[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-victim-compensation-nl-2026":3},{"detail":4,"years":136},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":35,"page":14,"limit":135},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},96,"victim-compensation-nl","Victim Compensation","NL","2026-07-08T16:56:12.456Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":23},6,{"month":27,"count":25},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,60,69,76,85,94,103,111,118,128],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"829","ECLI:NL:GHDHA:2026:2238","ecli-nl-ghdha-2026-2238","",58,"2026-07-08T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-003380-25\n\nParketnummer: 10-180764-21\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,\n\nthans gedetineerd in [detentieadres].\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) opgelegd. Verder is een beslissing genomen op de vordering tot ontzetting van de verdachte uit het recht om het beroep uit te oefenen van beroepschauffeur, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nIn hoger beroep heeft het hof de verdachte bij arrest van 16 juli 2024 ter zake van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte opgelegd de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994. Tot slot zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals nader omschreven in het arrest van het hof van 16 juli 2024.\n\nTegen dat arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.\n\nBij arrest van 11 november 2025 heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van € 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor vergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij].\n\nDe Hoge Raad overwoog (onder meer):\n\n“3.5\n\nHet hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij niet als levensgezel in de zin van\n\nartikel 6:108 lid 4, aanhef en onder b, BW kan worden beschouwd, omdat zij niet duurzaam\n\nmet het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde, maar dat zij wel in een\n\n‘LAT-relatie’ stond met het slachtoffer. Volgens het hof heeft zij ‘daarmee’ in voldoende\n\nmate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de\n\nzin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW kan worden aangemerkt.\n\nDat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de onder 3.2.2\n\nweergegeven bijlage van het ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij\n\nweliswaar inhoudt dat sprake was van een ‘hechte en duurzame’ LAT-relatie tussen de\n\nbenadeelde partij en het slachtoffer, maar dat de daaraan door de benadeelde partij ten\n\ngrondslag gelegde stellingen door de verdediging zijn betwist onder verwijzing naar het\n\nontbreken van stukken waaruit dit blijkt. Bij die stand van zaken had het hof aan de hand\n\nvan de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en\n\nomstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden - in het bijzonder de\n\nonderbouwing door de benadeelde partij van de in de wetsgeschiedenis bedoelde duur en\n\nhechtheid van de relatie - in voldoende mate zijn komen vast te staan.\n\n3.6\n\nHet cassatiemiddel slaagt. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f lid 1\n\nvan het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel ten behoeve van de benadeelde partij\n\nniet in stand kan blijven (vgl. HR 18juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).\n\nIn de omstandigheid dat het hof – in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, rechtsoverweging 3.9 – bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding van schokschade rekening heeft gehouden met de hoogte van de vergoeding van de affectieschade, ziet de Hoge Raad aanleiding om de zaak ook terug te wijzen ten aanzien van de beslissing over de vergoeding van schokschade.\n\n4. Beslissing\n\nDe Hoge Raad:\n\n- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de\n\nvordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van\n\n€ 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor\n\nvergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij];\n\n- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien van de\n\nbeslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van\n\naffectieschade en schokschade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel\n\nten behoeve van [de benadeelde partij] opnieuw wordt berecht en afgedaan;\n\n- verwerpt het beroep voor het overige.”\n\nOmvang van de zaak\n\nGelet op het arrest van de Hoge Raad is de zaak aan het oordeel van het hof onderworpen, uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ten aanzien van de gevorderde affectieschade en schokschade en ten aanzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nVordering tot schadevergoeding [de benadeelde partij]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [de benadeelde partij], de partner van [het slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 52.068,19.\n\nGelet op de beslissing van de Hoge Raad is thans uitsluitend de vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 47.500,- aan de orde, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 30.000,- voor schokschade.\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in voldoende mate heeft aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was dat zij als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden aangemerkt. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 42.500,-, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor schokschade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdediging heeft het bestaan van een LAT-relatie tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet betwist, maar wel de intensiteit, de aard en de duur daarvan ter discussie gesteld. De verdediging betwist dat er sprake was van een langdurige, hechte LAT-relatie, zodat [de benadeelde partij] niet als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW kan worden aangemerkt.\n\nAffectieschade\n\nOp grond van de sinds 1 januari 2019 in werking getreden Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 BW en artikel 1 van het Besluit Vergoeding Affectieschade is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Ook staat daarin welke vaste, maximale bedragen per categorie toewijsbaar zijn. Het is een zogenoemd ‘forfaitair stelsel’. Indien een vordering niet onder een van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4 sub g BW), als een persoon meent toch als naaste in de zin van deze wet te moeten worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten aantonen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep na terugwijzing heeft de benadeelde partij, anders dan in eerste aanleg, de grondslag van de vordering tot vergoeding van affectieschade, beperkt tot artikel 6:108 lid 4 sub g BW.\n\nVoor vergoeding van affectieschade op deze grondslag dient te kunnen worden vastgesteld dat er een zodanige nauwe persoonlijke relatie tussen de benadeelde partij en het overleden slachtoffer bestond dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naaste wordt aangemerkt. Daarbij is niet de formele maar de feitelijke verhouding tussen betrokkenen beslissend. Of sprake is van een zodanige nauwe persoonlijke relatie dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard, de duur en de intensiteit van de relatie.\n\nTer onderbouwing van de aard, de duur en de intensiteit van de relatie heeft de benadeelde partij, in aanvulling op de eerder ingediende onderbouwing op de vordering, in WhatsApp met het slachtoffer gevoerde gesprekken over de periode 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 alsmede een aantal foto's van haar met het slachtoffer overgelegd.\n\nOp grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat tussen de benadeelde partij en het slachtoffer gedurende meerdere jaren sprake was van een hechte affectieve relatie. Ten aanzien van de aard van de relatie is niet betwist dat het een affectieve relatie betrof. Ten aanzien van de intensiteit van deze relatie was sprake van dagelijks - al dan niet telefonisch, via WhatsApp of FaceTime - contact tussen de benadeelde en het slachtoffer. Wat betreft de duur van die relatie neemt het hof in aanmerking dat uit de inhoud van de overgelegde WhatsApp-gesprekken blijkt dat zij in ieder geval in de periode van 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 (vrijwel) dagelijks contact met elkaar onderhielden via WhatsApp.\n\nMet betrekking tot de aard, de duur en de intensiteit van de relatie acht het hof voorts van belang dat uit de inhoud van de WhatsApp-gesprekken en de door de benadeelde partij gegeven toelichting blijkt dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een liefdesrelatie die verder ging dan een vriendschappelijke relatie. Er was sprake van wederzijdse affectie en intimiteit, zij verbleven meerdere malen per week bij elkaar en zij namen een belangrijke plaats in elkaars leven in. Ze waren elkaars steun en toeverlaat, aldus de benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof wijzen deze omstandigheden op een hechte affectieve relatie over tenminste een periode van drieënhalf jaar.\n\nVoorts vindt het bestaan van een affectieve relatie steun in de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021, opgesteld door [naam diagnostisch medewerker], diagnostisch medewerker, mede namens [naam psychiater], psychiater, waarin wordt gesproken over behandeling, gericht op trauma- en rouwklachten over het verlies van haar partner.\n\nUit de door de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering aangevoerde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, maakt het hof op dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie, te weten een langdurige, hechte LAT-relatie, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 jo lid 4 sub g BW als naaste wordt aangemerkt.\n\nGelet daarop zal het hof het voor naasten bepaalde forfaitaire schadebedrag van € 17.500,- wegens affectieschade toewijzen.\n\nSchokschade\n\nVan de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ kan sprake zijn als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond is geraakt (zogenoemde ‘schokschade’).\n\nVoor de toewijzing van schadevergoeding vanwege schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld\n\n(zie het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.7).\n\nOp grond van de toelichting op de vordering door de benadeelde partij en de stukken uit het dossier – kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij na het verongelukken van het slachtoffer als één van de eerste politieambtenaren ter plaatse was. De benadeelde partij heeft het zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat aangetroffen. Dit is door de verdediging niet betwist.\n\nZoals hiervoor reeds overwogen was sprake van een langdurige, hechte LAT- relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij. Uit de hiervoor genoemde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 is gebleken dat de benadeelde partij gediagnosticeerd is met een Posttraumatische stressstoornis (PTSS) die is ontstaan door de confrontatie met de gevolgen van het misdrijf. PTSS is een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 heeft de benadeelde partij toegelicht dat haar behandeling bij de psycholoog ongeveer een half jaar geleden is afgerond. Dit betreft een behandel periode van bijna 5 jaren na het misdrijf. Zij heeft thans nog gesprekken met een geestelijk medewerker.\n\nHet hof stelt vast dat bij de benadeelde partij psychische schade is ontstaan als gevolg van het misdrijf en stelt dan ook vast dat er sprake is van geestelijk letsel waardoor de benadeelde partij in haar persoon is aangetast. Op grond van deze feiten en omstandigheden staat in voldoende mate vast dat de benadeelde partij schokschade heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde.\n\nGelet op alle omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van het hof daarmee niet alleen jegens het (primaire) slachtoffer, maar ook jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en kan hij aansprakelijk worden gehouden voor de schade die als gevolg van deze hevige emotionele schok bij haar is ontstaan.\n\nTen aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag overweegt het hof het volgende.\n\nBij de benadeelde partij is sprake van een samenloop van aanspraken wegens schokschade en affectieschade. Als één van de eerste politieambtenaren die het zeer zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat heeft aangetroffen, is de emotionele schok zeer hevig geweest. Op grond van de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 kan lastig onderscheid worden gemaakt tussen de geestelijke problematiek die het gevolg is van het overlijden van het slachtoffer en de schade die het directe gevolg is van confrontatie met het slachtoffer.\n\nHet hof dient dan ook schattenderwijs naar billijkheid vast te stellen welk bedrag als vergoeding voor schokschade in aanmerking komt. Het hof acht daarbij van belang de hoogte van de toegewezen affectieschade, de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel en de ernst van het psychisch letsel van de benadeelde partij en de gevolgen daarvan voor haar. Voorts betrekt het hof in zijn oordeel hetgeen blijkens rechtspraak in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van schokschade. Al deze factoren in aanmerking nemend schat het hof naar billijkheid de geestelijke schade van de benadeelde partij op € 25.000,-.\n\nVoor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor wat betreft het gevorderde bedrag aan schokschade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [de benadeelde partij]\n\nNu het hof oordeelt dat de verdachte tot een bedrag van € 42.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [de benadeelde partij].\n\nBESLISSING\n\nHet hof, voor zover aan het oordeel van dit hof onderworpen:\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [de benadeelde partij], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 96 (zesennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van [de benadeelde partij] niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 7 juli 2021.\n\nDit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, mr. M.C. Bruining en mr. F.W. Pieters, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2238","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:50.096Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":50,"fullText":57,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":51,"updatedAt":59},"892","ECLI:NL:GHDHA:2026:2246","ecli-nl-ghdha-2026-2246","Rolnummer: 22-002927-23\n\nParketnummer: 09-159505-22\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 september 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,\n\nadres: [woonadres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, waarbij bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, te weten – kort weergegeven – een meldplicht en een ambulante behandeling. Voorts is aan de verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid op de voet van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd inhoudende, kortgezegd, een contact- en locatieverbod voor de duur van 3 jaren. De rechtbank heeft eveneens de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevolen. Tot slot is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Het bevel voorlopige hechtenis is opgeheven.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal hard tegen het gezicht\u002Fhoofd heeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl zij op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en\u002Fof een gebroken oogkas\u002Fneus, althans één of meerdere fracturen en\u002Fof een septumdeviatie (scheefstaande neus) heeft toegebracht, door die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal hard tegen het gezicht\u002Fhoofd te schoppen\u002Ftrappen, terwijl zij op de grond lag;\n\nmeer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, ter uitvoering aan het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht\u002Fhoofd heeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 2] op\u002Ftegen de neus en\u002Fof het gezicht heeft gestompt\u002Fgeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland, zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), heeft mishandeld, door op\u002Ftegen de neus en\u002Fof het gezicht van die [slachtoffer (minderjarige) 2] te stompen\u002Fslaan;\n\n3.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 26 juni 2022 te Wateringen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,\n\nzijn kind, te weten\n\n [slachtoffer (minderjarige) 3] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] ) en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 4] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] ,\n\nheeft mishandeld, door\n\n die [slachtoffer (minderjarige) 3] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nop de trap aan zijn been te trekken, waardoor hij ten val kwam en\u002Fof zijn broek naar beneden te trekken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘hufter’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nbij haar haren te pakken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘dikzak’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘kutwijf’ te noemen) en\u002Fof\n\nbuiten in de kou te laten eten en\u002Fof\n\nmet kleren en al onder de douche te zetten en\u002Fof\n\nafwasmiddel in de mond te spuiten\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\n- bij de haren te pakken en\u002Fof met hun hoofden tegen elkaar te slaan\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 4] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘klootzak te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 5] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘dom’ en\u002Fof ‘sukkel’ te noemen),\n\nterwijl verdachte deze feiten stelselmatig beging tegen minderjarigen.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede dat hem de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr wordt opgelegd, inhoudende een contact- en locatieverbod voor de duur van acht jaren, met aftrek van de reeds ten uitvoer gelegde periode. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen omdat het tot een andere bewezenverklaring komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.\n\nOverwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nTen aanzien van feit 1\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden veroordeeld ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde, te weten poging tot doodslag. Daartoe is aangevoerd dat de geweldshandelingen van de verdachte van een dusdanige kracht waren dat daarmee een aanmerkelijke kans bestond op letsel waardoor [slachtoffer (minderjarige) 1] zou komen te overlijden, en dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van één schop of trap met ongeschoeide voet. Van een aanmerkelijke kans op de dood was, mede gezien de rapportage van het NFI, geen sprake. Nu uit de beschreven letsels en de geschatte herstelduur niet volgt dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dient de verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken. De verdediging heeft zich voor wat betreft het meer subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nAantal schoppen\n\nUit het dossier volgt dat [slachtoffer (minderjarige) 1] op 27 juni 2022 om 02.00 uur ’s nachts aangifte heeft gedaan van zware mishandeling op 26 juni 2022. Ze heeft verklaard dat ze een harde ruk voelde aan haar haar, achterover ten val kwam en dat haar vader, de verdachte, haar toen begon te schoppen terwijl ze op de grond lag. Ze weet niet meer hoe vaak, maar hij heeft meerdere keren op de linkerkant van haar gezicht getrapt met de zijkant van zijn voet. Hij trapte heel hard en ze voelde heel veel pijn aan de linkerkant van haar hoofd. Tijdens haar verhoor in augustus 2022 heeft zij verklaard dat het meer dan vijf schoppen waren, het waren er heel veel, ze zag dat hij meerdere keren schopte. De verdachte heeft zich in eerste instantie op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft hij verklaard één trap te hebben gegeven. Het NFI heeft, desgevraagd, niet kunnen beoordelen of het vastgestelde letsel waarschijnlijker was bij één trap of vijf trappen in het gezicht.\n\nHet hof heeft evenwel geen reden te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer (minderjarige) 1] , die haar eerste verklaring heeft afgelegd vlak na het incident en consequent heeft verklaard dat het om meerdere schoppen ging. Het hof acht het wettig en overtuigend bewijs voor meerdere schoppen aanwezig en zal daarvan bij de verdere beoordeling van de tenlastelegging uitgaan.\n\nPrimair tenlastegelegde - poging tot doodslag\n\nHet hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag is vereist dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer, al dan niet in voorwaardelijke vorm. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou overlijden bewust heeft aanvaard.\n\nHet hof heeft in het voorgaande vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer (minderjarige) 1] op 26 juni 2022, terwijl zij op de grond lag, meermalen met zijn blote voet tegen het gezicht heeft geschopt. Dit betreft een ernstig en gewelddadig handelen. Uit het dossier kan echter niet worden afgeleid met welke kracht dit is gebeurd en op welke plaats van het gezicht de schoppen precies terecht zijn gekomen. Het enkele schoppen tegen het hoofd brengt niet zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood met zich mee. Het hoofd is weliswaar een kwetsbaar onderdeel van het lichaam met vitale functies, maar de schedel biedt een wezenlijke bescherming tegen van buitenaf inwerkend geweld. Daarnaast leidt een eventuele beschadiging van de hersenen niet steeds tot de dood. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat onvoldoende gegevens voorhanden zijn om te kunnen vaststellen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op overlijden. Reeds daarom kan niet worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer (minderjarige) 1] .\n\nHet hof zal de verdachte vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.\n\nSubsidiair tenlastegelegde - zware mishandeling\n\nVoor een bewezenverklaring van zware mishandeling is vereist dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.\n\nHet hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 Sr wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.\n\nUit de stukken volgt dat bij [slachtoffer (minderjarige) 1] een onderhuidse bloeduitstorting rondom het linkeroog en op de linkerwang, een subconjunctivale bloeding in het linkeroog, een vermoedelijke kneuzing van het kaakgewricht, een mogelijke milde kneuzing van de linkeroogbol en kleine nasale fracturen zijn vastgesteld. Hoewel het hof dit letsel als niet gering en niet te veronachtzamen aanmerkt, kan niet worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 Sr. Hoewel dit letsel mogelijk als zwaar zal worden ervaren, ligt de lat om dat in juridisch strafrechtelijke zin te kunnen vaststellen op grond van wet en jurisprudentie hoog. Het hof overweegt dat uit de voorhanden zijnde stukken niet zonder meer aannemelijk is geworden dat de persisterende klachten van [slachtoffer (minderjarige) 1] verband houdende met een verminderde doorgankelijkheid van de neus, wat een gevolg kan zijn van een scheef neustussenschot en\u002Fof vergrote onderste neusschelpen, zijn te relateren aan doorgemaakt trauma op 26 juni 2022. Bovendien is tot op heden medisch ingrijpen in de vorm van een operatie niet noodzakelijk geweest.\n\nDe verdachte wordt daarom vrijgesproken van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling.\n\nTen aanzien van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde stelt het hof voorop dat voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nHet hof is van oordeel dat het meermaals schoppen tegen het gezicht van een op de grond liggend persoon naar zijn aard een gedraging is die een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, bijvoorbeeld hersenletsel of ernstig letsel aan een oog, in het leven roept. Door aldus te handelen kan het niet anders zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans voor ogen heeft gezien en hij heeft deze kans door zijn handelen ook aanvaard.\n\nHet hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nDe advocaat-generaal acht de verdachte schuldig aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer (minderjarige) 2] . Door met de vuist een stomp in het gezicht van [slachtoffer (minderjarige) 2] te geven heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair tenlastegelegde en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft het subsidiair tenlastegelegde.\n\nHet hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 2] op 19 november 2021 éénmaal op de neus heeft gestompt of geslagen. [slachtoffer (minderjarige) 2] heeft daarbij letsel in de vorm van een kneuzing van de neus opgelopen. Het hof acht geen bewijs aanwezig voor een poging zware mishandeling. Uit het eenmaal stompen of slaan op de neus volgt niet dat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ontstond. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 primair tenlastegelegde.\n\nWel komt het hof tot een bewezenverklaring van de onder 2 subsidiair tenlastegelegde mishandeling.\n\nTen aanzien van feit 3\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de kinderen en de moeder niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, omdat deze onbetrouwbaar zijn. Daartoe is aangevoerd dat in de periode waarin en nadat de feiten zouden hebben plaatsgevonden veelvuldig over de situatie is gesproken, waardoor betrokkenen elkaar in hun beleving van de gebeurtenissen zouden hebben beïnvloed en versterkt. De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van de verdachte van de onder 3 tenlastegelegde fysieke vormen van mishandeling van zijn kinderen. Voor wat betreft dat deel van de tenlastelegging dat ziet op de zogenaamde psychische mishandeling heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit omdat – kort gezegd – zonder enige fysieke component geen sprake kan zijn van mishandeling.\n\nHet hof overweegt als volgt en stelt voorop dat verklaringen van getuigen voor het bewijs kunnen worden gebezigd, indien deze betrouwbaar worden geacht en voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.\n\nNaar het punt van de mogelijkheid van zogenaamde ‘collaborative storytelling’is in deze zaak op verzoek van de verdediging onderzoek verricht. Dr. G. Wolters, voorheen universitair hoofddocent, thans gastdocent aan de universiteit Leiden bij het departement psychologie en gespecialiseerd in het menselijk geheugen, heeft op 30 september 2025 rapport uitgebracht. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de essentie van de verklaringen van alle gezinsleden in 2022 en 2023 met elkaar overeenkomt en dat er geen patroon is dat de aard van de beschuldigingen in de loop van de tijd ‘groter’ (ernstiger) wordt door een proces van onderlinge beïnvloeding en ‘collaborative storytelling’.Hierdoor is volgens de deskundige geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de individuele verklaringen.\n\nHet hof sluit zich bij deze bevindingen aan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verklaringen van de kinderen onderling en met die van de moeder op essentiële onderdelen consistent zijn en in voldoende mate steun vinden in elkaar. Dat op onderdelen sprake is van beperkte strijdigheden, is niet ongebruikelijk en niet van dien aard dat daaraan doorslaggevende betekenis toekomt.\n\nHet verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.\n\nHet hof stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte zijn kinderen gedurende een langere periode meermalen heeft geslagen. Deze gedragingen hebben zich voorgedaan over een periode van meerdere jaren en hadden (aldus) een stelselmatig karakter. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling, nu sprake is van opzettelijk toepassen van lichamelijk geweld tegen zijn kinderen waardoor pijn en\u002Fof letsel is veroorzaakt. Van een aantal tenlastegelegde feitelijke fysieke handelingen wordt de verdachte vrijgesproken nu daarvoor onvoldoende bewijs aanwezig is.\n\nVoor de overige tenlastegelegde niet-fysieke gedragingen, te weten het schelden, kleineren en\u002Fof denigrerend toespreken van de kinderen, is het hof van oordeel dat deze geen mishandeling opleveren in de zin van art. 300 Sr. Het hof wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad met nummer ECLI:NL:HR:2026:1005 waaruit volgt dat gedragingen die uitsluitend – dat wil zeggen: zonder inwerking op het lichaam van het slachtoffer – psychisch leed tot gevolg hebben, niet onder het in artikel 300 Sr bedoelde begrip ‘mishandeling’ vallen. Ook is geen sprake van mishandeling in de zin van artikel 300 Sr als niet op het lichaam inwerkende gedragingen psychisch leed hebben veroorzaakt dat vervolgens heeft geleid tot nadelige lichamelijke gevolgen, zoals buikpijn of braakverschijnselen door stress. Dit betekent ook dat onder ‘benadeling van de gezondheid’ zoals bedoeld in art. 300 lid 4 Sr, niet de enkele benadeling van de geestelijke gezondheid valt. Van dit deel van de tenlastelegging zal het hof de verdachte daarom vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. meer subsidiairhij opof omstreeks26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, ter uitvoering aan het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaaltegen het gezicht\u002Fhoofdheeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiairhij opof omstreeks19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland, zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), heeft mishandeld, door op\u002Ftegen de neusen\u002Fof het gezichtvan die [slachtoffer (minderjarige) 2] te stompen\u002Fslaan;\n\n3. hij in of omstreeksde periode van 1 januari 2012 tot en met 26 juni 2022 te Wateringen, althans in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\nzijn kinderen, te weten\n\n [slachtoffer (minderjarige) 3] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 4] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] ,\n\nheeft mishandeld, door\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 3] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nop de trap aan zijn been te trekken, waardoor hij ten val kwam en\u002Fof zijn broek naar beneden te trekken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘hufter’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nbij haar haren te pakken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘dikzak’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘kutwijf’ te noemen) en\u002Fof\n\nbuiten in de kou te laten eten en\u002Fof\n\nmet kleren en al onder de douche te zetten en\u002Fof\n\nafwasmiddel in de mond te spuiten\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\n- bij de haren te pakken en\u002Fof met hun hoofden tegen elkaar te slaan\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 4]meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘klootzak te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 5] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘dom’ en\u002Fof ‘sukkel’ te noemen),\n\nterwijl verdachte deze feiten stelselmatig beging tegen minderjarigen.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\npoging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn kind.\n\nHet onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, begaan tegen zijn kind.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, begaan tegen zijn kind,meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 1] , destijds 14 jaar, door haar hard aan haar haar naar de grond te trekken en vervolgens meerdere malen hard tegen haar gezicht te trappen\u002Fschoppen. Zij heeft hier bloeduitstortingen, kneuzingen en kleine fracturen van de neus aan overgehouden. Ook heeft de verdachte zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 2] , destijds 15 jaar, mishandeld door haar met zijn vuist op haar neus te slaan. Hierbij heeft [slachtoffer (minderjarige) 2] een kneuzing van haar neus opgelopen. Deze mishandelingen stonden niet op zichzelf, nu de verdachte zich verder jarenlang schuldig heeft gemaakt aan het stelselmatig slaan van niet alleen [slachtoffer (minderjarige) 1] en [slachtoffer (minderjarige) 2] , maar ook van zijn andere drie minderjarige en jonge kinderen: [slachtoffer (minderjarige) 3] , zijn oudste kind en [slachtoffer (minderjarige) 4] en [slachtoffer (minderjarige) 5] , zijn jongste kinderen. Het ging hierbij om flinke tikken\u002Fklappen.