[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-social-benefits-nl-2024":3},{"detail":4,"years":63},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":17,"page":14,"limit":62},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},109,"social-benefits-nl","Social Benefits","NL","2026-07-08T16:56:56.599Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":14},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1835","ECLI:NL:RBDHA:2024:17372","ecli-nl-rbdha-2024-17372","",58,"2024-11-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F8627\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 november 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. C.L. Mens),\n\nen\n\nde Dienst Toeslagen, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. I. Kayhan en mr. W.E. Louwerse).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aan haar toegekende compensatie voor het jaar 2007 en de weigering van verweerder om compensatie toe te kennen voor de jaren 2010 en 2015.\n\n1.1.. \n\nVerweerder heeft bij afzonderlijke besluiten van 3 augustus 2022 het verzoek om compensatie toegewezen voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017 en afgewezen voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015. In het besluit van\n\n29 september 2022 is het compensatiebedrag herzien en in het bestreden besluit van\n\n22 november 2023 is verweerder gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiseres ten aanzien van de jaren 2007 en 2011.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres heeft zich op 6 januari 2021 bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2015 tot en met 2017. Na overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is het verzoek uitgebreid naar de jaren 2006 tot en met 2017.\n\n3. Verweerder heeft onderzocht of eiseres in aanmerking komt voor compensatie en geconcludeerd dat eiseres recht heeft op compensatie voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017. Voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015 komt eiseres niet in aanmerking voor toepassing van de compensatieregeling of de hardheidscompensatie.\n\n4. Verweerder heeft advies gevraagd aan de Commissie van Wijzen (CvW). De CvW heeft in haar advies van 18 juli 2022 bevestigd dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015.\n\n5. Bij besluit van 3 augustus 2022 heeft verweerder de compensatie voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017 definitief vastgesteld op een bedrag van\n\n€ 141.397.\n\n6. Bij afzonderlijke besluiten van 3 augustus 2022 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de CvW, het verzoek van eiseres om compensatie voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015 afgewezen.\n\n7. Bij besluit van 29 september 2022 heeft verweerder het compensatiebedrag voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017 herzien en verhoogd tot een bedrag van € 162.949. Het herziene compensatiebedrag bestaat uit € 32.152 aan door eiseres terugbetaalde kinderopvangtoeslag, € 41.933 aan materiële schade, € 4.481 aan door eiseres betaalde rente en kosten, € 13.662 voor de juridische kosten, € 15.500 aan immateriële schade en € 53.607 aan rente over de gemiste kinderopvangtoeslag. Ook heeft eiseres een aanvullende vergoeding van 1% van het totaalbedrag ontvangen van € 1.614.\n\n8. In het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC), gegrond verklaard voor wat betreft\n\nde jaren 2007 en 2011 en voor het overige zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Het compensatiebedrag is daarbij verhoogd tot een bedrag van € 176.027 en eiseres heeft een nabetaling ontvangen van € 13.078.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n9. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de rentevergoeding voor het jaar 2007 en vindt dat zij ook voor de jaren 2010 en 2015 in aanmerking dient te komen voor compensatie. Met betrekking tot het jaar 2010 voert eiseres primair aan dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld, omdat zij destijds onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om aan te tonen dat zij voor het hele jaar recht had op kinderopvangtoeslag. Subsidiair voert eiseres aan dat de hardheidsregeling van toepassing is, omdat de neerwaartse correctie gebaseerd is op een formele tekortkoming die vanwege het verstrijken van de herzieningstermijn niet meer kan worden hersteld. Met betrekking tot het jaar 2015 voert eiseres aan dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld, omdat het voorschot kinderopvangtoeslag te laat is vastgesteld. Eiseres stelt daarnaast dat sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\nWat vindt verweerder in beroep?\n\n10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding voor het jaar 2007 juist is berekend. Eiseres heeft geen recht op compensatie voor de jaren 2010 en 2015, omdat niet is gebleken dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld dan wel dat sprake is geweest van hardheid van het wettelijk stelsel. Van schending van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel is volgens verweerder geen sprake.