[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-violent-crime-nl-2024":3},{"detail":4,"years":72},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":71},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},115,"violent-crime-nl","Violent Crime","NL","2026-07-08T16:56:56.704Z",2024,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,62],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"760","ECLI:NL:GHAMS:2024:1861","ecli-nl-ghams-2024-1861","",56,"2024-07-05T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001432-23\n\ndatum uitspraak: 5 juli 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-025188-22 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1984,\n\nthans gedetineerd in [detentieadres] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de nabestaanden naar voren hebben gebracht. Ook heeft het hof kennis genomen van de verklaring die door de nabestaande [benadeelde 1] is afgelegd.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 25 januari 2022, althans in of omstreeks de periode van 24 januari 2022 tot en met 27 januari 2022 te Amsterdam, althans in Nederland,\n\n [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een mes, in elk geval met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, meermalen te steken en\u002Fof te snijden in\u002Ftegen de hals en\u002Fof borst(kas) en\u002Fof buik en\u002Fof rug, althans het lichaam van voornoemde [benadeelde 1] ;\n\nsubsidiair hij op of omstreeks 25 januari 2022, althans in of omstreeks de periode van 24 januari 2022 tot en met 27 januari 2022 te Amsterdam, althans in Nederland,\n\n [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een mes, in elk geval met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, meermalen te steken en\u002Fof te snijden in\u002Ftegen de hals en\u002Fof borst(kas) en\u002Fof buik en\u002Fof rug, althans het lichaam van voornoemde [benadeelde 1] , welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en\u002Fof voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een telefoon en\u002Fof bankpas, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en\u002Fof het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\nmeer subsidiair\n\nhij op of omstreeks 25 januari 2022, althans in of omstreeks de periode van 24 januari 2022 tot en met 27 januari 2022 te Amsterdam, althans in Nederland,\n\n [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een mes, in elk geval met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, meermalen te steken en\u002Fof te snijden in\u002Ftegen de hals en\u002Fof borst(kas) en\u002Fof buik en\u002Fof rug, althans het lichaam van voornoemde [benadeelde 1] .\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie bezigt en tot een andere straf en andere beslissingen op de vordering van de benadeelde partijen komt.\n\nVrijspraak\n\nMet de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.\n\nBewijsoverweging\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de meer subsidiair ten laste gelegde doodslag kan worden bewezen.\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken. De verdachte heeft een alternatief scenario gepresenteerd. De verdediging meent dat geenszins kan worden uitgesloten dat niet de verdachte, maar een ander persoon [slachtoffer] heeft gedood. De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van de zus van de verdachte onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zijn, gelet op haar psychische problematiek waarvoor zij Mirtazapine slikt, een medicijn met de nodige bijwerkingen. Het is daardoor aannemelijk dat zij hetgeen de verdachte tegen haar heeft gezegd verkeerd heeft begrepen.\n\nOp grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nOp 27 januari 2022 kreeg de politie een melding binnen om naar een woning aan de [adres 1] te gaan, omdat de melder al enkele dagen geen contact kreeg met de bewoner [slachtoffer] en dit zeer ongebruikelijk was. De melder was een collega van [benadeelde 1] . Omstreeks 18:55 uur trof de politie het levenloze lichaam van [benadeelde 1] aan, achter de voordeur van zijn appartement. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat het slachtoffer met geweld om het leven is gebracht. Er zijn in totaal 61 steekletsels en 26 snijletsels aangetroffen aan het lichaam van het slachtoffer. De forensische bevindingen impliceren dat het slachtoffer enkele dagen voor 27 januari 2022 moet zijn overleden. Volgens de werkgever van [benadeelde 1] had [benadeelde 1] op 25 januari 2022 om 01:29 uur voor het laatst ingelogd.\n\nDe verdachte heeft bij de politie (proces-verbaal verhoor verdachte van 10 februari 2022, F 03 50 e.v.) en op de terechtzitting in eerste aanleg (proces-verbaal van 13 april 2023, p. 2) verklaard dat hij de nacht van 24 januari op 25 januari 2022 met [slachtoffer] heeft doorgebracht in de woning van [slachtoffer] .\n\nOmwonenden hebben verklaard dat zij op 25 januari 2022 in de ochtend opvallende geluiden hebben gehoord. Getuige [getuige 1] heeft verklaard over harde geluiden die klonken als heftige seks of alsof er iemand werd vermoord. Ook getuige [getuige 2] beschrijft de geluiden als ‘harde sadistische seks’. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij harde geluiden en geschreeuw hoorde, gevolgd door de woorden ‘let me out’ of ‘let me go’. [getuige 3] heeft verder verklaard dat zij en haar partner echt gealarmeerd werden door de geluiden, omdat het als ruzie, bang of boos klonk. [getuige 3] was die dag jarig, waardoor zij er zeker van is dat zij op 25 januari 2022 deze geluiden heeft gehoord. De tijdstippen waarover de omwonenden verklaren lopen wat uiteen, maar alle omwonenden plaatsen de harde geluiden in de vroege ochtend van 25 januari 2022, op zijn laatst rond 08:00 uur die ochtend.\n\nUit onderzoek naar de telefoongegevens van de verdachte blijkt dat op 25 januari 2022 om 01:46, 06:08 en 07:23 uur de telefoon van de verdachte de [locatie] opsloeg als locatie en dat om 08:36 uur de verbinding van de telefoon met een wifi-netwerk werd verbroken, waarschijnlijk dat van de woning van het slachtoffer. Op camerabeelden is te zien dat de verdachte om 08:41 uur de fietsenstalling bij het appartement van het slachtoffer verlaat.\n\nIn de woning van het slachtoffer is bloed van de verdachte aangetroffen op de vloer (in de woonkamer, tussen de keuken en de bank) en op een frisdrankblikje in de badkamer. Op dezelfde ochtend is op camerabeelden van NS-stations in Amsterdam en Utrecht om 09:02 en 12:04 uur te zien dat verdachtes rechterwijsvinger rood gekleurd is.\n\nDe verdachte verplaatste zich die ochtend per trein van Amsterdam uiteindelijk naar Rotterdam en arriveerde daar om 12:45 uur op station Rotterdam Alexandrium. De verdachte vervolgde zijn weg naar de woning van zijn moeder aan de [adres 2] .\n\nUit politiegegevens blijkt dat de zus van de verdachte [naam 1] , om 13:01 uur het alarmnummer 112 heeft gebeld. In dat gesprek heeft zij kenbaar gemaakt dat haar broer tegen haar had gezegd dat hij iemand had vermoord. Op camerabeelden in de lift van de woning van de moeder van de verdachte is de verdachte op 25 januari 2022 om 19:35 uur te zien met een pleister om zowel zijn rechter- als linker wijsvinger. Bij zijn aanhouding op 28 januari 2022 bleek de verdachte verwondingen te hebben aan beide handen.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof stelt vast dat excessief geweld is toegepast op het slachtoffer door hem 61 keer te steken en 26 keer te snijden, hetgeen tot harde geluiden en\u002Fof geschreeuw (in ieder geval) van het slachtoffer moet hebben geleid. Verschillende omwonenden hebben in de ochtend van 25 januari 2022 voor 08:00 uur opvallende harde geluiden gehoord, die klonken als sadistische seks en\u002Fof iemand die werd vermoord.\n\nHet hof stelt vast op basis van de bewijsmiddelen dat op het moment waarop de opvallend harde geluiden door omwonenden zijn gehoord, de verdachte nog in de woning van het slachtoffer was.