\n\nDoor de kinderen veelvuldig te slaan heeft de verdachte de psychische en lichamelijke integriteit van zijn kinderen geschonden, zoals ook volgt uit de door de dochters voorgelezen slachtofferverklaringen ter terechtzitting in hoger beroep. Het veelvuldig slaan van zijn kinderen heeft verder aanzienlijke afbreuk gedaan aan de veiligheid die de kinderen van de verdachte hadden mogen verwachten. Bekend is dat de gevolgen van kindermishandeling nog zeer lang kunnen doorwerken en zich op verschillende manieren kunnen manifesteren, ook in het volwassen leven.\n\nDe verdachte heeft nagenoeg geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Voor zover hij überhaupt erkent dat er gewelddadige conflictsituaties hebben plaatsgevonden, lijkt hij die voornamelijk af te schuiven op het gedrag van zijn kinderen en hij lijkt de ernst van zijn gedrag niet in te zien.\n\nHet hof heeft gezien dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.\n\nAlles afwegende is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het reeds ondergane voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.\n\nDeze gevangenisstraf is lager dan gevorderd nu het hof tot een andere bewezenverklaring komt. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient ertoe om de ernst van de feiten te onderstrepen en de verdachte te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Het hof zal geen bijzondere voorwaarden in de vorm van begeleiding en behandeling aan dit voorwaardelijk deel verbinden, nu de verdachte op de terechtzitting van het hof uitdrukkelijk heeft verklaard hier niet voor open te staan. Het hof acht het aangewezen om een proeftijd van drie jaren aan het voorwaardelijk deel te verbinden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.\n\nVoorts acht het hof het aangewezen om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, te weten een contact- en locatieverbod. De verdachte wil contact met zijn kinderen, maar uit de slachtofferverklaringen en de toelichting van de advocaat van de slachtoffers blijkt dat de kinderen nog steeds angst hebben voor de verdachte en dat zij in het geheel geen contact met hem willen. Omdat in ieder geval (een deel van) de kinderen nog minderjarig en woonachtig zijn bij hun moeder, de ex-vrouw van de verdachte, zal het contactverbod zich ook ten aanzien van haar uitstrekken. Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt tegen zijn kinderen, zal het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr bevelen. Het hof zal de periode gedurende welke het contact- en locatieverbod van kracht is bepalen op in totaal vijf jaar, met aftrek van de periode waarin deze verboden vanwege de door de in eerste aanleg genomen beslissing reeds hebben gegolden.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben de aangevers zich als benadeelde partijen gevoegd en elk een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde:\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] heeft een vordering ingediend tot een bedrag van\n\n€ 14.500,- ten aanzien van het onder 1 en 3 tenlastegelegde;\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] ) heeft een vordering ingediend tot een bedrag van\n\n€ 12.500,- ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde;\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] hebben elk een vordering ingediend tot een bedrag van € 10.000,- ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.\n\nIn hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot deze in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.\n\nHet hof stelt voorop dat voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade op de voet van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek, slechts plaats is indien is voldaan aan de in dat artikel gestelde vereisten. Voor zover hier van belang kan aanspraak bestaan op vergoeding, indien sprake is van lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam, dan wel van een aantasting in de persoon op andere wijze. Van laatstgenoemde categorie is volgens bestendige rechtspraak sprake indien geestelijk letsel is vastgesteld.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan kindermishandeling gedurende vele jaren en heeft daarmee de lichamelijke integriteit van zijn kinderen geschonden en hun geestelijke gezondheid benadeeld. Alle kinderen hebben in hun vordering toegelicht dat zij nog last hebben van de onveilige en onzekere omgeving die de verdachte voor hen heeft gecreëerd. Bij alle kinderen is er als gevolg van de mishandelingen PTSS geconstateerd en vindt er traumabehandeling plaats of is er een advies tot een dergelijke behandeling.\n\nHet hof heeft bij vaststelling van de schadevergoeding aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 1]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 1] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van de feiten, het opgelopen letsel, en hetgeen door [slachtoffer (minderjarige) 1] ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, is het hof van oordeel dat de vordering zich leent - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van\n\n€ 6.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 6.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer (minderjarige) 1] .\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 2]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 2] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van de feiten, het opgelopen letsel, en hetgeen dat door [slachtoffer (minderjarige) 2] ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, is het hof van oordeel dat de vordering zich leent - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van\n\n€ 4.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer (minderjarige) 2] .\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] immateriële schade hebben geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat de vorderingen zich lenen - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot elk een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot vergoeding van de geleden schade. Deze kunnen in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte driemaal tot een bedrag van € 3.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van elk van de slachtoffers [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] .\n\nKosten in verband met alle vorderingen\n\nNu de vorderingen deels worden toegewezen, veroordeelt het hof de verdachte in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van450 (vierhonderdvijftig) dagen.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 250 (tweehonderdvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nLegt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde\n\n- voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met zijn kinderen [slachtoffer (minderjarige) 3] , [slachtoffer (minderjarige) 2] , [slachtoffer (minderjarige) 1] , [slachtoffer (minderjarige) 5] en [slachtoffer (minderjarige) 4] en met hun moeder, [naam moeder] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Dit betekent ook geen contact bij de school of bij de sportverenigingen waar de kinderen lid van zijn;\n\n- zich voor de duur van 5 jaren niet zal ophouden in Naaldwijk, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod noodzakelijk vindt.\n\nBeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.\n\nToepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.\n\nBeveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaaris.\n\nHeft op het door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.\n\nBeveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.\n\nBeveelt dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 1] ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.000,- (zesduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 1] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.000,- (zesduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 2] ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.000,- (vierduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 2] , ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,- (vierduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 5] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 5] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 3] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 3] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 4] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 4] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. C. Fetter en mr. K. Versteeg, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2246","2026-07-13T00:28:53.233Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":43,"courtId":64,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":51,"updatedAt":68},"1772","ECLI:NL:GHAMS:2026:1764","ecli-nl-ghams-2026-1764",56,"2026-07-02T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001893-23\n\ndatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2023 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-085027-23 (zaak A) en 13-048967-20 (zaak B), alsmede 13-144879-21 (TUL) tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,\n\nadres: [adres].\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\n2. Vonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dus bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:\n\nambtshalve acht heeft geslagen op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg (een overschrijding van ruim 1 jaar en 6 maanden) en in hoger beroep (een overschrijding van ruim 1 jaar), wat het hof niet tot een ander oordeel brengt ten aan zien van de opgelegde straf;\n\nde motivering van de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade vervangt door de navolgende overweging.\n\n3. Immateriële vordering benadeelde partij (zaak B)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] heeft € 1.785,00 aan vergoeding van immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat de benadeelde partij door de in zaak B subsidiair (impliciet subsidiair) tenlastegelegde mishandeling rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, bestaand uit lichamelijk letsel aan haar lip als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Gelet hierop heeft zij recht op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade, rekening houdend met bedragen die in soortgelijke zaken door rechters worden toegewezen en de zogenaamde Rotterdamse schaal, naar maatstaven van billijkheid, net zoals de rechtbank heeft gedaan, op een bedrag van € 1.785,00.\n\n4. Vordering tenuitvoerlegging\n\nHet openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2021 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. De rechtbank heeft deze vordering gedeeltelijk toegewezen, te weten voor de duur van 4 maanden. De vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging geheel wordt toegewezen, maar wordt omgezet naar een taakstraf voor de duur van 240 uren.\n\nDe raadsman heeft het hof primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en subsidiair verzocht de in eerste aanleg toegewezen gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden te halveren. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de voorwaardelijk opgelegde straf is opgelegd voor een andersoortig feit dan het in deze zaak tenlastegelegde, dat de redelijke termijn door het grote tijdsverloop is overschreden en dat de verdachte in een andere zaak meewerkt aan bijzondere voorwaarden en zijn persoonlijke omstandigheden zijn gewijzigd.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nVoorwaardelijke straffen als de onderhavige worden opgelegd om veroordeelden ervan te weerhouden om nogmaals strafbare feiten te plegen. In de onderhavige zaak is dat niet gelukt, nu is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Dat de verdachte is veroordeeld voor een andersoortig feit, maakt het voorgaande niet anders. Het hof is dan ook van oordeel dat niet kan worden volstaan met de afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging, zoals de verdediging heeft betoogd, en is van oordeel dat de vordering in beginsel dient te worden toegewezen.\n\nOvereenkomstig de vordering van de advocaat-generaal ziet het hof evenwel aanleiding om de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf. Sinds de tenlastegelegde feiten en de rechtsgang in eerste aanleg is namelijk veel tijd verstreken en gedurende die tijd lijkt de verdachte vooruitgang te hebben geboekt, nu hij onder meer een Cognitieve Vaardigheidstraining volgt, een uitkering heeft, zijn schulden afbetaalt en met een jobcoach op zoek is naar een baan. Om deze vooruitgang niet de doorkruisen, maar anderzijds wel recht te doen aan de voorwaardelijke veroordeling, zal het hof in plaats van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf de tenuitvoerlegging van de maximaal op te leggen taakstraf gelasten.\n\nHet hof zal in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van 240 uren duur gelasten.\n\n5. BESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nGelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2021 (parketnummer 13-144879-21), voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, een taakstrafvoor de duur van240 (tweehonderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.J. Hübel, mr. R. van der Heijden en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen en Y. Amama, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.\n\nMr. R.A.J. Hübel, mr. P.K. van Riemsdijk en Y. Amama zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\nproces-verbaal uitspraak\n\n_______________________________________________________________ _ _\n\nGERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001893-23\n\nProces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 2 juli 2026.\n\nTegenwoordig zijn:\n\nmr. C.J. van der Wilt, raadsheer,\n\nI. de Bruijne, griffier.\n\nHet openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M. Spruijt, advocaat-generaal.\n\nDe raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.\n\nDe verdachte is wel \u002F nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nRaadsman\u002Fraadsvrouw is wel \u002F nietaanwezig.\n\n(zo ja:) naam raadsman\u002Fraadsvrouw en plaats:\n\nTolk is wel \u002F nietaanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:\n\nDe raadsheer spreekt het arrest uit.\n\nDe raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)\n\nDe verdachte heeft wel \u002F geenafstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.(indien VTEin deze zaak is gedetineerd)\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1764","2026-07-13T00:29:38.084Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":43,"courtId":64,"decisionDate":65,"fullText":73,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":75},"669","ECLI:NL:GHAMS:2026:1857","ecli-nl-ghams-2026-1857","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001329-24\n\ndatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 mei 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-241741-23 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1975,\n\nadres: [adres] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde taakstraf, de beslissing op de vordering benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:\n\nin de bewijsoverweging op blad 8 van het vonnis de een-na-laatste alinea “In het dossier (…) elkaar zijn afgestemd”schrapt, aangezien in hoger beroep geen verweer is gevoerd op de betrouwbaarheid van de aangifte en de getuigenverklaringen, en\n\nde door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen zal uitwerken indien beroep in cassatie wordt ingesteld.\n\nOplegging van straf\n\nDe politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 uren voorwaardelijk, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe raadsman heeft – indien het noodweerverweer wordt verworpen – verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. Er heeft mediation plaatsgevonden tussen de verdachte en het slachtoffer, waarin alles is uitgesproken. De samenleving is daarom niet langer gebaat bij het opleggen van een straf. Subsidiair heeft de raadsman verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Na een discussie over geld heeft de verdachte een mes getrokken en hiermee gestoken richting het bovenlichaam van het slachtoffer. Het slachtoffer is hierbij geraakt in zijn bovenarm. De verdachte heeft het slachtoffer daarmee pijn en letsel toegebracht. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, te meer omdat dit feit op de openbare weg heeft plaatsgevonden.\n\nHet hof heeft acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin worden voor een voltooide zware mishandeling gevangenisstraffen als uitgangspunt genoemd. In deze zaak gaat het echter om een pogingtot zware mishandeling. Daarom zal het hof uitgaan van een lager uitgangspunt.\n\nHet hof houdt in het voordeel van de verdachte verder rekening met het feit dat de verdachte en het slachtoffer een mediation-traject hebben doorlopen. Deze mediation is geslaagd, zoals blijkt uit de slotovereenkomst die door partijen is ondertekend op 5 en 6 februari 2026 en die deel uitmaakt van het dossier. In de slotovereenkomst hebben zij aangegeven te betreuren dat de gebeurtenis zich heeft voortgedaan en dat zij geen behoefte hebben aan voortzetting van de strafzaak. Het slachtoffer heeft aangegeven dat het niet in hun beider belang zou zijn als de verdachte zou worden vervolgd en dat hij niets meer van de verdachte heeft te vorderen. Met het doorlopen van dit mediation-traject heeft de verdachte aangetoond verantwoordelijkheid te nemen en het kwalijke van zijn handelen in te zien.\n\nHet hof constateert dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is op 12 juni 2024 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 2 juli 2026 arrest wijst. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt aldus bijna vier weken. Vanwege deze geringe overschrijding is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.\n\nIn beginsel acht het hof, gelet op de ernst van het feit, de door de politierechter opgelegde taakstraf passend en geboden. Omdat de mediation is geslaagd, zal het hof echter – net zoals door de advocaat-generaal is gevorderd – de helft daarvan in voorwaardelijke vorm opleggen. Het hof acht hierbij ook normbevestiging en generale preventie van belang. Dit belang strekt verder dan het individuele belang van de verdachte en maakt dat een schuldigverklaring zonder straf of een geheel voorwaardelijke straf, zoals door de raadsman bepleit, naar het oordeel van het hof niet op zijn plaats is. Het hof legt daarom op een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 uren voorwaardelijk, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding van geleden materiële en immateriële schade tot een totaalbedrag van € 4.412,79.\n\nDeze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.613,79.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep aanvankelijk gehandhaafd. Na een mediationtraject heeft de benadeelde partij voor de inhoudelijke behandeling van de zaak aangegeven dat hij zijn vordering wil intrekken. Gelet daarop is het hof van oordeel dat de vordering niet meer aan de orde is en daarop geen beslissing meer hoeft te worden genomen.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde taakstraf, de beslissing op de vordering benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door60 (zestig) dagen hechtenis.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. P. Greve en mr. N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.\n\nDe jongste en oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\n […]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1857","2026-07-13T00:28:42.155Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":43,"courtId":80,"decisionDate":81,"fullText":82,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":51,"updatedAt":84},"1533","ECLI:NL:GHARL:2026:4287","ecli-nl-gharl-2026-4287",70,"2026-07-01T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003848-25\n\nUitspraakdatum: 1 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 1 september 2025 met parketnummer 18-143157-25 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende te [woonplaats] .\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van de zitting van het hof van 17 juni 2026 en de zitting bij de politierechter.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:\n\nveroordeling van verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd;\n\noplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel (te weten een contactverbod jegens aangeefster, haar kinderen, ouders en zus en een gebiedsverbod voor het dorp [dorp] ) voor de duur van 5 jaren;\n\ndadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel;\n\ntoewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDeze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.\n\nVerder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. K. Boonstra, hebben aangevoerd.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe politierechter heeft bij vonnis van 1 september 2025, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren en met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden:\n\neen meldplicht;\n\neen behandelverplichting;\n\neen drugsverbod;\n\neen contactverbod jegens aangeefster;\n\neen locatieverbod voor [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [dorp] .\n\nDe politierechter heeft een vrijheidsbeperkende maatregel, te weten een gebiedsverbod voor het dorp [dorp] , opgelegd en deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tot slot heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 986,02 en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in het overige deel van haar vordering.\n\nHet hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.\n\nTenlastelegging\n\nOp de zitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:\n\nhij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2024 tot en met 29 juni 2025 te [dorp] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door zich in voornoemde periode\n\n- meermalen (ongewenst) op te houden bij de woning van die [slachtoffer] en\u002Fof bij de woning van haar ouders en\u002Fof vervolgens op ramen en deuren van die woningen te kloppen en\u002Fof aan te bellen en\u002Fof zijn auto vóór en\u002Fof op de oprit van die woningen te parkeren, en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] en\u002Fof haar vader [slachtoffer] meermalen te bellen en\u002Fof meermalen te appen, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit. Volgens de verdediging moet de ten laste gelegde periode worden opgesplitst in tweeën. In de periode van 11 augustus 2024 tot 5 oktober 2024 is volgens de raadsman geen sprake van een opzettelijke en wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, omdat verdachte na het gesprek bij het [Instantie] niet doorhad dat hij helemaal geen contact meer mocht zoeken met aangeefster.\n\nIn de periode vanaf 05 oktober 2024 waren – aldus de raadsman – de aard en frequentie van de gedragingen van verdachte dermate gering dat van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster geen sprake was. Daarbij was geen sprake van wederrechtelijkheid, nu verdachte alleen contact zocht met aangeefster in het belang van zijn contact met de kinderen. De raadsman heeft in dit kader wetsgeschiedenis aangehaald waaruit blijkt dat in dergelijke situaties terughoudend moet worden geoordeeld over de vraag of sprake is van belaging.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710 en HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).\n\nHet hof stelt op grond van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nVerdachte en aangeefster hebben tot begin 2024 een relatie gehad. Uit deze relatie zijn kinderen geboren. Op 5 augustus 2024 hebben verdachte en aangeefster bij het [Instantie] (hierna: [Instantie] ) een gesprek gehad in aanwezigheid van medewerkers van het [Instantie] en van [instantie 2] vanwege de zorgen rondom het gezin. Tijdens dat gesprek is op advies van het [Instantie] afgesproken dat verdachte aangeefster en de kinderen met rust zou laten voor de periode van een jaar. Verdachte heeft daar die dag mee ingestemd.\n\nOndanks deze toezegging heeft verdachte in de periode daarna regelmatig contact gezocht met aangeefster. Hij kwam bij haar huis en nam contact op met haar, haar zoon en haar ouders. Op 5 oktober 2024 heeft de politie een stopgesprek met verdachte gehouden waarin aan verdachte nadrukkelijk is uitgelegd dat hij geen contact meer moest zoeken met aangeefster en dat hij voor het treffen van een omgangsregeling contact op diende te nemen met zijn advocaat. Na dit gesprek blijft het korte tijd rustig blijft, maar vanaf eind oktober nemen de contactpogingen van verdachte richting aangeefster en haar omgeving weer toe.\n\nOp 1 december 2024 staat verdachte weer voor de woning van aangeefster. De politie komt ter plaatse en besluit verdachte aan te houden op verdenking van stalking. Na deze aanhouding ontvangt de politie geen meldingen meer van aangeefster over contactpogingen. Wel neemt nu haar vader regelmatig contact op met de politie omdat verdachte hem belt en berichten stuurt en bij hem thuis aanbelt. De laatste melding dateert van 16 juni 2025.\n\nVerdachte heeft op de zitting van het hof alle contact(poging)en erkend, maar daarbij aangegeven dat hij dat niet als strafbaar ziet omdat hij in gesprek wilde met aangeefster over de omgang met de kinderen. Zijn raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet begreep dat hij in het geheel geen contact met aangeefster mocht opnemen, ook niet via haar vader.\n\nHet hof verwerpt het verweer dat verdachte niet begrepen zou hebben dat aangeefster geen contact met hem wenste. Naar het oordeel van het hof was het gesprek bij het [Instantie] het eerste moment waarop het voor verdachte volstrekt duidelijk moet zijn geweest dat aangeefster niet gediend was van contact. Het enkele feit dat verdachte het – volgens eigen verklaring: later – niet eens was met het standpunt van aangeefster en de afspraak die daarom bij dit gesprek is gemaakt, maakt immers niet dat hij dat standpunt niet begreep. Vervolgens is zowel bij het stopgesprek op 5 oktober 2024 als door de aanhouding van verdachte op 1 december 2024 telkens opnieuw duidelijk gemaakt aan verdachte dat hij aangeefster met rust moet laten. Ondanks al deze momenten is verdachte bewust contact blijven opnemen met aangeefster en\u002Fof haar omgeving. Naar het oordeel van het hof is hiermee het opzet van verdachte wettig en overtuigend bewezen.\n\nVerder overweegt het hof dat – hoewel de frequentie van de gedragingen van verdachte op het eerste gezicht beperkt lijkt – de aard en intensiteit van deze gedragingen maakt dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Verdachte is onder andere meerdere keren bij aangeefster en haar familie aan de deur geweest. Dit is een zeer indringende manier van contact zoeken, omdat verdachte zich hiermee in de directe omgeving van aangeefster bevindt en omdat deze fysieke vorm van contact zoeken de continue vrees voor een volgend contact met zich brengt.\n\nTot slot is het hof van oordeel dat sprake is van een wederrechtelijke inbreuk. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard vrij snel na het [Instantie] -gesprek een advocaat te hebben ingeschakeld om het contact met zijn kinderen te kunnen behouden\u002Fherstellen. Verdachte had omgang met de kinderen via deze juridische weg moeten bewerkstelligen. Het verweer van de raadsman dat in situaties omtrent omgang met kinderen terughoudend moet worden geoordeeld over de vraag of sprake is van belaging, schuift het hof terzijde. De wetsgeschiedenis waarnaar de raadsman verwijst, ziet op de situatie waarin tussen ouders van kinderen een omgangsregeling bestaat en de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer erin bestaat dat een verdachte contact zoekt omdat de andere ouder zich niet aan deze omgangsregeling houdt. Van zo’n situatie is in onderhavige zaak geen sprake.\n\nAl met al is het hof van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Het hof acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De reden waarom verdachte herhaaldelijk contact met aangeefster en haar omgeving bleef zoeken (contact willen met de kinderen) doet daar niet aan af.\n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:\n\n1. De door verdachte op de terechtzitting bij de politierechter van 1 september 2025 afgelegde verklaring:\n\nIk ben in de ten laste gelegde periode naar de woning van aangeefster (het hof begrijpt: te [dorp] ) en die van haar ouders gegaan en heb daar de auto geparkeerd. Bij aangeefster heb ik ook op de ramen geklopt. Ik heb naar aangeefster en haar vader gebeld en aan hen WhatsApp-berichten verstuurd.\n\n2. De door verdachte op de terechtzitting van het hof van 17 juni 2026 afgelegde verklaring:\n\nIk heb steeds contact gezocht met aangeefster en haar omgeving om tot een gesprek te komen over de omgang met de kinderen. Het klopt dat de afspraak gemaakt is op 5 augustus 2024 bij het [Instantie] dat ik een jaar lang afstand zou houden van aangeefster en de kinderen.\n\nIk heb vrij snel na het gesprek bij het [Instantie] een advocaat ingeschakeld.\n\n3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 november 2024, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024328914 d.d. 7 maart 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :\n\nAangifte van stalking, [adres 1] te [dorp] , gemeente [gemeente] .\n\nIk doe aangifte van stalking door mijn ex-vriend [verdachte] . Ik heb begin 2024 de relatie verbroken. Op 5 augustus 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden bij het [Instantie] vanwege alle zorgelijkheden (o.a. bij [slachtoffer] en mij). Dit gesprek heeft plaatsgevonden in bijzijn van [Instantie] , [instantie 2] , [verdachte] en mijzelf. Daar is geadviseerd door [Instantie] (en [verdachte] heeft daar ook in toegestemd) dat hij mij en de kinderen 1 jaar met rust zou laten, dus tot 5 augustus 2025.\n\nOmdat [verdachte] mij ondanks de afspraken die bij het [Instantie] zijn gemaakt toch bleef lastigvallen door bij mijn huis te komen, is er een afspraak op locatie gemaakt op mijn woning. Nadien ging contacten en langskomen door. Hij vraagt aan anderen, o.a. mijn ouders waar ik ben en waar de kinderen zijn. Hij kwam [voor het [Instantie] en stopgesprek] en ook op andere momenten aan de deur. Hij klopt of bonkt verscheidene malen op de deur en ramen, parkeert soms zijn auto op onze oprit of voor het huis en loopt weg om vervolgens terug te komen.\n\nOp 5 oktober 2024 heeft er een stopgesprek door de politie plaatsgevonden met [verdachte] . Hem is daarbij verteld dat hij moet stoppen met mij lastigvallen en dat hij zich moet houden aan de afspraken die er gemaakt zijn met de hulpverlening. Sinds 30 oktober nemen de contactpogingen weer toe, naar mij en ook mijn vader wordt gebeld. Hierna begint het langskomen weer.\n\n4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2024, opgenomen op pagina 49 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant] :\n\nIk, [verbalisant] , sprak op zaterdag 5 oktober 2024 op het politiebureau met\n\n [verdachte] . Ik heb duidelijk aan [verdachte] uitgelegd dat hij diende te stoppen\n\nmet het bezoeken van de woning van [slachtoffer] aan [adres 1] te [dorp] . Ook\n\nheb ik [verdachte] meerdere keren uitgelegd dat hij op geen enkele wijze contact moest\n\nzoeken met [slachtoffer] en dat hij via zijn advocaat de mogelijkheden moest verkennen\n\nvan een omgangsregeling.\n\n5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 december 2024, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant 2] :\n\nOp zondag 1 december 2024 werd een melding uitgegeven dat de ex van de bewoonster van de [adres 1] te [dorp] bij haar voor de deur zou staan en op de ramen had gebonkt. Ambtshalve is mij bekend, dat op genoemd adres [slachtoffer] met haar twee minderjarige\n\nkinderen woonachtig is. Ambtshalve is mij bekend dat [slachtoffer] onlangs aangifte heeft\n\ngedaan van stalking door haar ex-vriend, genaamd [verdachte] . [verdachte] zou in een personenauto, merk BMW, voorzien van het kenteken [kenteken] zitten.