[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amersfoort-private-international-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},84,"Amersfoort","nl","amersfoort",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},60,"private-international-law-nl","Private International Law","NL","2026-07-08T16:54:05.559Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2025-01-29T00:00:00.000Z","2026-06-17T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1663","ECLI:NL:RBMNE:2026:3745","ecli-nl-rbmne-2026-3745","","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Amersfoort\n\nZaaknummer: 11992947 \\ AC EXPL 25-2708\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\n [eiseres],\n\ngevestigd te [gemeente] in Frankrijk,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\ngemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde sub 1] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2],\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]\n\nprocederend in persoon,\n\ngedaagde partijen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 13 november 2025 met producties 1 tot en met 10, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4, - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek.\n\n1.2. Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n\n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn eigenaar van een woning gelegen in een villawijk aangeduid als [...] dat ligt in [gemeente] in Frankrijk. [eiseres] is een vereniging die het beheer en het onderhoud van de gemeenschappelijke terreinen, bouwwerken en voorzieningen die behoren tot de villawijk verzorgt. Hiervoor betalen de woningeigenaren een jaarlijkse ledenbijdrage. [eiseres] vordert betaling van twee facturen met een totaalbedrag van € 2.928,37 over de periode 1 januari tot en met 31 december 2024 en over de periode 1 januari tot en met 31 december 2025. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten de facturen verschuldigd te zijn, omdat zij volgens hen geen lid zijn van [eiseres] . Daarnaast stellen zij dat [eiseres] niet bevoegd is facturen te sturen en betwisten zij dat [eiseres] het beheer voert over het [...] .\n\nDe kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe.\n\n3. De beoordeling\n\nDe Nederlandse rechter is bevoegd\n\n3.1. Omdat [eiseres] een rechtspersoon is naar buitenlands recht en haar vordering een internationaal karakter heeft, moet allereerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.\n\n3.2. Op grond van artikel 3 lid 1 sub a EEX-Vo (Verordening (EG) 44\u002F2001) is de Nederlandse rechter bevoegd om over deze zaak te oordelen, omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun woonplaats in Nederland hebben.\n\nHet Nederlands recht is van toepassing\n\n3.3. \n\nPartijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De kantonrechter\n\nbegrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van partijen, dat\n\npartijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.\n\n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de ledenbijdragen betalen\n\n3.4. \n [eiseres] vordert een totaalbedrag van € 2.928,37 aan ledenbijdragen. Zij stelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als lid van [eiseres] verplicht is de jaarlijkse ledenbijdrage te voldoen. Over de periode 1 januari tot en met 31 december 2024 was de bijdrage € 1.446,38 en over de periode 1 januari tot en met 31 december 2025 was de bijdrage € 1.481,99 .\n\n3.5. Uit de persoonlijke koopakte van [eiseres] (productie 3 bij dagvaarding) volgt dat alle woningeigenaren van de percelen uit [.] van rechtswege lid zijn van [eiseres] . Niet in geschil is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] sinds 2006 woningeigenaren zijn van een woning in [.] . Zij zijn daarmee in beginsel van rechtswege lid van [eiseres] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren echter aan alleen lid te zijn van de vereniging [..] [.] . Dit verweer hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook al gevoerd in een eerdere procedure bij de Rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2025:176) toen [eiseres] de ledenbijdrage over de periode 1 januari tot en met 31 december 2023 vorderde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . De kanonrechter heeft toen in rechtsoverweging 3.4. overwogen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen stukken hebben overgelegd waaruit volgt dat [..] [.] een andere vereniging is dan [eiseres] . Dat hebben zij in deze procedure ook niet gedaan. Dat leidt tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] lid zijn van [eiseres] .\n\n3.6. \n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen daarnaast dat het bestuur (de heer [A] en de heer [B] ) van [eiseres] niet bevoegd is facturen te sturen, omdat [eiseres] geen gecertificeerde beheerder is. De kantonrechter volgt dit niet. Naar Nederlands recht hoeft [eiseres] geen VvE-certificaat te hebben om ledenbijdragen te kunnen innen. Dit verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gaat dan ook niet op.