[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-social-welfare-law-nl-2026":3},{"detail":4,"years":174},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":172,"page":14,"limit":173},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},33,"social-welfare-law-nl","Social Welfare Law","NL","2026-07-08T16:53:14.246Z",2026,[13,16,18,20,22,24,27,29,31,33,35,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":26},6,11,{"month":28,"count":19},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":34,"count":15},10,{"month":26,"count":15},{"month":37,"count":15},12,[39,53,60,68,77,85,94,104,113,122,129,136,144,153,163],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"650","ECLI:NL:RBGEL:2026:5207","ecli-nl-rbgel-2026-5207","",60,"2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F6306uitspraak van de enkelvoudige kamer\n\nin de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: J.J. Timmermans),\n\nen\n\nhet CAK\n\n(gemachtigde: mr. S.J.Y Römer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de aan eiseres verleende zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiseres is het niet eens de ingangsdatum waar het CAK van uitgaat. Zij heeft beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CAK uit heeft mogen gaan van de zorggegevens, die door het zorgkantoor zijn doorgegeven. Het beroep is daarom ongegrond en eiseres krijgt daarom geen gelijk. Dit betekent dat de zorggegevens en de eigen bijdrage niet veranderen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de factuur van het CAK waarbij een eigen bijdrage in rekening is gebracht voor zorg die aan eiseres is verleend op grond van de Wlz. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft het CAK de zorggegevens gecontroleerd. Met het besluit 16 april 2024 heeft het CAK besloten de zorggegevens niet aan te passen. Met het bestreden besluit van 30 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is het CAK bij dat besluit gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Het CAK heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CAK.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3. Eiseres is op 15 december 2023 opgenomen in het [herstelcentrum] te [vestigingsplaats 1] (het Herstelcentrum). Op 18 december 2023 is voor eiseres zorg op grond van de Wlz aangevraagd. Met het indicatiebesluit van 22 december 2023 heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) bepaald dat eiseres per 15 december 2023 recht heeft op zorg op grond van de Wlz. Op 23 januari 2024 is eiseres overgebracht naar woonzorglocatie [woonzorglocatie] in [vestigingsplaats 2] ( [woonzorglocatie] ).\n\n4. Met het besluit van 2 februari 2024 heeft het CAK de (lage) eigen bijdrage van eiseres voor zorg in de vorm van een Wlz-verblijf voor de periode van 15 december 2023 tot en met 31 december 2023 vastgesteld op € 500,74 per (hele) maand. Daarnaast is de (lage) eigen bijdrage voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 22 januari 2024 vastgesteld op € 718,56. Vanaf 23 januari 2024 heeft eiseres zorg in de vorm van een volledig pakket thuis (vpt) ontvangen.\n\nTotstandkoming van het (bestreden) besluit\n\n5. Met het besluit van 16 april 2024 heeft het CAK besloten de zorggegevens niet aan te passen. Het CAK krijgt de zorggegevens van het zorgkantoor. Dat heeft aan het CAK doorgegeven dat er vanaf 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 sprake is van een verblijf in een zorginstelling. Vanaf 23 januari 2024 is sprake van een vpt.\n\nHet zorgkantoor heeft desgevraagd de zorggegevens gecontroleerd. Het zorgkantoor heeft op zijn beurt contact op genomen met de zorgaanbieder, die heeft bevestigd dat vanaf 15 december 2023 zorg is verleend op grond van de Wlz. Het CAK kan daarom de gegevens niet aanpassen in zijn administratie. Eiseres is dus vanaf 15 december 2023 een eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wlz verschuldigd.\n\n5.1.. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\nHeeft eiseres in de periode van 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 Wlz-zorg ontvangen en is zij (daarom) vanaf die datum een eigen bijdrage onder de Wlz verschuldigd?\n\n6. In geschil is of eiseres in de periode 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 zorg op grond van de Wlz heeft ontvangen en zij (daarom) een eigen bijdrage op grond van die wet is verschuldigd.\n\n6.1.. Eiseres heeft – kort gezegd – aangevoerd dat zij (pas) vanaf 23 januari 2024 Wlz-zorg heeft ontvangen. Het verblijf in het Herstelcentrum van 15 december 2023 tot en met 22 januari was op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw), zodat zij in die periode geen eigen bijdrage verschuldigd is in het kader van de Wlz.\n\n6.2.. Het CAK heeft – kort gezegd – aangevoerd dat het vaste rechtspraak is dat zij in beginsel uit mag gaan van de zorggegevens die het zorgkantoor heeft verstrekt over de geleverde zorg, tenzij uit een gemotiveerde betwisting blijkt dat de gegevens kennelijk onjuist zijn. Eiseres heeft geen bewijsstukken aangeleverd, waaruit volgt dat de gegevens van het zorgkantoor kennelijk fout zijn.\n\n6.3.. De rechtbank oordeelt als volgt.\n\n6.4.. De wetgever heeft van belang geacht dat er een duidelijke afbakening tussen de Wlz en de Zvw is, om te voorkomen dat bepaalde zorg voor één persoon dubbel gedekt is. Daarom zijn in de Wlz en (artikel 2.1 van) het Besluit zorgverzekering (Bzv) voorrangsregels vastgelegd. De hoofdregel is dat voor zover iemand op grond van de Wlz recht heeft op bepaalde zorg, dat recht niet ook bestaat op grond van de Zvw. De Wlz is daarmee voorliggend op de Zvw. Deze bedoeling van de wetgever blijkt uit de memorie van toelichting.\n\n6.5.. Het CAK mag op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bij de vaststelling van de eigen bijdrage in beginsel uitgaan van de door het zorgkantoor verstrekte gegevens.Als eiseres echter gemotiveerd stelt dat sprake is van een kennelijke fout van het zorgkantoor, dan ligt het op de weg van het CAK om vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid te onderzoeken of het zorgkantoor op goede gronden heeft geconcludeerd dat betrokkene zorg heeft ontvangen onder de Wlz. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat sprake is van een kennelijke fout van het zorgkantoor. De enkele verwijzing naar eerder verkeerd door het zorgkantoor genoteerde gegevens is daartoe onvoldoende. Uit het indicatiebesluit volgt dat eiseres met ingang van 15 december 2023 recht heeft op zorg op grond van de Wlz. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit artikel 2.1 van het Bzv dat voor zover iemand op grond van de Wlz recht heeft op bepaalde zorg, dat recht niet ook bestaat op grond van de Zvw. Tijdens de zitting is door de gemachtigde van eiseres nog benadrukt dat eiseres in het Herstelcentrum was opgenomen om te herstellen, dat daarom sprake was van een tijdelijke situatie en dat de Wlz dan niet van toepassing is. Deze redenering wordt door de rechtbank niet gevolgd. Gelet op het indicatiebesluit moet ervan uitgegaan worden dat eiseres vanaf 15 december 2023 zorg op grond van de Wlz heeft ontvangen. Indien eiseres het niet eens was geweest met de ingangsdatum van het indicatiebesluit had zij daartegen bezwaar moeten maken. De beroepsgronden slagen niet.\n\n6.6.. Uit het voorgaande volgt dat eiseres vanaf 15 december 2023 een eigen bijdrage op grond van de Wlz is verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat het CAK terecht de zorggegevens niet heeft aangepast. Een gevolg daarvan is dat eiseres in de periode van 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 een eigen bijdrage verschuldigd is op grond van de Wlz. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Er bestaat ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Kamerstukken II 2013-2014, 33891, nr. 3, blz. 73.\n\n Zie de uitspraken van het CRvB van 29 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1869 en 26 februari 2020,\n\nECLI:NL:CRVB:2020:455.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5207","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.265Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":59},"651","ECLI:NL:RBGEL:2026:5194","ecli-nl-rbgel-2026-5194","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F7054uitspraak van de enkelvoudige kamer\n\nin de zaak tussen\n [eiseres], uit [plaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.I. Bal),\n\nen\n\nVGZ Zorgkantoor B.V., het zorgkantoor\n\n(gemachtigde: mr. A. Gohari).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt daarom geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een pgb. Het zorgkantoor heeft deze aanvraag met het besluit van 2 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 september 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Het zorgkantoor heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het zorgkantoor.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3. Eiseres heeft in oktober 2015 een herseninfarct gehad. Aan eiseres is een pgb op grond van de Wlz toegekend. Met de beëindigingsbeschikking 24 april 2017 is dit pgb per 1 mei 2017 beëindigd, omdat er geen gewaarborgde hulp was. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Ook heeft eiseres een nieuwe aanvraag ingediend voor een pgb op grond van de Wlz. Die aanvraag is afgewezen met het besluit van 26 juli 2017. Eiseres heeft (ook) bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het besluit op bezwaar van 17 oktober 2017 is het bezwaar tegen het beëindigingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard en tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard.\n\n3.1.. Eiseres heeft op 30 maart 2023 opnieuw een pgb aangevraagd. Met het besluit van 19 mei 2023 is de aanvraag van eiseres om een pgb afgewezen. Met het besluit van 23 november 2023 is het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.\n\n3.2.. Eiseres heeft op 1 februari 2024 opnieuw een pgb aangevraagd.\n\nTotstandkoming van het (bestreden) besluit\n\n4. Met het besluit van 2 mei 2024 is de aanvraag voor een pgb afgewezen, omdat eiseres eerder niet heeft voldaan aan de verplichtingen van een pgb.\n\n4.1.. \n\nMet het besluit van 3 september 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daaraan heeft het zorgkantoor het volgende ten grondslag gelegd. Op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz wordt een aanvraag in ieder geval geweigerd, indien de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Hier kan alleen een uitzondering op worden gemaakt indien zorg in natura (ZIN) absoluut niet mogelijk is voor betrokkene. Dit dient met objectief medische stukken te worden onderbouwd.\n\nOmdat sprake is van een gebonden bevoegdheid uit een wet in formele zin, staat het toetsingsverbod in de weg aan toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Van bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn verdisconteerd in de afweging, is niet gebleken. Uit de verklaring van de huisarts volgt niet zonder meer dat eiseres (slechts) beperkt in haar zorgbehoefte kan worden voorzien, indien zij niet wordt verzorgd door een bekende. In de brief staat namelijk alleen dat eiseres sterke behoefte heeft aan een vaste huisarts en verzorgenden. Die vaste verzorgenden kunnen ook worden geleverd via ZIN. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk is om zorg via ZIN te ontvangen.\n\nWat vindt eiseres?\n\n5. Eiseres heeft – kort gezegd – aangevoerd dat er wel sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor moet worden afgeweken van de bevoegdheid in artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz. De belangenafweging van het zorgkantoor is onzorgvuldig geweest. De (medische) situatie van eiseres is sinds 2017 veranderd. Haar partner is in 2023 overleden. Zij is inmiddels 86 jaar oud en ervaart wantrouwen en angst jegens onbekenden. Haar zorgbehoefte neemt toe met de tijd. Zij weigert (daarom) zorg van vreemden te accepteren. De huisarts onderschrijft dit. ZIN kan daarom niet in de zorgbehoefte van eiseres voorzien. Verder is niet meegewogen dat er nu sprake is van een andere zorgverlener en gewaarborgde hulp.\n\nIs ZIN (g)een mogelijkheid?\n\n6. Het pgb wordt in ieder geval geweigerd als de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een persoonsgebonden budget niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Dit is dwingend bepaald in artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz, een bepaling van formele wetgeving.\n\n6.1.. Eiseres heeft niet bestreden dat zij zich eerder niet aan de verplichtingen verbonden aan een pgb en volgend uit de Wlz heeft gehouden. Het zorgkantoor was daarom in beginsel gehouden om de aanvraag af te wijzen.\n\n6.2.. Eiseres heeft – kortgezegd – aangevoerd dat zij geen zorg van vreemden accepteert. ZIN kan daarom niet in de zorgbehoefte van eiseres voorzien. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst eiseres naar een brief van de huisarts.\n\n6.3.. Wat eiseres heeft aangevoerd komt er in de kern op neer dat het zorgkantoor ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel. Volgens vaste rechtspraak verzet het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet zich tegen toetsing van een formeel wettelijke bepaling aan algemene rechtsbeginselen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die leiden tot gevolgen die niet overeenkomen met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien. Als dit het geval is, kan de rechter een wettelijke bepaling als 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz buiten toepassing laten. Hiervoor is wel vereist dat de door eiseres gestelde bijzondere omstandigheden meebrengen, dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Zulke bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. Zo’n uitzondering doet zich hier niet voor. Daarvoor is het volgende van belang.\n\n6.4.. Er kan aanleiding bestaan om artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz buiten toepassing te laten, indien objectief kan worden vastgesteld dat ZIN vanwege het ziektebeeld geen mogelijkheid is en betrokkene daarom bij weigering van een pgb geen passende zorg meer kan krijgen.Uit de door eiseres overgelegde brief van 8 december 2023 van de huisarts blijkt enkel dat eiseres sterke behoefte aan een vaste huisarts en verzorgenden heeft. Uit de brief blijkt dus niet dat anderen dan bekenden van eiseres de benodigde zorg niet zouden kunnen leveren. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat met ZIN niet in haar zorgbehoefte kan worden voorzien. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank daarom geen aanleiding voor een contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres geen pgb krijgt. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1005.