[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-alkmaar-insurance-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":45},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},73,"Alkmaar","nl","alkmaar",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},70,"insurance-law-nl","Insurance Law","NL","2026-07-08T16:54:31.274Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2025-11-12T00:00:00.000Z","2026-05-19T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124343","Burgerlijk Wetboek","art. 1:250 lid 1",1,[27,38],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1818","ECLI:NL:RBNHO:2026:6281","ecli-nl-rbnho-2026-6281","","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F368386 \u002F HA RK 25-119\n\nBeschikking van 19 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nASR SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Utrecht,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: ASR,\n\nadvocaat: mr. Chr.H. van Dijk,\n\ntegen\n\n1. [verweerder sub 1] 2. [verweerder sub 2] ,\n\nbeiden in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige zoon [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: de ouders,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de beschikking van 12 november 2025, waarin een nieuwe mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de e-mailberichten van de ouders van 16, 19, 21,22, 25 en 28 november 2025, 22 december 2025, 5 en 6 januari 2026;\n\n- de e-mail van ASR van 8 januari 2026;\n\n- de e-mailberichten van de ouders van 9 en 12 januari en 3 februari 2026;\n\n- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken te proberen het geschil op te lossen door middel van mediation. De zaak is vervolgens aangehouden om partijen daartoe de gelegenheid te geven.\n\n1.3.. Bij e-mails van 3 april respectievelijk 4 april 2026 hebben de ouders en ASR de rechtbank bericht dat de mediation die heeft plaatsgevonden geen resultaat heeft opgeleverd.\n\n1.4.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Tijdens de eerste mondelinge behandeling van 1 oktober 2025 heeft ASR de rechtbank verzocht (ambtshalve) een bijzondere curator te benoemen. Omdat de ouders niet aanwezig waren bij die zitting, heeft de rechtbank bij beschikking van 12 november 2025 een nieuwe mondelinge behandeling gelast om de ouders in de gelegenheid te stellen hun standpunt daarover kenbaar te maken. Dit hebben de ouders gedaan in de e-mails die zij aan de rechtbank hebben gestuurd en tijdens de mondelinge behandeling van 9 februari 2026. In deze beschikking zal de rechtbank de verzoeken van ASR en het verweer van de ouders beoordelen.\n\nIs de zaak geschikt voor behandeling in deelgeschil?\n\n2.2.. ASR heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen in het geval een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van in dit geval letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissingen kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n2.3.. De ouders voeren aan dat dit deelgeschil zich er niet voor leent de buitengerechtelijke afwikkeling van de letselschade te bevorderen. Dit verweer volgt de rechtbank niet. ASR verzoekt de rechtbank om de ouders te bevelen om – kort gezegd – mee te werken aan de schadeafwikkeling en het inschakelen van een zorgregisseur. Met een oordeel over de vraag of de ouders daartoe gehouden zijn, zou de ontstane impasse tussen partijen kunnen worden doorbroken en zou het schadetraject kunnen worden voortgezet.\n\n2.4.. De ouders voeren verder aan dat de zaak zich niet leent voor een beperkte behandeling in deelgeschil. In dit verband wijzen de ouders erop dat de kern van het geschil niet alleen de schadeafwikkeling binnen het kader van de WAM (Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen) is, maar ook het institutioneel en moreel falen van ASR. De ouders hebben hierover een groot aantal klachtbrieven aan ASR gestuurd, maar deze zijn inhoudelijk onbeantwoord gebleven. Kort gezegd beklagen de ouders zich over de manier waarop ASR is omgegaan met het schadetraject. ASR zou in samenspraak met de toenmalige belangenbehartiger van de ouders aan schadesturing hebben gedaan. Daarnaast heeft ASR de schijn van partijdigheid gewekt door de ouders niet te informeren dat zij konden kiezen voor een eigen medisch adviseur in plaats van een gezamenlijke. ASR heeft ook een zorgregisseur ingeschakeld die bij ASR werkzaam is geweest. Ten slotte beklagen de ouders zich over het uitblijven van een inhoudelijke reactie op hun klachten. ASR betwist de verwijten die de ouders haar maken.