\n\n3.7. \n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verder aan dat hun woning is gelegen in het publieke domein van de gemeente en zij buiten hun woning verder niets in privé dan wel in gemeenschap hebben aangekocht. Uit de brief van de burgemeester van [gemeente] (productie 1 bij dagvaarding) volgt echter dat [...] geen deel uitmaakt van de openbare ruimte, maar privéterrein is van [eiseres] . Het beheer en onderhoud van de gemeenschappelijke terreinen, bouwwerken en voorzieningen, met uitzondering van de individuele woningen, valt dan ook onder [eiseres] . Dit is ook bepaald in artikel 1 en 2 van de statuten. Hiervoor moet [eiseres] kosten maken, die de leden van [eiseres] volgens artikel 15 en 16 van de statuten naar rato gezamenlijk dragen. Ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen dus in deze kosten moeten bijdragen. De vordering van [eiseres] zal dan ook worden toegewezen.\n\nDe wettelijke rente\n\n3.8. \n [eiseres] vordert wettelijke renteover het bedrag van € 2.928,37 vanaf 1 januari 2024. Vanaf dat moment waren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] echter nog niet in verzuim met de volledige betaling. Zij zijn pas in verzuim met de betaling van de eerste factuur op 31 januari 2024, omdat toen de vervaltermijn van die factuur is verstreken. Met de betaling van de tweede factuur zijn zij in verzuim per 31 januari 2025. De wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nDe buitengerechtelijke incassokosten\n\n3.9. \n [eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] consumenten zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.\n\nDe vordering van de toekomstige jaarlijkse facturen wordt afgewezen\n\n3.10. De vordering van de toekomstige, jaarlijkse facturen is niet toewijsbaar, omdat nog niet duidelijk is hoe hoog de ledenbijdrage in aankomende jaren gaat zijn.\n\nDe proceskosten\n\n3.11. \n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n122,98\n\n- griffierecht\n\n€\n\n514,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n506,00\n\n(2 punten × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n126,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.269,48\n\nHoofdelijkheid\n\n3.12. De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. \n\nveroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.928,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:\n\n- het bedrag van € 1.446,38, met ingang van 31 januari 2024, - het bedrag van € 1.481,99, met ingang van 31 januari 2025, telkens tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.269,48, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.4. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n69134\n\n Zoals bedoeld in artikel 6:119 BW.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3745","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:32.301Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1656","ECLI:NL:RBMNE:2025:176","ecli-nl-rbmne-2025-176","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Amersfoort\n\nZaaknummer: 10626668 \\ AC EXPL 23-1675\n\nVonnis van 29 januari 2025\n\nin de zaak van\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\n [eiseres],\n\ngevestigd in [gemeente] , Frankrijk,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\ngemachtigde: Juristu Incasso Juristen B.V.,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde sub 1] ,\n\n2. [gedaagde sub 2],\n\nbeiden wonend in [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] ,\n\ngemachtigde: mr. E.R. Jonker.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het incidenteel vonnis van 8 november 2023 - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6\n\n- de brief namens [eiseres] van 17 november 2023 met aanvullende producties 1 tot en met 6 - de brief namens [gedaagde sub 1] van 26 november 2024 met aanvullende productie 7 - de mondelinge behandeling van 6 december 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Namens [eiseres] zijn op de zitting verschenen [A] , voorzitter, en [B] , penningmeester. [gedaagde sub 1] was aanwezig, bijgestaan door mr. Jonker, gemachtigde. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Waar gaat de zaak over?\n\n2.1.. In de gemeente [gemeente] in Frankrijk ligt een villawijk (quartier), aangeduid als ‘ [...] ’. [eiseres] is een vereniging met als doel onder meer het beheer en het onderhoud van de gemeenschappelijke terreinen, bouwwerken en voorzieningen die deel uitmaken van [...] , met uitzondering van de privégedeeltes van de verschillende leden. De familie [gedaagde sub 1] is eigenaar van een woning die is gelegen in het quartier van [eiseres] (de woning).\n\n2.2.. \n\n [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] op 1 januari 2023 een factuur gestuurd voor het algemeen beheer van de woning voor de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 van € 1.354,96. Omdat [gedaagde sub 1] de factuur niet op tijd heeft betaald, heeft [eiseres] [gedaagde sub 1] daarna ook aanmaningskosten en rente in rekening gebracht, in totaal € 1.490,96. Op 28 april 2023 heeft [gedaagde sub 1] € 325,00 aan [eiseres] betaald. Het resterende bedrag van (€ 1.490,96 - € 325,00 =)\n\n€ 1.165,96, is door [gedaagde sub 1] niet betaald. [eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde sub 1] tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten.\n\n2.3.. Naar aanleiding van de door [gedaagde sub 1] hiertegen opgeworpen incidenten heeft de kantonrechter op 8 november 2023 beslist dat de Nederlandse rechter bevoegd is, dat [eiseres] naar het voorlopig oordeel ontvankelijk is in haar vordering en dat [eiseres] [gedaagde sub 1] afschriften dient te verstrekken van de notulen en financiële jaarverslagen van de afgelopen drie boekjaren.