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5194","2026-07-13T00:28:41.303Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":43,"courtId":64,"decisionDate":50,"fullText":65,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":67},"967","ECLI:NL:RBZWB:2026:5826","ecli-nl-rbzwb-2026-5826",64,"RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F5026 WMO15\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),\n\nen\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg(het college)\n\n(gemachtigde: mr. N.C.J.P. Melsen).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser toegekende maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Eiser is het niet eens met de omvang van de door het college toegekende ondersteuning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft bij besluit van 18 december 2023 een maatwerkvoorziening beschermd wonen arrangement 3 (ondersteund wonen 2) toegekend gekregen voor zeven etmalen per week. Het college heeft een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024. De gemiddelde omvang van de ondersteuning was daarmee 14 uur per week. Eiser koopt hiermee zorg in bij [zorgcentrum] in [woonplaats] , waar hij zijn eigen woonruime huurt.\n\n2.1.. Omdat de indicatie afliep, heeft eiser zich weer gemeld bij het college. Op 14 januari 2025 heeft er een keukentafelgesprek plaatsgevonden. In het Plan van Aanpak is geconcludeerd dat eiser voor de periode van 1 februari 2025 tot en met 31 januari 2026 in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen arrangement 2 (ondersteund wonen 1) voor zeven etmalen per week tot een bedrag van € 692,31 per week. De gemiddelde omvang van de ondersteuning is daarmee 10,5 uur per week. Eiser heeft het Plan van Aanpak enkel voor gezien ondertekend. Met het retourneren daarvan is de aanvraag ingediend.\n\n2.2.. Met een besluit van 12 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het college conform het Plan van Aanpak de maatwerkvoorziening beschermd wonen toegekend. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n2.3.. Met het besluit van 21 augustus 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.\n\n2.4.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.5.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.6.. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, de ouders van eiser en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nStandpunt eiser\n\n3. Eiser heeft aangevoerd dat het college ten onrechte niet zelf in kaart heeft gebracht welke ondersteuning hij naar aard en omvang nodig heeft (stap 3 van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep).In bezwaar heeft eiser een zorgmomentenoverzicht overgelegd waaruit blijkt dat hij wekelijks 17,15 uur begeleiding van [zorgcentrum] ontvangt. Het college is hierin gaan strepen, maar onduidelijk is op basis waarvan dit is gebeurd aangezien er geen normenkader is gebruikt. Verder wijst eiser erop dat het college in het verweerschrift stelt dat het Plan van Aanpak is opgesteld door een Toegangsmedewerker die ook cliëntondersteuner is bij MEE. Volgens eiser kunnen deze functies vanuit het oogpunt van onafhankelijkheid niet tegelijkertijd worden vervuld. Daarnaast is het besluit in bezwaar door een bezwaarmedewerker volledig heroverwogen, maar deze persoon heeft volgens eiser niet de zorginhoudelijke kennis en deskundigheid om de omvang van de benodigde ondersteuning vast te stellen. Eiser voert ook aan dat de bezwaarprocedure van het college niet transparant is. Er is een adviescommissie, maar een verslag van de behandeling van de zaak door de commissie en het advies van de commissie ontbreken in het dossier.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n4. Blijkens het bestreden besluit heeft het college voor de vaststelling van de aard en omvang van de door eiser benodigde ondersteuning het door eiser in bezwaar overgelegde zorgmomentenoverzicht als uitgangspunt genomen. Aan de hand van de dagrapportages van [zorgcentrum] is de indicatie vervolgens op een aantal punten in minuten naar beneden bijgesteld, namelijk bij het aansturen bij persoonlijke hygiëne, boodschappen doen, was ophangen en opvouwen, verzorgen van het ontbijt en het aanleren van vaardigheden om administratie en financiën zelfstandig te beheren.\n\n5. De rechtbank stelt vast dat voor alle van de onder 4. genoemde taken geldt dat onduidelijk is hoe het college aan de toegekende minuten is gekomen. Er is geen navraag gedaan bij [zorgcentrum] . Bij de taken aansturen bij persoonlijke hygiëne, was ophangen en opvouwen, verzorgen van het ontbijt en het aanleren van vaardigheden om administratie en financiën zelfstandig te beheren staat slechts dat het college meent dat het aantal toegekende minuten voldoende moet zijn. Deze bewoordingen zijn naar het oordeel van de rechtbank te algemeen. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.\n\n5.1.. Reeds hierom is het beroep gegrond. De overige door eiser aangevoerde beroepsgronden behoeven geen verdere bespreking. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft. Uit een oogpunt van finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eiser voor de periode van 1 februari 2025 tot en met 31 januari 2026 in aanmerking komt voor een pgb voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen met een gemiddelde omvang van de ondersteuning van 17,15 uur per week. De rechtbank heeft zich hierbij gebaseerd op het door eiser overgelegde zorgmomentenoverzicht. Het primaire besluit zal worden herroepen voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft.\n\n6. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser het griffierecht terug. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet de proceskostenvergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 666,- voor de bezwaarfase (1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1) en € 1.868,- voor de beroepsfase (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beroep met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank stelt de totale kosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft;\n\nherroept het primaire besluit voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft;\n\nverstrekt aan eiser voor de periode van 1 februari 2025 tot en met 31 januari 2026 een pgb voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen met een gemiddelde omvang van de ondersteuning van 17,15 uur per week en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;\n\nveroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.534,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:441, r.o. 4.1.1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5826","2026-07-13T00:28:56.875Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":43,"courtId":72,"decisionDate":73,"fullText":74,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":51,"updatedAt":76},"749","ECLI:NL:RBOVE:2026:3671","ecli-nl-rbove-2026-3671",57,"2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 26\u002F1746\n uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen\n \n [verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker (hierna te noemen: [verzoeker]),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Zwolle, het college\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker] in verband met de behandeling van zijn bezwaarschrift tegen het besluit van het college van 11 juni 2026. In dit besluit heeft het college aan [verzoeker] bijzondere bijstand toegekend. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n1.1.. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.\n\n1.2.. Het college heeft met het besluit van 3 maart 2026 aan [verzoeker] bijzonder bijstand toegekend voor de kosten van seksuele zorg tot een bedrag van € 204,00 per twee maanden. Dit bedrag wordt maandelijks uitbetaald, zodat [verzoeker] per maand € 102,00 ontvangt. [verzoeker] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als \"onverwijlde spoed\" dat vereist. De conclusie van de voorzieningenrechter is dat er in dit geval geen spoedeisend belang aanwezig is.\n\n2.1.. De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een acute, dus actuele, spoedeisendheid. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt of als er geen acute noodsituatie is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.\n\n2.2.. \n [verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van spoedeisend belang het volgende – samengevat weergegeven – aangevoerd. [verzoeker] stelt dat er een medische noodzaak bestaat voor de seksuele hulpverlening die hij krijgt. Zonder deze zorg ontstaat er een ernstige, psychische ontregeling. Hij kan de kosten van € 204,00 per afspraak niet voorschieten. Het college vergoedt slechts € 102,00 per maand, waardoor hij de noodzakelijk zorg niet kan betalen, aldus [verzoeker]. Ter onderbouwing van de noodzakelijkheid van de zorg verwijst [verzoeker] naar een rapport van JPH Consult van 14 november 2024.\n\n2.3.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in wat [verzoeker] heeft aangevoerd, geen spoedeisend belang besloten ligt. Vaststaat dat er een noodzaak is voor de zorg die [verzoeker] ontvangt. [verzoeker] geeft in zijn verzoekschrift aan dat zijn zorgverlener per afspraak, eens per twee maanden, € 204,00 in rekening brengt. [verzoeker] ontvangt bijzondere bijstand om die noodzakelijke zorg te kunnen betalen. De hoogte daarvan is € 204,00 per twee maanden. Dit wordt in 2 termijnen uitgekeerd van € 102,00 per maand. [verzoeker] kan de zorg dan ook betalen met de bijzondere bijstand die hij ontvangt. Het is daarom ook niet gebleken dat [verzoeker] verstoken is van de noodzakelijk zorg. Uit wat [verzoeker] heeft aangevoerd blijkt niet dat hij in een situatie komt te verkeren die maakt dat onmiddellijk moet worden ingegrepen. Ook anderszins is niet gebleken van een voor [verzoeker] zo zwaarwegend belang, dat hij de behandeling van zijn bezwaarschift niet kan afwachten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van\n\nA. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3671","2026-07-13T00:28:46.357Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":43,"courtId":64,"decisionDate":81,"fullText":82,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":84},"964","ECLI:NL:RBZWB:2026:5845","ecli-nl-rbzwb-2026-5845","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F3362 WMO15\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2026 op het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen(verzoeker)\n\n(gemachtigde: mr. K.V. Witte),\n\nom opheffing als bedoeld in artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht van de bij uitspraak van 12 december 2025, zaaknummer 25\u002F5255 (ECLI:NL:RBZWB:2025:8932) getroffen voorlopige voorziening in de zaak tussen:\n\n [verzoekster] , uit [woonplaats] (verzoekster),\n\ngemachtigde: mr. M.I. L'Ghdas,\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om de voorlopige voorziening die de voorzieningenrechter in de uitspraak van 12 december 2025 heeft getroffen, op te heffen. De voorzieningenrechter heeft in deze uitspraak bepaald dat verzoeker aan verzoekster vanaf 16 oktober 2025 tot zes weken na het nemen van de beslissing op het bezwaar, een maatwerkvoorziening moet toekennen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), waarmee de kosten van het beschermd wonen en de ondersteuning bij [zorginstelling] kunnen worden voldaan.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om opheffing (kennelijk) niet-ontvankelijk wegens een gebrek aan (proces)belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoekster heeft in 2025 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend inzake het besluit van verzoeker van 4 september 2025. Met dat besluit was haar aanvraag voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wmo buiten behandeling gesteld. In de uitspraak van 12 december 2025 heeft de voorzieningenrechter het besluit van 4 september 2025 geschorst, en bepaald dat verzoeker vanaf 16 oktober 2025 aan verzoekster een maatwerkvoorziening moet toekennen waarmee de kosten van beschermd wonen en ondersteuning kunnen worden voldaan.\n\nVerzoeker heeft bij de rechtbank middels een brief van 17 juni 2026 een verzoek ingediend om de voorziening die is getroffen in de uitspraak van 12 december 2025 – bij voorkeur met terugwerkende kracht tot 16 oktober 2025 – op te heffen, gelet op na die uitspraak opgekomen feiten en omstandigheden, die – indien zij destijds bekend waren geweest – niet tot het treffen van de voorlopige voorziening zouden hebben geleid.\n\nDe voorzieningenrechter heeft verzoekster op de voet van het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ambtshalve als derde-partij aangemerkt.\n\nOmdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek (kennelijk) niet ontvankelijk is.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nToetsingskader van het verzoek\n\n3. Op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de artikelen 8:81, tweede, derde en vierde lid, en 8:82 tot en met 8:86 van de Awb van overeenkomstige toepassing.\n\nOnderbouwing van het verzoek\n\n4. Verzoeker beoogt met zijn verzoek te voorkomen dat [zorginstelling] in een eventuele civielrechtelijke procedure betaling voor verleende zorg kan afdwingen door te stellen dat zij zorg aan verzoekster heeft verleend in gerechtvaardigd vertrouwen op de voorlopige voorziening van 12 december 2025. Hij stelt in zoverre belang te hebben bij opheffing van die uitspraak. In een civielrechtelijke procedure zou de discussie zich onvermijdelijk toespitsen op de vraag over welke periode de geleverde zorg al dan niet aan de kwaliteitseisen voldeed, en in hoeverre verzoeker gehouden zou zijn de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat [zorginstelling] – zoals ook onderkend door verzoeker – niet via de bestuursrechtelijke weg betaling kan afdwingen voor geleverde zorg aan verzoekster. Een bestuurlijke grondslag daartoe ontbreekt. Verzoeker heeft namelijk geen besluit genomen om een pgb toe te kennen, maar verzoeksters pgb-aanvraag inhoudelijk afgewezen bij beslissing op bezwaar van 26 mei 2026 wegens het ontbreken van veilige, doeltreffende en cliëntgerichte zorg, en het ontbreken van een geschikte budgetbe-heerder. Verder is het verzoek van [zorginstelling] om uitvoering te geven aan genoemde voorziening door de voorzieningenrechter van deze rechtbank in een uitspraak van 1 juni 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:4692) reeds niet-ontvankelijk verklaard, omdat [zorginstelling] niet als belanghebbende kon worden aangemerkt. Het belang bij deze procedure kan daarom enkel zijn gelegen in het voorkomen van het ontstaan van een aanspraak op betaling voor geleverde zorg in een (civielrechtelijke) procedure bij de burgerlijke rechter.