\n\n2.5.. In dit deelgeschil kan de rechtbank niet beoordelen of de verwijten die de ouders ASR maken over de wijze waarop het dossier is behandeld terecht zijn. Dat staat echter niet in de weg aan de beoordeling van de verzoeken die ASR in dit deelgeschil doet. Er is namelijk geen sprake van een onlosmakelijke samenhang tussen de ongevalsgerelateerde schade van [minderjarige] en de wijze van institutionele behandeling van de zaak door ASR, zoals de ouders betogen. Partijen kunnen het traject over de afwikkeling van de schade die [minderjarige] als gevolg van het ongeval heeft geleden en lijdt (weer) oppakken zonder dat het geschil over de verwijten die de ouders ASR maken al wordt beslecht. Dat geschil kunnen de ouders desgewenst in een (afzonderlijke) procedure aan de rechter of een andere daarvoor in aanmerking komende instantie voorleggen, zoals zij zeggen voornemens te zijn.Een dergelijke procedure kan dan eventueel parallel lopen met het reguliere schadetraject.\n\nMoet een bijzondere curator worden benoemd?\n\n2.6.. Het meest verstrekkende standpunt van ASR is dat de rechtbank een bijzondere curator als bedoeld in artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) benoemt, die [minderjarige] zowel in als buiten rechte zal vertegenwoordigen met betrekking tot de schadeafwikkeling. Volgens ASR moet deze stap gezet worden, omdat de ouders niet bereid blijken de schadeafwikkeling op de reguliere manier te hervatten, wat niet in het belang van [minderjarige] is.\n\n2.7.. De ouders zijn het daarmee niet eens. Zij voeren aan dat er geen sprake is van een tegenstrijdig belang tussen ouders en kind.\n\n2.8.. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 1:250 lid 1 BW (voor zover van belang) is bepaald dat als een zaak aanhangig is, de desbetreffende rechter een bijzondere curator kan benoemen voor aangelegenheden over het vermogen van de minderjarige. De rechter zal dit alleen doen als hij dit noodzakelijk acht in het belang van de minderjarige en wanneer de belangen van de ouders in strijd zijn met die van de minderjarige.\n\n2.9.. \n [minderjarige] is het slachtoffer geworden van een verkeersongeval, waarbij hij rijdend op zijn fiets in botsing is gekomen met een bestelbus. Hij heeft daardoor zeer ernstig (hersen)letsel opgelopen. ASR heeft als WAM-verzekeraar van de bestelbus erkend dat haar verzekerde aansprakelijk is voor het ongeval en dat zij de volledige schade van [minderjarige] die het gevolg is van het ongeval zal vergoeden. [minderjarige] heeft er belang bij dat de ongevalsgerelateerde schade wordt vergoed. Dit belang hebben de ouders ook. In zoverre zijn de belangen van de ouders en die van [minderjarige] niet tegenstrijdig.\n\n2.10.. De schadeafwikkeling is in een impasse geraakt nadat de ouders het standpunt hebben ingenomen dat sprake is van moreel en institutioneel falen van ASR en dat dit onderdeel moet zijn van de schadeafwikkeling. De ouders hebben in dit verband in meerdere brieven aan ASR aanspraak gemaakt op schadevergoeding, inmiddels oplopend tot een bedrag van 175 miljoen euro. ASR is het niet eens met de visie van de ouders en heeft hen laten weten niet bereid te zijn dergelijke bedragen te betalen. ASR wil het schadetraject wel verder oppakken, maar heeft daarbij de medewerking van de ouders nodig voor onder meer het verstrekken van inlichtingen en het inschakelen van deskundigen. Het schadetraject is sindsdien stil komen te liggen.\n\n2.11.. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat het schadetraject weer wordt hervat. Op dit moment is ASR verstoken van informatie over het precieze letsel van [minderjarige] , welke zorg hij ontvangt en\u002Fof zou moeten ontvangen en wat de verwachtingen zijn over het (eventuele) herstel. ASR is daardoor niet in staat te bepalen of het uitkeren van een nader voorschot op de schade aan de orde kan zijn, en zo ja tot welk bedrag. Ook kan ASR niet beoordelen of van haar als WAM-verzekeraar wordt verwacht dat zij een bijdrage levert aan het inschakelen van de zorg die [minderjarige] nodig heeft. Dat dit allemaal niet gebeurt, is niet in het belang van [minderjarige] .\n\n2.12.. Van de ouders mag daarom worden verwacht dat zij in het belang van [minderjarige] (verder) meewerken aan het voortzetten van het schadetraject. Dit houdt kort gezegd in dat in kaart moet worden gebracht welke zorg [minderjarige] nodig heeft en of deze op dit moment voldoende wordt ingezet, en welke schade [minderjarige] als gevolg van het ongeval heeft geleden en lijdt en wat de omvang daarvan is. Ook moet gekeken worden naar de toekomstverwachtingen. Het ligt in een zaak als deze voor de hand dat dit onder meer dient te gebeuren door deskundigen in te schakelen die daarover rapporteren. Daartoe zullen de ouders relevante informatie over [minderjarige] met (de medisch adviseur van) ASR en\u002Fof in te schakelen deskundigen moeten delen om dat mogelijk te maken. Dit alles in het belang van [minderjarige] .\n\n2.13.. Hoewel de rechtbank ziet dat de ouders daaraan tot op heden onvoldoende meewerken en dit de belangen van [minderjarige] kan schaden, zal zij geen bijzondere curator benoemen. Dit vindt de rechtbank (vooralsnog) een te vergaande maatregel en (nog) niet noodzakelijk. De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling van 9 februari 2026 de indruk gekregen dat de ouders het beste met hun zoon voor hebben. Zij hebben aangevoerd dat geen sprake is van stagnatie van medische behandeling of van een situatie waarin het vermogen of welzijn van [minderjarige] direct gevaar loopt. Dat wil echter niet zeggen dat de manier waarop zij tot op heden met het schadetraject omgaan, ook in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank benadrukt nogmaals, dat zij hun verwijten over het institutioneel en moreel falen van ASR zullen moeten scheiden van de stappen die moeten worden gezet om te komen tot een (reguliere) afwikkeling van de schade van [minderjarige] . Door dat als een geheel te blijven zien, blijft de impasse bestaan en ligt de schadeafwikkeling volledig stil. Hoewel het vanuit het perspectief van de ouders te begrijpen is dat zij hun verwijten moeilijk los kunnen zien van de schadeafwikkeling en dat zij geen vertrouwen hebben in ASR, is het belang van [minderjarige] er wel mee gediend dat stappen gezet worden in het schadetraject.\n\n2.14.. Zoals de rechtbank hierna zal toelichten , zullen de ouders daarom moeten meewerken aan het inschakelen van een zorgregisseur. De rechtbank hoopt dat die stap en wat zij hiervoor verder heeft overwogen, de ouders ertoe zal aanzetten weer mee te werken aan het schadetraject. De ouders moeten zich wel realiseren, dat als zij dit niet gaan doen, later over de benoeming van een bijzondere curator anders geoordeeld zou kunnen worden.\n\nMoeten de ouders meewerken aan de totstandkoming van deskundigenrapporten en de benodigde informatie verstrekken?\n\n2.15.. ASR verzoekt onder I de ouders te gelasten om de noodzakelijke medewerking te verlenen aan en inlichtingen te verstrekken voor het volgens de in Nederland geldende regels in kaart brengen van de ongevalsgerelateerde schade van [minderjarige] , onder meer maar niet alleen door onafhankelijke deskundigen. Uit de toelichting op dit verzoek begrijpt de rechtbank dat ASR hiermee voornamelijk wil bereiken dat de ouders gaan meewerken aan de totstandkoming van deskundigenrapporten en dat zij ASR en\u002Fof de deskundigen de benodigde informatie zullen verstrekken.\n\n2.16.. De ouders voeren aan dat een verplichting tot meewerken zonder heldere kaders of waarborgen onbepaald is en potentieel eenzijdig in te vullen. Dit verweer slaagt. