[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-youth-care-nl-2026":3},{"detail":4,"years":209},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":39,"total":207,"page":14,"limit":208},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},62,"youth-care-nl","Youth Care","NL","2026-07-08T16:54:05.600Z",2026,[13,16,18,20,22,25,27,29,31,33,35,37],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":14},2,{"month":19,"count":15},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":24},5,25,{"month":26,"count":19},6,{"month":28,"count":15},7,{"month":30,"count":15},8,{"month":32,"count":15},9,{"month":34,"count":15},10,{"month":36,"count":15},11,{"month":38,"count":15},12,[40,54,63,73,83,92,100,109,119,126,133,140,149,156,165,172,179,186,193,200],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":45,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"1059","ECLI:NL:RBMNE:2026:3983","ecli-nl-rbmne-2026-3983","",63,"2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F611913 \u002F KG ZA 26-291\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. E.J.C. de Jong te Utrecht,\n\ntegen\n\nSTICHTING KWALITEITSREGISTER JEUGD,\n\nte Amsterdam,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: SKJ,\n\nadvocaten: mr. A.E. Goossens en mr. L.E. van Hellenberg Hubar te Amsterdam.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nDe voorzieningenrechter beschikt over de volgende processtukken:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 18 - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 31.\n\n1.2. Op de mondelinge behandeling van 11 juni 2026 is [eiser] verschenen met zijn advocaat mr. De Jong. Namens SKJ zijn verschenen: mevrouw [A] ( [functie 1] ), mevrouw [B] , ( [functie 2] bij SKJ), mevrouw [C] , ( [functie 3] ), mr. Goossens en mr. Van Hellenberg Hubar.\n\n1.3. Partijen en hun advocaten hebben een verdere toelichting op de zaak gegeven en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Zowel de advocaat van [eiser] als de advocaten van SKJ hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze zijn toegevoegd aan de processtukken. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is gezegd. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter aangekondigd dat heden vonnis wordt gewezen.\n\n2. Waar de zaak over gaat\n\n2.1. \n\n [eiser] is per 6 november 2024 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd, dat door SKJ wordt beheerd (hierna: het KJ-register). Die registratie brengt mee dat hij als jeugdwerker ook werkzaamheden op hbo-niveau mag uitvoeren. In april 2025 heeft SKJ de\n\nKJ-registratie van [eiser] per direct beëindigd. Die beëindiging is medio juli 2025 opgeschort, in afwachting van de uitkomst van een door [eiser] ingediend herbeoordelingsverzoek. SKJ heeft dit herbeoordelingsverzoek afgewezen en heeft vervolgens, op 29 januari 2026, de registratie weer beëindigd.\n\n2.2. \n [eiser] vordert in dit kort geding veroordeling van SKJ om de beëindiging van de registratie weer op te schorten en de registratie (dus) te herstellen, tot er in de bodemprocedure tussen partijen een uitspraak is gewezen die in kracht van gewijsde is gegaan, met dwangsom, kosten, rente en uitvoerbaar bij voorraadverklaring.\n\n2.3. De voorzieningenrechter oordeelt dat voldoende aannemelijk is dat de beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De gevraagde voorziening wordt dan ook toegewezen, maar slechts voor de duur van de procedure in eerste aanleg. Dit oordeel wordt hierna verder toegelicht.\n\n3. De verdere achtergrond van het geschil.\n\nHet ervaringstraject\n\n3.1. Een KJ-registratie kan worden verkregen door het succesvol afronden van een relevante hbo-opleiding of via een ervaringstraject. [eiser] heeft die tweede route gevolgd. Deze tweede route is in het leven geroepen voor jeugdwerkers die dan wel geen hbo-opleiding hebben afgerond, maar de competenties die nodig zijn om op dat niveau te werken wel al in de praktijk hebben verworven. Die competenties en ervaring moet worden gevalideerd in een ervaringstraject bij een zogenoemde EVC-aanbieder. Dat ervaringstraject houdt kort gezegd in dat de kandidaat zich aanmeldt bij een erkende EVC-aanbieder, waarna in een intakegesprek wordt gekeken of de kandidaat voldoet aan de voorwaarden om aan een ervaringstraject te beginnen. Vervolgens stelt de kandidaat een portfolio samen met bewijsstukken die onderbouwen dat hij de aan te tonen competenties voldoende heeft ontwikkeld. Een portfoliobegeleider die in opdracht van de EVC-aanbieder werkt, begeleidt dit proces. Wanneer het portfolio compleet is, vinden assessmentgesprekken plaats met de assessor om te bepalen of de kandidaat over de aangevraagde competenties en ervaring beschikt. De assessor legt dit vast in een ervaringscertificaat. Met dat ervaringscertificaat kan de kandidaat zich vervolgens inschrijven in het KJ-register.\n\n3.2. SKJ heeft vanaf begin 2024 signalen ontvangen van grootschalige fraude met ervaringstrajecten. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie van het Onderwijs hebben in juni 2024 een verkenning gepubliceerd.SKJ heeft naar aanleiding van deze signalen begin 2025 een steekproef laten uitvoeren, waarin zij van 269 op basis van een ervaringscerificaat ingeschreven geregistreerden (10% van het totaal) het volledige dossier heeft onderzocht. Zij stelt dat er bij 81 van deze 269 dossiers zodanig ernstige onjuistheden zijn aangetroffen (plagiaat, niet-kloppende werkervaring, niet voldoen aan toelatingseisen voor een EVC-traject) dat SKJ de registraties heeft beëindigd. 49 van die 81 registraties, waaronder die van [eiser] , zijn per direct beëindigd. SKJ heeft de mogelijkheid om via een ervaringstraject in het KJ-register te worden geregistreerd afgesloten. Zij heeft ook in de sector gecommuniceerd dat vanwege de ontdekte fraude niet langer kan worden vertrouwd op afgelegde EVC-trajecten, zodat werkgevers vooralsnog zelf zullen moeten controleren of werknemers over voldoende kennis en ervaring beschikken.\n\nHet ervaringstraject van [eiser]\n\n3.3. \n [eiser] is op 8 januari 2024, kort na het afronden van mbo-opleiding tot Persoonlijke Begeleider Specifieke Doelgroepen, op zzp-basis gaan werken voor jeugdinstelling [organisatie 1] . Medio 2024 is hij een ervaringstraject gaan volgen bij EVC-aanbieder [organisatie 2] (hierna: [organisatie 2] ). [organisatie 2] heeft op 2 juli 2024 in haar eindgesprek met [eiser] besproken dat drie van de zes competenties bij hem voldoende aangetoond waren, maar de andere drie niet. [organisatie 2] heeft voor die drie competenties aanvullende trainingen aangeboden. Van dat aanbod heeft [eiser] geen gebruik gemaakt.\n\n3.4. \n [eiser] heeft daarna een andere EVC-aanbieder, [organisatie 3] (hierna: [organisatie 3] ), gevraagd hem te beoordelen. [organisatie 3] mocht de drie competities die volgens [organisatie 2] wel voldoende waren aangetoond zonder verder onderzoek overnemen. [organisatie 3] heeft dan ook alleen de drie andere competenties onderzocht. [organisatie 3] heeft geconcludeerd dat ook die competenties voldoende waren ontwikkeld en zij heeft op 25 september 2024 een ervaringscertificaat verstrekt aan [eiser] . Met dat certificaat heeft [eiser] op 5 november 2024 de KJ-registratie aangevraagd bij SKJ, die hem op 6 november 2024 heeft geregistreerd.\n\nHet onderzoek en de doorhaling\n\n3.5. SKJ heeft op 10 februari 2025 [eiser] laten weten dat hij onderdeel was van de steekproef was. Op 16 april 2025 heeft SKJ laten weten dat zijn registratie per direct werd beëindigd en dat zij de beslissing binnen twee weken schriftelijk nader zou onderbouwen. Dat heeft SKJ op 14 mei 2025 gedaan. Uit die brief staat ook dat SKJ een nieuwe registratieaanvraag door [eiser] wegens de ernst van de bevindingen zal weigeren.\n\n3.6. \n [eiser] heeft heroverweging van de verwijdering uit het KJ-register gevraagd. Omdat de interne regels van SKJ dat voorschrijvenis de KJ-registratie van [eiser] hangende dat heroverwegingsverzoek tijdelijk hersteld. Op 12 januari 2026 heeft de commissie heroverweging van SKJ geadviseerd om het heroverwegingsverzoek af te wijzen maar de maatregel dat toekomstige registratieaanvragen worden geweigerd, in te trekken. SKJ heeft [eiser] op 29 januari 2026 bericht dat zij dat advies overneemt en heeft zijn KJ-registratie ook daadwerkelijk beëindigd.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nDe zaak is voldoende spoedeisend voor kort geding\n\n4.2. SKJ heeft [eiser] registratie geëindigd wegens fraudevermoedens. Als dat – zoals [eiser] stelt – inderdaad onterecht is, kan van [eiser] niet worden verwacht dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De zaak is dus voldoende spoedeisend voor behandeling in kort geding.\n\nVoldoende aannemelijk dat de beëindiging bij de bodemrechter geen stand houdt\n\n4.3. \n [eiser] vordert om de beëindiging van zijn registratie hangende de bodemprocedure te schorsen, kort gezegd omdat die beëindiging in strijdt met regels die SKJ zelf heeft opgesteld, en ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Die voorziening kan alleen worden toegewezen als de kans dat de bodemrechter SKJ veroordeelt om die registratie te herstellen zodanig is dat het gerechtvaardigd is om die veroordeling nu al, vooruitlopend op die beslissing van de bodemrechter, toe te wijzen.\n\n4.4. Uitgangspunt bij die beoordeling is dat de bodemrechter de beslissing van het SKJ om de registratie te beëindigen slechts beperkt kan toetsen. De rechter past met name terughoudendheid bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.\n\nGeen aanwijzingen dat [eiser] onderdeel is van de grootschalige fraude\n\n4.5. SKJ heeft benadrukt dat recent is gebleken dat er op grote schaal fraude met EVC-certificaten is gefraudeerd en dat die fraude een gevaar is voor de integriteit van het KJ-register. SKJ heeft namelijk niet gesteld dat [eiser] enige betrokkenheid heeft bij die grootschalige fraude en kon tijdens de mondelinge behandeling ook geen enkele concrete aanwijzing geven voor die betrokkenheid. De algemene constatering dat grootschalige fraude is geconstateerd, brengt dan ook op zichzelf niet mee dat SKJ de registratie van [eiser] eerder mocht opzeggen. De ernst van die fraude kan wel rechtvaardigen dat SKJ haar besluit van 16 april 2025 om de registratie van [eiser] door te halen pas op 14 mei 2025 heeft gemotiveerd.\n\nAannemelijk dat de verwijten die SKJ [eiser] maakt, niet overeind blijven\n\n4.6. SKJ heeft aan de beëindiging de volgende verwijten ten grondslag gelegd:\n\n [eiser] heeft een cv ingediend waarin ten onrechte staat vermeld dat hij vanaf september 2021 voor het [organisatie 4] heeft gewerkt (terwijl het [organisatie 4] heeft bevestigd dat hij daar pas per april 2022 is begonnen, dus zes maanden later).\n\nIn dat cv staat ook ten onrechte dat [eiser] bij het [organisatie 4] de (hbo-)functie Jeugdzorgwerker C Middenveld had (terwijl het [organisatie 4] heeft bevestigd dat hij de (mbo-) functie Jeugdzorgwerker D had.\n\n In dat cv staat ook ten onrechte dat [eiser] ook bij [organisatie 1] voornamelijk werkzaamheden op hbo-niveau heeft verricht (terwijl [organisatie 1] heeft bevestigd dat hij daar op mbo-niveau had gewerkt).\n\n [eiser] heeft vervalste stukken ingediend, nu in vier documenten die [eiser] ter onderbouwing van zijn werk voor [organisatie 1] had ingediend (twee bejegeningsplannen, gespreksnotulen en een behandelingsevaluatie) een datum in medio 2023 staat, terwijl [eiser] daar pas werkte vanaf 8 januari 2024; en\n\n [eiser] is ten onrechte toegelaten tot het ervaringstraject, omdat hij bij aanvang daarvan het ervaringstraject nog niet beschikte over ten minste één jaar relevante werkervaring in een hbo-functie (deze eis hierna: de ervaringseis).\n\nVolgens SKJ is elk van deze verwijten op zichzelf al voldoende voor beëindiging. Zij leidt dat onder meer af uit artikel 17 lid 1 sub c van het Registratiereglement, dat onder meer bepaalt dat de registratie wordt beëindigd “als aan de aanvraag tot registratie onjuiste of onvolledige informatie ten grondslag heeft gelegen, waarvan de geregistreerde wist of behoorde te weten dat, indien de onjuistheid of ontbrekende gegevens bij de beslissing tot registratie bekend waren geweest, de aanvraag niet zou zijn ingewilligd”.\n\n4.7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de eerste twee verwijten (de twee beweerdelijke onjuistheden in het cv over de periode en het niveau van zijn werkzaamheden voor het [organisatie 4] ) buiten beschouwing moeten blijven. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat hij het betreffende cv bij de aanvraag heeft overgelegd. Aan het ervaringstraject heeft [eiser] ook uitsluitend zijn werkzaamheden bij [organisatie 1] ten grondslag gelegd. Hij stelt dat hij dat cv pas in januari 2025 aan SKJ heeft opgestuurd, toen zij hem om stukken had gevraagd in het kader van de steekproef. SKJ heeft het betreffende cv niet in het geding gebracht en heeft ook anderszins niet op deze gemotiveerde betwisting gereageerd. [eiser] heeft dan ook bij zijn aanvraag voor de registratie geen onjuiste gegevens over zijn werk overgelegd.\n\n4.8. Over de volgende twee verwijten heeft de commissie heroverweging in haar advies van 12 januari 2026 onder meer overwogen:\n\ndat inmiddels is gebleken dat [eiser] bij [organisatie 1] inderdaad op hbo-niveau heeft gewerkt;\n\ndat aannemelijk is dat de vier documenten niet zijn vervalst, maar dat kennelijk de datum dat het cliëntendossier is aangemaakt (dan wel de datum dat de behandeling is aangevangen) per abuis is blijven staan.\n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat SKJ haar stelling, dat de registratie terecht is beëindigd, niet meer op die twee verwijten kan baseren. Dan zou zij immers terugkomen op haar mededeling van 29 januari 2026, waarin zonder enig voorbehoud aan [eiser] is meegedeeld dat SKJ het advies van de commissie heroverweging overneemt. De voorzieningenrechter volgt SKJ niet in haar betoog dat [eiser] had moeten begrijpen dat SKJ eigenlijk bedoelde om alleen de conclusies van het advies over te nemen maar de motivering waar die op gebaseerd zijn, niet. SKJ had dat dan maar duidelijk in haar beslissing moeten vermelden.\n\n4.9. Ook het laatste verwijt, dat [eiser] niet voldeed aan de ervaringseis, is problematisch. Zoals ook tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig is besproken, is gebleken dat ten tijde van de aanvraag de ervaringseis nog niet in de reglementen van SKJ was vastgelegd. Die eis stond toen alleen op de website van het zogenoemde EVC-loket. SKJ heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat [eiser] van deze eis wel op de hoogte moest zijn. Dan is niet aan te nemen dat [eiser] stukken heeft overgelegd waarvan hij wist dat ze onjuist waren. Daar komt het volgende nog bij.\n\n4.10. Op grond van de stukken en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling is voldoende aannemelijk dat zowel [organisatie 2] als [organisatie 3] [eiser] hebben toegelaten tot het traject. Hij heeft aan [organisatie 2] en [organisatie 3] geen informatie verschaft, waaruit zou kunnen volgen dat hij hen wat zijn werkervaring betreft om de tuin heeft geleid. Hij heeft hen stukken gegeven waaruit blijkt dat hij sinds januari 2024 bij [organisatie 1] werkte; uit die stukken volgt niet dat [eiser] daar al tenminste een jaar werkte. [eiser] heeft, zo neemt de voorzieningenrechter aan, dus open kaart gespeeld. Hij kon niet weten dat hij tenminste een jaar werkervaring op hbo-niveau moest hebben. Het kan hem dan ook niet verweten worden dat hij niet aan de, pas in 2025 in het reglement vermelde, eis voldeed.\n\n4.11. De slotsom is dan ook dat het voldoende aannemelijk is dat de verwijten aan [eiser] – en daarmee de beëindiging van zijn registratie – in de bodemprocedure geen stand zullen houden. De voorzieningenrechter zal SKJ dan ook veroordelen om de registratie te herstellen.\n\n4.12. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.\n\nSKJ krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding betalen aan [eiser]\n\n4.13. SKJ is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n151,94\n\n- griffierecht\n\n€\n\n341,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.858,94\n\n4.14. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1. veroordeelt SKJ om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis de registratie van [eiser] in het KJ-register te herstellen en hersteld te houden totdat in de bodemprocedure in eerste aanleg eindvonnis is gewezen,\n\n5.2. verbiedt SKJ om haar besluiten van 16 april 2025 en 29 januari 2026 ook anderszins verder uit te voeren,\n\n5.3. veroordeelt SKJ om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordelingen onder 5.1 en 5.2 voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,\n\n5.4. veroordeelt SKJ in de proceskosten van € 1.858,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als SKJ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.5. veroordeelt SKJ tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 door mr. O.P. van Tricht.\n\nJO\u002F4972\n\n “Er is meer aan de hand. Verkenning misstanden in het opleiden in de zorgsector.”\n\n Artikel 19 lid 4 van het registratiereglement.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3983","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:02.015Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":44,"courtId":58,"decisionDate":46,"fullText":59,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":62},"1940","ECLI:NL:RBNHO:2026:7506","ecli-nl-rbnho-2026-7506",67,"RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F377936 \u002F KG ZA 26-257\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nORTHOPEDAGOGISCHE PRAKTIJK DE REGENBOOG B.V.,\n\nte Zaanstad,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: De Regenboog,\n\nadvocaat: mr. H.R. Eikelboom,\n\ntegen\n\nGEMEENTE ZAANSTAD,\n\nte Zaanstad,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaat: mr. M.W. Langhout.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 4\n\n- de producties 1 tot en met 4 van de gemeente - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van De Regenboog - de pleitnota van de gemeente.\n\n1.2.. Voor de mondelinge behandeling op 11 juni 2026 zijn verschenen namens de Regenboog mevrouw [betrokkene 1] (directrice) en mevrouw [betrokkene 2] (operationeel manager), bijgestaan door mr. Eikelboom voornoemd en namens de gemeente mevrouw [betrokkene 3] (contractmanager), de heer [betrokkene 4] (jurist) en de heer [betrokkene 5] (projectleider), bijgestaan door mr. Langhout voornoemd.\n\n1.3.. Tenslotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De gemeente Zaanstad heeft in december 2025 de Europese openbare aanbesteding Specialistische Jeugdhulp Segment C en V 2027 Zaanstreek-Waterland gepubliceerd. Zij deed dit mede namens de gemeenten Purmerend, Edam-Volendam, Wormerland, Landsmeer en Oostzaan.\n\n2.2.. \n\nDe Offerteleidraad (hierna: de leidraad) houdt onder meer het volgende in:\n\n(…)4.2. \n\nContactpersonen en -gegevens\n\n(…)\n\nIndien er naar aanleiding van deze aanbestedingsleidraad nog vragen zijn, dient de gegadigde deze via TenderNed te stellen. (…) Deze vragen dienen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk voor het op TenderNed gepubliceerde tijdstip, te zijn ingediend. Vragen die na dit tijdstip binnenkomen, worden in beginsel niet beantwoord. De gemeente behoudt zich het recht voor vragen die na dit tijdstip binnenkomen wel te beantwoorden als dat vanwege de aard van de vraag wenselijk is.\n\nBeantwoording van de vragen vindt plaats middels een nota van inlichtingen via TenderNed aan alle gegadigden. De vragen en de daarop gegeven antwoorden moeten worden beschouwd als integraal onderdeel van de aanbestedingsdocumenten en worden volgens planning gepubliceerd op TenderNed.\n\n(…)\n\n5. Beschrijving opdracht5.1. \n\nUitgangspunten, doelstellingen en voorzieningen\n\n(…)\n\nDe opdracht heeft betrekking op de gezamenlijke inkoop van specialistische jeugdhulp voor de periode 2027-2034. De inkoop richt zich op:\n\nsegment C: hoogspecialistische en\u002Fof complexe ambulante hulp;\n\nsegment V: verblijfszorg.\n\nSegmenten C en V zijn onderdeel van het jeugdzorgstelsel in de regio Zaanstreek-Waterland. Het jeugdhulpstelsel bestaat uit vijf onderdelen die segmenten worden genoemd. Segment A is de basis: lokale teams en lichte hulp die vrij toegankelijk is. Segment B biedt specialistische ambulante hulp voor enkelvoudige problemen. Segment C is voor complexe, hoogspecialistische hulp. Segment D richt zich op ernstige dyslexiezorg. Segment V omvat 24-uurs verblijf voor jeugdigen die tijdelijk niet thuis kunnen wonen.\n\n(…)\n\n6. Percelenverdeling en inkoopmethodiek\n\nDeze opdracht is onderverdeeld in drie percelen (zie tabel). Het betreft twee percelen voor segment C en één perceel voor segment V. (…)\n\n(…)6.1.2. \n\nIndeling in percelen\n\nDe inkoop van segment C is opgedeeld in twee percelen:\n\nPerceel 1A is bedoeld voor kernpartners die actief bijdragen aan de doorontwikkeling van het zorglandschap en vanaf 2030 gezamenlijk de volledige zorgvraag in segment C opvangen.\n\nPerceel 1B is bedoeld voor overige leveranciers die zonder ontwikkelverplichting een deel van de zorg leveren gedurende drie jaar tot 2030.\n\n(…)\n\nInkoopprocedure perceel 1B\n\nDe procedure voor perceel 1B bestaat uit twee fases. Inschrijvers moeten voldoen aan de\n\ngeschiktheidseisen en selectiecriteria (zie paragraaf 7.3). Na inschrijving wordt gecontroleerd of de ingediende stukken volledig en correct zijn. Vervolgens worden de inschrijvers die een juiste inschrijving hebben gedaan uitgenodigd voor de onderhandelingsgesprekken over de prijs.\n\n(…)6.2. \n\nInkoop methodiek: Segment V\n\nSegment V betreft jeugdhulp waarbij de jeugdige tijdelijk of langdurig in een woonvoorziening verblijft.\n\nDit kan een pleeggezin, gezinshuis, logeerhuis of behandelgroep zijn. Het gaat om 24-uurszorg voor\n\njeugdigen die (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen vanwege de ernst of complexiteit van hun situatie.\n\n(…)6.6. \n\nRechtsverwerking\n\nDe aanbestedingsleidraad is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Desondanks kunnen er toch onduidelijkheden\u002Fonvolkomenheden in het document (en\u002Fof bijlagen) voorkomen.\n\nGemeente verwacht een proactieve houding van de gegadigden, wat betekent dat de gegadigden eventuele onduidelijkheden en\u002Fof onvolkomenheden in de aanbestedingsleidraad zo spoedig mogelijk, in ieder geval vóór de laatste nota van inlichtingen, aan Gemeente moeten melden.\n\n(…)6.7. \n\nMededeling van de gunningbeslissing\n\nDe aanbestedende dienst zal de inschrijvers gelijktijdig schriftelijk informeren over het voornemen tot gunning. De mededeling van de gunningsbeslissing bevat de relevante redenen voor die beslissing.\n\n(…)\n\nDe aanbestedende dienst neemt een termijn van 20 kalenderdagen (stand stilltermijn) in acht voordat zij de met de gunningsbeslissing beoogde raamovereenkomst sluit. De betrokken inschrijvers hebben aldus de gelegenheid om binnen 20 kalenderdagen ingaande op de dag na de verzenddatum van de mededeling van de gunningsbeslissing, tegen deze beslissing op te komen en een kort geding aanhangig te maken bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem.\n\nDeze termijn, die gelijkloopt met de stand still termijn, is een vervaltermijn. Een kort geding moet voor deze termijn aanhangig zijn gemaakt.\n\nEen kort geding is aanhangig vanaf het moment dat aan de aanbestedende dienst de datum van het kort geding en de inhoud daarvan (door het toesturen van de conceptdagvaarding) is medegedeeld óf vanaf de dag dat de deurwaarder de aanbestedende dienst heeft betekend.\n\n(…)6.8. \n\nKlachtenprocedure\n\nKlachten over deze aanbestedingsprocedure kunnen op de manier zoals in onze klachtenregeling omschreven, worden ingediend bij het volgende mailadres: klachtenInkoop@zaanstad.nl.\n\n(…)7.3. \n\nGeschiktheidseisen\n\n(…)\n\nAanvullende geschiktheidseis aandeel ZZP'ers\n\nDe inschrijver toont aan dat zijn organisatie beschikt over een stabiele personele bezetting met een substantieel aandeel medewerkers in loondienst. Dit draagt bij aan continuïteit, kwaliteit en borging van zorg.\n\nBij inschrijving voegt de inschrijver een ondertekend document toe waarin het percentage\n\nmedewerkers in loondienst wordt vermeld. Dit percentage bedraagt minimaal 80%. Dit document bevat:\n\nDe totale personeelskosten\n\nDe personeelskosten van de medewerkers in loondienst.\n\nHet berekende percentage medewerkers in loondienst ten opzichte van het totaal.\n\nEen verklaring dat dit percentage representatief is voor de inzet binnen de regio Zaanstreek- Waterland.\n\n(…).\n\nAanvullende geschiktheidseis samenstelling multidisciplinair team\n\nOpdrachtnemer heeft binnen haar organisatie een multidisciplinair team welke ter beschikking staat voor behandeling van Cliënten binnen de regio Zaanstreek-Waterland. Hier stellen we de volgende eisen aan:\n\nHet team dient te bestaan uit verschillende disciplines werkzaam binnen de organisatie en bevat minimaal: een (kinder- en jeugd)Psychiater of een Arts VG, een Klinisch psycholoog\u002FGZ psycholoog of Orthopedagoog Generalist (OG-er) en een systeemtherapeut.\n\nHet team kan gezamenlijk ondersteunen. Dit ten behoeve van de vorming van een behandelplan en\u002Fof oplossingen voor vragen van de jeugdige \u002F het gezin vanuit een interdisciplinaire visie vereist, teneinde de juiste dienstverlening te matchen bij de juiste probleemstellingen bij zeer complexe casussen, waarbij intercollegiale consultatie van een enkele behandelaar niet afdoende is.\n\nHet team dient een outreachend karakter te hebben en beschikbaar te zijn.\n\nHet team omvat 10 tot 15 fte.\n\nBij inschrijving voegt de inschrijver een document toe waarin de samenstelling van het team wordt beschreven, inclusief:\n\nFuncties en disciplines binnen het team inclusief BIG- en SKJ-registratienummers\n\nAantal FTE per discipline.\n\n(…)7.3.4. \n\nReferentie eisen\n\nWij verzoeken u om aan de hand van referenties aan te tonen dat u beschikt over de kerncompetenties die nodig zijn voor de uitvoering van deze opdracht. (…) U dient enkel een referentie in te dienen voor het perceel waarvoor u zich inschrijft. Het is ook toegestaan om referenties van een derde op te geven. In dat geval doet u een beroep op die derde, zoals bedoeld in paragraaf 10.3.4.\n\n(…)\n\nPerceel 2: Segment V\n\n Kerncompetentie 1 — Ervaring met het uitoefenen van specialistische jeugdhulp met een verblijfscomponent.\n\nDeze kerncompetentie ziet met name toe dat Inschrijver duidelijk ervaring heeft in het vakgebied verblijf gerelateerd aan de aard en inhoud zoals beschreven in de opdrachtomschrijving en programma van eisen.\n\nAan de referenties worden de volgende eisen gesteld:\n\nMet de referentie toont de Inschrijver aan voldoende ervaring te hebben met de kerncompetentie;\n\nDe referentie is in de afgelopen drie jaren uitgevoerd;\n\nDe referent toont aan minimaal 10 cliënten in een jaar gehuisvest hebben voor één opdrachtgever.\n\nDe gerefereerde opdracht is voor een gemeente en\u002Fof jeugdzorgregio.\n\nDe referentie behoeft niet naar aard, hoeveelheid of omvang en het doel van de uitgevraagde opdracht exact gelijk te zijn, maar wel op onderdelen van de opdracht vergelijkbaar, waardoor aangetoond wordt dat de Inschrijver voldoende kennis en ervaring heeft op dit gebied;\n\nDe referenties dienen een looptijd van minimaal 6 maanden te hebben gehad.\n\n(…)10.3.4. \n\nBeroep op draagkracht derde\n\nAls u een beroep wilt doen op de draagkracht van een derde om aan de geschiktheidseisen te voldoen zoals beschreven in hoofdstuk 7, dan moet u dat aan geven in deel IIC van het UEA. Hierbij moet u toelichten op welke specifieke draagkracht van de derde een beroep wordt gedaan. Daarnaast levert u bij inschrijving het door de derde ingevulde en ondertekende UEA in. Hiernaast dient u ook een ‘verklaring beroep op derde’ in, zie bijlage 13.