[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-value-added-tax-nl-2026":3},{"detail":4,"years":142},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":35,"page":14,"limit":141},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},78,"value-added-tax-nl","Value Added Tax","NL","2026-07-08T16:55:03.373Z",2026,[13,15,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":14},1,{"month":16,"count":17},2,0,{"month":19,"count":19},3,{"month":21,"count":16},4,{"month":23,"count":16},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":16},7,{"month":29,"count":17},8,{"month":31,"count":17},9,{"month":33,"count":17},10,{"month":35,"count":17},11,{"month":37,"count":17},12,[39,52,59,69,77,87,97,106,116,124,132],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"394","ECLI:NL:RBGEL:2026:5191","ecli-nl-rbgel-2026-5191","",60,"2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F3064, 24\u002F3065, 24\u002F3066, 24\u002F3067, 24\u002F4948 en 24\u002F5036\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 1 juli 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende ] B.V. , uit [vestigingsplaats ] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 december 2023 en 22 januari 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende gelijktijdig de volgende navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd en belastingrente- en boetebeschikkingen genomen:\n\nDagtekening\n\nJaar\n\nBelastbaar bedrag\n\nBelastingrente\n\nVergrijpboete\n\n30\u002F11\u002F2020\n\nVpb 2014\n\n€ 116.579\n\n€ 2.413\n\n30\u002F10\u002F2021\n\nVpb 2015\n\n€ 87.880\n\n€ 4.807\n\n€ 4.816\n\n24\u002F12\u002F2021\n\nVpb 2016\n\n€ 44.305\n\n€ 2.519\n\n€ 2.808\n\n18\u002F12\u002F2021\n\nVpb 2017\n\n€ -2.510\n\nDe inspecteur heeft daarnaast gelijktijdig de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) opgelegd en belastingrente- en boetebeschikkingen genomen:\n\nDagtekening\n\nTijdvak\n\nBelasting\n\nBelastingrente\n\nVergrijpboete\n\n30\u002F12\u002F2020\n\n01\u002F01\u002F2015 – 31\u002F12\u002F2015\n\n€ 26.002\n\n€ 4.892\n\n29\u002F12\u002F2021\n\n01\u002F01\u002F2016 – 31\u002F12\u002F2016\n\n€ 15.793\n\n€ 2.969\n\n€ 8.092\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 7 december 2023 de bezwaren van respectievelijk 29 december 2020, 8 november 2021 en 6 januari 2022 tegen de navorderingsaanslagen Vpb 2014 tot en met 2016 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 niet-ontvankelijk verklaard.\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 22 januari 2024 de bezwaren van 7 januari 2021 en 31 december 2021 tegen respectievelijk de naheffingsaanslagen OB 2015 en 2016 ongegrond verklaard.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde en mr. [gemachtigde 2] en, namens de inspecteur,\n\nmr. drs. [gemachtigde 3] , drs. [gemachtigde 4] , mr. [gemachtigde 5] , [gemachtigde 6] en mr. [gemachtigde 7] .\n\nFeiten\n\nAlgemeen\n\n1. Belanghebbende is opgericht op 28 mei 2003. [gemachtigde 2] ( [gemachtigde 2] ) houdt 100% van de aandelen in belanghebbende. [gemachtigde 2] is tevens enig werknemer van belanghebbende.\n\n2. Op 29 december 2010 is belanghebbende certificaathouder geworden van de Stichting [stichting] en [gemachtigde 2] bestuurder van de [stichting] .\n\n3. [gemachtigde 2] verrichtte tot en met 31 december 2016 werkzaamheden als advocaat voor [bedrijf 1] .\n\n4. Op 31 mei 2018 is bij belanghebbende een boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017 aangekondigd. Het onderzoek is uitgebreid met de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019, uitsluitend voor zover het de bijtelling privégebruik auto betreft. De bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport van 4 november 2021 (het rapport loonheffingen). Naar aanleiding van de bevindingen van deze controle is het onderzoek tevens uitgebreid naar onder andere de aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting. Dit onderzoek is op 7 februari 2020 aangekondigd. Tijdens het boekenonderzoek is de aanvaardbaarheid van de aangiften Vpb en OB over de jaren 2016 en 2017 onderzocht. Op 16 oktober 2020 is het onderzoek uitgebreid naar de aangiften Vpb over de jaren 2014 en 2015 en de aangiften OB over het jaar 2015. Het conceptrapport heeft als dagtekening 10 juni 2020. De definitieve bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport van 23 november 2021 (het controlerapport).\n\n5. In onderdeel 2.5.1. van het controlerapport is omtrent de financiële administratie het volgende vermeld:\n\n “De heer [naam 1] verzorgt de administratie van [belanghebbende ] B.V.\n\nDe echtgenote en de dochter van de heer [gemachtigde 2] boeken de kosten (inkoopfacturen, bonnen). (…)\n\nTot en met het jaar werd de facturering (management fees en dergelijke) verzorgd door het kantoor van advocatenkantoor [bedrijf 1] .\n\nDe adviseur, de heer [naam 1] van [bedrijf 2] , haalt in principe éénmaal per jaar de ordners op en voert de administratie in het boekhoudprogramma Snelstart in.\n\n6. In onderdeel 2.6. van het controlerapport is omtrent de adviseur het volgende vermeld:\n\n “(…)\n\n [bedrijf 2] verzorgt de jaarstukken en de aangiften omzetbelasting en\n\nvennootschapsbelasting”\n\n7. In onderdeel 3.1.5. van het controlerapport is onder het kopje “Tweede helft debiteurenregeling” het volgende vermeld:\n\n“Op 26 januari 2016 heeft [belanghebbende ] B.V. € 25.000 overgemaakt aan [bedrijf 1] met als omschrijving “Afl. Lening tbv 2e helft debiteurenregeling”\n\nDeze betaling is als volgt gejournaliseerd:\n\nAf te dragen BTW € 4.339\n\nManagementfee [bedrijf 1] (wv-rekening) € 20.661\n\nAan Rabobank € 25.000\n\n(…)”\n\n8. Belanghebbende en [bedrijf 1] hebben op 18 november 2009 een managementovereenkomst gesloten. Daarin zijn zij overeengekomen dat, indien het resultaat van [bedrijf 1] het toelaat, aan belanghebbende jaarlijks een basismanagementvergoeding toekomt van maximaal € 127.000. Indien het resultaat van [bedrijf 1] het niet toelaat komt aan belanghebbende een gelijk deel van het behaalde resultaat toe. Ook is overeengekomen dat belanghebbende maandelijks een voorschot op de haar toekomende managementfee over het desbetreffende kalenderjaar ontvangt, gerelateerd aan de naar verwachting voor [bedrijf 1] te behalen managementvergoeding over dat jaar.\n\n9. In onderdeel 3.2.3 van het controlerapport is onder het kopje “Managementfee retour” het volgende vermeld:\n\n“Op 31 december 2015 heeft [belanghebbende ] B.V. middels een memoriaalboeking de volgende journaalpost geboekt:\n\nDebet\n\nCredit\n\nManagementfee\n\n€ 41.322,31\n\nBTW af te dragen hoog\n\n€ 8.677,69\n\naan\n\nRekening-courant directie\n\n€ 50.000\n\nDe omschrijving in het grootboek is: Man fee retour [bedrijf 1] ivm debiteuren prive betaald\n\n [belanghebbende ] B.V. heeft geen inkoopfactuur, bankafschrift of andere bewijzen c.q. bescheiden aangeleverd waaruit blijkt dat deze journaalpost terecht is geboekt dan wel bewijzen\u002Fbescheiden waaruit blijkt dat de dga in privé bedragen heeft betaald voor [belanghebbende ] B.V. (…)”\n\n10. Belanghebbende heeft in de periode van 2011 tot en met 2015 de volgende auto’s gekocht:\n\nAuto\n\nDatum aankoop\n\nKostprijs\n\nAudi A8\n\n4 november 2011\n\n€ 78.979\n\nCitroën DS 3 Cabrio\n\n30 december 2013\n\n€ 17.425\n\nBMW 435D X-Drive Aut 8 Cabrio\n\n13 juni 2015\n\n€ 73.125\n\nFiat 500 Twin Air 80\n\n27 juli 2015\n\n€ 11.138\n\n11. Belanghebbende heeft een herinvesteringsreserve van € 12.985 afgeboekt op de kostprijs van de Audi en de Audi geactiveerd voor € 65.994. Zij heeft de Audi op 10 juni 2015 ingeruild voor de BMW en op die inruil een boekwinst behaald van € 26.269. Belanghebbende heeft ter zake van die boekwinst een herinvesteringsreserve gevormd en die reserve afgeboekt op de kostprijs van de BMW. De BMW is vervolgens geactiveerd voor € 46.269. Belanghebbende is voor alle auto’s uitgegaan van een levensduur van vijf jaar en een restwaarde van nihil.\n\n12. Belanghebbende heeft in de jaren 2014 tot en met 2016 op haar zakelijke rekening maandelijks € 1.500 ontvangen van [bedrijf 1] met als omschrijving “Auto- en onkostenvergoeding”.Vennootschapsbelasting\n\n13. Belanghebbende heeft de volgende aangiften vennootschapsbelasting (Vpb) gedaan:\n\nJaar\n\nBelastbare winst\n\nBelastbaar bedrag\n\n2014\n\n86.701\n\n86.701\n\n2015\n\n21.131\n\n21.131\n\n2016\n\n6.134\n\n6.134\n\n2017\n\n-5.455\n\n-5.455\n\n14. De inspecteur heeft de aanslagen Vpb 2014 tot en met 2017 met respectievelijk dagtekening 30 september 2017, 7 oktober 2017, 9 juni 2018 en 6 juli 2019 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangiften.\n\n14. In het onder 4. genoemde controlerapport wordt medegedeeld dat navorderingsaanslagen Vpb zullen worden opgelegd naar aanleiding van de volgende correcties:\n\nCorrectie\n\n2014 (€)\n\n2015 (€)\n\n2016 (€)\n\n2017 (€)\n\nAfschrijving materiële vaste activa\n\n383\n\n778\n\n2.022\n\n2.022\n\nRente rekening-courant aandeelhouder\n\n937\n\n1.920\n\n2.393\n\nTweede helft debiteurenregeling\n\n20.661\n\nOmzet auto- en onkostenvergoeding\n\n18.000\n\n18.000\n\n18.000\n\nAfschrijvingen vervoermiddelen\n\n452\n\n430\n\n430\n\nKosten motorrijtuigenbelasting [kenteken ]\n\n716\n\n143\n\nKosten douchescherm\n\n619\n\nPrivédeel administratiekosten\n\n200\n\n200\n\nOmzetbelasting privégebruik auto\n\n-6.533\n\n-6.397\n\n-2.243\n\nManagementfee retour\n\n41.322\n\nTotaal correcties\n\n18.383\n\n54.956\n\n38.171\n\n2.945\n\n16. De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 opgelegd met inachtneming van de correcties vermeld in het onderzoeksrapport. Voor die jaren heeft de inspecteur ook correcties toegepast vanwege bedragen die aan [bedrijf 3] in rekening zijn gebracht van respectievelijk € 11.495 en € 9.500. De inspecteur heeft in de beroepsfase deze correcties en de daarbij behorende boetes laten vervallen omdat de bedragen al in 2018 zijn aangegeven en hij heeft de aanslagen ambtshalve verminderd.\n\nOmzetbelasting\n\n17. De inspecteur heeft de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) opgelegd.\n\nDagtekening\n\nTijdvak\n\nBelasting\n\nBelastingrente\n\nVergrijpboete\n\n30\u002F12\u002F2020\n\n01\u002F01\u002F2015 – 31\u002F12\u002F2015\n\n€ 26.002\n\n€ 4.892\n\n29\u002F12\u002F2021\n\n01\u002F01\u002F2016 – 31\u002F12\u002F2016\n\n€ 15.793\n\n€ 2.969\n\n€ 8.092\n\n18. In punt 5.1.1 van het controlerapport staat dat naheffingsaanslagen OB zullen worden opgelegd in verband met de in dat punt genoemde correcties, namelijk:\n\n2015\n\n2016\n\nCorrectie 4.1. Inruil BMW 435D voor Audi A8 TDI\n\n6.734\n\n-\n\nCorrectie 4.2. Omzetbelasting\n\n-\n\n-\n\nCorrectie 4.3. Rekening-courant\n\n-\n\n1.105\n\nCorrectie 4.5. Tweede helft debiteurenregeling\n\n-\n\n4.339\n\nCorrectie 4.6. Auto- en onkostenvergoeding\n\n-\n\n3.780\n\nCorrectie 4.7. Omzet [bedrijf 3]\n\n-\n\n0\n\nCorrectie 4.8. Managementfee retour\n\n8.677\n\n-\n\nCorrectie 4.9. Douchescherm\n\n-\n\n130\n\nCorrectie 4.10. Dubbel geboekte administratiekosten\n\n-\n\n-\n\nCorrectie 4.11. Privédeel administratiekosten\n\n-\n\n42\n\nCorrectie 4.12. Privégebruik auto\n\n6.533\n\n6.397\n\nTotaal na te heffen\n\n21.944\n\n15.793\n\n19. In punt 5.1.1. wordt voorts opgemerkt dat de naheffingsaanslag OB 2015 is opgelegd ter behoud van rechten ter grootte van € 26.002 en dat deze naheffingsaanslag ambtshalve wordt verminderd tot € 21.944.\n\n20. In punt 4.12 van het controlerapport wordt de correctie wegens privégebruik van de auto’s van belanghebbende toegelicht. In die toelichting staat:\n\n“De Citroen met kenteken [kenteken 1] is ter beschikking gesteld aan mevrouw [gemachtigde 2] .\n\nDe BMW met kenteken [kenteken 2] is ter beschikking gesteld aan de heer [gemachtigde 2] .\n\nInzake de fiat met kenteken [kenteken 3] werden tegenstrijdige verklaringen gegeven over wie in deze auto heeft gereden. In eerste instantie zou dat de dochter van de heer [gemachtigde 2] zijn. Later werd aangegeven dat de schoonzus van de heer [gemachtigde 2] in de auto heeft gereden. In 2017 is de berijder in ieder geval mevrouw [naam 2] , de schoonzus van de heer [gemachtigde 2] . In beide gevallen is de auto ter beschikking gesteld.\n\nDe Mercedes Benz met kenteken [kenteken 4] is ter beschikking gesteld aan mevrouw [gemachtigde 2] .\n\nDe Audi A8 met kenteken [kenteken 5] is ter beschikking gesteld aan de heer [gemachtigde 2] .\n\nVoor de jaren 2015 tot en met 2017 corrigeren wij tijdsgelang op basis van het forfait van 2,7%.\n\nBelanghebbende stelt in de reactie d.d. 22 september 2021 dat deze correctie moet worden berekend op basis van de door de belastingplichtige aangeleverde sluitende rittenadministratie, waarbij rekening dient te worden gehouden met de verhouding tussen de zakelijke en privé kilometers, in samenhang met de werkelijk in vooraftrek genomen omzetbelasting.\n\nBelanghebbende houdt echter geen administratie bij van de autokosten per auto. Zo wordt op de grootboekrekening autokosten niet vermeld op welke auto deze kosten betrekking hebben. Bovendien blijkt uit het rapport inzake loonheffingen dat belastingplichtige of geen rittenregistratie heeft aangeleverd (Citroen met kenteken [kenteken 1] en de Fiat met kenteken [kenteken 3] ) of dat de rittenregistratie niet betrouwbaar is (BMW [kenteken 2] , Mercedes-Benz [kenteken 4] , [kenteken 5] )\n\nUit de administratie blijkt dan ook niet in hoeverre de auto’s voor privédoeleinden zijn gebruikt. Omdat niet blijkt in hoeverre de auto’s voor privédoeleinden zijn gebruikt of welke kosten daaraan zijn toe te rekenen is het forfait als uitgangspunt genomen.”\n\n21. In punt 4.12 is de correctie wegens privégebruik auto voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 als volgt berekend:\n\n[afbeelding gepseudonimiseerd]\n\n22. In datzelfde punt is de correctie wegens privégebruik auto voor het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 als volgt berekend:\n\n[afbeelding gepseudonimiseerd]\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n23. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en of de navorderingsaanslagen Vpb 2014 tot en met 2016 en naheffingsaanslagen OB 2015 en 2016 terecht en tot de juiste hoogten zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n24. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot haar oordeel komt en welke gevolgen haar oordeel heeft.\n\nNavorderingsaanslag Vpb 2017\n\n25. Belanghebbende stelt dat de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens belanghebbende was het duidelijk dat zij ook bezwaren had met betrekking tot het jaar 2017, omdat zij bezwaren had ingediend met betrekking tot de andere jaren die in het onderzoek zijn meegenomen. Omdat het onderzoek de periode 2014 tot en met 2017 betrof, is het volgens haar logisch dat de bezwaren betrekking hadden op die hele periode. Dat de navorderingsaanslagen niet tegelijkertijd zijn verzonden kan niet aan belanghebbende worden toegerekend. Voor zover het bezwaarschrift te laat is ontvangen is de termijnoverschrijding volgens haar verschoonbaar gezien de connectie met de andere zaken.\n\n25. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit de overgelegde stukken volgt dat belanghebbende wel afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt tegen de navorderingsaanslagen 2014 tot en met 2016, maar niet tegen de navorderingsaanslag 2017. Uit die bezwaarschriften volgt ook niet dat belanghebbende mede heeft bedoeld bezwaar te maken tegen de navorderingsaanslag 2017. Daaraan doet niet af dat het volgens belanghebbende logisch is dat zij ook bezwaar had tegen de navorderingsaanslag 2017, aangezien voor het maken van bezwaar is vereist dat belanghebbende een bezwaarschrift indienten dat heeft belanghebbende ten aanzien van die navorderingsaanslag niet gedaan. Dat volgens belanghebbende sprake is van connectie met de andere jaren kan ook niet leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarvoor is vereist dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt als gevolg van een niet aan haar toe te rekenen omstandigheid. Belanghebbende heeft zelf niet de vereiste zorgvuldigheid betracht.\n\nInzage in de stukken\n\n27. Belanghebbende stelt dat zij niet in alle stukken inzage heeft gehad, omdat deze niet beschikbaar of bekend waren.\n\n27. Artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) strekt ertoe dat de gegevens die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter - en de wederpartij - beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Indien de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door het bestuursorgaan moet worden overgelegd, dient aan dat verzoek te worden tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is.\n\n29. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen. Belanghebbende heeft, mede gelet op de uitvoerige toelichting van de inspecteur, onvoldoende geconcretiseerd welke stukken die de inspecteur heeft gebruikt bij de voorbereiding van de besluitvorming ontbreken of welke informatie daaruit van belang kan zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. De rechtbank heeft alle geschilpunten kunnen beoordelen aan de hand van de (digitale) stukken die partijen in het geding hebben gebracht.\n\nEindgesprek\n\n30. Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen eindgesprek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek.\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de voorgenomen correcties en het voornemen om boetes op te leggen. Uit de stukken volgt dat belanghebbende (in de persoon van [gemachtigde 2] ) in een e-mail van 11 december 2020 heeft aangegeven dat hij geen prijs meer stelde op een eindgesprek. Daarnaast is het concept-rapport op 10 juni 2021 met begeleidend schrijven aan belanghebbende toegezonden en is belanghebbende in gelegenheid gesteld op de bevindingen in het controlerapport, waaronder het voornemen om boetes op te leggen, te reageren. Op 17 september 2021 is een bespreking over de boetes gepland op 29 september 2021. Belanghebbende heeft vervolgens op 22 september 2021 schriftelijk gereageerd, daarbij is tevens ingegaan op de aangekondigde boetes. Na overleg met belanghebbende is de bespreking van 29 september 2021 komen te vervallen.\n\nMotiveringsbeginsel\n\n32. Belanghebbende stelt dat de navorderingsaanslagen onvoldoende en onjuist zijn gemotiveerd.\n\n32. De inspecteur heeft de stelling van belanghebbende gemotiveerd betwist. Tegenover die betwisting heeft belanghebbende niks aangevoerd. Mede gelet op het controlerapport en de toelichtingen die daarin per correctie zijn opgenomen is de rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur het motiveringsbeginsel niet heeft geschonden.Managementfee retour\n\n34. Belanghebbende stelt dat zij in het verleden door [bedrijf 1] werd verplicht om boven een bepaalde debiteurenstand zelf geld bij te storten op de gemeenschappelijke rekening. [bedrijf 1] kon, zolang uitstaande facturen niet waren voldaan, de opbrengsten uit die facturen namelijk niet gebruiken als bedrijfskapitaal ter betaling van de lopende kosten. Om die reden moesten de vennoten zelf een waarborgsom betalen indien de debiteurenstand een bepaald grens\u002Fpercentage van het totaal overschreed. De waarborgsom werd pas terugbetaald zodra de openstaande facturen werden voldaan. Het betreft daarom een voorschotbetaling. De betaling van € 50.000 houdt verband met de waarborgsom die zij heeft voorgeschoten. Per saldo is met de transactie geen omzet gemaakt.\n\n34. Onder verwijzing naar de memoriaalboeking (punt 9.) stelt de inspecteur dat door de memoriaalboeking een negatief bedrag aan managementfee in aanmerking is genomen. De winst is dus verlaagd met € 41.322. Daarnaast is € 8.677 btw teruggevraagd. Ten slotte is de vordering op [gemachtigde 2] verminderd met € 50.000. Belanghebbende heeft volgens de inspecteur in 2015 een managementfee van [bedrijf 1] ontvangen. [bedrijf 1] heeft geen creditnota gezonden die betrekking heeft op de managementfee en die de memoriaalboeking verklaart.\n\n36. Uit de vastgestelde feiten volgt dat de inspecteur € 50.000 heeft gecorrigeerd in verband met een teruggeboekte management fee. Belanghebbende stelt dat zij die kosten wel daadwerkelijk heeft (terug)betaald. Deze stelling van belanghebbende vindt evenwel geen steun in de feiten. Zo is er geen creditnota die betrekking heeft op de managementfee. Het komt de rechtbank dan ook aannemelijk voor dat overboeking verband houdt met de waarborgsom. Het betreft hier een betaling, waarvan belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze in dit jaar tot aftrek kan leiden. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat zij tot een bedrag van € 50.000 een voorziening kon vormen, kan de rechtbank belanghebbende hierin evenmin volgen. Uit de overgelegde stukken volgt bijvoorbeeld niet dat tussen belanghebbende en [bedrijf 1] is gecorrespondeerd over die vergoeding en dat belanghebbende die betaling verschuldigd was. Ook op andere wijze is niet gebleken dat het waarschijnlijk is dat de uitgaven zich zullen voordoen.\n\nOmzet auto- en onkostenvergoeding\n\n37. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de auto- en onkostenvergoeding ten onrechte tot de winst heeft gerekend. Deze vergoeding was bestemd voor [gemachtigde 2] in privé. Dit is door [bedrijf 1] fiscaal afgestemd met de inspecteur en is door de accountant van [bedrijf 1] bevestigd. Daarnaast is de heffing over de vergoeding verlegd naar [bedrijf 1] . In punt 3.5.2 van het rapport loonheffingen staat “Uit praktische overwegingen hebben wij deze vergoedingen en verstrekkingen in overleg met [bedrijf 1] tot het loon bij de werkmaatschappij [bedrijf 1] gerekend”.\n\n37. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat er een geldstroom is geweest van [bedrijf 1] naar belanghebbende en dat die vergoeding niet bij [bedrijf 1] en evenmin bij belanghebbende in de heffing is betrokken. De rechtbank is van oordeel dat de auto- en onkostenvergoeding daarom terecht tot de winst is gerekend. Aan het controlerapport voor de loonheffingen kan geen vertrouwen worden ontleend, omdat de passage waarnaar belanghebbende verwijst betrekking heeft op een andere vergoeding dan de auto- en onkostenvergoeding. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel gelet op het gestelde overleg tussen [bedrijf 1] en de inspecteur kan dit evenmin slagen. Deze stelling is in het licht van de gemotiveerde betwisting door de inspecteur onvoldoende onderbouwd.\n\nAfschrijvingen vervoermiddelen\n\n39. Belanghebbende stelt dat bij de verkoop van de vervoermiddelen steeds een afwikkeling plaatsvindt met de Belastingdienst, al dan niet met gebruikmaking van de herinvesteringsreserve. Dat er geen restwaarde is gehanteerd bij de afschrijvingen leidt derhalve slechts tot een verschuiving van de belastingheffing. Het is daarnaast niet zeker dat de restwaarde van een auto 10% zou moeten zijn, omdat dat afhangt van de auto en het gebruik daarvan.\n\n39. De bewijslast om de omvang van de afschrijvingen aannemelijk te maken rust op belanghebbende. In die bewijslast is zij niet geslaagd. Belanghebbende heeft niet onderbouwd waarom de auto’s na vijf jaren geen (rest)waarde meer hebben. Dat het niet zeker is dat de restwaarde 10% zal bedragen, is daartoe onvoldoende. Bovendien heeft de inspecteur aan de hand van de inkoop- en verkoopprijzen van de Audi A8 en de BMW Roadster aannemelijk gemaakt dat een restwaarde van 10% zeker niet te hoog is.\n\nOmzet [bedrijf 3]\n\n41. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de omzet [bedrijf 3] ten onrechte tot de winst heeft gerekend.\n\n41. De inspecteur heeft bij het opleggen van de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 tot de belastbare winst mede heeft gerekend omzet [bedrijf 3] van respectievelijk € 11.495 en € 9.500. De inspecteur heeft deze correcties in beroep teruggenomen en de navorderingsaanslagen overeenkomstig ambtshalve verminderd. Daarmee is de vraag of de omzet [bedrijf 3] terecht tot de winst is gerekend niet langer in geschil. Wel zijn de beroepen om die reden gegrond en moeten de belastbare winsten en tevens de belastbaar bedragen van de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 worden verminderd met respectievelijk € 11.495 en € 9.500. De opgelegde boetes moeten eveneens dienovereenkomstig worden verminderd.\n\nNaheffingsaanslagen OB 2015 en 2016: Auto- en onkostenvergoeding\n\n43. Belanghebbende betwist de correctie genoemd in punt 4.6 van het controlerapport, namelijk de correctie met betrekking tot de auto- en onkostenvergoeding. Deze kwestie hoort volgens haar thuis in de loonheffingssfeer en die vergoeding moet worden aangemerkt als een vergoeding die aan [gemachtigde 2] in privé toekomt. In overleg met [bedrijf 1] wordt die vergoeding ook al op het niveau van [bedrijf 1] belast. Om die reden is sprake van een dubbeltelling.\n\n43. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar standpunt en verwijst ter onderbouwing daarvan naar hetgeen zij daarover met betrekking tot de navorderingsaanslagen Vpb heeft overwogen (punt 38).Naheffingsaanslagen omzetbelasting 2015 en 2016: Privégebruik auto\n\n45. Belanghebbende stelt dat de inspecteur ter zake van het privégebruik van verschillende auto’s ten onrechte naheffingsaanslagen heeft opgelegd. Volgens haar is geen sprake geweest van privégebruik. Zij stelt dat voor alle jaren een sluitende kilometeradministratie is aangeleverd, waaruit blijkt dat er nagenoeg niet privé is gereden. Er is alleen sprake geweest van woon-werkverkeer. Een correctie van de omzetbelasting is daarom niet aan de orde. Voor zover een correctie wel aan de orde is moet rekening gehouden worden met de verhouding tussen de zakelijk gereden kilometers en de in privé gereden kilometers in samenhang met de werkelijk in vooraftrek genomen omzetbelasting. Op 12 september 2025 heeft belanghebbende een overzicht verstrekt van de in aftrek gebrachte omzetbelasting. Met deze elementen heeft de inspecteur geen rekening gehouden. Belanghebbende verwijst verder naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017, waaruit volgens haar blijkt dat de omvang van het privégebruik van een bedrijfsauto in beginsel moet berusten op de werkelijke verhouding tussen de categorieën zakelijk\u002Fprivé.\n\n46. De inspecteur heeft de btw die verschuldigd is met betrekking tot de auto’s die tot het bedrijfsvermogen van belanghebbende behoren vastgesteld met toepassing van het Besluit van 11 juli 2012. Uit het controlerapport voor de loonheffingen blijkt dat de onder 22. en 23. genoemde auto’s ter beschikking zijn gesteld en dat er privé mee is gereden. Uit het rapport loonheffingen en het verweerschrift voor de loonheffingen blijkt volgens de inspecteur ook duidelijk dat er geen sluitende kilometeradministratie is bijgehouden. Ten aanzien van het door belanghebbende verstrekte overzicht heeft de inspecteur ter zitting aangegeven dat in de bezwaarfase ook al een overzicht is verstrekt met andere cijfers, dat er geen onderbouwing van de cijfers is, dat hij niet kan vaststellen of de cijfers kloppen, dat hij het overzicht niet betrouwbaar vindt en dat hij verder verwijst naar de correcties die in de loonheffingen zijn aangebracht.\n\n47. Het gebruik van een tot een het bedrijf behorende auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel.De vergoeding waarover vervolgens omzetbelasting verschuldigd is wordt gesteld op de door de ondernemer voor het verrichten van de diensten gemaakte uitgaven.Als uit de kilometeradministratie niet blijkt in hoeverre de auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden is gebruikt en\u002Fof welke kosten daaraan zijn toe te rekenen, is onder voorwaarden onderdeel 2.2 van het Besluit van 11 juli 2012 van toepassing. Daarin is bepaald dat de btw verschuldigd als gevolg van de toepassing van artikel 4, tweede lid, letter a, van de Wet OB wordt vastgesteld op 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm) van de desbetreffende auto.\n\n48. In het door belanghebbende genoemde arrest (punt 45.) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omvang van het privégebruik niet uitsluitend is vast te stellen aan de hand van een kilometeradministratie. Ingeval de administratie van een ondernemer geen gegevens bevat waaruit is af te leiden in hoeverre een goed voor privédoeleinden is gebruikt, moet de omvang van het privégebruik met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid worden bepaald. Bij deze beoordeling moeten omstandigheden in aanmerking worden genomen zoals de aard van de onderneming, de zakelijke doeleinden waarvoor het aangeschafte goed binnen die onderneming bruikbaar is, alsmede de positie en de werkzaamheden binnen de onderneming van degene die het goed gebruikt, en voorts hetgeen bekend is omtrent de wijze waarop het goed voor privédoeleinden mag worden gebruikt of is gebruikt zoals bijvoorbeeld voor woonwerkverkeer. Wanneer een beroep wordt gedaan op statistische gegevens, dient aan de hand van omstandigheden als hiervoor vermeld aannemelijk te worden gemaakt dat deze gegevens in het desbetreffende geval bruikbaar zijn.\n\n49. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de correctie wegens privégebruik van de auto’s terecht vastgesteld op basis van het Besluit. Uit het rapport loonheffingen, volgt dat belanghebbende weliswaar voor twee auto’s, te weten de Audi en de BMW, een rittenadministratie in Black Box heeft bijgehouden, maar dat deze later handmatig is aangepast. Voor de overige drie auto’s is geen rittenadministratie bijgehouden en heeft belanghebbende wisselende verklaringen afgelegd omtrent het gebruik. Dat [gemachtigde 2] , noch zijn echtgenote in privé gebruik maken van de auto’s acht de rechtbank, mede gelet op het ontbreken van een auto in privé bij beiden, niet aannemelijk. De door belanghebbende verstrekte overzichten zijn, gelet op het ontbreken van een toelichting, op het moment dat zij zijn overgelegd en op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet bruikbaar.\n\nZijn aan belanghebbende terecht boetes opgelegd?\n\nWettelijk kader\n\n50. Ingevolge artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Ingevolge artikel 67f van de AWR kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet is betaald.\n\n51. In paragraaf 28, zesde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) is bepaald dat indien de bijtelling in verband met privégebruik niet heeft plaatsgevonden, de inspecteur een boete oplegt van 40% in geval van grove schuld en 80% in geval van opzet. In paragraaf 28, zevende lid, van het BBBB staat dat de boete indien sprake is van een onjuiste of onvolledige rittenadministratie wordt verhoogd naar 100% van de grondslag.\n\n52. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 8 april 2022⁷ dienen bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dat geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd, de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) . Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond. De stelplicht met betrekking tot die feiten en omstandigheden rust op de inspecteur, die deze vervolgens overtuigend zal moeten aantonen voor zover zijn stellingen worden betwist. Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.Daarvoor moet vaststaan (i) dat hij wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).\n\nVergrijpboetes Vpb en OB\n\n53. Bij beschikking zijn de volgende vergrijpboetes Vpb opgelegd:\n\nVpb 2015\n\nOmzet [bedrijf 3] 50% van 20% van € 9.500 = € 950\n\nAuto-\u002Fonkostenvergoeding 50% van 20% van € 18.000 = € 1.800\n\nManagementfee retour 25% van 20% van € 41.322 = € 2.066\n\nVpb 2016\n\nAuto-\u002Fonkostenvergoeding 50% van 20% van € 18.000 = € 1.800\n\nTweede helft debiteurenregeling 25% van € 4.034 = € 1.008\n\nOmdat de correctie [bedrijf 3] is vervallen, is ook de daarbij behorende boete vervallen. Volgens de inspecteur moet de boete in verband met “Managementfee retour” tevens worden verminderd met € 104 tot € 1.962.\n\n54. Bij beschikking is de volgende vergrijpboete OB 2016 opgelegd:\n\nAuto-\u002Fonkostenvergoeding 50% van € 3.780 = € 1.890\n\nPrivégebruik auto 80% van € 6.397 = € 5.117\n\nTweede helft debiteurenregeling 25% van €4.334 = € 1.085\n\n55. Belanghebbende stelt dat de inspecteur voor de jaren 2015 en 2016 ten onrechte vergrijpboetes Vpb en OB heeft opgelegd. Hij heeft voor beide middelen de volgende gronden aangevoerd en de inspecteur heeft op deze gronden gereageerd.\n\nUna via en ne bis in idem\n\n56. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur handelt in strijd met het una via-beginsel en ne bis in idem-beginsel.\n\n57. Het una via-beginsel vindt zijn grondslag vindt in artikel 5:44 van de Awb. Op grond van die bepaling legt de inspecteur geen bestuurlijke boete op indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd. Uit het dossier volgt niet dat belanghebbende strafrechtelijk is\u002Fwordt vervolgd. Van schending van het una via beginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.\n\n58. Het ne bis in idem-beginsel vindt zijn grondslag in artikel 5:43 van de Awb. Op grond van die bepaling legt de inspecteur niet wegens dezelfde overtreding meerdere bestuurlijke boetes op. Uit het dossier volgt niet dat aan belanghebbende voor 2015 en 2016 andere bestuurlijke boetes zijn opgelegd dan de vergrijpboetes. Van schending van het ne bis in idem beginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Op cumulatie van de boetes zal hierna worden ingegaan.\n\nOnschuldpresumptie en nemo tenetur\n\n59. De vergrijpboete is volgens belanghebbende in strijd met het arrest Melo Tadeauopgelegd. Het uitgangspunt is de onschuldpresumptie. De inspecteur heeft die presumptie geschonden, omdat de inspecteur al bij het tweede gesprek uitging van schuld\u002Fverwijt. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur ook het nemo tenetur-beginsel geschonden, omdat niemand gehouden is bewijs tegen zichzelf te regelen. Belanghebbende is ondervraagd door de inspecteur, de heer [naam 3] , zonder voorafgaande melding en zonder belanghebbende te wijzen op het zwijgrecht. Vervolgens heeft de inspecteur een verdenking geuit en heeft hij besloten om het onderzoek uit te breiden. Het materiaal dat is verkregen is wilsafhankelijk materiaal. Dat materiaal is dus ten onrechte verkregen en mag niet worden meegenomen in de beoordeling of de vergrijpboete terecht is opgelegd.\n\n60. De inspecteur stelt dat de heer [naam 3] niet belast is geweest met het onderzoek in de Vpb en evenmin bij het vaststellen van de boeten in de Vpb en OB. Dit was de heer [gemachtigde 4] . De informatie waarop de boetes zijn gebaseerd, betreft volgens de inspecteur allemaal wilsonafhankelijke informatie. Het gaat hierbij om facturen, boekingen in de administratie, etc. Deze informatie betreft informatie die de belanghebbende op grond van artikel 47 van de AWR dient te verstrekken. Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat het nemo tenetur beginsel niet in de weg staat aan de verplichting om informatie te verschaffen voor een juiste belastingheffing.\n\n61. Naar het oordeel van de rechtbank is het Melo Tadeau-arrest niet van toepassing, omdat het arrest slechts van belang is wanneer zich een samenloop voordoet tussen een strafrechtelijke uitspraak en een fiscale procedure. Zoals eerder opgemerkt is belanghebbende niet strafrechtelijk vervolgd.\n\n62. De Hoge Raad heeft in het arrest van 8 augustus 2014het volgende overwogen:\n\n“2.4. (…)\n\nDit brengt mee dat de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal op grond van een wettelijke informatieverplichting (…) ter zake daarvan geen schending van artikel 6 opleveren, (…)\n\n2.5.\n\nVoor zover sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (hierna: wilsafhankelijk materiaal), geldt het volgende. Voorop staat dat de verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal tevens in verband met een “criminal charge” tegen de belastingplichtige zal worden gebruikt (vgl. EHRM 3 mei 2001, no. 31827\u002F96, J.B. tegen Zwitserland, BNB2002\u002F26), zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter in de vereiste waarborgen te voorzien. (...)”\n\n63. Voor zover door belanghebbende stukken uit de administratie heeft verstrekt, is sprake van wilsonafhankelijk materiaal en is het nemo tenetur- beginsel niet van toepassing.\n\nIn het controlerapport wordt ten aanzien van het privégebruik auto verwezen naar het rapport loonheffingen. Uit het rapport loonheffingen\n\nvolgt dat op 29 oktober 2018 een inleidend gesprek is gevoerd met de heer [gemachtigde 2] . In dat gesprek heeft [gemachtigde 2] over het privégebruik van de aanwezige auto’s een verklaring gegeven. Op 30 november 2018 heeft belanghebbende ordners met bankgegevens en rittenadministraties verstrekt. Op 30 november 2018 heeft de heer [naam 1] per e-mail aangegeven welke bijtelling voor privégebruik auto is toegepast en -voor zover bekend- welke auto’s het betreft. Tevens heeft de heer [naam 1] bericht omtrent de aanwezige auto’s en het gebruik. Op pagina 5 van het rapport is het volgende vermeld: “De aangeleverde rittenregistraties leverden de nodige vragen op”. De heer [gemachtigde 2] heeft op 10 december 2018 verklaard dat zijn vrouw in beide Mercedessen heeft gereden. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring Van de heer [gemachtigde 2] van 10 november 2018 en de verklaringen daarna als wilsafhankelijk materiaal moeten worden aangemerkt. Dat de verklaringen zijn afgelegd in het kader van het onderzoek naar de loonheffingen maakt dat niet anders, voor zover de verklaringen ook zijn gebruikt in het kader van het opleggen van de boete ten aanzien van het privégebruik auto voor de OB. Gelet op hetgeen op pagina 5 van het controlerapport is vermeld, had het op de weg van de inspecteur gelegen om belanghebbende op dat moment te wijzen op de gerezen twijfels en de mogelijke gevolgen daarvan, namelijk de mogelijkheid dat boetes zouden worden opgelegd. Op de gevolgen hiervan zal hierna worden ingegaan.\n\nBoete Vpb 2015 en 2016 en OB 2016: auto-\u002Fonkostenvergoeding\n\n64. De inspecteur stelt dat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , wist dat de vergoeding voor belanghebbende en niet voor [gemachtigde 2] bestemd was. Dat een medewerker van [bedrijf 1] een andersluidende verklaring zou hebben gegeven acht de inspecteur niet aannemelijk. Door de fiscale verwerking, te weten het verwerken van de vergoeding in rekening-courant met de aandeelhouder in plaats van als omzet, aan de administrateur voor te schrijven, heeft belanghebbende zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven. Subsidiair is sprake van grove schuld, omdat belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten of kunnen begrijpen dat haar handelen zou kunnen leiden tot het heffen van te weinig belasting. Dit geldt temeer gelet op de bij belanghebbende aanwezige kennis van het fiscale recht.\n\n65. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur er in geslaagd overtuigend aan te tonen dat bij belanghebbende sprake was van opzet. Daarbij is van belang dat de bewijslast dat sprake was van opzet op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat zij niet heeft geweten dat het door haar behaalde resultaat niet in de heffing zou moeten worden betrokken. Belanghebbende heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de vergoedingen daadwerkelijk aan [gemachtigde 2] toekwamen. De enkele door de administrateur afgelegde verklaring maakt dat niet anders omdat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , wist dat deze verklaring niet kon kloppen. Door desalniettemin de administrateur de opdracht te geven de vergoedingen in rekening-courant met de aandeelhouder te verwerken, heeft belanghebbende geweten dat te weinig belasting zou worden geheven. Onder deze omstandigheden is het aan de opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven.