[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-almelo-contract-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":29,"total":16,"page":25,"limit":63},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},69,"Almelo","nl","almelo",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-06-24T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123056","Burgerlijk Wetboek","art. 3:37 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123195","art. 6:100",[30,41,49,56],{"id":31,"ecli":32,"slug":33,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"1639","ECLI:NL:RBOVE:2026:3806","ecli-nl-rbove-2026-3806","","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer: C\u002F08\u002F333571 \u002F HA ZA 25-170\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonend te [woonplaats 1],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. C.G. Mensink,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonend te [woonplaats 2],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nadvocaat: mr. P.I. Meijers.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 22 producties, - de conclusie van antwoord met 10 producties, - de mondelinge behandeling van 16 april 2026.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1. \n [gedaagde] heeft een woning aan de [adres] met bouwjaar 1933 te koop aangeboden voor een vraagprijs van € 249.000.\n\n2.2. \n [eiser] had interesse in de woning en heeft opdracht gegeven aan [naam 1] van [bedrijf 1] (hierna te noemen: [naam 1]) voor aankoopinspectie. [naam 1] heeft de woning op 2 januari 2024 bezocht en heeft op 3 januari 2024 een Rapport Aankoopinspectie aan [eiser] gestuurd. Het rapport telt 45 pagina’s en er zijn 17 foto’s bijgevoegd.\n\n2.3. Op 12 januari 2024 hebben [eiser] en [gedaagde] een koopovereenkomst gesloten, waarbij [gedaagde] de woning aan [eiser] verkoopt voor € 237.500. De akte van levering zal worden gepasseerd op 15 april 2024; dit is later op verzoek van [eiser] aangepast naar 15 mei 2024.\n\n2.4. Op 7 mei 2025 heeft [eiser] – voordat de woning daadwerkelijk is verkocht - de sleutel van de woning ontvangen en heeft hij de woning bezocht samen met twee installateurs, met het doel aan en in de woning te verrichten werkzaamheden te inventariseren en te plannen.\n\n2.5. \n\nVolgens [eiser] treft hij de woning op 7 mei 2024 aan in een andere staat dan tijdens de bezichtiging in januari daarvoor. Hij heeft [naam 1] opdracht gegeven om de woning op 13 mei 2024 opnieuw te inspecteren. [naam 1] legt zijn bevindingen vast in een verslag met 29 foto’s. In het verslag staat: ‘Doel inspectie: Vaststellen aard en omvang van verborgen of niet gemelde gebreken door verkoper.’\n\nOp 19 juni 2024 heeft [naam 1] een nieuwe versie van het rapport Aankoopinspectie gemaakt. In de toelichting staat: Dit rapport is een aanvulling op de eerder uitgegeven rapportage van 02-01-2024. Dit op basis van wat ik me nog kan herinneren.\n\nOp 10 september 2024 heeft [naam 1] nog een verklaring opgesteld betreffende aanduiding verschil opname 02-01-2024 en 13-05-2024.Dit gaat met name over schimmelvorming in de woning.\n\n2.6. \n [eiser] heeft aan de notaris laten weten dat hij de woning op 15 mei 2024 niet zal afnemen.\n\n2.7. Op 16 mei 2024 stuurt de gemachtigde van [eiser] een ingebrekestelling aan [gedaagde]. Hij eist dat [gedaagde] alle gebreken in het rapport van [naam 1] herstelt; pas nadat dit is gebeurd zal [eiser] de woning afnemen. Als herstel niet of niet tijdig wordt uitgevoerd zal [eiser] de koopovereenkomst ontbinden en de boete van 10% van de koopsom opeisen. [eiser] eist dat [gedaagde] binnen twee dagen laat weten of hij de herstelwerkzaamheden zal (laten) uitvoeren of dat hij instemt met ontbinding van de koopovereenkomst.\n\n2.8. \n\n [gedaagde] heeft in kort geding gevorderd dat [eiser] de koopovereenkomst nakomt. In een vonnis van 3 september 2024 wordt\n\n– voorlopig oordelend - het verweer van [eiser], dat er sprake is geweest van bedrog of dwaling, gepasseerd. De slagingskans van een vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst op basis van non-conformiteit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gering. [eiser] wordt veroordeeld om binnen veertien dagen mee te werken aan de levering van de onroerende zaak en moet de contractuele boete van\n\n€ 23.750,- betalen.\n\n2.9. Bij dagvaarding van 16 september 2024 heeft [gedaagde] in kort geding gevorderd dat [eiser] het vonnis van 3 september 2024 nakomt. In een vonnis van 25 september 2024 wordt [eiser] veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 500,- per dag dat hij niet voldoet aan de in het vonnis van 3 september 2024 uitgesproken veroordeling, met een maximum van € 25.000,-.\n\n2.10. \n\n [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 3 september 2024.\n\nHet Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een arrest van 12 november 2024 het verweer, dat er sprake is van een onveilige woning met een ongezond leefklimaat, gepasseerd. Dat er in mei 2024 sprake was van nieuwe gebreken, heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt, aldus het Gerechtshof. Het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel wordt bekrachtigd.\n\n2.11. \n [eiser] heeft ook hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 25 september 2024. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een arrest van 18 februari 2025 het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel bekrachtigd.\n\n2.12. \n [eiser] heeft alle op basis van de veroordelingen aan [gedaagde] verschuldigde bedragen betaald. Voor contractuele boete, dwangsommen en vier keer proceskostenveroordeling heeft hij in totaal € 58.154,44 betaald.\n\n2.13. Bij dagvaarding van 30 april 2025 heeft [gedaagde] in kort geding een nieuwe (hogere) dwangsom gevorderd om [eiser] te bewegen alsnog mee te werken aan de levering van de woning. In een vonnis van 22 mei 2025 (procedurenummer C\u002F08\u002F332139) is de vordering afgewezen, omdat eerdere dwangsommen [eiser] niet hebben aangezet om na te komen en [eiser] de zaak voor wil leggen aan de bodemrechter.\n\n2.14. \n [gedaagde] heeft de koopovereenkomst ontbonden op 24 juni 2025 omdat hij de woning per 1 augustus 2025 voor € 224.00,- aan een andere partij heeft verkocht.\n\n3. Het geschil\n\n3.1. \n [eiser] vordert in deze procedure dat de rechtbank:\n\nPrimair\n\nI Voorwaardelijk, voor zover de overeenkomst niet reeds buitengerechtelijk is vernietigd, de overeenkomst vernietigt;\n\nSubsidiair\n\nII Voorwaardelijk, in het geval dat de rechtbank oordeelt dat er geen grond bestaat voor vernietiging van de overeenkomst, de overeenkomst ontbindt;\n\nPrimair en subsidiair\n\nIII verklaart voor recht:\n\na. dat de tussen partijen gewezen vonnissen geen werking meer hebben, althans hun rechtskracht verloren hebben wegens het vervallen van de onderliggende rechtsverhouding;\n\nb. dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het verzuim\u002Fonrechtmatig handelen door [gedaagde];\n\nIV bepaalt dat de in kort geding uitgesproken dwangsomveroordeling worden gematigd tot nihil;\n\nV [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen:\n\na. voorwaardelijk, indien en voor zover de koopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden of bij vonnis wordt ontbonden, de contractuele boete van € 23.750,-;\n\nb. een totaal van € 48.750,- terzake betaalde boete en dwangsommen, te vermeerderen met rente;\n\nc. een totaal van € 9.404,44 voor betaalde proceskostenveroordelingen, te vermeerderen met rente;\n\nd. een bedrag van € 9.404,44 als voorschot op door [gedaagde] te betalen schade;\n\nVI [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure.\n\nTer onderbouwing van de vorderingen voert [eiser] het volgende aan. Na het sluiten van de overeenkomst maar voor de geplande levering is gebleken dat de woning ernstige verborgen gebreken vertoonde, die [gedaagde] niet heeft gemeld, hoewel hij daartoe verplicht was. [eiser] stelt dat de woning daarom niet aan de overeenkomst beantwoordt en heeft de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd, althans ontbonden.\n\n [gedaagde] had de vragenlijst bij de aangeboden woning niet juist ingevuld. Door de waarnemingen van [naam 1] van 13 mei 2024 te verwerken in het inspectierapport, zijn de verschillen tussen januari en mei 2024 goed te zien. Op 7 mei 2024 was [eiser] samen met (werknemers van) De Warmteman en [bedrijf 2]. Ook zij hebben een lijst met gebreken opgesteld en [bedrijf 2] schat de herstelkosten op € 63.186,20.