[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-asylum-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":177},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},37,"asylum-law-nl","Asylum Law","NL","2026-07-08T16:53:25.948Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},27,{"min":18,"max":19},"2024-07-23T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121924","Handvest van de grondrechten van de Europese Unie","",1,[27,36,43,50,57,64,72,79,86,93,101,108,115,122,129,138,146,154,162,169],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":35},"917","ECLI:NL:RBDHA:2026:18534","ecli-nl-rbdha-2026-18534","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.4401\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1971, van Turkse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.\n\n1.1.. Eiser heeft op 27 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 januari 2026 ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een termijn van vier weken uitgevaardigd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n1.3.. De rechtbank heeft de minister via een bericht in het digitale dossier op 2 juni 2026 verzocht om uiterlijk 10 juni 2026 een verweerschrift in te dienen. De minister heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.\n\n1.4.. Vervolgens heeft de minister op 17 juni 2026 aan de rechtbank medegedeeld dat zij niet op zitting zal verschijnen wegens capaciteitsgebrek. Via telefonisch contact heeft de rechtbank aan de minister gevraagd als gevolg daarvan alsnog een verweerschrift in te dienen. Dit heeft de minister nagelaten.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en R. Baysal als tolk in de Turkse taal deelgenomen. De minister is met bericht niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser was als [functie] werkzaam in Turkije. Eiser heeft verklaard dat hij veroordeeld is vanwege zijn (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar en zes maanden. Tijdens zijn detentie is hij gemarteld. Na het uitzitten van 4 jaar en acht maanden gevangenisstraf is eiser voorwaardelijk vrijgelaten. Eiser moest zich onder andere houden aan een wekelijkse meldplicht en een taakstraf uitvoeren. Eiser heeft verklaard dat hij zich vanwege zijn vertrek niet heeft gehouden aan de voorwaarden. Bij terugkeer vreest eiser dat hij opnieuw vervolgd zal worden onder andere omdat hij zich niet aan de opgelegde voorwaarden heeft gehouden.\n\nBestreden besluit\n\n5. Volgens de minister bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nde eerdere strafrechtelijke veroordeling van eiser.\n\n5.1.. De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig, maar volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging. Volgens de minister heeft eiser zijn vrees voor strafrechtelijke vervolging bij terugkeer naar Turkije niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij opnieuw strafrechtelijk vervolgd zal worden of dat hij opnieuw in detentie zal worden geplaatst. Uit het door eiser overgelegde document van 18 december 2025 blijkt dat het dossier van de voorwaardelijke invrijheidsstelling vanwege het voltooien van de justitiële voorwaarden is afgesloten. Dat eiser opnieuw vervolgd zal worden, is gebaseerd op vermoedens. De minister betrekt daarbij ook dat eiser legaal het land heeft kunnen verlaten. Verder acht de minister het niet geloofwaardig dat de politie meerdere keren langs de familie van eiser is geweest om navraag te doen naar eiser vanwege de schending van de voorwaarden. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen.\n\nToetsingskader\n\n6. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak doet over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt.Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n6.1.. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilumheeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5 van de Kwalificatierichtlijn.Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant.Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.\n\n6.2.. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eiser en hetgeen hij in beroep heeft gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen (1) of eisers asielrelaas geloofwaardig is en (2) of hij een gegronde vrees voor vervolging heeft danwel een reëel risico op ernstige schade loopt, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister, daarom zal de rechtbank niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.\n\n6.3.. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening.De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.\n\nBespreking van de beroepsgronden\n\nDe beleidswijziging en overschrijding van de beslistermijn\n\n7. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülen-aanhangers geen stand kan houden. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juni 2026. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij is benadeeld door het overschrijden van de beslistermijn. Als de minister wel binnen de beslistermijn had beslist op zijn aanvraag, was zijn aanvraag immers ingewilligd.\n\n8. Omdat de rechtbank hieronder tot het oordeel komt dat eiser aan het individualiseringsvereiste heeft voldaan en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beleidswijziging en de overschrijding van de beslistermijn niet bespreken. De vraag of de beleidswijzigingen stand kunnen houden, voegt hier immers niets toe.