\n\n66. De rechtbank beoordeelt tevens of de boetes moeten worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boetes zijn aangekondigd in het conceptrapport van 10 juni 2020, waardoor de redelijke termijn op dat moment is gaan lopen. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boetes met 15% geboden. Dat betekent dat de boete Vpb 2015 moet worden verminderd tot € 1.530 , de boete Vpb 2016 moet worden verminderd tot € 1.530 en de boete OB 2016 tot €1.606.\n\nBoete Vpb 2015 managementfee retour\n\n67. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van grove schuld. Aangezien aan de memoriaalboeking geen facturen, bankafschriften of andere bescheiden ten grondslag liggen, is het volgens de inspecteur uitgesloten dat de administrateur deze boeking op eigen initiatief is gemaakt. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om aan de administrateur duidelijke instructies te geven over de boeking. Nu hij dit heeft verzuimd, is sprake van grove schuld.\n\n68. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van grove schuld. Omdat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , zich als fiscaal advocaat had kunnen realiseren dat de managementfee slechts mocht worden teruggeboekt als onderliggende stukken, zoals creditnota’s van [bedrijf 1] en\u002Fof betalingen door [gemachtigde 2] namens belanghebbende aan [bedrijf 1] , daartoe aanleiding gaven, maar zich verder niet de moeite heeft getroost de onderliggende stukken te vergaren en zich ook verder niet heeft vergewist van de juistheid van haar handelwijze, had zij redelijkerwijs kunnen begrijpen dat haar gedrag tot gevolg zou kunnen hebben dat te weinig belasting zou worden geheven.\n\n69. De rechtbank beoordeelt tevens of de boetes moeten worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boetes zijn aangekondigd in het conceptrapport van 10 juni 2020, waardoor de redelijke termijn op dat moment is gaan lopen. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boetes met 15% geboden. Dat betekent dat de boete Vpb 2015 moet worden verminderd tot € 1.667 (85% van € 1.962).\n\nBoete Vpb en OB 2016 tweede helft debiteurenregeling\n\n70. De inspecteur stelt dat sprake is van grove schuld. Door de onder punt 7. vermelde boeking is de winst verlaagd met € 20.661, terwijl aan de boeking geen facturen of andere bescheiden ten grondslag liggen. Bij de bankafschrijving staat “afl. lening”. Dit kan volgens de inspecteur niets anders betekenen dan “aflossing lening”. De inspecteur acht het uitgesloten dat de administrateur dit op eigen houtje op de winst- en verliesrekening heeft geboekt, dit moet op initiatief van belanghebbende zijn gebeurd. De verklaring van belanghebbende dat de boeking in overleg met [bedrijf 1] is geschied en op basis van een creditnota, acht de inspecteur niet aannemelijk.\n\n71. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van grove schuld. Omdat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , zich als fiscaal advocaat had kunnen realiseren dat de managementfee slechts mocht worden teruggeboekt als onderliggende stukken, zoals creditnota’s van [bedrijf 1] , daartoe aanleiding gaven, maar zich verder niet de moeite heeft getroost de onderliggende stukken te vergaren en zich ook verder niet heeft vergewist van de juistheid van haar handelwijze, had zij redelijkerwijs kunnen begrijpen dat haar gedrag tot gevolg zou kunnen hebben dat te weinig belasting zou worden geheven.\n\n72. De rechtbank beoordeelt tevens of de boetes moeten worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boetes zijn aangekondigd in het conceptrapport van 10 juni 2020, waardoor de redelijke termijn op dat moment is gaan lopen. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boetes met 15% geboden. Dat betekent dat de boete Vpb 2016 moet worden verminderd tot € 856 en de boete OB 2016 moet worden verminderd tot € 922.\n\nBoete OB privégebruik auto\n\n73. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende meerdere auto’s voor privédoeleinden ter beschikking heeft gesteld aan [gemachtigde 2] en zijn familieleden. Uit het rapport loonheffingen volgt dat belanghebbende weliswaar voor twee auto’s, te weten de Audi en de BMW een rittenadministratie in Black Box heeft bijgehouden, maar dat deze later handmatig zijn aangepast, dat voor de resterende auto’s geen rittenadministratie is bijgehouden en dat de rittenadministraties meerdere malen door belanghebbende zijn aangepast. Voorts heeft de inspecteur meerdere omissies in de rittenadministraties vastgesteld en aangetoond dat op jaarbasis met meerdere auto’s meer dan 500 kilometer in privé is gereden. Door deze handelwijze kan naar het oordeel van het rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat [gemachtigde 2] zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat met betrekking tot de ter beschikking gestelde auto’s ten onrechte geen loonheffing ter zake van het privégebruik zou worden geheven en dat hij dat gevolg niettemin bewust heeft aanvaard. Van belang is daarbij tevens dat [gemachtigde 2] zelf heeft verklaard dat hij werkzaamheden als fiscaal jurist verricht. Derhalve is sprake van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van belanghebbende. De stelling van belanghebbende dat hij zelf geen inhoudelijke administratieve handelingen heeft verricht strookt niet met de verklaring van [gemachtigde 2] tijdens het inleidend gesprek bij het boekenonderzoek, namelijk dat hij zelf de input levert voor de financiële administratie en de loonadministratie. De in punt 64. geconstateerde schending van het nemo tenetur-beginsel heeft geen gevolgen voor de boete omdat de boeteoplegging voornamelijk is gebaseerd op verklaringen van de boekhouder en andere bij het onderzoek verkregen informatie, zoals de agenda en de bekeuringen. De inspecteur heeft, gelet op het bepaalde in artikel 67f van de AWR, mitsdien terecht een vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd. Anders dan belanghebbende stelt kan voor elk jaar en voor meerdere middelen een boete worden opgelegd. De rechtbank ziet daarin wel aanleiding om de boete van 80% naar 25% te verlagen. Daarmee is tevens voldoende rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De boete wordt dus verminderd van € 5.117 met € 3.518 tot een bedrag van € 1.599.\n\nBelastingrente\n\n74. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Omdat de beroepen inzake de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 gegrond zijn in verband met het vervallen van de correcties [bedrijf 3] , moeten de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig worden verminderd. De beschikkingen belastingrente inzake de navorderingsaanslagen Vpb 2014 tot en met 2016 moeten eveneens worden verminderd overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n75. Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van de door haar geleden immateriële schade in verband met de lange behandelingsduur van haar zaken.\n\n76. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016en 14 juni 2024. Op grond van het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen.\n\n77. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat voor alle zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar moet worden gehanteerd. Omdat de rechtsmiddelen niet tegelijkertijd zijn aangewend rekent de rechtbank voor de mate van overschrijding van de redelijke termijn vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dat is in dit geval het bezwaar van 29 december 2020 tegen de navorderingsaanslag Vpb 2014. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is afgerond 66 maanden. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met 42 maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 3.500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur is van 7 december 2023. Dit is langer dan de termijn van zes maanden die voor hem geldt. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 2.500 (30\u002F42 x € 3.500). aan belanghebbende te vergoeden. De Staat moet het resterende bedrag vergoeden, namelijk € 1.000 (12\u002F42 x € 3.500).\n\n Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\nConclusie en gevolgen\n\n78. De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar inzake de Vpb over de jaren 2014 tot en met 2016 zijn gegrond. De navorderingsaanslag Vpb 2014 wordt verminderd tot naar een belastbare winst van (€ 116.579 -\u002F- € 11.495=) € 105.084. De navorderingsaanslag Vpb 2015 wordt verminderd tot naar een belastbare winst van (€ 87.880 -\u002F- € 9.500=) € 78.380. De beschikkingen belastingrente worden dienovereenkomstig verminderd. De vergrijpboete Vpb 2015 wordt verminderd tot € 1.667. De vergrijpboete 2016 wordt verminderd tot € 2.386. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de Vbp over het jaar 2017 is ongegrond. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de OB over het jaar 2016 is gegrond, uitsluitend voor zover het boete betreft. De rechtbank vermindert de boete tot een bedrag van € 4.127. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de OB over het jaar 2015 is ongegrond. Omdat de beroepen (deels) gegrond zijn, krijgt belanghebbende een vergoeding van haar griffierecht. Ook moet de inspecteur de door haar gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt die vergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4.800 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1,5 vanwege vier of meer samenhangende zaken).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2014 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvermindert de navorderingsaanslag Vpb 2014 tot naar een belastbare winst van € 105.084;\n\nbepaalt dat de beschikking belastingrente overeenkomstig wordt verminderd;\n\nverklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2015 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvermindert de navorderingsaanslag Vpb 2015 tot naar een belastbare winst van € 78.380;\n\nbepaalt dat de beschikking belastingrente overeenkomstig wordt verminderd;\n\nvermindert de vergrijpboete Vpb 2015 tot € 1.667;\n\nverklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2016 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar, maar uitsluitend voor zover het de boete betreft;\n\nvermindert de vergrijpboete Vpb 2016 tot € 2.386;\n\nverklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag OB voor het jaar 2016 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar, maar uitsluitend voor zover het de boete betreft;\n\nvermindert de vergrijpboete OB 2016 tot € 4.127;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde (delen van de) uitspraken op bezwaar;\n\nverklaart de beroepen voor het overige ongegrond;\n\nveroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2.500;\n\nveroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;\n\nveroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 4.800;\n\nbepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 371 vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en mr. R. van der Struijk, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.\n\nUitgesproken op 1 juli 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 6:4 van de Awb.\n\n Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.\n\n³ ECLI:NL:HR:2017:711\n\n Nr. BLKB 2012\u002F639M, Staatscourant 2012, 14822.\n\n⁵ Artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).\n\n⁶ Artikel 8, zevende lid, van de Wet OB.\n\n⁷ ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n EVRM 23 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510.\n\n EHRM 10 september 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0910DEC00765401.\n\n ECLI:NL:HR:2014:2144.\n\n ECLI:NL:HR:2026:59.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n ECLI:NL:HR:2024:853.\n\n Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5191","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:27.623Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":56,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":58},"1343","ECLI:NL:RBGEL:2026:5169","ecli-nl-rbgel-2026-5169","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F3061 en 24\u002F4796\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 1 juli 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [vestigingsplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 december 2023 en 22 januari 2024.\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 11 december 2021 een navorderingsaanslag Vpb 2016 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 30.868 en gelijktijdig een belastingrentebeschikking genomen van € 237 en een vergrijpboete opgelegd van € 490.\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 29 december 2021 een naheffingsaanslag OB over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 15.885 en gelijktijdig een belastingrentebeschikking genomen van € 2.351 en een vergrijpboete opgelegd van € 5.345.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van 21 december 2021 tegen de navorderingsaanslag Vpb 2016 met dagtekening 7 december 2023 gegrond verklaard en de navorderingsaanslag, belastingrentebeschikking en vergrijpboete vernietigd.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van 31 december 2021 tegen de naheffingsaanslag OB met dagtekening 22 januari 2024 gegrond verklaard, het te betalen bedrag verminderd met € 2.066 tot € 13.819, de vergrijpboete verminderd met € 1.033 tot € 4.312 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde en mr. [gemachtigde 2] en, namens de inspecteur, mr. drs. [gemachtigde 3] , drs. [gemachtigde 4] , mr. [gemachtigde 5] , [gemachtigde 6] en mr. [gemachtigde 7] .\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is opgericht op 5 december 2016 en is een 100% dochtervennootschap van [belanghebbende] ( [belanghebbende] )., waarvan de enig aandeelhouder en bestuurder was de heer [gemachtigde 2] .\n\n2. Tot eind 2016 was de bestuurder van [belanghebbende] namens [belanghebbende] werkzaam voor het advocatenkantoor van [bedrijf] . Vanaf 2017 was de bestuurder namens belanghebbende werkzaam voor [bedrijf] .\n\nNavorderingsaanslag Vpb 2016\n\n3. Belanghebbende heeft aangifte Vpb 2016 gedaan over een verlengd boekjaar van 5 december 2016 tot en met 31 december 2017 naar een belastbare winst en tevens belastbaar bedrag van € 25.103.\n\n4. De inspecteur heeft de aanslag Vpb 2016 overeenkomstig de aangifte opgelegd en gelijktijdig een belastingrentebeschikking genomen naar een te betalen bedrag van € 400.\n\n5. De inspecteur heeft met dagtekening 11 december 2021 een navorderingsaanslag Vpb 2016 opgelegd naar een belastbare winst en tevens belastbaar bedrag van € 30.868 en gelijktijdig opgelegd een vergrijpboete van € 490 en een belastingrentebeschikking genomen naar een te betalen bedrag van € 237.\n\n6. De inspecteur is bij uitspraak op bezwaar volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar en heeft de navorderingsaanslag Vpb 2016 en de gelijktijdig opgelegde vergrijpboete en genomen belastingrentebeschikking vernietigd. Hij heeft een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend. In de uitspraak op bezwaar is het volgende vermeld omtrent het terugnemen van de correctie:\n\n “(…) In het boekenonderzoek is aangegeven dat [belanghebbende] in het jaar 2017 uren heeft gemaakt voor een cliënt die ten onrechte niet als omzet of als onderhanden werk zijn aangegeven. Daarnaast is in het boekenonderzoek aangegeven dat de cliënt waarvoor de uren zijn gemaakt een auto ter beschikking heeft gesteld aan [belanghebbende] Het gebruik van de auto door [belanghebbende] is verrekend met de gemaakte uren voor deze cliënt.\n\nIk ben van mening dat in het boekenonderzoek voldoende aannemelijk is gemaakt dat [belanghebbende] uren heeft gemaakt voor de betreffende cliënt en dat zij deze uren niet heeft gefactureerd. Ook is naar mijn mening aannemelijk gemaakt dat er een auto ter beschikking is gesteld door cliënt aan [belanghebbende] en\u002Fof de heer en mevrouw [gemachtigde 2] . Tijdens het behandelen van uw bezwaarschrift heb ik geconstateerd dat [belanghebbende] en de heer [naam] en zijn vennootschappen overeengekomen zijn om de verrekening van de vordering van [belanghebbende] en het ter beschikking stellen van de auto met gesloten beurzen af te wikkelen. Hierdoor is, per saldo geen sprake van een te belasten winst in [belanghebbende] De in het boekenonderzoek toegepaste correctie ad € 5.765 kan dan ook niet in stand blijven. (…)”\n\nNaheffingsaanslag OB\n\n7. De inspecteur heeft onderzoek gedaan naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017. De bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport.\n\n8. Hoofdstuk 4 van het controlerapport bevat correcties die betrekking hebben op de omzetbelasting. Punt 4.12 van het controlerapport bevat de correcties voor de omzetbelasting met betrekking tot het privégebruik van de auto. Daarin staat:\n\n[afbeelding gepseudonimiseerd]\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n9. De rechtbank beoordeelt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslag Vpb 2016 en naheffingsaanslag OB 2017. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n10. Belanghebbende voert aan dat in verband met de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2016 ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding is toegekend en dat de naheffingsaanslag OB 2017 te hoog is vastgesteld.\n\n11. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding en dat de naheffingsaanslag OB 2017 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nIntegrale proceskostenvergoeding\n\n12. Belanghebbende stelt dat de inspecteur bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding na de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2016 ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding heeft toegekend. Volgens haar was het van tevoren al duidelijk dat de correcties waarop de navorderingsaanslag was gebaseerd geen stand konden houden.\n\n12. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat door de inspecteur geen aanslag is opgelegd tegen beter weten in en dat evenmin door de inspecteur in de aanslagregelende\n\nfase of de bezwaarfase onzorgvuldig is gehandeld. Zo al onzorgvuldig is gehandeld –\n\nhetgeen hij betwist – is dit handelen niet zodanig onzorgvuldig dat dit een\n\nintegrale vergoeding van de kosten rechtvaardigt.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank is voor een integrale proceskostenvergoeding geen plaats omdat eerst in de bezwaarfase duidelijk is geworden dat de correctie van € 5.765 (zie 6.) geen stand kon houden, omdat toen pas is gebleken dat belanghebbende en de client beoogden de door belanghebbende gemaakte uren te verrekenen met de terbeschikkingstelling door client van een auto aan belanghebbende. Van een handelen tegen beter weten in of verregaande onzorgvuldigheid is geen sprake. De rechtbank wijst het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding af.\n\nNaheffingsaanslag OB\n\n15. Belanghebbende stelt dat de inspecteur ter zake van het privégebruik van verschillende auto’s ten onrechte naheffingsaanslagen heeft opgelegd. Volgens haar is geen sprake geweest van privégebruik. Zij stelt dat voor alle jaren een sluitende kilometeradministratie is aangeleverd, waaruit blijkt dat er nagenoeg niet privé is gereden. Er is alleen sprake geweest van woon-werkverkeer. Een correctie van de omzetbelasting is daarom niet aan de orde. Voor zover een correctie wel aan de orde is moet rekening gehouden worden met de verhouding tussen de zakelijk gereden kilometers en de in privé gereden kilometers in samenhang met de werkelijk in vooraftrek genomen omzetbelasting. Op 12 september 2025 heeft belanghebbende een overzicht verstrekt van de in aftrek gebrachte omzetbelasting. Met deze elementen heeft de inspecteur, aldus belanghebbende, geen rekening gehouden. Belanghebbende verwijst verder naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017, waaruit volgens haar blijkt dat de omvang van het privégebruik van een bedrijfsauto in beginsel moet berusten op de werkelijke verhouding tussen de categorieën zakelijk\u002Fprivé.\n\n16. De inspecteur heeft de btw die verschuldigd is met betrekking tot de auto’s die tot het bedrijfsvermogen van belanghebbende behoren vastgesteld met toepassing van het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 11 juli 2012. Uit het controlerapport voor de loonheffingen blijkt dat de onder 12. genoemde auto’s ter beschikking zijn gesteld en dat er privé mee is gereden. Uit het controlerapport en het verweerschrift voor de loonheffingen blijkt volgens de inspecteur ook duidelijk dat er geen sluitende kilometeradministratie is bijgehouden. Ten aanzien van het door belanghebbende verstrekte overzicht heeft de inspecteur ter zitting aangegeven dat in de bezwaarfase ook al een overzicht is verstrekt met andere cijfers, dat er geen onderbouwing van de cijfers is, dat hij niet kan vaststellen of de cijfers kloppen, dat hij het overzicht niet betrouwbaar vindt en dat hij verder verwijst naar de correcties die in de loonheffingen zijn aangebracht.\n\n17. Het gebruik van een tot een het bedrijf behorende auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel.De vergoeding waarover vervolgens omzetbelasting verschuldigd is wordt gesteld op de door de ondernemer voor het verrichten van de diensten gemaakte uitgaven.Als uit de kilometeradministratie niet blijkt in hoeverre de auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden is gebruikt en\u002Fof welke kosten daaraan zijn toe te rekenen, is onder voorwaarden onderdeel 2.2 van het Besluit van 11 juli 2012 van toepassing. Daarin is bepaald dat de btw verschuldigd als gevolg van de toepassing van artikel 4, tweede lid, letter a, van de Wet OB wordt vastgesteld op 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm) van de desbetreffende auto.\n\n18. In het door belanghebbende genoemde arrest (punt 15) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omvang van het privégebruik niet uitsluitend is vast te stellen aan de hand van een kilometeradministratie. Ingeval de administratie van een ondernemer geen gegevens bevat waaruit is af te leiden in hoeverre een goed voor privédoeleinden is gebruikt, moet de omvang van het privégebruik met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid worden bepaald. Bij deze beoordeling moeten omstandigheden in aanmerking worden genomen zoals de aard van de onderneming, de zakelijke doeleinden waarvoor het aangeschafte goed binnen die onderneming bruikbaar is, alsmede de positie en de werkzaamheden binnen de onderneming van degene die het goed gebruikt, en voorts hetgeen bekend is omtrent de wijze waarop het goed voor privédoeleinden mag worden gebruikt of is gebruikt zoals bijvoorbeeld voor woonwerkverkeer. Wanneer een beroep wordt gedaan op statistische gegevens, dient aan de hand van omstandigheden als hiervoor vermeld aannemelijk te worden gemaakt dat deze gegevens in het desbetreffende geval bruikbaar zijn.\n\n19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de correctie wegens privégebruik van de auto’s terecht vastgesteld op basis van het Besluit. Uit het rapport voor de loonheffingen volgt dat belanghebbende weliswaar voor twee auto’s, te weten de Audi en de BMW een rittenadministratie in Black Box heeft bijgehouden, maar dat deze later handmatig zijn aangepast. Voor de overige drie auto’s is geen rittenadministratie bijgehouden en heeft belanghebbende wisselende verklaringen afgelegd omtrent het gebruik. Dat [gemachtigde 2] , noch zijn echtgenote in privé gebruik maken van de auto’s acht de rechtbank, mede gelet op het ontbreken van een auto in privé bij beiden, niet aannemelijk. De door belanghebbende verstrekte overzichten zijn, gelet op het ontbreken van een toelichting, op het moment dat zij zijn overgelegd en gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet bruikbaar.\n\nVergrijpboete\n\n20. Ingevolge artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet is betaald. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat aanvankelijk niet is betaald, door opzet of grove schuld van de belastingplichtige.\n\n20. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 8 april 2022dienen bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dat geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd, de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond.De stelplicht met betrekking tot die feiten en omstandigheden rust op de inspecteur, die deze vervolgens overtuigend zal moeten aantonen voor zover zijn stellingen worden betwist.Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dat dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.\n\n22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende meerdere auto’s voor privédoeleinden ter beschikking heeft gesteld aan [gemachtigde 2] en zijn familieleden. Dit volgt ook uit de door [gemachtigde 2] en zijn boekhouder gegeven verklaringen. Vaststaat dat slechts voor 1 auto (BMW Cabrio [kenteken] ) in Black Box in de periode tot en met 1 november 2018 een rittenadministratie is bijgehouden, dat voor de resterende periode en de resterende auto’s geen rittenadministratie is bijgehouden en dat de rittenadministraties meerdere malen door belanghebbende zijn aangepast. Voorts heeft de inspecteur meerdere omissies in de rittenadministraties vastgesteld en aangetoond dat op jaarbasis met meerdere auto’s meer dan 500 kilometer in privé is gereden. Door deze handelwijze kan naar het oordeel van het rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat belanghebbende zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat met betrekking tot de ter beschikking gestelde auto’s ten onrechte geen omzetbelasting ter zake van het privégebruik zou worden geheven en dat hij dat gevolg niettemin bewust heeft aanvaard. Van belang is daarbij tevens dat [gemachtigde 2] zelf heeft verklaard dat hij werkzaamheden als fiscaal jurist verricht. Derhalve is sprake van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van belanghebbende. De stelling van belanghebbende dat hij zelf geen inhoudelijke administratieve handelingen heeft verricht strookt niet met de verklaring van [gemachtigde 2] tijdens het inleidend gesprek bij het boekenonderzoek, namelijk dat hij zelf de input levert voor de financiële administratie en de loonadministratie. Van schending van het nemo tenetur-beginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake omdat de boete niet uitsluitend is gebaseerd op de door belanghebbende afgelegde verklaringen, maar ook op verklaringen van de boekhouder en andere bij het onderzoek verkregen informatie, zoals de agenda en de bekeuringen. De inspecteur heeft, gelet op het bepaalde in artikel 67f van de AWR, mitsdien terecht een vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd. Anders dan belanghebbende stelt kan voor elk jaar een boete worden opgelegd. De rechtbank ziet daarin wel aanleiding om de boete van 80% naar 25% te verlagen voor zover de boete ziet op het privégebruik van de auto. Deze boete wordt dan 25% van € 2.243= € 560. De totale boete is dan € 4.312 -\u002F- € 1.234 = € 3.078. Daarmee is tevens voldoende rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De boete wordt dus verminderd tot een bedrag van € 3.078.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n23. Belanghebbende heeft ter zitting een vergoeding verzocht voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.\n\n23. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016en 14 juni 2024. Op grond van het aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen.\n\n25. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaken in hoofdzaak niet betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat in beginsel per zaak afzonderlijk moet worden beoordeeld of recht bestaat op een immateriële schadevergoeding.\n\n25. De rechtbank stelt ter zake van de procedure die ziet op de navorderingsaanslag Vpb 2016 vast dat belanghebbende op 21 december 2021 bezwaar heeft gemaakt en dat de inspecteur aan dat bezwaar volledig tegemoet is gekomen en de navorderingsaanslag en de gelijktijdig genomen belastingrentebeschikking en opgelegde vergrijpboete heeft vernietigd. De door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie wordt dus geacht ten einde te zijn gekomen op het moment dat de inspecteur op het bezwaar heeft beslist, namelijk 7 december 2023. Dat is binnen een termijn van twee jaar, zodat geen recht bestaat op een immateriële schadevergoeding voor die procedure. Dat belanghebbende beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar omdat hij het niet eens is met de hoogte van de proceskostenvergoeding kan niet worden geacht een voortzetting te zijn van de eerder door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie.\n\n27. Met betrekking tot de procedure die ziet op de naheffingsaanslag OB geldt het volgende. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting op 31 december 2021 ontvangen. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is afgerond 54 maanden. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met 30 maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 3.000. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur is van 22 januari 2024. Dit is langer dan de termijn van zes maanden die voor hem geldt. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van (19\u002F30 * € 3.000 =) € 1.900 aan belanghebbende te vergoeden. De Staat moet het resterende bedrag vergoeden, namelijk € 1.100.\n\n27. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\nConclusie en gevolgen\n\n29. Het beroep dat betrekking heeft op de naheffingsaanslag OB 2017 is gegrond. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, maar uitsluitend voor zover het de boete betreft. De rechtbank zal die boete verminderen tot een bedrag van € 3.078. Het beroep over de navorderingsaanslag Vpb 2016 is ongegrond. Omdat het beroep gegrond is, krijgt belanghebbende een vergoeding van haar griffierecht. Ook moet de inspecteur de door haar gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt die vergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.200 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag OB voor het jaar 2017 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover het betrekking heeft op de vergrijpboete;\n\nvermindert de vergrijpboete tot een bedrag van € 3.078;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;\n\nverklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb 2016 ongegrond;\n\nveroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.900;\n\nveroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.100;\n\nveroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 3.200;\n\nbepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 371 vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en\n\nmr. R.J.W. van der Struijk, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.\n\nUitgesproken op 1 juli 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Hoge Raad 10 maart 2017; ECLI:NL:HR:2017:392.\n\n Nr. BLKB2012\u002F639M, Staatscourant 2012, 14822.\n\n Artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).\n\n Artikel 8, zevende lid, van de Wet OB.\n\n ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063.\n\n Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n ECLI:NL:HR:2024:853.\n\n Hoge Raad 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128.\n\n Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5169","2026-07-13T00:29:16.914Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":43,"courtId":63,"decisionDate":64,"fullText":65,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":50,"updatedAt":68},"1342","ECLI:NL:GHSHE:2026:1444","ecli-nl-ghshe-2026-1444",72,"2026-06-03T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F117\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 december 2023, nummer BRE 21\u002F644, in het geding tussen belanghebbende,\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur\n\nen\n\nde Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),\n\nhierna: de minister.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening van overdrachtsbelasting op aangifte op 24 december 2018. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.2.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.4. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen als gemachtigden van belanghebbende, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] (hierna: de gemachtigde), bijgestaan door [naam 1] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24\u002F118 tot en met 24\u002F120.\n\n1.6.. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. Deze pleitnota is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.8.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.\n\n1.9.. De gemachtigde heeft na de zitting nadere stukken ingediend. Het hof zal deze stukken niet tot de gedingstukken rekenen (zie verder onder overweging 4.1).\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is één van de vier commanditair vennoten van de commanditaire vennootschap [naam 2] C.V. (hierna: de C.V.).\n\n2.2.. Bij akte van levering van 30 november 2018 hebben de commanditaire vennoten van de C.V., waaronder belanghebbende, van projectontwikkelaar [projectontwikkelaar] B.V. (hierna: verkoper), een hotelgebouw met buitenterrein gelegen aan [adres] in [plaats] verkregen (hierna: het gebouw). Het gebouw was ten tijde van de verkrijging in verhuurde staat. De netto-koopprijs van het gebouw bedroeg € 33.900.000 (vrij op naam), inclusief eventueel verschuldigde overdrachtsbelasting. Blijkens de in de akte van levering opgenomen voetverklaring bedraagt de heffingsgrondslag voor de overdrachtsbelasting afgerond € 31.889.500, zodat de verschuldigde overdrachtsbelasting € 1.913.370 bedraagt.\n\n2.3.. Het gebouw, gebouwd in 1974\u002F1975, was voorheen een kantoorgebouw dat op 22 mei 2015 in onverhuurde staat voor € 4.700.000 door verkoper werd gekocht. Het doel van verkoper bij aankoop was om het gebouw te transformeren tot een hotelaccommodatie met circa 150 hotelkamers, een minimarkt, sportschool, restaurant en vergaderruimten.\n\n2.4.. In opdracht van verkoper zijn aan het gebouw de volgende werkzaamheden verricht:\n\nIn het gebouw hebben sloopwerkzaamheden plaatsgevonden. Verwijderd zijn onder meer de (niet dragende) wanden, deuren, stoffering, meubilair, plafonds, dekvloeren, elektrische en werkbouwkundige installaties, isolatie, binnen spouwwanden, kozijnen en ramen. Ook is alle asbest gesaneerd.\n\nIedere verdieping van het gebouw is opnieuw ingedeeld en ingericht. Op iedere verdieping zijn nieuwe (niet dragende) muren en plafonds gezet.\n\nAlle infrastructuur (elektriciteit, water en IT) is vervangen.\n\nAlle werkbouwkundige installaties zijn vervangen, waaronder luchtbehandelingskasten, airco-systemen, warmwaterketels, drinkwatertracé, riolering en sanitaire voorzieningen.\n\nAlle elektrische installaties zijn vervangen, waaronder brandmeldinstallaties, ontruimingsinstallaties, hoofd- en onderverdeelkasten en kabeltracé.\n\nDe dakbedekking, bestaande uit de afwerking met isolatiemateriaal, houten platen en bitumen dakbekleding, is vervangen. Daarbij zijn ook de dakranden meegenomen. Het gaat daarbij om het systeem dat ervoor zorgt dat het hemelwater wordt afgevoerd. Dat wil zeggen de noodoverstorten, ingelegde loodflappen en zetwerk dakranden.\n\nAlle vloeren zijn opnieuw afgewerkt. Daarbij zijn alle cementdekvloeren verwijderd en zijn op alle verdiepingen nieuwe betonvloeren gestort.\n\nIn de kelder is een vochtscherm geplaatst en vervolgens is de betonvloer opgehoogd. Op de kelderbak is een waterkering geplaatst.\n\nDe dakconstructie op de zevende verdieping is aangepast in verband met een nieuwe noodtrap en verder is er op die verdieping een stuk borstwering weggehaald. Het dak op de zevende verdieping is opengemaakt voor de realisatie van het terras en de vide. Daarvoor was een stalen constructie nodig.\n\nOp alle verdiepingen zijn schachten dichtgestort en nieuwe schachten geplaatst.\n\nOp de begane grond zijn stukken uit de gevel gezaagd en op de achtste verdieping is een gevelopening gemaakt voor de toegang tot een terras.\n\nVoor de aanpassingen op de zevende en achtste verdieping was een stalen constructie benodigd.\n\nNaast de drie bestaande liftschachten is een liftschacht bijgeplaatst. Verder zijn de bestaande liften vernieuwd.\n\nAlle ramen zijn vervangen door ramen met kiep- en draaifunctie. Ook zijn nieuwe kozijnen en waterslagen geplaatst. Er zijn deels grotere ramen geplaatst en ramen toegevoegd voor extra lichtinval.\n\nEr zijn twee nieuwe puien aangebracht voor de toegang tot het terras van het restaurant en de minimarkt. Het betreffen grote roldeuren.\n\nDe gevel is chemisch gereinigd en voegen zijn opnieuw gekit.\n\nHet parkeerterrein is heringericht. Er is een nieuw rioolstelsel, nieuw leidingwerk et cetera gelegd.\n\nDe parkeergarage is gereinigd, heringericht en de hekmotoren zijn vervangen. Er zijn een nieuw hekwerk en nieuwe slagbomen geplaatst.\n\nEr zijn nieuwe in- en uitgangen gecreëerd ten behoeve van de minimarkt en restaurant en er zijn nieuwe noodtrappen geplaatst.\n\n2.5.. Na afronding van de werkzaamheden heeft verkoper, blijkens een op 23 november 2017 gesloten huurovereenkomst, het gebouw met omzetbelasting belast verhuurd aan [bedrijf] BV (hierna: [bedrijf] ) voor de duur van ten minste tien jaar. [bedrijf] exploiteert in het gebouw een hotel.\n\n2.6.. Op 8 juni 2018 heeft verkoper een verzoek om vooroverleg ingediend bij de Belastingdienst. Namens verkoper is daarbij aan de Belastingdienst verzocht te bevestigen dat voornoemde verbouwing heeft geleid tot een vervaardigd goed in de zin van artikel 11, lid 3, aanhef en onderdeel b, Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 2018) (hierna: Wet OB) en dat daarmee voor de overdrachtsbelasting de samenloopvrijstelling van toepassing is.\n\n2.7.. Ter zake van de verkrijging van het gebouw is door de commanditaire vennoten van de C.V. tezamen € 1.913.367 overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Belanghebbende is hierbij – als één van de vier commanditaire vennoten – voor l\u002F4e deel van dit betaalde bedrag aan overdrachtsbelasting betrokken. Vervolgens is namens de vier commanditaire vennoten bezwaar gemaakt tegen de voldoening van overdrachtsbelasting op aangifte, omdat zij van mening zijn dat de samenloopvrijstelling van toepassing is.\n\n2.8.. Bij brief van 15 april 2019 heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de verbouwing niet heeft geleid tot een vervaardigd goed in voornoemde zin en dat de levering van het gebouw aan de commanditaire vennoten van de C.V. van rechtswege is vrijgesteld van omzetbelasting.\n\n2.9.. De inspecteur heeft voorts het bezwaar afgewezen en de voldoening van de overdrachtsbelasting op aangifte gehandhaafd. De rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.