[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-violent-crime-nl-2025":3},{"detail":4,"years":72},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":71},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},115,"violent-crime-nl","Violent Crime","NL","2026-07-08T16:56:56.704Z",2025,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":14},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":15},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":14},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,61],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1203","ECLI:NL:GHARL:2025:5647","ecli-nl-gharl-2025-5647","",57,"2025-09-12T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-000211-25\n\nUitspraakdatum: 12 september 2025\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 20 januari 2025 met parketnummer 18-236412-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-234092-20, in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,\n\nwonende te [adres] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 augustus 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. A. Faber, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe politierechter heeft bij vonnis van 20 januari 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling afgewezen.\n\nHet hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. hij op of omstreeks 27 april 2024 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen \"je gaat binnenkort gekielhaald worden\" en\u002Fof \"Ik maak je kanker kapot als je de cel uitloopt\" en\u002Fof \"als je nog één keer bij mij komt maak ik je kankerdood\" en\u002Fof \"je wordt geget door de andere Marokkanen als je buiten komt\" en\u002Fof \"je krijgt een kogel door je kop\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n2. hij op of omstreeks 27 april 2024 te [plaats] , zich met geweld en\u002Fof bedreiging met geweld, heeft verzet, tegen een of meerdere ambtena(a)r(en), te weten: [slachtoffer 1] ( [functie 1] bij de politie Eenheid Noord-Nederland) en\u002Fof [slachtoffer 2] ( [functie 2] bij de politie eenheid Noord-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhun bediening, te weten ter aanhouding en\u002Fof overbrenging van verdachte, door\n\n- zijn armen los te trekken, althans deze te bewegen in een andere richting dan daar waar verbalisant(en) het trachtte(n) te bewegen,\n\n- schoppende bewegingen naar achteren te maken, en\u002Fof\n\n- één of meerdere kopstoten te geven;\n\n3. hij op of omstreeks 27 april 2024 te [plaats] , een ambtenaar, te weten verbalisant [slachtoffer 1] , werkzaam als [functie 1] bij politie Eenheid Noord-Nederland, gedurende en\u002Fof terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door een of meerdere schoppen tegen de benen, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] te geven.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverweging met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten omtrent de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof verenigt zich met de overwegingen van de politierechter omtrent de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten waar de politierechter overweegt (hierna cursief weergegeven):\n\nDe politierechter acht de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen en verwijst daartoe naar de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [verbalisant] , alsmede de omschrijving van de dashcam- en bodycambeelden.\n\nTen aanzien van het ten laste gelegde feit 1, de bedreiging, merkt de politierechter op dat de uitingen van dien aard waren en de bedreiging onder zodanige omstandigheden is gedaan dat bij verbalisant [slachtoffer 1] wel degelijk de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zal worden gepleegd. Dat verdachte op dat moment werd aangehouden en naar een cel werd gebracht, doet hier niet aan af. Immers, verdachte zou op enig moment ook weer uit detentie komen.\n\nBewezenverklaring\n\nDoor wettige bewijsmiddelen, die later zullen worden uitgewerkt indien tegen dit arrest cassatie wordt ingesteld en waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. hij op 27 april 2024 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen \"je gaat binnenkort gekielhaald worden\" en \"Ik maak je kanker kapot als je de cel uitloopt\" en \"als je nog één keer bij mij komt maak ik je kankerdood\" en \"je wordt geget door de andere Marokkanen als je buiten komt\" en \"je krijgt een kogel door je kop\";\n\n2. hij op 27 april 2024 te [plaats] , zich met geweld heeft verzet, tegen meerdere ambtenaren, te weten: [slachtoffer 1] ( [functie 1] bij de politie Eenheid Noord-Nederland) en [slachtoffer 2] ( [functie 2] bij de politie eenheid Noord-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding en overbrenging van verdachte, door\n\n- zijn armen te bewegen in een andere richting dan daar waar verbalisant(en) het trachtte(n) te bewegen, en\n\n- schoppende bewegingen naar achteren te maken;\n\n3. hij op 27 april 2024 te [plaats] , een ambtenaar, te weten verbalisant [slachtoffer 1] , werkzaam als [functie 1] bij politie Eenheid Noord-Nederland, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door meerdere schoppen tegen de benen van die [slachtoffer 1] te geven.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nwederspannigheid.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, de feiten 2 en 3 in eendaadse samenloop begaan.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht om oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het momenteel goed gaat met verdachte: hij is druk bezig met het aflossen van zijn schulden, heeft zich losgemaakt van zijn negatieve sociale netwerk en is de laatste tijd minder in contact gekomen met politie en justitie. Oplegging van een vrijheidsbenemende straf zou deze positieve ontwikkeling doorkruizen, aldus de raadsvrouw.\n\nOordeel van het hof\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven, wederspannigheid en mishandeling van een politieambtenaar. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. Dergelijk gedrag getuigt naar het oordeel van het hof ook van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag.\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging in strafverzwarende zin acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 augustus 2025. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.\n\nHet hof heeft voorts acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier blijken en ter terechtzitting in hoger beroep door zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht.\n\nAnders dan de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet volstaan kan worden met een geheel voorwaardelijke straf. Gelet op het voorgaande acht het hof, alles afwegende, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\nHet openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Noord-Nederland van 14 december 2020 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met parketnummer 18-234092-20. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling deels wordt toegewezen, te weten voor de duur van drie weken.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling af te wijzen omdat verdachte al geruime tijd niet meer politie en justitie in contact is gekomen en de tenlastegelegde feiten andersoortige feiten betreffen.\n\nOordeel van het hof\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden bevolen. In hetgeen de advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om de vordering af te wijzen dan wel slechts gedeeltelijk toe te wijzen.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 57, 180, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) weken.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 14 december 2020, parketnummer 18-234092-20, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) weken.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. L.T. Wemes, voorzitter,\n\nmr. M.C. Fuhler en mr. F.E.J. Goffin, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,\n\nen op 12 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:5647","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:09.766Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"881","ECLI:NL:GHARL:2025:2164","ecli-nl-gharl-2025-2164",70,"2025-04-09T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-002640-24\n\nUitspraak d.d.: 9 april 2025\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 7 juni 2024 met parketnummer 16-306213-22 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,\n\nwonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,\n\nverblijvende te [verblijfadres] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 maart 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:\n\nveroordeling van verdachte voor de onder 1 primair (voor doodslag) en onder 2 (bedreiging) tenlastegelegde feiten;\n\nontslag van alle rechtsvervolging van verdachte ten aanzien van beide bewezenverklaarde feiten;\n\noplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met de voorwaarden zoals die ook zijn opgelegd door de rechtbank Midden-Nederland in haar vonnis van 7 juni 2024, alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel, met bepaling dat die terbeschikkingstelling niet gemaximeerd is als die wordt omgezet in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege;\n\noplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr).\n\nDaarnaast heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen dient te worden tot een bedrag van € 19.516,03 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] toegewezen dient te worden tot een bedrag van € 4.226,46 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;\n\nten aanzien van het beslag: onttrekking aan het verkeer van het alarmpistool en het stroomstootwapen en teruggave aan de rechthebbende van de overige inbeslaggenomen goederen.\n\nDeze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,\n\nmr. Y. Moszkowicz, en de advocaat van de benadeelde partijen, mr. F.J.M. Hamers, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 7 juni 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld, de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en daarbij de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden en de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr opgelegd.\n\nTen aanzien van de benadeelde partijen heeft de rechtbank:\n\n de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 19.516,03, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vordering voor het overige afgewezen;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] toegewezen tot een bedrag van\n\n€ 4.226,46, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vordering voor het overige afgewezen.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank het inbeslaggenomen stroomstootwapen onttrokken aan het verkeer en ten aanzien van de overige inbeslaggenomen voorwerpen teruggave aan de rechthebbende gelast.