\n\nDe overeenkomst is tot stand gekomen onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken. [gedaagde] heeft essentiële informatie achtergehouden, bijvoorbeeld door bepaalde dingen niet op de vragenlijst te vermelden. Daarmee heeft hij [eiser] bewogen een overeenkomst te sluiten die hij bij juiste en volledige informatieverstrekking niet zou hebben gesloten. Het gaat daarbij om:\n\nvocht in de kruipruimte\u002Fkelder\n\nlekkages en dakproblemen\n\nvocht en schimmelproblemen\n\nhoutrot, houtvernielers en een verende vloer in de schuur\n\nslecht sluitende ramen en deuren\n\nproblemen met technische installaties\n\nopzettelijk verhullen gebreken tijdens bezichtiging.\n\nVoor [naam 2] staat vastdat [gedaagde] de mededingingsplicht heeft geschonden, en in de conclusie van antwoord van augustus 2024 in procedure C\u002F08\u002F316736 heeft [eiser] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Voor zover dat geen doel heeft getroffen is er voldoende grond om de overeenkomst bij vonnis in de onderhavige procedure te vernietigen.\n\nOmdat de vernietiging terugwerkende kracht heeft, heeft ieder betaling of prestatie op grond van die overeenkomst zonder rechtsgrond plaatsgevonden. Het kort geding vonnis van\n\n3 september 2024 levert immers geen gezag van gewijsde op. De betaalde boete van 10% kan daarom worden teruggevorderd. Ook de dwangsommen verliezen hun grondslag door de vernietiging, omdat deze zijn verbeurd door de verplichting tot nakoming, die achteraf gezien nooit heeft bestaan, aldus [eiser].\n\n3.2. \n\n [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] betwist dat de woning niet voldeed aan de overeenkomst en\u002Fof dat er sprake was van ernstige gebreken. [eiser] heeft de woning zonder voorbehoud van bouwkundige keuring gekocht. Daarnaast heeft hij de woning voor de aankoop laten keuren dus hij kende de staat van de woning. Ook zijn partijen een ouderdomsclausule overeengekomen. [eiser] was op de hoogte van de staat van de woning en er waren geen heimelijk gebreken die verborgen zijn gebleven voor de aankoop.\n\nDoor de weigering van [eiser] om de woning in mei af te nemen, kwam [gedaagde] in een lastige situatie. Hij had zelf een andere woning gekocht, maar was voor de financiering en levering daarvan wel afhankelijk van de verkoop van zijn woning aan [eiser]. Een overbruggingskrediet was niet mogelijk en [gedaagde] heeft van de nieuwe woning af moeten zien, maar daarvoor wel kosten gemaakt. [gedaagde] heeft de woning aan de [adres] uiteindelijk voor een lagere prijs moeten voorkopen. Hij kan nu geen andere woning meer kopen en woont met zijn kinderen bij zijn ouders.\n\nTijdens de eerste kort geding procedure wees [eiser] vooral op vocht- en schimmelproblemen, maar uit de aankoopkeuring van [naam 1] blijkt dat dit bekend was voorafgaand aan de koop. Uit het rapport van de tweede inspectie blijken geen nieuwe gebreken. Wat betreft het vocht achter het toilet heeft [gedaagde] aangeboden een nieuw toilet te plaatsen en de centrale verwarming te herstellen, dus dat zijn geen reden om te ontbinden. Na de eerste procedure kwam [eiser] met andere bezwaren (zoals dat de hypotheekofferte was verlopen) en hij bleef tegen beter weten in procederen om van de koop af te komen. Tegen de vermeende gebreken voert [gedaagde] puntsgewijs verweer.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. \n\nIs de overeenkomst gesloten onder invloed van dwaling en\u002Fof bedrog en\u002Fof misbruik van omstandigheden?\n\n [eiser] stelt in de eerste plaats dat hij de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd, althans hij vordert dat de rechtbank de overeenkomst vernietigt, omdat er sprake is van dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden.\n\n [eiser] voert ter onderbouwing aan dat de woning zoals hij die in januari 2024 heeft bezichtigd en heeft laten onderzoeken door [naam 1], wezenlijk anders is dan de woning zoals hij die in mei 2024 heeft gezien en heeft laten onderzoeken door [naam 1], en wel zó anders dat hij de overeenkomst niet gesloten zou hebben als hij in januari 2024 had beschikt over de juiste kennis. Dit is volgens [eiser] mede te wijten aan het handelen van [gedaagde], die overal meubels voor had staan en die essentiële informatie over gebreken aan de woning voor [eiser] heeft achtergehouden. Hij heeft relevante informatie verzwegen en zodoende [eiser] bewogen tot een aankoop, die hij niet – of niet onder dezelfde voorwaarden – zou hebben gedaan als hij juist was geïnformeerd. Voorbeeld daarvan is dat [gedaagde] de vragenlijsten van de makelaar onvolledig heeft ingevuld, waardoor niet te voorzien was hoeveel de kosten tot herstel zouden bedragen, aldus [eiser].\n\n4.2. \n\nWas er sprake van een onjuiste voorstelling van zaken in januari 2024?\n\nDe vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of er daadwerkelijk sprake is geweest van een onjuiste voorstelling van zaken terzake (de staat van) de woning in januari 2024. Opgemerkt wordt dat het toetsmoment voor bedrog en dwaling ligt op het moment van aangaan van de overeenkomst.\n\nDe rechtbank oordeelt – evenals de voorzieningenrechter op 3 september 2024 – dat [eiser] niet heeft aangetoond dat in mei 2024 tot dat moment onzichtbare gebreken aan de woning zichtbaar werden, van zodanige aard en omvang dat er grond was\u002Fis voor vernietiging van de overeenkomst. Daarbij is van belang dat het om een ongeveer 90 jaar oude woning gaat en [eiser] deze op 2 januari 2024 heeft laten beoordelen door [naam 1]. Veel van de later genoemde problemen, zoals sporen van oude lekkages, verouderde elektra en een ouderwetse meterkast, vochtplekken op de muren, de matige staat van dakgoten en kozijnen, zijn al in het eerste rapport beschreven. Daar wordt ook al melding gemaakt van schimmelvlekken op de muren, een vochtige muur en vochtdoorslag. Er zitten foto’s bij met de omschrijving oude en nieuwe kleurcodering elektra, roest radiator slaapkamer, vocht in de kelder, 4 cm laag water in de kruipruimte, schimmelvormig woonkamer, schimmel achtergevel, ouderwetse meterkast.Veel onderdelen in het rapport zijn door [naam 1] beoordeeld met 0, 0\u002F+ of +, hetgeen betekent matig of voldoende. Op geen enkel punt is de score ++ (goed) gegeven. De staat van de woning zoals beschreven in het rapport, duidt er niet op dat [gedaagde] op dat moment heeft geprobeerd gebreken te verbergen, door bijvoorbeeld provisorische reparaties te verrichten of zaken over te schilderen.\n\nHet kan zijn dat vocht- en slijtageplekken nog beter zichtbaar waren nadat alle meubels en enkele kleedjes waren verwijderd, maar dat leidt niet tot de conclusie dat [gedaagde] de vochtproblemen in eerste instantie heeft proberen te verbergen. Er was immers genoeg van te zien. [eiser] had naar aanleiding van het rapport van [naam 1] nader onderzoek kunnen laten doen naar het vocht in de woning, maar dat heeft hij niet gedaan. Datzelfde geldt bijvoorbeeld voor punt 2.27 van het rapport Aarding nader laten onderzoeken in de badkamer. [eiser] heeft dat niet laten onderzoeken en heeft dus het risico genomen dat er een gebrek zou zijn op dit punt.\n\nDat één of meer radiatoren lekten was ook duidelijk in januari. Dat in mei inmiddels een handdoek was gelegd onder een radiator, betekent niet dat er een nieuw gebrek was. Dat de badkamer en de keuken minder schoon oogde dan tijdens de bezichtiging, en dat de woning niet goed was leeggeruimd, kan hebben bijgedragen aan de ervaren teleurstelling, maar dit zijn geen relevante omstandigheden in het kader van al of niet vernietigen van de overeenkomst.\n\nNaar aanleiding van het eerste rapport van [naam 1], waarin al het nodige noodzakelijke onderhoud was genoemd, zijn partijen bovendien tot een lagere koopprijs gekomen. De minder goede staat van de woning was kennelijk duidelijk voor [eiser] toen hij deze besloot te kopen. Dat er water in de kruipruimte stond was toen ook bekend, en niet kan worden vastgesteld dat de verklaring van [gedaagde], dat water in de kruipruimte niet gebruikelijk was, niet klopt. Dat [gedaagde] volgens [eiser] de vragenlijst op sommige punten niet juist heeft ingevuld doet aan het voorgaande niet af, omdat [naam 1] dezelfde punten allemaal heeft nagelopen en er dus voor de aankoop voldoende informatie was over al die punten. Aangezien [eiser] opdracht had gegeven voor het onderzoek van [naam 1] ligt het voor de hand dat [eiser] dat rapport goed heeft doorgenomen. Hij had voor aankoop kunnen doorvragen op punten waarbij de bevindingen in het rapport niet klopten met wat er op de vragenlijst was ingevuld.