\n\nGegronde vrees voor vervolging\n\n9. Eiser heeft aangevoerd dat hij op individueel niveau aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. Hij heeft in dit kader gewezen op het feit dat hij eerder vervolgd is. Volgens eiser hanteert de minister een verkeerd toetsingskader, het is namelijk aan de minister om aannemelijk te maken dat eiser bij terugkeer niet meer te vrezen heeft. Daarbij stelt de minister ten onrechte dat uit het overgelegde document van 18 december 2025 blijkt dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling vanwege het voltooien van de justitiële voorwaarden is afgesloten en eiser niet langer hoeft te vrezen. De minister heeft nagelaten om de vertaling van het document te overleggen en het is ook niet duidelijk welke tolk het document heeft vertaald. Niet is gebleken dat de minister gebruik heeft gemaakt van een beëdigde tolk. Verder volgt uit het document alleen dat de officier van justitie het dossier naar de rechtbank stuurt in verband met de voltooiing van de tenuitvoerlegging. Dit zegt volgens eiser niks over de overtreding van de voorwaarden die zien op de voorwaardelijke invrijheidsstelling na de procedure in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie bij de Hoge Raad. Uit de beëdigde vertaling van eiser volgt dat de tenuitvoerlegging is voltooid. Vast staat dat eiser de voorwaarden heeft overtreden, wat blijkt uit de overgelegde beëdigde vertaling van de stukken van de reclassering. Verder was eiser in Turkije [functie] en heeft hij uitspraken gedaan in het nadeel van het regime. De minister blijft ook ten onrechte de legale uitreis van eiser tegenwerpen en stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de legale uitreis afbreuk doet aan de stelling dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Eiser heeft hierbij ook gewezen op algemene landeninformatie die zijn overwegingen verder onderbouwen.\n\n9.1.. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser gewezen op het feit dat de Turkse autoriteiten nieuwe stukken hebben toegevoegd aan het UYAPsysteem van eiser. Hieruit volgt dat de rechtbank in Ankara met spoed het strafdossier van onder andere eiser op heeft opgevraagd. Verder wijst eiser erop dat de persoon die twee plaatsen hoger staat dan eiser op de lijst als gevolg van de nieuwe onderzoeken is gearresteerd op 9 mei 2026. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan een krantenbericht overgelegd waaruit dat blijkt. Verder heeft eiser nog gewezen op een ander krantenbericht waaruit blijkt dat vervolging tegen (oud)rechters nog steeds doorgaat.\n\n9.2.. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat sprake is van refugie sur place. Eiser is betrokken bij [bedrijf] . Dit is een Gülen-gelieerde instelling met activiteiten in Nederland. Uit onder meer landeninformatie blijkt dat de Turkse autoriteiten dergelijke instellingen in het buitenland in de gaten houden.\n\n10. Niet in geschil is dat eiser in het verleden is vervolgd door de Turkse overheid en dat hij enkele jaren gedetineerd is geweest. Ook is niet in geschil dat eiser tijdens zijn detentie is gemarteld. In geschil is de vraag of eiser bij terugkeer naar Turkije wederom te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn betrokkenheid bij het Gülenisme.\n\n11. De rechtbank overweegt dat eisers eerdere detentie vanwege zijn politieke overtuiging en de martelingen die hij heeft ondergaan in detentie daden zijn van vervolging in de zin van artikel 3.36 van het VV 2000.Uit artikel 4, vierde lid van de Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid van de Vw 2000 volgt dat blootstelling aan vervolging of ernstige schade in het verleden een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel. Daar komt bij dat bij eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, de bewijslast naar de minister verschuift en hij moet motiveren waarom die zich niet opnieuw zal voordoen.\n\n12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een verkeerd toetsingskader toegepast. Uit het voornemen en het bestreden besluit blijkt dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat het eiser is die niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opnieuw voor vervolging te vrezen heeft. Dit terwijl het aan de minister is om aannemelijk te maken dat eiser nietopnieuw te vrezen heeft voor vervolging. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. In het kader van de finale geschilbeslechting en in het licht van het arrest Quotal, zal de rechtbank zelf een beoordeling maken van de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank is het relaas van eiser geloofwaardig. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Dan rest de vraag of de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade aannemelijk is en of het verzoek om internationale bescherming gegrond is. De rechtbank beantwoordt die vragen ook bevestigend en zal hieronder uitleggen waarop zij dat oordeel baseert.\n\n14. De rechtbank betrekt hierbij allereerst dat eiser eerder is vervolgd in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser is immers vanwege zijn politieke overtuiging strafrechtelijk vervolgd en heeft gedetineerd gezeten. Tijdens zijn detentie is eiser gemarteld. Dit levert daden van vervolging op zoals bedoeld in de Kwalificatieverordening.Zoals hierboven ook al opgemerkt is blootstelling aan vervolging in het verleden een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is.Dit wordt anders als er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan niet gebleken, in tegendeel zelfs. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.