\n\n2.10.. Tot het dossier in hoger beroep behoort een door belanghebbende aangedragen deskundigenrapport van [naam 3] van 1 mei 2024 (hierna: het deskundigenrapport). Hierin staat voor zover van belang het volgende:\n\n“3.3. Constructieve ingrepen3.3.1.. Hoofddraagconstructie\n\nEr dient onderscheid te worden gemaakt tussen de directe constructieve ingrepen volgens de opgave van de constructeur en de ingrepen in de uitwendige scheidingsconstructie. Onderstaande ingrepen zien toe op de constructieve veiligheid en zijn door de constructeur [Constructeur] opgetekend. De constructietekeningen en berekeningen maken onderdeel uit van de omgevingsvergunning, zie bijlage 3.\n\nDe ingrepen gerekend tot de hoofddraagconstructie zijn:\n\nSouterrain\n\n• aanbrengen sparingen tbv nieuwe goederenlift\n\n• aanbrengen schuimbeton tbv realisatie nieuwe vloer\n\n• fundering middels buispalen en betonnen vloer tbv entrees\n\nBegane grond, verdiepingsvloeren\n\n• verwijderen gevel tbv dakterras 8e verdieping (…)\n\n• realiseren nieuwe dakconstructie (…)\n\n• realiseren uitbreiding verdiepingsvloer (…)\n\n• verwijderen schachten en dichtzetten vloersparingen\n\n• aanbrengen diverse sparingen in de vloer- en wandconstructie (…)\n\nDak\n\n• aanbrengen diverse sparingen in de dakconstructie\n\n• realiseren dakopbouw (…)\n\n• uitbreiding dakconstructie. (…)\n\n3.3.2.. Uitwendige scheidingsconstructie\n\nBij de uitwendige scheidingsconstructie gaat het om de gevel en dakopbouw van het gebouw. Bouwbesluit, artikel 1.1, eerste lid, geeft de definitie van uitwendige scheidingsconstructie; een uitwendige scheidingsconstructie vormt de scheiding tussen een ruimte en de buitenlucht. Het samenstel van onderdelen vormt de gevelconstructie en dakconstructie en zijn onlosmakelijk verbonden.\n\nDe ingrepen aan de uitwendige scheidingsconstructie zien toe op dak- en gevelconstructie. De gesloten uitwendige gevelconstructie (…) bestaat uit een betonnen buitenblad, isolatie en een binnenblad. De uitwendige dakconstructie bestaat uit een prefab betonvloer met onderliggend plafond, aan de bovenzijde voorzien van isolatie en dakbedekking. De gehele dakopbouw vanaf casco constructie is volledig vervangen waarbij tevens de isolatiewaarde is\n\nverbeterd. De gevelkozijnen zijn volledig vervangen door hoogwaardig geïsoleerde kozijnen en beglazing. De vormtaal van de oorspronkelijke kozijnen zijn gevolgd. De gewassen grondbeton gevel is geheel gereinigd waardoor de gevel als nieuw oogt.\n\nDe ingrepen gerekend tot de uitwendige scheidingsconstructie zijn:\n\nSouterrain\n\n• aanbrengen schuimbetonvloer\n\n• vochtscherm\n\n• realiseren entree\n\nBegane grond, verdiepingsvloeren\n\n• verwijderen gevelpuien \u002F verwijderen open gevelconstructie\n\n• verwijderen binnenspouwblad van de gevelconstructie\n\nDak.\n\n• verwijderen dakafwerking en isolatie van de dakconstructie”.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de vraag of sprake is van een verkrijging waarop de vrijstelling van artikel 15, zesde lid, in samenhang met artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet op belastingen van rechtsverkeer (tekst 2018) (hierna: de samenloopvrijstelling) van toepassing is. Dit geschil spitst zich toe op de beantwoording van de volgende vragen:\n\nI. Is sprake van een verbouwing die een vervaardigd goed heeft voortgebracht in de zin van artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB (oud)?\n\nII. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: Is artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB en het daaruit voortvloeiende criterium ‘in wezen nieuwbouw’ in overeenstemming met artikel 12 Richtlijn 2006\u002F112\u002FEG (hierna: de Btw-richtlijn)?\n\nIII. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: Kan worden getoetst aan een ruimere Unierechtelijke uitleg?\n\nVoor het geval het hof beslist dat de levering aan onder meer belanghebbende van het tot hotel getransformeerde kantoorgebouw is belast met omzetbelasting, is tussen partijen niet in geschil dat aan de overige voorwaarden voor toepassing van de samenloopvrijstelling is voldaan.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot een teruggaaf van overdrachtsbelasting van € 1.913.367 voor de vier commanditaire vennoten gezamenlijk en een integrale proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. 4. Gronden\n\nVooraf\n\n4.1.. Belanghebbende heeft op 21 november 2025 om 17:35 uur nadere stukken geplaatst in Mijn Rechtspraak. Het hof zal deze stukken niet meenemen in zijn oordeel. Dit komt omdat belanghebbende de stukken na het sluiten van het onderzoek heeft ingediend. Het hof ziet in de stukken geen aanleiding om het onderzoek te heropenen, omdat de inhoud van de stukken geen invloed heeft op het oordeel dat door het hof in deze zaak moet worden gegeven.\n\nTen aanzien van het geschil\n\nJuridisch kader (Unierechtelijk)\n\n4.2.. Artikel 12 Btw-richtlijn luidt, voor zover hier van belang, als volgt:\n\n“Artikel 12\n\n1. De lidstaten kunnen als belastingplichtige aanmerken eenieder die incidenteel een handeling verricht in verband met de in artikel 9, lid 1, tweede alinea, bedoelde werkzaamheden, met name een van de volgende handelingen:\n\na) de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het bijbehorende terrein vóór de eerste ingebruikneming;\n\n(…)\n\n2. Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt als „gebouw” beschouwd ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden.\n\nDe lidstaten kunnen de voorwaarden voor de toepassing van het in lid 1, onder a), bedoelde criterium op de verbouwing van gebouwen, alsmede het begrip „bijbehorend terrein” bepalen.\n\nDe lidstaten kunnen andere criteria dan dat van de eerste ingebruikneming toepassen, zoals het tijdvak dat verloopt tussen de datum van voltooiing van het gebouw en die van eerste levering, of het tijdvak tussen de datum van eerste ingebruikneming en die van de daaropvolgende levering, mits deze tijdvakken niet langer duren dan onderscheidenlijk vijf en twee jaar.”\n\n4.3.. Artikel 135 Btw-richtlijn bepaalt in lid 1:\n\n“De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:\n\n(…)\n\nj) de levering van een gebouw of een gedeelte ervan en van het bijbehorende terrein, met uitzondering van de in artikel 12, lid 1, onder a), bedoelde levering;”\n\nJuridisch kader (nationaalrechtelijk)\n\n4.4.. Artikel 11 Wet OB (tekst 2018) bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:\n\n“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:\n\na. de levering van onroerende zaken en van rechten waaraan deze zijn onderworpen, met uitzondering van:\n\n1° de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het er bijbehorend terrein vóór, op of uiterlijk twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming, alsmede de levering van een bouwterrein;\n\n(…)\n\n[Lid 3, m.i.v. 2019 lid 5]\n\nVoor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°:\n\nb. wordt na de verbouwing van een gebouw de ingebruikneming als eerste ingebruikneming aangemerkt, indien door die verbouwing een vervaardigd goed is voortgebracht;”\n\nVervaardigd goed?\n\n4.5.. Voor de vraag of door de verbouwing een vervaardigd goed is voortgebracht, geldt het volgende. Met betrekking tot onroerende zaken is volgens vaste jurisprudentie slechts sprake van vervaardiging van een goed, indien door de werkzaamheden aan de onroerende zaak sprake is van ‘in wezen nieuwbouw’.\n\n4.6.. Belanghebbende stelt dat, gelet op de ‘in wezen nieuwbouw’-jurisprudentie waarin het begrip ‘vervaardiging’ door de Hoge Raadis ingevuld, sprake is van een vervaardigd goed, omdat de verbouwingswerkzaamheden hebben geleid tot wijziging dan wel vervanging (van een deel) van de bestaande bouwkundige constructie. Belanghebbende wijst in dit verband met name op (1) de sloop van het voormalige kantoorgebouw tot op het betonskelet, (2) de door de verbouwingswerkzaamheden aangebrachte wijzigingen zoals de verwijdering van de binnengevel en het dak op de zevende en de achtste verdieping en het weghalen en opnieuw plaatsen van muren, vloeren en plafonds, en (3) de omvang van de in het gebouw gedane investeringen en de met de verbouwing gerealiseerde meerwaarde. Met de verbouwingswerkzaamheden zijn volgens belanghebbende de bouwkundige identiteit en de uiterlijke herkenbaarheid van het gebouw gewijzigd. Voor een uitgebreide toelichting op de gestelde constructieve wijzigingen verwijst belanghebbende naar het tot de processtukken behorende deskundigenrapport. De inspecteur stelt daarentegen dat met de verbouwing van het gebouw geen vervaardigd goed is voortgebracht, omdat de constructieve aanpassingen daarvoor te beperkt zijn.\n\n4.7.. Bij de beantwoording van de vraag of in wezen een nieuw gebouw is ontstaan, moet – volgens de huidige stand van de jurisprudentie – worden vastgesteld wat in bouwkundig opzicht met het bestaande gebouw is gebeurd. Alleen wijzigingen in de bouwkundige constructie, daaronder begrepen vervanging (van een deel) van de bestaande bouwkundige constructie, kunnen de conclusie rechtvaardigen dat een verbouwing zo ingrijpend is geweest dat daardoor in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Of zulke wijzigingen zodanig ingrijpend zijn geweest, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Factoren zoals de eventuele functiewijziging, de (bouwkundige) identiteit, de uiterlijke herkenbaarheid of de naamsbekendheid van een gebouw voor en na de verbouwing kunnen aanwijzingen zijn voor de constatering dat een verbouwing in bouwkundig opzicht zo ingrijpend is geweest dat in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Zij zijn voor die beoordeling echter niet doorslaggevend, noch op zichzelf, noch tezamen genomen, en evenmin noodzakelijk.\n\n4.8.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de onder 2.4 opgenomen verbouwingswerkzaamheden dusdanig ingrijpend zijn geweest dat deze de conclusie rechtvaardigen dat er in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Daarvoor zijn, zoals hiervoor opgenomen, wijzigingen in de bouwkundige constructie van doorslaggevend belang. Het hof is van oordeel dat de verbouwing van het gebouw niet dusdanig ingrijpend is geweest dat dit heeft geleid tot een situatie waarin in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. De omvang van de wijzigingen in de bouwkundige constructie van het gebouw acht het hof, gelet op de in 2.4 vermelde werkzaamheden, daarvoor te beperkt. Een belangrijk deel van de werkzaamheden betreft namelijk het strippen van het oude gebouw tot het casco en de daaropvolgende modernisering en de verduurzaming ervan. Dit kan niet zonder meer kwalificeren als een ingrijpende wijziging in de bouwkundige constructie van het gebouw.\n\n4.8.1.. In het door belanghebbende aangedragen deskundigenrapport (zie 2.10)wordt gesteld dat op de hoofddraagconstructie en de uitwendige scheidingsconstructie is ingegrepen. Indien en voor zover de ingrepen in de hoofddraagconstructie geduid moeten worden als wijzigingen in de bouwkundige constructie van het gebouw, zijn de met die wijzigingen gemoeide kosten, ten opzichte van de totale verbouwingsopgave, te beperkt om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een ingrijpende wijziging in voornoemde zin. Hierbij merkt het hof op dat hij, anders dan belanghebbende, de in het deskundigenrapport genoemde indirecte projectkosten en de kosten voor de uitwendige scheidingsconstructie niet beschouwt als kosten voor constructieve ingrepen. Van deze kosten is naar het oordeel van het hof ofwel onvoldoende duidelijk geworden waarop deze zien (indirecte projectkosten) dan wel is sprake van kosten die naar hun aard niet behoren tot de kosten voor constructieve ingrepen (kosten uitwendige scheidingsconstructie); belanghebbende heeft in dat verband namelijk gesteld dat de noodzakelijke draagconstructie van het gebouw (i.e. stabiliteitsconstructie) in stand is gebleven. Gelet op het voorgaande stelt het hof, mede in het licht van wat ter zitting is gesteld, vast dat de totale verbouwingsopgave € 14.279.100 (exclusief omzetbelasting) bedraagt, waarvan een bedrag van € 848.285 (exclusief omzetbelasting) betrekking heeft op constructieve ingrepen.Dat komt neer op ongeveer 6% van het bouwbudget. Ook in relatieve zin is dat naar het oordeel van het hof te beperkt om te spreken van een ingrijpende verbouwing in voornoemde zin. Zelfs als de indirecte projectkosten, die niet gespecificeerd zijn, zouden worden meegenomen als kosten voor constructieve ingrepen, rechtvaardigt dat geen andere conclusie.\n\n4.8.2.. Ook de omstandigheden dat het gebouw van functie is veranderd en dat het bedrag aan investeringen, in absolute zin, van aanzienlijke omvang is geweest doen aan dat oordeel niet af, gelet op het niet-doorslaggevende karakter van die omstandigheden.\n\n4.9.. Gelet op het voorgaande, moet de eerste geschilvraag ontkennend worden beantwoord.\n\nIs het criterium ‘in wezen nieuwbouw’ in overeenstemming met de Btw-richtlijn?\n\n4.10.. Belanghebbende stelt dat de in 4.7 genoemde uitleg van de Hoge Raad te strikt is, gelet op de tekst van artikel 12, lid 2, Btw-richtlijn en omdat de in dat kader gewezen Unierechtelijke jurisprudentie (in het bijzonder de zaken Kozubaen Promo 54) daar geen ruimte voor biedt. Iedere Unierechtelijk kwalificerende verbouwing verdient volgens belanghebbende op grond van het fiscale neutraliteitsbeginsel eenzelfde behandeling.\n\n4.11.. De inspecteur stelt daarentegen dat het ‘voortbrengen van een vervaardigd goed’ en het daaruit voortvloeiende criterium ‘in wezen nieuwbouw’ verenigbaar is met artikel 12, lid 2, Btw-richtlijn, omdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ-EU) in de Btw-richtlijn slechts een ondergrens heeft gesteld. Het arrest Kozuba en in het bijzonder punt 55 bevestigt die uitleg ook, aldus de inspecteur. Het arrest Promo 54 doet daar volgens de inspecteur niet aan af, omdat België geen voorwaarden had gesteld aan het verbouwingsbegrip en juist daarom het begrip in die zaak conform de ondergrens moest worden uitgelegd.\n\n4.12.. In de prejudiciële beslissing van 4 november 2022heeft de Hoge Raad geoordeeld dat Kozuba niet in de weg staat aan de keuze van de wetgever om de hernieuwde eerste ingebruikneming van gebouwen te koppelen aan het begrip ‘vervaardiging’, omdat het HvJ-EU met Kozuba en het daarin uitgelegde begrip van een kwalificerende verbouwing slechts een ondergrens heeft gesteld; een striktere uitleg zoals de Hoge Raad tijdens de prejudiciële beslissing voorstond was dus mogelijk.Advocaat-Generaal Wattel heeft op 29 november 2024– dus ná Promo 54 – geconcludeerd dat Promo 54 nauwelijks nog discretionaire ruimte laat bij de invulling van ‘eerste ingebruikneming’ van verbouwde gebouwen. Toch heeft hij vervolgens de strikte uitleg van het begrip ‘vervaardiging’ in lijn met de Unierechtelijke rechtspraak geacht, mede gelet op punt 55 van Kozuba.Ten slotte heeft de Hoge Raad in het arrest van 31 januari 2025eveneens verwezen naar datzelfde punt en ditmaal buiten redelijke twijfel geacht dat zijn uitleg van artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB (oud) in overeenstemming is met de mogelijkheid die artikel 12, lid 2, Btw-richtlijn biedt om de voorwaarden te bepalen voor de toepassing van het criterium van de ‘eerste ingebruikneming’ op de verbouwing van oude gebouwen, te meer daar met deze uitleg van artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB (oud) de in punt 26 van Promo 54 bedoelde draagwijdte van het begrip verbouwing, zoals omlijnd door het HvJ-EU, in acht wordt genomen.\n\n4.13.. Het hof ziet in dat wat belanghebbende heeft aangevoerd geen reden – gelet op deze beslissingen van de Hoge Raad – om thans anders te oordelen of om prejudiciële vragen aan het HvJ-EU te stellen. De tweede geschilvraag moet bevestigend worden beantwoord.\n\nToch een ruimere uitleg?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt in dat geval tot slot, zo begrijpt het hof, dat in de situatie dat een verbouwing niet tot een ‘vervaardiging’ leidt maar tot een Unierechtelijk kwalificerende verbouwing, rechtstreeks terugkeer plaatsvindt naar de fase vóór de eerste ingebruikneming op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel a, onder 1° Wet OB. Belanghebbende verwijst in dit verband naar Promo 54 waarin het HvJ-EU, aldus belanghebbende, rechtstreeks uitleg geeft aan het niet-optionele artikel 12, lid 1, onderdeel a, Btw-richtlijn. Die uitleg leidt er volgens belanghebbende toe dat als sprake is van een verbouwing, zoals omlijnd in het Kozuba-arrest, automatisch sprake is van een terugkeer van het oude gebouw naar de fase vóór de eerste ingebruikneming. Daaruit volgt, zo stelt belanghebbende, dat de levering van een gebouw van rechtswege is belast met omzetbelasting als het zoals in dit geval veranderingen van betekenis heeft ondergaan die zijn bedoeld om het gebruik ervan te wijzigen of om de omstandigheden waaronder het wordt betrokken ingrijpend aan te passen.\n\n4.15.. Dit betoog van belanghebbende slaagt niet, nu het eerste lid en het derde lid van artikel 11 Wet OB (oud) onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In het derde lid wordt eerst expliciet verwezen naar het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en vervolgens gepreciseerd wanneer in het geval van verbouwing van een oud gebouw van een eerste ingebruikneming sprake is. Uit die verbinding tussen de betreffende artikelleden volgt naar het oordeel van het hof dat de eerste ingebruikneming niet kan worden geïnterpreteerd zonder de precisering van het derde lid en het daarin opgenomen begrip ‘vervaardiging’ bij die lezing te betrekken.\n\n4.16.. Gelet op het voorgaande, moet de derde vraag ontkennend worden beantwoord.\n\nTussenconclusie\n\n4.17.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van de immateriële schadevergoeding\n\n4.18.. Voor de berechting van een zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld en binnen vier jaar nadat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn in deze procedure is overschreden. Een verzoek om vergoeding van immateriële schade is in dit geval niet nodig, omdat de redelijke termijn pas is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak.\n\n4.19.. Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. In dit geval zijn de zaken van de commanditaire vennoten gezamenlijk behandeld (zaaknummers 24\u002F117 tot en met 24\u002F120). Voorop staat dat iedere belanghebbende bij de gezamenlijk behandelde zaken een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft. De gezamenlijke behandeling kan echter een dermate matigende invloed hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die wordt ondervonden door een te lang durende procedure dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen.Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval van een dergelijke matigende invloed sprake omdat de feiten en de geschilpunten in de procedures van de commanditaire vennoten gelijk zijn, en de hoger beroepen van de commanditaire vennoten op dezelfde zitting zijn behandeld. Het hof zal daarom voor de commanditaire vennoten tezamen éénmaal het tarief van € 500 per half jaar hanteren.Dit komt voor belanghebbende neer op een vergoeding van € 125 per half jaar.\n\n4.20.. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure met (naar boven afgerond) vijf maanden is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding. Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (naar boven afgerond) één half jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 125, waartoe de minister wordt veroordeeld.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.21.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.22.. Omdat het hof ambtshalve overgaat tot vergoeding van immateriële schade en het hoger beroep ongegrond is, ziet het hof geen aanleiding voor een (werkelijke) proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nveroordeelt de minister tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 125.\n\nDe uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, M.E. Smorenburg en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nJ.H.M. van Ooijen A.J. Kromhout\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Voetverklaring bij akte van levering van 30 november 2018.\n\n Hoge Raad 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6681, r.o. 3.3.1.\n\n Hoge Raad 4 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1577.\n\n Hoge Raad 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1609, r.o. 2.3.2.\n\n Paragraaf 3.3 deskundigenrapport.\n\n Paragraaf 3.5 deskundigenrapport.\n\n HvJ EU 16 november 2017, Kozuba, ECLI:EU:C:2017:869.\n\n HvJ EU 9 maart 2023, Promo 54, ECLI:EU:C:2023:181.\n\n Hoge Raad 4 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1577.\n\n Zie de conclusie van A-G Ettema van 3 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:6. Ook A-G Ettema concludeerde dat sprake was van een ondergrens van het verbouwingsbegrip in Kozuba.\n\n ECLI:NL:PHR:2024:1283.\n\n Dat punt luidt als volgt: “Voor een oud gebouw ontstaat die toegevoegde waarde wanneer het dermate ingrijpend wordt verbouwd, dat het op één lijn kan worden gesteld met een nieuw gebouw.”\n\n Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:157, r.o. 2.2.2.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.2.\n\n Hoge Raad 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:147, r.o. 4.2.\n\n Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:586 en Hoge Raad 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700.\n\n Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NLHR:2024:567, r.o. 7.1.2. en Hoge Raad 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299, r.o. 5.7.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1444","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:16.864Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":43,"courtId":63,"decisionDate":73,"fullText":74,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":50,"updatedAt":76},"1850","ECLI:NL:GHSHE:2026:1362","ecli-nl-ghshe-2026-1362","2026-05-27T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F1849\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 oktober 2024, nummer BRE 23\u002F1898, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft met dagtekening 28 juli 2022 aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: OB) van € 21.468 opgelegd over de tijdvakken in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2021 (hierna: de naheffingsaanslag) en daarbij bij beschikking € 1.643 belastingrente (hierna: de rentebeschikking) in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. Belanghebbende heeft op 17 maart 2026 verzocht om uitstel van de zitting. Het hof heeft het verzoek op 18 maart 2026 afgewezen.\n\n1.7.. De zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Voor de zitting heeft belanghebbende laten weten dat zij niet zal verschijnen; daarop heeft ook de inspecteur laten weten dat hij niet zal verschijnen.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende handelt onder de naam [onderneming] . Zij heeft zich in 2018 bij de Belastingdienst gemeld als ondernemer in de zin van de wet. Belanghebbende heeft per kwartaal aangiften OB gedaan. Dat waren vooral nihilaangiften.\n\n2.2.. Over het tweede kwartaal van 2021 heeft belanghebbende om een teruggaaf van € 13.697 gevraagd. Dit betrof de voorbelasting op een factuur voor twee Mercedessen die zij wilde gaan exploiteren door middel van verhuur voor feesten en partijen (hierna: de auto’s).\n\n2.3.. Naar aanleiding van de aangifte over het tweede kwartaal van 2021 heeft de inspecteur op 30 juni 2021 een vragenbrief gestuurd (hierna: de vragenbrief). In deze vragenbrief is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:\n\n“Hoe gaat het nu verder?\n\nIk verzoek u binnen 3 weken na de datum bovenaan deze brief de informatie naar mij toe te sturen.\n\nNadat ik de informatie heb ontvangen, ga ik verder met de behandeling van uw verzoek. Maximaal 8 weken na de dag waarop ik de informatie van u heb ontvangen, laat ik u mijn beslissing weten. Als ik bij de verdere behandeling van uw verzoek nog vragen heb, neem ik contact met u op.”\n\nBelanghebbende heeft op 7 juli 2021 informatie aan de inspecteur verstrekt. Op 6 december 2021 heeft de inspecteur een onderzoek aangekondigd. Het rapport daarvan is uitgebracht op 22 juli 2022. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd. De teruggaaf over het tweede kwartaal van 2021 is niet verleend.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft de auto’s in oktober 2021 verkocht.\n\n2.5.. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 19.222 en de rentebeschikking evenredig verminderd. De rechtbank heeft verder – voor zover hier relevant – het verzoek om schadevergoeding van belanghebbende afgewezen, de inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 333,33 en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 166,67.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag: heeft belanghebbende recht op een bedrag aan (im)materiële schadevergoeding, omdat de inspecteur niet binnen acht weken op het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2021 heeft beslist?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze ziet op de toekenning van een schadevergoeding en een hoger bedrag aan vergoeding van immateriële schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De naheffingsaanslag en rentebeschikking zijn niet in geschil.\n\n4. Gronden\n\nVooraf en ambtshalve\n\n4.1.. Bij de onder 1.6 vermelde brief heeft belanghebbende verzocht om uitstel van de zitting van 1 april 2026. Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden de zitting uit te stellen. Belanghebbende geeft kort gezegd aan niet in staat te zijn de zitting bij te wonen vanwege de impact op haar van de oorlog in Iran waarin haar familie zou zijn betrokken en waarmee geen contact meer bestaat. Het hof kan zich voorstellen dat de oorlog impact op belanghebbende heeft, maar ziet daarin geen gewichtige reden die uitstel van de zitting rechtvaardigt. Belanghebbende heeft niet aangevoerd waarom zij niet op de vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn, terwijl het hof uit de omstandigheid dat zij gelijktijdig met het uitstelverzoek nadere (inhoudelijke) stukken heeft ingediend afleidt dat zij kennelijk wel met de zaak bezig is.\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.2.. Belanghebbende betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor materiële en immateriële schade heeft toegekend. Volgens haar had de inspecteur, zoals vermeld in de vragenbrief, binnen de gestelde termijn van acht weken moeten reageren op haar verzoek om teruggaaf van omzetbelasting, uiterlijk op 1 september 2021. Doordat de inspecteur pas op 6 december 2021 – bij de aankondiging van het boekenonderzoek – reageerde, heeft belanghebbende schade geleden. Had de inspecteur tijdig gereageerd, dan had zij de auto’s eerder en met minder verlies kunnen verkopen. Daarnaast stelt belanghebbende dat de vertraging psychologische en emotionele schade heeft veroorzaakt. De inspecteur betwist dat belanghebbende recht heeft op deze schadevergoeding.\n\n4.3.. Op grond van het overgangsrecht van artikel V Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluitenis de regeling voor schadevergoeding bij onrechtmatig overheidshandelen, zoals neergelegd in titel 8.4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), (nog) niet van toepassing op besluiten of andere handelingen van de Belastingdienst, met uitzondering van besluiten betreffende de vennootschapsbelasting en lokale heffingen. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 8:73 (oud) Awb.\n\n4.4.. Artikel 8:73, lid 1, Awb luidde tot 1 juli 2013 als volgt: “Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, kan hij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.”\n\n4.5.. Nu de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en de naheffingsaanslag heeft verminderd, en deze naheffingsaanslag in hoger beroep niet in geschil is, is de belastingkamer van het hof bevoegd het bestuursorgaan te veroordelen tot schadevergoeding. Op grond van de gebruikelijke regels van stelplicht en bewijslast is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat zij schade heeft geleden als gevolg van het vernietigde besluit en daarnaast om de omvang van deze schade te specificeren.\n\n4.6.. Ten aanzien van de materiële schade stelt belanghebbende in hoger beroep dat haar schade € 24.311 bedraagt. Dit bedrag omvat het verlies bij de gedwongen verkoop van de auto’s, exclusief bijkomende kosten zoals verzekeringen en motorrijtuigenbelasting. Omdat belanghebbende niet eerder dan in december 2021 kennisnam van het ingestelde boekenonderzoek en daarmee van de mogelijke afwijzing van het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting, was zij reeds in oktober 2021 niet meer in staat de onderneming voort te zetten. Ter onderbouwing heeft zij aankoop- en verkoopfacturen van de auto’s overgelegd, waaruit blijkt dat de verkoopprijs lager is dan de aankoopprijs. Uit deze stukken blijkt dat belanghebbende op 7 april 2021 een Mercedes-Benz met kenteken [kenteken 1] heeft gekocht voor € 28.450 die is verkocht op 23 oktober 2021 voor € 25.780 (inclusief OB), en dat zij op 3 juni 2021 een Mercedes-Benz met kenteken [kenteken 2] heeft gekocht voor € 43.276,15 plus € 7.723,85 OB die op 16 oktober 2021 is verkocht voor € 35.500 (inclusief OB). Het hof overweegt dat belanghebbende met de aankoop- en verkoopfacturen heeft aangetoond dat een verlies is geleden tussen de aankoop- en verkoopmomenten. Dit betekent echter nog niet dat zij heeft gekwantificeerd wat de schade is die voortvloeit uit het feit dat de verkoop in oktober 2021 plaatsvond in plaats van op 1 september 2021, de uiterste datum waarop de inspecteur de beslissing op het teruggaafverzoek volgens de informatiebrief zou geven. De bijkomende kosten zijn bovendien geheel niet gekwantificeerd.\n\n4.7.. Ten aanzien van de immateriële schade stelt belanghebbende in hoger beroep dat zij psychologische en emotionele schade heeft geleden. Zij geeft te kennen dat de langdurige onzekerheid een negatieve invloed heeft gehad op haar gezondheid, waaronder paniekaanvallen, huilbuien en lichamelijke klachten, en op haar persoonlijke situatie. Door de stress en financiële problemen is zij de afgelopen jaren niet in staat geweest volledig te werken. In een van de nadere stukken heeft zij een bedrag van € 10.000 aan immateriële schade begroot. Het hof merkt allereerst op dat voor zover het verzoek om immateriële schadevergoeding betrekking heeft op de invordering van de belastingschuld naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, het hof zich onbevoegd verklaart. De belastingrechter is in dit geval niet bevoegd te oordelen over een besluit dat is genomen op grond van de Invorderingswet 1990. Belanghebbende dient zich hiervoor tot de civiele rechter te wenden. Voor zover het verzoek betrekking heeft op hetgeen waarvoor de belastingrechter wel bevoegd is, is het hof van oordeel dat belanghebbende haar verzoek tot immateriële schadevergoeding onvoldoende heeft onderbouwd en gekwantificeerd. Voor zover het genoemde bedrag van € 10.000 ziet op de procedure rondom de teruggaafbeschikking, ontbreekt elke nadere toelichting en is onduidelijk waarop dit bedrag is gebaseerd. Het enkele stellen dat zij psychologische en emotionele schade heeft geleden is onvoldoende voor het toewijzen van het verzoek om schadevergoeding.\n\n4.8.. Het hof wijst het verzoek om vergoeding van materiële en immateriële schade reeds daarom af, omdat belanghebbende gelet op het voorgaande niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Anders dan belanghebbende in hoger beroep betoogt, brengt het feit dat haar beroep door de rechtbank gegrond is verklaard niet automatisch mee dat zij aanspraak maakt op een schadevergoeding. Het hof is van oordeel dat de rechtbankuitspraak, anders dan belanghebbende betoogt, ook voldoende is gemotiveerd wat betreft de afwijzing van de schadevergoeding.\n\n4.9.. Naast de omstandigheid dat belanghebbende niet is geslaagd in haar bewijslast om de omvang van de schade te specificeren, overweegt het hof als volgt. De op grond van artikel 8:73 Awb toe te kennen schadevergoeding heeft betrekking op alle schade die een partij als gevolg van het door de inspecteur onrechtmatig genomen besluit heeft geleden en waarvoor wordt voldaan aan de vereisten voor de toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Op grond van artikel 6:162 BW komt slechts die schade voor vergoeding in aanmerking die in zodanig verband staat met het vernietigde besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de geclaimde schade aan de inspecteur kan worden toegerekend. Het hof sluit zich aan bij de rechtbank in haar oordeel dat het niet begrijpelijk is dat de onderneming geen doorgang kon vinden zonder een snelle teruggaaf van de voorbelasting. Het feit dat de auto’s zijn aangeschaft en de onderneming kennelijk is gestart in afhankelijkheid van een snelle teruggaaf wijst op een niet goed onderbouwd en niet realistisch ondernemingsplan. Het is aannemelijker dat het verlies eerder daaraan is toe te rekenen dan aan de vertraagde besluitvorming en het gebrek aan communicatie door de inspecteur. Bovendien mag van een ondernemer worden verwacht dat hij over een financiële reserve beschikt om een (korte) periode van tegenslag te kunnen overbruggen. Indien belanghebbende geen financiële reserve had, komen de gevolgen daarvan voor haar eigen risico.\n\n4.10.. Het hogerberoepschrift is door het hof ontvangen op 8 december 2024. Omdat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, is de redelijke termijn in de hoger beroepsfase niet overschreden. Belanghebbende heeft daarom geen recht op een aanvullende vergoeding van immateriële schade.\n\nTussenconclusie\n\n4.11.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.12.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de kosten van het bezwaar\n\n4.13.. Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de kosten van bezwaar wijst het hof af. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar voordat de inspecteur op bezwaar heeft beslist.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.14.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nS.M.R. Moberts C.W.M.M. Verkoijen\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 7 Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).\n\nStb. 2013, 50.\n\n HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:559.