\n\n(…)10.7.2. \n\nRechtsgang\n\nEen voorlopige selectie- of gunningsbeslissing is nog geen aanvaarding van een aanbod. De inkopende organisatie stuurt de mededeling van selectie of gunning via het aanbestedingsplatform. Is een potentiële opdrachtnemer het niet eens met een afwijzing? Dan kan hij een kort geding starten. Dat moet binnen 20 kalenderdagen na de bekendmaking van de selectie of gunning. Na die termijn vervalt het recht op bezwaar en schadevergoeding.\n\n2.3.. De Regenboog exploiteert een onderneming in de vorm van het ondersteunen en begeleiden van jeugdigen zonder verblijf (inclusief dagactviteiten) alsmede een maatschappelijke opvang met verblijf. Zij heeft op 23 maart 2026 ingeschreven op de aanbesteding voor perceel 1 B en perceel 2.\n\n2.4.. \n\nBij brief van 24 april 2026 heeft de gemeente De Regenboog de volgende beslissing meegedeeld:\n\n(…)\n\nUw inschrijving wordt uitgesloten van deelname. Uw inschrijving voldoet helaas niet aan de gestelde eisen.\n\nSegment C1b — Perceel 2\n\nWij hebben vastgesteld dat uw inschrijving niet voldoet aan twee geschiktheidseisen. Het ingediende document voor het aandeel ZZP'ers vermeldt enkel een percentage van 3%, zonder onderbouwing met personeelskosten en berekening conform pagina 24 van de offerteleidraad. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat aan de eis van minimaal 80% medewerkers in loondienst is voldaan.\n\nDaarnaast beschikt uw organisatie niet over een (kinder- en jeugd)Psychiater of Arts VG; een openstaande vacature volstaat hiervoor niet, een vacature toont immers niet aan dat de betreffende discipline daadwerkelijk beschikbaar en werkzaam is binnen uw organisatie (…). Daarnaast moest u bij uw inschrijving de BIG registraties overleggen van deze professionals, in geval van een vacature kan dat ook niet (…)\n\nDit komt niet voor herstel in aanmerking. Uw inschrijving is ongeldig voor segment C en komt niet in\n\naanmerking voor fase 2 noch gunning voor perceel 2.\n\nSegment V — Perceel 3\n\nConform pagina 26 van de offerteleidraad dient de referentie aan te tonen dat minimaal 10 cliënten in één kalenderjaar zijn gehuisvest voor één opdrachtgever (gemeente en\u002Fof jeugdzorgregio), binnen de afgelopen drie jaar.\n\nNa twee verduidelijkingsronden is dit niet aangetoond. In uw eerste antwoord gaf u aan meer dan 10 Zaanse cliënten te hebben bediend over meerdere jaren, maar niet gelijktijdig. In de tweede vragenronde, waarbij wij u uitdrukkelijk hebben gewaarschuwd dat het niet aantonen hiervan zou leiden tot ongeldigheid, heeft u erkend dat aantallen niet in de referentie zijn vermeld en verwezen naar contractmanagement. Dit is niet toegestaan. Bovendien ziet uw toelichting op een totaal over drie jaar, terwijl de eis betrekking heeft op minimaal 10 cliënten binnen één kalenderjaar.\n\nDit komt niet voor herstel in aanmerking. Uw inschrijving is ongeldig voor segment V en komt niet in\n\naanmerking voor fase 2 noch gunning voor perceel 3.\n\nBent u het niet eens met dit besluit?\n\nDan kunt u tot en met 14 mei 2026 bezwaar maken tegen deze beslissing. Wordt er geen bezwaar gemaakt uiterlijk op gemelde datum, dan is uw recht om dat te doen vervallen.\n\n2.5.. De Regenboog is het niet eens met de beslissing en heeft op 13 mei 2026 een bezwaarschrift ingediend bij de gemeente. Enkele minuten na het indienen van het bezwaar kreeg zij reactie vanuit de gemeente dat het bezwaar niet in behandeling genomen zou worden en dat zij hiervoor binnen de daarvoor geldende termijn een kort geding aanhangig zou moeten maken\n\n2.6.. \n\nBij brief van 14 mei 2026 heeft de advocaat van De Regenboog de rechtbank verzocht een datum te bepalen voor het kort geding. In zijn brief vermeldt hij: Ik heb de opdracht pas heden van De Regenboog ontvangen. De aanvraag moest heden (dan wel\n\nmorgen i.v.m. Hemelvaartsdag) ingediend worden.\n\nMet de wederpartij, de gemeente heb ik nog geen contact kunnen hebben. (…).\n\n2.7.. Op 15 mei 2026 heeft de rechtbank de datum\u002Ftijd voor het kort geding bepaald en is die informatie gecommuniceerd aan de advocaat van De Regenboog, die deze informatie inclusief de concept-dagvaarding nog dezelfde dag heeft gedeeld met de gemeente.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nDe Regenboog vordert - na eisvermeerdering - dat de voorzieningenrechter:\n\nI. de gemeente gelast om de uitsluitingsbeslissing van 24 april 2026 in te trekken, althans totdat de inschrijving van de Regenboog is herbeoordeeld, te schorsen, althans de Regenboog alsnog toe te laten tot -fase 2 van - de gunningsprocedure;\n\nII. de gemeente gelast de inschrijving van de Regenboog te herbeoordelen met in achtneming van het gelijkheidsbeginsel, het transparantiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel,\n\nIII. de gemeente gelast zich tot nader order te onthouden van het sluiten van overeenkomsten met andere gegadigden,\n\nIV.de gemeente primair veroordeelt in de volledige kosten van deze kortgedingprocedure\n\n(€ 3.250 excl. btw, te vermeerderen met de deurwaarderskosten en griffierechten) en subsidiair in de forfaitaire kosten van deze kortgedingprocedure, de nakosten daaronder\n\nbegrepen.\n\n3.2.. De Regenboog stelt dat de gemeente haar inschrijving ten onrechte heeft uitgesloten. Zij stelt dat de gemeente de geschiktheidseis ‘berekening personeelskosten’ onjuist heeft toegepast en wijst erop dat zij heeft voldaan aan de gestelde eisen in de leidraad, te weten een beschrijving van de functies en disciplines binnen het team, het aantal fte per discipline en een verklaring dat de beschreven teamsamenstelling representatief is voor de inzet binnen de regio Zaanstreek-Waterland. Zij benadrukt dat uit haar inschrijving aantoonbaar blijkt dat zij ruim meer dan 15 fte in loondienst heeft, aangevuld met circa 3% zzp-inzet en dat ook de multidisciplinaire samenstelling van het team en de beschikbaarheid daarvan voldoende zijn aangetoond.\n\n3.3.. \n\nVerder stelt De Regenboog dat de eis om een psychiater in loondienst te hebben onevenredig is. Zij erkent dat zij momenteel geen psychiater in loondienst heeft en wijst erop dat zij wel een vacature open heeft staan voor 2 tot 4 uur per week, maar dat de arbeidsmarkt voor psychiaters op dit moment uiterst krap is. Zij verklaart dat zij in de tussentijd voldoet aan de psychiatrische inzet door middel van samenwerkingsverbanden met partijen die een psychiater in loondienst hebben of met vrijgevestigde psychiaters en dat strikte toepassing van de eis om een psychiater in loondienst te hebben disproportioneel is en daarom strijdig met het proportionaliteitsbeginsel als bedoeld in artikel 1.10 van de Aanbestedingswet 2012.\n\nVerder plaatst De Regenboog vraagtekens bij de juridische en praktische uitvoerbaarheid van de eis dat gedurende de gehele contractperiode 10 tot 15 fte in loondienst moet zijn, omdat arbeidsverhoudingen onderhevig zijn aan verandering. Zij voert aan dat medewerkers\n\nde organisatie kunnen verlaten, wat leidt tot openstaande vacatures op specifieke\n\ndisciplines en dat onduidelijk is of het ontstaan van een dergelijke vacature grond vormt voor beëindiging van de overeenkomst.\n\nOver het segment verblijf erkent De Regenboog dat zij abusievelijk in haar inschrijving niet het cliëntenaantal heeft vermeld. Zij benadrukt dat zij nog geprobeerd heeft deze informatie alsnog te verstrekken in de nadere onderbouwing, maar dat zij geen nieuwe informatie meer mocht aanleveren, waardoor zij alleen nog maar kon verwijzen naar contractmanagement, zodat de gemeente die informatie zelf kon nagaan. Zij benadrukt daarbij dat zij referenties had kunnen overleggen van anderen, maar dat zij tot nu toe de specialistische zorg heeft verleend onder segment B en dat het haar niet was toegestaan om haar inschrijving aan te vullen. Daarbij voert zij aan dat zij niet begrepen heeft dat met de vraag of beroep gedaan wordt op de draagkracht van een derde niet gedoeld werd op financiële draagkracht maar op professionele draagkracht. Tenslotte wijst zij er op dat zij ook heeft aangegeven dat geen beroep gedaan wordt op een onderaannemer omdat het op dit moment bij de gemeente niet mogelijk is om een aanvraag te doen met een onderaannemer.\n\n3.4.. De gemeente voert verweer. In de eerste plaats voert zij aan dat De Regenboog niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering, omdat zij haar vordering te laat heeft ingesteld. De gemeente wijst er op dat de selectiebeslissing dateert van 24 april 2026 en dat de laatste dag van de termijn om daartegen op te komen 14 mei 2026 was. Op die datum heeft De Regenboog de rechtbank wel om een datum gevraagd, maar pas op 15 mei 2026 heeft De Regenboog de gemeente geïnformeerd over de gevraagde datum en de concept-dagvaarding doen toekomen.\n\n3.5.. In de tweede plaats voert de gemeente inhoudelijk verweer. Zij voert aan dat de inschrijving van De Regenboog (betreffende perceel 1B) niet voldoet aan de gestelde eisen, omdat:\n\nuit de inschrijving niet opgemaakt kan worden of aan de eis van minimaal 80% medewerkers in loondienst is voldaan;\n\nDe Regenboog niet beschikt over een (kinder- en jeugd)psychiater of Arts VG (een openstaande vacature volstaat niet);\n\nBIG- en registratienummers door De Regenboog zijn niet overgelegd.\n\nVerder voert de gemeente aan dat ook voor segment V de inschrijving van De Regenboog niet voldoet omdat uit de door haar aangeleverde referentie niet volgt dat minimaal tien cliënten in één jaar gehuisvest zijn voor één opdrachtgever.\n\nDe gemeente benadrukt daarbij dat er hoge eisen worden gesteld omdat het hier gaat om specialistische jeugdhulp met een meervoudig of hoogspecialistisch karakter, die niet vrij toegankelijk is en alleen beschikbaar is op basis van een verwijzing door een wettelijke verwijzer. Daarbij bestaat de doelgroep veelal uit jeugdigen met complexe problematiek, vaak in combinatie met ouders die worstelen met hun opvoedrol, mede als gevolg van eigen psychische of sociale problemen. De gemeente wijst er op dat het daarom van belang is om aan de hand van de geschiktheidseisen te kunnen vaststellen of de inschrijver geschikt is om de gevraagde opdracht uit te voeren. De eis van minimaal 80% medewerkers in loondienst is dan ook gesteld met het oog op borging van de continuïteit, kwaliteit en zorg en aan deze eis voldoet De Regenboog niet. Bovendien maakt vooral het feit dat De Regenboog geen psychiater in loondienst heeft, maar slechts een vacature open heeft staan, dat zij niet voldoet aan de geschiktheidseis, vooral niet nu niet is aangegeven dat een beroep wordt gedaan op de draagkracht van een derde, aldus de gemeente. Ook heeft De Regenboog niet de vereiste BIG- en registratienummers in haar inschrijving vermeld en de verwijzing naar contractmanagement is niet voldoende. De gemeente verklaart dat zij naar aanleiding van die verwijzing naar contractmanagement nog wel heeft gezocht, maar geen contract heeft aangetroffen onder segment C of V met betrekking tot De Regenboog. Zij benadrukt dat De Regenboog ook referenties van andere gemeenten of opdrachtgevers had kunnen overleggen.\n\n3.6.. Over de eisvermeerdering van De Regenboog stelt de gemeente in de eerste plaats dat deze moet worden geweigerd, omdat deze in strijd is met de goede procesorde. Daarnaast stelt zij dat de lat voor een reële proceskostenvergoeding hoog ligt en dat De Regenboog onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van misbruik van recht.\n\n3.7.. Op de stelling van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nOntvankelijkheid\n\n4.1.. Het meest verstrekkende verweer van de gemeente is dat De Regenboog de gemeente niet tijdig in kort geding heeft betrokken om bezwaar te maken tegen de beslissing van 24 april 2026 en daarom niet in haar vordering kan worden ontvangen.\n\n4.2.. Dit verweer faalt. Vast staat dat de termijn om tegen de beslissing op te komen eindigde op Hemelvaartsdag. Dit is een in de Europese Unie erkende feestdag in Nederland. Uit de Memorie van Toelichting bij de Aanbestedingswet 2012 volgt dat een opschortingstermijn na de gunningsbeslissing die eindigt op een erkende feestdag, eindigt op het laatste uur van de daarop volgende werkdag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit ook moet gelden voor de beroepstermijn ten aanzien van de beslissing tot uitsluiting als bedoeld in artikel 10.7.2 van de leidraad. Dit betekent dat De Regenboog deze kortgedingprocedure tijdig aanhangig heeft gemaakt.4.3.. Daarnaast heeft de gemeente in de brief met de uitsluitingsbeslissing zelf aangegeven dat er tot en met 14 mei 2026 bezwaargemaakt kon worden. Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat De Regenboog door die formulering op het verkeerde been is gezet en daarom haar bezwaar in eerste instantie bij de gemeente heeft ingediend en niet direct een kortgedingprocedure is gestart. De gemeente heeft ter zitting ook erkend dat de formulering in de brief ongelukkig is geweest. Toen het voor De Regenboog duidelijk was geworden dat in de brief bedoeld is dat zij een kortgedingprocedure moest starten, heeft zij direct een advocaat ingeschakeld die op 14 mei 2026 de rechtbank verzocht om een datumbepaling. Op 14 mei 2026 was het echter Hemelvaartsdag, een algemeen erkende feestdag, waarop de rechtbank gesloten was. Hierdoor is de aanvraag om een datumbepaling niet eerder in behandeling genomen dan op 15 mei 2026. Direct na ontvangst van de dagbepaling op 15 mei 2026 is ook de gemeente hierover ingelicht onder toezending van de concept dagvaarding. Vast staat dat de gemeente tijdig - dat wil zeggen voor afloop van de termijn - op de hoogte was van het feit dat De Regenboog bezwaar wilde maken en van de gronden daarvoor. Aangezien de gemeente bovendien zelf onduidelijkheid heeft gecreëerd over de te volgen procedure, kan zij zich daarom in dit geval in redelijkheid niet beroepen op een termijnoverschrijding met slechts één dag. De Regenboog kan daarom worden ontvangen in haar vorderingen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.4.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat De Regenboog daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\n4.5.. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering.\n\nBezwaar tegen de eisvermeerdering\n\n4.6.. Het bezwaar van de gemeente, dat de eisvermeerdering in strijd zou zijn met de goede procesorde en daarom niet geaccepteerd kan worden, wordt verworpen. De Regenboog mocht haar eis nog wijzigen op de zitting, tenzij dat in strijd zou zijn met de goede procesorde. Dat is niet het geval. Het om een zeer beperkte aanvulling op de eis voor een proceskostenveroordeling. De gemeente heeft hiertegen ter zitting ook inhoudelijk verweer gevoerd, zodat zij door deze eisvermeerdering niet in haar verdediging is geschaad. De eisvermeerdering wordt toegelaten.\n\nInhoudelijk\n\n4.7.. \n\nDe Regenboog heeft gesteld dat in de leidraad niet de eis is gesteld om bij inschrijving een berekening van de personeelskosten te voegen en dat de gemeente in dit stadium ten onrechte daar om heeft gevraagd. Dit betoog treft geen doel. Hoewel aan De Regenboog kan worden toegegeven dat het op basis van haar verklaring over de stabiele personele bezetting voor de gemeente voldoende duidelijk moet zijn geweest dat het percentage medewerkers in loondienst bij De Regenboog tenminste 80% bedraagt, kan dit haar niet helpen. Zoals de gemeente terecht heeft opgemerkt voldoet De Regenboog niet aan de eis dat in haar team een psychiater werkzaam is. De Regenboog heeft erkend dat zij hiervoor een vacature heeft openstaan. De Regenboog heeft gesteld dat deze eis disproportioneel is, maar hierin wordt zij niet gevolgd. Zeker gelet op de hoogspecialistische jeugdzorg waarop de aanbesteding betrekking heeft, kan niet worden geoordeeld dat de eis die de gemeente hier stelt onredelijk of disproportioneel is. De Regenboog had ervoor kunnen kiezen samen met een ander in te schrijven, of de psychiater waar zij naar eigen zeggen mee samenwerkt als onderaannemer op te voeren, maar dat heeft zij niet gedaan. Niet in geschil is dat De Regenboog in haar inschrijving heeft aangegeven dat zij geen gebruik maakt van de draagkracht van anderen. De Regenboog heeft gesteld dat zij de term ‘draagkracht’ in het UEA heeft opgevat als ‘financiële draagkracht’, maar dat komt voor haar rekening en risico. ‘Draagkracht’ is ook in relatie tot beroepsbekwaamheid een begrip uit de Aanbestedingswet 2012. Van een inschrijver mag worden verwacht dat deze daarmee bekend is. Bovendien is het begrip ook in de leidraad gebruiktin relatie tot de geschiktheidseisen.\n\nVoor zover De Regenboog heeft betoogd dat het niet mogelijk was om een psychiater als onderaannemer op te voeren omdat dit, zo begrijpt de voorzieningenrechter, in het bestaande digitale dashboard van de gemeente niet mogelijk is, had het op haar weg gelegen om daarover voorafgaande aan haar inschrijving een vraag te stellen. Zij kan zich hierover niet achteraf beklagen. Van een inschrijver in een aanbesteding wordt een proactieve houding verwacht op dit punt. Daar is De Regenboog in de leidraad ook op gewezen. Bovendien betreft de inschrijving een toekomstige opdracht en volgt uit de leidraad dat een beperkt deel van het team (maximaal 20%) kan bestaan uit onderaannemers.\n\n4.8.. Uit het betoog van De Regenboog dat zij zich afvraagt of de eis om 10-15 fte in loondienst te hebben praktisch wel uitvoerbaar is omdat arbeidsverhoudingen vaak aan verandering onderhevig zijn, komt naar voren dat De Regenboog het met die eis niet eens is. Het is echter aan de gemeente als aanbestedende dienst om de eisen te bepalen. Zoals hiervoor al is overwogen gaat het hier om hoog specialistische jeugdzorg waaraan door de gemeente als aanbestedende dienst eisen mogen worden gesteld. Deze eis, die dient om de aanwezigheid van de benodigde zorg te waarborgen, is niet disproportioneel. Voor zover De Regenboog heeft willen betogen dat het onmogelijk is om aan deze eis te voldoen, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. Nog daargelaten dat zij dit dan vóór haar inschrijving aan de gemeente kenbaar had moeten maken.\n\n4.9.. Met betrekking tot haar inschrijving op segment V (logeeropvang) heeft De Regenboog erkend dat zij abusievelijk het cliëntenaantal niet heeft vermeld. Dit komt voor haar rekening en risico. De enkele verwijzing naar contractsmanagement om dit te herstellen is onvoldoende, temeer omdat De Regenboog heeft erkend dat het daarbij gaat om werkzaamheden die zij heeft uitgevoerd in een ander segment, namelijk segment B. De gemeente heeft De Regenboog terecht niet in de gelegenheid gesteld haar aanschrijving op dit punt aan te passen met nieuwe gegevens. Als aanbestedende dienst is de gemeente gebonden aan het gelijkheidsbeginsel en mag zij een inschrijver niet toestaan zijn\u002Fhaar inschrijving aan te passen of aan te vullen.\n\n4.10.. Uit het vorenstaande volgt dat de gemeente de inschrijving van De Regenboog op goede gronden heeft uitgesloten van verdere deelname. Dit betekent dat de vorderingen van De Regenboog worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.11.. \n\nDe Regenboog wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de kant van de gemeente begroot op:\n\ngriffierecht € 735,00\n\nsalaris advocaat € 1.177,00\n\nnakosten € 189,00\n\nTotaal € 2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen af,\n\n5.2.. veroordeelt De Regenboog in de proceskosten van de gemeente van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n1155\n\n MvT, Kamerstukken II, 32 027, nr. 3, p.6.\n\n Artikel 3.65a Aanbestedingswet 2012\n\n Artikel 10.3.4 van de leidraad","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7506","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:46.456Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":44,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":52,"updatedAt":72},"419","ECLI:NL:RBNNE:2026:2695","ecli-nl-rbnne-2026-2695",70,"2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F254912 \u002F JE RK 26-620\n\nDatum uitspraak: 16 juni 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nhet Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, gevestigd in Leeuwarden,\n\nhierna te noemen de GI (Gecertificeerde Instelling),\n\nover\n\n [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [naam],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\n [naam],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats] .\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. Bij beschikking van 12 mei 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, te weten tot 16 mei 2027. Daarnaast heeft de kinderrechter bij die beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengd voor de duur van zes weken, te weten tot 29 juni 2026. De beslissing op het overige deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting met gesloten deuren op 16 juni 2026.\n\n1.2.. Daarna heeft de kinderrechter op 8 juni 2026 een brief van de GI ontvangen.1.3.. Op 16 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder;\n\nde vader;\n\n [naam jeugdbeschermer] , namens de GI.\n\n1.4.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Voor de vaststaande feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 12 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI handhaaft het verzoek om - uitvoerbaar bij voorraad - de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI onder meer het volgende naar voren gebracht.\n\n3.2.. Na de beschikking van 12 mei 2026, is de GI gelijk aan de slag gegaan met de opdrachten van de kinderrechter gericht op het onderzoeken of een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader mogelijk is. De GI heeft hiervoor meerdere hulpverleningsorganisaties benaderd. Op 26 mei 2026 heeft de GI te horen gekregen dat Feel Jeugd en Gezin (Feel) op korte termijn kan starten met zowel omgangsbegeleiding als een opvoedonderzoek bij de vader. Vervolgens heeft op 3 juni 2026 een startgesprek plaatsgevonden tussen de vader, een medewerker van Feel en de jeugdbeschermer. Tijdens dit gesprek zijn direct afspraken gemaakt over een huisbezoek bij de vader en is gekeken naar de mogelijkheden voor contactuitbreiding tussen de vader en [minderjarige] . De GI heeft begrepen dat de vader de voorkeur gaf aan twee omgangsmomenten in de week in plaats van de voorgestelde drie keer in de week. De GI weet niet waarom Feel ervoor kiest om de omgangsmomenten gedurende één uur te laten plaatsvinden en niet in tijdsduur uit te breiden.\n\n3.3.. De GI vindt het te vroeg om definitief te concluderen of een thuisplaatsing bij de vader duurzaam haalbaar is. De reden hiervan is niet een gebrek aan vertrouwen in de opvoedvaardigheden van de vader, maar dat de GI haar conclusies op een gedegen onderzoek wil en moet baseren. De bij de GI bekende zorgen over de vader zien op dat hij in het verleden pedagogische tikken uitdeelde aan [minderjarige] en dat [minderjarige] bang voor hem was. De GI heeft hierover met de vader gesproken en hij geeft aan dit niet meer te zullen doen. Daarnaast ziet de GI al vanaf het eerste omgangsmoment tussen [minderjarige] en de vader geen angst bij [minderjarige] . [minderjarige] ervaarde alleen bij het eerste omgangsmoment gezonde spanning omdat hij de vader een tijd niet had gezien, maar deze spanning verdween snel. De GI ziet een ontspannen [minderjarige] bij de omgang. Ook is de interactie tussen de vader en [minderjarige] goed. Bij de GI zijn verder geen zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader bekend. De GI heeft daardoor vertrouwen in een positieve uitslag van het onderzoek. De GI heeft Feel meegegeven dat het onderzoek versneld moet plaatsvinden.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n [minderjarige] vertelt dat het goed met hem gaat. Hij ziet zijn vader nu één à twee keer in de week en dat vindt hij leuk. Hij heeft gehoord dat wordt onderzocht of hij bij zijn vader kan wonen en dat hij misschien voor 2027 bij zijn vader zal gaan wonen. Hij ziet zijn moeder ook wekelijks en dat vindt hij fijn. Hij zou ook graag zijn moeder vaker willen zien. Daarnaast wil [minderjarige] heel graag in de zomervakantie met zijn vader mee op vakantie naar Frankrijk en Marokko. Daar woont zijn familie die hij al twee jaar niet meer heeft gezien. Hij kijkt er daarom naar uit om zijn familie weer te zien.4.2.. De vader is blij dat onderzocht wordt of [minderjarige] bij hem thuis kan wonen. Hij voelt zich meer gehoord en gezien in zijn vaderrol. Wat de vader betreft kan [minderjarige] per direct bij hem komen wonen. De band tussen hem en [minderjarige] is sterker geworden. De vader zou in ieder geval graag zien dat de omgangsmomenten tussen hem en [minderjarige] in duur worden uitgebreid en dat zij samen tijd kunnen doorbrengen buiten de omgangslocatie. De vader gaat in de zomervakantie voor drie weken naar Frankrijk en Marokko en merkt dat [minderjarige] heel graag met hem mee wil daarheen.4.3.. De moeder vindt dat de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader niet snel genoeg gaat. Zij had - na de beschikking van 12 mei 2026 - verwacht dat de contacten tussen [minderjarige] en de vader veel sneller zouden worden uitgebreid. De moeder wil het liefst dat [minderjarige] zo snel mogelijk bij de vader gaat wonen. Zij heeft er vertrouwen in dat de vader hem de opvoedsituatie biedt die hij nodig heeft. Ook vindt zij het belangrijk dat [minderjarige] zijn normale dagritme weer oppakt en na de zomervakantie naar het voortgezet onderwijs gaat vanuit de situatie bij de vader. Om dit proces te bevorderen is de moeder bereid om zelf een stap terug te zetten. Zij vindt het op dit moment het belangrijkste dat de plaatsing van [minderjarige] bij de vader goed gaat. Ook zou zij graag zien dat [minderjarige] met de vader mee gaat op vakantie naar Frankrijk en Marokko. [minderjarige] is in goede handen bij zijn vader en zijn familie.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog voor een hele korte periode noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.De kinderrechter zal de machtiging verlengen voor de duur van vier dagen, te weten tot de start van de zomervakantie op 4 juli 2026. Het meer of anders gevraagde zal worden afgewezen. De kinderrechter zal hieronder uitleggen waarom deze beslissing is genomen.\n\n5.2.. De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 mei 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toegewezen voor de duur van zes weken. De GI heeft daarbij de opdracht gekregen om het contact tussen de vader en [minderjarige] fors uit te breiden, hulpverlening bij de vader in te zetten en een gedegen plan van aanpak op te stellen gericht op een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader.\n\n5.3.. \n\nDe kinderrechter stelt vast dat de GI Feel heeft ingezet om te onderzoeken of een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader mogelijk is. Dit is conform wat de kinderrechter de GI had opgedragen. Tegelijkertijd had de kinderrechter net als de ouders verwacht dat het contact tussen de vader en [minderjarige] fors uitgebreid zou worden en inmiddels uitgebreid zou zijn, nu de kinderrechter ook hiertoe opdracht had gegeven. Toch is dit niet het geval.\n\nDe kinderechter begrijpt dat de GI geen belemmeringen voor een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader ziet, behoudens de wens voor een gedegen onderzoek door Feel. Ondanks dat de kinderrechter deze wens vanuit de GI begrijpt, vindt de kinderrechter niet dat de thuisplaatsing bij de vader moet worden uitgesteld totdat dit onderzoek is afgerond. Er zijn geen omstandigheden gebleken die maken dat [minderjarige] niet (per direct) bij de vader zou kunnen wonen. [minderjarige] is destijds vanwege grote zorgen bij de moeder uit huis geplaatst. Over de opvoedvaardigheden van de vader zijn geen zorgen bekend, afgezien van dat hij [minderjarige] in het verleden corrigerende tikken uitdeelde. Met de vader is gesproken over dat dit niet mag en dat dit schadelijk is voor [minderjarige] . De vader staat open voor de opvoedadviezen en geeft aan te begrijpen dat hij dit niet meer mag doen. Hiernaast verlopen de omgangsmomenten tussen de vader en [minderjarige] tot dusver positief. Er wordt gezien dat [minderjarige] zich prettig voelt bij de vader.