\n\nTer plaatse in [adres 1] zag ik genoemd voertuig voor de woning [adres 1]\n\nstaan. Ik zag dat de mij ambtshalve bekende [verdachte] alleen in het voertuig en op\n\nde bestuurderstoel zat. Na overleg met de Officier van Dienst Politie [naam] werd besloten om [verdachte] op heterdaad aan te houden ter zake stalking.\n\n6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 april 2025, inhoudende het relaas van [verbalisant 3] :\n\nOp 7 januari 2025 ontving [slachtoffer] (dit is de vader van aangeefster) een WhatsApp bericht van [verdachte] , met de tekst: [7-1 15:42] [verdachte] : Als jij als vader en opa nu jezelf eens afvraag hoe [slachtoffer] de jongens bij me weg hou al 7 maanden lang, dan mag je mij\n\nooit vertellen of dat juist is. [slachtoffer] heeft niet gereageerd op deze whatsapp.\n\nOp 8 februari 2025 om 10.44 uur ontving [slachtoffer] een telefoontje van nummer:\n\n [telefoonnummer] , dit is het telefoon nummer van [verdachte] . Hierop heeft hij niet gereageerd. De telefonische oproep staat in de historie als: 8 feb. 10:44 (gemiste oproep).\n\nOp 24 februari 2025 komt [verdachte] bij [slachtoffer] aan de deur. En vraagt of [slachtoffer] met [slachtoffer] wil praten over de kinderen.\n\nOp 17 maart 2025 15.20 uur was [verdachte] weer aan de deur. Bewoners waren niet thuis.\n\nOp 19 maart 2025 15.56 uur was [verdachte] aan de deur. Is niet opengedaan.\n\nOp 10 april 2025 ontving [slachtoffer] wederom een WhatsApp: [10-4 14:13] [verdachte]\n\n : Beste [slachtoffer] , zou je [slachtoffer] erop willen attenderen dat de jongens ook nog een oma in [plaats] hebben waar het heel slecht mee gaat, en die toch ook nog graag [slachtoffer] een x zou willen zien. Wederom van telefoonnummer: [telefoonnummer] .\n\n6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2025, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :\n\nOp 14 mei 2025 stelde [slachtoffer] per e-mail de wijkagent in kennis dat [verdachte]\n\nwederom bij zijn woning aan [adres 2] te [dorp] is geweest.\n\nOp maandag 16 juni om 15.46 uur was een 112 melding gedaan door [slachtoffer] . Op 16 juni 2025 TP [het hof begrijpt: ter plaatse] gegaan aan [adres 2] . Op dit adres staan vader en moeder [slachtoffer] ingeschreven, samen met dochter [slachtoffer] en haar kinderen.\n\nDochter [slachtoffer] heeft een ex, [verdachte] . Deze stond op dat moment voor de woning.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij in de periode van 11 augustus 2024 tot en met 29 juni 2025 te [dorp] , gemeente [gemeente] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door zich in voornoemde periode\n\n- meermalen ongewenst op te houden bij de woning van die [slachtoffer] en bij de woning van haar ouders en vervolgens op ramen en deuren van die woningen te kloppen en aan te bellen en zijn auto vóór en op de oprit van die woningen te parkeren;\n\n- die [slachtoffer] en haar vader [slachtoffer] meermalen te bellen en meermalen te appen,\n\nmet het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen en te dulden.\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:\n\nbelaging.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.\n\nOplegging van straf en maatregel\n\nBij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich gedurende een periode van ruim 9 maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner. Na de relatiebreuk heeft verdachte aangeefster tegen haar uitdrukkelijke wil telefonisch benaderd, zich bevonden bij haar woning en contact gezocht met haar directe omgeving. Door zo te handelen heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en bij haar angstgevoelens teweeggebracht.\n\nVerdachte heeft zich niets aangetrokken van de duidelijke signalen op drie momenten in de bewezenverklaarde periode en telkens toch weer contact gezocht met aangeefster. Op de zitting van zowel de politierechter als het hof heeft verdachte een eigen versie van de feiten naar voren gebracht en ontkend wederrechtelijk te hebben gehandeld. Het hof heeft tijdens het verhoor van verdachte op de zitting herhaaldelijk geprobeerd verdachte het belang van wederkerigheid van relaties en interacties te doen inzien. Verdachte heeft daarbij een onvermogen getoond om zich in de situatie van een ander in te leven en in te zien wat de impact en gevolgen zijn van zijn handelen.\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging gelet op de inhoud van het strafblad van verdachte van 07 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten veelal van andere aard en\u002Fof langer geleden gepleegd. Het hof weegt dit niet mee in de strafoplegging.\n\nVerder heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het hof heeft kennis genomen van een verdachte betreffend reclasseringsrapport van 22 augustus 2025. De reclassering schrijft over een zwak probleeminzicht, zwakke impulscontrole, zwakke coping vaardigheden en narcistische en antisociale trekken bij verdachte. Verdachte zou slecht in staat zijn om conflicten adequaat op te lossen. Het middelengebruik van verdachte is volgens de reclassering delict gerelateerd. De reclassering adviseert oplegging van een voorwaardelijke straf, met daaraan verbonden een aantal bijzondere voorwaarden.\n\nGelet op het hiervoor overwogene acht het hof van belang en noodzakelijk aan verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen als stok achter de deur. Deze dient ertoe verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nAlles afwegende acht het hof het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Aan deze voorwaardelijke straf zal het hof de volgende bijzondere voorwaarden verbinden:\n\neen meldplicht;\n\neen behandelverplichting;\n\neen drugsverbod.\n\nVrijheidsbeperkende maatregel (contact- en gebiedsverbod)\n\nNaast bovengenoemde bijzondere voorwaarden adviseert de reclassering ook het opleggen van een contactverbod jegens aangeefster en een gebiedsverbod voor het adres van aangeefster. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het contactverbod ook geldt jegens de kinderen van aangeefster, haar ouders en haar zus en dat het gebiedsverbod geldt voor het hele dorp [dorp] . Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verboden worden opgelegd in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht) en dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.\n\nGelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de hiervoor overwogen omstandigheden waaronder dit is begaan, is het naar het oordeel van het hof noodzakelijk ter voorkoming van strafbare feiten dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd, te weten een contactverbod jegens de volgende personen:\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ,\n\nen een gebiedsverbod voor de bebouwde kom van het dorp [dorp] in de gemeente [gemeente] .\n\nZoals hiervoor overwogen toont verdachte geen enkel inzicht in (de gevolgen van) zijn handelen. Daarnaast weegt het hof mee dat omtrent de omgang met de kinderen een civiele procedure gaande is. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard die procedure als onlosmakelijk verbonden te beschouwen met deze strafzaak. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen jegens aangeefster, haar kinderen en\u002Fof haar familie. Het hof zal de vrijheidsbeperkende maatregel dan ook dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.236,02 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 986,02. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de oorspronkelijke vordering.\n\nOp de zitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Ten aanzien van de materiële schade (reiskosten) overweegt het hof dat de vordering is onderbouwd met een overzicht van reiskosten naar de psycholoog.\n\nTen aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan onder meer een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in de persoon is aangetast. Uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de benadeelde partij naar aanleiding van het bewezenverklaarde gevoelens van onveiligheid en spanning ervoer, een verminderde eetlust en concentratie had en psychische klachten kreeg. Hiervoor is de benadeelde partij naar de huisarts gegaan, die haar heeft doorverwezen naar en psycholoog. De benadeelde partij is gestart met EMDR-therapie en de behandeling is na enige tijd geïntensiveerd. Verder is de benadeelde partij niet in staat om (volledig) te werken en merkt ze dat ook haar kinderen spanningsklachten hebben. De vordering is onderbouwd met medische verklaringen en een verslaglegging van de psycholoog.\n\nDe verdediging heeft de vordering tot schadevergoeding betwist. De raadsman heeft naar voren gebracht dat de therapie die aangeefster volgt niet alleen ziet op behandeling van trauma naar aanleiding van het bewezenverklaarde, zodat niet de gehele schade kan worden toegewezen. Het hof overweegt dat het bewezenverklaarde de directe aanleiding is geweest voor het starten van de therapie en dat de benadeelde partij haar vordering goed heeft onderbouwd. In het licht hiervan heeft de verdediging de vordering tot schadevergoeding onvoldoende gemotiveerd betwist.\n\nHet hof leidt uit voorgaande af dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van verdachte in de persoon is aangetast, zodat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW in aanmerking komt voor schadevergoeding.\n\n Het hof heeft zich voor het oordeel over de hoogte van de immateriële schade gebaseerd op de bandbreedtes uit de Rotterdamse Schaal. De eerste bandbreedte ziet op tamelijk ernstige belaging, waarbij de communicatie vanuit de dader minder frequent en dreigend is dan bij ernstige belaging. Aan tamelijk ernstige belaging wordt in de Rotterdamse Schaal een immaterieel schadebedrag tot € 2.000,00 gekoppeld. De tweede bandbreedte ziet op ernstige belaging, waarbij de communicatie vanuit de dader frequenter en intensiever is en waarbij verschillende communicatiemiddelen worden gebruikt om de benadeelde te benaderen. Aan ernstige belaging wordt een immaterieel schadebedrag van € 2.000,00 tot € 5.000,00 gekoppeld.\n\nNaar het oordeel van het hof is onderhavig geval een grensgeval tussen tamelijk ernstige en ernstige belaging. Het hof zal daarom de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op een bedrag van € 2.000,00.\n\nVerdachte moet de schade vergoeden. Het hof wijst dit deel van de vordering daarom toe, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\nHet hof kan in deze procedure van het overige deel van de gevorderde schade niet vaststellen dat deze veroorzaakt is door het handelen van verdachte. De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van deze strafprocedure op. Het hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dat deel van de vordering De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nHeft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel van 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een gebiedsverbod.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) maanden.\n\nBepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.\n\nStelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Verdachte volgt de aanwijzingen op die hem door of namens de reclassering gegeven worden voor zover niet reeds in andere voorwaarden benoemd. Binnen het toezicht worden (sub)doelen geformuleerd waar verdachte aan zal werken deze te behalen. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen veertien dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het [adres 4] te [plaats] .\n\nStelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de AFPN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.\n\nStelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) in de Opiumwet gebruikt. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles door middel van urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak wordt gecontroleerd.\n\nVan rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:\n\n- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.\n\n- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;\n\nGeeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nLegt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde:\n\nvoor de duur van 3 jaren zich niet bevindt in de bebouwde kom van het dorp [dorp] in de gemeente [gemeente]\n\nvoor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ,\n\ntenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd. Als de reclassering dit noodzakelijk vindt, kan worden besloten dat het contact in het bijzijn van hulpverleners, te bepalen door de reclassering, dient plaats te vinden.\n\nBeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.\n\nToepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.\n\nBeveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.\n\nBeveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.\n\nBeveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.236,02 (tweeduizend tweehonderdzesendertig euro en twee cent) bestaande uit € 236,02 (tweehonderdzesendertig euro en twee cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.236,02 (tweeduizend tweehonderdzesendertig euro en twee cent) bestaande uit € 236,02 (tweehonderdzesendertig euro en twee cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 22 (tweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 29 juni 2025.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.C. van Linde, mr. H.J. Deuring en mr. M. van Kuilenburg, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4287","2026-07-13T00:29:25.743Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":43,"courtId":89,"decisionDate":81,"fullText":90,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":91,"sourceTimestamp":92,"parsedAt":51,"updatedAt":93},"1719","ECLI:NL:GHSHE:2026:1694","ecli-nl-ghshe-2026-1694",72,"Parketnummer : 20-003327-24\n\nUitspraak : 1 juli 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 13 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-268326-22 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,\n\nthans verblijvende in [penitentiaire inrichting] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘doodslag’ (feit 1) en ‘een lijk verbranden en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 14 jaren, met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn beide toegewezen tot een bedrag van € 52.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partijen zijn voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 3] beide integraal toegewezen tot een bedrag van € 17.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de verdachte ten slotte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op de datum van het vonnis begroot op nihil.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde (met uitzondering van de onder feit 1 meer subsidiair impliciet tenlastegelegde mishandeling) en het onder feit 2 tenlastegelegde, meer specifiek ‘het oogmerk de oorzaak van het overlijden te verhelen’. Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de omstandigheid dat enkel een deel van feit 1 meer subsidiair en feit 2 kan worden bewezen, de voorlopige hechtenis van de verdachte dient te worden opgeheven en de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen aan hem dienen te worden teruggegeven. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman ten slotte primair bepleit dat deze niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman de vorderingen, voor zover deze niet door de rechtbank zijn toegewezen, betwist. Indien het hof anders dan de rechtbank beslist en een groter gedeelte van de vorderingen zal toewijzen, heeft de raadsman het hof voorwaardelijk verzocht hem in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) op die vorderingen te reageren.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nIn verband met de leesbaarheid van dit arrest, zal het hof hierna het slachtoffer [slachtoffer] ook aanduiden met haar voornaam [slachtoffer] .\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver, gemeente Beesel, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] een of meerdere malen tegen\u002Fop de keel en\u002Fof het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof verstikkend, samendrukkend en\u002Fof smorend geweld op en\u002Fof tegen de keel en\u002Fof hals en\u002Fof mond en\u002Fof neus van die [slachtoffer] toe te passen en\u002Fof met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer] te steken, in ieder geval door geweld toe te passen op\u002Ftegen\u002Faan het lichaam van die [slachtoffer] ;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\n hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver, gemeente Beesel, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] , zijnde de echtgenote van verdachte, tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging verdachte krachtens de wet of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en\u002Fof gelaten, door geen adequate en\u002Fof tijdige medische hulp\u002Fverzorging in te schakelen en\u002Fof door lichamelijke verzorging te onthouden, immers,\n\n- is hij, verdachte nadat die [slachtoffer] op de grond terecht is gekomen en\u002Fof bloedde uit haar neus\u002Fmond en\u002Fof schokkende bewegingen maakte met haar armen en\u002Fof benen en\u002Fof niet meer ademhaalde en\u002Fof niet meer bewoog, naar buiten gegaan, althans heeft verdachte de kamer waar die [slachtoffer] op de grond lag, verlaten, terwijl het feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\n hij in of omstreeks in de periode van 11 juni tot en met 15 juni te Reuver, gemeente Beesel, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar een of meerdere malen tegen\u002Fop de keel en\u002Fof het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en\u002Fof stompen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;\n\n2. hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver en\u002Fof Münster-Sarsheim (Kreis Mainz-Bingen), althans in Nederland en\u002Fof Duitsland, het lijk van [slachtoffer] heeft verbrand en\u002Fof weggemaakt met het oogmerk om het feit en\u002Fof de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. hij in de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver, gemeente Beesel, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door geweld toe te passen op\u002Ftegen\u002Faan het lichaam van die [slachtoffer] ;\n\n2. hij in de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 in Nederland en Duitsland het lijk van [slachtoffer] heeft verbrand en weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nOmwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.\n\nBewijsoverwegingen\n\nStandpunt advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd om de verdachte, naast het onder feit 2 tenlastegelegde, te weten het verbranden van het lijk met het oogmerk om het feit én de oorzaak van het overlijden te verhelen, ter zake van de onder feit 1 primair tenlastegelegde doodslag te veroordelen. De advocaat-generaal stelt zich voorts op het standpunt dat de aanwijzingen die zich in het dossier bevinden onvoldoende zijn om te komen tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad.\n\nStandpunt verdediging\n\nDe raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken ter zake van het onder feit 1 tenlastegelegde – met uitzondering van de onder feit 1 meer subsidiair impliciet tenlastegelegde mishandeling – alsmede, zo begrijpt het hof, van het onder feit 2 tenlastegelegde, te weten het verbanden van het lijk met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota omschreven – in de kern het volgende aangevoerd. De verdachte heeft vanaf het eerste contact met de politie naar aanleiding van het overlijden van het slachtoffer telkens opnieuw verklaard dat er onenigheid was, hetgeen heeft geresulteerd in een handgemeen waarbij het slachtoffer de verdachte heeft gebeten en hem in het gezicht heeft gekrast. Het slachtoffer had op enig moment een mes in haar handen en er ontstond een korte worsteling, waarna de verdachte het slachtoffer op haar hals\u002Fkeel\u002Fergens in het aangezicht heeft geslagen. Het slachtoffer belandde op de grond, maar was nog aanspreekbaar. De verdachte heeft het huis verlaten en zich over zijn buiten spelende kinderen bekommerd. Bij terugkomst in de woning heeft hij geconstateerd dat het slachtoffer geen tekenen van leven meer vertoonde. De verdediging stelt zich aldus op het standpunt dat de verdachte het slachtoffer niet heeft gedood laat staan vermoord, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en achtergelaten of heeft mishandeld ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Er was geen enkel motief voor de verdachte om dit te doen en een overlijden veroorzaakt door geweld van de zijde van verdachte kan op grond van het procesdossier niet worden vastgesteld. Alle onderzoeken hebben geen bewijs opgeleverd voor een gewelddadige dood van [slachtoffer] : zo zijn er geen bloedsporen gevonden. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat het slachtoffer spontaan is overleden door een lichamelijk defect dat niet eerder opgespeeld heeft of dat niet eerder is opgemerkt, zoals spontaan hartfalen of ademnood.\n\nTen slotte is er geen enkele redenen om aan te nemen dat er een vorm van geweld is geweest waarbij sprake was van voorbedachten rade.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijs is dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] heeft weggemaakt teneinde de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nJuridisch kader\n\nHet hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).\n\nHet hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af:\n\n- Sinds 24 mei 2022 was het slachtoffer, [slachtoffer] , in het bezit van haar Nederlandse paspoort (bewijsmiddel 8); Zodra zij genaturaliseerd zou zijn, wilde zij [verdachte] verlaten (bewijsmiddelen 14 en 15);\n\n- De broer van [slachtoffer] , [getuige 1] , heeft op 16 augustus 2022 – toen [slachtoffer] al wel was vermist, maar haar lichaam nog niet als zodanig was geïdentificeerd – verklaard dat [slachtoffer] tegen hem had gezegd dat de verdachte haar zou vermoorden als zij bij hem weg zou gaan en dat hij iets over haar heen zou gooien, zodat niemand haar ooit kon vinden (bewijsmiddel 9);\n\n- Op 8 augustus 2023 (bewijsmiddel 11) heeft [getuige 1] verklaard dat [slachtoffer] , de verdachte en de kinderen vanaf 22 april 2022, met de Ramadan, ca. 18 dagen in Tunesië waren. De sfeer was toen erg gespannen omdat de verdachte met niemand wilde praten en steeds schreeuwde. Door de familie is tegen [slachtoffer] gezegd dat zij niet meer terug moest gaan naar Nederland. [getuige 1] heeft tijdens het verhoor van 8 augustus 2023 herhaald hetgeen hij reeds een jaar eerder verklaarde, namelijk dat de verdachte tegen [slachtoffer] zou hebben gezegd dat hij een vloeistof – iets wat brandend is – over haar heen zou gooien;\n\n- De verdachte heeft – in de periode dat hij nog op werk kwam en, zo begrijpt het hof, aldus voorafgaand aan het weekend van 11 en 12 juni 2022 – aan een collega, [getuige 2] , verteld dat hij door hem gemaakte opnames van [slachtoffer] had beluisterd en hoorde dat zij had gezegd dat zij hem zou verlaten zodra zij genaturaliseerd zou zijn en dat hij het niet zou toelaten dat zij daarvan zou kunnen genieten. Eveneens heeft de verdachte tegen diezelfde collega verteld dat degene die haar man verraad, de doodstraf krijgt. De verdachte was volgens [getuige 2] de laatste keer toen hij terugkwam van vakantie (het hof begrijpt: na het vieren van de Ramadan in Tunesië vanaf 22 april 2022) heel boos en verdrietig richting [slachtoffer] . Hij liet [getuige 2] weten dat hij ‘een einde ging maken’. [getuige 2] zag aan zijn gezichtsuitdrukking dat hij iets ging doen (bewijsmiddel 14);\n\n- Nog voordat het lichaam van [slachtoffer] werd geïdentificeerd en [betrokkene 1] , vriend van de verdachte en buurman van de familie van [slachtoffer] , op de hoogte raakte van wat de verdachte met het lichaam van [slachtoffer] had gedaan, heeft [betrokkene 1] in een telefoongesprek op 14 augustus 2022 tegen de verdachte gezegd: “Je vertelde me, [verdachte] : “Als ze haar papieren krijgt, zal ik iets ongelofelijks doen”” en “Je vertelde: “Als zij de papieren krijgt, dan zul je wel zien wat ik zal doen (bewijsmiddel 15)”. De verdachte had dit tegen [betrokkene 1] gezegd tijdens het verblijf in Tunesië tijdens de Ramadan (bewijsmiddel 11);\n\n- De verdachte heeft op 11 juni 2022 voor € 20,00 aan benzine getankt en heeft op 12 juni 2022 om 16:30 uur, toen [slachtoffer] nog in leven was, bij de Lidl in Reuver een aansteker en vuilniszakken van 240 liter gekocht (bewijsmiddelen 17 en 18);\n\n- Op 12 juni 2022 na 16:30 uur heeft verdachte geweld jegens [slachtoffer] uitgeoefend (bewijsmiddel 18);\n\n- Op 12 juni 2022 heeft de verdachte nadat [slachtoffer] was overleden haar lichaam achter de bank in de woonkamer gelegd. Naderhand heeft hij de op 12 juni 2022 gekochte vuilniszakken gebruikt om [slachtoffer] in te pakken en heeft hij het lichaam vervolgens gewikkeld in het tapijt van de woonkamer en op de achterbank van zijn BMW gelegd (bewijsmiddelen 17 en 18);\n\n- Op 14 juni 2022 heeft de verdachte zijn kinderen om 17:25 uur bij [getuige 3] ondergebracht en is daarna direct doorgereden naar Duitsland, omdat naar zijn zeggen Duitsland groot is en het makkelijker zou zijn het lichaam daar in het donker te verstoppen. De verdachte had benzine bij zich (bewijsmiddelen 18, 19 en 20);\n\n- In de nacht van 14 op 15 juni 2022 heeft de verdachte het lichaam van [slachtoffer] onder een viaduct in Duitsland, ongeveer 240 kilometer verwijderd van zijn woonplaats, na het tapijt om haar lichaam te hebben verwijderd, overgoten met benzine uit een jerrycan en het vervolgens met een aansteker in brand gestoken (bewijsmiddel 18);\n\n- Op 15 juni 2022 om 01:43 uur treft de Duitse politie onder een brug van de A61 bij Münster-Sarmsheim een brandend menselijk lichaam aan (bewijsmiddel 1);\n\n- Na de dood van [slachtoffer] zet de verdachte een dwaalspoor uit waarbij hij doet voorkomen alsof [slachtoffer] nog in leven is, een slechte moeder en vrouw was, en vrijwillig is vertrokken: zo doet de verdachte op 19 juni 2022 aangifte van vermissing van zijn vrouw [slachtoffer] . In dat kader vertelde de verdachte dat hij het vermoeden had dat zijn vrouw hem voor een andere man had verlaten, zij zou hebben gewacht totdat zij haar Nederlandse paspoort had ontvangen en dat zij al haar zomerkleding, gouden sieraden en 28.300,00 euro aan cashgeld zou hebben meegenomen. Op 19 juni 2022 en 6 juli 2022 neemt de verdachte uit naam van [slachtoffer] contact op met de familie van [slachtoffer] door hen uit eerdere opnames geconstrueerde spraakberichten te sturen om het te laten lijken dat ze nog leeft en hem heeft verlaten. Met datzelfde doel stuurt hij berichten vanuit zijn eigen telefoon naar de Huawei van [slachtoffer] , waarin hij bericht dat hij contact met haar wil, wil praten, van haar houdt en haar mist. Op 25 augustus 2022 doet de verdachte een valse aangifte van diefstal jegens [slachtoffer] . Hij levert die dag ook een USB-stick aan bij de politie waarop te horen zou zijn dat [slachtoffer] haar kinderen zou mishandelen. (bewijsmiddelen 9,17, 21, 22, 23, 24, 25 en 26);\n\n- Op 7 oktober 2022 wordt het lichaam van [slachtoffer] geïdentificeerd (bewijsmiddel 1);\n\n- Uit de rapportages van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] , het huisartsenjournaal betreffende het slachtoffer, en de getuigenissen van de broer van [slachtoffer] en drie vrouwen die haar hebben gekend volgt dat [slachtoffer] voorafgaande aan haar overlijden een gezonde vrouw was, zonder (noemenswaardige) lichamelijke klachten, een concrete doodsoorzaak niet kon worden vastgesteld, een levensdelict in geen geval kan worden uitgesloten ( [deskundige 1] ), en dat het overlijden van [slachtoffer] waarschijnlijker is als gevolg van een niet-ziekelijke oorzaak dan gegeven een ziekelijke oorzaak en waarschijnlijker is als gevolg van een traumatische oorzaak dan gegeven een niet-traumatische oorzaak ( [deskundige 2] ) (bewijsmiddelen 2, 3, 4, 6, 7 en 10).\n\nHet hof leidt uit vorenstaande feiten en omstandigheden af dat de verdachte rond de vakantie in Tunesië, ergens in eind april\u002Fmei 2022, toen de verdachte duidelijk was dat zijn vrouw [slachtoffer] hem na de verkrijging van haar paspoort zou willen verlaten, het plan heeft opgevat om haar na terugkomst in Nederland van het leven te beroven en te zorgen dat haar lichaam niet meer zou worden teruggevonden, en dat hij vervolgens vanaf 11 juni 2022 uitvoering heeft gegeven aan dat plan, inclusief het opzetten van een dwaalspoor om de verdwijning van [slachtoffer] in een hem ontlastend kader te plaatsen.\n\nBij de weging en waardering van de omstandigheden, ter beantwoording van de vraag of er sprake is van voorbedachte raad in onderhavige zaak, stuit het hof enkel op aanwijzingen en bewijsmiddelen die buiten redelijke twijfel de conclusie onontkoombaar maken dat de verdachte het plan heeft opgevat [slachtoffer] van het leven te beroven en daaraan uitvoering heeft gegeven, terwijl aanwijzingen van enig gewicht dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling volledig ontbreken. Dat maakt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord, het aan hem onder feit 1 primair tenlastegelegde.\n\nBespreking verweren verdediging\n\nAnders dan de raadsman betoogt, is er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat het gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 1] op 14 augustus 2022 erop was gericht verdenkingen van de familie te onderbouwen, en – zo begrijpt het hof – dit gesprek als ongeloofwaardig te betitelen. Dit gelet op de context die de broer van [slachtoffer] (in bewijsmiddel 11) schetst van dit gesprek en het feit dat een collega van de verdachte omstreeks diezelfde tijd voor de vermissing van [slachtoffer] soortgelijke uitspraken uit de mond van de verdachte heeft opgevangen (bewijsmiddel 14).\n\nDat de verdachte de vuilniszakken, aansteker en benzine had gekocht voor het reguliere huishouden, zoals de verdediging stelt, acht het hof ongeloofwaardig, gelet op het feit dat de verdachte deze middelen kort voor de levensberoving aanschaft en daarvan bijna onmiddellijk daarna gebruik maakt. Het aanschaffen van benzine, een aansteker en zeer grote vuilniszakken op 11 en 12 juni 2022, op momenten dat [slachtoffer] nog in leven is, en het aanwenden hiervan in de daarop volgende gebeurtenissen kunnen niet anders dan ter uitvoering van het eerder opgevatte plan worden geduid.\n\nDe verdediging stelt zich verder op het standpunt dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] spontaan is overleden door een lichamelijk defect dat niet eerder opgespeeld heeft of dat niet eerder is opgemerkt, zoals spontaan hartfalen of, zoals verdachte heeft verklaard, ademnood. De verdachte heeft – samengevat – immers verklaard dat hij en [slachtoffer] op 12 juni 2022 in een worsteling zijn geraakt, waarbij hij haar op enig moment tegen haar neus\u002Fmond\u002Fhals\u002Fkeel heeft geslagen. [slachtoffer] zou daarna, omdat zij last had van ademhalingsproblemen, tegen de bank aan in elkaar zijn gezakt, waar zij schokkende bewegingen maakte met haar armen en benen. Zij bood vervolgens haar excuses aan en zei dat ze naar de verdachte zou luisteren. De verdachte is hierna met zijn kinderen een ijsje gaan halen. Toen hij terugkwam, was [slachtoffer] dood. De verdachte stelt dat [slachtoffer] is overleden aan ademhalingsproblemen, astma dan wel hyperventilatieproblemen. De verdachte heeft geen geweld gebruikt jegens zijn vrouw dat de dood ten gevolge heeft gehad. Alle forensische onderzoeken hebben hiervoor geen bewijs opgeleverd, aldus de raadsman. Zo zijn geen bloedsporen gevonden.\n\nHoe (met welk geweld) de verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, is niet komen vast te staan. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer] enkel tegen haar neus\u002Fmond\u002Fkeel heeft geslagen en dat zij zou zijn overleden aan ademhalingsproblemen, astma dan wel hyperventilatieproblemen, evenwel volstrekt ongeloofwaardig. Niet alleen volgt uit de bewijsmiddelen dat zij niet bekend was met dergelijke problemen. Bovendien geldt dat eventuele hyperventilatieproblemen volgens de deskundigen niet tot de dood hebben kunnen leiden. Ook het standpunt van de verdediging hieromtrent volgt het hof niet. Hoewel een concrete doodsoorzaak, door de verbranding van het stoffelijk overschot, niet kon worden vastgesteld, volgt uit de deskundigenrapportages wel dat er op grond van de bevindingen van de autopsie, waarbij de belangrijke organen nog voldoende intact waren om te onderzoeken, geen ziekelijke oorzaak kan worden aangetoond die van belang zou kunnen zijn geweest voor het overlijden. Een dergelijke ziekelijke oorzaak kan eveneens niet op grond van het medische dossier van [slachtoffer] worden geconcludeerd. Daar komt bij dat [slachtoffer] ten tijde van haar overlijden slechts 35 jaar oud was. Een dergelijk door de verdediging gesteld spontaan overlijden betreft derhalve een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid.\n\nHet hof is aldus van oordeel dat, gelet op de rapportages van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] alsmede de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, het niet anders kan zijn dan dat de verdachte [slachtoffer] in hun woning opzettelijk (vol opzet) om het leven heeft gebracht door geweld toe te passen op\u002Ftegen\u002Faan haar lichaam, teneinde aan zijn plan om haar te doden, uitvoering te geven.\n\nUit de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang volgt tevens genoegzaam dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] heeft verbrand en weggemaakt, niet alleen met het oogmerk om het feit van het overlijden, maar tevens om de oorzaak daarvan te verhelen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nHet hof verwerpt mitsdien de door de verdediging gevoerde verweren in al hun onderdelen. Al hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.\n\nDe verdediging heeft ten slotte nog een voorwaardelijk verzoek gedaan: indien het hof van oordeel is dat de rapportages van [deskundige 2] een andere conclusie rechtvaardigen dan die van [deskundige 1] , wenst de verdediging laatstgenoemde te horen over het verschil. Het hof wijst dit verzoek af. Beide deskundigen komen tot de conclusie dat inwerking van mechanisch geweld\u002Fwurgen\u002Fsmoren als doodsoorzaak en daarmee een levensdelict niet kan worden uitgesloten terwijl postmortale computertomografie \u002F forensische obductie \u002F uitgebreid macroscopisch en lichtmicroscopisch onderzoek van de organen geen ziekelijke doodsoorzaak hebben aangetoond en [deskundige 2] is wat explicieter, door te overwegen dat de belangrijke organen nog goed genoeg te onderzoeken waren; dat op grond van het haar ter beschikking gestelde medische dossier er geen ziekelijke afwijking was die van belang kon zijn voor het overlijden, en dat ook uit het verrichte toxicologische onderzoek geen toxicologische oorzaak van\u002Fbijdrage aan het overlijden is gebleken. Aldus komt zij tot de door haar gedane weging van de twee hypothesen die alleen aan haar zijn voorgelegd. Voor zover de verdediging de deskundigheid van [deskundige 2] in twijfel trekt: het hof heeft geen enkele aanleiding hieraan te twijfelen gelet op haar registratie en lange staat van dienst. Ook overigens ziet het hof voor de beantwoording van de vragen van 348 en 350 Wetboek van Strafvordering geen noodzaak om [deskundige 1] nader te horen, mede in het licht van de overige bewijsmiddelen.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmoord.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\neen lijk verbranden en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nHet hof heeft kennisgenomen van het de verdachte betreffende psychiatrisch en psychologisch onderzoek Pro Justitia van respectievelijk 20 april 2023 en 18 april 2023. Daaruit komt samengevat als conclusie naar voren dat bij de verdachte geen sprake is van een psychische stoornis, verstandelijke handicap en\u002Fof psychogeriatrische aandoening en dat de tenlastegelegde feiten hem volledig kunnen worden toegerekend.\n\nEr zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis van de rechtbank te bevestigen en derhalve aan de verdachte ter zake van de onder feit 1 tenlastegelegde doodslag en het onder feit 2 tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren op te leggen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft bepleit dat enkel het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, de verdachte de maximumstraf voor dat feit reeds heeft uitgezeten en de voorlopige hechtenis derhalve dient te worden opgeheven. Voor het overige heeft de raadsman geen straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op zijn partner [slachtoffer] . De verdachte heeft [slachtoffer] ergens in de periode van 11 juni 2022 tot 15 juni 2022 met voorbedachten rade om het leven gebracht. Met deze daad heeft de verdachte [slachtoffer] het meest kostbare dat een mens bezit, namelijk het recht op leven, ontnomen.\n\nNadat dat de verdachte [slachtoffer] om het leven had gebracht, heeft hij haar lichaam achter het bankstel in de woonkamer van hun woning, waar op dat moment ook hun zoontjes van 4 en 6 woonachtig waren, verborgen gehouden. Enkele dagen na het overlijden begon het lichaam van [slachtoffer] te ontbinden, waarna de verdachte het lichaam heeft ingepakt in vuilniszakken, vervolgens in een tapijt heeft gerold en op de achterbank van zijn auto heeft gelegd. Met zijn twee zoontjes op de bijrijdersstoel rijdt hij het lichaam onder andere van en naar school. Uiteindelijk rijdt de verdachte ongeveer 240 kilometer met het lichaam van [slachtoffer] en dumpt haar lichaam midden in de nacht onder een viaduct in Duitsland, waarna hij benzine over het lichaam gooit, het vervolgens in brand steekt en vertrekt. Haar lichaam wordt diezelfde nacht nog gevonden, maar pas maanden later, in oktober 2022, geïdentificeerd.\n\nIn de maanden na het verbranden van haar lichaam doet de verdachte alsof [slachtoffer] vrijwillig is vertrokken en geeft haar als vermist op bij de politie. Hij schetst tegenover de politie een beeld van een vrouw die haar kinderen mishandelde, haar gezin zou hebben verlaten voor een andere man en daarbij een groot geldbedrag en goud zou hebben meegenomen. De verdachte doet daarvan zelfs valse aangifte bij de politie en levert de politie meerdere geluidsbestanden aan om zijn leugens kracht bij te zetten. Tegenover de familie van [slachtoffer] doet de verdachte, door het sturen van spraakberichten van [slachtoffer] , het voorkomen dat [slachtoffer] zelf is weggegaan en nog in leven is. Aan de kinderen vertelde de verdachte dat mama zou zijn vertrokken naar Tunesië. Het hof acht dit handelen van de verdachte bijzonder kwalijk: niet alleen ontnam hij [slachtoffer] het leven, maar daarna bezoedelde hij ook nog haar reputatie om zelf vrijuit te kunnen gaan.\n\nDe verdachte heeft het leven van een jonge vrouw beëindigd en daarmee onherstelbaar leed en onomkeerbaar verlies toegebracht aan de twee zoontjes en familie van het slachtoffer. Dit blijkt ook uit de door de broer en zus van het slachtoffer ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen. De verdachte heeft de nabestaanden van [slachtoffer] bovendien – door de wijze waarop hij met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is omgegaan – de mogelijkheid ontnomen om op een waardige wijze afscheid van [slachtoffer] te nemen.\n\nDe verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] ontkend, waardoor tot op heden onduidelijk is gebleven wat zich tussen de verdachte en [slachtoffer] heeft afgespeeld en wat heeft geleid tot haar dood. Dit heeft de verwerking van het verlies van [slachtoffer] en van de feiten die jegens haar zijn gepleegd voor de nabestaanden extra bemoeilijkt, temeer nu [slachtoffer] in de periode voor haar overlijden regelmatig aan haar familie liet weten bang te zijn voor de verdachte en te vrezen voor haar leven. De nabestaanden zullen in onzekerheid achterblijven met vragen over wat [slachtoffer] precies is overkomen en wat zij in de laatste momenten van haar leven heeft doorgemaakt. De verdachte heeft hiermee onnodig extra leed bij de nabestaanden veroorzaakt. De verdachte heeft geen enkel berouw getoond. Het hof realiseert zich dat geen straf ooit recht zal kunnen doen aan het persoonlijk leed van de nabestaanden.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste delicten die het Nederlandse Wetboek van Strafrecht kent. Het opzettelijk en met voorbedachte raad benemen van iemands leven is immers de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven. Dit blijkt ook uit de strafbedreiging die op het delict moord is gesteld, te weten een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren. Reeds hierom kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van zeer lange duur met zich brengt. Nu het hof anders dan de advocaat-generaal van oordeel is dat moord in plaats van doodslag bewezen dient te worden verklaard, doet de door advocaat-generaal gevorderde straf naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde zoals hiervoor uiteengezet.\n\nAlles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof evenwel het navolgende.\n\nHet hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Het hof gaat in dit geval uit van een termijn van 16 maanden per instantie, nu de verdachte het gehele proces in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nHet hof stelt in de onderhavige zaak vast dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden (in eerste aanleg met bijna 10 maanden en in hoger beroep met ongeveer 2,5 maand), terwijl geen bijzondere omstandigheden aanwezig worden geacht die deze overschrijdingen rechtvaardigen. Er is dan ook in twee instanties sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het hof is van oordeel dat dit dient te worden verdisconteerd in de strafoplegging.\n\nZonder schending van de redelijke termijn zou, zoals hiervoor door het hof is overwogen, een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren, met aftrek van voorarrest, passend zijn geweest. Nu evenwel de redelijke termijn in twee instanties is geschonden, zal worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nMet betrekking tot de op de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen 6 tot en met 20, in het dictum nader omschreven, is het hof van oordeel dat deze dienen te worden teruggegeven aan de verdachte, nu is gebleken dat die voorwerpen aan de verdachte toebehoren en het belang van strafvordering zich tegen teruggave hiervan niet verzet.\n\nHet hof is voorts van oordeel dat van de op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen voorwerpen 22 tot en met 35, in het dictum nader omschreven, niet genoegzaam is komen vast te staan wie in juridische zin als rechthebbende(n) kan\u002Fkunnen worden aangemerkt. Het hof zal derhalve ten aanzien van deze voorwerpen de bewaring daarvan ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 1] (zoon van [slachtoffer] ) heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 206.155,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende posten:\n\n€ 50.000,00 aan materiële schade (shockschade);\n\n€ 76.538,00 (primair) aan gederfd levensonderhoud in natura, € 40.580,00 (subsidiair);\n\n€ 2.117,50 (primair) aan kosten Laumen expertise, € 1.058,75 (subsidiair);\n\n€ 25.000,00 aan immateriële schade (shockschade);\n\n€ 32.500,00 aan immateriële schade (aantasting in persoon);\n\n€ 20.000,00 aan affectieschade\n\nBij vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 52.500,00 (posten v. en vi.) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Namens de benadeelde partij is verzocht op dit moment een bedrag van € 131.155,50 (posten ii., iii. (primair), v. en vi.) toe te wijzen en het overige deel van de vordering vooralsnog niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien dat deel van de vordering op dit moment niet is onderbouwd.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft het hof, indien het hof anders dan de rechtbank beslist en een groter gedeelte van de vordering zal toewijzen, verzocht hem in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) op de vordering te reageren.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nPosten i. en iv.\n\nIn overeenstemming met hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd, zal het hof de vordering voor zover deze ziet op de posten i. en iv. niet-ontvankelijk verklaren.\n\nPost ii en iii.\n\nTen aanzien van post ii. kan het hof op grond van de namens de benadeelde partij overgelegde stukken niet vaststellen of er door de benadeelde partij gederfd levensonderhoud in natura, zoals bedoeld in artikel 6:108, eerste lid, onder d, BW, is of zal worden geleden. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren en zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nHet hof stelt vast dat voor de berekening van het gederfde levensonderhoud (post ii.) een rekenkundig bureau is ingeschakeld (post iii.). Hoewel het hof van oordeel is dat onderzoek naar post ii. een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, betekent daarmee niet dat de kosten onder post iii. ten onrechte zijn gemaakt in het kader van de vaststelling van de geleden schade. Het hof zal die post derhalve voor het subsidiaire bedrag, te weten\n\n€ 1.058,75, toewijzen, zodat aan ieder van de kinderen de helft van het bedrag van de totale factuur van € 2.117,50 wordt toegekend. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024.\n\nHet verzoek van de raadsman om hem in de gelegenheid te stellen op deze toewijzing schriftelijk te reageren, wijst het hof af. De raadsman heeft terzake van deze vordering ter zitting in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt hierover te bepalen.\n\nPost v.\n\nIngevolge het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.\n\nHet hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nHet hof overweegt dat de benadeelde partij door toedoen van de verdachte, zijn vader, op een gruwelijke wijze zijn moeder heeft verloren. Het handelen van de verdachte heeft onomkeerbare gevolgen voor de benadeelde partij. Hiermee is de benadeelde partij niet alleen zijn moeder kwijtgeraakt, maar is ook zijn relatie met zijn vader ingrijpend veranderd. De benadeelde partij is samen met zijn broertje sinds de aanhouding van de verdachte meermalen verhuisd en van school gewisseld. Tevens zijn de benadeelde partij en zijn broertje door de verdachte in onwetendheid gelaten over het lot van hun moeder en hebben zij geen afscheid van haar kunnen nemen. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. Het hof acht het billijk deze immateriële schade te begroten op het gevorderde bedrag van € 32.500,00.\n\nPost vi.\n\nArtikel 6:108 BW geeft een regeling voor schadevergoeding die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.\n\nOp 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.\n\nDe kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg\u002Fstief)ouders en -kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Voor de toekenning van affectieschade gelden de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof stelt vast dat de benadeelde partij, een kind van het overleden slachtoffer, tot de kring van gerechtigden behoort. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof derhalve worden toegewezen.\n\nDe totaal toe te wijzen immateriële schade (posten v. en vi.), te weten € 52.500,00, zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nProceskosten\n\nDe verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 217.451,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende posten:\n\n€ 50.000,00 aan materiële schade (shockschade);\n\n€ 87.834,00 (primair) aan gederfd levensonderhoud in natura, € 46.569,00 (subsidiair);\n\n€ 2.117,50 (primair) aan kosten Laumen expertise, € 1.058,75 (subsidiair);\n\n€ 25.000,00 aan immateriële schade (shockschade);\n\n€ 32.500,00 aan immateriële schade (aantasting in persoon);\n\n€ 20.000,00 aan affectieschade\n\nBij vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 52.500,00 aan immateriële schade (posten v. en vi.), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Namens de benadeelde partij is verzocht op dit moment een bedrag van € 142.451,50 (posten ii., iii. (primair), v. en vi.) toe te wijzen en het overige deel van de vordering vooralsnog niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien dat deel van de vordering op dit moment niet is onderbouwd.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft het hof, indien het hof anders dan de rechtbank beslist en een groter gedeelte van de vordering zal toewijzen, verzocht hem in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) op de vordering te reageren.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nPosten i. en iv.\n\nIn overeenstemming met hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd, zal het hof de vordering voor zover deze ziet op de posten i. en iv. niet-ontvankelijk verklaren.\n\nPost ii en iii.\n\nTen aanzien van post ii. kan het hof op grond van de namens de benadeelde partij overgelegde stukken niet vaststellen of er door de benadeelde partij gederfd levensonderhoud in natura, zoals bedoeld in artikel 6:108, eerste lid, onder d, BW, is of zal worden geleden. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren en zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nHet hof stelt vast dat voor de berekening van het gederfde levensonderhoud (post ii.) een rekenkundig bureau is ingeschakeld (post iii.). Hoewel het hof van oordeel is dat onderzoek naar post ii. een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, betekent daarmee niet dat de kosten onder post iii. ten onrechte zijn gemaakt in het kader van de vaststelling van de geleden schade. Het hof zal die post derhalve voor het subsidiaire bedrag, te weten € 1.058,75, toewijzen, zodat aan ieder van de kinderen de helft van het bedrag van de totale factuur van € 2.117,50 wordt toegekend. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024.\n\nHet verzoek van de raadsman om hem in de gelegenheid te stellen op deze toewijzing schriftelijk te reageren, wijst het hof af. De raadsman heeft terzake van deze vordering ter zitting in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt hierover te bepalen.\n\nPost v.\n\nIngevolge het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en onder b BW heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.\n\nHet hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nHet hof overweegt dat de benadeelde partij door toedoen van de verdachte, zijn vader, op gruwelijke wijze zijn moeder heeft verloren. Het handelen van de verdachte heeft onomkeerbare gevolgen voor de benadeelde partij. Hiermee is de benadeelde partij niet alleen zijn moeder kwijtgeraakt, maar is ook zijn relatie met zijn vader ingrijpend veranderd. De benadeelde partij is samen met zijn broertje sinds de aanhouding van de verdachte meermalen verhuisd en van school gewisseld. Tevens zijn de benadeelde partij en zijn broertje door de verdachte in onwetendheid gelaten over het lot van hun moeder en hebben zij geen afscheid van haar kunnen nemen. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Het hof acht het billijk deze immateriële schade te begroten op het gevorderde bedrag van € 32.500,00.\n\nPost vi.\n\nArtikel 6:108 BW geeft een regeling voor schadevergoeding die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.\n\nOp 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.\n\nDe kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg\u002Fstief)ouders en -kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Voor de toekenning van affectieschade gelden de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof stelt vast dat de benadeelde partij, een kind van het overleden slachtoffer, tot de kring van gerechtigden behoort. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof derhalve worden toegewezen.\n\nDe totaal toe te wijzen immateriële schade (posten v. en vi.),te weten € 52.500,00, zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nProceskosten\n\nDe verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.\n\nVordering van de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3]\n\nDe benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3] hebben in eerste aanleg ieder een aparte vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nDe vorderingen zijn bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nArtikel 6:108 BW geeft een regeling voor schade die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.\n\nOp 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.\n\nDe kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg\u002Fstief)ouders en -kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Voor de toekenning van affectieschade gelden de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nMet de rechtbank stelt het hof vast dat de benadeelde partijen, de vader ( [benadeelde 4] ) en moeder ( [benadeelde 3] ) van het overleden slachtoffer, tot de kring van gerechtigden behoren. Het door hen gevorderde bedrag van € 17.500,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Het hof zal dit bedrag derhalve aan ieder van de benadeelde partijen toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nProceskosten\n\nDe verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.\n\nAlgemene overwegingen schadevergoedingsmaatregel en gijzeling\n\nHet hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] , nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat gijzeling zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft. Het hof heeft acht geslagen op de artikelen 36f, vijfde lid, en 60a van het Wetboek van Strafrecht. Daaruit volgt dat de totale duur van de gijzeling maximaal een jaar betreft. Het hof zal dit maximale aantal dagen gijzeling, te weten 365 dagen, op de navolgende wijze evenredig verdelen over de maatregelen van de toegewezen vorderingen, nu het totale aantal dagen gijzeling zonder toepassing van dit maximum boven 365 dagen zou uitstijgen:\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] : 137 dagen gijzeling\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] : 137 dagen gijzeling\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] : 46 dagen gijzeling\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] : 45 dagen gijzeling\n\nDe schadevergoedingsmaatregel en het aantal dagen gijzeling zullen nader worden genoemd in het dictum.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 60a, 151 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van21 (eenentwintig) jaren en 6 (zes) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\ngelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n6. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549166, rood, merk: hoody met opschrift);\n\n7. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549167, blauw);\n\n8. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549169, zwart);\n\n9. 2 STK Schoenen (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549170, wit, merk: onbekend sport);\n\n10. 2 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549172, bruin);\n\n11. 1 STK GSM (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549183, blauw, merk: Samsung);\n\n12. 1 STK Sleutelbos (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549194);\n\n13. 1 STK Schoenen (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562584, wit);\n\n14. 1 STK Schoenen (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562587, wit);\n\n15. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562599);\n\n16. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562600, zwart);\n\n17. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562601, rood);\n\n18. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562603, blauw);\n\n19. 1 STK Kleiding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562604, blauw, merk: Springfield);\n\n20. 2 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562608, zwart);\n\ngelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n22. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758357, goud);\n\n23. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758360, goud);\n\n24. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758361, goud);\n\n25. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758358, goud);\n\n26. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758347, goud);\n\n27. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758346, goud);\n\n28. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758340, goud);\n\n29. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758342, goud);\n\n30. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758349, goud);\n\n31. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758351, goud);\n\n32. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758354, goud);\n\n33. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758362, goud);\n\n34. ,1 EUR (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_741378, ibn 19-10-22);\n\n35. 7,75 EUR (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_741443, ibn 19-10-22);\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nverklaart de vordering tot schadevergoeding voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt, voor zover de vordering ziet op het gederfde levensonderhoud in natura, dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 137 (honderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n20 augustus 2024 en van de immateriële schade op 15 juni 2022;\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nverklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt, voor zover de vordering ziet op het gederfde levensonderhoud in natura, dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 137 (honderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n20 augustus 2024 en van de immateriële schade op 15 juni 2022;\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 46 (zesenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 juni 2022;\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 45 (vijfenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 juni 2022.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. C.M. Hilverda, voorzitter,\n\nmr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,\n\nen op 1 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1694","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:35.646Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":43,"courtId":98,"decisionDate":99,"fullText":100,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":99,"parsedAt":51,"updatedAt":102},"1718","ECLI:NL:RBMNE:2026:3784","ecli-nl-rbmne-2026-3784",63,"2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F230376-25\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 30 juni 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [1982] in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:\n\n [adres] in [woonplaats] , hierna: de verdachte.\n\n1. De zitting\n\nDe strafzaak tegen de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 2 juni 2026. Het onderzoek is gesloten op 30 juni 2026.\n\nOp de inhoudelijke zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie, mr. M.A.P.J.J. Lousberg;\n\nde advocaat van de verdachte, mr. M.H.H. Meulemeesters;\n\nde benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partijen (nabestaanden), mr. C.H. Dijkstra.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij op 19 juli 2025 in Utrecht opzettelijk [slachtoffer] heeft gedood, door hem met een mes in zijn nek en zijn bovenarm te steken.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.\n\n3. Het bewijs\n\n3.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde doodslag heeft gepleegd.\n\n3.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe advocaat heeft bepleit de verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde doodslag, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk heeft gedood. Weliswaar heeft de verdachte met een mes in de richting van de nek van het slachtoffer gestoken, waardoor een aanmerkelijke kans ontstond dat het slachtoffer zou worden gedood, maar de verdachte heeft deze kans niet willens en wetens aanvaard, zoals is vereist voor voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft onwillekeurig en in een reflex steekbewegingen gemaakt. Het handelen van de verdachte kan dus niet worden gezien als gericht op het doden van het slachtoffer, aldus de advocaat.\n\n3.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nDe bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank oordeelt dat het ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. \n\nBewijsoverweging\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte tijdens een ruzie [slachtoffer] meermalen met kracht met een groot keukenmes diep in de nek heeft gestoken. Dit is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van potentieel dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] hierdoor zou komen te overlijden bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. De verdachte heeft hierdoor voorwaardelijk opzet gehad op de dood van het slachtoffer.\n\n3.4.. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nop 19 juli 2025 te Utrecht, [slachtoffer] (geboren op [1985] ), opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen met kracht met een mes in de nek van die [slachtoffer] te steken.\n\n4. De strafbaarheid van het feit\n\n4.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe advocaat heeft bepleit dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is, omdat dit wordt gerechtvaardigd door noodweer. Ter onderbouwing daarvan heeft hij aangevoerd dat de door de verdachte in zijn politieverhoren en ter zitting geschetste noodweersituatie op grond van het dossier aannemelijk is en niet kan worden weerlegd.\n\nDe door de verdachte geschetste noodweersituatie\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij die avond in de keuken van zijn woning eten wilde gaan maken, en daarvoor een geschikt mes wilde uitkiezen. Op het moment dat hij twee grote keukenmessen in zijn rechterhand had, hoorde hij hard gebonk op de voordeur die zich een verdieping lager bevindt. De verdachte liep vervolgens de trap af naar de voordeur, in de veronderstelling dat het een pakketbezorger was die op de voordeur bonkte. Bij dit afdalen naar de voordeur hield de verdachte de twee keukenmessen, min of meer onbewust, in zijn rechterhand. Toen de verdachte de voordeur opendeed, bleek echter geen pakketbezorger voor de deur te staan, maar [slachtoffer] , het latere slachtoffer. [slachtoffer] stormde direct de hal in, viel de verdachte aan en sloeg op hem in, waardoor de verdachte een reflexbeweging maakte met zijn rechterhand, waarin hij de twee keukenmessen vasthad. Hierdoor werd [slachtoffer] , naar later bleek, dodelijk in de nek getroffen.\n\nDe ondersteuning voor de gestelde noodweersituatie in het dossier\n\nVolgens de advocaat is het op grond van de inhoud van het dossier aannemelijk dat de door de verdachte geschetste noodweersituatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, vanwege het volgende.\n\nTen eerste is de hierboven geschetste gang van zaken in overeenstemming met hetgeen de verdachte vanaf zijn eerste verklaring ter plaatse tegen de politie tot en met de inhoudelijke behandeling op zitting consistent heeft verklaard. Ook in de afgeluisterde gesprekken blijft de verdachte consequent bij zijn verklaring over de noodweersituatie.\n\nTen tweede is het aannemelijk dat de verdachte de keukenmessen inderdaad in zijn hand had, omdat hij wilde gaan koken. In zijn koelkast en vriezer werden voor het koken geschikte groenten en vlees aangetroffen en op het gasfornuis stond een steelpan. De toenmalige vriendin van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte die avond, voordat hij naar haar toe zou komen, in zijn eigen huis voor hen samen wilde gaan koken.\n\nTen derde is het aannemelijk dat de verdachte, toen hij de voordeur opende, in de veronderstelling verkeerde dat niet [slachtoffer] , maar een pakketbezorger voor de deur stond. De [straat] is een drukke straat en de verdachte was in de keuken op éénhoog, aan de achterkant van het gebouw, kookvoorbereidingen aan het treffen. Het kan dus heel goed dat de verdachte alleen het bonken, en niet het geschreeuw van [slachtoffer] heeft gehoord. Verder heeft de broer van de verdachte, die in dezelfde woning woont, verklaard dat er bij hen vaak pakketjes worden bezorgd, ook voor buren, en dat het goed zou kunnen dat hij die dag tegen de verdachte heeft gezegd dat hij een pakketje verwachtte.