\n\n6. Bij het ontstaan van een betalingsverplichting in een civielrechtelijke procedure gaat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter om een toekomstige onzekere gebeurtenis, die een onvoldoende actueel en reëel belang vormt voor de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek. De voorzieningenrechter wijst hierbij op de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 september 2021 ECLI:NL:CRVB:2021:2402) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023: 2074). Wat verzoeker aanvoert ter onderbouwing van het door hem gestelde belang geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.\n\n7. De voorzieningenrechter voegt aan het voorgaande toe dat artikel 8:87 van de Awb niet de mogelijkheid biedt om een getroffen voorlopige voorziening wegens gewijzigde omstandigheden 'ab initio' (met terugwerkende kracht) op te heffen of te wijzigen. De voorzieningenrechter wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT0655, in het bijzonder overweging 2.11). De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 12 december 2025 bepaald dat verzoeker aan verzoekster tot zes weken na het nemen van de beslissing op het bezwaar een maatwerkvoorziening moet toekennen waarmee de kosten van het beschermd wonen en de ondersteuning bij [zorginstelling] kunnen worden voldaan. Aangezien verzoeker al op 26 mei 2026 een beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft de getroffen voorlopige voorziening op dit moment nog slechts werking voor een periode van ongeveer een week. Het financiële belang bij deze procedure is daarom ook beperkt tot een eventuele betalingsverplichting voor zorgkosten over die (zeer korte) periode.\n\n8. De voorzieningenrechter concludeert op basis van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, dat onvoldoende (proces)belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van verzoeker.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om de voorlopige voorziening op te heffen (kennelijk) niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de voorlopige voorziening die is getroffen in de uitspraak van 12 december 2025 niet wordt opgeheven.\n\n9.1.. In deze procedure bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of voor een proceskostenveroordeling.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter verklaart het verzoek om de voorlopige voorziening die de voorzieningenrechter heeft getroffen in de uitspraak van 12 december 2025, zaaknummer 25\u002F5255 (ECLI:NL:RBZWB:2025:8932) op te heffen, niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\n voorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5845","2026-07-13T00:28:56.772Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":43,"courtId":89,"decisionDate":81,"fullText":90,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":91,"sourceTimestamp":92,"parsedAt":51,"updatedAt":93},"1504","ECLI:NL:RBOVE:2026:3815","ecli-nl-rbove-2026-3815",69,"RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Almelo\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 24\u002F3872\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , (hierna: [eiseres] )\n\ngemachtigde: mr. D. Aygur,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),\n\ngemachtigde: [gemachtigde] .\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over een afwijzing van een aanvraag voor een Wajong-uitkering. [eiseres] is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen.\n\nDe rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat [eiseres] op haar achttiende verjaardag (nog) arbeidsvermogen had. [eiseres] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInleiding\n\n1. [eiseres] is geboren op [geboortedatum] 2005 en is dus op [geboortedatum] 2023 achttien jaar geworden. Op 26 juli 2023 heeft zij een Wajong-uitkering aangevraagd. De aanvraag en medische informatie is beoordeeld door een verzekeringsarts en ook een arbeidsdeskundige heeft de aanvraag beoordeeld. Met het besluit van 20 november 2023 is de aanvraag afgewezen. Tegen dat besluit heeft [eiseres] bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 op het bezwaar van [eiseres] is het UWV bij dat besluit gebleven.\n\n1.1.. \n\n [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 9 december 2024 aanvullende gronden ingediend. Het UWV heeft daarop gereageerd met een rapport van\n\n16 januari 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B).\n\n1.2.. Op 17 februari 2025 heeft [eiseres] aanvullende beroepsgronden ingediend met informatie van 22 oktober 2018 en 23 oktober 2023 van de internist\u002Fhematoloog dr. J.J.A. Auwerda (hierna: Auwerda). Ook is een rapport van arts Van Diemen, een verwijsbrief naar specialistische GGZ, een intakeverslag en een bericht van de kinderarts overgelegd.1.3.. Het UWV heeft hierop gereageerd met een rapport van 28 maart 2025 van de verzekeringsarts B&B.\n\n1.4.. \n\nOp 21 mei 2026 zijn aanvullende gronden ingediend met informatie van\n\n15 januari 2026 van GZ-psycholoog en regiebehandelaar dr. [medewerker GGZ] (hierna: [medewerker GGZ]), werkzaam bij Boncara GGZ.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het UWV. Ook mevrouw [naam] was aanwezig.\n\nStandpunt UWV\n\n2. Volgens het UWV heeft [eiseres] geen recht op een Wajong-uitkering, omdat zij op haar achttiende verjaardag (datum in geding) wel arbeidsvermogen heeft. Hiervoor baseert het UWV zich op de rapporten van de verzekeringsarts B&B en de arbeidsdeskundige B&B. Daarin is geconcludeerd dat [eiseres] ondanks haar gezondheidsklachten en beperkingen wel vier uur per dag en een uur aaneengesloten kan werken. Ook kan zijn de taak \"Invoeren van gegevens” doen en beschikt zij wel over basale werknemersvaardigheden.\n\nStandpunten [eiseres]\n\n3. [eiseres] stelt dat zij vanwege een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een vitamine B12-tekort geen arbeidsvermogen heeft. De beperkingen die zij hierdoor ondervindt maken dat zij niet in staat is om te werken en dit in de toekomst ook niet zal kunnen. Haar mentale klachten zijn al lang aanwezig en verschillende behandelingen hebben niet geleid tot het gewenste resultaat. In 2019 is zij in behandeling geweest bij een psycholoog en recentelijk is zij weer doorverwezen. Daarnaast is zij al jaren in behandeling bij Auwerda vanwege een vitamine B12-tekort. De verzekeringsarts heeft ten onrechte geconcludeerd dat zij niet gediagnosticeerd is met pernicieuze anemie. Zij is weldegelijk gediagnosticeerd met een vitamine B12-tekort.\n\n3.1.. Ook stelt [eiseres] dat het rapport van 23 oktober 2023 van Auwerda niet bij de beoordeling is betrokken. Verder stelt [eiseres] dat de verzekeringsarts ten onrechte op basis van een spreekuur heeft geconcludeerd dat zij wel arbeidsvermogen heeft, omdat dit een momentopname is. Tenslotte voert [eiseres] aan dat vanwege haar beperkingen sprake was van veel schooluitval. Uit het rapport van 26 juni 2023 van arts Van Diemen blijkt ook dat zij als gevolg van een combinatie van ernstige lichamelijke en psychische beperkingen niet in staat is om een studie te volgen. Zij heeft drie jaar niet naar school gekund.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de aanvraag voor een Wajong-uitkering terecht heeft afgewezen. De rechtbank licht dit als volgt toe.\n\n4.1.. Om in aanmerking te komen voor een Wajonguitkering moet eerst vast komen te staan dat iemand op zijn of haar achttiende verjaardag geen arbeidsvermogen heeft.Ook moet het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam zijn. Van het ontbreken van arbeidsvermogen is sprake als iemand:\n\na. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie; of\n\nb. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt; of\n\nc. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of\n\nd. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.\n\nDeze criteria worden beoordeeld door een verzekeringsarts. De criteria onder a. en b. worden ook beoordeeld door een arbeidsdeskundige.\n\nDat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam moet zijn, betekent dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.Hiervan is sprake als iemand geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en als herstel is uitgesloten.\n\nVerzekeringsgeneeskundige beoordeling\n\n4.2.. \n\nHet spreekuur bij de verzekeringsarts vond plaats op 5 oktober 2023 en er is aanvullende informatie opgevraagd en verkregen van Auwerda. In het rapport van\n\n1 november 2023 heeft de verzekeringsarts overwogen dat [eiseres] sinds de tienerjaren kampt met zowel mentale en lichamelijke problematiek. Binnen haar gezin en familie werd zij vanaf jonge leeftijd geconfronteerd met ziektes en overlijdens. Haar vader en broertjes kampen ook met een vitamine B12-tekort. Deze gebeurtenissen en situaties hebben destijds een flinke emotionele impact gehad. Bovendien kampt [eiseres] sinds de tienerjaren zelf met lichamelijke problematiek. Met veel ondersteuning heeft ze in 2022 nog haar VMBO-diploma kunnen halen. Zij heeft weinig energie, waardoor ze fysieke activiteiten niet goed kan volhouden. Hierdoor is ze veel thuis. Ook qua concentratie en geheugen merkt ze problemen en ze slaapt erg slecht. Op betere momenten probeert ze huishoudelijke taken te verrichten.\n\n4.3.. De verzekeringsarts concludeert dat het gaat om een complexe situatie waarbij het huidige functioneren van [eiseres] niet alleen bepaald wordt door medische factoren, maar ook door gebeurtenissen in het gezin in het verleden en actuele sociale omstandigheden. Volgens de verzekeringsarts zijn op basis van het spreekuur en het functioneren in het dagelijks leven minder (medische) beperkingen te objectiveren dan [eiseres] aangeeft. Bepaalde cognitieve functies (geheugen, woordvinding) zullen misschien niet optimaal zijn. Het energieniveau zal bij [eiseres] ook zeker minder zijn dan bij leeftijdsgenoten en er is psychisch een hoog spanningsniveau en een emotionele kwetsbaarheid. Volgens de verzekeringsarts is [eiseres] in het dagelijks leven wel in staat om gericht activiteiten te ondernemen en heeft zij ook arbeidsvermogen.\n\n4.4.. \n\nVolgens de verzekeringsarts is geen sprake van geobjectiveerde stoornissen van de aandachtsfunctie en er is ook geen sprake van ernstige emotionele instabiliteit en\u002Fof oncontroleerbare gedragingen. Zelfs met een (licht) verminderde geheugenfunctie zal [eiseres] in staat zijn om in werk dat cognitief niet al te veeleisend is een uur aaneengesloten te werken. Het is voorstelbaar dat de energiehuishouding van [eiseres] niet optimaal is, maar er zijn geen concrete feiten waaruit blijkt dat het energieniveau dermate laag is dat [eiseres] niet vier uur per dag belastbaar zou zijn. Verspreid over de dag kan ze activiteiten verrichten en tijdens het spreekuur was de lichamelijke toestand niet buitensporig slecht.\n\nVolgens de verzekeringsarts zijn er geen overtuigende medische feiten waaruit blijkt dat [eiseres] per definitie niet in staat zou zijn om eenvoudige instructies van een werkgever te begrijpen, te onthouden en uit te voeren. Eventueel kunnen als geheugensteun nog hulpmiddelen ingezet worden, en kan er op een werkplek begeleiding ingezet worden. Het is voorstelbaar dat er soms slechte dagen zijn waarop [eiseres] moeite heeft om tot activiteiten te komen, maar dat is onvoldoende reden om te stellen dat zij per definitie geen afspraken met werkgevers kan nakomen.\n\n4.5.. \n\nIn het rapport van 26 september 2024 concludeert de verzekeringsarts B&B dat er geen aanleiding is om de beoordeling van de verzekeringsarts te wijzigen. Het spreekuur vond plaats op 12 september 2024 en er is informatie verkregen van de huisarts. Volgens de verzekeringsarts B&B is er een discrepantie tussen de medisch objectieve gegevens en het geclaimde onvermogen. Zowel de lichamelijke aandoening als de psychische klachten van betrokkene kunnen een ontbreken van arbeidsvermogen niet verklaren. Op psychisch gebied heeft [eiseres] veel meegemaakt. [eiseres] geeft nog steeds veel klachten en belemmeringen aan. Zelfstandig worden en meer afstand nemen van het gezin zou een positief effect kunnen hebben op de klachten. Bij [eiseres] is echter geen sprake van een psychiatrisch ziektebeeld op basis waarvan zij geen arbeidsvermogen zou hebben.\n\nVerder concludeert de verzekeringsarts B&B dat bij [eiseres] sprake is van allerlei fysieke klachten die jaren geleden geduid zijn als het gevolg van een vitamine B12-tekort. Op basis van de beschikbare informatie is niet duidelijk op basis waarvan het tekort is ontstaan. Uit de informatie blijkt ook niet dat er bij [eiseres] sprake is van een pernicieuze anemie. Bij een adequate suppletie mag een verbetering van de neurologische symptomen verwacht worden binnen zes maanden en de internist geeft een duidelijk effect aan. Het is niet duidelijk in hoeverre de ernst van de ervaren klachten nog past bij een inmiddels gesuppleerd vitamine B12 tekort en het hebben van milde neurologische symptomen leidt niet tot het ontbreken van arbeidsvermogen.\n\n4.6.. \n\nIn de rapporten van 16 januari 2025 motiveert de verzekeringsarts B&B verder dat de beroepsgronden geen aanleiding geven om tot een andere conclusie te komen. Hiertoe overweegt de verzekeringsarts B&B dat de diagnose PTSS niet naar voren komt uit de gegevens van de curatieve sector. Uit deze informatie blijkt dat gesproken is over traumatische ervaringen omtrent de impact van de gezondheidssituatie van de vader van [eiseres] en haar broertjes. In de informatie van 3 september 2014 van de psycholoog Spijker komt de EMDR-behandeling naar voren maar wordt de diagnose PTSS niet genoemd. Deze diagnose komt ook niet voor in de informatie van 15 mei 2020 van psycholoog Homrighausen. Daaruit blijkt wel dat de behandeling goed is afgerond. Verder motiveert de verzekeringsarts B&B dat uit de medische informatie niet volgt dat bij [eiseres] sprake is van een pernicieuze anemie, maar wel van een symptomatisch vitamine B12-tekort. De oorzaak van dat tekort is niet duidelijk. Door de ziekte van haar vader en alertheid daarop binnen het gezin is [eiseres] op tijd gestart met suppletie. De aard en de ernst van een deel van de klachten en belemmeringen zoals [eiseres] die aangeeft kunnen echter niet vanuit het doorgemaakt vitamine B-12 tekort verklaard worden. Ook wordt in de beschikbare medische informatie geen bloedarmoede of neurologische afwijkingen beschreven. Het\n\nfeit dat [eiseres] al behandelingen heeft gevolgd wil niet zeggen dat zij niet meer van behandelingen kan profiteren. [eiseres] heeft namelijk eerder ook van behandeling kunnen profiteren. Daarnaast zal er nog sprake zijn van groei richting volwassenheid en zelfstandigheid en kan begeleiding plaatsvinden. Afstand kunnen nemen van een belastende thuissituatie kan bijdragen aan het versterken van de mentale weerbaarheid. Dit kan volgens de verzekeringsarts B&B ook een positief effect hebben op de ervaren lichamelijke klachten.\n\nArbeidskundige beoordeling\n\n4.7.. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 17 november 2023 geconcludeerd dat [eiseres] beschikt over basale werknemersvaardigheden en dat [eiseres] in staat moet worden geacht om een taak uit te kunnen voeren in een arbeidsorganisatie. Als taak is het invoeren van gegevens geselecteerd. De beperkingen in het energieniveau hoeft in deze taak geen probleem op te leveren, omdat deze taak wordt verricht bij een bureau met een computer. Gezien het opleidingsniveau van [eiseres] is de taak ook passend. Zij kan lezen, kan in staat worden geacht om gegevens te vergelijken en kan met een computer overweg. Gezien haar niveau mag dus ook verwacht worden dat zij deze taak kan begrijpen en uitvoeren.\n\n4.8.. De arbeidsdeskundige B&B concludeert in het rapport van 30 september 2024 dat er geen aanleiding is om de beoordeling te wijzigen. Naar aanleiding van het in bezwaar aangevoerde heeft de arbeidsdeskundige B&B daarbij opgemerkt dat, indien nodig, op de werkplek begeleiding ingezet kan worden. De taak is geschikt, omdat het een energetisch lichte taak is die past bij het niveau van [eiseres] . [eiseres] heeft voldoende intelligentie en opleiding en geen problemen in het begrijpen, onthouden en uitvoeren van instructies. [eiseres] heeft dit op school ook laten zien. Er zijn ook geen problemen in bijvoorbeeld het gedrag die maken dat [eiseres] afspraken niet na kan komen.\n\nBeoordeling van de beroepsgronden\n\n4.9.. De rechtbank is van oordeel dat in de rapporten inzichtelijk en navolgbaar is gemotiveerd dat [eiseres] op haar achttiende verjaardag arbeidsvermogen had. Zowel bij de primaire beoordeling als in bezwaar hebben de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen met [eiseres] gesproken. Daarnaast is de medische informatie waar in het beroepschrift en tijdens de zitting op is gewezen, bij de beoordeling betrokken. Anders dan [eiseres] stelt is de beoordeling dan ook niet gebaseerd op een momentopname van een spreekuur. Ook is het rapport van 23 oktober 2023 van Auwerda wel bij de beoordeling betrokken. Die informatie staat op bladzijde 4 van het rapport van de verzekeringsarts B&B van 26 september 2024. Daarnaast heeft de verzekeringsarts B&B in het aanvullende rapport van 28 maart 2025 ook navolgbaar gemotiveerd dat het rapport van arts Van Diemen, de verwijsbrief naar specialistische GGZ, een intakeverslag en een bericht van de kinderarts niet tot een andere conclusie leiden.\n\n4.10.. \n\nDe informatie van 15 januari 2026 van [medewerker GGZ] laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat deze informatie slecht één dag voor de zitting is overgelegd. Artikel 8:58, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt namelijk dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Tijdens de zitting is gebleken dat deze informatie niet eerder is overgelegd, omdat de gemachtigde meer informatie wilde verzamelen en dit vervolgens gezamenlijk wilde overleggen. Dit maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Enerzijds omdat dit een eigen keuze is geweest anderzijds omdat deze keuze niet geheel navolgbaar is, omdat de informatie al in januari 2026 beschikbaar was en al ingediend had kunnen worden bij de eerder geplande zitting van 18 maart 2026 die op verzoek van de gemachtigde is uitgesteld. Ten overvloede merkt de rechtbank overigens op dat deze informatie ziet op een periode van na datum in geding; namelijk de periode van\n\n6 maart 2025 tot en met 15 januari 2026. Zoals tijdens de zitting ook met partijen is besproken, lijkt het erop dat [eiseres] gezondheidssituatie is verslechterd na haar achttiende verjaardag. Het UWV heeft daarover ter zitting gezegd dat zij binnen vijf jaar na haar achttiende verjaardag een wijziging van haar gezondheid kan doorgeven, zodat die wijziging beoordeeld kan worden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Zij krijgt het griffierecht dan ook niet terug en geen vergoeding van proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.\n\n Artikel 1a:1, eerste lid, onder a van de Wajong.\n\n Artikel 1a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.\n\n Artikel 1a:1, vierde lid van de Wajong.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3815","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:24.349Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":43,"courtId":98,"decisionDate":99,"fullText":100,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":51,"updatedAt":103},"1163","ECLI:NL:RBNNE:2026:2612","ecli-nl-rbnne-2026-2612",65,"2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F1758\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n [naam uit woonplaats] , verzoeker,\n\n en\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, het college\n\n(gemachtigde: S. de Jong).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoeker heeft op 22 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Op 6 februari 2026 heeft het college verzoeker gevraagd om aanvullende gegevens zodat de aanvraag kan worden beoordeeld. Hierbij heeft het college onder andere gevraagd om bankafschriften en overzichten van vermogen, schulden en inkomens. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verzoeker nadere stukken ingediend. Op 3 maart 2026 heeft er een intakegesprek plaatsgevonden.\n\n2.1.. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 maart 2026 afgewezen. Hiertoe heeft het college overwogen dat verzoeker onvoldoende informatie heeft verstrekt om zijn recht op bijstand vast te kunnen stellen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n2.2.. Op 30 maart 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om de voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer LEE 26\u002F1077. Bij uitspraak van 13 april 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang nu het college over de maand april 2026 een voorschot heeft toegekend.\n\n2.3.. Op 8 april 2026 heeft het college verzoeker gevraagd om aanvullende gegevens zodat de aanvraag kan worden beoordeeld. Hierbij heeft het college onder andere gevraagd om bankafschriften en transactie-overzichten van zijn gokaccounts over de periode van 22 oktober 2025 tot en met 8 april 2026. Daarnaast heeft het college verzocht om overzichten van zijn vermogen, schulden, inkomens en cryptocoins. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verzoeker nadere stukken ingediend.\n\n2.4.. Op 20 april 2026 heeft het college verzoeker (nogmaals) gevraagd om aanvullende gegevens. Hierbij heeft het college onder andere gevraagd om speel- en transactie- overzichten van al zijn gokaccounts \u002F wallets over de periode 22 oktober 2025 tot en met 8 april 2026. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verzoeker nadere stukken ingediend.\n\n2.5.. Op 5 juni 2026 heeft verzoeker een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.6.. Bij e-mailbericht van eveneens 5 juni 2026 heeft het college aan verzoeker verzocht om de volgende -nog ontbrekende- gegevens te overleggen:\n\nafschriften van de transacties die hebben plaatsgevonden op de rekening van Privalgo LTD;\n\nafschriften van de transacties die hebben plaatsgevonden op de rekening van Inpay A\u002FS;\n\neen uitdraai van zijn wallet bij Instant Casino;\n\neen overzicht van zijn wallet bij Coin Casino;\n\neen verifieerbare verklaring van de stortingen op uw ING-rekening op 4, 5, 6,10 en 26 februari 2026 en op 4, 6 en 7 maart 2026. Denk daarbij aan een ondertekende verklaring van de gever met daarop vermeld het bedrag, datum en doel waarvoor het gegeven is. En of er een verplichting is tot terugbetaling.\n\nHierbij heeft het college verzoeker verzocht deze gegevens uiterlijk 12 juni 2026 te overleggen.\n\n2.7.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nHeeft verzoeker een spoedeisend belang?\n\n3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.\n\n3.1.. Gelet op de aard van de bijstandsuitkering als vangnet en de stukken die verzoeker heeft overgelegd ten aanzien van de achterstand van de betaling van zijn huur ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen. De voorzieningenrechter zal de zaak daarom inhoudelijk behandelen.\n\nKan het verzoek worden toegewezen?\n\n4. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandsverlenende instantie deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet en als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, is dit een grond voor weigering van de bijstand.\n\n4.1.. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstand behoevende omstandigheden, is zijn financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. De bijstandsverlenende instantie is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie, ook over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.In beginsel worden afschriften over de laatste drie maanden opgevraagd. Indien op basis van concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen, kan het bijstandverlenend orgaan in het kader van dat onderzoek zo nodig inzage verlangen in de bankafschriften en andere financiële gegevens van een betrokkene over een verder in het verleden liggende periode.\n\n4.2.. Indien een belanghebbende bij een aanvraag onvoldoende gegevens heeft aangeleverd om het recht op bijstand vast te kunnen stellen, moet aan de belanghebbende schriftelijk een termijn worden gegeven om de gevraagde gegevens aan te vullen. Dit wordt de hersteltermijn genoemd. De hersteltermijn moet zijn afgestemd op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en documenten. De lengte van de termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in beginsel in staat kan worden geacht alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn aan het bestuursorgaan te leveren.\n\n5. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat het college op goede gronden tot een afwijzing van de aanvraag is gekomen. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.\n\n5.1.. Uit de door verzoeker overgelegde bankafschriften en overige gegevens komt een aaneenschakeling van bij- en afschrijvingen naar voren. Het college heeft verzoeker meerdere keren gevraagd om verifieerbare verklaringen te overleggen met betrekking tot de stortingen op zijn bankrekening en om (transactie)overzichten van zijn gokaccounts en betaalproviders. Naar aanleiding van deze verschillende verzoeken van het college heeft verzoeker weliswaar gegevens verstrekt, maar heeft verzoeker naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen volledig inzicht in zijn gokaccounts gegeven en heeft verzoeker ook geen deugdelijke verklaring voor de vele stortingen dan wel bijschrijvingen gegeven.5.2.. \n\nVoor zover verzoeker heeft aangegeven dat hij voor wat betreft de gokaccounts niet over meer informatie beschikt omdat deze accounts zijn beëindigd en hij hier geen toegang meer toe heeft, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroepis het bij onlinegokken, anders dan bij een bezoek aan een gokinstelling, in beginsel wèl mogelijk om een verifieerbare administratie of boekhouding te verstrekken waarin is opgenomen welke bedragen bij welk gokspel zijn ingezet, welk bedrag per speelbeurt is gewonnen en of de ontvangen bedragen eventueel weer opnieuw zijn ingezet en, zo ja, in hoeverre bij welk gokspel. Bij online gokken worden namelijk al deze gebeurtenissen geregistreerd in de gokaccounts van de betrokkene. Bij online gokken kan de betrokkene dus gegevens verstrekken aan de hand waarvan het mogelijk is om de gokopbrengsten, en daarmee ook het recht op bijstand, vast te stellen. Dat de gokaccounts inmiddels zouden zijn beëindigd en verzoeker hierdoor geen toegang meer heeft tot genoemde gegevens komt voor zijn rekening en risico, nu verzoeker de gokaccounts -althans naar zijn zeggen- zelf heeft beëindigd zonder eerst de mutatiegegevens veilig te stellen.\n\nDaarnaast heeft verzoeker ter zitting weliswaar aangegeven dat hij heeft geprobeerd om (alsnog) aan de desbetreffende overzichten te komen door via de mail contact op te nemen met verschillende helpdesks, maar van dit door verzoeker ter zitting ingenomen standpunt heeft de voorzieningenrechter geen enkele onderbouwing gezien. Datzelfde geldt overigens voor de gestelde beëindigingen dan wel het afsluiten van gokaccounts an sich door verzoeker.\n\n5.3.. Met betrekking tot de bijschrijvingen door derden op zijn bankrekeningen overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker hiervoor geen deugdelijke verklaring heeft gegeven. Verzoeker heeft gesteld dat dit stortingen zijn van vrienden die zijn gokaccounts gebruikten en dat hij inmiddels met deze mensen geen contact meer heeft. Ook voor dit door verzoeker ingenomen standpunt overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker dit niet heeft onderbouwd met controleerbare en verifieerbare gegevens.\n\n6. Gelet op het bovenstaande heeft het college, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, de aanvraag kunnen afwijzen. Verzoeker heeft als aanvrager van bijstand de plicht om de gevraagde inlichtingen te verstrekken en medewerking te verlenen aan het onderzoek van het college. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker hierin niet in geslaagd. Het college heeft daarom onvoldoende informatie om vast te stellen of verzoeker op het moment van de aanvraag in bijstand behoevende omstandigheden verkeerde. Deze informatie heeft verzoeker ook in het kader van de onderhavige procedure niet aangeleverd. Dit kan alsnog in de bezwaarprocedure of in het kader van een nieuwe aanvraag, maar op dit moment zijn er naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het bezwaar kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt en dat er dus geen voorlopige voorziening zal worden getroffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1896.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1955.\n\n Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1591.\n\n Zie onder de meer de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 6 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:760.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2612","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.605Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":43,"courtId":108,"decisionDate":99,"fullText":109,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":110,"sourceTimestamp":111,"parsedAt":51,"updatedAt":112},"1711","ECLI:NL:RBROT:2026:7261","ecli-nl-rbrot-2026-7261",61,"RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ROT 25\u002F5127, ROT 25\u002F5157 en ROT 26\u002F1378\n uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaken tussen\n het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, eiser\n\n(gemachtigden: mr. W. Breure en mr. A. Hielkema),\n\nen\n\nde minister van Werk en Participatie, de minister\n\n(gemachtigden: mr. I.M. van der Heijden en mr. D.K. Jongkind).