\n\nDat [naam 1] in zijn rapport van 13 mei 2024 een aantal zaken noemt die volgens hem eerder niet zichtbaar waren, betekent niet dat deze opzettelijk verhuld waren. Onvoldoende is aangetoond dat deze ook bij een gedegen inspectie niet te zien waren geweest. In de bevindingen van 13 mei 2024 staat bijvoorbeeld bij Zolder binnen: Ramen en deuren sluiten niet goed. Was tijdens de rondgang niet goed te controleren.Bij andere punten is vermeld dat er eerder iets voor stond. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat er niet méér en grondiger gecontroleerd had kunnen worden, door tijdens de inspectie te vragenKunnen we hier even achter of onder kijken?Zeker gezien het feit dat de woning is januari al op veel punten 0, 0\u002F+ of + scoorde was er aanleiding om dat te doen.\n\nWat betreft de aanvullende verklaring van [naam 1] van 10 september 2024, waarin hij nog aanvullende opmerkingen maakt over schimmelvorming in de woning en zure penetrante geur in de woning op 13 mei 2024: aan deze verklaring worden geen gevolgen verbonden. Er staat over 13 mei 2024: Er was schimmel aanwezig in vrijwel de gehele woning. O.a. de zwarte schimmel was aanwezig, dit is een van de ergste en schadelijkste schimmelsoorten.\n\nIn de eerste plaats is de verklaring van 10 september 2024 weinig concreet en ontbreken foto’s. Maar bovenal is het opvallend dat – als de schimmelproblematiek zo erg is als [naam 1] stelt – dit niet in het eerdere rapport van 13 mei 2024 gelijk is gemeld. [naam 2] heeft, hoewel dat op zijn weg lag, niet kunnen verklaren waarom klachten die in september worden genoemd niet op 13 mei geconstateerd hadden kunnen worden.\n\nDat [eiser] de woning niet zou hebben gekocht als hij een beter beeld had gehad van de woning en de kosten voor diverse reparaties\u002Faanpassingen, is niet aangetoond. [naam 1] had in januari 2024 immers ook al een raming van noodzakelijke werkzaamheden gemaakt en dat was als argument bij de onderhandelingen gebruikt. Het kan zo zijn dat de installateurs die op 7 mei 2024 mee waren in de woning een uitgebreidere offerte maakten, maar dat betekent niet dat [eiser] de woning niet zou hebben gekocht als hij die offertes eerder had ontvangen. Het is bovendien zijn eigen keuze geweest het zo aan te pakken.\n\nHet voorgaande leidt tot de conclusie dat de overeenkomst niet is vernietigd en niet zal worden vernietigd.\n\n4.3. \n\nontbinding van de overeenkomst\n\n [eiser] vordert daarnaast dat de overeenkomst wordt ontbonden. Hij heeft [gedaagde] bij brief van 16 mei 2024 in gebreke gesteld en gevorderd dat alle gebreken worden hersteld, alvorens kan worden geleverd.\n\nDe woning is inmiddels aan een derde verkocht en [gedaagde] heeft daarom de overeenkomst per 1 augustus 2025 ontbonden, zodat de rechtbank dit niet meer kan doen. Maar als [gedaagde] de overeenkomst niet had ontbonden, zou de rechtbank niet overgaan tot ontbinding omdat niet gebleken is van tekortkomingen van zodanig ernst en omvang dat die de ontbinding met al haar gevolgen zouden rechtvaardigen. Daarbij wordt opgemerkt dat de ingebrekestelling een termijn had van twee dagen. Dat is veel te kort, zelfs nu er alleen werd gevraagd om een toezegging tot herstel te doen. [eiser] had in gesprek kunnen gaan met [gedaagde], maar heeft daar geen gelegenheid voor gegeven door gelijk te eisen dat álle gebreken in het rapport van [naam 1] worden hersteld. [eiser] stelde zich toen al onwrikbaar op en heeft daarmee de weg voor een oplossing tussen partijen afgesloten.\n\nBij dit alles wordt nog opgemerkt dat nadere bewijslevering naar het oordeel van de rechtbank niets kan opleveren dat de zaak anders maakt. De belangrijkste conclusie is immers dat door het eerste rapport van [naam 1] al vóór de koop duidelijk was dat de woning moest worden opgeknapt en dat daarin al voldoende aanwijzingen waren voor alle soorten gebreken, die [eiser] later ten grondslag heeft gelegd aan zijn vorderingen tot vernietiging en\u002Fof ontbinding.\n\n4.4. \n\nafwijzing van de vorderingen\n\nNu de conclusie is dat de overeenkomst niet is vernietigd of alsnog wordt vernietigd verandert er niets aan de reeds gewezen vonnissen. Vordering sub II terzake ontbinding is ook niet toewijsbaar. Er is geen reden om de gestelde schade van [eiser] te laten vergoeden door [gedaagde], omdat niet is geconcludeerd van [gedaagde] in verzuim is geweest of onrechtmatig heeft gehandeld.\n\n4.5. \n\nproceskosten\n\n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1.374,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.290,00\n\n(1 punt × € 1.290,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.853,00\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] van € 2.853,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3806","2026-07-05T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:31.032Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":45,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":48},"1067","ECLI:NL:RBOVE:2026:3797","ecli-nl-rbove-2026-3797","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer: 12055948 \\ CV EXPL 26-41\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nTINQ NEDERLAND B.V.,\n\ngevestigd te Harderwijk,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: TinQ,\n\ngemachtigde: mr. F.B.A.M. van Oss,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde] B.V.,\n\nstatutair gevestigd te [vestigingsplaats 1] en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. D. Teeuwsen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties, - de conclusie van antwoord met producties, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het bericht van 1 mei 2026 met aanvullende producties van TinQ, - de mondelinge behandeling van 12 mei 2026.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De zaak in het kort\n\nDeze zaak gaat over de beëindiging van de huurovereenkomst van een onbemand tankstation. TinQ stelt dat in juni 2019 de huurovereenkomst is doorgelopen voor een nieuwe 5-jaarsperiode. Volgens TinQ heeft [gedaagde] de huurovereenkomst op onrechtmatige wijze beëindigd en zij vordert in deze procedure een schadevergoeding. De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst niet op onrechtmatige wijze is beëindigd en wijst de vorderingen van TinQ af.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nTussen [gedaagde] als verhuurder en TinQ als huurder is een huurovereenkomst voor een verkooppunt van motorbrandstoffen gesloten op 14 juni 2009 (hierna: de huurovereenkomst). In de huurovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:\n\n(..) Artikel 3 Huurtermijn\n\nDeze huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van 5 + 5 optiejaren, ingaande op de dag waarop de verkoop van TinQ-motorbrandstoffen in het verbouwde en heringerichte verkooppunt een aanvang zal hebben genomen, doch niet later dan 1 juli 2009. Indien huurder niet uiterlijk 12 maanden voor afloop van de huurperiode, per aangetekende brief, aan verhuurder heeft aangegeven dat hij van verlenging geen gebruik wilt maken, zal deze overeenkomst stilzwijgend worden verlengd met een zelfde periode en zo vervolgens van periode tot periode tegen de alsdan geldende marktconforme condities.(..)\n\n3.2. \n [gedaagde] heeft op 20 september 2016 een brief gestuurd aan TinQ waarin hij heeft aangekondigd dat de bedrijfsbestemming van het gehuurde perceel gewijzigd zou worden en aan TinQ de gelegenheid geboden om het gehele bedrijfsperceel te kopen.\n\n3.3. Per brief van 27 december 2018 heeft [gedaagde] aan TinQ medegedeeld de huurovereenkomst op te zeggen per 31 december 2019, waarbij in onderling overleg de mogelijkheid voor verlenging van telkens twee jaar zou bestaan.\n\n3.4. Op 26 juni 2019 heeft [gedaagde] per brief aan TinQ gevraagd of zij gebruik wenste te maken van het voorkeursrecht van koop. Vervolgens heeft [gedaagde] per brief van 5 juli 2019 medegedeeld dat dit de verkoop van het gehele bedrijf inclusief de bedrijfswoning zou betreffen.\n\n3.5. \n\nOp 20 augustus 2019 heeft [gedaagde] een brief gestuurd aan TinQ. Hierin staat, voor zover van belang:\n\n(..)” Op 20-09-2016 hebben wij Tinq B.V. een schrijven gestuurd, waarin wij gevraagd hebben of Tinq gebruik wenste te maken van het voorkeursrecht van koop van ons perceel\u002Fbedrijf en het verzoek ons binnen 30 dagen te antwoorden.\n\nWij hebben hierop geen antwoord c.q. reactie van Tinq ontvangen.(..)\n\nDit is ook met de heer [naam 1] besproken tijdens zijn laatste bezoek aan ons, ca. 4 weken geleden, waarin hij heeft aangegeven, dat Tinq Nederland B.V. niet geïnteresseerd is in de aankoop van het totale bedrijf\u002Fperceel. Mede door deze uitspraak en het niet tijdig schriftelijk reageren binnen de op ons verzoek gestelde termijn, verklaren wij middels dit schrijven het voorkeursrecht van eerste koopa ls vervallen.