\n\nTen vierde is het aannemelijk dat de verdachte de keukenmessen min of meer onbewust mee heeft genomen naar de voordeur, in ieder geval zonder de intentie om deze te gebruiken. Dit is in overeenstemming met het door de broer geschetste timide karakter van de verdachte. Verder is het niet heel vreemd om met twee messen in de hand een pakketje te willen aannemen. De messen kunnen na het openen van de voordeur immers uit het zicht blijven of even worden weggelegd. Verder geldt dat als de verdachte de messen al bewust zou hebben meegenomen in de wetenschap dat [slachtoffer] voor de deur stond, hij de messen ook kan hebben meegenomen om [slachtoffer] op afstand te houden.\n\nTen slotte staat op grond van de vele getuigenverklaringen vast, dat [slachtoffer] , nadat de voordeur door de verdachte werd geopend, als eerste in de aanval is gegaan, de verdachte naar achteren heeft geduwd en hard op hem in heeft geslagen. De verdachte heeft hierbij zelf ook lichamelijk letsel, waaronder een breuk in zijn sleutelbeen, opgelopen.\n\nVoldaan aan eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, geen culpa in causa\n\nVolgens de advocaat voldoet de door de verdachte in deze noodweersituatie verrichte verdedigingshandeling aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Tegen de aanval door het slachtoffer was immers verdediging noodzakelijk (subsidiariteit) en de verdachte heeft met zijn verdedigingshandeling de grenzen van deze noodzakelijke verdediging niet overschreden (proportionaliteit).\n\nDe verdediging was noodzakelijk, doordat de verdachte onverhoeds, in een kleine ruimte en vanaf korte afstand werd aangevallen door [slachtoffer] , die veel groter en zwaarder was dan hij. Er was in de nauwe hal geen mogelijkheid om zich aan deze aanval te onttrekken en geen andere mogelijkheid om deze aanval te pareren dan door zich te verdedigen zoals hij heeft gedaan. De grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn hierbij niet overschreden. Gelet op het fysieke krachtsverschil en het door het slachtoffer in zeer korte tijd toegepaste geweld en het toegebrachte letsel, was het verdedigingsmiddel, het steken met een mes, niet onevenredig. Hierbij speelt mee dat de verdachte zich in een zeer bedreigende situatie bevond en in een fractie van een seconde moest beslissen hoe te reageren en hoe de aanval te stoppen.\n\nTen slotte is van culpa in causa geen sprake. De verdachte heeft de fysieke aanval door [slachtoffer] immers niet uitgelokt of geïnitieerd, aldus de advocaat.\n\nConclusie\n\nDe advocaat concludeert dat de bewezenverklaarde geweldshandelingen zijn begaan uit zelfverdediging en niet strafbaar zijn, omdat deze worden gerechtvaardigd door noodweer. De verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n4.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde strafbaar is, omdat geen sprake is van een rechtvaardigingsgrond in de vorm van noodweer. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.\n\n4.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1.. \n\nHet beoordelingskader\n\nAls door de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechter onder meer de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken. Bij dit onderzoek kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag echter niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd.\n\nVoor de aanvaarding van het noodweerverweer is vereist dat de rechtbank de feitelijke grondslag daarvan voldoende aannemelijk acht. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat noodweerberoep steunt geldt niet als maatstaf dat het buiten redelijke twijfel moet zijn dat deze noodweersituatie heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.\n\n4.3.2.. \n\nDe aannemelijkheid van het noodweerscenario\n\nDe rechtbank vindt het niet aannemelijk dat:\n\nde verdachte op het moment dat [slachtoffer] op de deur bonkte messen aan het uitzoeken was waarmee hij wilde gaan koken;\n\nde verdachte op het moment dat hij de voordeur opende niet wist dat [slachtoffer] voor de deur stond;\n\nde verdachte de door hem uitgezochte messen min of meer onbewust en ongewild mee naar de voordeur heeft genomen.\n\nDe rechtbank licht dit als volgt toe.\n\nAd a)\n\nDe rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte, op het moment dat [slachtoffer] op de deur bonkte, messen aan het uitzoeken was waarmee hij wilde gaan koken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\nTen eerste heeft de verdachte wisselend verklaard over welk eten hij wilde klaarmaken, en zijn verklaring daarover aangepast aan de onderzoeksbevindingen.\n\nTen tweede heeft de politie vrijwel direct na de confrontatie tussen de verdachte en het slachtoffer de keuken in de woning van de verdachte doorzocht. Hierbij heeft de politie geen concrete aanwijzingen gevonden dat de verdachte kookvoorbereidingen aan het treffen was.\n\nTen slotte is uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte gebleken dat de verdachte kort voor de confrontatie met het slachtoffer intensief chatverkeer met zijn toenmalige vriendin had. Uit deze chatberichten blijkt dat de verdachte in zijn woning aan het wachten was op een zekere “ [naam] ”, een drugsdealer, en dat de verdachte naar de woning van zijn vriendin zou gaan zodra deze “ [naam] ” was langsgekomen. Uit de chatberichten blijkt niet dat de verdachte van plan was om, voordat hij naar de woning van zijn vriendin zou gaan, voor hen beiden in zijn woning te gaan koken.\n\nDe advocaat heeft verwezen naar het verhoor bij de politie van de toenmalige vriendin van de verdachte op 29 november 2025, waarin zij verklaart dat de verdachte die avond in zijn woning “eten zou maken voor ons twee”. De rechtbank hecht echter geen waarde aan dit onderdeel van haar verklaring, vanwege het volgende. In een eerder verhoor bij de politie, op 22 juli 2025, heeft zij alleen verklaard dat de verdachte die avond, voordat hij naar haar toe zou komen, in zijn woning “aan het wachten was”, en niet dat hij voor hen beiden eten zou gaan koken. Verder reageert zij in een afgeluisterd telefoongesprek tussen haar en de verdachte op 6 augustus 2025, als de verdachte haar vertelt dat hij die avond wilde gaan koken, met “Dat dacht ik al”. De rechtbank leidt hieruit af dat zij daarvóór nog niet wist dat de verdachte die avond wilde gaan koken.\n\nAd b)\n\nDe rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte, op het moment dat hij zijn voordeur opende, niet wist dat [slachtoffer] voor de deur stond, op grond van het volgende.\n\nIn het dossier bevinden zich camerabeelden, inclusief geluidsopnamen, van de kapperszaak die zich direct naast de woning van de verdachte bevindt. Op deze beelden is duidelijk te zien en op het geluid daarbij is te horen dat [slachtoffer] enige tijd voor de voordeur van de woning van de verdachte heeft gestaan en dat hij hierbij hard om de verdachte schreeuwt en hard op de voordeur bonkt. Dit geschreeuw en gebonk gaat door tot het moment dat de verdachte de voordeur opent. Dit betekent dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het schreeuwen en bonken op zijn weg naar de voordeur en dus ook op het moment vóórdat hij de voordeur opent luid en duidelijk heeft gehoord. Ook kan het niet anders zijn dan dat de verdachte op dat moment wist dat het [slachtoffer] was die daar stond te schreeuwen en op zijn deur stond te bonken. De verdachte kende het slachtoffer immers al jaren en had kort voor dit moment op dezelfde dag nog een telefoongesprek met hem gevoerd waarin zij ruzie hebben gemaakt. Bovendien gebruikte [slachtoffer] voor de voordeur scheldwoorden die overeenkomen met de scheldwoorden die hij eerder die dag in het telefoongesprek en kort daarvoor in chatberichten gericht aan de verdachte had gebruikt.\n\nTen overvloede merkt de rechtbank nog op dat de broer van de verdachte heeft verklaard dat hun gezamenlijke woning zeer gehorig is, zodat je in de woning de straatgeluiden duidelijk kunt horen. Dit blijkt ook uit de verklaring van de directe buurman van de verdachte dat hij vanuit zijn woning op éénhoog, voordat de voordeur door de verdachte werd opengedaan, hard geschreeuw bij de voordeur heeft gehoord.\n\nDe rechtbank gaat er, gelet op het bovenstaande, dus van uit dat de verdachte, voordat hij de voordeur opende, wist dat niet een pakketbezorger, maar [slachtoffer] voor de deur stond.\n\nAd c)\n\nDe rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte de door hem uitgezochte messen min of meer onbewust en ongewild mee naar de voordeur heeft genomen, op grond van het volgende.\n\nTen eerste acht de rechtbank het a priori onwaarschijnlijk dat iemand een groot keukenmes, laat staan twee van zulke messen, langere tijd in één hand vasthoudt zonder zich hiervan bewust te zijn. Dit geldt te meer als er met deze twee messen een relatief lange looproute wordt afgelegd, die bovendien de nodige aandacht vergt, omdat deze langs een smalle trap naar beneden loopt.\n\nTen tweede blijkt uit de foto’s in het dossier en de verklaring van de verdachte dat hij de betreffende twee messen bewust heeft uitgekozen uit meerdere andere aanwezige keukenmessen. Dit is een contra-indicatie voor het “min of meer onbewust” meenemen van deze messen naar de voordeur.\n\nTen derde heeft de politie in de woning van de verdachte op de vloer van de gang, bovenaan de trap, een ijsje aangetroffen dat door de verdachte, blijkens zijn eigen verklaring, kort daarvoor uit de vriezer was gehaald. Dit past bij het scenario dat de verdachte dit ijsje in zijn handen had toen hij gebonk hoorde op de voordeur, waarna hij het ijsje op de vloer heeft neergelegd of laten vallen en in de keuken messen is gaan uitzoeken.\n\nTen slotte acht de rechtbank, zoals onder ad a) en ad b) is uiteengezet, het niet aannemelijk dat de verdachte de messen had uitgezocht om mee te gaan koken, en ook niet dat hij niet wist dat [slachtoffer] voor de deur stond. De rechtbank acht het daarentegen aannemelijk dat de verdachte deze messen heeft uitgezocht met het oog op een aanstaande confrontatie met het [slachtoffer] , en dat hij deze messen daartoe bewust heeft meegenomen naar de voordeur.\n\nUit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt wél dat de verdachte en [slachtoffer] een (langlopend) zakelijk conflict hadden. Op 19 juli 2025 escaleerde het conflict. Beiden waren kwaad en over en weer zijn er beledigingen en bedreigingen geuit. Ongeveer twee uur na de laatste bedreigingen is [slachtoffer] naar de woning van de verdachte gegaan. Daar heeft hij al schreeuwend hard op de deur gebonkt en tegen de deur getrapt. Toen de verdachte zijn voordeur opende, is hij vrijwel direct door [slachtoffer] aangevallen. Dit onderdeel van de verklaring van de verdachte wordt bevestigd door vrijwel alle getuigen van de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] .\n\nGelet op het bovenstaande, zal de rechtbank bij het verdere oordeel over het noodweerverweer uitgaan van de situatie dat\n\ner sprake was van een langlopend conflict waarbij er op 19 juli 2025 door de verdachte en door [slachtoffer] over en weer bedreigingen en beledigingen zijn geuit;\n\n [slachtoffer] naar het huis van de verdachte is gegaan en daar hard op de deur heeft gebonkt en hard heeft geschreeuwd;\n\nde verdachte op het moment van bonken en schreeuwen wist dat [slachtoffer] woedend voor de deur stond;\n\nde verdachte met het oog op de te verwachten confrontatie met [slachtoffer] twee grote keukenmessen heeft uitgezocht en meegenomen naar de voordeur;\n\nde verdachte na het openen van de voordeur vrijwel direct door [slachtoffer] werd geduwd en geslagen;\n\nde verdachte vervolgens in de nek en bovenarm van [slachtoffer] heeft gestoken.\n\n4.3.3.. \n\nEen dreigende ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding\n\nTegen de achtergrond van het langlopende conflict en de bedreigingen en beledigingen die eerder op de dag (over en weer) zijn geuit, is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte op het moment dat [slachtoffer] hard op de voordeur van de verdachte bonkte en tegelijkertijd hard schreeuwde.\n\n4.3.4.. \n\nDe noodzakelijkheid van de verdediging (subsidiariteit)\n\nDe rechtbank dient te beoordelen of de door de verdachte in de praktijk gebrachte verdediging tegen deze dreigende aanval noodzakelijk was (de subsidiariteitseis). Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Hierbij geldt als maatstaf dat de verdediging niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk, maar óók dat de verdediging niet als noodzakelijk kan worden gezien, wanneer de verdachte bijvoorbeeld zich aan de (dreigende) aanval had kunnen en moeten onttrekken (het onttrekkingsvereiste). Van dit laatste is sprake wanneer er voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid was om zich aan de (dreigende) aanval te onttrekken, én deze onttrekking ook van de verdachte kon worden gevergd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er geen noodzaak tot verdediging was. Ten tijde van het bonken op de voordeur op de begane grond bevond de verdachte zich veilig in zijn woning op de eerste verdieping, met een werkende telefoon tot zijn beschikking. De verdachte had er, toen hij [slachtoffer] al schreeuwend op zijn voordeur hoorde bonken, voor kunnen kiezen om de voordeur niet open te doen, in zijn woning te blijven en eventueel de politie te bellen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de keuze voor dit reële en redelijke alternatief ook van de verdachte kon worden gevergd, en overweegt daartoe als volgt. De verdachte was die dag in een hoog oplopend conflict met het slachtoffer verwikkeld, waarbij over en weer forse beledigingen en bedreigingen werden geuit. De verdachte heeft, toen hij het slachtoffer ongeveer twee uur na de laatste bedreigingen op zijn voordeur hoorde bonken en schreeuwen, twee grote keukenmessen uitgezocht en deze meegenomen naar de voordeur. De verdachte ging er blijkbaar van uit dat, als hij de voordeur zou openen, een confrontatie met het slachtoffer zou volgen waarvoor hij deze keukenmessen nodig had. De verdachte anticipeerde hiermee, voordat hij de voordeur opendeed, op een dreigende fysieke aanval door het slachtoffer.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank had de verdachte niet met twee grote keukenmessen in de hand de confrontatie met het slachtoffer aan moeten gaan, maar deze confrontatie uit de weg moeten gaan en een van de hierboven geschetste alternatieven moeten beproeven. Deze confrontatie kon immers, volgens zijn eigen inschatting, levensbedreigende gevolgen hebben voor hemzelf en\u002Fof het slachtoffer.\n\nDe verdachte is echter de confrontatie met het slachtoffer aangegaan, met de twee grote keukenmessen in de hand. Na de aanval door het ongewapende slachtoffer heeft de verdachte hem met de meegebrachte messen gedood. Dit kan niet worden gerechtvaardigd of verontschuldigd door de aanval van het slachtoffer, omdat de verdachte de voor hem risicoloze alternatieven had moeten kiezen en dus de voordeur niet open had moeten doen en eventueel de politie had moeten bellen.\n\n4.3.5.. \n\nConclusie en kwalificatie\n\nDe rechtbank concludeert dat er voor de verdachte geen noodzaak was tot verdediging\n\nen daarom strandt het beroep op noodweer.\n\nOmdat ook verder geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, is dit strafbaar en levert het volgens de wet het volgende strafbare feit op:\n\ndoodslag.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\n5.1.. Het standpunt van de advocaat\n\nDe advocaat heeft bepleit de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat het bewezenverklaarde wordt verontschuldigd door noodweerexces.\n\n5.2.. Het standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte strafbaar is, omdat geen sprake is van een schulduitsluitingsgrond in de vorm van noodweerexces.\n\n5.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft onder 4.3. geconcludeerd, dat aan de verdachte geen beroep op noodweer toekomt, omdat er geen noodzaak tot verdediging was. Dit betekent dat ook een beroep op noodweerexces niet kan slagen.\n\nEr is verder geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.\n\n6. De straf\n\n6.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:\n\neen gevangenisstraf van 13 jaar, met aftrek van het voorarrest;\n\nde gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van strafrecht (Sr);\n\neen contactverbod met de nabestaanden en een locatieverbod voor de gemeente De Meern (op grond van artikel 38z Sr).\n\nDe officier van justitie heeft hierbij verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.\n\n6.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd, omdat geen enkele straf aanvaardbaar is voor de verdachte.\n\nTen aanzien van de voorlopige hechtenis heeft de advocaat primair bepleit deze op te heffen, vanwege de bepleite vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging.\n\nSubsidiair heeft de advocaat verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen, onder verwijzing naar de motivering door de rechtbank van de schorsingsbeslissing van 15 januari 2026 en de verslechterde gezondheidstoestand van de verdachte, zoals deze onder 6.3.5. zal worden besproken.\n\n6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n6.3.1.. \n\nInleidende opmerkingen\n\nBij de oplegging van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.\n\n6.3.2.. \n\nDe ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag van [slachtoffer] , een man van 39 jaar oud, in de kracht van zijn leven. De verdachte heeft door zijn handelen [slachtoffer] het meest fundamentele recht dat een mens heeft, het recht op leven, ontnomen. Hij heeft ook de nabestaanden van [slachtoffer] hierdoor onherstelbaar leed berokkend en hun leven blijvend en ingrijpend veranderd. Zij zullen moeten leven zonder hun geliefde vader, partner, kind, broer, zwager en vriend.\n\n [benadeelde 1] , de partner van het slachtoffer, heeft ter zitting indringend verklaard hoe groot de verslagenheid en het verdriet was én is vanwege de gewelddadige dood en het plotselinge verlies van [slachtoffer] en het gemis dat deze onomkeerbare daad bij haar en haar gezin heeft veroorzaakt. Er is onzekerheid over alles, over de basisveiligheid. Hun gezin is voor altijd en blijvend ontwricht. Voor [benadeelde 4] en [benadeelde 5] was [slachtoffer] een held, een voorbeeld, een rots in de branding. Zij zullen verder moeten zonder hun liefdevolle vader.\n\nDat [slachtoffer] geliefd was en dagelijks gemist wordt, blijkt ook uit de aanwezigheid van veel nabestaanden bij de zittingen.\n\nDe rechtbank weegt verder mee dat het door de verdachte gepleegde feit niet alleen voor de nabestaanden een traumatische ervaring is, maar mogelijk ook voor degenen die daarvan getuige zijn geweest. De doodslag vond plaats in een drukke straat met winkels en horeca, waardoor veel omstanders hiervan getuige zijn geweest. De verdachte heeft daardoor, in forse mate bijgedragen aan angstgevoelens in de samenleving.\n\nDe reden voor de doodslag was een escalatie van een zakelijk conflict. Het slachtoffer heeft de verdachte, na telefonische bedreigingen over en weer, bij zijn woning opgezocht en heeft al schreeuwend op de voordeur van de verdachte staan bonken. De verdachte heeft vervolgens twee grote keukenmessen gepakt en is hiermee bewapend de confrontatie met het slachtoffer aangegaan. Tijdens het daaropvolgende gevecht heeft de verdachte het ongewapende slachtoffer meermalen gestoken, onder meer in zijn nek en bovenarm. De verdachte heeft hiermee het conflict geëscaleerd naar doodslag en alleen hij is daardoor verantwoordelijk voor de dood van het slachtoffer. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij in plaats van deze verantwoordelijkheid op zich te nemen, de verantwoordelijkheid voor de doodslag bij het slachtoffer legt.\n\nDe rechtbank rekent dit alles de verdachte zeer ernstig aan.\n\n6.3.3.. \n\nDe persoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.\n\nDe reclassering heeft op 19 mei 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Uit het rapport blijkt dat de verdachte tot aan het moment dat hij in het kader van de onderhavige zaak in detentie kwam geen maatschappelijke problemen ervoer. De reclassering maakt zich wel zorgen over het middelengebruik van de verdachte. De verdachte gebruikt veelvuldig alcohol en cocaïne. Desondanks kan de reclassering het risico op recidive niet inschatten, omdat zij maar beperkt zicht heeft gekregen op risicoverhogende en delictgerelateerde factoren. De reclassering adviseert bij een strafoplegging geen bijzondere voorwaarden op te leggen, vanwege de slechte gezondheid van de verdachte.\n\nUit de door de advocaat verstrekte medische stukken over de verdachte blijkt dat de verdachte terminaal ziek is. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat het erg slecht met hem gaat.\n\n6.3.4.. \n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank stelt voorop dat geen enkele straf of maatregel kan terugdraaien wat er is gebeurd of het verdriet en de pijn van de nabestaanden kan wegnemen of verzachten.\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor doodslag, een van de ernstigste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht, waarvoor binnen de rechtspraak doorgaans een zeer forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De rechtbank houdt er rekening mee wat in andere, vergelijkbare zaken voor straffen zijn opgelegd.\n\nBovendien heeft de wetgever het strafmaximum voor doodslag per 1 juli 2023 verhoogd van 15 jaar naar 25 jaar, om dit meer in balans te brengen met de strafmaxima van andere ernstige geweldsdelicten en meer recht te doen aan de ernst van doodslag. De rechtbank ziet hierin reden om zwaarder te straffen dan vóór deze wetswijziging in vergelijkbare zaken is gedaan.\n\nDe rechtbank zal bij de oplegging van de straf geen rekening houden met de slechte gezondheid van de verdachte. Deze slechte gezondheid doet immers niets af aan de ernst van het bewezenverklaarde, zoals deze in paragraaf 6.3.2. is uiteengezet, en de schuld van de verdachte hieraan.\n\nDe rechtbank zal bij de oplegging van de straf ook geen rekening houden met het achterliggende conflict tussen de verdachte en [slachtoffer] en de rol van [slachtoffer] daarin. Zoals in paragraaf 6.3.2. is uiteengezet, is alleen de verdachte verantwoordelijk voor de escalatie van het conflict, die heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] .\n\nDe rechtbank zal, alles overwegende, conform de eis van de officier van justitie, aan de verdachte een gevangenisstraf van 13 jaar opleggen, met aftrek van voorarrest.\n\nDe rechtbank zal de door de officier van justitie geëiste gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (op grond van artikel 38z Sr) niet opleggen. De rechtbank ziet hiervoor onvoldoende recidivegevaar, nu de doodslag plaatsvond binnen de specifieke context van een persoonlijk conflict. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het niet mogelijk is om nu in de strafzaak op grond van artikel 38z Sr een contact- en locatieverbod op te leggen. De inhoud van een dergelijke maatregel wordt pas ingevuld na een vordering tot tenuitvoerlegging aan het einde van de gevangenisstraf.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.\n\n6.3.5.. \n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe verdachte is per 16 januari 2026 geschorst uit de voorlopige hechtenis. De rechtbank zal aan de verdachte een straf opleggen die de duur van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht overstijgt. Dit betekent dat de verdachte naar de gevangenis moet als deze uitspraak onherroepelijk is.\n\nDe vraag die de rechtbank ook moet beantwoorden is of de verdachte weer in voorlopige hechtenis moet worden genomen en de schorsing van de voorlopige hechtenis dus moet worden opgeheven. Dit zou betekenen dat de verdachte nu direct, voordat de zaak onherroepelijk is, terug naar de gevangenis moet. De rechtbank benadrukt dat dit een andere vraag is dan de vraag welke straf passend is voor wat de verdachte heeft gedaan. De rechtbank heeft, zoals hierboven weergegeven, geoordeeld dat aan verdachte een gevangenisstraf van 13 jaren wordt opgelegd.\n\nDe officier van justitie vindt dat de verdachte weer in voorlopige hechtenis moet worden genomen en stelt dat sprake is van een andere situatie dan ten tijde van de schorsing van verdachte eerder dit jaar. Die schorsing was volgens de officier van justitie ingegeven door onderzoeken en de start van de behandeling, die de verdachte moest ondergaan. Er is nu geen duidelijke prognose wanneer verdachte komt te overlijden en de behandeling is levensverlengend. Dit persoonlijke belang vindt de officier van justitie niet zwaarder wegen dan het belang van strafvordering en dus ook de samenleving bij het benemen van de vrijheid van verdachte.\n\nDe advocaat heeft bepleit dat het onmenselijk zou zijn om de verdachte – in zijn huidige toestand – terug te sturen naar de gevangenis.\n\nDe advocaat heeft verder verzocht de voorwaarden van de schorsing aan te passen, in die zin dat een identiteitsbewijs aan de verdachte zal worden teruggegeven. De verdachte ondervindt er in het dagelijks leven en bij zijn medische behandeling veel praktische hinder van dat hij geen enkel identiteitsbewijs tot zijn beschikking heeft, en wil te zijner tijd, bijvoorbeeld bij verdere verslechtering van zijn gezondheid, naar Marokko kunnen reizen.\n\nBij de beslissing over de voorlopige hechtenis gaat het om een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. Bij het maken van die belangenafweging staat voorop dat voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast. De enkele omstandigheid dat bij het vonnis een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van langere duur dan de al ondergane voorlopige hechtenis, is geen toereikende grond voor de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Met andere woorden: het gegeven dat er aan de verdachte een lange gevangenisstraf is opgelegd waarvan hij nog een (groot) deel moet uitzitten, zoals in deze zaak, is onvoldoende om de verdachte direct weer vast te zetten. Ook in dat geval moet de beslissing tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis berusten op een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte.\n\nIn deze zaak betrekt de rechtbank het volgende bij de afweging van belangen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat, gelet op de inhoud van dit vonnis, nog steeds sprake is van ernstige bezwaren. Gelet op de huidige gezondheidstoestand van de verdachte en de specifieke context waarin het bewezenverklaarde feit zich heeft afgespeeld, is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen gevaar voor herhaling meer is. De twaalfjaarsgrond (met geschokte rechtsorde) is nog wel onverkort aanwezig. En met dit veroordelend vonnis zijn de belangen van strafvordering in gewicht toegenomen.\n\nDeze belangen van strafvordering weegt de rechtbank af tegen de volgende persoonlijke belangen van de verdachte. De verdachte is terminaal ziek, zoals blijkt uit de door de advocaat overgelegde medische stukken en zijn toelichting ter zitting.\n\nDe verdachte heeft kleincellige longkanker (SCLC - Small Cell Lung Cancer), een van de agressiefste vormen van longkanker. De ziekte bevindt zich in stadium IV, wat het hoogste en ernstigste stadium is: de kanker heeft zich al buiten de longen verspreid naar andere organen, waaronder de lymfeklieren in het mediastinum (het gebied tussen de longen, rondom het hart), de hersenen (hersenmetastasen), de alvleesklier (pancreas) en de wervelkolom. Dit laatste is medisch zeer ernstig, omdat dit druk op het ruggenmerg veroorzaakt en tot ernstige zenuwpijn leidt. De verdachte gebruikt hiervoor zware pijnstillers.\n\nDe verdachte ondergaat behandelingen die gericht zijn op levensverlenging, niet op genezing. Verdachte verklaarde op zitting dat het heel slecht met hem gaat, hij de hele dag pijn heeft en bijna de hele dag in bed doorbrengt. Dat de gezondheid van de verdachte is verslechterd de afgelopen maanden, was ook op de zitting zichtbaar voor de rechtbank.\n\nHet belang van verdachte om in vrijheid zijn proces af te wachten is er in gelegen dat hij in vrijheid zijn behandelingen kan ondergaan en het laatste stuk van zijn leven, met de continue pijn en achteruitgang die daarmee gepaard gaat, in zijn eigen huis en in aanwezigheid van zijn familie kan doorbrengen.\n\nAlles afwegende weegt op dit moment het belang van de verdachte zwaarder dan het strafvorderlijk belang. De rechtbank zal de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis dan ook afwijzen.\n\nWel zal de rechtbank de schorsingsvoorwaarde wijzigen, in die zin dat de verdachte zich niet mag begeven in de wijk [wijk] van Utrecht (i.p.v. gemeente De Meern).\n\nAnders dan de advocaat ziet de rechtbank geen reden om de overige bijzondere voorwaarden te wijzigen. De rechtbank zal de overige bijzondere voorwaarden in stand laten.\n\n7. De in beslag genomen goederen\n\nDe in deze paragraaf vermelde voorwerpen zijn genummerd en omschreven volgens de beslaglijst in het dossier van 2 juni 2026.\n\n7.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de volgende in beslag genomen voorwerpen te onttrekken aan het verkeer:\n\n1) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562050)\n\n2) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562047).\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de volgende in beslag genomen voorwerpen terug te geven aan de rechthebbende, zijnde de verdachte:\n\n3) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL10900-2025244684-3562093, zwart, merk: L2 Sunmi), rechthebbende: de verdachte.\n\n5) 1 STK Computer (Omschrijving: PL10900-2025244684-3562099, zwart, merk: TCL).\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd het volgende in beslag genomen voorwerp terug te geven aan de rechthebbende, zijnde [A] :\n\n4) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562097, blauw, merk: Oppo).\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de rechthebbende is van de telefoon van het merk Oppo met goednummer PL0900-2025244684-3562097, en niet [A] .\n\nDe advocaat heeft verder geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de volgende voorwerpen onttrekken aan het verkeer, omdat met behulp van deze voorwerpen de bewezen verklaarde doodslag is gepleegd, en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang:\n\n1) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562050)\n\n2) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562047).\n\nDe rechtbank zal de volgende voorwerpen teruggeven aan de rechthebbende, te weten de verdachte.\n\n3) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562093, zwart, merk: L2 Sunmi);\n\n4) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562097, blauw, merk: Oppo);\n\n5) 1 STK Computer (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562099, zwart, merk: TCL).\n\nAnders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ook de rechthebbende is van de Oppo-telefoon met goednummer PL0900-2025244684-3562097, die immers in de woning van de verdachte is aangetroffen.\n\n8. De vorderingen door benadeelde partijen\n\n8.1.. De vorderingen\n\n8.1.1.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nNabestaande [benadeelde 1] (partner van het slachtoffer) heeft als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van de verdachte een bedrag van\n\n€ 239.651,50 vordert, als vergoeding voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\nDit gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n- € 189.651,50 € 189.651,50 als vergoeding voor materiële schade, bestaande uit:\n\n € 14.651,50 als vergoeding voor kosten voor lijkbezorging;\n\n € 175.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;\n\n- € 50.000,- € 50.000,- als vergoeding voor immateriële schade, bestaande uit:\n\n € 20.000,- als vergoeding voor affectieschade;\n\n € 30.000,- als vergoeding voor schokschade.\n\n8.1.2.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 5]\n\nNamens de minderjarige nabestaande [benadeelde 5] (dochter van het slachtoffer) is als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin van de verdachte een bedrag van € 40.000,- wordt gevorderd, als vergoeding voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\nDit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade (affectieschade).