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de beslissingen op bezwaar van 22 mei 2025 en 6 januari 2026 (bestreden besluiten). De bestreden besluiten betreffen het voorlopige en het definitieve budget voor de specifieke uitkering algemene bijstand LKS, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 (specifieke uitkering) van eiser over de jaren 2024 en 2025, toegekend op grond van artikel 69, eerste lid, van de Participatiewet (Pw).\n\nBesluitvorming\n\nZaaknummer 25\u002F5127: voorlopig en definitief budget 2024\n\n1.1.. Met het primaire besluit van 29 september 2023 (primair besluit I) is het budget voor de specifieke uitkering van eiser over het jaar 2024 voorlopig vastgesteld op €542.351.163,-. Met het primaire besluit van 1 oktober 2024 (primair besluit II) is het budget voor de specifieke uitkering van eiser over het jaar 2024 definitief vastgesteld op €574.984.773,-. Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris) bij die besluiten gebleven.\n\nZaaknummer 25\u002F5157: voorlopig budget 2025\n\n1.2.. Met het primaire besluit van 1 oktober 2024 (primair besluit III) is het budget voor de specifieke uitkering van eiser over het jaar 2025 voorlopig vastgesteld op €585.396.885,-. Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 (bestreden besluit II) op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij dit besluit gebleven.\n\nZaaknummer 26\u002F1378: definitief budget 2025\n\n1.3.. Met het primaire besluit van 30 september 2025 (primair besluit IV) is het budget voor de specifieke uitkering van eiser over het jaar 2025 definitief vastgesteld op €611.316.415,-. Met het bestreden besluit van 6 januari 2026 (bestreden besluit III) op het bezwaar van eiser is de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij dit besluit gebleven.\n\nBeroepen\n\n1.4.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Eiser heeft op 9 december 2025 een schriftelijke reactie met nadere stukken ingediend. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.5.. De rechtbank heeft de beroepen op 1 april 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiser en de gemachtigden van de minister. Daarnaast waren aanwezig: [persoon A] en [persoon B] namens eiser en [persoon C] en [persoon D] namens de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de beroepen van eiser die zien op de toekenning van de voorlopige en de definitieve budgetten voor de specifieke uitkering van eiser over de jaren 2024 en 2025. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n2.1.. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n2.2.. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n3. Bij wet wordt jaarlijks het totale budget (macrobudget) vastgesteld dat beschikbaar is voor alle gemeenten voor het verstrekken van de specifieke uitkering. Dit macrobudget wordt vervolgens verdeeld. Het uitgangspunt daarbij is dat het macrobudget toereikend is voor de geraamde kosten van alle gemeenten gezamenlijk. Voor de vaststelling en verdeling van het macrobudget voor de specifieke uitkering wordt met ingang van het jaar 2015 gebruik gemaakt van een door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) ontwikkeld verdeelmodel. Dit verdeelmodel is vastgelegd in artikel 6 van het Besluit Participatiewet en de daarbij behorende bijlage.\n\n3.1.. Het verdeelmodel kent een volumecomponent en een prijscomponent. Met de volumecomponent wordt de kans op ontvangst van een bijstandsuitkering voor een huishouden ingeschat. Met de prijscomponent wordt de hoogte van de bijstandsuitkering ingeschat. Aan de hand van deze twee componenten wordt het bijstandsbudget per huishouden geraamd. Aan de hand daarvan wordt vervolgens verder berekend wat de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringslasten zijn. Daarbij wordt rekening gehouden met indicatoren, ‘regiokenmerken’, op verschillende niveaus, namelijk huishoud-, gemeente- en buurtniveau. Deze regiokenmerken zijn mede bepalend voor de berekening van de kans op ontvangst van een bijstandsuitkering en de hoogte van de bijstandsuitkering. Bij de afweging over opname van kenmerken in het verdeelmodel hanteert de minister een door SEO Economisch Onderzoek en Atlas Research (SEO en Atlas) ontwikkeld toetsingskader, waarmee is beoogd om objectieve criteria te hanteren voor de selectie van de kenmerken. Beoogde kenmerken moeten voldoen aan drie kwalitatieve criteria (uitlegbaar, niet-beïnvloedbaar en aanvullend) en als ze daaraan voldoen worden ze onderworpen aan een kwantitatieve toets om na te gaan of ze leiden tot een betere verklaringskracht van het model.\n\n3.2.. Eén van de regiokenmerken in de volumecomponent is ‘Buurt waar werken niet de norm is’. Voor het verdeelmodel 2024 is dit regiokenmerk aangepast. In het aangepaste verdeelmodel is niet langer sprake van een vooraf bepaalde afkapgrens die eerder werd gehanteerd om bepaalde buurten al dan niet aan te merken als ‘buurt waar werken niet de norm is’ waarna vervolgens het aandeel inwoners dat in zo'n buurt woont, opgeteld werd tot een indicator op gemeenteniveau. In plaats daarvan wordt per CBS-buurt het gewogen gemiddelde berekend van de 'overwerkloosheid': het verschil in het aandeel niet-werkende werkzoekenden in de directe omgeving en dat aandeel in de ruimere omgeving. Uitgangspunt daarbij is dat in buurten met een hoge 'overwerkloosheid' er meer niet-werkende mensen zijn dan gemiddeld in de ruimere omgeving. Deze wijziging heeft tot doel het model te verbeteren, omdat de op buurtniveau berekende indicator op huishoudniveau wordt meegewogen in een niet-lineaire logistische regressie, waardoor voor de verwachte kans op bijstand van huishoudens nu de feitelijke over- of onderwerkloosheid in de eigen buurt wordt meegewogen. Dit zou volgens de minister leiden tot verbeterde prestaties van het model op huishoudniveau.\n\nWaarom is eiser het niet eens met de bestreden besluiten?\n\n4. Eiser is het niet eens met de gewijzigde invulling van het regiokenmerk ‘Buurt waar werken niet de norm is’ in het verdeelmodel vanaf 2024 en de gevolgen daarvan voor de vaststelling van zijn budgetten. Met de gewijzigde toedeling van de budgetten over de jaren 2024 en 2025 kan eiser niet voldoen aan de verplichtingen jegens de Rotterdamse uitkeringsgerechtigden.\n\n4.1.. Eiser stelt dat het verdeelmodel buiten toepassing moet worden gelaten. Hij betoogt primair dat de aanpassing van het regiokenmerk in strijd is met het in 3.1 genoemde toetsingskader. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat door het niet volgen van het toetsingskader sprake is van tekortkomingen in het verdeelmodel waardoor hij onevenredig wordt benadeeld. Eiser voert voor de gestelde strijdigheid met het toetsingskader – in het kader van zowel haar primaire als haar subsidiaire standpunt – enkele argumenten aan en verwijst ter onderbouwing naar een rapport van Berenschot van 10 oktober 2024.\n\n4.2.. In de eerste plaats voert eiser aan dat de aanpassing van het regiokenmerk niet voldoet aan het kwalitatieve criterium van uitlegbaarheid uit het toetsingskader. Doordat in het nieuwe model de afkapgrens is afgeschaft en de feitelijke onder- of overwerkloosheid per buurt wordt meegenomen, wordt dit volgens eiser een indicator op een continue schaal. Eiser bestrijdt dat er sprake is van een buurt waar werken niet de norm is wanneer deze buurt slechts minimaal afwijkt van de norm. Het kenmerk meet daarmee niet meer wat het zou moeten meten. Het zou wat eiser betreft juist voor de hand liggen om voor een dergelijke indicator een drempelwaarde te hanteren omdat er sprake zou moeten zijn van een significante afwijking van de norm, voordat gesteld kan worden dat werken niet de norm is in een buurt. Volgens eiser ontbreekt verder een wetenschappelijke onderbouwing voor de (impliciete) aanname dat in buurten waar werken juist wel sterk de norm is, dit bij medebewoners leidt tot een lagere bijstandskans.\n\n4.3.. Eiser voert daarnaast aan dat de verklaringskracht van het verdeelmodel door de aanpassing van het kenmerk 'Buurt waar werken niet de norm is' is verslechterd. Volgens eiser komt de aanpassing daarmee niet door de kwantitatieve toets van het toetsingskader. Dat er andere kenmerken zijn gewijzigd die positieve invloed hebben op de verklaringskracht, kan daaraan volgens eiser niet afdoen.\n\n4.4.. Tot slot voert eiser aan dat door de aanpassing van het regiokenmerk er geen indicator meer is op gemeenteniveau, terwijl dit wel vereist is. Daarbij wijst eiser op de volgende passage uit de nadere toelichting op het verdeelmodel (onder Objectief verdeelmodel): “De basis voor de berekening van de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringslasten is een niet-lineair (logit) verdeelmodel met indicatoren op meerdere niveaus, namelijk huishoud-, gemeente- en buurtniveau.”, in samenhang met artikel 6 Besluit Participatiewet en wijst hij erop dat er ook altijd indicatoren op gemeenteniveau zijn geweest.\n\n4.5.. Ten aanzien van bestreden besluit III voert eiser verder aan dat de minister niet is ingegaan op de bezwaargronden van eiser over het verdeelmodel en dat dit besluit daarom niet deugdelijk is gemotiveerd.\n\n4.6.. Eiser verzoekt de rechtbank, naast vernietiging van de bestreden besluiten, om de minister te veroordelen tot vergoeding van de schade die eiser lijdt of zal lijden als gevolg van de bestreden besluiten.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. Niet in geschil is dat de bestreden besluiten zijn gebaseerd op het (aangepaste) verdeelmodel dat van toepassing is op de vaststelling van de budgetten voor de jaren 2024 en 2025. Het Besluit Participatiewet, waarin het verdeelmodel is opgenomen, is een algemeen verbindend voorschrift. Tegen het verdeelmodel als zodanig staat daarom geen beroep open.\n\n5.1.. De bestuursrechter kan onder omstandigheden tot het oordeel komen dat de minister, die met de toepassing van het verdeelmodel is belast, gehouden was om het algemeen verbindend voorschrift waarin het verdeelmodel vanaf 2024 is neergelegd buiten toepassing te laten. De bewijslast dat van dergelijke omstandigheden sprake is rust in beginsel bij eiser als bestuursorgaan dat hier een beroep op doet. Het is aan eiser om te onderbouwen dat het verdeelmodel tekortkomingen bevat die juist de gemeente Rotterdam treffen en die leiden tot een voor hem zodanig onevenredig nadeel ten opzichte van andere gemeenten dat het verdeelmodel dat sinds 2024 geldt buiten toepassing moet worden gelaten. Eiser moet aannemelijk maken dat en waarom hij door de verdeling van het macrobudget in 2024, dan wel 2025 onevenredig is benadeeld. Als hij hierin slaagt, is het vervolgens aan de minister om aannemelijk te maken dat het tekort op het budget niet door de werking van het verdeelmodel is veroorzaakt.\n\n5.2.. Die tekortkomingen kunnen, zo heeft de minister ter zitting bevestigd, zijn gelegen in het niet volgen van het toetsingskader voor opname (waaronder begrepen aanpassing) van regiokenmerken in het model. Langs die band zal de rechtbank de argumenten van eiser over afwijking van het toetsingskader beoordelen. Daarbij toetst de rechtbank terughoudend. De regelgever heeft een ruime beslissingsruimte bij de vaststelling en de doorontwikkeling van het verdeelmodel. Het is primair aan de regelgever zelf om te beoordelen of de aanpassing van het verdeelmodel in overeenstemming is met het toetsingskader. Daarnaast dient de afwijking van het toetsingskader dusdanig te zijn dat sprake is van een (serieuze) tekortkoming als bedoeld in de rechtspraak waardoor sprake is van onevenredige benadeling van de gemeente.\n\n5.3.. Niet in geschil is dat het budgetaandeel in de gemeente Rotterdam met 6,6 procent toeneemt in een variant van het verdeelmodel vanaf 2024 waarin (uitsluitend) de aanpassing van het regiokenmerk ‘Buurt waar werken niet de norm is’ is teruggedraaid. Dit komt neer op €35,8 miljoen over het jaar 2024. Door de aanpassing van het regiokenmerk niet door te voeren zou de gemeente in deze variant dus hogere bijstandsbudgetten ontvangen. Dit maakt op zichzelf echter niet dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een onvolkomenheid in het verdeelmodel zoals dat sinds 2024 geldt en dat juist eiser hierdoor onevenredig is benadeeld ten opzichte van andere gemeenten. De rechtbank bespreekt daarom hierna de argumenten waarom volgens eiser sprake zou zijn van afwijkingen van het toetsingskader die volgens eiser een (serieuze) tekortkoming en onevenredige benadeling opleveren.\n\n5.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de aanpassing niet voldoet aan het uitlegbaarheid-criterium uit het toetsingskader. Onder “uitlegbaar” wordt in het toetsingskader verstaan: “er moet een theoretische grond zijn om te verwachten dat de betreffende factor\u002Findicator van invloed is op de kans op bijstand, en niet omgekeerd”. Het criterium ziet dus op de aansluiting van het kenmerk op de theoretische onderbouwing. De minister heeft onderbouwd dat het aangepaste kenmerk beter aansluit op de theoretische onderbouwing van buurteffecten dan het oude kenmerk. Daarbij heeft de minister verwezen naar de wetenschappelijke studies waaruit een positief effect van lage werkloosheid in de buurt volgt. Daarnaast heeft de minister onderbouwd dat de betere aansluiting bij de werkelijkheid samenhangt met de afschaffing van de afkapgrens. Het nadeel van de toepassing van een afkapgrens was dat sommige gebieden het ene jaar wel en het andere jaar niet werden aangemerkt als buurt waar werken niet de norm is. Het aangepaste kenmerk is volgens de minister ook verfijnder dan het oude kenmerk dat er volgens de minister toe leidde dat in de gehele gemeente eenzelfde buurteffect op de kans op bijstand werd aangenomen. De toelichting van de minister waarom het aangepaste regiokenmerk beter aansluit bij de theoretische onderbouwing en daarom meer uitlegbaar komt de rechtbank niet onjuist voor. Eiser heeft niet onderbouwd waarom het aangepaste regiokenmerk niet uitlegbaar zou zijn. Dat er, zoals eiser onder verwijzing naar Berenschot stelt, ook andere keuzes mogelijk waren geweest maakt de nu gemaakte keuze niet onjuist. Van een tekortkoming, laat staan een tekortkoming die leidt tot onevenredige benadeling, is dan ook niet gebleken.\n\n5.5.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat de aanpassing van het regiokenmerk niet voldoet aan de kwantitatieve toets uit het toetsingskader, die ziet op de zogeheten verklaringskracht. De minister heeft toegelicht dat er meerdere regiokenmerken zijn aangepast. De minister heeft, aan de hand van een rapport van SEO\u002FAtlas, onderbouwd dat de door eiser gestelde verslechtering in de verklaringskracht niet het gevolg is van aanpassing van het regiokenmerk ‘Buurt waar werken niet de norm is’ omdat zij niet los kan worden gezien van de andere aanpassingen van andere regiokenmerken in het verdeelmodel. Deze onderbouwing komt de rechtbank aannemelijk voor en heeft eiser niet gemotiveerd bestreden.