\n\nVerder is er een geïnteresseerde, die mogelijk verder wil met het autobedrijf en tankstation. Dit hangt ook samen met de huuropbrengst voor een 10-jarig kontract, ingaande 01 januari 2020. Dit is eveneens in het gesprek met de heer [naam 1] aan de orde geweest. Wij zouden hiervoor graag vrijblijvend een antwoord van u ontvangen.(..)\n\n3.6. Per brief van 27 december 2019 heeft [gedaagde] aan TinQ een nieuwe huurovereenkomst toegestuurd, welke zou ingaan op 1 januari 2020 met een looptijd van twee jaar (dus tot en met31 december 2021).\n\n3.7. \n\nOp 4 december 2020 heeft TinQ een brief van [gedaagde] ontvangen. Hierin staat voor zover van belang, het navolgende:\n\n“Middels dit schrijven, welke wij u aangetekend toesturen, delen wij u mede dat de huurovereenkomst beëindigt wordt per 31-12-2021, conform huurovereenkomst, welke wij u op 27-12-2019 hebben toegestuurd. (..)\n\n3.8. \n\n [gedaagde] heeft op 17 december 2021 een brief gestuurd aan TinQ. Hierin laat hij weten:\n\n(..)Hiermede refereren wij aan ons schrijven d.d. 04 december 2020, waarin wij u nogmaals berichten, dat de huurovereenkomst voor het tankstation [adres] te [vestigingsplaats 2] per 31-12-2021 beëindigt wordt wegens verkoop van ons bedrijf conform de huurovereenkomst d.d. 01-01-2020, opgesteld door [bedrijf] , welke u aangetekend toegestuurd is.\n\nWij hebben dit ook in een persoonlijk gesprek met u doorgenomen.\n\nNaar nu blijkt, laat een deel van de vergunningen, welke door de koper zijn aangevraagd bij de gemeente, langer op zich wachten dan verwacht.\n\nHet tankstation zou hierdoor in ieder geval nog t\u002Fm eind juni 2022 operationeel kunnen zijn.\n\nIndien u hiervan gebruik zou willen maken, verzoeken wij u ons dit binnen 10 dagen schriftelijk te laten weten. (..)\n\n3.9. Op 24 mei 2022 heeft [gedaagde] per brief aan TinQ laten weten dat er een mogelijkheid is om de verkoop van brandstoffen tot 1 november 2022 te continueren via TinQ te [vestigingsplaats 2] .\n\n3.10. \n\nOp 3 juni 2022 heeft [gedaagde] wederom een brief aan TinQ gestuurd. Hierin staat, voor zover van belang, het volgende:\n\n(..)Naar aanleiding van onze brief van 24 mei 2022, mochten wij geen tegenbericht hierop van u ontvangen.\n\nWij gaan er derhalve van uit dat u akkoord gaat met de inhoud van de brief, betreffende het feit dat de verkoop van TinQ brandstoffen doorgang zal vinden t\u002Fm oktober 2022.\n\n3.11. \n\nPer brief van 6 maart 2023 heeft [gedaagde] aan TinQ het volgende bericht:\n\n(..)Thans zijn de benodigde vergunningen door de Gemeente [vestigingsplaats 1] afgegeven voor afbraak van het pand.\n\nDit houdt in dat wij het panden het grondstuk schoon moeten opleveren.\n\nZoals mondeling met u besproken op 20 december 2022 bij ons aan het bedrijf, heeft u ons gevraagd dit tijdig mede te delen, i.v.m. met het leeg halen van de brandstoftanks.\n\nDit moet plaats vinden einde week 26, zie bijlage.\n\nWij danken u voor de prettige samenwerking de afgelopen jaren.(..)\n\n3.12. TinQ heeft niet schriftelijk gereageerd op de hierboven genoemde brieven van [gedaagde] .\n\n3.13. Op 26 juli 2023 is [gedaagde] overgegaan tot afsluiting van de elektriciteit in het gehuurde. TinQ is met ingang van juni 2023 opgehouden met het betalen van huur.\n\n3.14. Per brief van 21 augustus 2023 heeft TinQ [gedaagde] gesommeerd om de elektriciteitsvoorziening per direct te herstellen. Verder heeft TinQ medegedeeld dat de huurovereenkomst nog van kracht was en dat zij niet heeft ingestemd met een eerdere beëindigingc.q. opzegging. Ten slotte heeft TinQ [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door TinQ gestelde schade.\n\n3.15. Op 11 december 2023 heeft [gedaagde] TinQ schriftelijk gewezen op het ledigen van de brandstoftanks en TinQ gewaarschuwd om de overige zaken waaraan TinQ belang hecht weg te halen in verband met de sloopwerkzaamheden.\n\n4. Het geschil\n\n4.1. \n\nTinQ vordert – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis over te gaan tot betaling van een bedrag van € 637.587,96;\n\nII. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.\n\n4.2. TinQ legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst na 19 juni 2019 dan wel 30 juni 2019 met vijf jaar is verlengd. Zij stelt dat [gedaagde] de schade moet vergoeden die zij lijdt als gevolg van de onregelmatige opzegging.\n\n4.3. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van TinQ dan wel tot afwijzing van de vorderingen van TinQ, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van TinQ in de kosten van deze procedure.\n\n4.4. \n [gedaagde] betwist dat sprake is van een onrechtmatige opzegging van de huur. In dat verband voert [gedaagde] aan dat TinQ door haar (feitelijke) gedragingen zelf heeft ingestemd met het einde van de huur.\n\n4.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nKwalificatie\n\n5.1. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2026 het gehuurde niet kan worden aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak in de zin van artikel 7:230a BW of artikel 7:290 BW. Dit betekent dat de huurder geen huurbescherming geniet en het eindigen van de huurovereenkomst wordt beheerst door artikel 7:228 BW.\n\nWat is er afgesproken?\n\n5.2. Vervolgens is de vraag wat partijen hebben afgesproken. Tussen partijen is niet in geschil dat zij in juni 2009 een schriftelijke huurovereenkomst hebben gesloten voor een periode van 5 jaar + 5 optiejaren. Verder is niet in geschil dat deze huurovereenkomst tenminste één keer (in 2014) stilzwijgend is verlengd. TinQ stelt dat in 2019 opnieuw sprake was van stilzwijgende verlenging, maar dit gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op.\n\n5.3. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW), waarbij de wijze van aanbod en de aanvaarding vormvrij is. Een aanvaarding kan daarom ook in één of meer gedragingen besloten liggen (artikel 3:37 lid 1 BW). Een akkoord met een handtekening is dus niet noodzakelijk.\n\n5.4. In deze zaak staat vast dat [gedaagde] al in 2016 aan TinQ heeft medegedeeld dat het bestemmingsplan van het gehuurde perceel (door de gemeente) gewijzigd zou worden en bij die gelegenheid is aan TinQ, in het kader van het geldende voorkeursrecht, het gehele bedrijfsperceel te koop aangeboden. Als verhuurder heeft [gedaagde] TinQ daarmee tijdig geïnformeerd over de voorgenomen wijziging, waarbij TinQ geen tegenbericht heeft gegeven. Uit niets blijkt dat TinQ heeft geprotesteerd. Ook in 2019 heeft [gedaagde] meerdere brieven gestuurd aan TinQ waaruit volgt dat TinQ en haar medewerker [naam 1] op de hoogte waren van de aanstaande veranderingen die tot beëindiging van het bedrijf zouden gaan leiden. In deze omstandigheden had TinQ tijdig haar standpunt kenbaar moeten maken en gemotiveerd moeten reageren op de mededeling van [gedaagde] , althans kenbaar moeten maken dat zij uitging van een huurovereenkomst tot 2024. Dit is niet gebeurd. De door TinQ middels productie 36 ingebrachte verklaring van de heer [naam 2] leidt niet tot een ander oordeel. Uit deze verklaring volgt enkel dat [naam 2] eind 2022 [gedaagde] heeft bezocht en dat hij kennelijk niet heeft ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomst.\n\n5.5. Verder is van belang dat [gedaagde] ook daarna in 2020, 2021, 2022 en 2023 brieven heeft gestuurd waarin hij TinQ heeft geïnformeerd over de voorgenomen verkoop van zijn bedrijf, de vergunningen en de gevolgen voor het tankstation. Op geen enkel moment heeft TinQ geprotesteerd tegen deze gang van zaken. Ten slotte heeft [gedaagde] op 6 maart 2023 aan TinQ medegedeeld dat de vergunningen zijn afgegeven en dat het pand schoon moet worden opgeleverd. Verder refereert [gedaagde] in deze brief aan een gesprek met TinQ op 20 december 2022 waarin TinQ heeft gevraagd om dit tijdig mede te delen i.v.m. het leeg halen van de brandstoftanks. TinQ heeft deze gang van zaken onvoldoende gemotiveerd weersproken. TinQ is in juni 2023 ook opgehouden met het betalen van de huur. De kantonrechter concludeert op grond van het voorgaande dat TinQ door deze gedragingen stilzwijgend heeft ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomst. Zonder nadere toelichting van TinQ valt dit niet te rijmen met het voor het eerst in haar brief van 21 augustus 2023 ingenomen standpunt dat de huuropzegging onrechtmatig is. De stelling van [gedaagde] is aannemelijk en komt overeen met de wijze waarop partijen vanaf 2016 zijn omgegaan met de situatie. