bedrijf] B.V. (hierna: ‘ [bedrijf] ’). Op 9 februari 2026 is de voorlopige gunningsbeslissing aan de inschrijvers bekend gemaakt. De GGD is voornemens de opdracht te gunnen aan [tussenkomende partij] . Topicus is tweede geworden.\n\n3.7. Topicus heeft op 17 februari 2026 via TenderNed bezwaar gemaakt tegen de voorlopige gunningsbeslissing. In het bezwaarschrift heeft Topicus aangegeven dat de inschrijving van [tussenkomende partij] niet aan de geschiktheidseisen voldoet. Het bezwaar is bij brief van 23 februari 2026 afgewezen.\n\n3.8. Voor de beoordeling van de inschrijvingen wordt een systeem met (dubbel) gewogen scores gehanteerd. Dit beoordelingssysteem is als volgt opgebouwd:\n\n- beoordeling van kwaliteitscriteria op basis van een vierpuntsschaal\n\nmet cijfers 0, 1, 2, of 3;\n\nvermenigvuldiging van voornoemde scores aan de hand van het aan het desbetreffende kwaliteitscriterium toegekende gewicht: 1 (laag), 2 (midden) of 3 (hoog). Op basis hiervan wordt een score toegekend per kwaliteitsdocument;\n\ncorrectie van de totaalscore op elk kwaliteitsonderdeel (d.w.z. de vier kwaliteitsdocumenten en de Usability test) voor het relatieve gewicht van dat onderdeel;\n\no Oplossingsvoorstel: 40%, Transitieplan: 20%, Wensen m.b.t. Service Level Agreement: 15%, Kansendossier: 5%, Usability test: 20%;\n\nberekening van de som van de gewogen scores van alle beoordelingsonderdelen;\n\nberekening van de eindscore aan de hand van de prijs en kwaliteitsscore: F = Pa \u002F Q(1-a).\n\n3.9. In het Beschrijvend Document zijn in dit kader de volgende – voor zover relevant voor dit kort geding – toelichtingen en voorschriften opgenomen:2. ALGEMEEN\n\n2.5. \n\nVISIE OP SOURCING\n\nGGD Zuid-Limburg hanteert het beleid: ‘cloud, tenzij….’\n\nVoor de invulling van de onderhavige ICT Prestatie betekent dit het volgende:\n\n• GGD Zuid-Limburg kiest voor standaard ‘commercial off the shelf’ software. Dat\n\nmaakt dat er een keuze wordt gemaakt uit oplossingen en leveranciers die ook\n\ndaadwerkelijk ‘out of the box’ zijn.\n\n2.6.1. \n\nDOELSTELLINGEN\n\nGGD Zuid-Limburg wenst een Leverancier te selecteren, die een voortdurende en proactieve bijdrage levert aan de optimalisatie van de processen en daarmee ook de dienstverlening van GGD Zuid-Limburg. Tevens moet het gebruik van het Digitaal Dossier JGZ mogelijkheden bieden voor verdere automatisering, digitalisering en data integratie. Uiteindelijk moet de inzet van het Digitaal Dossier JGZ ook leiden tot een efficiëntieverbetering en bij voorkeur een kostenreductie. De Leverancier creëert en borgt een hoge mate van klanttevredenheid op het gebied van gebruiksgemak (gebruikers), vereenvoudigd (minimale afhankelijkheid van leveranciers) beheer (beheerders), maximale beschikbaarheid en een optimale performance (gebruikers en beheerders). Én GGD Zuid-Limburg wenst het aantal Gebruiksrechten flexibel te kunnen op- én afschalen gedurende de looptijd van de Overeenkomst.\n\n3. PROCEDURE\n\n3.8. BEOORDELINGSFASE\n\n3.8.1. \n\nPROCEDURE VAN BEOORDELEN\n\nDe beoordeling van de Inschrijvingen vindt volgens de onderstaande stappen plaats:\n\n1 Opening van de inschrijvingskluis in TenderNed;\n\n2 Controle van de Inschrijvingen op de vormvereisten, waaronder controle op tijdige indiening;\n\n3 Toetsing van de geschiktheid van de bedrijven van de Inschrijvers aan de Uitsluitingsgronden en Minimumvereisten;\n\n4 Beoordeling van Inschrijvingen op basis van het Gunningscriterium volgens hoofdstuk 5.\n\n5 Beoordeling usability-test op basis van het Gunningscriterium volgens hoofdstuk 5.\n\n(…)\n\n3.8.3. \n\nBEOORDELING OP DE UITSLUITINGSGRONDEN EN MINIMUMEISEN\n\nVan de Inschrijvers wordt vervolgens vastgesteld dat:\n\n op het bedrijf van de Inschrijver(s) en\u002Fof diens hulpleveranciers geen Uitsluitingsgronden van toepassing zijn;\n\n het bedrijf van de Inschrijver aan de gestelde Minimumeisen op het gebied van technische bekwaamheid en economische en financiële draagkracht voldoet,\n\nMochten op het bedrijf van een Inschrijver Uitsluitingsgronden van toepassing zijn of mocht blijken dat het bedrijf van een Inschrijver niet over de benodigde technische bekwaamheid of economische en financiële draagkracht beschikt, dan legt GGD Zuid-Limburg de Inschrijving terzijde.\n\n3.8.4. \n\nBEOORDELING OP HET GUNNINGSCRITERIUM\n\nVervolgens worden de Inschrijvingen beoordeeld op basis van het gekozen Gunningscriterium. De gunning is beschreven in hoofdstuk 5.\n\n(…)\n\n4. CRITERIA VOOR KWALITATIEVE SELECTIE\n\n4.3. \n\nGESCHIKTHEIDSEISEN\n\nDaarna wordt de geschiktheid van de Inschrijver voor de uitvoering van de dienstverlening vastgesteld. Voor het bepalen van de geschiktheid zijn diverse criteria vastgesteld. Alle geschiktheidseisen betreffen minimumeisen. Dit houdt in dat voor iedere eis afzonderlijk een op onderhavige aanbesteding afgestemd minimum is vastgesteld waaraan de Inschrijver moet voldoen. De Inschrijving van een Inschrijver die niet voldoet aan één of meerdere van deze eisen wordt terzijde gelegd en komt niet in aanmerking voor verdere (inhoudelijke) beoordeling.\n\n(…)\n\n4.3.2. \n\nTECHNISCHE BEKWAAMHEID\n\nGGD Zuid-Limburg stelt in dit kader minimumeisen aan Inschrijvers op het gebied van technische bekwaamheid. GGD Zuid-Limburg kan van inschrijver eisen om de opgegeven informatie naar aanleiding van het gestelde in deze paragraaf nader te onderbouwen dan wel van bewijzen te voorzien.\n\n(…)\n\n4.3.2.3 Kerncompetenties\n\nReferenties waarmee Inschrijver de onderstaande kerncompetenties aantoont en aan de hierna gestelde randvoorwaarden voldoet. De referenties, dat wil zeggen de ingangsdatum(s) van de overeenkomst(en), mogen niet ouder zijn dan drie jaar, gerekend vanaf het moment van indienen van de Inschrijving en de betreffende overeenkomst(en) dien(t)(en) minimaal zes maanden actueel te zijn. De kerncompetenties dienen te worden aangetoond, gebruik makend van de referentiesjabloon in Bijlage 6.6.\n\nKerncompetenties:\n\nInschrijver heeft in relatie tot de onderhavige opdracht kennis van en\u002Fof ervaring met:\n\n(…)\n\nc. het uitvoeren van een migratie vanuit KD+van Topicus naar het aan te bieden Digitaal Dossier JGZ; hierbij rekening houdend met verschillende opslagstructuren, verbetering datakwaliteit door validatie, conversie, verrijking en ontdubbeling.\n\n(…)\n\n(…)\n\n5. GUNNINGSMODEL\n\n5.2. \n\nBEOORDELING KWALITEITSDOCUMENTEN\n\nDe kwaliteitsdocumenten: Oplossingsvoorstel, Transitieplan en Beantwoording\n\nWensen m.b.t. Service Level Agreement worden per ‘aspect’ (zie de hierna volgende\n\nparagrafen) en per ‘Wens’ (zie paragraaf 5.2.3) op basis van onderstaande tabel\n\nbeoordeeld. Vervolgens wordt in de hierna volgende paragrafen de maximaal haalbare\n\nscore (na ‘intrinsieke’ weging en vóór integrale weging) per kwaliteitsdocument\n\naangegeven.\n\nDe kwaliteitsdocumenten Oplossingsvoorstel, Transitieplan en Service Level\n\nAgreement (zie criterium WS3) kennen een ‘intrinsieke’ weging op de onderscheiden\n\n‘aspecten’. Daarnaast hebben alle kwaliteitsdocumenten een ‘overall’ weging ten\n\nopzichte van elkaar en ten opzichte van het subcriterium ‘prijs, zie daartoe de tabellen\n\n9, 10 en 11 in de paragrafen 5.3.2 en 5.3.3.\n\nMet betrekking tot het Oplossingsvoorstel, Transitieplan en Service Level Agreement\n\nwordt per aspect\u002FWens een ‘intrinsieke’ wegingsfactor meegegeven, waarbij de scores\n\nvan tabel 6 als volgt worden gewogen\u002Ftoegepast:\n\n(L)aag = enkelvoudige weging: 0, 1, 2 of 3\n\n(M)idden= dubbele weging: 0, 2, 4 of 6.\n\n(H)oog = drievoudige weging: 0, 3, 6 of 9\n\n5.2.1. \n\nOPLOSSINGSVOORSTEL\n\nDe Inschrijvers dienen een Oplossingsvoorstel in ter zake van de aangeboden\n\noplossing. Hierbij dient uit te worden gegaan van de uitgangspunten en kaders als\n\nverwoord in paragraaf 2.6.\n\nNota bene:de aangeboden Digitaal Dossier JGZ dient aantoonbaar alle beschreven\n\nprocessen te ondersteunen c.q. dienen te kunnen verwerken. Hierbij geldt het\n\nuitgangspunt: ‘comply or explain’. Indien in het aangeboden Oplossingsvoorstel onderwerpen\u002Ffunctionaliteiten niet worden besproken die wel in de Lichtblauwdruk\n\nzijn beschreven gaat GGD Zuid-Limburg er van uit dat het betreffende onderwerp c.q.\n\nde betreffende functionaliteit onderdeel van het aanbod van de Inschrijver is, daarmee\n\ntot de verplicht op te leveren prestatie(s) behoort, zodat de functionaliteit bij indienen\n\nvan de Inschrijving‘out of the box’ beschikbaar is.\n\nGGD Zuid-Limburg verwacht onderbouwde keuzes in relatie tot architectuur, ontwerp,\n\nkoppelingen en implementatie. Bij het beschrijven van het Oplossingsvoorstel dient u\n\naan de volgende aspecten aandacht te besteden, waarbij gedetailleerd op alle\n\nparagrafen van de Lichtblauwdruk dient te worden ingegaan:\n\n2 (H) Welke (delen van) processen door het Digitaal Dossier JGZ zullen worden\n\nondersteund c.q. kunnen worden verwerkt op basis van ontwikkeling\u002Fgeneriek\n\nmaatwerk, inclusief bindende termijn binnen welke deze alsnog zullen worden\n\nopgeleverd.\n\nTer zake van sub 2 geldt dat dit door GGD Zuid-Limburg als een onwenselijk\n\ngegeven wordt beschouwd. GGD Zuid-Limburg zal nimmer tot (eind)Acceptatie\n\novergaan indien er, ter bepaling door GGD Zuid-Limburg, geen sprake is van een\n\ndeugdelijk functionerend systeem, gelet op nog ontbrekende\n\nfunctionaliteit\u002Fondersteuning van bepaalde processen. Indien GGD Zuid-Limburg\n\ninstemt met een situatie als geschetst onder dit aspect ‘2’ dan dient de\n\n(ontwikkeling van de) voorziene functionaliteit alsmede de\n\ninrichting\u002Fimplementatie te allen tijde bij de inschrijvingsprijs te zijn inbegrepen.\n\n(…)\n\nVoor het onderdeel Oplossingsvoorstel kunnen maximaal 129 punten worden behaald\n\n(na ‘intrinsieke’ weging, maar vóór overall weging).\n\n(…)\n\n5.2.2. \n\nTRANSITIEPLAN\n\nGGD Zuid-Limburg streeft naar overgang naar het gebruik van de nieuwe Digitaal\n\nDossier JGZ per 1 januari 2027, hetgeen betekent dat de implementatie van het\n\nnieuwe Digitaal Dossier JGZ uiterlijk per 1 december 2026 gereed dient te zijn. GGD\n\nZuid-Limburg is daarom voornemens om uiterlijk per Q2 2026 te starten met de\n\nimplementatie en liefst zoveel eerder als mogelijk.\n\n(…)\n\nU schrijft een gedetailleerd Transitieplan, inclusief test- en acceptatiefasen, waarin u\n\nbeschrijft hoe u de implementatie gaat aanpakken, waarbij u ook aandacht heeft voor\n\nde adoptie van het nieuwe Digitaal Dossier JGZ door de eindgebruikers, rekening\n\nhoudend met het feit dat de tijd die Opdrachtgever kan besteden aan adoptie per\n\ngebruiker in het primaire proces beperkt is. Acceptatie van het implementatieproject\n\nvindt plaats op basis van een door Leverancier in samenwerking met GGD Zuid-\n\nLimburg opgesteld testprotocol.\n\n(…)\n\n(…) Onderstaande aspectendienen minimaal in het Transitieplan uitgewerkt te zijn:\n\n(…)\n\n15 (…)\n\na. (…)\n\nb. beschrijf de adoptieproducten (zoals handleidingen, instructievideo’s, e-learning) die u oplevert op basis waarvan in uw perspectief een eindgebruiker de geboden oplossing zonder aanvullende rol van een adoptieconsultant in gebruik zou moeten kunnen nemen, lever voorbeelden aan van de adoptieproducten die u aanbiedt;\n\nc. (…)\n\n(…)\n\nVoor het onderdeel Transitieplan kunnen maximaal 93 punten worden behaald (na ‘intrinsieke weging, maar vóór overall weging).\n\n(…)\n\n5.2.4. \n\nKANSENDOSSIER\n\nWij ontvangen graag een beschrijving van (maximaal vier) kansen die u voorziet in de\n\ngevraagde ICT Prestatie van GGD Zuid-Limburg. U wordt in dit kader in staat gesteld\n\nom een aantal ‘extra’s’ aan te bieden. U toont bij het aanbieden van een kans\n\ntoegevoegde waarde aan, waarbij u verder gaat dan de minimale eisen van de\n\nOpdracht. Kansen die los staan van de doelstellingen\u002Fbaten of die eigenlijk onderdeel\n\nzouden moeten zijn van de Inschrijving om überhaupt de Opdracht succesvol te\n\nkunnen uitvoeren zijn geen echte kansen.\n\n(…)\n\nHet gaat bij kansen om:\n\n• alles waarmee de Inschrijver denkt zich te onderscheiden van andere Inschrijvers,\n\nvoorbij de (directe) scope van de ICT Prestatie;\n\n• alle beheersmaatregelen die extra geld kosten en die naar mening van Inschrijver\n\nextra bijdragen aan het beter\u002Fsneller realiseren van projectdoelstellingen (en die\n\ndaarom meer kosten dan de minimumoplossing);\n\n• alle andere voorstellen die naar mening van Inschrijver extra bijdragen aan het\n\nrealiseren van de projectdoelstellingen (en die meer kosten dan het minimum);\n\n• het overnemen van risico’s die volgens de Inschrijver eigenlijk bij GGD Zuid-\n\nLimburg horen (tegen lagere kosten dan wanneer GGD Zuid-Limburg dat risico zou\n\ndragen) waardoor de projectdoelstellingen beter kunnen worden gerealiseerd;\n\n• items die voorbij de scope van de ICT Prestatie zijn of voorbij de verwachting van\n\nGGD Zuid-Limburg (maar wel de projectdoelstelling raken).\n\n(…)\n\nBEOORDELING KANSENDOSSIER\n\nVoor het Kansendossier geldt onderstaand beoordelingskader\n\nVoor het onderdeel Kansendossier kunnen maximaal 4 punten worden behaald (voor weging).\n\n(…)\n\n5.2.5. \n\nUSABILITY TEST\n\nMet het oog op de beoordeling van het aspect ‘usability’ zal GGD Zuid-Limburg een\n\nklein aantal eenvoudige use cases ter voorbereiding aan de Inschrijvers verstrekken.\n\nOp één dag, zullen de Inschrijvers ieder gedurende 3 uur in de gelegenheid worden\n\ngesteld om aan naar verwachting vier geselecteerde senior gebruikers uit het\n\ngebruikersteam een proeftraining te verzorgen waarbij de medewerkers zelf de use\n\ncases in het aangeboden systeem moeten doorlopen (dus tijdens de proeftraining en\n\nderhalve onder begeleiding van de betreffende Inschrijvers). Tijdens de proeftraining\n\nzijn tevens naar verwachting drie leden van het beoordelingsteam van GGD Zuid-\n\nLimburg aanwezig. Direct na afloop van de proeftrainingen worden de scores door de\n\ntrainees en observatoren vastgelegd, waarna het voltallige beoordelingsteam tot een\n\nintegrale beoordeling komt.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n\nTopicus vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. primair, de GGD gebiedt de huidige aanbesteding in te trekken en - indien de\n\nGGD de opdracht nog wenst aan te besteden - tot heraanbesteding over te gaan;\n\nII. subsidiair, de GGD gebiedt over te gaan tot uitsluiting van [tussenkomende partij] en tot gunning\n\naan Topicus te besluiten op basis van de huidige beoordeling(en);\n\nIII. meer subsidiair, de GGD gebiedt de voorlopige gunningsbeslissingen in te\n\ntrekken en over te gaan tot herbeoordeling van alle inschrijvingen, althans van enkel\n\nde inschrijving van Topicus, inclusief uitvoering van een nieuwe Usability test,\n\nna aanstelling van een volledig nieuw beoordelingsteam, althans door het eerdere\n\nbeoordelingsteam, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in het vonnis wordt overwogen, en op basis daarvan een nieuwe gunningsbeslissing te nemen;\n\nIV. meer subsidiair, een voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in het kader\n\nvan goede justitie geraden acht;\n\nmet veroordeling van de GGD in de proceskosten, met inbegrip van nasalaris, met\n\nbepaling dat zij de proceskosten binnen 14 dagen na vonnisdatum moet betalen aan\n\nTopicus, bij gebreke waarvan de GGD de wettelijke rente over het bedrag der\n\nproceskosten verschuldigd zal zijn vanaf de dag volgende op die waarop genoemde\n\ntermijn is verstreken tot aan de dag der algehele voldoening.\n\n4.2.. De GGD en [tussenkomende partij] voeren verweer.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n5.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Topicus daarbij een spoedeisend belang heeft. Het spoedeisend belang vloeit naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval voort uit de aard van de gevraagde voorzieningen.\n\nJuridisch kader\n\n5.2.. De voorzieningenrechter stelt in algemene zin voorop dat aanbestedende diensten bij de vaststelling van de criteria voor Economisch Meest Voordelige Inschrijving en bij de waardering van de inschrijvingen op de gunningscriteria een ruime discretionaire bevoegdheid toekomt. Van belang is dat (i) het voor een kandidaat-inschrijver duidelijk is wat van hem wordt verwacht, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld, en (iii) de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk wordt gemotiveerd dat het voor de afgewezen inschrijvers mogelijk is om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. Slechts wanneer sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling, dan wel procedurele of inhoudelijke onjuistheden \u002F onduidelijkheden, die zouden kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor het ingrijpen door de rechter.\n\n5.3.. Verder is van belang dat van aanbestedende diensten mag worden verwacht dat de mededeling van een (voorlopige) gunning aan de verliezende inschrijver(s) in ieder geval de relevante redenen bevat voor die beslissing en dat daarin enig inzicht wordt gegeven in de kenmerken en voordelen van de winnende inschrijver, zoals de waardering van de scores van de winnende partij en hoe deze zich verhoudt tot de betreffende verliezende partij. De motiveringsplicht van de aanbestedende dienst is echter niet onbegrensd.\n\nPrimaire vordering: intrekken aanbestedingsprocedure en heraanbesteding\n\n5.4.. Volgens Topicus is op meerdere onderdelen sprake van schending van de beginselen van transparantie en gelijkheid, hetgeen moet leiden tot intrekking van de huidige aanbestedingsprocedure. Het betreft drie thema’s, die door Topicus worden aangeduid als T1(‘comply or explain’), T2 (de voorbeelden van adoptieproducten) en T3 (de beoordeling van de Usability test).\n\nT1: 'Comply or explain'\n\n5.5.. Topicus stelt zich op het standpunt dat de tekst van het Beschrijvend Document inzake de beoordeling van het Oplossingsvoorstel niet duidelijk is met betrekking tot de toepassing van het uitgangspunt ‘comply or explain’. Zij verwijst naar hetgeen hierover onder ‘Nota bene’ bij 5.2.1 is vermeld (zie ook rov. 3.9):\n\n“Nota bene: de aangeboden Digitaal Dossier JGZ dient aantoonbaar alle beschreven processen te ondersteunen cq. dienen te kunnen verwerken. Hierbij geldt het uitgangspunt: ‘comply or explain’. Indien in het aangeboden Oplossingsvoorstel onderwerpen\u002Ffunctionaliteiten niet worden besproken die wel in de Lichtblauwdruk zijn beschreven gaat GGD Zuid-Limburg er van uit dat het betreffende onderwerp c.q. de betreffende functionaliteit onderdeel van het aanbod van de Inschrijver is, daarmee tot de verplicht op te leveren prestatie(s) behoort, zodat de functionaliteitbij indienen van de Inschrijving ‘out of the box’ beschikbaar is.”\n\nTopicus heeft dit aldus opgevat, dat als een partij over een onderwerp\u002Ffunctionaliteit nietsschrijft, of daarin onvolledig is, zij op basis van dit beginsel de volle punten dient te krijgen. In dat geval moet immers worden aangenomen dat dit onderwerp (c.q. het ontbrekende deel) is aangeboden conform de vraag. Bij ontvangst van de beoordeling is Topicus gebleken dat het beoordelingsteam er kennelijk van uit is gegaan, dat wat er niet (of niet volledig) staat, er niet is. Topicus stelt zich op basis daarvan op het standpunt dat de hiervoor aangehaalde tekst in ieder geval op meerdere wijzen kan worden geïnterpreteerd en dus niet transparant is.\n\n5.6.. De GGD stelt dat voornoemde tekst met betrekking tot ‘comply or explain’ met name ziet op de directe beschikbaarheid van een bepaalde functionaliteit op het moment van inschrijving. Het vormt dus een contractuele borging voor de GGD: als iets niet is benoemd, maar wel is uitgevraagd, kan de winnende inschrijver niet een meerprijs voor dat onderdeel bedingen. Dat neemt niet weg dat de kwaliteit van dat aspect nog moet worden beoordeeld. Indien een aspect niet is beschreven, kan de kwaliteit niet worden beoordeeld, hetgeen tot een lagere score leidt, aldus de GGD. Zij wijst er op dat voornoemde tekst moet worden gelezen in samenhang met de overige onderdelen van het Beschrijvend Document, met name paragraaf 5.2, waarin tabel 6 met betrekking tot de toekenning van de scores is opgenomen (zie rov. 3.9). Uit die tabel volgt dat kwaliteit hoe dan ook onderdeel is van de beoordeling, aldus de GGD.\n\n5.7.. \n [tussenkomende partij] voert aan dat Topicus eraan voorbij gaat dat de GGD zich heeft te houden aan de vooraf aangekondigde gunningssystematiek. Op grond van het Beschrijvend Document, ook in samenhang met de beide Nota’s van Inlichtingen is sprake van een beoordelingssystematiek die voor een normaal oplettende inschrijver voldoet aan transparantiebeginsel en gelijkheidsbeginsel. De uitleg en toepassing van de betrokken beoordelingssystematiek dient uitgelegd te worden aan de hand van de zogenaamde CAO-norm, aldus [tussenkomende partij] .\n\n5.8.. \n\nDe voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het transparantiebeginsel, neergelegd in artikel 1.9, eerste lid van de Aanbestedingswet 2012 (AW), heeft – in de woorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie – “in essentie ten doel te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Het impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn”.\n\nTer beoordeling ligt dus de vraag voor of de door Topicus aangehaalde tekst inzake het uitgangspunt 'comply or explain' zodanig is geformuleerd, dat alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren.\n\n5.9.. Bij die beoordeling heeft als uitgangspunt te gelden dat de tekst met betrekking tot ‘comply or explain’ moet worden gelezen in de context van de overige aanbestedingsdocumenten, waaronder in het bijzonder de overige tekst van paragraaf 5.2 van het Beschrijvend Document, waarvan deze tekst deel uitmaakt. In die paragraaf wordt (in tabel 6) het beoordelingskader voor drie kwaliteitsdocumenten, waaronder het Oplossingsvoorstel, vooropgesteld. Uit dat beoordelingskader volgt, kort gezegd, dat het niet of onvolledig in beschouwing nemen van een aspect leidt tot toekenning van minder, of zelfs nul, punten (zie rov. 3.9). Mede in het licht van deze ‘overkoepelende’ tekst kan de opmerking met betrekking tot het Oplossingsvoorstel, dat gevraagde functionaliteiten die niet worden besproken (met toepassing van ‘comply or explain’) worden geacht deel uit te maken van het aanbod van de inschrijver, niet anders worden uitgelegd dan dat dit is bedoeld als een contractuele borging, in die zin dat met betrekking tot die niet-benoemde functionaliteiten achteraf niet kan worden gesteld dat deze niet zijn aangeboden, of aanspraak kan worden gemaakt op extra ontwikkelkosten of -tijd. Deze uitleg wordt ondersteund door de overige tekst van deze ‘nota bene’, waarin wordt benadrukt dat het onderwerp ‘daarmee tot de verplicht op te leveren prestatie(s) behoort, zodat de functionaliteit bij indienen van de Inschrijving ‘out of the box’ beschikbaar is.’Aanwijzingen dat met de tekst onder ‘nota bene’ is bedoeld af te wijken van het in paragraaf 5.2 opgenomen algemene beoordelingskader zijn er niet. Voor de door Topicus gestelde uitleg, dat het niet benoemen van functionaliteiten niet tot puntenaftrek zou kunnen leiden (anders gezegd: dat voor de niet benoemde functionaliteiten zonder meer het maximaal aantal punten zou (moeten) worden toegekend) biedt de tekst van het Beschrijvend Document verder geen aanknopingspunten. Deze uitleg ligt ook niet voor de hand, nu dat zou betekenen dat een inschrijver de beoordeling gemakkelijk kan manipuleren door bepaalde aspecten\u002Ffunctionaliteiten niet te behandelen. Dat zou de transparantie niet ten goede komen.\n\n5.10.. Gelet op het voorgaande is onvoldoende gebleken dat de uitleg van de ‘nota bene’ voor behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers niet helder is en dat (daarmee) sprake zou zijn van een transparantiegebrek. Daar komt bij dat, zou de uitleg van Topicus wel worden gevolgd, de tekst van het Beschrijvend Document (met name tabel 6 en de tekst onder de ‘nota bene’ van paragraaf 5.2.1) zozeer innerlijk tegenstrijdig zou zijn geweest dat van Topicus had mogen worden verwacht dat zij hier voorafgaand aan het indienen van haar inschrijving vragen over zou stellen.\n\nT2: adoptieproducten\n\n5.11.. Topicus stelt daarnaast dat het Beschrijvend Document niet helder is ten aanzien van het aanleveren van voorbeelden bij de lijst van aspecten, weergegeven op pagina 35, waarop in het Transitieplan moest worden ingegaan. In Aspect 15 onder b van het Beschrijvend Document staat dat inschrijver de adoptieproducten die zij oplevert (zoals handleidingen, instructievideo’s, e-learning) moet beschrijven en daarvan voorbeelden moet aanleveren. Topicus heeft in haar Transitieplan verschillende adoptieproducten beschreven en voorbeelden geleverd door opsommingen te geven van bepaalde producten, zoals beschikbare PowerPoint-modules, FAQ-onderwerpen en instructiekaarten. Na ontvangst van de voorlopige gunningsbeslissing is gebleken dat de tekst van de uitvraag op meerdere manieren te interpreteren was. Het beoordelingsteam had blijkbaar verwacht dat de producten zelf zouden worden aangeleverd. Dit betreft echter filmpjes, powerpoints en fysieke folders. Van het bijvoegen van dit soort digitale bestanden of opsturen van fysieke documenten spreekt het Beschrijvend Document echter nergens. Had Topicus begrepen dat de producten zelf moesten worden bijgevoegd, had ze dat natuurlijk gedaan, aldus Topicus.\n\n5.12.. De GGD stelt zich primair op het standpunt dat Topicus haar rechten heeft verwerkt om bezwaar te maken tegen de uitleg van deze eis. Daarnaast stelt zij dat uit de tekst van het Beschrijvend Document voldoende duidelijk blijkt dat niet enkel voorbeelden moesten worden genoemd, maar dat deze daadwerkelijk moesten worden aangeleverd.\n\n5.13.. De tekst in het Beschrijvend Document waarop Topicus doelt is de volgende (zie ook rov. 3.9):\n\n“(…) Onderstaandeaspecten dienen minimaal in het Transitieplan uitgewerkt te zijn:\n\n(…)\n\n15 (…)\n\nd. (…)\n\ne. beschrijf de adoptieproducten (zoals handleidingen, instructievideo’s, e-learning) die u oplevert op basis waarvan in uw perspectief een eindgebruiker de geboden oplossing zonder aanvullende rol van een adoptieconsultant in gebruik zou moeten kunnen nemen, lever voorbeelden aan van de adoptieproducten die u aanbiedt;\n\nf. (…)\n\n(…)”\n\n5.14.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze tekst niet voor andere uitleg vatbaar dan dat is bedoeld dat fysieke voorbeelden (of afbeeldingen) moeten worden verstrekt. Aanknopingspunten dat hiermee zou kunnen worden bedoeld dat (slechts) een opsomming wordt verstrekt van bepaalde toepassingen biedt de tekst niet. ‘Aanleveren’ is iets anders dan ‘benoemen’ of ‘opsommen’. Onduidelijk is ook wat een enkele opsomming zou toevoegen, naast de gevraagde beschrijving van deze producten. De formulering in het Beschrijvend Document is dus niet onduidelijk; het is onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een schending van het transparantiebeginsel.\n\nT3: spelregels Usability test niet transparant\n\n5.15.. Ten aanzien van de Usability test (proeftraining) stelt Topicus dat sprake is van schending van zowel het transparantiebeginsel als het gelijkheidsbeginsel (artikel 1.8 AW).\n\nTransparantiebeginsel\n\nIn paragraaf 5.2.5. van het Beschrijvend Document is nadere informatie over de Usability test opgenomen. Topicus stelt dat de daar gegeven beschrijving niet voldoet aan het transparantiebeginsel, omdat is vermeld dat de proeftraining “naar verwachting” aan vier geselecteerde senior gebruikers uit het gebruikersteam zal worden aangeboden en dat daarnaast naar verwachting drie leden van het beoordelingsteam van de GGD aanwezig zullen zijn (in totaal dus zeven personen). De precieze aantallen van gebruikers en leden van het beoordelingsteam zouden bij de tweede Nota van Inlichtingen worden gecommuniceerd. Dat is niet gebeurd en daarom is Topicus er vanuit gegaan dat de in het Beschrijvend Document genoemde aantallen zouden worden opgevolgd. In de op 29 januari 2026 ontvangen uitnodiging is vermeld dat “een aantal” geselecteerde gebruikers (trainees) en “enkele leden” van het beoordelingsteam van de GGD (observatoren) aanwezig zullen zijn bij de proeftraining. Bijgevoegd was een lijst met twaalf personen. Hiermee was niet helder i) hoeveel mensen er zouden toetsen, ii) hoeveel daarvan aan de test zouden deelnemen en hoeveel er zouden observeren, iii) welke personen dit zouden zijn, en iv) wat de status is van deze uitnodiging ten opzichte van de werkwijze van het Beschrijvend Document. Deze vage spelregels vormen een schending van het transparantiebeginsel, aldus Topicus.\n\nSchending gelijkheidsbeginsel\n\nHet bovenstaande heeft volgens Topicus niet alleen geleid tot schending van het transparantiebeginsel, maar ook van het gelijkheidsbeginsel. Tijdens de proeftraining bleek namelijk dat niet de gecommuniceerde zeven personen maar alle twaalf personen van de lijst aanwezig waren. Deze groep had bovendien een andere samenstelling dan op het document met namen vermeld was. Zo waren bij de proeftraining van Topicus niet twee, maar drie functioneel beheerders aanwezig. Daarnaast heeft op enig moment tijdens de test één van de ‘trainees’ gedurende een periode van 30 tot 60 minuten de training verlaten. Als reden is mondeling toegelicht dat zij tijdelijk op een andere plek nodig was, omdat zij een presentatie moest geven. De derde inschrijver, [bedrijf] , heeft desgevraagd aan Topicus bevestigd dat tijdens haar testdag wél (zoals aangekondigd) twee functioneel beheerders aanwezig waren en dat niemand de test tijdelijk heeft verlaten. Hiermee heeft het risico van een ongelijk speelveld (al dan niet door toedoen van het gebrek aan transparantie) zich gerealiseerd, zo stelt Topicus.\n\n5.16.. De GGD en [tussenkomende partij] stellen in de eerste plaats dat Topicus haar recht heeft verwerkt om over het doorgeven van de aanwezigen bij de Usability test te klagen. Topicus was vanaf 29 januari 2026 op de hoogte van de lijst met aanwezigen; nergens is uit gebleken dat zij zich daarmee niet kon verenigen. Daarnaast betwist de GGD dat sprake is van schending van het transparantie- of gelijkheidsbeginsel. De Usability test en de beoordeling daarvan is uitgevoerd conform het vooraf kenbaar gemaakte beoordelingskader, de inschrijvers hebben dezelfde voorbereidingstijd gekregen, identieke use-cases ontvangen en de proeftrainingen hadden een gelijke duur. Hoewel de namen van de betrokken deelnemers en beoordelaars later is doorgegeven dan de tweede Nota van Inlichtingen, hebben de inschrijvers daar geen nadeel van ondervonden. Dit was immers voor alle inschrijvers gelijk. De tijdelijke afwezigheid van één van de trainees heeft geen effect gehad op de beoordeling. De use-cases namen niet de volle tijd in beslag en de desbetreffende deelnemer had alle testactiviteiten afgerond. Ook de aanwezigheid van drie in plaats van twee functioneel beheerders heeft geen invloed gehad op de boordeling; drie functioneel beheerders hadden namelijk evenveel gewicht in te brengen als twee. Dat geldt temeer, nu de score uiteindelijk is vastgesteld door het beoordelingsteam en niet door de trainees, aldus de GGD. [tussenkomende partij] wijst er daarnaast nog op dat aan het beoordelingsteam beoordelingsruimte moet worden gegund.\n\n5.17.. In paragraaf 5.2.5 van het Beschrijvend Document is met betrekking tot de Usability test het volgende opgenomen (zie ook rov. 3.9):\n\n“Op één dag, zullen de Inschrijvers ieder gedurende 3 uur in de gelegenheid worden\n\ngesteld om aan naar verwachting vier geselecteerde senior gebruikers uit het\n\ngebruikersteam een proeftraining te verzorgen waarbij de medewerkers zelf de use\n\ncases in het aangeboden systeem moeten doorlopen (dus tijdens de proeftraining en\n\nderhalve onder begeleiding van de betreffende Inschrijvers). Tijdens de proeftraining zijn tevens naar verwachting drie leden van het beoordelingsteam van GGD Zuid-Limburg aanwezig. Direct na afloop van de proeftrainingen worden de scores door de trainees en observatoren vastgelegd, waarna het voltallige beoordelingsteam tot een integrale beoordeling komt.”\n\nDeze beschrijving is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende concreet en er wordt duidelijk een slag om de arm gehouden ten aanzien van het aantal gebruikers en beoordelaars. Niet voldoende aannemelijk is geworden dat dit een schending van het transparantiebeginsel oplevert. Dat vervolgens pas bij brief van 29 januari 2026 informatie over de definitieve samenstelling van de groep aanwezigen wordt gegeven, waarbij niet\n\nduidelijk is hoeveel leden van het beoordelingsteam aanwezig zullen zijn, verdient weliswaar niet de schoonheidsprijs, maar dit brengt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer mee dat sprake is van een zodanige schending van het transparantiebeginsel dat dit moet leiden tot intrekking van de aanbestedingsprocedure.\n\n5.18.. \n\nMet betrekking tot de gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel doordat bij Topicus niet twee, maar drie functioneel beheerders aanwezig zijn geweest, geldt het volgende. De GGD heeft ter zitting uitgelegd dat op maandag (de testdag van inschrijver [bedrijf] ) een van de twee geplande functioneel beheerders verhinderd was. Om die reden is een derde functioneel beheerder ingevallen, zodat er toch twee functioneel beheerders aanwezig waren. Op dinsdag (de testdag van Topicus en [tussenkomende partij] ) kon de eerder verhinderde functioneel beheerder wel aanwezig zijn; omdat de derde functioneel beheerder al aanwezig was geweest bij [bedrijf] is besloten deze functioneel beheerder, juist met het oog op de gelijkheid, ook aanwezig te laten zijn op dinsdag, aldus de GGD. Als gevolg daarvan waren er op dinsdag drie functioneel beheerders aanwezig.\n\nNaar het oordeel van de voorzieningenrechter kan gelet op deze uitleg niet worden vastgesteld dat de situatie voor alle inschrijvers gelijk is geweest. Niet duidelijk is echter in hoeverre het belang van Topicus hierdoor is geschonden. Er zijn immers zowel bij Topicus als bij beoogd winnaar [tussenkomende partij] drie functioneel beheerders aanwezig geweest. Deze klacht van Topicus kan dus niet slagen.\n\n5.19.. Anders is dit voor het (niet betwiste) feit dat één van de trainees 30 tot 60 minuten afwezig is geweest. Topicus heeft ter zitting toegelicht dat, hoewel de use-cases wellicht niet de volle drie uur in beslag namen, wel gedurende deze gehele tijd door haar informatie werd gegeven over het systeem. Daardoor heeft de trainee tijdens haar afwezigheid mogelijk informatie gemist. Dit kan van invloed zijn op haar ervaring en haar input aan de observatoren en daarmee op het oordeel van het beoordelingsteam. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel.\n\n5.20.. \n\nDe hiervoor vastgestelde inbreuk is echter beperkt tot de uitvoering van dit specifieke onderdeel van de aanbestedingsprocedure. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter biedt dit onvoldoende grond voor een gebod tot intrekking van de gehele aanbestedingsprocedure. Een gevolg van de inbreuk is echter wel dat de Usability test voor alle drie de inschrijvers opnieuw zal moeten worden uitgevoerd. Bij die nieuwe uitvoering dient de samenstelling van de groep aanwezigen (zowel trainees als observatoren) voor alle drie de inschrijvers hetzelfde te zijn. Ook dienen – voor zover mogelijk – nieuwe, niet bij de vorige test betrokken, trainees te worden ingeschakeld, met dien verstande dat de test wel zoveel mogelijk dient te worden uitgevoerd door key users en niet door incidentele gebruikers.\n\nOp grond van het voorgaande zal de primaire vordering worden afgewezen, met dien verstande dat de Usability test met inachtneming van het voorgaande opnieuw zal moeten worden uitgevoerd.\n\nSubsidiaire vordering: uitsluiting van [tussenkomende partij] en gunning aan Topicus\n\n5.21.. Topicus stelt dat de inschrijving van [tussenkomende partij] ter zijde had moeten worden gelegd, omdat niet wordt voldaan één van de geschiktheidseisen waaraan getoetst moet worden voordat wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling. Het gaat hier om de eis met betrekking tot de technische bekwaamheid die, kort gezegd, ziet op kennis van en\u002Fof ervaring in het uitvoeren van een migratie vanuit het huidige systeem voor het Digitaal Dossier JGZ (KD+ van Topicus) naar het systeem van de aanbieder. Deze kerncompetentie moest worden aangetoond door middel van een referentie, namelijk een overeenkomst waaronder de competentie is uitgevoerd. In het Beschrijvend Document is over deze referenties het volgende opgenomen (subparagraaf 4.3.2.3, zie ook rov. 3.9):\n\n“4.3.2.3 Kerncompetenties\n\nReferenties waarmee Inschrijver de onderstaande kerncompetenties aantoont en aan de hierna gestelde randvoorwaarden voldoet. De referenties, dat wil zeggen de ingangsdatum(s) van de overeenkomst(en), mogen niet ouder zijn dan drie jaar, gerekend vanaf het moment van indienen van de Inschrijving en de betreffende overeenkomst(en) dien(t)(en) minimaal zes maanden actueel te zijn. De kerncompetenties dienen te worden aangetoond, gebruik makend van de referentiesjabloon in Bijlage 6.6.”\n\nVolgens Topicus voldoet [tussenkomende partij] niet aan deze eis, hetgeen zij ook kenbaar heeft gemaakt in haar bezwaar tegen de voorlopige gunningsbeslissing. De GGD heeft in haar reactie op bezwaar verwezen naar een door [tussenkomende partij] overgelegde overeenkomst van 4 juli 2025. Deze overeenkomst voldoet volgens Topicus echter niet aan de eis dat de overeenkomst minimaal zes maanden actueel dient te zijn. Dat wil volgens Topicus namelijk zeggen dat minimaal zes maanden daadwerkelijk uitvoering moet zijn gegeven aan die overeenkomst, hetgeen betekent dat daadwerkelijke conversie en migratie minimaal zes maanden geleden moet hebben plaatsgevonden. Dat was in dit geval pas op 13 oktober 2025 en daarmee was de overeenkomst dus niet zes maanden actueel op het moment van inschrijving, aldus Topicus. Dat dit vereiste zo moet worden uitgelegd blijkt niet alleen uit objectieve tekst, maar ook uit het doel van deze kerncompetentie: het gaat immers om ervaring die daadwerkelijk is opgedaan. De ervaring leert dat er vaak geruime tijd verstrijkt tussen het sluiten van een overeenkomst voor levering van een ICT-systeem en de daadwerkelijke uitvoering daarvan, in verband met lange periodes van implementatie. Vervolgens kan het nog maanden daarna duren voordat de eerste kinderziektes blijken (zoals informatie die per abuis niet blijkt te zijn overgezet of functionaliteiten die slechts sporadisch worden gebruikt die toch niet blijken te werken). Door op grond van de overeenkomst van 4 juli 2025 aan te nemen dat [tussenkomende partij] voldoet aan deze kerncompetentie heeft de GGD het toetsingskader voor de kerncompetenties onjuist toegepast, aldus Topicus.\n\n5.22.. De GGD en [tussenkomende partij] hebben zich op het standpunt gesteld dat de hiervoor geformuleerde uitleg van Topicus van het begrip 'actueel' niet juist is. [tussenkomende partij] wijst erop dat bij de uitleg van aanbestedingsstukken de tekst doorslaggevend is (de zogenoemde ‘CAO-norm’); de door Topicus voorgestane uitleg blijkt op geen enkele wijze uit het Beschrijvend Document. De betrokken overeenkomst is van 4 juli 2025 (in welk kader de migratie is uitgevoerd) en voldoet dus aan het vereiste ‘minimaal zes maanden actueel’, aldus [tussenkomende partij] . De GGD voert aan dat ‘actueel’ betekent dat minimaal zes maanden daadwerkelijk uitvoering gegeven moet zijn aan de overeenkomst. Daarvan is niet pas sprake na migratie, maar ook al bij de werkzaamheden die worden uitgevoerd in verband met (en ter voorbereiding van) de migratie. Bij de behandeling ter zitting heeft de GGD toegelicht dat [tussenkomende partij] in het door haar ingediende referentieformulier niet alleen deze overeenkomst heeft genoemd, maar ook heeft beschreven welke werkzaamheden in dat kader door haar waren verricht. Van de zijde van [tussenkomende partij] is voorts bij de behandeling ter zitting aangevoerd dat de GGD van de in het referentieformulier verstrekte informatie mag uitgaan en niet verplicht is deze te verifiëren. Naar aanleiding daarvan heeft de GGD vermeld dat zij naar aanleiding van het bezwaar van Topicus de referentie heeft geverifieerd en haar toen is gebleken dat de informatie juist was.\n\n5.23.. \n\nDit onderdeel van het geschil tussen partijen draait om de uitleg van de eis ‘minimaal zes maanden actueel’, zoals vermeld in bovenstaande passage uit het Beschrijvend Document. De voorzieningenrechter stelt in dat verband voorop dat, mede gelet op het bij openbare aanbestedingen geldende transparantiebeginsel, bij de uitleg van aanbestedingscriteria aansluiting moet worden gezocht bij de zogenoemde CAO-norm. Bij die uitleg komt het aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de desbetreffende passage, gelezen in het licht van de gehele tekst van de aanbestedingsstukken, met dien verstande dat het in het kader van deze aanbestedingsprocedure aankomt op wat de normaal oplettende en goed geïnformeerde inschrijver daaruit moest begrijpen.\n\nIn dit geval is tussen partijen (althans tussen Topicus en de GGD) niet in geschil dat 'zes maanden actueel' betekent dat zes maanden daadwerkelijk uitvoering is gegeven aan de overeenkomst (in tegenstelling tot enkele ondertekening daarvan). De discussie tussen deze partijen ziet dus op de vraag: wat is 'daadwerkelijk uitvoering geven': daadwerkelijke migratie of ook het proces daaraan voorafgaand? Anders dan gesteld door Topicus volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de tekst van subparagraaf 4.3.2.3 niet dat met ‘actueel’ wordt bedoeld dat de migratie daadwerkelijk moet zijn uitgevoerd. De tekst spreekt immers niet van een ‘volledig uitgevoerde overeenkomst’ of een ‘uitgevoerde of afgeronde migratie’. Evenmin volgt de door Topicus voorgestane uitleg uit de strekking van de tekst, die erop neerkomt dat de inschrijver daadwerkelijke ervaring (en dus niet enkel een ondertekende overeenkomst) moet hebben. Dit past bij de uitleg van de GGD dat de inschrijver in ieder geval zes maanden bezig dient te zijn geweest met de uitvoering, dat wil zeggen, met het (voorbereidende) migratietraject. In de uitleg die Topicus geeft is die (extra) termijn van zes maanden niet goed te verklaren; de ervaring blijkt dan immers al uit het feit dat men de migratie heeft voltooid. Of zich nadien nog ‘kinderziektes’ voordoen is in dat verband niet relevant; de eis luidt immers niet dat de migratie zonder kinderziektes moet zijn verlopen of dat de inschrijver aantoonbaar in staat moet zijn deze goed af te handelen. Bij het voorgaande overweegt de voorzieningenrechter nog dat [tussenkomende partij] in haar inschrijving heeft verklaard welke werkzaamheden zij heeft verricht in het kader van de referentie-overeenkomst. De ervaring die met die werkzaamheden is opgedaan is kennelijk voor de GGD voldoende om aan te nemen dat aan de kerncompetentie is voldaan. De voorzieningenrechter treedt niet in die beoordeling.\n\nOp grond van het voorgaande zal de subsidiaire vordering worden afgewezen.\n\nMeer subsidiaire vordering: intrekking voorlopige gunningsbeslissing en herbeoordeling\n\n5.24.. Aan haar meer subsidaire vordering legt Topicus ten grondslag dat de Gunningsbeslissing meerdere fouten in de beoordeling bevat waardoor op een groot aantal onderdelen door Topicus ten onrechte niet het maximale aantal punten is gescoord. Deze beoordelingsfouten zijn door Topicus aangeduid met B1 tot en met B18. De beoordelingsfout B12 is bij aanvang van de behandeling ter zitting ingetrokken.