\n\nHet alternatieve scenario van de verdachte, inhoudende dat een andere man dan de verdachte het slachtoffer moet hebben omgebracht nádat de verdachte de woning heeft verlaten, wordt derhalve weerlegd door de bewijsmiddelen en de hiervoor genoemde conclusie die het hof daaruit heeft getrokken.\n\nHet hof overweegt verder dat valt te verwachten dat de dader bij de uitoefening van het onderhavige excessieve steek- en snijgeweld ook zelf verwondingen aan de handen heeft opgelopen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat hiervan op 25 januari 2022 bij de verdachte sprake was. Niet alleen is de verdachte met een bebloede vinger naar Rotterdam gereisd nadat hij de woning van het slachtoffer had verlaten, ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat er sprake was van verwondingen aan beide handen. Die dag had de verdachte in Rotterdam op beide handen pleisters, hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd. Als contra indicatie geldt dat naast bloedsporen van het slachtoffer en de verdachte geen andere bloedsporen zijn aangetroffen in de woning.\n\nHet hof hecht tot slot waarde aan de omstandigheid dat de zus van de verdachte zich - kort na de aankomst van de verdachte in de woning van zijn moeder - kennelijk genoodzaakt zag om 112 te bellen, met de mededeling dat haar broer tegen haar had gezegd dat hij iemand had vermoord.\n\nHet hof is van oordeel dat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de nadien afgelegde verklaringen niet afdoet aan de betrouwbaarheid van de 112-melding als zodanig.\n\nHet hof acht op grond van de in de bijlage bij dit arrest opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [benadeelde 1] in de ochtend van 25 januari 2022 door middel van messteken om het leven heeft gebracht.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiairtenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 25 januari 2022 te Amsterdam [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, meermalen te steken en te snijden in de hals en borst(kas) en buik en rug van voornoemde [benadeelde 1] .\n\nHetgeen meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage bij dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straf en maatregel\n\nDe rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg meer subsidiair bewezenverklaarde (doodslag) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging) aan de verdachte opgelegd.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het meer subsidiair tenlastegelegde (doodslag) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest, en tot dezelfde, niet gemaximeerde, tbs-maatregel als door de rechtbank is opgelegd.\n\nDe verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de op te leggen straf en\u002Fof maatregel.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft het slachtoffer op een gruwelijke wijze om het leven gebracht. De verdachte onderhield met het slachtoffer al geruime tijd een relatie en werd door [benadeelde 1] toegelaten in zijn woning en mocht daar overnachten. Een woning is een plek waar een mens zich bij uitstek veilig dient te voelen. Uitgerekend daar is het slachtoffer door middel van excessief geweld van het leven beroofd. Dit is een zeer ernstig misdrijf.\n\nDe spreekrechtverklaringen van de zus van het slachtoffer in eerste aanleg en in hoger beroep geven blijk van het verdriet en de grote impact die het overlijden van [slachtoffer] heeft gehad op de hele familie. Daarnaast roepen dit soort misdrijven ook voor de omwonenden en in de rest van de samenleving gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid op.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte beschikt het hof, evenals de rechtbank, over een Pro Justitia triple-rapport dat over de verdachte is uitgebracht door [psycholoog] , psycholoog, [psychiater] , psychiater en milieuonderzoeker [onderzoeker] , gedateerd 16 juni 2022. Met instemming van het openbaar ministerie en de verdediging wordt hierop ook in hoger beroep acht geslagen. De psychiater heeft op de terechtzitting in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – het door de deskundigen in het triplerapport gegeven advies, het de verdachte ten laste gelegde, indien bewezen, hem in verminderde mate toe te rekenen, nader toegelicht.\n\nUit het psychologisch onderzoek van [psycholoog] blijkt dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens in de vorm van stoornissen in het gebruik van alcohol, cocaïne en GHB. Daarnaast is bij de verdachte een persoonlijkheidsstoornis aanwezig. Uit het psychiatrisch onderzoek van [psychiater] blijkt dat sprake is van een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met (met name) antisociale kenmerken. Uit de multidisciplinaire forensisch gedragskundige beschouwing blijkt dat het aannemelijk wordt geacht dat de verdachte psychotisch was ten tijde van het tenlastegelegde. De deskundigen achten het zeer aannemelijk dat de vastgestelde stoornissen een rol speelden in het ten laste gelegde. De kans is zeer reëel dat de verdachte onder invloed van een psychose door middelen en\u002Fof agressie als direct effect van de middelen die hij gebruikte heeft gehandeld.\n\nDe psychiater heeft ter terechtzitting in eerste aanleg nader toegelicht dat er normaliter geen sprake is van verminderde toerekenbaarheid bij middelengebruik. In de situatie van de verdachte is de middelenproblematiek echter dusdanig ernstig dat niet gesproken kan worden van vrijheid in gebruik. Verder stond het intellectueel functioneren van de verdachte onder druk vanwege cognitieve schade door middelen gebruik en de psychotische klachten. De psycholoog en psychiater hebben daarom geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.\n\nHet hof neemt de adviezen van voornoemde deskundigen over en maakt deze tot de hare. Op grond daarvan oordeelt het hof dat de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens (stoornissen in het gebruik van alcohol, cocaïne en GHB en een persoonlijksheidsstoornis met antisociale kenmerken), dat het aannemelijk is dat deze stoornissen een rol speelden in de bewezen geachte tenlastelegging en dat het bewezen geachte tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte moet worden toegerekend. Het hof zal met het vorenstaande rekening houden bij de strafoplegging.\n\nGevangenisstraf\n\nDoodslag is één van de zwaarste misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht (Sr), waar een maximum gevangenisstraf van 15 jaar op staat. Het hof heeft bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf gelet op straffen die in de rechtspraak worden opgelegd voor geweldsfeiten die tot op zekere hoogte vergelijkbaar zijn met het bewezen verklaarde feit. In dit geval is onmiskenbaar strafverzwarend dat de verdachte het slachtoffer op een gruwelijke, zeer gewelddadige wijze heeft gedood in zijn eigen woning, een plek waar het slachtoffer veilig zou moeten zijn. De aard en ernst van het bewezenverklaarde en met name de wijze waarop door de verdachte geweld is gebruikt rechtvaardigen naar het oordeel van het hof een hogere straf dan in eerste aanleg door de rechtbank is opgelegd. Alles afwegende, en in aanmerking genomen de verminderde toerekening van het feit aan de verdachte en hetgeen hierna wordt overwogen over de op te leggen maatregel, ziet het hof geen reden om af te wijken van de vordering van de advocaat-generaal en acht het hof een gevangenisstraf van 9 jaren in dit geval passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.