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat partijen vanaf 2019 hun huurovereenkomst hebben voortgezet in de wetenschap dat deze op enig moment zou eindigen, hoewel geen concrete einddatum is vastgesteld. Dat er door [gedaagde] een concept huurovereenkomst is opgesteld met als einddatum 31 december 2021 maakt dit niet anders.\n\nConclusie\n\n5.6. Gelet op het voorgaande worden de vorderingen van TinQ afgewezen.\n\nProceskosten\n\n5.7. TinQ is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n2.882,00\n\n(2 punten × € 1.441,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n3.026,00\n\n5.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1. wijst de vorderingen van TinQ af,\n\n6.2. veroordeelt TinQ in de proceskosten van € 3.026,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als TinQ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3. veroordeelt TinQ tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3797","2026-07-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:02.360Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":53,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":55},"1139","ECLI:NL:RBOVE:2026:3802","ecli-nl-rbove-2026-3802","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer: 11987371 \\ CV EXPL 25-2086\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. L.A. de Haan,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\nte [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 1] ., 2. [gedaagde 2],\n\nte [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 2] .,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden] ,\n\ngemachtigde: mr. W.P. van Heerewaarden, Anker Rechtshulp B.V.\n\n1. De samenvatting\n\n1.1. \n [gedaagden] hebben een auto verkocht aan [eiser] . De kantonrechter oordeelt dat [gedaagden] bewust ervoor hebben gezorgd dat [eiser] een verkeerd beeld kreeg over de auto en over het onderhoud daaraan. Ook nadat [eiser] hen vragen stelde over de auto, hebben zij dat verkeerde beeld bewust in stand gehouden. Daarom is sprake van bedrog en dat is onrechtmatig. [gedaagden] zijn aansprakelijk voor de schade die [eiser] door hun bedrog heeft geleden. De schade is gelijk aan de aanschafprijs van de auto, en bestaat uit kosten die [eiser] al heeft gemaakt om de auto te repareren en uit kosten die hij nog moet maken.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de mondelinge behandeling van 27 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n [gedaagde 2] . was tot 19 mei 2025 eigenaar van een Volkswagen Golf (hierna: de auto). Ook [gedaagde 1] . gebruikte de auto. [gedaagde 2] . heeft [gedaagde 1] . gevraagd de auto voor hem te verkopen, waarna [gedaagde 1] . de auto te koop heeft aangeboden. [gedaagde 1] . werkt als automonteur.\n\n3.2. Op 19 mei 2025 heeft [eiser] de auto van [gedaagde 2] . gekocht. Hij heeft er € 4.900,00 voor betaald. Tijdens het aankooptraject had [eiser] voornamelijk contact met [gedaagde 1] . [gedaagden] hebben [eiser] bij de auto een boekje gegeven (hierna: het onderhoudsboekje). In het onderhoudsboekje staat dat onderhoud heeft plaatsgevonden aan de auto en dat dit onderhoud is verricht door [garage 1] (hierna: [garage 1] ). Daarbij staan stempels van [garage 1] , met een dealercode van Volkswagen en de vermelding dat [garage 1] “Volkswagen Partner” is.\n\n3.3. Op 5 juni 2025 bracht [eiser] de auto naar [garage 2] B.V. (hierna: [garage 2] ), nadat hij problemen had met de auto. [garage 2] is een officiële partner van Volkswagen, net als [garage 1] . [garage 2] maakte een analyserapport op van de auto. In dit rapport constateert [garage 2] dat de pendelsteunbouten van de motor van de auto zijn losgekomen en dat daardoor verdere motorschade is veroorzaakt. Volgens [garage 2] moeten beide steunbouten worden vernieuwd en moeten er nieuwe onderdelen worden gemonteerd. Voor de analyse betaalde [eiser] € 2.294,20 aan [garage 2] . Op 24 juli 2025 heeft [garage 2] een bedrag van € 1.254,28 in rekening gebracht voor het monteren van een nieuwe koppeling in de auto. Op de factuur is door [garage 2] vermeld dat de verdere vervangwerkzaamheden zijn gestaakt, omdat na het loshalen van de oude delen bleek dat er meer inwendige schade aan de auto was dan vooraf zichtbaar was. Door [garage 3] B.V. (hierna: [garage 3] ) is een offerte opgemaakt voor het herstellen van de motor van de auto. [garage 3] verwacht dat dit tussen de € 4.000 en € 5.000 zal kosten.\n\n3.4. Na het bezoek aan [garage 2] probeerde [eiser] via WhatsApp contact op te nemen met [gedaagde 1] . Dat lukte niet, omdat [gedaagde 1] . ervoor had gezorgd dat [eiser] hem geen berichten meer kon sturen via WhatsApp. [eiser] stuurde daarom op 6 juni 2025 een email aan [gedaagde 2] .:\n\n“Ik stuur je deze mail omdat ik vragen had over de GTI die ik van uw zoon heb gekocht. Ik heb geprobeerd hem te bereiken alleen het lijkt alsof hij mij geblokkeerd heeft.\n\nDe auto moest namelijk langs de garage en het bleek dat de motor steunbout niet goed is aangelegd waardoor de motor is losgekomen. Mijn vraag was of uw zoon naar de garage is geweest in de tijd van bezit en dat ze daar met de motor bezig zijn geweest. Het is namelijk een menselijke fout geweest, de bout is namelijk onmogelijk om uit zichzelf los te komen.(…)\n\nIk neem het jullie zeker niet kwalijk maar graag heb ik de informatie van de garage zodat ik daar achter aan kan gaan.”\n\n3.5. Op 12 juni 2025 reageerde [gedaagde 1] . op de email. Volgens [gedaagde 1] . zijn de pendelsteunbouten niet los geweest in de periode dat hij de auto in zijn bezit had. Volgens hem was het ook niet aannemelijk dat de bouten al los zaten in de periode dat [gedaagde 2] . de auto in zijn bezit had. Volgens [gedaagde 1] . zouden de bouten kunnen zijn losgetrild in de periode na de verkoop aan [eiser] :\n\n“Wat betreft de bout van de motorsteun, er is nooit wat los geweest in verhouden met de motorsteunen sinds de auto in mijn bezit was, het zou kunnen dat het bedrijf waar ik hem van heb gekocht ooit iets los heeft gehad maar dit zou dan al 30.000km of meer geleden moeten zijn dus het lijkt mij niet dat het door hun komt. Het zou kunnen dat er een bout is losgetrild naarmate er meer met de auto werd gereden en dat jij het pech hebt gehad. Het is eenmaal een 20 jaar oude auto met veel vermogen dus er gaat wel is wat mis natuurlijk(…).”\n\n3.6. Op 13 juni 2025 reageerde [eiser] :\n\n“Nog een vraagje, was er iets met de koppeling? Had een sport koppel? Of hij was vervangen? Soms schakelt hij namelijk ff moeilijk, weet niet of jij daar ook soms last van had, laat het me maar weten!”\n\n3.7. \n [gedaagde 1] . reageerde op 13 juni 2025 als volgt:\n\n“Wat betreft de koppeling, de koppeling is rond de 135.000km vervangen toen ik hem net in een paar weken in mij bezit had. Maar ik denk dat dat ook niks te maken heeft met het lastig schakelen want dat is al een best aantal km geleden.”\n\n3.8. \n [eiser] ontdekte via [garage 2] dat in de systemen van Volkswagen geen onderhoud stond geregistreerd voor de auto. Dit betekent dat aan de auto geen onderhoud is uitgevoerd door een officiële partner van Volkswagen. Volgens [garage 2] was het door [gedaagde 1] . verstrekte onderhoudsboekje geen origineel onderhoudsboekje.\n\n3.9. De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde 1] . met een brief van 19 augustus 2025 aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 4.900, vanwege de door de losse pendelsteunbouten veroorzaakte problemen. [gedaagde 1] . reageerde met een email van 26 augustus 2025 en stelde zich op het standpunt dat eventuele gebreken aan de auto hem niet konden worden toegerekend en dat hij de schade niet zou betalen.\n\n3.10. Namens [eiser] is vervolgens contact gezocht het [garage 1] , omdat de stempels van [garage 1] in het onderhoudsboekje staan, maar er geen onderhoudsbeurten staan geregistreerd in het systeem van Volkswagen. [garage 1] verklaarde dat van de auto niets te vinden is in de systemen van [garage 1] . Volgens [garage 1] werkte [gedaagde 1] . ten tijde van het zetten van de stempels bij haar. [garage 1] nam aan dat [gedaagde 1] . eigenhandig de boekjes heeft ingevuld en daarbij de stempels van [garage 1] heeft gebruikt. Volgens [garage 1] zou [gedaagde 1] . op staande voet zijn ontslagen als [garage 1] dit had ontdekt tijdens het dienstverband.