\n\n15. Eiser heeft verklaard dat hij direct na de coup is opgepakt en uiteindelijk is veroordeeld tot zeven jaar en zes maanden gevangenisstraf. Eiser heeft hiervan een deel uitgezeten en is in november 2022 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Eiser diende zich te houden aan een meldplicht en moest een taakstraf uitvoeren. Dit is ook onderbouwd met documenten. Deze meldplicht liep tot 13 november 2023. Eiser is echter op 13 september 2023 uit Turkije vertrokken en in Nederland aangekomen. Uit deze gang van zaken kan worden afgeleid dat eiser inderdaad niet aan de opgelegde voorwaarden heeft voldaan en dat is een aanwijzing dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling kan komen te staan. Uit het door eiser overgelegde document van 18 december 2025 blijkt, anders dan de minister stelt, niet dat eiser zijn voorwaarden niet heeft overtreden. Uit de door eiser overgelegde, beëdigde, vertaling van het document van 18 december 2025 blijkt dat de Officier van Justitie het executiedossier van eiser heeft verstuurd naar de 30ste meervoudige kamer in zware strafzaken van Istanbul. Hierin staat vermeld:\n\n“Het executiedossier betreffende de veroordeelde [eiser] , van wie de identiteitsgegevens en straf hieronder staan vermeld, treft u bijgaand aan wegens Voltooiing van de Tenuitvoerlegging (Vonnis in eerste aanleg). Ik verzoek u om van een en ander kennis te nemen en het benodigde te verrichten.”\n\nHieruit volgt niet ondubbelzinnig dat eisers strafdossier gesloten is. De zinssnede ‘het benodigde te verrichten’ is immers voor velerlei uitleg vatbaar.\n\nDaar komt bij dat in het executiedossier het volgende staat opgenomen:\n\n“U bent verplicht bovenstaande regels na te leven. U wordt hierbij gewaarschuwd en ervan in kennis gesteld dat het niet naleven van deze regels zal worden aangemerkt als schending van uw verplichtingen en dat er maatregelen tegen u zullen worden genomen, en dat indien u volhardt in het overtreden van de regels en het niet nakomen van de\n\nvereisten van het met betrekking tot uw persoon op te stellen toezichtplan, door de rechter-commissaris kan worden beslist dat u uw straf tot aan de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling in een open penitentiaire inrichting dient uit te zitten.”\n\nGelet op de eerdere martelingen die eiser in detentie heeft ondergaan, is het niet onaannemelijk dat indien eiser het resterende deel van zijn straf moet uitzitten, hij wederom te maken krijgt met detentieomstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM.\n\nVerder blijkt uit landeninformatie dat individuen die eerder een sepot hebben gekregen danwel zijn vrijgesproken of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten terzake Gülenisme in de negatieve belangstelling staan van de Turkse overheid.\n\n16. De rechtbank betrekt verder bij haar beoordeling dat eiser geloofwaardig heeft verklaard dat de politie meerdere keren bij zijn familie aan de deur is geweest om naar hem te vragen omdat hij zijn meldplicht heeft overtreden. Eiser heeft hier gedetailleerd en consistent over verklaard. Zo kan eiser desgevraagd meerdere data noemen waarop de politie langs is geweest en ook wat er is gevraagd.Ook hieruit blijkt dat eiser nog steeds in de negatieve belangstelling staat.\n\n17. Uit landeninformatie blijkt voorts dat Gülenisten nog steeds een risico lopen op vervolging in Turkije. Weliswaar niet meer met dezelfde intensiteit als net na de coup, maar het risico is nog steeds aanwezig.Vooral Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat staan in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Het gaat hier om cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbaar aanklagers.Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid tegenover (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Ook [persoon 1] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.\n\n18. De legale uitreis van eiser, maakt niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn.\n\n19. Dat eiser een risico loopt omdat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten wordt daarnaast ook nog door het volgende ondersteund. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser ook nog gewezen op een document van 22 januari 2026 waaruit blijkt dat de 21e meervoudige strafkamer rechtbank Ankara het dossier van eiser heeft opgevraagd. Op dezelfde lijst staat de naam van [persoon 2] , ook diens dossier is opgevraagd. Eiser heeft ook een krantenbericht bijgevoegd waaruit blijkt dat [persoon 2] op 9 mei 2026 is gearresteerd. Ter zitting heeft eiser, op verzoek van de rechtbank, ingelogd in zijn UYAP en het document van 22 januari 2026 getoond. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit document zich inderdaad in eisers UYAP bevindt en dat het hetzelfde document is als eiser heeft overgelegd bij de aanvullende gronden van beroep. Eiser heeft verder gewezen op zijn activiteiten in Nederland en op het feit dat de Turkse autoriteiten ook organisaties in Nederland in de gaten houden.\n\n19.1.. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat als de rechtbank eerst in beroep aangevoerde elementen bij de beoordeling wil betrekken, de minister in de gelegenheid moet worden gesteld om op deze elementen te reageren. De rechtbank stelt vast dat de minister bij brief van 23 februari 2026 is uitgenodigd om bij de zitting aanwezig te zijn. Verder heeft de rechtbank de minister bij bericht van 2 juni 2026 verzocht om uiterlijk 10 juni 2026 te reageren op de beroepsgronden van eiser. De minister heeft dit nagelaten. Op 16 juni 2026 heeft eiser nadere gronden ingediend. Bij deze nadere gronden heeft eiser gewezen op stukken waaruit blijkt dat zijn strafdossier weer is opgevraagd en dat een van de andere personen die op die lijst staan wederom is opgepakt. Bij bericht van 17 juni 2026 heeft de minister laten weten niet naar de zitting te komen. Hierop heeft de rechtbank telefonisch contact opgenomen met de minister en uitdrukkelijk verzocht om dan in ieder geval een schriftelijk standpunt