\n\nTbs-maatregel\n\nDe deskundigen zijn blijkens de rapportage van mening dat de kans op geweldsrecidive sterk bepaald wordt door de persoonlijkheidsstoornis in combinatie met de middelenproblematiek en daardoor de psychotische kwetsbaarheid en mogelijke cognitieve schade die zijn coping vaardigheden beïnvloedt. De deskundigen komen op basis van het gebruik van de risicotaxatieinstrumenten gecombineerd met het klinische oordeel tot de inschatting van een hoog recidiverisico op geweld in het algemeen waarbij het niet goed mogelijk is om de kans op een recidive van een delict als het tenlastegelegde te bepalen, aangezien de verdachte dit ontkent en hypothesen erover niet met hem besproken konden worden. Er zijn amper beschermende factoren aanwezig. Het toekomstbeeld van de verdachte lijkt weinig reëel en er zijn geen aanwijzingen dat hij zich dat realiseert. De deskundigen adviseren om de verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen. Zijn verslavingsgedrag is dermate ernstig en langdurig dat hij in een vrijwillig kader onbehandelbaar blijkt en ook niet in staat is hier afspraken over te maken. Daarnaast lijkt hij er psychotisch door te decompenseren en is er waarschijnlijk cognitieve schade ontstaan waardoor hij nog sneller psychotisch decompenseert (zoals in het Huis van Bewaring onder invloed van stress). Anderen kunnen een psychose bij de verdachte niet goed aan zien komen en de verdachte geeft er geen openheid over. Hij is een emotioneel en cognitief beschadigde man die middelen gebruikt om zich staande te houden en er blijkt geen enkele werkelijke behandelbereidheid te bestaan om op enige andere wijze met zijn problemen te leren omgaan. Een minder vergaand ingrijpen behoeft enig inzicht in eigen dynamiek, in achterliggende problematiek en de mogelijkheid tot enige zelfreflectie. Zijn persoonlijkheidsstoornis werkt hierin duidelijk complicerend, o.a. omdat hij vanuit deze stoornis sterk geneigd is tot externaliseren van problemen en onbetrouwbaar, prikkelbaar, agressief en onverantwoordelijk kan zijn, hetgeen een behandeling bemoeilijkt.\n\nHet hof stelt samenvattend vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in artikelen 37a en 37b Sr is voldaan. Zoals hiervoor is vastgesteld, was bij de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit sprake van een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens en wordt het feit de verdachte in verminderde mate toegerekend. Het bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en het aanwezige hoge gevaar van recidive – voortvloeiend uit de psychische problematiek van de verdachte – maakt dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging eist. Een behandeling in een minder streng kader is – gelet op het gebrek aan ziektebesef en behandelmotivatie bij de verdachte – niet aan de orde.\n\nHet hof zal dan ook gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nGelet op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt het hof vast dat de maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.\n\nBeslag\n\nStandpunten Openbaar Ministerie en verdediging\n\nHet Openbaar Ministerie heeft verzocht op het beslag te beslissen conform het vonnis van de rechtbank. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.\n\nOordeel van het hof\n\nDe rechtbank oordeelt dat – conform de beslissingen van de rechtbank - de goederen 34 tot en met 36 moeten worden teruggegeven aan de verdachte. De rechtbank gelast van de overige goederen op de beslaglijst de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden.\n\nVordering van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 1]\n\nAlgemeen\n\nVast staat dat de verdachte een strafbaar feit heeft begaan als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. Artikel 51f, tweede lid, Sv bepaalt – voor zover hier van belang – dat als het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit is overleden, de personen bedoeld in artikel 6:108, eerste tot en met vierde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) zich kunnen voegen ter zake van de daar bedoelde vorderingen. Op grond van artikel 6:108, tweede lid, BW is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.\n\nOp grond van artikel 6:108, derde lid, BW is, wanneer iemand overlijdt door een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander gehouden tot vergoeding van zogenoemde affectieschade aan de in het vierde lid van dat artikel genoemde naasten, waaronder de ouders van de overledene.\n\nVordering\n\nDe benadeelde partijen [benadeelde 2] (moeder van het slachtoffer), [benadeelde 3] (vader van het\n\nslachtoffer), [benadeelde 1] (zus van het slachtoffer) en [benadeelde 4] (broer van het slachtoffer) hebben\n\nzich in hoger beroep opnieuw gevoegd als benadeelde partij. Zij worden bijgestaan door hun gemachtigde mr. F.M.N. Janssen. De oorspronkelijk ingediende vordering – waarop in eerste instantie is beslist – is in hoger beroep verlaagd; de vordering ten aanzien van de reis- en verblijfskosten en de post ‘belastingen’ van € 33.324,00 worden niet gehandhaafd. Namens de benadeelde partijen wordt in hoger beroep een bedrag van € 15.186,73 aan materiële schade, gevorderd, bestaande uit de volgende posten:\n\n€ 4.815,37 kosten van het mortuarium Schiphol\n\n€ 2.302,00 kosten uitvaart\n\n€ 1.464,00 kosten begraafplaats\n\n€ 3.869,36 notariskosten\n\n€ 408,00 medische kosten dr. [naam 2]\n\n€ 2.298,00 medische kosten dr. [naam 3]\n\nVoorts wordt in hoger beroep primair een bedrag van € 32.465,56 (excl. btw) aan advocaatkosten (juridische kosten) gevorderd. Subsidiair wordt verzocht om uitsluitend de advocaatkosten van de strafzaak te vergoeden, zijnde een bedrag van € 17.600,00 (excl. btw), waarbij de advocaat kenbaar heeft gemaakt dat hij dit bedrag niet kan uitsplitsen naar werkzaamheden. Meer subsidiair heeft de advocaat verzocht om in redelijkheid het bedrag aan proceskosten vast te stellen op € 3.400,00, voor het opstellen van de vordering en het bijwonen van zittingen in de strafzaak. De advocaat heeft ter terechtzitting in hoger beroep toegelicht dat hij in redelijkheid schat dat hij daaraan 17 uren heeft gespendeerd à € 200,00 per uur. Meest subsidiair heeft hij het hof verzocht om het liquidatietarief toe te passen.\n\nDe benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , ouders van het overleden slachtoffer, vorderen\n\nieder afzonderlijk € 17.500,00 aan vergoeding van immateriële schade, bestaande uit affectieschade.\n\nDaarnaast vorderen [benadeelde 1] (zus) en [benadeelde 4] (broer) ieder afzonderlijk € 10.000,00 aan shockschade.\n\nDe benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke\n\nrente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nStandpunten Openbaar Ministerie en verdediging\n\nDe advocaat-generaal acht de materiële schade toewijsbaar ten aanzien van de posten 1, 2 en 3 en daarnaast een bedrag van € 3.400,00 aan proceskosten. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de advocaat-generaal het hof om de ouders van het slachtoffer ieder € 17.500,00 aan affectieschade toe te wijzen. De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de gevorderde shockschade geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid.\n\nDe verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schade\n\nHet hof stelt vast dat het verzoek tot schadevergoeding deels (kennelijk) een vordering betreft die namens de benadeelde partijen (als familie) is ingediend. Niet duidelijk is gemaakt of deze namens de nalatenschap van het slachtoffer is gedaan dan wel namens de individuele familieleden. Het hof gaat om pragmatische redenen – nu een verklaring van erfrecht door de benadeelde partijen niet is overgelegd - van dit laatste uit. Het hof zal om die reden vergoeding van de posten 1, 2 en 3 toewijzen aan [benadeelde 3] (vader), nu de facturen voor de uitvaart en grafsteen aan hem geadresseerd zijn en hij degene is die de kosten voor het mortuarium Schiphol per pin heeft betaald. Deze posten zien op de lijkbezorging, als bedoeld in artikel 6:108, tweede lid, BW en zijn derhalve voor toewijzing vatbaar. Dit ligt anders ten aanzien van de gevorderde notariskosten (post 4), nu onvoldoende is onderbouwd dat deze kosten zien op een van de in artikel 6:108 BW bedoelde vorderingen. Ook posten 5 en 6 zullen om redenen hieronder genoemd niet worden toegewezen. Het toelaten van nadere bewijslevering van de posten (4, 5 en 6) zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen kunnen daarom thans niet in dit deel van de vordering worden ontvangen en kunnen de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nProceskosten\n\nTen aanzien van de gevorderde proceskosten (juridische kosten) overweegt het hof dat slechts de advocaatkosten die zien op het opstellen en indienen van de vordering tot schadevergoeding in het strafproces en het bijwonen van zittingen voor toewijzing in aanmerking kunnen komen. Ten aanzien van het primaire en subsidiaire verzoek is het hof van oordeel dat deze niet toewijsbaar zijn, nu onduidelijk is in hoeverre die kosten zien op de onderhavige schadevergoedingsvorderingsprocedure in het strafproces.