\n\n3.11. De advocaat van [eiser] nam naar aanleiding van het bericht van [garage 1] opnieuw contact op met [gedaagde 1] . In zijn brief van 15 september 2025 staat onder meer het volgende:\n\n“Het bovenstaande betekent dat u de onderhoudsstempels plaatste, dan wel liet plaatsen, terwijl u wist dat de garage geen onderhoud uitvoerde aan de auto. U liet het voorkomen alsof een betrouwbare garage onderhoud uitvoerde aan de auto, terwijl u wist dat dit niet zo was. Hiermee handelde u onrechtmatig tegenover cliënt (artikel 6:162 BW). Cliënt ging uit van de juistheid van het onderhoudsboekje. Met opzet gebruikte u de stempels van [garage 1] , terwijl u daartoe niet bevoegd was. Hierdoor lijdt cliënt schade. Cliënt zou de auto niet hebben gekocht als u deze stempels niet ten onrechte gebruikte. Cliënt zou bovendien geen geld aan reparaties hebben uitgegeven, als hij wist dat u de stempels ten onrechte zette, terwijl u daartoe niet bevoegd was.\n\n3.12. Een inhoudelijke reactie bleef uit. Op 25 september 2025 stuurde de advocaat van [eiser] een brief aan [gedaagde 2] . Volgens [eiser] was ook hij aansprakelijk, omdat hij [gedaagde 1] . had ingeschakeld als hulppersoon. Op 27 oktober 2025 reageerde de gemachtigde van [gedaagde 2] . Hij concludeerde dat [gedaagde 2] . een goedwerkende auto heeft verkocht en dat [eiser] zou hebben verzuimd om de gestelde gebreken te bewijzen. [eiser] is vervolgens deze procedure gestart.\n\n4. Het geschil\n\n4.1. \n [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 4.900,00, vermeerderd met rente en kosten. Volgens [eiser] zijn [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk, omdat [gedaagden] bedrog hebben gepleegd bij de verkoop van de auto. Het bedrog bestond volgens [eiser] uit het bewust geven van een onjuiste voorstelling van zaken over de onderhoudshistorie van de auto. Door dit onjuiste beeld heeft [eiser] niet alleen de auto gekocht, maar heeft hij ook zelf kosten gemaakt die hij niet gemaakt zou hebben als hij had geweten dat de auto niet door een officiële dealer zou zijn onderhouden. Zijn schade bestaat uit de gemaakte kosten en een deel van de nog te maken kosten om de auto te herstellen. Subsidiair baseert [eiser] zijn vordering op [gedaagde 2] . op ongerechtvaardigde verrijking. Volgens hem zou de door [gedaagde 2] . verkochte auto in werkelijkheid € 0,00 waard zijn en is [gedaagde 2] . daarom ten onrechte met € 4.900,00 verrijkt.\n\n4.2. \n [gedaagden] voeren verweer. [gedaagde 1] . concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , omdat hij niet de verkoper zou zijn en niet betrokken was bij de verkoop van de auto. [gedaagden] vinden daarnaast dat de vorderingen moeten worden afgewezen omdat geen sprake is van bedrog. Volgens [gedaagden] wisten zij niet van de gebreken. [gedaagden] betwisten dat bij de verkoop door hen is aangegeven dat de auto door een erkende dealer is onderhouden. Volgens [gedaagden] zijn alle stempels in het onderhoudsboekje rechtmatig gezet. Ook betwisten zij dat de schade is veroorzaakt door het gestelde bedrog. Zij wijzen er verder op dat zij niet in gebreke zijn gesteld. [gedaagde 2] . betwist ten aanzien van de ongerechtvaardigde verrijking dat de auto in werkelijkheid € 0,00 waard was.\n\n4.3. Voor zover nodig worden de stellingen van partijen hierna verder besproken.\n\n5. De beoordeling\n\nOpmerkingen vooraf\n\n5.1. Het komt vaker voor dat een koper van een auto meent dat de auto niet doet wat deze zou moeten doen. Meestal kiest de koper ervoor om de verkoper in gebreke te stellen en daarna de koopovereenkomst te ontbinden, of om vervangende schadevergoeding te vorderen. In die gevallen is vereist dat de koper aantoont dat de auto niet doet wat de koper daarvan mocht verwachten, en dat verkoper de kans heeft gekregen om de auto zelf te (laten) herstellen. Deze zaak is echter anders dan de meeste gevallen. [eiser] baseert zijn vordering op een door [gedaagden] gepleegde onrechtmatige daad. Voor deze vordering is niet vereist dat [gedaagden] de mogelijkheid hebben gekregen om de auto zelf te (laten) herstellen. Voldoende is dat komt vast te staan dat er sprake is van bedrog en dat [eiser] door dat bedrog schade heeft geleden. Het is aan [eiser] om dit te stellen en te onderbouwen. In het vonnis komen deze twee hoofdvragen aan de orde.\n\n5.2. Het voorgaande betekent dat de standpunten van [gedaagden] over de staat van de auto bij de levering en het verzuim niet relevant zijn voor deze procedure. Datzelfde geldt voor het beroep op niet-ontvankelijkheid. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde 1] . bedoelt dat [eiser] geen vordering op hem kan hebben en dat de vordering dus moet worden afgewezen. In de conclusie van antwoord betoogt [gedaagde 1] . stellig dat hij in het geheel niet betrokken was bij de verkoop, ook niet als aanspreekpunt. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat dit niet waar is. [gedaagde 1] . heeft de advertentie geplaatst en met [eiser] gecommuniceerd over de verkoop. [gedaagde 1] . was dus weldegelijk betrokken bij de verkoop en het mogelijke bedrog. De kantonrechter zal daarom beoordelen of [gedaagde 1] ., samen met [gedaagde 2] ., aansprakelijk is.\n\nDe eerste hoofdvraag: is er sprake van bedrog door [gedaagden] ?\n\n5.3. Artikel 6:162 BW bepaalt dat iemand die een onrechtmatige daad pleegt, die hem kan worden toegerekend, de schade moet vergoeden die een ander daardoor lijdt. Het plegen van bedrog is onrechtmatig en kan worden toegerekend aan degene die dat bedrog pleegt, of aan degenen die dat samen doen (artikel 6:166 BW). Van bedrog is sprake als een verkoper een onjuist beeld van een auto schetst of laat bestaan, terwijl de verkoper weet dat dit beeld niet klopt, op een punt dat voor de koper van belang is.\n\nDe stempels in het onderhoudsboekje\n\n5.4. \n [gedaagden] hebben bij de verkoop van de auto het onderhoudsboekje meegegeven aan [eiser] . Zij hebben met [eiser] ook de onderhoudshistorie van de auto besproken. [gedaagden] hebben daarbij niet verteld dat [gedaagde 1] . het onderhoud zelf heeft uitgevoerd en de stempels zelf heeft gezet.\n\n5.5. Op 19 augustus 2025 confronteerde [eiser] hen met de constatering van [garage 2] dat de auto niet bij een officiële dealer was onderhouden. In zijn reactie van 27 oktober 2025 betwistte de advocaat van [gedaagden] dat de auto niet bij een officiële dealer was onderhouden. Volgens [gedaagden] was “de onderhoud in goede orde” uitgevoerd. Als reactie op de verklaring van [garage 1] over de ten onrechte gezette stempels, merkten [gedaagden] op dat uit de verklaring niet bleek dat het onderhoud niet zou zijn uitgevoerd. Ook zou er niet uit blijken dat de stempels ten onrechte waren gezet. In de correspondentie tussen partijen hebben [gedaagden] dus, ook na vragen van [eiser] , het beeld laten bestaan dat de auto door [garage 1] was onderhouden.\n\n5.6. In de conclusie van antwoord hebben [gedaagden] erkend dat [gedaagde 1] . de stempels zelf heeft gezet, toen hij in het kader van zijn BBL-opleiding bij [garage 1] werkte. Volgens [gedaagden] mocht [gedaagde 1] . tijdens zijn dienstverband “onder begeleiding” van [garage 1] werkzaamheden verrichten aan auto’s. Volgens hen heeft hij ook werkzaamheden verricht aan de auto en dit als zodanig aangegeven in het onderhoudsboekje. Volgens [gedaagden] is dus “op geen enkele wijze onrechtmatig omgegaan met enige stempels van [garage 1].” In de conclusie van antwoord hebben [gedaagden] weliswaar erkend dat de stempels niet door [garage 1] waren gezet, maar hebben zij het beeld laten bestaan dat de stempels met recht waren gezet omdat de werkzaamheden waren uitgevoerd onder begeleiding van [garage 1] .\n\n5.7. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] . verklaard dat hij als leerling-monteur dergelijke stempels mocht zetten, maar alleen als de werkzaamheden werden gecontroleerd door [garage 1] en in het systeem werden ingevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] . erkend dat de werkzaamheden aan de auto niet waren besproken met een monteur van [garage 1] , niet waren ingevoerd in het systeem van [garage 1] en dat hij de stempels dus niet had mogen zetten. Toen [gedaagde 1] . daarnaar werd gevraagd, antwoordde hij dat hij de stempels in het onderhoudsboekje heeft gezet en het onderhoudsboekje heeft meegegeven om een koper van de auto te laten zien dat het onderhoud “op de juiste manier” was uitgevoerd.\n\n5.8. De kantonrechter constateert dat de verklaringen van [gedaagden] over het onderhoudsboekje steeds zijn opgeschoven, naarmate [gedaagden] werden geconfronteerd met meer bewijsmiddelen of lastigere vragen. [gedaagden] hebben [eiser] – en in mindere mate ook de kantonrechter – dus op meerdere moment onjuist voorgelicht en een onjuist beeld laten bestaan. [gedaagden] wisten dat de onderhoudshistorie van belang was. Zij hebben deze immers met [eiser] besproken. Bovendien heeft [gedaagde 1] . de stempels gezet om over de historie een positief beeld te schetsen.