\n\nGestelde fouten in beoordeling Oplossingsvoorstel\n\nB1 t\u002Fm B4 'functionaliteiten nog niet aanwezig'5.25.. Bij de beoordeling van de inschrijving van Topicus heeft het beoordelingsteam met betrekking tot de aspecten 1.1, 1.5, 1.6 en 6 niet de maximale score toegekend, met de motivering – kort gezegd – dat bepaalde functionaliteiten op het moment van inschrijving nog niet actief dan wel niet (aantoonbaar) aanwezig waren. Topicus stelt dat dit echter niet vereist is, omdat het gaat om uitvoeringseisen. Deze functionaliteiten hoefden dus pas beschikbaar te zijn bij de start van de uitvoering. Daarbij voert Topicus aan dat een van de doelen van de GGD met deze aanbesteding was om de nieuwste “state of the art’-mogelijkheden te verkennen. Inherent aan dit doel en deze wijze van uitvraag is dat de GGD had mogen verwachten dat nog niet alle aangeboden functionaliteiten op het moment van inschrijving actief waren. Topicus heeft in haar voorstel vermeld dat de functionaliteiten ‘ruim voor de livegang’ beschikbaar zullen zijn en dat ze uiterlijk in het tweede kwartaal van 2026 zullen worden afgerond. Deze toezegging zal zij gestand doen en daar moest de GGD dan ook van uit gaan.\n\n5.26.. Volgens de GGD miskent Topicus dat de GGD ‘commercial off the shelf’ software wenst in te kopen met deze aanbestedingsprocedure. De functionaliteiten die de GGD afneemt, dienen dus al beschikbaar te zijn. Dit volgt ook uit de expliciete vermelding bij aspect 2 in subparagraaf 5.2.1 van het Beschrijvend Document dat het onwenselijk wordt geacht als functionaliteiten nog niet beschikbaar zijn en dat, als dat toch het geval is, duidelijk moet worden aangegeven binnen welke bindende termijn deze alsnog zullen worden opgeleverd. Uit het Oplossingsvoorstel van Topicus blijkt verder dat de aspecten die Topicus aandraagt noch bij inschrijving, noch bij de start van de uitvoering in het tweede kwartaal van 2026 beschikbaar zouden zijn. In de dagvaarding bevestigt Topicus nogmaals dat de innovaties pas in het tweede kwartaal van 2026 zouden worden afgerond. In het Oplossingsvoorstel is dit zeer summier omschreven, aldus de GGD.\n\n5.27.. \n\nDe voorzieningenrechter volgt Topicus niet in haar algemene betoog dat er in dit geval onverkort van kan worden uitgegaan dat pas bij de start van de uitvoering – waarmee Topicus kennelijk bedoelt: op het moment van migratie of livegang – aan de eisen voldaan hoeft te zijn. In de eerste plaats dient 'start uitvoering opdracht' naar het oordeel van de voorzieningenrechter zo te worden uitgelegd dat daarmee (letterlijk) is bedoeld de start van de uitvoering van de overeenkomst, dat wil zeggen de start van de voorbereidingswerkzaamheden van de implementatie\u002Fmigratie van het systeem (zie ook hetgeen daarover hierna is overwogen met betrekking tot punt B11, in rov. 5.61).\n\nIn dit geval wordt de mogelijkheid dat pas bij (start) uitvoering van de opdracht aan de eisen voldaan hoeft te zijn bovendien begrensd doordat in het Beschrijvend Document uitdrukkelijk is aangegeven dat (i) sprake dient te zijn van 'off the shelf'- software (paragraaf 2.5) en (ii) dat in geval van ontwikkeling\u002Fgeneriek maatwerk een bindende termijn moet worden genoemd waarbinnen de functionaliteit alsnog zal worden opgeleverd (subparagraaf 5.2.1, aspect 2). Hiermee kan ook de stelling van Topicus niet slagen dat het inherent is aan het innovatieve karakter van de opdracht dat niet alle aangeboden functionaliteiten op het moment van inschrijving actief zijn. De voorzieningenrechter volgt Topicus ook niet in haar stelling dat het buiten het beoordelingskader zou vallen indien in de beoordeling wordt meegewogen dat een functionaliteit nog niet actief is. Dit vereiste is immers opgenomen in het Beschrijvend Document bij de beoordeling van kwaliteitsdocumenten (subparagraaf 5.2.1, aspect 2).\n\n5.28.. Gelet op het voorgaande heeft het beoordelingsteam ten aanzien van de aspecten 1.1, 1.6 en 6 tot het oordeel kunnen komen dat waar in het Oplossingsvoorstel is aangegeven dat de software nog niet beschikbaar is bij de start van de uitvoering van de opdracht, zeker waar geen exacte termijn is genoemd, dit tot gevolg heeft dat daarvoor minder dan de maximale punten worden toegekend. Dit geldt ook voor aspect 1.6. Topicus stelt in deze procedure dat de software er al was, maar uit haar Oplossingsvoorstel, pagina 76 bij 'Filters bij roosters' en 'maandelijks roosteroverzicht' blijkt dat genoemde functionaliteiten nog ontwikkeld moeten worden. Ten aanzien van deze aspecten is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldoende aannemelijk geworden dat een beoordelingsfout is gemaakt.\n\n5.29.. Dit is echter anders ten aanzien van aspect 1.5 betreffende ‘Communicatie binnen JGZ’. Op pagina 67 van het Oplossingsvoorstel van Topicus is vermeld “Binnen het Digitaal Dossier speelt onze module taakbeheer en werklijst een centrale rol voor het communiceren binnen de JGZ. Medewerkers kunnen hiermee informatie uitwisselen op individueel niveau, binnen teams en disciplines, én organisatiebreed.” Gelet op deze tekst uit het oplossingsvoorstel is niet duidelijk op welke grond het beoordelingsteam tot het oordeel is gekomen: “(1) niet aangetoond dat communicatie per discipline nu mogelijk is (wordt wel ontwikkeld). (2) Niet aangetoond dat communicatie naar iedereen met toegang tot DDJGZ nu mogelijk is (wordt wel ontwikkeld).”Dit blijkt niet uit de tekst van het Oplossingsvoorstel, terwijl uit de motivering van het beoordelingsteam evenmin blijkt waarom zij hier (toch) van uitgaat.\n\nB5 + B6 (aspect 1.2.1)5.30.. Met betrekking tot aspect 1.2.1 (cliëntcontact\u002Falgemeen) heeft het beoordelingsteam geoordeeld in de voorlopige gunningsbeslissing:\n\n“(1) Bij consultvoorbereiding niet aangetoond dat items door ons te bewerken zijn.\n\n(2) Bij registeren van vaccinaties moet je naar ander scherm ipv vanuit contactmoment zelf. (3) Onduidelijk of antwoorden van vragenlijsten nog bewerkbaar zijn na afronden consult.”\n\n5.31.. De klacht B5 van Topicus ziet op voormelde beoordeling onder (1) en (3). Topicus bevestigt dat haar inschrijving hier niets over vermeldt (in het Oplossingsvoorstel op pagina 28), maar stelt dat hier 'comply or explain' van toepassing is. Topicus is daarvan uitgegaan en dat had het beoordelingsteam ook moeten doen, zo stelt zij.\n\n5.32.. De GGD heeft hier verwezen naar hetgeen zij ten aanzien van T1 heeft aangevoerd.\n\n5.33.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter komt, ook als in het Oplossingsvoorstel een paragraaf in het geheel niet is besproken (zodat mogelijk het systeem van 'comply or explain' van toepassing is) het risico dat hierdoor een beoordeling op kwaliteit niet goed mogelijk is, voor rekening en risico van Topicus. Uit de aanbestedingsstukken blijkt immers niet – en Topicus had dat daar ook niet uit kunnen opmaken, zoals hiervoor reeds ten aanzien van T1 overwogen – dat, indien over een functionaliteit niets wordt beschreven door de inschrijver, daarmee automatisch de maximale score moet worden toegekend.\n\n5.34.. Klacht B6 ziet op de hiervoor geciteerde beoordeling onder (2). Het daar genoemde kritiekpunt ziet niet op de kwaliteit van het oplossingsvoorstel – waar op getoetst zou worden – maar op gebruiksgemak, aldus Topicus. Bij de beoordeling van de kwaliteit zou slechts moeten worden beoordeeld of de functionaliteit volledig is uitgewerkt en aansluit bij de geformuleerde functionele behoefte van de GGD (zie tabel 6 in paragraaf 5.2 van het Beschrijvend Document). Daaraan wordt voldaan, aldus Topicus. Het gebruiksgemak wordt volgens Topicus getoetst door middel van de Usability test. Het is onjuist hiervoor bij de beoordeling van kwaliteit en functionaliteit puntenaftrek te geven, aldus Topicus.\n\n5.35.. De GGD stelt dat de reden voor een lagere score genoemd onder 2 volgt uit de Lichtblauwdruk. Bovendien volgt uit de aanbestedingsstukken nadrukkelijk dat het doel van de aanbesteding een ICT-systeem is dat is gericht op klanttevredenheid en gebruiksgemak. Het beoordelingsteam is dus niet buiten het beoordelingskader getreden, aldus de GGD.\n\n5.36.. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De tekst van de Lichtblauwdruk waar beide partijen naar verwijzen luidt als volgt:\n\n“Voorafgaand tijdens de voorbereiding van het consult en tijdens het consult moet de professional deze antwoorden (van de bij afspraakbevestiging toegezonden vragenlijst Rb.) kunnen aanvullen, zodat deze direct bruikbaar zijn voor de voorbereiding en uitvoering van het gesprek. Na afronding van het consult is de vragenlijst niet meer te bewerken.”\n\nNaar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit deze tekst – naast andere passages in de aanbestedingsstukken – dat ook gebruiksgemak van belang is. Dit volgt ook uit het beoordelingskader in tabel 6. Daarin wordt immers steeds in de eerste zin van de beschrijving bij de verschillende scores verwezen naar het gemak waarmee de taak kan worden uitgevoerd, met de volgende gradaties:\n\n'de taak kan niet zoals bedoeld worden uitgevoerd' (0 punten)\n\n'de taak kan worden uitgevoerd, maar met ernstige belemmeringen: onlogische stappen (...)'(1 punt)\n\n'de taak lukt, maar met merkbare omwegen (...) Het kost meer tijd dan verwacht door inefficiënte structuur (...)' (2 punten)\n\n'de taak verloopt grotendeels intuïtief. Er zijn kleine inefficiënties (...)' (3 punten)\n\n'de taak verloopt snel en vanzelfsprekend' (4 punten)\n\nGelet hierop kon het beoordelingsteam de omstandigheid dat bij het registreren van vaccinaties naar een ander scherm moet worden genavigeerd (in plaats van registratie vanuit het contactmoment zelf) betrekken in de beoordeling. De voorzieningenrechter volgt Topicus niet in haar stelling dat de Usability test hiervoor bedoeld was. Die test ziet immers blijkens het Beschrijvend Document (subparagraaf 5.2.5) op andere aspecten van gebruiksgemak, zoals 'toegankelijkheid & navigeerbaarheid' (waaronder vindbaarheid van gegevens, menustructuur etc.), 'begrijpbaarheid & leerbaarheid' en 'gebruik en aantrekkelijkheid' (in de zin van compatibiliteit met browsers, grafische vormgeving, consistentie etc.). Kortom, dat sprake is van beoordelingsfouten op de punten B5 en B6 is onvoldoende aannemelijk geworden.\n\nB7 (aspect 1.2.2)5.37.. Dit aspect betreft het onderwerp ‘cliëntcontact\u002Fvorm’. Uit de voorlopige gunningsbeslissing volgt dat het beoordelingsteam op dit aspect niet de maximale score heeft gegeven vanwege vier punten van kritiek. Twee van die vier punten zijn volgens Topicus evident onjuist. Het betreft de punten:\n\n(1) de gevraagde functionaliteit dat de screeners via hun smartphone of tablet direct kunnen zien waar en wanneer de volgende afspraak gepland staat, is niet aantoonbaar onderdeel van het pakket; en\n\n(3) er kunnen 2 dossiers van dezelfde cliënt bestaan.\n\n5.38.. Topicus stelt zich op het standpunt dat haar inschrijving wel aan punt 1 voldoet; in haar inschrijving staan zelfs twee routes om onderweg de afspraken in te zien. Ten eerste staat er dat de applicatie KD+ volledig responsief is en met elk soort scherm kan werken (dus ook met smartphone of tablet); daarnaast wordt een optie via de app 'Neonatale screening' van Allegro Sultum aangeboden, waarmee screeners via hun smartphone of tablet direct toegang hebben tot alle relevante informatie.\n\n5.39.. De GGD wijst erop dat de aangeboden app 'Neonatale screening' van Allegro Sultum juist geen onderdeel uitmaakt van het aanbod van Topicus. Er moet namelijk apart met Allegro Sultum gecontracteerd worden; Topicus biedt slechts de (technische) koppeling met de app aan.\n\n5.40.. Het verweer van de GGD slaagt. In het Oplossingsvoorstel van Topicus is het volgende opgenomen:\n\n“De KD+ applicatie is responsief en kan met elk soort scherm werken. Hoewel de optimale ervaring is gebouwd voor een laptop of pc. Om screeners zonder laptop te ondersteunen en hun werk eenvoudig en efficiënt te laten uitvoeren, bieden wij ook een koppeling met de app ‘Neonatale screening’ van Allegro Sultum.”\n\nHieruit volgt dat de applicatie KD+ weliswaar compatibel is met een smartphone, maar dat dit kennelijk niet de optimale ervaring geeft. Daarvoor biedt Topicus de app ‘Neonatale screening’ van Allegro Sultum. Uit het Oplossingsvoorstel van Topicusblijkt echter dat deze app geen onderdeel uitmaakt van haar aanbod en dat apart met Allegro Sultum gecontracteerd moet worden. De app is dus niet aantoonbaar onderdeel van het pakket. Gelet hierop geeft het oordeel van het beoordelingsteam geen blijk van een beoordelingsfout.\n\n5.41.. Topicus voert daarnaast aan dat het beoordelingsteam ten onrechte heeft geoordeeld dat in het door Topicus aangeboden systeem twee dossiers van hetzelfde kind kunnen bestaan. Topicus wijst er in dat verband op dat in haar Oplossingsvoorstel expliciet is vermeld “KD+ zorgt ervoor dat er altijdslechts één dossier per kind bestaat (...)”.GGD heeft er echter onweersproken op gewezen dat in de daarop volgende alinea is vermeld:\n\n\"Wanneer er handmatig meerdere dossiers zijn aangemaakt, toont het systeem deze op een overzichtslijst. Op basis van een BSN-match of een combinatie van gegevens zoals voornaam, achternaam, adres en geboortedatum worden gelijke dossiers herkend. Hierdoor kunnen deze alsnog worden samengevoegd, zodat alle informatie van een kind op één plek beschikbaar is. (...)\".\n\nDe voorzieningenrechter is, met de GGD, van oordeel dat, hoewel de dossiers kennelijk kunnen worden samengevoegd, uit voornoemde tekst volgt dat het blijkbaar technisch mogelijk is dat er meerdere dossiers van één kind bestaan. In ieder geval had het Beoordelingsteam dit zo kunnen begrijpen. Dit is niet in overeenstemming met de eisen, zodat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het beoordelingsteam niet tot zijn oordeel kon komen.\n\nB.8 (aspect 1.2.5)5.42.. Aspect 1.2.5 ziet op het monitoren van het bereik dat de GGD haalt met haar JGZ. Hiermee wordt bedoeld dat inzichtelijk is of een bepaalde afspraak of consult is doorgegaan of niet, en zo niet of een afmelding heeft plaatsgevonden. Het systeem moet dit kunnen vastleggen per contactmoment.\n\n5.43.. Het beoordelingsteam heeft op dit aspect ten aanzien van het Oplossingsvoorstel van Topicus geoordeeld: \"de afmeldprocedure biedt onvoldoende flexibiliteit\"en heeft daarom de helft van de punten toegekend.\n\n5.44.. Volgens Topicus is dit oordeel onbegrijpelijk: niet alleen is er geen afmeldprocedure uitgevraagd, maar Topicus heeft daarover ook niets vermeld in haar inschrijving. Het is niet te volgen hoe het beoordelingsteam een niet omschreven procedure kan beoordelen als onvoldoende flexibel, aldus Topicus.\n\n5.45.. De GGD heeft erop gewezen dat Topicus over dit onderwerp het volgende in haar Oplossingsvoorstel (pagina 50) heeft vermeld:\n\n“Het is essentieel om inzicht te hebben in het bereik van de JGZ-dienstverlening. KD+ maakt dit eenvoudig door bij ieder contactmoment duidelijk vast te leggen of het consult is doorgegaan en welke status daarbij hoort. (…)Het systeem helpt actief mee door automatisch het juiste type status te kiezen op basis van de situatie. Wordt een afspraak binnen 24 uur verplaatst, dan registreert KD+ dit als ‘met laat bericht’. Wordt pas na het geplande moment afgezegd, dan kiest het systeem automatisch voor ‘zonder bericht’. Dit voorkomt fouten en bespaart tijd.”\n\nDe GGD heeft toegelicht dat hiermee automatisch een afzegging ‘met laat bericht’ plaatsvindt als binnen 24 uur wordt afgezegd. Het is niet gebleken dat het mogelijk is om de termijn van 24 uur aan te passen naar bijvoorbeeld drie dagen.\n\n5.46.. Gelet op bovenstaande passage uit het Oplossingsvoorstel van Topicus kan de voorzieningenrechter de stelling van Topicus dat zij hieromtrent niets zou hebben vermeld niet plaatsen. Evenmin valt op basis van deze passage in te zien waarom het beoordelingsteam niet tot zijn oordeel kon komen. Nu Topicus niet heeft gewezen op passages uit haar Oplossingsvoorstel waaruit anders blijkt is onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een beoordelingsfout.\n\nB9 (aspect 1.3.3)5.47.. Aspect 1.3.3 ziet op het vaccinatieschema. In de Lichtblauwdruk is onder meer vermeld dat de geregistreerde autorisatie voor vaccineren door een Jeugdverpleegkundige (JVP) zichtbaar moet zijn en dat het vaccinatieschema handmatig moet kunnen worden aangepast.\n\n5.48.. In de voorlopige gunningsbeslissing zijn op dit aspect minder punten aan Topicus toegekend met de volgende motivering:\n\n“(1) Vastleggen van autorisatie van vaccineren door verpleegkundige is niet beschreven.\n\n(2) Handmatige aanpassingen lijken uit de onderbouwing wel in de vaccinatielijsten te kunnen, niet beschreven of dit ook individueel (bijv. tijdens regulier contactmoment) kan.”\n\n5.49.. Topicus erkent met betrekking tot het eerste punt (vastleggen autorisatie) dat haar inschrijving hierover niets vermeldt, maar zij stelt dat het beoordelingsteam op basis van het uitgangspunt 'comply or explain' ervan uit had moeten gaan dat dit deel uitmaakte van haar aanbod. Daarnaast is het beoordelingsteam buiten de beoordelingskaders getreden: de eis luidt slechts datde geregistreerde autorisatie zichtbaar moet zijn, terwijl in de beoordeling staat dat niet is beschrevenhoedit wordt vastgelegd.\n\n5.50.. De voorzieningenrechter volgt Topicus hierin niet. Met betrekking tot het beroep op het uitgangspunt 'comply or explain' verwijst de voorzieningenrechter naar hetgeen daarover reeds bij de beoordeling van punt T1 is overwogen (rov. 5.5 e.v.). Evenmin blijkt uit de voorlopige gunningsbeslissing dat het beoordelingsteam buiten het beoordelingskader is getreden. Uit de zin 'Vastleggen van autorisatie van vaccineren door verpleegkundige is niet beschreven'volgt dit niet. Het doet overigens ook niet ter zake, nu Topicus over deze eis in het geheel niets had opgenomen, zodat zij reeds op die grond niet het maximaal aantal punten heeft gekregen.\n\n5.51.. Ten aanzien van het tweede punt uit de voorlopige gunningsbeslissing (handmatige aanpassingen) stelt Topicus zich op het standpunt dat het beoordelingsteam in de beoordeling een aspect heeft betrokken dat geen onderdeel uitmaakte van het beoordelingskader. In de Lichtblauwdruk wordt immers niet gesproken over de mogelijkheid tot individueel aanpassen, aldus Topicus.\n\n5.52.. De GGD heeft dit betwist: zij wijst op de volgende tekst uit paragraaf 3.3 van de Lichtblauwdruk:\n\n“Binnen het DDJGZ moet het volledige vaccinatieschema van een kind in één oogopslag zichtbaar zijn;(…)Waar nodig kan dit schema handmatig worden aangevuld of aangepast, bijvoorbeeld wanneer vaccinaties elders zijn gegeven, er sprake is van een aangepast schema of wanneer het gaat om vaccinaties buiten het RVP.”\n\nUit deze tekst volgt volgens de GGD dat de eis van een handmatige aanpassingsmogelijkheid bij een individuele klant wel degelijk in de Lichtblauwdruk is opgenomen. De woorden 'dit schema' zien immers op ‘het vaccinatieschema van een kind'.\n\n5.53.. De voorzieningenrechter is, met de GGD, van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven de tekst van de Lichtblauwdruk volgt dat ook de mogelijkheid tot individueel aanpassen is gevraagd in de aanbestedingsstukken. Dat sprake is van een beoordelingsfout op dit punt, is onvoldoende aannemelijk gemaakt.\n\nB10 (aspect 1.3.4)5.54.. Aspect 1.3.4 ziet op het onderwerp 'signaleren'. Het beoordelingsteam heeft geoordeeld dat het signaal bij 'vaccinatie te laat' ontbreekt. Op die grond is aan Topicus niet het maximaal aantal punten toegekend.\n\n5.55.. Topicus erkent dat onderdeel van de uitvraag is dat een signaal dient te worden gekregen bij niet toedienen van een vaccinatie binnen de verwachte termijn. Het beoordelingsteam had echter op basis van ‘comply or explain’ ervan moeten uitgaan dat deze functionaliteit onderdeel is van het aanbod van Topicus.\n\n5.56.. De voorzieningenrechter volgt Topicus niet in haar stellingen; zij verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor reeds is overwogen met betrekking tot T1 (rov. 5.5 e.v.).\n\nB11 (aspect 2)5.57.. Aspect 2 ziet op de vraag welke functionaliteiten op basis van maatwerk zullen worden ontwikkeld. In het Beschrijvend Document wordt ten aanzien van aspect 2 onder meer vermeld:\n\n\"Welke (delen van) processen door het Digitaal Dossier JGZ zullen worden ondersteund c.q. kunnen worden verwerkt op basis van ontwikkeling\u002Fgeneriek maatwerk, inclusief bindende termijn binnen welke deze alsnog zullen worden opgeleverd (...)\".\n\n5.58.. Het beoordelingsteam heeft hierover in de voorlopige gunningsbeslissing met betrekking tot de inschrijving van Topicus het volgende genoteerd:\n\n“Er is een aantal functionaliteiten ('Trajecten en interventies', 'Groepsafspraken klaarzetten', 'Taken uitbreiding') genoemd die voor Q1 en Q2 op de planning staan, die vormen een risico voor de livegang vanwege mogelijk uitloop of complicaties bij de ontwikkeling. Hetzelfde geldt voor de 'Filters bij roosters' en 'Maandelijks roosteroverzicht', die moeten zelfs nog gespecificeerd en gepland worden. Daarnaast is er een aanvullend contract met extra kosten en effort noodzakelijk voor een app voor screeners.”\n\n5.59.. Topicus legt de tekst van het Beschrijvend Document met betrekking tot aspect 2 zo uit dat het draait om beschikbaarheid van de functionaliteit vanaf het moment dat er feitelijk moet worden opgeleverd, zijnde de start van de opdracht, 1 januari 2027, aldus Topicus. Topicus stelt vervolgens dat zij met de indiening van de inschrijving de belofte heeft gedaan dat de genoemde functionaliteiten bij de start van de uitvoering van de opdracht beschikbaar zullen zijn, zodat de situatie als bedoeld in aspect 2 (dat er nog functionaliteiten ontwikkeld moeten worden) zich niet voordoet. Het beoordelingsteam had van deze toezegging van Topicus moeten uitgaan, nu er geen contra-indicaties aanwezig zijn en Topicus bovendien leverancier is en kundig op dit vlak.\n\n5.60.. De GGD betwist dat sprake is van een beoordelingsfout en verwijst naar haar stellingen ten aanzien van B1 tot en met B4.\n\n5.61.. De stelling van Topicus dat de situatie als bedoeld in aspect 2 zich niet voordoet, slaagt niet. Zoals reeds overwogen dient 'start uitvoering opdracht' naar het oordeel van de voorzieningenrechter zo te worden uitgelegd dat daarmee (letterlijk) is bedoeld de start van de uitvoering van de overeenkomst, dat wil zeggen de start van de voorbereidingswerkzaamheden van de implementatie\u002Fmigratie van het systeem. De stelling van Topicus dat hiermee is bedoeld de opleveringsdatum (1 januari 2027) vindt geen steun in de aanbestedingsstukken. In het Beschrijvend Document is het tweede kwartaal van 2026 als start implementatie aangemerkt.Daaruit volgt dat functionaliteiten die in het tweede kwartaal van 2026 nog niet beschikbaar zijn (of nog moeten worden afgerond) niet beschikbaar zijn bij 'start uitvoering opdracht'. Overigens kan de stelling dat voldoende is dat de functionaliteiten beschikbaar zijn op 1 januari 2027 reeds niet slagen, nu in het Beschrijvend Document is vermeld dat de implementatie uiterlijk 1 december 2026 gereed dient te zijn. Gelet op het voorgaande gaat ook de stelling dat de GGD er, gelet op de toezegging van Topicus, van moest uitgaan dat de functionaliteiten op tijd gereed zouden zijn, niet op.