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek te algemeen en te weinig concreet is geformuleerd om te kunnen toewijzen. Zo is niet duidelijk welke deskundigenonderzoeken nodig zijn, welke deskundigen dat zouden moeten uitvoeren en welke vragen aan een deskundige moeten worden voorgelegd. De ouders moeten daarover afzonderlijke standpunten kunnen innemen en daarmee verdraagt het verzoek zoals dat is geformuleerd zich niet. Daarnaast is onvoldoende concreet omschreven wat de noodzakelijke medewerking zou moeten inhouden en welke informatie zou moeten worden verschaft. De rechtbank wijst verzoek I om die redenen af.\n\n2.17.. Het voorgaande neemt niet weg, dat het in het belang van [minderjarige] is dat de ouders weer gaan meewerken aan het schadetraject(zie 2.11 en 2.12). De rechtbank doet een dringend beroep op de ouders om dit gaan doen. Daarbij kan het behulpzaam zijn als de ouders (weer) een belangenbehartigerin de arm nemen om hen daarin te begeleiden en te adviseren. Dit alles betekent niet dat de ouders klakkeloos moeten instemmen met wat ASR voorstelt, zij mogen over de verschillende te zetten stappen hun eigen standpunten innemen. Bij de schadeafwikkeling zijn partijen wel - hoewel zij geen contractuele relatie met elkaar hebben - gehouden zich tegenover elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. In het geval over concrete punten een geschil ontstaat, kan de meest gerede partij dat (in een daarvoor geëigende procedure) voorleggen aan de rechtbank.\n\nMoeten de ouders meewerken aan het inschakelen van een zorgregisseur?\n\n2.18.. Het tweede verzoek van ASR is dat de ouders moeten meewerken aan het inschakelen van een onafhankelijke zorgregisseur om de zorg die [minderjarige] nodig heeft te kunnen vaststellen. Dit verzoek zal de rechtbank op de hierna te melden wijze toewijzen. Zoals hiervoor overwogen, is het namelijk in het belang van [minderjarige] (en ASR) dat de zorg(behoefte) in kaart wordt gebracht en dat de zorg waar nodig (door of met behulp van ASR) wordt ingeschakeld. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ook verklaard niet afwijzend tegenover het inschakelen van een zorgregisseur te staan.\n\n2.19.. De rechtbank zal de ouders niet verplichten mee te werken aan het inschakelen van de zorgregisseur die ASR voorstelt (Trivium Advies). De ouders hebben weinig tot geen vertrouwen in ASR en daarom zal de rechtbank bepalen dat de ouders een zorgregisseur mogen kiezen die is ingeschreven bij het Nationaal Keurmerk Letselschade. De ingeschreven zorgregisseurs zijn te vinden op de website https:\u002F\u002Fdeletselschaderaad.nl\u002Fnkl\u002Fberoepsgroep-categorie\u002Fherstelgerichte-dienstverleners. De ouders zullen hun keuze binnen drie weken na deze beschikking schriftelijk aan de advocaat van ASR moeten doorgeven en toestemming moeten geven voor het inschakelen van de betreffende zorgregisseur. Ook zullen de ouders moeten meewerken met de zorgregisseur, zodat deze zijn werkzaamheden kan uitvoeren, en de inlichtingen aan de zorgregisseur moeten verstrekken die de zorgregisseur nodig acht.\n\nKosten deelgeschil\n\n2.20.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van de ouders begroten. Niet gebleken is dat zij kosten hebben gemaakt voor het voeren van de procedure, anders dan het griffierecht dat bij hen in rekening zal worden gebracht. De rechtbank zal de kosten van de ouders daarom begroten op een bedrag van € 331,00 aan griffierecht. ASR zal tot betaling daarvan aan de ouders worden veroordeeld.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. gelast de ouders mee te werken aan het inschakelen van een zorgregisseur door:\n\neen zorgregisseur te kiezen die is ingeschreven bij het Nationaal Keurmerk Letselschade (https:\u002F\u002Fdeletselschaderaad.nl\u002Fnkl\u002Fberoepsgroep-categorie\u002Fherstelgerichte-dienstverleners) en binnen drie weken na deze beschikking de zorgregisseur van hun keuze schriftelijk aan de advocaat van ASR door te geven;\n\naan (de advocaat van) ASR schriftelijke toestemming te geven voor het inschakelen van die zorgregisseur;\n\nmee te werken aan de werkzaamheden van de zorgregisseur en aan de zorgregisseur de inlichtingen te verschaffen die deze nodig acht,\n\n3.2.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 331,00 voor het door de ouders te betalen griffierecht en veroordeelt ASR tot betaling daarvan aan de ouders,\n\n3.3.