in te nemen ten aanzien van de beroepsgronden. De minister heeft uitdrukkelijk aangegeven naar het beroep te hebben gekeken en dat het niet nodig is om een schriftelijk standpunt in te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met bovenstaande gang van zaken voldoende gelegenheid gehad om te reageren op de in beroep ingebrachte elementen. De minister heeft er zelf voor gekozen om dat niet te doen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling te heropenen en de minister wederom in de gelegenheid te stellen om te reageren. Een heropening zorgt, bij deze gang van zaken, voor onnodige vertraging en komt niet tegemoet aan de doelstelling van de Procedurerichtlijnom zo spoedig mogelijk een beslissing te nemen op een verzoek om internationale bescherming. Door niet te reageren als de rechtbank daar uitdrukkelijk om verzoekt en door niet op zitting te verschijnen, zorgt de minister er zelf voor dat hij zich nu niet kan uitlaten over de in beroep ingebrachte elementen. Dit is een keus van de minister. Nu de rechtbank zelf een beoordeling mag maken van de gegrondheid van het beroep, zal de rechtbank dat dan ook doen.\n\n19.2.. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de door eiser overgelegde stukken dat er aanwijzingen zijn dat eisers strafdossier inderdaad niet gesloten is en dat hij risico loopt om opnieuw berecht te worden. Eisers dossier is immers opnieuw opgevraagd en andere mensen die op dezelfde lijst staan als eiser zijn inmiddels al opgepakt.\n\n19.3.. Daar komt bij dat eiser ook hier in Nederland activiteiten heeft ontplooid bij [bedrijf] , een Gülen-gelieerde instelling. Dit is onweersproken door de minister. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt dat de strijd van de Turkse autoriteiten tegen de Gülenbeweging zich niet beperkt tot het territorium van Turkije zelf.Het gaat hier niet alleen om hooggeplaatste Gülenisten. Eiser heeft zelf ook landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat Gülenisten in Nederland in de gaten worden gehouden.\n\n20. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser, met name de omstandigheid dat hij eerder is vervolgd, hij zijn voorwaarden heeft overtreden, de politie meerdere keren aan de deur is geweest én eisers naam op een lijst staat van strafdossiers die opnieuw worden bekeken, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 18 van het Handvestals ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiser stelt de rechtbank vast dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.\n\n22. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nverwijst de zaak terug naar de minister en draagt de minister op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;\n\nveroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, [functie] , in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de\n\nAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze\n\npartij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend\n\nbinnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de\n\nbehandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de\n\nindiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van\n\nState vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31 tot en met 35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.\n\n Zie het arrest van het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440\u002F25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.\n\nArrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73 en 74.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011\u002F95 van het Europees Parlement en de Raad.\n\n Zie artikel 41.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Ulusal Yargi Ağı Projesi (juridisch informatiesysteem van de Turkse overheid).\n\n Voorschrift Vreemdelingen.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, onder 10.2 en 10 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1971, onder 3.1.\n\nZie artikel 9, Kwalificatieverordening.\n\n Artikel 4, vierde lid, Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid, Vw 2000.\n\n Europees verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\nFinse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.\n\nZie pagina 16 en 17 van het nader gehoor.\n\n Zie bijvoorbeeld het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina’s 46-49.\n\n Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 49.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 11 en 12.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1743, rechtsoverweging 6.1.\n\n Richtlijn 2013\u002F32\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming. Per 12 juni 2026 is de Procedurerichtlijn vervangen door de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024\u002F1348 tot het vaststellen van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Europese Unie). Ook de Procedureverordening heeft de doelstelling om zo spoedig mogelijk te beslissen op een verzoek om internationale bescherming.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 53.\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18534","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:54.419Z",{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":40,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":42},"912","ECLI:NL:RBDHA:2026:18538","ecli-nl-rbdha-2026-18538","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.19327 (beroep) en NL26.19328 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n \n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1999, met de Nigeriaanse nationaliteit,\n\neiser en verzoeker, hierna: eiser\n\n(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak eisers verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. De minister heeft eisers aanvraag met het bestreden besluit van 27 maart 2026 niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.