\n\nDe kinderrechter ziet daarom mogelijkheden voor een plaatsing van [minderjarige] bij de vader en oordeelt dat deze minder ingrijpende mogelijkheid voorliggend is en daardoor de noodzaak voor een langere uithuisplaatsing ontbreekt. Ook acht de kinderrechter het meer in het belang van [minderjarige] dat hij vanuit de opvoedingsomgeving van de vader in het nieuwe schooljaar start op zijn nieuwe school en niet eerst vanuit het gezinshuis [naam gezinshuis] . Daarom verleent de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] slechts voor de duur van vier dagen, te weten tot de start van de zomervakantie op 4 juli 2026. In deze periode kunnen de (begeleide) omgangsmomenten fors uitgebreid worden met overnachtingen, zodat [minderjarige] zich kan voorbereiden op de zomervakantie met zijn vader en de thuisplaatsing bij de vader.\n\nDe beslissing geldt direct5.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht omdat het in het belang van [minderjarige] is dat hij zo snel mogelijk bij zijn vader kan gaan wonen. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 4 juli 2026;6.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;6.3.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door\n\nmr. J. Teertstra, kinderrechter, in aanwezigheid van E. Massink als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 29 juni 2026.\n\n [-]\n\n [-]\n\n [-]\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2695","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:28.970Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":44,"courtId":77,"decisionDate":78,"fullText":79,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":52,"updatedAt":82},"1936","ECLI:NL:RBDHA:2026:17504","ecli-nl-rbdha-2026-17504",58,"2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F706017 \u002F JE RK 26-926\n\nDatum uitspraak: 29 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] ,\n\n- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 2] , [geboorteland] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] ,\n\nhierna tezamen ook te noemen: de kinderen.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\nStichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Op 29 mei 2026 heeft mr. S. van der Harg, kinderrechter in deze rechtbank, mondeling (buiten kantooruren) beslist dat:\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht wordt gesteld van de gecertificeerde instelling tot 29 mei 2026 om 17:00 uur;\n\nde gecertificeerde instelling gemachtigd is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 mei 2026 om 17:00 uur;\n\nde behandeling van het verzoek voor het overige wordt aangehouden tot het verzoek, met nadere onderbouwing, schriftelijk bij de rechtbank is ingediend.\n\n1.2.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\nhet mondelinge verzoek van de Raad op 29 mei 2026;\n\nhet schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.\n\n2.2.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.\n\n2.3.. De kinderen wonen bij de moeder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.\n\n4.2.. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daartoe overweegt de kinderrechter dat er grote zorgen zijn over de veiligheid van de kinderen. De kinderen zijn gisteren (28 mei 2026) van huis weggelopen en naar de basisschool van [minderjarige 2] gegaan, waarna ze hebben aangegeven zich thuis niet veilig te voelen. De kinderen zijn vervolgens op het politiebureau gesproken door medewerkers van Veilig Thuis en het Crisis Interventie Team (CIT). Beide kinderen hebben aangegeven mishandeld en bedreigd (onder andere met de dood) te worden door de vader. Zij durven niet terug naar huis (bij de moeder), omdat zij zich ook onveilig voelen in het netwerk. De vader zit op dit moment vast voor verhoor vanwege een aangifte van mishandeling door de meerderjarige zus van de kinderen. Gelet op de forse zorgen die er zijn over de veiligheid van de kinderen, vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat er met spoed een jeugdbeschermer betrokken raakt bij het gezin. Ook is een langere uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk, zodat goed kan worden onderzocht hoe de opvoedsituatie van de kinderen eruit ziet en wat er nodig is om de kinderen veilig terug te laten keren naar huis. De kinderrechter zal het spoedverzoek daarom toewijzen.4.3.. De beslissing tot de voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n4.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 29 mei 2026 tot 12 juni 2026;\n\n5.2.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 29 mei 2026 tot 12 juni 2026;5.3.. verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. \n\nhoudt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van\n\n8 juni 2026om09.00 uur;\n\n5.5.. gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:\n\nde Raad;\n\nde moeder en de aan haar toe te wijzen advocaat;\n\nde vader;\n\nde gecertificeerde instelling;\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een kindgesprek.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:257 BW.\n\n Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17504","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:46.301Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":44,"courtId":77,"decisionDate":87,"fullText":88,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":52,"updatedAt":91},"619","ECLI:NL:RBDHA:2026:15461","ecli-nl-rbdha-2026-15461","2026-05-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F705617 \u002F JE RK 26-883\n\nDatum uitspraak: 28 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nRaad voor de Kinderbeschermingte Den Haag,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [de minderjarige] ,\n\nadvocaat mr. mr. J. Looman uit Wassenaar.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder 1] ,\n\nhierna te noemen: [de moeder 1] ,\n\nen\n\n [de moeder 2] ,\n\nhierna te noemen: [de moeder 2] ,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nhierna ook tezamen te noemen: de ouders.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 4 juni 2026 en voor dezelfde duur een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, met aanhouding van het overige deel van het verzoek.\n\n1.2.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- de beschikking van 21 mei 2026 en de hierin genoemde stukken;\n\n- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 28 mei 2026.\n\n1.3.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- [de minderjarige] met haar advocaat;\n\n- de ouders;\n\n- [naam 1] , namens de Raad;\n\n [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;\n\nde ambulante opvoedondersteuner van Impegno, [naam 3] , als toehoorder.\n\n1.4.. De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover, voorafgaand aan de zitting en in het bijzijn van haar advocaat, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. De kinderrechter heeft op verzoek van [de minderjarige] de inhoud van het gesprek vertrouwelijk gehouden.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de minderjarige] verblijft bij [instelling] .\n\n2.2.. De kinderrechter verwijst voor een weergave van de overige feiten naar de beschikking van 21 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de resterende duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook verzoekt de Raad een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. De Raad heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.\n\n3.2.. Er zijn al langere tijd grote zorgen bestaan over de ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige] . [de minderjarige] vertoont fors zelfbepalend gedrag, loopt veelvuldig weg, houdt zich niet aan de afspraken en accepteert geen grenzen. Daarnaast zijn er signalen dat [de minderjarige] contacten heeft met meerderjarige mannen waarmee zij seksuele handelingen zou verrichten in ruil voor wiet en vapes en zijn er signalen dat zij zichzelf beschadigt. Aangezien de thuissituatie niet langer houdbaar was, verblijft [de minderjarige] sinds oktober 2025 bij Ipse de Bruggen. Bij Ipse de Bruggen, waar [de minderjarige] voorheen verbleef, zijn de zorgen de afgelopen periode echter steeds verder toegenomen. [de minderjarige] loopt ’s nachts steeds vaker weg en is dan nachten achtereen weg. Op die momenten is het onduidelijk met wie en waar zij is. [de minderjarige] brengt zichzelf in gevaarlijke en risicovolle situaties en zij lijkt vaker onder invloed te zijn van drugs en\u002Fof alcohol. Ook zijn er signalen dat in haar omgeving cocaïne wordt gebruikt. Er zijn tevens ernstige zorgen over haar sociale netwerk. [de minderjarige] en haar vriendje zouden samen een scooter hebben gestolen en zich hierop verplaatsen zonder helm en zonder rijbewijs. Ook zijn er zorgen dat [de minderjarige] beelden van zichzelf deelt op sociale media waarop zij seksuele handelingen uitvoert. Bij [de minderjarige] ontbreekt het aan probleeminzicht en zij is niet aanspreekbaar op haar gedrag. Hiernaast gaat zij ook niet meer naar school. De ouders zijn op dit moment wel bereid, maar niet, althans onvoldoende, in staat om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen. Ook op de open groep lukt het niet meer om [de minderjarige] te begrenzen in haar gedrag en haar veiligheid voldoende te waarborgen. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer is nodig om zicht te houden op de ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige] , regie te voeren over de (in te zetten) hulpverlening voor [de minderjarige] en de ouders te ondersteunen bij de beslissingen die genomen moeten worden in [de minderjarige] haar belang. Daarnaast is een gesloten plaatsing noodzakelijk omdat dit op dit moment de enige manier is om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen en [de minderjarige] tot rust te laten komen en te stabiliseren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De advocaat van [de minderjarige] heeft naar voren gebracht dat hij de zorgen begrijpt. Beide moeders zijn erg betrokken en [de minderjarige] is een lief meisje en het is van belang dat zij weer rust en stabiliteit krijgen zodat een passend hulpverleningstraject kan worden gestart, om uiteindelijk weer tot de situatie te komen dat [de minderjarige] terug naar huis kan. Wel is het zorgelijk dat er zorgen worden uitgesproken over het rondgaan van filmpjes van [de minderjarige] waarop zij seksuele handelingen zou verrichten en dat [de minderjarige] mogelijk met meerderjarige mannen zou omgaan, terwijl er geen duidelijke bron voor deze zorgen in het rapport wordt vermeld en dat deze ook niet ter zitting kan worden genoemd. Dit is temeer vervelend omdat [de minderjarige] ontkent dat hier sprake van is.\n\n4.2.. De ouders hebben ingestemd met het verzoek. Zij maken zich zorgen om [de minderjarige] en hopen dat zij snel de hulp krijgt die zij nodig heeft.\n\n4.3.. De gecertificeerde instelling heeft zich achter het verzoek van de Raad geschaard.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.\n\n5.2.. De kinderrechter overweegt daartoe dat er al lange tijd ernstige zorgen zijn over de veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] , en dat deze in de afgelopen periode zelfs fors zijn toegenomen. [de minderjarige] gaat niet naar school, loopt weg en is soms nachten lang weg waarbij onduidelijk is met wie en waar zij is. Ook gebruikt zij middelen en alcohol. Hoewel [de minderjarige] ontkent dat er sprake zou zijn van (seksueel) contact met meerderjarige mannen en filmpjes hiervan, lijken er in ieder geval sprake te zijn van situaties waar [de minderjarige] haar veiligheid en ontwikkeling in gevaar komen en waarvan het noodzakelijk is dat er meer zicht op komt en onderzoek naar gedaan wordt. De kinderrechter ziet dat de ouders liefdevol en betrokken zijn, maar dat de band tussen hen en [de minderjarige] verstoord is, en gunt het hen dat zij weer als gezin liefdevol contact kunnen hebben om zo toe te werken naar een veilige thuisplaatsing. Tot die tijd is het noodzakelijk dat een jeugdbeschermer betrokken blijft en de noodzakelijke hulpverlening inzet voor [de minderjarige] . De komende periode is de gesloten plaatsing noodzakelijk met als doel de veiligheid te waarborgen, stabiliteit te creëren en passende behandeling mogelijk te maken.\n\n5.3.. Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de resterende duur van drie maanden en verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.5.4.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. stelt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 4 juni 2026 tot 21 augustus 2026;\n\n6.2.. verleent een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 4 juni 2026 tot 21 augustus 2026;\n\n6.3.. verklaart de beslissing onder 6.1. uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:257 BW.\n\n Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15461","2026-06-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.559Z",{"id":93,"ecli":94,"slug":95,"caseNumber":44,"courtId":77,"decisionDate":87,"fullText":96,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":52,"updatedAt":99},"604","ECLI:NL:RBDHA:2026:17468","ecli-nl-rbdha-2026-17468","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F704951 \u002F JE RK 26-804\n\nDatum uitspraak: 28 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over toestemming wijziging verblijfplaats\n\nin de zaak van\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\n [de pleegoma],\n\nhierna te noemen: de pleegoma,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader, bijgestaan door een tolk in de Hongaarse taal;\n\n- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.\n\n- de pleegoma.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] verblijft in een pleeggezin.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 9 oktober 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De gecertificeerde instelling verzoekt toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] verblijft bij haar pleegoma en haar twee zusjes verblijven in een gezinshuis. [minderjarige] heeft al langer de wens om bij haar zusjes te wonen. De afgelopen periode is met alle betrokkenen, zowel de gezinshuisouders, de pleegoma als de jeugdbeschermer, besloten dat dit ook in het belang is van [minderjarige] . Voor de gecertificeerde instelling weegt het belang van family life en de situatie dat de zussen samen kunnen opgroeien zwaar. Dit is essentieel voor de identiteitsontwikkeling van een kind, het gevoel van verbondenheid en emotionele stabiliteit. Daarnaast heeft [minderjarige] aangegeven dat zij zich eenzaam voelt bij pleegoma. De gezinshuisouders (en de betrokken gedragswetenschapper) hebben realistisch zicht op de risico’s die de overplaatsing met zich meebrengt. Dit risico ligt met name in de verzorgende rol die [minderjarige] op zich kan nemen ten opzichte van haar zusjes – zij heeft eerder parentificatie laten zien – en de verandering in de gezinsdynamiek in het gezinshuis. Het is daarom belangrijk dat de overplaatsing plaatsvindt met een duidelijke opbouw, met intensieve begeleiding en duidelijk afspraken over de rollen, grenzen en verwachtingen. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling toegelicht dat de afgelopen periode de opbouw boven verwachting goed is verlopen. Verder is het van belang dat de pleegoma, nu zij een belangrijk hechtingsfiguur is voor [minderjarige] , een structurele rol blijft behouden in het leven van [minderjarige] door vaste contactmomenten en logeerweekenden.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De vader kan instemmen met de wijziging van het verblijf. Hij vindt het heel fijn dat de drie kinderen samen gaan verblijven in één huis.\n\n4.2.. De pleegoma heeft naar voren gebracht dat zij kan instemmen met het verzoek. Het belangrijkste voor de pleegoma is dat het goed gaat met [minderjarige] en dat zij op de plek is, waar zij het allerliefste is. De afgelopen periode heeft [minderjarige] al veel in het gezinshuis verbleven en op dit moment is er ongeveer een 50\u002F50 verdeling tussen het gezinshuis en de pleegoma. Als [minderjarige] in het gezinshuis verblijft, zal zij wel nog één keer in de drie weken een weekend naar de pleegoma toe gaan, als de gezinshuisouders hun ‘vrije weekend’ hebben. Daarnaast is [minderjarige] altijd welkom om langs te komen.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] gedurende ten minste één jaar door de pleegoma wordt opgevoed en verzorgd, waardoor er op grond van artikel 1:265i van het Burgerlijk Wetboek toestemming van de kinderrechter vereist is om de verblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen.\n\n5.2.. Uit de toelichting op het verzoek en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat het de bedoeling is dat [minderjarige] niet langer bij de pleegoma zal wonen, maar in het gezinshuis, waar ook haar twee zusjes wonen, zal gaan verblijven. Hoewel dit niet met zoveel woorden door de gecertificeerde instelling is verzocht, zal de kinderrechter, nu er sprake is van een andere categorie machtiging, het verzoek zo opvatten dat tegelijkertijd wordt verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening.\n\n5.3.. De kinderrechter zal toestemming geven voor de wijziging van het verblijf van [minderjarige] en zal in het verlengde daarvan een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor een gezinsgerichte voorziening tot het einde van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.4.. \n [minderjarige] heeft tegen zowel de pleegoma als de jeugdbeschermer de wens geuit dat zij graag bij haar zusjes wil wonen en opgroeien. Dit heeft zij ook aan de kinderrechter verteld. Uit de stukken volgt dat de pleegoma ziet dat [minderjarige] zich eenzaam voelt en moeite heeft met aansluiting bij haar leeftijdsgenoten. Net als de gecertificeerde instelling is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] haar ontwikkeling is dat zij in het gezinshuis gaat verblijven. De zusjes hebben bij een uithuisplaatsing recht op family life en dienen in principe samen geplaatst te worden, tenzij er sterke contra-indicaties zijn voor het samen plaatsen van de kinderen. De kinderrechter is van oordeel dat deze contra-indicaties bij [minderjarige] niet aan de orde zijn. Net als de gecertificeerde instelling is de kinderrechter van mening dat de overplaatsing kan bijdragen aan de identiteits- en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Daarnaast hebben alle betrokkenen, zowel de gezinshuisouders, de pleegoma en de gecertificeerde instelling dezelfde (positieve) visie over de overplaatsing en erkennen zij ook de risico’s die dit met zich meebrengt. Het is goed om te horen dat de gefaseerde opbouw naar het gezinshuis tot nu toe positief (en zelfs boven verwachting) verloopt. De kinderrechter heeft er voldoende vertrouwen in dat alle betrokken partijen steeds zorgvuldig blijven monitoren wat er nodig is voor [minderjarige] , of haar zusjes, om de plaatsing in goede banen te leiden. Daarbij is het ook zeer helpend dat het contact tussen de gezinshuisouders en de pleegoma goed is en er korte lijntjes zijn tussen hen. Verder heeft de overplaatsing geen dusdanige invloed op het contact tussen [minderjarige] en de vader en heeft de vader uitdrukkelijk aangegeven achter het samen plaatsen van de kinderen te staan. Ter zitting heeft de kinderrechter de vader nog wel op het hart gedrukt dat het ontzettend belangrijk is – zoals zij ook in de vorige beschikking heeft opgeschreven – dat hij de bezoekafspraken met [minderjarige] nakomt. [minderjarige] heeft de kinderrechter namelijk verteld dat zij er veel last van heeft als de vader zijn afspraken afzegt. De kinderrechter doet hierom nogmaals een uitdrukkelijk beroep op de vader om de bezoekafspraken na te komen. Ten slotte is het positief, nu de pleegoma een stabiel hechtingsfiguur is voor [minderjarige] , dat de pleegoma ook na de overplaatsing nog structureel betrokken blijft in het leven van [minderjarige] . Gelet op het voorgaande is kinderrechter van oordeel dat de overplaatsing het meest in het belang van [minderjarige] is.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verleent William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering toestemming tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een gezinsgerichte voorziening;\n\n6.2.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening, met ingang van 28 mei 2026 tot 9 oktober 2026, zijnde het einde van de ondertoezichtstelling.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier, en op schrift gesteld op 8 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17468","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.913Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":44,"courtId":77,"decisionDate":104,"fullText":105,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":106,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":52,"updatedAt":108},"1700","ECLI:NL:RBDHA:2026:17298","ecli-nl-rbdha-2026-17298","2026-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F705130 \u002F JE RK 26-831\n\nDatum uitspraak: 26 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\n'sGravenhage,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] ,\n\nadvocaat: mr. C.M. Emeis uit Den Haag.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats] .\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nStichting Jeugdbescherming west Haaglanden Haaglanden,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. Bij beschikking van 13 mei 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 27 mei 2026 en voor dezelfde duur een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.\n\n1.2.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- de beschikking van 13 mei 2026 en de daarin genoemde stukken;\n\n- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 25 mei 2026.\n\n1.3.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- [minderjarige] met haar advocaat;\n\n- [naam 1] namens de Raad;\n\n [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;\n\neen pedagogisch medewerker vanuit [zorginstelling] is door de kinderrechter aangemerkt als informant.\n\nDe vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast zij wel juist zijn opgeroepen.\n\n1.4.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover - in het bijzijn van haar advocaat en de pedagogisch medewerker - een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [minderjarige] verblijft bij [zorginstelling] .\n\n2.2.. Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 13 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt daarnaast een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.\n\n3.2.. De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. Er zijn al langere tijd ernstige zorgen over [minderjarige] op meerdere leefgebieden. Sinds november 2025 onttrekt zij zich structureel aan toezicht vanuit haar ouders, school, hulpverlening en verblijfslocaties en laat zij zich onvoldoende begrenzen. [minderjarige] liep herhaaldelijk langdurig weg en geeft geen openheid over waar zij verbleef of met wie zij was. [minderjarige] is door de politie aangetroffen met een mes op zak. Er is een reëel risico dat [minderjarige] wordt beïnvloed, ingezet of uitgebuit door anderen. Zij is betrapt bij winkeldiefstallen en brandstichting en heeft zelf aangegeven drugs te hebben gedeald. [minderjarige] gaat al langere tijd niet naar school, onder meer doordat zij niet meer welkom is na meerdere dreigincidenten. Zij heeft geen passende dagbesteding en geen stabiel dag- en nachtritme. Er zijn zorgen over het eetgedrag, zelfbeeld, de emotieregulatie en het probleeminzicht van [minderjarige] . [minderjarige] doet suïcidale uitspraken en heeft aangegeven thuis mishandeld te worden, wat de vader en de moeder ontkennen. De moeder lijkt handelingsverlegen en onvoldoende in staat te zijn om [minderjarige] te begrenzen en haar veiligheid te waarborgen. Binnen het vrijwillig kader is er veel hulpverlening ingezet. Eerdere plaatsingen binnen het open kader hebben onvoldoende veiligheid geboden, omdat [minderjarige] daar weg is gelopen. Een plaatsing binnen de gesloten jeugdhulp is noodzakelijk om [minderjarige] in een veilige en beschermde setting tot rust te laten komen en te stabiliseren. Daarnaast moet onderzocht worden waar het gedrag van [minderjarige] vandaan komt en welke hulpverlening passend is zodat er toegewerkt kan worden naar een open setting. Het is belangrijk dat [minderjarige] open is over wat zij heeft meegemaakt en hulpverlening aanvaardt. Daarna kan er mogelijk gewerkt worden aan de relatie tussen [minderjarige] en haar ouders.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Door en namens [minderjarige] is ingestemd met de voorlopige ondertoezichtstelling. Zij vindt het goed dat er een jeugdbeschermer uitzoekt welke hulp zij nodig heeft en wat er ingezet kan worden. Namens [minderjarige] heeft de advocaat zich met betrekking tot de gesloten machtiging gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. [minderjarige] wil niet thuis wonen, maar begrijpt niet waarom zij gelijk gesloten geplaatst moet worden. Het gaat goed met haar en [minderjarige] gaat op [zorginstelling] elke dag naar school. Zij wil naar een open plek die goed bij haar past en [minderjarige] zal hier elke dag naar school gaan. [minderjarige] liep weg, omdat zij overdag niet naar school kon en thuis probleem had met haar ouders. [minderjarige] denkt dat een gesloten plaatsing averechts werkt, omdat zij geïrriteerd wordt als zij te weinig naar buiten kan om haar energie kwijt te raken. De advocaat heeft aangevuld dat als aan [minderjarige] te veel regels worden opgelegd en haar vrijheid te veel wordt beperkt, dit escalerend werkt.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.2.. Er zijn zorgen over [minderjarige] op meerdere leefgebieden. Zo zijn er zorgen over haar wegloopgedrag, het netwerk van [minderjarige] en de risicovolle situaties waarin zij terecht komt. Daarnaast heeft [minderjarige] zorgelijke uitspraken gedaan over suïcide en wat zij heeft meegemaakt in de thuissituatie. Het is noodzakelijk dat er nader onderzocht wat er in de thuissituatie van [minderjarige] en tijdens de periodes dat zij weg is gelopen is gebeurd. Daarnaast is het noodzakelijk dat er met [minderjarige] wordt gesproken over waar haar gedrag vandaan komt en welke hulpverlening passend voor haar kan zijn. Het is positief dat [minderjarige] heeft aangegeven hulpverlening te willen en dagelijks weer naar school zou willen gaan. Het is noodzakelijk dat er de komende periode een jeugdbeschermer betrokken is die een band met [minderjarige] op kan bouwen, goed naar haar kan luisteren, en onderzoekt welke hulpverlening passend is.\n\n5.3.. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.\n\n5.4.. De vader en de moeder van [minderjarige] zijn momenteel niet in staat om haar te begrenzen en haar veiligheid te waarborgen. In het vrijwillig kader heeft [minderjarige] meermaals op open groepen verbleven, maar is zij hier steeds weggelopen. Er zijn grote zorgen over waar en met wie [minderjarige] dan is en in welke onveilige situaties zij zich begeeft. Hoewel [minderjarige] zelf aangeeft dat zij er altijd voor zorgt dat zij niet in onveilige situaties terecht komt, overziet zij de risico’s onvoldoende. Het is noodzakelijk dat [minderjarige] binnen het gesloten kader veilig is en kan stabiliseren. Het is belangrijk dat zij hier passende ondersteuning, begeleiding en dagbesteding heeft. Het van belang dat [minderjarige] open is naar de jeugdbeschermer en de hulpverleners en dat zij laat zien dat zij zich aan de regels van de groep kan houden. [minderjarige] kan dan verdere vrijheden opbouwen en laten zien dat zij met verantwoordelijkheid om kan gaan zodat er toegewerkt kan worden naar een passende vervolgplek,\n\n5.5.. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht tot 13 augustus 2026. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 13 augustus 2026.5.6.. De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 27 mei 2026 tot 13 augustus 2026;\n\n6.2.. verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 27 mei 2026 tot 13 augustus 2026.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 19 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:257 BW.