\n\n Artikel 7:15, lid 3, Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1362","2026-07-13T00:29:42.019Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":43,"courtId":81,"decisionDate":82,"fullText":83,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":50,"updatedAt":86},"454","ECLI:NL:GHDHA:2026:1592","ecli-nl-ghdha-2026-1592",58,"2026-05-06T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-000600-24\n\nParketnummer: 10-996552-17\n\nDatum uitspraak: 6 mei 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,\n\nadres: [adres] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. [B.V. 1] op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 27 november 2014 te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)(maand)aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [B.V. 1] betreffende de\u002Fhet tijdvak(ken):\n\n- januari 2011 en\u002Fof februari 2011 en\u002Fof maart 2011 en\u002Fof april 2011 en\u002Fof mei 2011 en\u002Fof juni 2011 en\u002Fof juli 2011 en\u002Fof augustus 2011 en\u002Fof september 2011 en\u002Fof oktober 2011 en\u002Fof november 2011 en\u002Fof december 2011 en\u002Fof\n\n- februari 2012 en\u002Fof maart 2012 en\u002Fof april 2012 en\u002Fof mei 2012 en\u002Fof juni 2012 en\u002Fof juli 2012 en augustus 2012 en\u002Fof september 2012 en\u002Fof oktober 2012 en\u002Fof november 2012 en\u002Fof december 2012 en\u002Fof\n\n- januari 2013 en\u002Fof februari 2013 en\u002Fof maart 2013 en\u002Fof april 2013 en\u002Fof mei 2013 en\u002Fof juni 2013 en\u002Fof juli 2013 en\u002Fof augustus 2013 en\u002Fof september 2013 en\u002Fof oktober 2013 en\u002Fof november 2013 en\u002Fof december 2013 en\u002Fof\n\n- januari 2014 en\u002Fof februari 2014 en\u002Fof maart 2014 en\u002Fof april 2014 en\u002Fof mei 2014 en\u002Fof juni 2014 en\u002Fof juli 2014 en\u002Fof augustus 2014 en\u002Fof september 2014 en\u002Fof oktober 2014 onjuist en\u002Fof onvolledig heeft gedaan, immers heeft\u002Fhebben zij en\u002Fof haar\u002Fhun mededaders(s) - zakelijk weergegeven - (telkens) opzettelijk op de\u002Fhet bij de Inspecteur der belastingen en\u002Fof de Belastingdienst te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, in elk geval de Belastingdienst, ingeleverde\u002Fingezonden aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting (betreffende de\u002Fhet genoemde tijdvak(ken)) (ten name van de genoemde rechtspersoon) (telkens) een te laag bedrag aan omzet en\u002Fof een te laag bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend en\u002Fof een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en\u002Fof een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl dat feit\u002Fdie feiten (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van bovengenoemd strafbare feit zij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en\u002Fof aan welke verboden gedraging(en) zij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;\n\nDe in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;\n\n2. [B.V. 2] op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 oktober 2016 te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)(maand)aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [B.V. 2] betreffende de\u002Fhet tijdvak(ken):\n\n-januari 2012 en\u002Fof februari 2012 en\u002Fof maart 2012 en\u002Fof mei 2012 en\u002Fof juni 2012 en\u002Fof juli 2012 en\u002Fof augustus 2012 en\u002Fof september 2012 en\u002Fof november 2012 en\u002Fof\n\n-januari 2013 en\u002Fof februari 2013 en\u002Fof maart 2013 en\u002Fof april 2013 en\u002Fof juli 2013 en\u002Fof oktober 2013 en\u002Fof november 2013 en\u002Fof\n\n-januari 2014 en\u002Fof februari 2014 en\u002Fof maart 2014 en\u002Fof mei 2014 en\u002Fof juli 2014 en\u002Fof oktober 2014 en\u002Fof december 2014 en\u002Fof -februari 2015 en\u002Fof maart 2015 en\u002Fof mei 2015 en\u002Fof juni 2015 en\u002Fof juli 2015 en\u002Fof augustus 2015 en\u002Fof september 2015 en\u002Fof oktober 2015 en\u002Fof november 2015 en\u002Fof\n\n-januari 2016 en\u002Fof februari 2016 en\u002Fof maart 2016 en\u002Fof april 2016 en\u002Fof mei 2016 en\u002Fof juni 2016 en\u002Fof juli 2016 en\u002Fof augustus 2016 en\u002Fof september 2016 onjuist en\u002Fof onvolledig heeft gedaan,\n\nimmers heeft\u002Fhebben hij en\u002Fof zijn\u002Fhun mededaders(s) - zakelijk weergegeven - (telkens) opzettelijk op de\u002Fhet bij de Inspecteur der belastingen en\u002Fof de Belastingdienst te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, in elk geval de Belastingdienst, ingeleverde\u002Fingezonden aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting (betreffende de\u002Fhet genoemde tijdvak(ken)) (ten name van de genoemde rechtspersoon) (telkens) een te laag bedrag aan omzet en\u002Fof een te laag bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend en\u002Fof een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en\u002Fof een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl dat feit\u002Fdie feiten (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van bovengenoemd strafbare feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en\u002Fof aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n 3. [B.V. 3] op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2017 te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)(maand en\u002Fof kwartaal)aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [B.V. 3] betreffende de\u002Fhet tijdvak(ken):\n\n- tweede kwartaal 2015 en\u002Fof vierde kwartaal 2015 en\u002Fof -januari 2016 en\u002Fof februari 2016 en\u002Fof maart 2016 en\u002Fof april 2016 en\u002Fof mei 2016 en\u002Fof juni 2016 en\u002Fof juli 2016 en\u002Fof augustus 2016 en\u002Fof september 2016 en\u002Fof oktober 2016 en\u002Fof november 2016 en\u002Fof december 2016 en\u002Fof\n\n- januari 2017 en\u002Fof februari 2017 en\u002Fof maart 2017 en\u002Fof april 2017 onjuist en\u002Fof onvolledig heeft gedaan, immers heeft\u002Fhebben hij en\u002Fof zijn\u002Fhun mededaders(s)- zakelijk weergegeven - (telkens) opzettelijk op de\u002Fhet bij de Inspecteur der belastingen en\u002Fof de Belastingdienst te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, in elk geval de Belastingdienst, ingeleverde\u002Fingezonden aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting (betreffende de\u002Fhet genoemde tijdvak(ken)) (ten name van de genoemde rechtspersoon) (telkens) een te laag bedrag aan omzet en\u002Fof een te laag bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend en\u002Fof een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en\u002Fof een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl dat feit\u002Fdie feiten (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van bovengenoemd strafbare feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en\u002Fof aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n4. zij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 12 april 2017, te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (een) geschrift(en) dat\u002Fdie bestemd was\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-077) en\u002Fof -een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-081) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-085) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-087) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-080) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-082) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-086) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-083) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-088) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-079) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-084) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 12 april 2017 (DOC-078),\n\nalthans een of meer geschrift(en), (telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat\u002Fdie bestemd was\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en\u002Fof heeft vervalst, met het oogmerk om deze\u002Fdit verklaring(en)\u002Fgeschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken en\u002Fof vervalsen (telkens) hierin bestaan dat op\u002Fin die verklaring(en) betalingsgedrag, althans dat\u002Fdie geschrift(en) valselijk, immers in strijd met de waarheid is vermeld:\n\n- dat (volgens de Belastingdienst) door [B.V. 3] alle verschuldigde loonheffingen en\u002Fof premie(s) volksverzekering en\u002Fof werknemersverzekering en \u002Fof omzetbelasting (over een periode voorafgaand aan de datum zoals vermeld op de desbetreffende verklaringen betalingsgedrag) is\u002Fzijn betaald en\u002Fof -dat die\u002Fdat verklaring(en)\u002Fgeschrift(en) afkomstig was\u002Fwaren van en\u002Fof opgemaakt en\u002Fof ondertekend was\u002Fwaren door\u002Fvan ((een) medewerker(s) van) de Belastingdienst;\n\nen\u002Fof\n\nzij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 12 april 2017, te 's-Gravenhage en\u002Fof Amsterdam en\u002Fof Gorinchem en\u002Fof Badhoevedorp en\u002Fof Lijnden en\u002Fof Rotterdam en\u002Fof Ridderkerk en\u002Fof Hendrik-Ido-Ambacht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met(een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal opzettelijk gebruik heeft gemaakt en\u002Fof doen gebruik maken van (een) vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), als ware dat geschrift\u002Fdie geschriften echt en onvervalst, immers heeft verdachte een of meerdere verklaring(en) betalingsgedrag, te weten -een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-077) en\u002Fof -een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-081) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-085)en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-087) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-080) en\u002Fof -een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-082) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-086) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-083) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-088) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-079) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-084) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 12 april 2017 (DOC-078) althans een of meer geschrift(en), (telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat\u002Fdie bestemd was\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen, opgestuurd en\u002Fof doen opsturen en\u002Fof verstrekt en\u002Fof doen verstrekken en\u002Fof afgegeven en\u002Fof doen afgeven aan [B.V. 4] en\u002Fof [B.V. 5] en\u002Fof [B.V. 6] en\u002Fof [B.V. 7] en\u002Fof [B.V. 8] en\u002Fof [B.V. 9] , althans een of meer (andere) rechtsperso(o)n(en) en bestaande die valsheid of vervalsing daarin dat op\u002Fin de verklaring(en) betalingsgedrag valselijk, immers in strijd met de waarheid was vermeld:\n\n- dat (volgens de Belastingdienst) door [B.V. 3] alle verschuldigde loonheffingen en\u002Fof premie(s) volksverzekering en\u002Fof werknemersverzekering en \u002Fof omzetbelasting (over een periode voorafgaand aan de datum zoals vermeld op de desbetreffende verklaringen betalingsgedrag) is\u002Fzijn betaald en\u002Fof\n\n- dat die\u002Fdat verklaring(en)\u002Fgeschrift(en) afkomstig was\u002Fwaren van en\u002Fof opgemaakt en\u002Fof ondertekend was\u002Fwaren door\u002Fvan ((een) medewerker(s) van) de Belastingdienst.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van het voorarrest. Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de inbeslaggenomen administratie terug gaat naar de verdachte.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot iets andere bewezenverklaringen komt.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. [B.V. 1] op één of meerderetijdstippen inof omstreeksde periode van 1 januari 2011 tot en met 27 november 2014 te 's-Gravenhageen\u002Fof Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,meermalen,althans eenmaal (telkens)opzettelijk(een)bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten(een)(maand)aangifte(n)voor de omzetbelasting ten name van [B.V. 1] betreffende de\u002Fhettijdvak(ken):\n\n- januari 2011 en\u002Foffebruari 2011 en\u002Fofmaart 2011 en\u002Fofapril 2011 en\u002Fofmei 2011 en\u002Fofjuni 2011 en\u002Fofjuli 2011 en\u002Fofaugustus 2011 en\u002Fofseptember 2011 en\u002Fofoktober 2011 en\u002Fofnovember 2011 en\u002Fofdecember 2011 en\u002Fof\n\n- februari 2012 en\u002Fofmaart 2012 en\u002Fofapril 2012 en\u002Fofmei 2012 en\u002Fofjuni 2012 en\u002Fofjuli 2012 en augustus 2012 en\u002Fofseptember 2012 en\u002Fofoktober 2012 en\u002Fofnovember 2012 en\u002Fofdecember 2012 en\u002Fof\n\n- januari 2013 en\u002Foffebruari 2013 en\u002Fofmaart 2013 en\u002Fofapril 2013 en\u002Fofmei 2013 en\u002Fofjuni 2013 en\u002Fofjuli 2013 en\u002Fofaugustus 2013 en\u002Fofseptember 2013 en\u002Fofoktober 2013 en\u002Fofnovember 2013 en\u002Fofdecember 2013 en\u002Fof\n\n- januari 2014 en\u002Foffebruari 2014 en\u002Fofmaart 2014 en\u002Fofapril 2014 en\u002Fofmei 2014 en\u002Fofjuni 2014 en\u002Fofjuli 2014 en\u002Fofaugustus 2014 en\u002Fofseptember 2014 en\u002Fofoktober 2014 onjuist en\u002Fofonvolledig heeft gedaan, immers heeft\u002Fhebbenzijen\u002Fof haar\u002Fhun mededaders(s)- zakelijk weergegeven -(telkens)opzettelijk op de\u002Fhetbijde Inspecteur der belastingen en\u002Fof de Belastingdienst te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, in elk gevalde Belastingdienst, ingeleverde\u002Fingezonden aangiftebiljet(ten)voor de omzetbelasting(betreffende de\u002Fhetgenoemde tijdvak(ken)) (ten name van de genoemde rechtspersoon) (telkens)een te laag bedrag aan omzet en\u002Fofeen te laag bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend en\u002Fofeen te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en\u002Fofeen te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijldat feit\u002Fdie feiten(telkens)ertoe strekte(n)dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van bovengenoemd strafbare feit zij, verdachte,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en\u002Fofaan welke verboden gedraging(en)zij,verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n2. [B.V. 2] op één of meerderetijdstippen inof omstreeksde periode van 1 januari 2012 tot en met 31 oktober 2016 te 's-Gravenhageen\u002Fof Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen,althans eenmaal (telkens)opzettelijk(een)bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten(een)(maand)aangifte(n)voor de omzetbelasting ten name van [B.V. 2] betreffende de\u002Fhettijdvak(ken):\n\n- januari 2012 en\u002Foffebruari 2012 en\u002Fofmaart 2012 en\u002Fofmei 2012 en\u002Fofjuni 2012 en\u002Fofjuli 2012 en\u002Fofaugustus 2012 en\u002Fofseptember 2012 en\u002Fofnovember 2012 en\u002Fof\n\n- januari 2013 en\u002Foffebruari 2013 en\u002Fofmaart 2013 en\u002Fofapril 2013 en\u002Fofjuli 2013 en\u002Fofoktober 2013 en\u002Fofnovember 2013 en\u002Fof\n\n- januari 2014 en\u002Foffebruari 2014 en\u002Fofmaart 2014 en\u002Fofmei 2014 en\u002Fofjuli 2014 en\u002Fofoktober 2014 en\u002Fofdecember 2014 en\u002Fof\n\n- februari 2015 en\u002Fofmaart 2015 en\u002Fofmei 2015 en\u002Fofjuni 2015 en\u002Fofjuli 2015 en\u002Fofaugustus 2015 en\u002Fofseptember 2015 en\u002Fofoktober 2015 en\u002Fofnovember 2015 en\u002Fof\n\n- januari 2016 en\u002Foffebruari 2016 en\u002Fofmaart 2016 en\u002Fofapril 2016 en\u002Fofmei 2016 en\u002Fofjuni 2016 en\u002Fofjuli 2016 en\u002Fofaugustus 2016 en\u002Fofseptember 2016 onjuist en\u002Fofonvolledig heeft gedaan,\n\nimmers heeft\u002Fhebbenzijen\u002Fof zijn\u002Fhun mededaders(s)- zakelijk weergegeven -(telkens)opzettelijk op de\u002Fhetbijde Inspecteur der belastingen en\u002Fof de Belastingdienst te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, in elk gevalde Belastingdienst, ingeleverde\u002Fingezonden aangiftebiljet(ten)voor de omzetbelasting(betreffende de\u002Fhetgenoemde tijdvak(ken)) (ten name van de genoemde rechtspersoon) (telkens)een te laag bedrag aan omzet en\u002Fofeen te laag bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend en\u002Fofeen te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en\u002Fofeen te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijldat feit\u002Fdie feiten(telkens)ertoe strekte(n)dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van bovengenoemd strafbare feitzij, verdachte,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,opdracht heeft gegeven en\u002Fofaan welke verboden gedraging(en)zij, verdachte,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n3. [B.V. 3] op één of meerderetijdstippen inof omstreeksde periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2017 te 's-Gravenhageen\u002Fof Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,meermalen, althans eenmaal (telkens)opzettelijk(een)bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten(een)(maanden\u002Fof kwartaal)aangifte(n)voor de omzetbelasting ten name van [B.V. 3] betreffende de\u002Fhettijdvak(ken):\n\n- tweede kwartaal 2015 en\u002Fofvierde kwartaal 2015 en\u002Fof\n\n- januari 2016 en\u002Foffebruari 2016 en\u002Fofmaart 2016 en\u002Fofapril 2016 en\u002Fofmei 2016 en\u002Fofjuni 2016 en\u002Fofjuli 2016 en\u002Fofaugustus 2016 en\u002Fofseptember 2016 en\u002Fofoktober 2016 en\u002Fofnovember 2016 en\u002Fofdecember 2016 en\u002Fof\n\n- januari 2017 en\u002Foffebruari 2017 en\u002Fofmaart 2017 en\u002Fofapril 2017\n\nonjuist en\u002Fofonvolledig heeft gedaan, immers heeft\u002Fhebbenzijen\u002Fof zijn\u002Fhun mededaders(s)- zakelijk weergegeven -(telkens)opzettelijk op de\u002Fhetbij deInspecteur der belastingen en\u002Fof de Belastingdienst te 's-Gravenhage en\u002Fof Apeldoorn, in elk geval deBelastingdienst, ingeleverde\u002Fingezonden aangiftebiljet(ten)voor de omzetbelasting(betreffende de\u002Fhetgenoemde tijdvak(ken)) (ten name van de genoemde rechtspersoon) (telkens)een te laag bedrag aan omzet en\u002Fofeen te laag bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend en\u002Fofeen te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en\u002Fofeen te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijldat feit\u002Fdie feiten (telkens)ertoe strekte(n)dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van bovengenoemd strafbare feitzij, verdachte,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,opdracht heeft gegeven en\u002Fofaan welke verboden gedraging(en)zij, verdachte,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,feitelijk leiding heeft gegeven;\n\n4. zij, op één of meertijdstippen inof omstreeksde periode van 1 juni 2015 tot en met 12 april 2017, te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,meermalen, althans eenmaal (een)geschrift(en) dat\u002Fdie bestemdwas\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-077) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-081) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-085) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-087) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-080) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-082) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-086) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-083) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-088) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-079) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-084) en\u002Fof\n\n- een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 12 april 2017 (DOC-078),\n\nalthans een of meer geschrift(en), (telkens)zijnde(een)geschrift(en) dat\u002Fdie bestemdwas\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen,(telkens) valselijk heeft opgemaakt en\u002Fofheeft vervalst, met het oogmerk om deze\u002Fditverklaring(en)\u002Fgeschrift(en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende datvalselijk opmaken en\u002Fofvervalsen(telkens)hierin bestaan datop\u002Fin die verklaring(en)betalingsgedrag, althans dat\u002Fdie geschrift(en)valselijk, immers in strijd met de waarheid is vermeld:\n\n- dat (volgens de Belastingdienst) door [B.V. 3] alle verschuldigde loonheffingen en\u002Fofpremie(s)volksverzekering en\u002Fofwerknemersverzekering en\u002Fofomzetbelasting (over een periode voorafgaand aan de datum zoals vermeld op de desbetreffende verklaringen betalingsgedrag) is\u002Fzijn betaald en\u002Fof\n\n- dat die\u002Fdatverklaring(en)\u002Fgeschrift(en)afkomstigwas\u002Fwaren van en\u002Fofopgemaakt en\u002Fofondertekendwas\u002Fwaren door\u002Fvan ((een)medewerker(s)van)de Belastingdienst;\n\nen\u002Fof\n\nzij, op één of meertijdstippen inof omstreeksde periode van 1 juni 2015 tot en met 12 april 2017, te 's-Gravenhageen\u002Fof Amsterdam en\u002Fof Gorinchem en\u002Fof Badhoevedorp en\u002Fof Lijnden en\u002Fof Rotterdam en\u002Fof Ridderkerk en\u002Fof Hendrik-Ido-Ambacht,althans in Nederland, tezamen en in vereniging met(een) ander(en), althans alleen,meermalen, althans eenmaalopzettelijk gebruik heeft gemaakten\u002Fof doen gebruik makenvan(een) vals(e) ofvervalst(e)geschrift(en), als waredat geschrift\u002Fdie geschriften echt en onvervalst, immers heeft verdachteeen of meerdereverklaring(en)betalingsgedrag, te weten\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-077) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-081) en\u002Fof\n\n–een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-085) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2015 (DOC-087) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-080) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-082) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 29 februari 2016 (DOC-086) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-083) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 8 juni 2016 (DOC-088) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-079) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 2 november 2016 (DOC-084) en\u002Fof\n\n-een verklaring betalingsgedrag op naam van [B.V. 3] , d.d. 12 april 2017 (DOC-078)\n\nalthans een of meer geschrift(en), (telkens)zijnde (een) geschrift(en) dat\u002Fdie bestemd was\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen, opgestuurd en\u002Fof doen opsturen en\u002Fof verstrekt en\u002Fof doen verstrekken en\u002Fof afgegeven en\u002Fof doen afgeven aan [B.V. 4] en\u002Fof [B.V. 5] en\u002Fof [B.V. 6] en\u002Fof [B.V. 7] en\u002Fof [B.V. 8] en\u002Fof [B.V. 9], althans een of meer (andere) rechtsperso(o)n(en)en bestaande dievalsheid ofvervalsing daarin datop\u002Fin de verklaring(en)betalingsgedrag valselijk, immers in strijd met de waarheid was vermeld:\n\n- dat (volgens de Belastingdienst)door [B.V. 3] alle verschuldigde loonheffingen en\u002Fofpremie(s)volksverzekering en\u002Fofwerknemersverzekering en\u002Fofomzetbelasting (over een periode voorafgaand aan de datum zoals vermeld op de desbetreffende verklaringen betalingsgedrag)is\u002Fzijn betaald en\u002Fof\n\n-dat die\u002Fdatverklaring(en)\u002Fgeschrift(en)afkomstigwas\u002Fwaren van en\u002Fofopgemaakt en\u002Fofondertekendwas\u002Fwaren door\u002Fvan ((een)medewerker(s)van)de Belastingdienst.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij tot het feit opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen,terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij tot het feit opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij tot het feit opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging meermalen gepleegd.\n\nHet onder 4 bewezenverklaarde levert op:\n\nvalsheid in geschrift, meermalen gepleegd.\n\nen\n\nopzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDoor de raadsman is bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle\n\nrechtsvervolging, aangezien sprake is geweest van putatieve overmacht in de zin van\n\neen noodtoestand. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat zij werd geconfronteerd met een conflict van plichten waarbij zij de plicht tot het (op tijd) betalen van omzetbelasting heeft opgeofferd [en deze (deels) heeft opgeschort] om te voldoen aan de maatschappelijke plicht om een nog levensvatbaar bedrijf in de lucht te houden en het personeel door te betalen. De raadsman concludeert tot ontslag van rechtsvervolging.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\n De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat het verweer dient te worden verworpen nu de verdachte het betalen van de salarissen van het personeel niet had mogen laten voorgaan op het doen van juiste aangiften omzetbelasting en het daarop betalen daarvan, ook gelet op de omstandigheid dat de fiscus een preferente schuldeiser is. Bovendien is sprake geweest van een lange periode waarover de gedragingen hebben plaatsgevonden en waren er redelijke alternatieve mogelijkheden voorhanden.\n\nBeoordeling\n\nNu de verdediging zich beroept op putatieve overmacht begrijpt het hof het verweer van de verdachte aldus dat sprake is van een beroep op de buitenwettelijke schulduitsluitingsgrond van afwezigheid van strafrechtelijke relevante schuld (ook wel aangeduid als afwezigheid van alle schuld, verder: AVAS) met betrekking tot de aan de verdachte onder 1, 2 en 3 verweten gedragingen.\n\nVoor een geslaagd beroep op AVAS dient de verdachte verontschuldigbaar te hebben gedwaald omtrent haar plicht om de juiste aangifte omzetbelasting te doen.\n\nOp grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat de verdachte als feitelijk leidinggever van de drie bedrijven verantwoordelijk was voor het correct en tijdig doen van de aangiften omzetbelasting. Zij heeft dat op de bewezenverklaarde wijze nagelaten.\n\nNaar het oordeel van het hof blijken uit hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen feiten en omstandigheden op grond waarvan de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent de te maken afweging. Enerzijds wist zij heel goed dat zij de wettelijke plicht had om juiste en volledige aangiften en afdrachten van de omzetbelasting te doen en anderzijds zijn geen omstandigheden gesteld die het standpunt ondersteunen dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat zij moest voldoen aan de gestelde ongeschreven maatschappelijke plicht om het loon door te betalen ten koste van de verplichtingen jegens de belastingdienst en\u002Fof dat zij geen andere afweging kon maken dan zij heeft gedaan. Zij heeft de situatie jarenlang laten voorduren en bovendien in dat kader ook nog verklaringen omtrent betalingsgedrag vervalst waaruit zou volgen dat zij aan haar belastingverplichtingen had voldaan, opdat ondernemingen op basis van deze onjuiste voorstelling van zaken de ondernemingen waarvan ze feitelijk leidinggever was, zouden blijven contracteren voor het leveren van diensten. Voorts werd de financiële ruimte die ontstond door de te lage aangiften en afdrachten omzetbelasting, onder andere gebruikt om een oude belastingschuld af te betalen.\n\nOnder die omstandigheden is het naar het hof derhalve niet aannemelijk geworden dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent een bij de belastingwet voorziene verplichting om de aangiften juist en volledig te doen.\n\nHet hof verwerpt dan ook het verweer van de verdediging en de verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich jarenlang schuldig gemaakt aan belastingfraude. Zij heeft feitelijk leiding gegeven aan, en opdracht verstrekt tot, het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting door drie ondernemingen. Het is van essentieel belang dat de Belastingdienst vertrouwen kan stellen in de juistheid van de ingediende belastingaangiften. Dit essentiële vertrouwen is in deze zaak, door toedoen van de verdachte, ernstig geschaad. De verdachte heeft namelijk in een periode van ruim zes jaar structureel aangiften omzetbelasting ingediend die niet overeenkwamen met de werkelijkheid, met als gevolg dat zij de Belastingdienst heeft benadeeld, en daarmee de samenleving als geheel, voor miljoenen euro’s.\n\nEvenals de rechtbank gaat het hof bij de berekening van de omvang van het nadeel\n\nuit van het feitelijk geleden nadeel. Dat houdt in dat het te veel betaalde bedrag aan omzetbelasting in bepaalde maanden wordt afgetrokken van het nadeelbedrag over de maanden en jaren dat te weinig belasting is betaald. Het hof komt dan uit op een berekend fiscaal nadeelbedrag van om en nabij € 3,9 miljoen.\n\nDe verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het vervalsen van verklaringen omtrent betalingsgedrag en het gebruik daarvan. Zij gebruikte deze verklaringen om tegenover klanten de indruk te wekken dat de bedrijven aan al hun fiscale verplichtingen hadden voldaan om hen door deze onjuiste voorstelling van zaken ertoe te bewegen met die ondernemingen te blijven contracteren.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 april 2026, waaruit blijkt dat aan de verdachte eerder door het Openbaar Ministerie een strafbeschikking is opgelegd voor het plegen van valsheid in geschrift en dat de verdachte zich kort hierna wederom schuldig heeft gemaakt aan hetzelfde strafbare feit.\n\nHet hof zal bij het bepalen van de straf uitgaan van dit eerder genoemde benadelingsbedrag van € 3,9 miljoen. Daarbij merkt het hof op dat het oriëntatiepunt fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als benedengrens bij een fraudebedrag van een miljoen euro of meer een gevangenisstraf van 24 maanden of meer inhoudt. De hierboven beschreven ernst en duur van de feiten rechtvaardigen hier de keuze om een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren op te leggen. Een taakstraf is bij dit feitencomplex niet aan de orde.\n\nAls strafmatigend neemt het hof in aanmerking dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 25 augustus 2016, te weten het moment van het geven van de cautie en het verhoor van de verdachte bij de Belastingdienst over de onderhavige feiten. In eerste aanleg zijn meer dan twee jaren verstreken tussen het aanvangen van de termijn en het vonnis, dat is gewezen op 15 februari 2021. De redelijke termijn is in eerste aanleg overschreden met bijna 2,5 jaren. In totaal heeft de verdachte dus 4,5 jaar na haar eerste verhoor moeten wachten op een oordeel van de rechtbank. Hiervoor is geen goede verklaring te geven: de verdachte heeft direct na haar aanhouding in haar verhoren de strafbare feiten bekend en zij heeft zelf ook geen onderzoekswensen ingediend.\n\nIn de appelfase zijn ook meer dan twee jaren verstreken tussen het namens de verdachte instellen van het hoger beroep op 1 maart 2021 en het wijzen van het arrest op 6 mei 2026. De redelijke termijn is in hoger beroep overschreden met ruim 3 jaren, terwijl de verdachte ook in hoger beroep geen onderzoekswensen heeft ingediend. Inmiddels zijn dus bijna 10 jaar verstreken sinds het eerste verhoor van de verdachte.\n\nHet hof zal vanwege de ernstige overschrijding van de redelijke termijn geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.\n\nVoorts houdt het hof in matigende zin rekening met de proceshouding van de verdachte. Ze heeft de fraude onmiddellijk toegeven en haar verantwoordelijkheid niet ontkend. Tevens houdt het hof houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder haar leeftijd (bijna 74 jaar) en haar gezondheidssituatie\n\nAlles afwegende ziet het hof aanleiding om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de maximale duur die de wet kent, namelijk twee jaar.\n\nInbeslaggenomen voorwerpen\n\nTen aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggeven voorwerpen beslist het hof,\n\novereenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging,\n\nals volgt.\n\nHet hof zal de teruggave gelasten aan de verdachte van de aan dit arrest gehechte beslaglijst onder 5 t\u002Fm 26 vermelde voorwerpen\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 51, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van2 (twee) jaren.\n\nBepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf alsdan in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van de op de lijst van inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, namelijk de voorwerpen genummerd:\n\n- 5 t\u002Fm 26.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M. Koole, als voorzitter, mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. V.M. de Winkel, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 mei 2026.\n\nmr. M.I. Veldt-Foglia is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1592","2026-05-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:31.135Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":43,"courtId":91,"decisionDate":92,"fullText":93,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":50,"updatedAt":96},"733","ECLI:NL:RBZWB:2026:3321","ecli-nl-rbzwb-2026-3321",64,"2026-04-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F1851\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 7 maart 2025.\n\n1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 40.950 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur een vergrijpboete van € 20.475 opgelegd (de boetebeschikking) en € 5.229 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).\n\n1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende (gedeeltelijk) gegrond verklaard. Daarbij heeft de inspecteur de boetebeschikking verminderd tot € 20.435. De naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking zijn gehandhaafd.\n\n1.3. De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur,\n\n [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking terecht en niet naar te hoge bedragen heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag opgelegd. Verder is de boetebeschikking terecht maar naar een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de belastingrentebeschikking terecht en niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.\n\nFeiten\n\n3. Gemachtigde is enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende. Daarnaast is gemachtigde de enig aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ). De activiteiten van belanghebbende bestaan uit het ontwikkelen, produceren en uitgeven van software en het adviseren en ondersteunen op het gebied van informatietechnologie.\n\n3.1. Gemachtigde dreef in het jaar 2018 een eenmanszaak onder de naam [belanghebbende] .\n\n3.2. Belanghebbende heeft over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 (per kwartaal) de volgende aangiften omzetbelasting ingediend:\n\nTijdvak\n\nOmzet prestaties hoog tarief\n\nOB hoog tarief\n\n(verschuldigd)\n\nVoorbelasting\n\nTe betalen OB\n\nQ1 2018\n\nnihil\n\nnihil\n\nnihil\n\nnihil\n\nQ2 2018\n\nnihil\n\nnihil\n\nnihil\n\nnihil\n\nQ3 2018\n\n€ 39.500\n\n€ 8.295\n\n-\u002F- € 3.240\n\n€ 5.055\n\nQ4 2018\n\n€ 55.000\n\n€ 11.550\n\nnihil\n\n€ 11.550\n\n3.3. De inspecteur heeft bij brief van 30 november 2018 een boekenonderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van (onder meer) de aangiften omzetbelasting over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juni 2018. Gelijktijdig heeft hij belanghebbende verzocht om auditbestanden te overleggen. Over het onderzoek is gecorrespondeerd met (onder meer) de toenmalige [belastingadviseur] ( [belastingadviseur] ).\n\n3.4. Op 28 februari 2019 heeft de inspecteur aan belanghebbende een brief gestuurd waaruit volgt dat de reikwijdte van het boekenonderzoek is uitgebreid en betrekking heeft op (onder meer) de aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 2018 tot en met\n\n31 december 2018.\n\n3.5. [belastingadviseur] heeft bij e-mailbericht van 6 september 2019 de auditbestanden aan de inspecteur toegezonden. Uit de auditbestanden volgt dat belanghebbende in 2018 een totale omzet heeft gerealiseerd van (afgerond) € 291.608, waarover (afgerond) € 89.094 aan omzetbelasting is verschuldigd.\n\n3.6. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport van\n\n31 mei 2022. Het controlerapport vermeldt onder meer:\n\n“2.3 Administratie\n\n(…)\n\nDe heer [gemachtigde] verzorgt de dagelijkse administratie. Dit bestaat uit het factureren en het bewaren van de facturen en bankafschriften in de Cloud.\n\n(…)\n\n2.4 Adviseur\n\n(…)\n\nDe adviseur heeft eerst naar aanleiding van de vooraankondiging van het boekenonderzoek de beschikking gekregen over de bankmutaties van de heer [gemachtigde] . De adviseur heeft de bankmutaties verwerkt met het boekhoudpakket Profit. Hierbij is geen kennis genomen van de verzonden en ontvangen facturen. De adviseur geeft zelf ook aan dat hij te laat heeft beschikt over de financiële gegevens. Tevens is hij pas achteraf geïnformeerd door de heer [gemachtigde] over de oprichting van de BV.\n\n(…)\n\n3.2 Aansluiting financiële administratie \u002F aangiften\n\n(…)\n\nAuditfiles\n\n(…)\n\n2018\n\nHet verschil dient te worden nageheven.\n\nCorrectie 3\n\n(…)\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2018 € 40.871\n\n(…)\n\n3.6.1 Aftrekbaarheid van de voorbelasting\n\n(…)\n\nCorrectie 2\n\nMinder voorbelasting omzetbelasting 2018 € 79\n\n(…)\n\n6.1 Vergrijpboete op grond van 67f Awr\n\nIk ben van mening dat het aan ( voorwaardelijke) opzet van belanghebbende is te wijten dat de\n\nomzetbelasting over de periode 7 april 2017 tot en met 31 december 2018, niet, gedeeltelijk niet\n\ndan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is voldaan.\n\n(…)”\n\n3.7. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur de naheffingsaanslag, boete- en belastingrentebeschikking met dagtekening 25 juni 2022 vastgesteld (zie 1.1).\n\n3.8. [belastingadviseur] heeft de inspecteur bij e-mailbericht van 16 maart 2023 een Excel-bestand toegestuurd. Daarin staat dat belanghebbende in 2018 een totale omzet heeft gerealiseerd van (afgerond) € 187.626, waarover (afgerond) € 39.401 aan omzetbelasting is verschuldigd.\n\n3.9. Op 23 augustus 2023 heeft de inspecteur aan gemachtigde een e-mailbericht gestuurd waarin (onder meer) het volgende staat:\n\n“(…) Volgens uw gegevens was de omzet 2018 van [belanghebbende] BV € 187.626. Volgens de gegevens die tijdens het boekenonderzoek zijn geconstateerd was de omzet over 2018 € 291.608. Ik stuurt een excel-sheet van die omzetberekening als bijlage mee. Volgens het overzicht bestond de omzet 2018 uit:\n\n€ 187.441; gefactureerd door [belanghebbende] BV\n\n€ 101.902; Omzet [B.V. 2] via reversed billing\n\n€ 2.265: verschil met berekende totale omzet\n\nOpvallend is dat het totale bedrag van € 291.608 ook als omzet is aangegeven in de op 5 augustus 2022 door [adviseur] ingediende aangifte VPB 2018 van [belanghebbende] BV. Dus uw adviseur [adviseur] was het blijkbaar eens met die omzet van € 291.608.\n\nOnze discussie over de omzet lijkt vooral te gaan om die ca. € 102.000 omzet [B.V. 2] . (…)”\n\n3.10. Op 24 april 2024 heeft (digitaal) een hoorgesprek plaatsgevonden. Van het hoorgesprek is een verslag opgemaakt waarin – voor zover relevant – het volgende staat:\n\n“5. De standpunten van de betrokken partijen kunnen als volgt worden weergegeven:\n\n De heer [gemachtigde] geeft aan dat de omzet van € 187.626 ( exclusief btw) juist is en daarom ook niet in geschil is. Deze omzet volgt tevens een Excel-bestand aangeleverd door de heer [gemachtigde]\n\n( per e-mail met dagtekening 18 juli 2023).\n\n De omzet van [B.V. 2] van € 101.902,50 zou volgens de heer [gemachtigde] echter wellicht bij [B.V. 1] moeten worden aangegeven en niet verschuldigd zijn door [belanghebbende] B.V.. De heer [gemachtigde] gaat dit nader bekijken. Doordat alle verkoopfacturen gericht aan [B.V. 2] uitgereikt zijn door (of namens) [belanghebbende] B.V., is ons standpunt dat de btw die wordt vermeld op de factuur ook door [belanghebbende] B.V. verschuldigd is.\n\n(…)”\n\n3.11. De inspecteur heeft belanghebbende op 30 mei 2024 een toelichting gestuurd over de opbouw van de naheffingsaanslag. In de toelichting staat – voor zover relevant – het volgende:\n\n“Tussenconclusie: Uit het feit dat de inspecteur in het controlerapport voor de eenmanszaak uitgaat van een netto omzet van € 0 volgt al dat er geen sprake is van een dubbeltelling in de zin dat dezelfde omzet tegelijkertijd bij zowel de BV als bij de eenmanszaak in aanmerking wordt genomen.3. Auditfile\n\nUitgangspunt voor de beoordeling van de omzet is de auditfile. Aan de inspecteur is eerst een auditfile met een netto omzet van € 289.335 voor de BV voor het jaar 2018 verstrekt. Later is een tweede versie van de auditfile over 2018 verstrekt met een netto omzet van € 291.608,36 (zie bijlage). Dit laatste bedrag is ook als omzet aangegeven in de aangifte Vennootschapsbelasting 2018.\n\n(…)\n\n5. Verschil tussen eerste en tweede auditfile\n\nHet verschil tussen de eerste en tweede audit file bedraagt € 2.273. Dit verschil betreft een omzetboeking van € 2.272,68 op 31-12-2018 met omschrijving (…)\n\n6. Conclusie ten aanzien van verschuldigde btw\n\nUit de auditfiles en de verkoopfacturen volgt dat de omzet van € 291.608,36 (= € 289.335 + € 2.273) aansluit bij de administratie van [belanghebbende] BV. De verschuldigde btw die de inspecteur in aanmerking heeft genomen is 21% van € 291.608,36 = € 61.238.\n\n(…)”\n\n3.12.. De inspecteur heeft het bezwaar met dagtekening 7 maart 2025 (deels) gegrond verklaard en de vergrijpboete verminderd tot € 20.435.\n\n3.13.. \n\nTot de gedingstukken behoort een projectovereenkomst tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ). In de overeenkomst is opgenomen dat [B.V. 1] van\n\n1 april 2018 tot 30 september 2018 diensten zal verrichten ten behoeve van [B.V. 2] tegen een uurtarief van € 110, exclusief btw. De projectovereenkomst is enkel ondertekend door [B.V. 2] .\n\n3.14.. \n\n [B.V. 2] heeft de facturen via self-billing opgesteld. Daarop staat belanghebbende als leverancier vermeld. De facturen zijn gedateerd van 28 juni 2018 tot en met\n\n18 december 2018 en zien op werkzaamheden die voor [B.V. 2] zijn verricht in de periode van 4 juni 2018 tot en met 16 december 2018.\n\n3.15.. Bij het verweerschrift heeft de inspecteur een overzicht overgelegd waaruit volgt dat de vermelde omzet op de facturen van [B.V. 2] in totaal € 101.902 bedraagt en dat daarover in totaal € 21.399 aan omzetbelasting is verschuldigd.\n\n3.16.. Belanghebbende heeft over het jaar 2018 een aangifte vennootschapsbelasting ingediend en een netto omzet van € 291.608 aangegeven.\n\n3.17.. \n\nDe inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld bij [B.V. 1] naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over (onder meer) de periode van\n\n1 januari 2018 tot en met 31 december 2018. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport van 31 mei 2022. In het controlerapport staat – voor zover relevant – het volgende:\n\n“3.7 Verschuivingen\n\n(…)\n\nHet verschil in 2018 dient te worden nageheven.\n\n(…)”\n\nOverwegingen\n\nIs de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag opgelegd?\n\n4. Tussen partijen is niet in geschil dat de omzet van € 187.626 – zoals volgt uit de administratie van belanghebbende (zie 3.8) – juist is. Evenmin is in geschil dat [B.V. 2] in totaal € 101.902 (excl. btw) heeft betaald voor werkzaamheden verricht door de gemachtigde (zie 3.15). Partijen houdt uitsluitend verdeeld of belanghebbende de op deze facturen vermelde omzetbelasting van € 21.399 op aangifte had moeten voldoen.\n\n4.1.. \n\nDe inspecteur wijst erop dat belanghebbende in haar administratie een omzet van € 291.608 heeft opgenomen (zie 3.5). Dit bedrag heeft belanghebbende ook aangegeven in haar aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2018. Nu de facturen van [B.V. 2] via\n\nself-billing op naam van belanghebbende zijn gesteld, moet zij de omzetbelasting op aangifte voldoen, aldus de inspecteur. Volgens de inspecteur wordt de omzetbelasting zodoende ook niet dubbel meegenomen. In de aangiften van [B.V. 1] ontbreekt de aansluiting voor de omzet van € 101.902 (zie 3.17) en de eenmanszaak [belanghebbende] heeft geen omzet behaald (zie 3.11).4.2.. Belanghebbende voert aan dat [B.V. 1] de omzetbelasting is verschuldigd die op de facturen van [B.V. 2] staat vermeld. Daarnaast voert zij aan dat de bedragen mogelijk dubbel zijn verwerkt bij de eenmanszaak [belanghebbende] of [B.V. 1] .\n\n4.3.. De rechtbank stelt vast dat [B.V. 1] een projectovereenkomst heeft gesloten met [B.V. 2] (zie 3.13). Op de door [B.V. 2] opgemaakte facturen staat belanghebbende echter vermeld als leverancier (zie 3.14). De bedragen die staan vermeld op de facturen van [B.V. 2] zijn ook opgenomen in de (tweede versie van de) auditbestanden (zie 3.5) en de aangifte vennootschapsbelasting van belanghebbende (zie 3.16). Belanghebbende heeft ter zitting geen verklaring kunnen geven voor de vermelding van haar naam op deze facturen en de verwerking in haar administratie, terwijl de diensten volgens haar door [B.V. 1] zijn verricht. De gemachtigde werkt voor beide vennootschappen, zodat hij de werkzaamheden namens elk van de vennootschappen kan hebben verricht.