\n\n1.3.. De rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep samen met eisers verzoek om een voorlopige voorziening op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.\n\n1.4.. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser en eisers verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de gronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Ten tijde van eisers aanvraag stonden die in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.\n\n4.1.. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 16 november 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in België. De minister heeft daarom op 14 december 2025 de autoriteiten van België verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. De autoriteiten van België hebben dit verzoek op 16 december 2025 aanvaard. De verantwoordelijkheid van België voor eisers asielaanvraag is daarmee vast komen te staan.\n\nMag de minister ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?\n\n5. Eiser voert aan dat de minister in zijn geval ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdelingvan 23 juli 2025. Hieruit volgt dat de minister ten aanzien van België bij niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan. Niet-kwetsbare alleenstaande mannen krijgen namelijk geen plek in de opvang.\n\n6. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat hij wel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op 5 februari 2026 heeft de directeur-generaal van Fedasil (de Belgische variant van het COa) namelijk een brief gestuurd waaruit volgt dat er extra opvangplekken zijn gerealiseerd en dat niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten weer opvang krijgen, dan wel in de reguliere opvang dan wel in een tijdelijke opvangplaats tot er plek is in de reguliere opvang.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. In de brief van Fedasil van 5 februari 2026 (hierna: de Fedasilbrief) staat, voor zover relevant, het volgende:\n\n“In zijn huidige vorm voorziet het samenwerkingsakkoord in 2.000 humanitaire opvangplaatsen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Binnen dit totaal gaat het om 600 structurele opvangplaatsen en 1.400 bufferplaatsen die flexibel kunnen worden naargelang de opvangnoden. Deze capaciteit is niet exclusief bestemd voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en wordt ook ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.\n\nIn de reguliere federale opvang verbleven op 23 januari 2026 in totaal 9.742 alleenstaande mannen. Fedasil beschikt niet over een volledig overzicht van alle nood- en daklozenopvangplaatsen in België, aangezien dit geen federale bevoegdheid is.\n\nAlleenstaande mannelijke verzoekers die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, kunnen tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde ‘wachtlijst’ staan, die in de praktijk een ‘doorstroomlijst’ is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maanden na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Het aantal personen op deze lijst is op 1 jaar tijd bijna gehalveerd en zakte op 2 juni 2025 voor het eerst onder de 2.000. Op 27 januari 2026 stonden nog 1.535 personen op de lijst, met een dalende trend die zich structureel verderzet.\n\nAangezien het aantal personen op deze ‘doorstroomlijst’ reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, kan worden vastgesteld dat alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken.”\n\n7.1.. Uit de Fedasilbrief maakt de rechtbank op dat 200 van de 2.000 extra opvangplaatsen in ieder geval gereserveerd zijn voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Dat betekent dat er maximaal 1.800 opvangplekken overblijven, die aan niet-kwetsbare alleenstaande mannen maar ook aan ‘andere doelgroepen’ kunnen worden toegewezen. Op 27 januari 2026 stonden er 1.535 personen op de ‘doorstroomlijst’ voor deze opvangplekken, zodat er op dat moment nog 265 plekken beschikbaar waren voor alle doelgroepen. Het aantal mensen op deze lijst daalt structureel. De rechtbank maakt verder uit de Fedasilbrief op dat Fedasil niet beschikt over een volledig overzicht van alle nood- en daklozenopvangplaatsen en daarmee dus geen inzicht heeft in het aantal mensen dat daar verblijft in afwachting van een plek in de reguliere federale opvang.\n\n7.2.. De rechtbank is van oordeel dat de Fedasielbrief nog onvoldoende zekerheid geeft over de asielopvangcapaciteit van België. De rechtbank kan uit de brief niet opmaken of de asielzoekers die in heel België in de nood- en daklozenopvang zitten vanuit die tijdelijke opvang direct geplaatst kunnen worden in de reguliere federale opvang, of dat ook zij eerst via de ‘doorstroomlijst’ een plek toegewezen moeten krijgen in de extra gerealiseerde humanitaire opvangplaatsen. De brief geeft daarnaast ook geen inzicht in het aantal asielzoekers dat in heel België in de nood- en daklozenopvang zit. Hierdoor blijft er naar het oordeel van de rechtbank te veel onzekerheid bestaan over het aantal beschikbare plekken voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 ook al tot de conclusie kwam dat het onduidelijk was hoeveel plaatsen er daadwerkelijk beschikbaar waren in de nood- en daklozenopvang voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen, waardoor het ook onduidelijk was hoeveel van dit soort mannen daar verbleven.De Fedasilbrief heeft deze onduidelijkheid niet weggenomen. Het bestreden besluit is om die reden gebrekkig gemotiveerd.\n\n7.3.. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat het onzeker is wanneer meer duidelijkheid over de opvangcapaciteit van België valt te verwachten.\n\n8.1.. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.\n\n8.2.. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze proceskostenvergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak NL26.19327:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 27 maart 2026;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak NL26.19328:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDe rechtbank, in beide zaken:\n\n- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van €2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\nVerordening (EU) 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3305.\n\n Centraal Orgaan opvang asielzoekers.\n\n Onder 5.3.3 en 5.3.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18538","2026-07-13T00:28:54.235Z",{"id":44,"ecli":45,"slug":46,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":47,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":49},"914","ECLI:NL:RBDHA:2026:18536","ecli-nl-rbdha-2026-18536","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.13716\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n\n [verzoeker] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2000, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. Š. Petković)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols)\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 20 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van verzoeker met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 26 december 2016, tegen verzoeker een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd en verzoeker voor de duur van tien jaar in het SISgesignaleerd.\n\nVerzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten en te bepalen dat verzoeker het bezwaar in Nederland mag afwachten.\n\nDe voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nOverwegingen\n\n1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe.\n\n2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n3. De minister heeft bij brief van 29 juni 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen hetgeen is verzocht, voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoeker totdat op het bezwaar is beslist.\n\n4. Nu de minister zich niet verzet tegen het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening en de voorzieningenrechter geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter dit verzoek toewijzen. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.\n\n5. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter,\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort en verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Schengen Informatiesysteem.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18536","2026-07-13T00:28:54.307Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":54,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":56},"919","ECLI:NL:RBDHA:2026:18531","ecli-nl-rbdha-2026-18531","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.8336, NL26.8330, NL26.8332 en NL26.8334 (beroepen)\n\nNL26.8337, NL26.8331, NL26.8333 en NL26.8335 (voorlopige voorzieningen)\n\nV-nummers: [v-nummer 1] , [v-nummer 2] , [v-nummer 3] en [v-nummer 4]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiser 1] , geboren op [geboortedag 1] 1982, eiser en verzoeker 1,\n\n [eiseres] , geboren op [geboortedag 2] 1988, eiseres en verzoekster,\n\n [eiser 2] , geboren op [geboortedag 3] 2005, eiser en verzoeker 2,\n\n [eiser 3] , geboren op [geboortedag 4] 2008, eiser en verzoeker 3,\n\nallen van Turkse nationaliteit, hierna tezamen: eisers\n\n(gemachtigde: mr. S. Thelosen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen. Eisers hebben op 27 maart 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 9 februari 2026 deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2. Eisers hebben ook allen individueel een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\n2.1.. De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken van eisers op 27 mei 2026 op zitting gevoegd behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, M.A. Budak als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister. De rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.\n\n2.2.. Bij beslissing van 5 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropendom partijen te laten reageren op de arresten van 4 juni 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof).De rechtbank heeft hierbij partijen in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 19 juni 2026 te reageren op de vragen van de rechtbank.\n\n2.3.. Op 9 juni 2026 hebben eisers hun standpunt naar voren gebracht. Op 19 juni 2026 heeft de minister ook gereageerd. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen.\n\n2.4.. De rechtbank heeft vervolgens op 23 juni 2026 het onderzoek wederom gesloten.\n\nOverwegingen\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de asielaanvragen van eisers heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Ook beoordeelt de rechtbank de verzoeken van eisers om een voorlopige voorziening.\n\n4. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers gegrond, en wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nDe asielrelazen\n\n5. Eisers vormen samen een gezin. Zij hebben allen de Turkse nationaliteit en behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiser 1 en eiseres zijn getrouwd en eiser 2 en eiser 3 zijn hun kinderen.