\n\nB12 (aspect 3)5.62.. Topicus heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard de stellingen met betrekking tot dit aspect niet te handhaven. De voorzieningenrechter zal dit punt daarom niet beoordelen.\n\nGestelde fouten in beoordeling Transitieplan\n\nB13 en B14 (aspecten 1 en 8)5.63.. Deze bezwaren van Topicus zien op de beoordeling van de aspecten 1 en 8 van het Transitieplan, zoals opgenomen in het Beschrijvend Document:\n\naspect 1 betreft de projectstructuur inclusief de rollen, taken en verantwoordelijkheden van de GGD en de leverancier;\n\naspect 8 betreft de projectfasering, met een onderbouwd voorstel voor de nadere invulling daarvan.\n\nIn het Transitieplan van Topicus is vermeld:\n\n\"Indien GGD Zuid-Limburg alsnog besluit om werkprocessen rigoureus te wijzigen, in de vorm van andere zorgpaden met andere type contractmomenten, met andere wijze van werken, andere formulieren inhoudelijk etc. zullen de inrichtingswerkzaamheden logischerwijs meer tijd gaan vragen. Op basis van de Lichtblauwdruk gaan wij hier echter niet vanuit en is dit niet als zodanig opgenomen in de scope van het project.\"\n\n5.64.. Het Beoordelingsteam heeft Topicus op deze aspecten niet het maximaal aantal punten gegeven, met de volgende motivering:\n\naspect 1:\"Inrichting onvoldoende geborgd in de werkgroep adoptie, vanwege de onterechte aanname dat er geen rigoureuze wijzigingen gaan plaatsvinden en dat inrichtingswerkzaamheden logischerwijs niet meer werk gaan vragen.\"\n\naspect 8:\"er wordt onterecht aangenomen dat er geen rigoureuze wijzigingen gaan plaatsvinden en dat inrichtingswerkzaamheden logischerwijs niet meer werk gaan vragen.\"\n\n5.65.. Topicus stelt dat het beoordelingsteam ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanname van Topicus onterecht is dat er geen rigoureuze wijzigingen gaan plaatsvinden en dat inrichtingswerkzaamheden beperkt zullen zijn. Dit is een gegronde aanname van Topicus, op basis van de door de GGD opgestelde Lichtblauwdruk. Topicus is als zittend dienstverlener als geen ander in staat om te beoordelen of de overgang naar het nieuwe systeem al dan niet ingrijpend is. De GGD mag en moet vertrouwen op deze expertise van Topicus; de GGD zal zelf in ieder geval geen betere inschatting kunnen maken, aldus Topicus.\n\n5.66.. De GGD stelt dat het aan haar is om de inhoud en vormgeving van vragenlijsten (invulformulieren op de website) en de wijze waarop dossiervorming plaatsvindt te bepalen. De inschatting over (gevolgen van) wijzigingen die daarin moeten plaatsvinden is aan de GGD. De GGD wijst er verder op dat uit de eerste Nota van Inlichtingen blijkt dat de GGD voorzag dat ook voor de zittende dienstverlener een transitie van soortgelijke wijzigingen noodzakelijk zou zijn en dat de zittende dienstverlener op dit punt geen voordeel zou hebben boven andere inschrijvers. Dat Topicus in weerwil hiervan is uitgegaan van een transitie zonder grote aanpassingen is voor haar risico, aldus de GGD.\n\n5.67.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat Topicus (net als de andere inschrijvers) bij het opstellen van de beoogde projectstructuur en -fasering dient uit te gaan van hetgeen blijkt uit de aanbestedingsstukken. In deze stukken is, naar de voorzieningenrechter begrijpt, niet opgenomen dat de GGD van plan is om werkprocessen (waaronder de vragenlijsten of de wijze waarop dossiervorming plaatsvindt) (rigoureus) te wijzigen. Gelet daarop is de aanname van Topicus, zoals hiervoor weergegeven (rov. 5.63) dat zij hier op basis van de Lichtblauwdruk niet van uitgaat, niet ongegrond te noemen. Indien de GGD wel van plan was om de migratie aan te grijpen om haar werkprocessen rigoureus te wijzigen, had het op haar weg gelegen dit kenbaar te maken in de aanbestedingsstukken, zodat partijen – waaronder in ieder geval Topicus – daar rekening mee konden houden. De door de GGD aangehaalde passages uit de Nota's van Inlichtingen maken dit niet anders. Ook daaruit volgt niet dat Topicus er rekening mee had moeten houden dat de werkprocessen rigoureus zouden worden gewijzigd. Sterker, in de beantwoording van de desbetreffende vragen merkt de GGD juist op dat de transitie bij de zittende leverancier mogelijk minder ingrijpend zal zijn:\n\n In de eerste Nota van Inlichtingen is vermeld (antwoord op vraag 61):\n\n\"De transitie zal bij iedere mogelijke leverancier anders zijn, zo ook bij de zittende leverancier. En hoewel de transitie bij de zittende leverancier mogelijk minder ingrijpend zal zijn, zal er sprake van een transitie zijn gezien de huidige applicatie vervangen wordt door een opvolger.\"\n\n In de tweede Nota van Inlichtingen is onder meer vermeld (antwoord op vraag 85):\n\n\"(...) De transitie zal bij iedere mogelijke leverancier anders zijn, zo ook bij de zittende leverancier. En hoewel de transitie bij de zittende leverancier mogelijk minder ingrijpend zal zijn, zal er sprake van een transitie zijn gezien de huidige applicatie ook in dat geval vervangen wordt door een compleet andere en nieuwe opvolger. (...)\"\n\nIn het licht van het voorgaande is niet duidelijk op welke grond het beoordelingsteam tot het oordeel is gekomen dat Topicus onterecht heeft aangenomen dat er geen rigoureuze wijzigingen in de werkprocessen zouden plaatsvinden. Het bezwaar van Topicus op dit punt slaagt.\n\nB15 (aspect 4)5.68.. Met dit punt komt Topicus op tegen de beoordeling van aspect 4 van het Transitieplan. Dit aspect ziet op de beschrijving van de werkzaamheden die volgens de inschrijver tot de taken van de GGD en\u002Fof derden behoren.\n\n5.69.. Topicus heeft hierover in haar Transitieplan het volgende vermeld:\n\n“Overzetten formulieren naar TopForm-formulieren:PreventUs KD+ maakt gebruik van de formulierenmodule TopForm. We hebben een script waarmee bestaande formulieren overgezet kunnen worden naar TopForm-formulieren. Hierdoor zijn de inrichtingswerkzaamheden voor dit onderdeel zeer beperkt.”\n\n5.70.. Het beoordelingsteam heeft met betrekking tot de inschrijving van Topicus op dit aspect als volgt geoordeeld:\n\n\"Onterechte aanname dat contactformulieren een op een automatisch kunnen worden overgezet naar Topform.\"\n\n5.71.. Topicus vindt dit oordeel onbegrijpelijk. Kennelijk trekt de GGD toezeggingen van Topicus over haar eigen software in twijfel. Het is een feit dat automatisch overzetten technisch mogelijk is, aldus Topicus.\n\n5.72.. De GGD stelt dat Topicus met de blote stelling dat het overzetten van de contactformulieren zonder meer automatisch zou kunnen miskent dat de inhoud van die formulieren en vragenlijsten door de GGD wordt bepaald. Een migratie naar een ander systeem is een uitgelezen moment voor aanpassing van die documenten en formulieren. Topicus is echter uitgegaan van een volledig ongewijzigde automatische overzetting van alle documenten. Door dit niet nader te motiveren, komt Topicus gelet op tabel 6 uit het Beschrijvend Document niet in aanmerking voor een volledige puntentoekenning, aldus de GGD.\n\n5.73.. \n\nDe voorzieningenrechter stelt voorop dat, indien het beoordelingsteam heeft bedoeld dat het automatisch overzetten van de contactformulieren technisch niet mogelijk is, dit oordeel, gelet op de inschrijving en de stellingen van Topicus niet begrijpelijk is. De voorzieningenrechter begrijpt echter uit de stellingen van de GGD dat de reden voor de beoordeling is gelegen in het feit dat Topicus er ten onrechte geen rekening mee zou hebben gehouden dat de GGD de migratie zou aangrijpen voor wijziging van de contactformulieren. Dit oordeel kan de voorzieningenrechter niet volgen, nu de aanbestedingsstukken (waarop de inschrijvers geacht worden hun Oplossingsvoorstel te baseren) geen enkele aanwijzing bevatten dat inschrijvers met die mogelijkheid rekening dienden te houden. De voorzieningenrechter wijst voor het overige naar hetgeen hierover reeds is opgemerkt bij de beoordeling van B13-B14 (rov. 5.63 e.v.). Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter nog op dat de stelling van de GGD dat een gebrek aan motivering aan de zijde van Topicus zou hebben geleid tot een lagere score niet opgaat, nu deze grond niet blijkt uit de door het Beoordelingsteam gegeven motivering.\n\nHet bezwaar van Topicus op dit punt slaagt.\n\nGestelde fouten in beoordeling Kansendossier\n\nB16, 17 en 185.74.. In paragraaf 5.2.4 van het Beschrijvend Document wordt de inschrijvers gelegenheid geboden (maximaal) vier zogenoemde 'kansen' aan te bieden:\n\n\"Wij ontvangen graag een beschrijving van (maximaal vier) kansen die u voorziet in de gevraagde ICT Prestatie van GGD Zuid-Limburg. U wordt in dit kader in staat gesteld om een aantal ‘extra’s’ aan te bieden. U toont bij het aanbieden van een kans toegevoegde waarde aan, waarbij u verder gaat dan de minimale eisen van de Opdracht. Kansen die los staan van de doelstellingen\u002Fbaten of die eigenlijk onderdeel zouden moeten zijn van de Inschrijving om überhaupt de Opdracht succesvol te kunnen uitvoeren zijn geen echte kansen. (...)\n\n(...)\n\nVoor het Kansendossier geldt onderstaand beoordelingskader.\n\n(…)”\n\n5.75.. Topicus heeft een kansendossier ingediend waarin zij vier kansen heeft omschreven. Het beoordelingsteam heeft slechts over één van deze kansen (kans 3) geoordeeld dat die van toegevoegde waarde is, zodat Topicus 1 punt heeft gekregen voor het kansendossier. Volgens het beoordelingsteam hebben de door Topicus aangeboden kansen 1, 2 en 4 geen toegevoegde waarde om de volgende redenen:\n\nkans 1 (jaarlijkse verbeter- en optimalisatiescan): “dit heeft GGD ZL al gecoverd in haar eigen verbeteringscyclus; geen toegevoegde waarde”;\n\nkans 2 (verandercoach Digitale Groei en KD+-gebruik): “dit kan in eigen beheer, Topicus maakt niet duidelijk wat de investering in uren of euro's is: geen toegevoegde waarde”;\n\nkans 4 (volledige integratie met geboortezorg): “GGD ZL is niet overtuigd van de meerwaarde ten opzichte van onze basisdienstverlening met inzet van ouder- en kinddossiers”.\n\n5.76.. Volgens Topicus heeft het beoordelingsteam hierbij een onjuiste maatstaf toegepast. Gelet op de beoordelingstabel had het beoordelingsteam slechts moeten beoordelen of de kansen een waarde hebben die verder gaat dan de minimale eisen die aan de ICT-prestatie zijn gesteld, aldus Topicus. Dat is voor alle door Topicus ingediende kansen het geval, terwijl de kansen bovendien verband houden met de doelstellingen van de aanbesteding, zodat zij vier punten had moeten krijgen. Door niet bij deze beoordelingssystematiek aan te sluiten heeft het beoordelingsteam vergaand een eigen invulling aan de beoordeling gegeven. Als dit zou worden toegestaan had het beoordelingsteam in retrospect een volledige carte blanche bij de beoordeling van deze kansen.\n\n5.77.. De GGD betwist dat het beoordelingsteam buiten de beoordelingskaders is getreden. Het beoordelingskader is namelijk of er toegevoegde waarde boven de minimumeisen is. Het kader valt dus uiteen in twee onderdelen: (i) of de kans boven de minimumeisen uitstijgt; en (ii) of de geboden kans van toegevoegde waarde is. Topicus legt het beoordelingskader te beperkt uit, aldus de GGD.\n\n5.78.. De voorzieningenrechter stelt voorop, zoals reeds eerder overwogen, dat bij de uitleg van aanbestedingsstukken de 'CAO-norm' moet worden toegepast. Het komt daarbij, zoals reeds overwogen, aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de desbetreffende tekst, gelezen in het licht van de aanbestedingsstukken als geheel, met dien verstande dat het in het kader van deze aanbestedingsprocedure aankomt op wat de normaal oplettende en goed geïnformeerde inschrijver daaruit moest begrijpen.\n\n5.79.. Bij die uitleg heeft in de eerste plaats te gelden dat de tekst van paragraaf 5.2.4 (zoals weergegeven in rov. 5.74) als geheel moet worden gelezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had de normaal oplettende en goed geïnformeerde inschrijver uit het geheel van die tekst moeten begrijpen dat in dit geval voor het verkrijgen van punten voor een 'kans' het enkele feit dat de waarde daarvan verder gaat dan de minimale eisen die aan de ICT prestatie zijn gesteld niet voldoende was. Weliswaar lijkt dit te volgen uit de tekst van de beoordelingstabel, maar deze tekst moet worden gelezen in samenhang met de overige tekst van paragraaf 5.2.4. Uit het geheel van de paragraaf volgt dat met 'kansen' is gedoeld op 'extra's', waarmee de inschrijver zich denkt te onderscheiden van andere inschrijvers, voorbij de (directe) scope van de ICT prestatie. Gelet op deze uitleg is het beoordelingsteam niet buiten het beoordelingskader getreden en volstaat de door het beoordelingsteam gegeven motivering. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat, gelet op het open karakter van dit onderdeel, het beoordelingsteam de nodige beoordelingsvrijheid toekomt; het is immers aan de aanbestedende dienst om te beoordelen welke ideeën voor haar al dan niet van toegevoegde waarde zijn.\n\nConclusie\n\n5.80.. Uit hetgeen hierboven is overwogen blijkt dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet voor een gebod tot intrekking van de aanbestedingsprocedure of tot uitsluiting van [tussenkomende partij] . De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding voor een gebod tot een volledige nieuwe beoordeling. De herbeoordeling kan worden beperkt tot de Usability test, die opnieuw gedaan moet worden, en de onderdelen B2 (aspect 1.5), B13 en B14 (aspecten 1 en 8) en B15 (aspect 4). Daarbij dienen, nu niet is uit te sluiten dat ook bij de beoordeling van andere inschrijvers op deze aspecten fouten zijn gemaakt, alle drie de inschrijvingen opnieuw te worden beoordeeld. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te gebieden dat dit door een nieuw beoordelingsteam zal moeten worden gedaan. Wel zal de voorzieningenrechter gebieden dat de groep van betrokkenen bij de nieuwe Usability test (trainees en observatoren) wordt samengesteld met inachtneming van hetgeen hiervoor (in rov. 5.20) is overwogen.\n\nProceskosten5.81.. De GGD is deels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Topicus betalen. De proceskosten van Topicus worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n128,65\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.229,65\n\n5.82.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.83.. Nu Topicus deels in het gelijk is gesteld ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding haar te veroordelen in de proceskosten van [tussenkomende partij] .\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n6.1.. gebiedt dat de GGD de voorlopige gunningsbeslissing intrekt en voor alle drie de inschrijvers overgaat tot:\n\nherbeoordeling van de inschrijvingen ten aanzien van de aspecten 1.5 (B2) uit het Oplossingsvoorstel en de aspecten 1, 4 en 8 (B13-B15) uit het Transitieplan, met inachtneming van hetgeen daarover in dit vonnis is overwogen;\n\nde uitvoering en beoordeling van een nieuwe Usability test, met inachtneming van hetgeen daarover in dit vonnis is overwogen (met name rov. 5.17-5.20) waarbij de groep betrokkenen (deelnemers en observatoren) wordt samengesteld met inachtneming van hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 5.20;\n\n6.2.. gebiedt de GGD, met inachtneming van de herbeoordelingen en de nieuwe Usability test zoals vermeld onder 6.1, een nieuwe gunningsbeslissing te nemen,\n\n6.3.. veroordeelt de GGD in de proceskosten van € 2.229,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de GGD niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.4.. veroordeelt de GGD tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. drs. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\n HvJ EG 29 april 2004, C-496\u002F99, Pb EG 2004 C 118, blz. 2 (Succhi di Frutta); HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1078, rov. 3.4.\n\n Oplossingsvoorstel, pagina 77.\n\n Beschrijvend Document, pagina 34.\n\n Beschrijvend Document, pagina 35.\n\n Transitieplan Topicus, pagina 29.\n\n Beschrijvend Document, pagina 35.\n\n Voorlopige gunningsbeslissing, pagina 8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3569","2026-07-13T00:28:30.703Z",{"id":182,"ecli":183,"slug":184,"caseNumber":43,"courtId":149,"decisionDate":185,"fullText":186,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":187,"sourceTimestamp":188,"parsedAt":51,"updatedAt":189},"431","ECLI:NL:RBROT:2026:4266","ecli-nl-rbrot-2026-4266","2026-04-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F709728 \u002F KG ZA 25-1109\n\nVonnis in kort geding van 8 april 2026\n\nin de zaak van\n\nD&B THE FACILITY GROUP B.V.,\n\nstatutaire vestigingsplaats: Amstelveen,\n\neisende partij,\n\nadvocaten: mrs. P.B.J. van den Oord en D. Britsemmer,\n\ntegen\n\nSTEDIN GROUP SERVICES B.V.,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\ngedaagde partij,\n\nadvocaten: mrs. T. van Wijk en G.J. van Essen,\n\nwaarin is tussengekomen\n\nTRIGION BEVEILIGING B.V.,\n\nvestigingsplaats: Schiedam,\n\ntussenkomende partij,\n\nadvocaat: mr. L.C. van den Berg.\n\nPartijen worden hierna D&B, Stedin en Trigion genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. Stedin heeft een niet-openbare Europese aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het leveren van ontvangst- en beveiligingsdienstverlening (de Opdracht). Stedin heeft de Opdracht voorlopig gegund aan Trigion. D&B is het daar niet mee eens. Volgens D&B heeft Stedin het gunningsvoornemen (op ongeoorloofde wijze) aangevuld, heeft Stedin het gunningsvoornemen onvoldoende gemotiveerd, is de inschrijving van D&B onjuist beoordeeld althans is die beoordeling onvoldoende gemotiveerd en had Stedin de inschrijving van Trigion (nader) moeten verifiëren. Omdat al deze gebreken in de ogen van D&B niet kunnen worden hersteld zonder heraanbesteding, vordert D&B primairdat Stedin wordt geboden het gunningsvoornemen in te trekken, met verplichting tot een heraanbesteding voor zover Stedin de Opdracht nog wil gunnen. D&B vordertsubsidiairdat Stedin wordt geboden om verificatie toe te passen overeenkomstig de aanbestedingsvoorwaarden en een herbeoordeling van de inschrijvingen te laten uitvoeren door een onafhankelijke nieuwe beoordelingscommissie. Trigion heeft gevorderd om in de procedure tussen D&B en Stedin te mogen tussenkomen, althans zich daarin te mogen voegen aan de zijde van Stedin. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot tussenkomst voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegewezen en zij wijst de vorderingen van D&B af. Dit wordt hierna uitgelegd.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 7 november 2025, met bijlagen 0 tot en met 9;\n\nde akte overlegging nadere productie van D&B, met bijlagen 10 en 11;\n\nde conclusie van antwoord, met bijlagen 001A tot en met 002;\n\nde incidentele conclusie tot tussenkomst (subsidiair voeging) van Trigion;\n\nde mondelinge behandeling op 25 maart 2026;\n\nde pleitnota van mr. Britsemmer;\n\nde pleitnota van mr. Van Essen;\n\nde pleitnota van mr. Van den Berg.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Stedin heeft een niet-openbare Europese aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het leveren van ontvangst- en beveiligingsdienstverlening (de Opdracht).\n\n3.2.. De Opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de beste prijs-kwaliteitverhouding.\n\n3.3.. \n\nEen inschrijver kan voor het criterium kwaliteit maximaal 750 punten behalen. Het criterium kwaliteit is opgedeeld in vier subcriteria. Inschrijvers schrijven per subcriterium een plan van aanpak, dat beoordeeld wordt op de wijze zoals omschreven in de\n\ngunningsleidraad en de bijlage met gunningscriteria. De subcriteria en het maximaal per subcriterium te behalen aantal punten zijn als volgt:\n\n3.4.. De beoordeling van de subcriteria en het toekennen van een score aan die subcriteria vindt plaats aan de hand van de volgende tabel:\n\n3.5.. Ten behoeve van het criterium prijs wordt door inschrijvers het prijzenblad ingevuld, waarbij overeenkomstig de in de gunningscriteria opgenomen formule een score aan de totaalprijs van de inschrijver wordt toegekend. De inschrijver met de laagste totaalprijs krijgt 250 punten. Op basis van een formule wordt aan de andere inschrijvers een score toegekend. Uit de aanbestedingsvoorwaarden volgt dat het indienen van een manipulatieve inschrijving niet is toegestaan en tot terzijdelegging van de inschrijving leidt. Ter voorkoming van manipulatieve inschrijvingen heeft Stedin geëist dat alle afzonderlijke bedragen c.q. eenheidsprijzen reëel en marktconform zijn, en bepaald dat er niet met symbolische prijzen mag worden ingeschreven.\n\n3.6.. De optelsom van de scores op de criteria kwaliteit en prijs vormt de totaalscore op basis waarvan de Opdracht wordt gegund. In totaal kunnen 1000 punten worden behaald.\n\n3.7.. Onder andere D&B en Trigion hebben op tijd ingeschreven op de door Stedin georganiseerde aanbesteding. Bij gunningsvoornemen van 21 oktober 2025 heeft Stedin aan D&B medegedeeld dat de opdracht voorlopig aan Trigion wordt gegund. Uit het gunningsvoornemen volgt dat D&B op plaats twee in de rangorde is geëindigd. Het verschil in score met de nummer 1, Trigion, is 9,17 punten. De door D&B en Trigion behaalde punten zijn als volgt (waarbij “Uw Inschrijving” de scores van D&B zijn en de “Eerst gerangschikte inschrijving (EMVI) de scores van Trigion zijn):\n\n3.8.. Uit de toelichting op de kwalitatieve puntentoekenning van D&B volgt dat D&B op kwaliteitscriterium K1 ‘uitstekend’ heeft gescoord. Dat staat gelijk aan 100% van de op dat subcriterium te behalen punten. Op kwaliteitscriteria K2 tot en met K4 heeft D&B steeds ‘goed’ gescoord. Dat staat gelijk aan 85% van de op die subcriteria te behalen punten.