\n\n5.6.. Tot slot volgt de rechtbank niet het standpunt van eiser dat een indicator op gemeenteniveau verplicht is. Het is primair aan de regelgever zelf om invulling te geven aan de verschillende (niveaus van) kenmerken. Het gaat daarnaast bij de passage die eiser aanhaalt uit de toelichting bij het Besluit Participatiewet om een beschrijvende passage waaruit geen verplichting kan worden afgeleid. Eiser heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van strijd met het toetsingskader.\n\n5.7.. De rechtbank overweegt dat de minister een ruime beslissingsruimte heeft bij de vaststelling en de doorontwikkeling van het verdeelmodel. Hieronder valt ook de keuze van de minister voor de wijze waarop vanaf 2024 invulling wordt gegeven aan het kenmerk \"Buurt waar werken niet de norm is\". Met de keuze voor de nieuwe invulling van dit kenmerk is de minister die beslissingsruimte niet te buiten gegaan. Dit laat onverlet dat de keuze die de minister maakt gevolgen heeft voor hoe het verdeelmodel voor bepaalde gemeenten uitpakt. Niet in geschil is dat eiser mogelijk enig nadeel ondervindt van de wijziging van het kenmerk \"Buurt waar werken niet de norm is\" vanaf 2024, al dan niet in de vorm van het verlies van een eerder ontvangen voordeel, zoals door de minister bepleit. De rechtbank ziet hierin echter geen grond voor het oordeel dat de minister het verdeelmodel voor 2024 in zoverre buiten toepassing had moeten laten. Daarvoor is immers vereist dat sprake is van een serieuze tekortkoming in het model. In de kritiek van eiser, die met name ziet op de keuzes die zijn gemaakt bij de manier waarop het model is aangepast, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat van een dergelijke tekortkoming sprake is. Daarnaast heeft de minister erop gewezen dat de budgetafname voor Rotterdam onder de drempel voor een vangnetuitkering valt. Eiser heeft dit niet betwist. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat (ook) aan de hand van het totale tekort over de gehele periode vanaf 2024 moet worden beoordeeld of sprake is van onevenredig grote tekorten. Het budget wordt immers jaarlijks vastgesteld, zodat per jaar dient te worden bezien of van dergelijke tekorten sprake is.\n\n5.8.. Gelet op het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de gestelde tekortkomingen in het verdeelmodel vanaf 2024 ten opzichte van andere gemeenten onevenredig is benadeeld. Evenmin is aannemelijk geworden dat sprake is van strijd met een ander rechtsbeginsel. De rechtbank ziet, gelet hierop, geen aanleiding het verdeelmodel buiten toepassing te laten. Dat betekent dat zowel het primaire als het subsidiaire standpunt van eiser niet slaagt.\n\nMotivering bestreden besluit III niet gebrekkig\n\n6. Ten aanzien van de stelling van eiser dat het bestreden III ondeugdelijk is gemotiveerd overweegt de rechtbank dat de minister in bestreden besluit III heeft verwezen naar bestreden besluiten I en II en dat de inhoud daarvan reeds bekend was bij eiser. Van een motiveringsgebrek is dan ook geen sprake.\n\n6.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. De verzoeken om schadevergoeding bouwen voort op de beroepsgronden van eiser en worden, aangezien die niet slagen, afgewezen.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n-verklaart de beroepen ongegrond;\n\n-wijst de verzoeken om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Kleinhout, voorzitter, mr. J. Fransen en mr. S.M. Goossens, leden, in aanwezigheid van A. van Duijn, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nParticipatiewet\n\nArtikel 69. Uitkering en verdeling onder de gemeenten\n\n1. Onze Minister verstrekt jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan het college een uitkering om het college van middelen te voorzien met het oog op:\n\na. het toekennen van algemene bijstand en van uitkeringen als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en voor de daarbij verschuldigde loonbelasting, premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet;\n\nb. de kosten van de loonkostensubsidies, die op grond van artikel 10d, worden verstrekt.\n\n2. Bij wet wordt het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld, waarbij uitgangspunt is dat dit bedrag voor het desbetreffende kalenderjaar toereikend is voor de geraamde kosten van alle gemeenten in verband met uitgaven als bedoeld in het eerste lid.\n\n3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de verdeling van de uitkering, bedoeld in het eerste lid, onder de gemeenten en het verzamelen van gegevens noodzakelijk voor het vaststellen van deze verdeling.\n\n4. De uitkering aan het college wordt ten minste drie maanden voorafgaand aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft door Onze Minister bekend gemaakt.\n\nArtikel 71. Aanpassing uitkering\n\n1. Het totale bedrag, bedoeld in artikel 69, tweede lid, voor de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, wordt in het jaar waarop het bedrag betrekking heeft bij of krachtens de wet aangepast op basis van nieuwe ramingsgegevens.\n\n(…)\n\nDe in artikel 69, derde lid, van de Participatiewet bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit Participatiewet.\n\nBesluit Participatiewet\n\nArtikel 6. Objectief verdeelmodel en macrobudget\n\n1. Aan de hand van het verdeelmodel dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit worden de objectief bepaalde kosten voor algemene bijstand en uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, waaronder de algemene bijstand ten behoeve van zelfstandigen op grond van het Bbz 2004 vastgesteld.\n\n2. Het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering aan de gemeenten is het beschikbare macrobudget.\n\n3. Jaarlijks worden bij ministeriële regeling voor alle indicatoren zoals opgenomen in tabel 1 en tabel 3 en de typen normbedragen zoals opgenomen in tabel 2 van de bijlage bij dit besluit de gewichten en de peildata respectievelijk de bedragen vastgesteld.\n\n4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van de artikelen 2 en 3, en het objectief verdeelmodel, dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit, ter voorkoming van onvoorziene en ongewenste verdeeleffecten.\n\n5. De minister kan de uitkering herzien indien wordt geconstateerd dat in de toepassing van de formule, bedoeld in artikel 3, eerste lid, of het objectief verdeelmodel, dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit, fouten zijn gemaakt. De herziening vindt uiterlijk plaats op het moment van aanpassing van het totale bedrag, bedoeld in artikel 71 van de wet.\n\n6. Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling wordt voor de budgetberekening uitgegaan van een redelijke inschatting van de situatie zoals die zou zijn geweest als de instelling, splitsing of opheffing van gemeenten in de van belang zijnde jaren al was ingegaan.\n\n Artikel 8:3, eerste lid onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zie in dit verband de uitspraak van de rechtbank van 10 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6828, onder verwijzing naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 1 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2016, ECLI:NL:CRVB:2019:2017, ECLI:NL:CRVB:2019:2018, ECLI:NL:CRVB:2019:2019), 21 februari 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:312) en 4 juli 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1253). Zie recent ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 februari 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:183).\n\n SEO\u002FAtlas, ‘Verandering budget gemeente Rotterdam’, 1 maart 2024, bijlage 1 bij het verweerschrift.\n\n Stb. 2023, 312.\n\n SEO 1 maart 2024, ‘Verandering budget gemeente Rotterdam – Nadere toelichting’.\n\n In die zin eerder rechtbank Den Haag 18 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5504, r.o. 15.3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7261","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:35.221Z",{"id":114,"ecli":115,"slug":116,"caseNumber":43,"courtId":117,"decisionDate":118,"fullText":119,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":120,"sourceTimestamp":92,"parsedAt":51,"updatedAt":121},"1713","ECLI:NL:RBDHA:2026:18557","ecli-nl-rbdha-2026-18557",63,"2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4990\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18557","2026-07-13T00:29:35.347Z",{"id":123,"ecli":124,"slug":125,"caseNumber":43,"courtId":108,"decisionDate":118,"fullText":126,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":127,"sourceTimestamp":118,"parsedAt":51,"updatedAt":128},"1473","ECLI:NL:RBROT:2026:7140","ecli-nl-rbrot-2026-7140","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F2057\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoekster] , uit [plaatsnaam] , verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),\n\nen\n\nCentrum Indicatiestelling Zorg, het CIZ\n\n(gemachtigde: mr. L.M.R. Kater).\n\nSamenvatting\n\nVolgens het CIZ komt verzoekster niet in aanmerking voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg, omdat zij niet aan de criteria voldoet. Omdat er een negatief Wlz-indicatiebesluit is afgegeven, zou verzoekster volgens het CIZ (tijdelijk) zorg moeten krijgen vanuit de Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 of de Zorgverzekeringswet.\n\nDit gebeurt echter niet en verzoekster wordt van het kastje naar de muur verwezen.\n\nDe voorzieningenrechter vindt dat verzoekster op korte termijn zorg moet krijgen.\n\nHet verzoek wordt daarom toegewezen in het kader van de belangenafweging.\n\nProcesverloop\n\n1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ heeft deze aanvraag met het besluit van 22 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 februari 2026 op het bezwaar van verzoekster is het CIZ bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2. Het CIZ heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [naam 1] (namens verzoekster) en de gemachtigde van het CIZ.\n\n4. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor vier weken. Verzoekster wordt in de gelegenheid gesteld om medische informatie in te leveren en een machtiging. Het CIZ zal dan de zaak voorleggen aan de medisch adviseur.\n\n5. Het CIZ heeft op 19 mei 2026 een reactie gestuurd, met een verweerschrift en een aanvullend medisch advies. Ook verzoekster heeft nog nieuwe stukken ingestuurd.\n\nDe voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek op 4 juni 2026 gesloten.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWaar gaat het in deze zaak om?\n\n6. Verzoekster heeft last van PNEAen epilepsie. Daarnaast heeft ze een posttraumatische stressstoornis, een dissociatieve identiteitsstoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Verzoekster heeft op 13 juni 2025 een aanvraag ingediend bij het CIZ voor zorg op grond van de Wlz. Zij wil de zorg zelf regelen met een persoonsgebonden budget (pgb). Het CIZ heeft deze aanvraag afgewezen, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij in aanmerking komt voor 24-uurszorg en toezicht.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek toe\n\n7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nIs er een spoedeisend belang?\n\n8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.\n\nDe voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld\n\n9. Het CIZ stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang en heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1382. In die uitspraak overweegt de CRvB dat de betreffende persoon eerst stappen dient te ondernemen om zorg te krijgen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of om de omvang van de ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) uit te breiden om daarmee – al dan niet tijdelijk, in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure – te voorzien in zijn behoefte aan begeleiding.\n\n10. Verzoekster heeft een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam overgelegd van 15 april 2026. Volgens het college heeft verzoekster geen recht op 24-uurs toezicht en begeleiding op grond van de Wmo, omdat haar hulpvraag Wmo-overstijgend is. Volgens het college past Wlz beter bij verzoeksters situatie.\n\nDaarnaast heeft de wijkverpleegkundige verzoekster op 27 augustus 2025 bezocht in het kader van een indicatiestelling. Volgens de wijkverpleegkundige valt verzoekster onder de Wlz en niet binnen de Zvw. Zij heeft verzoekster geadviseerd om opnieuw een Wlz-indicatie aan te vragen en om die reden is er geen verdere indicatiestelling uitgevoerd.\n\n11. De voorzieningenrechter vindt dat verzoekster voldoende heeft gedaan om elders hulp te krijgen. Dit is echter niet gelukt. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk te beoordelen.\n\nWanneer komt iemand in aanmerking voor zorg vanuit de Wlz?\n\n12. Om in aanmerking te komen voor zorg vanuit de Wlz, moet er worden voldaan aan de volgende criteria:\n\n- Er moet sprake zijn van een grondslag(zoals een lichamelijke ziekte of een psychische stoornis);\n\n- Vanwege deze grondslag is er behoefte aan en noodzaak tot permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen;\n\n- De zorgbehoefte is blijvend, er zijn geen mogelijkheden tot verbeteringen. Dit wil zeggen dat de zorgbehoefte er voor de rest van het leven is.\n\n13. Partijen zijn het erover eens dat verzoekster een grondslag heeft voor Wlz. Er is sprake van een somatische aandoening (lichamelijke ziekte), namelijk PNEA en epilepsie. Ook is er sprake van een psychische stoornis, namelijk een posttraumatische stressstoornis, een dissociatieve identiteitsstoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis.\n\n14. Partijen verschillen wel van mening of verzoekster permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid nodig heeft en of er sprake is van een blijvende zorgbehoefte.\n\nBelangenafweging\n\n15. De voorzieningenrechter stelt vast dat er verschillende medische stukken in het dossier zitten. De medisch adviseur [naam 2] stelt zich op het standpunt dat een medische noodzaak tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid niet kan worden vastgesteld. Ook is er geen indicatie voor permanent toezicht en kan de blijvendheid van de huidige zorgbehoefte onvoldoende worden onderbouwd.\n\nDaarentegen acht behandelaar PsyQ permanent toezicht noodzakelijk omdat elk moment iets ernstig mis kan gaan met betrekking tot verzoeksters veiligheid en haar gezondheid door haar gedrag. Ook geeft deze behandelaar aan dat langdurige zorg en begeleiding noodzakelijk is.