\n\n2.4.. \n [gedaagde sub 1] voert als belangrijkste verweer dat [eiseres] niet-ontvankelijk is omdat zij niet bestaat. [gedaagde sub 1] is ook geen lid van [eiseres] maar lid van de vereniging ‘ [..] [.] ’ ( [.] ). Niet is gebleken dat [eiseres] rechtsgeldig wordt vertegenwoordigd. [gedaagde sub 1] betwist verder de aard en omvang van de beheerskosten. [gedaagde sub 1] voert ook verweer tegen de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en tegen de hoogte van de gevorderde wettelijke rente.\n\n3. De beoordeling\n\nDe Nederlandse rechter is bevoegd3.1.. De kantonrechter stelt voorop dat in het incidenteel vonnis van 8 november 2023 (zie daarin punt 3.1) al uitdrukkelijk is geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat [gedaagde sub 1] woonplaats heeft in [plaats] . [gedaagde sub 1] heeft in de conclusie van antwoord opnieuw gesteld dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft. De rechter die in een tussenuitspraak één of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist is hieraan in beginsel - uit een oogpunt van goede procesorde - in het verdere verloop van het geding gebonden. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] in de conclusie van antwoord geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd tegen het oordeel over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De kantonrechter heeft ook geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat de beslissing over de bevoegdheid in het incidenteel vonnis op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om op dit oordeel terug te komen. De Nederlandse kantonrechter is dus bevoegd om over de vordering van [eiseres] te oordelen.\n\nOp de zaak is het Nederlandse recht van toepassing3.2.. Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De kantonrechter begrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van partijen, dat partijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.\n\n [eiseres] is ontvankelijk in haar vordering3.3.. \n\n [gedaagde sub 1] voert aan dat [eiseres] niet kan worden ontvangen in haar vordering omdat zij als rechtspersoon niet bestaat. In het incidenteel vonnis heeft de kantonrechter hierover al voorlopig geoordeeld dat [eiseres] ontvankelijk is in haar vordering. Daarbij heeft de kantonrechter meegewogen dat [eiseres] niet ingeschreven hoeft te zijn in het handelsregister, haar statuten geregistreerd zijn bij de Prefet en gepubliceerd zijn in de Staatscourant. [gedaagde sub 1] heeft zijn stelling dat [eiseres] als rechtspersoon toch niet bestaat, niet onderbouwd. [gedaagde sub 1] voert ook aan dat [eiseres] niet rechtsgeldig wordt vertegenwoordigd door de bevoegde beheerder. Naar Nederlands recht hoeft [eiseres] niet vertegenwoordigd te worden door een beheerder. Uit artikel 13 van de door [eiseres] overgelegde vertaling van haar statuten blijkt dat het bestuur bevoegd is de vereniging te vertegenwoordigen en deel te nemen aan procedures. Uit de door [eiseres] overgelegde notulen van de algemene ledenvergadering van\n\n1 april 2023 blijkt dat [A] als voorzitter en [B] deel uitmaken van het bestuur van [eiseres] . Ter zitting is gebleken dat zij nog steeds bestuurder zijn van [eiseres] . De kantonrechter ziet dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat [A] en [B] onbevoegd zijn om de vordering van [eiseres] in rechte op te eisen. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] ontvankelijk is in haar vordering.\n\n [gedaagde sub 1] moet de ledenbijdrage betalen3.4.. \n [gedaagde sub 1] voert als belangrijkste inhoudelijk verweer tegen de vordering dat zij op grond van de aankoop van de woning wel lid is van een vereniging, genaamd “ [..] [.] ”, maar geen lid is van [eiseres] . De kantonrechter volgt dit niet. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde sub 1] in 2006 eigenaar is geworden door koop van een perceel met daarop een woning en dat hij toen lid is geworden van een vereniging van eigenaren voor 52 woningen. [gedaagde sub 1] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de vereniging “ [..] [.] ” een andere vereniging is dan [eiseres] . [B] heeft ter zitting toegelicht dat “ [..] [.] ” de oorspronkelijke naam was van [eiseres] . [B] heeft erop gewezen dat in de bijlage bij zijn koopovereenkomst uit 2006 in de wijk (uiteindelijk) 122 woningen werden beoogd, die op dat moment niet, of gedeeltelijk, klaar waren. Tijdens de ledenvergadering in 2007 is de naam van [eiseres] gewijzigd in ‘ [..] ’. Uit de in 2015 gewijzigde statuten van [eiseres] blijkt dat het aantal woningen aanzienlijk is uitgebreid. Niet is betwist door [gedaagde sub 1] dat hij daarna op de vergadering aanwezig is geweest en de jaarlijkse ledenbijdrage tot en met 2022 steeds heeft betaald. Inmiddels is fase 2 klaar en staan er 94 huizen in de wijk. De kantonrechter begrijpt hieruit dat in de loop der tijd de naam en de omvang van de vereniging door uitbreiding van de wijk is gewijzigd. Deze uitbreiding van de wijk was al voorzien bij de verkoop van de eerste percelen met woningen, onder andere aan [gedaagde sub 1] . Dat de uitbreiding was voorzien blijkt ook uit het feit dat de oorspronkelijke naam van de vereniging bestond uit de toevoeging ‘ [.] ’. De omstandigheid dat een vereniging van omvang verandert door het toetreden van nieuwe leden, brengt niet mee dat het lidmaatschap van [gedaagde sub 1] daardoor op enig moment stopt. Bovendien staat onvoldoende betwist vast dat nieuwe eigenaren van woningen in de wijk steeds lid worden van [eiseres] en dat de notaris hun gegevens daartoe na de aankoop ook doorgeeft aan [eiseres] en niet aan een andere vereniging. Als een woning uit de wijk wordt verkocht neemt de notaris contact op met [eiseres] om te controleren of er een betalingsachterstand is.