\n\nWat is het toetsingskader?\n\n11. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie (Wht) volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór\n\n23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.\n\n12. In de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Whtworden vijf aspecten van institutionele vooringenomenheid benoemd: (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde; (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren; (3) zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken, al dan niet met een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken;\n\n(5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, net zomin als het ontbreken van een van deze aspecten wijst op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.\n\n13. Uit de memorie van toelichting bij de Wht blijkt dat sprake is van hardheid van het stelsel als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als:\n\n- een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoonbaar – geheel of gedeeltelijk – niet ten goede komt aan de belanghebbende;\n\n- een derde, bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie, op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of\n\n- een door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan – tenzij de belanghebbende na herhaalde verzoeken van verweerder de geringe formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was.\n\nEr is op zichzelf geen sprake van een bijzondere omstandigheid als:\n\n- de belanghebbende te kwader trouw is;\n\n- de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag is berekend in dat berekeningsjaar;\n\n- de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend.\n\nVerder blijkt uit de toelichting dat de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, in het algemeen niet zullen leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling.\n\nHet advies van de CvW\n\n14. Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek om compensatie voor de jaren 2010 en 2015 gebaseerd op het advies van de CvW. Het advies van de CvW is een deskundigenadvies als bedoeld in artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechtermag een bestuursorgaan afgaan op een door een deskundige uitgebracht advies, nadat het bestuursorgaan is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur om een reactie op wat de belanghebbende over het advies heeft aangevoerd.\n\n15. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om het advies van de CvW onjuist te achten. Naar het oordeel van de rechtbank is het advies op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, inzichtelijk gemotiveerd en navolgbaar. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd, geen concrete aanknopingspunten die twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop, rechtvaardigen. Verweerder heeft het oordeel van de CvW dan ook bij zijn besluitvorming mogen betrekken.\n\nHet jaar 2007\n\n16. Uit de herziene berekening van het compensatiebedrag volgt dat component B in het voordeel van eiseres is gewijzigd van € 362 naar € 155. Het gevolg van die wijziging is een verschil van € 207 ten opzichte van het eerder vastgestelde bedrag van € 5.254 onder component E. Eiseres heeft daarom een nabetaling van verweerder ontvangen van € 207. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat verweerder de rentevergoeding over de nabetaling van € 207 heeft berekend tot aan de datum van het bestreden besluit, met als gevolg dat de eerder aan eiseres toegekende rentevergoeding over de gemiste kinderopvangtoeslag is verhoogd van € 3.024 naar € 3.142. Eiseres heeft daarom een nadere rentevergoeding ontvangen van € 118. Eiseres stelt echter dat verweerder de nadere rentevergoeding had moeten berekenen over het nieuw vastgestelde bedrag van € 5.461 als vermeld onder component E en dus niet over de nabetaling van € 207. Verweerder is het daar niet mee eens, omdat eiseres over het eerdere bedrag van € 5.254 al een rentevergoeding heeft ontvangen van € 3.024.\n\n17. Uit artikel 2.2, onderdeel g, in samenhang met artikel 2.3, zevende lid, van de Wht, volgt dat een rentevergoeding alleen verschuldigd is over uit te betalen bedragen. De rentevergoeding is namelijk bedoeld om de schade van een te late betaling van misgelopen kinderopvangtoeslag te vergoeden. Vaststaat dat eiseres over het bedrag van € 5.254 al een rentevergoeding heeft ontvangen van € 3.024. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de nadere rentevergoeding van € 118 dan ook terecht berekend over de nabetaling van € 207. De rechtbank ziet ook overigens geen grond voor het oordeel dat verweerder de rentevergoeding op onjuiste wijze heeft berekend.\n\n18. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende toegelicht waarom hij in zoverre is afgeweken van het advies van de BAC. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit in zoverre dan ook voldoende gemotiveerd.\n\nHet jaar 2010\n\n19. Met dagtekening 5 december 2009 is aan eiseres voor het jaar 2010 een voorschot kinderopvangtoeslag toegekend van € 21.798. Hierop wordt het voorschot twee keer herzien, laatstelijk met dagtekening 2 juni 2010 tot € 6.513. Om te kunnen vaststellen op welk bedrag eiseres daadwerkelijk recht had, heeft verweerder eiseres na afloop van het jaar 2010 een antwoordformulier gestuurd en verzocht om een overzicht te verstrekken van de daadwerkelijk afgenomen opvanguren en gemaakte kinderopvangkosten over het jaar 2010.\n\nVerweerder heeft met dagtekening 30 november 2011 van eiseres het antwoordformulier en een jaaropgave van kinderopvang [bedrijf] ontvangen. Uit die jaaropgave volgt dat de beide kinderen van eiseres in de periode tot en met 29 september 2010 naar de opvang zijn geweest. Bij brief van 4 maart 2013 heeft verweerder eiseres om aanvullende informatie gevraagd en op 12 juni 2013 heeft verweerder een herinnering verstuurd. Uit het dossier blijkt niet dat eiseres op die brieven heeft gereageerd. De kinderopvangtoeslag is vervolgens, conform de ingestuurde jaaropgave, op 13 november 2013 definitief vastgesteld op een bedrag van € 3.936, waardoor eiseres een bedrag van € 2.577 moest terugbetalen. Eiseres is daartegen niet tijdig in bezwaar gegaan, met als gevolg dat het bezwaar op\n\n21 januari 2014 niet-ontvankelijk is verklaard. In die bezwaarprocedure heeft eiseres overigens geen nieuwe stukken ingediend. Wel heeft zij opnieuw de eerder ingestuurde jaaropgave van kinderopvang [bedrijf] overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze gang van zaken niet dat voor het jaar 2010 is voldaan aan (één van) de in overweging 12 genoemde kenmerken die duiden op institutioneel vooringenomen handelen door verweerder. Uit het voorgaande volgt bovendien dat verweerder wel degelijk nadere informatie heeft uitgevraagd bij eiseres en dat eiseres ten minste tweemaal in de gelegenheid is gesteld om haar recht op kinderopvangtoeslag aan te tonen. Onder die omstandigheden ligt het in de rede dat verweerder uitgaat van de juistheid van de jaaropgave die hem is verstrekt. Dat het voor eiseres niet duidelijk was welke informatie zij nog diende te overleggen, is geen omstandigheid die duidt op vooringenomen handelen van verweerder als bedoeld in overweging 12. Daar komt bij dat eiseres in het bezwaarschrift van\n\n17 december 2013 heeft aangegeven niet over andere gegevens te beschikken, zodat verweerder ook toen geen reden had om aan de volledigheid van de aangeleverde informatie te twijfelen.\n\n20. Voor zover eiseres stelt dat uit de door haar in bezwaar overgelegde stukkenvolgt dat haar kinderen wel degelijk gedurende het hele jaar naar de opvang zijn geweest en dat de definitieve vaststelling van 13 november 2013 dus niet juist is, leidt dat niet tot een ander oordeel. Verweerder is immers pas in de huidige bezwaarprocedure bekend geraakt met die stukken, zodat niet de conclusie kan worden getrokken dat verweerder ten aanzien van eiseres in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag vooringenomen heeft gehandeld. Daar komt bij dat eiseres in deze procedure de rechtmatigheid van het besluit van 13 november 2013 niet aan de bestuursrechter kan voorleggen, omdat die beschikking in rechte vaststaat en formele rechtskracht heeft gekregen. Tegen die beschikking heeft immers een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang opengestaan.\n\n21. Subsidiair voert eiseres aan dat sprake is geweest van hardheid van het wettelijk stelsel. Volgens eiseres is de neerwaartse correctie van € 2.577 het gevolg van een formele tekortkoming die niet meer kan worden hersteld, omdat de herzieningstermijn is verstreken. Zoals volgt uit overweging 19, is de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2010 op basis van de door eiseres ingestuurde jaaropgave verlaagd tot een bedrag van € 2.577. De kinderopvangtoeslag is dus niet op nihil gesteld of in zijn geheel teruggevorderd. Dit betekent dat geen sprake kan zijn van hardheid van het wettelijk stelsel als vermeld in overweging 13.\n\nHet jaar 2015\n\n22. Volgens eiseres heeft verweerder ook voor het jaar 2015 vooringenomen gehandeld. Eiseres wijst in dit verband op de onterechte stopzetting van de kinderopvangtoeslag 2014die volgens haar een causaal verband heeft met de te late toekenning van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015. De onterechte stopzetting van de kinderopvangtoeslag 2014 heeft namelijk geleid tot het niet automatisch toekennen van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015, met als gevolg dat eiseres op 4 januari 2015 een aanvraag kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015 heeft moeten indienen. Op die aanvraag is pas op 21 april 2015 beslist, waardoor er betaalachterstanden zijn ontstaan bij de kinderopvang.