\n\n3.9.. D&B heeft schriftelijk bezwaar gemaakt tegen het gunningsvoornemen van Stedin. Naar aanleiding daarvan heeft op 4 november 2025 een gesprek tussen D&B en Stedin plaatsgevonden. Verder heeft Stedin op 5 november 2025 schriftelijk een reactie op het bezwaar van D&B gegeven. Die reactie houdt onder meer een nadere toelichting op de motivering van het gunningsvoornemen in. D&B kan zich niet met het gunningsvoornemen en deze reactie verenigen.\n\n4. De beoordeling\n\nin het incident\n\n4.1.. Trigion heeft primair gevorderd te mogen tussenkomen en subsidiair om zich te mogen voegen in de procedure tussen D&B en Stedin. De voorzieningenrechter heeft de primaire vordering voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegewezen, wat in de kop van dit vonnis al tot uitdrukking is gebracht. Het belang van Trigion bij de tussenkomst is erin gelegen dat zij, als de partij aan wie de Opdracht voorlopig is gegund, nadelige gevolgen kan ondervinden van een voor Stedin ongunstige uitkomst van deze zaak. Het spoedeisend belang en de goede procesorde staan niet in de weg aan toewijzing.\n\n4.2.. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, omdat geen van partijen heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.\n\nin de hoofdzaak en in de tussenkomst\n\n4.3.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat hoewel Trigion in het incident primair heeft gevorderd om te mogen tussenkomen en die primaire vordering ook is toegewezen, de (subsidiair geformuleerde) eigen vordering van Trigion inhoudt dat Stedin zal worden geboden de voorgenomen gunning in stand te laten en uit te voeren. Materieel valt de beoordeling in dat kader samen met die in de hoofdzaak. Er is immers geen reden voor een gebod aan Stedin om te doen wat zij toch al voornemens is te doen. De beoordeling in de hoofdzaak en de tussenkomst is om die reden beperkt tot de vorderingen van D&B en de verweren die Stedin en Trigion daartegen hebben aangevoerd.\n\n4.4.. Verder merkt de voorzieningenrechter op dat tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken dat tot nu toe slechts een deels zwartgelakte dagvaarding en ook deels zwartgelakte bijlagen van D&B en Stedin aan Trigion ter beschikking zijn gesteld. D&B, Stedin en de voorzieningenrechter beschikken wel over de volledige dagvaarding en bijlagen (dus zonder zwartgelakte gedeelten). Partijen hebben afgesproken dat de voorzieningenrechter in principe uitspraak doet op basis van de volledige dagvaarding en bijlagen. Alleen in het geval dat de voorzieningenrechter zou overwegen enige vordering van D&B toe te wijzen, moet, eventueel na verder partijdebat op dat punt, worden beslist of de volledige dagvaarding en bijlagen ook aan Trigion ter beschikking worden gesteld of dat de voorzieningenrechter, vanwege de equality of arms, op basis van de aan Trigion ter beschikking gestelde deels zwartgelakte dagvaarding en bijlagen dient te beslissen. Zoals hierna zal blijken, wijst de voorzieningenrechter alle vorderingen van D&B af. Aan een nader debat over de deels zwartgelakte dagvaarding en bijlagen wordt om die reden niet toegekomen.\n\nEr is geen sprake van een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen4.5.. D&B voert in de eerste plaats aan dat Stedin het gunningsvoornemen (op ongeoorloofde wijze) heeft aangevuld. Dit is in strijd met het arrest KPN\u002FStaat,aldus D&B. De voorzieningenrechter volgt D&B hier niet in.\n\n4.6.. Naar aanleiding van het bezwaar van D&B tegen het gunningsvoornemen heeft Stedin op 5 november 2025 een brief gestuurd, waarin Stedin op de bezwaren van D&B heeft gereageerd. Weliswaar heeft Stedin in die brief enige nadere toelichting verschaft en dus niet enkel de bewoordingen van het gunningsvoornemen herhaald, maar dat is niet ongeoorloofd. Stedin noemt in haar brief namelijk geen nieuwe argumenten ten aanzien van de beoordeling van de inschrijving van D&B. Stedin geeft slechts een toelichting op de al in het gunningsvoornemen vermelde punten waarop de inschrijving van D&B – naar het oordeel van de beoordelingscommissie van Stedin – tekortschiet om de hoogste score ‘uitstekend’ te halen.\n\n4.7.. Het voorgaande is helder inzichtelijk in een brief van Stedin van 3 maart 2026, waarin Stedin de bewoordingen van het gunningsvoornemen én haar reactie op het bezwaar van D&B heeft gecombineerd. Zo noemt de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K2 in het gunningsvoornemen “Het is de beoordelaars niet geheel duidelijk hoe de borging voor servicemanagement en de flexibele schil is ingericht”. Stedin geeft hier in de brief van 3 maart 2026 een nadere toelichting op, door – met voorbeelden – uit te leggen dat de onderbouwing van D&B op punten enkel gericht is op het operationele deel (de hosts) en niet op het servicemanagement, en dat “Stedin graag [had] teruggezien hoe [de] mystery visits dusdanig ingepland worden dat alle ingezette Hosts (zowel vast als flexibele schil) via een mystery visit beoordeeld worden”. Verder benoemt de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K2 dat D&B geen concrete aantallen voor wat betreft de operationele inzet op de bemande locaties (zowel Security als Hospitality) benoemt. In de brief van 3 maart 2026 licht Stedin nader toe waarom zij dit wel van D&B had verwacht én mocht verwachten om van het judicium goed naar het judicium uitstekend te kunnen komen. Van een nieuw argument is geen sprake. Ook ten aanzien van subcriteria K3 en K4 is geen sprake van nieuwe argumenten. Stedin heeft in haar brief van 3 maart 2026 enkel nader toegelicht waarom, onder meer, de rol van de regievoerder van Stedin onvoldoende terugkomt en de rapportagewijze uitgebreider omschreven had moeten worden om uitstekend te kunnen scoren. Zo’n nadere toelichting is niet in strijd met het arrest KPN\u002FStaat.\n\n4.8.. Ten aanzien van de opmerking van Stedin in haar brief van 3 maart 2026 dat het door D&B in haar inschrijving genoemde risico van ‘onvoldoende meewerken van de latende partij’ als een risico buiten de invloedssfeer in het geval van D&B – als huidige partner van Stedin – “een hypothetisch risico en mogelijk niet het belangrijkste risico buiten de invloedsfeer” van D&B is, overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Aan D&B kan worden toegegeven dat deze opmerking niet in het gunningsvoornemen staat, en dus in zoverre nieuw is, en dat deze opmerking bovendien strijdig is met het door Stedin zelf geformuleerde uitgangspunt dat – geparafraseerd weergegeven – iedere inschrijver er in haar inschrijving vanuit moet gaan dat zij niet de huidige partner van Stedin is. De voorzieningenrechter kwalificeert deze opmerking echter niet als een nieuw argument om de inschrijving van D&B op subcriterium K4 als ‘goed’ te waarderen, maar als een onhandig geformuleerde aanvulling\u002Fopmerking die niet de grondslag vormt voor de beoordeling van de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K4 (zie hiervoor ook overweging 4.26. hierna).\n\nDe motivering van het gunningsvoornemen4.9.. D&B stelt zich verder op het standpunt dat Stedin het gunningsvoornemen onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat zij – kort gezegd – niet alle kenmerken van de (winnende) inschrijving van Trigion heeft medegedeeld om zo D&B in staat te stellen te beoordelen of Stedin de inschrijving van Trigion mogelijk onjuist of te gunstig heeft beoordeeld. De voorzieningenrechter volgt D&B niet in dit standpunt.\n\n4.10.. Voor wat betreft de motiveringsplicht van een gunningsvoornemen geldt dat die wordt beperkt doordat het aan een aanbestedende dienst niet is toegestaan bedrijfsvertrouwelijke informatie van andere inschrijvers aan een inschrijver te verstrekken. De motiveringsplicht is bovendien (slechts) bedoeld om de betreffende inschrijver te informeren en voor die inschrijver voldoende effectieve rechtsbescherming tegen het gunningsvoornemen mogelijk te maken. Zoals Stedin terecht stelt gaat de motiveringsplicht van een aanbestedende dienst niet zo ver dat zij ook inzicht moet verschaffen in de inschrijving van de voorlopige winnaar, om zo een niet uitgekozen inschrijver de gelegenheid te geven de beoordeling van de aanbestedende dienst over te doen. Het is niet aan een inschrijver om de inschrijving van een andere partij te beoordelen; dat is voorbehouden aan de aanbestedende dienst, hier Stedin. Het voorgaande laat onverlet dat niet ondenkbaar is dat een verdergaande motiveringsverplichting moet worden aangenomen als er voorshands redenen zijn om aan de juistheid van de beoordeling van de inschrijving van de winnaar te twijfelen.\n\n4.11.. Van dergelijke redenen is geen sprake. D&B heeft in feite slechts in het algemeen gesteld dat het zou kunnen dat de inschrijving van Trigion op onderdelen te hoog is gescoord. Dit noopt niet tot een verdergaande motiveringsverplichting van Stedin. Voor het overige is Stedin in het gunningsvoornemen voldoende ingegaan op de scores van Trigion. Stedin heeft immers de scores per (sub)gunningscriterium en de totaalscore van Trigion bekendgemaakt. Aangezien Trigion op geen enkel subcriterium van het gunningscriterium kwaliteit hoger heeft gescoord dan D&B, is de voorzieningenrechter bovendien met Stedin van oordeel dat Stedin niet verplicht was om de relatieve voordelen en kenmerken van de inschrijving van Trigion met betrekking tot de subcriteria nader te benoemen. Het is in dit geval voldoende dat D&B uit het gunningsvoornemen kan afleiden dat Trigion voor wat betreft de subcriteria van het gunningscriterium kwaliteit gelijk aan of minder goed dan D&B heeft gescoord en dat Trigion op het gunningscriterium prijs beter heeft gescoord dan D&B.\n\nDe (motivering van de) beoordeling van de inschrijving van D&B4.12.. D&B is het verder niet eens met de manier waarop haar inschrijving door Stedin is beoordeeld en met de motivering die Stedin daarvan heeft verstrekt. D&B voert – kort gezegd – aan dat (i) Stedin niet heeft uitgelegd waarom een duidelijke toegevoegde waarde van de inschrijving van D&B zou ontbreken, (ii) de motivering van de beoordeling van de inschrijving van D&B op punten onvoldoende en\u002Fof onbegrijpelijk is en (iii) de beoordelingscommissie op punten een nieuw beoordelingscriterium heeft geïntroduceerd. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.\n\n4.13.. Voor wat betreft de toetsing van kwalitatieve gunningscriteria geldt als uitgangspunt dat de voorzieningenrechter slechts een beperkte beoordelingsruimte heeft. De voorzieningenrechter moet in principe uitgaan van de deskundigheid van de beoordelingscommissie. Aan deze beoordelingscommissie moet de nodige vrijheid worden gegund. Slechts wanneer sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling of procedurele dan wel inhoudelijke onjuistheden\u002Fonduidelijkheden die meebrengen dat het gunningsvoornemen duidelijk niet overtuigt, is plaats voor ingrijpen door de rechter.\n\n4.14.. Daarnaast is bij een beoordelingssystematiek zoals in deze zaak aan de orde, uitgangspunt dat een inschrijver in eigen bewoordingen moet aangeven op welke wijze de door de aanbestedende dienst verlangde kwaliteit wordt geleverd. Daarmee wordt een inschrijver in de gelegenheid gesteld om zich te onderscheiden van andere inschrijvers en kan hij zijn meerwaarde aantonen. Mede gelet hierop hoeft een aanbestedende dienst ook niet concreet aan te geven wat nodig is om een maximale score op een kwalitatief (sub)gunningscriterium te behalen. Als een aanbestedende dienst daartoe wel zou zijn gehouden, wordt immers iedere innovatie, creativiteit of ieder zelfstandig denkproces bij inschrijvers weggenomen.\n\nTen aanzien van de duidelijke toegevoegde waarde4.15.. D&B stelt dat Stedin niet heeft uitgelegd waarom een duidelijke toegevoegde waarde van de inschrijving van D&B zou ontbreken en dat de motivering van het gunningsvoornemen alleen al daarom onnavolgbaar is. Uit wat hiervoor in 4.14. is overwogen, volgt echter dat het niet aan Stedin is om aan een inschrijver uit te leggen hoe de inschrijving van D&B duidelijke toegevoegde waarde had kunnen hebben. Stedin heeft haar inschrijving op dit punt als goed beoordeeld. De verlangde duidelijke toegevoegde waarde, die nodig was om ‘uitstekend’ te scoren op de subcriteria voor het gunningscriterium kwaliteit, kon naar eigen inzicht van de inschrijvers worden ingevuld. De inschrijvers konden daarmee laten zien dat zij de onderneming van Stedin en de Opdracht hebben begrepen, en zij konden laten zien net een stap extra te kunnen zetten ten opzichte van de vereisten van de Opdracht. Op dat punt is eigen initiatief en een eigen visie noodzakelijk. Het is niet aan Stedin om dit (achteraf) voor de inschrijvers in te vullen.\n\nTen aanzien van subcriterium K24.16.. Volgens D&B heeft Stedin ten aanzien van subcriterium K2 het gunningsvoornemen op niet-toegestane wijze aangevuld en is er op dit punt sprake van een duidelijk onjuiste beoordeling in het licht van het beoordelingskader. De voorzieningenrechter volgt D&B niet in dit standpunt.\n\n4.17.. Hiervoor in overwegingen 4.5. tot en met 4.8. is al overwogen dat de brief van 5 november 2025 geen ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen is, maar (slechts) een toelichting op het gunningsvoornemen. Ook de opmerking van Stedin in de brief van 5 november 2025 dat “Stedin graag [had] teruggezien hoe deze mystery visits dusdanig ingepland worden dat alle ingezette Hosts (zowel vast als flexibele schil) via een mystery visit beoordeeld worden” beschouwt de voorzieningenrechter niet als een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen. In het gunningsvoornemen heeft Stedin opgemerkt “Het is de beoordelaars niet geheel duidelijk hoe de borging voor servicemanagement en de flexibele schil is ingericht”. De zinsnede “zowel vast als flexibele schil” in de brief van 5 november 2025 begrijpt de voorzieningenrechter aldus, dat Stedin expliciteert dat zij graag had gezien dat D&B in haar inschrijving niet alleen ten aanzien van de vaste medewerkers had uitgelegd hoe de mystery visits zouden worden ingepland zodat iedereen beoordeeld zou worden, maar ook ten aanzien van de flexibele schil. Dat is slechts een verduidelijking van de eerdere, zeer beknopte, motivering op dit punt. Van een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen is geen sprake.\n\n4.18.. Tegen de achtergrond van de beperkte beoordelingsruimte die de voorzieningenrechter voor wat betreft de toetsing van kwalitatieve gunningscriteria heeft, kan het bezwaar van D&B ten aanzien van (de motivering van) de beoordeling van subcriterium K2 niet worden gehonoreerd. Uit het gunningsvoornemen blijkt dat D&B niet naar volle tevredenheid van de beoordelingscommissie uiteen heeft gezet hoe de borging van de ontwikkeling van het servicemanagement en de flexibele schil is ingericht. Stedin heeft dit naar aanleiding van het bezwaar van D&B nog nader toegelicht in haar brief van 5 november 2025. D&B heeft vervolgens niet meer uitgelegd waarom ook na deze nadere toelichting, waarvan hiervoor al is geoordeeld dat die geoorloofd is, sprake is van een onvoldoende motivering van het gunningsvoornemen. Voor wat betreft het standpunt van D&B dat de beoordelingscommissie ten onrechte heeft opgemerkt dat D&B geen concrete aantallen voor wat betreft de operationele inzet op de bemande locaties (zowel Security als Hospitality) heeft benoemd, merkt de voorzieningenrechter op dat uit de eis dat de inschrijving SMART moest worden uitgewerkt volgt dat de inschrijving Meetbaar moest zijn. Twee van de beoordelingsaspecten binnen subcriterium K2 zijn “Hoe wordt invulling gegeven aan het inrichten van de formatie, functie-invulling en de Single Point of Contact” en “Hoe gaat inschrijver om met flexibiliteit van al het in te zetten personeel”. Deze aspecten hebben (ook) te maken met aantallen en uren van in te zetten medewerkers. Niet in geschil is dat de inschrijving van D&B op dit punt meetbaarder was geweest als D&B de inzet van personeel had gekwantificeerd, ook al werd niet expliciet gevraagd om deze kwantificering. Daarbij doet niet ter zake dat die kwantificering elders (het prijzenblad) wel was gevraagd. De beoordelingscommissie is op dit punt dan ook niet buiten het beoordelingskader getreden.\n\nTen aanzien van subcriterium K34.19.. Ook de bezwaren van D&B ten aanzien van (de motivering van) de beoordeling van subcriterium K3 kunnen niet worden gehonoreerd.\n\n4.20.. Door in de motivering van de score van de inschrijving van D&B te verwijzen naar het onvoldoende terugkomen van de rol van de Stedin regievoerder, heeft het beoordelingsteam geen nieuw beoordelingscriterium geïntroduceerd maar een lacune in de inschrijving van D&B benoemd. Daarmee is niet buiten het beoordelingskader getreden.\n\n4.21.. Voor wat betreft het punt in de motivering dat het beoordelingsteam de rapportagewijze graag uitgebreider omschreven terug had willen zien, constateert de voorzieningenrechter dat Stedin in haar brief van 5 november 2025 heeft toegelicht dat D&B weliswaar aangeeft zich aan de verantwoordingsstructuur te zullen committeren en dat meldingen in FMIS worden geregistreerd, maar dat niet op de rapportagestructuur of wijze van rapportage is ingegaan. Daarmee is voldoende toegelicht waar het in de inschrijving van D&B aan schortte. Er is geen sprake van een onnavolgbare motivering.\n\n4.22.. Hetzelfde geldt voor de motivering dat de samenwerking met specifiek de ketenpartner ‘Hard Services’ uitgebreider omschreven had kunnen worden. Stedin heeft dit nader toegelicht in haar brief van 5 november 2025. In die nadere toelichting heeft Stedin vermeld dat de samenwerking met Hard Services met name gaat over technische beveiliging en dus ook ziet op de locaties zonder bezetting. In het licht daarvan begrijpt de voorzieningenrechter de opmerking van Stedin in het gunningsvoornemen “Er had meer diepgang gegeven kunnen worden over hoe omgegaan wordt met locaties zonder bezetting” aldus, dat dit samenhangt met de wens van het beoordelingsteam dat D&B de samenwerking met ketenpartners als Hard Services uitgebreider had omschreven. De beoordelingscommissie is op dit punt niet buiten het beoordelingskader getreden en heeft niet in strijd met het transparantie- en\u002Fof gelijkheidsbeginsel gehandeld.\n\n4.23.. D&B heeft overigens ook niet uitgelegd waarom (ook) na de nadere toelichting nog sprake zou zijn van een onduidelijke en\u002Fof onnavolgbare motivering van de beoordeling op subcriterium K3.\n\nTen aanzien van subcriterium K44.24.. Tot slot worden ook de bezwaren van D&B tegen (de motivering van) de beoordeling van subcriterium K4 niet gevolgd. Van inschrijvers is in het kader van dit subcriterium onder meer gevraagd om de belangrijkste risico’s die zij zien in de implementatieperiode te beschrijven, met daarbij een onderscheid tussen een risico binnen en een risico buiten de invloedsfeer van de inschrijver.\n\n4.25.. D&B heeft als belangrijkste risico binnen haar invloedsfeer het risico van een culturele mismatch van de teamleider benoemd. In het gunningsvoornemen staat “Het risico van een culturele mismatch is benoemd, maar het is de beoordelaars niet duidelijk waarom dit alleen bij de Teamleider speelt en niet in een breder geheel”. In de brief van 5 november 2025 heeft Stedin dit als volgt verduidelijkt: “Op basis van de inschrijving is het de beoordelingscommissie niet duidelijk geworden waarom D&B specifiek de culturele mismatch bij de Teamleider als belangrijkste risico heeft benoemd, en dit bijvoorbeeld niet in breder verband heeft geplaatst”. Anders dan D&B meent, vormt deze verduidelijking geen nieuw of zwaarder normatief beoordelingselement. De verduidelijking is in feite een herhaling in iets andere woorden en geeft aan dat Stedin de inschrijving op dit punt niet helemaal kon volgen. Dat is niet onbegrijpelijk en in het licht van de vereiste SMART-uitwerking van het antwoord, had het op de weg van D&B gelegen om dit uit te leggen om in plaats van ‘goed’ ‘uitstekend’ te kunnen scoren. De beoordelingscommissie is niet buiten het beoordelingskader getreden door hier een punt van te maken.\n\n4.26.. D&B heeft als belangrijkste risico buiten haar invloedsfeer het onvoldoende meewerken van de latende partij benoemd. In het gunningsvoornemen stelt de beoordelingscommissie terecht voorop dat van inschrijvers wordt gevraagd in te schrijven alsof men niet al de dienst bij Stedin uitvoert (dus ook in het geval van D&B, die op dit moment de dienst bij Stedin uitvoert, en aan wie dus wordt gevraagd daarvan te abstraheren). Tegen deze achtergrond wordt het door D&B benoemde risico in het gunningsvoornemen gekwalificeerd als “een terecht risico met duidelijk mitigerende maatregelen waar persoonlijk contact onderdeel van uitmaakt”. Aan D&B kan worden toegegeven dat dit risico in de brief van 5 november 2025 ten onrechte wordt afgewaardeerd tot een (in het geval van D&B) hypothetisch risico. Dit is immers in strijd met het voor alle inschrijvers geldende uitgangspunt, dat iedere inschrijver moet inschrijven alsof men niet al de dienst bij Stedin uitvoert. De voorzieningenrechter kwalificeert dit echter als een onhandig geformuleerde opmerking die niet de grondslag vormt voor de beoordeling van de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K4, zoals hiervoor in overweging 4.8. al is overwogen. De voorzieningenrechter begrijpt de combinatie van het gunningsvoornemen, de brief van 5 november 2025 én de brief van 3 maart 2026 zo, dat Stedin heeft bedoeld te zeggen dat het onvoldoende meewerken van de latende partij weliswaar een terecht risico vormt, maar dat onvoldoende duidelijk is dat dit het belangrijkste risico is dat genoemd had kunnen worden en dat daarom – zowel aan D&B als aan de overige inschrijvers die dit risico hebben genoemd – niet het maximale aantal punten is toegekend. Het feit dat het door D&B genoemde risico in het gunningsvoornemen als een terecht risico is gekwalificeerd, vormt, in combinatie met de score goed op dit punt, een sterke aanwijzing dat de beoordelingscommissie de daadwerkelijke puntentoekenning niet heeft verricht op basis van het (verkeerde) uitgangspunt dat het risico voor D&B feitelijk een hypothetisch risico is. Tegen deze achtergrond is de beoordelingscommissie ook op dit punt niet buiten het beoordelingskader getreden en heeft de beoordelingscommissie de inschrijving van D&B ook niet op basis van een ander uitgangspunt beoordeeld dan de inschrijvingen van andere inschrijvers.