\n\n8.1.3.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nNamens de minderjarige nabestaande [benadeelde 4] (zoon van het slachtoffer) is als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin van de verdachte een bedrag van € 40.000,- wordt gevorderd, als vergoeding voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\nDit gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade (affectieschade).\n\n8.1.4.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nNabestaande [benadeelde 3] (moeder van het slachtoffer) heeft als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van de verdachte een bedrag van € 17.500,- vordert, als vergoeding voor de immateriële schade (affectieschade) die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\n8.1.5.. \n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partijen vorderen tevens een verhoging van de gevorderde bedragen met de verschuldigde wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n8.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen, met uitzondering van de posten die betrekking hebben op gederfd levensonderhoud, omdat deze niet zijn onderbouwd.\n\n8.3.. Het standpunt van de verdediging\n\n8.3.1.. \n\nTen aanzien van alle vorderingen\n\nDe verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, omdat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde doodslag of dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\nSubsidiair heeft de advocaat verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de posten die betrekking hebben op gederfd levensonderhoud, omdat deze niet zijn onderbouwd.\n\nBij toewijzing van (een deel van) de vorderingen heeft de advocaat verzocht om op grond van artikel 6:101 BW jo. 6:108 lid 5 BW op alle posten een “eigen schuld”-correctie toe te passen tussen de 50% en 75% van het gevorderde bedrag. De gedragingen van het slachtoffer hebben immers in vergaande mate bijgedragen aan het ontstaan van de schadeveroorzakende gebeurtenis, aldus de advocaat.\n\n8.3.2.. \n\nTen aanzien van de vordering door [benadeelde 1]\n\nDe advocaat heeft bepleit de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, voor zover deze betrekking heeft op een vergoeding voor schokschade. De directe confrontatie van deze benadeelde partij met de gevolgen van de ten laste gelegde doodslag was immers niet onverhoeds en onvermijdbaar, waardoor toekenning van een vergoeding voor schokschade niet op zijn plaats is.\n\n8.4.. Het oordeel van de rechtbank\n\n8.4.1.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse schade heeft geleden.\n\nDe materiële schade\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “kosten voor lijkbezorging” toe, omdat de gestelde schade (€ 14.651,50) voldoende is onderbouwd en niet inhoudelijk is betwist.\n\nDe rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.\n\nDe immateriële schade.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) en artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Het gevorderde bedrag van\n\n€ 20.000,- is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “schokschade” gedeeltelijk toe, tot een bedrag van € 15.000,-. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\nVergoeding van schokschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door de directe (visuele) confrontatie met de ernstige gevolgen van een strafbaar feit. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het strafbare feit is gedood.\n\nDe benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlagen daarbij de vordering tot vergoeding van schokschade onderbouwd. Ook is de vordering op dit punt ter terechtzitting nader toegelicht.\n\nDe rechtbank stelt op grond van deze onderbouwing vast dat de bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de directe visuele confrontatie met de directe gevolgen van de doodslag op haar partner, toen zij de televisiebeelden bekeek die voor het televisieprogramma Bureau Utrecht zijn gemaakt. Deze televisiebeelden bekeek zij, omdat zij wilde voorkomen dat het dode lichaam van haar partner herkenbaar op televisie te zien zou zijn. De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van de benadeelde partij kon worden gevergd eventuele schokschade te voorkomen, door niet naar deze beelden te kijken.\n\nUit de onderbouwing blijkt verder dat de benadeelde partij inmiddels geestelijke klachten heeft die passen bij een posttraumatische stressstoornis.\n\nDe rechtbank realiseert zich dat niet vastgesteld kan worden in hoeverre dit geestelijk letsel bij de benadeelde partij is veroorzaakt door de doodslag zelf en de daardoor veroorzaakte leed, verdriet en angst (affectieschade), en in hoeverre dit geestelijk letsel is veroorzaakt door het bekijken van de televisiebeelden (schokschade). Dit staat er echter niet aan in de weg dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden schokschade schattenderwijs kan vaststellen.De rechtbank stelt, alles overwegende, de door de benadeelde partij geleden schokschade vast op € 15.000,- en zal deze post van haar vordering tot dit bedrag toewijzen.\n\nDe benadeelde partij zal ten aanzien van deze post voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit gedeelte van de vordering kan zij bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nTotaal\n\nDe rechtbank waardeert de totale te vergoeden materiële en immateriële schade op\n\n€ 49.651,50 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.\n\n8.4.2.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 5] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse schade heeft geleden.\n\nDe materiële schade\n\nDe rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.\n\nDe immateriële schade.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\n8.4.3.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 4] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nDe materiële schade\n\nDe rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.\n\nDe immateriële schade.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\n8.4.4.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 3] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-.\n\n8.4.5.. \n\nGeen eigen schuld\n\nDe rechtbank zal op de toe te wijzen schadevergoedingen geen eigen schuld-correctie toepassen, omdat niet is gebleken van een gedraging door het slachtoffer die heeft bijgedragen aan het ontstaan van de door de benadeelde partijen geleden schade.\n\n8.4.6.. \n\nDe wettelijke rente\n\nDe hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden, worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, te weten 19 juli 2025 voor de affectieschade en schokschade en 28 september 2025 voor de kosten voor lijkbezorging.\n\n8.4.7.. \n\nDe schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar de Staat dit voor hen doet.\n\nDe verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.\n\n8.4.8.. \n\nGijzeling\n\nAls de verdachte de schadevergoedingen niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast.\n\nHet toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van de verplichting tot betaling van de schadevergoedingen, maar dient slechts als prikkel tot nakoming van die verplichting. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoedingen te betalen.\n\nIn totaal mag niet meer dan één jaar (365 dagen) gijzeling worden opgelegd. Gelet op het totale bedrag waarvoor de schadevergoedingsmaatregelen in de onderhavige zaak worden opgelegd, zou het aantal dagen gijzeling, opgeteld per maatregel, het maximum van één jaar overschrijden. De rechtbank zal daarom het aantal dagen gijzeling per schadevergoedingsmaatregel naar evenredigheid vaststellen, uitgaande van een totaalmaximum van 365 dagen.\n\n8.4.9.. \n\nDe proceskosten\n\nVerdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.\n\n9. De toegepaste wetsartikelen\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36f, 60a en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;\n\n- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.3.5. is vermeld;\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\noplegging straf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 (dertien) jaren;\n\n- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbeslag\n\n- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:\n\n1) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562050);\n\n2) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562047);\n\n- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:\n\n3) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562093, zwart, merk: L2 Sunmi);\n\n4) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562097, blauw, merk: Oppo);\n\n5) 1 STK Computer (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562099, zwart, merk: TCL;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 1]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 49.651,50, bestaande uit een vergoeding van € 14.651,50 voor materiële schade en een vergoeding van € 35.000,- voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van € 14.651,50 vanaf 25 september 2025 en over het bedrag van € 35.000,- vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 49.651,50 te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] , vermeerderd met de wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van € 14.651,50 vanaf 25 september 2025 en over het bedrag van € 35.000,- vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet-betaling aan te vullen met 169 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;\n\nverklaart [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 5]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.000,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 5] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 20.000,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 68 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;\n\nverklaart [benadeelde 5] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 4]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.000,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 20.000,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 68 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;\n\nverklaart [benadeelde 4] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 3]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] toe tot een bedrag van € 17.500,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 17.500,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 60 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nwijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis;\n\nwijzigt de bij bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van 15 januari 2026 opgelegde\n\nvoorwaarden in die zin dat de voorwaarden komen te luiden:\n\n1. de verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen;\n\n2. indien de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zal de verdachte zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan;\n\n3. de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel l van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;\n\n4. de verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken;\n\n5. de verdachte zal verschijnen op iedere oproep van politie en justitie;\n\n6. de verdachte zal bij wijziging van zijn adres het nieuwe adres schriftelijk doorgeven aan de officier van justitie;\n\n7. de verdachte heeft alle op zijn naam staande paspoorten en identiteitsbewijzen ingeleverd bij het Openbaar Ministerie;\n\n8. de verdachte zal Nederland niet verlaten;\n\n9. de verdachte zal op geen enkele wijze, direct of indirect, contact opnemen, zoeken of hebben met de volgende personen:\n\n- [benadeelde 1] , geboortedatum [1989] ;\n\n- [benadeelde 5] , geboortedatum [2016] ;\n\n- [benadeelde 4] , geboortedatum [2018] .\n\nDe politie ziet toe op handhaving van dit verbod;\n\n10. de verdachte zal zich niet begeven in de wijk [wijk] van de gemeente Utrecht. De politie ziet toe op handhaving van dit verbod.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mr. J.E.S. Dolmans en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van A. van der Zwan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juni 2026.\n\nBijlage I: de tenlastelegging\n\nAan verdachte wordt ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 19 juli 2025 te Utrecht, [slachtoffer] (geboren [1985] ), opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen, althans eenmaal, met kracht met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de nek en\u002Fof de bovenarm, althans in\n\nhet lichaam, van die [slachtoffer] te snijden\u002Fte steken.\n\nBijlage II: De bewijsmiddelen\n\nDe politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:\n\nOp zaterdag 19 juli 2025 omstreeks 20:10 uur, reed ik samen met collega [verbalisant] op de [straat] te [woonplaats] ter hoogte van huisnummer [huisnummer] . Ik zag dat er een man vanaf links, de weg op liep. Ik zag dat de man midden op de weg ging staan. Ik zag dat de man zijn linkerhand op zijn op de linkerkant van zijn keel gedrukt had. Ik zag dat er uit de linkerkant van de nek van de man extreem veel bloed spoot. Ik zag aan zijn blik dat de man duidelijk in paniek was. Ik zag dat de man naar de bijrijdersdeur van ons dienstvoertuig liep.\n\nIk zag dat er een bloedspoor op de grond lag vóór ons dienstvoertuig. Ik zag dat dit bloedspoor richting de woning van de [adres] ging. Ik zag dat er bloed op de muur naast de voordeur van de [adres] zat. Ik zag dat er een mannelijk persoon uit de deur kwam lopen. Hierna zal ik deze persoon noemen als zijnde verdachte. Ik hoorde dat de verdachte zei: “Ik ben hierbij betrokken” of woorden van gelijke strekking.Ik hoorde de verdachte het volgende zeggen of woorden van gelijke strekking: - ik heb hem neergestoken; - het mes waarmee ik hem heb neergestoken, ligt achter de voordeur. Verdachte: [verdachte] , geboortedatum [1982] te [geboorteplaats] . Ik zag dat de man die eerder bloedend over straat liep, aan de overkant van de straat op de grond lag.\n\nIk ben vervolgens aan de rugzijde van de man gaan zitten en plaatste mijn linkerhand op zijn buik en mijn rechterhand op zijn rug om de ademhaling in de gaten te houden. Na ongeveer een minuut voelde ik dat de man niet meer ademde. Samen met collega’s heb ik de man op zijn rug gedraaid en ben ik de traumatische reanimatie van de man gestart. Omstreeks 20.20 uur was de ambulance ter plaatse en hebben de reanimatie overgenomen en omstreeks 20.35 uur, zag ik dat het Mobiel Medisch Team ter plaatse kwam en ondersteunde bij de reanimatie. Om 20.46 uur hoorde ik de arts van het Mobiel Medisch Team zeggen dat de man was overleden.\n\nDe overledene bleek later te zijn genaamd: [slachtoffer] , geboren op [1985] te [geboorteplaats] .\n\nOp zondag 20 juli 2025 om 12:30 uur kwam ik voor forensisch onderzoek aan op de locatie [straat] ter hoogte van nummer [huisnummer] .\n\nBegane grond (hal):\n\nBij het openen van de deur kwam ik terecht in een hal. Aan het einde van de hal zag ik een wit geverfde, steile trap naar boven.\n\nTegen de linker muur, op de vloer tegen het stootbord van de eerste traptrede, zag ik een vuilniszak liggen. Ik zag achter de vuilniszak, tegen de muur aan twee handvaten uitsteken, van messen. Ik heb eerst het voorste mes (het mes wat het meest tegen de vuilniszak aanlag) veiliggesteld. Ik zag dat het om een mes ging met een zwart heft en een wit lemmet. Ik zag dat het lemmet circa 18 cm lang was. Over het gehele lemmet zag ik bloedsporen.\n\nAchter dit mes, tegen de muur aan, zag ik een tweede mes. Ik zag dat het om een mes ging met een zwart heft en zwart lemmet. Ik zag dat het lemmet circa 18 cm lang was. Op het lemmet zag ik bloedsporen.\n\nGetuige [getuige] heeft het volgende verklaard:\n\nVandaag op zaterdag 19 juli 2025 ging ik een stukje wandelen door de buurt samen met mijn moeder. Ik liep op de [straat] in de richting van de stad. Ik zag dat er een busje geparkeerd stond recht voor de deur van de [adres] .Ik zag dat er een grote man rondom het busje liep. Ik hoorde hem hard schreeuwen. Ik zag dat de man richting de deur van de [adres] liep. Ik zag dat de deur werd geopend door een kleine man. Ik zag dat er een worsteling ontstond tussen de grote man en de kleine man. Ik zag dat de kleine man een mes in zijn rechterhand vasthield.\n\nIk zag dat de kleine man het mes meerdere malen in de nek van de lange man stak. Ik zag dat er meerdere keren kort achter elkaar in de nek van de lange man werd gestoken.\n\nIk zag dat de grote man naar buiten kwam lopen. Ik zag dat er extreem veel bloed uit de nek kwam van de grote man.\n\nIn een deskundigenrapport van het NFI staat het volgende:\n\nOverledene: [slachtoffer] , geboortedatum [1985] .\n\nResultaten uit- en inwendige schouwing:\n\nAan de hals links, op circa 170 cm van de voetzolen en circa 7 cm van het midden, was een lijnvormige scherprandige huidperforatie van circa 4,2 cm. Hierbij was een naar rechts, onderwaarts en voorwaarts gericht steekkanaal met een diepte van circa 9 cm. Bij het steekletsel was er onder meer perforatie van de linker oppervlakkige halsader, een aftakking van de linker diepe halsader, een vertakking van de linker halsslagader en het strottenhoofd. Aan de hals links, op circa 165,5 cm van de voetzolen en circa 6 cm van het midden, was een lijnvormige scherprandige huidperforatie van circa 2,0 cm. Hierbij was een naar rechts, onderwaarts en voorwaarts gericht steekkanaal met een diepte van circa 5 cm. Bij het steekletsel was er onder meer perforatie van de linker oppervlakkige halsader en diepere weke delen.Deze steekletsels hebben geleid tot ernstig bloedverlies. Ook zijn hierbij functiestoornissen te verwachten van de ademhaling en de longen (door inademing van bloed bij de perforatie van het strottenhoofd), alsook van het hart (mede door aanzuiging van lucht via de geperforeerde halsaders). Op basis hiervan wordt het overlijden zonder meer verklaard.\n\nDe verdachte heeft verklaard, zakelijk weergegeven:\n\nIk had koksmessen vast.\n\nToen ik de deur open deed zag ik [slachtoffer] voor de deur staan.\n\nIk heb hem gestoken.\n\n HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1633.\n\n Zie ECLI:NL:HR:2022:1416.\n\nHR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987.\n\n Zie ECLI:NL:HR:2023:1495.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-202544684, doorgenummerd pagina 1 tot en met 601, met als bijlage een Forensisch dossier, apart doorgenummerd pagina 1 tot en met 286. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pag. 12.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pag. 13.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pag. 15.\n\n Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [woonplaats] ), Forensisch dossier pag. 127.\n\n Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [woonplaats] ), Forensisch dossier pag. 129.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 52.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 53.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 54.\n\n Een deskundigenrapport Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden, d.d. 11 augustus 2025, Forensisch dossier pag. 100.\n\n Een deskundigenrapport Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden d.d. 11 augustus 2025, Forensisch dossier pag. 101.\n\n Een deskundigenrapport Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden d.d. 11 augustus 2025, Forensisch dossier pag. 103.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 142.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 596.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3784","2026-07-13T00:29:35.582Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":43,"courtId":107,"decisionDate":92,"fullText":108,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":51,"updatedAt":110},"661","ECLI:NL:GHSHE:2026:1741","ecli-nl-ghshe-2026-1741",74,"Parketnummer : 20-000659-25\n\nUitspraak : 29 juni 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-326567-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1985,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 949,19, bestaande uit € 249,19 aan vergoeding van materiële schade en € 700,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van de bewijsmiddelen en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.\n\nDe verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en heeft subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Afferden (L), gemeente Bergen (L), althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een kopstoot te geven en\u002Fof te slaan.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 12 augustus 2023 te Afferden (L), gemeente Bergen (L), [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een kopstoot te geven.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nTenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023128211, gesloten d.d. 20 november 2023, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 42). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 augustus (p. 9-12), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :\n\nOp 12 augustus 2023 was ik op camping [camping] . Deze camping is gelegen op [adres 2] .\n\nDe jongen (het hof begrijpt: de zoon van de verdachte) rende naar boven weg en zei dat hij zijn vader ging halen. Op een gegeven moment hoor ik een jongensstem roepen: \"Daar is hij.\" Ik zie dat die jongen, die zijn vader ging halen, naar mij wijst. Op dat moment komt er een man naar mij toe en pakt mij vast. De man zei: \"Jij gaat mijn zoon niet aanraken of bedreigen\" en geeft mij vervolgens een kopstoot. Wat hierna gebeurde, weet ik niet meer. Ik werd op de grond gewerkt. Daarna werd de man door iemand anders van mij afgehaald.\n\nIk ben hierna naar de huisartsenpost gegaan. Ik heb 4 hechtingen bij mijn rechterwenkbrauw gekregen. Tevens zijn mijn bril en kleding kapotgegaan door de mishandeling. Mijn bril was verbogen en het brilmontuur is gescheurd. In mijn kleding zit bloed en dat krijg ik er niet meer uit.\n\nIk hoorde op de camping dat de man die mij mishandeld had [verdachte] betrof.\n\n2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 november 2023 (p. 19-22), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :\n\nOp 12 augustus 2023 was ik op camping [camping] te Afferden. De jongen (het hof begrijpt: de zoon van de verdachte) liep weg en zei nog dat hij zijn vader ging halen. In een keer hoorde ik een geschreeuw van de jongen die riep “Daar is hij papa.” Ik zag dat de vader van deze jongen met een versnelde pas op ons af kwam lopen en ik zag dat hij boos keek. Ik kon aan zijn houding zien dat hij boos was.\n\nIk zag dat deze man mijn man bij zijn schouder pakte en iets tegen hem zei in de zin van “Je bedreigt mijn zoon”. Ik zag dat deze man mijn man meteen een kopstoot gaf. Ik zag dat mijn man op zijn gezicht, op zijn shirt en op zijn handen onder het bloed zat. Ik zag dat mijn man's rechterwenkbrauw open was gesprongen.\n\nIk kreeg via de eigenaar van Camping [camping] te horen dat de man die mijn man aanviel [verdachte] heet.\n\n3. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 20 november 2023 (p. 13-15), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] :\n\nIk ben werkzaam op camping [camping] in Afferden. Op 12 augustus 2023 stond ik achter de bar. Ik zag dat de zoon van [verdachte] huilend uit de speeltuin kwam en naar zijn vader liep. Daarop zag ik dat [verdachte] helemaal overstuur richting de speeltuin liep. Ik liep er meteen achteraan omdat ik dacht dat dit fout zou gaan. Ik ken [verdachte] al wat langer dus ik zag dat hij boos was.\n\nIk hoorde de zoon van [verdachte] ineens tegen zijn vader roepen 'Daar loopt hij'. Daarop hoorde ik dat [verdachte] de man aanriep. Toen ik de hoek omkwam zag ik dat [verdachte] de man op de grond gooide. Ik zag dat de man zich probeerde te verdedigen. Ik zag ook dat de man die op de grond lag bloed op zijn voorhoofd had.\n\n4. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [getuige 2] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 8 januari 2026, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] voornoemd:\n\n [verdachte] liep naar beneden toe. Ik zei tegen mijn vrouw dat ik er beter achteraan kon gaan omdat ik dacht dat het uit de hand kon lopen, want je zag aan [verdachte] dat hij boos was. Er zat denk ik 15 tot 20 seconden tussen het moment dat [verdachte] was vertrokken en ik erachteraan ging. Toen ik de hoek om kwam zag ik een meneer op de grond liggen met een bebloed voorhoofd en [verdachte] erbovenop. Die meneer lag op de grond op zijn rug, [verdachte] zat op de borst van die meneer met zijn knie.\n\n5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 november 2023 (p. 16-18), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] :\n\nV: Kunt u zo gedetailleerd mogelijk verklaren wat u zag?\n\nA: Op 12 augustus 2023 bevond ik mij op het terras tegenover het zwembad op camping [camping] . De vader van het kindje dat geduwd werd (het hof begrijpt: de benadeelde partij [slachtoffer]) vroeg aan de andere vader (het hof begrijpt: de verdachte) of het normaal was dat er geduwd werd op de trampoline. De andere vader reageerde hier al meteen heel erg fel op. Ik hoorde dat de vader van het duwende kind begon te schreeuwen. Ik zag dat de man van het duwende kind daarna ook nog een harde kopstoot gaf tegen de andere vader. Hierop viel deze vader op de grond. Ik zag dat deze vader meteen bloed had bij de neus en mond en dat dit bloed naar de kin liep. Ik zag ook dat de bril van de man was afgevallen. Ik zag dat man die de mishandeling pleegde daarna ook boven op de andere man sprong.\n\nV: Weet u wie deze man is?\n\nA: Dit betreft een vaste gast van de camping. Volgens mij heeft hij [verdachte] .\n\n6. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [getuige 3] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 8 januari 2026, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] voornoemd:\n\nRaadsman: Kunt u nog eens omschrijven wat er volgens uw herinnering gebeurde?\n\nGetuige: In eerste instantie werd er zoals het op het oog leek een beetje gepraat. Toen deelde de verdachte een kopstoot uit waardoor het slachtoffer op de grond viel. De verdachte sprong er toen echt bovenop.\n\nRaadsheer-commissaris: U zegt de verdachte sprong er bovenop.\n\nGetuige: Ik weet niet hoe ik dat moet uitleggen. De verdachte gaf die kopstoot, die andere man viel en de verdachte ging er bovenop. De getuige maakt een beweging waarbij ze haar lichaam van achteren naar voren beweegt en haar armen gebogen naar voren houdt.Na die kopstoot viel de andere man op zijn rug en hij probeerde een beetje naar de zijkant te draaien, meer een beschermende houding.\n\nRaadsheer-commissaris: Heeft u gezien of het slachtoffer ook fysieke handelingen heeft gedaan in de richting van de verdachte?\n\nGetuige: Alleen afweren.\n\nRaadsman: Heeft u op enig moment gezien dat zij met de hoofden tegen elkaar aan stonden?\n\nGetuige: Dat was secondewerk voordat de kopstoot werd uitgedeeld, na de duw. Het slachtoffer was terug op zijn voeten, toen stonden zij best dicht op elkaar door het terug stappen, dat was toen secondewerk waarop zij heel dicht bij elkaar hebben gestaan.\n\nRaadsman: Als ik u goed begrijp dan heeft u qua geweldshandelingen gezien dat er in eerste instantie werd geduwd door verdachte, daarop de andere meneer struikelde, wankelde en terugkwam. U heeft dat weren of afweren genoemd. Nadat zij dichtbij elkaar waren is er een kopstoot uitgedeeld, de andere meneer is op de grond gevallen…\n\nGetuige: Ja en toen is de verdachte er letterlijk meteen bovenop gesprongen. De verdachte zat op hem.\n\n7. Een overig geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, betreffende het slachtoffer [slachtoffer] d.d. 17 november 2023 (p. 41), voor zover inhoudende als verklaring van [arts] , huisarts:\n\nMedische informatie betreffende:\n\nAchternaam: [slachtoffer]\n\nVoornamen: [slachtoffer]\n\nGeboren: [geboortedag 2] 1992\n\nGeboorteplaats: [geboorteplaats 2]\n\nOmschrijving van het letsel:\n\nUitwendig waargenomen letsel: Scheurwond rechterwenkbrauw aan de kant van de neus. Is gehecht.\n\nDatum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 12 augustus 2023.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. De raadsvrouw van de verdachte heeft in dat kader naar voren gebracht dat de verklaringen van getuige [getuige 3] onvoldoende betrouwbaar zouden zijn om als steunbewijs gebruikt te worden, omdat hierin discrepanties zouden zitten ten opzichte van de aangifte en overige getuigenverklaringen. Voorts kan volgens de raadsvrouw van de verdachte niet met zekerheid gesteld worden dat het letsel dat bij de benadeelde partij [slachtoffer] is ontstaan het gevolg is van de tenlastegelegde handelingen. Hieromtrent wijst zij op het door de verdachte aangebrachte alternatieve scenario, waarbij het letsel zou zijn ontstaan doordat de verdachte en [slachtoffer] elkaar vasthielden en samen op de grond vielen, waarbij de verdachte met zijn elleboog op het gezicht van [slachtoffer] zou zijn gevallen.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nTen aanzien van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen stelt het hof voorop dat de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal is voorbehouden aan het hof. Ook de vraag of bepaalde verklaringen gelet op hun betrouwbaarheid voor het bewijs kunnen worden gebruikt is een kwestie van waardering van het bewijs en daarmee voorbehouden aan het hof. In deze zaak zijn verschillende getuigen gehoord, zowel door de politie als door de raadsheer-commissaris. Het hof is van oordeel dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] onafhankelijke getuigen zijn; zij hebben geen directe (familiaire) connectie met de verdachte, dan wel met de benadeelde partij [slachtoffer] en hebben het incident van dichtbij meegemaakt. De discrepanties in de getuigenverklaring van getuige [getuige 3] ten opzichte van de aangifte en overige getuigenverklaringen die door de raadsvrouw van de verdachte worden omschreven, herkent het hof niet. De getuigenverklaring is consistent en sluit aan bij het verhaal van de aangever en haar verklaring bij de raadsheer-commissaris bevestigt dit verhaal. Ook vindt deze verklaring op onderdelen bevestiging in de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige 2] en in de verklaring van de partner van de aangever. Het hof acht daarmee de getuigenverklaring van [getuige 3] betrouwbaar om als bewijsmiddel in deze zaak gebezigd te worden.\n\nTen aanzien van het door de raadsvrouw van de verdachte geschetste alternatieve scenario overweegt het hof dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. Zoals hiervoor overwogen gaat het hof uit van de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 2] , omdat deze getuigen de meest onafhankelijke getuigen zijn. Hun verklaringen weerspreken het scenario zoals door verdachte geschetst op verschillende onderdelen. Zo weerspreken de getuigenverklaringen de verklaring van de verdachte dat het letsel van aangever [slachtoffer] zou zijn ontstaan doordat de verdachte op zijn gezicht zou zijn gevallen. Getuige [getuige 2] omschrijft hoe de verdachte [slachtoffer] op de grond gooide, terwijl [slachtoffer] zich probeerde te verdedigen en waarbij hij op dat moment reeds bloedde in het gezicht. Getuige [getuige 3] omschrijft hoe de verdachte [slachtoffer] , na de kopstoot (waarbij zij direct bloed zag in het gezicht van [slachtoffer] ) hem eerst op de grond duwde en daarna boven op hem sprong. Door verschillende getuigen is verklaard dat de verdachte vervolgens bovenop [slachtoffer] zat. Ook door de partner van de aangever is verklaard dat zij na de kopstoot zag hoe [slachtoffer] in het gezicht bloedde. Het hof stelt op grond hiervan vast dat het letsel reeds is ontstaan voordat de verdachte en [slachtoffer] samen op de grond belandden. Het hof schuift het door de verdediging opgeworpen alternatieve scenario dan ook als ongeloofwaardig terzijde.\n\nHet tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.\n\nOp grond van de gebezigde en door het hof betrouwbaar aangemerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmishandeling.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte primair bepleit dat het hof zal volstaan met de oplegging van een voorwaardelijke taakstraf zoals zou volgen uit de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en daarbij rekening houdt met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof in ieder geval niet een straf zal opleggen die hoger uitkomt dan deze oriëntatiepunten voorschrijven.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Hij heeft aan de benadeelde partij een kopstoot gegeven, waardoor letsel is ontstaan. Dit alles gebeurde op een camping, voor de ogen van hele jonge kinderen, waaronder zijn eigen kind en het kind van de aangever. Dit heeft logischerwijs een diepe indruk achtergelaten bij het slachtoffer en de mensen die eromheen stonden. De verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. De verdachte heeft met zijn handelswijze zich daar geen enkele rekenschap van gegeven, hetgeen hem door het hof wordt aangerekend.\n\nHet hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder, maar niet in de afgelopen vijf jaren, onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw een strafbaarfeit te begaan.\n\nVoorts heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 15 februari 2024. Hieruit komt naar voren dat de leefgebieden op orde lijken te zijn. Er kunnen geen (in)directe verbanden worden gelegd tussen de verdenking en mogelijke criminogene- of beschermende factoren. Een plan van aanpak met toezicht en\u002Fof interventies wordt niet geadviseerd. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat.\n\nDaarnaast heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft de verdediging gewezen op het feit dat de verdachte zzp’er is, maar door lichamelijke klachten beperkt wordt in zijn mogelijkheden. Ook toont de verdachte tekenen van een burn-out. De verdachte gebruikt pijn- en slaapmedicatie voor zijn klachten. De verdediging heeft voorts gewezen op de grote gevolgen die het campingverbod voor de verdachte heeft. Hij is niet meer welkom op de camping waar hij jarenlang met zijn familie stond en heeft zijn caravan met verlies moeten verkopen.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf tevens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in aanmerking genomen. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten kan bij een mishandeling door een kopstoot, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren als oriëntatiepunt aangehouden worden.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 949,19, bestaande uit € 249,19 aan materiële schade en € 700,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schadevordering valt uiteen in de volgende onderdelen:\n\nBril € 199,20\n\nKorte broek € 29,99\n\nT-shirt € 20,00.\n\nBij het vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een totaalbedrag van\n\n€ 949,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.\n\nDe verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist en heeft daarbij mede gewezen op de verweren die in eerste aanleg zijn gevoerd, welke derhalve als herhaald en opnieuw ingelast zullen worden beschouwd. In dat kader is primair door de verdediging naar voren gebracht dat onvoldoende duidelijk is geworden dat het letsel het gevolg is van het bewezenverklaarde, wat ertoe zou moeten leiden dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Subsidiair is bepleit dat het hof de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk dient te verklaren, omdat deze schade niet goed onderbouwd zou zijn en het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat bloedvlekken op koude temperatuur gewassen moeten worden. Meer subsidiair is bepleit dat de immateriële schadevergoeding gematigd zou moeten worden, omdat er een mate van eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij zou bestaan doordat deze een vorm van confrontatie heeft gezocht bij het kind van de verdachte.\n\nHet hof overweegt als volgt\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is, anders dan de verdediging, gebleken dat het door de verdediging gevoerde scenario dat het letsel bij de benadeelde partij is ontstaan nadat de verdachte op het gezicht van de benadeelde partij zou zijn gevallen, onaannemelijk is. Uit de gebezigde en door het hof als betrouwbaar aangemerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt dat het niet is gegaan zoals de verdachte heeft verklaard. Dit weerspreekt de verklaring van de verdachte en daarmee ook de verklaring dat het letsel is ontstaan door een val. Wat resteert is de conclusie dat het letsel is ontstaan als gevolg van de kopstoot. Het hof verwerpt daarmee dit verweer.\n\nGelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nAnders dan de verdediging, acht het hof het aannemelijk dat als gevolg van deze geweldshandeling schade is ontstaan aan de bril en kleding van de benadeelde partij. Hierover is ook door meerdere getuigen verklaard. Deze schade is voldoende onderbouwd middels het voegingsformulier en hetgeen ter terechtzitting namens de benadeelde partij naar voren is gebracht. Het hof erkent niet dat het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat bloedvlekken op koude temperatuur gewassen moeten worden. In ieder geval heeft de benadeelde partij naar het oordeel van het hof, conform het oordeel van de politierechter, zijn schadebeperkingsplicht niet geschonden.\n\nOp grond van het voorgaande zal het hof de vordering ten aanzien van de materiële schade geheel toewijzen.\n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij vordert een bedrag van € 700,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.​\n\nHet hof stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten een scheurwond bij de rechterwenkbrauw aan de kant van de neus, een litteken ten gevolge hebbende.\n\nImmateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.\n\nHet hof ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om het bedrag te matigen op grond van eigen schuld. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een mate van eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij doordat deze het kind van de verdachte had aangesproken op zijn speelgedrag. Het door een volwassene aanspreken van een kind over gedrag tijdens een speelactiviteit is geenszins reden om door een andere volwassene mishandeld te worden. De reactie daarop door de verdachte was buitensporig.\n\nGelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend is het hof van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.\n\nWettelijke rente\n\nHet toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nProceskosten\n\nHet hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nOp grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 949,19. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.\n\nHet hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 949,19, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 9 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door60 (zestig) dagen hechtenis.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 949,19 (negenhonderdnegenenveertig euro en negentien cent) bestaande uit € 249,19 (tweehonderdnegenenveertig euro en negentien cent) als vergoeding van materiële schade en € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 949,19 (negenhonderdnegenenveertig euro en negentien cent) bestaande uit € 249,19 (tweehonderdnegenenveertig euro en negentien cent) aan materiële schadevergoeding en € 700,00 (zevenhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogte 9 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. G.M. Goes, voorzitter,\n\nmr. C.A. van Roosmalen en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zaalen, griffier,\n\nen op 29 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1741","2026-07-13T00:28:41.730Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":92,"fullText":115,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":117},"1267","ECLI:NL:RBDHA:2026:18665","ecli-nl-rbdha-2026-18665","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummers: 09\u002F290140-25 (dagvaarding I), 09\u002F029669-25 (dagvaarding II, ttz.gev.) en\n\n 16\u002F177451-20 (tul)\n\nDatum uitspraak: 29 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],\n\n BRP-adres: [adres 1] te [woonplaats],\n\nop dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats].\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 15 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van Dongen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. F.C. Knoef naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nhij in of omstreeks 29 maart 2025 tot en met 26 oktober 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster], door op verschillende data en\u002Fof tijdstippen in voormelde periode - één of meermalen sms-berichten en\u002Fof whatsapp-berichten aan die [aangeefster] te sturen, - één of meermalen te bellen naar die [aangeefster] en\u002Fof haar voicemail in te spreken, - daarbij gebruik te maken van meerdere verschillende telefoonnummers met het oogmerk die [aangeefster], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen;\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\n hij op of omstreeks 26 januari 2025 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, ter hoogte van [adres 2] te 's-Gravenhage, in elk geval op of aan de openbare weg en\u002Fof op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [aangever] door die voornoemde [aangever] een of meerdere malen tegen zijn hoofd, althans tegen zijn lichaam te slaan en\u002Fof een of meerdere malen tegen zijn lichaam te schoppen.3. De bewijsbeslissing\n\n3.1.. Inleiding\n\nDe verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij zich in de periode van 29 maart 2025 tot en met 26 oktober 2025 schuldig heeft gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin [aangeefster] (hierna ook: de aangeefster) (dagvaarding I) en dat hij op 26 januari 2025 samen met een ander of anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [aangever] (hierna ook: de aangever) (dagvaarding II).3.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.\n\n3.3.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het bij dagvaarding II ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Naar zijn mening is de verklaring van [aangever] onvoldoende betrouwbaar.\n\nTen aanzien van dagvaarding I heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.4.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden voor het ten laste gelegde onder dagvaarding I.\n\n3.5.. Bewijsoverwegingen\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nDe verdachte heeft na een ruzie met de aangeefster op 29 maart 2026 een whatsapp-bericht aan haar gestuurd inhoudende “Weet niet wat er met jou aan de hand is maar je ken beter iemand anders zoeken”. De aangeefster begreep daaruit dat de relatie was beëindigd. Zij heeft vervolgens niet gereageerd en verder geen enkel contact meer met de verdachte gehad. De verdachte heeft daarop met verschillende telefoonnummers meerdere sms-berichten en whatsapp-berichten aan aangeefster gestuurd en haar meerdere malen gebeld en haar voicemail ingesproken. Ook nadat de aangeefster op 10 juli 2025 aangifte tegen de verdachte heeft gedaan, is hij met dit gedrag doorgegaan. De verdachte heeft hierin volhard tot kort voor zijn aanhouding, namelijk tot en met 26 oktober 2025. Met dit gedrag heeft de verdachte stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Dat de verdachte aangeeft dat hij recht heeft op duidelijkheid en alleen een antwoord te hebben gewild over de status van de relatie en het voorgenomen huwelijk tussen hem en aangeefster, rechtvaardigt niet dat hij eenzijdig contact met haar bleef zoeken. Het kan gelet op de voortdurende radiostilte niet anders dan dat het voor de verdachte duidelijk was dat aangeefster geen contact meer met hem wilde. Temeer nu de verdachte verschillende telefoonnummers gebruikte om contact te krijgen met aangeefster, en zij op geen van de berichten heeft gereageerd. Voor de volledigheid wijst de rechtbank nog op het arrest van de Hoge Raad waaruit volgt dat niet is vereist dat aangeefster aan de verdachte expliciet kenbaar heeft gemaakt geen contact meer met hem te willen hebben (Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2015:1447, 2 juni 2015). Het ten laste gelegde feit kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\nDe verklaring van de aangever, inhoudende dat hij buiten op straat bij de woning van de moeder van de verdachte door de verdachte en zijn broer(s) is geslagen en geschopt, wordt in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen. Dat zijn verklaring op andere (niet ten laste gelegde) onderdelen, zoals de aanwezigheid van een schroevendraaier of een stuk hout, geen steun vindt in het dossier, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid van die verklaring.\n\nBij de aangever is letsel aangetroffen dat past bij zijn verklaring. Ook is uit het buurtonderzoek gebleken dat kinderen hebben gezien dat hij aanbelde bij de woning van de moeder van de verdachte en dat hij daarna werd aangevallen door meerdere mannen. Volgens de kinderen werd hij vervolgens vechtend de straat uit begeleid.\n\nUit de verklaring van de aangever blijkt tot slot dat de verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld gepleegd tegen de aangever.\n\nDe rechtbank acht dan ook het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.6.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nhij in de periode van29 maart 2025 tot en met 26 oktober 2025 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster], door op verschillende data en tijdstippen in voormelde periode - meermalen sms-berichten en whatsapp-berichten aan die [aangeefster] te sturen, - meermalen te bellen naar die [aangeefster] en haar voicemail in te spreken, - daarbij gebruik te maken van meerdere verschillende telefoonnummers met het oogmerk die [aangeefster], te dwingen iets te doenente dulden;\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\n hij op 26 januari 2025 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, ter hoogte van [adres 2] te 's-Gravenhage, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [aangever] door die voornoemde [aangever] meerdere malen tegen zijn hoofd, althans tegen zijn lichaam te slaan en meerdere malen tegen zijn lichaam te schoppen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\n4.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht de verdachte ten aanzien van dagvaarding II te ontslaan van alle rechtsvervolging, nu hij heeft gehandeld uit noodweer. Er was volgens de raadsman sprake van een (onmiddellijk dreigende) wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging door de verdachte geboden was. Het is aannemelijk dat de aangever (het slachtoffer), toen hij aanbelde bij de woning van de moeder van de verdachte, het conflict over zijn opgeslagen goederen bij de verdachte die hij terug wilde, met (dreiging met) geweld heeft proberen te beslechten. Het handelen van de verdachte voldoet voorts aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.\n\n4.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het noodweerverweer van de verdachte moet worden verworpen, nu in het dossier geen aanknopingspunten aanwezig zijn dat er sprake was van een noodweersituatie.\n\n4.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de raadsman gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden. Daaruit volgt immers niet dat het slachtoffer met geweld of dreiging met geweld de woning van de moeder van de verdachte probeerde binnen te dringen.\n\nGelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging(en) niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het noodweerverweer wordt dan ook verworpen.\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er voor het overige ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De strafoplegging\n\n6.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, alsmede dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met een bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging) en voorts een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).\n\n6.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht aan de verdachte, mede gelet op de verzochte vrijspraak, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van dagvaarding II, een gemaximeerde tbs met voorwaarden op te leggen.\n\n6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nDe ernst van de feiten\n\nDe verdachte heeft gedurende een periode van ruim zeven maanden het slachtoffer, zijn ex-partner, stelselmatig lastiggevallen door haar veelvuldig te bellen en berichten te sturen.\n\nDoor zo te handelen heeft de verdachte de privacy van het slachtoffer ernstig geschonden en bij haar gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. De verdachte is een paar maanden voor het bewezenverklaarde ook veroordeeld voor belaging van een andere ex-partner, waarvoor hij onder andere tbs met voorwaarden opgelegd heeft gekregen. Ook liep verdachte in een proeftijd van een veroordeling uit 2021, eveneens ter zake van belaging. De rechtbank kent aan de herhaling van het stalkingsgedrag van de verdachte strafverzwarende betekenis toe, ondanks de verminderde toerekenbaarheid van dit gedrag aan de verdachte, waarover hieronder meer. Bij het plegen van dit feit heeft de verdachte zijn frustratie vanwege het verbreken van de relatie door zijn ex-partner niet kunnen beheersen en haar op dwingende manier en niet aflatend benaderd om duidelijkheid van haar te krijgen. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een feit als dit hiervan nog geruime tijd psychische schade kunnen ondervinden.\n\nDe verdachte heeft zich daarnaast samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het slachtoffer heeft aan het incident fysiek letsel overgehouden. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Naast de gevolgen voor het slachtoffer, leiden dit soort strafbare feiten tot gevoelens van onrust en angst in de maatschappij. Het feit heeft zich immers in het openbaar afgepeeld, waarbij buurtbewoners getuigen zijn geweest van het geweld.\n\nHet strafblad van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 30 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden diverse malen veroordeeld is geweest voor soortgelijke feiten, laatstelijk op 30 augustus 2024, waarbij aan de verdachte onder andere de maatregel van tbs met voorwaarden is opgelegd. Hoewel deze veroordeling niet onherroepelijk is, weegt de rechtbank dit in het nadeel van de verdachte mee. Voorts liep hij in een proeftijd voor een veroordeling uit 2021 voor een soortgelijk delict.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van [naam 1], psychiater, van 16 april 2026.\n\nDe rapporteur heeft geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde leed aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, waarbij er sprake is van een licht verstandelijke beperking. Voorts was er sprake van evidente trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De trekken van de persoonlijkheidsstoornis en de licht verstandelijke beperking hebben invloed gehad op de gedragingen van de verdachte tijdens de ten laste gelegde feiten en beïnvloedde zijn gedragskeuzes. De rapporteur adviseert daarom de tenlastegelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.\n\nHet recidiverisico wordt door de rapporteur als hoog ingeschat. De kans op agressie of antisociale opvattingen of handelingen wordt sterk verhoogd als de verdachte geconfronteerd wordt met een niet te beïnvloeden externe stressor, die hij als krenkend, denigrerend en prikkelend ervaart, met name als hij de situaties niet goed begrijpt of als onduidelijk ervaart. Adequate hulpverlening en begeleiding is daarom noodzakelijk, maar dit is tot op heden moeizaam gebleken, om welke reden reeds getracht is de lopende maatregel tbs met voorwaarden om te zetten naar een tbs met dwangverpleging. Dit bleek echter niet mogelijk, gezien de lopende cassatie met betrekking tot die veroordeling. De rapporteur adviseert de maatregel van tbs op te leggen. Een tbs met voorwaarden zou daarin theoretisch de voorkeur hebben, gezien de bereidwilligheid van de verdachte om mee te werken aan behandeling en begeleiding. Gelet op het voorgaande is de maatregel van tbs volgens de rapporteur aangewezen. Een tbs met voorwaarden zou daarin theoretisch de voorkeur hebben, maar mocht een tbs met voorwaarden niet haalbaar worden geacht, is een tbs met dwangverpleging aangewezen. De rapporteur benadrukt de noodzakelijkheid van een adequate behandeling en een uitbreid resocialisatietraject met stringente controle en begeleiding.\n\nDe rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van drs. [naam 2], gezondheidszorgpsycholoog, van 16 april 2026.\n\nDe rapporteur concludeert dat er bij de verdachte sprake is van een combinatie van een licht verstandelijke beperking en trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dit beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen ook ten tijde van het ten laste gelegde. De rapporteur adviseert dan ook de ten laste gelegde feiten in (licht) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De rapporteur schat het recidiverisico zonder passende hulpverlening en juridisch kader als matig tot hoog in. De verdachte recidiveert opnieuw in agressief gedrag en stalking van een ex-partner. Dit ondanks de langdurige behandeling die hij heeft gehad en het juridisch kader dat hem boven het hoofd hangt. De rapporteur adviseert een tbs met voorwaarden. In dit kader is behandeling gegarandeerd. De rapporteur is van mening dat een tbs met voorwaarden in deze strafzaak de voorkeur heeft. Als een dergelijk kader niet haalbaar is, resteert er niets anders dan een tbs met dwangverpleging.\n\nDe rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 9 juni 2026. Ook is de rapporteur ter zitting als deskundige gehoord.\n\nDe reclassering adviseert negatief ten aanzien van een tbs met voorwaarden. Volgens de reclassering is het recidiverisico en het risico op onttrekken aan voorwaarden hoog.\n\nBij herhaling is gebleken dat de verdachte in woord meewerkt, maar niet in daad. De verdachte kent een uitgebreid justitieel verleden, waarbij er gesproken kan worden van een zorgwekkend delict- en gedragspatroon. De reclassering acht het zorgwekkend dat de eerdergenoemde (behandel)interventies tot op heden niet hebben geresulteerd in een aanvaardbaar laag recidiverisico en in een langdurige positieve gedragsverandering bij betrokkene.\n\nGelet op de bescherming van de maatschappij acht de reclassering het niet verantwoord dat de verdachte zonder adequate behandeling en begeleiding terugkeert in de maatschappij. De reclassering is van mening dat het zwaartepunt moet liggen bij een intensieve, langdurende klinische behandeling binnen een strikt- en gestructureerd kader, zonder tijdsdruk. Primair voor het vergroten van het eigen probleeminzicht, het reguleren van de eigen emoties en het vergroten van het probleemoplossende- en reflectieve vermogen, en secundair om binnen een veilige- en stabiele context te kunnen toetsen of de verdachte profiteert van de ingezette interventies om vervolgens de resocialisatie van de verdachte - onder strike voorwaarden - De reclassering is van mening dat de elementen die noodzakelijk zijn om te kunnen interveniëren binnen het kader van een tbs met voorwaarden niet- of onvoldoende aanwezig zijn. De reclassering ziet in het kader van recidivebeperking geen mogelijkheden om een resocialisatieplan met passende (behandel)interventies op te stellen, geen mogelijkheden om voorwaarden te concretiseren en geen mogelijkheden om uitvoering te geven aan een effectief toezicht.\n\nBij een veroordeling adviseert de reclassering daarnaast een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr aan de verdachte op te leggen. Voorts adviseert de reclassering een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr aan de verdachte op te leggen en de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel.\n\nDe op te leggen straf en maatregel\n\nDe rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de Pro Justitia rapporteurs over en legt deze ten grondslag aan haar beslissing dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte verminderd kunnen worden toegerekend. Dit heeft een matigende werking op de op te leggen straf.\n\nGelet op de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als strafsoort worden volstaan. Mede indachtig de persoon van de verdachte en diens verminderde toerekeningsvatbaarheid acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maandenpassend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies uit de Pro Justitia rapporten en het reclasseringsrapport over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico en dat, teneinde dat risico te verminderen, een intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling, zoals door de gedragsdeskundigen beschreven, noodzakelijk is.\n\nDe rapporteur van de reclassering concludeert dat er onvoldoende mogelijkheden zijn om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. Daarnaast zijn in het verleden al diverse ambulante en klinische behandelingen mislukt. Voorts is aan de verdachte vlak voor de thans bewezenverklaarde feiten een tbs met voorwaarden opgelegd en heeft hij zich tijdens dat traject ook niet aan de voorwaarden gehouden. Hoewel aan de verdachte in dat traject wellicht nog niet alle hulp is geboden, zijn er geen indicaties dat aan de verdachte niet een reële kans is geboden om mee te werken aan dat traject en zich aan de voorwaarden te houden. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank een tbs-maatregel met voorwaarden thans niet meer aan de orde.\n\nDe vraag resteert of de door de rechtbank noodzakelijk geachte behandeling in het kader van tbs met dwangverpleging kan en moet worden opgelegd. De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan het wettelijke vereiste voor het opleggen van tbs nu in ieder geval het begane feit (onder dagvaarding II) een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist en dat zulks tevens geldt voor verpleging van overheidswege. Daartoe is redengevend dat de begane feiten ernstig zijn, dat het recidiverisico hoog is en dat de complexe problematiek van de verdachte die daaraan ten grondslag ligt intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling vereist. Voorts zijn minder verstrekkende mogelijkheden door de Pro Justitia rapporteurs overwogen maar deze mogelijkheden zijn ontoereikend (gebleken) om het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau te kunnen verminderen.\n\nDe rechtbank zal dan ook de maatregel van de tbs met dwangverpleging opleggen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat ten aanzien van dagvaarding II sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling langer kan duren dan vier jaren.\n\nDe rechtbank ziet gelet daarop geen meerwaarde om daarnaast aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr of een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr op te leggen.\n\n7. De vordering van de benadeelde partij\u002Fde schadevergoedingsmaatregel\n\n [aangeefster]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 7.311,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 588,- aan materiële schade en € 6.723,- aan immateriële schade.\n\n [aangever]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 11.127,33, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 127,33 aan materiële schade en € 11.000,- aan immateriële schade.\n\n7.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot:\n\n- gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;\n\n- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever] tot een bedrag van € 1.127,33, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] heeft de raadsman matiging verzocht voor wat betreft de immateriële schade, gelet op de Rotterdamse schaal. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsman afwijzing verzocht, nu causaal verband ontbreekt.\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering voor wat betreft € 10.000,- die is ingediend met het oog op een eventueel hoger beroep. Ten aanzien van de € 1.000,- immateriële schade heeft de raadsman matiging verzocht wegens eigen schuld van de benadeelde partij.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster]\n\nDe vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.\n\nDeze schade is ook rechtstreeks ontstaan door het bewezenverklaarde feit. Hoewel de belaging niet mede bestond uit het opzoeken van de benadeelde partij bij haar woning, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen de geleden schade en het gepleegde strafbare feit. Zonder de belaging zou de benadeelde partij hier niet toe zijn overgegaan, terwijl de gevorderde schade gelet op de voorgeschiedenis van de verdachte ter zake van belaging van een andere ex-partner ook in redelijkheid aan de verdachte kan worden toegerekend. De benadeelde partij heeft gerechtvaardigd ervan kunnen uitgaan dat de verdachte ook in haar geval bij de woning zou kunnen komen, waarmee de rechtbank de kosten van maatregelen ter bescherming van haar veiligheid kwalificeert als schade als gevolg van het strafbare feit.\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van de materiële schade de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 3.000,-. Daarbij heeft de rechtbank tevens aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal, uitgaande van een aantasting van de persoon van de benadeelde partij op andere wijze, gezien de aard en ernst van de normschending en de gevolgen hiervan. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een ernstige vorm van belaging, categorie 17 sub b.\n\nDe rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van de immateriële schade de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 oktober 2025, de laatste dag van de bewezenverklaarde periode.\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van\n\n€ 3.588,- , bestaande uit € 588,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade.\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nSchadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen:\n\n- een bedrag van € 588,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;\n\n- een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;\n\nten behoeve van [aangeefster].\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever]\n\nTen laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld in vereniging dat bestond uit slaan en schoppen tegen [aangever]. Hoewel niet kan worden vastgesteld welk letsel van [aangever] door de verdachte is toegebracht, brengt in dit geval het bepaalde in artikel 6:166 Burgerlijk Wetboek (BW) (groepsaansprakelijkheid) met zich mee dat de schade, die door het openlijk geweld is veroorzaakt, aan ieder van de verdachten kan worden toegerekend. Voor hoofdelijke aansprakelijkheid is de deelname aan het groepsgeweld voldoende, ongeacht de vorm die deze deelname heeft aangenomen. Voor de aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:166 BW is verder vereist dat de groepsleden wisten, of behoorden te weten dat het groepsoptreden de kans op de schade zoals die nu geleden is, vergrootte. Vast is komen te staan dat de verdachte een voldoende wezenlijke en significante bijdrage aan het groepsgeweld heeft geleverd door de benadeelde partij te slaan en schoppen. Door zo te handelen behoorde de verdachte op zijn minst te weten dat hij daarmee de kans vergrootte op het ontstaan van de geleden schade.\n\nDe vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,-. De rechtbank heeft daarbij tevens aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal, licht lichamelijk letsel (categorie 13 sub c). De rechtbank ziet geen aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen vanwege eigen schuld van de benadeelde partij.\n\nDe rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen. Dit deel van de vordering betreft een verhoging van de immateriële schade bij een eventueel hoger beroep. Enig concreet aanknopingspunt op grond waarvan aannemelijk is of kan zijn dat meer schade is geleden, dan wel in de toekomst wordt geleden, dan de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, is niet aangevoerd. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank geen grond voor een niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij wegens een onevenredige belasting van het strafproces en zal zij de vordering dus voor het overige afwijzen.