\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank grotendeels op juiste wijze heeft beslist, maar zal het vonnis vernietigen, omdat het tot een enigszins andere bewezenverklaring komt en een andere beslissing neemt over de duur van de gijzeling in verband met de schadevergoedingsmaatregel en het beslag voor wat betreft het alarmpistool.\n\nOmdat het hof de bewijsmotivering in het vonnis deels volgt, zal het hof hierna telkens de passages uit het vonnis aanhalen waarmee het zich verenigt en telkens aanduiden op welke punten het tot een ander oordeel komt.\n\nHet hof komt, ondanks die gewijzigde bewezenverklaring, tot een aan het vonnis gelijkluidende kwalificatie van het bewezenverklaarde. Ook het oordeel over de strafbaarheid van de feiten en van de verdachte, over de oplegging van de maatregel en de vorderingen van de benadeelde partijen zijn gelijk aan de beslissingen van de rechtbank.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg tenlastegelegd dat:\n\n1. hij op of omstreeks 23 november 2022 te [plaats] , in elk geval in Nederland\n\n [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] een medicijn althans een (genees)middel toe te dienen en\u002Fof geweld toe te passen op die [slachtoffer] door op die [slachtoffer] te gaan zitten en\u002Fof ( met kracht) de keel van die [slachtoffer] ( met zijn handen en\u002Fof zijn arm) dicht te knijpen en\u002Fof duwen en\u002Fof dicht te houden en\u002Fof uitwendige druk op de borstkas uit te oefenen, althans de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd te beletten en\u002Fof te belemmeren, ( aldus) die [slachtoffer] te wurgen en\u002Fof te smoren en\u002Fof te versmachten ten gevolge waarvan zij op 30 november 2022 te [plaats] is overleden;\n\n1. subsidiair hij op of omstreeks 23 november 2022 te [plaats] , in elk geval in Nederland aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in het schildkraakbeen, heeft toegebracht, door geweld toe te passen op die [slachtoffer] door op die [slachtoffer] te gaan zitten en\u002Fof ( met kracht) de keel van die [slachtoffer] ( met zijn handen en\u002Fof zijn arm) dicht te knijpen en\u002Fof te duwen en\u002Fof dicht te houden en\u002Fof uitwendige druk op de borstkas uit te oefenen, althans de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd te beletten en\u002Fof te belemmeren, ( aldus) die [slachtoffer] te wurgen en\u002Fof te smoren en\u002Fof te versmachten, terwijl het feit op 30 november 2022 te [plaats] de dood ten gevolge heeft gehad;\n\n2. hij op of omstreeks 23 november 2022 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen \"het is een dikke overdosis he. Als ik je laat liggen zo. Dit is al 30 keer meer. Dit is gewoon zo’n bek hek erin gooid. Dus ik denk als ik je even laat liggen zo dat je weg bent\" en\u002Fof En je vader is ook zo dood gegaan he.’’ en\u002Fof ‘’ik maak je van kant, echt waar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant.’’ althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof door op die [slachtoffer] te gaan zitten ten gevolge waarvan de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd werd belet.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverweging met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot veroordeling van verdachte voor zowel het onder 1 primair en het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde, in die zin dat verdachte veroordeeld wordt voor de onder 1 primair impliciet tenlastegelegde doodslag.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor alle tenlastegelegde feiten en heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd.\n\nMet betrekking tot het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het procesdossier niet kan worden bewezen dat verdachte een medicijn heeft toegediend aan het slachtoffer [slachtoffer] (hierna verder: [slachtoffer] ) en dat uit toxicologisch onderzoek volgt dat de in het bloed van [slachtoffer] aangetroffen olanzapine niet de doodsoorzaak van [slachtoffer] is geweest.\n\nDe raadsman heeft daarnaast meerdere alternatieve scenario’s naar voren gebracht. Eén van\n\ndeze alternatieve scenario’s houdt in dat het op basis van de inhoud van het procesdossier\n\nwaarschijnlijk is dat [slachtoffer] zelf het in haar bloed aangetroffen middel buspiron heeft ingenomen, ten gevolge waarvan zij zou zijn overleden. Een ander alternatief scenario betreft de mogelijkheid dat [slachtoffer] is overleden door intoxicatie door middel van een koolmonoxidevergiftiging.\n\nMet betrekking tot de ten laste gelegde geweldshandelingen (wurgen, smoren en\n\nversmachten) in het onder feit 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde heeft de raadsman het navolgende bepleit. Niet kan worden uitgesloten dat het breukje in het schildkraakbeen is ontstaan door reanimatiehandelingen of samen met de blauwe plekken is ontstaan op het moment dat [slachtoffer] na de schermutseling in de keuken op de grond is gevallen of later, toen zij naast het bed is gevallen, en dat het letsel dus geen enkel verband houdt met door verdachte toegepast geweld en het overlijden van [slachtoffer] een week later. Daarnaast heeft hij bepleit dat het aangetroffen letsel niet als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr kan worden gedefinieerd.\n\nVerder heeft de raadsman ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde bepleit dat het causale verband tussen het eventuele handelen van verdachte en het latere overlijden van [slachtoffer] onvoldoende vast is komen te staan en dat verdachte geen opzet heeft gehad op haar dood. Uit de gedragingen die wel bewezen kunnen worden verklaard, kan niet worden afgeleid dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op voornoemde gevolgen heeft aanvaard.\n\nTot slot heeft de raadsman met betrekking tot de onder feit 1 primair ten laste gelegde moord gesteld dat niet is voldaan aan de vereisten voor voorbedachte raad.\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van feit 2 (bedreiging) betoogd dat verdachte weliswaar de woorden heeft uitgesproken die in de tenlastelegging staan, maar dat bij [slachtoffer] daardoor niet redelijkerwijs de vrees kon ontstaan dat deze bewoordingen daadwerkelijk zouden worden waargemaakt. Van een strafrechtelijke bedreiging is dus geen sprake geweest.\n\nHet oordeel van het hof\n\nFeit 1 primair\n\nVrijspraak moord\u002Fvoorbedachte raad\n\nHet hof heeft overeenkomstig de standpunten van de advocaat-generaal en de raadsman uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht. Het is het hof niet gebleken dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft beraden op het genomen besluit om zijn echtgenote te doden en dat hij dus niet zou hebben gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van moord, zoals onder 1 primair is tenlastegelegd.\n\nVaststelling van de feiten\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis over de vaststelling van de feiten, het onderdeel ‘toedienen van het medicijn’ en de oorzaak van de reanimatiebehoeftige toestand het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVaststelling van de feiten\n\nOp 23 november 2022 omstreeks 02:17 uur is bij de meldkamer een melding binnengekomen van verdachte dat hij zich samen met zijn vrouw (hierna: [slachtoffer] ) in hun woning in [plaats] bevond. [slachtoffer] zou een overdosis hebben gehad en op dat moment bewusteloos zijn. Als de politie enkele minuten later ter plaatse komt, wordt [slachtoffer] in de slaapkamer naast het bed in een reanimatiebehoeftige toestand aangetroffen. De hulpdiensten zijn daar gestart met de reanimatie van [slachtoffer] , waarna zij is overgebracht naar het ziekenhuis in [plaats] . Vervolgens is [slachtoffer] op 30 november 2022 in het ziekenhuis overleden.\n\nUit een geluidsopname die verdachte heeft gemaakt in de avond van 22 november 2022 omstreeks 22:30 uur en uit de verklaring van verdachte zelf, volgt dat verdachte en [slachtoffer] die avond een handgemeen hebben gehad en dat verdachte toen [slachtoffer] bij haar keel heeft vastgepakt. Ook is verdachte op [slachtoffer] gaan zitten, waarna [slachtoffer] heeft aangegeven dat zij moeite had met ademhalen. Hoewel [slachtoffer] na deze geweldshandelingen nog aanspreekbaar lijkt te zijn, moet zij ergens tussen dit moment en het moment enkele uren later waarop de politie ter plaatse kwam (omstreeks 02:20 uur) in een reanimatiebehoeftige toestand zijn terechtgekomen.\n\nPartiële vrijspraak: toedienen medicijn\n\nDe rechtbank overweegt dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door haar een geneesmiddel toe te dienen. Verdachte zal dan ook partieel worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onderdeel ‘toedienen van een medicijn, althans een geneesmiddel’.\n\nOorzaak reanimatiebehoeftige toestand\n\nUit het rapport van de patholoog volgt dat zowel stomp botsende, (samen)drukkende en\u002Fof toesnoerende krachtinwerking op de hals kunnen hebben geleid tot of bijgedragen hebben aan de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] . Uit het rapport van de toxicoloog blijkt dat een bijdrage van buspiron aan het overlijden niet kan worden geconcludeerd noch kan worden uitgesloten. Nu de oorzaak van het reanimatiebehoeftig worden (en het overlijden) van [slachtoffer] niet met 100% zekerheid kan worden vastgesteld, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de rechtbank ondanks deze onzekerheid tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag kan komen.\n\nHet hof neemt bovenstaande overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nAlternatieve scenario’s\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting bij het hof twee alternatieve scenario’s aangevoerd. Die zijn ook aangevoerd in eerste aanleg. De rechtbank heeft in haar vonnis over het eerste alternatieve scenario ‘inname buspiron door [slachtoffer] ’ het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVan belang is allereerst dat in het bloed van [slachtoffer] buspiron en het omzettingsproduct hydroxybuspiron zijn aangetoond. Het scenario dat de verdediging heeft benoemd is dat [slachtoffer] een toxische hoeveelheid buspiron kan hebben ingenomen.\n\nDe gemeten concentratie (van ongeveer 0,0020 mg\u002F1) is een therapeutisch (werkzame) concentratie. Het bewustzijn\u002Fgedrag van [slachtoffer] was ten tijde van het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand dus waarschijnlijk (therapeutisch) beïnvloed door het aanwezige buspiron. Hoeveel hoger de concentratie was ten tijde van het reanimatiebehoeftig worden kan volgens de deskundige moeilijk worden ingeschat, omdat de omzetting en uitscheiding van buspiron tussen personen verschilt en beïnvloed kunnen zijn tijdens de ziekenhuisopname.\n\nNu namens verdachte is aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] door inname van een toxische concentratie Buspiron om het leven is gekomen, wijst de rechtbank op de inhoud van het rapport van de forensisch toxicoloog van 29 februari 2024 naar aanleiding van aanvullende vragen die de rechtbank heeft gesteld. Daaruit volgt dat het in theorie mogelijk is dat de[toen] gemeten buspironconcentratie van ongeveer 0,0020 mg\u002Fl bloed ten tijde van het reanimatiebehoeftig worden een toxische concentratie is geweest. Het kan echter ook nog steeds een therapeutische concentratie zijn geweest. Verder wordt uitgelegd dat in de literatuur voor zover bekend geen gevallen zijn beschreven waarbij personen reanimatiebehoeftig zijn geworden door inname van buspiron of zijn overleden door (overdosering met) buspiron.