\n\n4.4.. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat mag worden uitgegaan van de gegevens zoals die volgen uit de facturen en financiële administratie (van belanghebbende). De enkele omstandigheid dat [B.V. 1] op de overeenkomst is vermeld, is onvoldoende om ervan uit te gaan dat deze vennootschap de diensten heeft verricht. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende de verschuldigde omzetbelasting op aangifte had moeten voldoen.\n\n4.5.. Ook indien [B.V. 1] als de feitelijke dienstverlener moet worden aangemerkt, blijft belanghebbende op grond van artikel 37 van de Wet OB de op de [B.V. 2] -facturen vermelde omzetbelasting verschuldigd. Voldoende is dat via self-billing op naam van belanghebbende facturen zijn uitgereikt waarop verschuldigde omzetbelasting is vermeld. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat van een dubbeltelling zoals belanghebbende heeft aangevoerd, geen sprake is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de inspecteur heeft toegelicht dat de eenmanszaak [belanghebbende] nihilaangiften omzetbelasting heeft ingediend. Daarnaast heeft [B.V. 1] de omzet ook niet in haar aangiften omzetbelasting verantwoord. Dit volgt tevens uit het controlerapport dat naar aanleiding van het boekenonderzoek bij [B.V. 1] is opgesteld (zie 3.17).\n\n4.6.. Voorgaande betekent dat belanghebbende de op de [B.V. 2] -facturen vermelde omzetbelasting van € 21.399 is verschuldigd. De inspecteur heeft de omzetbelasting op de vergoedingen van [B.V. 2] dus terecht in de naheffingsaanslag opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur op grond van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag is opgelegd. De vraag of sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast kan daarom in het midden blijven.\n\n4.7.. Al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ten aanzien van het handelen van de inspecteur leidt niet tot de conclusie dat enig beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden.\n\nIs de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?\n\n4.8.. De inspecteur heeft op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd van 50% van de belasting die is nageheven. Volgens de inspecteur heeft het (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende ertoe geleid dat te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan (zie 3.6). Subsidiair heeft de inspecteur gesteld dat sprake is van grove schuld en een boete van 25% van de nageheven belasting zou zijn gerechtvaardigd.\n\n4.9.. De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’.De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan het (voorwaardelijk) opzet dan wel grove schuld van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende te weinig omzetbelasting op aangifte heeft voldaan.\n\n4.10.. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).\n\n4.11.. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Daarom gaat de rechtbank bij de beoordeling van de vergrijpboete uit van de omzetcijfers en de daarover verschuldigde omzetbelasting, zoals vermeld in het controlerapport (zie 3.6).\n\nFacturen van [B.V. 2]\n\n4.12.. Zoals reeds overwogen onder 4.4 tot en met 4.6 is belanghebbende omzetbelasting verschuldigd over de bedragen die zijn vermeld op de facturen van [B.V. 2] . Belanghebbende heeft deze omzet (€ 101.902) niet in haar aangiften omzetbelasting vermeld.\n\n4.13.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet overtuigend aangetoond dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet met betrekking tot het niet vermelden van de bedragen op de facturen van [B.V. 2] in de aangiften omzetbelasting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de gemachtigde – die de administratie van belanghebbende verzorgde – kennelijk niet op de hoogte was artikel 37 van de Wet OB en in de veronderstelling verkeerde dat deze facturen bij [B.V. 1] thuishoorden. In het dossier ontbreken aanknopingspunten waaruit volgt dat belanghebbende voor deze facturen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig omzetbelasting op aangifte zou worden voldaan.\n\n4.14.. Wel is naar het oordeel van de rechtbank overtuigend aangetoond dat het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de verschuldigde omzetbelasting niet is voldaan. Belanghebbende heeft ten onrechte geen omzetbelasting afgedragen over de vermelde bedragen op de facturen van [B.V. 2] , terwijl deze facturen wel op haar naam zijn uitgereikt en de vergoedingen door haar zijn ontvangen. Belanghebbende heeft vergaand nalatig gehandeld door pas later haar administratie uit te besteden aan een deskundige, terwijl zij wist dat haar administratie niet op orde was en niet na te gaan of de verschuldigde omzetbelasting op aangifte moest worden voldaan. Het handelen (en nalaten) van gemachtigde dient aan belanghebbende te worden toegerekend, nu gemachtigde enig aandeelhouder en bestuurder is van belanghebbende (zie 3).\n\n4.15.. Het voorgaande leidt ertoe dat de vergrijpboete, voor zover deze betrekking heeft op vermelde bedragen op de [B.V. 2] -facturen, dient te worden verminderd tot 25%. De boete is daarom terecht opgelegd voor zover deze ziet op de facturen van [B.V. 2] , maar is wel te hoog. De rechtbank zal hierna toelichten hoe dit (cijfermatig) uitwerkt.\n\nEerste en tweede kwartaal van 2018\n\n4.16.. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat sprake voorwaardelijk opzet met betrekking tot de aangiften omzetbelasting over het eerste en tweede kwartaal van 2018. De rechtbank acht buiten redelijke twijfel dat het aan het (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan. Belanghebbende heeft over deze kwartalen nihilaangiften ingediend, terwijl zij wist dat omzet was behaald en omzetbelasting was verschuldigd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de gemachtigde de administratie voerde en facturen opstelde van de door belanghebbende verrichtte werkzaamheden. In zoverre is de boete daarom terecht.\n\n4.17.. \n\nDe rechtbank constateert dat de inspecteur een factuur van [B.V. 2] gedateerd\n\n28 juni 2018 in de boetegrondslag over het tweede kwartaal van 2018 heeft betrokken. Zoals hiervoor overwogen, is met betrekking tot de facturen van [B.V. 2] sprake van grove schuld. Dit betekent dat de boete over dat kwartaal dient te worden gematigd met € 208. Voor het overige blijft de boete voor zover de boetegrondslag ziet op het eerste en tweede kwartaal van 2018 in stand.\n\nDerde en vierde kwartaal van 2018\n\n4.18.. Vast staat dat belanghebbende aangiften omzetbelasting heeft ingediend naar bedragen van € 5.055 (Q3) en € 11.550 (Q4) (zie 3.2). Uit het controlerapport – en dus uit de financiële administratie van belanghebbende – volgen hogere bedragen aan omzetbelasting van € 13.013 (Q3) en € 35.081 (Q4) (zie 3.6) dan vermeld in de aangiften omzetbelasting.\n\n4.19.. Voor zover de bedragen uit het controlerapport betrekking hebben op de facturen van [B.V. 2] is sprake van grove schuld. De rechtbank overweegt dat voor de overige bedragen – die (ook) niet in de aangiften omzetbelasting zijn vermeld – ook sprake is van grove schuld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende wel aangiften omzetbelasting heeft gedaan naar te betalen bedragen en de verschillen tussen de aangiften en de administratie met name worden veroorzaakt door de facturen van [B.V. 2] . De rechtbank acht niet overtuigend aangetoond dat belanghebbende willens en wetens bedragen niet op aangifte heeft voldaan. Wel is sprake van grove schuld, aangezien de bedragen rechtstreeks uit de (later) opgemaakte administratie volgen en het ernstig nalatig is van belanghebbende dat zij haar administratie niet op orde had. Dit betekent dat de vergrijpboete voor zover de boetegrondslag ziet op het derde en vierde kwartaal van 2018 dient te worden gematigd met € 7.872.4.20.. Het voorgaande betekent dat de boete met € 8.080wordt verminderd naar € 12.355. De rechtbank acht deze boete passend en geboden. Tot slot moet bij beoordeling van de boete rekening worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De in aanmerking te nemen termijn is aangevangen met de toezending van het concept-controlerapport bij brief van 14 april 2021 en eindigt met deze uitspraak. Dat betekent dat afgerond vijf jaar en één maand zijn verstreken. De redelijke termijn is als uitgangspunt twee jaar, waardoor de redelijke termijn is overschreden met 2 jaar en één maand.De boete wordt daarom verder gematigd met 20% tot € 9.884.\n\nBelastingrente\n\n4.21.. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikking. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de vergrijpboete tot € 9.884. De naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking blijven in stand.\n\n5.1.. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Wel krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend met betrekking tot de boetebeschikking;\n\nvermindert de vergrijpboete tot € 9.884;\n\nbepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 385 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. D. Damen, griffier, op 24 april 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nAan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.\n\n Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n € 831,60 x 25%.\n\n € 7.958 (€ 13.013 - € 5.055) + € 23.531 (€ 35.081 - € 11.550) x 25%.\n\n € 208 + € 7.872.\n\n € 20.435 - € 8.080.\n\n Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.\n\n Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\n Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de Awr.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3321","2026-04-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:45.487Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":43,"courtId":81,"decisionDate":101,"fullText":102,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":50,"updatedAt":105},"1724","ECLI:NL:GHDHA:2026:1881","ecli-nl-ghdha-2026-1881","2026-04-08T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-25\u002F548\n\nUitspraak van 8 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: N.A. Gangadin)\n\nen\n\nde ontvanger van de Belastingdienst, de Ontvanger,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 juni 2025, nummer SGR 24\u002F7856.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Ontvanger heeft belanghebbende een aanmaning gezonden ter zake van een aan hem voor het jaar 2024 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (de aanmaning en de naheffingsaanslag). Bij de aanmaning zijn bij beschikking kosten van vervolging ten bedrage van € 9 in rekening gebracht (de aanmaningskosten). De Ontvanger heeft vervolgens een dwangbevel aan belanghebbende betekend met bevel tot betaling van de aanslag en de aanmaningskosten. In het dwangbevel heeft de Ontvanger voor de betekening bij beschikking een bedrag van € 49 in rekening gebracht (de betekeningskosten).\n\n1.2.. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Ontvanger belanghebbendes bezwaren tegen de aanmaningskosten en dwangbevelkosten gegrond verklaard en verminderd tot nihil. De Ontvanger heeft een proceskostenvergoeding van € 156 toegekend.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 289 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 15 februari 2026 nadere stukken ingediend.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2. De Ontvanger heeft de bezwaren tegen de aanmaningskosten en betekeningskosten bij uitspraak op bezwaar gegrond verklaard. Ter zake van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft de Ontvanger in de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar vermeld:\n\n“Forfaitaire vergoeding rechtsbijstand\n\nUw cliënt heeft recht op onderstaande forfaitaire vergoeding voor het inschakelen van rechtsbijstand.\n\nIndienen van het bezwaar: 1 punt\n\nVergoeding per punt € 624,00\n\nWegingsfactor van dit bezwaar (zeer licht) 0,25\n\n € 156,00\n\nWegingsfactor\n\nHet gewicht van de zaak wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid. De uitkomst van de beoordeling dient in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener.\n\nIk ben van mening dat dit een zaak is met een zeer licht gewicht, omdat u als gemachtigde had kunnen volstaan met een verwijzing naar de nog lopende procedure tegen de betreffende aanslag en het ingediende verzoek om uitstel.\n\nGelet op de inhoud en de omvang van het bezwaar ben ik van mening dat er sprake is van een geringe werkbelasting. Ik heb de wegingsfactor vastgesteld op 0,25.\n\nSamenhang\n\nAangezien ik uw bezwaar tegen de aanmaningskosten\u002Fdwangbevelkosten voor de aanslag (…) gelijktijdig heb behandeld en het in beide gevallen gaat om bezwaren tegen kosten van vervolging waarbij de werkzaamheden van de gemachtigde nagenoeg identiek (konden) zijn, zie ik deze zaken als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Gelet op het bovenstaande keer ik slechts eenmaal een kostenvergoeding uit. Het totale bedrag aan kostenvergoeding voor dit bezwaar heb ik daarom vastgesteld op € 156,00. Dit bedrag zal op korte termijn worden uitbetaald of verrekend.”\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Ontvanger als verweerder:\n\n“8. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder uitgaan van wegingsfactor 0,25. De inspanning van de gemachtigde heeft zich in de bezwaarfase kunnen beperken tot de schriftelijke melding dat de aanmaningskosten respectievelijk de dwangbevelkosten onterecht in rekening zijn gebracht omdat eiser uitstel van betaling had. De twee geschriften zijn nagenoeg gelijkluidend, op één zin na. Het betreft dan ook eenvoudige, beperkte werkzaamheden van korte duur die slechts een geringe inspanning van de rechtsbijstandverlener vergden.\n\n9. Nu de bezwaren van eiser gelijktijdig zijn behandeld, rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener nagenoeg identiek konden zijn, is sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 Bpb. Volgens de bijlage bij het Bpb geldt voor minder dan 4 samenhangende zaken een factor 1. Verweerder heeft dan ook terecht éénmaal proceskostenvergoeding toegekend. Omstandigheden voor een hogere vergoeding acht de rechtbank niet aanwezig.\n\n10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.\n\n11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In geschil is of de Rechtbank de kostenvergoeding voor de bezwaarfase tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. In bijzonder in geschil is de hoogte van de wegingsfactor. Niet langer in geschil is dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de kostenvergoeding en tot vaststelling van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase met toepassing van een wegingsfactor van primair 1 en subsidiair 0,5.\n\n4.3.. De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\n5.1.. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de Ontvanger voor de bezwaarfase ten onrechte een kostenvergoeding heeft toegekend met toepassing van wegingsfactor 0,25 (zeer licht), omdat de gemachtigde van belanghebbende meerdere inhoudelijke proceshandelingen heeft verricht. Zo heeft hij afzonderlijke bezwaarschriften ingediend tegen de aanmaningskosten en de betekeningskosten en inhoudelijke gronden aangevoerd onder verwijzing naar beleid en jurisprudentie. Vanwege deze extra werkbelasting, hetgeen het gevolg is van meerdere fouten van de Ontvanger tijdens de invorderingsprocedure, dient een wegingsfactor van 1 dan wel 0,5 te worden gehanteerd, aldus belanghebbende.5.2.. De Ontvanger stelt dat de Rechtbank terecht is uitgegaan van een wegingsfactor van 0,25.\n\n5.3.. Het Hof stelt voorop dat het als beoordelende instantie op grond van een eigen waardering dient te beoordelen in welke gewichtscategorie van onderdeel C1 van de Bijlage bij het Bpb de zaak valt (vgl. HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:915, r.o. 3.3.3). Hierbij moet per fase van de procedure worden beoordeeld welke wegingsfactor van toepassing is (HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243, r.o. 3.2.2). Het aan een zaak toekomende gewicht wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang, de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener (vgl. HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162, r.o. 3.3).\n\n5.4.. Hoewel de gemachtigde van belanghebbende twee afzonderlijke bezwaarschriften heeft ingediend, die overigens nagenoeg gelijkluidend zijn, is sprake van een zeer eenvoudig te beslechten geschil waarbij zijn werkzaamheden en inspanningen gering zijn geweest. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat een wegingsfactor van 0,25 (‘zeer licht’) passend is vanwege de eenvoud van het geschil en de daarmee gepaard gaande eenvoudige, beperkte werkzaamheden van korte duur van de gemachtigde.\n\n5.5.. Hetgeen belanghebbende daartegenover heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat een hogere wegingsfactor moet worden toegekend enkel omdat de Ontvanger heeft erkend dat de aanmaning en het dwangbevel ten onrechte zijn gegeven. Voor zover belanghebbende verwijst naar een aantal uitspraken in belastingzaken waarin een hogere wegingsfactor dan 0,25 is toegepast, overweegt het Hof dat de feiten in deze zaken andersluidend zijn dan in de onderhavige zaak en dat de gewichtscategorie in iedere zaak op grond van een eigen waardering dient te worden beoordeeld.\n\n5.6.. Voor zover belanghebbende stelt dat de uitspraak van de Rechtbank onvoldoende is gemotiveerd doordat belanghebbendes verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank van 25 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23359 (SGR 23\u002F6435) niet is beoordeeld, overweegt het Hof dat de feiten in deze zaak niet gelijk zijn aan de onderhavige zaak. Bijkomend overweegt het Hof dat het enkele feit dat de Rechtbank deze uitspraak in dit geval niet expliciet in haar oordeel heeft betrokken niet tot de conclusie leidt dat haar motivering ontoereikend is.\n\nSlotsom\n\n5.7.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, T.A. de Hek en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer T.A. de Hek.\n\nDe griffier, de raadsheer,\n\nT.S.K.L. Tjon T.A. de Hek\n\nDe beslissing is op 8 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1881","2026-06-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:35.917Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":43,"courtId":110,"decisionDate":111,"fullText":112,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":114,"parsedAt":50,"updatedAt":115},"871","ECLI:NL:GHAMS:2026:887","ecli-nl-ghams-2026-887",56,"2026-03-26T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerk 25\u002F754\n\n26 maart 2026\n\nuitspraak van de derde meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [X] ,wonende te [Z] , belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van 23 januari 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24\u002F33 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft bij op naam van [A] B.V. (hierna: [A] B.V.) gegeven beschikkingen van 8 december 2010, door [A] B.V. bij de aangiften omzetbelasting ingediende teruggaafverzoeken over de kwartalen in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 30 september 2010 afgewezen.\n\n1.2.. \n [A] B.V. heeft tegen de beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 2 september 2019 heeft de inspecteur de bezwaren nietontvankelijk verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep in haar uitspraak van 23 januari 2025 niet-ontvankelijk verklaard.\n\n1.4.. Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 5 maart 2025 en nader gemotiveerd bij brief van 4 april 2025. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft op 25 februari 2026 een nader stuk ingediend.\n\n1.6.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n [A] B.V. heeft bij brieven van 12 januari 2011 bezwaren ingediend tegen de onder 1.1 vermelde beschikkingen.\n\n2.2.. Op 1 november 2015 heeft [A] B.V. belanghebbende gemachtigd om haar te vertegenwoordigen in de aanhangige (bezwaar)procedures over de beschikkingen.\n\n2.3.. Bij brief van [A] B.V. aan de inspecteur van 30 april 2018 is meegedeeld dat [A] B.V. de vordering die zij meent te hebben op de Belastingdienst uit hoofde van de teruggaaf-verzoeken heeft gecedeerd aan belanghebbende en [Y] (hierna ook: de cessionarissen). In de brief is voorts het volgende opgenomen:\n\n“De cessionarissen zullen de bezwaarprocedure in naam van [ [A] B.V.] maar voor eigen rekening en risico voortzetten.”\n\n2.4.. In de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 2 september 2019 is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Mr. Drs. [X]\n\n[adres]\n\nBetreft: Uitspraken op bezwaar [ [A] B.V.]\n\n[ [A] B.V.] (hierna: [A] ) heeft bezwaar gemaakt wegens op aangiften omzetbelasting geweigerde voorbelasting. (…) Bij het onderstaande wil ik opmerken dat met [A] ook wordt bedoeld de betrokken adviseurs.\n\n(…)\n\nConclusie\n\nDe conclusie is dat [A] op grond van het bovenstaande geen recht op aftrek van voorbelasting heeft. (…)”\n\n2.5.. Bij beroepschrift namens belanghebbende, [A] B.V. en [Y] is op 11 oktober 2019 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.\n\n2.6.. De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 september 2021 in de zaak met kenmerk HAA 19\u002F5378 (ECLI:NL:RBNHO:2021:8379) op het beroep van [A] B.V. beslist. In die zaak was in geschil of de inspecteur de teruggaafverzoeken terecht heeft afgewezen.\n\n2.7.. Het Hof heeft bij uitspraak van 6 juni 2023 in de zaak met kenmerk 21\u002F01718 (ECLI:NL:GHAMS:2023:1418) op het hoger beroep van [A] B.V. tegen de onder 2.6 vermelde uitspraak van de rechtbank beslist. Ook in de procedure voor het Hof was in geschil of de inspecteur de teruggaafverzoeken terecht heeft afgewezen.\n\n2.8.. De Hoge Raad heeft bij arrest van 28 november 2025 in de zaak met kenmerk 23\u002F02948 (ECLI:NL:HR:2025:1793) het door [A] B.V. tegen de onder 2.7 vermelde uitspraak van het Hof ingestelde cassatieberoep – voor zover hier van belang – met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie ongegrond verklaard.\n\n2.9.. Bij brief van 8 januari 2024 heeft de rechtbank de ontvangst van het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 2 september 2019 bevestigd en meegedeeld dat het beroep is geregistreerd onder kenmerk HAA 24\u002F33.\n\n3. Geschil in hoger beroep\n\nPrimair is tussen partijen in geschil of de rechtbank het beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.\n\n4. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen:\n\n“1. [A] B.V. in liquidatie (de BV) heeft over de tijdvakken 1 oktober 2008 tot en met 30 september 2010 omzetbelasting teruggevraagd. Verweerder heeft die teruggaven bij beschikkingen van 8 december 2010 geweigerd. De BV heeft daartegen bezwaar gemaakt en bij uitspraken op bezwaar heeft verweerder de bezwaren niet ontvankelijk verklaard. De BV heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft daarop afwijzend beslist en het Hof Amsterdam evenzeer. De BV heeft beroep in cassatie ingesteld.\n\n2. De BV heeft haar, weliswaar betwiste, vorderingen in de vorm van de terug te ontvangen omzetbelasting gecedeerd aan eiser. Als cessionaris heeft eiser beroep ingesteld tegen de uitspraken op de bezwaren tegen de in 1 genoemde beschikkingen. Eiser heeft daarvoor primair aangevoerd dat een cessionaris als rechtsverkrijger onder bijzondere titel een zelfstandig bewaar- en beroepsrecht heeft.\n\nSubsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder hem had moet erkennen als belanghebbende in het bezwaar en dat de uitspraak op het bezwaarschrift (mede) aan hem had moeten worden gericht.\n\nMeer subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat hem een rechtsingang bij de belastingrechter moet worden geboden om te voorkomen dat zich een ongewenst en onbedoeld tekort in de rechtsbescherming voordoet.\n\n3. Volgens verweerder is eiser niet-ontvankelijk in zijn beroep omdat hij geen beroepsgerechtigde is in de zin van artikel 26a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).\n\n4. In deze zaak procedeert eiser niet als gemachtigde van de BV, maar procedeert hij voor zichzelf als cessionaris. Tussen partijen is niet in geschil dat de cessie rechtsgeldig tot stand is gekomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser als cessionaris een zelfstandig beroepsrecht heeft. Artikel 26a van de Awr bevat een limitatieve opsomming van degenen die beroep bij de belastingrechter kunnen instellen. Deze bepaling – verweerder heeft daar terecht ook op gewezen – vormt het gesloten stelsel van rechtsbescherming. Voor zover hier van belang komt het beroepsrecht volgens dit artikel toe aan degene aan wie de belastingaanslag is opgelegd, degene die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen, degene van wie de belasting is ingehouden en degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt. Eiser is dus geen belanghebbende in de zin van deze bepaling. Eiser heeft aangevoerd dat een belastingvordering en daarmee het beroepsrecht overgaat op de rechtsopvolger van de belastingplichtige en het daarbij geen verschil maakt of sprake is van verkrijging onder algemene titel of bijzondere titel. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Bij een verkrijger onder algemene titel zet de verkrijger volledig de rechtspositie van zijn rechtsvoorganger voort en verkrijgt daarmee van zijn rechtsvoorganger ook de status van belanghebbende of belastingschuldige in de zin van artikel 26a, eerste lid, van de Awr. Voor een verkrijger onder bijzondere titel geldt dit niet. Een verkrijger onder bijzondere titel heeft een nieuwe eigen rechtspositie. Een cessionaris verkrijgt onder bijzondere titel en door de cessie heeft eiser het recht verkregen dat de al dan niet aan de BV terug te geven omzetbelasting aan hem wordt uitgekeerd, maar daarmee heeft eiser niet de status verkregen van de BV als degene tot wie de desbetreffende beschikkingen waren gericht.\n\n5. Het subsidiaire standpunt van eiser stuit ook af op het bovenstaande omdat een uitspraak op het bezwaar tegen een belastingaanslag of een op grond van de belastingwet gegeven beschikking alleen kan zijn gericht tegen degene die het bezwaarschrift heeft ingediend of diens gemachtigde in de bezwaarprocedure.\n\n6. Verweerder heeft aangevoerd dat het meer subsidiaire standpunt van eiser, dat hem een rechtsingang bij de belastingrechter moet worden geboden om te voorkomen dat zich een ongewenst en onbedoeld tekort in de rechtsbescherming zou voordoen,\n\neveneens moet worden verworpen.\n\n7. Aangaande het meer subsidiaire standpunt van eiser overweegt de rechtbank dat het ontbreken van een zelfstandig beroepsrecht van een cessionaris mogelijk een rechtstekort oplevert als de belastingplichtige zelf geen bezwaar maakt, terwijl een bezwaar of beroep wel tot een voor de belastingplichtige gunstige uitkomst had kunnen leiden. In dit geval is daarvan geen sprake omdat de BV wel bezwaar heeft gemaakt en tegen de uitspraak op het bezwaar ook beroep, hoger beroep en beroep in cassatie heeft ingesteld. In rechte is de zaak dus inhoudelijk behandeld. Daarbij is eiser als gemachtigde van de BV – verweerder heeft daar terecht ook op gewezen – steeds in de gelegenheid gesteld gronden aan te voeren in relatie tot zijn ontvankelijkheid en het materiële geschil inzake de eventuele teruggaaf van omzetbelasting aan de BV. Van een rechtstekort is dan ook geen sprake. Daaraan doet niet af dat de hiervoor genoemde procedures door de BV worden gevoerd. Dus ook wanneer zou moeten worden geoordeeld dat aan eiser een zelfstandig beroepsrecht toekomt, kan een zelfstandig beroepsrecht niet tot een voor eiser gunstiger resultaat leiden. Naar aanleiding van hetgeen eiser in zijn pleitnota heeft aangevoerd merkt de rechtbank nog op dat artikel 1 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en artikel 26 van Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten niet tot een ander oordeel kunnen leiden omdat van een rechtstekort geen sprake is.\n\n8. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser in deze zaak geen beroepsrecht heeft. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard.\n\n9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”\n\n5. Beoordeling van het geschil\n\n5.1.. Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissing van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissing berust tot de zijne. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt het Hof voorts als volgt.\n\n5.2.. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4 terecht vooropgesteld dat artikel 26a AWR een limitatieve opsomming bevat van degenen die beroep kunnen instellen bij de belastingrechter (het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsbescherming). Voorts heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende, die voor zichzelf procedeert als cessionaris, niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van deze bepaling. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat de uitspraken op bezwaar tot hem zijn gericht in de zin van artikel 26a, lid 1, onderdeel c, AWR. Uit de vermelding van het onderwerp in het geschrift waarin de uitspraken op bezwaar zijn vervat (“Betreft: Uitspraken op bezwaar [ [A] B.V.]”, zie 2.4) alsmede de inhoudelijke overwegingen blijkt onmiskenbaar dat de uitspraken op bezwaar zijn gericht tot [A] B.V., de vennootschap die bezwaar heeft gemaakt tegen de onder 1.1 vermelde, op haar naam gestelde beschikkingen. Het feit dat de uitspraken op bezwaar aan belanghebbende zijn geadresseerd, wordt verklaard door de omstandigheid dat belanghebbende zich in de bezwaarprocedure heeft gesteld als gemachtigde van [A] B.V. De inspecteur heeft de uitspraken op bezwaar daarom met inachtneming van het voorschrift van artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan belanghebbende toegezonden in zijn hoedanigheid van gemachtigde van [A] B.V. Gelet op de genoemde inhoudelijke overwegingen van de uitspraken op bezwaar en de aanduiding van het onderwerp van de uitspraken heeft belanghebbende aan de adressering van de uitspraken niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat de uitspraken tot hem waren gericht in de zin van artikel 26a, lid 1, onderdeel c, AWR. Dit nog daargelaten de vraag of een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in het onderhavige geval (waarin niet belanghebbende, maar [A] B.V. bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikkingen) zou hebben geleid tot een ontvankelijk beroep.\n\n5.3.. Ook het standpunt van belanghebbende dat het beroepsrecht van [A] B.V. op hem is overgegaan vanwege een rechtsgeldig tot stand gekomen cessie van het vermeende vorderingsrecht van [A] B.V. op de Belastingdienst wordt verworpen, op de door de rechtbank in rechtsoverweging 4 weergegeven gronden. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake, reeds omdat rechtsopvolgers onder algemene titel en rechtsopvolgers onder bijzondere titel (zoals cessionarissen) geen rechtens gelijke gevallen zijn. De verwijzing door belanghebbende naar uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) – onder meer ABRvS 1 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1153 en ABRvS 7 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ9513 – gaat evenmin op, reeds omdat deze uitspraken betrekking hebben op het van artikel 26a AWR afwijkende begrip ‘belanghebbende’ van artikel 1:2 en 8:1 Awb.\n\n5.4.. Hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.\n\nSlotsom5.5.. De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.\n\n6. Kosten\n\nHet Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.\n\n7. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, R.C.H.M. Lips en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 26 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nbij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nhet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:887","2026-04-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.214Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":120,"fullText":121,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":120,"parsedAt":50,"updatedAt":123},"743","ECLI:NL:RBGEL:2026:2380","ecli-nl-rbgel-2026-2380","2026-03-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F6904\n\nuitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 maart 2026\n\nin de zaak tussen\n\n [belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende\n\n(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 mei 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende een teruggaafbeschikking omzetbelasting (OB) voor het tweede kwartaal 2023 gegeven van € 31.041.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de teruggaafbeschikking gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Hierop heeft belanghebbende gereageerd bij nader stuk van 15 februari 2026.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [persoon A], alsmede haar gemachtigden. Namens de inspecteur hebben deelgenomen, [persoon B], [persoon C] en [persoon D].\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is een instelling die zich richt op het tegen vergoeding bieden van opvang en ondersteuning aan mensen met een verstandelijke beperking (de cliënten). Belanghebbende houdt zich tevens bezig met het tegen een zakelijke vergoeding verkopen en leveren van goederen aan derden, bijvoorbeeld vogelhuisjes, tassen, sjaals, en bakkerijproducten. Daarnaast verricht belanghebbende tegen een zakelijke vergoeding diensten aan derden, zoals verpakkings-, montage- en sorteerwerkzaamheden. Belanghebbende ontplooit haar activiteiten (zowel de opvang- als de commerciële activiteiten) vanuit diverse locaties. Dit kunnen zowel gehuurde locaties zijn, als locaties die zij in eigendom heeft.\n\n2. Belanghebbende heeft in 2021 opdracht gegeven aan [naam bedrijf 1] voor het ontwikkelen en realiseren van een nieuw gebouwencomplex aan de [locatie 1] in [plaats 2] (het complex). Voor de ontwikkelings- en realisatiekosten, waaronder de kosten voor de ingeschakelde aannemer, notaris, ontwerpkosten en sloopkosten (in totaliteit: de bouwkosten) heeft belanghebbende inkoopfacturen ontvangen vermeerderd met OB. De oplevering en eerste ingebruikname van het complex stond gepland voor november 2024.\n\n3. Het complex is vervaardigd op een perceel van belanghebbende en heeft een totale (binnen) vloeroppervlakte van 2.162 m2. Tijdens de bouw van het complex was het de bedoeling om ruimtes voor de volgende afdelingen te bouwen:\n\nAfdeling\n\nOppervlakte in m2\n\nPercentage\n\nZelfstandig?\n\n1\n\nIndustrieel werk\n\n411,80\n\n19,04\n\nJa\n\n2\n\nOp Maat (incl. balkon)\n\n445,30\n\n20,59\n\nJa\n\n3\n\nKleurmeesters\n\n341,90\n\n15,81\n\nJa\n\n4\n\nTextielatelier\n\n87,50\n\n4,05\n\nJa\n\n5\n\nServicebureau\n\n518,70\n\n23,99\n\nNee\n\n6\n\nAlgemene ruimten\n\n357,30\n\n16,52\n\nNee\n\nTotaal\n\n2.162,50\n\n100,00\n\nBuitenruimten\n\n7,30\n\nDe afdelingen Industrieel werk, Kleurmeesters en Textielatelier (nummers 1, 3 en 4) (de zelfstandige productieruimten) waren bestemd om de cliënten bij wijze van hun dagbesteding goederen te laten produceren voor de verkoop en\u002Fof diensten aan derden te laten verrichten.Op de afdeling ‘Op Maat’ (nummer 2) verblijven de cliënten die zich niet bezig houden met het produceren van goederen bestemd voor de verkoop en\u002Fof het verrichten van dienstverlening. Die cliënten hebben in deze ruimte een andere wijze van dagbesteding.\n\n4. Op 31 juli 2023 heeft belanghebbende aangifte OB over het tweede kwartaal 2023 gedaan. In die aangifte is een bedrag aan voorbelasting vermeld van € 56.561. Dit bedrag is bepaald aan de hand van de zogenoemde ‘omzet pro rata’. De aangifte resulteert in een verzoek om teruggaaf van € 31.041.\n\n5. Bij beschikking met dagtekening 25 augustus 2023 heeft de inspecteur de gevraagde teruggaaf verleend. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de inspecteur op 6 oktober 2023. In haar motivering van het bezwaar van 6 december 2023 heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om de teruggaaf OB over het tweede kwartaal 2023 op € 32.285 vast te stellen. Dit op basis van de in het verleden met de Belastingdienst gemaakte afspraken over de btw-handelwijze ten aanzien van andere locaties van waaruit belanghebbende haar activiteiten verrichtte. Vervolgens hebben partijen hun standpunten uitgewisseld.\n\n6. Op 28 maart 2024 heeft het hoorgesprek in bezwaar plaatsgevonden. Hiervan is een verslag met datum 11 april 2024 opgemaakt. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 18 april 2024.\n\n7. Partijen hebben de volgende op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd:\n\na. Een voorstel van belanghebbende van 18 maart 1996 inzake de aftrek van voorbelasting op de kosten van de verschillende panden van belanghebbende. Hierin is het volgende vermeld:\n\n“Geachte heer [persoon E],\n\nHierbij doen wij u een voorstel inzake de verdeling van de kosten i.v.m. de BTW toekenning naar m2 in de verschillende panden van de Stichting \"[belanghebbende]\"\n\n [naam bedrijf 2] te [plaats 3]\n\n- locatie [locatie 2], totaal 690 m2\n\n produktieruimten 270 m2 is dus 39%\n\n- locatie [locatie 3],\n\n volledig produktieruimte is dus 100%\n\n [naam bedrijf 3] te [plaats 1]\n\n - locatie [locatie 4] totaal 1302 m2\n\n produktieruimten 272 m2 is dus 21%\n\n - locatie [locatie 5] totaal 440 m2\n\n produktieruimten 222 m2 is dus 50%\n\nOp dit moment zijn wij druk doende met een opzet van 1994 en 1995 zodat wij over deze jaren zo spoedig mogelijk aangifte kunnen doen. In afwachting van uw berichten, teken ik, met vriendelijke groeten,\n\n [persoon F]\n\ndirecteur”\n\nEen akkoord van de Belastingdienst Ondernemingen, kantoor [plaats 4], van\n\n21 maart 1996 in reactie op het hiervoor genoemde voorstel. Hierin is het volgende vermeld:\n\n“Geachte heer [persoon F],\n\nNaar aanleiding van uw brief van 18 maart 1996 deel ik u het volgende mede.\n\nOndanks dat ik niet alle onroerende zaken van de stichting zelf in ogenschouw heb genomen ga ik onder voorbehoud van correctie bij later onderzoek akkoord met de voorgestelde percentages.\n\n(…)”\n\nEen rapport van het onderzoek van de Belastingdienst Ondernemingen, kantoor [plaats 4], van 19 september 1996, naar de suppletie-aangiften OB over de tijdvakken 1994 en 1995 van belanghebbende. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\nDe cijfers van de aangiften omzetbelasting over de periode van 1 januari 1994 t\u002Fm 31 december 1995 sloten geheel aan met de vervaardigde recapitulaties van de voorbelasting over de jaren 1994 en 1995. Steekproefgewijze controle op de in mindering gebrachte voorbelasting en de aanwezige facturen gaf geen aanleiding tot correcties. Met de voorgestelde aftrekpercentages die bij het gemengd gebruik werden gehanteerd kan accoord worden gegaan.\n\n(…)”\n\nEen voorstel van belanghebbende van 12 november 2007 inzake de aftrekpercentages bij gemengd gebruik. In dit voorstel is het volgende vermeld:\n\n“Geachte heer, mevrouw,\n\nIn een rapport van uw dienst d.d. 19 september 1996 opgesteld door de heer [persoon G] is aangegeven dat akkoord kon worden gegaan met de door ons voorgestelde aftrekpercentages van de voorbelasting die bij gemengd gebruik worden gehanteerd. Deze aftrekpercentages zijn gebaseerd op het percentage van het vloeroppervlak op een locatie die gebruikt wordt voor de belaste activiteiten en is van toepassing op de indirecte kosten die gemaakt zijn ten behoeve van zowel de belaste als niet belaste activiteiten.