\n\n3.5.. \n\n [gedaagde sub 1] voert verder aan dat de bijdrage niet is verschuldigd omdat deze niet volgt uit de statuten van [eiseres] . De ledenbijdrage is volgens [gedaagde sub 1] ook te hoog omdat daarin kosten zijn verwerkt voor zaken waarvan hij geen of onvoldoende nut ervaart. De bijdrage ziet volgens [gedaagde sub 1] niet op redelijke kosten en beheerkosten. De kantonrechter volgt deze stelling niet. In de factuur wordt verwezen naar de algemene vergadering van 2 april 2022. Uit de notulen van deze vergadering blijkt dat de ledenbijdrage na een stemming van de leden is vastgesteld. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] de ledenbijdrage moet betalen. Indien [gedaagde sub 1] het niet eens was met dit besluit had het op de weg van [gedaagde sub 1] gelegen om zich hierover in de ledenvergadering uit te laten en zonodig tegen de voorgestelde ledenbijdrage te stemmen. [gedaagde sub 1] heeft hiervan kennelijk geen gebruik gemaakt. De kantonrechter kan bij de beoordeling van de vordering tot betaling van de factuur niet meer betrekken of het besluit van [eiseres] tot vaststelling van de ledenbijdrage juist is omdat daarvoor een afzonderlijke procedure geldt, als bedoeld in artikel 5:130 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat uit de artikelen 15 en 16 van de statuten, waaruit volgt dat de eigenaren gezamenlijk alle kosten zullen dragen met betrekking tot de totstandkoming en het onderhoud van de gemeenschappelijke voorzieningen en dat de lasten worden verdeeld naar rato van de bebouwde oppervlakte, niet blijkt dat de ledenbijdrage geen betrekking heeft op beheerskosten. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [gedaagde sub 1] de ledenbijdrage voor 2023 moet betalen. De vordering van [eiseres] bedraagt\n\n(€ 1.490,96, bestaande uit de factuur, aanmaningskosten en rente verminderd met het door [gedaagde sub 1] al betaalde bedrag van € 325,00, =) € 1.165,96.\n\n [gedaagde sub 1] moet ook wettelijke rente betalen3.6.. Nu [gedaagde sub 1] de factuur niet tijdig en volledig heeft betaald, is hij in verzuim. Hij moet daarom ook de wettelijke rente over het openstaande bedrag betalen.\n\n3.7.. \n [gedaagde sub 1] stelt dat [eiseres] een vergoeding van de wettelijke rente van 12,7% vordert waarvoor de grondslag niet duidelijk is. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] in de brief aan [gedaagde sub 1] van 22 maart 2023 over een periode van 2,7 maanden € 36,00 aan rente heeft berekend op basis van 1% per kalendermaand. Voor de hoogte van de rente heeft [eiseres] verwezen naar artikel 16 van haar statuten. De hoogte van de op 22 maart 2023 in rekening gebrachte rente is naar het oordeel van de kantonrechter daarmee voldoende duidelijk. Uitgaande van 1% rente per kalendermaand gaat de kantonrechter er vanuit dat de rente van € 36,00 ziet op de periode van 1 januari 2023 tot 1 april 2023. De wettelijke rente over het openstaande bedrag van € 1.165,96 is daarom toewijsbaar met ingang van 1 april 2023 tot de datum van volledige betaling.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten3.8.. \n [eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Het verzuim is op of na 1 juli 2012 ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat de familie [gedaagde sub 1] consument is (natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten (artikel 6:96 leden 5 en 6 BW). [eiseres] heeft aan [gedaagde sub 1] aanmaningen verstuurd die niet voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaningen is namelijk niet zowel het bedrag vermeld dat als vergoeding voor de incassokosten in rekening zal worden gebracht als de juiste betalingstermijn van veertien dagen die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde sub 1] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW (Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.\n\nProceskosten3.9.. \n [gedaagde sub 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n130,57\n\n- griffierecht\n\n€\n\n322,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n408,00\n\n(2 punten × € 204,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n102,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n962,57\n\n3.10.. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. \n\nveroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.165,96, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van\n\n1 april 2023 tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk in de proceskosten van € 962,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2025.\n\n40160","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:176","2025-01-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:31.925Z",1,20]