\n\nMet de advocaat-generaal is het hof evenwel van oordeel dat de meer subsidiaire schatting van de advocaat van redelijke omvang is. Het hof zal de proceskosten derhalve begroten op € 3.400,00. Dit bedrag ligt daardoor voor toewijzing klaar.\n\nImmateriële schade\n\nAffectieschade\n\nOp grond van artikel 6:108 lid 3 en lid 4 onder c BW, in combinatie met de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade, hebben [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , als ouders van de overledene, ieder recht op vergoeding van € 17.500,00 aan affectieschade. Het hof wijst dit deel van de vordering dan ook toe.\n\nShockschade\n\nVolgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is toekenning van zogenoemde schok- of shockschade mogelijk (o.a. Hoge Raad 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958). Het recht op vergoeding van schade bestaat als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ten laste gelegde is gedood of gewond. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.\n\nGezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht zijn onder meer:\n\nDe aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.\n\nDe aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer.\n\nDe wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de ernst van de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.\n\nTer beoordeling van het hof ligt voor of er voor [benadeelde 1] (zus van het slachtoffer) en [benadeelde 4] (broer van het slachtoffer) een recht op vergoeding van shockschade bestaat. Hiervan is sprake – gegeven voornoemde vaste jurisprudentie – indien objectief kan worden vastgesteld dat bij hen een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de directe confrontatiemet de ernstige gevolgen van het strafbare feit dat tegen hun broer is gepleegd (en waaruit voor hen geestelijk letsel is ontstaan).\n\nDe gemachtigde van de benadeelde partijen heeft betoogd en toegelicht dat er sprake was van een directe confrontatie als hiervoor bedoeld omdat zij beiden door het rechercheteam van de politie (tijdens twee besprekingen in 2022) op de hoogte zijn gebracht van de gewelddadige dood van hun broer en zij in detail kennis hebben genomen van het strafdossier en de brute wijze waarop hun broer om het leven is gebracht. Ook volgt dit uit de omstandigheid dat zij in het appartement van hun broer zijn geweest en daar de sporen hebben gezien van het geweld (en het appartement hebben mogen schoonmaken). Ter adstructie van het geestelijk letsel dat bij hen is ontstaan zijn in hoger beroep twee psychiatrische rapporten van prof. [naam 3] overgelegd waaruit blijkt dat bij beiden ( [benadeelde 1] en [benadeelde 4] ) sprake is van een aanpassingsstoornis met chronisch depressieve stemming van ernstig niveau, ten gevolge waarvan psychische schade is ontstaan.\n\nHet hof wil niets afdoen aan de hevige emoties die zijn ontstaan na kennisneming van de gruwelijke dood van hun broer door de gesprekken die met de politie zijn gevoerd en na hun bezoeken in zijn appartement. Ook acht het hof voldoende aangetoond dat er sprake was van een hechte relatie met hun broer en dat bij beiden psychisch leed en schade is ontstaan na het overlijden van hun broer. Deze feiten en omstandigheden zijn echter onvoldoende om te oordelen dat de verdachte ook jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en daartoe jegens hen een schadeplicht is ontstaan. De lat voor de vaststelling – als in de vaste jurisprudentie bedoeld – dat er sprake is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het strafbare feit ligt hoog; hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval dat de betrokkene vrijwel onmiddellijk nadat het strafbare feit is gepleegd ter plaatse van het delict met de gevolgen hiervan is geconfronteerd, ofwel in het geval dat de betrokkene het lichaam van de overledene heeft moeten identificeren. De omstandigheden die thans namens de benadeelde partijen zijn aangevoerd – hoe begrijpelijk ook dat hierdoor ook hevige emoties zijn ontstaan die langdurig en nog steeds doorwerken– halen voornoemde lat niet.\n\nEen nadere onderzoek en beoordeling van deze kostenpost leveren een onevenredige belasting van het strafgeding op. Ditzelfde geldt voor de gevorderde materiële kosten (posten 5 en 6) die (in ieder geval deels) zijn gemaakt ter onderbouwing van de vorderingen tot vergoeding van shockschade.\n\nDe benadeelde partijen [benadeelde 1] (zus) en [benadeelde 4] (broer) kunnen voor zover het de vorderingen tot vergoeding van shockschade betreft daarom thans niet in deze vorderingen worden ontvangen en kunnen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nConclusie\n\nHet hof concludeert dat aan materiële schadevergoeding € 8.611,37 toewijsbaar is aan [benadeelde 3]\n\n (vader). Verder acht het hof € 17.500,00 aan immateriële schadevergoeding toewijsbaar aan [benadeelde 2] (moeder) en € 17.500,00 aan immateriële schadevergoeding toewijsbaar aan [benadeelde 3] (vader). De schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente, waarbij ten aanzien van de materiële schade de datum van het indienen van de vordering als ingangsdatum wordt genomen en ten aanzien van de immateriële schade de pleegdatum van het strafbare feit. Daarnaast zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Het hof begroot de proceskosten op € 3.400,00. Het hof verklaart de benadeelde partijen voor het overige van de vorderingen niet-ontvankelijk.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n34. 1 STK Muts niet goednummer G6147097;\n\n36. 1 STK Broek met goednummer G6146857.\n\nGelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n1. STK Fust met goednummer G6146092;\n\n2. 1 STK Snoer met goednummer G6146093;\n\n3. 1 STK Pas met goednummer G6146098;\n\n4. 1 STK Pas;\n\n5. 1 STK Voorbehoedsmiddel met goednummer G6146019;\n\n6. 1 STK Voorbehoedsmiddel met goednummer G6146020;\n\n7. 1 STK Fust met goednummer G6146028;\n\n8. 1 STK Voorbehoedsmiddel met goednummer G6146021;\n\n9. 1 STK Fust met goednummer G6146029;\n\n10. 2 STK Kleding met goednummer G6146389;\n\n11. 1 STK Kleding met goednummer G6146390;\n\n12. 1 STK Kleding met goednummer G6146391;\n\n13. 1 STK Kleding met goednummer G6146392;\n\n14. 1 STK Kleding met goednummer G6146394;\n\n15. 1 STK Kleding met goednummer G6146393;\n\n16. 1 STK Broek met goednummer G6147634;\n\n17. 4 STK Mes met goednummer G6147065;\n\n18. 1 STK Mes met goednummer G6147068;\n\n19. 1 STK Aansteker met goednummer G6147070;\n\n20. 1 STK Mes met goednummer G6147073;\n\n21. 1 STK Pet met goednummer G6 147074;\n\n21. 1 STK Trui met goednummer G6147075;\n\n23. 1 STK Handdoek met goednummer G6147078;\n\n24. 1 STK Fust met goednummer G6147079;\n\n25. 1 STK Fust met goednummer G6147080;\n\n26. 1 STK Fust met goednummer G6147081;\n\n27. 1 STK Fust met goednummer G6147082;\n\n28. 1 DS Doos met goednummer G6147083;\n\n29. 1 STK Fust met goednummer G6147084;\n\n30. 