\n\nInmiddels zijn er meer dan tien jaren verstreken en hebben er een aantal wijzigingen voorgedaan bij [belanghebbende]. Er zijn met name een aantal belaste activiteiten verhuist naar een eigen locatie. Voor zover de wijzigingen van invloed waren op de aftrekbaarheid van de voorbelasting is dit verwerkt in onze administratie en de daaruit voortvloeiende aangiftes.\n\nUit hoofde van mijn verantwoordelijkheid als hoofdadministratie zou ik het prettig vinden als u opnieuw een akkoord zou willen geven voor onze huidige manier van aftrekken van voorbelasting. Als bijlage stuur ik u daarvoor een overzicht van grootboekrekeningen en kostenplaatsen (locaties) met de gehanteerde percentages van aftrek van voorbelasting.\n\nDe belaste activiteiten vinden plaats op de volgende locaties:\n\nAdres\n\nPlaats\n\nKst.pl\n\nActiviteit\n\naftrek\n\nvoor-\n\nbelasting\n\n [locatie 3]\n\n [plaats 3]\n\n [perceelnr. 1]\n\nZuivelboerderij\n\n100%\n\n [locatie 6]\n\n [plaats 3]\n\n [perceelnr. 2]\n\nWinkel met koffie corner\n\n100%\n\n [locatie 2]\n\n [plaats 3]\n\n [perceelnr. 3]\n\nWinkel\n\n100%\n\n\"\"\n\n\"\"\n\n [perceelnr. 4]\n\nPapierschepperij\n\n100%\n\n\"\"\n\n\"\"\n\n [perceelnr. 5]\n\nKaarsenmakerij\n\n100%\n\n [locatie 7]\n\n [plaats 5]\n\n [perceelnr. 6]\n\nHoutwerkplaats\n\n100%\n\n [locatie 8]\n\n [plaats 5]\n\n [perceelnr. 7]\n\nTextielatelier\n\n100%\n\n [locatie 9]\n\n [plaats 6]\n\n [perceelnr. 8]\n\nBakkerij en winkel\n\n100%\n\n [locatie 10]\n\n [plaats 1]\n\n [perceelnr. 9]\n\nKwekerij [naam kwekerij]\n\n100%\n\n [locatie 11]\n\n [plaats 1]\n\n [perceelnr. 10]\n\nIndustrieel werk\n\n100%\n\n [locatie 4]\n\n [plaats 1]\n\n [perceelnr. 11]\n\nWinkel\n\n34%\n\n\"\"\n\n\"\"\n\n [perceelnr. 12]\n\nCreatief atelier\n\n34%\n\n\"\"\n\n\"\"\n\n [perceelnr. 13]\n\nStofbedrukken\n\n34%\n\n\"\"\n\n\"\"\n\n [perceelnr. 14]\n\nWasserette\n\n34%\n\n [naam bedrijf 2] aan de [locatie 2] te [plaats 3] is gesplitst in een logeerhuis, productieruimten en een winkeltje. In het dagactiviteitencentrum vinden geen onbelaste activiteiten meer plaats.\n\nHoogachtend,\n\n [persoon H]\n\nHoofd administratie\n\nBijlagen:\n\n- Overzicht grootboekrekeningen\n\n- Berekening 34% oppervlakte locatie [locatie 4] is t.b.v. productie\n\n- Rapport Belastingdienst d.d. 19 september 1996 akkoord percentages\n\n- Brief Belastingdienst d.d. 21 maart 1996 akkoord onder voorbehoud\n\n- Brief [belanghebbende] d.d. 18 maart 1996 met voorstel percentages\n\n- Brief Belastingdienst d.d. 29 september 1995 vaststelling belastingplicht”\n\nEen controlerapport van een boekenonderzoek onder belanghebbende. Het rapport is van de Belastingdienst Oost, kantoor [plaats 4], en heeft datum 18 maart 2009. In het rapport is onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\n2 Beperkingen boekenonderzoek\n\nVoor de omzetbelasting heeft het boekenonderzoek zich beperkt tot het:\n\n- Waarnemen van de actuele bedrijfsactiviteiten;\n\n- Inwinnen van informatie die van belang is voor de beoordeling van het percentage van aftrekbaarheid van de voorbelasting.\n\nDe juistheid van de voorbelasting en de volledigheid van de afgedragen omzetbelasting is derhalve niet beoordeeld.\n\n2.1 Rechtsvorm\n\nHet betreft een stichting, genaamd [belanghebbende] met als doelstelling de opvang en begeleiding van verstandelijk gehandicapten in zuidwest [plaats 7]. In het kader van deze opvang worden diverse bedrijfjes geëxploiteerd, zowel op de hoofdvestiging in [plaats 1] als in de regio. Hierna is een opsomming van de verschillende locaties met haar hoofdactiviteit opgenomen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de website van de Stichting, [website].\n\n(…)3. Omzetbelasting\n\nDe hoofdactiviteiten van de stichting, de opvang en begeleiding van verstandelijk gehandicapten, zijn vrijgesteld ingevolge artikel 11 lid 1, letter f, Wet Omzetbelasting samen met artikel 7 lid 1 besluit bijlage B post b12. Het produceren, verkopen en bezorgen van allerlei producten aan diverse afnemers is geen prestatie die valt onder de vrijstelling. Dit standpunt van de Belastingdienst is verwoord in de brief van 29 september 1995 aan de Stichting t.a.v. de heer [persoon F].\n\n3.1. Verzoek\n\nIn de brief van 12 november 2007 verzoekt de Stichting om bevestiging van de toentertijd gemaakte afspraak voor wat betreft het aftrekbare deel voorbelasting met betrekking tot het gemengd gebruik. De aftrekpercentages zijn hierbij gebaseerd op het vloeroppervlak van een locatie met belaste activiteiten. Ter toelichting zijn volgende bescheiden door de Stichting verstrekt:\n\n- Jaarrekening 2007;\n\n- Btw-berekening 2007;\n\n- Gedetailleerde \"aansluiting afdracht BTW met omzet 2007\";\n\n- \"Overzicht voor bepaling voorbelasting [belanghebbende]\".\n\n3.2. Conclusie\n\nOp basis van bovengenoemde specificaties en de gepresenteerde cijfers wordt toegestaan dat de toegepaste percentages bij ongewijzigde omstandigheden tot nadere afspraak worden gehanteerd.\n\n(…)”\n\n Een plattegrond van het complex met oppervlakten en benamingen van de diverse ruimten (bijlage 15 bij het verweerschrift).\n\n De jaarrekening 2023 van belanghebbende. De toelichting op de resultaatsrekening bij die jaarrekening luidt voor zover relevant als volgt:\n\n“(…)\n\nBEDRIJFSOPBRENGSTEN\n\n13. Netto omzet 2023 2022\n\nDe specificatie is als volgt: € €\n\nWet langdurige zorg 19.795.617 17.991.371\n\nWet maatschappelijke ondersteuning 1.824.048 2.060.882\n\nJeugdwet 1.786.735 1.546.393\n\nZorggerelateerde coronacompensatie 0 479.223\n\nBaten uit onderaanneming 89.133 93.763\n\nOverige baten uit beroeps- of bedrijfsmatige zorgverlening 80.994 90.976\n\nTotaal 23.576.527 22.262.608\n\n(…)\n\n14. Overige bedrijfsopbrengsten\n\nDe specificatie is als volgt: 2023 2022\n\n € €\n\nOpbrengsten uit Winkelverkopen 757.752 736.849\n\nVerhuuropbrengsten 5.772 2.774\n\nOverige baten 7.864 188\n\nBeschikbaarheidsbijdragen Opleidingen 79.575 49.903\n\nOverige subsidies 109.354 29.799\n\nTotaal 960.317 819.513\n\n(…)”\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n8. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een hogere teruggaaf dan de teruggaaf die is verleend naar aanleiding van de aangifte over het tweede kwartaal van 2023. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. De hoogte van de pro rata is in geschil, waarbij in de kern de vraag is of de zelfstandige productieruimten uitsluitend voor belaste prestaties worden gebruikt en dus volledig recht geven op aftrek van de omzetbelasting op de bouwkosten daarvan.\n\nVooraf\n\n9. Belanghebbende maakt een onderscheid tussen de zelfstandige productieruimten ‘Industrieel werk’, ‘Kleurmeesters’ en ‘Textielatelier’ (de nummers 1,3 en 4 op de lijst bij punt 3.) en de niet-zelfstandige ruimten, ‘Service bureau’ en ‘Algemene ruimten’ (de nummers 5 en 6 op de lijst bij punt 3.). De inspecteur volgt het door belanghebbende gemaakte onderscheid tussen zelfstandige productieruimten en niet-zelfstandige ruimten. De kwalificaties ‘zelfstandig’ en ‘niet-zelfstandig’ zijn voor de toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet OB) ook niet in geschil. Evenmin is in geschil dat voor de afdeling ‘Op Maat’ (nummer 2 op die lijst) in het geheel geen recht op aftrek van voorbelasting op de bouwkosten bestaat. Die ruimte wordt volledig gebezigd voor vrijgestelde prestaties. Ten slotte is niet in geschil dat de niet-zelfstandige ruimten als ‘gemengde’ ruimten in de zin van de Wet OB en de daarop gebaseerde regelgeving dienen te worden aangemerkt.\n\n10. In haar nader stuk van 15 februari 2026 heeft belanghebbende aangegeven dat (in afwijking van het beoogd gebruik) na oplevering en ingebruikneming van het complex het ‘Textielatelier’ is veranderd in ‘Medialab’ en dat deze ruimte vooralsnog niet wordt gebruikt voor belaste (commerciële) prestaties. Voor de voorliggende procedure is die wijziging echter niet van belang, omdat het bij de beoordeling van de hoogte van het teruggaafverzoek gaat om het beoogd gebruik ten tijde van het doen van aangifte OB over het tweede kwartaal 2023.\n\nWettelijk kader\n\n11. Artikel 168, aanhef en onderdeel a, van de BTW-richtlijnbepaalt als volgt:\n\n“Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken:\n\na) de BTW die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor de goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht;\n\n(…)”\n\n12. Artikel 173, eerste lid, van de BTW-richtlijn bepaalt als volgt:\n\n“Voor goederen en diensten die door een belastingplichtige zowel worden gebruikt voor de in de artikelen 168, 169 en 170 bedoelde handelingen, waarvoor recht op aftrek bestaat, als voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, wordt aftrek slechts toegestaan voor het gedeelte van de BTW dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen (evenredige aftrek).\n\nHet aftrekbare gedeelte wordt overeenkomstig de artikelen 174 en 175 bepaald voor het totaal van de door de belastingplichtige verrichte handelingen.”\n\n13. Artikel 15 van de Wet OB luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“1. De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, is:\n\na. de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur; (…) een en ander voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.\n\n(…)\n\n6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de aftrek van belasting, ingeval goederen en diensten door de ondernemer mede worden gebruikt anders dan voor belaste handelingen of anders dan voor de handelingen, bedoeld in het tweede lid. Daarbij wordt tevens rekening gehouden met wijzigingen in het gebruik van onroerende zaken, bedoeld in het eerste lid, laatste alinea. Voorts kan daarbij worden bepaald dat het afstoten van goederen welke de ondernemer in zijn bedrijf heeft gebruikt, buiten aanmerking wordt gelaten.”\n\n14. Artikel 11 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (de uitvoeringsbeschikking) luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“1. De aftrek van de in artikel 15 van de wet bedoelde belasting (voorbelasting) geschiedt, ingeval de ondernemer zowel handelingen verricht waarvoor recht op aftrek van voorbelasting bestaat als handelingen verricht waarvoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, met inachtneming van het volgende:\n\na. van goederen en diensten, die uitsluitend worden gebruikt voor handelingen waarvoor recht op aftrek van voorbelasting bestaat, komt de voorbelasting geheel voor aftrek in aanmerking;\n\nb. van goederen en diensten, die uitsluitend worden gebruikt voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, komt de voorbelasting in het geheel niet voor aftrek in aanmerking;\n\nc. met betrekking tot goederen en diensten die zowel voor de onder a als voor de onder b bedoelde handelingen worden gebruikt, komt voor aftrek in aanmerking het gedeelte van de voorbelasting dat in dezelfde verhouding staat tot die belasting als het totaal van de vergoedingen voor de handelingen bedoeld onder a staat tot het totaal van de vergoedingen voor de handelingen bedoeld onder a en onder b.\n\n2. Indien aannemelijk is dat het werkelijke gebruik van de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde goederen en diensten, als geheel genomen, niet overeenkomt met de aldaar bedoelde verhouding, wordt het voor aftrek in aanmerking komende gedeelte van de voorbelasting van die goederen en diensten berekend op basis van het werkelijke gebruik.\n\n(…)”\n\n15. Artikel 12 van de uitvoeringsbeschikking luidt:\n\n“1. De in artikel 11 voorgeschreven berekeningswijze geschiedt op basis van de gegevens van het belastingtijdvak waarin de belasting aan de ondernemer in rekening wordt gebracht dan wel de belasting wordt verschuldigd.\n\n2. De herziening, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van de wet, geschiedt op basis van de gegevens van het belastingtijdvak waarin de ondernemer de goederen of diensten is gaan gebruiken.\n\n3. Bij de aangifte over het laatste belastingtijdvak van het boekjaar vindt herziening van de aftrek plaats op basis van de voor het gehele boekjaar geldende gegevens.”\n\n16. Artikel 13, eerste lid, van de uitvoeringsbeschikking luidt:\n\n“In afwijking van artikel 11 worden voor de toepassing van de aftrek afzonderlijk in aanmerking genomen:\n\na. onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen;\n\nb. roerende zaken waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting afschrijft, of waarop hij zou kunnen afschrijven indien hij aan een zodanige belasting zou zijn onderworpen;\n\nc. investeringsdiensten waarvan de vergoeding ten minste € 30.000 bedraagt.”\n\nZelfstandige productieruimten\n\n17. De rechtbank zal hierna eerst de standpunten van partijen over de omvang van het recht op aftrek van voorbelasting op de bouwkosten van de zelfstandige productieruimten (de nummers 1,3 en 4 op de lijst bij punt 3.) behandelen en een oordeel daarover geven.\n\nPrimaire standpunt belanghebbende – volledig recht op aftrek\n\n18. Volgens belanghebbende worden de zelfstandige productieruimten gebruikt met als doel het verrichten van belaste activiteiten, zijnde het tegen vergoeding verkopen en leveren van goederen, zoals vogelhuisjes, tassen, sjaals, en bakkerijproducten, en het tegen vergoeding verrichten van diensten, zoals montage-, sorteer-, en verpakkingswerkzaamheden. De productieruimten zijn volgens belanghebbende ontworpen en ingericht om deze belaste activiteiten te kunnen uitvoeren en worden ook als zodanig feitelijk gebruikt. Volgens belanghebbende worden de bouwkosten van de productieruimten bovendien feitelijk doorberekend in de vergoedingen aan derden-afnemers die belanghebbende voor deze commerciële activiteiten ontvangt van die derden. Gelet op het voorgaande is belanghebbende van mening dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de gemaakte bouwkosten van de zelfstandige productieruimten en de belaste prestaties die vanuit deze productieruimten worden verricht. De desbetreffende bouwkosten zouden door belanghebbende niet zijn gemaakt, indien de belaste commerciële activiteiten niet (vrijwillig) door haar zouden zijn ontplooid. Dat er cliënten werkzaam zijn in die ruimten maakt niet uit, aldus belanghebbende.\n\n19. De inspecteur betwist dat belanghebbende de productielocaties uitsluitend gebruikt met als doel het verrichten van belaste activiteiten. Het hoofddoel van de productieruimten is immers de dagbesteding van cliënten. De voorbelasting op de bouwkosten van de zelfstandige productieruimten is zowel toerekenbaar aan belaste prestaties, als aan vrijgestelde prestaties en daarom is die voorbelasting slechts gedeeltelijk aftrekbaar, aldus de inspecteur. Die aftrek is door de inspecteur berekend op 4% op basis van de pro rata naar omzetverhoudingen.\n\n20. In zijn arrest van 15 juni 2012heeft de Hoge Raad het volgende overwogen (r.o. 3.3):\n\n“(…)Voorts rust in het algemeen op de ondernemer de last feiten te stellen en in geval van gemotiveerde betwisting te bewijzen waaruit met toepassing van de relevante rechtsregels volgt of en zo ja in hoeverre goederen of diensten door hem worden gebezigd voor belaste handelingen in de zin van artikel 15, lid 1, van de Wet.”\n\n21. De rechtbank is van oordeel dat op belanghebbende de bewijslast rust van haar primaire stelling, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur. Belanghebbende moet dus aannemelijk maken dat zij recht heeft op volledige aftrek van voorbelasting op de bouwkosten doordat de zelfstandige productieruimten uitsluitend zullen worden gebruikt voor belaste prestaties. Zij is daarin niet geslaagd, omdat vast staat dat in deze ruimtes ook cliënten (zullen) worden begeleid in het kader van hun dagbesteding. Die dagbestedingsdienst aan de cliënten is een vrijgestelde prestatie en hiervoor ontvangt belanghebbende een vergoeding vanuit de Wlz, de WMO en\u002Fof de Jeugdwet. Er is dus sprake van gebruik voor twee verschillende prestaties van de zelfstandige productieruimten: een belaste prestatie aan derden bij de verkoop van producten en het verrichten van diensten en een vrijgestelde prestatie aan de eigen cliënten bestaande uit dagopvang. Aannemelijk is dat de bouwkosten toerekenbaar zijn aan beide prestaties, zodat sprake is van kosten voor gemengd gebruik. Een volledig recht op aftrek op die kosten is dan niet mogelijk.\n\n22. De conclusie luidt dat het primaire standpunt van belanghebbende faalt, omdat sprake is van gemengd gebruik. De voorbelasting op de bouwkosten van de zelfstandige productieruimten is op grond van de Wet OB, en bijbehorende lagere regelgeving, dus niet volledig aftrekbaar.\n\nSubsidiaire standpunt belanghebbende – beroep op vertrouwensbeginsel\n\n23. Belanghebbende is subsidiair van mening dat zij mocht vertrouwen op de toezeggingen van de Belastingdienst die inhouden dat deze akkoord is met de door belanghebbende gehanteerde handelswijze ter zake van de aftrek van voorbelasting op bepaalde kosten. De Belastingdienst heeft volgens belanghebbende in 1996 en in 2009, na inhoudelijke beoordelingen, het standpunt ingenomen dat de door belanghebbende gehanteerde handelswijze akkoord is (zie punt 7.). Deze handelswijze hield onder meer in dat belanghebbende de voorbelasting die toerekenbaar is aan de productielocaties volledig in aftrek mag brengen. De relevante feiten en omstandigheden zijn niet gewijzigd ten opzichte van de situatie zoals die in het verleden gold. Het enige verschil is dat een aantal productielocaties binnen één complex worden samengevoegd. In haar nader stuk van 15 februari 2025 heeft belanghebbende geëxpliciteerd dat de uitlatingen van de inspecteur wat haar betreft niet complex-gebonden zijn, maar zien op de aard van de activiteiten. In die activiteiten is geen verandering gekomen, aldus belanghebbende.\n\n24. De inspecteur is van mening dat de eerdere afspraken golden voor de voorbelasting die zag op kosten van bestaande gebouwen en dat deze niet kunnen worden doorgetrokken naar het nieuw te bouwen complex. Er is namelijk sprake van een nieuw investeringsgoed (het complex) en daarvoor gelden de afspraken niet, aldus de inspecteur.\n\n25. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.Meer specifiek, met betrekking tot uitlatingen van de inspecteur in een controlerapport, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 10 december 2021onder meer het volgende beslist (onder weglating van voetnoten):\n\n“3.3.2. Voor een geval als dit, waarin de inspecteur zich in het controlerapport expliciet heeft uitgelaten, geldt het volgende. Indien het gaat om als toezeggingen op te vatten expliciete uitlatingen van de inspecteur, kan de belastingplichtige zich onder voorwaarden met succes beroepen op daarmee door de inspecteur gewekt vertrouwen. Daartoe is vereist dat dergelijke toezeggingen zijn gedaan door de inspecteur na kennisneming van alle daartoe benodigde feiten en omstandigheden van het geval, en de belastingplichtige aan die toezeggingen het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de fiscus in zijn geval aan wettelijke, dan wel andere door hem in acht te nemen algemene regels een bepaalde toepassing zal geven. Daarbij is bovendien vereist dat die toezeggingen niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige redelijkerwijs hun onjuistheid had kunnen en moeten beseffen, en daarom op nakoming van die toezeggingen in redelijkheid niet mocht rekenen.”\n\n26. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt. Redengevend voor dit oordeel is het volgende. Het is niet in geschil dat de activiteiten zoals belanghebbende die ontplooide ten tijde van de briefwisselingen in 1996 en in 2007 dezelfde zijn gebleven. Eveneens ongewijzigd is dat die activiteiten worden ontplooid vanuit verschillende (productie)locaties. Verder geldt dat de inspecteur kennis heeft genomen, dan wel heeft kunnen nemen, van de informatie die nodig is om de voorliggende kwestie op haar fiscale merites te kunnen beoordelen. Het voorstel van belanghebbende van 12 november 2007 (zie punt 7.d.) bevat alle in dat kader benodigde informatie. De akkoordverklaring met de beschreven handelswijze is daarom te zien als een toezegging. Die toezegging is niet zo duidelijk in strijd met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende redelijkerwijs de onjuistheid ervan had kunnen en moeten beseffen, en daarom op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen. Het enkele gegeven dat sprake is van een nieuw complex, en daarmee van een nieuw investeringsgoed, is onvoldoende reden om belanghebbende een beroep op de gemaakte afspraken te ontzeggen. Het had op de weg van de inspecteur gelegen een duidelijker voorbehoud te maken in die zin dat de gemaakte afspraken niet gelden voor nieuwe investeringsgoederen. Dat heeft de inspecteur echter niet gedaan en dat komt voor zijn rekening. Verder is gesteld noch gebleken dat de toezeggingen die voortvloeien uit het controlerapport van\n\n18 maart 2009 (zie punt 7.e.) door de inspecteur zijn opgezegd. De afspraken uit 2009 kunnen dus worden doorgetrokken naar het nieuwe complex.\n\n27. De conclusie luidt dat belanghebbende een beroep toekomt op door de inspecteur opgewekt vertrouwen. De voorbelasting op de bouwkosten van de zelfstandige productieruimten is dus om die reden toch volledig aftrekbaar.\n\nMeer subsidiaire standpunt belanghebbende – pro rata op basis van tijdsbesteding\n\n28. Omdat het subsidiaire standpunt van belanghebbende slaagt, behoeft het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende, inhoudende een pro rata aftrek op basis van werkelijk gebruik (meer in het bijzonder: tijdsbesteding), geen behandeling meer.\n\nNiet-zelfstandige ruimten\n\n29. Belanghebbende is van mening dat de omvang van de aftrek van de voorbelasting op de bouwkosten van de niet-zelfstandige ruimten (de nummers 5 en 6 op de lijst bij punt 3.) moet worden bepaald op basis van het werkelijke gebruik van deze niet-zelfstandige ruimten. De verdeelsleutel om het werkelijke gebruik te berekenen moet worden bepaald op basis van het (voorgenomen) gebruik en de oppervlakteverhoudingen van de zelfstandige ruimten binnen het complex. De vloeroppervlakte van de zelfstandige ruimten die uitsluitend worden gebruikt voor btw-belaste activiteiten bedraagt volgens belanghebbende 841 m2 (‘Industrieel werk’ 441,8 m2, ‘Kleurmeesters’ 341,9 m2 en ‘Textielatelier’ 87,5 m2). De totale vloeroppervlakte van alle zelfstandige ruimten binnen het complex bedraagt 1.286 m2. Dit resulteert in een pro rata op grond van werkelijk gebruik van 66% (841 m2 \u002F 1.286 m2 * 100%). Voorgaande berekening is objectief en nauwkeurig, aldus belanghebbende, waaraan zij toevoegt dat op deze berekeningswijze de niet-zelfstandige ruimten ‘delen in het lot’ van de zelfstandige ruimten. Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat voor wat betreft de niet-zelfstandige ruimten geen beroep wordt gedaan op het vertrouwensbeginsel.\n\n30. De inspecteur is van mening dat de omvang van de aftrek van de voorbelasting op de bouwkosten van de niet-zelfstandige ruimten moet worden bepaald op basis van de hoofdregel: de omzet pro rata. Voor een uitzondering daarop, dat wil zeggen een pro rata gebaseerd op het werkelijk gebruik, is volgens de inspecteur geen plaats. Hij is van mening dat de vaststelling van het werkelijk gebruik, zoals belanghebbende dat voorstaat, niet berust op objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens. Het is volgens de inspecteur voor de gemengde ruimten onmogelijk om uit te gaan van het gebruik (btw-belast\u002Fbtw-vrijgesteld) in relatie tot de vierkante meters van de zelfstandige ruimten.\n\n31. In beginsel dient op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de uitvoeringsbeschikking de verdeelsleutel voor de evenredige aftrek van voorbelasting op kosten van gemengd gebruikte goederen en diensten te worden bepaald naar omzetverhouding. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken indien aannemelijk is dat het werkelijke gebruik van bedoelde goederen en diensten, als geheel genomen, niet overeenkomt met de omzetverhouding. In dat geval kan het voor aftrek in aanmerking komende gedeelte van de voorbelasting van die goederen en diensten worden berekend op basis van het werkelijk gebruik, aldus het tweede lid van artikel 11 van de uitvoeringsbeschikking. Het werkelijke gebruik dient op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aannemelijk te worden gemaakt aan de hand van objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens.De last het bedoelde werkelijke gebruik te bewijzen, rust op degene die van de hoofdregel wil afwijken.\n\n32. De rechtbank stelt aan de hand van de bouwtekening (bijlage 15 bij het verweerschrift) vast dat het bij de niet-zelfstandige ruimten met name gaat om trappenhuizen, een ontvangsthal, gangen, een servicebureau en opslagruimte.\n\n33. De rechtbank is van oordeel dat de aftrek van voorbelasting op de bouwkosten van de niet-zelfstandige ruimten moet worden bepaald op basis van de hoofdregel, de omzet pro rata. Belanghebbende is er namelijk niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het werkelijk gebruik van de niet-zelfstandige ruimten, als geheel genomen, niet overeenkomt met de omzetverhouding. Gelet op de aard van de ruimten is het niet mogelijk het werkelijk gebruik van die ruimten objectief en nauwkeurig vast te stellen, ook niet op basis van vierkante meters, zoals belanghebbende betoogt. Het gaat namelijk om gemengd gebruik van deze ruimten. Het standpunt van belanghebbende berust in wezen op haar primaire stelling dat de zelfstandige productieruimten voor 100% belast worden gebruikt. Zoals hiervoor is geoordeeld, volgt de rechtbank dit standpunt niet, waardoor de basis onder het betoog van belanghebbende is uitgevallen. De omstandigheid dat belanghebbende wel 100% aftrekrecht krijgt voor de zelfstandige productieruimten op basis van het vertrouwensbeginsel, maakt dit niet anders. De toezegging waarop het vertrouwen is gebaseerd, betreft namelijk niet de niet-zelfstandige ruimten. Voor de niet-zelfstandige ruimte geldt dus de omzet pro-rata. Niet in geschil is dat die omzet pro-rata leidt tot een aftrek van voorbelasting op de bouwkosten van 4%.Tussenconclusie\n\n34. De tussenconclusie luidt dat belanghebbende recht heeft op een aanvullende teruggaaf, omdat op basis van het vertrouwensbeginsel voor de zelfstandige productieruimten een volledig recht op aftrek van voorbelasting op de bouwkosten bestaat. Voor de niet-zelfstandige ruimten geldt de hoofdregel: aftrek van voorbelasting op basis van de omzet pro-rata. Dit leidt tot een aftrek van voorbelasting op de bouwkosten van 4%.\n\nVerzoek om vergoeding van immateriële schade\n\n35. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens heeft zij verzocht om vergoeding van wettelijke rente over het bedrag van die schadevergoeding, en om vergoeding van wettelijke rente over een toe te kennen proceskostenvergoeding.\n\n36. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.\n\n37. Op grond van een beleidsregel van de minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.\n\n38. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op\n\n6 oktober 2023. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 6 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met (afgerond) zes maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat een keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 17 mei 2024. De periode gelegen tussen 6 oktober 2023 en 17 mei 2024 is (afgerond) twee maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van twee maanden gedeeld door zes maanden keer € 500 is (afgerond) € 167. De Staat moet de rest betalen, dus € 333. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n39. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een aanvullende teruggaaf OB over het tweede kwartaal van 2023. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar van de inspecteur vernietigen.\n\n40. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Een verzoek voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase kan niet voor het eerst in beroep worden gedaan.Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding de inspecteur, eveneens met toepassing van het Bpb, te veroordelen in de reiskosten van [persoon A], tot een bedrag van € 30,40. Voor vergoeding van verletkosten ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat [persoon A] geen verlof heeft hoeven opnemen voor het bijwonen van de zitting. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen om de vergoeding van € 1.898,40 (€ 1.868 plus € 30,40) aan belanghebbende te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.\n\n41. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht vergoedt, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n- wijzigt de teruggaafbeschikking en verleent een aanvullende teruggaaf zoals hiervoor bij punt 34. is bepaald;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 167 te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 333 te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.898,40 aan proceskosten aan belanghebbende, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, en mr. P.J. Tikken en\n\nmr. J.A.L. Heldens, leden, in aanwezigheid van mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.\n\nUitgesproken op 25 maart 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Na oplevering en ingebruikneming van het complex is de afdeling met de naam ‘Textielatelier’ omgedoopt in ‘Medialab’. Deze ruimte wordt vooralsnog niet gebruikt als productieruimte.\n\n Richtlijn 2006\u002F112\u002FEG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde, PbEU2006, L 347.\n\n ECLI:NL:HR:2012:BU1929.\n\n Zie Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.\n\n ECLI:NL:HR:2021:1849.\n\n Zie Hoge Raad 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1608, Hoge Raad 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:267 en Hoge Raad 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU1929.\n\n Zie Hoge Raad 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:267, r.o. 2.4.2.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n Zie artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2380","2026-07-13T00:28:46.090Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":43,"courtId":81,"decisionDate":120,"fullText":128,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":129,"sourceTimestamp":130,"parsedAt":50,"updatedAt":131},"734","ECLI:NL:GHDHA:2026:890","ecli-nl-ghdha-2026-890","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-25\u002F22 en BK-25\u002F23\n\nUitspraak van 25 maart 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: H. Weisfelt)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 december 2024, nummers SGR 22\u002F8184 en SGR 22\u002F8185.\n\nProcesverloop\n\n1.1.1.. Aan belanghebbende is over het jaar 2015 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 4.107 (naheffingsaanslag I). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 759 aan belastingrente in rekening gebracht en is een boete van € 882 opgelegd.\n\n1.1.2.. Aan belanghebbende is over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 12.367 (naheffingsaanslag II). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 1.976 aan belastingrente in rekening gebracht en is een boete van € 2.421 opgelegd.\n\n1.2.. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de boetebeschikking bij naheffingsaanslag I verminderd. Het bezwaar tegen naheffingsaanslag II heeft de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard en aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. Vervolgens heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag II en de daarbij behorende boetebeschikking verminderd.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 365. Het oordeel van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\nvermindert naheffingsaanslag I tot € 955 aan omzetbelasting, met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente, en vermindert boete I tot € 94;\n\nvermindert naheffingsaanslag II tot € 4.464 aan omzetbelasting, met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente, en vermindert boete II tot € 466;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;\n\nveroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot het bedrag van € 2.998;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiser te vergoeden.”\n\n1.4.. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Partijen hebben een pleitnota overgelegd. Gelijktijdig met de behandeling van de onderhavige zaken zijn ter zitting ook de zaken met de nummers BK-25\u002F18 en BK-25\u002F19 en de zaken met nummers BK-25\u002F22 en BK-25\u002F23 behandeld. Al hetgeen in de ene zaak wordt aangevoerd, wordt geacht te zijn aangevoerd in de andere zaken, tenzij het specifiek op de desbetreffende zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. \n\n [A] en [B] investeren gezamenlijk, in hun eigen namen, in onroerende zaken. Bij brief van 3 november 2020 heeft de Inspecteur laten\n\nweten dit samenwerkingsverband aan te merken als belastingplichtige voor de\n\nomzetbelasting.\n\n2.2.. \n\n [A] is enig aandeelhouder van [B.V. 1] en [B] is enig aandeelhouder van [B.V. 2] .\n\n [B.V. 1] en [B.V. 2] zijn ieder voor de helft de aandeelhouders van [B.V. 3] . De onderneming van [B.V. 3] bestaat uit de aankoop, renovatie en verkoop van woningen.\n\n [B.V. 1] en [B.V. 2] zijn ook, ieder voor een derde, aandeelhouder in [B.V. 4] . De derde aandeelhouder van [B.V. 4] is [B.V. 5] . Enig aandeelhouder van [B.V. 5] is [C] (broer van [B] ). [B.V. 5] is actief op het gebied van bouwbegeleiding.\n\nVoorts zijn [B.V. 1] en [B.V. 2] , ieder voor de helft, de aandeelhouders van [B.V. 6] . Deze vennootschap drijft een groothandel in bouwmaterialen.\n\n2.3.. Belanghebbende heeft in de loop van de jaren 2012 tot en met 2017 ruim 50 onroerende zaken verworven. Overwegend waren dat woningen in gedateerde staat, die na aankoop werden gerenoveerd en vervolgens door belanghebbende werden verhuurd. In enkele gevallen werden woningen na renovatie niet verhuurd maar doorverkocht. De woningen werden overwegend van derden verworven en een aantal keren van [B.V. 3] . Daarbij ging het om woningen die [B.V. 3] niet goed verkocht kreeg of waar anderszins iets mee aan de hand was. Daarnaast bezit belanghebbende enige garages die zij verhuurt.\n\n2.4.. Bij de renovaties gaat belanghebbende steeds op dezelfde wijze te werk als [B.V. 3] en [B.V. 4] . Zij schakelt daarvoor dezelfde vaste architect en aannemer in, maakt eveneens gebruik van de diensten van [B.V. 5] en laat de woningen opknappen in dezelfde stijl, met gebruikmaking van dezelfde van [B.V. 6] betrokken standaardmaterialen als [B.V. 3] en [B.V. 4] dat doen.\n\n2.5.. Belanghebbende had in de onderhavige perioden [B.V. 7] ingeschakeld. [B.V. 7] is ontbonden met achterlating van aanzienlijke omzetbelastingschulden.\n\n2.6.1.. \n\nOp 17 december 2018 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek bij [A] en [B] aangekondigd. Het is afgerond met een controlerapport van 20 juli 2021. In dit rapport heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende op grond van artikel 12, lid 5, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) in samenhang met artikel 24b van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (UBOB) met een aannemer moet worden gelijkgesteld – dat hij een zogenaamde ‘eigenbouwer’ is – en daarom de verleggingsregeling van toepassing is op de diensten van de aannemer aan belanghebbende. Voorts heeft hij de verhuur van de garages op de voet van artikel 7, lid 2, onderdeel b, Wet OB als belaste prestatie aangemerkt.\n\nIn het verlengde daarvan heeft de Inspecteur naheffingsaanslagen aangekondigd. Bij de berekening daarvan heeft hij de omzetbelasting die [B.V. 7] (wel) heeft voldaan, toegerekend en in mindering gebracht op de bedragen aan verlegde omzetbelasting die belanghebbende als eigenbouwer had moeten verantwoorden.\n\nVoorts heeft de Inspecteur vergrijpboetes aangekondigd, met de motivering dat belanghebbende grofschuldig nalatig is geweest door niet te onderkennen eigenbouwer te zijn, alsmede verzuimboetes ter zake van de verhuur van de garages.\n\n2.6.2.. Het controlerapport vermeldt onder meer:\n\n“4.1.3 Beoordeling eigenbouwerschap en toepassing van de verleggingsregeling\n\n4. 1.3.1 Bedrijfsactiviteiten (projectontwikkeling)\n\nDoor belanghebbenden worden gedateerde woningen met onder andere achterstallig onderhoud gekocht, volledig gerenoveerd\u002Fverbouwd voor eigen rekening en uiteindelijk in de verhuur (en incidenteel verkoop) op de woningmarkt aangeboden. Verder is in een aantal gevallen op projectmatige wijze een object ontwikkeld: aankoop van het registergoed, inwendig volledig gesloopt, bouwkundig gesplitst in verschillende appartementen en verbouwd en op de woningmarkt aangeboden in de verkoop of aangeboden voor de verhuur. Voorts hebben belanghebbenden appartementen ontwikkeld\u002Fgebouwd op de panden [adres 1] en [adres 2] en twee garages gebouwd. Ook komt het voor dat vóór de aanvang van de verbouwing al een koper is gevonden en dat in gezamenlijk overleg de verbouwing door middel van nadere afspraken wordt uitgevoerd. Hierbij wordt dan gerefereerd aan 'door [B.V. 3] gehanteerde opleveringsniveau'en aan referentieobjecten welke al door [B.V. 3] zijn verbouwd\u002Fgerenoveerd. Voor een nadere omschrijving van werkzaamheden bij de verbouwingen wordt verwezen naar de hoofdstuk 3 waarin een aantal projecten en de betrokkenheid van de belanghebbenden bij deze projecten uitgebreid is beschreven. Ten behoeve van deze werkzaamheden zijn door belanghebbenden aannemers ingehuurd om deze werkzaamheden van stoffelijke aard te verrichten. Uit de bovengenoemde omstandigheden en activiteiten van het samenwerkingsverband volgt het eigenbouwerschap en dit heeft tot gevolg dat de (onder)aannemers de verleggingsregeling moeten toepassen. De eerder genoemde uitzonderingen op de verleggingsregeling doen zich bij het samenwerkingsverband niet voor.\n\n4. 1.3.2 Geen opdracht van een opdrachtgever\n\n(…)\n\nDe opdrachtgever wordt door belanghebbenden gevonden tijdens het uitvoeren van het werk of na de voltooiing van het werk. Het komt ook voor dat al een afnemer\u002Fopdrachtgever wordt gevonden voordat de verbouwing plaatsvindt. In dat geval kan het samenwerkingsverband als aannemer aangemerkt worden. Ook dan geldt verplicht de verleggingsregeling. Er worden dan immers overeenkomsten met klanten gesloten waarbij met de kopende partij al afspraken worden gemaakt op welke wijze de verbouwingen worden uitgevoerd en wat de verbouwing inhoudt, waaronder de uitvoering keuken, badkamer et cetera.\n\n4. 