[…] De rechtbank acht dit door de verdediging geschetste alternatieve scenario dan ook niet aannemelijk geworden.\n\nHet hof overweegt dat, nu niet aannemelijk is geworden dat buspiron de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] is geweest, het voor het oordeel van het hof niet relevant is of [slachtoffer] zelf deze medicatie heeft ingenomen of dat de medicatie op andere wijze (zoals toegediend door verdachte) in haar bloed is gekomen.\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis omtrent het alternatieve scenario ‘koolstofmonoxide’ het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nDe rechtbank vindt eveneens onvoldoende aannemelijk geworden dat [slachtoffer] door een koolmonoxidevergiftiging in een reanimatiebehoeftige toestand terecht is gekomen en uiteindelijk is overleden. Hiervoor bestaan geen aanwijzingen. Daar komt bij dat uit het dossier volgt dat er in de nacht van 23 november 2022 - direct na het aantreffen van [slachtoffer] - en de daaropvolgende dag meerdere politiefunctionarissen voor langere tijd in de woning aanwezig zijn geweest ten behoeve van het verrichten van (forensisch) onderzoek. Het had dan ook voor de hand gelegen dat één of meerdere van deze personen onwel zouden zijn geworden in het geval er daadwerkelijk sprake was geweest van hoge koolmonoxide waarden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niets gebleken.\n\nHet hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nGeweldshandelingen en causaliteit\n\nVervolgens staat het hof voor de vraag of verdachte in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022 opzettelijk de in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen tegen [slachtoffer] heeft verricht, ten gevolge waarvan zij op 30 november 2022 is overleden.\n\nDe rechtbank heeft hieromtrent onder meer het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVoorop staan de bevindingen uit het forensische dossier. De forensisch patholoog komt tot de conclusie dat de krachtinwerking op de hals van [slachtoffer] , in de vorm van stomp botsende, (samen)drukkende en\u002Fof toesnoerende krachtinwerking op de hals, wat heeft geleid tot een breuk van de linker bovenste hoorn van het schildkraakbeen, kan hebben geleid tot of bijgedragen hebben aan het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] .\n\nDaar komen op basis van de bewijsmiddelen in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten bij. In de avond en nacht van 22 op 23 november 2022 bevond verdachte zich samen met [slachtoffer] in hun gezamenlijke woning. Er zijn geen aanwijzingen dat er die avond nog andere personen aanwezig zijn geweest in de woning. Verdachte heeft daarover ook niets verklaard. Verdachte en [slachtoffer] hadden in de periode voorafgaand aan 23 november 2022 relatieproblemen en hadden het voornemen om van elkaar te scheiden. Verdachte verkeerde daarbij al langere tijd, ook in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022, in de waan dat [slachtoffer] hem wilde vergiftigen met ketamine. Uit de geluidsopname blijkt dat verdachte [slachtoffer] hiervan beschuldigde, dat [slachtoffer] dit bleef ontkennen en dat verdachte gefrustreerd raakte. Ook heeft verdachte tijdens de opname meerdere keren tegen [slachtoffer] gezegd dat hij haar dood wilde maken. Verder blijkt uit de geluidsopname dat hij dusdanig geweld tegen haar gebruikte dat zij in haar adem werd belemmerd.\n\nBij [slachtoffer] is enkele uren later, kort nadat zij in reanimatiebehoeftige toestand is\n\naangetroffen, letsel vastgesteld; er zijn verspreid over haar lichaam meerdere\n\nbloeduitstortingen geconstateerd. Over deze blauwe plekken verklaart de schouwarts dat een aantal, maar zeker niet alle, verklaard kunnen worden door medisch handelen in het AMC.\n\nDaarnaast was [slachtoffer] een relatief jonge vrouw en hebben de patholoog en schouwarts gerapporteerd dat zij gezond was. Ook kon er volgens voornoemde deskundigen geen ziekelijke oorzaak voor het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand worden vastgesteld en was er waarschijnlijk geen sprake van natuurlijk overlijden. (…)\n\nHet hof neemt ook deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nIn aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.\n\nUit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte fors geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] . Volgens het forensische rapport van drs. D.J. Rijken, arts en forensisch patholoog, was sprake van een breuk van de linker bovenste hoorn van het schildkraakbeen, die veroorzaakt is door stomp botsende, (samen)drukkende en\u002Fof toesnoerende krachtinwerking, met zwelling in de omliggende wekedelen. Het is daarnaast volgens de patholoog zeer onwaarschijnlijk dat deze breuk het gevolg is van reanimatiehandelingen.\n\nHet hof constateert dat het letsel typerend is voor verwurgingshandelingen. Daar komt bij dat uit een geluidsopname blijkt dat verdachte eerder die dag al tegen het slachtoffer heeft gezegd dat hij haar om het leven zou brengen. Op die geluidsopname is onder meer het volgende te horen:\n\nM (het hof begrijpt: verdachte): Nee, nee ik maak je van kant hoor\n\nV(het hof begrijpt: [slachtoffer] ): Ja nou… dat\n\nM: Nee, nee. [slachtoffer] luister, ik maak je van kant, echt woar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant.\n\nUit de geluidsopname blijkt niet dat verdachte op het moment van dat handgemeen al de keel van [slachtoffer] vastgepakt heeft. Op dezelfde geluidsopname is te horen dat verdachte en [slachtoffer] na het handgemeen normaal met elkaar spraken. Het hof gaat er daarom vanuit dat het letsel aan het schildkraakbeen niet toen al is ontstaan maar dat er daarna een incident moet zijn geweest waarbij [slachtoffer] kennelijk zodanig is verwurgd dat een breuk is ontstaan in haar schildkraakbeen en zij in een reanimatiebehoeftige toestand is geraakt. Daarnaast zijn rondom haar ogen en op meerdere plaatsen op haar lichaam blauwe plekken aangetroffen. Dergelijke verwondingen, en vooral de hoeveelheid ervan, dragen bij aan de overtuiging van het hof dat een later incident moet hebben plaatsgevonden, waarbij ook dit letsel aan [slachtoffer] is toegebracht.\n\nVerdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat er in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022, voor zover hij weet, geen andere mensen binnen in de woning zijn gekomen. Het is het hof niet gebleken dat er andere mensen in de woning waren die nacht.\n\nHet hof is gelet op voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat [slachtoffer] door verwurgingshandelingen van verdachte in een reanimatiebehoeftige toestand is gekomen. Die gedragingen zijn in de keten van gebeurtenissen een noodzakelijke factor geweest voor het ingetreden gevolg, te weten het overlijden van [slachtoffer] .\n\nVoorts is het hof van oordeel dat het overlijden van [slachtoffer] redelijkerwijs aan de gedragingen van verdachte kunnen worden toegerekend. Zonder zijn handelingen zou [slachtoffer] niet in een reanimatiebehoeftige toestand zijn gekomen en zou zij niet in een zodanige toestand zijn geraakt dat haar nabestaanden de moeilijke, maar medisch en ethisch navolgbare beslissing hebben genomen de apparatuur die haar in leven hield uit te laten zetten.\n\nOpzet\n\nDe gedragingen van verdachte zijn zozeer gericht geweest op het dodelijk verwonden van [slachtoffer] , dat dit naar het oordeel van het hof vol opzet op het dodelijk letsel bij haar oplevert. Verdachte heeft de keel van [slachtoffer] kennelijk zo lang en met zodanige kracht dichtgeknepen dat zij in een reanimatiebehoeftige toestand is geraakt en daardoor letsel heeft opgelopen. Het dichtknijpen van de keel op de wijze waarop verdachte dat gedaan heeft, is naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van [slachtoffer] , dat het niet anders kan dan dat de verdachte haar met deze handeling heeft willen doden. Deze wens heeft verdachte tijdens het handgemeen in de keuken, dat auditief is opgenomen, zelfs meermalen uitgesproken. Het hof is daarom van oordeel, anders dan de rechtbank, dat de verdachte zogenaamd vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .\n\nConclusie\n\nHet hof is dan ook van oordeel dat verdachte zich op 23 november 2022 in [plaats]\n\nschuldig heeft gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] , zoals hierna weergegeven.\n\nFeit 2\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVoor een succesvolle vervolging ter zake van bedreiging is vereist dat de bedreiging\n\nplaatsvindt met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling en dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou laten dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.\n\nAnders dan in de meeste zaken waarin bedreiging wordt ten laste gelegd, kan het slachtoffer hier niet navertellen of zij angstig was door de gedragingen van verdachte. Maar uit de geluidsopnames kan dit wel worden afgeleid. Niet in geschil is dat verdachte meerdere keren tegen [slachtoffer] heeft gezegd \"ik maak je van kant\" en \"het is een dikke overdosis he. (..) Ik denk als ik je even laat liggen zo dat je weg bent\" of woorden van die strekking. Die woorden in combinatie met de omstandigheden dat verdachte op [slachtoffer] zat en zij moeilijk kon ademen, moet bij [slachtoffer] redelijkerwijs de vrees hebben opgewekt dat verdachte zijn aangekondigde voornemen om [slachtoffer] ‘van kant te maken’ zou uitvoeren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat daarmee sprake is van bedreiging, zoals onder feit 2 ten laste is gelegd.\n\nHet hof neemt deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt daaraan toe dat de vrees bij [slachtoffer] ook duidelijk te horen is in haar eigen bewoordingen, zoals op de geluidsopname te horen is. Onder andere zegt [slachtoffer] : ‘ik ben ook bange veur joe’en ‘ik ben echt bange veur joe’‘hoe jij nou mij behandelt’.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof is aldus van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 tenlastegelegde feiten wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nHet hof heeft, anders dan de rechtbank, niet kunnen vaststellen dat het overlijden van [slachtoffer] is veroorzaakt doordat verdachte op [slachtoffer] is gaan zitten en daarmee uitwendige druk op haar borstkas heeft uitgeoefend waardoor haar ademhaling enige tijd zou zijn belet of belemmerd. Die handelingen vonden kennelijk plaats ten tijde van de eerdergenoemde geluidsopname. Het hof acht, zoals hiervoor is uiteengezet, wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met kracht de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en dicht heeft gehouden, ten gevolge waarvan zij is overleden.