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6281","2026-06-01T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:40.272Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":44},"1833","ECLI:NL:RBNHO:2025:16064","ecli-nl-rbnho-2025-16064","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F368386 \u002F HA RK 25-119\n\nBeschikking van 12 november 2025\n\nin de zaak van\n\nASR SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Utrecht,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: ASR,\n\nadvocaat: mr. Chr.H. van Dijk,\n\ntegen\n\n1. [verweerder sub 1]\n\n2. [verweerder sub 2],\n\nbeiden in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige zoon [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: de ouders.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift dat op 8 augustus 2025 door de rechtbank werd ontvangen, met producties 1 tot en met 19;\n\n- aanvullende productie 20 van ASR;\n\n- de e-mailberichten van 22 augustus 2025, 24 augustus 2025, 23 september 2025, 25 september 2025 en 28 september 2025 van de ouders, met de daarbij gevoegde stukken;\n\n- de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. De ouders zijn niet op de mondelinge behandeling verschenen en hebben zich ook niet laten vertegenwoordigen door een advocaat. Dit betekent dat de rechtbank in beginsel geen kennis mag nemen van de door de ouders toegestuurde berichten en stukken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ASR uitdrukkelijk aangegeven dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat de rechtbank kennisneemt van de berichten van de ouders en dat de rechtbank deze bij de beoordeling van de zaak betrekt. De rechtbank heeft deze stukken daarom toegevoegd aan het procesdossier.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De relevante feiten\n\n2.1.. Op 21 oktober 2024 heeft de zoon van de ouders, [minderjarige] , als gevolg van een verkeersongeval ernstig letsel opgelopen. [minderjarige] was op dat moment 13 jaar oud.\n\n2.2.. ASR heeft erkend dat haar verzekerde aansprakelijk is voor de door [minderjarige] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade en dat zij als WAM-verzekeraar de ongevalsgerelateerde schade zal vergoeden.\n\n2.3.. Tussen de ouders en ASR is over het schaderegelingstraject een conflict dan wel impasse ontstaan.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. In dit deelgeschil verzoekt ASR de rechtbank om:\n\nde ouders te gelasten om de noodzakelijke medewerking te verlenen aan en inlichtingen te verstrekken voor het volgens de in Nederland geldende regels in kaart brengen van de ongevalsgerelateerde schade van [minderjarige] , onder meer maar niet alleen door onafhankelijke deskundigenrapporten;\n\nde ouders te gelasten medewerking te verlenen aan het inschakelen van Trivium Advies of een andere te goeder naam en faam bekendstaande zorgregisseur en aan de werkzaamheden van deze de medewerking te verlenen en de inlichtingen te verstrekken die deze nodig acht.\n\n3.2.. ASR stelt daartoe - samengevat - dat het schadetraject is komen stil te liggen na indiening van klachten van de ouders over de schadebehandeling. De ouders maken ASR allerlei onterechte verwijten en willen niet meer meewerken aan een reguliere schadeafwikkeling. Zonder onderbouwing vorderden de ouders in maart 2025 een schadebedrag van € 16.000.000, wat inmiddels in de tiende klachtbrief is opgelopen tot € 175.000.000. Ondanks pogingen van ASR om de ouders te bewegen de schaderegeling weer op gang te brengen, is dit niet gelukt. De ouders worden niet langer bijgestaan door een belangenhartiger of een advocaat. Het is niet in het belang van [minderjarige] en ASR dat de schaderegeling niet wordt voortgezet. ASR trekt zich het belang van [minderjarige] aan en roept daarom de hulp in van de deelgeschilrechter om de schaderegeling weer op gang te brengen.