1 STK Papier met goednummer G6147086;\n\n31. 1 STK Voorbehoedsmiddel met goednummer G6147090;\n\n32. 1 FLS Fles met goednummer G6147091;\n\n33. 3 STK poeder met goednummer G6147097;\n\n35. 1 STK Broek met goednummer G6146856;\n\n37. 1 STK Mes met goednummer G6146853;\n\n38. 1 STK Tas met goednummer G6147136;\n\n39. 2 STK Medicijn met goednummer G6147519;\n\n40. 1 STK Voorbehoedsmiddel met goednummer G6147524;\n\n41. 3 STK Sierraad met goednummer G6147525.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 122 (honderdtweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 januari 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 26.111,37 (zesentwintigduizend honderdelf euro en zevenendertig cent) bestaande uit € 8.611,37 (achtduizend zeshonderdelf euro en zevenendertig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 3.400,00(drieduizend vierhonderd euro).\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 26.111,37 (zesentwintigduizend honderdelf euro en zevenendertig cent) bestaande uit € 8.611,37 (achtduizend zeshonderdelf euro en zevenendertig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 165 (honderdvijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 april 2022\n\nen van de immateriële schade op 25 januari 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M.P. Geelhoed, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. M. Koek, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 juli 2024.\n\nMr. A.M.P. Geelhoed en mr. M. Koek zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:1861","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:46.869Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":50,"updatedAt":61},"772","ECLI:NL:GHARL:2024:3277","ecli-nl-gharl-2024-3277",70,"2024-05-08T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-000613-22\n\nUitspraak d.d.: 8 mei 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 25 januari 2022 met parketnummer 16-289945-21 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,\n\nwonende te [woonplaats]\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 april 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte voor het tenlastegelegde feit tot een taakstraf van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,\n\nmr. F.N. Dijkers, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe politierechter heeft verdachte bij vonnis van 25 januari 2022, waartegen het hoger beroep is gericht, veroordeeld voor het tenlastegelegde feit - mishandeling - tot een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis.\n\nHet hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 15 oktober 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem bij de keel te grijpen en daarin te knijpen en\u002Fof door een nekklem aan te leggen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverweging met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft verzocht om het beroep op noodweer te verwerpen. Indien al uitgegaan zou worden van een noodweersituatie, dan is er volgens de advocaat-generaal geen sprake van een rechtmatige verdediging. De advocaat-generaal heeft daartoe naar voren gebracht dat verdachte kon en moest weglopen en dat niet heeft gedaan, waardoor verdachte is meegegaan in een fysieke confrontatie met aangever.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer en heeft in dat kader vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Volgens de raadsman moest verdachte zich verdedigen tegen de aanval van aangever en heeft verdachte gehandeld binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De raadsman heeft naar voren gebracht dat aangever begon met slaan, waardoor verdachte aangever bij zijn keel heeft gepakt. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn spullen uit de auto wilde halen en handelde uit zelfverdediging nadat aangever begon te slaan. Verdachte erkent dat hij aangever bij zijn keel heeft gepakt, maar ontkent dat hij daarin heeft geknepen. Verdachte betwist ook dat het letsel in de nek van aangever door zijn handelen is ontstaan.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nWettelijk kader noodweer\n\nVooropgesteld dient te worden dat van noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, sprake is indien het strafbare handelen van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Voor de beoordeling daarvan is onder meer van belang of de aan het verweer strekkende tot noodweer ten grondslag liggende feiten en omstandigheden voor het hof aannemelijk zijn geworden.\n\nWat betreft culpa in causa en noodweer(exces) moet het volgende worden vooropgesteld. Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel bij voorbeeld van een wapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456)\n\nFeiten en omstandigheden\n\nIn het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van 16 oktober 2021, waarin de camerabeelden van dit incident in stills zijn weergegeven en beschreven. Bij de beoordeling van het verweer van de verdediging gaat het hof, op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van de volgende feiten en omstandigheden en stelt deze vast.\n\nOp 15 oktober 2021 is verdachte, samen met zijn broer - [naam broer] - en een vriend - [naam vriend] - bij het bergingsbedrijf [naam bergingsbedrijf] in [plaats] , omdat de auto van verdachte daar naartoe is gebracht. Verdachte is naar het bergingsbedrijf gekomen om spullen uit zijn auto te halen. Aangever [slachtoffer] is autoberger bij dat bedrijf en geeft aan dat zij even moeten wachten, omdat hij eerst andere klanten moet helpen. Verdachte en de twee anderen zijn het daar niet mee eens en willen direct de spullen uit de auto gaan halen. Vervolgens besluiten zij - tegen de regels van het bedrijf in - om achter aangever aan te lopen richting de loods waar de auto staat. Aangever is met het oog daarop voornemens om de politie te bellen en staat op dat moment in een halletje, waarvan hij de deur sluit. De broer van verdachte - [naam broer] - wil voorkomen dat de deur wordt gesloten, waardoor er bij die deur tussen aangever en [naam broer] een worsteling ontstaat. Door die worsteling is het raam van die deur gebarsten. Verdachte mengt zich vervolgens in die worsteling en op een gegeven moment staat de deur naar buiten weer open. Ondanks dat de deur weer openstaat, blijven verdachte en zijn broer in het halletje staan. Tussendoor is de tevens aanwezige [naam vriend] meerdere keren naar een andere ruimte gelopen. Opnieuw ontstaat er in het halletje een (verhitte) discussie tussen aangever, verdachte en diens broer [naam broer] . Verdachte pakt dan zijn telefoon erbij en besluit deze op aangever te richten om hem te filmen en\u002Fof te fotograferen. In reactie daarop pakt aangever de telefoon uit verdachtes hand en gooit deze weg. Daarna ontstaat er een handgemeen tussen verdachte en aangever, waarbij verdachte aangever bij zijn keel pakt en deze heeft dichtgeknepen. Aangever pakt verdachte vervolgens vast aan zijn kleding bij zijn hals en daarna hebben beiden elkaar vast bij de nek en geeft aangever verdachte een klap. Terwijl aangever slaat, blijft verdachte hem bij zijn nek vasthouden. Verdachte en aangever blijven in een worsteling, totdat [naam vriend] erbij komt en ingrijpt. Vervolgens is verdachte met zijn gezelschap alsnog - tegen de regels en instructies in - de spullen uit de auto gaan pakken en zijn ze vertrokken.\n\nAangever heeft van dit incident aangifte gedaan en had ten gevolge van dit incident last van zijn adamsappel en zichtbaar letsel aan zijn nek, waarvan foto’s zijn opgenomen in het dossier. Ten aanzien van het letsel stelt het hof vast dat het letsel dat aangever heeft opgelopen past bij de hiervoor beschreven handeling van verdachte, waarbij hij aangever bij zijn nek vast pakt. Het hof acht het, mede gelet op de beschrijving van de camerabeelden, niet aannemelijk geworden dat dit letsel door de eerdere worsteling of anderszins is ontstaan.