\n\nHet hof komt tot de volgende bewezenverklaring ten aanzien van het onder feit 1 primair tenlastegelegde, te weten dat\n\nhij omstreeks 23 november 2022 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft\n\nberoofd, door geweld toe te passen op [slachtoffer] door met kracht de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en dicht te houden, ten gevolge waarvan zij op 30 november 2022 te [plaats] is overleden.\n\nEn ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde dat\n\nhij omstreeks 23 november 2022 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen \"het is een dikke overdosis he. Als ik je laat liggen zo. Dit is al 30 keer meer. Dit is gewoon zo’n bek heb ik\n\nerin gooid. Dus ik denk als ik je even laat liggen zo dat je weg bent\", \"En je vader is ook zo\n\ndood gegaan he.\" en \"Ik maak je van kant, echt waar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je\n\necht van kant. Ik maak je echt van kant.\" en door op die [slachtoffer] te gaan zitten, ten gevolge\n\nwaarvan de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd werd belet.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nZowel de raadsman als de advocaat-generaal hebben gesteld dat het hof de verdachte in geval van een bewezenverklaring van een of beide feiten dient te ontslaan van alle rechtsvervolging. Het hof kan verdachte de feiten namelijk als gevolg van een psychische stoornis niet toerekenen.\n\nArtikel 39 Sr luidt sinds de inwerkingtreding van de wet van 24 januari 2018, houdende regels voor het kunnen verlenen van verplichte zorg aan een persoon met een psychische stoornis (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, Stb. 2018, 37) op 1 januari 2020:\n\n“Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend.”\n\nDe rechter kan op grond van artikel 39 Sr beslissen dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.\n\nDe rechtbank heeft het volgende overwogen (cursief opgenomen).\n\nOver verdachte zijn de volgende rapporten opgemaakt:\n\n- een Pro Justitia rapport psychiatrisch onderzoek van 17 april 2023, opgemaakt door dr. S. Dragt , psychiater (hierna ook: de psychiater);\n\n- een Pro Justitia rapport psychologisch onderzoek van 22 februari 2023, opgemaakt door E.I.J. Peeters , GZ-psycholoog (hierna ook: de psycholoog).\n\nDe psycholoog en psychiater stellen vast dat verdachte lijdt aan een psychische stoornis, te weten schizofrenie. Daarnaast komt de psychiater tot de conclusie dat eveneens sprake is van een lichte stoornis in het gebruik van cannabis. Deze stoornissen waren ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig. Sinds de zomer van 2022 was er sprake van toenemende paranoïde symptomen, mogelijk geluxeerd door medicatie ontrouw en (deels door) chronisch cannabisgebruik. Deze paranoïde symptomen bestonden uit achterdocht jegens zijn vrouw, waarbij hij steeds meer overtuigd raakte van het feit dat zij hem wilde vergiftigen. Verdachte handelde in de avond van het tenlastegelegde volledig vanuit deze paranoïde waan. Zowel de psycholoog als de psychiater concluderen daarom dat de ten laste gelegde feiten verdachte niet kunnen worden toegerekend.\n\nHet hof neemt deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nHet hof verbetert de motivering van de rechtbank als volgt.\n\nHet hof stelt vast dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten bij verdachte sprake was van een floride paranoïde psychose die wordt geclassificeerd als schizofrenie. Het hof acht aannemelijk geworden dat deze stoornis van verdachte tot gevolg heeft gehad dat hij de wederrechtelijkheid van de bewezenverklaarde feiten niet kon begrijpen.\n\nNet als de rechtbank acht het hof verdachte ontoerekeningsvatbaar en zal het verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nOplegging van maatregelen\n\nDe raadsman van verdachte heeft, in het geval dat het hof tot een bewezenverklaring komt, verzocht aan verdachte geen maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) op te leggen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat geen recidiverisico bestaat zolang verdachte zijn medicatie slikt en dat het enorme belang van het blijvend gebruiken van zijn medicijnen hem duidelijk is geworden tijdens de behandeling die al heeft plaatsgevonden. Mocht het hof dit standpunt passeren dan is bepleit dat wordt volstaan met het opleggen van een tbs-maatregel met voorwaarden, zoals ook door de rechtbank is opgelegd.\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien hiervan het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nErnst van de feitenVerdachte heeft zich in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022 schuldig gemaakt aan doodslag op zijn vrouw ( [slachtoffer] ). Nadat verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood, heeft hij haar in hun gezamenlijke woning om het leven gebracht door haar te wurgen[…]. Het kan daarbij niet anders dan dat [slachtoffer] in de laatste minuten van haar leven doodsangsten heeft uitgestaan. Dat dit feit is gepleegd juist door haar partner - iemand die je per definitie zou moeten kunnen vertrouwen - in hun gezamenlijke woning - een plek waar je bij uitstek veilig zou moeten zijn - maakt het allemaal nog wranger. In het dossier komt naar voren dat verdachte volledig handelde vanuit een paranoïde waan, waardoor verdachte er al langere tijd van overtuigd was dat [slachtoffer] hem wilde vergiftigen. Dat verdachte, terwijl hij in een dergelijke waan verkeert, kennelijk in staat is om zulk extreem geweld toe te passen, is zeer zorgelijk.\n\nAan de nabestaanden van [slachtoffer] , waaronder haar zus en haar moeder, is onherstelbaar leed en verdriet toegebracht. Zij hebben het afgelopen anderhalf jaar enorm geleden. Sinds de dood van [slachtoffer] heerst bij de moeder een enorm verdriet, waardoor zij nog maar een schim van zichzelf is. De zus van [slachtoffer] zit met vele vragen over wat er is gebeurd; vragen waarop zij, omdat verdachte geen openheid van zaken geeft en blijft ontkennen dat hij iets met het overlijden van [slachtoffer] te maken heeft, waarschijnlijk nooit een antwoord zal krijgen. Ook andere nabestaanden zullen met deze vragen blijven zitten. Natuurlijk zijn niet alleen de zus en moeder van [slachtoffer] geraakt door haar gewelddadige dood. Dit geldt ook voor anderen, zoals de buren, vriendinnen en andere bekenden van [slachtoffer] . Daarnaast is ook de samenleving geschokt door dit soort feiten.\n\nDe persoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte, naast de[…]genoemde rapportages van de psychiater en psycholoog, kennisgenomen van:\n\n- een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie ('strafblad') van 16 april 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten;\n\n- een reclasseringsadvies van 9 juni 2023, opgemaakt door [naam] ,\n\nreclasseringswerker van Tactus verslavingszorg;\n\n- een voortgangsverslag schorsingstoezicht, opgemaakt door [naam] ,\n\nreclasseringswerker van Verslavingsreclassering Inforsa.\n\nRapportages psychiatrisch en psychologisch onderzoek\n\nDe psychiater en psycholoog komen in hun rapportages tot de volgende conclusies. Het recidiverisico wordt geheel bepaald door de (ernstige en chronische) psychotische stoornis en wordt ingeschat als matig in het geval verdachte geen adequate behandeling krijgt. Geadviseerd wordt om de psychotische stoornis van verdachte te behandelen in een klinische setting, onder andere door verdachte in te stellen op medicatie. De verwachting is dat deze behandeling ten minste enkele maanden zal duren en dat aansluitend ambulante vervolgbehandeling nodig is. Hieruit volgend wordt een behandeling (van voldoende lengte) in een gedwongen kader noodzakelijk geacht en oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden geadviseerd. De inschatting is dat verdachte zal meewerken aan behandeling binnen dit kader en dat dit kader het recidiverisico voldoende zal terugdringen. De deskundigen geven daarnaast oplegging van een GVM in overweging, zodat deze maatregel eventueel aansluitend op de tbs-maatregel ten uitvoer kan worden gelegd en toezicht kan worden gehouden op de inname van medicatie en behandeltrouw.\n\nReclasseringsadvies\n\nUit het reclasseringsadvies van 9 juni 2023 volgt dat de reclassering het risico op recidive, letselschade en onttrekking aan voorwaarden inschat als gemiddeld. De reclassering acht behandeling in een langdurige, forensische setting in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden noodzakelijk. De reclassering adviseert daarnaast de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs-maatregel met voorwaarden, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is. Ten slotte geeft de reclassering ter overweging mee om een GVM op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs-maatregel. Een GVM biedt de mogelijkheid om toezicht te kunnen houden op de inname van medicatie, daar verdachte zijn ziektebeeld ontkent en in het verleden zonder overleg de inname van zijn medicatie heeft gestaakt.\n\nDe op te leggen maatregelen\n\nBij het bepalen van de maatregel(en) houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder deze feiten door verdachte zijn begaan. De rechtbank houdt ten slotte nadrukkelijk rekening met de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.\n\nTbs-maatregel met voorwaarden\n\nOmdat verdachte ten tijde van de bewezen geachte feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was, kan aan hem geen straf worden opgelegd. Wel kan een maatregel aan verdachte worden opgelegd.[…]\n\nVoor de rechtbank staat vast dat het in het belang is van en ter bescherming van de\n\nmaatschappij, maar zeker en misschien nog wel meer in het belang van verdachte zelf, dat hij de noodzakelijke en passende hulpverlening krijgt. Uit het voortgangsverslag blijkt ook dat hij baat heeft bij de inmiddels gestarte behandelgesprekken. Uit de deskundigenrapporten volgt duidelijk dat verdachte een intensieve behandeling van ten minste enkele maanden nodig heeft in een kliniek om het recidiverisico terug te dringen en de deskundigen adviseren een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Alles afwegend acht de rechtbank onder\n\ndeze omstandigheden een tbs-maatregel met voorwaarden het meest passend en\n\nnoodzakelijk. De rechtbank overweegt dat wordt voldaan aan de eisen die de wet aan oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden stelt, te weten:\n\n- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;\n\n- op het door hem begane misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;\n\n- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.\n\nDe rechtbank zal de door de reclassering geadviseerde voorwaarden overnemen, zoals vermeld in het dictum. Verdachte heeft zich ook bereid verklaard tot naleving van die voorwaarden.[…]\n\nGeen gemaximeerde terbeschikkingstelling\n\nDe maatregel zal worden opgelegd wegens doodslag. Dit heeft te gelden als een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zodat de duur van de terbeschikkingstelling, indien in de toekomst alsnog zal worden bevolen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, niet op voorhand is gemaximeerd.