\n\n16. Het college van Rotterdam en de wijkverpleegkundige verwijzen verzoekster naar de Wlz. Het CIZ stelt echter dat verzoekster niet onder de Wlz valt en heeft een negatief Wlz-indicatiebesluit afgegeven. Volgens het CIZ is het college dan verplicht om een maatwerkvoorziening af te geven, al dan niet tijdelijk hangende het bezwaar of beroep.\n\nDit geldt ook voor de zorg vanuit de Zvw.\n\n17. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster op dit moment helemaal geen hulp krijgt: niet vanuit de Wmo, niet vanuit de Zvw en niet vanuit de Wlz. Verzoekster wordt verwezen van het kastje naar de muur. De voorzieningenrechter vindt wel dat verzoekster op korte termijn geholpen moet worden, maar de vraag is door wie. Het verzoek om een voorlopige voorziening ziet op het besluit van het CIZ en de voorzieningenrechter kan dus alleen het CIZ opdragen om met een passende oplossing te komen. Het is echter zeer goed mogelijk dat de rechtbank in de beroepsprocedure zal oordelen dat verzoekster niet thuishoort in de Wlz.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en draagt het CIZ op om een zodanige indicatiestelling af te geven waardoor verzoekster tijdelijk in aanmerking komt voor 24- uurszorg en toezicht vanuit de Wlz.\n\n19. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het CIZ het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Verzoekster krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het CIZ moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- schorst het bestreden besluit tot de bekendmaking van de uitspraak op het beroepschrift;\n\n- bepaalt dat het CIZ een zodanige indicatiestelling afgeeft waardoor verzoekster tijdelijk in aanmerking komt voor 24-uurszorg en toezicht vanuit de Wlz;\n\n- bepaalt dat het CIZ het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het CIZ tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Psychogene niet-epileptische aanvallen; dit zijn aanvallen die sterk lijken op epileptische aanvallen, maar dat niet zijn.\n\n Zie een ongedateerde brief die op 23 april 2026 door verzoekster is ingebracht.\n\n Artikel 3.2.1 van de Wlz\n\n Zie het medisch advies van 20 januari 2026 en de aanvullingen van 24 maart 2026 en 23 april 2026.\n\n Zie de brief van 23 maart 2026.\n\n Het CIZ verwijst daarbij naar een uitspraak van het CRvB van 24 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:205.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7140","2026-07-13T00:29:22.729Z",{"id":130,"ecli":131,"slug":132,"caseNumber":43,"courtId":117,"decisionDate":118,"fullText":133,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":134,"sourceTimestamp":92,"parsedAt":51,"updatedAt":135},"1705","ECLI:NL:RBDHA:2026:18555","ecli-nl-rbdha-2026-18555","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4978\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18555","2026-07-13T00:29:34.467Z",{"id":137,"ecli":138,"slug":139,"caseNumber":43,"courtId":108,"decisionDate":140,"fullText":141,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":142,"sourceTimestamp":118,"parsedAt":51,"updatedAt":143},"1508","ECLI:NL:RBROT:2026:7066","ecli-nl-rbrot-2026-7066","2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F4287\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen\n \n [verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit [plaatsnaam], verzoekers\n\nen\n\nde Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB\n\n(gemachtigde: mr. G.E. Eind).\n\nInleiding\n\n1. Met het besluit van 8 september 2025 heeft de SVB een bedrag van € 7.064,99 van verzoekers teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 17 februari 2026 heeft de SVB het terugvorderingsbedrag verlaagd naar € 5.257,68. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, [naam] (namens verzoekers) en de gemachtigde van de SVB.\n\n3. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat is er gebeurd?\n\n4. Verzoekers ontvangen AOW en een pensioen van de ABP. Omdat ze hiermee onder het sociaal minimum komen, ontvangen ze van de SVB een AIO-uitkering. Dit is een extra bedrag voor mensen in Nederland die geen volledige AOW ontvangen en verder geen of weinig inkomsten hebben.\n\n5. In 2025 is de ABP erachter gekomen dat verzoekers over een lange periode te weinig pensioen hebben gekregen. Zij hebben daarom een nabetaling ontvangen. De SVB heeft vervolgens een bedrag van € 5.257,68 aan te veel ontvangen AIO-uitkering van verzoekers teruggevorderd. Verzoekers hebben over deze terugvordering een beroepsprocedure lopen bij de rechtbank (ROT 26\u002F2792).\n\nWaar gaat het in deze zaak om?\n\n6. De SVB heeft berekend hoeveel verzoekers per maand terug zouden kunnen betalen. Met het bestreden besluit van 1 mei 2026 heeft de SVB bepaald dat de schuld van verzoekers bij de SVB vanaf juni 2026 wordt verrekend met hun AIO-uitkering, waardoor zij elke maand € 150,- (twee keer € 75,-) minder uitbetaald krijgen. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij willen met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij voorlopig niets hoeven terug te betalen, totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak over de terugvordering. De SVB heeft toegezegd dat er niet wordt verrekend totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek af\n\n7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n8. De voorzieningenrechter heeft nagedacht over de vraag of het verzoek om een voorlopige voorziening samenhangt met het besluit over de terugvordering of met het besluit over de verrekening. Verzoekers hebben bij het indienen van het verzoek verwezen naar de beroepszaak over de terugvordering. Dit is ook het meest praktisch. De SVB hoeft de brief van verzoekers van 5 mei 2026 daarom niet aan te merken als een bezwaarschrift tegen de verrekening.\n\n9. De voorzieningenrechter heeft de mogelijkheid om ook onmiddellijk uitspraak te doen in de beroepszaak, maar doet dat in deze zaak niet. Dit komt omdat hij het dossier over de beroepszaak niet heeft gelezen en hierdoor weet hij niet of verzoekers in de beroepsprocedure nog iets hebben aangevoerd waar hij nog een oordeel over moet geven. De rechtbank zal dus op een later moment de beroepszaak behandelen.\n\n10. De voorzieningenrechter heeft gekeken naar de terugvordering en hij verwacht dat het beroep weinig kans van slagen heeft. Tijdens de zitting is uitgelegd dat het pensioen van de ABP en de AIO-uitkering communicerende vaten zijn. De hoogte van de AIO-uitkering is afhankelijk van de hoogte van het pensioen van de ABP. In 2025 is gebleken dat verzoekers jarenlang te weinig pensioen hebben ontvangen. Dit betekent ook dat verzoekers jarenlang te veel AIO-uitkering hebben gekregen. Verzoekers hoefden er niet op bedacht te zijn dat zij te weinig pensioen kregen. Zij kregen elke maand het pensioen waar zij recht op dachten te hebben. Maar in 2025 werd de situatie anders en hebben zij een nabetaling gekregen van het ABP. In de brieven van het ABPstaat de waarschuwing dat de nabetaling gevolgen kan hebben voor toeslagen en andere uitkeringen, en dat een andere uitkering misschien wel terugbetaald moet worden. Verzoekers hebben ervoor gekozen om het geld van de nabetaling te schenken aan hun (klein)kinderen, omdat zij al jaren op het sociaal minimum leven en nooit iets extra’s kunnen geven aan hun (klein)kinderen. De nabetaling was echter een dooie mus, want onder de streep hebben verzoekers geen recht op méér geld dan wat ze in het verleden hebben gekregen. Meer pensioen betekent namelijk minder AIO-uitkering als aanvulling op dat pensioen. Verzoekers hebben de nabetaling al uitgegeven, maar de SVB mocht dit bedrag als te veel betaalde AIO-uitkering wel van verzoekers terugvorderen. En omdat verzoekers het geld niet in één keer kunnen terugbetalen, mag de SVB elke maand een bedrag verrekenen met de AIO-uitkering om het bedrag in delen terug te krijgen. Verzoekers zijn het er niet mee eens dat de SVB de AIO-uitkering over 15 jaar terugvordert, maar als zij een nabetaling krijgen over de afgelopen 15 jaar, dan mag er ook over 15 jaar worden teruggevorderd. De SVB maakt verzoekers geen verwijt, maar eigenlijk hadden zij de nabetaling opzij moeten zetten. Het is vervelend dat verzoekers nu elke maand € 150,- minder AIO-uitkering ontvangen, maar het gaat om gemeenschapsgeld en de SVB moet daar wel zorgvuldig mee omgaan. In wat verzoekers verder op de zitting hebben verteld, ziet de voorzieningenrechter ook geen reden waarom de SVB, ondanks dat het bevoegd is om terug te vorderen, dat tóch niet zou mogen doen. De voorzieningenrechter verwacht dus dat de rechtbank het beroep ongegrond zal verklaren en daarom vindt de voorzieningenrechter dat de SVB nu al mag verrekenen en daarmee niet hoeft te wachten tot de uitspraak in de hoofdzaak.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de SVB maandelijks het bedrag van € 150,- mag inhouden op de AIO-uitkering. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n12. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep openstaat.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026 door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.\n\nDe voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te tekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)\n\n De brief van 28 januari 2025 aan verzoekster en de brief van 28 april 2025 aan verzoeker.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7066","2026-07-13T00:29:24.585Z",{"id":145,"ecli":146,"slug":147,"caseNumber":43,"courtId":117,"decisionDate":148,"fullText":149,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":150,"sourceTimestamp":151,"parsedAt":51,"updatedAt":152},"1412","ECLI:NL:RBMNE:2026:3265","ecli-nl-rbmne-2026-3265","2026-06-09T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 26\u002F2445\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal\n\n(gemachtigde: mr. G. Bozkurt).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beëindiging van een maatwerkvoorziening in de vorm van hulp bij het huishouden (Hbh) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n2. Verzoeker ontving hulp bij zijn huishouding op grond van een indicatie die is verleend tot 5 oktober 2025. Het bezwaar van verzoeker gericht tegen de feitelijke stopzetting van deze huishoudelijke ondersteuning heeft het college bij besluit van 11 maart 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft hierbij het standpunt ingenomen dat het bezwaar niet is gericht tegen een appellabel besluit. Tegen een feitelijke handeling, het eindigen van de indicatie, staat namelijk geen bezwaar open. Verder kan de email van verzoeker van 22 september 2025 waarin hij aangaf verlenging te willen van zijn hulp bij zijn huishouding niet gezien worden als een aanvraagmaar als een melding, zo stelt het college. Er is dan ook geen dwangsom verschuldigd naar aanleiding van de ingediende ingebrekestelling vindt het college. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. Ook heeft hij om een voorlopige voorziening verzocht.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat er geen twijfel mogelijk is over de uitkomst van de zaak.\n\nSpoedeisend belang\n\n4. Deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de beroepsprocedure een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Van onverwijlde spoed is sprake als er bijvoorbeeld een onomkeerbare situatie dreigt (bijvoorbeeld faillissement) of sprake is van acute financiële nood. Omdat beroep is ingediend tegen de beslissing op bezwaar, moet de vraag worden beantwoord of sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening noodzakelijk maakt in afwachting van de uitspraak op dat beroep.\n\n5. Verzoeker heeft in het kader van het spoedeisend belang aangegeven dat de situatie in zijn huishouding bij gebrek aan hulp onhoudbaar is. De voorzieningenrechter begrijpt daaruit dat verzoeker zelf zijn huishouden door zijn lichamelijke beperkingen niet kan bijhouden. Dat op zichzelf geeft echter geen spoedeisend belang, omdat het geen onomkeerbare situatie betreft. De huishoudelijke taken kunnen namelijk later alsnog worden gedaan, en niet gesteld of gebleken is dat het huis van verzoeker zodanig vervuild is, dat het onleefbaar dreigt te worden of is geworden. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat aan verzoeker inmiddels weer hulp bij zijn huishouding is toegekend, van 22 september 2025 tot en met 10 november 2026. Het college heeft daarbij aangegeven dat navraag bij de zorgaanbieder heeft uitgewezen dat verzoeker vanaf de week van 11 mei 2026 weer feitelijk hulp bij de huishouding kan krijgen. De voorzieningenrechter stelt daarom vast dat geen sprake is van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.\n\nEvident onrechtmatig besluit\n\n6. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en\u002Fof het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven.\n\n7. De voorzieningenrechter overweegt dat zonder nader onderzoek naar de relevante feiten niet nu al ernstig kan worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het primaire besluit. Er kan dus niet van de evidente onrechtmatigheid van dit besluit uitgegaan worden.Belangenafweging\n\n8. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.\n\ngriffier\n\nVoorzieningenrechter\n\nde voorzieningenrechter is buiten staat te tekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n In de zin van artikel 2.3.5, eerste lid, van de Wmo 2015.\n\n In de zin van artikel 2.3.2. eerste lid, van de Wmo 2015.\n\n Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Bij besluit met verzenddatum 21 april 2026 is hulp bij huishouding toegekend voor de periode van 17 april 2026 tot en met 18 oktober 2026, wat bij besluit van 12 mei 2026 is gecorrigeerd naar de periode van 22 september 2025 tot en met 10 november 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3265","2026-06-14T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.055Z",{"id":154,"ecli":155,"slug":156,"caseNumber":43,"courtId":157,"decisionDate":158,"fullText":159,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":160,"sourceTimestamp":161,"parsedAt":51,"updatedAt":162},"1562","ECLI:NL:RBAMS:2026:5577","ecli-nl-rbams-2026-5577",56,"2026-06-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: AMS 25\u002F5185\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres], uit [woonplaats], eiseres\n\nwettelijke vertegenwoordiger van [de persoon]\n\n(gemachtigde: mr. R. Imkamp),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E. Mensing van Charante).\n\nSamenvatting\n\n1.1.. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een bruikleenauto. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een bruikleenauto in verband met de medische beperkingen van haar dochter [de persoon]. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 5 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de zus van [de persoon], de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3.1.. \n [de persoon] is vijftien jaar oud, is verstandelijk gehandicapt en heeft lichamelijke beperkingen. [de persoon] is rolstoelafhankelijk vanwege een ontwikkelingsachterstand en de aandoeningen congenitale arthrogryposis multiplex (een ziekte met als gevolg standsafwijkingen van haar gewrichten en spierzwakte), scoliose en de ziekte van Willebrand (een stollingsziekte). Ook lijdt [de persoon] sinds 2016 aan epilepsie, inmiddels met zeer frequente aanvallen. [de persoon] is zeer moeilijk lerend en heeft een zorgindicatie op basis van de Wet langdurige zorg.\n\n3.2.. Op 24 december 2024 heeft eiseres een bruikleenauto aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) voor het vervoer van [de persoon]. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder Argonaut gevraagd een onderzoek te doen en advies uit te brengen. Op 18 februari 2025 heeft Argonaut een negatief advies uitgebracht voor een bruikleenauto en een positief advies voor Aanvullend Openbaar Vervoer (AOV) samenreizend. Volgens Argonaut is een bruikleenauto niet de goedkoopste geschikte oplossing voor het vervoer van [de persoon]. De goedkoopste geschikte oplossing voor [de persoon] is het AOV in combinatie met de rolstoel met hulpaandrijving. Er is door de arts vastgesteld dat er geen medische noodzaak is voor een bruikleenauto. Verweerder heeft het advies van Argonaut overgenomen en de aanvraag afgewezen op 5 maart 2025.\n\n3.3.. In bezwaar heeft eiseres een aanvullende verklaring van de behandelend kinderneuroloog van [de persoon], daterend van 30 juni 2025, overgelegd. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en aangevoerd dat de aanvullende verklaring van de kinderneuroloog van 30 juni 2025 niet is meegenomen in het advies van Argonaut en het bestreden besluit. Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder in de beroepsfase Argonaut opnieuw om advies gevraagd.\n\n3.4.. In dit advies van 15 januari 2026 blijft Argonaut bij een negatief advies voor een bruikleenauto maar wordt positief geadviseerd voor AOV individueel reizen met begeleiding.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de afwijzing van een bruikleenauto niet in stand kan blijven omdat de aangevoerde medische klachten, bezwaren en argumenten door Argonaut onvoldoende zijn meegewogen. Verweerder heeft volgens eiseres niet draagkrachtig onderbouwd dat het AOV verantwoord en passend is, en alleen al hierom dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Ten eerste is het AOV niet passend omdat de chauffeur altijd zeer voorzichtig moet rijden zodat [de persoon] zich niet stoot, in verband met haar stollingsstoornis. Er moet voor [de persoon] heel rustig gereden worden om blauwe plekken te voorkomen, omdat zij anders naar het ziekenhuis moet en dit dus voor haar grote nadelige gevolgen kan hebben. Ten tweede is het AOV niet passend vanwege de wachttijden. De vervoersbehoefte van [de persoon] is namelijk niet altijd planbaar en [de persoon] kan niet lang in haar rolstoel stilzitten terwijl zij wacht op het AOV. Ten derde, en meest belangrijke reden dat [de persoon] geen gebruik kan maken van het AOV, is gelegen in haar epilepsie. [de persoon] krijgt snel stress van mensen die zij niet kent, zoals de wisselende chauffeurs in het AOV, en stress zorgt bij [de persoon] voor een verhoging van de kans op epileptische consulten. Dit blijkt ook uit de medische stukken van de kinderneuroloog. Daar komt bij dat verweerder door enkel de vraag te beantwoorden of een bruikleenauto ‘medisch noodzakelijk is’ een te beperkt afwegingskader heeft gehanteerd gelet op de -ruimere- compensatieplicht van artikel 2.3.5 van de Wmo. Het gaat er immers om dat verweerder aannemelijk moet maken dat met het AOV een passende voorziening is toegekend waarmee [de persoon] daadwerkelijk gebruik kan maken van vervoer en waarmee zij kan participeren.\n\n5.1.. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit uitgaan van het advies van een (medisch) deskundige, als is nagegaan of dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen, inzichtelijk is, begrijpelijk is gemotiveerd en het de conclusies kan dragen. Dit is de zogenaamde vergewisplicht.Het is dan vervolgens aan de aanvrager om met medische stukken aannemelijk te maken dat het medisch advies niet klopt. Zijn er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren gebracht, dan mag niet zonder meer van het advies van de deskundige worden uitgegaan.\n\n5.2.. Ten aanzien van de argumenten van eiseres over de stollingsziekte van [de persoon] en de wachttijden bij het AOV is de rechtbank van oordeel dat Argonaut deze punten voldoende, inzichtelijk en zorgvuldig heeft meegewogen in het medisch advies. Ten aanzien van deze twee punten kan het medisch advies van Argonaut de conclusie dragen dat er geen medische noodzaak is voor een bruikleenauto en dat [de persoon] met individueel AOV voldoende wordt gecompenseerd. Argonaut heeft in het advies betrokken dat met de stollingsziekte rekening moet worden gehouden maar als het gaat om het gebruik van AOV, de kans nihil is dat zich hierbij impulsen zullen voordoen die kunnen leiden tot schade door deze stoornis en noodzaak voor medisch ingrijpen. Dit is wellicht anders als het AOV een ongeval krijgt, maar dat geldt ook voor het gebruik van een bruikleenauto. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat de chauffeurs van het AOV gewend zijn om kwetsbare mensen te vervoeren en dat bij AOV individueel een begeleider van [de persoon] mee kan reizen en de chauffeur, voor zover nodig, kan wijzen op het rustig rijden. Daarnaast heeft Argonaut in het advies meegewogen dat de orthopedisch chirurg aangeeft dat langdurig in een houding zitten ongewenst is maar dat dit niet in de weg staat aan het gebruik van het AOV. Bij AOV individueel reizen gaat het namelijk om korte wachttijden van maximaal een half uur. Tegen een dergelijke belasting is geen bezwaar. Bovendien blijkt uit de stukken van de orthopedisch chirurg niet hoe lang [de persoon] in een houding kan zitten en heeft eiseres op de zitting toegelicht dat [de persoon] (maximaal) een half uur kan wachten.\n\n5.3.. Wat betreft het punt van eiseres over de epilepsie van [de persoon], is de rechtbank van oordeel dat het advies van Argonaut niet inzichtelijk is, niet begrijpelijk is gemotiveerd en de conclusie niet kan dragen. Het idee achter de Wmo is dat beperkingen worden gecompenseerd, en niet dat beperkingen erger worden door een toegekende voorziening. Er moet dus beoordeeld worden of AOV individueel reizen met begeleiding de beperkingen van [de persoon] voldoende compenseert en of dit niet de beperkingen van [de persoon] verergert.\n\n5.4.. In de gronden van beroep wordt aangevoerd dat [de persoon] snel stress krijgt van mensen die zij niet kent, waaronder wisselende chauffeurs, en dat stress juist zorgt voor een verhoging van de kans op epileptische aanvallen. Eiseres heeft dit standpunt deels onderbouwd met de verklaring van de kinderneuroloog. Uit de verklaring van de kinderneuroloog volgt dat er een duidelijke relatie is tussen de epileptische aanvallen en spanning en stress. Oftewel, als [de persoon] spanning en stress ervaart, worden haar epileptische aanvallen erger. Dit punt staat tussen partijen ook niet ter discussie.\n\n5.5.. De cruciale vervolgvraag is dus of AOV individueel reizen met begeleiding (te veel) spanning oproept. Of dit wel of niet zo is, blijkt niet uit het dossier en de medische verklaringen. In de verklaring van de kinderneuroloog staat weliswaar dat het AOV spanning oproept, maar niet welke vorm van AOV dit betreft en ook niet welk aspect van het AOV deze spanning veroorzaakt. Daarnaast is het ook niet aan de kinderneuroloog om te beoordelen of AOV spanning oproept.\n\n5.6.. Echter, de conclusie van Argonaut dat ‘het oproepen van spanning en stress bij het gebruik van AOV niet onder de deskundigheid van de neuroloog valt en is gebaseerd op hetgeen de ouders haar hebben verteld’ is naar het oordeel van de rechtbank te kort door de bocht. De verklaring van de kinderneuroloog geeft immers wel aanknopingspunten voor mogelijk te veel spanning bij het AOV. Nu het specifieke punt, of vreemde chauffeurs te veel spanning veroorzaken, niet volgt uit de verklaring van de kinderneuroloog, maar wel cruciaal is voor de beoordeling, had het op de weg van Argonaut gelegen om over dit punt meer informatie op te vragen en contact op te nemen met de kinderneuroloog. Dat is niet gebeurd of daarover is niets opgeschreven in het advies van Argonaut.\n\n5.7.. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de afwijzing van de aanvraag voor een bruinleenauto niet op de adviezen van Argonaut mocht baseren omdat het advies om de bovengenoemde redenen gebrekkig is. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de op hem rustende vergewisplicht van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld, het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig voorbereid, en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk gemotiveerd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6.1.. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen over de vraag of eiseres in aanmerking komt voor de gevraagde voorziening omdat verweerder opnieuw onderzoek moet doen naar de medische situatie van [de persoon]. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.\n\n6.2.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 28 juli 2025;\n\n- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. J.C.M. Schilder, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:466.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5577","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.244Z",{"id":164,"ecli":165,"slug":166,"caseNumber":43,"courtId":108,"decisionDate":167,"fullText":168,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":169,"sourceTimestamp":170,"parsedAt":51,"updatedAt":171},"291","ECLI:NL:RBROT:2026:6801","ecli-nl-rbrot-2026-6801","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F2970\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2026 in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk, het college\n\n(gemachtigden: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor individuele begeleiding op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 maart 2026 toegewezen in de vorm van zorg in natura. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.1.. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en [persoon A] ( [functie] ).\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Verzoeker heeft op 16 februari 2026 een aanvraag ingediend voor individuele begeleiding. In het bestreden besluit van 13 maart 2026 is het college overgegaan tot het verstrekken van individuele begeleiding in de vorm van zorg in natura. Het college heeft twee passende zorgaanbieders aangedragen: [zorginstelling 1] en [zorginstelling 2] . Volgens het college kan geen ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt. Verzoeker heeft namelijk tot twee keer toe onvolledige stukken aangeleverd. Het college heeft er daarom onvoldoende vertrouwen in dat verzoeker de administratieve en organisatorische taken die horen bij het beheren van een pgb, zelfstandig kan uitvoeren. Het college heeft verzoeker daarom niet pgb-vaardig geacht. Het college overweegt daarbij ook dat verzoeker moeite ervaart met het vragen om hulp en het aanspreken van anderen en dat er risico’s bestaan voor een terugval in verslavingsproblematiek.\n\n3. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat zorg in natura niet passend is bij zijn situatie. [zorginstelling 1] en [zorginstelling 2] kunnen niet de begeleiding bieden die verzoeker nodig heeft. Zorgorganisatie [zorginstelling 3] kan dit wel. Verzoeker heeft begeleiding door een ervaringsdeskundige nodig. Verzoeker wenst daarom een pgb te ontvangen. Het college heeft volgens verzoeker onvoldoende onderzocht of verzoeker pgb-vaardig is. Ook had het college een herstelmogelijkheid moeten bieden als het dossier werkelijk onvolledig was. Verzoeker wil met zijn verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het college wordt opgedragen om verzoeker tijdelijk een pgb te verstrekken.\n\nHeeft verzoeker een spoedeisend belang?\n\n4. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als “onverwijlde spoed” dat vereist en de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.\n\n5. Verzoeker voert aan dat zijn begeleiding per 14 april 2026 is beëindigd en dat op dit moment sprake is van een zorggat. Dit brengt volgens verzoeker reële en concrete risico’s op destabilisatie en een terugval met zich mee.\n\n6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat verzoeker een zodanig spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening dat hij niet kan wachten op een beslissing op het bezwaarschrift. Ook als aangenomen zou moeten worden dat de door het college genoemde zorgaanbiedersgeen begeleiding door een ervaringsdeskundige kunnen bieden, betekent dat nog niet dat het op onoverkomelijke problemen zou stuiten als verzoeker voor de duur van de bezwaarprocedure zou zijn aangewezen op zorg door één van die zorgaanbieders. Dit heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is van belang dat het college heeft gesteld dat de genoemde zorgaanbieders expertise hebben op het gebied van verslavingszorg. Verzoeker heeft dit op zichzelf niet betwist.\n\nIs het bestreden besluit evident onrechtmatig?\n\n7. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoeker gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek duidelijk is dat het besluit in de bezwaarprocedure niet in stand zal blijven. Hoewel de motivering van het bestreden besluit vragen oproept (met name ten aanzien van het standpunt van het college dat – onder meer – uit het niet tijdig aanleveren van stukken blijkt dat verzoeker niet pgb-vaardig is) kan de voorzieningenrechter niet tot de conclusie komen dat het bestreden besluit waarschijnlijk niet in stand zal blijven. De voorzieningenrechter neemt daarbij mee dat het aan het college is om te beoordelen of aan de voorwaarden voor verstrekking van een pgb is voldaan.Dit betekent dat het college beoordelingsruimte heeft en dat de rechter terughoudend moet zijn bij het toetsen van de overwegingen van het college. Het college kan gedurende de bezwaarfase nader onderzoek doen naar de pgb-vaardigheid van verzoeker en in de beslissing op bezwaar eventuele motiveringsgebreken herstellen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college vooralsnog aan verzoeker geen pgb hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.\n\nde griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n In het verweerschrift heeft het college ook nog [zorginstelling 4] genoemd.\n\n Dit is geregeld in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6801","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.938Z",15,20,[11,175],2025]