\n\nDe (nadere) verificatie van de inschrijfprijs van Trigion4.27.. D&B richt tot slot nog een bezwaar tegen de prijs waarmee Trigion heeft ingeschreven. Zoals hiervoor in 3.5. geparafraseerd staat vermeld, houden de aanbestedingsstukken in dat (a) alle afzonderlijke bedragen (waaronder alle eenheidsprijzen) reëel (d.i. vanuit kostenperspectief te verantwoorden) en marktconform (d.i. hetgeen in de markt gebruikelijk is voor opdrachten van een soortgelijke aard en omvang) dienen te zijn, ook in vergelijking\u002Fverhouding tot elkaar, en dat (b) niet (ook niet op onderdelen) met symbolische prijzen mag worden ingeschreven. Bij de toets of sprake is van een symbolische prijs wordt uitgegaan van algemeen taalgebruik. Daarvan zal bijvoorbeeld sprake zijn bij het offreren van een (klein) bedrag dat niet in verhouding staat tot de werkelijke waarde van het product of dienst (zie paragraaf 6.9 van de aanbestedingsvoorwaarden).\n\n4.28.. Volgens D&B is de prijs waarmee zij zelf heeft ingeschreven voor een zeer groot deel gebaseerd op vaste gegevens die voor alle inschrijvers gelijk zijn (zie hierna in 4.30.). Tegen die achtergrond heeft Trigion met een prijs ingeschreven die een onverklaarbaar groot verschil vertoont met de inschrijfprijs van D&B zelf en daarom onwaarschijnlijk laag is en in strijd met de eisen in de aanbestedingsstukken op dit punt. Dit had voor Stedin aanleiding moeten zijn om de inschrijfprijs van Trigion (nader) te verifiëren. De voorzieningenrechter volgt D&B ook hier niet in.\n\n4.29.. Ten aanzien van de inhoud van inschrijvingen, de hoogte van de prijs daaronder begrepen, is vaste jurisprudentie dat de aanbestedende dienst mag uitgaan van de juistheid van verklaringen van de inschrijver. Dat betekent ook dat pas een verplichting tot nader onderzoek naar de inhoud en onderbouwing van een inschrijving ontstaat wanneer gerede twijfel bestaat omtrent de juistheid daarvan. Er bestaat geen ongeclausuleerde onderzoeksplicht. Het is in dit geval aan D&B om te stellen en, zo nodig, te onderbouwen dat gerede twijfel bestaat over de juistheid van de inschrijving van Trigion. Daarbij geldt dat het is toegestaan om strategisch te bieden. De aanbestedende dienst bepaalt op welke wijze de winnaar van de aanbestedingsprocedure wordt vastgesteld. Als de aanbestedende dienst kiest voor een systematiek die strategisch inschrijven mogelijk maakt, mogen alle inschrijvers daar naar eigen inzicht gebruik van maken. Dat een inschrijver daarvan gebruik maakt, kan haar niet achteraf worden verweten.\n\n4.30.. D&B stelt dat zij op basis van het prijsverschil tussen haar eigen inschrijving en de inschrijving van Trigion gerede twijfel heeft of Trigion reële en marktconforme inschrijfprijzen heeft gehanteerd en\u002Fof alle benodigde onderdelen (waaronder, maar niet uitsluitend, meldkamer- en surveillancediensten) in haar inschrijfprijs heeft verdisconteerd. Volgens D&B is het zonder nadere toelichting volstrekt onbegrijpelijk en voorshands onmogelijk dat Trigion een dergelijke significant lagere prijs kan aanbieden, rekening houdend met (1) de minimale inzet per locatie, (2) de huidige inzet van de medewerkers, (3) het feit dat de loonkosten een significant deel van de inschrijfsom beslaan en (4) het feit dat de verloning voor alle partijen gelijk is op basis van de toepasselijke CAO.\n\n4.31.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het enkele feit dat sprake is van een (significant) prijsverschil tussen de inschrijvingen van D&B en Trigion onvoldoende is om tot de conclusie te dwingen dat Stedin de inschrijfprijs van Trigion (nader) had moeten verifiëren. Zeker als, zoals in dit geval, volgens de algemene mededelingen van Stedin op dit punt, de inschrijfprijs van Trigion dicht bij de inschrijfprijzen van de overige twee inschrijvers ligt en de inschrijfprijs van D&B daar als enige duidelijk bovenuit steekt. Dat is eerder een aanwijzing dat D&B haar inschrijfprijs relatief hoog heeft ingestoken. Ook de overige stellingen van D&B dwingen, mede in het licht van wat Stedin en Trigion daar tegenover hebben gesteld, niet tot een nadere verificatie van de inschrijfprijs van Trigion (of de andere inschrijvers). In dat verband is van belang dat Stedin op dit punt wel enig onderzoek heeft verricht. Zij heeft navraag gedaan bij Trigion en heeft een onafhankelijk adviesbureau gevraagd om de prijzen te bezien. Tijdens de mondelinge behandeling is namens dat door Stedin ingeschakelde adviesbureau toegelicht dat de inschrijfprijzen van de inschrijvers onderling met elkaar zijn vergeleken, waarbij rekening is gehouden met de overname van zittend personeel, de geldende CAO en de grootte van het personeelsbestand. Trigion heeft tijdens de mondelinge behandeling ook bevestigd dat zij daar in haar inschrijfprijs rekening mee heeft gehouden en dat zij heeft gerekend met door Stedin over het personeel van D&B verstrekte gegevens, inclusief bovenschaligheid. D&B heeft tijdens de mondelinge behandeling nog wel aangevoerd dat bij Stedin sprake is van een onevenredig hoog ziekteverzuim van de medewerkers van D&B, maar daar heeft Trigion tegenover gesteld dat ook zij met ziekteverzuim van medewerkers kampt. Dit alles afwegende is geen sprake van een situatie waarin D&B voldoende heeft gesteld én onderbouwd dat gerede twijfel bestaat over de juistheid van de inschrijfprijs van Trigion (en de andere inschrijvers) in die zin, dat sprake is van een manipulatieve prijs die in strijd is met de hiervoor onder 4.27 weergegeven eisen. Stedin had dan ook niet de plicht om die inschrijfprijs (nader) te verifiëren.\n\nDe conclusie4.32.. Alle bezwaren van D&B tegen het gunningsvoornemen en de toelichting daarop zijn gepasseerd, zodat de conclusie is dat alle vorderingen van D&B worden afgewezen. Er bestaat geen grond om Stedin te veroordelen om tot heraanbesteding of herbeoordeling over te gaan.\n\nD&B moet de proceskosten van Stedin en Trigion betalen4.33.. D&B is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Stedin en Trigion betalen.\n\n4.34.. De proceskosten van Stedin en Trigion worden voor ieder van hen begroot op:\n\n- griffierecht € 735,00\n\n- salaris advocaat € 1.177,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)\n\n- nakosten € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 2.101,00\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad4.35.. De proceskostenveroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nin het incident\n\n5.1.. staat Trigion tussen te komen in de procedure tussen D&B en Stedin;\n\n5.2.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;\n\nin de hoofdzaak en in de tussenkomst\n\n5.3.. wijst de vorderingen van D&B af;\n\n5.4.. veroordeelt D&B in de proceskosten van Stedin à € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als D&B de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet D&B € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.5.. veroordeelt D&B in de proceskosten van Trigion à € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als D&B de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet D&B € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.6.. verklaart de veroordelingen in 5.4. en 5.5. uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026. 3349 \u002F 106\n\n HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9233.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4266","2026-04-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.634Z",{"id":191,"ecli":192,"slug":193,"caseNumber":43,"courtId":194,"decisionDate":195,"fullText":196,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":197,"sourceTimestamp":195,"parsedAt":51,"updatedAt":198},"437","ECLI:NL:RBAMS:2026:3396","ecli-nl-rbams-2026-3396",56,"2026-04-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F784682 \u002F KG ZA 26-172 EAM\u002FEB\n\nVonnis in kort geding van – bij vervroeging – 7 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. CIRCLEWOOD IPS SCHOLEN B.V.,\n\nte Ede, 2. ABT B.V.,\n\nte Velp, 3. HEDGEHOG COMPANY B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\neisende partijen bij dagvaarding van 13 maart 2026,\n\nhierna samen te noemen: CircleWood,\n\nadvocaat: mr. J.F. van Nouhuys,\n\ntegen\n\n1. GEMEENTE AMSTERDAM,\n\nte Amsterdam, 2. STICHTING FLORENTE,\n\nte Diemen,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: de gemeente c.s. en afzonderlijk de gemeente en Florente,\n\nadvocaat: mr. D.L. Sinaij en S.E. Vlaanderen,\n\nen\n\nHEGEMAN BOUW & INFRA B.V.,\n\nte Nijverdal,\n\ntussenkomende partij,\n\nhierna te noemen: Het Schoolvoorbeeld,\n\nadvocaten mr. R.J. Kwaak en mr. E.W.J. van Dijk.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Op de zitting van 1 april 2026 heeft Het Schoolvoorbeeld verzocht om primair tussen te mogen komen en subsidiair zich te voegen aan de zijde van de gemeente c.s. Het Schoolvoorbeeld heeft een belang bij de uitkomst van deze procedure en de andere partijen hebben laten weten geen bezwaar te hebben tegen haar tussenkomst, redenen waarom het primaire verzoek is toegewezen.\n\n1.2.. CircleWood heeft de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Het Schoolvoorbeeld heeft een toelichting gegeven op de vorderingen die zij heeft ingesteld bij incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair voeging. De gemeente c.s. heeft verweer gevoerd. Alle partijen hebben producties ingediend en gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die aan het procesdossier zijn toegevoegd.\n\n1.3.. Op de zitting waren aanwezig:\n\naan de zijde van CircleWood: [naam 1] (CircleWood) en mr. Van Nouhuys;\n\naan de zijde van de gemeente en Florente: [naam 2] (inkoopadviseur bij de gemeente), [naam 3] (projectmanager ingehuurd door Florente) en [naam 4] ( [functie] ) met mr. Sinaij en mr. Vlaanderen;\n\naan de zijde van Het Schoolvoorbeeld: [naam 5] ( [functie] ), [naam 6] ( [functie] ) en mr. Kwaak.\n\n1.4.. Vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Voor de realisatie van schoolgebouwen (ook wel integrale kindcentra genoemd, hierna: IKC) heeft de gemeente in 2023 via de procedure van het innovatiepartnerschap raamovereenkomsten gesloten met drie marktpartijen, waaronder CircleWood en het Schoolvoorbeeld. De raamcontractanten hebben destijds allemaal ingeschreven met een zogeheten innovatief concept (een soort prototype), dat zij steeds verder doorontwikkelen.\n\n2.2.. Onderdeel van de raamovereenkomst is het Generieke Programma van Eisen. Daarin staan de eisen waaraan alle te bouwen IKC’s in ieder geval moeten voldoen. Eén van die eisen is dat te bouwen IKC’s (“het project”) moeten voldoen aan alle toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder het vigerende bouwbesluit (nu het Besluit bouwwerken leefomgeving, hierna: het Bbl).\n\n2.3.. Per nader offerteverzoek dat onder de raamovereenkomst wordt uitgebracht, wordt door het bestuur van de te realiseren school – de opdrachtgever – een specifiek programma van eisen en wensen vastgesteld. Voor het sluiten van de nadere overeenkomsten voor het ontwerpen en bouwen van de IKC’s worden minicompetities georganiseerd door de gemeente.\n\n2.4.. Voor het project “ [naam project] ” is zo’n minicompetitie gehouden. Het is de bedoeling om daar voor Florente twee IKC’s neer te zetten. Beide IKC’s moeten zeventien klaslokalen krijgen en een dubbele gymzaal. De overeenkomst die zal worden gesloten voor de bouw van deze IKC’s, voorziet in de mogelijkheid van een vervolgopdracht voor de uitbreiding van beide IKC’s met vijf klaslokalen.\n\n2.5.. Voor de minicompetitie [naam project] moesten de inschrijvers onder meer een visie-ontwerp indienen voor één van de IKC’s. De inschrijvers moesten verder verklaren dat zij de inschrijving doen overeenkomstig de Aanbestedingswet 2012 en met inachtneming van onder meer het generieke - en het specifieke programma van eisen.\n\n2.6.. CircleWood, Het Schoolvoorbeeld en nog een derde partij hebben ingeschreven op de opdracht. Op 11 februari 2026 heeft de gemeente CircleWood geïnformeerd dat de inschrijving van Het Schoolvoorbeeld is aangemerkt als de Economisch Meest Voordelige Inschrijving (wat het gunningscriterium was). CircleWood kwam als tweede uit de bus. Bij deze mededeling gunningsbeslissing zit een overzicht van scores en punten van alle inschrijvers. Bij het Schoolvoorbeeld staat onder het kopje “Criterium Gebruikerswaarde – Veiligheid” onder meer het volgende:\n\n“De vluchttrappen bij uitbreiding zijn geen goede oplossing. Na uitbreiding vluchten door een lokaal is niet positief.”\n\n2.7.. CircleWood heeft bezwaar gemaakt tegen het voornemen om de opdracht aan Het Schoolvoorbeeld te gunnen. Een van die redenen daarvoor was dat het visie-ontwerp van Het Schoolvoorbeeld niet zou voldoen aan het Bbl, omdat – kort gezegd – een vluchtroute niet mag door een klaslokaal.\n\n2.8.. Florente heeft op 3 maart 2026 de beoordelingsformulering aangescherpt. In dit document staat over de vluchtroute het volgende:\n\n“De commissie merkt op dat het uitbreidingsscenario nadere technische uitwerking vraagt ten\n\naanzien van vluchtroutes. In het visieontwerp zijn deze nog niet volledig uitgewerkt. Dit betekent niet dat naleving van brandveiligheidsvoorschriften onmogelijk is. Het betreft een\n\nontwerpaspect dat bij daadwerkelijke uitbreiding technisch moet worden opgelost. Om die\n\nreden is dit als kwaliteitsaspect meegewogen binnen veiligheid, maar niet aangemerkt als strijd met een minimumeis.”\n\n2.9.. De gemeente heeft de standstill termijn verlengd zodat CircleWood dit kort geding nog kan voeren voordat de opdracht daadwerkelijk aan Het Schoolvoorbeeld wordt gegund.\n\n3. De vordering van CircleWood\n\n3.1.. CircleWood vordert, kort gezegd:\n\nPrimair\n\nde gemeente c.s. te verbieden de opdracht te gunnen aan Het Schoolvoorbeeld;\n\nde gemeente c.s. te gebieden om de gunningsbeslissing in te trekken en de inschrijving van Het Schoolvoorbeeld als ongeldig aan te merken; en\n\nde gemeente c.s. te gebieden de opdracht aan CircleWood te gunnen, althans te verbieden de opdracht te gunnen aan een ander dan CircleWood, voor zover de gemeente de opdracht nog wenst te gunnen;\n\nSubsidiair\n\nde gemeente c.s. te verbieden de opdracht te gunnen aan Het Schoolvoorbeeld; en\n\nde gemeente c.s. te gebieden om, voor zover zij de opdracht nog steeds wenst te plaatsen, die opnieuw aan te besteden;\n\nPrimair en subsidiair\n\naan elk op te leggen ge- en verbod een dwangsom te verbinden; en\n\nde gemeente en Florente hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Aan haar vordering legt CircleWood ten grondslag, samengevat, dat de inschrijving van Het Schoolvoorbeeld ongeldig is en daarom terzijde had moeten worden geschoven. In het visie-ontwerp van de mogelijke uitbreiding, die Het Schoolvoorwerp heeft ingediend, loopt een vluchtroute door een klaslokaal. Dat mag niet op grond van het Bbl, waaraan de inschrijvers zich hebben gecommitteerd. Op grond van artikel 4.67 Bbl moet een vluchtroute leiden naar het aansluitende terrein, en mag een beschermde (of extra beschermde) vluchtroute uitsluitend lopen door verkeersruimten en niet door een verblijfsruimte zoals een klaslokaal (artikel 4.68 en 4.69 Bbl).\n\n3.3.. Voor zover het klaslokaal wordt opgeofferd ten behoeve van de vluchtroute die daar doorheen zal lopen, levert Het Schoolvoorbeeld geen volwaardige vijfde lokaal, wat wel is gevraagd. Het stellen van voorwaarden door Het Schoolvoorbeeld, zoals het vrijhouden van een baan binnen het lokaal door daar geen schoolbankjes te plaatsen, is ook niet toegestaan. Ook in deze gevallen is sprake van een ongeldige inschrijving.\n\n3.4.. Gelegenheid geven om deze ontwerpfout te herstellen in de gunningsfase, zoals de gemeente c.s. lijkt te willen doen, is in strijd met het transparantiebeginsel. Als Het Schoolvoorbeeld wegvalt, schuift CircleWood door naar de winnende positie en moet de opdracht aan haar worden gegund, dit alles aldus CircleWood.\n\n3.5.. De gemeente c.s. voert verweer.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt bij de beoordeling nader ingegaan, voor zover van belang.\n\n4. De vordering van Het Schoolvoorbeeld\n\n4.1.. Het Schoolvoorbeeld vordert in tussenkomst CircleWood niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans die af te wijzen, en de gemeente te verbieden – voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen – de opdracht te gunnen aan een ander dan Het Schoolvoorbeeld, met veroordeling van CircleWood en de gemeente in de proceskosten.\n\n4.2.. Het Schoolvoorbeeld wenst met het instellen van haar vordering zeker te stellen dat de opdracht aan haar wordt gegund.\n\n4.3.. De gemeente c.s. voert verweer.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan, voor zover van belang.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Het betoog van CircleWood berust op de veronderstelling dat het visie-ontwerp van Het Schoolvoorbeeld strijdig is met bepalingen uit het Bbl. Dat maakt CircleWood op uit (1) de gunningsbrief, waarin staat dat de vluchtrappen geen goede oplossing zijn en dat vluchten door een lokaal niet positief is, en (2) de nadere toelichting van Florente op het gunningsvoornemen, waarin staat dat het ontwerpaspect van brandveiligheidsvoorschriften bij daadwerkelijke uitbreiding technisch moet worden opgelost.\n\n5.2.. De gemeente c.s. betwist echter – zo bleek op de zitting voor het eerst expliciet – dat het visie-ontwerp in strijd is met het Bbl. Zij stelt dat het beroep van CircleWood op de artikelen 4.68 en 4.69 Bbl niet opgaat, omdat die bepalingen gelden voor het geval er maar één vluchtweg is en het plan van Het Schoolvoorbeeld voorziet in twee vluchtwegen die door verschillende ruimten voeren.\n\n5.3.. CircleWood heeft er een punt van gemaakt dat de gemeente c.s. de tekening niet heeft overgelegd om aan te tonen dat er twee vluchtroutes zijn, maar begrijpelijk is dat Het Schoolvoorbeeld die niet wil prijsgeven in de huidige situatie, waarbij opdracht nog niet is gegund. Dat is concurrentiegevoelige informatie. Voorshands is er geen reden om aan te nemen dat de gemeente c.s. hierover liegt.\n\n5.4.. Als ervan wordt uitgegaan dat er twee vluchtroutes zijn, gelden de eisen die zijn opgenomen in artikel 4.68 en 4.69 Bbl inderdaad niet, zo blijkt uit de Integrale Nota van Toelichting bij het Bbl, meer concreet de toelichting op paragraaf 4.2.10 van het Bbl, die over vluchtroutes gaat.\n\n5.5.. CircleWood beroept zich ook op artikel 4.67 Bbl. Die bepaling bevat een voorschrift voor een vluchtweg uit een beschermd subbrandcompartiment, dat extra bescherming biedt ten opzichte van een gewoon subbrandcompartiment. Blijkens de hiervoor genoemde Integrale Nota van Toelichting bij het Bbl, specifiek de toelichting op de begrippen in het Bbl, is een beschermd subbrandcompartiment een compartiment waarin personen verblijven die extra kwetsbaar zijn en dus extra bescherming nodig hebben, zoals hotelgasten (die veelal zullen slapen), personen die niet zelfstandig kunnen vluchten, zoals zeer kleine kinderen, aan bed gebonden patiënten of gedetineerden. Dat is bij de IKC’s niet aan de orde en artikel 4.67 Bbl mist dan ook toepassing.\n\n5.6.. Voorshands is op grond van het voorgaande niet aannemelijk dat de inschrijving van Het Schoolvoorbeeld ongeldig is. De gemeente c.s. hoeft die dus niet terzijde te leggen. De vordering zal worden afgewezen.\n\n5.7.. De vordering van Het Schoolvoorbeeld wordt bij gebrek aan belang afgewezen. De vordering van CircleWood wordt namelijk afgewezen en er is geen reden om aan te nemen dat de gemeente c.s. de opdracht aan een ander zal gunnen.\n\n5.8.. Hoewel CircleWood in het ongelijk wordt gesteld, is er aanleiding om de gemeente en Florente (hoofdelijk) in de proceskosten te veroordelen. Niet eerder dan op de zitting heeft de gemeente c.s. het standpunt ingenomen dat het visie-ontwerp conform het Bbl is. Begrijpelijk is dat de eerder gegeven toelichting de vraag opriep of de minicompetitie in lijn was met het aanbestedingsrecht.\n\n5.8.1.. De proceskosten van CircleWood worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n125,57\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.226,57\n\n5.8.2.. De proceskosten van Het Schoolvoorbeeld worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n6.1.. weigert de gevraagde voorzieningen,\n\n6.2.. veroordeelt de gemeente en Florente hoofdelijk in de proceskosten van CircleWood van € 2.226,57 en de proceskosten van Het Schoolvoorbeeld van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de gemeente en Florente niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis wordt betekend,\n\n6.3.. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.\n\nColl: MV","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3396","2026-07-13T00:28:30.099Z",{"id":200,"ecli":201,"slug":202,"caseNumber":43,"courtId":203,"decisionDate":204,"fullText":205,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":206,"sourceTimestamp":207,"parsedAt":51,"updatedAt":208},"441","ECLI:NL:RBMNE:2026:1293","ecli-nl-rbmne-2026-1293",63,"2026-03-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F604070 \u002F KG ZA 25-616\n\nVonnis in kort geding van 20 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres] B.V.,\n\nte [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\nadvocaten: mr. D. Britsemmer en mr. M.C.B. Beck,\n\ntegen\n\nGEMEENTE HILVERSUM,\n\nte Hilversum,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaten: mr. S.C. Brackmann en mr. J.H.J. Bax,\n\nmet als tussenkomende partij\n\n [derde belanghebbende] B.V.,\n\nte [plaats] ,\n\nhierna te noemen: [derde belanghebbende] ,\n\nadvocaat: mr. A. Stellingwerff Beintema.