\n\n Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17298","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:34.254Z",{"id":110,"ecli":111,"slug":112,"caseNumber":44,"courtId":113,"decisionDate":114,"fullText":115,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":117,"parsedAt":52,"updatedAt":118},"615","ECLI:NL:RBZWB:2026:5458","ecli-nl-rbzwb-2026-5458",64,"2026-05-21T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448440 \u002F JE RK 26-891\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] ,\n\nadvocaat mr. P.F.M. Gulickx uit Breda.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\n- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 21 mei 2026;\n\n- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 17 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 juni 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 6 juni 2026.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 mei 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 6 juni 2026.\n\n2.4.. Op basis van die machtiging verblijft [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.\n\n3.2.. De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet kan een spoedmachtiging voor een gesloten plaatsing alleen worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:\n\nonmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;\n\nde opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en\n\ner geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.\n\n4.2.. De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Op 11 mei 2026 is door de GI een regulier verzoek machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] ingediend. De zorgen over hem zijn de afgelopen dagen echter zodanig opgelopen dat nu een spoedverzoek is ingediend. [minderjarige] onttrekt zich van de groep, uit zich ernstig dreigend naar de groepsleiding en er is een vermoeden dat hij strafbare feiten pleegt. Ook heeft hij negatieve contacten met een ex-groepsgenoot, zo heeft hij deze groepsgenoot onrechtmatig toegang verleend tot de groep waardoor de veiligheid op de groep ernstig in het geding is gekomen. Er is een groot risico dat [minderjarige] tot onverantwoorde daden overgaat zoals bijvoorbeeld naar het buitenland vertrekken, dit mogelijk in samenspraak met deze groepsgenoot. Maatschappelijk Hulp met Daadkracht heeft op 21 mei 2026 aangegeven dat [minderjarige] ’s verblijf op de huidige behandelgroep per direct niet maar haalbaar is vanwege de veiligheid van het personeel en de andere jongeren. Ook hun zorgen over [minderjarige] en daarmee zijn veiligheid zijn toegenomen. Een time-out op een andere groep is als niet haalbaar ingeschat. Het gedrag van [minderjarige] is onvoorspelbaar en wordt steeds risicovoller doordat hij het gevoel heeft dat hij niets te verliezen heeft.\n\n4.3.. Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.\n\n4.4.. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] , nu [minderjarige] per direct niet meer op de groep kan verblijven en er een concrete dreiging bestaat dat [minderjarige] zal weglopen en mogelijk zelfs met de ex-groepsgenoot naar het buitenland vertrekt. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken. Het resterende deel van het spoedverzoek alsmede het verzoek om een reguliere machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen voor de duur van zes maanden, zal worden aangehouden tot de hierna te noemen zitting. De GI, [minderjarige] , zijn advocaat en de ouders worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Op diezelfde zitting zal ook het eerder ingediende verzoek van de GI om een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen met zaaknummer C\u002F02\u002F448088 \u002F JE RK 26\u002F817 worden behandeld.\n\n4.5.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 21 mei 2026 tot 4 juni 2026;\n\n5.2.. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;\n\n5.3.. roept de GI, de vader, de moeder en [minderjarige] en zijn advocaat op voor de zitting van mr. Pellikaan op [datum] 2026 om [uur]uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan Stationslaan 10 in Breda;5.4.. bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting voor [minderjarige] , zijn advocaat mr. Gulickx, de ouders en de GI;\n\n5.5.. behoudt zich iedere verdere beslissing voor.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 22 mei 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5458","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.405Z",{"id":120,"ecli":121,"slug":122,"caseNumber":44,"courtId":113,"decisionDate":114,"fullText":123,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":124,"sourceTimestamp":117,"parsedAt":52,"updatedAt":125},"613","ECLI:NL:RBZWB:2026:5457","ecli-nl-rbzwb-2026-5457","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F445329 \u002F JE RK 26-303\n\nDatum uitspraak: 4 juni 2026\n\nNadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nHET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE TILBURG,\n\nhierna te noemen: het college,\n\nover\n\n [minderjarige],\n\ngeboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] ,\n\nadvocaat: mr. V.C. Andeweg uit Breda.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [plaats 2] (België).\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nde in deze zaak gegeven beschikking van 4 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;\n\nde instemmende verklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper van 20 mei 2026;\n\nhet bericht van het college van 20 mei 2026, inhoudende een voortgangsrapportage van [locatie] ;\n\nde schriftelijke toestemmingsverklaring van 28 mei 2026 van de vader van [minderjarige] .\n\n1.2.. Op 21 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak op zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:\n\ntwee vertegenwoordigers van het college;\n\nde advocaat van [minderjarige] ;\n\n- de moeder.\n\n1.3.. Van de advocaat van [minderjarige] heeft de kinderrechter vernomen dat [minderjarige] niet naar de rechtbank is gekomen, omdat zij het belangrijk vindt om naar school te gaan en ook omdat zij een verwachting heeft over de beslissing die de kinderrechter zal nemen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat [minderjarige] op de juiste wijze is opgeroepen. De advocaat heeft op de zitting namens haar het woord gevoerd.\n\n1.4.. Van het college heeft de kinderrechter vernomen dat de vader niet naar de rechtbank komt in verband met een afspraak in het ziekenhuis. De kinderrechter heeft besloten de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de vader. De overige aanwezigen hebben hiertegen geen bezwaar geuit.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. Bij de hiervoor genoemde beschikking van 4 maart 2026 heeft de kinderrechter voor [minderjarige] een machtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 5 maart 2026 tot 5 juni 2026.\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft momenteel op basis van voornoemde machtiging bij [jeugdhulp] te [locatie] .\n\n3. Het (resterende) verzoek\n\n3.1.. Thans ligt het volgende resterende verzoek nog ter beoordeling voor. Het gaat daarbij om het verzoek van het college om een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.\n\n4. Het standpunt van het college\n\n4.1.. Ter onderbouwing van en in aanvulling op het schriftelijke verzoek voert het college, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] verblijft sinds 27 november 2025 bij [jeugdhulp] in [locatie] . De ontwikkeling van [minderjarige] is kwetsbaar. Zij heeft moeite om anderen te vertrouwen. Ook erkent en herkent zij moeilijk de emoties van zichzelf en anderen. [minderjarige] heeft trauma’s en onveiligheidsgevoelens vanuit haar verleden. Zij heeft de neiging haar gevoelens en spanningen weg te stoppen en vindt het moeilijk hierover te praten. [minderjarige] zit nog veel in haar hoofd. Op de groep werd lange tijd gezien dat zij een passieve houding heeft en zij moeite heeft haar concentratie vast te houden. [minderjarige] heeft geregeld een weerwoord richting de begeleiding. Op het moment dat [minderjarige] daarop wordt aangesproken ervaart zij dit als een persoonlijke aanval of afwijzing.\n\n4.2.. \n\nBinnen de therapie en op de groep wordt ook gezien dat [minderjarige] positieve stappen zet in haar ontwikkeling. Zij maakt een gemotiveerde indruk en doet zichtbaar haar best. [minderjarige] is gegroeid in haar emotieregulatie, impulscontrole en durft voorzichtig meer te delen. [minderjarige] gaat naar school en zet zich in voor school. Ook in haar zelfzorg heeft [minderjarige] stappen gezet. Zij heeft verschillende vrijheden gekregen op de gesloten groep.\n\nZo heeft [minderjarige] een bijbaantje en gaat in de weekenden met verlof. Zij gaat dan zelfstandig naar haar moeder of haar vader toe.\n\n4.3.. Een volledige terugkeer naar de moeder behoort op dit moment nog niet tot de mogelijkheden. De verwerking van haar trauma’s vraagt nog veel tijd, vertrouwen en herhaling. Ook de emotieregulatie en het herkennen van emoties bij anderen blijven een aandachtspunt. Het college is op zoek naar een passende plek in een open setting voor [minderjarige] , waar zij voor langere tijd kan verblijven. Het aantal plekken is echter beperkt en de vader heeft geen toestemming gegeven om een plek buiten de regio te zoeken. Het college hoopt dat het [minderjarige] zo snel als mogelijk kan doorstromen naar een open behandelgroep. De situatie is schrijnend voor [minderjarige] . Het college gunt [minderjarige] een passende plek waar zij langdurig kan verblijven.\n\n5. De standpunten van belanghebbende\n\n5.1.. Namens [minderjarige] is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verlenen van de machtiging gesloten jeugdhulp voor nog eens drie maanden. Naar omstandigheden gaat het goed met [minderjarige] . Zij ervaart steun aan de begeleiding op de groep. De afgelopen periode was bedoeld om uit te zoeken naar welke open groep [minderjarige] zou kunnen gaan. Helaas is er nog geen alternatief voor [minderjarige] gevonden en een thuisplaatsing is op dit moment niet mogelijk. [minderjarige] blijft daarom liever op de gesloten groep, totdat er een passende plek voor haar is gevonden. Hoewel [minderjarige] enkele vrijheden heeft gekregen op de groep, blijft het echter wel een gesloten groep. [minderjarige] hoort niet gesloten geplaatst te zijn. Ook de groep geeft dat aan. Aan de andere kant is het ook niet in het belang van [minderjarige] als zij overhaast wordt geplaatst op een open groep die eigenlijk niet passend is. [minderjarige] wil graag dat er een goede, passende plek voor haar komt waar zij langdurig kan blijven en van waaruit stappen kunnen worden gezet om begeleid te gaan wonen en toe werken naar zelfstandigheid.\n\n5.2.. Door de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verzoek. De plaatsing is goed voor [minderjarige] . Het geeft rust. In de weekenden komt [minderjarige] naar de moeder toe. [minderjarige] werkt op zondag in de buurt van [locatie] , dus ze blijft niet bij haar moeder slapen. Ook gaat zij zelfstandig met de bus naar haar vader die in [plaats 2] woont.\n\n6. De (nadere) beoordeling\n\nWettelijk kader6.1.. De kinderrechter dient de vraag te beantwoorden of een machtiging gesloten jeugdhulp gerechtvaardigd is. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet, kan een machtiging om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven alleen worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:\n\njeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;\n\nde opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en\n\ner geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.\n\nInhoudelijke beoordeling6.2.. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er nog steeds sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje met een belast verleden. [minderjarige] heeft veel meegemaakt. In het verleden is gebleken dat zij niet altijd in staat is geweest om gezonde en veilige keuzes voor zichzelf te maken, waardoor ze zichzelf in risicovolle situaties bracht en een gevaar voor zichzelf was. [minderjarige] verblijft al enige tijd op de gesloten groep van [jeugdhulp] . De begeleiding van de groep ziet dat [minderjarige] veel in haar hoofd zit. Zij laat geen negatief gedrag zien, maar toont een passieve houding en heeft moeite haar concentratie vast te houden. De aandacht van [minderjarige] richting jongens is toegenomen. Dit zou zorgelijk kunnen worden, gelet op de eerdere zorgen over het seksueel wervende gedrag van [minderjarige] , het risico op slachtofferschap en het risico op zelfbeschadigend gedrag. Daarnaast heeft [minderjarige] moeite met haar emotieregulatie en het erkennen en herkennen van de emoties van zichzelf en anderen. Zij is geneigd haar gevoelens weg te stoppen, praat niet graag over de gebeurtenissen uit het verleden en heeft moeite om anderen te vertrouwen. [minderjarige] heeft daar nog veel stappen in te maken en heeft daarvoor hulpverlening nodig.\n\n6.3.. De kinderrechter ziet daarnaast ook dat sprake is van een positieve ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is gemotiveerd en doet zichtbaar haar best. Zij stelt zich langzamerhand open voor de hulpverlening en neemt de hulpverleners in vertrouwen. Ook is zij gegroeid in haar emotieregulatie en impulscontrole. [minderjarige] doet daarnaast zichtbaar haar best voor school. Vanaf de start van het schooljaar in 2025 ging [minderjarige] niet meer naar school, maar sinds de gesloten plaatsing is haar aanwezigheid binnen het onderwijs toegenomen. Verder heeft [minderjarige] een bijbaantje gevonden en gaat zij zelfstandig naar haar ouders met verlof. [minderjarige] is goed op weg naar zelfstandigheid. Door de begeleiding van de groep wordt gezien dat [minderjarige] gebaat is bij de structuur, veiligheid en de rust die door de groep geboden wordt.\n\n6.4.. Met het college, de ouders en de advocaat van [minderjarige] is de kinderrechter van oordeel dat een gesloten plaatsing op dit moment nog steeds het enige alternatief is. [minderjarige] kan niet bij haar ouders terecht en geeft aan dit zelf ook niet te willen. Zowel het college als de advocaat van [minderjarige] hebben aangegeven dat het de voorkeur heeft dat [minderjarige] naar een plek in een open setting gaat, maar dat [minderjarige] er niet bij gebaat is als zij overhaast op een niet passende plek wordt geplaatst. Dit zou de kans dat zij de stijgende lijn niet kan vasthouden vergroten. Op dit moment acht de kinderrechter een gesloten plaatsing bij [jeugdhulp] dan ook gepast en noodzakelijk om de positieve van ontwikkeling van [minderjarige] voort te zetten. Hoewel een gesloten plaatsing een ingrijpende maatregel is en als ultimum remedium dient te gelden, bestaan er op dit moment zoals vermeld geen andere mogelijkheden voor de plaatsing van [minderjarige] . Het verzoek zal daarom worden toegewezen voor de duur van drie maanden, zoals is verzocht. Gelet op het karakter van de maatregel van de gesloten plaatsing is het wel noodzakelijk dat het college zo snel als mogelijk een passende plek binnen een open setting voor [minderjarige] vindt.\n\n6.5.. Het college heeft bij het verzoek een schriftelijke en door de onafhankelijke gedragswetenschapper, ondertekende verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij instemt met het verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden.\n\n6.6.. De kinderrechter merkt op dat er ten tijde van de zitting geen recente toestemmingsverklaring van de vader in het dossier zat en de vader was ook niet op de zitting aanwezig. Het college heeft de toestemmingsverklaring van de vader naderhand opgestuurd, zodat ook wat betreft de vader alsnog aan het vereiste van artikel 6.1.2, derde lid onder c, Jeugdwet is voldaan.\n\n6.7.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n7. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n7.1.. verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 5 juni 2026 tot 5 september 2026.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Vos, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Van Ham als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5457","2026-07-13T00:28:39.318Z",{"id":127,"ecli":128,"slug":129,"caseNumber":44,"courtId":6,"decisionDate":114,"fullText":130,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":131,"sourceTimestamp":117,"parsedAt":52,"updatedAt":132},"611","ECLI:NL:RBZWB:2026:5454","ecli-nl-rbzwb-2026-5454","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446434 \u002F JE RK 26-515\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen: de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de pleegmoeder],\n\nhierna te noemen: de pleegmoeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken te Soest,\n\n [de pleegvader],\n\nhierna te noemen: de pleegvader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 maart 2026;\n\nhet bericht van mr. Dorhout-Tielken met bijlage, ontvangen op 20 mei 2026;\n\nde pleitaantekeningen van mr. Dorhout-Tielken, overlegd tijdens de zitting.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde pleegmoeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde pleegvader;\n\neen tweetal vertegenwoordigsters van de GI.1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De kinderrechter heeft met [minderjarige 1] afgesproken dat de inhoud van het gesprek geheim moet blijven. De aanwezigen hebben kunnen reageren op hetgeen [minderjarige 2] heeft verteld.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Bij beschikking van 1 augustus 2016 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder voogdij gesteld van de pleegouders.\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen, sinds de beëindiging van de relatie van de pleegouders, bij de pleegmoeder.\n\n2.3.. Bij beschikking van deze rechtbank van 23 mei 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 23 mei 2024 en tot 23 mei 2025. Deze maatregel is daarna verlengd tot 23 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n [minderjarige 2] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter dat het erg goed met haar gaat bij de pleegmoeder thuis. Het gaat ook goed op school. Daarnaast vertelt [minderjarige 2] dat ze de reisafstand naar de pleegvader te ver vindt. Ook vindt [minderjarige 2] het vervelend dat ze bij de pleegvader geen vriendinnen in haar omgeving heeft. Ze heeft geen goede band met de pleegvader. Ze verwacht ook niet dat dit binnen de ondertoezichtstelling beter zal worden. [minderjarige 2] staat er niet meer voor open en wil op dit moment liever geen contact met de pleegvader. [minderjarige 2] heeft er last van als zij steeds van omgeving moet wisselen, omdat ze tijd nodig heeft om zich aan te passen. Dit maakt dat zij zich bij de pleegvader ook niet goed kan concentreren voor schoolwerk. Verder licht [minderjarige 2] toe dat ze in de vakanties ook niet meer naar de pleegvader wil, omdat ze dan twee weken niemand heeft om mee af te spreken. [minderjarige 2] heeft een tijd geleden een e-mail gestuurd naar de jeugdbeschermer en de pleegvader waarin ze dit heeft aangegeven. Ook vertelt [minderjarige 2] dat ze geen gesprekken meer wil met de hulpverleners, omdat het niet werkt. Tot slot geeft [minderjarige 2] aan dat ze klaar is met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de meerwaarde daarvan niet ziet.\n\n4.2.. De (zittingsvertegenwoordigster van de) GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat zij inmiddels als vaste jeugdbeschermer betrokken is. Het klopt dat [minderjarige 2] een e-mail heeft gestuurd naar de jeugdbeschermer en de pleegvader. De jeugdbeschermer heeft toen contact opgenomen met de pleegvader en besloten dat [minderjarige 2] in de meivakantie niet naar de pleegvader hoefde te gaan. Op deze manier kon zij [minderjarige 2] het gevoel geven dat ze gehoord en gezien werd. Volgende week zal de jeugdbeschermer een gesprek voeren met [minderjarige 2] om te kijken wat zij wil en wat nog mogelijk is. Haar mening moet immers serieus worden genomen, zeker met het oog op de diagnose separatieangst. De GI gunt [minderjarige 2] een onbelast contact met de pleegvader, maar er moeten hiervoor nog veel stappen worden gezet. Er zal worden gekeken naar de inzet van hulpverlening. Ook is het belangrijk dat [minderjarige 1] niet wordt vergeten. Verder licht de GI toe dat [psychotherapeut] betrokken is voor de oudercommunicatie en het opstellen van een ouderschapsplan. Er zijn nog wat (juridische) patstellingen tussen de (pleeg)ouders waar een klap op moeten worden gegeven. Het ouderschapsplan is wel bijna klaar. Daarnaast verklaart de GI dat zij volgende week een huisbezoek zal inplannen, samen met de betrokken pleegzorgmedewerker, zodat kan worden bezien wat nodig is om de (gezamenlijke) pleegoudervoogdij te verbeteren. Het is momenteel niet de intentie van de GI om een machtiging uithuisplaatsing of een onderzoek door de Raad te verzoeken. Een constructieve oudercommunicatie is wel een van de voorwaarden voor gezamenlijke pleegoudervoogdij. Tot slot is de GI voornemens om te onderzoeken of de biologische ouders van de kinderen een rol in het leven van de kinderen willen en kunnen krijgen.\n\n4.3.. Door en namens de pleegmoeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek. Het gaat heel goed met de kinderen. Ze hebben een flinke groei doorgemaakt. De pleegmoeder probeert [minderjarige 2] uit te leggen dat het de bedoeling is dat ze naar de pleegvader gaat, maar [minderjarige 2] wil niet. De (pleeg)ouders zoeken elkaar daarnaast op bij belangrijke zaken over de kinderen. Ook ziet de pleegmoeder dat het beter gaat met [minderjarige 2] op het gebied van haar separatieangst en dwanggedachten. Dit staat niet meer op de voorgrond, hetgeen maakt dat hulp nu niet nodig is. Het verzoek moet worden afgewezen, aangezien er geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen. De communicatie tussen de (pleeg)ouders is verbeterd, de overdrachtsmomenten verlopen ontspannen en de kinderen ontwikkelen zich goed en durven hun gevoelens en wensen te uiten. Het verzoek is vooral gebaseerd op hypothetische scenario’s. Alle geschilpunten tussen de (pleeg)ouders met betrekking tot het ouderschapsplan zijn feitelijk afgehandeld. Er worden echter steeds nieuwe punten aangedragen die geen betrekking hebben op de ontwikkeling van de kinderen. Zo waren er voorheen geen zorgen over de rol van de biologische ouders in het leven van de kinderen. De biologische moeder heeft ook aangegeven geen contact met de kinderen te willen hebben. De biologische vader(s) van de kinderen is\u002Fzijn nooit bekend gemaakt. De (pleeg)ouders zijn in voldoende mate in staat om op constructieve wijze met elkaar te communiceren en de opvoedsituatie van de kinderen is goed genoeg. Het ouderschapsplan kan tot slot ook in een vrijwillig kader worden afgerond.\n\n4.4.. De pleegvader staat achter het verzoek en verklaart dat hij schrikt van hetgeen [minderjarige 2] vertelt over hun band. Het is lastig dat [minderjarige 2] geen contact meer wil. De deur staat wel altijd voor haar open. De pleegvader heeft het gevoel dat de kinderen al langer kampen met loyaliteitsproblematiek. Daarnaast licht de pleegvader toe dat de omgangsmomenten met [minderjarige 1] fijn verlopen. Verder geeft de pleegvader aan dat er geen sprake is van communicatie met de pleegmoeder, behalve door tussenkomst van een derde partij, zoals [psychotherapeut] . Algemene zaken zijn bespreekbaar, maar het is lastig als de (pleeg)ouders moeten praten over patstellingen. [psychotherapeut] is nodig om er samen uit te komen en ervoor te zorgen dat afspraken worden nagekomen. Het zou goed zijn als er een klap kan worden gegeven op bepaalde patstellingen, zodat het ouderschapsplan afgerond kan worden. De overdrachtsmomenten verlopen ook niet ontspannen en er is geen sprake onbelast contact met [minderjarige 2] . Tot slot vraagt de pleegvader zich af of er echt een e-mail is verstuurd door de biologische moeder dat zij de kinderen niet meer wil zien, aangezien deze e-mail nooit door iemand is gezien.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Allereerst stelt de kinderrechter vast dat de pleegouders, hoewel dat zowel voor de pleegouders als voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wel zo voelt, formeel niet de juridische ouders van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn. Zij zijn de pleegouders met voogdij. Ingevolge artikel 1:326 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen kinderen die onder voogdij staan van natuurlijke personen onder toezicht worden gesteld. Artikel 1:326 lid 2 BW verklaart afdeling 4 van titel 14 van overeenkomstige toepassing, van welke titel artikel 1:255 BW onderdeel uitmaakt.\n\n5.2.. Voorts is de kinderrechter op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat nog wordt voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:260 juncto 1:255 BW. De kinderrechter licht dit als volgt toe.\n\n5.3.. De kinderrechter stelt allereerst op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling vast dat zichtbaar is dat de pleegouders (hierna: de ouders) betrokken zijn en het beste voor de kinderen willen. Ook hebben de ouders de afgelopen periode stappen gezet, zoals het voeren van gezamenlijke gesprekken, het begroeten van elkaar bij overdrachtsmomenten en het onderhouden van e-mail contact met elkaar over belangrijke zaken, een en ander onder begeleiding van [psychotherapeut] . Voorts hebben de kinderen een flinke ontwikkeling laten zien, bijvoorbeeld op school en in contact met anderen. Dit stemt de kinderrechter positief. De kinderrechter stelt daarentegen ook vast – anders dan de pleegmoeder – dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Het is de kinderrechter gebleken dat de kinderen al veel hebben meegemaakt. Na het uiteengaan van de ouders zijn grote spanningen en onrust ontstaan in het leven van de kinderen. De kinderen kampen daardoor al langdurig met loyaliteitsproblematiek en kunnen geen onbelast contact hebben met beide ouders. Zo heeft [minderjarige 2] aangegeven het liefst op dit moment geen contact meer te willen met de pleegvader. Ook heeft de kinderrechter de indruk dat [minderjarige 1] last heeft van het langdurig klem zitten tussen de ouders, gelet op het kindgesprek. Het loyaliteitsconflict maakt dat de kinderen niet voldoende kunnen toekomen aan hun eigen ontwikkelingstaken. Daarnaast is gebleken dat het de ouders, ondanks de betrokkenheid van intensieve hulpverlening, niet lukt om (zelfstandig) constructief met elkaar te communiceren en met elkaar het pleegoudervoogdijschap vorm te geven. Zo is gebleken dat de ouders nog altijd de intensieve begeleiding van [psychotherapeut] nodig hebben om met elkaar te communiceren en samen te werken in het belang van de kinderen. Ook verschillen de ouders van visie met betrekking tot de voortgang omtrent het behalen van de doelen, zoals het verloop van de onderlinge communicatie en overdrachtsmomenten, alsmede over de noodzaak van een ondertoezichtstelling. Ook is het de kinderrechter gebleken dat er op een aantal punten bij het opstellen van een ouderschapsplan nog patstellingen zijn. De betrokken pleegzorgorganisatie (Vigere) heeft ook aangegeven dat de ouders momenteel niet voldoen aan de voorwaarden voor pleegoudervoogdij. De kinderen behoeven een voorspelbare, stabiele en conflictarme samenwerking tussen de ouders, hetgeen momenteel (nog) niet het geval is.\n\n5.4.. De ouders zijn niet in staat gebleken om de voornoemde ontwikkelingsbedreiging zelfstandig en gezamenlijk in het vrijwillige kader te doen wegnemen. De ouders behoeven immers nog altijd een derde partij om te komen tot overeenstemming, samenwerking en communicatie over de kinderen. Zo is het meermaals voorgekomen dat de GI moest interveniëren of knopen moest doorhakken. De kinderrechter stelt voorts vast dat de betrokkenheid van de GI de komende periode nog noodzakelijk is. Het is van belang dat de ouders zich, door middel van begeleiding van [psychotherapeut] en onder monitoring van de GI, blijven inzetten voor het afronden van een ouderschapsplan en het werken aan een constructieve oudercommunicatie. Hiervoor is het maken en nakomen van afspraken onder regie van de GI essentieel. Daarnaast is het van belang dat de GI met [minderjarige 2] het gesprek aangaat, haar mening aanhoort en onderzoekt of en op welke wijze het contactherstel met de pleegvader kan worden vormgegeven, waarbij als uitgangspunt moet gelden dat kinderen in principe baat hebben bij omgang met allebei de ouders en er vooralsnog onvoldoende redenen lijken te zijn om geen omgang te hebben met de pleegvader, een en ander op geleide van de minderjarige. Ook is het noodzakelijk dat de GI de wensen en behoeften van [minderjarige 1] in het oog houdt. Voorts dient de GI de komende periode de noodzakelijke hulpverleningstrajecten in te zetten, waaronder, indien nodig, een behandeltraject voor de separatiestoornis en dwanggedachten van [minderjarige 2] , en toe te zien op de continuering daarvan. Tot slot is het van belang dat de GI duidelijkheid verkrijgt over de eventuele rol van de biologische ouders van de kinderen in de levens van de kinderen, waarbij de draagkracht en behoeften van de kinderen leidend dienen te zijn.