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid tbs-maatregel met voorwaarden\n\nNu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder behandeling en begeleiding opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank tevens bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.\n\nOplegging van gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr)\n\nVerdachte heeft onder invloed van zijn ziekte een zeer zwaar en uiteindelijk dodelijk\n\ngeweldsdelict gepleegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bescherming van de samenleving vereist dat toereikende maatregelen genomen worden om recidive te voorkomen. Aangezien er op dit moment een matig risico op recidive bestaat en voorkomen moet worden dat dit na ommekomst van de (eindige) tbs-maatregel met voorwaarden tot onveiligheid voor de samenleving leidt, is de rechtbank van oordeel dat de door de reclassering geadviseerde GVM moet worden opgelegd. Aan de voorwaarden voor oplegging van deze maatregel is voldaan, omdat een tbs-maatregel met voorwaarden wordt opgelegd.Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, gelet op de ernst van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit en het in de rapportages geschatte matige recidiverisico indien verdachte geen adequate behandeling krijgt. De rechtbank acht het van belang dat na het beëindigen van de tbs-maatregel toezicht kan worden gehouden op de inname van medicatie.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank derhalve van oordeel dat oplegging van deze maatregel in dit geval aangewezen is. Na afloop van de opgelegde tbs-maatregel kan beoordeeld worden in hoeverre het recidiverisico nog aanwezig is en of en zo ja, welke voorwaarden moeten worden opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen.\n\nHet hof neemt deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nIn aanvulling hierop overweegt het hof het volgende.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van een recentere reclasseringsrapportage, gedateerd 12 maart 2025, en hetgeen ter terechtzitting van het hof is verklaard door de deskundige [naam] van de reclassering.\n\nTer zitting heeft de deskundige verklaard dat extern risicomanagement nodig is om het medicijngebruik van verdachte te monitoren. Hij merkte daarbij op dat het contact met verdachte reactief is en verdachte in het begin zeer passief was. Inmiddels maakt verdachte een ontwikkeling door en geniet hij een aantal vrijheden. [naam] concludeert dat verdachtes behandeling voorspoedig verloopt, maar dat er zorgen zijn over de intrinsieke motivatie van verdachte omtrent zijn medicijngebruik, zeker als hij zelfstandig zou gaan wonen. Verdachte is nog steeds een stressgevoelig persoon en zelfstandig wonen zou daarom een te grote stap zijn.\n\nHet hof heeft hetgeen door de deskundige ter zitting is verklaard ook betrokken in zijn oordeel. Het hof heeft op basis van deze verklaring bevestigd gezien dat het recidivegevaar nog steeds aanwezig is. Hoewel dat gevaar door de deskundigen niet als hoog wordt ingeschat, betreft het wel een (matig) risico voor een zeer ernstig feit. Het hof schat het gevaar dat verdachte opnieuw zeer ernstige feiten pleegt daarom nog groot genoeg in om oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden noodzakelijk te doen zijn.\n\nIn hoger beroep heeft verdachte opnieuw verklaard zich aan de door de reclassering voorgestelde voorwaarden te zullen houden, mocht het hof die voorwaarden stellen.\n\nHet hof zal vaststellen dat de tbs met voorwaarden ingegaan is op 7 juni 2024, nu de rechtbank deze maatregel en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar heeft verklaard.\n\nVordering van de benadeelde partijen\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van de benadeelde partijen het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nDe vordering van [benadeelde 1]\n\nMateriële schade\n\nTen aanzien van de gestelde materiële schade(bedragen) overweegt de rechtbank het volgende.\n\nKosten voor lijkbezorging\n\nDe schade voor zover die betrekking heeft op de kosten voor lijkbezorging komt voor vergoeding in aanmerking. Deze schade is veroorzaakt door het handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft de hoogte van dit schadebedrag voldoende onderbouwd en de verdediging heeft deze schade niet weersproken. Nu de benadeelde partij geen bedrag heeft gevorderd voor de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de ring met vingerafdruk (as-sieraad), maar enkel voor de kosten van de urn, zal het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 769,01 in zijn geheel worden toegewezen.\n\nKosten verblijf ziekenhuis\n\nDe rechtbank overweegt dat het hier geen verplaatste schade betreft, maar schade die de moeder van [slachtoffer] stelt zelf te hebben geleden ten gevolge van het handelen van verdachte. De moeder en zus van [slachtoffer] behoorden tot de kring van directe naasten van [slachtoffer] . Gelet op de toestand waarin [slachtoffer] verkeerde als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit jegens haar, acht de rechtbank het voorstelbaar en redelijk dat haar moeder en zus in de directe nabijheid van [slachtoffer] wilden zijn. De moeder van [slachtoffer] heeft daarvoor reis- en verblijfskosten moeten maken. Ten aanzien van de gevorderde kosten die zijn gemaakt voor eten en drinken tijdens het verblijf in het ziekenhuis (€ 141,26) en de reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt van en naar het ziekenhuis (€ 845,76) geldt dat zij voldoende zijn onderbouwd en in rechtstreeks verband staan tot de door verdachte gepleegde strafbare feiten, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen. De omstandigheid dat de benadeelde partij een hotelverblijf heeft geboekt en vervolgens heeft geannuleerd, omdat zij bij nader inzien toch liever in haar vertrouwde omgeving wilde slapen, dient volgens de rechtbank niet voor rekening van verdachte te komen. De vordering ten aanzien van deze post (€ 260,-) zal daarom worden afgewezen.\n\nToekomstige schade\n\nDe rechtbank is van oordeel dat voor de post die ziet op de toekomstige schade (€ 5.000. -) geldt dat op geen enkele wijze is onderbouwd waaruit deze kosten zouden bestaan. Daarmee staat ook onvoldoende vast dat deze kosten daadwerkelijk gemaakt zullen worden. De rechtbank zal de vordering op dit punt afwijzen.\n\nImmateriële schade (affectieschade)\n\nHet vorderen van affectieschade in het strafproces is sinds 1 januari 2019 mogelijk voor de in artikel 6:108, vierde lid, BW genoemde naasten van een door een misdrijf overleden slachtoffer. De vergoeding ziet op het leed en verdriet dat nabestaanden is aangedaan. De wetgever heeft in het Besluit vergoeding affectieschade (hierna: het Besluit) per categorie nabestaanden vaste bedragen opgenomen. De ouders van een door misdrijf overledene komen op grond van artikel 6:108, lid 4 sub c BW in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. De hoogte van de door de moeder van [slachtoffer] gevorderde schadevergoeding (€ 17.500,-) is in overeenstemming met het Besluit en zal door de rechtbank worden toegewezen.[…]\n\nConclusie\n\nAl met al betekent dit dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden materiële en immateriële schade (affectieschade) tot een totaalbedrag van € 19.256,03 zal toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.\n\nVeroordeling in de kosten\n\nVerdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het (als vergoeding voor immateriële en materiële schade samen toe te wijzen) bedrag van € 19.256,03, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.[…]\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de\n\nbenadeelde partij [benadeelde 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.\n\nDe vordering van [benadeelde 1] (in hoedanigheid van erfgenaam)\n\nDe benadeelde partij vordert hier schade van het [slachtoffer] en doet dit in haar hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] . De raadsman heeft betwist dat zij erfgenaam is. De advocaat van de benadeelde partij heeft laten weten dat er geen stukken zijn waaruit blijkt dat de benadeelde partij erfgenaam is, maar dat verdachte zelf een onwaardige erfgenaam is op grond van artikel 4:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\nDe rechtbank overweegt dat op dit moment niet kan worden vastgesteld dat [benadeelde 1] de hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] heeft. Ook dat verdachte een onwaardige erfgenaam is, kan nu niet worden vastgesteld omdat daarvoor een onherroepelijke veroordeling ter zake van het ombrengen van de overledene vereist is. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in haar vordering en bepalen dat deze bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nDe vordering van [benadeelde 2]\n\nMateriële schade (kosten voor lijkbezorging)\n\nTen aanzien van de schadepost ‘kosten voor lijkbezorging’ overweegt de rechtbank dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt. Deze schade is veroorzaakt door het handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft de hoogte van dit schadebedrag voldoende onderbouwd en de verdediging heeft deze schade niet weersproken. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 4.226,46 zal in zijn geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.\n\nToekomstige schade\n\nDe rechtbank is van oordeel dat voor de post die ziet op de toekomstige schade (€ 5.000. -) geldt dat op geen enkele wijze is onderbouwd waaruit deze kosten zouden bestaan. Daarmee staat ook onvoldoende vast dat deze kosten daadwerkelijk gemaakt zullen worden. De rechtbank zal de vordering op dit punt afwijzen.\n\nVeroordeling in de kosten\n\nVerdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 2] aan\n\nverdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag van € 4.226,46, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.[…]\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de\n\nbenadeelde partij [benadeelde 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.\n\nHet hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nAanvullend overweegt het hof dat het, anders dan de rechtbank, het aantal dagen gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel op nul dagen zal vaststellen, nu een eventuele gijzeling de door het hof noodzakelijk geachte en voortdurende behandeling op een onwenselijke manier zal kunnen doorkruisen.