\n\n23. De rechtbank stelt vast dat voor dit jaar geen nihil-stellingen, stopzettingen of onterechte terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag hebben plaatsgevonden. De rechtbank leidt uit de stukken van het geding af dat verweerder aanvullende informatie nodig had om de aanvraag kinderopvangtoeslag van eiseres te kunnen beoordelen. Om die reden is eiseres bij brief van 25 februari 2015 om aanvullende stukken gevraagd. Eiseres heeft die stukken overgelegd, waarna verweerder op 21 april 2015 het voorschot kinderopvangtoeslag heeft vastgesteld op een bedrag van € 30.359. Weliswaar volgt uit artikel 16 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen dat verweerder de wettelijke beslistermijn heeft overschreden, maar dat maakt niet dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld als bedoeld in overweging 12. De rechtbank heeft ook overigens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de te late toekenning van het voorschot kinderopvangtoeslag verband houdt met een vooringenomen handeling van verweerder in de periode vóór 23 oktober 2019. Verder ziet de rechtbank in het dossier geen aanwijzing dat het door verweerder uitgeoefende toezicht over dit jaar verder ging dan regulier toezicht. Als eiseres door de te late toekenning van het voorschot kinderopvangtoeslag schade heeft geleden, kan zij zich wenden tot de Commissie Werkelijke Schade met een verzoek om vergoeding van de werkelijk geleden schade.\n\nAlgemene beginselen van behoorlijk bestuur\n\n24. Eiseres heeft op de zitting nog een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Zoals volgt uit het voorgaande, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder over de jaren 2010 en 2015 vooringenomen heeft gehandeld en evenmin voor het oordeel dat het handelen van verweerder een gevolg is van de hardheid van het wettelijk stelsel. Verweerder heeft het verzoek om compensatie voor de jaren 2010 en 2015 dan ook terecht afgewezen. Eiseres heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat het niet toekennen van de compensatie in het voorliggende geval onredelijk bezwarend is. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet. Evenmin is gebleken van schending van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n25. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, in navolging van het advies van de CvW, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de compensatie voor het jaar 2007 juist is vastgesteld en dat eiseres voor de jaren 2010 en 2015 niet als gedupeerde kan worden aangemerkt en dus geen recht heeft op compensatie. Het beroep is daarom ongegrond. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op\n\n1 november 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p.72.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 70 en 71.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, nr. 3 blz 71.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3 blz. 72.\n\n Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van\n\n 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3760.\n\n Eiseres heeft een ongedateerd stuk van kinderopvang Klavertje Vier en een verklaring van\n\n kinderopvang Het Tuinhuis van 19 september 2022 overgelegd. Zie de producties 5 en 8 bij het\n\n bezwaarschrift van 29 september 2022.\n\n Vaststaat dat eiseres voor het jaar 2014 is gecompenseerd.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:17372","2024-10-24T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:41.143Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":51,"updatedAt":61},"522","ECLI:NL:RBDHA:2024:1251","ecli-nl-rbdha-2024-1251","2024-02-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F1437\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\nen\n\nde Belastingdienst\u002FToeslagen, verweerder\n\n(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de definitieve vaststelling en de terugvordering van de zorgtoeslag over 2020.\n\n1.1. \n\nVerweerder heeft de zorgtoeslag met het primaire besluit van 9 oktober 2021 definitief vastgesteld op € 1.163 en € 87 van eiseres teruggevorderd. Met het besluit van\n\n16 maart 2022 heeft verweerder de bezwaren van eiseres afgewezen.\n\n1.2. Op 27 december 2022 heeft verweerder een herziene beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit) en de bezwaren van eiseres wederom afgewezen.\n\n1.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [naam 3] en [naam 1] . De rechtbank heeft de behandeling ter zitting vervolgens geschorst. De voortzetting van het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2024. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder. Eiseres is, na afwijzing van haar verzoek om uitstel van de zitting, met voorafgaande mededeling niet verschenen. Eiseres heeft vóór de zitting pleitnotities ingebracht en deze zijn ter zitting besproken.