\n\nBeoordeling beroep op noodweer\n\nUit voorgaande feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat er, nadat een worsteling heeft plaatsgevonden tussen aangever en de broer van verdachte, een kort moment van relatieve rust is zonder uitoefening van geweld. Vervolgens is het aangever geweest die de telefoon van verdachte afpakt en weggooit. In zoverre is er sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van een goed van verdachte.\n\nVerdachte heeft als reactie op deze gedraging vervolgens aangever bij zijn keel gepakt en deze dichtgeknepen.\n\nMet betrekking tot de vraag of verdachte ten aanzien van deze gedragingen succesvol een beroep kan doen op noodweer overweegt het hof als volgt. Verdachte, zijn broer en vriend luisterden niet naar aangever en hebben zich niet gehouden aan de algemene regels die golden binnen het bedrijf. Op het moment dat verdachtes auto - na berging daarvan - op dat bedrijf staat, is het bedrijf daarvoor verantwoordelijk. Bovendien heeft aangever aanwijzingen gegeven en verdachte en zijn gezelschap gevraagd om even te wachten, waaraan door hen geen gehoor is gegeven. Verdachte wilde zijn spullen uit de auto halen en was niet bereid om daarvoor te wachten. Vervolgens volgden zij aangever naar de andere ruimte en ontstaat er in de hal uiteindelijk een worsteling. Uit het dossier valt af te leiden dat verdachte, samen met de twee anderen, dwingend was in zijn wens om zijn spullen uit zijn auto te halen en ook dat hij weinig boodschap had aan de binnen het bedrijf van aangever geldende regels en de door aangever gegeven instructies. Verdachte had tussendoor ook steeds de gelegenheid om naar buiten te gaan en te wachten maar heeft er desondanks bewust voor gekozen om in het halletje te blijven staan. Op een gegeven moment besluit verdachte dan om aangever - zonder diens toestemming en terwijl aangever in de uitoefening van zijn functie is - met zijn telefoon visueel vast te leggen. Verdachte heeft dat gedaan met de kennelijke wens om aangevers gedrag te sturen en heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook erkend dat hij dat heeft ingezet als een in zijn ogen “legitiem wapen”. Het hof is van oordeel dat deze gedragingen escalerende handelingen van verdachte zijn geweest, tijdens een al gespannen situatie en nadat er eerder al een worsteling bij de deur heeft plaatsgevonden tussen aangever en de broer van verdachte. Verdachte heeft daarmee naar het oordeel van het hof willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer ten aanzien van de telefoon uitgelokt.\n\nGelet op alle voorgaande feiten en omstandigheden, de uiterlijke verschijningsvorm en in het bijzonder de wijze van handelen en het provocerende gedrag van verdachte, is het hof van oordeel dat verdachte zelf een prominent aandeel heeft gehad in zowel het ontstaan als in het laten escaleren van de situatie. Het hof merkt daarbij op dat verdachte de confrontatie eenvoudig had kunnen vermijden door naar de aanwijzingen van aangever te luisteren en rustig (buiten) te wachten totdat hij aan de beurt was, zelfs nog nadat de deur naar buiten weer opnieuw open stond. Verdachte was echter niet bereid om te wachten, luisterde niet en is direct de discussie met aangever aangegaan. Bovendien is verdachte bewust binnen blijven staan en heeft hij - tijdens de al gespannen situatie - zijn telefoon doelbewust als middel ingezet om zijn zin te krijgen en daarmee zelf (en opnieuw) de confrontatie met aangever opgezocht. Naar het oordeel van het hof is er daarom in het onderhavige geval sprake van bijzondere omstandigheden, waarbij de gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, in de weg staan aan het kunnen slagen van een beroep op noodweer. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt en zal dit daarom verwerpen.\n\nConclusie\n\nGelet op voorgaande overwegingen, acht het hof het tenlastegelegde feit - mishandeling - wettig en overtuigend bewezen. Het verweer strekkende tot vrijspraak wordt verworpen.\n\nBewezenverklaring\n\nDoor wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 15 oktober 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem bij de keel te grijpen en daarin te knijpen.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.\n\nOplegging van straf\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever [slachtoffer] , door hem bij zijn keel vast te pakken en deze dicht te knijpen. Door aldus te handelen heeft verdachte het slachtoffer pijn en letsel bezorgd. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien versterkt dergelijk handelen de in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid. Het hof merkt daarbij op dat dit feit heeft plaatsgevonden bij een bedrijf, waar aangever - terwijl hij in de uitoefening was van zijn functie - door verdachte is mishandeld. Verdachte had in plaats daarvan naar de aanwijzingen van aangever moeten luisteren en niet zijn zin moeten doordrukken.\n\nTen aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 25 maart 2024, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld ter zake van (onder meer) mishandelingen. Dat heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij momenteel fulltime werkzaam is als kok en bezig is met een overstap naar de zorg om als persoonlijk begeleider met jongeren te gaan werken. Verdachte heeft hiervoor een opleiding afgerond en heeft voor de uitoefening van die functie onlangs een ‘Verklaring Omtrent het Gedrag’ (VOG) ontvangen. Verder heeft verdachte naar voren gebracht dat hij een relatie heeft, dat hij geen schulden heeft en dat er geen bijzonderheden zijn met betrekking tot middelengebruik.\n\nTen aanzien van de strafoplegging heeft de raadsman verzocht om, in geval van een bewezenverklaring, de LOVS-oriëntatiepunten te volgen. De raadsman heeft primair verzocht om een schuldigverklaring zonder oplegging van straf en subsidiair om aan verdachte een voorwaardelijke geldboete op te leggen.\n\nMet betrekking tot het verzoek van de raadsman om toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht overweegt het hof als volgt. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht in deze situatie geen recht doet aan de aard en de ernst van het feit. Het hof zal dat verzoek daarom niet volgen.\n\nVoorts stelt het hof vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof is, mede gelet op de op te leggen straf, van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.\n\nAlles afwegende, acht het hof voor dit feit het opleggen van een taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door20 (twintig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. G.A. Versteeg, voorzitter,\n\nmr. P.S. Bakker en mr. M.C. van Linde, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M.F. Bijlsma, griffier,\n\nen op 8 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:3277","2024-05-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.369Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":50,"updatedAt":70},"1516","ECLI:NL:RBZWB:2024:2165","ecli-nl-rbzwb-2024-2165",64,"2024-04-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nparketnummer: 02\u002F111820-23, 02\u002F252905-22 (tul)\n\nvonnis van de meervoudige kamer van 4 april 2024\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag 1] 1990 te [geboorteplaats] ,\n\nwonende te [woonadres] ,\n\nraadsman mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden, advocaat te Roosendaal.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 maart 2024. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie,\n\nmr. G. Smid, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage I bij dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk, weergegeven op neer dat verdachte\n\nfeit 1: [slachtoffer] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd;\n\nfeit 2: [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel dat hij haar heeft mishandeld.