\n\n5.5.. De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de verzochte duur van negen maanden. Het is van belang dat de ouders de komende periode aan de slag gaan met het afronden van het ouderschapsplan en het maken van goede afspraken, zodat de casus op een zorgvuldige wijze met een duidelijk borgingsplan kan worden overgedragen naar het vrijwillige kader. Het is niet wenselijk om tussentijds een nieuwe zitting te plannen, omdat er nog veel moet gebeuren en rust belangrijk is. De volle periode van negen maanden is nodig.\n\n5.6.. Tot slot merkt de kinderrechter het volgende op. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het momenteel niet de bedoeling is van de GI om juridische maatregelen te nemen ten aanzien van de voogdij van de ouders. De kinderrechter acht het in het belang van de kinderen dat de ouders belast blijven met de voogdij en geeft de ouders op deze wijze de kans om te laten zien dat zij de komende periode voortvarend aan de slag gaan met het behalen van de doelen, zoals het verbeteren van de onderlinge communicatie, nu dit een voorwaarde is voor pleegoudervoogdij.\n\n5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 23 mei 2026 en tot 23 februari 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5454","2026-07-13T00:28:39.219Z",{"id":134,"ecli":135,"slug":136,"caseNumber":44,"courtId":113,"decisionDate":114,"fullText":137,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":117,"parsedAt":52,"updatedAt":139},"578","ECLI:NL:RBZWB:2026:5452","ecli-nl-rbzwb-2026-5452","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447531 \u002F JE RK 26-716\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Brabant,\n\ngevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. W.F. Wienen uit Almere,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader;\n\n- de moeder met haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordiger van de GI.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben geen mening gegeven.\n\n1.4.. Deze procedure hangt nauw samen met de zaak van GI over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met het kenmerk C\u002F02\u002F444905 JE RK 26-230. Daarom heeft de kinderrechter de zaken tegelijk mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 23 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI heeft ter toelichting op het verzoek aangegeven dat er nog steeds aanhoudende zorgen zijn over de samenwerking en communicatie tussen de ouders en de gevolgen hiervan voor het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In het kader van de ondertoezichtstelling is geprobeerd te werken aan het creëren van rust, duidelijkheid en stabiliteit. De focus heeft gelegen op het verbeteren van de samenwerking en de communicatie tussen de ouders en op het maken van duidelijke, werkbare afspraken over de zorg- en opvoedingstaken. Er zijn stappen gezet, maar de situatie is nog altijd kwetsbaar en de doelen van de ondertoezichtstelling zijn niet bereikt. Het is de ouders met behulp van langdurige en intensieve begeleiding door [psychologenpraktijk] niet gelukt om te komen tot een gedragen ouderschapsplan. De ouders blijven verdeeld over de haal- en brengtijden en de zomervakantie. Hierdoor ontbreekt tot op heden een vastgesteld en actueel ouderschapsplan en er blijven terugkerende discussies ontstaan over de contactregeling. De GI hoopt dat met een beslissing over de vakantie en de haal- en brengtijden er rust zal ontstaan en dat de spanningen rondom de zorgregeling zullen afnemen. Ondanks dat de GI de ouders herhaaldelijk heeft gewezen op hun verantwoordelijkheid als ouders, lukt het hen niet om hun ouderschap zodanig vorm te geven zonder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten. Door het voortduren van de situatie is er sprake van een voortdurende ontwikkelingsbedreiging in emotionele zin. De GI had verwacht dat met het indienen van het verzoek met betrekking tot de zorgregeling meer rust zou ontstaan, maar vervolgens ontstaat er weer onrust en willen de ouders weer procedures opstarten bij de rechtbank. De GI vreest dat dit de realiteit is waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten opgroeien en dat deze situatie niet zal veranderen. Er zijn momenten dat het goed gaat, maar deze perioden worden afgewisseld met spanningen, gebrekkige afstemming door de ouders en onvoldoende eigenaarschap van de ouders. De GI hoopt dat dit met een duidelijke zorgregeling minder wordt. De GI acht een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om toezicht te houden op de situatie, ouders te blijven begeleiden en te begrenzen waar nodig, en om de uitkomst van de lopende procedures bij de rechtbank te kunnen implementeren en te monitoren. Zonder verlenging van de ondertoezichtstelling bestaat het risico dat de spanningen verder toenemen, afspraken verder onder druk komen te staan en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opnieuw klem komen te zitten tussen hun ouders, met negatieve gevolgen voor hun emotionele ontwikkeling. Anderzijds is door de GI ook tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat door de ondertoezichtstelling aan de ouders een platform wordt gegeven om over elkaar te blijven praten. Als de ouders hun houding niet kunnen veranderen na alle intensieve hulpverlening die al is ingezet, is het ook de vraag of de doelen van de ondertoezichtstelling wel behaald kunnen worden.\n\n4.2.. De vader heeft aangegeven in te kunnen stemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Wel wil hij dat twee andere jeugdbeschermers worden aangesteld en deze aan waarheidsvinding zullen gaan doen. De huidige jeugdbeschermers zijn volgens hem niet consequent en handelen niet correct.\n\n4.3.. De moeder heeft aangegeven dat het goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij vindt dat het een scheef beeld geeft naar de kinderen als de ondertoezichtstelling wordt verlengd als de zorgregeling nog niet is geregeld. De moeder is van mening dat het traject met de GI sneller had kunnen verlopen. Ook heeft de GI niet doorgepakt op onderwerpen die er toe doen. De GI heeft met name gestuurd op het vaststellen van een regeling en praktische zaken en is niet gericht geweest op verbetering van de communicatie. De onderliggende oorzaak van de problemen is dan ook onvoldoende aangepakt. De moeder vraagt zich af of de doelen te behalen zijn in komende zes maanden.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) is voldaan.\n\n5.2.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter overweegt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds opgroeien tussen hun ouders die niet in staat zijn om met elkaar op ouderniveau te communiceren en afspraken met elkaar te maken die door hen beiden gedragen worden. De kinderrechter acht het zorgelijk dat de beide ouders de strijd met elkaar blijven aangaan waardoor zij beiden voorbij gaan aan de belangen van hun kinderen. De kinderrechter heeft een beslissing genomen over de zorgregeling (C\u002F02\u002F444905 JE RK 26-230). Een ondertoezichtstelling is nodig om te monitoren op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan deze zorgregeling. De kinderrechter hoopt dat er meer rust komt en dat de GI mogelijk kan werken naar een afronding van de ondertoezichtstelling. Het is daarbij wel van belang dat de ouders stoppen met het elkaar bestoken van procedures om hun eigen gelijk te halen. Het is voor de kinderen van belang dat er rust en duidelijkheid komt en dat zij een goed contact kunnen behouden met hun beide ouders.\n\n5.3.. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden.\n\n5.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 23 mei 2026 tot 23 november 2026;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in aanwezigheid van Boink als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5452","2026-07-13T00:28:37.779Z",{"id":141,"ecli":142,"slug":143,"caseNumber":44,"courtId":6,"decisionDate":144,"fullText":145,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":147,"parsedAt":52,"updatedAt":148},"423","ECLI:NL:RBZWB:2026:5424","ecli-nl-rbzwb-2026-5424","2026-05-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F441960 \u002F JE RK 25-2031\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nNadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nDE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,\n\nlocatie Middelburg,\n\nhierna te noemen: de Raad.\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. N.P.M. Planthof uit Goes.\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nWILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: de GI.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nde beschikking van 25 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;\n\nhet rapport van de Raad van 12 maart 2026, ontvangen op 25 maart 2026;\n\nde briefrapportage met bijlagen van de GI van 3 april 2026, ontvangen op 9 april 2026;\n\nhet psychodiagnostisch onderzoeksverslag, ontvangen op 13 april 2026;\n\nhet bericht van mr. Planthof van 20 april 2026;\n\nhet bericht van de Raad van 20 april 2026;\n\nhet bericht van de GI van 22 april 2026, ontvangen op 24 april 2026;\n\nhet e-mailbericht van de vader van 7 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader heeft [minderjarige] op 21 november 2025 erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .2.2.. Bij beschikking van 25 november 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 november 2025 en tot 25 november 2026. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 25 november 2025 en tot 25 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.2.3.. Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.3.2.. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek voor de periode van 25 mei 2026 tot 25 november 2026.\n\n4. De nadere beoordeling\n\nHet wettelijk kader\n\n4.1.. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.\n\nDe pleegouders als belanghebbenden\n\n4.2.. Door de GI is in de briefrapportage van 3 april 2026 aangegeven dat zij de pleegouders willen aandragen als belanghebbenden omdat [minderjarige] daar al geruime tijd verblijft. De kinderrechter overweegt dat ingevolge artikel 798, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt wordt aangemerkt als belanghebbende. Omdat [minderjarige] nog geen jaar in het huidige pleeggezin verblijft en doordat gelet op de instemming van alle betrokkenen schriftelijk op dit verzoek wordt beslist, zal de kinderrechter de pleegouders op dit moment niet aanmerken als belanghebbenden.\n\nDe machtiging tot uithuisplaatsing\n\n4.3.. Uit het rapport van de Raad van 12 maart 2026 volgt dat [minderjarige] op dit moment nog niet bij de ouders kan wonen. Het is op dit moment namelijk nog onvoldoende duidelijk wat de ouders [minderjarige] kunnen bieden in haar verzorging en opvoeding, hoewel al wel duidelijk is dat zij op dit moment zonder ondersteuning de benodigde zorg niet kunnen bieden. Er zijn blijvende zorgen over de opvoedvaardigheden in relatie tot het cognitief functioneren en de leerbaarheid van beide ouders. Doordat bij beide ouders sprake is van een verstandelijke beperking, bestaat er onzekerheid over hun vermogen om opvoedvaardigheden aan te leren en deze zelfstandig en consequent toe te passen in de dagelijkse zorg voor [minderjarige] . De huidige zorgen over het cognitief functioneren en de leerbaarheid van de ouders maken dat het onzeker is of de ouders, ook met hulpverlening, voldoende kunnen groeien binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn. De onderzoeken en opvolging van de hulpverlening moeten hier meer duidelijkheid over gaan geven. Daarbij betrekkende dat het goed gaat met [minderjarige] in het pleeggezin, acht de Raad het noodzakelijk dat de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin wordt voortgezet.4.4.. Uit de briefrapportage van de GI van 3 april 2026 blijkt dat het begeleide contact tussen [minderjarige] en de ouders goed verloopt. Ook wordt gezien dat de ouders open staan voor hulpverlening, goed meewerken en positief contact hebben met de pleegouders en de betrokken hulpverlening. Er zijn nog wel zorgen waaruit volgt dat het voor de ouders nog niet mogelijk is om de opvoeding en verzorging van [minderjarige] in de eigen woonsituatie te realiseren. Deze zorgen zijn onder meer gelegen in de opvoedvaardigheden van de ouders. Hierin hebben zij namelijk nog voortdurend begeleiding en ondersteuning nodig. Op dit moment lijkt het niet realistisch dat de ouders zelfstandig voor [minderjarige] kunnen gaan zorgen. In de komende periode zal aan de hand van het diagnostisch onderzoek van de moeder worden onderzocht of de inzet van opvoedondersteuning helpend kan zijn voor de moeder. Daarnaast wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn voor begeleid contact tussen de ouders en [minderjarige] in de thuissituatie van de ouders.4.5.. Op 20 april 2026 heeft mr. Planthof bericht dat de moeder akkoord is met schriftelijke afdoening van het resterende deel van het verzoek. Diezelfde dag heeft ook de Raad aangegeven akkoord te zijn met schriftelijke afdoening van het resterende deel van verzoek. Op 22 april 2026 heeft de GI ingestemd met het verzoek van mr. Planthof om het resterende deel van het verzoek schriftelijk af te doen. Uit het e-mailbericht van de vader van 7 mei 2026 blijkt dat hij ook akkoord is met schriftelijke afdoening van het resterende deel van het verzoek.4.6.. Op grond van de overgelegde stukken en de instemmingen van de Raad, de GI, mr. Planthof en de vader acht de kinderrechter een nadere zitting niet nodig.4.7.. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg in het belang van haar opvoeding en verzorging is en dat daarmee is voldaan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b, tweede lid, BW. Om die reden zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van zes maanden, te weten tot 25 november 2026 (artikel 1:265c, tweede lid, BW).\n\n4.8.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 25 mei 2026 en tot 25 november 2026;5.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5424","2026-06-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.125Z",{"id":150,"ecli":151,"slug":152,"caseNumber":44,"courtId":113,"decisionDate":144,"fullText":153,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":154,"sourceTimestamp":147,"parsedAt":52,"updatedAt":155},"470","ECLI:NL:RBZWB:2026:5437","ecli-nl-rbzwb-2026-5437","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F447026 \u002F JE RK 26-638\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\nlocatie Tilburg, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),\n\nover de minderjarige:\n\n [minderjarige],\n\ngeboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige]\n\nDe kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbende aan:\n\n [de moeder], hierna te noemen: de moeder,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. N. Schietekatte uit Rotterdam,\n\n [de oma],\n\nhierna te noemen: [de oma] ,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,\n\nhierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over de verzoeken te adviseren.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n - het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 8 april 2026;\n\n - het stelbericht van mr. Schietekatte van 14 april 2026;\n\n - het bericht van de moeder dat zij niet bij de zitting aanwezig zal zijn, ingekomen bij de griffie op 17 mei 2026.\n\n1.2.. Op 20 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die gelegenheid waren aanwezig en zijn gehoord:\n\nde vader, bijgestaan door mr. M.S. Krol als waarnemend advocaat;\n\n [de oma] , bijgestaan door mr. M.S. Krol als waarnemend advocaat;\n\ntwee vertegenwoordigsters namens de GI;\n\neen medewerker namens de Raad.\n\n1.3.. Hoewel daartoe correct opgeroepen is de moeder, met kennisgeving vooraf, niet bij de zitting aanwezig.\n\n1.4.. Volledigheidshalve merkt de kinderrechter hier op dat mr. Krol heeft toegelicht dat zij, anders dan het stelbericht van mr. Schiettekatte vermeldt, als waarnemend advocaat optreedt voor zowel de vader als [de oma] .\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op [geboortedag] 2023 is [minderjarige] uit de moeder geboren.\n\n2.2.. \n\nDe vader heeft [minderjarige] erkend. De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het\n\nouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.3.. \n\nDe vader heeft een relatie en woont samen met [de oma] . [de oma] is\n\nde biologische moeder van de moeder en de oma van [minderjarige] .\n\n2.4.. \n\nBij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 23 mei 2025 is [minderjarige]\n\nonder toezicht gesteld van de GI tot 23 mei 2026. Daarnaast is een machtiging tot\n\nuithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 23 augustus 2025.\n\n2.5.. Bij beschikking van 15 augustus 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 23 mei 2026.\n\n2.6.. \n\nOp grond van voormelde machtiging is [minderjarige] uit huis geplaatst en verblijft zij in een\n\nneutraal pleeggezin.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1.. De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.\n\n3.2.. De GI verzoekt daarnaast om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van zes maanden.\n\n3.3.. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. Het standpunt van de GI\n\n4.1.. Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] is opgeroeid in een complex familiesysteem en heeft spanningsvolle situaties meegemaakt waarbij sprake was van huiselijk geweld. Op dit moment verblijft [minderjarige] in een pleeggezin van [woongroep] . Daar ontwikkelt zij zich positief. De pleegouders zijn in staat om [minderjarige] de veilige opvoedplek te geven die zij nodig heeft.\n\n4.2.. Gezien wordt dat [minderjarige] veel last heeft van spanningen. Dit komt tot uiting in onrustig slapen. Met name voor en na de omgangsmomenten met de vader en [de oma] – eenmaal per week drie uur onder begeleiding – laat [minderjarige] spanning zien, wat zich uit in schreeuwen, spugen en het op de lip bijten. Voor en na de omgang met de moeder (eveneens eens per week drie uur onder begeleiding) zijn deze uitingen niet zichtbaar. Zij laat een beginnende hechtingsrelatie met de moeder zien. Dit maakt het extra spijtig dat de moeder in maart 2026 om een time-out heeft gevraagd en zij momenteel volledig uit contact is.\n\n4.3.. De GezinsManager (hierna: DGM) komt nog met een advies over hoe het vervolgtraject ten aanzien van de contacten met de ouders er uit moet zien. Op dit moment zijn de ouders zoekende hoe zij, los van het verleden, gezamenlijk vorm kunnen geven aan toekomstgericht ouderschap. Het wantrouwen tussen de ouders blijft een belemmerende factor, evenals de invloed van het bredere familiesysteem. Van gelijkwaardig ouderschap is geen sprake, terwijl dit van belang is voor de bepaling van het toekomstperspectief. De vader en [de oma] moeten leren om de moeder een rol te (blijven) geven in het leven van [minderjarige] .\n\n4.4.. Een verlenging van de maatregelen is nodig. [minderjarige] kan op dit moment niet terug naar een van de ouders. Er zijn forse zorgen over de opvoedsituatie bij de vader en [de oma] . Hierop is nog geen zicht verkregen. Er blijft een zekere onzekerheid over de vraag of [minderjarige] zich kan ontwikkelen om het complexe familiesysteem. Daarnaast heeft DGM extra tijd nodig voor omgangsobservaties vanuit de thuissituatie en ouderschap-reorganisatiegesprekken. De benodigde persoonlijkheidsonderzoeken bij de vader en [de oma] zijn nog niet afgenomen. De aanmelding voor een persoonlijkheidsonderzoek verloopt moeizaam. Meerdere zorgaanbieders zijn hiervoor benaderd. De gemeente draagt niet bij aan de kosten. De GI heeft een persoonlijkheidsonderzoek nodig naast het advies van DGM. Dit heeft betrekking op het complexe familiesysteem en de keuzes die de vader en [de oma] daarin maken. Hoe de verwekking van [minderjarige] tot stand is gekomen is bijzonder. Er zijn daarin keuzes gemaakt die door de ouders anders worden ervaren. De moeder spreekt van misbruik door de vader. Deze keuzes maken dat er mogelijk sprake is van een onveilige situatie voor [minderjarige] , ook op het gebied van normen en waarden. De vraag is daarbij ook of er bij de vader en [de oma] sprake is van onderliggende persoonlijkheidsproblematiek. Door middel van het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek kan dit uitgesloten worden.\n\n4.5.. Desgevraagd verklaart de GI bewust voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden te hebben gekozen. Deze periode is passend, omdat het advies van DGM nog moet komen.\n\n5. Het standpunt van belanghebbenden en het advies van de Raad\n\n5.1.. \n\nDoor en namens de vader en [de oma] is, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling verzetten de vader en [de oma] zich niet.\n\nTen aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht om dit verzoek voor drie maanden toe te wijzen, onder aanhouding van het resterende deel. Binnenkort, in juli, volgt een evaluatie van de hulpverlening. Dat dient te worden afgewacht alvorens er verdere beslissingen worden genomen. Ten aanzien van de persoonlijkheids-onderzoeken geldt dat de vader en [de oma] overal aan mee willen werken. In de vorige beschikking wordt onterecht als doel gesteld dat zij aan persoonlijkheidsonderzoeken dienen mee te werken. De kinderrechter kan bij een ondertoezichtstelling doelen opstellen, echter daarbij moet het altijd gaan om het wegnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging. Het verplicht deelnemen aan een persoonlijkheidsonderzoek valt daar niet onder. Bovendien, al zou dit verplicht kunnen worden, dan is nog de vraag wat dit oplevert, omdat dit alleen zal kijken naar de DSM en dit niets zegt over opvoedvaardigheden. De vragen die de GI beoogt te beantwoorden, namelijk ten aanzien van de normen en waarden van de vader en [de oma] , worden met een persoonlijkheidsonderzoek niet beantwoord. Hiervoor kan andere hulpverlening worden ingezet, zoals systeemtherapie. Dat er sprake is van een complexe situatie wordt niet ontkend. De geschiedenis kan echter niet gewist worden. Met de kennis van nu hadden de vader en [de oma] andere keuzes gemaakt. De vraag is echter hoe met de geschiedenis om wordt gegaan en hoe [minderjarige] hier later in mee wordt genomen. Daar moet meer zicht op komen en dat zicht is er vanuit DGM. Op dit moment is [minderjarige] neutraal geplaatst. De vader staat achter de omgang van [minderjarige] met de moeder. Daar is ook hulpverlening op ingezet. Het contact tussen [minderjarige] , de vader en [de oma] verloopt positief. Concluderend geldt; de vader en [de oma] werken over al mee, er is contact, de vader en [de oma] accepteren de moeder en DGM komt over drie maanden met een conclusie. Er is gelet daarop geen reden voor een toewijzing van het verzoek voor de duur van zes maanden.\n\n5.2.. De Raad adviseert de kinderrechter, samengevat, als volgt. De Raad ondersteunt het verzoek van de GI alsook de koppeling die de GI maakt tussen de resultaten van de hulpverlening door DGM als de persoonlijkheidsonderzoeken bij de vader en [de oma] . De Raad vindt daarnaast systemisch onderzoek van belang. Het is echter niet noodzakelijk dat de twee sporen van persoonlijkheidsonderzoek en systemisch onderzoek gelijktijdig worden gelopen. Dit kan los van elkaar plaatsvinden.\n\n6. De beoordeling\n\nWat zegt de wet?\n\n6.1.. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\n6.2.. Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:\n\nde zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;\n\nde verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.\n\n6.3.. Op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.\n\n6.4.. Op grond van artikel 1:265c, tweede lid BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nVerlenging ondertoezichtstelling\n\n6.5.. Gelet op de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat [minderjarige] nog altijd in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Er is sprake van een complex familiesysteem. De vraag is of [minderjarige] zich binnen dit systeem positief kan ontwikkelen. Daarnaast zijn er nog altijd zorgen over onveiligheid en de normen en waarden van de vader en [de oma] . Een nieuwe zorgelijke ontwikkeling is dat de moeder uit contact is getreden en dat [minderjarige] spanningen laat zien na een contactmoment met de vader en [de oma] . Dit moet verder onderzocht worden. Ook statusvoorlichting moet nog plaatsvinden.\n\n6.6.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de in de beschikking van 23 mei 2025 genoemde zorgen nog altijd aanwezig zijn. Gebleken is verder dat de vader en [de oma] zich niet tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling verzetten. Zij zijn bereid om mee te werken aan hulpverlening, alsook aan een persoonlijkheidsonderzoek, en\u002Fof systeemtherapie. Hulpverlening vanuit DGM in de vorm van ouderschap-reorganisatiegesprekken en omgangsobservatie is in volle gang. In de komende periode dient deze hulpverlening gecontinueerd te worden. Gelet op het complexe familiesysteem is dit naar het oordeel van de kinderrechter niet mogelijk in het vrijwillig kader. De kinderrechter is daarom van oordeel dat voldaan wordt aan de wettelijke vereisten van een ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling dan ook toewijzen.\n\nVerlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\n6.7.. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is dat zij vooralsnog uit huis geplaatst blijft. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat [minderjarige] op dit moment niet bij een van de ouders teruggeplaatst kan worden. De omgangsobservaties zijn in volle gang, alsook ontbreekt het zicht op de opvoedsituatie bij de ouders. DGM is weliswaar betrokken, maar heeft nog langere tijd nodig om tot een advies te komen. Daarnaast blijft de verhouding tussen de vader, de moeder en [de oma] zeer complex.\n\n6.8.. Ten aanzien van de duur van de verlenging zal de kinderrechter aansluiten bij het verzoek en het advies van de Raad. De kinderrechter overweegt daarbij dat is gebleken dat DGM nog tijd nodig heeft om tot een gedegen advies te komen. Wanneer de kinderrechter de verlenging zal toestaan voor de door de vader en [de oma] verzochte periode van drie maanden, zal naar verwachting van de kinderrechter de hulpverlening niet zijn afgerond. Immers, enerzijds is er nog geen duidelijkheid over de omgangsobservatie, anderzijds omdat er nog onvoldoende zicht is op wat de omgang met [minderjarige] doet én hoe de ontwikkelingen ten aanzien van de medewerking van de moeder verlopen. De kinderrechter vertrouwt er daarbij op dat, indien [minderjarige] wel teruggeplaatst kan worden bij een van de ouders, de GI hiertoe overgaat zodra dit kan.\n\n6.9.. Het voorgaande betekent dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal verlengen voor de verzochte duur van zes maanden. Hiermee blijft de plaatsing van [minderjarige] in haar huidige neutrale pleeggezin gewaarborgd. Gebleken is dat [minderjarige] zich hier goed ontwikkelt.\n\nDoelen ondertoezichtstelling\n\n6.10.. \n\nDe kinderrechter zal, zoals ter zitting uitvoering is besproken, ingaan op de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen. De kinderrechter zal de doelen zoals genoemd in de beschikking van 23 mei 2025 in rechtsoverweging 5.4 overnemen, met uitzondering van de doelen ‘Er wordt een persoonlijkheidsonderzoek afgenomen bij de vader en de\n\nWensmoeder en ‘Er wordt een NIKA traject ingezet om meer zicht te krijgen op de interactie\u002Fde gehechtheidsrelatie tussen [minderjarige] en de vader, [minderjarige] en de wensmoeder en [minderjarige] en de\n\nmoeder’. De kinderrechter benadrukt dat alle overige doelen van kracht blijven. Het is daarbij de GI die bepaalt of en welke hulpverlening er wordt ingezet.