[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-almere-contract-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},79,"Almere","nl","almere",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2025-11-26T00:00:00.000Z","2026-06-17T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1488","ECLI:NL:RBMNE:2026:3737","ecli-nl-rbmne-2026-3737","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer: 11973319 \\ MC EXPL 25-6261 PM\u002F45352\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres] B.V.,\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\ngemachtigde: Swiers cs Gerechtsdeurwaarders,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde sub 1] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\nniet verschenen, 2. [gedaagde sub 2],\n\nte [plaats 3] ,\n\nprocederend in persoon,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s. (in mannelijk enkelvoud).\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 10 november 2025 met 32 producties, - de conclusie van antwoord met 2 producties, - de conclusie van repliek, - de conclusie van dupliek met 1 bijlage,\n\n- de akte uitlating van [eiseres] .\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n\n [eiseres] heeft in de dagvaarding betaling van € 14.301,45 gevorderd. Dit zijn de kosten voor het annuleren van de koop van een BMW door [bedrijfsnaam] , waarvan [gedaagde sub 1] c.s. bestuurder was. [gedaagde sub 1] c.s. vindt dat hij niet meer dan € 5.000,- hoeft te betalen, omdat partijen op 17 juli 2019 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Bij akte heeft [eiseres] dit bevestigd. De vordering van [eiseres] wordt toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-, vermeerderd met rente en kosten.\n\n3 De beoordeling\n\nDe hoofdsom3.1. \n\n [bedrijfsnaam] , waarvan [gedaagde sub 2] bestuurder was, heeft een BMW bij [eiseres] gekocht en de koop vervolgens geannuleerd. Op basis van de BOVAG voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn, is de koper dan een annuleringsvergoeding verschuldigd. [gedaagde sub 1] c.s. beroept zich echter op het Whatsapp-bericht van 17 juli 2019, waarin [A] namens [eiseres] schrijft:\n\n“Beste [gedaagde sub 2 (voornaam)] , hierbij de bevestiging van het geen we net telefonisch besproken hebben. Ik maak een credit van het opstaande saldo van de annulering 14 k en maak een nieuwe nota van 5 k op de Nederlandse Holding waarvan ik van jou de gegevens van krijg . Bij aankoop van een nieuwe auto bij [eiseres] crediteer ik je 2500 euro . In afwachting van de NAW gegevens en prettige avond groeten [A] ”\n\n3.2. \n\n [gedaagde sub 2] heeft daarop gereageerd:\n\n“Goedeavond [A (voornaam)] graag de factuur op [gedaagde sub 1] BV Postbus [postbusnummer]\n\n [postcodenummer] [plaats 4] 5000 incl BTW dank en fijne avond we bellen morgen nog even om het kort tw sluiten\n\n Fijne Avond\n\n Gr [gedaagde sub 2 (voornaam)] ”\n\n3.3. \n [eiseres] heeft in haar akte uitlating bevestigd dat uit het Whatsappbericht van 17 juli 2019 inderdaad blijkt dat er een overeenkomst tussen partijen is gesloten waarbij de originele vordering tot betaling van de annuleringskosten wordt omgezet in een verplichting van [gedaagde sub 1] c.s. om een bedrag van € 5.000,- te betalen. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] niet langer aanspraak kan maken op de oorspronkelijke annuleringsvergoeding, maar dat de nadere afspraak geldt.\n\n3.4. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde sub 1] c.s. al € 1.000,- heeft betaald. Er resteert dus nog een bedrag van € 4.000,-. Dat bedrag moet [gedaagde sub 1] c.s. betalen en daartoe zal hij worden veroordeeld.\n\nDe buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente3.5. Het bedrag van € 5.000,- is door [eiseres] op 18 juli 2019 gefactureerd en moest binnen 30 dagen betaald worden. [gedaagde sub 1] c.s. verkeert met de betaling in verzuim. [eiseres] vordert de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de factuur van 14 februari 2020. De wettelijke rente is vanaf 14 februari 2020 toewijsbaar.\n\n3.6. \n [eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 525,- is in lijn met het Besluit en zal worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen.\n\nProceskosten3.7. \n [gedaagde sub 1] c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde sub 1] c.s. hoeft alleen het deel van het griffierecht te vergoeden dat hij bij een ingestelde vordering van € 4.000,- verschuldigd zou zijn. [eiseres] heeft immers aan zichzelf te wijten dat zij in eerste instantie een hogere vordering bij de rechtbank heeft ingediend. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n123,16\n\n- griffierecht\n\n€\n\n514,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2,5 punten × € 288,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.501,16\n\n3.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 4.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 februari 2020, tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 525,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling\n\n4.3. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten van € 1.501,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.4. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n4.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.6. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3737","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:23.485Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1900","ECLI:NL:RBMNE:2025:7851","ecli-nl-rbmne-2025-7851","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer: 11839439 \\ MC EXPL 25-4540\n\nVonnis van 26 november 2025\n\nin de zaak van\n\nINFOMEDICS B.V., als rechtsopvolger van INFOMEDICS FACTORING B.V., mede handelend onder de namen INFOMEDICS FACTORING, UWNOTA.NL, DFA SERVICES EN INFOMEDICS DFA,\n\nstatutair gevestigd en kantoorhoudende te Almere,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Infomedics,\n\ngemachtigde: Yards Deurwaardersdiensten BV,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 5 augustus 2025 met producties 1 en 2; - de mondelinge conclusie van antwoord; - de akte van Infomedics tevens akte vermindering van eis met productie 4; - de antwoordakte van [gedaagde] .\n\n1.2. De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.\n\n2. Kern van de zaak\n\n2.1. Deze zaak gaat over een onbetaalde zorgkostennota. Het gaat om de nota die Infomedics op 10 februari 2025 aan [gedaagde] heeft gestuurd. Volgens de nota heeft [gedaagde] op 22 januari 2025 een tandheelkundige behandeling gehad bij [de tandarts] (hierna: ‘de tandarts’). De kosten daarvan waren, na vergoeding door de zorgverzekeraar van [gedaagde] , € 48,37. Infomedics heeft de vordering op [gedaagde] van de tandarts – door cessie daarvan – overgenomen. Infomedics wil dat [gedaagde] de nota alsnog betaalt, met rente en kosten. [gedaagde] erkent de hoofdsom met rente, de buitengerechtelijke incassokosten, de dagvaardingskosten en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding. Zij heeft die bedragen één dag voor de rolzitting van 3 september 2025 ook aan de gemachtigde van Infomedics betaald. Zij is het daarom niet eens met het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte. De vraag is of [gedaagde] het griffierecht en het salarisgemachtigde voor de akte moet betalen.\n\n2.2. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk. [gedaagde] hoeft het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte niet aan Infomedics te betalen.\n\n3. De beoordeling\n\nDe hoofdsom en de rente\n\n3.1. Vaststaat dat [gedaagde] op 22 januari 2025 een tandheelkundige behandeling heeft ondergaan. De kosten daarvoor waren, na vergoeding door de zorgverzekeraar van [gedaagde] , € 48,45. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde hoofdsom niet betwist. De hoofdsom van € 48,45 is dan ook toewijsbaar. Ook de gevorderde rente van € 1,06 is niet betwist en op grond van de wet toewijsbaar.\n\nDe buitengerechtelijke incassokosten\n\n3.2. De gevorderde incassokosten komen voor vergoeding in aanmerking als is voldaan aan de eisen van artikel 6:96 lid 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Daarin is het bedrag dat voor vergoeding in aanmerking komt beperkt. En ook is daarin vastgelegd dat die vergoeding pas verschuldigd is als de gedaagde partij – [gedaagde] – éérst in de gelegenheid is gesteld om het achterstallige bedrag nog gedurende veertien dagen zonder aanvullende kosten te voldoen en hij die gelegenheid niet heeft benut. In dit geval is aan de wettelijke eisen voldaan. De gevorderde vergoeding van € 40,00 is eveneens toewijsbaar.