\n\nDe gebreken aan de auto\n\n5.9. Bij de verkoop is de onderhoudshistorie van de auto besproken. [gedaagden] hebben daarbij geen melding gemaakt van een lastig schakelende auto en een vervangen koppeling. Dit staat ook niet in het onderhoudsboekje.\n\n5.10. Nadat was geconstateerd dat de steunbouten van de motor waren losgekomen, heeft [eiser] met een email van 6 juni 2025 expliciet aan [gedaagden] gevraagd of de steunbouten van de auto los zijn geweest in de periode dat [gedaagde 2] . de auto in zijn bezit had. Uit de email van [eiser] blijkt dat hij ervan uitging dat er een fout was gemaakt door de garage en niet door [gedaagden] zelf. Aanvankelijk heeft [gedaagde 1] . het contact met [eiser] ontweken. Uiteindelijk heeft [gedaagde 2] . de contactpoging van [eiser] doorgestuurd naar [gedaagde 1] . en hem de vragen laten beantwoorden. [gedaagde 1] . heeft op 12 juni 2025 eerst ontkend dat de steunbouten los zijn geweest in de periode voor de verkoop. Hij heeft daarnaast aangegeven dat het niet aannemelijk is dat de vorige eigenaar dit heeft gedaan. [gedaagde 1] . hield [eiser] daarom voor dat de steunbouten zijn losgeraakt na de verkoop aan [eiser] , door het trillen van de motor. Later, op 13 juni 2025, verklaarde [gedaagde 1] . echter dat hij zelf de koppeling van de auto heeft vervangen, omdat de auto zwaar schakelde. Het staat tussen partijen vast – [eiser] heeft het gesteld en [gedaagden] hebben het niet weersproken – dat de koppeling van de auto niet kan worden vervangen zonder de steunbouten los te maken. Dit betekent dat [gedaagde 1] . de steunbouten weldegelijk moet hebben losgedraaid in de periode dat zijn vader de auto in eigendom had.\n\n5.11. De kantonrechter constateert dat opnieuw sprake is van verschuivende verklaringen. [gedaagden] hebben bij de verkoop niet meegedeeld dat de koppeling is vervangen omdat de auto zwaar schakelde. Ook heeft [gedaagde 1] . aan [eiser] onjuiste informatie gegeven toen hij vroeg of de steunbouten van de auto los zijn geweest in de periode voor de verkoop. Uit de vragen van [eiser] hadden [gedaagden] moeten begrijpen dat het voor [eiser] belangrijk was om te weten of de steunbouten los zijn geweest en wie dat dan had gedaan. Desondanks hebben [gedaagden] het beeld laten bestaan dat de auto nooit zwaar heeft geschakeld toen zij hem in bezit hadden en dat de steunbouten nooit zijn losgedraaid en daarom alleen konden zijn losgetrild na de aankoop door [eiser] .\n\nTussenconclusie bedrog\n\n5.12. Hetgeen hiervoor besproken is over het onderhoudsboekje en de gebreken aan de auto leidt tot de volgende conclusie. Het onderhoud aan de auto en het onderhoudsboekje zijn voor een potentiële koper van een auto van belang. [gedaagden] wisten dat dit ook gold voor [eiser] . [gedaagden] hebben echter op meerdere momenten onjuiste mededelingen gedaan en bewust een onjuist beeld geschetst van de auto, het onderhoud en het onderhoudsboekje. Op meerdere momenten hebben [gedaagden] de mogelijkheid gekregen om het onjuiste beeld bij te stellen en open kaart te spelen: bijvoorbeeld nadat [eiser] hen confronteerde met de bevindingen van [garage 2] en [garage 1] over het onderhoudsboekje, maar ook bij het nemen van de conclusie van antwoord. Zij hebben er echter meermaals voor gekozen om standpunten in te nemen die in strijd waren met de waarheid, om het door hen gecreëerde onjuiste beeld in stand te houden. De kantonrechter oordeelt daarom dat sprake is van bedrog door [gedaagden]\n\nDe tweede hoofdvraag: voor welke schade zijn [gedaagden] aansprakelijk?\n\nHoofdelijke aansprakelijkheid\n\n5.13. \n [gedaagden] hebben gezamenlijk onrechtmatig gehandeld tegen [eiser] , door hem te bedriegen rond de aanschaf van de auto. Dit hebben zij samen gedaan, door het verkopen van een auto waarover een onjuist beeld was gecreëerd en door het in stand houden van dat beeld. Dit onrechtmatig handelen valt hen beiden toe te rekenen. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] daardoor heeft geleden. Dit betekent dat [eiser] zowel [gedaagde 2] . als [gedaagde 1] . kan aanspreken voor het volledige schadebedrag, in totaal tot een maximum van de volledige schade. Het is dan aan [gedaagden] om onderling uit te maken wie welk deel van de schade draagt.\n\nStandpunten van partijen over de schade\n\n5.14. Volgens [eiser] heeft hij € 4.900,00 aan schade geleden. Volgens [eiser] heeft deze schade kunnen ontstaan doordat [gedaagden] hem onjuist hebben voorgelicht en dat onjuiste beeld vervolgens hebben laten bestaan toen hij hen aansprak over de problemen met de auto. Als zij wel eerlijk waren geweest, had [eiser] de auto niet gekocht, of zou hij niet zelf hebben geprobeerd de auto te laten repareren en zou hij hebben gekozen voor een ingebrekestelling en een ontbinding, zo begrijpt de kantonrechter uit de door [eiser] tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting. [gedaagden] betwisten dat uit de door [eiser] overgelegde facturen en offertes voldoende duidelijk volgt dat [eiser] meer dan € 4.900,00 aan reparatiekosten moest en moet maken. Ook betogen zij dat er geen sprake is van relativiteit. Daarmee bedoelen zij dat de door [gedaagden] geschonden norm niet bedoeld is om de door [eiser] gestelde schade te voorkomen.\n\n5.15. De kantonrechter ziet dat anders. De maatschappelijke en juridische norm om de ander niet te bedriegen bij en na het aangaan van een koopovereenkomst is bij uitstek bedoeld om te voorkomen dat de ander wordt benadeeld. Nu vaststaat dat [eiser] door het bedrog van [gedaagden] schade heeft geleden, komt de kantonrechter toe aan het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding.\n\nDe toe te wijzen schadevergoeding\n\n5.16. Voor het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding moet een vergelijking worden gemaakt tussen de huidige situatie van [eiser] en de situatie zonder het onrechtmatig handelen. De vordering van [eiser] van in totaal € 4.900,00 bestaat in dat opzicht uit twee delen. Het eerste deel bestaat uit kosten die al daadwerkelijk zijn gemaakt. Dat zijn de door [eiser] betaalde facturen van [garage 2] van in totaal (€ 2.294,20 + € 1.254,28 =) € 3.548,48. Het tweede deel van de vordering bestaat uit kosten die nog niet zijn gemaakt. Dit gaat over het restantbedrag van (€ 4.900,00 – 3.548,48 =) € 1.351,52. [eiser] vordert dit bedrag omdat hij voor tenminste dit bedrag nog reparaties moet laten uitvoeren om de gevolgen van het onrechtmatig handelen te compenseren.\n\n5.17. Door [eiser] is voldoende gemotiveerd gesteld dat hij aan [garage 2] een bedrag van (€ 2.294,20 + € 1.254,28 =) € 3.548,48 heeft betaald voor de diagnose en de eerste reparatie aan de auto. [eiser] heeft dit bedrag onderbouwd met facturen, bonnetjes en een diagnoserapport. [gedaagden] hebben in het licht van deze onderbouwing onvoldoende gemotiveerd betwist dat [eiser] deze kosten heeft gemaakt. [eiser] heeft voldoende toegelicht dat hij deze kosten niet zou hebben gemaakt als hij juist was voorgelicht over de auto, het onderhoud en het onderhoudsboekje. Of hij de auto bij een juiste voorstelling van zaken helemaal niet gekocht had, of de auto wel had gekocht maar dit onderhoud niet zou hebben laten uitvoeren, of [gedaagden] meteen in gebreke had gesteld, kan in het midden blijven. In alle gevallen zou hij, zonder het onjuiste beeld over de auto, de nu gemaakte kosten immers niet hebben gemaakt. De kantonrechter zal dit bedrag dus toewijzen.\n\n5.18. Dan resteert de vraag of [eiser] ook voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij nog minimaal (€ 4.900,00 – 3.548,48 =) € 1.351,52 aan kosten moet maken om de auto te herstellen. Volgens [eiser] blijkt uit de door hem overgelegde bewijsmiddelen – de twee facturen van [garage 2] , het rapport van [garage 2] en de offerte van [garage 3] – voldoende dat hij in totaal meer dan € 4.900,00 aan reparatiekosten moet maken. Volgens [gedaagden] mag de kantonrechter geen waarde hechten aan de offerte en de facturen, omdat deze derde partijen geen onafhankelijke deskundige zijn en er zelf belang bij hebben om geld te verdienen. De kantonrechter overweegt dat hun winstoogmerk er niet aan afdoet dat deze partijen een objectieve inschatting kunnen maken van wat het hen zou kosten om de auto verder te repareren. Een commerciële partij, die opereert in een markt met voldoende concurrentie, heeft er ook geen belang bij om een veel te hoge inschatting te geven. Bovendien is ook de winstmarge die commerciële partijen rekenen onderdeel van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt. De kantonrechter zal de schadeberekening dus baseren op deze bewijsmiddelen.