\n\n6.11.. Ten aanzien van de persoonlijkheidsonderzoeken volgt de kinderrechter het standpunt van de advocaat van de vader en [de oma] ; een persoonlijkheidsonderzoek kan richting geven aan de in te zetten hulpverlening, maar zal naar verwachting niet de antwoorden brengen waarnaar de GI op zoek is. Deze antwoorden kunnen ook worden gevonden bij de inzet van andere hulpverlening, zoals systeemtherapie. Dit neemt echter niet weg dat een persoonlijkheidsonderzoek wel kan bijdragen aan het krijgen van zicht op het geheel. De kinderrechter volgt de Raad in zijn standpunt dat het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek kan plaatsvinden naast het inzetten van systeemtherapie. Het een hoeft niet te wachten op het ander.\n\n6.12.. Indien de GI het persoonlijkheidsonderzoek noodzakelijk acht geeft de kinderrechter haar het volgende mee. Op grond van de Jeugdwet is de gemeente verantwoordelijk voor de financiering van persoonlijkheidsonderzoeken die nodig zijn in het kader van jeugdhulp aan kinderen en hun ouders (zie de artikelen 2.6 lid 1 sub a juncto 2.4 lid 2 onderdeel b Jeugdwet). Het is aan de GI om te regelen dat het persoonlijkheids-onderzoek plaats kan vinden en betaald wordt. De kinderrechter geeft hierbij uitdrukkelijkaan dat hij de noodzaak van een persoonlijkheidsonderzoek volledig onderschrijft, maar de kinderrechter kan dit niet opleggen in het kader van deze maatregel.\n\n6.13.. Zoals de GI ter zitting naar voren heeft gebracht, blijft het doel terugwerken naar huis. Ten aanzien van de omgang geldt dat de uitbereiding daarvan reeds is ingezet. Dit duidt erop dat in feite al wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing. De kinderrechter geeft de GI mee dat wanneer wordt getwijfeld over de haalbaarheid van een thuisplaatsing, zij de Raad kunnen vragen om een onderzoek naar het perspectief van [minderjarige] . Dit geldt ook voor het geval de GI vasthoudt aan een thuisplaatsing en zij na zes maanden een verlenging van de uithuisplaatsing nog nodig vindt.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n6.14.. \n\nDe kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregelen, de beslissing uitvoerbaar\n\nbij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast\n\nmoet worden gevolgd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld.\n\n7. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n7.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 23 mei 2026 tot 23 mei 2027;\n\n7.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 mei 2026 tot 23 november 2026;7.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2026.\n\nHoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:\n\ndoor de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5437","2026-07-13T00:28:32.061Z",{"id":157,"ecli":158,"slug":159,"caseNumber":44,"courtId":113,"decisionDate":160,"fullText":161,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":162,"sourceTimestamp":163,"parsedAt":52,"updatedAt":164},"389","ECLI:NL:RBZWB:2026:5395","ecli-nl-rbzwb-2026-5395","2026-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446171 \u002F JE RK 26-467\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\nlocatie Etten-Leur,\n\nhierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),\n\nover\n\n [minderjarige],\n\ngeboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\n [de pleegouders],\n\nhierna te noemen de pleegouders,\n\nwonende in [woonplaats] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 maart 2026;\n\nhet perspectiefbesluit, ontvangen op 16 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij was aanwezig een vertegenwoordiger van de GI.\n\nHoewel de moeder, de vader en de pleegouders correct zijn opgeroepen, zijn zij niet ter zitting verschenen. De pleegouders hebben de rechtbank voorafgaand aan de zitting per brief laten weten niet aanwezig te zullen zijn.\n\nDe kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [minderjarige] is erkend door de vader.\n\n2.2.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft bij zijn pleegouders, zijnde de grootouders vaderszijde.\n\n2.4.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 22 mei 2025 tot 22 mei 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter bij diezelfde beschikking een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, namelijk bij de grootouders vaderszijde met ingang van 22 mei 2025 tot 22 november 2025.\n\n2.5.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 november 2025 de voormelde machtiging verlengd [minderjarige] tot 22 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\nDe GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Ter onderbouwing van de verzoeken voert de GI, samengevat, het volgende aan. Volgens de GI is het van belang dat beide maatregelen worden verlengd. De gestelde doelen zijn nog niet behaald en hier dient de komende tijd verder aan gewerkt te worden. De GI vindt systeemtherapie noodzakelijk, zodat [minderjarige] een onbelast contact kan hebben met beide ouders. Deze hulpverlening kan echter pas worden ingezet wanneer [minderjarige] daaraan toe is. Daarnaast is het van belang dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt over zijn toekomstperspectief. Om die reden is onderzoek verricht door [hulpverlening] . Het advies is om het toekomstperspectief van [minderjarige] bij de pleegouders te bepalen. De GI volgt dit advies. [minderjarige] is recent gestart met therapie en ziet hiervan de meerwaarde in. Positief is dat hij steeds beter in contact komt met zijn gevoelens. Daarnaast heeft [minderjarige] aangegeven niet meer bij zijn ouders te willen wonen. De GI heeft verder naar voren gebracht dat [minderjarige] gemotiveerd is om aan zichzelf te werken, maar dat hij tegelijkertijd hinder ervaart van het feit dat zijn ouders onvoldoende in staat zijn om aan hun eigen problematiek te werken. Ten aanzien van de vader heeft de GI naar voren gebracht dat hij momenteel niet in staat wordt geacht om voor [minderjarige] te zorgen, mede vanwege zijn alcoholverslaving. Daarnaast is de relatie tussen de moeder en [minderjarige] dermate verstoord dat een thuisplaatsing bij haar eveneens niet mogelijk is. De pleegouders zijn in staat en bereid om langdurig voor [minderjarige] te zorgen. Volgens de GI kan de moeder zich niet verenigen met het perspectiefbesluit. Zij heeft aangegeven zich dan volledig terug te trekken, maar staat wel open voor een kennismakingsgesprek met de jeugdzorgwerker. Het standpunt van de vader ten aanzien van het perspectiefbesluit is bij de GI onbekend. De GI volhardt in haar verzoeken, ook voor wat betreft de toetsing van het perspectiefbesluit. Voor de onderbouwing van dit besluit wordt verwezen naar de inhoud hiervan\n\n4.2.. \n [minderjarige] heeft tegen de kinderrechter gezegd dat hij het eens is met de verzoeken van de GI. Hij heeft meer rust bij zijn pleegouders en wil bij hun graag blijven wonen. [minderjarige] wil niet meer bij zijn moeder wonen omdat zij met elkaar veel ruzie hebben. Hij wil eveneens niet bij zijn vader wonen want hij drinkt te veel alcohol. Recent is [minderjarige] gestart met PMT en dat gaat goed.\n\n5. De beoordeling\n\nWat zegt de wet\n\n5.1.. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\n5.2.. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:\n\nde zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;\n\n. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.\n\n5.3.. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.\n\n5.4.. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\nInhoudelijke beoordeling verlenging ondertoezichtstelling\n\n5.5.. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat [minderjarige] nog steeds zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er is sprake van langdurige zorgen over de opvoedsituatie, waarbij [minderjarige] is belast met ingrijpende gebeurtenissen, wisselingen in woon- en opvoedsituaties en spanningen tussen de ouders. De ouders zijn op dit moment onvoldoende in staat om [minderjarige] de benodigde stabiliteit, veiligheid en continuïteit te bieden. De noodzakelijke hulpverlening is binnen het vrijwillige kader onvoldoende van de grond gekomen. De kinderrechter vindt daarom een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk.\n\nInhoudelijke beoordeling verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\n5.6.. \n [minderjarige] verblijft inmiddels geruime tijd bij de pleegouders. Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat hij daar rust, stabiliteit en veiligheid ervaart. Het gaat goed met hem binnen deze opvoedsituatie en hij heeft aangegeven daar verder te willen opgroeien. Gelet op de nog altijd aanwezige zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders en de belastende dynamiek binnen de thuissituatie, is de kinderrechter van oordeel dat een terugplaatsing naar een van de ouders niet in het belang van [minderjarige] is.\n\nPerspectiefbesluit\n\n4.7.. De GI heeft daarnaast verzocht dat de kinderrechter het perspectiefbesluit toetst. De kinderrechter stelt voorop dat het nemen van een perspectiefbesluit in beginsel tot de bevoegdheid van de GI behoort. De wet voorziet niet in een zelfstandige rechtsingang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de kinderrechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. Hij kan het besluit niet bekrachtigen of vernietigen. Wel kan een perspectiefbesluit aan het rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit. Nu het doel van een uithuisplaatsing in beginsel is gericht op terugplaatsing naar (een van) de ouders, terwijl de GI in het perspectiefbesluit heeft vastgesteld dat het perspectiefbesluit van [minderjarige] niet langer bij de ouders maar in het gezin van de pleegouders ligt, ziet de kinderrechter aanleiding zich hierover uit te laten.\n\n5.8.. De kinderrechter vindt het perspectiefbesluit voldoende onderbouwd. Daarbij neemt hij in aanmerking dat de zorgen die aanleiding hebben gegeven tot de uithuisplaatsing nog steeds volop aanwezig zijn. [minderjarige] heeft gedurende langere tijd instabiliteit en onveiligheid in zijn opvoedsituatie ervaren, onder meer door wisselingen tussen de ouders en conflicten binnen de gezinssituatie. Sinds eind oktober 2024 verblijft hij bij de pleegouders, aanvankelijk als tijdelijke oplossing na een escalatie met de moeder. Inmiddels is gebleken dat [minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid, rust en continuïteit en niet meer terug wil keren naar de moeder. Verder is gebleken dat de vader onvoldoende in staat is de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Ook de relatie tussen de moeder en [minderjarige] is ernstig beschadigd geraakt door de vele escalaties in het verleden. [minderjarige] wordt hierdoor belast met spanningen tussen volwassenen en ervaart onvoldoende veiligheid. Uit de screening van het pleeggezin volgt dat de grootouders in staat zijn aan te sluiten bij de behoefte van [minderjarige] . [hulpverlening] heeft geadviseerd dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders is, wat betekent dat hij het beste alhier kan opgroeien. [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de pleegouders en ervaart daar rust en stabiliteit.\n\n5.9.. Tegelijkertijd bestaan nog altijd ernstige zorgen over de persoonlijke situatie van zowel de moeder als de vader. Hun eigen problematiek speelt nog steeds een grote rol in hun leven. [minderjarige] ervaart dat hij zelf stappen zet in zijn ontwikkeling, terwijl hij het gevoel heeft dat zijn ouders onvoldoende toekomen aan het werken aan hun eigen problematiek. Hij ondervindt hiervan spanning en belasting. Ook de GI signaleert deze zorgen.\n\n5.10.. De kinderrechter overweegt dat, gelet op al deze omstandigheden, nog veel zal moeten veranderen en zal moeten worden ingezet voordat gedacht kan worden aan het toewerken naar een thuisplaatsing. De verwachting is echter niet dat de situatie van de moeder of de vader binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn voldoende zal verbeteren. Het is daarom niet in het belang van [minderjarige] om nog toe te werken naar een thuisplaatsing. De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] dat hij duidelijkheid krijgt over zijn perspectief. Dit geeft hem rust en stelt hem in staat zich te richten op zijn eigen ontwikkeling. Deze behoefte aan duidelijkheid wordt bovendien onderschreven door onder meer [hulpverlening] , de Raad en de GI. Eerder heeft de Raad al (in mei 2025) aangegeven dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] zes maanden zou zijn. Alles afwegende kan de kinderrechter zich vinden in het door de GI vastgestelde perspectief, inhoudende dat het perspectief van [minderjarige] bij het gezin van de pleegouders ligt en dus niet bij (een van) de ouders.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.11.. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 22 mei 2026 tot 22 mei 2027;\n\n6.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 22 mei 2026 tot 22 mei 2027;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5395","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.306Z",{"id":166,"ecli":167,"slug":168,"caseNumber":44,"courtId":113,"decisionDate":160,"fullText":169,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":170,"sourceTimestamp":163,"parsedAt":52,"updatedAt":171},"357","ECLI:NL:RBZWB:2026:5384","ecli-nl-rbzwb-2026-5384","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447506 \u002F JE RK 26-713\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nbeschikking van de kinderrechter over een reguliere machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op\n\n [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] ,\n\nadvocaat mr. P.H. Hillen te Tilburg.\n\nAls belanghebbende heeft de kinderrechter aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. P.B.J. Dekker.\n\nAls informant heeft de kinderrechter aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\nde door de kinderrechter in deze rechtbank op 23 april 2026 en op 1 mei 2026 gegeven beslissingen en de daarin genoemde stukken;\n\nde op 11 mei 2026 van de GI ontvangen instemmingsverklaring van een\n\n gedragsdeskundige, als bedoeld in artikel 6.1.2 lid 6 Jeugdwet, gedateerd 7 mei\n\n 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n [minderjarige] en haar advocaat;\n\nde moeder en haar advocaat;\n\nde vader;\n\ntwee vertegenwoordigsters van de GI.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 maart 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 10 maart 2027.\n\n2.3.. \n\nDe rechtbank heeft op 11 mei 2026 een verklaring ontvangen van de\n\ngedragsdeskundige, gedateerd 7 mei 2026, waaruit blijkt dat wordt ingestemd op de in die verklaring genoemde gronden met gesloten jeugdhulp, geldend voor een periode\n\nvan drie maanden, aansluitend op de spoedmachtiging van 23 april 2026.\n\n3. Het (resterende) verzoek\n\n3.1.. \n\nDe kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 april 2026 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 7 mei 2026. Bij opvolgende beschikking van\n\n1 mei 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de resterend verzochte duur, te weten van 7 mei 2026 tot 21 mei 2026. De beslissing op het resterende verzoek van de GI om aansluitend op de spoedmachtiging een reguliere machtiging te verlenen voor opname en verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden is aangehouden.\n\n3.2.. \n [minderjarige] verblijft op dit moment bij [accommodatie] te [plaats] .\n\n4. Het standpunt van [minderjarige] en haar advocaat\n\n4.1.. \n [minderjarige] , afzonderlijk gehoord in aanwezigheid van haar advocaat, heeft aangegeven dat het inmiddels beter met haar gaat en dat zij merkt dat zij rustiger is geworden. Zij begrijpt dat zij nog hulpverlening nodig heeft, maar dan in de vorm van een open plaatsing. De gesloten jeugdhulp biedt voor haar geen oplossing. Ook wil zij zodra dat kan het liefst terugkeren naar haar oma. Van haar oma, die zij zojuist heeft gesproken, heeft zij begrepen dat zij dat ook wil. Zij heeft zich serieus voorgenomen om in het vervolg geen alcohol en andere middelen meer te gebruiken. Ook is het contact tussen haar en haar moeder de afgelopen weken goed verlopen. Zij wil een tweede kans om te laten zien dat zij oprecht van plan is om iets van haar leven te maken. Zij kan daarom alleen achter gesloten jeugdhulp staan voor een periode van hoogstens nog vier weken.\n\n4.2.. Door de advocaat van [minderjarige] is aangevoerd dat [minderjarige] zich door de verleende spoedmachtiging gesloten jeugdhulp overweldigd voelde, nu zij in de veronderstelling verkeerde dat een open plaatsing aan de orde was. Vanuit haar gevoel van verontwaardiging heeft zij daar vervolgens niet goed op gereageerd. [minderjarige] is, naar zij ook zelf aangeeft, inmiddels tot rust gekomen. Zij is van mening dat een open groep voor haar op dit moment het meest passend is. Een ingrijpendere maatregel is volgens haar niet (langer) noodzakelijk. Daarbij speelt een belangrijke rol dat haar gedrag door de GI in het verzoekschrift op een aantal punten, zoals ten aanzien van het weglopen en enkele fysieke klachten, sterk overdreven of niet waarheidsgetrouw is weergegeven. [minderjarige] wil (uiteindelijk) graag terugkeren naar haar oma. In geval van toewijzing van het verzoek dient de reguliere machtiging gesloten jeugdhulp in elk geval niet voor de verzochte duur van 6 maanden te worden verleend, ter voorkoming dat processen tussentijds onnodig stagneren. Namens [minderjarige] stelt hij zich op het standpunt dat de machtiging gesloten jeugdhulp in duur moet worden beperkt tot een periode van maximaal twee maanden en dat het resterende deel van het verzoek moet worden afgewezen.\n\n5. De standpunten van de moeder en haar advocaat en de vader\n\n5.1.. Door en namens de moeder is - samengevat - naar voren gebracht dat de moeder van mening is dat [minderjarige] goed kan functioneren op een open groep. Gesloten jeugdhulp vindt zij om die reden een te ingrijpende maatregel. Bovendien is het verzoek van de GI grotendeels op foutieve en verdraaide gegevens gebaseerd. Daarnaast heeft de moeder de indruk dat [minderjarige] binnen de familiekring onder druk is geplaatst. De moeder steunt [minderjarige] in haar wens om zo snel mogelijk naar een open groep te worden doorgeplaatst. Verder wil zij in elk geval niet dat [minderjarige] terugkeert bij de oma. Namens de moeder neemt haar advocaat het standpunt in dat in geval van toewijzing van het resterende verzoek de machtiging gesloten jeugdhulp voor een zo kort mogelijke duur dient te worden verleend.\n\n5.2.. Door de vader is opgemerkt dat hem ter zitting duidelijk is geworden hoe [minderjarige] tegen het verzoek aankijkt. Hoewel hij haar gevoelens respecteert vindt hij ook dat zij de hulpverlening geboden dient te krijgen, die in het belang van haar (verdere) ontwikkeling noodzakelijk is.\n\n6. Het standpunt van de GI\n\nNamens de GI is - samengevat - aangevoerd dat gezien wordt dat [minderjarige] positief reageert op de aan haar bij [accommodatie] geboden structuur en voor haar voortgezette gesloten jeugdhulp op dit moment nog noodzakelijk wordt geacht om (verder) te kunnen werken aan het creëren van meer rust en stabiliteit en om te onderzoeken wat er nog aan (tussen)stappen nodig is om een (uiteindelijke) terugplaatsing naar huis mogelijk te maken. Er zal daartoe in samenspraak met [accommodatie] een plan van aanpak worden opgesteld. Ook zal [hulpverlening] voor wat betreft school daarin een rol vervullen. Met deze toelichting handhaaft de GI haar verzoek in zoverre dat zij, gelet op de inhoud van de instemmingsverklaring van de gedragsdeskundige, zich kan vinden in een toewijzing van drie maanden, een aanhouding van het restant in afwachting van hetgeen er in de eerste drie maanden kan worden bereikt.\n\n7. De beoordeling\n\n7.1.. Naar het oordeel van de kinderrechter blijkt uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting dat ten aanzien van [minderjarige] zich nog steeds de situatie voordoet dat ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen haar in haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Ook maken deze problemen dat een verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat zij zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken en is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat het [minderjarige] gedurende vrijwel haar hele leven heeft ontbroken aan stabiliteit en voldoende veiligheid in haar zorg- en opvoedsituatie. [minderjarige] laat zelfbepalend en zorgwekkend gedrag zien. Er was veel strijd tussen de moeder en de oma moederszijde en [minderjarige] en haar zusje [persoon] kampten met een loyaliteitsconflict. Een bijkomende zorg was dat [minderjarige] en haar zusje niet meer naar school gingen. [minderjarige] is vervolgens bij de oma geplaatst. Daar zijn er in de afgelopen tijd verschillende escalaties geweest tussen [minderjarige] en de oma wegens zelfbepalend gedrag van [minderjarige] en alcohol- en middelengebruik. De oma heeft zich daardoor bedreigd en onveilig gevoeld en zij was niet langer in staat aan [minderjarige] de zorg te bieden die zij nodig heeft, waarop een onhoudbare situatie ontstond.\n\n7.2.. \n [minderjarige] laat in haar gedrag zien dat zij gunstig reageert op de haar bij [accommodatie] geboden regels en structuur. De kinderrechter deelt de opvatting van de GI dat voortgezette gesloten jeugdhulp, hoe ingrijpend ook, op dit moment de meest passende maatregel en daarbij proportioneel is om deze positieve lijn te kunnen voortzetten en om te kunnen vaststellen wat er nog aan (tussen)stappen nodig is om een terugkeer naar huis mogelijk te maken. Wel acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] , ook nadrukkelijk rekening houdend met haar leeftijd uit oogpunt van haar verdere ontwikkeling, dat aan de hand van het plan van aanpak zo spoedig mogelijk met een behandeling wordt gestart, dat [minderjarige] in de gelegenheid wordt gesteld een schoolopleiding te volgen en de GI daarnaast de mogelijkheden onderzoekt om [minderjarige] - zodra mogelijk en verantwoord - naar een open groep door te plaatsen. Een machtiging gesloten jeugdhulp voor een periode van vier weken, zoals [minderjarige] wenst en ook voor een periode van twee maanden beschouwt de kinderrechter als onvoldoende om deze doelen te kunnen realiseren. Ook valt in dit stadium niet te voorspellen of een periode van drie maanden, zoals door de gedragsdeskundige benoemd, daarvoor toereikend zal zijn. Niettemin ziet de kinderrechter, rekening houdend met de reikwijdte van de instemmingsverklaring van de gedragsdeskundige en met het zeer ingrijpende karakter van een machtiging gesloten jeugdhulp en het oprechte voornemen van [minderjarige] om serieus iets van haar leven te gaan maken, aanleiding om een machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden en het resterende deel van het verzoek af te wijzen.\n\n7.3.. \n\nMet inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter een aansluitende machtiging verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, te weten met ingang van 21 mei 2026 tot\n\n21 augustus 2026 en het restantverzoek afwijzen.\n\n8. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n8.1.. verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 21 mei 2026 tot 21 augustus 2026;\n\n8.2.. wijst het meer dan wel anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is mondeling gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026, in aanwezigheid van Baremans als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5384","2026-07-13T00:28:25.921Z",{"id":173,"ecli":174,"slug":175,"caseNumber":44,"courtId":6,"decisionDate":160,"fullText":176,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":177,"sourceTimestamp":163,"parsedAt":52,"updatedAt":178},"347","ECLI:NL:RBZWB:2026:5379","ecli-nl-rbzwb-2026-5379","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448271 \u002F JE RK 26-857 (spoedmachtiging gesloten jeugdhulp)\n\n C\u002F02\u002F448304 JE RK 26-862 (reguliere machtiging gesloten jeugdhulp)\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling DE JEUGD & GEZINSBESCHERMERS, gevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: de GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] ,\n\nadvocaat: mr. M.A.J. Timmermans-Roelands te Bergen op Zoom.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbende aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\nhet schriftelijke (gewijzigde) verzoek van de GI (met bijlagen), ontvangen op 19 mei 2026;\n\nde instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 18 mei 2026;\n\nde inhoud van het telefoongesprek van de kinderrechter met mevrouw [persoon 1] op 19 mei 2026;\n\nhet e-mailbericht van de GI van 19 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. Bij beschikking van 22 februari 2023, hersteld bij beschikking van 23 februari 2023, heeft de kinderrechter [minderjarige] met ingang van 21 februari 2023 voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. De ondertoezichtstelling is vervolgens bij beschikking van 17 mei 2023 definitief uitgesproken en liep tot 17 mei 2024. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 15 mei 2026 voor de duur van een jaar, te weten tot 17 mei 2027. In deze beschikking werd tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd met ingang van 17 mei 2026 en tot 17 juni 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft bij [behandelgroep 1] van [jeugdhulp] te [plaats 2] , maar verblijft nu feitelijk op de [behandelgroep 2] van [jeugdhulp] te [plaats 2] .\n\n3. De verzoeken\n\nJE RK 26-857 (spoedverzoek);\n\nDe GI verzoekt (bij gewijzigd verzoek) een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.\n\nJE RK 26-862 (regulier verzoek);\n\n3.1.. De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 19 mei 2026. Vervolgens heeft de kinderrechter op 19 mei 2026 telefonisch gesproken met mevrouw [persoon 1] , jeugdbeschermer. Daarna is kennisgenomen van het gewijzigde verzoek van de GI en is gebleken dat de gekwalificeerde gedragswetenschapper instemt met de termijn in het gewijzigde verzoek, te weten vier weken.\n\n4.2.. Uit het dossier komt naar voren dat de kinderrechter bij beschikking van 15 mei 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verlengd met ingang van 17 mei 2026 en tot 17 juni 2026. Uit de overweging van de kinderrechter in die beschikking volgt dat de kinderrechter het nodig achtte om vinger aan de pols te houden gelet op de ernstige zorgen en de directe actie die daarop moest worden ondernomen door de GI. De kinderrechter stelt thans vast dat de in die beschikking omschreven zorgen nog steeds onverminderd aanwezig zijn en er inmiddels ook meer zicht is gekomen op de zorgen. Daar bovenop zijn nieuwe zorgen gekomen. Ondanks de machtiging tot uithuisplaatsing, verblijft [minderjarige] meer bij de moeder en buitenshuis, dan op de groep. Over de thuissituatie en opvoedingsomgeving van de moeder bestaan grote zorgen, waarin sprake is van een instabiele situatie met zorgen over middelengebruik door de moeder, overlastsituaties, politiecontacten en onveilige situaties voor [minderjarige] , waarbij door de moeder ook fysiek geweld zou worden gebruikt tegen [minderjarige] . [minderjarige] heeft eerder bij de hulpverlening (onder meer) aangegeven dat haar moeder haar in de buik heeft geschopt. Ook op de [behandelgroep 1] , waar [minderjarige] tot voor kort verbleef, en op de [behandelgroep 2] gaat het niet goed. [minderjarige] houdt zich niet aan de regels, accepteert onvoldoende begeleiding en is moeilijk te begrenzen. Daarnaast bestaan er ernstige zorgen over het gedrag en de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] loopt gedurende de dag en de nacht regelmatig weg van de groep, waarbij zij bij de hulpverlening heeft aangegeven dat zij dan ook wegloopt naar twee broers en met één van hen zes tot zevenmaal per dag seksueel contact heeft op plekken zoals in het bos of in een tunneltje. [minderjarige] zou graag moeder willen worden en is inmiddels over tijd. Een zwangerschapstest moet hierover duidelijkheid gaan geven. Haar gedrag heeft tevens een negatieve invloed op de andere jongeren van de groep. [minderjarige] is zo bezig met de twee broers dat zij continue luid met hen aan het videobellen is, zowel op de groep als in de nacht. Hier hebben de andere jongeren op de groep last van en worden zij door het nachtelijk bellen van [minderjarige] uit hun slaap gehouden. [minderjarige] laat zich hierin niet sturen door de begeleiding en reageert verbaal agressief als zij hierop wordt aangesproken en dreigt met fysiek geweld. Inmiddels reageert [minderjarige] standaard op die manier. In het verleden heeft dit geleid tot fysieke escalaties waar de politie bij moest komen, dit wordt nu geprobeerd te voorkomen. Dit heeft echter tot gevolg dat de groep haar onvoldoende nabijheid, structuur, veiligheid en grenzen kan aanbieden. [minderjarige] verbleef eerder op de [behandelgroep 2] (waar ook veel en vergelijkbare zorgen waren over [minderjarige] ) en inmiddels verblijft zij hier wederom, na bedreigingen door jongeren op de [behandelgroep 1] . De GI heeft aangegeven dat de situatie onhoudbaar is geworden. De kinderrechter stelt vast dat de emotionele- en fysieke veiligheid van [minderjarige] op dit moment niet kan worden gewaarborgd binnen de thuissituatie of op een open groep.