\n\nDe dagvaardingskosten en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding\n\n3.3. \n [gedaagde] heeft niet betwist dat zij te laat is met het betalen van de nota van de tandarts, waardoor Infomedics [gedaagde] uiteindelijk heeft moeten dagvaarden, met bijkomende kosten tot gevolg. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de dagvaardingskosten van € 120,78 en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding van € 40,00 niet betwist. Die kosten zijn toewijsbaar.\n\nBetaling vóór de rolzitting\n\n3.4. \n [gedaagde] heeft gesteld dat zij op 2 september 2025 – de dag voor de rolzitting op 3 september 2025 – alles heeft betaald. Uit de akte vermindering van eis is op te maken dat de gemachtigde van Infomedics in totaal het bedrag van € 250,21 van [gedaagde] heeft ontvangen. Met dat bedrag heeft [gedaagde] de hoofdsom, de buitengerechtelijke incassokosten, de rente, de dagvaardingskosten en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding (hierna: ‘hoofdsom met bijkomende kosten’) volledig betaald.\n\n3.5. De vorderingen van Infomedics tot betaling van de hoofdsom en bijkomende kosten worden om die reden dan ook afgewezen.\n\nHet griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte blijven voor rekening van Infomedics\n\n3.6. De vraag die resteert is of de rolzitting op 3 september 2025 doorgang had moeten vinden.\n\n3.7. \n [gedaagde] vindt van niet, omdat zij de hoofdsom met bijkomende kosten de dag vóór de rolzitting van 3 september 2025 heeft betaald. Zij wist niet dat zij vijf dagen vóór de rolzitting had moeten betalen. Anders had zij dat wel gedaan. Zij heeft nog contact met Infomedics opgenomen over haar betaling. Echter de gemachtigde van Infomedics gaf aan dat zij de betaling niet meer voor de rolzitting kon nagaan.\n\n3.8. Infomedics vindt van wel. Partijen zijn een betalingsregeling van (minimaal) € 30,00 per maand onder verband van vonnis overeengekomen. Dat betekent dat de rolzitting gewoon doorgang zou vinden. De verwijzing naar de vijf dagen stond in de dagvaarding en had betrekking op de hoofdsom en de bijkomende kosten. Echter, partijen waren een betalingsregeling overeengekomen waardoor het in één keer betalen van de hoofdsom en bijkomende kosten op dat moment niet meer nodig was. Na de rolzitting heeft [gedaagde] contact opgenomen met de gemachtigde van Infomedics, maar zij kon op dat moment de zaak niet meer voor de rolzitting doorhalen. [gedaagde] is daarom het griffierecht (en het salaris gemachtigde voor de akte) verschuldigd.\n\n3.9. De kantonrechter is van oordeel dat Infomedics deze procedure vóór de rolzitting op 3 september 2025 wél had kunnen intrekken. Het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte moeten daarom voor rekening van Infomedics blijven. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.\n\n3.10. Weliswaar heeft [gedaagde] niet vijf dagen vóór de rolzitting aan (de gemachtigde van) Infomedics betaald, maar Infomedics heeft niet betwist dat [gedaagde] op 2 september 2025, dus vóór de rolzitting op 3 september 2025, de hoofdsom en de bijkomende kosten heeft betaald. De rolzitting had dus geen doorgang hoeven hebben en deze procedure had dus ingetrokken kunnen worden, waardoor Infomedics het griffierecht niet had hoeven te betalen en ook geen akte had hoeven te nemen. Dat kennelijk het financiële systeem van de gemachtigde van Infomedics niet zo ingericht is dat een betaling snel getraceerd kan worden, is een omstandigheid die voor rekening en risico van Infomedics blijft. Het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte worden om die reden afgewezen. Dit betekent dat [gedaagde] het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte niet aan Infomedics hoeft te betalen.\n\nDe (resterende) proceskosten worden gecompenseerd\n\n3.11. Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. wijst de vorderingen van Infomedics af, omdat die voor de rolzitting op 3 september 2025 zijn voldaan,\n\n4.2. compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.\n\nHht\u002F37278","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7851","2026-04-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.491Z",1,20]