1.3.3 Het werk behoort tot de normale bedrijfsuitoefening\n\n(…)\n\nDe algehele leiding over de werkzaamheden berust in dit geval bij het samenwerkingsverband. Van belang daarbij is dat het samenwerkingsverband zo'n 65 en [B.V. 3] vanaf 2008 tot 2017 circa 200 panden op deze manier hebben verbouwd en gerenoveerd. Het samenwerkingsverband en in het verlengde daarvan [B.V. 3] hebben derhalve meer kennis dan een 'normale' opdrachtgever. Weliswaar wordt ook bouwbegeleiding ingehuurd van de heer [C] via [B.V. 5] h.o.d.n. [Adviesbureau] , maar het veronderstelde aantal uren dat de heer [C] aan de bouwprojecten van het samenwerkingsverband en [B.V. 3] heeft besteed, maakt niet dat er sprake is van algehele leiding door derden. Voor wat betreft het aantal veronderstelde uren merken wij op dat de bouwbegeleider vermoedelijk beperkt is ingezet wanneer de grootboekrekeningen en bankafschriften worden afgespeurd. Voor wat betreft inzet van de heer [C] dan wel zijn vennootschap zijn in 2014 geen afschrijvingen te bespeuren. In 2015 bedraagt dit € 3.050 en € 2.796. Alleen in 2017 is een substantieel bedrag van € 22.543 ontvangen. Belanghebbenden hebben verklaard dat de heer [C] circa € 500 per project ontvangt en meer voor de grotere projecten. Op de rekeningafschriften zien wij een enkele keer € 508, wat aansluit bij de\n\nverklaring van belanghebbenden. Wij vragen ons echter af hoeveel werk belanghebbenden\n\ndaadwerkelijk uit handen is genomen. Het bedrag is inclusief omzetbelasting waardoor het een zeer geringe vergoeding betreft. Bij het becommentariëren van het conceptrapport hebben belanghebbenden aangegeven dat de inzet van [C] zeer intensief is. Gelet op hetgeen is vastgelegd en is af te leiden uit de administratie achten wij intensieve inzet zeer onwaarschijnlijk.\n\nBlijkens ons ten dienste staande gegevens die volgen uit het inleidend gesprek bij gelieerde\n\nvennootschap [B.V. 3] heeft de heer [A] verklaard dat hij prijsafspraken maakte met de heer [D] , bestuurder van [Ltd. 1] en medewerker van [B.V. 7] (onderaannemers van het samenwerkingsverband in 2014 tot en met 2016). Dit is tevens gebleken uit het e-mailverkeer tussen [B.V. 7] (onderaannemer in 2015 en 2016) en [B.V. 3] waarbij naar voren komt dat de rol bij prijsafspraken direct maar ook indirect bij belanghebbenden als DGA's ligt. Tevens is gebleken dat belanghebbenden actief betrokken zijn bij de verbouwingen ten behoeve van de verhuur. Zo bespreekt de heer [B] en\u002Fof [A] met de architecten en bouwkundigen hoe hij de verbouwing ziet, wat zij precies met het pand willen en of hun ideeën met betrekking tot de verbouwing\u002Fsplitsing mogelijk zijn. Met de (potentiële) kopers worden voornamelijk door de heer [B] en\u002Fof [A] afspraken gemaakt over hoe het pand verbouwd wordt en of de wensen van de klant mogelijk zijn.\n\nBij specifieke bouwkundige vragen wordt de koper in bepaalde gevallen naar de heer [C] verwezen. Echter, de bemoeienis van de heer [C] lijken ons zoals eerder beschreven niet heel intensief, gezien de vergoedingen voor zijn werkzaamheden die hij van het samenwerkingsverband ontvangt. De heer [C] dient met de belanghebbenden te overleggen. Nergens is uit gebleken dat hij zelfstandig (zonder toestemming van de\n\nbelanghebbenden) beslissingen mag nemen. Tijdens een bespreking op 3 maart 2021 hebben\n\nbelanghebbenden erkend dat presterende partijen graag een handtekening zien van de\n\nopdrachtgevers. Wij nemen aan dat het toezicht op het verloop van de verbouwingen mede door de belanghebbenden wordt verricht.\n\nVan belang is voorts dat belanghebbenden al dan niet via [B.V. 3] zich sinds 2008 met deze activiteiten bezighouden en dat de heer [B] in het verleden een\n\ncontrollersfunctie bij een bouwbedrijf heeft bekleed. Naast de algemene kennis op het gebied van aankoop, verbouwing en verkoop, beschikt de heer [B] ook over technische kennis. De technische kennis van de heer [B] blijkt onder meer uit zijn werkervaring, de taakverdeling van de werkzaamheden en de aard van zijn werkzaamheden en hetgeen de heer [A] over de heer [B] zegt op de website van [B.V. 3] : \"Hij is de technische man van ons tweeën. Vrijwel zijn gehele familie zit in de aannemerij. Hij is opgegroeid tussen architecten, ingenieurs en uitvoerders. [B] is theoretisch uitstekend onderlegd en door zijn praktijkervaring heeft hij een groot technisch inzicht. Hij kan een pand beoordelen op zijn huidige staat en de bouwkundige mogelijkheden. [B.V. 3] is zijn vermogen om overzicht te bewaren bij complexe projecten.\"Daarnaast blijkt de technische kennis van de heer [B] onder meer uit een door hem opgestelde zeer uitgebreide offerte in februari 2014 namens [B.V. 4] van een verbouwing van het pand [adres 3] te [woonplaats] voor een bedrag van ruim € 190.000. De offerte begint met:\"Beste […] en […] , In aansluiting op onze diverse besprekingen en gedane opname ter plaatse bevestigen wij de volgende werkzaamheden in uitvoering te zullen nemen en wel (...)\".\n\nWat volgt zijn zeven pagina's met beschrijvingen van werkzaamheden. Vervolgens wordt\n\nafgesloten met \"Vertrouwende u hiermee een passende aanbieding te hebben gedaan, Met\n\nvriendelijke groet, [B] \u002F [B.V. 4] \".\n\nGezien de jarenlange ervaring met betrekking tot dit soort objecten en het gezamenlijke optreden voor [B.V. 3] en het samenwerkingsverband moet de organisatorische en technische kennis ook bij de heer [A] aanwezig zijn. Dit blijkt onder meer uit de intensieve bemoeienis tijdens de ontwikkeling van projecten en de contacten met architecten, het offreren en het maken van afspraken met kopers. Daarnaast blijkt de organisatorische en technische kennis van de heer [A] onder meer uit zijn werkervaring, de taakverdeling van de werkzaamheden en de aard van zijn werkzaamheden.\n\nHet voornoemde volgt met name uit het bij [B.V. 3] uitgevoerde onderzoek. Gelet op vermenging van eenzelfde netwerk en de aanwezige kennis veronderstellen wij dat de situatie van belanghebbenden nooit veel kan afwijken van de situatie bij [B.V. 3] In de navolgende alinea wordt aan het voornoemde nadere invulling gegeven.\n\nBelanghebbenden hebben hun projecten doorgaans mede laten financieren. Uit de taxatierapporten die ten behoeve hiervan zijn opgestelde blijkt meer dan incidenteel dat belanghebbenden hun te maken kosten aanzienlijk lager inschatten dan de taxateur. De reden die zij hiervoor hebben aangevoerd is dat zij de verbouwing deels in eigen beheer laten uitvoeren. Als voorbeeld citeren wij uit het taxatierapport van de [adres 4] : \"Kosten volgens opgave toekomstige eigenaren circa € 30. 000, waarbij de werkzaamheden deels in eigen beheer en deels door derden, doch vaste relaties, worden uitgevoerd, waardoor het als reële schatting van de kosten wordt aangemerkt. Indien de werkzaamheden geheel door derden worden uitgevoerd, in opdracht van een particulier, worden de kosten geschat op € 45.000”Wij nemen gelet op het voornoemde aan dat belanghebbenden zich inhoudelijk bemoeien met de projecten. Verder merken wij op dat uit het gros van de taxatierapporten die zijn opgemaakt voorafgaand aan de verbouwing blijkt dat werkzaamheden deels in eigen beheer worden uitgevoerd. Het heeft er dus alle schijn van dat de feitelijk leiding bij belanghebbenden berust.\n\nOp basis van de opgedane ervaringen met [B.V. 3] zagen de heren [B] en\n\n [A] kennelijk een markt voor soortgelijke activiteiten door middel van een aannemingsbedrijf dan wel ontstond er vraag van de particuliere woningbezitter om soortgelijke verbouwingen\u002Frenovaties in opdracht te verrichten. Dit heeft geresulteerd in de oprichting van het aannemingsbedrijf [B.V. 4] op […] 2012. Sinds de oprichting van [B.V. 4] in 2012 zijn er tot 2017 ongeveer 60 woningen ingrijpend verbouwd of gerenoveerd.\n\nDe kennis, kunde en vakmanschap en ondernemingszin van beide aandeelhouders in de burgerlijke (ver)bouw blijkt ook uit het feit dat zij gezamenlijk het volledige kapitaalbelang in [B.V. 6] bezitten. Via deze vennootschap worden allerlei bouwmaterialen ingekocht, al dan niet door middel van import. Niet onaannemelijk zijn de voordelen die komen kijken bij grootschalige inkoop. De bouwmaterialen worden geleverd aan het samenwerkingsverband, [B.V. 3] en [B.V. 4] ten behoeve van de uit te voeren projecten, maar ook aan niet-gelieerde bouwbedrijven. Het betreft dan bijvoorbeeld de levering van vloerdelen, badkameruitrusting (o.a. doucheschermen, wand- en vloertegels), deuren, deurbeslag, hang- en sluitwerk. In koopovereenkomsten bij verbouwingsstelposten voor vloeren, sanitair, tegels en deurbeslag wordt regelmatig verwezen naar de 'collectie [B.V. 3] '. Hiermee wordt dan bedoeld de via [B.V. 6] te verwerken materialen. Op het bedrijfsadres van de ondernemingen aan de [adres 5] te [woonplaats] zijn op de benedenverdieping diverse door [B.V. 6] te leveren artikelen uitgestald in de showroom.\n\nUit dit alles blijkt dat de eigen technische en\u002Fof organisatorische kennis bij het belanghebbenden en [B.V. 3] aanwezig is en een veel grotere rol speelt dan bij een 'normale' opdrachtgever. Daarmee ligt de algehele leiding en verantwoordelijkheid van de uitgevoerde projecten bij belanghebbenden en [B.V. 3] en daarmee dus niet bij derden.”\n\n2.7.1.. Met dagtekening van 30 november 2020 heeft de Inspecteur over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 naheffingsaanslag I ten bedrage van € 4.107 opgelegd. Daarvan ziet € 3.152 op toepassing van de verleggingsregeling en € 955 op de verhuur van garages. Bij de aanslag is belastingrente in rekening gebracht en is boete I ten bedrage van € 882 opgelegd. Dat bedrag bestaat voor € 788 uit een vergrijpboete en voor € 94 uit een verzuimboete.\n\n2.7.2.. Met dagtekening van 28 augustus 2021 heeft de Inspecteur over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 naheffingsaanslag II ten bedrage van € 12.367 opgelegd. Daarvan ziet € 7.903 op toepassing van de verleggingsregeling en € 4.464 op de verhuur van garages. Bij de aanslag is belastingrente in rekening gebracht en is boete II ten bedrag van € 2.421 opgelegd. Dat bedrag bestaat voor € 1.975 uit een vergrijpboete en voor € 446 uit een verzuimboete.\n\n2.8.. \n\nIn de uitspraak op bezwaar van 25 november 2022 heeft de Inspecteur naheffingsaanslag I in stand gelaten en boete I wegens overschrijding van de redelijke termijn met 20% verminderd tot € 705 (vergrijpboete € 630 en verzuimboete € 75).\n\nBij uitspraak van eveneens 25 november 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen naheffingsaanslag II en boete II niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Wel is daarbij boete II wegens overschrijding van de redelijke termijn verminderd tot € 1.937 (vergrijpboete € 1.580 en verzuimboete € 60).\n\n2.9.1.. Bij brief van 19 december 2022, ontvangen door de Rechtbank op 20 december 2022, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.\n\n2.9.2.. De Rechtbank heeft bij brief van 22 december 2022 belanghebbende gelegenheid gegeven de gronden binnen vier weken aan te vullen.\n\n2.9.3.. Bij brief van 23 januari 2023, ontvangen door de Rechtbank op dezelfde datum, heeft belanghebbende de gronden van het beroep kort weergegeven en verzocht om de termijn voor het aanvoeren van nadere gronden met acht weken te verlengen.\n\n2.9.4.. Naar aanleiding van voormeld verzoek heeft de Rechtbank bij brief van 30 januari 2023 belanghebbende gelegenheid gegeven de gronden binnen acht weken aan te vullen.\n\n2.9.5.. Bij brief van 24 maart 2023, ontvangen door de Rechtbank op dezelfde datum, heeft belanghebbende de gronden aangevuld.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:\n\n“Ontvankelijkheid\n\n12. Eiser heeft met dagtekening van 19 december 2022 pro-forma beroepschriften tegen de uitspraken op bezwaar van 25 november 2022 ingediend, die door de rechtbank zijn ontvangen op 20 december 2022. Bij brief van 22 december 2022 heeft de rechtbank eiser verzocht haar beroepen uiterlijk binnen vier weken van de gronden te voorzien, mitsdien voor 20 januari 2023. Dat heeft eiser gedaan bij brief van 23 januari 2024, door de rechtbank ontvangen op 24 januari 2024.\n\n13. Op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien het niet de gronden bevat, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het binnen een door de rechtbank gestelde termijn te motiveren. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard om de reden dat eiser de gronden enige dagen na het einde van de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend.\n\n14. De rechtbank ziet in die overschrijding van de door haar gestelde termijn geen aanleiding de beroepen niet-ontvankelijkheid te verklaren.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nIn de zaak SGR 22\u002F8185: ontvankelijkheid bezwaar\n\n15. Bij de gecombineerde hoorzitting van 17 januari 2022 inzake de bezwaren van [B.V. 3] , [B.V. 4] en dat van eiser tegen naheffingsaanslag I heeft eiser naar voren gebracht dat hij bij die bijeenkomst voor het eerst vernam dat nog een tweede naheffingsaanslag was opgelegd. Nadat verweerder bij e-mail van 1 februari 2022 duplicaat van naheffingsaanslag II aan eiser had toegezonden, heeft eiser daar bij brief van dezelfde dag bezwaar tegen gemaakt.\n\n16. Verweerder acht het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Eiser stelt zich op het standpunt dat naheffingsaanslag II eerst is bekend gemaakt met de toezending van het duplicaat-biljet op 1 februari 2022 en dat hij mitsdien binnen de daarvoor geldende termijn in bezwaar is gekomen.\n\n17. Bij haar beoordeling neemt de rechtbank de navolgende feiten in aanmerking.\n\nHet kantoor van [B.V. 3] en [B.V. 4] is eind maart \u002F begin april 2020 verhuisd, van de [adres 6] te [woonplaats] naar de [adres 7] aldaar. De adreswijziging is aan verweerder doorgegeven.\n\nBij brief van 3 november 2020, per adres [adres 6] , heeft verweerder te kennen gegeven het samenwerkingsverband tussen [A] en [B] aan te merken als belastingplichtige voor de omzetbelasting. Ook naheffingsaanslag I, met dagtekening van 30 november 2020, is toegezonden aan het adres [adres 6] . Namens eiser is daartegen bezwaar gemaakt door zijn gemachtigde. Vanaf dat moment verliep de correspondentie tussen verweerder en eiser via de gemachtigde. Naheffingsaanslag II is met dagtekening van 28 augustus 2021 toegezonden aan het adres [adres 6] . Dit poststuk heeft eiser, naar hij stelt, niet bereikt.\n\n18. Eiser heeft niet enig adres aan verweerder opgegeven. Het is verweerder zelf die, toen hij bevond dat het samenwerkingsverband als entiteit voor de heffing van omzetbelasting heeft te gelden, ervoor koos aan eiser gerichte post te verzenden naar het adres [adres 6] . Dat deed hij terwijl hem bekend was dat – met de verhuizing van het kantoor van [B.V. 3] en [B.V. 4] – de plek van waaruit [A] en [B] hun samenwerkingsverband bestierden al ruim een half jaar eerder aan de [adres 7] was terecht gekomen. Door niettemin naheffingsaanslag II te verzenden aan het adres [adres 6] is deze niet op de in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven wijze bekend gemaakt, maar is dat eerst met toezending van het duplicaat-biljet gebeurd. De bezwaartermijn is daarmee eerst op 1 februari 2022 aangevangen (artikel 6:8 Awb).\n\n19. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser voor zover het zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen naheffingsaanslag II gegrond.\n\nIn beide zaken: eigenbouwerschap\n\n20. Krachtens artikel 12, vijfde lid, van de Wet OB wordt in de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen de belasting geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend. In het vijfde lid van artikel 24b van het UBOB is het geval aangewezen waarin de levering bestaat uit een werk van stoffelijke aard dat betrekking heeft op een onroerende zaak dat door een onderaannemer aan een aannemer wordt geleverd. Het derde lid stelt met een aannemer gelijk, degene die het werk uitvoert in de normale uitoefening van zijn bedrijf zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen (de ‘eigenbouwer’).\n\n21. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser een bedrijf uitoefent in de zin van artikel 24b, vijfde lid, van het UBOB en dat de renovaties werken van stoffelijke aard zijn die zijn uitgevoerd in de normale uitoefening van dat bedrijf. Nu eiser dat niet heeft weersproken en dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, gaat ook de rechtbank daarvan uit.\n\n22. Of eiser als eigenbouwer kan gelden, spitst zich daarmee erop toe of jij die werken heeft ‘uitgevoerd’, in de zin van artikel 24b, derde lid, van het UBOB. Voor een bevestigende beantwoording van die vraag is niet vereist dat eiser die werken ook zelf geheel of gedeeltelijk heeft uitgevoerd, maar volstaat het dat de algehele leiding bij het tot stand brengen van de werken bij hem berustte.[2] Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 24b UBOB[3] volgt dat die leiding betrekking moet hebben op het werk in eigenlijke zin. De gelijkstelling van de eigenbouwer met een aannemer is namelijk erdoor ingegeven dat hij daarmee vergelijkbaar is in die zin, dat ook van de eigenbouwer het bedrijf “het bouwen” is.[4] De wetgever heeft daarbij benadrukt dat de eigenbouwer “goed [moet] worden onderscheiden van de opdrachtgever … die een overeenkomst met een aannemer sluit”.[5] De rechtbank leidt daaruit als het onderscheidende criterium af dat een eigenbouwer betrokken is bij bouwkundige vragen en problemen die rijzen bij de uitvoering van het bouwproject en daarin een beslissende stem heeft. Aldus komt het erop aan, of eiser een verdergaande bemoeienis had met de bouwwerkzaamheden in eigenlijke zin dan een ‘normale’ opdrachtgever pleegt te hebben.\n\n23. Verweerder heeft zijn standpunt omtrent het eigenbouwerschap in beroep onderbouwd door te verwijzen naar zijn verweerschrift in de zaken van [B.V. 3] . Dat heeft hij ermee toegelicht dat de activiteiten van eiser “in het verlengde liggen” van die van [B.V. 3] , waarmee hij klaarblijkelijk gezegd wil hebben dat eiser wat betreft de renovaties op dezelfde wijze te werk gaat als [B.V. 3] . De stellingen van verweerder over die werkwijze laten zich, toegespitst op de onderhavige zaken, samenvatten als volgt.\n\n [B] en [A] voeren zelf de besprekingen met de architecten. In de gevallen waarin een bouw- en\u002Fof splitsingsvergunning moet worden aangevraagd zijn zij daarbij steeds ook zelf betrokken. In voorkomend geval richt eiser een vereniging van eigenaren op. Eiser maakt prijsafspraken met de aannemers. De offertes van de aannemers plegen summier te zijn en in enkele gevallen is niet eens een schriftelijke offerte uitgebracht. In de taxatierapporten die ten behoeve van de financiering zijn opgesteld, zijn de kosten van renovatie structureel lager ingeschat dan in de markt gebruikelijk is. Gelet op het aantal renovaties waar [B] en [A] in de loop van de tijd bij betrokken zijn geweest, zullen zij de technische en organisatorische know-how hebben verworven die nodig is om het bouwproces te kunnen leiden. Het tijdsbeslag van [B.V. 5] was zodanig gering, dat het niet anders kan of [B] en [A] hebben zich ook zelf met begeleiding van de bouw ingelaten.\n\n24. Eiser heeft hier het navolgende tegenover gesteld.\n\nVergunningaanvragen worden ingediend door de architect, namens eiser als de eigenaar van het desbetreffende object. De renovaties zijn steeds volgens een standaardconcept uitgevoerd. Eiser werkte steeds met dezelfde aannemer, die het concept kende zodat aan de offerte niet veel meer te pas kwam dan een prijsopgave op basis van de aangeleverde plannen van de architect. Door te werken met een standaardconcept worden schaalvoordelen behaald, onder andere bij de inkoop van materialen, waardoor de renovaties minder kostten dan gemiddeld in de markt gebruikelijk is. Eiser betwist te beschikken over know-how op het gebied van bouwen. Daarvoor schakelt hij [B.V. 5] in, voor de vragen die tijdens het bouwproces opkomen en voor de controle van het werk bij de oplevering.\n\n25. Aangezien verweerder zich op de verleggingsregeling beroept, rust op hem de last te bewijzen dat eiser de algehele leiding had over de bouwwerkzaamheden.\n\nDe door verweerder gestelde werkzaamheden van eiser betreffen vooral de voorbereiding en het verlenen van opdrachten aan de aannemer. Verweerder heeft omtrent de bouwwerkzaamheden in eigenlijke zin wezenlijk niet meer naar voren gebracht, dan dat het gelet op de tijdsbesteding van [B.V. 5] niet anders kan of eiser was daarbij betrokken. Gelet op wat naar voren is gekomen over de werkwijze van eiser acht de rechtbank aannemelijk dat hij de uitvoering van de met de architect uitgewerkte plannen aan de aannemer heeft kunnen overlaten, en dat hij de weinige bemoeienis die daar nog wel bij kwam kijken aan [B.V. 5] had uitbesteed.\n\nDe rechtbank is daarmee van oordeel dat verweerder niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de betrokkenheid van eiser bij de bouw in betekende mate verder ging dan die van een ‘gewone’ opdrachtgever.\n\n26. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\n27. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.\n\n28. Eiser heeft op 22 december 2020 bezwaar gemaakt tegen naheffingsaanslag I. Vanaf dat moment tot de uitspraak van de rechtbank zijn ruim drieënhalf jaar verstreken. Omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat de redelijke termijn met (afgerond) twee jaar is overschreden. De rechtbank ziet daarin aanleiding een vergoeding ter zake van immateriële schade toe te kennen van € 2.000. De termijnoverschrijding is voor anderhalf jaar toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor een half jaar aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom een bedrag van € 1.500 aan eiser te vergoeden en de Staat een bedrag van € 500.\n\nProceskosten\n\n29. Nu de beroepen van eiser gegrond zijn, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Daarbij merkt zij de onderhavige zaken aan als samenhangend, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit), met de zaken van [B.V. 3] en die van [B.V. 4] .\n\n30. Eiser heeft in de bezwaarfase aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. In de beroepsfase heeft hij verzocht om integrale proceskostenvergoeding.\n\n31. Om af te wijken van een forfaitaire proceskostenvergoeding moet op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit sprake zijn van een bijzondere omstandigheid. Bijzondere omstandigheden die een hogere dan forfaitaire proceskostenvergoeding kunnen rechtvaardigen doen zich voor als verweerder een besluit neemt of handhaaft terwijl op dat moment duidelijk is dat het besluit in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden, of als hij anderszins in vergaande mate onzorgvuldig handelt.[6]\n\n32. Van verweerders standpunt omtrent het eigenbouwerschap was niet zodanig voorzienbaar dat het in rechte geen stand zou houden, dat om die reden afwijking van het forfait geboden is.\n\nAnders is dat met betrekking tot de vergrijpboete. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder beter moeten weten, dan te verdedigen dat het standpunt van eiser omtrent het eigenbouwerschap niet pleitbaar zou zijn.\n\nBij uitspraken van heden in de zaken van [B.V. 3] en van [B.V. 4] oordeelt de rechtbank in gelijke, respectievelijk vergelijkbare zin over de aan hen opgelegde vergrijpboeten.\n\n33. Eiser heeft geen opgave gedaan van de door hem belopen kosten van rechtsbijstand en heeft niet gespecificeerd welke tijd zijn gemachtigde aan welke onderwerpen heeft besteed. De rechtbank kan daardoor niet bepalen welk bedrag aan kosten van rechtsbijstand is gemoeid met standpunten die verweerder tegen beter weten in heeft betrokken, maar wel constateert zij dat de gemachtigde in betekenende mate tijd heeft besteed aan de bestrijding van de boeten. Om deze redenen geeft de rechtbank toepassing aan artikel 2, derde lid, van het Besluit door de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding te verdubbelen.\n\n34. De rechtbank stelt aldus de te vergoeden kosten op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 8.994 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875, factor 1,5 vanwege het aantal beroepen en vermenigvuldigd met 2 om de hiervoor genoemde reden).\n\nDe rechtbank kent in de onderhavige zaken een derde van deze vergoeding, derhalve € 2.998 toe aan eiser.\n\n(…)\n\n[2] HR 15 oktober 1986, ECLI:NL:HR:AS8673, r.o. 4.3.\n\n[3] Artikel 24b UBOB is ingevoerd bij Besluit van 19 juni 1982, Stb. 357. Het derde lid is daarbij toegelicht met de opmerking dat de bepaling is overgenomen uit de Wet ketenaansprakelijkheid (Wet van 4 juni 1981, Stb. 370).\n\n[4] Kamerstukken II, 1978-1979, 15 697, nr. 3, blz. 13 en bijlage 2 daarbij, blz. 33.\n\n[5] Kamerstukken II, 1978-1979, 15 697, nr. 3, blz. 20.\n\n[6] Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In geschil is of:\n\na. a) de beroepen terecht ontvankelijk zijn verklaard door de Rechtbank;\n\nb) de Rechtbank terecht heeft beoordeeld of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II ontvankelijk is;\n\nc) de Rechtbank het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II terecht ontvankelijk heeft verklaard;\n\nd) de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende geen eigenbouwer is;\n\ne) recht bestaat op interne compensatie voor een bedrag van € 19.615 over 2015 en € 12.438 over 2016;\n\nf) de Rechtbank terecht de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding heeft verdubbeld;\n\ng) de Rechtbank terecht een proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de bezwaarfase.\n\n4.1.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat de vergrijpboeten terecht zijn vernietigd.\n\n4.2.. De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen, subsidiair tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen naheffingsaanslag II en handhaving van naheffingsaanslag I. Meer subsidiair concludeert de Inspecteur tot handhaving van beide naheffingsaanslagen. Indien het Hof van oordeel is dat belanghebbende een eigenbouwer is maar de naheffingsaanslagen om een andere reden verminderd worden, doet de Inspecteur een beroep op interne compensatie. In alle gevallen concludeert de Inspecteur tot behoud van de beslissing van de Rechtbank de vergrijpboeten te vernietigen. Verder concludeert de Inspecteur tot vermindering van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase en tot vernietiging van de veroordeling in de proceskosten voor de bezwaarfase.\n\n4.3.. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot veroordeling van de Inspecteur in de werkelijke proceskosten.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nZijn de beroepen terecht ontvankelijk verklaard door de Rechtbank?\n\n5.1.. De Inspecteur stelt dat de Rechtbank de beroepen van belanghebbende ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert aan dat de Rechtbank belanghebbende op 22 december 2022 heeft verzocht om de gronden van het beroep binnen een termijn van vier weken in te dienen, zijnde uiterlijk 20 januari 2023. Belanghebbende heeft de gronden van het beroep pas op 23 januari 2023 ingediend. Omdat belanghebbende de termijn heeft overschreden en de Rechtbank niets heeft vastgesteld over de eventuele verschoning van de overschrijding van de termijn dienen de beroepen niet-ontvankelijk te worden verklaard.\n\n5.2.1.. Op grond van artikel 6:5, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt het beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste de gronden van het bezwaar.\n\n5.2.2.. Artikel 6:6, aanhef, onderdeel a, en slotregel, Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.\n\n5.2.3.. Het procesreglement van de Rechtbank (geldend in 2022 en 2023) vermeldt voor zover van belang:\n\n“Artikel 2.4 Herstel van een verzuim en opvragen machtiging (de artikelen 6:5, 6:6, 8:24 en 8:36a van de Awb)\n\n1. Indien sprake is van een herstelbaar verzuim als bedoeld in artikel 6:6 of 8:36a van de Awb of indien de bestuursrechter van een gemachtigde een machtiging verlangt, stelt de bestuursrechter de indiener van het beroepschrift per bericht in de gelegenheid binnen vier weken het verzuim te herstellen dan wel de machtiging in te zenden.\n\n(…)\n\n3. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens een verzuim als bedoeld in het eerste lid vindt slechts plaats, indien:\n\na. in het geval op papier wordt geprocedeerd de uitnodiging om het verzuim te herstellen bij aangetekende brief is verzonden of anderszins vaststaat dat de uitnodiging is ontvangen,\n\nb. in de uitnodiging is medegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld en het verzuim niet verschoonbaar is, en\n\nc. binnen de termijn geen herstel heeft plaatsgevonden en dit verzuim niet verschoonbaar is.”\n\n5.3.. Artikel 6:6, Awb bevat geen verplichting maar een discretionaire bevoegdheid voor de Rechtbank om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren (vgl. HR 2 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7608, BNB 1987\u002F318). Anders dan de Inspecteur meent, volgt uit artikel 2.4 van het procesreglement (zie 5.2.3) ook geen verplichting een beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Dat artikel stelt slechts de voorwaarden waaronder de rechtbanken kunnen overgaan tot de niet-ontvankelijkverklaring van een beroep.\n\n5.4.1.. Belanghebbende heeft in haar brief, ontvangen door de Rechtbank op 23 januari 2023, de gronden van het beroep kort weergegeven en verzocht om de termijn voor het aanvoeren van nadere gronden met acht weken te verlengen. De Rechtbank is bij brief van 30 januari 2023 aan dit verzoek tegemoetgekomen (zie 2.9). Zoals uit overweging 14 van haar uitspraak volgt, heeft de Rechtbank geen reden gezien de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. Het Hof vindt dit oordeel niet onlogisch. Het feit dat belanghebbende de motivering enkele dagen na de aanvankelijk gestelde termijn heeft ingediend en dat aan belanghebbende vervolgens (nogmaals) uitstel is verleend om de beroepen verder te motiveren, heeft het verdere goede verloop van de procedure niet belemmerd. De Inspecteur is bijvoorbeeld niet benadeeld door het feit dat de motivering later is ingediend. Hij heeft immers voldoende gelegenheid gehad daarop te reageren. Daarbij weegt het belang van belanghebbende dat haar beroepen worden beoordeeld door de rechter in dit geval zwaarder dan het feit dat de motivering enkele dagen later dan de aanvankelijk gestelde termijn is ontvangen.\n\n5.4.2.. De situatie van belanghebbende verschilt ook van de door de Inspecteur aangehaalde situatie in de uitspraak van dit Hof, ECLI:NL:GHDHA:2022:948. In de laatstgenoemde zaak was belanghebbende een paar maanden te laat met het indienen van de gronden van het beroep. In dit geval heeft belanghebbende de brief met de verkorte motivering en het uitstelverzoek slechts enkele dagen te laat ingediend en heeft de Rechtbank (nogmaals) uitstel verleend om de beroepen verder te motiveren. Nadat de Rechtbank het verzochte uitstel had verleend, heeft belanghebbende de motivering binnen de gestelde termijn ingediend (zie 2.9).\n\n5.4.3.. Dat de Inspecteur zich niet kan vinden in het oordeel van de Rechtbank of op een uitgebreidere motivering rekende, betekent niet dat de Rechtbank het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Wat er verder ook zij van deze stelling van de Inspecteur, hij heeft het standpunt ingenomen dat de zaak niet hoeft te worden teruggewezen naar de Rechtbank en hieraan geen verdere conclusie verbonden zodat deze stelling nergens toe leidt.\n\n5.5.. Het Hof oordeelt dat de beroepen terecht ontvankelijk zijn verklaard door de Rechtbank.\n\nHeeft de Rechtbank terecht beoordeeld of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II ontvankelijk is?\n\n5.6.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte ambtshalve heeft beoordeeld of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II ontvankelijk was. Belanghebbende heeft in beroep geen gronden aangevoerd tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. De Rechtbank had, gelet op onder andere het arrest ECLI:NL:HR:2021:1153, niet ambtshalve mogen beoordelen of de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar door de Inspecteur terecht is geweest.\n\n5.7.1.. Anders dan de Inspecteur meent, heeft de Rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring niet ambtshalve beoordeeld. Het Hof licht dit als volgt toe.\n\n5.7.2.. De toelichting op de uitspraken op bezwaar van 4 november 2022 vermeldt met betrekking tot het bezwaar tegen naheffingsaanslag II onder meer:\n\n“Ondanks de niet-ontvankelijkheid neem ik uw bezwaarschrift wel in behandeling als een verzoek om ambtshalve vermindering. Dit houdt in dat u geen beroep kunt aantekenen tegen mijn inhoudelijke beslissing. U kunt wel beroep instellen tegen mijn beslissing uw bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren.”\n\n5.7.3.. Het beroepschrift vermeldt het aanslagnummer van naheffingsaanslag II. Dit aanslagnummer wordt ook vermeld in de nadere motivering. Uit de toelichting op de uitspraak op bezwaar volgt dat met betrekking tot de naheffingsaanslag II alleen beroep kon worden ingesteld tegen de beslissing van de Inspecteur het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren. Gelet op de vermelding van het aanslagnummer van naheffingsaanslag II in het beroepschrift en de nadere motivering heeft belanghebbende dus (mede) beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de Inspecteur van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II.\n\n5.7.. Bovendien werpt de Inspecteur de (niet-)ontvankelijkheid van het bezwaar zelf op in zijn verweerschrift.\n\n5.8.1.. Het Hof voegt hier het volgende aan toe. Het voormelde arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153, vermeldt, voor zover van belang (het Hof heeft de voetnoten in het citaat weggelaten):\n\n“4.3.3. Tot nu toe komt het in de praktijk voor dat de rechter ook de tijdigheid van een bij het bestuursorgaan ingediend bezwaarschrift ambtshalve beoordeelt. De Hoge Raad heeft deze praktijk in belastingzaken in het verleden aanvaard. De Hoge Raad ziet echter aanleiding deze rechtspraak te heroverwegen. De hiervoor in 4.3.2 vermelde bepalingen van de Awb brengen namelijk niet zonder meer mee dat in een volgende instantie ambtshalve de tijdigheid van het aanwenden van een rechtsmiddel in de vorige instantie opnieuw moet worden beoordeeld. Verder valt niet in te zien welk zwaarwegend belang gediend kan zijn met ambtshalve beoordeling van die ontvankelijkheid in (hoger) beroep.\n\n4.3.4.. Gelet op hetgeen in 4.3.2 en 4.3.3 is overwogen, zal de Hoge Raad voortaan het uitgangspunt hanteren dat de rechter de tijdigheid van een bezwaar of beroep in een vorige instantie niet ambtshalve behoort te beoordelen. In zoverre komt de Hoge Raad terug van de hiervoor in 4.3.3 bedoelde rechtspraak. Dit betekent dat de rechtbank het bij het bestuursorgaan gemaakte bezwaar niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding nietontvankelijk mag verklaren, en dat het hof het bij de rechtbank ingestelde beroep of het bij het bestuursorgaan gemaakte bezwaar niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk mag verklaren.”\n\n5.8.2.. Het Hof stelt voorop dat overweging 4.3.4 van het voormelde arrest betrekking heeft op een andere situatie dan in deze zaak aan de orde is. Voor wat betreft de beoordeling door de rechtbank gaat het in die overweging om een bezwaar dat door het bestuursorgaan ontvankelijk is verklaard en dat vervolgens door de rechtbank niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk mag worden verklaard. In deze zaak is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en heeft de Rechtbank dat beoordeeld. Het voormelde arrest is daarom niet van toepassing. Bovendien wordt met een beoordeling van de Rechtbank of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard een zwaarwegend belang van belanghebbende gediend, te weten het recht op toegang tot de rechter. Hiervan uitgaande mocht de Rechtbank de ontvankelijkheid van het bezwaar beoordelen.\n\nHeeft de Rechtbank het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II terecht ontvankelijk verklaard?\n\n5.9.1.. De regel dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden, lijdt uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt als gevolg van een fout van de Belastingdienst, zoals een verkeerde adressering die aan deze dienst is te wijten. In zo’n geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:45).\n\n5.9.2.. Het risico van een onjuiste adressering ligt in beginsel bij de verzender van het geschrift, in casu de Inspecteur. Dit is slechts anders ingeval een onjuiste adressering is te wijten aan degene voor wie het geschrift is bestemd, in dit geval de belastingplichtige, zoals zich bijvoorbeeld kan voordoen indien deze niet heeft zorggedragen voor een juiste vermelding in het bevolkingsregister, of niet gedurende een lopende briefwisseling heeft opgegeven dat een adreswijziging heeft plaatsgevonden (HR 3 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1935).\n\n5.10.1.. De Inspecteur heeft een samenwerkingsverband vastgesteld tussen [B] en [A] en dit samenwerkingsverband aangemerkt als belastingplichtige. Het samenwerkingsverband is geen rechtspersoon en is niet geregistreerd bij de Kamer van Koophandel. Het lag daarom voor de hand om de correspondentie voor het samenwerkingsverband te sturen naar het privéadres van [B] en [A] zoals geregistreerd in de Basisregistratie Personen. Bovendien was bekend dat [B] en [A] een gemachtigde hadden, zodat de Inspecteur ook een kopie van de correspondentie naar de gemachtigde had kunnen sturen.\n\n5.10.2.. Daarbij komt dat de adreswijziging van de [adres 5] naar de [adres 7] voor de andere entiteiten van [B] en [A] , te weten [B.V. 3] en [B.V. 4] , eind maart\u002Fbegin april 2020 is doorgegeven. De Inspecteur heeft pas daarna, in zijn brief van 3 november 2020, de belastingplicht van het samenwerkingsverband vastgesteld. Deze brief is verzonden naar de [adres 5] . De Inspecteur heeft geen afdoende verklaring kunnen geven waarom de correspondentie met betrekking tot het samenwerkingsverband naar de [adres 5] is verzonden terwijl hij i) wist dat voor de andere entiteiten een adreswijziging was doorgegeven en ii) het bovendien voor de hand lag om de correspondentie naar het privéadres van [B] en [A] te sturen. De verklaring van de Inspecteur dat het adres van het samenwerkingsverband is gekoppeld aan de [adres 5] door een medewerker die inmiddels met pensioen is, is daartoe onvoldoende. Dit kan belanghebbende immers niet worden aangerekend. Dit maakt dat de verkeerde adressering aan de Inspecteur is te wijten, zodat niet gezegd kan worden dat de bekendmaking van de naheffingsaanslag II met de verzending daarvan aan de [adres 5] op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.\n\n5.11.. Het voorgaande brengt mee dat de naheffingsaanslag II voor het eerst bekend is gemaakt met de toezending van het duplicaat-biljet op 1 februari 2022. Aangezien belanghebbende bij brief van dezelfde dag bezwaar heeft gemaakt, is het bezwaar tijdig ingediend en dus ontvankelijk.\n\nHeeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat belanghebbende geen eigenbouwer is?\n\n5.12.1.. Op grond van artikel 12, lid 5, Wet OB in verbinding met artikel 24b, van het UBOB wordt in geval van onderaanneming en uitlening van personeel in de bouw, waarbij een werk van stoffelijke aard met betrekking tot onroerende zaken (of schepen) wordt uitgevoerd, de heffing van omzetbelasting verlegd van degene die de prestatie (levering of dienst) verricht naar degene aan wie de prestatie wordt verleend (de afnemer, zijnde de aannemer of eigenbouwer). Deze verlegging brengt met zich dat de afnemer de verschuldigde omzetbelasting op aangifte moet voldoen en - indien en voor zover hij aftrekrecht heeft - die omzetbelasting in dezelfde aangifte als voorbelasting weer in aftrek kan brengen. Voorwaarde is daarbij dat een onderaannemer ten behoeve van een aannemer of eigenbouwer het werk van stoffelijke aard uitvoert.