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 15 december 2025 met 5 producties,\n\n- de conclusie van antwoord met 8 producties,\n\n- de conclusie tot tussenkomst (primair) en voeging (subsidiair) met 3 producties,\n\n- de mondelinge behandeling van 12 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van [eiseres] , - de pleitnota van [derde belanghebbende] .\n\n1.2.. Tijdens de mondelinge behandeling is het incident tot tussenkomst subsidiair voeging behandeld. [eiseres] en de gemeente hebben geen bezwaar gemaakt tegen het verzoek van [derde belanghebbende] om te mogen tussenkomen. De voorzieningenrechter heeft vervolgens beslist dat het [derde belanghebbende] wordt toegestaan om in het kort geding tussen te komen. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd. Dit betekent dat [eiseres] , de gemeente en [derde belanghebbende] in het incident ieder hun eigen kosten dragen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. De gemeente heeft een Europese aanbesteding gehouden voor Locatiebeheer Oekraïne Opvang. Onder meer [eiseres] en [derde belanghebbende] hebben zich ingeschreven. De gemeente heeft de opdracht voorlopig gegund aan [derde belanghebbende] , omdat zij de beste prijs-kwaliteitsverhouding heeft. [eiseres] is op de vijfde plek geëindigd. Volgens [eiseres] is sprake van één of meer fundamentele gebreken in de aanbestedingsprocedure. Zij vordert daarom – samengevat – dat de gemeente een heraanbesteding moet organiseren. De voorzieningenrechter stelt [eiseres] in het gelijk en legt dit hierna uit.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. In de aanbestedingsleidraad is voor het gunningscriterium ‘prijs’ een formule opgenomen om de score van de inschrijvers te bepalen op dit criterium. Na het sluiten van de inschrijving heeft de gemeente de prijsformule aangepast, omdat de formule een fout bevatte. Volgens [eiseres] levert dit een fundamenteel gebrek op in de aanbestedingsprocedure. Daarnaast heeft de gemeente volgens [eiseres] geschiktheidseisen gehanteerd als gunningscriterium. Ook dit vormt een fundamenteel gebrek. De gemeente is het hier niet mee eens. Voordat de voorzieningenrechter de inhoudelijke argumenten van partijen bespreekt (zie hierna in 3.4 en verder), gaat zij eerst in op twee formele punten.\n\n [eiseres] heeft belang bij haar vorderingen\n\n3.2.. De gemeente en [derde belanghebbende] hebben zich op het standpunt gesteld dat [eiseres] geen belang heeft bij haar vorderingen, omdat zij de aanbesteding sowieso niet zou hebben gewonnen. Ook bij toepassing van de oorspronkelijke prijsformule zou [derde belanghebbende] namelijk de beste prijs-kwaliteitsverhouding hebben en de aanbesteding hebben gewonnen. Ondanks de fout en vervolgens het herstel van die fout, zou [eiseres] dus niet in haar belangen zijn geschaad. De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee. Bij een toewijzing van de vordering tot heraanbesteding, bestaat voor [eiseres] namelijk nog steeds een kans dat de opdracht aan haar wordt gegund. [eiseres] heeft dus belang bij haar vorderingen.\n\n [eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen\n\n3.3.. Het spoedeisend belang van [eiseres] vloeit voort uit de aard van het gevorderde.\n\nHet gunningscriterium ‘prijs’\n\n3.4.. In paragraaf 5.3.1. van de aanbestedingsleidraad staat dat aan de inschrijving met het laagste all-in tarief exclusief btw het maximum te behalen aantal punten wordt toegekend. De overige inschrijvers krijgen punten, gerelateerd aan de laagst ingediende inschrijvingsprijs. Dat puntenaantal wordt, blijkens de aanbestedingsleidraad, berekend volgens deze formule:\n\nDaarnaast schrijft de aanbestedingsleidraad voor dat als het toegekende aantal punten leidt tot een negatieve score, de score op 0 gesteld zal worden.\n\n3.5.. In de gunningsbeslissing van 11 november 2025 heeft de gemeente aan de inschrijvers meegedeeld dat de prijsformule in de aanbestedingsleidraad een fout bevatte. Met het hanteren van de prijsformule uit de aanbestedingsleidraad werden uitsluitend negatieve scores berekend. Dat zou betekenen dat alle overige inschrijvers (dat wil zeggen: alle inschrijvers behalve de inschrijver met de laagste inschrijfprijs) een score 0 zouden krijgen. Dit zou leiden tot een onvolledige totaalscore. De gemeente heeft daarom in plaats van die formule de volgende prijsformule toegepast bij alle inschrijvers: score = maximaal aantal punten * (laagste inschrijfprijs\u002F inschrijfprijs). De teller en de noemer zijn dus omgedraaid en de ‘1’ is weggelaten.\n\n3.6.. De voorzieningenrechter overweegt dat niet kan worden uitgesloten dat potentiële gegadigden zich niet hebben ingeschreven vanwege de in de aanbestedingsleidraad geformuleerde formule, omdat de prijsformule voor hen zou leiden tot een negatieve score en dus tot 0 punten. Potentiële gegadigden konden en hoefden er geen rekening mee te houden dat de prijsformule een fout bevatte en dat de gemeente de prijsformule – en daarmee de aanbestedingsleidraad – zou aanpassen na het sluiten van de inschrijving. Deze handelwijze van de gemeente is in strijd met het transparantiebeginsel.\n\n3.7.. Verder heeft [eiseres] er terecht op gewezen dat de gemeente de prijsformule ook op verschillende andere manieren had kunnen aanpassen. Daarvan heeft [eiseres] tijdens de zitting een voorbeeld genoemd. Waar de gemeente in de aangepaste prijsformule de ‘1’ heeft weggelaten, had zij er bijvoorbeeld ook voor kunnen kiezen om de ‘1’ te vervangen door een ‘2’. Hiermee wordt een geheel andere score behaald. Aan de hand van een rekenvoorbeeld heeft [eiseres] geïllustreerd dat het hanteren van verschillende prijsformules leidt tot verschillende scores en daarmee van de rangorde van inschrijvingen. Dit zou er toe kunnen leiden dat de gemeente een bepaalde inschrijver zou kunnen bevoordelen, afhankelijk van de gekozen nieuwe prijsformule. De gemeente heeft aangevoerd dat zij heeft gekozen voor een aangepaste prijsformule die het meest dichtbij de prijsformule uit de aanbestedingsleidraad ligt en die het meest logisch is, maar dat maakt het voorgaande niet anders. De gemeente heeft niet gehandeld op de wijze die zij vooraf heeft bepaald in de aanbestedingsstukken en heeft achteraf de prijsformule aangepast op een door haar (willekeurig) gekozen manier. Dit is voor de inschrijvers vooraf niet inzichtelijk, niet te controleren en dus niet transparant.\n\n3.8.. De gemeente en [derde belanghebbende] hebben zich op het standpunt gesteld dat door niemand en dus ook niet door potentiële gegadigden (die zich uiteindelijk niet hebben ingeschreven) is geklaagd bij de gemeente over de (foute) prijsformule die is opgenomen in de aanbestedingsleidraad. Ook zouden hierover geen vragen zijn gesteld aan de gemeente. Dit standpunt is echter onvoldoende voor een ander oordeel. Het is namelijk aan de aanbestedende dienst om ervoor te zorgen dat de aanbestedingsstukken geen fouten bevatten en dat de aanbestedingsprocedure correct verloopt.\n\n3.9.. De conclusie is dat de aanbestedingsprocedure fundamenteel gebrekkig is, omdat de gemeente de prijsformule voor het criterium ‘prijs’ na sluiting van de inschrijving heeft aangepast. De vraag of sprake is van een fundamenteel gebrek omdat de gemeente geschiktheidseisen als gunningscriterium heeft gebruikt, hoeft daarom niet meer te worden besproken.\n\nHet beroep op rechtsverwerking slaagt niet\n\n3.10.. De gemeente en [derde belanghebbende] hebben aangevoerd dat [eiseres] haar rechten heeft verwerkt door de fout in de prijsformule in de aanbestedingsleidraad niet tijdig te melden (Grossmann-verweer). Dit verweer slaagt niet. Zoals hiervoor is overwogen, is sprake van een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure. De redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de aanbestedende dienst en de inschrijver op grond van artikel 6:2 van het Burgerlijk Wetboek beheerst, brengt mee dat bij een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsstukken de aanbestedende dienst zich er niet tegen kan verzetten dat een inschrijver dit gebrek in de procedure voor de rechter aan de orde stelt, ook al heeft deze vóór de inschrijving daarover geen bezwaren geuit. Bij zo’n fundamenteel gebrek mag de aanbestedende dienst er niet op vertrouwen dat de inschrijver door na te laten vóór inschrijving actie te ondernemen, dit aspect niet meer aan de rechter ter beoordeling kan voorleggen (zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1150, r.o. 3.28).\n\n3.11.. \n [derde belanghebbende] heeft in dit kader nog gesteld dat een beroep op rechtsverwerking aanvaardbaar is, omdat de andere inschrijvers bij een heraanbesteding een kans krijgen om hun inschrijving te verbeteren, terwijl die mogelijkheid voor [derde belanghebbende] beperkt is. De andere inschrijvers hebben namelijk een afwijzingsbrief van de gemeente gekregen met daarin de kenmerken en relatieve voordelen van de inschrijving van [derde belanghebbende] . De prijs van [derde belanghebbende] zou hierdoor ‘op straat liggen’. De voorzieningenrechter onderkent dat [derde belanghebbende] zich in een lastig parket bevindt omdat derden kennis kunnen nemen van de prijs die [derde belanghebbende] hanteert, maar dit kan niet aan dit [eiseres] worden tegengeworpen. Het is namelijk niet aan [eiseres] te wijten dat er een fundamenteel gebrek is in de aanbestedingsprocedure.\n\nConclusie: de vordering tot heraanbesteding wordt toegewezen\n\n3.12.. De voorzieningenrechter oordeelt dat het de gemeente moet worden verboden uitvoering te geven aan het gunningsvoornemen van 11 november 2025. De gemeente zal daarom worden geboden om het gunningsvoornemen in te trekken. De opdracht moet opnieuw worden aanbesteed, als de gemeente de opdracht nog wenst te gunnen. De vorderingen van [eiseres] worden dus toegewezen.\n\nDe gemeente moet de proceskosten van [eiseres] betalen\n\n3.13.. De gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n122,35\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.766,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.812,35\n\n3.14.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nDe vorderingen van [derde belanghebbende] worden afgewezen\n\n3.15.. \n [derde belanghebbende] heeft kort gezegd gevorderd om (primair) de vorderingen van [eiseres] af te wijzen en (subsidiair) de gemeente te verbieden over te gaan tot heraanbesteding van de onderhavige aanbestede opdracht.\n\n3.16.. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [derde belanghebbende] worden afgewezen.\n\n [derde belanghebbende] moet de proceskosten van [eiseres] betalen\n\n3.17.. \n [derde belanghebbende] moet als verliezende partij de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres] betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.766,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.955,00\n\n3.18.. De proceskosten tussen [derde belanghebbende] en de gemeente worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt. Omdat de gemeente geen verweer heeft gevoerd tegen het standpunt van [derde belanghebbende] , heeft de gemeente geen kosten gemaakt.\n\nUitvoerbaar bij voorraadverklaring\n\n3.19.. De voorzieningenrechter zal het vonnis uitvaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat dit vonnis moet worden uitgevoerd, óók als een van de partijen hoger beroep instelt. Dit vonnis geldt dan totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\n4. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n4.1.. verbiedt de gemeente uitvoering te geven aan het gunningsvoornemen van 11 november 2025 en gebiedt de gemeente het gunningsvoornemen in te trekken,\n\n4.2.. gebiedt de gemeente om de aanbestedingsprocedure te staken en gestaakt te houden en, voor zover de gemeente de opdracht nog wenst te gunnen, daartoe een heraanbesteding te organiseren,\n\n4.3.. veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 2.812,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.4.. veroordeelt de gemeente tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n4.5.. veroordeelt [derde belanghebbende] in de proceskosten van € 1.955,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [derde belanghebbende] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.7.. compenseert de proceskosten tussen [derde belanghebbende] en de gemeente, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n4.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson en in het openbaar uitgesproken door mr. J.G. van Ommeren op 20 maart 2026.\n\nWM (5442)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1293","2026-04-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:30.272Z",{"id":210,"ecli":211,"slug":212,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":213,"fullText":214,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":215,"sourceTimestamp":216,"parsedAt":51,"updatedAt":217},"435","ECLI:NL:RBDHA:2026:6822","ecli-nl-rbdha-2026-6822","2026-03-17T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F697687 \u002F KG ZA 26\u002F35\n\nVonnis in kort geding van 17 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. Maatschap [eiser 1] te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),\n\n2. [eiser 2]te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),\n\n3. [eiser 3]te [woonplaats] (gemeente [gemeente] )\n\neisers,\n\nadvocaat mr. H.M. van Eerten te Zwolle,\n\ntegen:\n\nGemeente Teylingente Sassenheim (gemeente Teylingen),\n\ngedaagde,\n\nadvocaten mr. R.C. Geurtsen en mr. H.J. Doelman te Den Haag.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de Maatschap’ en ‘de Gemeente’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10;\n\n- de door de Gemeente overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10;\n\n- de door de Maatschap overgelegde productie 11.\n\n- de op 24 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Maatschap pleitnotities zijn overgelegd.\n\n1.2.. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.1.. De Gemeente is eigenaar van diverse pachtgronden in de gemeente Warmond en Voorhout, waaronder de landbouwpercelen kadastraal bekend gemeente Voorhout, [kadastraal nummer] (hierna ook: de [adres] ). Deze percelen worden al geruime tijd door de Maatschap gepacht ten behoeve van hun extensieve melkveehouderijbedrijf. De pachtovereenkomsten voor deze gronden liepen af op 31 december 2024.\n\n2.2.. In verband met de uitgifte van de nieuwe pachtovereenkomsten voor o.a. de [adres] heeft de Gemeente in oktober 2024 een openbare selectieprocedure georganiseerd, waarbij kon worden ingeschreven op vijf verschillende clusters (hierna: Selectieprocedure I). De Maatschap heeft zich ingeschreven op twee van deze clusters, waaronder de [adres] .\n\n2.3.. Bij brief van 29 januari 2025 is door de rentmeester aan de Maatschap kenbaar gemaakt dat aan haar de pacht van cluster [adres] wordt toegekend. Daarbij is het volgende opgemerkt:\n\n “Vanwege de termijn waarbinnen andere inschrijvers de mogelijkheid hebben om beroep\u002Fbezwaar aan te tekenen, zal aan u na week 9 (vanaf 24 februari 2025) gecommuniceerd worden of de gunning definitief is of dat er een beroep\u002Fbezwarenprocedure gevolgd moet worden. In het eerste geval kunt u de pachtovereenkomst na week 9 ter ondertekening tegemoet zien.”\n\n2.4.. Bij brief van 11 februari 2025 heeft de Gemeente de Maatschap laten weten dat zij de voorlopige gunningsbeslissing intrekt, omdat – kort gezegd – de openbare selectieprocedure niet (volledig) voldeed aan de eisen uit het Didam-arrest en herstel van de procedure niet mogelijk is.\n\n2.5.. De Maatschap heeft op 18 februari 2025 pro forma bezwaar gemaakt tegen de intrekking van de gunningsbeslissing.\n\n2.6.. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft de Gemeente de Maatschap bij brief van 27 maart 2025 laten weten dat zij haar standpunt om de voorlopige gunning in te trekken handhaaft en een nieuwe procedure zal opstarten. In de brief staat dat indien de Maatschap zich hier niet mee kan verenigen, zij, op straffe van verval van recht, binnen 10 werkdagen een kort geding procedure aanhangig moet maken.\n\n2.7.. In afwachting van de uitkomst van een nieuw te organiseren selectieprocedure heeft de Gemeente met de zittende pachters, waaronder de Maatschap, bruikleenovereenkomsten gesloten met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025.\n\n2.8.. Op 11 september 2025 heeft de Gemeente het concept van de inschrijfvoorwaarden voor de nieuwe selectieprocedure en de Tabel met (natuur inclusieve) maatregelen gedeeld met de inschrijvers van Selectieprocedure I, de pachters die in 2024 een pachtovereenkomst hadden gesloten met de Gemeente en alle (overige) boeren die actief zijn binnen de gemeentegrenzen. Vervolgens hebben er ‘keukentafelgesprekken’ plaatsgevonden en is er op 24 september 2025 een informatieavond georganiseerd.\n\n2.9.. Op 3 november 2025 heeft de Gemeente de definitieve inschrijfvoorwaarden voor de nieuwe openbare selectieprocedure (hierna: Selectieprocedure II) op haar website gepubliceerd. Daarin is onder het kopje ‘beleid toewijzing pachtgronden’ toegelicht dat de inschrijver met de meeste punten op een perceel het pachtcluster krijgt toegewezen. Gegadigden kunnen op drie manieren punten verdienen:\n\n1. Door zich te committeren aan natuur inclusieve maatregelen, zoals het gebruik van\n\nvaste mest en een uitgestelde maaidatum;\n\n2. Door de reisafstand tot het pachtperceel; en\n\n3. Door middel van toewijzing op basis van een eigen toelichting.\n\nOver de beoordeling van de eigen toelichting als bedoeld onder 3. is in de inschrijfvoorwaarden het volgende opgenomen:\n\n“3. Beoordelingscommissie\n\nDe eigen toelichting van de inschrijver wordt beoordeeld door een beoordelingscommissie,\n\nbestaande uit de volgende expertises: Landbouw, ecologie, overheid, rentmeester (als\n\nsecretaris). (hierna: ‘de Beoordelingscommissie’). Voor dit onderdeel worden maximaal 20\n\npunten toegekend.\n\nIn de Omgevingsvisie Teylingen ‘Een florerende toekomst voor Teylingen’ is beschreven dat\n\nde Gemeente waar nodig stimuleert onderdeel te zijn van de verbrede landbouw. De\n\nverbrede landbouw is een vorm van landbouwbedrijfsvoering waarin nevenactiviteiten een\n\ngrote rol spelen. Deze activiteiten worden in vier groepen verdeeld:\n\n- Groene diensten met betrekking tot milieu-, natuur- en landschapsbeheer;\n\n- Blauwe diensten met betrekking tot waterbeheer;\n\n- Diensten gericht op cohesie en vitaliteit op het platteland (zoals bijv. educatie,\n\nrecreatie, zorg, aanbod van opslagruimte en arbeid buiten het bedrijf); en\n\n- Diensten gericht op een rendabele, goede en voldoende voedselproductie\n\n(waaronder ook begrepen de ontwikkeling van streekproducten, voedselverwerking\n\nen verkoop aan huis).\n\nDe inschrijver zet in zijn eigen toelichting concreet en onderbouwd uiteen op welke wijze zijn\n\nbedrijf een bijdrage levert aan de verbrede landbouw als hiervoor beschreven. De inschrijver\n\nhoeft daarbij niet in te gaan op alle hiervoor beschreven diensten. De inschrijver richt zich\n\nalleen op de diensten waarop hij naar eigen inzicht een bijdrage levert. Het toe te kennen\n\naantal punten is niet afhankelijk van het aantal diensten dat wordt genoemd, maar van de\n\nkwaliteit van de benoemde bijdragen en de mate waarin de bijdragen van de bedrijfsvoering\n\novertuigend zijn onderbouwd en het maatschappelijke effect van de bijdragen. Ter illustratie:\n\neen dienst met een grote maatschappelijke impact krijgt meer punten dan een dienst die\n\nprimair een economische meeropbrengst heeft (zoals bijv. de ontwikkeling van\n\nstreekproducten of verkoop aan huis).”\n\nHet aantal te behalen punten is afhankelijk van de mate waarin de inschrijver volgens de beoordelingscommissie een inhoudelijk relevante en toepasselijke beschrijving heeft gegeven van zijn\u002Fhaar bijdrage aan de verbrede landbouw. Daarbij wordt gekeken naar in hoeverre de beschrijving specifiek, meetbaar, realistisch en uitvoerbaar is.\n\n2.10.. Over de beoordeling van de eigen toelichting (onderdeel 3.) is na publicatie van de (concept) inschrijfvoorwaarden één vraag gesteld, te weten hoeveel punten er bij dat onderdeel te verdelen zijn.\n\n2.11.. De Maatschap heeft zich inschreven voor twee van de zes clusters (cluster 5 en cluster 6 (de [adres] )). In haar eigen toelichting heeft zij het volgende opgeschreven:\n\n“Hierbij een korte beschrijving van onze boerderij.\n\nWij hebben een boerderij met melkkoeien aan het einde van de Menneweg.\n\nHet grootste deel van het weiland ligt in de Kooipolder in Warmond en de Floris Schoutenpolder in Sassenheim.\n\nMijn opa is hier begonnen omstreeks 1925. Mijn vader en twee broers hebben de boerderij in twee afzonderlijke boerderijen voortgezet. En wij hebben het weer van onze vader overgenomen.\n\nWij hebben een extensief melkveehouderijbedrijf.\n\nDit willen we graag zo houden. Maar daarvoor moeten we wel voldoende hectares weiland hebben.\n\nDit is in de huidige situatie geen probleem.\n\nEchter, wanneer wij de 3,2 ha. weiland kwijt raken die we nu al jaren pachten van de gemeente\n\nTeylingen dan worden we minder extensief.\n\nBovendien kunnen we ook de 2,5 hectare weiland van [naam 1] niet langer gebruiken, omdat hier gebouwd wordt.\n\nHet extensieve karakter van ons bedrijf komt in gevaar wanner we ook de 3,2 ha kwijt raken.\n\nEen aantal unieke punten van onze boerderij:\n\nOns vee wordt dag en nacht geweid. De mensen zien graag het vee buiten lopen.\n\nWe krijgen daar positieve reacties op.\n\nWe hebben sterke koeien van het zelf gekruiste ras MRIJ en FH.\n\nIn de Kooipolder in Warmond hebben we op een dijk aan de Kagerplassen een natuurvriendelijke oever van ongeveer 500 meter lang en 6 meter breed.\n\nHet bedrijf is extensief.\n\nOm de levensvatbaarheid van onze boerderij in stand te houden voor de beoogd opvolger hebben wij voldoende land nodig”\n\n2.12.. De Gemeente heeft op 12 december 2025 de voorlopige uitslag van de gunning bekend gemaakt. Daarbij is aan de Maatschap meegedeeld dat geen van de clusters waarvoor zij zich had ingeschreven aan haar is gegund, omdat zij op beide clusters minder punten heeft behaald dan de winnende inschrijver. In het verslag van de beoordelingscommissie is over de inschrijvingen op cluster 6 het volgende vermeld (de Maatschap is Inschrijver 3, de winnende inschrijver is Inschrijver 8, (hierna: [naam 2] )):\n\n“Voor cluster 6 zijn vier inschrijvingen.