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres heeft over het jaar 2020 een voorschot zorgtoeslag ontvangen op basis van een geschat inkomen van € 12.313. Op 26 mei 2021 heeft verweerder vanuit de Basisregistratie Inkomensgegevens (BRI) een melding gekregen dat het inkomen van eiseres voor het jaar 2020 € 22.070 bedraagt. In het primaire besluit is verweerder voor de zorgtoeslag daarom uitgegaan van een toetsingsinkomen in 2020 van € 22.070. Verweerder heeft op basis daarvan de zorgtoeslag definitief berekend en het teveel ontvangen voorschot over 2020 teruggevorderd.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n3. Eiseres stelt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel, dat verweerder niet alle relevante informatie heeft verstrekt en daardoor zijn zorgplicht om haar voldoende te informeren heeft geschonden, dat verweerder geen rekening heeft gehouden met haar omstandigheden en dat verweerder ten onrechte kwijtschelding van de terugvordering niet heeft overwogen.\n\nWat vindt verweerder in beroep?\n\n4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij geen ruimte heeft om af te wijken van het toetsingsinkomen zoals dit volgt uit de BRI. Daarnaast stelt verweerder dat de hoorplicht niet is geschonden, dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, dat de zorgplicht niet is geschonden en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven de terugvordering te matigen.\n\nNader stuk\n\n5. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank op 25 januari 2024 een emailbericht van eiseres ontvangen. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. Bij de beoordeling van het geschil is dit stuk dan ook buiten beschouwing gelaten.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. Eiseres heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van griffierecht voor het beroep. Omdat uit het dossier niet blijkt dat het inkomen van eiseres ontoereikend zou kunnen zijn om het griffierecht te kunnen betalen en onbekend is of zij over vermogen beschikt, heeft de rechtbank eiseres ter zitting van\n\n18 juli 2023 gevraagd om het beroep op betalingsonmacht met nadere stukken te onderbouwen. Eiseres heeft na die zitting echter geen nadere stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van betalingsonmacht. Hoewel de rechtbank de bevoegdheid heeft om onder die omstandigheden het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens niet betalen van het griffierecht, ziet de rechtbank aanleiding om in het kader van finale geschilbeslechting het beroep toch inhoudelijk te beoordelen. De rechtbank wijst eiseres er wel op dat zij in het vervolg haar beroep op betalingsonmacht wel moet onderbouwen met (financiële) bewijsstukken.\n\n7. Eiseres stelt dat de hoorplicht is geschonden, nu zij niet is gehoord op een hoorzitting. De rechtbank leidt uit gedingstuk 28.3 af dat op 3 oktober 2022 met eiseres de afspraak is gemaakt dat zij, na ontvangst van de dossierstukken, contact zou opnemen met verweerder voor het maken van een afspraak voor een hoorzitting. De relevante op de zaak betrekking hebbende stukken zijn vervolgens bij brief van 14 oktober 2022 aan eiseres verstuurd. Verweerder heeft eiseres tevens verzocht om binnen twee weken na dagtekening van die brief telefonisch contact op te nemen voor het inplannen van de hoorzitting. In de brief heeft verweerder ook vermeld dat het gesprek in het Nederlands dient te worden gevoerd en heeft hij eiseres verzocht om, indien zij de Nederlandse taal niet voldoende machtig is, zorg te dragen voor een tolk of iemand aan te stellen die haar kan ondersteunen tijdens de hoorzitting. Eiseres heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek van verweerder om telefonisch contact op te nemen voor het maken van een afspraak. Wel heeft zij verweerder bij brief van 28 oktober 2022 laten weten dat zij gehoord wil worden en verzocht om in het Engels te worden gehoord. Verweerder heeft eiseres vervolgens met dagtekening 15 november 2022 uitgenodigd voor een telefonisch hoorgesprek op\n\n18 november 2022 om 10.00 uur. Op 17 november 2022 heeft eiseres telefonisch aan verweerder meegedeeld dat zij hem op 18 november 2022 niet te woord kan staan. Bij brief van 25 november 2022 heeft eiseres verweerder laten weten dat de brief van\n\n15 november 2022 haar niet heeft bereikt en dat zij tot januari 2023 niet beschikbaar is voor correspondentie. Bij brief van 9 december 2022 heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om vóór 19 december 2022 telefonisch een nieuwe afspraak te maken om haar bezwaar mondeling toe te lichten. In deze brief heeft verweerder voorts vermeld dat hij, ingeval hij geen reactie van eiseres ontvangt, het bezwaarschrift zal afhandelen zonder de mondelinge toelichting van eiseres. Eiseres heeft echter geen gehoor gegeven aan dit verzoek van verweerder. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende ingespannen om eiseres te horen. Ook hoefde verweerder eiseres niet in het Engels te horen en heeft hij eiseres voldoende voorgelicht over de wijze waarop zij, indien zij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, toch kon worden gehoord. Dat eiseres van de haar geboden mogelijkheden om te worden gehoord geen gebruik heeft gemaakt, leidt onder deze omstandigheden niet tot de conclusie dat sprake is van schending van de hoorplicht.\n\n8. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Niet gebleken is dat verweerder mededelingen heeft gedaan op basis waarvan eiseres er op heeft mogen vertrouwen dat verweerder van het terugvorderen van de zorgtoeslag zou afzien en een proceskostenvergoeding zou toekennen. De informatie als vermeld in de gespreksnotitie van 8 september 2022 en in de brief van 15 september 2022 behelst geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van die strekking. Uit die stukken blijkt enkel dat de bewijsstukken van eiseres eerst beoordeeld zouden moeten worden.\n\n9. De rechtbank overweegt verder dat verweerder geen zorgplicht tot informatieverstrekking heeft in het geval dat sprake is van onvoldoende kennis van de regelgeving. Een informatieplicht waarbij verweerder eiseres van alle relevante regelgeving had moeten voorzien en informatie had moeten verstrekken over eventuele schade, is niet wettelijk vastgelegd. Verweerder was daarom niet gehouden om de door eiseres gevraagde stukken op te sturen. Nog afgezien daarvan heeft verweerder in de correspondentie richting eiseres en in het bestreden besluit voldoende onderbouwd op basis van welke regelgeving haar recht op zorgtoeslag is herzien en teruggevorderd. De rechtbank is niet gebleken van strijd met het motiveringsbeginsel. Feiten waaruit overigens kan volgen dat verweerder heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zijn niet gesteld.\n\n10. Doordat er dus een verschil is tussen het opgegeven geschatte toetsingsinkomen en het daadwerkelijke toetsingsinkomen, heeft eiseres een te hoog bedrag aan voorschotten ontvangen. Op grond van artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is het uitgangspunt dat verweerder het volledige bedrag terugvordert. Verweerder kan van volledige terugvordering afzien, indien de nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn ten opzichte van de met die terugvordering te dienen doelen. Verweerder moet bij het besluit tot terugvordering op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen.\n\n11. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiseres niet onevenredig zijn in verhouding tot het daarmee te dienen doel. Het doel van de terugvordering omschrijft verweerder als de rechtmatige besteding van publieke middelen. In het Verzamelbesluit Toeslagen van 1 juli 2022 (nr. 2022-21478; het Verzamelbesluit), is het beleid rondom het matigen van de terugvordering van toeslagen opgenomen. Hierin is opgenomen dat alleen bijzondere omstandigheden zich verzetten tegen gehele terugvordering en dat als dergelijke omstandigheden zich voordoen en gehele terugvordering onevenredig is, verweerder kan afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering kan matigen. In het Verzamelbesluit zijn voorbeelden van bijzondere omstandigheden opgenomen en is vermeld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden als de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijk voor het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend. Dat is het geval in de situatie van eiseres. Door de nabetaling is het daadwerkelijke inkomen over het jaar 2020 hoger uitgevallen dan het eerder geschatte inkomen. Dat de nabetaling in het jaar 2020 heeft plaatsgevonden, maakt volgens verweerder dus niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd, zijn bijzondere omstandigheden ook overigens niet gebleken. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van terugvordering af te zien of deze te matigen.\n\n12. Voor zover eiseres stelt dat verweerder had moeten beoordelen of eiseres in aanmerking komt voor kwijtschelding, overweegt de rechtbank dat voor de door eiseres gevraagde kwijtschelding geen wettelijke basis bestaat. De rechtbank wijst eiseres hierbij op het bepaalde in artikel 31bis van de Awir, waarin is bepaald dat verweerder het bedrag van een terugvordering niet geheel of gedeeltelijk kan kwijtschelden. De rechtbank begrijpt heel goed dat de uitkomst in deze procedure voor eiseres onredelijk voelt, maar het wettelijk systeem laat nu eenmaal geen andere uitkomst toe.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij het betaalde griffierecht niet terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. A. Badermann, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op\n\n8 februari 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3536.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:1251","2024-02-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.634Z",20,[64,11],2026]