\n\n5.12.2.. Aannemer is degene, die zich jegens een ander, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking tegen een te betalen prijs een werk van stoffelijke aard uit te voeren. De verleggingsregeling is van toepassing op de prestatie die een onderaannemer verricht aan de (hoofd)aannemer. Op de prestatie die de aannemer voor zijn opdrachtgever verricht is de verleggingsregeling niet van toepassing, behoudens de situatie van een opdrachtgever die als eigenbouwer moet worden aangemerkt. Als eigenbouwer wordt aangemerkt degene die zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard uitvoert dat betrekking heeft op onroerende zaken (of schepen).\n\n5.12.3.. In het “Besluit van 19 juni 1982 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, Stb. 357 is onder meer opgemerkt:\n\n“Behoudens de beperking tot de drie eerdergenoemde sectoren is voor de terminologie en het bereik van de verleggingsregeling zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de Wet Ketenaansprakelijkheid. Deze samenloop biedt het voordeel dat veel van hetgeen tijdens de parlementaire behandeling van deze wet over het bereik en de daarin gehanteerde begrippen naar voren is gebracht, tevens geldt voor de verleggingsregeling. Voorts zullen praktijk en jurisprudentie zich parallel kunnen ontwikkelen en in voorkomende gevallen voor beide regelingen van waarde zijn. De rechtszekerheid en een verantwoorde uitvoering zullen hierdoor worden bevorderd.”\n\n5.12.4.. Met betrekking tot het begrip eigenbouwer in de Wet ketenaansprakelijkheid is een nadere invulling gegeven in de Resolutie van 25 juli 1986, nr. 286-10846:\n\n“Of een bedrijf voor de toepassing van de Wet ketenaansprakelijkheid is te beschouwen als een \"eigenbouwer\", valt volgens Staatssecretaris Koning niet in algemene termen aan te geven. Bedrijven en uitgevoerde werkzaamheden zullen steeds, van geval tot geval beoordeeld moeten worden. Enkele kenmerken voor de karakterisering als \"eigenbouwer\" zijn:\n\n1. Een werk wordt niet uitgevoerd in opdracht van een opdrachtgever maar het bedrijf werkt \"voor de markt\";\n\n2. Een bedrijf voert een werk uit ter voorziening in zijn eigen behoefte aan bijv. bedrijfsmiddelen, waarbij\n\n- niet van belang is of het bedrijf winst beoogt en\u002Fof feitelijk maakt. (…)\n\n- de activiteiten moeten passen binnen de normale bedrijfsuitoefening. Daarbij is de statutaire doelomschrijving niet van belang, noch hetgeen overigens in de bedrijfstak waartoe dit bedrijf behoort, gebruikelijk is. Het incidenteel vervaardigen van een bedrijfsmiddel leidt niet tot een handelen als eigenbouwer.\n\n3. Wanneer een bedrijf een geheel werk uitbesteedt kan toch sprake zijn van\n\n\"eigenbouwer\", nl. wanneer\n\na. het betrokken bedrijf de werkzaamheden ook wel zelf geheel of gedeeltelijk pleegt uit te voeren;\n\nb. het uiteindelijk tot stand te brengen werk past binnen het kader van het bedrijf, terwijl dat bedrijf ook vaak een schakel vormt bij de uitvoering, doordat eigen technische- of organisatorische know-how een belangrijkere rol speelt dan bij normale opdrachtgevers.\n\n(…)”\n\n5.12.5.. Om de vraag, of een belastingplichtige als bedoeld in artikel 24b, lid 3, van het UBOB “in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard uitvoert”, bevestigend te kunnen beantwoorden, kan niet de eis worden gesteld dat moet komen vast te staan dat die belastingplichtige zelf het desbetreffende werk feitelijk geheel of gedeeltelijk kan uitvoeren. Immers een werk wordt in de normale uitoefening van het bedrijf door de belastingplichtige uitgevoerd in de hierboven bedoelde zin indien die belastingplichtige van het tot stand brengen van zodanige werken zijn bedrijf maakt. Daartoe is niet vereist dat hij die werken ook zelf geheel of gedeeltelijk feitelijk uitvoert of kan uitvoeren. Voldoende is dat de algehele leiding bij het tot stand brengen van de werken bij hem berust (HR 15 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AS8673, r.o. 4.3).\n\n5.12.6.. In de memorie van toelichting bij de Invorderingswet 1989 (Kamerstukken II 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 92) staat onder meer:\n\n“Voor deze opvatting vind ik steun in de memorie van toelichting bij de Wet ketenaansprakelijkheid, waarin is opgemerkt dat de bepaling inzake de eigenbouwer ruim moet worden uitgelegd, alsmede dat men aan eigenbouwerschap niet kan ontkomen door het gehele werk uit te besteden.»\n\nIn concreto wordt daarna aandacht besteed aan de woningcorporatie en het gemeentelijk grondbedrijf:\n\n«Woningcorporaties en andere zogenaamd toegelaten instellingen oefenen naar mijn oordeel een bedrijf uit. Indien voor eigen rekening en risico een nieuwbouwproject wordt gerealiseerd, hetzij voor de verkoop, hetzij voor de verhuur, kunnen zich verschillende situaties voordoen. In het onderstaande wordt ervan uitgegaan dat de corporatie het bouwen niet door eigen werknemers laat verrichten. Indien het realiseren van een nieuwbouwproject slechts eenmalig of sporadisch voorkomt is de corporatie geen eigenbouwer. Indien het realiseren van een nieuwbouwproject meer dan sporadisch geschiedt, is de corporatie naar mijn oordeel eveneens geen eigenbouwer, tenzij de corporatie een zodanige ervaring en know-how met betrekking tot het bouwen heeft, dat zij met gebruikmaking daarvan feitelijk op dezelfde wijze optreedt als een hoofdaannemer die het gehele werk uitbesteedt.”\n\n5.13.. Tussen partijen is niet in geschil dat de diensten van de (onder)aannemers als werken van stoffelijke aard zijn aan te merken. De Inspecteur stelt dat belanghebbende is opgetreden als eigenbouwer als bedoeld in artikel 24b, lid 3, van het UBOB, zodat de verleggingsregeling van toepassing is en zij dus de omzetbelasting is verschuldigd ter zake van de diensten die de (onder)aannemers hebben verricht. Belanghebbende bestrijdt dat zij is opgetreden als eigenbouwer. Belanghebbende voert aan dat zij een handelsonderneming is en het uitvoeren van werk van stoffelijke aard niet tot de normale uitoefening van haar bedrijf behoort. Verder ontbreekt bij belanghebbende de technische en organisatorische kennis om leiding te kunnen geven bij het tot stand brengen van de werken van stoffelijke aard met betrekking tot onroerende zaken.\n\n5.14.. Het is aan de Inspecteur om de feiten aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende is aan te merken als eigenbouwer als bedoeld in artikel 24b, lid 3, UBOB en dat daarmee de verleggingsregeling van toepassing is. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.12.1 tot en met 5.12.6 betekent dit dat hij aannemelijk moet maken dat het verrichten van renovaties onderdeel is van de normale uitoefening van het bedrijf van belanghebbende. Aangezien belanghebbende de renovaties volledig uitbesteedt, is daarbij van belang dat aannemelijk wordt gemaakt dat de algehele leiding van de renovaties bij belanghebbende berust. Uit de aangehaalde passage in 5.12.6 volgt dat aannemelijk is dat de algehele leiding bij belanghebbende berust als belanghebbende een zodanige ervaring en know-how met betrekking tot de renovaties heeft, dat zij met gebruikmaking daarvan feitelijk op dezelfde wijze optreedt als een hoofdaannemer die het gehele werk uitbesteedt.\n\n5.15.. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de algehele leiding van de renovaties bij belanghebbende berust en motiveert dit oordeel als volgt.\n\n5.16.1.. De werkwijze van belanghebbende was erop gericht om gedateerde panden te moderniseren volgens een standaardconcept, door belanghebbende een “ [B.V. 3] pand” genoemd, om deze vervolgens te verhuren aan particulieren. Hierbij werden voornamelijk “cosmetische wijzigingen” aangebracht, gericht op het bewerkstelligen van zoveel mogelijk licht(inval) en vierkante meters. Verder werd een aantal standaardwerkzaamheden verricht zoals het plaatsen van een nieuwe keuken, het leggen van een nieuwe vloer, het plaatsen van nieuwe deuren, het vervangen van de badkamer en het toilet, het vervangen van kozijnen, het stuken en sauzen van muren en plafonds en schilderen aan de binnenzijde waarbij gebruik werd gemaakt van vaste kleuren en lijnen.\n\n5.16.2.. Uit de correspondentie die [B] en [A] hebben gevoerd met onder andere de architect volgt dat zij zich bemoeien met de indeling van de panden waarbij zij steeds het standaardconcept voor ogen hebben. Zo worden aanwijzingen gegeven over het plaatsen van lichtkoepels, de plaats waar de badkamer moet komen, het plaatsen van kastenwanden, het doorbreken van muren om een ruimte groter te maken, het plaatsen dan wel vergroten van dakkapellen, het verplaatsen van trappen en het realiseren van openslaande deuren.\n\n5.16.3.. Verder schrijft belanghebbende voor welke materialen en kleuren gebruikt moeten worden om het pand in de mal van het standaardconcept te gieten. Daarbij gebruikt zij de materialen, zoals deuren, die door de gelieerde vennootschap [B.V. 6] in bulk worden ingekocht, zodat de kosten laag gehouden kunnen worden. Voor keukens maakt zij gebruik van de keukens van [naam] die belanghebbende vanwege de grote afname korting geeft.\n\n5.16.4.. Belanghebbende werkte voor alle panden samen met dezelfde aannemer omdat deze op de hoogte was van het standaardconcept dat belanghebbende wilde toepassen. Voor het beantwoorden van vragen tijdens de renovaties en de controle van het werk (bij de oplevering) maakte belanghebbende gebruik van de diensten van [B.V. 5] die ook op de hoogte was van het door belanghebbende bedachte standaardconcept. Door steeds samen te werken met dezelfde personen was het voor belanghebbende mogelijk de feitelijke uitvoering van het standaardconcept, na afstemming met de architect (zie 5.16.2), uit te besteden aan de vaste aannemer.\n\n5.16.5.. Belanghebbende heeft bij de renovaties een meer omvattende rol dan een ‘normale’ opdrachtgever omdat zij haar eigen technische en organisatorische kennis inzet om de renovaties tot het naar hem gewenste resultaat te brengen. Via de gelieerde vennootschap [B.V. 6] koopt zij materialen in bulk in die gebruikt worden bij de renovaties. Ook heeft belanghebbende haar kennis en ervaring gebruikt om een standaardconcept te ontwikkelen voor renovaties die op al haar panden kan worden toegepast. De bemoeienis van belanghebbende met de renovaties, onder andere bij het uitdenken van het standaardconcept, de aanwijzingen volgens dit concept aan de architect, [B.V. 5] en de aannemer en de inkoop van materialen via [B.V. 6] , heeft steeds een professioneel karakter gehad. De renovaties waren immers gericht op de commerciële, op winst gerichte doelstelling van belanghebbende. Kennis van zaken met betrekking tot de (inkoop van de) te gebruiken renovatiematerialen en hetgeen gerenoveerd dient te worden alsmede de wijze waarop om een woning aantrekkelijk te maken voor een huurder of koper moet noodzakelijk zijn geweest. Dit blijkt ook uit het feit dat de kosten van renovatie, vanwege het “in eigen beheer” uitvoeren van de werkzaamheden, in de taxatierapporten die ten behoeve van de financiering zijn opgesteld meer dan incidenteel lager zijn ingeschat dan in de markt gebruikelijk is. Dat belanghebbende het standaardconcept met haar (organisatorische) kennis dusdanig efficiënt heeft weten in te richten en voor het beantwoorden van vragen tijdens de renovaties en de controle van het werk (bij de oplevering) gebruik maakt van de diensten van [B.V. 5] , zodat zij zich niet of weinig met de feitelijke uitvoering daarvan hoeft te bemoeien (zie 5.16.4), betekent niet dat zij haar overkoepelende betrokkenheid bij de uitwerking van het concept en de daarbij behorende renovaties uit handen heeft gegeven.\n\n5.16.6.. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende de algehele leiding heeft met betrekking tot de renovaties. Wellicht ten overvloede merkt het Hof op dat gelet op de regelmaat waarmee belanghebbende renovaties van de te verhuren woningen liet uitvoeren deze behoorden tot haar normale bedrijfshandelingen (vgl. HR 29 augustus 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4370, r.o. 3). Bij belanghebbende gaat het om meer dan 50 renovaties.\n\n5.17. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat belanghebbende wordt aangemerkt als eigenbouwer en dat het hoger beroep van de Inspecteur slaagt.\n\nBestaat recht op interne compensatie voor een bedrag van € 19.615 over 2015 en € 12.438\n\nover 2016?\n\n5.18.. Het beroep van de Inspecteur op interne compensatie behoeft geen behandeling, aangezien hij in het gelijk wordt gesteld dat belanghebbende kwalificeert als eigenbouwer.\n\nHeeft de Rechtbank terecht de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding verdubbeld?\n\n5.19.1.. \n\nOp grond van artikel 8:75, lid 1, Awb is de bestuursrechter bevoegd een partij\n\nte veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in\n\nverband met de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep bij de\n\nbestuursrechter. In het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) zijn nadere regels\n\nopgenomen over de kosten waarop de veroordeling betrekking kan hebben en de wijze\n\nwaarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Ter zake van de kosten van\n\nberoepsmatig verleende rechtsbijstand zijn tarieven opgenomen in de bijlage bij het Besluit.\n\nOp grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit kan de rechter in bijzondere omstandigheden\n\nnaar boven of naar beneden afwijken van die tarieven, of afzien van toekenning van een\n\nproceskostenvergoeding.\n\n5.19.2.. Van een bijzondere omstandigheid als hiervóór bedoeld kan sprake zijn indien het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Voor een hogere proceskostenvergoeding is voorts plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen ingestelde procedure geen stand zal zouden (HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802).\n\n5.19.3.. De Rechtbank heeft in dit verband geoordeeld dat de Inspecteur tegen beter weten in heeft volgehouden dat het standpunt van belanghebbende omtrent het eigenbouwerschap niet pleitbaar zou zijn. Hierin heeft de Rechtbank een bijzondere omstandigheid gevonden om naar boven af te wijken van de in het Besluit geregelde forfaitaire proceskostenvergoeding door deze te verdubbelen. De Rechtbank heeft daarmee voldoende gemotiveerd waarom sprake is van een bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit. Daarbij komt dat het dossier (interne) e-mails van de Inspecteur bevat die het standpunt van belanghebbende en de pleitbaarheid daarvan ondersteunen. Het Hof voegt hier nog aan toe dat de bijzondere omstandigheid ook gevonden kan worden in de (negatieve) proceshouding van de Inspecteur. Het dossier bevat bijvoorbeeld ook (interne) e-mails van de Inspecteur die -begrijpelijkerwijs- als grievend worden ervaren door belanghebbende. Enige empathie op dit punt aan de zijde van de Inspecteur ontbreekt. De (negatieve) proceshouding laat zich bijvoorbeeld ook zien in de formalistische en starre opstelling van de Inspecteur met betrekking tot de formeelrechtelijke aspecten. Gelet op de (financiële) invloed van een belastingprocedure zoals deze op een belastingplichtige had een minder formalistische proceshouding van de Inspecteur voor de hand gelegen.\n\nHeeft de Rechtbank terecht een proceskostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase?\n\n5.20.. \n\nDe Inspecteur stelt dat de Rechtbank ten onrechte een vergoeding voor de\n\nbezwaarfase heeft toegekend. De Inspecteur voert aan dat hij in de uitspraak op bezwaar\n\nbelanghebbendes verzoek om een proceskostenvergoeding heeft afgewezen. Uit de\n\nprocesstukken blijkt volgens de Inspecteur niet dat het beroep van belanghebbende ook\n\nbetrekking heeft op deze afwijzing. De Rechtbank is dan ook buiten de rechtsstrijd getreden\n\ndoor toch een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de bezwaarfase, aldus de\n\nInspecteur.\n\n5.21.. \n\nNiet in geschil is dat belanghebbende in de bezwaarfase heeft verzocht om een\n\nproceskostenvergoeding zodat voldaan is aan het vereiste van artikel 7:15, lid 3, van de Awb.\n\nVerder heeft belanghebbende in het beroepschrift verzocht om: “veroordeling in de kosten\n\nvan het geding in alle instanties van verweerder.” Aangezien de Rechtbank (onder andere)\n\nheeft geoordeeld dat de Inspecteur de boetes ten onrechte heeft opgelegd, mocht zij een\n\nproceskostenvergoeding toekennen voor de bezwaarfase. Gelet op het verzoek van\n\nbelanghebbende is de Rechtbank, anders dan de Inspecteur meent, niet buiten de rechtsstrijd\n\ngetreden.\n\nSlotsom\n\n5.22.. Het hoger beroep van de Inspecteur is gegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof:\n\nvernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarin de naheffingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen zijn verminderd;\n\nbevestigt de uitspraak op bezwaar voor zover daarin de naheffingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen in stand worden gelaten.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, W. de Wit en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nR. Wijkstra L.D.M.A Reijs\n\nDe beslissing is op 25 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:890","2026-04-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:45.560Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":43,"courtId":110,"decisionDate":136,"fullText":137,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":50,"updatedAt":140},"413","ECLI:NL:GHAMS:2026:1766","ecli-nl-ghams-2026-1766","2026-01-15T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerken 25\u002F741 en 25\u002F742\n\n15 januari 2026\n\nuitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [X], gevestigd te [Y] , belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van 16 januari 2025 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in de zaak met kenmerken HAA 23\u002F4266 en HAA 23\u002F4267 in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\n1. Procesverloop\n\n1.1.. \n\nIn de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende\n\nbetreffende twee naheffingsaanslagen omzetbelasting, verzuimboeten en beschikkingen belastingrente ongegrond verklaard.\n\n1.2.. Na het instellen van hoger beroep door belanghebbende hebben partijen de volgende stukken ingediend:\n\neen aanvulling van de gronden van het hoger beroep door belanghebbende, en\n\neen verweerschrift door de inspecteur.\n\n1.3.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2025. Partijen zijn daar, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):\n\n“1. De activiteiten van eiseres bestaan uit de in- en verkoop van elektrische huishoudelijke apparaten (witgoed). De apparaten worden in Duitsland en Nederland ingekocht. In Duitsland worden de apparaten voornamelijk ingekocht bij [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ). Op de facturen van [bedrijf 1] aan eiseres staat het volgende vermeld: “ steuerfrei, Innergemeinschaftliche Lieferung” dan wel \"steuerfrei, (Keine Steuer Innergemeinschaftliche lieferung)\". Eiseres verkoopt de apparaten online aan particulieren in Nederland. Incidenteel wordt verkocht aan particulieren in België. De bij [bedrijf 1] ingekochte goederen worden door eiseres verkocht als gebruikte goederen in de zin van artikel 28b van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de margeregeling).\n\n2. Tijdens een bedrijfsbezoek op 4 november 2021 heeft een van de (middellijk) bestuurders van eiseres verklaard dat het bij de goederen die worden ingekocht bij [bedrijf 1] gaat om producten die door de koper retour zijn gezonden omdat zij niet voldoen aan de verwachtingen of schade hebben.\n\n3. Om zekerheid te krijgen over de hoedanigheid van de bij [bedrijf 1] ingekochte goederen is door verweerder op 9 november 2021 op grond van artikel 7 van de Verordening (EU) nr. 904\u002F2010 de volgende informatie opgevraagd bij de Duitse belastingdienst.\n\n“Verzendende taal : [bedrijf 1] heeft goederen geleverd aan [eiseres]. De goederen zijn ook ontvangen door [eiseres]. Op de factuur van [bedrijf 1] staat dat het gebruikte (2ehands) goederen zijn. Tevens staat op de factuur dat het een intracommunautaire transactie betreft. [bedrijf 1] heeft de levering van de goederen ook gelist. [eiseres] heeft geen verwervingen aangegeven omdat zij van mening zijn dat het marge-goederen (2e hands) betreffen.\n\n[eiseres] verkoopt de goederen als marge-goederen.\n\nZijn de goederen door [bedrijf 1] als marge-goederen of BTW goederen ingekocht. Zijn de goederen als marge- of BTW goederen verkocht door [bedrijf 1] . Is er ten onrechte gelist, of is er wel sprake van intracommunautaire leveringen.\n\nGraag een onderzoek naar de aard van de goederen, marge of BTW goederen. Hoe zijn de in- en verkopen door [bedrijf 1] verwerkt in de administratie.\n\nGemeenschappelijke taal : Die [bedrijf 1] hat Waren an [eiseres] geliefert. Die Waren sind auch von [eiseres] erhalten worden. Auf der Rechnung der [bedrijf 1] steht, dass es sich um gebrauchte Waren handelt. Die [bedrijf 1] hat die Lieferung der Waren auch angegeben. [eiseres] hat keine Erwerbe gemeldet, weil sie der Meinung ist, dass es sich um Differenzbesteuerungsware (gebrauchte Waren) handelt. [eiseres] verkauft die Waren als Differenzbesteuerungsware. Handelt es sich bei den von der [bedrijf 1] bezogenen Waren um Differenzbesteuerungs- oder Mehrwertsteuerware? Wurde die Ware von der [bedrijf 1] als Differenzbesteuerungs- oder Mehrwertsteuerware verkauft? Wurden die Waren zu Unrecht angegeben oder handelt es sich tatsächlich um eine innergemeinschaftliche Lieferung? Bitte prüfen Sie die Art der Waren, ob es sich um Differenzbesteuerung oder Mehrwertsteuer handelt. Wie werden die Käufe und Verkäufe von [bedrijf 1] in der Verwaltung verarbeitet.”\n\n4. Op 14 januari 2022 heeft de Duitse belastingdienst als volgt op het verzoek gereageerd:\n\n“Verzendende taal : Die [bedrijf 1] hat die verkauften Waren in Deutschland von den Firmen [bedrijf 2] - [bedrijf 3] + [bedrijf 4] (DE(…)) und [bedrijf 5] (DE(…)) erworben. Es wurde Umsatzsteuer ausgewiesen. Vorsteuer wurde durch die [bedrijf 1] entsprechend geltend gemacht.\n\nEs handelt sich nicht um differenzbesteuerte Waren.\n\nAls Anlage wurden zu zwei exemplarischen Rechnungen jeweils eine Tabelle beigefügt. Aus diesen ist die genaue Warenbezeichnung ersichtlich.\n\nOntvangende taal : Vrije vertaling door CLO:\n\n [bedrijf 1] heeft de verkochte goederen in Duitsland van de ondernemingen [bedrijf 2] - [bedrijf 3] + [bedrijf 4] (DE(…)) en [bedrijf 5] (DE(…)) gekocht. De BTW werd in rekening gebracht.\n\n [bedrijf 1] heeft dienovereenkomstig aanspraak gemaakt op voorbelasting.\n\nEr is geen sprake van marge goederen.\n\nAls bijlage is bij twee voorbeeldfacturen een tabel gevoegd. Deze bevatten de exacte beschrijving van de goederen.”\n\n5. Eind 2021\u002Fbegin 2022 heeft bij eiseres een boekenonderzoek plaatsgevonden, waarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de jaren 2020 en 2021 is onderzocht. Op 24 mei 2022 is het conceptrapport vastgesteld waarin, onder meer, op grond van de informatie afkomstig van de Duitse belastingdienst de toepassing van de margeregeling op de verkopen van goederen afkomstig van [bedrijf 1] wordt gecorrigeerd. Het conceptrapport is op 14 juli 2022 en op 16 augustus 2022 besproken met eiseres en eiseres heeft op 15 en 16 augustus 2022 per e-mail op het conceptrapport gereageerd.\n\n6. De reacties van eiseres op het conceptrapport en de besprekingen van het conceptrapport hebben verweerder geen aanleiding gegeven zijn standpunt over de toepassing van de margeregeling te wijzigen. Op 26 september 2022 is het definitieve controlerapport vastgesteld. Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport zijn de naheffingsaanslagen en de boete- en rentebeschikkingen opgelegd.”\n\n2.2.. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan.\n\n3. Geschil in hoger beroep\n\nEvenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslagen en de boete- en rentebeschikkingen terecht en op de juiste bedragen zijn vastgesteld. Dat is het geval als belanghebbende op de verkoop van de door haar van [bedrijf 1] ingekochte goederen ten onrechte de margeregeling heeft toegepast.\n\n4. Overwegingen van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen:\n\n“Juridisch kader\n\n12. Artikel 28b van de Wet OB luidt, voor zover hier van belang als volgt:\n\n“1. Ingeval een wederverkoper gebruikte goederen, (…) levert, wordt, in afwijking van artikel 8, eerste lid, de belasting berekend over de winstmarge. De winstmarge is het verschil tussen de vergoeding en hetgeen ter zake van de levering van een dergelijk goed aan de wederverkoper door hem is of moet worden voldaan.\n\n2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien het goed aan de wederverkoper is geleverd door:\n\na. (…);\n\nb. een ondernemer, met toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel r;\n\nc. (…);\n\nd. een andere wederverkoper, met toepassing van het eerste lid; of\n\ne. een ondernemer of een wederverkoper uit een andere lidstaat, mits het een levering is als bedoeld in artikel 314, onder b, c of d, van de BTW-richtlijn 2006.”\n\n13. Artikel 11, eerste lid, onderdeel r, van de Wet OB luidt als volgt:\n\n“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:\n\n(…)\n\nr. de levering van een roerende zaak die in het bedrijf van de ondernemer uitsluitend is gebruikt ten behoeve van vrijgestelde prestaties of voor doeleinden als zijn bedoeld in artikel 16, ingeval ter zake van de voorafgaande levering van die zaak geen belasting in aftrek is gebracht;”\n\n14. Artikel 314 van Richtlijn 2006\u002F112\u002FEG van de Raad van 28 november 2006\n\nbetreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de\n\nbtw-richtlijn) luidt als volgt:\n\n“De winstmargeregeling is van toepassing op door een belastingplichtige\n\nwederverkoper verrichte leveringen van gebruikte goederen, (…), wanneer deze goederen hem binnen de Gemeenschap door een der onderstaande personen worden geleverd:\n\na)...;\n\nb) ...;\n\nc)\n\nd) een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig deze bijzondere regeling aan de BTW onderworpen is geweest.”\n\nIs de margeregeling van toepassing?\n\n15. Volgens eiseres zijn de goederen die zij inkoopt van [bedrijf 1] gebruikte goederen in de zin van de margeregeling, omdat het om goederen gaat die door particulieren aan de leverancier [bedrijf 3] zijn geretourneerd en bijvoorbeeld een kras of deuk hebben. Op de facturen van [bedrijf 1] staat ook vermeld dat het om gebruikte goederen gaat.\n\n [bedrijf 1] is volgens eiseres een andere wederverkoper als bedoeld in artikel 28b, tweede lid, letter d, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Uit de factuur van [bedrijf 1] blijkt dat het gaat om gebruikte goederen. De factuur bevat in plaats van de vermelding ‘btw-verleggingsregeling van toepassing’ of ‘btw verlegd’ de vermelding “Keine Steuer”. De factuur vermeldt weliswaar ook “Innergemeinschaftliche lieferung”, maar gelet op het feit dat [bedrijf 3] heeft gezorgd voor het vervoer van de goederen vanuit Duitsland naar Nederland en de goederen in [Y] namens [bedrijf 1] (door personeel van eiseres) in ontvangst zijn genomen, heeft eiseres mogen aannemen dat [bedrijf 1] een binnenlandse levering aan haar verrichtte, waarvoor [bedrijf 1] een factuur met de vermelding “Keine Steuer” uitreikte, en dus de margeregeling heeft toegepast.\n\nIndien [bedrijf 1] niet valt onder artikel 28b, tweede lid, onderdeel d, van de Wet OB, is [bedrijf 1] volgens eiseres aan te merken als een leverancier als bedoeld in artikel 28b, tweede lid, onderdeel e, van de Wet OB, aangezien [bedrijf 1] een wederverkoper uit een andere lidstaat is die de margeregeling heeft toegepast.\n\nIndien [bedrijf 1] niet valt onder 28b, tweede lid, letter d dan wel e, van de Wet OB, is [bedrijf 1] volgens eiseres gelijk te stellen met een leverancier als bedoeld in artikel 28b, tweede lid, onderdeel b, van de Wet OB omdat doel en strekking van de margeregeling is om in alle gevallen dubbele heffing te voorkomen als goederen door een niet-aftrekgerechtigde leverancier aan een ondernemer worden geleverd. [bedrijf 3] heeft voor haar intracommunautaire levering (ICL) vanuit Duitsland een factuur aan [bedrijf 1] gestuurd met 19 percent Mwst. De achtergrond daarvan is dat een ICL per 1 januari 2020 alleen onder het btw-nultarief valt als de verkoper beschikt over een geldig btw-identificatienummer van de koper anders dan de lidstaat van vertrek (artikel 138, eerste lid, onderdeel b, van de btw-richtlijn). [bedrijf 3] beschikte echter enkel over een Duits btw-identificatienummer van [bedrijf 1] , zodat zij een “btw-belaste” ICL verrichtte. In de visie van eiseres is de btw die bij een “btw-belaste” ICL wordt gefactureerd niet aftrekbaar. De achtergrond om een ICL belast te maken als de koper zijn btw-identificatienummer geeft van het land van vertrek, is om fraude te voorkomen en goederen te volgen. Om dat doel te bereiken is het nodig dat de btw op de “btw-belaste” ICL in het land van vertrek niet aftrekbaar is, omdat alleen in dat geval de afnemer gedwongen wordt om een btw-identificatienummer in het land van aankomst aan te vragen en om de verwerving te rapporteren. In de visie van eiseres heeft [bedrijf 1] de door [bedrijf 3] gefactureerde btw voor de ICL dan ook niet in aftrek kunnen brengen, waarbij zij verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 juli 2022, zaak C-696\u002F20 (Dyrektor Izby Skarbowej w W.), r.o. 49 en 55.\n\n16. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat wordt voldaan aan de voorwaarden die aan een leverancier worden gesteld in artikel 28b, tweede lid, onderdeel d, respectievelijk e, van de Wet OB, nu in de facturen niet staat vermeld dat [bedrijf 1] de margeregeling toepast. Uit de facturen van [bedrijf 1] blijkt juist dat zij de goederen intracommunautair heeft geleverd aan eiseres en niet de margeregeling op de leveringen heeft toegepast. Overigens is door de Duitse fiscus bevestigd dat [bedrijf 1] de margeregeling niet heeft toegepast.\n\n17. Evenmin is sprake van de levering van goederen door een ondernemer met toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel r, van de Wet OB. [bedrijf 1] heeft de goederen immers niet in het bedrijf gebruikt voor vrijgestelde prestaties, maar heeft deze ingekocht teneinde ze te verkopen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat artikel 28b, tweede lid, onderdeel b, van de Wet OB analoog moet worden toegepast omdat [bedrijf 1] een niet-aftrekgerechtigde ondernemer is. Wat er ook zij van dat betoog, uit de MvT bij de invoering van de margeregeling blijkt dat de wetgever de margeregeling slechts van toepassing heeft willen laten zijn indien de goederen worden verkregen van specifiek omschreven niet-aftrekgerechtigde leveranciers. Dat betekent dat aan de in het tweede lid van artikel 28b van de Wet OB genoemde leveranciers niet een ruimere betekenis kan worden toegekend. Ook de btw-richtlijn biedt geen aanknopingspunten voor een dergelijke ruimere interpretatie.\n\nVerzuimboetes\n\n21. Verweerder heeft de verzuimboetes opgelegd op grond van artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), omdat eiseres de omzetbelasting die zij op aangiften had moeten voldoen niet heeft betaald. Nu de naheffingsaanslagen in stand blijven, is sprake van het beboetbare feit als bedoeld in artikel 67c van de Awr zodat verweerder per tijdvak een verzuimboete van € 5.514 heeft kunnen en mogen opleggen. Eiseres heeft daartegen ingebracht dat voor wat betreft de toepassing van de margeregeling sprake is van een pleitbaar standpunt. De bewijslast dat sprake is van een pleitbaar standpunt rust op eiseres. Met de enkele stelling dat zij redelijkerwijs kon menen juist te hebben gehandeld, is zij daarin niet geslaagd.\n\n22. Eiseres heeft tegen de (hoogte van de) verzuimboetes verder geen afzonderlijke gronden aangevoerd en de rechtbank is van oordeel dat deze verzuimboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.\n\n23. Eiseres heeft niet aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank constateert echter ambtshalve dat de boetes zijn aangekondigd in het concept-controlerapport van 24 mei 2022. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar vanaf het moment dat eiseres op de hoogte is gekomen van het feit dat verweerder de boetes zou opleggen tot het moment waarop de rechtbank uitspraak doet, is overschreden met afgerond acht maanden. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de boetes op grond van artikel 6 van het EVRM te verminderen met 10 percent naar € 4.962 (2020) en € 4.962 (2021).\n\nBelastingrente\n\n24. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de belastingrente. Ook overigens is niet gebleken dat de belastingrente in strijd met het bepaalde in hoofdstuk V van de Awr in rekening is gebracht.\n\nSlotsom\n\n25. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n26. Nu de beroepen ongegrond zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.”\n\n5. Beoordeling van het geschil\n\n5.1.. Belanghebbende voert ook in hoger beroep aan dat zij aan de voorwaarden voor toepassing van de margeregeling voor ‘gebruikte goederen’ zoals beschreven in artikel 28b Wet OB voldoet, zodat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd. De omstandigheid dat de goederen die zij verkoopt nooit eerder door particulieren zijn gebruikt, staat aan toepassing van de margeregeling niet in de weg; de geretourneerde goederen hebben door de verkoop door [bedrijf 3] \u002F [bedrijf 4] aan een eindgebruiker blijvend de status van ‘gebruikte goederen’ verkregen, aldus belanghebbende. [bedrijf 3] \u002F [bedrijf 4] verkoopt de geretourneerde goederen aan [bedrijf 1] (DE) die deze op haar beurt verkoopt aan belanghebbende (NL), zodat aan de voorwaarden ten aanzien van de leverancier ( [bedrijf 1] ), wordt voldaan; [bedrijf 1] is een wederverkoper die de margeregeling heeft toegepast. Dat laatste volgt uit het feit dat [bedrijf 1] geen omzetbelasting op haar facturen vermeldt en daarop duidelijk aangeeft dat het om ‘gebruikte goederen’ gaat. Dat op de facturen van [bedrijf 1] is vermeld “innergemeinschaftliche lieferung” (intracommunautaire levering), berust op een misvatting van [bedrijf 1] nu laatstgenoemde een binnenlandse (Nederlandse) levering heeft verricht aan belanghebbende. Die misvatting kan belanghebbende niet worden tegengeworpen. Voor een (verzuim)boete is in geen plaats omdat sprake is van een pleitbaar standpunt. Belanghebbende doet in hoger beroep niet langer een beroep op het vertrouwensbeginsel.\n\n5.2.. De inspecteur verwijst naar zijn verweerschrift in eerste aanleg en schaart zich achter de uitspraak van de rechtbank. Het Hof oordeelt als volgt.\n\n5.3.. Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissingen van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissingen berusten tot de zijne. Mede naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt het Hof in aanvulling daarop als volgt.\n\n5.4.. De doelstelling van de zogenoemde margeregeling is het voorkomen van een dubbele heffing van omzetbelasting en bijgevolg het voorkomen van verstoring van de mededinging tussen belastingplichtigen op het gebied van gebruikte goederen (vgl. arrest van het HvJ van 18 mei 2017, Litdana, C-624\u002F15, ECLI:EU:C:2017:389, punt 25). Deze doelstelling - het vermijden van cumulatie - volgt ook uit art. 314 van de Btw-richtlijn, de interpretatiebasis van art. 28b Wet OB. Deze bepaling beperkt de toepassing van de margelevering tot leveringen door personen die geen vooraftrek genieten (niet-belastingplichtigen of ‘vrijgestelden’) en: ‘ (…) d) een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig deze bijzondere regeling aan de BTW onderworpen is geweest’(nadruk: Hof).Voor zover belanghebbende betoogt dat zij de goederen heeft gekocht van een wederverkoper zoals bedoeld onder d), wordt dat betoog verworpen, aangezien, zoals is bevestigd door de Duitse belastingdienst (zie r.o. 4 van de rechtbankuitspraak), [bedrijf 1] de margeregeling niet heeft toegepast zodat zij niet kan worden aangemerkt als een belastingplichtige wederverkoper.\n\n5.5.. \n\nIn zijn arrest van 8 december 2005, Jyske Finans, C‑280\u002F04, ECLI:EU:C:2005:753, heeft het HvJ in punt 35 o.a. overwogen: ‘(…) de regeling betreffende belastingheffing over de winstmarge die door de belastingplichtige wederverkoper bij de levering van gebruikte goederen, (…) wordt behaald [is] een bijzondere BTW-regeling (…), die afwijkt van de algemene regeling van de Zesde richtlijn en die (…) enkel mag worden toegepast voorzover dit ter verwezenlijking van de doelstelling ervan noodzakelijk is (...).’\n\nHieruit leidt het Hof af dat de margeregeling alleen mag worden toegepast als zonder toepassing daarvan cumulatie van omzetbelasting en bijgevolg verstoring van de mededinging tussen belastingplichtigen dreigt. Dat laatste is alleen denkbaar als de goederen eerder aan omzetbelasting onderworpen zijn geweest.\n\n5.6.. Daarvan is in de onderwerpelijke zaak geen sprake. Het betreft immers geretourneerde goederen waarvoor de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden, zodat op [bedrijf 3] \u002F [bedrijf 4] de verplichting rustte de gehele koopsom (inclusief de omzetbelasting) aan de koper te retourneren. Door deze ontbinding zijn de goederen (weer) gaan behoren tot de handelsvoorraad van [bedrijf 3] \u002F [bedrijf 4] , beiden ondernemers die, naar kan worden aangenomen, volledig recht op vooraftrek genieten.\n\n5.7.. Bovendien heeft [bedrijf 1] , die de geretourneerde goederen heeft gekocht van [bedrijf 3] \u002F [bedrijf 4] en die de leverancier is van belanghebbende, de omzetbelasting die haar daarvoor in rekening is gebracht, in vooraftrek genomen (zie r.o. 4 van de uitspraak van de rechtbank).\n\n5.8.. \n\nIn een dergelijk geval kan bij wederverkoop door [bedrijf 1] aan belanghebbende geen cumulatie van omzetbelasting optreden. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.4. en 5.5, mag de margeregeling dan niet worden toegepast. Toepassing van de margeregeling zou in die gevallen juist in strijd komen met de doelstelling van de algemene regeling van de\n\nbtw-richtlijn, die inhoudt dat op de gehelevergoeding die aan de eindgebruiker in rekening wordt gebracht omzetbelasting rust. Door alleen over de winstmarge omzetbelasting te berekenen, heeft belanghebbende de mededinging tussen belastingplichtigen juist verstoord.\n\n5.9.. Daarbij kan in het midden blijven of [bedrijf 1] de goederen al dan niet terecht heeft aangemerkt als een intra communautaire levering (“innergemeinschaftliche Lieferung”) of dat zij de goederen binnenlands (in Nederland) heeft geleverd, zoals belanghebbende betoogt. In beide gevallen mist de margeregeling toepassing en is belanghebbende over de totale door haar in rekening gebrachte vergoeding omzetbelasting verschuldigd naar het algemene tarief.\n\n5.10.. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat van een pleitbaar standpunt van belanghebbende geen sprake is, zodat de verzuimboete terecht is opgelegd. Het Hof ziet geen aanleiding tot matiging van de boete.\n\nSlotsom5.11.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n6. Kosten\n\nVoor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.\n\n7. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 15 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u opwww.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1766","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:28.676Z",20,[11,143,144],2025,2024]