\n\nBeslag\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van het beslag het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nBlijkens een \"Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met\n\nstrafrechtelijke beslagtitel' van 21 september 2023 is beslag gelegd op:\n\n1 1 STK GSM. grijs, merk: Cat, nummer G3080002;\n\n2 1 STK GSM. inclusief hoesje, zwart, merk: ONEPLUS, nummer G3080001;\n\n3 1 STK Harddisk, inclusief USB kabel, merk: Lacie, nummer G3094287;\n\n4 1 STK GSM. inclusief hoesje, WIT, nummer G3094294;\n\n5 1 STK Harddisk. Zwart, merk: Intenso, nummer G3094298:\n\n6 1 STK Harddisk, incl. adapter. Zwart, merk: Medion, nummer G3094301;\n\n7 1 STK Computer, incl. oplader. Zwart, merk: Lenovo, nummer G3094308;\n\n8 1 STK Computer, incl. lader en usb. Grijs, merk: Dell, nummer G3094297;\n\n9 1 STK Computer, met adaptor\u002Fzonder accu, merk: Acer, nummer G3094307;\n\n10 1 STK Harddisk, Zwart, merk: Medion, nummer G3094282;\n\n11 1 STK Videorecorder, met voedingstekker. Zwart, nummer G3080651:\n\n12 1 STK Shirt, zwart, nummer G3080069;\n\n13 1 STK Trui. Grijs, nummer G3080065;\n\n14 1 STK Broek, blauw, nummer G3080052;\n\n15 1 STK Broek, blauw, nummer G30800I 8;\n\n16 1 STK Ondergoed, zwart, nummer G3080020;\n\n17 1 STK Geldkist, nummer G3093980;\n\n18 1 STK Stroomstootwapen, nummer G3093924;\n\n19 1 STK Medicijn, nummer G3080025;\n\n20 1 STK Kwitantieboekje, zat in geldkist, nummer G3121632.\n\n(…)\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank zal het in beslag genomen stroomstootwapen, hierboven genoemd onder 18, onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Dit voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten aangetroffen. Het in beslag genomen voorwerp kan bovendien dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.\n\nTeruggave aan de rechthebbende(n)\n\nDe rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen voorwerpen zoals hiervoor omschreven onder 1 tot en met 17, 19 en 20 aan degene(n) die redelijkerwijs als rechthebbende(n) van deze voorwerpen kan\u002Fkunnen worden aangemerkt.\n\nHet hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. In aanvulling hierop overweegt het hof het volgende.\n\nBlijkens het dossier is ook een alarmpistool, goednummer G3093927, inbeslaggenomen. Het hof zal deze onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang en kan bovendien dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:\n\n1. Verdachte zal meewerken aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat verdachte:\n\n* zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt waar en hoe vaak dat nodig is;\n\n* zich houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;\n\n* de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is, die nodig is\n\nvoor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;\n\n* meewerkt aan huisbezoeken;\n\n* inzicht geeft aan de reclassering in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door\n\nandere instellingen of hulpverleners;\n\n* zich niet op een ander adres vestigt zonder toestemming van de reclassering;\n\n* meewerkt aan en het geven van toestemming voor het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n2. Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.\n\n3. Verdachte laat zich opnemen in Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) [locatie] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, zal verdachte meewerken aan de indicatiestelling of plaatsing.\n\n4. Verdachte laat zich - na afloop van de klinische behandeling - behandelen door een forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding. Het innemen van medicatie kan onderdeel zijn van de begeleiding.\n\n5. Verdachte verblijft - na afloop van de klinische behandeling - in een nader te bepalen instelling voor beschermd\u002Fbegeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor\n\nhem heeft opgesteld.\n\n6. Als de reclassering dat nodig acht en verdachte daarmee instemt, zal verdachte voor een time-out worden opgenomen in Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) [locatie] of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.\n\n7. Verdachte gebruikt geen drugs en alcohol en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt door middel van urine- en ademonderzoek (blaastest). De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.\n\n8. Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van (on)betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\n9. Verdachte geeft inzicht in zijn financiële situatie en conformeert zich aan de afspraken die met de reclassering worden gemaakt ten aanzien van zijn financiën.\n\n10. Verdachte geeft openheid omtrent zijn sociale contacten met betrekking tot familie, vrienden en kennissen.\n\nGeeft de reclassering opdracht aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.\n\nHeft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.\n\nBeveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nBeveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van het arrest onderworpen is geweest aan de dadelijk uitvoerbaar verklaarde terbeschikkingstelling met voorwaarden bij de uitvoering van de opgelegde terbeschikkingstelling met voorwaarden in mindering zal worden gebracht.\n\nLegt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.\n\nBeveelt de onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n1. STK Stroomstootwapen, nummer G3093924;\n\n1. STK Alarmpistool, nummer G3093927.\n\nGelast de teruggaveaan de rechthebbende(n) van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n1. STK GSM. grijs, merk: Cat, nummer G3080002;\n\n1. STK GSM. inclusief hoesje, zwart, merk: ONEPLUS, nummer G3080001;\n\n1. STK Harddisk, inclusief USB kabel, merk: Lacie, nummer G3094287;\n\n1. STK GSM. inclusief hoesje, WIT, nummer G3094294;\n\n1. STK Harddisk. Zwart, merk: Intenso, nummer G3094298:\n\n1. STK Harddisk, incl. adapter. Zwart, merk: Medion, nummer G3094301;\n\n1. STK Computer, incl. oplader. Zwart, merk: Lenovo, nummer G3094308;\n\n1. STK Computer, incl. lader en usb. Grijs, merk: Dell, nummer G3094297;\n\n1. STK Computer, met adaptor\u002Fzonder accu, merk: Acer, nummer G3094307;\n\n1. STK Harddisk, Zwart, merk: Medion, nummer G3094282;\n\n1. STK Videorecorder, met voedingstekker. Zwart, nummer G3080651:\n\n1. STK Shirt, zwart, nummer G3080069;\n\n1. STK Trui. Grijs, nummer G3080065;\n\n1. STK Broek, blauw, nummer G3080052;\n\n1. STK Broek, blauw, nummer G30800I 8;\n\n1. STK Ondergoed, zwart, nummer G3080020;\n\n1. STK Geldkist, nummer G3093980; 1 STK Medicijn, nummer G3080025;\n\n1. STK Kwitantieboekje, zat in geldkist, nummer G3121632.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 19.256,03 (negentienduizend tweehonderdzesenvijftig euro en drie cent) bestaande uit € 1.756,03 (duizend zevenhonderdzesenvijftig euro en drie cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.256,03 (negentienduizend tweehonderdzesenvijftig euro en drie cent) bestaande uit € 1.756,03 (duizend zevenhonderdzesenvijftig euro en drie cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgename van [slachtoffer]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgename van [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.226,46 (vierduizend tweehonderdzesentwintig euro en zesenveertig cent) ter zake van materiële schade.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.226,46 (vierduizend tweehonderdzesentwintig euro en zesenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. J.A.M. Kwakman, voorzitter,\n\nmr. J. Hielkema en mr. E.C.M. Wolfert, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. I.I. Buitenhuis, griffier,\n\nen op 9 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n Hoge Raad 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:2164","2026-07-13T00:28:52.668Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":43,"courtId":65,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":50,"updatedAt":70},"1196","ECLI:NL:GHARL:2025:1106","ecli-nl-gharl-2025-1106",60,"2025-02-17T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-002796-24\n\nUitspraak : 17 februari 2025\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittinghoudende te Arnhem, van 23 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 05-054319-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis van 23 november 2023 waarvan beroep heeft de politierechter, onder vernietiging van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, de verdachte ter zake van ‘bedreiging met zware mishandeling’ (feit 1) en ‘wederspannigheid’ (feit 2), veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis, waarbij de politierechter heeft bepaald dat voormelde geldboete mag worden voldaan in vijf termijnen van elk € 100,00 per maand.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een geldboete van € 500,00, al dan niet te voldoen in vijf maandelijkse termijnen van elk € 100,00.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde vrijspraak bepleit en zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde – naar het hof begrijpt – gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. zij op of omstreeks 28 januari 2023 te Nijmegen [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen:\n\n- “ je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en\u002Fof\n\n- ( meermalen) “Ik sla je kop kapot”,\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n2. zij op of omstreeks 28 januari 2023 te Nijmegen, zich met geweld en\u002Fof bedreiging met geweld, heeft verzet tegen (een) politieambtena(a)r(en) [verbalisant 1] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en\u002Fof [verbalisant 2] , hoofdinspecteur van de politie-eenheid Oost-Nederland, en\u002Fof [verbalisant 3] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en\u002Fof [verbalisant 4] , hoofdagent van de politie-eenheid Oost-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhaar\u002Fhun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door:\n\n- met een van haar armen slaande bewegingen te maken richting voornoemde verbalisant(en),\n\n- meermaals met kracht (proberen) zich los te rukken en te draaien in de tegenovergestelde richting als waarin voornoemde verbalisant(en) haar probeerden te brengen,\n\n- meermaals met kracht richting voornoemde verbalisant(en) te schoppen en daarbij verbalisant [verbalisant 2] te raken, en\u002Fof\n\n- verbalisant [verbalisant 3] te krabben en\u002Fof te bijten.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. zij op 28 januari 2023 te Nijmegen [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen:\n\n- “ je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en\u002Fof\n\n- ( meermalen) “Ik sla je kop kapot”,\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n2. zij op 28 januari 2023 te Nijmegen, zich met geweld, heeft verzet tegen politieambtenaren [verbalisant 1] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 2] , hoofdinspecteur van de politie-eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 3] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 4] , hoofdagent van de politie-eenheid Oost-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door:\n\n- met (een van) haar armen slaande bewegingen te maken richting voornoemde verbalisant(en),\n\n- meermaals met kracht proberen zich los te rukken en te draaien in de tegenovergestelde richting als waarin voornoemde verbalisant(en) haar probeerde(n) te brengen,\n\n- meermaals met kracht richting voornoemde verbalisant(en) te schoppen en daarbij verbalisant [verbalisant 2] te raken.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Nederland, op ambtsbelofte opgesteld door verbalisant [verbalisant 5] , hoofdagent van politie, registratienummer PL0600-2023043906, gesloten d.d. 2 maart 2023, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 90.