\n\n4.3.. Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen..\n\n4.4.. Uit de verklaring van de onafhankelijk gedragswetenschapper, de heer [persoon 2] , volgt dat [minderjarige] het beste persoonlijk kan worden gesproken nadat zij gesloten is geplaatst, nu de GI het risico dat [minderjarige] zich anders zal onttrekken of door anderen wordt onttrokken, als groot inschat. De heer [persoon 2] heeft derhalve op basis van de informatie in het dossier schriftelijk ingestemd met het verzoek tot het verlenen van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp.\n\n4.5.. De kinderrechter heeft vervolgens telefonisch contact gehad met de hiervoor genoemde jeugdbeschermer. Hierop is het verzoek aangepast in die zin dat thans wordt verzocht een spoedmachtiging te verlenen voor de duur van vier weken, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Uit het e-mailbericht van de GI van 19 mei 2025 volgt dat de gedragswetenschapper ook met de gewijzigde termijn in het spoedverzoek kan instemmen.\n\n4.6.. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken, met ingang van 19 mei 2025 en tot 2 juni 2026. Het resterende deel van het verzoek, alsmede de beslissing op het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden, zal worden aangehouden tot de hierna te noemen zitting. Verdere beslissingen op het (spoed)verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om hierover te worden gehoord.\n\n4.7.. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij zo snel mogelijk, maar in elk geval vóór de hierna te noemen zitting, een nieuwe schriftelijke instemmingsverklaring van een gekwalificeerd gedragswetenschapper overlegt, waaruit blijkt dat de gedragswetenschapper met [minderjarige] heeft gesproken en waarin de gedragswetenschapper zich uitlaat over het (resterende deel van het) spoedverzoek en het verzoek van de GI strekkende tot het verlenen van een machtiging tot gesloten plaatsing van [minderjarige] voor de duur van drie maanden (regulier verzoek).\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\nJE RK 26-857 (spoedverzoek);\n\n5.1.. verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 19 mei 2026 en tot 2 juni 2026;\n\nbeide zaaknummers;\n\n5.2.. bepaalt dat de GI, [minderjarige] en haar advocaat, de moeder en de vader zullen worden gehoord tijdens de zitting van [datum] 2026 om [uur], ten overstaan van mr. Van de Merbel, kinderrechter, en houdt ook de behandeling van het resterende deel van het spoedverzoek en het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot gesloten jeugdhulp aan tot de hiervoor genoemde zitting, waarvoor 45 minuten wordt uitgetrokken;\n\n5.3.. bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor die zitting voor de GI, [minderjarige] en haar advocaat, en de moeder.\n\n5.4.. bepaalt dat de vader bij aparte brief zal worden opgeroepen voor de zitting;\n\n5.5.. behoudt zich iedere verdere beslissing voor.\n\nDeze beschikking is gegeven door Zuijdweg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026, in aanwezigheid van Casant als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet (Jw).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5379","2026-07-13T00:28:25.461Z",{"id":180,"ecli":181,"slug":182,"caseNumber":44,"courtId":113,"decisionDate":160,"fullText":183,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":184,"sourceTimestamp":163,"parsedAt":52,"updatedAt":185},"336","ECLI:NL:RBZWB:2026:5382","ecli-nl-rbzwb-2026-5382","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446423 \u002F JE RK 26-510\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1] ,geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2] ,geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbende aan:\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat mr. L.A.P. van Haperen uit Breda.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\n [de vader] ,\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. N. van Vliet uit Breda.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 maart 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde moeder en haar advocaat;\n\nde vader en zijn advocaat;\n\neen vertegenwoordigster van de GI;\n\neen vertegenwoordigster van de Raad.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en.\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 mei 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 20 mei 2026.\n\n3. Het (gewijzigd) verzoek\n\n3.1.. De GI heeft oorspronkelijk verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting is het verzoek door de GI mondeling aldus gewijzigd, dat zij thans verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. \n\nGelet op de nauwe samenhang van deze zaak met de tussen de ouders bij deze rechtbank aanhangige bodemzaak met het kenmerk C\u002F02\u002F407666 \u002F FA RK 23-1360\n\nzijn deze zaken ter zitting gezamenlijk behandeld. In de beide zaken is bij separate beschikking beslist.\n\n4. Het standpunt van de GI\n\n4.1.. Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat er in totaal in 2024 acht begeleide contact-momenten hebben plaats gevonden tussen de kinderen en de vader. Ondanks dat die positief zijn verlopen hebben deze geen vervolg gekregen, omdat de moeder nog niet in staat is gebleken de kinderen voldoende emotionele ruimte te geven om het contact met de vader aan te gaan. De kinderen hebben nooit uitleg gekregen waarom het contact abrupt is gestopt. De moeder laat zien dat zij angst blijft houden dat de veiligheid van de kinderen in het gedrang komt als er contact is tussen hen en de vader. Het lukt haar tot op heden onvoldoende om deze angsten en spanningen bij de kinderen weg te houden. Door de betrokken hulpverlening zijn de bij de moeder aanwezige zorgen over de vader niet als zodanig vastgesteld of anderszins bevestigd. Alle betrokkenen, waaronder ook de Raad, zijn van opvatting dat het inschakelen van hulpverlening voor de moeder om haar te ondersteunen in het traject van contactherstel belangrijk is, waarbij er in dat kader ook wordt gewerkt aan het vergroten van haar draagvlak. Het wordt in het belang van de kinderen geacht dat zij de mogelijkheid krijgen om zich zelfstandig een vaderbeeld te kunnen vormen.\n\n4.2.. Gezien de jonge leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en omdat beide ouders nog een behoorlijke tijd als ouders van deze kinderen met elkaar te maken (zullen) hebben is het belangrijk dat beide kinderen daadwerkelijk gaan voelen dat hun ouders in staat zijn om in hun belang te handelen. Complicerend in dat verband is dat de ouders niet met elkaar communiceren. In de praktijk informeert de moeder de vader éénmaal in de zes weken kort via haar advocaat over de kinderen.\n\n4.3.. Er kon nog geen vaste jeugdbeschermer worden aangesteld. Wel is in afwachting daarvan de huidige jeugdbeschermer betrokken, die de regie voert over de ingezette en nog in te zetten hulpverlening en gesprekken voert met de ouders en met de kinderen. Gezien wordt bij [minderjarige 2] dat zij een vrolijk meisje is, dat met plezier naar haar moeder en partner gaat. [minderjarige 2] ziet er verzorgd uit, zij praat niet over haar vader. De leerkracht signaleert bij [minderjarige 2] geen veranderd of zorgelijk gedrag. [minderjarige 1] wordt door school omschreven als een heerlijk vrolijk mannetje. Hij let goed op en doet erg zijn best. Hij heeft geen problemen met andere kinderen. Hij praat op school nooit over zijn vader. Wel was hij recent erg van slag toen zijn vader in beeld kwam wegens een gesprek met de Raad voor de Kinderbescherming.\n\n4.4.. Gezien wordt dat beide ouders de intentie hebben het belang van de kinderen voorop te stellen en zich in te willen zetten in het kader van de ondertoezichtstelling. Echter staan hun visies over hun relatie en de breuk lijnrecht tegenover elkaar. De vader laat blijken het eens te zijn met de voorwaarden en doelen van de ondertoezichtstelling en met de inzet van hulpverlening. Hij geeft ook aan niet goed te weten wat hij kan verwachten, aangezien er al zo veel is gebeurd en gezegd. Zijn beleving over de relatie en de breuk is anders dan die van de moeder. Ook wil hij niet teveel terug kijken. Wel wil hij het beste voor zijn kinderen. Hij zou willen weten wat de moeder van hem nodig heeft om verder te kunnen gaan, daaraan wil hij vervolgens meewerken. De moeder geeft aan eveneens mee te willen werken, maar merkt daarbij op dat de situatie voor haar in emotioneel opzicht anders is. Ook heeft zij zorgen over de vader met betrekking tot de kinderen. Verder heeft zij het nodig dat de vader in het vervolg eerlijk en open is met name over wat er in het verleden is gepasseerd.\n\n4.5.. In december 2025 is [praktijk] gestart nadat ook de financiering rond was. Tijdens de start van de hulpverlening hebben er gesprekken plaatsgevonden waarin het genogram en de tijdlijn zijn gemaakt en de Masic is afgenomen bij beide ouders. In maart 2026 hebben de ouders (afzonderlijk van elkaar), [praktijk] en de GI met elkaar gesprekken gehad waarbij door [praktijk] een terugkoppeling is gegeven van de afgelopen periode en waarin een advies wordt gegeven voor de komende periode. Daaruit is gebleken dat praktijk Van de Ende geen veiligheidsrisico’s ziet die aan contact tussen de vader en de kinderen in de weg staan. Hoewel beide ouders qua visie aanzienlijk verschillen over hoe zij de relatie hebben beleefd is er feitelijk, gezien het verloop van de afgelopen twaalf maanden, geen sprake geweest van enige vorm van geweld, dreiging of dwingende controle van de vader naar de moeder en\u002Fof de kinderen. De moeder is nogmaals geadviseerd persoonlijke hulpverlening aan te gaan om haar pijn uit het verleden een plekje te geven, maar ook om de vader te kunnen zien als ouder van de kinderen die, los van het verleden, een rol in hun leven dient te spelen.\n\n4.6.. Er is in samenspraak met [praktijk] een plan gemaakt, bedoeld om tot begeleide contacten tussen de vader en de kinderen te komen. Niet omdat de GI zorgen heeft over de veiligheid van de kinderen bij de vader, maar omdat het lange tijd geleden is dat de kinderen hem voor het laatst hebben gezien en omdat na het eerder abrupt eindigen van de omgang, nadat [jeugdhulp] had geadviseerd naar onbegeleide omgang over te gaan, de kinderen daarover geen duidelijke reden en uitleg hebben gekregen. De GI heeft grote zorgen over het feit dat de kinderen zich geen eigen beeld hebben kunnen vormen van hun vader en zij op dit moment alleen informatie en de (angstige) gevoelens en gedachten meekrijgen van de moeder. In dat verband heeft de moeder aangegeven dat de kinderen geen contact met de vader willen en dat zij regelmatig bang zijn en nachtmerries hebben. De verwachting van de GI is dat de kinderen, die hun vader langere tijd niet hebben gezien of gesproken, een neutrale volwassene nodig hebben in het contact met hem om zich van hem een eigen beeld te kunnen vormen. De kinderen zijn daarom ook aangemeld voor speltherapie met als voornaamste reden dat zij een eigen onafhankelijke plek (zullen) hebben waar zij hun eigen gevoelens en emoties mogen\u002Fdurven en kunnen uiten. Los daarvan acht de GI het van belang dat de moeder individuele hulpverlening aangaat om de vader een rol te kunnen laten hebben (en houden) in het leven van de kinderen.\n\n4.7.. Tot dusver ondernomen acties, waarbij is geprobeerd door het creëren van zo gunstig mogelijke omstandigheden voor de kinderen om begeleide contacten tussen hen en de vader te laten plaats vinden, hebben geen resultaat gehad. Gezien werd bij beide kinderen in de wachtkamer dat zij als het ware verstijfden van angst en nadrukkelijk steun bij hun moeder zochten zodra (begeleide) contacten met de man ter sprake kwamen. [praktijk] concludeerde dat er bij de kinderen geen enkele ruimte is om te komen tot contactherstel. Zij ziet dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een situatie verkeren, waarin zij feitelijk geen kind kunnen zijn. Ook vindt zij het zorgelijk dat beide kinderen aangeven dat zij de partner van de moeder als hun biologische vader tevens opvoeder beschouwen. Op grond van al deze omstandigheden ziet de GI op dit moment geen heil in het voortzetten van het traject gericht op de tot stand brenging van begeleide contacten. Er zal eerst moeten worden geïnvesteerd in hulpverlening voor beide kinderen in de vorm van speltherapie. Van belang is dat beide kinderen ieder een eigen behandelaar\u002Ftherapeut zullen krijgen. Los daarvan blijft het van belang dat de moeder daadwerkelijk start met individuele hulpverlening, zodra die beschikbaar is. De GI is bereid om de vrouw te helpen om dit hulpverleningstraject te bespoedigen.\n\n4.8.. De GI acht het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat in de komende periode gewerkt kan (blijven) worden aan (a) de moeder is in staat emotionele toestemming te geven voor het contact tussen de kinderen en de vader, (b) de kinderen hebben een positief en onbelast contact met hun vader en (c) de ouders zijn in staat om met elkaar over de kinderen te communiceren en zij hebben tevens duidelijkheid over het vormgeven van het ouderschap. Daarvoor is in de visie van de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk, zij het voor een langere periode dan aanvankelijk beoogd, te weten door de duur van twaalf maanden. Zij wijzigt daarom mondeling haar verzoek.\n\n5. Het standpunt van [minderjarige 1]\n\n heeft tijdens het afzonderlijke kindgesprek samengevat aangegeven dat hij het moeilijk vindt dit gesprek te voeren en dat hij daarom de avond tevoren kampte met hoofdpijnklachten. Er heeft met hem een gesprek plaats gevonden bij [praktijk] . Dat vond hij niet fijn, vooral omdat hij de indruk had dat men hem ertoe wilde dwingen om mee te werken aan begeleide contacten met zijn vader. Hij blijft bij zijn standpunt dat hij geen contact met zijn vader wil, omdat hij niet zijn opvoeder was en is. Dat is nu [persoon] , de partner van zijn moeder. Ten slotte heeft [minderjarige 1] opgemerkt dat het thuis goed loopt, maar dat er wel eens ruzie is tussen hem en zijn zusje. Ook op school loopt het goed. Verder speelt hij graag videospelletjes op de PlayStation.\n\n5. De standpunten\n\n5.1.. Door en namens de moeder is - samengevat - opgemerkt dat zij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling kan staan. Zij licht toe dat zij op de wachtlijst staat voor hulpverlening, omdat zij nog altijd kampt met trauma’s en herbelevingen uit het verleden. Hoewel zij graag zou zien dat de vader erkent dat de gebeurtenissen, die daaraan ten grondslag liggen, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden is haar gebleken dat hij daarover niet open en eerlijk is. Daarnaast ervaart zij dat bij beide kinderen sprake is van hoofd- en buikpijnklachten, alsook van bedplassen en nachtmerries. Dit trekt een zware wissel op haar, nu zij volledig met de zorg voor de kinderen is belast. De moeder houdt de kinderen voor dat zij er achter staat dat zij begeleid contact hebben met de vader. Ook worden de kinderen daarop door haar voorbereid. Desondanks laten de kinderen blijken geen contact met de vader te willen. Zij ziet niet wat zij nog zou kunnen doen om dit te veranderen. Zij is daarom voorstander van speltherapie. Daaruit kan mogelijk blijken wat er (extra) bij de kinderen speelt. De moeder wenst daarom dat de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling blijft doorlopen, ook opdat de regie over het traject gericht op contactherstel tussen de vader en de kinderen bij de GI blijft berusten.\n\n5.2.. Door en namens de vader is - samengevat - naar voren gebracht dat aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling nog steeds wordt voldaan aangezien de doelstellingen van de hulpverlening niet zijn behaald. Er blijkt bij de moeder nog steeds sprake van een blokkade, die maakt dat zij niet of onvoldoende in staat is om aan de kinderen emotionele toestemming te geven om met hun vader contact te hebben. Ook ziet de vader dat het bij de moeder ontbreekt aan voldoende intrinsieke motivatie om te (gaan) werken aan het geven van emotionele instemming. Daardoor beschikken de kinderen niet over mogelijkheden om met de vader contact te hebben en zich van hem een beeld te vormen. Er hebben eerder acht begeleide contactmomenten plaats gevonden, die positief zijn verlopen, maar niettemin geen vervolg hebben gekregen. De kinderen hebben vervolgens geen uitleg gekregen over het abrupt stoppen van de begeleide contacten. Wel blijkt het nog steeds de bedoeling dat de moeder in het kader van de ondertoezichtstelling aan haar trauma’s en angsten zal gaan werken. Verder heeft [praktijk] aangegeven geen veiligheidsrisico’s in relatie tot contacten tussen de vader en de kinderen te zien. Desondanks is er intussen geen vooruitgang geboekt. Er lijkt zelfs sprake van verdere achteruitgang, nu beide kinderen nadrukkelijk blijk geven van weerstand ten aanzien van contacten met de vader. Bij elkaar maakt dit dat er in elk geval zwaarder op hulpverlening ingezet zal moeten gaan worden. Verder dient de regie over het traject gericht op contactherstel tussen de man en de kinderen in handen van de GI te blijven.\n\n6. Het standpunt van de Raad\n\nNamens de Raad is - samengevat - aangevoerd dat er nog steeds sprake is van omstandigheden die maken dat de kinderen zich geen beeld van hun vader kunnen vormen. In het belang van de kinderen en hun (verdere) ontwikkeling dient daaraan gewerkt te blijven worden middels hulpverlening voor de kinderen en individuele hulpverlening voor de moeder. Te denken valt waar het hulpverlening voor de moeder betreft aan Flash forward EMDR. Dit betreft een intensief traject, maar kan de moeder helpen om inzicht te krijgen in haar eigen situatie en die van de kinderen en hoe daarmee om te gaan. De GI kan daarin mogelijk ook een rol vervullen om ervoor te zorgen dat de moeder hoger op de wachtlijst wordt geplaatst. Voor de kinderen adviseert de Raad om in elk geval de Word en Pictures methode te proberen. Van de vader vraagt de Raad dat hij de komende tijd door middel van het sturen van kaartjes en\u002Fof videoboodschappen probeert voorzichtig te investeren in herstel van het contact met de kinderen. De oudercommunicatie blijft ook een punt van aandacht, maar heeft op dit moment niet de hoogste prioriteit. Van belang is dat de ouders zich niet langer blijven focussen op het verleden en hun afzonderlijke belevingen daaromtrent, maar dat zij al dat wat de kinderen aangaat zakelijk weten te benaderen en daarbij de belangen van de kinderen steeds voor ogen weten te houden.\n\n7. De beoordeling\n\n7.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n7.2.. Bij beschikking van 20 mei 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. In die beschikking is overwogen dat na acht begeleide contactmomenten in 2024 die positief zijn verlopen er desondanks geen contact meer tussen de kinderen en de vader heeft plaatsgevonden. Ook bleek de moeder niet in staat om de kinderen voldoende emotionele ruimte te geven om contact met de vader aan te gaan. De kinderen hebben ook geen uitleg gekregen waarom het contact abrupt is gestopt. Door de GI is in samenspraak met [praktijk] een plan gemaakt, bedoeld om te komen tot contactherstel tussen de vader en de kinderen. De kinderrechter is gebleken dat dit plan niet haalbaar is. Er zijn pogingen ondernomen om de kinderen zo goed mogelijk op begeleide contacten met de vader voor te bereiden. Op die momenten hebben de kinderen laten zien dat zij verstijfden van angst en nadrukkelijk steun zochten bij de moeder. Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige 1] herhaald dat hij geen contact met zijn vader wil en dat hij de partner van de moeder als zijn vader\u002Fopvoeder ziet. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat de kinderen onverminderd in hun ontwikkeling worden bedreigd.\n\n7.3.. Voorts is de kinderrechter van oordeel dat betrokkenheid en regie van de GI nodig blijft om hulpverlening voor de kinderen in te zetten in de vorm van speltherapie. Tevens dient onderzocht te worden waar de weerstand en klachten van de kinderen in het contact met de vader vandaan komen. Afhankelijk van de uitkomsten daarvan zal door de GI in samenspraak met alle betrokkenen (kunnen) worden bepaald wat er voor nu en in de (nabije) toekomst wel en niet mogelijk c.q. haalbaar is in het contact tussen de man en de kinderen. De kinderrechter acht het tevens in het belang van de kinderen dat door de moeder hulpverlening voor haar trauma’s en herbelevingen, wordt geaccepteerd. Er zijn immers nog steeds zorgen dat zij onvoldoende emotionele toestemming kan geven voor contact tussen de kinderen en de vader. De moeder wordt geadviseerd om waar mogelijk de hulp van de GI in te roepen om deze hulpverlening te bespoedigen. De GI wordt in overweging gegeven om bij het inzetten van de hulpverlening voor de kinderen en voor de moeder nadrukkelijk ook het namens de Raad mondeling gegeven advies te betrekken. Ten slotte zal door de GI ook geïnvesteerd dienen te worden in hulpverlening ter verbetering van de oudercommunicatie, zij het dat dit doel op dit moment een lagere prioriteit heeft.\n\n7.4.. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van twaalf maanden.7.5.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n7.6.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n8. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n8.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 20 mei 2026 tot 20 mei 2027;8.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:260 BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5382","2026-07-13T00:28:25.010Z",{"id":187,"ecli":188,"slug":189,"caseNumber":44,"courtId":6,"decisionDate":160,"fullText":190,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":191,"sourceTimestamp":163,"parsedAt":52,"updatedAt":192},"322","ECLI:NL:RBZWB:2026:5374","ecli-nl-rbzwb-2026-5374","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F439595\u002F FA RK 25-4588\n\nbeschikking betreffende voorziening voogdij d.d. 19 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nde Gecertificeerde Instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,\n\ngevestigd te Middelburg,\n\nhierna te noemen: de GI of de jeugdbescherming,\n\nbetreffende de minderjarigen\n\n- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013,\n\n- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013,\n\nverblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nhierna te noemen de minderjarigen respectievelijk [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n- [de pleegmoeder], de pleegmoeder\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. M. Kramer te Haarlem.\n\nAls informant wordt aangemerkt: - [de biologische moeder], de biologische moeder,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. C.M.M. Mikkers te Heeze.\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, (hierna: de Raad), de rechtbank over het verzoek geadviseerd.\n\n1. Het verloop van het geding\n\n1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 29 augustus 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;\n\n- het e-mailbericht van de griffier aan de Raad van 7 oktober 2025;\n\n- de brief van de Raad van 9 oktober 2025;\n\n- de brief van mr. Kramer van 17 oktober 2025;\n\n- het e-mailbericht van de griffier aan mr. Kramer d.d. 23 oktober 2025;\n\n- de brief van mr. Kramer d.d. 4 mei 2026 met bijlagen;\n\n- het op 11 mei 2026 ingediend F9-formulier van mr. Kramer met bijlagen;\n\n- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026.\n\n1.2. Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig een vertegenwoordigster van de GI, de pleegmoeder bijgestaan door mr. Kramer, de biologische moeder en een vertegenwoordigster van de Raad. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening aan de rechter kenbaar te maken. Mr. Kramer heeft namens de pleegmoeder het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota die op 11 mei 2026 al aan de rechtbank en andere belanghebbenden was toegezonden.2. De feiten\n\n2.1.. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 31 augustus 2017 is het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en is Stichting Jeugdbescherming Brabant tot voogd over hen benoemd.\n\n2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 november 2022 is de GI benoemd tot (opvolgend) voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de rechtbank haar op grond van artikel 1:322, lid 1, sub c, van het Burgerlijk Wetboek te ontslaan van de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten gunste van de pleegmoeder.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De beslissing die de rechtbank moet nemen raakt in het bijzonder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf. Het gaat er namelijk om wie er in de toekomst belangrijke beslissingen over hen mag nemen. De rechtbank zal daarom zoveel mogelijk in begrijpelijke taal uitleggen welke beslissing zij heeft genomen en waarom.\n\nWat moet de rechtbank beslissen?\n\n4.2.. De jeugdbescherming heeft de rechtbank gevraagd om ervoor te zorgen dat niet zij, maar de pleegmoeder belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mag nemen. Dat noemen we “voogdij” en dat is in de wet geregeld in artikel 322 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (1:322 BW). In de wet staan twee voorwaarden. Voorwaarde een is dat de pleegmoeder schriftelijk moet hebben verklaard dat zij bereid is om de voogdij over te nemen. Voorwaarde twee is dat de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vindt dat de pleegmoeder de voogdij overneemt.\n\nDe beslissing in het kort\n\n4.3.. De rechtbank zal de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] overdragen van de jeugdbescherming naar de pleegmoeder.\n\nWat is er aan de rechtbank verteld?\n\n4.4.. De rechtbank heeft tijdens een apart gesprek gesproken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tijdens de zitting heeft de rechtbank gesproken met de pleegmoeder en haar advocaat, met de jeugdbescherming, met de Raad en met de biologische moeder. Hierna zal de rechtbank in het kort opschrijven wat zij aan de rechtbank hebben verteld.\n\n4.5.. De jeugdbescherming heeft verteld dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al sinds zij 3 maanden oud waren bij de pleegouders wonen. Zij zijn daar samen opgegroeid. Sinds de scheiding van pleegouders wonen zij bij pleegmoeder. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien hun pleegvader ook regelmatig. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien hun pleegouders als hun ouders. Zij hebben de jeugdbescherming meerdere keren verteld dat zij willen dat de pleegmoeder de voogdij over hen krijgt. Zij kan dan beslissingen over hen nemen zoals in een normaal gezin. Er is veel tijd en aandacht besteed om te onderzoeken wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben om fijn contact te hebben met hun biologische moeder. De jeugdbescherming heeft gezien dat zij geen hechte band hebben met hun biologische moeder. Uiteindelijk is er voor gekozen om het contact met de biologische moeder stop te zetten. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich verder heel goed, ze hebben fijne sociale contacten en ze doen het zeer goed op school. In de thuissituatie bij pleegmoeder is de biologische moeder en de Indonesische afkomst van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd bespreekbaar. De pleegmoeder heeft het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de biologische moeder ook altijd ondersteund. Er is prettig contact tussen de pleegmoeder en de biologische moeder. De jeugdbescherming twijfelt er niet aan dat dat in de toekomst zo blijft.\n\n4.6.. De pleegmoeder en haar advocaat hebben de rechtbank verteld dat het overnemen van de voogdij een logische stap is. De pleegmoeder zorgt al jaren voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook heeft de pleegmoeder altijd haar best gedaan om het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun biologische moeder te ondersteunen. Zij zal dit in de toekomst ook blijven doen.\n\n4.7.. De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om de voogdij aan de pleegmoeder over te dragen. Zij zijn het eens met de jeugdbescherming.\n\n4.8.. De biologische moeder heeft de rechtbank verteld dat het voor haar niet zoveel uitmaakt wie de voogdij heeft. Het is voor haar vooral belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] contact met haar kunnen hebben. Dat er nu geen contact is tussen haar en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vindt zij niet in hun belang.\n\n4.9.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld dat het goed met hun gaat. Zij geven hun leven op dit moment een hoog cijfer. Op school doen zij het heel goed. Ze hebben ook al een idee wat zij in de toekomst zouden willen gaan doen. Ze willen graag dat de pleegmoeder de voogdij overneemt. Zij denken dat zij dat heel goed kan, zij luistert goed naar hen. Dat maakt het dan vervolgens veel makkelijker om dingen te regelen.\n\nWat vindt de rechtbank\n\n4.10.. De rechtbank stelt vast dat de pleegmoeder schriftelijk heeft verklaard dat zij bereid is de voogdij over te nemen. Er is dus voldaan aan de eerste voorwaarde in de wet.\n\n4.11.. Dan moet de rechtbank nog vaststellen of het in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de pleegmoeder de voogdij overneemt van de jeugdbescherming (de tweede voorwaarde). De rechtbank vindt dat er ook aan de tweede voorwaarde is voldaan. De rechtbank zal dat hierna toelichten.\n\n4.12.. De pleegmoeder zorgt al voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds zij drie maanden oud zijn. Door haar goede zorgen (en die van de pleegvader) ontwikkelen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich goed. Zij doen het zeer goed op school, hebben fijne sociale contacten, hebben hobby’s en interesses en een toekomstbeeld. Ook tijdens het gesprek dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben gehad op de rechtbank heeft de rechter gezien dat zij goed in hun vel zitten. Zij konden ook open vertellen over het contact met hun biologische moeder. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de pleegmoeder de biologische moeder in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een plek zal blijven geven. Ook twijfelt de rechtbank er niet aan dat de pleegmoeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd zal helpen om het contact te herstellen met hun biologische moeder als zij dat willen. Er is ook (goed) contact tussen de pleegmoeder en de biologische moeder. De pleegmoeder informeert de biologische moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ongeveer vier keer per jaar. Er is door de jeugdbescherming een plan gemaakt waarin afspraken zijn vastgelegd. Dat kan de pleegmoeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] helpen als zij in de toekomst misschien tegen problemen aan lopen. Zij weten dan bij wie zij hulp kunnen vragen. Ook de Raad vindt het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de pleegmoeder de voogdij overneemt.\n\nConclusie\n\n4.13.. De rechtbank zal onder punt 5 nog in juridische woorden de beslissing opschrijven, zodat iedereen precies weet wat de beslissing is.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. ontslaat de GI van de voogdij over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012;\n\n5.2.. benoemt [de pleegmoeder] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1961, wonende te [woonplaats 1] , tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;\n\n5.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van ‘t Westeinde, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nTegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeslissing betreft hoger beroep worden ingesteld:\n\ndoor de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na dag van de uitspraak;\n\ndoor andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\nHet beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te\n\n's-Hertogenbosch.\n\nIngevolge artikel 1:322, lid 1, sub c, van het BW kan iedere voogd zich van zijn bediening doen ontslaan indien een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarigen acht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5374","2026-07-13T00:28:24.340Z",{"id":194,"ecli":195,"slug":196,"caseNumber":44,"courtId":113,"decisionDate":160,"fullText":197,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":198,"sourceTimestamp":163,"parsedAt":52,"updatedAt":199},"301","ECLI:NL:RBZWB:2026:5375","ecli-nl-rbzwb-2026-5375","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F448105 \u002F JE RK 26-824 (spoed)\n\n C\u002F02\u002F448114 \u002F JE RK 26-828 (regulier)\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\n(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\nlocatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),\n\nover de minderjarige:\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] ,\n\nadvocaat: mr. P.J.M. Groenhuis-Kools uit Breda.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. M. Czarnota uit Oosterhout,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [plaats 1] .\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:\n\nIn de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F448105 \u002F JE RK 26-824 (spoed):\n\n- de in deze zaak gegeven beschikking van 12 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken;\n\nIn de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F448114 \u002F JE RK 26-828 (regulier):\n\n- de in deze zaak gegeven beschikking van 12 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken;\n\n1.2. Op 19 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaken mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die gelegenheid zijn verschenen:\n\n- [minderjarige] en zijn advocaat, die apart met de kinderrechter hebben gesproken; [minderjarige] heeft de behandeling die aansluitend plaats vond niet bijgewoond;\n\n- de advocaat van [minderjarige] ;\n\n- de moeder;\n\n- een vertegenwoordiger namens de GI.\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\n2. De feiten2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2. \n\nBij beschikking van 7 oktober 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 3 november 2025 tot\n\n3 november 2026.\n\n2.3. Laatstelijk, bij de in deze zaak gegeven beschikking van 12 mei 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken, zijnde tot 26 mei 2026, onder aanhouding van het overige.\n\n2.4. Op grond van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] bij [accommodatie] in [plaats 2] .\n\n3. De (resterende) verzoeken\n\nThans liggen de volgende resterende verzoeken nog ter beoordeling voor.\n\n3.1. \n\nDe GI verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in\n\neen gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de resterende duur van twee weken;\n\n3.2. \n\nDe GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van\n\n [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van zes\n\nmaanden.\n\n4. Het standpunt van de GI\n\n4.1.. \n\nTer onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan.\n\n [minderjarige] is een jongen van 15 jaar oud die bij zijn moeder en broertje in [plaats 3] woont. In\n\ndecember 2025 heeft er een intake met MST plaatsgevonden omdat hij al langere tijd\n\ngedragsproblemen laat zien. Hij is dagelijks verbaal agressief, gebruikt cannabis, verzuimt van school en\u002Fof werk, gaat regelmatig zonder toestemming van huis waardoor moeder niet weet waar hij is. [minderjarige] is eerder van school gestuurd vanwege zijn verbale agressie richting leraren die aangaven zich onveilig te voelen. Eerdere pogingen tot een vorm van dagbesteding liepen vast, onder andere door een verstoord dag- en nachtritme, overmatig gamen en veel conflicten tussen moeder en [minderjarige] . Moeder voelt zich overbelast en machteloos.\n\nDe MST-behandeling bij de Viersprong richtte zich op:\n\nHet verminderen van agressief en grensoverschrijdend gedrag van [minderjarige] .\n\nHet stoppen of verminderen van het cannabisgebruik.\n\nHet herstellen van structuur en deelname aan werk.\n\nHet versterken van de opvoedvaardigheden van moeder.\n\nHet verbeteren van de communicatie en onderlinge relaties binnen het gezin.\n\nTijdens de implementatie van de plannen raakt [minderjarige] ernstig ontregeld. Vervolgens heeft zich een incident voorgedaan (begin april) waarbij [minderjarige] fors grensoverschrijdend gedrag heeft laten zien richting de therapeut (vasthouden in huis onder bedreiging van een mes en het lek steken van haar autobanden). Hierbij zijn strafbare feiten gepleegd. Naar aanleiding hiervan is de behandeling tijdelijk ‘on hold’ gezet en na overleg met de moeder beëindigd..\n\n [minderjarige] is op 11 mei aangehouden door de politie i.v.m. het stelen van een scooter.\n\n [minderjarige] is op die scooter staande gehouden door de politie en is toen doorgereden. Er heeft een achtervolging plaatsgevonden en hij is alsnog meegenomen naar het politiebureau.\n\nDe politie heeft Jeugdbescherming Brabant gebeld met het bericht dat hij onhandelbaar is. Hij zegt o.a. zichzelf iets aan te gaan doen.\n\nGezien de combinatie van ernstig probleemgedrag, veiligheidsrisico’s voor de omgeving en\n\n [minderjarige] zelf, en het ontbreken van voldoende opvoedingsmogelijkheden in de thuissituatie, is\n\neen gesloten plaatsing noodzakelijk.\n\nTijdens de gesloten plaatsing zal in de eerste weken alles gericht zijn op afkoeling van [minderjarige] . Daarna dient aan zijn problematiek gewerkt te worden.\n\n4.2.. De gedragskundige concludeert dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen: Eerdere intensieve ambulante hulpverlening, waaronder MST, heeft ondanks inzet van moeder en betrokken hulpverlening onvoldoende geleid tot structurele veiligheid, begrenzing en gedragsverandering bij [minderjarige] . Daarbij blijft sprake van ernstige escalaties, agressief en grensoverschrijdend gedrag, suïcidale uitingen en het zich onttrekken aan gezag en hulpverlening, waardoor een gesloten setting momenteel noodzakelijk is om de veiligheid van [minderjarige] en zijn omgeving te waarborgen. De gedragskundige adviseert een termijn van drie maanden te hanteren en het verzoek voor de resterende termijn aan te houden.\n\n5. Het standpunt van belanghebbenden\n\n5.1. \n [minderjarige] vertelt de kinderrechter, samengevat, dat hij weer bij zijn moeder wil wonen. Hij ziet in dat hij zich soms moeilijk kan beheersen, maar ziet daar niet zo’n groot probleem in. [minderjarige] heeft een vriendinnetje. Zijn toekomstwens is dat hij gelukkig zal zijn in zijn familie leven.\n\n5.2. De moeder brengt naar voren dat er iets aan de situatie moet worden gedaan. Ingrijpen was noodzakelijk. Gevraagd naar de oorzaak wordt duidelijk verwoord dat structureel huiselijk geweld in de thuis situatie de achterliggende oorzaak vormt van het gedrag van [minderjarige] . [minderjarige] heeft daartoe dringend (trauma)behandeling nodig. Die zal in een niet gesloten kader niet van de grond komen. De moeder ondersteunt het verzoek. Zij is ook van mening dat zeker zes maanden nodig zullen zijn om [minderjarige] in een goed spoor te krijgen.\n\n5.4. Namens [minderjarige] voert mr. Groenhuis-Kools aan dat [minderjarige] zelf het liefst weer meteen terug wil keren naar zijn moeder. De realiteit is ook dat er sprake is van een uit de hand gelopen samenstel van gebeurtenissen waarin herstel en terugkeer naar een normaal patroon niet aan [minderjarige] zelf kunnen worden overgelaten. Ook het vrijwillig kader zal niet toereikend zijn. Een minimale termijn die nodig zal zijn om tot normalisering te geraken is de nog lopende termijn van de ondertoezichtstelling..\n\n6. De (nadere) beoordelingSpoedmachtiging gesloten jeugdhulp\n\n6.1. Bij voornoemde beschikking van 12 mei 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken en iedere verdere beslissing aangehouden.\n\n6.2. Het resterende deel van het spoedverzoek zal worden afgewezen aangezien de kinderrechter thans tevens zal beslissen op het reguliere verzoek gesloten plaatsing ten aanzien van [minderjarige] .\n\nReguliere machtiging gesloten jeugdhulp\n\n6.3. De kinderrechter dient de vraag te beantwoorden of een machtiging gesloten jeugdhulp gerechtvaardigd is. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet, kan een machtiging om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven alleen worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:\n\na. jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;\n\nb. de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en\n\nc. er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.\n\n6.4. \n\nUit de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting is besproken, volgt dat bij [minderjarige] sprake is van een langdurig en ernstig patroon van gedrags- en opvoedingsproblematiek. Sinds langere tijd laat [minderjarige] forse gedragsproblemen zien, waaronder verbale en fysieke agressie, grensoverschrijdend gedrag, cannabisgebruik, school- en werkverzuim, weglopen van huis en het zich onttrekken aan gezag en hulpverlening. Eerdere hulpverleningstrajecten en vormen van dagbesteding\n\nzijn onvoldoende duurzaam gebleken. Het MST-traject heeft niet geleid tot voldoende stabiliteit en veiligheid. Zorgwekkend is dat gedurende het MST-traject ernstige escalaties hebben plaatsgevonden, waaronder het bedreigen van een therapeut met een mes en vernieling van eigendommen.\n\nDaarnaast hebben recent opnieuw ernstige incidenten plaatsgevonden, waaronder\n\nbetrokkenheid bij diefstal van een scooter, een politieachtervolging, suïcidale uitingen,\n\nfysieke agressie richting moeder en een escalatie waarbij politie, een onderhandelaar en een\n\narrestatieteam moesten worden ingezet. Deze gebeurtenissen laten zien dat sprake is van\n\nernstige emotieregulatieproblemen, agressieregulatieproblematiek en een sterk verhoogd\n\nrisico op verdere escalaties en mogelijk crimineel gedrag.\n\nDe moeder is niet in staat verandering bij [minderjarige] tot stand te brengen.\n\n6.5. Naar het oordeel van de kinderrechter is er een onhoudbare situatie ontstaan, waarbij sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren.\n\n6.6. De kinderrechter is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet. De kinderrechter deelt de ernstige zorgen van de GI en acht een machtiging gesloten jeugdhulp noodzakelijk om de ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen, hem te beschermen en een verdere ontwikkelingsbedreiging af te wenden. De kinderrechter onderschrijft de visie van (de advocaat van) de moeder dat na een eerste periode van afkoeling bij de behandeling van [minderjarige] aandacht dient te zijn voor de geschiedenis van structureel ernstig huiselijk geweld waarin [minderjarige] heeft verkeerd, althans waarvan hij getuige is geweest.\n\nDuur van de machtiging\n\n6.7. De kinderrechter zal de machtiging gesloten jeugdhulp van [minderjarige] verlenen voor de duur van de nog lopende ondertoezichtstelling, derhalve tot 3 november 2026. Dit is niet conform het advies van de gedragswetenschapper, maar gelet op de ernst van de situatie en het gegeven dat alle ter zitting verschenen belanghebbenden doordrongen zijn van de noodzaak van een termijn die tenminste de nog lopende ondertoezichtstelling periode bestrijkt, zal de kinderrechter in dit specifieke geval het advies van de gedragswetenschapper niet opvolgen.\n\n6.8. De kinderrechter stelt vast dat het spoedverzoek op goede gronden is toegewezen, zodat de spoedbeslissing dus in stand blijft. Het resterende deel van het spoedverzoek zal worden afgewezen, nu daarin wordt voorzien door de beslissing op het regulier verzoek.\n\n6.9. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n7. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\nIn de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F448105 \u002F JE RK 26-824 (spoed)\n\n7.1. wijst het resterende deel van het verzoek strekkende tot een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp af;\n\nIn de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F448114 \u002F JE RK 26-828 (regulier):\n\n7.2. verleent een machtiging gesloten jeugdhulp van [minderjarige] met ingang van 26 mei 2026 tot 3 november 2026.\n\nDeze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 26 mei 2026.\n\nHoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:\n\n- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5375","2026-07-13T00:28:23.418Z",{"id":201,"ecli":202,"slug":203,"caseNumber":44,"courtId":113,"decisionDate":160,"fullText":204,"summary":44,"language":48,"source":49,"sourceUrl":205,"sourceTimestamp":163,"parsedAt":52,"updatedAt":206},"388","ECLI:NL:RBZWB:2026:5386","ecli-nl-rbzwb-2026-5386","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447768 \u002F JE RK 26-767\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige] ,geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\n [de vader] ,\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat mr. T. van Riel uit Breda.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader met zijn advocaat;\n\n- de moeder;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI fungerend als tijdelijk jeugdbeschermer in deze zaak.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] woont bij zijn moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 21 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\nDe GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. Het standpunt van de GI\n\n4.1.. Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat [minderjarige] sinds 8 juli 2025 begeleiding ontvangt via [hulpverlening 1] , waarbij gewerkt wordt aan emotieregulatie en gedragsontwikkeling. [minderjarige] laat in sociale situaties groei zien qua zelfvertrouwen en contact met leeftijds-genoten, al blijven nieuwe en onbekende situaties soms nog spannend voor hem. Ook is gebleken dat de ouders en de BSO zorgen hebben over het gedrag van [minderjarige] , met name rondom momenten van spanning en agressieregulatie problemen, nu tijdens observaties op de BSO zichtbaar is geworden dat [minderjarige] ’s gedrag wisselend is en hij moeite heeft met het reguleren van zijn emoties binnen groepssituaties. Eerder is door [zorgaanbieder] hechtingsproblematiek bij [minderjarige] vastgesteld en zijn er daarnaast signalen waargenomen duidend op onverwerkte trauma’s binnen het gezinssysteem. Daarvoor is nog hulpverlening nodig.\n\n4.2.. \n\nEr is sprake van aanhoudende spanningen tussen de ouders en onrust binnen hun beide zorg- en opvoedsituaties. Hulpverlenende instantie [hulpverlening 2] , die bij de vader betrokken is, heeft aangegeven dat er regelmatig piekmomenten zijn, waarbij de spanningen tussen de gezinsleden oplopen van code oranje naar donkerrood. [minderjarige] wordt daarmee geconfronteerd, hij laat blijken dat hij last heeft van de onrust en alle conflicten. Ook voelt hij zich niet altijd gezien en gehoord. In een gesprek met de jeugdbeschermer op 20 april 2026 heeft [minderjarige] daarover aangegeven dat hij het vervelend vindt dat er in zowel de thuissituatie bij de moeder als bij de vader veel ruzies zijn en dat dit hem verdrietig maakt.\n\n [minderjarige] laat nadrukkelijk zien dat hij kampt met een loyaliteitsconflict en geeft tegelijkertijd aan behoefte te hebben aan duidelijkheid, getuige zijn wens voor een omgangsregeling, waarbij hij de ene week bij zijn moeder en de andere week bij zijn vader is. De GI acht in het belang van [minderjarige] aangewezen dat in de komende tijd daaraan gewerkt wordt.\n\n4.3.. De samenwerking tussen de ouders is beperkt en wisselend van aard. Er is nog steeds onvoldoende constructieve communicatie, met name op het gebied van afstemming rondom de zorg voor [minderjarige] en praktische zaken. De opvoedsituatie bij de vader laat betrokkenheid en motivatie zien, wat niet wegneemt dat er nog ondersteuning nodig is in het bieden van structuur en begrenzing. Vader stelt zich daar voor open. Ook formuleert hij hulpvragen, waaronder uitbreiding van de omgang, ondersteuning in de samenwerking met de moeder (in het kader van complexe scheidingsproblematiek), traumabehandeling voor [minderjarige] en opvoedondersteuning voor zichzelf. Het ontbreekt echter nog steeds aan voldoende zicht op de opvoedsituatie bij de moeder. Daarbij komt dat wegens het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer de ondertoezichtstelling in het afgelopen jaar onvoldoende tot uitvoering is gekomen en daardoor de noodzakelijke hulpverlening niet is opgestart of onvoldoende van de grond is gekomen. Inmiddels is er, in afwachting van de benoeming van een vaste jeugdbeschermer, een tijdelijke jeugdbeschermer actief en is Sterk Huis benaderd om ervoor te zorgen dat [minderjarige] en de ouders (aanvullende) passende hulpverlening zullen krijgen. Waar [minderjarige] zich al volledig openstelde voor hulpverlening geldt dit in mindere mate voor de beide ouders. Ook hierin dienen er nog stappen te worden gemaakt.\n\n4.4.. \n\nEen verlenging van de ondertoezichtstelling acht de GI noodzakelijk, gezien de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] , om onder regie van de jeugdbeschermer de benodigde hulpverlening alsnog in te (kunnen) zetten en te borgen, daarbij ook rekening houdend met de omstandigheid dat de ouders op dit moment onvoldoende in staat zijn om zelfstandig de zorgen in relatie tot [minderjarige] ’s ontwikkeling weg te nemen. In het kader van de ondertoezichtstelling dient gewerkt te (blijven) worden aan:\n\n- regievoering over de ingezette en nog in te zetten hulpverlening en de situatie\n\n rondom [minderjarige] ;\n\n- het waarborgen van de continuïteit van het contact tussen de vader en [minderjarige] ;\n\n- het ondersteunen en sturen van de ouders in de onderlinge communicatie en\n\n samenwerking;\n\n- het houden van zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] en het tijdig bijsturen waar\n\n nodig;\n\n- het (blijven) inzetten van passende hulpverlening, waaronder traumagerichte\n\n ondersteuning.\n\n5. Het standpunt van [minderjarige]\n\n heeft - samengevat - verklaard dat sinds zijn ouders niet meer bij elkaar wonen er vrijwel geen ruzies meer zijn. Wel zijn er soms nog conflicten tussen zijn moeder en haar partner. Verder heeft hij bemerkt dat zijn vader soms teveel drinkt. [minderjarige] vervolgt dat hij een hulpverlener heeft bij wie hij zijn verhaal kwijt kan over wat hij wel en niet prettig vindt. Hij zou graag zien dat die hulpverlening wordt voortgezet, mede omdat hij soms nog last heeft van agressie in de vorm van slaan en vooral schreeuwen. Dit heeft ook te maken met vroeger pestgedrag op school. Sinds hij op een andere school zit is er geen sprake meer van pesten. Op de vraag wat voor cijfer hij aan zijn huidige leven zou geven antwoordt [minderjarige] “een dikke 9,5”. Dit zou volgens hem zeker een 10 kunnen worden indien hij afwisselend een week bij zijn vader en een week bij zijn moeder zou kunnen wonen, wat zijn grootste wens is.\n\n6. De standpunten van de ouders\n\n6.1. De moeder heeft opgemerkt dat zij veel moeite heeft met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Dit met name omdat zij heeft ervaren dat de jeugdbescherming in het afgelopen jaar voor haar niet bereik- of beschikbaar was in situaties waarin zij zich oprecht zorgen maakte over de ontwikkeling van [minderjarige] . Dit heeft ertoe geleid dat zij geen of weinig vertrouwen in de jeugdbescherming heeft. Daarbij speelt ook een rol dat zij inmiddels al meermalen bij telkens een andere jeugdbeschermer opnieuw haar verhaal heeft moeten doen. Het feit dat er inmiddels een tijdelijke jeugdbeschermer actief is maakt dit voor haar niet anders.\n\n6.2.. Door en namens de vader is naar voren gebracht dat, ondanks dat [minderjarige] aan zijn leven een 9,5 geeft er nog steeds zorgen zijn rondom zijn ontwikkeling. Daarom is de vader blij dat er een tijdelijke jeugdbeschermer actief is die voortvarend te werk gaat en in wie hij vertrouwen heeft. Ook zal er nu daadwerkelijk hulpverlening worden opgestart. Hij hoopt dat er met die hulpverlening ook stappen gemaakt zullen kunnen worden voor wat betreft het komen tot meer structuur en continuïteit in het contact tussen hem en [minderjarige] . De vader stelt zich volledig open voor de hulpverlening, ook als dat betekent dat de jeugdbeschermer bij hem thuis komt om zicht te krijgen op de zorg- en opvoedsituatie. Dit maakt dat hij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling kan staan.\n\n7. De beoordeling\n\n7.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n7.2.. \n [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] is opgegroeid binnen een spanningsvolle opvoedsituatie, waar hij veelvuldig is blootgesteld aan escalaties tussen de ouders. Hoewel deze escalaties sinds de scheiding van de ouders zijn afgenomen is er nog steeds sprake van een verstoorde dynamiek en oudercommunicatie. Ook hebben beide ouders over en weer zorgen over elkaars zorg- en opvoedsituaties, die zij naar elkaar niet bespreekbaar weten te maken. [minderjarige] is daar tussenin komen te staan en kampt daardoor met een loyaliteitsconflict. Ook is hij gedragsproblemen gaan vertonen. Daarbij komt dat de vader ongeneeslijk ziek is en dit ongetwijfeld ook zijn weerslag heeft op [minderjarige] en zijn ontwikkeling. [minderjarige] krijgt inmiddels begeleiding geboden via [hulpverlening 1] , waarbij wordt gewerkt aan emotieregulatie en gedragsontwikkeling. Hoewel hij daarmee stappen maakt zijn er nog steeds zorgen rondom zijn gedrag en het omgaan met emoties en dient daaraan gewerkt te (blijven) worden. Ook kon er wegens het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer in het afgelopen jaar onvoldoende uitvoering worden gegeven aan de ondertoezichtstelling, waardoor niet alle hulpverlening (tijdig) kon worden opgestart.\n\n7.3.. Sinds er een tijdelijke jeugdbeschermer actief is in afwachting van een nog aan te stellen vaste jeugdbeschermer is er concreet zicht op (aanvullende) hulpverlening voor [minderjarige] en ook voor de ouders door Sterk Huis. Gebleken is dat [minderjarige] zich volledig openstelt voor de hulpverlening. Ook de vader heeft zich bereid verklaard om aan alle benodigde hulpverlening mee te werken. Van belang is dat dit ook voor de moeder gaat gelden. De kinderrechter acht het ten slotte zeer van belang, ter voorkoming dat er een tussentijds gat in het hulpverleningstraject en de regievoering daarover ontstaat, dat de tijdelijke jeugdbeschermer ook werkelijk actief blijft totdat er een vaste jeugdbeschermer zal zijn aangesteld.\n\n7.4.. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.\n\n7.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n8. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n8.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;8.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:260 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5386","2026-07-13T00:28:27.256Z",29,20,[11]]