\n\nInschrijver 3- De maatregel aanvoeren organische stof wordt weggestreept.\n\nUit hun eigen toelichting blijkt dat het een extensief bedrijf betreft die aan de Eco-regeling zilver voldoet. De historie van het bedrijf en rol in de lokale gemeenschap wordt meegewogen.\n\nEr worden 10 punten toegekend.\n\nInschrijver 4- De maatregel aanvoeren organische stof wordt weggestreept.\n\nIn de eigen toelichting scoort dit bedrijf goed op veel punten, met name op verduurzaming, natuur, weidegang en lokale verkoop van producten.\n\nEr worden 20 punten toegekend.\n\nInschrijver 5- Geen opmerkingen op de tabel.\n\nUit de eigen toelichting blijkt een inzet op efficiëntie, innovatie en weidegang. Ook draagt het\n\nbedrijf bij aan recreatie- en cultuurhistorische doelstellingen van de gemeente.\n\nEr worden 10 punten toegekend.\n\nInschrijver 8- De maatregel aanvoeren organische stof wordt weggestreept.\n\nUit de eigen toelichting blijkt dat het een bedrijf is dat hoog scoort op duurzaamheid, aandacht\n\nvoor jonge boeren, innovatie en efficiëntie.\n\nEr worden 20 punten toegekend.”\n\n2.13.. Op 17 februari 2026 heeft de beoordelingscommissie in verband met dit kort geding de gunning van cluster 6 nader toegelicht. Daarbij is over de eigen toelichting van de Maatschap onder andere nog het volgende gezegd:\n\n“ Een groot deel van de toelichting gaat in op het belang van het bedrijf om de grond in gebruik te krijgen. Dit is van toepassing op ieder bedrijf en daarom geeft dit geen extra punten voor de beoordeling. Ook het gegeven dat het bedrijf andere pachtgrond kwijtraakt, biedt geen basis om extra punten toe te kennen in de beoordeling.\n\nDe inschrijver levert een inhoudelijke bijdrage aan de verbrede landbouw, maar enkel op het\n\ngebied van duurzame landbouw en (heel beperkt) natuur en biodiversiteit. In de toelichting is niet, of althans beperkt, ingegaan op de maatschappelijke bijdrage van de inschrijver.\n\nDe beoordelingscommissie is daarom van oordeel dat de inschrijver een voldoende, inhoudelijk relevante en toepasselijke beschrijving heeft gegeven van de bijdrage aan verbrede landbouw. De beoordelingscommissie kent daarom 50% van de te behalen punten toe.”\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De Maatschap vordert – na wijziging van eis – dat de voorzieningenrechter de Gemeente\n\nprimair:\n\nI. veroordeelt om de percelen [kadastraal nummer] met ingang van 1 januari 2026 voor de duur van zes jaar aan de Maatschap in geliberaliseerde pacht uit te geven voor een pachtprijs van € 977,45 per hectare per jaar en overigens met inachtneming van de door de Maatschap geaccordeerde natuur inclusieve maatregelen;\n\nsubsidiair:\n\nII. indien de percelen [kadastraal nummer] door de Gemeente in pacht wordt\u002Fworden uitgegeven, veroordeelt om deze percelen alsdan met ingang van 1 januari 2026 aan de Maatschap in geliberaliseerde pacht tot 1 januari 2032 aan te bieden voor een pachtprijs van € 977,45 per hectare per jaar en overigens met inachtneming van de Maatschap geaccordeerde natuur inclusieve maatregelen;\n\nmeest subsidiair:\n\nIII. verbiedt om de percelen [kadastraal nummer] in pacht uit te geven zonder daaraan voorafgaand opnieuw een openbare selectieprocedure te hebben doorlopen die in overeenstemming is met de regels uit de Didam-arresten en overigens in overeenstemming met de uitkomsten van die selectieprocedure alsmede om de Gemeente te gelasten tot dat moment de met de Maatschap bestaande bruikleenovereenkomst met betrekking tot genoemde percelen te continueren;\n\nIV. indien wordt geoordeeld dat de door de Gemeente gehanteerde gunningscriteria voldoende redelijk, objectief en controleerbaar zijn, doch daaruit een ongelijke waardering van de eigen toelichtingen van [naam 2] en de Maatschap niet kan worden afgeleid, veroordeelt om de uitgifte van de percelen in geliberaliseerde pacht aan hetzij [naam 2] , hetzij de Maatschap ten overstaan van een notaris te doen bepalen door het lot.\n\nIn alle gevallen met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.\n\n3.2.. Daartoe voert de Maatschap ten aanzien van de primaire en subsidiaire vordering– samengevat – het volgende aan. De gunning die het resultaat was van Selectieprocedure I kon niet door de Gemeente worden ingetrokken. In de gunningsbeslissing van 29 januari 2025 is enkel een voorbehoud gemaakt voor het geval dat de uitkomsten van door andere inschrijvers te initiëren bezwaar\u002Fberoepsprocedures aanleiding geven om de gunning in te trekken. Die situatie heeft zich niet voorgedaan. Andere inschrijvers hebben immers geen bezwaar- of beroep aangetekend tegen de gunning van de [adres] aan de Maatschap. De Maatschap heeft dan ook terecht geprotesteerd tegen de intrekking van de gunning. Daar komt bij dat juist vanwege het ontbreken van een concurrerende inschrijving of gegadigde, volgens de Maatschap niet valt in te zien waarom de Gemeente op basis van de zogenoemde Didam-regels gehouden was om voor de [adres] opnieuw een openbare selectieprocedure te doorlopen.\n\n3.3.. Ter onderbouwing van de meest subsidiaire vordering stelt de Maatschap dat de selectiecriteria van Selectieprocedure II niet voldoen aan de eisen van objectiviteit, redelijkheid en controleerbaarheid als bedoeld in de Didam-arresten. Volgens de Maatschap is het derde gunningscriterium de ‘eigen toelichting’ onredelijk, onvoldoende objectief en onvoldoende controleerbaar. In de inschrijfvoorwaarden zijn geen objectieve criteria benoemd op basis waarvan de eigen toelichting verifieerbaar kan worden gewogen. Zo is niet duidelijk welke rol het criterium van ‘verbrede landbouw’ vervult – of welk gewicht daaraan wordt toegekend – bij de uitvoering van de in de uitwerking van het derde gunningcriterium benoemden diensten. Dat klemt te meer omdat het gaat om de gronduitgifte van een weiland in pacht, hetgeen per definitie impliceert dat sprake moet zijn landbouwactiviteiten. De in de uitwerking door de Gemeente als voorbeeld genoemde diensten die gericht zijn op cohesie en vitaliteit op het platteland zijn evenwel alle niet-landbouwactiviteiten. Die diensten zouden dan ook niet bij de waardering voor de uitgifte in pacht betrokken mogen worden, althans daaraan moet minder gewicht worden toegekend dan aan diensten die op zichzelf niet op gespannen voet staan met een bedrijfsmatige landbouwexploitatie. Mede gelet hierop is voor de Maatschap – en eenieder ander – niet duidelijk waarom aan de eigen toelichting van [naam 2] een hogere waardering is toegekend dan aan de eigen toelichting van de Maatschap. In dat verband merkt zij op dat inpachtgeving van de percelen aan de Maatschap duidelijk bijdraagt aan de verbetering van een zogenoemde groene dienst, terwijl uit niets blijkt dat inpachtgeving van de percelen aan [naam 2] bijdraagt aan de verbrede landbouwactiviteiten die hij in zijn eigen toelichting heeft omschreven. Een en ander brengt volgens de Maatschap mee dat de wijze waarop de Gemeente Selectieprocedure II heeft gevoerd leidt tot willekeur en daarom onrechtmatig is.\n\n3.4.. De Gemeente voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n4. De beoordeling van het geschil\n\nSelectieprocedure I\n\n4.1.. Met haar primaire en subsidiaire vordering beoogt de Maatschap nakoming van de (voorlopige) gunningingsbeslissing van 29 januari 2025. Daarbij stelt zij de intrekking van die beslissing door de Gemeente ter discussie. De voorzieningenrechter zal eerst deze op (de uitkomst van) Selectieprocedure I betrekking hebbende vorderingen beoordelen.\n\n4.2.. Het meest verstrekkende verweer dat de Gemeente aanvoert is dat de Maatschap haar rechten om te klagen over de intrekking van de gunningsbeslissing van 29 januari 2025 heeft verwerkt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit beroep op rechtsverwerking slaagt.\n\n4.3.. Niet in geschil is dat de Maatschap tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking van de gunningsbeslissing van 29 januari 2025. De Gemeente heeft in haar brief van 27 maart 2025 al aan de Maatschap laten weten dat dit bezwaar voor haar geen aanleiding geeft om het standpunt de intrekking te herzien. In die brief staat ook dat de Maatschap, op straffe van verval van recht, een kort geding moet starten als zij zich niet met de beslissing van de Gemeente kan verenigen. De Maatschap heeft dat toen, om onbekende reden, niet gedaan. Vervolgens is de Gemeente gestart met (de voorbereidingen van) Selectieprocedure II, met alle kosten van dien. De Maatschap heeft meegedaan aan die nieuwe selectieprocedure en heeft zich zonder enig gebleken voorbehoud ingeschreven op twee van de zes clusters. Zij had toen ook al met de Gemeente een bruikleenovereenkomst gesloten voor het gebruik van de [adres] in de periode 1 januari 2025 tot 31 december 2025. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Gemeente aan deze gang van zaken, waarbij de Maatschap tot aan deze procedure kennelijk geen enkele keer haar bezwaar opnieuw onder de aandacht heeft gebracht, het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat de Maatschap zich bij de intrekking had neergelegd. Om die reden kan de Maatschap de rechtsgeldigheid van de intrekking van de gunningsbeslissing nu niet meer in rechte aanvechten. Dat – voor zover al juist – de Gemeente nog in staat is om in overeenstemming met de gunningingsbeslissing van 29 januari 2025 een geliberaliseerde pachtovereenkomst met de Maatschap aan te gaan voor de [adres] , maakt dat niet anders.\n\n4.4.. Nu gelet op het voorgaande tussen partijen heeft te geleden dat de gunningsbeslissing van 29 januari 2025 is ingetrokken, kan de Maatschap daarvan geen nakoming vorderen. De primaire en subsidiaire vordering moeten daarom worden afgewezen.\n\nSelectieprocedure II\n\n4.5.. De voorzieningenrechter komt vervolgens toe aan de beoordeling van de meest subsidiaire vordering. Ter onderbouwing van die vordering stelt in de Maatschap zich in de op het standpunt dat het selectiecriterium ‘eigen toelichting’, niet voldoet aan de eisen die daaraan gelet op de Didam-arresten moeten worden gesteld. Gelet op de mogelijkheden die de Maatschap voorafgaand aan de inschrijving heeft gehad om dit bezwaar tegen het selectiecriterium aan de orde te stellen, althans daarover vragen te stellen, acht de voorzieningenrechter het door de Gemeente gevoerde verweer dat de Maatschap haar recht om daarover te klagen heeft verwerkt goed verdedigbaar. Maar ook als aan dat verweer voorbij wordt gegaan, kan het door de Maatschap gestelde niet leiden tot toewijzing van haar vordering, zo volgt uit het hiernavolgende.\n\n4.6.. Tussen partijen is niet in geschil dat de Gemeente bij de verpachtingen van de [adres] de door de Hoge Raad in de Didam-arresten geformuleerde regels in acht moet nemen. Dit betekent, kort gezegd, dat de Gemeente gelegenheid moet bieden aan alle potentiële gegadigden om mee te dingen naar de pacht van de [adres] . De Gemeente dient daartoe objectieve, toetsbare en redelijke criteria op te stellen aan de hand waarvan een pachter kan worden geselecteerd. Een selectieprocedure kan achterwege worden gelaten als slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de pachtovereenkomst.\n\n4.7.. Voor zover de Maatschap meent dat zij in dit geval de enige serieuze gegadigde was voor de pacht van de [adres] en de Gemeente Selectieprocedure II daarom achterwege had moeten laten, volgt de voorzieningenrechter haar daarin niet. Als de voorzieningenrechter het goed begrijpt baseert de Maatschap dit op het feit dat geen andere, concurrerende, inschrijvers bezwaar en beroep hebben aangetekend tegen de gunningsbeslissing van 29 januari 2025, waarbij de [adres] (voorlopig) aan de Maatschap was gegund. Daarmee is echter nog niet gezegd dat op voorhand al vaststond dat die andere inschrijvers niet als serieuze gegadigden voor de pacht van de [adres] konden worden aangemerkt. Dat die conclusie niet gerechtvaardigd is, wordt bevestigd door de uitkomst van Selectieprocedure II.\n\n4.8.. De regel dat de selectiecriteria objectief, toetsbaar en redelijk dienen te zijn, betekent niet dat een overheidslichaam alleen mag selecteren op basis van selectiecriteria die zuiver objectief zijn, denk aan hoogste prijs, volgorde van binnenkomst of loting. Een overheidslichaam komt de vrijheid toe kwaliteitscriteria te hanteren die op een meer subjectieve wijze beoordeeld worden in het kader van een vergelijking van de verschillende inschrijvingen. Vanzelfsprekend is inherent aan het gebruik van dergelijke criteria dat de uitkomst van de procedure minder voorspelbaar wordt, en dat bergt het risico op (schijn van) favoritisme, willekeur of ongelijkheid in zich. Bij het hanteren van dergelijke criteria zal het overheidslichaam daarom voldoende inzichtelijk moeten maken waarop zij haar uiteindelijke keuze baseert en wel aan de hand van de geformuleerde wensen die aan de inschrijvers op voorhand bekend zijn gemaakt als relevant voor de beoordeling.\n\n4.9.. \n\nIn dit geval heeft de Gemeente een selectiecriterium opgesteld dat van de inschrijvers vraagt om in een eigen toelichting concreet en onderbouwd uiteen te zetten op welke wijze hun bedrijf een bijdrage levert aan de verbrede landbouw. Daarmee heeft zij aansluiting gezocht bij de door haar in de Omgevingsvisie geformuleerde beleidsdoelstellingen. De Gemeente heeft dit selectiecriterium naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen hanteren zonder het stimuleren van verbrede landbouw nadrukkelijk te koppelen aan de vraag of dit de toekomstbestendigheid van het bedrijf van de inschrijver zelf ten goede komt. Anders gezegd: de Gemeente mocht gelet op de haar toekomende beleidsvrijheid het selectiecriterium vormgeven op de wijze zoals zij dat heeft gedaan.\n\nDe beoordeling van de uiteenzetting van de inschrijver over de bijdrage aan de verbrede landbouw draagt, als hiervoor gezegd, een zekere mate van subjectiviteit in zich: de beoordelingscommissie ‘waardeert’ immers de beschrijving c.q. argumenten van de inschrijver. De Gemeente is daarom gehouden te beoordelen op basis van punten waarvan vooraf voldoende bekend was dat deze relevant waren voor de beoordeling van de eigen toelichting en zal voldoende inzicht moeten gegeven in de relevante redenen die aan de puntentoekenning voor de eigen toelichting van de inschrijvers ten grondslag liggen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de Gemeente zich hiervan kennelijk bewust geweest en heeft de Maatschap in ieder geval niet geconcretiseerd dat en waarom de Gemeente in redelijkheid niet tot de weging heeft kunnen komen die heeft geleid tot de door de Maatschap bestreden uitkomst.\n\n4.10.. Uit de toelichting op de puntensystematiek volgt genoegzaam dat het bij de beoordeling van de eigen toelichting gaat om de wijze waarop en de mate waarin het bedrijf van de inschrijver door het verrichten van nevenactiviteiten\u002F-diensten bijdraagt aan de verbrede landbouw. Duidelijk is gemaakt dat de Gemeente daarbij niet zozeer waarde hecht aan kwantiteit, maar veel meer aan de kwaliteit en de maatschappelijke impact die de verbrede landbouwactiviteiten van het bedrijf van de inschrijver hebben. Dat betekent, zo is uitgelegd, dat activiteiten met een grote maatschappelijk impact hoger wordt gewaardeerd. Uit de toelichting blijkt niet dat ook een onderscheid in waardering\u002Fweging wordt gemaakt tussen de in de toelichting genoemde categorieën van verbrede landbouwactiviteiten. Daarnaast blijkt niet dat de mate waarin een activiteit te maken heeft met de uitoefening van landbouw voor het toe te kennen aantal punten van belang is. Anders dan de Maatschap kennelijk meent, stond het de Gemeente gelet op de aan haar toekomende beleidsvrijheid vrij om die keuzes te maken.\n\n4.11.. Tegen deze achtergrond kan niet worden geoordeeld dat de motivering van de gunningsbeslissing gebrekkig is. Zelfs als juist is dat de Maatschap, zoals zij stelt, gelet op haar extensieve bedrijfsvoering en haar zilveren eco-regeling hoger scoort op het voor de landbouw relevante criterium van ‘groene diensten’ dan [naam 2] , betekent dat niet dat de beoordelingscommissie ten onrechte meer punten heeft toegekend aan de eigen toelichting van [naam 2] . Op basis van de aan de inschrijvers verstrekte informatie geldt dat niet de aard van de verbrede landbouwactiviteiten van het bedrijf van de inschrijver, maar het maatschappelijk effect daarvan bepalend is voor de waardering. Uit de motivering van de beoordelingscommissie volgt dat het bedrijf van [naam 2] hoog scoort op duurzaamheid, aandacht voor jonge boeren, innovatie en efficiëntie. De Maatschap heeft niet weersproken dat deze bijdragen een hoger en breder maatschappelijk effect hebben dan de als positief beoordeelde bijdragen van de Maatschap aan verbrede landbouw (eco-regeling zilver, historie van het bedrijf en de rol in de lokale gemeenschap). De stellingen van de Maatschap komen erop neer dat zij meent dat de beoordelingscommissie bij de toetsing van de eigen toelichting ten onrechte niet heeft gekeken of en in hoeverre de inpachtgeving van de percelen aan de betreffende inschrijver bijdraagt aan diens in de eigen toelichting beschreven verbrede landbouwactiviteiten. In dit verband wijst zij erop dat het landbouwbedrijf van [naam 2] een intensief veehouderijbedrijf is. Dit heeft volgens haar tot gevolg dat de eventuele inpachtgeving totaal niet bijdraagt aan een duurzame bedrijfsvoering of een positieve impact heeft op de natuur. Daar staat tegenover dat de uitgifte in pacht van de percelen aan de Maatschap wel duidelijk bijdraagt aan een verbetering van een zogenoemde groene dienst, omdat zij daardoor haar extensieve bedrijfsvoering kan worden behouden. De Maatschap legt daarmee aldus een verband tussen het gebruik van de in pacht uit te geven landbouwpercelen en de verbrede landbouwactiviteiten die de inschrijver in zijn eigen verklaring heeft omschreven. Met de Gemeente is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Maatschap hiermee miskent dat de eigen toelichting niet enkel ziet op hoe het gepachte gaat worden gebruikt, maar op de bijdrage van het bedrijf van de inschrijver aan verbrede landbouw in het algemeen.\n\n4.12.. De Maatschap heeft er verder nog op gewezen dat de beoordelingscommissie het belang van de het voorgezette gebruik van de landbouwpercelen voor haar bedrijfsvoering terzijde heeft geschoven omdat dit voor alle inschrijvers zou gelden, terwijl de commissie wel punten heeft toegekend aan aspecten van de bedrijfsvoering van [naam 2] die in haar ogen evenmin onderscheidend zijn. Volgens de toelichting op de puntensystematiek is echter niet relevant dat een inschrijver zich met het verrichten van nevenactiviteiten onderscheid van andere inschrijvers. Het gaat erom of die nevenactiviteiten een bijdrage leveren aan verbrede landbouw. Het is gelet op de genoemde categorieën van verbrede landbouwactiviteiten\u002Fdiensten niet onbegrijpelijk dat de beoordelingscommissie de door de Maatschap in haar pleitnota genoemde aspecten van de bedrijfsvoering van [naam 2] positief heeft gewaardeerd. Niet gesteld of gebleken is dat de beoordelingscommissie voor soortgelijke aspecten bij andere inschrijvers geen punten heeft toegekend als deze in de eigen toelichting waren opgenomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de (nadere) toelichting op de score van de Maatschap blijkt dat de commissie in ieder geval de duurzame landbouwactiviteiten (al dan niet in het kader van de Eco-regeling) van de Maatschap ook als positief heeft beoordeeld. Terecht heeft de Gemeente opgemerkt dat de beoordelingscommissie niet kan beoordelen wat niet in opgeschreven. Niet in geschil is dat de eigen toelichting van [naam 2] uitvoeriger en gedetailleerder is dan die van de Maatschap.\n\n4.13.. De voorzieningenrechter volgt de Maatschap tot slot ook niet in haar stelling dat het gezien de eigen toelichting van [naam 2] en de toetsing daarvan door de beoordelingscommissie lijkt alsof het aantal genoemde diensten doorslaggevend is voor de puntentoekenning. Als gezegd gaat het om de bijdrage die het bedrijf van de inschrijver levert aan verbrede landbouw. Als in de eigen toelichting is opgeschreven dat die bijdrage bestaat uit meerdere activiteiten die in de ogen van de beoordelingscommissie overtuigend zijn onderbouwd ligt het voor de hand dat dit leidt tot een hogere score. Dat betekent niet dat de beoordelingscommissie de in de toelichting op de puntensystematiek genoemde uitgangspunten bij de selectie heeft losgelaten.\n\n4.14.. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken dat (de beoordeling van) het selectiecriterium ‘eigen toelichting’ niet voldoet aan de Didam-regels en evenmin dat de beoordeling van de eigen toelichting van de Maatschap onjuist of onbegrijpelijk is. Dit betekent dat de Gemeente de selectieprocedure niet opnieuw hoeft te doen en dat er ook geen grond bestaat voor de gevorderde notariële loting.\n\n4.15.. De Maatschap is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:\n\n- griffierecht € 735,00\n\n- salaris advocaat € 1.177,00\n\n- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de\n\n beslissing)\n\nTotaal € 2.101,00\n\n4.16.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1.. wijst de vorderingen van de maatschap af;\n\n5.2.. veroordeelt de Maatschap in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Maatschap niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de Maatschap € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.3.. veroordeelt de Maatschap in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n5.4.. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.\n\nEI\n\n HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 (Didam I) en HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661 (Didam II)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6822","2026-03-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.956Z",22,20,[11,221],2025]