\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van\n\n€ 1.127,33, bestaande uit € 127,33 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nOmdat de verdachte het bewezenverklaarde strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met medeverdachten heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover één van de medeverdachten een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en\u002Fof proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte zal voor het bij dagvaarding II bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.127,33, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever].\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging\n\nDe rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, nu de toewijzing van deze vordering niet meer opportuun wordt geacht, gelet op de reeds op te leggen straf en maatregel aan de verdachte.\n\n9. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n- 36f, 37a, 37b, 57, 141 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6. bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van dagvaarding I\n\nbelaging\n\nten aanzien van dagvaarding II\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon\n\nverklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\ngelast de terbeschikkingstelling van de verdachte en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] deels toe tot een bedrag van € 3.588,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 588,- vanaf 23 juli 2025, en over een bedrag van\n\n€ 3.000,- vanaf 26 oktober 2025, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te betalen aan [aangeefster];\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.588,-,\n\nvermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 588,- vanaf 23 juli 2025, en over een bedrag van € 3.000,- vanaf 26 oktober 2025, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 35 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] deels toe tot een bedrag van € 1.127,33 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2025, tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te betalen aan [aangever];\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;\n\nveroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.127,33, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2025, ten behoeve van [aangever];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 11 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;\n\nwijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met het parketnummer 16\u002F177451-20.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. C. Hofman, voorzitter,\n\nmr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,\n\nmr. R.P. van der Weide, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18665","2026-07-13T00:29:12.963Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":43,"courtId":122,"decisionDate":123,"fullText":124,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":126,"parsedAt":51,"updatedAt":127},"1819","ECLI:NL:RBROT:2026:7839","ecli-nl-rbrot-2026-7839",61,"2026-06-26T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-062941-26\n\nDatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nDatum zitting: 12 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de penitentiaire inrichting [verblijfsplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. S.A. Chedie\n\nOfficier van justitie: mr. N. van der Meij\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zijn ex-partner [slachtoffer] tegen het hoofd en lichaam geschopt en zo geprobeerd haar zwaar te mishandelen. De verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag van zijn ex-partner en van de vernieling van haar auto.\n\nDe poging tot zware mishandeling is in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.\n\nAan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Hieraan worden bijzondere voorwaarden verbonden.\n\nDe vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.\n\n1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte er – samengevat – van dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven of zwaar te mishandelen en dat hij de auto van die [slachtoffer] heeft beschadigd.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte\n\n1. primair\n\nop of omstreeks 1 maart 2026 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n- meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt en\u002Fof geslagen\u002Fgestompt\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. subsidiair\n\nop of omstreeks 1 maart 2026 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door\n\n- die [slachtoffer] aan haar haren te trekken, waardoor zij met haar hoofd tegen het portier bonkte en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] uit de auto te trekken en\u002Fof\n\n- meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd en\u002Fof buik en\u002Fof arm, althans het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en\u002Fof slaan\u002Fstompen;\n\n2.\n\nop of omstreeks 1 maart 2026 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield en\u002Fof beschadigd.2. Bewijs \u002F Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat feit 1 primair (poging tot doodslag) wordt bewezen verklaard en dat de verdachte van feit 2 (vernieling) wegens gebrek aan bewijs wordt vrijgesproken. Het standpunt van de officier van justitie zal, indien nodig, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1 primair (poging tot doodslag), 1 impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling) en 2 (vernieling). De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 subsidiair (mishandeling) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nHet standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen (feit 1 impliciet subsidiair)\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] . De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van dit feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande nadere bewijsmotivering.\n\n1. Eigen waarneming van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft op zitting de camerabeelden bekeken van het in de tenlastelegging bedoelde incident. De beelden zijn van 1 maart 2026. Op de camerabeelden is te zien dat een man drie keer met zijn geschoeide voet in de richting van een vrouw schopt die op de grond ligt. Bij de derde schop raakt de man de linkerzijde van het hoofd van de vrouw. Die schop vindt plaats met kracht. De man brengt zijn been naar achteren, vervolgens met snelheid naar voren en raakt dan met zijn geschoeide voet de vrouw. Verder is te zien dat daaraan voorafgaande de man de vrouw uit een auto trekt en haar dan meermalen slaat of stompt.\n\n2. Verklaring van de verdachte\n\nOp 1 maart 2026 heb ik in Rotterdam mijn ex-partner [slachtoffer] twee à drie keer getrapt toen zij op de grond lag. Ik herken mijzelf op de op de zitting getoonde camerabeelden die daarvan zijn gemaakt als de persoon die bij de auto staat en schoppende bewegingen naar [slachtoffer] maakt.\n\n3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer]\n\nOp 1 maart 2026 ging ik met de auto naar mijn ex-partner [verdachte] in Rotterdam. Ik zag dat [verdachte] naar de auto toeliep. Ik was daarin op hem aan het wachten. Ik zat op de bestuurdersstoel met het raam op een kiertje. [verdachte] kwam en we kregen een discussie.\n\nHet portier ging open en we vielen beiden op straat. Elke keer als ik wilde opstaan voelde ik dat ik een schop van [verdachte] kreeg. Ik ben ook door [verdachte] met zijn vuist geslagen. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij sloeg en ook schopte op mijn hoofd, buik en arm. Ik voelde op dat moment stekende, brandende pijn aan de plekken waar hij sloeg en schopte. Ik kan de hand van mijn linkerarm bijna niet meer bewegen.\n\n4. Deskundigenverslag\n\nMedische informatie betreffende mevr. [slachtoffer] .\n\nInformatie ontvangen van chirurg [ziekenhuis] over beoordeling aldaar op 1 maart 2026.\n\nObjectieve bevindingen: Buil op de linkerzijde van het hoofd. Bloeduitstorting op bovenarm links.2.3.2.. \n\nNadere bewijsmotivering\n\nUit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [slachtoffer] tegen haar lichaam heeft geslagen of gestompt en voorts dat hij drie keer met zijn voet in de richting van [slachtoffer] heeft getrapt, terwijl zij op de grond lag. Bij de derde trap is [slachtoffer] op de zijkant van haar hoofd geraakt. [slachtoffer] heeft ook letsel aan de linkerzijde van haar hoofd opgelopen.\n\nDoor zo te handelen bestond naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zwaar letsel zou oplopen. Het hoofd is immers een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam, met name de linkerzijde van het hoofd waar zich de linkerslaap bevindt. De verdachte heeft door dit te doen, gelet ook op de uiterlijke verschijningsvorm daarvan, die aanmerkelijke kans welbewust aanvaard. Er is daarom sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .\n\nDe impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wordt daarom bewezen verklaard.\n\nNiet bewezen kan worden dat er een aanmerkelijke kans was dat door het schoppen door verdachte de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] zou overlijden. Van de impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag wordt de verdachte daarom vrijgesproken.2.3.3.. \n\nVolledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1 impliciet subsidiair\n\nde verdachte op 1 maart 2026 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt en geslagen\u002F gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.2.3.4.. \n\nVrijspraak feit 2 (vernieling)\n\nFeit 2 is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1 impliciet subsidiair\n\npoging tot zware mishandeling.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor feit 1 primair (poging tot doodslag) worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Hieraan dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden die door de reclassering zijn geadviseerd.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nOmdat uitsluitend feit 1 subsidiair (mishandeling) kan worden bewezen is een straf moeten gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zijn ex-partner tijdens een ruzie over het ophalen van hun kind op straat tegen het lichaam geslagen of gestompt. Tevens heeft hij haar, toen zij op de grond lag tegen haar hoofd en lichaam geschopt. Met name het schoppen tegen het hoofd is zeer gevaarlijk. Dit is een ernstig feit waardoor het slachtoffer zwaar gewond had kunnen raken. Er mag van geluk gesproken worden dat het letsel relatief meeviel. De verdachte heeft met zijn handelen het slachtoffer pijn gedaan en haar letsel bezorgd en aldus inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het moet voor haar ook een beangstigende ervaring zijn geweest. Daarnaast zorgen dergelijke feiten voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.\n\nDe verdachte was – naar zijn zeggen – heel erg boos op zijn ex-partner omdat zij hun dochtertje eerder kwam ophalen dan was afgesproken. Hij twijfelde al langere tijd aan het vaderschap van zijn dochtertje en er was de dagen daarna een DNA-onderzoek bij de huisarts gepland. Zijn ex-partner kwam het dochtertje echter ineens eerder ophalen waardoor dat onderzoek niet mogelijk zou zijn. Eerder was het daar ook al niet van gekomen.\n\nWat daarvan ook zij, de wijze waarop de verdachte hierop heeft gereageerd is disproportioneel.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Deze feiten zijn echter langer dan vijf jaar geleden gepleegd. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapporten van psycholoog en de reclassering\n\nIn het NIFP-rapport van psycholoog drs. V.T.G. Arntsvan 22 mei 2026 staat het volgende.\n\nBij de verdachte is sprake van zwakbegaafdheid\u002Feen verstandelijke beperking, mogelijk ADHD en antisociale persoonlijkheidskenmerken. Deze stoornissen hebben een aantal forensisch relevante (gemeenschappelijke) kenmerken die van toepassing zijn voor de verdachte, namelijk problemen met het overzien van complexe situaties, moeite met het oplossen van complexere problemen, een tekortschietende emotie- en agressieregulatie, moeite met het overzien van de gevolgen van gemaakte keuzes en eigen gedrag en gevoeligheid voor stress en ervaren druk. Bij oplopende spanningen en stress kan daardoor sprake zijn van impulsiviteit en agressiedoorbraken. Deze stoornissen zijn langdurig en pervasief van aard en waren aanwezig ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. Het oplopen van spanningen in deze complexe en emotionele situatie en het escaleren van de situatie in een woededoorbraak en agressie is te verklaren door de aanwezige stoornissen. Indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht, adviseert de psycholoog om deze feiten in een verminderde mate toe te rekenen. De psycholoog schat in dat het risico op acuut geweld laag tot matig is. Het risico op gewelddadig gedrag en letsel op langere termijn is matig -hoog.\n\nGeadviseerd wordt om de verdachte aan te melden bij een forensisch FACT-team waar ruimte is om in eerste instantie laagdrempelig in te zetten en aan te sluiten bij de hulpvragen die de verdachte momenteel vooral heeft op praktisch gebied. Ondersteuning bij het regelen van zijn financiële zaken is van belang, evenals mogelijk toekomstig afspraken en regelzaken omtrent een vaderschapstest en omgangsregeling met zijn dochter. Een behandeling\u002Finterventie gericht op het (anders) leren reguleren van emoties en het omgaan met boosheid is geïndiceerd. Tot slot is het ondersteunen van passende dagbesteding en werk van belang.\n\nIn het rapport van Reclassering Nederlandvan 9 juni 2026 staat het volgende.\n\nEr zijn problemen op de leefgebieden ‘Relatie partner, gezin en familie’ en (mogelijk) ‘psychosociaal functioneren’. De reclassering verwijst hierbij naar het NIFP-rapport van 22 mei 2026. De verdachte heeft geen zinvolle dagbesteding.\n\nSinds drie jaar wordt de verdachte begeleid vanuit [zorginstelling] . Hij heeft zich hiervoor zelf\n\naangemeld. Hij wordt hier onder andere geholpen bij het regelen van zijn financiën en het zoeken naar werk. De verdachte wil na zijn detentie deze begeleiding graag voortzetten.\n\nBij een veroordeling wordt geadviseerd de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, inspanningsverplichting dagbesteding, en ambulante begeleiding. De verdachte is bereid mee te werken aan de bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de gedragsinterventie.\n\nOp basis van het rapport van de psycholoog drs. V.T.G. Arnts, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit zodanig beïnvloedde dat het feit de verdachte in verminderde mate wordt toegerekend.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan is rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Voor een zware mishandeling door middel van één of meer schoppen\u002Ftrappen tegen het hoofd geldt een uitgangspunt van zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In dit geval wordt strafverminderend meegewogen dat het feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend en sprake is van beperkt letsel. Als strafverzwarend wordt meegewogen dat het feit op klaarlichte dag op straat is gepleegd. Daarom wordt een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, waarvan twee maanden voorwaardelijk. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\n Aan de voorwaardelijke straf worden de bijzondere voorwaarden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, inspanningsverplichting dagbesteding, en ambulante begeleiding.\n\nDe rechtbank ziet geen reden af te zien van het opleggen van de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden. De verdachte heeft verklaard dat hij in het verleden al vaak dit type trainingen heeft gehad en ziet daarom de noodzaak daarvan niet in. Nu het echter opnieuw tot een geweldsincident is gekomen vindt de rechtbank die gedragsinterventie wel nodig.5. Voorlopige hechtenis\n\nHet bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf.6. Vordering van de benadeelde partij6.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij voor alle feiten € 1.929,95 als vergoeding voor materiële schade en € 1.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 651,- als vergoeding voor materiële schade (€ 385,- aan eigen risico ziektekostenverzekering en € 266,- aan gemist inkomen). Ten aanzien van de immateriële schade wordt de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. De toegewezen schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd en vrijspraak is verzocht voor feit 2.6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade komt enkel het gevorderde eigen risico van € 385,- voor toewijzing in aanmerking. De overige posten dienen te worden afgewezen, aangezien deze onvoldoende zijn onderbouwd en de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2.\n\nDe immateriële schade is niet onderbouwd, maar gelet op het dossier kan wel schade worden vastgesteld. Dit deel van de vordering dient te worden gematigd tot € 250,-.6.4.. Oordeel van de rechtbank6.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het bewezen strafbare feit. De verdediging heeft de vordering ten aanzien van de kosten van het eigen risico niet betwist. De vordering komt in zoverre ook niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom voor het bedrag van € 385,- toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 385,- als vergoeding voor materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nDe rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het onderdeel van de vordering dat ziet op de reparatie van de schade aan de auto, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 2 (de beschadiging van die auto). Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nHet deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de oorbellen en het gemiste inkomen, heeft de verdediging betwist. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.6.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.\n\nDie schade wordt naar billijkheid begroot op € 750,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 750,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.6.4.3.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 1 maart 2026.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.\n\nOm de inningsmogelijkheden voor de benadeelde partij te vergemakkelijken, legt de rechtbank voor het schadebedrag (totaal: € 1.135,-) de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.\n\nAls dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.7. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.8. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 impliciet subsidiair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat twee maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\n1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, gevestigd aan de Marconistraat 2 te Rotterdam;\n\n2. de verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer. Emotieregulatie is een indirect en soms direct onderdeel van de CoVa-training;\n\n3. de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur, zo nodig met hulp van een daartoe aangewezen organisatie, dit ter beoordeling van de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van die organisatie;\n\n4. de verdachte meewerkt aan ambulante begeleiding voor hulp bij praktische zaken door [zorginstelling] of door het FACT, ter beoordeling van de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van die organisatie;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1 tot en met 4 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat:\n\nde verdachte meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nde verdachte meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 1.135,-, bestaande uit € 385,- als vergoeding van materiële schade en € 750,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1 impliciet subsidiair); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 impliciet subsidiair de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat€ 1.135,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.9. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. H. Wielhouwer, voorzitter,\n\nen mrs. L. Feraaune en mr. M.K. Asscheman-Versluis, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.\n\nMr. H. Wielhouwer is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer] .\n\n Waargenomen tijdens de zitting van 12 juni 2026.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 12 juni 2026.\n\n Pagina’s 5 tot en met 13.\n\n FARR-verklaring, d.d. 4 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7839","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.318Z",{"id":129,"ecli":130,"slug":131,"caseNumber":43,"courtId":122,"decisionDate":123,"fullText":132,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":133,"sourceTimestamp":126,"parsedAt":51,"updatedAt":134},"1813","ECLI:NL:RBROT:2026:7836","ecli-nl-rbrot-2026-7836","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-244831-23\n\nDatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nDatum zitting: 12 juni 2026\n\nTegenspraak zonder aanwezigheid van de verdachte\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. B.F. van Es\n\nOfficier van justitie: mr. L.C. Visser\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde straatroof, dan wel de poging daartoe. Hij wordt ter zake van mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 20 uur met een proeftijd van 1 jaar. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijke toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte er primair van dat hij - samengevat – een telefoon en een geldbedrag met geweld heeft gestolen van [slachtoffer] , subsidiair dat hij daartoe een poging heeft gedaan. Meer subsidiair wordt dit feit aan de verdachte als mishandeling van de aangever ten laste gelegd.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam, een telefoon van het merk Samsung en\u002Fof een geldbedrag van totaal 250,- euro, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door: - onverhoeds het geld uit de handen van die [slachtoffer] te grijpen, - aan\u002Ftegen de jas, althans het lichaam van die [slachtoffer] te trekken en\u002Fof te duwen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam, - de telefoon van het merk Samsung uit de jaszak van die [slachtoffer] te trekken, - een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en\u002Fof - met een telefoon tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan;\n\nsubsidiairhij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een telefoon van het merk Samsung en\u002Fof een geldbedrag van 250,- euro, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en\u002Fof te doen volgen van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, - onverhoeds het geld uit de handen van die [slachtoffer] heeft gegrepen, - aan\u002Ftegen de jas, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrokken en\u002Fof heeft geduwd waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen, - de telefoon van het merk Samsung uit de jaszak van die [slachtoffer] heeft getrokken, - een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en\u002Fof - met een telefoon tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nmeer subsidiair:hij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] : - aan\u002Ftegen de jas, althans het lichaam te trekken en\u002Fof te duwen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam, - een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan en\u002Fof - met een telefoon tegen het hoofd te slaan.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primaire ten laste gelegde feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat de verdachte slechts zijn eigen telefoon heeft teruggepakt toen de aangever weigerde het bij de verkoop afgesproken bedrag te betalen en ontkent daarbij geweld te hebben gebruikt. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVrijspraak primaire en subsidiaire ten laste gelegde feit\n\nOp 4 april 2023 hadden de verdachte en de aangever met elkaar afgesproken in Rotterdam voor de verkoop van een telefoon. Daar zijn zij met elkaar in een worsteling geraakt. Dit blijkt uit de camerabeelden van de Albert Heijn, uit verklaringen van getuigen en uit de aangifte. De aangever heeft verklaard dat de verdachte tijdens deze worsteling de telefoon die verdachte aan hem zou verkopen, een deel van het bedrag (€ 250,00) dat de aangever daarvoor zou betalen en de eigen telefoon van de aangever heeft meegenomen. De getuigen verklaren niet over het wegnemen van goederen en is dit ook niet zichtbaar op de camerabeelden. De goederen zijn naderhand ook niet bij de verdachte aangetroffen. Daarmee vindt de verklaring van de aangever ten aanzien van de (poging tot) diefstal onvoldoende steun in het dossier. De rechtbank merkt in dit verband op dat de aangever bij zijn vordering tot schadevergoeding een andere toedracht schetst dan in zijn aangifte volgt en aangeeft dat hierbij naast de verdachte ook andere personen betrokken zouden zijn. Bij deze stand van zaken zal de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs worden vrijgesproken van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.2.3.2.. \n\nBewezenverklaring meer subsidiaire ten laste gelegde feit en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte op 4 april 2023 [slachtoffer] heeft mishandeld. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4. Deze bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politieOp 4 april 2023 te Rotterdam voelde ik dat de man aan mij trok, waardoor ik mijn evenwicht verloof en op de grond viel. Er ontstond een soort gevecht tussen ons. Ik heb door de worsteling meerdere schrammen op mijn handen opgelopen. Ik heb ook mijn knie opengehaald. Ik kan u vertellen dat mijn beide knieën pijn doen. Ik heb ook pijn aan de achterzijde van mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Het slachtoffer verklaarde dat hij op 4 april 2023 een afspraak had gemaakt voor de aankoop van een telefoon op Facebook Marketplace met de aanbieder ' [schermnaam] '. Ben jij dat?\n\nA: Dat ben ik.\n\n3. Proces-verbaal van de politieIk zag toen dat die man die schreeuwde de andere man ene klap gaf en toen ontstond er een soort vechtpartij.\n\n4. Proces-verbaal van de politieOp afbeelding 6 is zichtbaar dat de verdachte zijn arm ineens uitstrekt in de richting van de aangever. Op afbeelding 7 is zichtbaar dat er een worsteling ontstaat tussen de aangever en de verdachte. Op afbeelding 8 is zichtbaar dat de verdachte in tegenovergestelde richting van de aangever wegrent.2.3.3.. Bewijsmotivering meer subsidiair ten laste gelegde feit\n\nHet staat vast dat er een ruzie is geweest en dat de verdachte daarbij geweld heeft gebruikt. Hij heeft aangever geslagen en tegen de grond geduwd. Het letsel van de aangever bestaat uit schrammen aan de handen en letsel aan de knie. Daarbij is ook zijn broek beschadigd. De verklaring van aangever, dat de verdachte hem met een telefoon op zijn achterhoofd heeft geslagen, vindt geen steun in het dossier. De verdachte zal daarom van dit gedeelte van de ten laste gelegde mishandeling partieel worden vrijgesproken.2.3.4.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1 meer subsidiair\n\nhij op 4 april 2023 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] :\n\n- aan het lichaam te trekken of te duwen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam,\n\n- tegen het lichaam te slaan.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1 meer subsidiair: mishandeling\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het meer subsidiaire feit\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor het primair ten laste gelegde feit worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging verzoekt de rechtbank om bij een bewezenverklaring een straf op te leggen die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, gelet op zijn slechte psychische conditie in de ten laste gelegde periode en de overschrijding van de redelijke termijn.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft de aangever op straat mishandeld door hem te duwen en te slaan en heeft hierdoor pijn en letsel bij hem veroorzaakt. Ook heeft hij maatschappelijke onrust veroorzaakt, omdat het incident overdag plaatsvond voor een supermarkt waar op dat moment meerdere mensen aanwezig waren die getuige waren van het incident.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 mei 2026 blijkt dat de verdachte onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsfeit. Echter heeft dit zich na het ten laste gelegde feit afgespeeld en kan dit daarom niet gelden als recidive. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe rechtbank houdt rekening met het feit dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit met psychische problemen kampte en voor deze psychische klachten werd behandeld in het kader van een zorgmachtiging.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 1 juli 2023, omdat de verdachte toen voor het eerst is gehoord door de politie. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna drie jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met deze termijnoverschrijding door aan de voorwaardelijk op te leggen taakstraf van na te noemen duur een verkorte proeftijd van één jaar te verbinden.4.3.4.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de aard en ernst van het strafbare feit is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarom wordt een geheel voorwaardelijke taakstraf van 20 uur opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw strafbaar feiten pleegt.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\nDe aangever [benadeelde partij] heeft als benadeelde partij voor het primair tenlastegelegde feit een bedrag van € 1.360,00 gevorderd als vergoeding voor materiële schade, een bedrag van € 20.500,00 voor immateriële schade en € 2.500,00 voor affectieschade van zijn zoon, die volgens de aangever veel last heeft gehad van hetgeen hem is overkomen. Hij heeft verzocht de toe te kennen schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 250,00 euro aan materiële schade en € 75,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat hiervoor onvoldoende onderbouwing is gegeven.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak en omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade, omdat de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde wordt vrijgesproken en de vordering voor het overige onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk pijn ondervonden en lichamelijk letsel opgelopen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 100,00. Hierbij is rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid, het verwijt dat de verdachte hierbij wordt gemaakt en de aard en ernst van het letsel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 100,00 moet betalen als vergoeding van immateriële schade De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd en nader onderzoek op dit punt een onevenredige belasting zou vormen van het strafgeding.5.4.3.. \n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 4 april 2023.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire en subsidiaire ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het meer subsidiaire ten laste gelegde feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 20 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat de taakstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] (ten aanzien van het meer subsidiaire feit), te betalen een bedrag van € 100,00, bestaande uit vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 april 2023 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;\n\ndit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte voor meer subsidiaire feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat€ 100,00te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 april 2023 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,\n\nen mrs. L. Stevens en A.M. Borel Rinkes, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] .\n\n pagina 8 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n pagina 59 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n pagina 27 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\n pagina 37 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7836","2026-07-13T00:29:40.095Z",20,[11,137],2025]