\n\n3. De voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig.\n\nDe rechtbank is bevoegd.\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.\n\nEr is geen reden voor schorsing van de vervolging.\n\n4. De beoordeling van het bewijs4.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert vrijspraak voor feit 1, omdat in het dossier onvoldoende ondersteuning zit voor de aangifte van [slachtoffer] . De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde onder feit 2 bewezen en baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer] , haar letsel en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] .4.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging bepleit vrijspraak voor beide feiten, omdat de verklaring van [slachtoffer] onbetrouwbaar is en niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel.4.3. Het oordeel van de rechtbank4.3.1. \n\nDe bewijsmiddelen\n\nDe bewijsmiddelen zijn in bijlage II bij dit vonnis opgenomen.4.3.2. \n\nDe bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nFeit 1\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat hij op 3 en 4 maart 2023 [slachtoffer] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd. Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] op die data bij verdachte in de auto heeft gezeten en dat zij enige tijd hebben rondgereden. Op basis van het dossier kan echter niet worden vastgesteld dat dit tegen de wil van [slachtoffer] was. De verklaring van [slachtoffer] wordt weersproken door verdachte en op dit punt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van feit 1.\n\nFeit 2\n\n [slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat zij op 4 maart 2023 met verdachte in een auto zat op een parkeerplaats in Rotterdam. Verdachte heeft toen meerdere keren met zijn vuist op haar hoofd geslagen. Vervolgens is [slachtoffer] uit de auto gestapt en is naar een geparkeerd busje gelopen, waar getuigen [getuige 2] en [getuige 1] in zaten. Getuigen [getuige 2] en [getuige 1] hebben gezien dat verdachte en [slachtoffer] ruzie hadden in de auto en dat [slachtoffer] uit de auto is gestapt. Ze zagen dat er bloed uit het oor van [slachtoffer] kwam en dat er bloed boven haar oor en op haar hand zat. [getuige 2] heeft verder gezien dat [slachtoffer] haar hoofd vasthield toen ze uit de auto stapte. Getuigen [getuige 2] en [getuige 1] hebben haar vervolgens afgezet bij [naam] , een vriendin van [slachtoffer] . [naam] heeft toen gezien dat het rechteroor van [slachtoffer] onder het bloed zat, dat er bloed op haar slaap en kleding zat en op haar voorhoofd een grote bult. [naam] heeft foto’s gemaakt van het letsel en heeft [slachtoffer] na ongeveer twee uur naar huis gebracht. De foto’s zijn niet pas twaalf uur later gemaakt, zoals door de verdediging naar voren is gebracht. Daarnaast past het letsel ook niet bij de verklaring van verdachte, dat [slachtoffer] bij het uit de auto stappen is gevallen. Dit is ook niet door de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] gezien, terwijl [getuige 2] verklaard dat hij haar zag uitstappen.\n\nUit de geneeskundige verklaring van 15 maart 2023 blijkt dat [slachtoffer] een bult op haar voorhoofd en een piep in haar oor heeft. Voor de piep in haar oor is ze verwezen naar een KNO-arts. [slachtoffer] is op 18 april 2023 in het Bravis ziekenhuis geweest. Daar is gebleken dat [slachtoffer] ernstige traumatische tinnitus en gehoorvermindering heeft. Voor dit letsel is het plaatsen van een hoortoestel noodzakelijk geweest.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [slachtoffer] onbetrouwbaar is. De rechtbank is echter van oordeel dat haar verklaring door drie getuigen en de foto’s van het letsel wordt ondersteund. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meerdere keren op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde op zitting kan niet worden afgeleid dat [slachtoffer] een verleden kent met tinnitus en gehoorverlies. De rechtbank stelt vast dat het letsel is ontstaan doordat verdachte meerdere keren op haar hoofd heeft geslagen. Dat de geneeskundige verklaringen van enige tijd na het toebrengen van het letsel zijn, zoals door de verdediging naar voren gebracht, doet aan dat oordeel niets af. Het door de artsen geconstateerde letsel past bij de door verdachte verrichte geweldshandelingen en ook bij het letsel dat te zien is op de foto’s die [naam] kort na het incident heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank dient te beoordelen of sprake is van zwaar lichamelijk letsel en vervolgens of verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] .\n\nZwaar lichamelijk letsel\n\n [slachtoffer] heeft ernstige traumatische tinnitus en gehoorverlies opgelopen en daarvoor was het plaatsen van een hoortoestel noodzakelijk. Tinnitus heeft naar algemene ervaringsregels een beperkende en storende invloed op het gehoor, wat zijn weerslag heeft op het (beroepsmatig) functioneren en op het algehele welbevinden. Daarnaast is er geen uitzicht op (volledig) herstel. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat dit letsel naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Daarnaast is er voor wat betreft het gehoorverlies volgens de verklaringen het gebruik van een gehoorapparaat nodig en is er geen melding van mogelijkheid tot verbetering. Ook dit gehoorverlies wordt aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.\n\n(voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel\n\nUit het dossier blijkt niet dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . Er kan echter ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet.\n\n De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte meermalen met de vuist op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gezicht en het hoofd kwetsbare onderdelen zijn van het lichaam, door de zich daar bevindende (vitale) onderdelen zoals de slaap en de hersenen. Ook aan ogen en oren kan eenvoudig blijvend letsel worden toegebracht. De kans dat iemand die meermalen met de vuist op het hoofd wordt geslagen zwaar lichamelijk letsel oploopt, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. De handelingen van verdachte moeten naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm dan ook worden geacht daarop gericht te zijn geweest, aangezien verdachte meermalen met zijn vuist op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Door zo te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer] en dat verdachte hier voorwaardelijk opzet op heeft gehad. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan zware mishandeling, zoals onder feit 2 primair ten laste is gelegd.4.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte\n\n2\n\nop 4 maart 2023 te Rotterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten perceptief gehoorverlies en traumatische tinnitus, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen met de vuist op\u002Ftegen het hoofd te stompen.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n5. De strafbaarheid\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.\n\nVerdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.\n\n6. De strafoplegging6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vier maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert hij aan verdachte op te leggen een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] voor twee jaar.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging verzoekt rekening te houden met de toepassing van artikel 63 Sr en de omstandigheid dat verdachte werk heeft.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVerdachte heeft zich op 4 maart 2023 schuldig gemaakt aan zware mishandeling van zijn ex-partner [slachtoffer] . Terwijl zij samen in de auto zaten, heeft hij meerdere keren met zijn vuist op haar hoofd gestompt. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer] tinnitus en gehoorverlies opgelopen. Zij draagt daarom inmiddels een hoortoestel. Uit het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat [slachtoffer] nog dagelijks last heeft van hoofdpijn, oorsuizen en dat zij moeite heeft met focussen. Daarnaast kan ze slecht slapen, heeft ze last van depressieve gevoelens en voelt zich onveilig. Volgens de GZ-psycholoog is sprake van een posttraumatische stressreactie en wordt er EMDR-therapie ingezet.\n\nDe rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de houding van verdachte. Hij heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Daarnaast blijkt uit zijn strafblad dat hij na deze mishandeling is veroordeeld voor een eerder gepleegd geweldsincident met een andere ex-partner. Hoewel van recidive strikt genomen geen sprake is, houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte vaker gewelddadig is geweest richting (ex-)partners en niet leert van optreden door politie en justitie. Artikel 63 Sr is voorts van toepassing.\n\nOok heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 12 maart 2024, waarin wordt geadviseerd aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd en een contactverbod met [slachtoffer] . Uit het rapport volgt dat de reclassering bij verdachte een patroon ziet ontstaan, waarbij hij gewelddadig gedrag laat zien richting ex-partners na het verbreken van een relatie. Het risico op geweldsrecidive wordt dan ook als gemiddeld tot hoog ingeschat. Volgens de reclassering is verdachte van mening dat het goed gaat in zijn leven en dat hij geen hulp nodig heeft. Zo heeft verdachte verteld dat hij met succes twee jaar onder schorsingstoezicht heeft gestaan en er geen problemen zijn op het gebied van middelengebruik. Na onderzoek van de reclassering blijkt echter dat het toezicht maar zeven maanden heeft geduurd, waarbij er in de laatste maanden zorgen waren over een terugval in alcohol- en drugsgebruik. Ook raakte verdachte uit beeld bij de reclassering en gaf hij slechts beperkt openheid over zijn sociaal netwerk en financiën. De afspraken rondom het inzetten van hulpverlening werden door verdachte afgehouden. Door de houding van verdachte ziet de reclassering geen mogelijkheid om met reclasseringstoezicht te werken aan gedragsverandering of verlaging van recidive. Het voortzetten van het contactverbod met [slachtoffer] is wenselijk.\n\nGelet op de aard en de ernst van het feit en de straffen die hiervoor in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. Alles overziend acht de rechtbank een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. Zij zal als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] opleggen.\n\nDe rechtbank zal niet overgaan tot de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] . Deze maatregel strekt ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten. Vereist is dat er sprake is van herhalingsgevaar. Nu uit het reclasseringsadvies blijkt dat verdachte zich al een geruime tijd aan het contactverbod met [slachtoffer] heeft gehouden, is de rechtbank van oordeel dat het herhalingsgevaar als in dit wetsartikel vereist niet kan worden vastgesteld. Omdat een contactverbod wel nodig is voor de rust van [slachtoffer] wordt het contactverbod wel als bijzondere voorwaarde, als hiervoor vermeld, opgelegd.\n\n7. De benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 8.964,59, bestaande uit € 964,59 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit:\n\nreiskosten: € 459,69;\n\nkosten fysiotherapie: € 295,00;\n\ntoekomstige kosten fysiotherapie: € 200,00;\n\ntoekomstige reiskosten: € 9,90.\n\nMateriële schade\n\nDe gevorderde kosten voor de fysiotherapie en de reiskosten zijn voldoende onderbouwd en een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal het bedrag van\n\n€ 754,69 dan ook toewijzen.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de toekomstige fysiokosten en reiskosten niet-ontvankelijk verklaren, nu dit onzekere toekomstige schade zou betreffen en beoordeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces met zich meebrengt. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij zwaar is mishandeld door haar ex-partner. Hij heeft meerdere keren met zijn vuist op haar hoofd geslagen. Hierdoor heeft de benadeelde partij ernstige tinnitus en gehoorverlies opgelopen en moet zij inmiddels een hoortoestel dragen. Tinnitus is een hinderlijke aandoening. Het heeft een beperkende en storende invloed op het gehoor, waardoor deze aandoening grote gevolgen heeft voor het dagelijks leven en het algehele welbevinden. Er is bij deze aandoening geen zicht op volledig herstel. Ook de afhankelijkheid van een gehoorapparaat is ingrijpend. Dit alles terwijl de benadeelde partij pas 29 jaar oud is.\n\nNaast lichamelijk letsel heeft de benadeelde partij ook geestelijk letsel. Er is sprake van een posttraumatische stressreactie, waarvoor EMDR wordt ingezet. De aard en de ernst van de normschending door verdachte brengt mee dat de relevante nadelige psychische gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in de eer of goede naam. Dit betekent dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt.\n\nGelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank de gevorderde vergoeding van een bedrag van € 8.000,00 billijk. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.\n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van de toegewezen schade (in totaal € 8.754,69) de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf 4 maart 2023. De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging\n\nDe officier van justitie heeft bij vordering van 20 februari 2024 gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van 12 juni 2023, ten uitvoer zal worden gelegd.\n\nOp zitting heeft de officier van justitie gevorderd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging, omdat deze voorwaardelijke straf al ten uitvoer is gelegd.\n\nDe rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie en zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.\n\n9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreekt verdachte vrijvan het onder 1 tenlastegelegde feit;\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het tenlastegelegde feit 2 primair bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;\n\n- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:\n\nfeit 2 primair:zware mishandeling;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nStrafoplegging\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;\n\n- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt als algemene voorwaarden:\n\n* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1995 te [geboorteplaats] , zo lang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;\n\n- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;\n\nVordering tenuitvoerlegging (02\u002F252905-22)\n\n- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak onder parketnummer 02\u002F252905-22;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer]\n\n- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van\n\n€ 8.754,69, waarvan € 754,69 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2023 tot aan de dag der voldoening;\n\n- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;\n\n- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\n- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 8.754,69 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2023 tot aan de dag der voldoening;\n\n- bepaalt dat bij niet betaling 78 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;\n\n- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.E. de Boer, voorzitter, mr. M.E.I. Beudeker en\n\nmr. L.H. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 april 2024.\n\nDe voorzitter en oudste rechter zijn niet in staat dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:2165","2026-07-13T00:29:24.977Z",20,[73,74,11,75],2026,2025,2023]