\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 januari 2023 (pg. 6-9), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde] :\n\nFeit: Bedreiging\n\nPlaats delict: [adres 2]\n\nPleegdatum\u002Ftijd: Tussen zaterdag 28 januari 2023 om 21:13 uur en\n\nzaterdag 28 januari 2023 om 21:23 uur\n\nMijn naam is [benadeelde] en ik ben werkzaam als beveiliger en toezichthouder bij [bedrijf 1]\n\n . In opdracht van de Nederlandse Spoorwegen stond ik bij het centraal station\n\nin Nijmegen. Vanavond (het hof begrijpt: 28 januari 2023) stond ik omstreeks 21.10 uur op het centraal station bij de poortjes voor de [bedrijf 2] . Ik stond daar om te controleren of mensen ook met een toegangsbewijs het station op kwamen. Ik zag 3 personen die mij opvielen. Ze vielen mij op omdat ze er onverzorgd uitzagen. Het waren twee mannen en één vrouw.\n\nvrouw:\n\n- lang blond haar;\n\n- slank postuur;\n\n- blanke huidskleur;\n\n- ongeveer 1 meter 75 cm lang;\n\n- lichtkleurige winterjas.\n\nDe vrouw die sprak mij aan en vertelde mij iets over dat ze tegen doktersadvies uit\n\nhet ziekenhuis was gelopen, dat ze niet mobiel was en geen puf meer had om een\n\nkaartje te kopen. Ik heb haar toen uitgelegd dat ze een kaartje moest kopen omdat ze\n\nanders niet mee mocht reizen.\n\nZe pakte haar pinpas en gaf deze aan man 2 en vertelde daarbij mondeling haar\n\npincode. Omdat mevrouw haar pincode luid opnoemde, zei ik tegen haar dat het\n\nmisschien niet zo handig was, omdat anderen dit mee konden luisteren.\n\nDit was het moment dat mevrouw verbaal agressief werd in mijn richting. (…) Ze was erg kwaad. Ze schreeuwde door de hele hal heen en iedereen kon het horen. Het was erg druk op het station op dit moment. Ik vond het respectloos hoe ze tegen mij praatte. Het ging van 0 naar 100 in enkele seconden. We liepen op dat moment in de richting van de kaartjesautomaat.\n\nHet was op dit moment dat ik onze meldkamer had ingeschakeld, dat ik politie met spoed\n\ndeze kant op wilde hebben. Ik had het gevoel dat het uit de hand zou lopen.\n\nVanwege haar agressieve en storende gedrag zei ik tegen haar dat ze niet met de trein\n\nmee mocht. Dit heb ik gedaan vanwege het gedrag wat zij vertoonde.\n\nDit mag ik doen als toezichthouder op het station.\n\nDe vrouw was telkens de confrontatie aan het opzoeken en ging steeds dicht op mij\n\nstaan.\n\nDe vrouw uitte meerdere opmerkingen in mijn richting, zoals:\n\n- “ je moet je rug in de gaten houden want ik onthoud je gezicht”;\n\n- “ ik sla je kop kapot”;\n\n- of woorden van gelijke strekking.\n\nZe herhaalde steeds dat ze mijn kop kapot zou slaan. Met name dat maakte mij angstig.\n\nIk had het gevoel dat ze dit misschien ook echt wel zou kunnen doen omdat ze met zijn\n\ndrieën waren.\n\nAan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.\n\n2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 februari 2023 (pg. 10-12), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :\n\nOp zaterdag 28 januari 2023, omstreeks 21.15 uur, was ik aan het werk bij de\n\nsnackbar de [bedrijf 3] . Deze snackbar van [bedrijf 3] is gelegen in de hal van het station\n\nNijmegen. Deze snackbar staat in een openverbinding met de stationshal en is niet\n\nafgesloten door middel van een deur of iets dergelijks. De stationshal is goed\n\nverlicht en vanuit de snackbar heb ik goed zicht in de stationshal in het gedeelde (het hof begrijpt: gedeelte) tussen de ingang van het station en de toegangspoortjes.\n\nDiezelfde dag, omstreeks dezelfde tijd, hoorde ik hard geschreeuw vanuit de\n\nstationshal. Ik zag dat er vanaf de toegangspoortjes een blonde vrouw liep, richting\n\nde uitgang van het station. Ik zag dat deze vrouw er slecht gekleed uitzag. Ik\n\nvermoedde dat zij dakloos was. Ik zag dat achter haar een vrouw van de beveiliging\n\nliep, in uniform gekleed.\n\nIk zag dat er bij de blonde vrouw twee mannen liepen met haar in de zelfde richting. Zij liepen vlak naast haar. Ik hoorde en zag dat het geschreeuw wat ik hoorde van de blonde vrouw afkwam. Ik zag aan haar gezichtsrichting en het wijzen dat zij zich richtte tot de beveiligster. Ik liep vervolgens de snackbar uit. Ik zag dat de blonde vrouw en de beveiligster, nog in de stationshal, bij de ticketmachine, vlakbij de uitgang van het station stonden. Ik was erg nieuwsgierig wat er aan de hand was. Ik liep hierop nonchalant langs de\n\nblonde vrouw en de beveiligster. Toen ik ter hoogte van de broodjes zaak liep, in de stationshal, waren de blonde vrouw en de beveiligster op ongeveer 5 meter afstand van mij. Ik hoorde de blonde vrouw roepen, op een schreeuwende\u002Fboze toon naar de beveiligster: “Ik zou maar achterom blijven kijken als ik jou was” Ook hoorde ik de blonde vrouw roepen “Ik ga je slaan”, of woorden van gelijke strekking.\n\nIk zag dat de blonde vrouw door de twee mannen werd tegen gehouden en zij haar vasthielden.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 januari 2023 (pg. 13-15), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 6] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :\n\nOp 28.01.2023 waren wij, verbalisanten [verbalisant 6] , [verbalisant 4] en [verbalisant 3] in herkenbaar\n\ndienstuniform gekleed en waren wij belast met de incidentenafhandeling voor het\n\ngebied Nijmegen-Zuid. Omstreeks 21.12 uur kregen collega’s een melding van overlast dronken personen op [adres 2] . Wij vroegen aan de meldkamer of zij ons wilden koppelen aan de melding. Hierop zijn wij gaan rijden naar het desbetreffende adres.\n\nEenmaal aangekomen op [adres 2] zag ik, verbalisant [verbalisant 6] , een man naar\n\nons zwaaien. Ik hoorde dat de man zei “De mensen waar jullie voor komen lopen daar.”\n\nIk zag dat de man wees in de richting van de Van Oldenbarneveltstraat. Ik hoorde dat\n\n(…) dat het ging om twee heren en een blonde dame.\n\nIk, verbalisant [verbalisant 6] , hoorde dat [verdachte] zei dat ze niet met de trein mocht. Ik\n\nhoorde dat ze zei dat er een beveiliger was op het centraal treinstation Nijmegen\n\nwelke haar had verteld dat ze niet met de trein mocht reizen. Ik, verbalisant [verbalisant 6] , hoorde via het operationeel centrum dat de 51.01 en de 51.02 op het centraal treinstation van NS te Nijmegen waren om een aangifte van bedreiging op te nemen. [verdachte] zou deze bedreigingen hebben geuit. Ik, verbalisant [verbalisant 6] zag dat de collega’s van de 51.02 ter plaatse kwamen. Ik zag dat de collega’s onze kant op liepen. Ik hoorde dat de collega’s van de 51.02 zeiden “Ja die kan worden aangehouden”. Ik hoorde dat de collega’s van de 51.02 zeiden dat [verdachte] was aangehouden voor bedreiging.\n\nWij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , ondersteunden direct de collega’s van de 51.02\n\ndoor [verdachte] onder controle te brengen. Ik, [verbalisant 3] , zag en voelde dat [verdachte]\n\nvolledig in het verzet ging. Ik zag en voelde dat zij zich niet onder controle wilde\n\nlaten brengen. Wij, [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , probeerden samen met de politiecollega’s van\n\nde 51.02 [verdachte] verder onder controle te brengen. Hierop hebben wij\n\ncontroletechnieken gebruikt. Ik zag dat [verdachte] mij en mijn collega’s probeerde te schoppen. Ik, [verbalisant 4] , heb een polsklem aangelegd (…). Daarnaast heb ik een overstrekking van de duim toegepast omdat verdachte met een hand de handboeien vasthield, waardoor ik de handboeien niet om haar tweede hand kon vastmaken. De absolute controle konden wij, [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en politiecollega’s van de 51.02, niet krijgen. Hierop hebben wij uiteindelijk besloten om ook de handboeien om haar enkels te doen om [verdachte] horizontaal te kunnen vervoeren.\n\nVoor verdere details omtrent de aanhouding verwijzen wij naar het proces-verbaal\n\nvan aanhouding binnen dit procesnummer.\n\nVerdachte:\n\nAchternaam: [verdachte]\n\nVoornamen: [verdachte]\n\nGeboren: [geboortedag] 1975\n\nGeboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland\n\n [verbalisant 3] , werkzaam als brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n [verbalisant 4] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n4. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 28 januari 2023 (pg. 67-69), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :\n\nOp zaterdag 28 januari 2023 om 21:25 uur, werd door ons op de locatie [adres 2]\n\n , aangehouden als verdachte:\n\nAchternaam: [verdachte]\n\nVoornamen: [verdachte]\n\nGeboren: [geboortedag] 1975\n\nGeboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland\n\nGrond aanhouding\n\nOp heterdaad als verdachte van overtreding van artikel 285\u002F1 Wetboek van Strafrecht.\n\nBevindingen\n\nWij verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waren belast met de noodhulpsurveillance en als\n\nzodanig ook in politie uniform gekleed. Ons roepnummer was 51-02. De politie\n\nmeldkamer stuurde ons naar [adres 2] . Aldaar zou een medewerkster\n\nvan de beveiliging van de NS bedreigd worden. Ter plaatse zagen wij dat een andere\n\neenheid met roepnummer 52-01 reeds ter plaatse was en met de beveiliger van de NS in\n\ngesprek was. Wij hoorden dat de collega’s van deze eenheid aangaven dat de\n\nmedewerkster van de NS bedreigd was met de dood. Wij kregen een signalement te horen\n\nvan de verdachte, te weten een blanke vrouw met blond haar vergezeld van 2 mannen.\n\nEven later zagen wij een andere eenheid, naar later bleek de 52-02 met collega’s\n\n [verbalisant 3] en [verbalisant 4] op [adres 2] rijden vlak bij de Van Oldenbarneveltstraat.\n\nZe zeiden dat ze de personen getroffen hadden die betrokken waren geweest bij de\n\nbedreiging.\n\nWij gingen er naar toe.\n\nWij [verbalisant 1] en [verbalisant 2] reden naar de collega’s in gesprek met de bedreigde NS\n\nmedewerkster. Collega vertelde dat de NS medewerkster aangifte wilde doen. Ze was\n\nbedreigd met de woorden: “Ik sla je kop eraf, ik maak je dood.” Althans woorden van\n\ngelijke strekking.\n\nHierna reden we terug naar de 52-02 waar de vrouw met de twee mannen stond te\n\nwachten.\n\nIk [verbalisant 1] sprak de vrouw aan en deelde haar mede dat de NS medewerker aangifte deed\n\nomdat zij haar bedreigd had. Ik deelde haar ook mede dat ze was aangehouden en dat ze\n\nmee moest naar het politiebureau ter voorgeleiding bij een hulpofficier van politie.\n\nIk hoorde de vrouw meteen luider sprekend: “Jullie nemen mij helemaal niet mee, dat\n\ngaat niet gebeuren.” Ik, [verbalisant 1] , pakte de vrouw vast bij haar rechteronderarm en\n\nbewoog haar in de richting van de achter mij staande politiebus. De vrouw begon\n\nvrijwel meteen te schreeuwen dat ze niet mee ging en maakte slaande bewegingen met\n\nhaar vrije arm en probeerde zich los te rukken en te draaien in de tegenovergestelde\n\nrichting als waarin ik haar wilde brengen. Mijn collega [verbalisant 2] pakte haar andere\n\narm vast en hierna bleef ze schreeuwen en draaien en begon ze in onze richting te\n\nschoppen. Deze schoppen konden wij ontwijken en ik [verbalisant 1] bracht de vrouw naar de\n\ngrond om haar verzet te laten ophouden. Dit is haar meermalen gezegd, maar ze bleef\n\nzogezegd wild spartelen om los te komen. Ik [verbalisant 1] kreeg uiteindelijk haar\n\nrechterarm onder controle nadat collega [verbalisant 4] de vrouw op de grond drukte. Ik heb\n\ndeze arm geboeid en daarna bleef de vrouw spartelen, (…) bleef ze schoppen. De andere handboei werd aangelegd en collega [verbalisant 2] hield hierna de benen vast.