\n\n4. Het verweer\n\n4.1.. De ouders voeren verweer in de e-mails die zij aan de rechtbank hebben gestuurd. Kort gezegd voeren de ouders het volgende aan. Zij vinden dat de zaak zich niet leent voor een beperkte behandeling in deelgeschil. De kern van het conflict ziet namelijk niet alleen op de schadeafwikkeling, maar op institutioneel en moreel falen van ASR. De ouders hebben daarover inmiddels tien klachtbrieven aan ASR gestuurd, die inhoudelijk niet zijn beantwoord. Daarnaast is het proces-verbaal van de politie nog niet volledig en loopt er nog een forensische expertise, zodat een zorgvuldige beoordeling op dit moment niet mogelijk is. Verder schetst ASR in het verzoekschrift een beeld dat volgens de ouders niet overeenstemt met de werkelijkheid. De ouders worden ten onrechte weggezet als “onredelijke ouders”, die niet handelen in het belang van hun zoon.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ASR de rechtbank verzocht om “ambtshalve” een bijzondere curator te benoemen in de zin van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de zaak aan te houden om de ouders in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord. Gelet op de impasse die is ontstaan en het feit dat de ouders ook niet naar de zitting zijn gekomen om de zaak te bespreken, dient deze stap in het belang van [minderjarige] te worden overwogen, aldus ASR.\n\n5.2.. \n\nIn artikel 1:250 lid 1 BW is (voor zover van belang) bepaald dat als een zaak aanhangig is, de desbetreffende rechter een bijzondere curator kan benoemen voor aangelegenheden over het vermogen van de minderjarige. De rechter zal dit alleen doen als hij dit noodzakelijk acht in het belang van de minderjarige en er sprake is van een belangenstrijd tussen de belangen van de minderjarige en de belangen van zijn ouders.\n\nAls er een bijzondere curator benoemd wordt, betekent dit dat de bijzondere curator [minderjarige] zowel in als buiten rechte zal vertegenwoordigen. De bijzondere curator zal dan in plaats van de ouders beslissingen nemen ten aanzien van de (vermogensrechtelijke) belangen van [minderjarige] in het kader van de schaderegeling.\n\n5.3.. Het aanstellen van een bijzondere curator is dus een vergaande en ingrijpende maatregel. De ouders waren er niet van de op de hoogte dat ASR tijdens de zitting zou vragen een bijzondere curator te benoemen. Zij hebben hun standpunt daarover dus nog niet naar voren kunnen brengen. De rechtbank kan niet beslissen over het wel of niet benoemen van een bijzondere curator zonder de ouders eerst in de gelegenheid te stellen hierover gehoord te worden. De rechtbank zal daarom een nieuwe mondelinge behandeling gelasten. De rechtbank vindt het belangrijk dat de ouders bij de volgende zitting aanwezig zijn om de zaak te bespreken. De rechtbank zal daarom bepalen dat zij daarbij aanwezig moeten zijn.\n\n5.4.. De rechtbank zal op dit moment nog geen beslissing nemen over de verzoeken die ASR in haar verzoekschrift heeft gedaan en de verweren die de ouders hebben gevoerd. Of ASR ontvankelijk is in de verzoeken en zo ja, of de verzoeken zullen worden toe- of afgewezen, zal dus pas na een volgende zitting worden beoordeeld.\n\n5.5.. De rechtbank adviseert de ouders – gelet op de mogelijk vergaande gevolgen van het benoemen van een bijzondere curator – dringendom zich in het vervolg van deze procedure te laten bijstaan door een advocaat.\n\n5.6.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaat, met het doel dat in 5.3 is omschreven, door mr. N. Boots, in het gerechtsgebouw te Alkmaar, Kruseman van Eltenweg 2, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,\n\n6.2.. bepaalt dat de heer [verweerder sub 1] en mevrouw [verweerder sub 2] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat ASR dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,6.3.. bepaalt dat partijen uiterlijk woensdag 26 november 2025schriftelijk opgave moeten doen van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaat in de maandendecember 2025tot en metfebruari 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,\n\n6.4.. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,\n\n6.5.. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,\n\n6.6.. wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minutenzal worden uitgetrokken,\n\n6.7.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. N. Boots, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:16064","2026-07-13T00:29:41.036Z",20]