\n\n5.19. \n [gedaagden] hebben verder aangevoerd dat bij de reparatie mogelijk nieuwe onderdelen worden “gebruikt waardoor er sprake is van een waardevermindering en gedaagde partij een beroep toekomt op een aftrek vanwege nieuw – oud vanwege de technische verbeteringen die deze facturen behelzen”. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagden] bedoelen dat mogelijk sprake is van een waardeverméérdering door de reparaties. Voor zover [gedaagden] een beroep willen doen voordeelstoerekening (artikel 6:100 BW) is het aan hen om te onderbouwen hoe het door [eiser] genoten voordeel er dan uitziet. Dat hebben zij niet gedaan. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de motor moet worden verwijderd en weer moet worden teruggeplaatst om de reparatie uit te voeren en dat dit om die reden de naam ‘motorrevisie’ heeft gekregen. In het licht van deze uitleg en betwisting door [eiser] van de waardevermeerdering hebben [gedaagden] onvoldoende gesteld voor hun beroep op voordeelstoerekening.\n\n5.20. \n [eiser] heeft onweersproken gesteld dat het een ingrijpende ingreep is om de pendelsteunbouten te vernieuwen en de schade te herstellen die is ontstaan doordat de pendelbouten loszaten. Dat blijkt ook uit de factuur van [garage 2] en de offerte van [garage 3] . Op de factuur van [garage 2] van € 1.254,28 staat immers dat [garage 2] de werkzaamheden heeft afgebroken omdat bleek dat er meer inwendige schade aan de auto was dan vooraf zichtbaar was. Daaruit leidt de kantonrechter af dat [garage 2] verwachtte dat er nog substantiële aanvullende kosten gemaakt moeten worden, méér dan de al in rekening gebrachte kosten van € 1.254,28. De offerte van [garage 3] van € 4.000,00 – € 5.000,00 laat weliswaar enige ruimte voor de hoogte van de kosten, maar de onderkant van de bandbreedte zit ruim boven de € 1.351,52. De kantonrechter oordeelt daarom dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog tenminste € 1.351,52 aan reparatiekosten moet maken, naast de al betaalde € 3.548,48. De kantonrechter zal dit bedrag van € 1.351,52 daarom toewijzen.\n\nTussenconclusie schadebedrag\n\n5.21. De kantonrechter zal [gedaagden] hoofdelijk veroordelen om aan [eiser] een schadevergoeding te betalen van in totaal € 4.900,00.\n\nWettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten\n\n5.22. \n [eiser] heeft gevorderd dat [gedaagden] worden veroordeeld hem de wettelijke rente te betalen over de schadevergoeding, te berekenen vanaf 19 mei 2025. [gedaagden] hebben geen onderbouwd verweer gevoerd tegen de toepasselijkheid van de wettelijke rente. De kantonrechter zal de wettelijke rente toewijzen, en wel als volgt. De rente op de schadevergoeding voor de betaalde facturen gaat lopen vanaf het moment dat [eiser] de bedragen heeft betaald aan [garage 2] : vanaf 6 juni 2025 voor het bedrag van € 2.294,20 en vanaf 24 juli 2025 voor het bedrag van € 1.254,28. Het schadebedrag van € 1.351,52 is weliswaar nog niet betaald, maar wel ontstaan vanaf het moment van de onrechtmatige daad. Dit betekent dat de wettelijke rente wordt berekend per het moment waarop de auto werd gekocht, op 19 mei 2025.5.23. \n [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De advocaat van [eiser] heeft meerdere pogingen gedaan om [gedaagden] te bewegen tot betaling over te gaan. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Daarom zal een bedrag van € 615,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen.\n\n5.24. \n [gedaagde 2] . en jr. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zullen [gedaagden] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n90,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n954,00\n\n5.25. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, over\n\n€ 1.351,52 vanaf 19 mei 2025 tot aan de dag van volledige betaling\n\n€ 2.294,20 vanaf 6 juni 2025 tot aan de dag van volledige betaling\n\n€ 1.254,28 vanaf 24 juli 2025 tot aan de dag van volledige betaling\n\n6.2. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 615,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,\n\n6.3. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk in de proceskosten van € 954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n6.4. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.B. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3802","2026-07-13T00:29:06.187Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":60,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":62},"1140","ECLI:NL:RBOVE:2026:3801","ecli-nl-rbove-2026-3801","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam kanton en handelsrecht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer : 12126700 \\ RR FORM 26-5\n\nVonnis van 23 juni 2026 van de kantonrechter inzake het verzoek ex artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering\n\nin de zaak van\n\n [eiser], wonende te [woonplaats],\n\neisende partij, hierna te noemen [eiser],\n\nprocederende in persoon,\n\ntegen\n\nVENITECH INSTALLATIEBEDRIJF, gevestigd te Hengevelde,\n\ngedaagde partij, hierna te noemen Venitech,\n\nniet verschenen, tegen gedaagde is verstek verleend.\n\n1. De procedure1.1. Deze zaak wordt behandeld door de kantonrechter op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit).\n\n1.2. De regelrechter heeft van [eiser] een aanmeldformulier en producties ontvangen. Vervolgens heeft de kantonrechter beslist tot een mondelinge behandeling in het gebouw van de rechtbank Overijssel locatie Almelo, gehouden op 16 juni 2026 om 14.00 uur.\n\n1.3. Op de mondelinge behandeling is [eiser] verschenen. Venitech is tijdens de mondelinge behandeling niet verschenen. De kantonrechter heeft vervolgens tegen Venitech verstek verleend (artikel 14 lid 1 Besluit).\n\n1.4. Hierna heeft de regelrechter de datum voor het vonnis bepaald.\n\n2. De zaak in het kort\n\n2.1. Op 13 december 2024 heeft Venitech bij [eiser] een airco geplaatst. Op 6 februari 2026 heeft een reparatie plaatsgevonden. Hiervoor heeft Venitech aan [eiser] gefactureerd een bedrag van € 375,17. [eiser] betwist deze factuur. Hij beroept zich op de garantie en stelt dat een airco langere tijd goed moet kunnen functioneren.\n\n3. De beoordeling3.1. De kantonrechter moet in deze zaak beoordelen of [eiser] recht heeft op terugbetaling van een bedrag van € 375,17. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] recht heeft op terugbetaling.\n\n3.2. \n [eiser] heeft zich beroepen op een garantietermijn van 18 maanden zoals deze geldt ingevolge artikel 18 in de Algemene Voorwaarden Installatie Consumenten 2016 (AVIC). [eiser] wijst er op dat Venitech is aangesloten bij de beroepsvereniging “Techniek Nederland” en deze beroepsvereniging deze algemene voorwaarden hanteert. De airco is binnen deze termijn stuk gegaan. [eiser] wijst er verder op dat de Consumentenbond en de Europese regelgeving uitgaan van een garantietermijn van 2 jaar en op internet is te lezen dat Venitech een garantietermijn geeft van 2 jaar. Omdat het gebrek binnen 18 maanden is ingetreden meent [eiser] dat hij aanspraak kan maken op kosteloze reparatie.\n\n3.3. Venitech heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering van [eiser].\n\n3.4. Het gevorderde komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen. [eiser] mocht van de airco verwachten dat deze langer meegaat dat ongeveer dertien maanden. Bovendien heeft [eiser] onweersproken gesteld dat door Venitech verkeerde koppelingen zijn gebruikt voor de airco die niet geschikt zijn voor warmte.\n\nProceskosten\n\n3.5. Venitech zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. Op grond van artikel 238 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal aan reis-, verblijf-, en verletkosten een bedrag van € 50,00 worden toegekend. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht € 93,00\n\n- reis-, verblijf-, en verletkosten € 50,00\n\nTotaal € 143,00\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n4.1. Veroordeelt Venitech om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 375,17.\n\n4.2. Veroordeelt Venitech in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 143,00.\n\nDit vonnis is gewezen te Almelo door mr. U. van Houten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n(JHd(O)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3801","2026-07-13T00:29:06.223Z",20]