\n\nWij wilden haar naar de politiebus brengen en [verbalisant 2] liet haar benen los zodat ze\n\nzelf zou kunnen lopen. Meteen hierna begon ze weer in onze richting te schoppen en\n\n [verbalisant 2] werd daarbij geraakt, zonder dat dit overigens pijn deed (opm. [verbalisant 2] ).\n\nHierna heb ik [verbalisant 1] haar op de buik gedraaid en collega [verbalisant 4] ging op de vrouw\n\nzitten, waarna ik samen met [verbalisant 2] de enkels van de vrouw met een andere set\n\nhandboeien aan elkaar kon vastmaken, waarna ze stopte met trappen.\n\n [verbalisant 1] , werkzaam als brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n [verbalisant 2] , werkzaam als hoofdinspecteur bij de Eenheid Oost-Nederland.\n\n5. Het proces-verbaal van de in de zaak gehouden terechtzitting in hoger beroep, van 3 februari 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :\n\nDe verdachte verklaart op vragen van de voorzitter als volgt:\n\nHet klopt dat ik op 28 januari 2023 omstreeks 21:25 uur aanwezig was op het centraal station in Nijmegen en dat ik toen ben aangesproken door een medewerkster van de beveiliging. Ik moest van haar een kaartje kopen. Het klopt dat de politie ter plaatse is gekomen en dat ik door de politie ben aangehouden. Daarop ontstond een worsteling en ben ik op enig moment op de grond beland. Ik ben toen gaan spinnen\u002Fdraaien en daarbij heb ik van mij afgetrapt.\n\nBewijsoverwegingen\n\nI.\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nII.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 1 tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsman – in de kern weergegeven – aangevoerd dat op grond van de stukken in het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de in de tenlastelegging vermelde woorden heeft gebezigd. Meer in het bijzonder kan het steunbewijs daarvoor niet worden gevonden in de getuigenverklaring (van het hof begrijpt: getuige [getuige]), nu die getuige niet heeft verklaard dat hij de tenlastegelegde uitingen heeft gehoord. Hoewel kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft gezegd dat zij aangeefster ging slaan, kunnen die woorden noch de woorden “ik sla je kop kapot” gekwalificeerd worden als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, aldus de raadsman.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nOp grond van de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat er op 28 januari 2023 in de stationshal van het centraal station in Nijmegen een conflict c.q. woordenwisseling is ontstaan tussen de verdachte en aangeefster [benadeelde] , waarbij de verdachte zich verbaal agressief heeft opgesteld jegens aangeefster. Aangeefster heeft in haar aangifte verklaard dat de verdachte haar daarbij heeft toegevoegd: “je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en (meermalen) de woorden: “ik sla je kop kapot”, althans woorden van gelijke strekking. De getuige [getuige] heeft verklaard dat de verdachte naar aangeefster schreeuwde: “Ik zou maar achterom blijven kijken als ik jou was” en “Ik ga je slaan” of met woorden van gelijke strekking.\n\nGelet op de inhoud van het procesdossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de aangifte van aangeefster. Uit de getuigenverklaring van de onafhankelijke getuige [getuige] volgt dat de verdachte heeft gedreigd om aangeefster te slaan, althans woorden van gelijke strekking. Ook volgt uit de getuigenverklaring dat de verdachte tegen aangeefster heeft gezegd dat – kort gezegd – zij achterom moest blijven kijken. Naar het oordeel van het hof vindt de aangifte aldus voor wat betreft de kern van de bedreiging, namelijk de genoemde geweldshandeling (het slaan) van de verdachte – alsook op het punt van de andere door aangeefster benoemde bedreigende uiting, kort gezegd: het achterom kijken – voldoende steun in de getuigenverklaring van getuige [getuige] . Aldus acht het hof bewezen dat de verdachte de in de tenlastelegging vermelde woorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, heeft gebezigd. Dat de getuigenverklaring op het punt van de precieze door verdachte gebezigde woorden niet geheel overeenstemt met de aangifte, doet daar niet aan af.\n\nIn weerwil van het verweer van de raadsman is het hof voorts van oordeel dat de bewoordingen “je moet je rug in de gaten houden, want ik onthoud je gezicht” en “ik sla je kop kapot” – in onderlinge samenhang bezien en de betekenis daarvan naar algemeen taalgebruik in aanmerking nemend – een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling behelst.\n\nHet hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.\n\nGelet op hetgeen in hoger beroep ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde aan de orde is gekomen, ziet het hof reden om nog het volgende te overwegen.\n\nOp grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat naar aanleiding van de hierboven omschreven melding van bedreiging van aangeefster agenten van politie ter plaatse zijn gekomen op het centraal station te Nijmegen. Op enig moment is de politie overgegaan tot aanhouding van de verdachte ter zake van bedreiging. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich daarop met geweld tegen haar aanhouding heeft verzet. In aanmerking genomen dat de agenten werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding op heterdaad van de verdachte, komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde. Het door de raadsman verwoorde verweer van de verdachte inhoudende dat zij zich heeft verdedigd tegen onrechtmatig politiegeweld wordt derhalve verworpen. Dat de aanhouding voorts gepaard zou zijn gegaan met buitenproportioneel geweld is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Uit de ter zake opgemaakte processen-verbaal van politie of anderszins uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kunnen geen aanknopingspunten worden ontleend die de enkele verklaring van de verdachte met die strekking ondersteunen. Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van die processen-verbaal.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling.\n\nHet onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nWederspannigheid, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte zal opleggen een geldboete van € 500,00, al dan niet te voldoen in termijnen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft – onder verwijzing naar de wijze waarop de verdachte is aangehouden, de omstandigheid dat zij te laat in verzekering is gesteld en een dag in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – bepleit dat het hof zal volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag, met daarnaast oplegging van een taakstraf, zulks als stok achter de deur.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nDe raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte te laat in verzekering is gesteld en het hof verzocht om dat vormverzuim ten gunste van de verdachte in de strafoplegging te verdisconteren.\n\nBlijkens het dossier is de verdachte op 28 januari 2023 om 21:25 uur aangehouden ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling, zijnde een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering). De verdachte is die dag om 21:46 uur opgehouden voor onderzoek. Op 29 januari 2023 om 15:40 uur is de verdachte in verzekering gesteld.\n\nOp grond van artikel 56a van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte ter zake van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten ten hoogste negen uur worden opgehouden voor onderzoek. De tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens wordt voor de berekening van deze termijnen niet meegerekend.\n\nUit het vorenstaande volgt aldus dat de verdachte 8 uur en 56 minuten na het bevel ophouding in verzekering is gesteld. Mitsdien is aan de vereisten van strafvordering voldaan en is van een vormverzuim geen sprake. Het andersluidende verweer mist derhalve feitelijke grondslag, zodat het niet kan slagen.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling van aangeefster. Aangeefster was ten tijde van de bedreiging werkzaam als beveiligster op het centraal station in Nijmegen. Toen de verdachte vanwege haar gedrag door aangeefster werd verboden om met de trein te reizen, heeft zij aangeefster bedreigd. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en bij haar gevoelens van onveiligheid en onbehagen teweeggebracht. Naar aanleiding van de bedreiging zijn agenten van politie ter plaatse gekomen en overgegaan tot aanhouding van de verdachte. Daarop heeft de verdachte zich met aanmerkelijk geweld tegen haar aanhouding verzet. Door aldus te handelen heeft de verdachte het gezag van de opsporingsambtenaren ondermijnd en hun werk onnodig en op hinderlijke wijze bemoeilijkt. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 november 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat zij op 21 december 2021 door de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant wegens mishandeling is veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis. Die eerdere veroordeling heeft de verdachte er ogenschijnlijk niet van weerhouden om andermaal een soortgelijk strafbaar feit te plegen.\n\nVerder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte in dat verband verklaard dat zij geen werk heeft en dat sprake is van schulden ten bedrage van € 5.000,- à € 6.000,-.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, passend en geboden. Aldus komt het hof tot een hogere straf dan door de advocaat-generaal gevorderd, nu de door de advocaat-generaal gevorderde straf, naar het oordeel van het hof, onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, in aanmerking genomen dat de feiten waren gericht tegen respectievelijk politieambtenaren in functie en een beveiligingsmedewerkster. Bij dit oordeel heeft het hof voorts nog betrokken dat het hof oplegging van een geldboete, gelet op verdachtes draagkracht, niet opportuun acht.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 180 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nvernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 2 maart 2023 onder CJIB nummer 1132 5420 0501 1866;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door15 (vijftien) dagen hechtenis.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. T. van de Woestijne, voorzitter,\n\nmr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,\n\nen op 17 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Lavrijssen voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:1106","2025-02-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:09.385Z",20,[73,11,74,75],2026,2024,2023]