\n\n5.1.. Eiser 1 en eiseres hebben verklaard dat zij Gülen-aanhangers zijn en dat eiser 1 in 2016 is vervolgd vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Zij hebben verder verklaard dat eiser 1 is vrijgesproken, maar dat de autoriteiten hen nog steeds als Gülenisten beschouwen. Ook hebben zij verklaard dat eiser 1 per decreet is ontslagen en dat dit door de bestuursrechter in stand is gelaten. Eiser 1 en eiseres stellen dat zij bij terugkeer vrezen om vervolgd te worden door de Turkse autoriteiten.\n\n5.2.. Eiser 2 en 3 hebben het bovenstaande ook ten grondslag gelegd aan hun asielrelaas en vrezen voor vervolging van hun ouders. Eiser 2 heeft verder verklaard dat hij twee jaar op een Gülen-school zat. In Nederland voert hij activiteiten uit voor de stichting Kennisplein. Eiser 2 vreest dat hij bij terugkeer zal worden ondervraagd en mishandeld om informatie te verkrijgen over andere Gülenisten in Nederland. Hij vreest ook dat hij geen baan kan vinden, omdat hij onderwijs heeft gevolgd op een Gülen-school. Eiser 3 heeft verder verklaard dat hij zelf problemen op school heeft ondervonden omdat hij buitengesloten werd van bepaalde activiteiten. Hij vreest dat hij bij terugkeer geen werk kan vinden omdat zijn vader als landverrader in het systeem staat.\n\nDe bestreden besluiten\n\n6. Het asielrelaas van eiser 1 en eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. de politieke overtuiging en de problemen die daaruit voortvloeien.\n\n6.1.. Het asielrelaas van eiser 2 bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. dat eiser 2 een aanhanger is van de Gülen-beweging;\n\n3. de problemen vanwege de vervolging van de vader.\n\n6.2.. Het asielrelaas van eiser 3 bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. de problemen vanwege de vervolging van de vader.\n\n6.3.. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig geacht. De minister heeft tevens geloofwaardig geacht dat eiser 1, eiseres en eiser 2 aanhangers zijn van de Gülen-beweging en een politieke overtuiging hebben. De minister heeft de hieruit voortvloeiende problemen voor eiser 1 en eiseres echter niet geloofwaardig geacht. De minister heeft zich in dit kader op het standpunt gesteld dat zij hun verklaringen niet met objectieve documenten hebben onderbouwd. De minister heeft daarom verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Volgens de minister is dit niet het geval omdat de verklaringen van eiser 1 en eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Wat betreft de geloofwaardige politieke overtuiging van eiser 1 en 2 en eiseres heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat zij geen gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico op ernstige schade lopen bij terugkeer naar Turkije. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiser 1 en 2 en eiseres er niet in zijn geslaagd om aannemelijk te maken dat zij in de negatieve aandacht staan van de Turkse autoriteiten vanwege hun betrokkenheid bij de Gülen-beweging.\n\n7. De minister heeft de aanvragen van eisers kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw 2000, omdat zij niet onmiddellijk asiel hebben aangevraagd in Nederland toen dat mogelijk was.\n\nToetsingskader\n\n8. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc-onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt.Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n8.1.. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilumheeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5, van de Kwalificatierichtlijn.Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid, Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant.Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.\n\n8.2.. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eisers en hetgeen zij in beroep hebben gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen of eisers (1) geloofwaardig zijn en (2) een gegronde vrees voor vervolging hebben danwel een reëel risico op ernstige schade lopen, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister, maar de rechtbank zal niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc-onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.\n\n8.3.. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening.De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc-onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.\n\nBespreking van de beroepsgronden\n\nDe beleidswijziging\n\n9. Eisers hebben zich allereerst op het standpunt gesteld dat de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülen-aanhangers geen stand kan houden. Eisers verwijzen hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juni 2026.\n\n9.1.. Omdat de rechtbank hieronder tot het oordeel komt dat eisers aan het individualiseringsvereiste hebben voldaan en in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beleidswijziging niet bespreken. De vraag of de beleidswijzigingen stand kunnen houden, voegt hier immers niets toe.\n\nDe geloofwaardigheid\n\n10. De rechtbank overweegt dat, zoals ook al onder het toetsingskader uiteengezet, uit de arresten Quotal en Ebilum volgt dat de rechtbank, anders dan de Afdelingtot nu toe aannam, de geloofwaardigheid vol mag toetsen. De rechtbank kan en mag dus een eigen afweging maken met betrekking tot de geloofwaardigheid van het asielrelaas.\n\n10.1.. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eisers Gülenisten zijn en dat zij activiteiten hebben verricht. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om hier niet van uit te gaan. In geschil is de vraag of een aantal van de door eisers verrichte activiteiten, namelijk het uitdelen van voedselpakketten en de door eisers ondervonden problemen geloofwaardig zijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\n10.2.. \n\nIndien specifieke aspecten van het asielrelaas niet met documenten zijn gestaafd, dient het relaas te voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatieverordening. Deze voorwaarden zijn:\n\na. de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn of haar verzoek om internationale bescherming te staven;\n\nb. alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;\n\nc. de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met de beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn of haar verzoek;\n\nd. vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, onder andere rekening houdend met het moment waarop de verzoeker om internationale bescherming heeft verzocht.\n\n- De voedselpakketten\n\n10.3.. De rechtbank komt tot het oordeel dat eisers wel geloofwaardig hebben verklaard over het uitdelen van de voedselpakketten. Zoals de minister ter zitting ook heeft toegegeven, zit er geen tegenstrijdigheid tussen de verklaringen van eiser 1 en eiseres. Uit de relazen van eisers blijkt immers dat eiseres heeft verklaard over de situatie van vóór de couppoging en eiser 1 vooral heeft verklaard over de situatie van daarna. Dat er verschillen zijn in deze situaties, is niet ondenkbaar. Immers, voor de couppoging vormde het uitdelen van voedselpakketten geen probleem. Zo heeft eiseres verklaard dat zijzelf voor de couppoging voor het laatst voedselpakketten heeft uitgedeeld.Eiser 1 blijkt echter duidelijk te verklaren over de situatie van na de couppoging. Hij heeft het immers over dat het uitdelen van de voedselpakketten risico’s met zich meebrengt. Ook verklaart hij dat hij dat ongeveer zeven jaar geleden voor het laatst gedaan heeft.\n\n10.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser 1 verder niet innerlijk tegenstrijdig verklaard over het uitdelen van de voedselpakketten na de couppoging. Eiser 1 heeft het weliswaar over ‘we’ maar nergens wordt duidelijk wie hij met ‘we’ bedoelt. Tijdens het nader gehoor is hier ook niet naar gevraagd, terwijl dit wel op de weg van de minister had gelegen. Immers, de vreemdeling dient in de gelegenheid te worden gesteld om uitleg te geven over eventuele inconsistenties en onduidelijkheden.Omdat de minister dit heeft nagelaten, zal de rechtbank uitgaan van de uitleg van eisers. In de zienswijze en de gronden van beroep hebben eisers aangegeven dat met ‘we’ de groep mensen is bedoeld die de pakketten samenstelden en uitdeelden. Deze uitleg komt de rechtbank, gelet op hetgeen in het nader gehoor is verklaard, ook niet bevreemdingwekkend voor. De rechtbank acht het dan ook geloofwaardig dat eiser 1 na de couppoging samen met andere mensen voedselpakketten heeft uitgedeeld.\n\n- Het arrestatiebevel\n\n10.5.. Ook ten aanzien van het arrestatiebevel hebben eisers geloofwaardig verklaard. Er is geen sprake van dat eisers tegenstrijdig aan elkaar hebben verklaard. Uit het nader gehoor van eiseres blijkt dat zij vooral naar haar man verwijst. Ze weet wel dat er een arrestatiebevel is, maar over de precieze details kan eiseres niet verklaren en zij verwijst telkens naar haar man.Zij geeft telkens aan dat hij precies weet hoe het zit. De rechtbank merkt op dat een zelfde beeld, namelijk dat eiseres verwijst naar haar man voor de precieze details, ook naar voren komt ten aanzien van andere onderwerpen die de minister wel geloofwaardig heeft geacht. Zo kan eiseres zich ook niet precies herinneren wanneer haar man vrij is gekomen en hoe het precies zit met de ondervraging van haar zwager. Dit komt de rechtbank niet heel vreemd voor nu het arrestatiebevel ziet op eiser 1 en niet op eiseres zelf. Eiseres kent de grote lijnen en die komen overeen met hetgeen eiser 1 heeft verklaard. Zo heeft eiseres verklaard dat zij via de collega van eiser 1 te weten zijn gekomen dat er een arrestatiebevel is en ook eiser 1 heeft verklaard dat het arrestatiebevel in het dossier van zijn collega zit. Ook heeft eiser 1 al tijdens het gehoor verklaard dat hij met het arrestatiebevel de oproeping om te getuigen heeft bedoeld. Eiseres heeft het in haar nader gehoor ook over de oproeping. Eiser 1 heeft ter zitting verduidelijkt dat indien je gedwongen wordt om te getuigen, de politie je kan arresteren en je op die manier gedwongen wordt om ter zitting te verschijnen.\n\n- De onderlinge bespreking van de problemen\n\n10.6.. De rechtbank is van oordeel dat eisers geloofwaardig hebben verklaard over het politiebezoek vlak voor hun vertrek. Eiser 1 heeft verklaard dat hij van zijn buurman had gehoord dat de politie bij de buren aan de deur was geweest en naar hem heeft gevraagd. De minister werpt dat ook niet tegen. De minister werpt wel tegen dat eisers niet geloofwaardig hebben verklaard over de bespreking van de problemen. Maar ook hierover hebben eisers, naar het oordeel van de rechtbank, geloofwaardig verklaard. De rechtbank merkt daarbij op dat het eventuele niet geloofwaardig verklaren over de besprekingniet maakt dat degebeurtenis zelfniet geloofwaardig is. Maar die situatie is hier niet aan de orde, nu de rechtbank van oordeel is dat zowel over de gebeurtenissen als over de bespreking geloofwaardig is verklaard. Eiser 1 geeft in het nader gehoor consistent aan dat hij niet direct na het bezoek van de politie aan zijn buren dit aan zijn gezin heeft verteld. Hij geeft aan dat hij dit pas later, na vertrek uit Turkije, heeft verteld. Zo heeft eiser 1 verklaard:\n\n“Heeft u uw vertrek toen besproken met uw vrouw en kinderen?\n\nNadat de politie is langs geweest heb ik het niet meteen gedeeld om geen paniek te zaaien. Ik heb eerst onze mogelijkheden onderzocht. Ik moest ook geld lenen vanuit onze omgeving. Pas toen ik dat rond had heb ik een dag vóór dat we gingen met ze gedeeld dat we konden vertrekken.\n\nHeeft u later ook verteld waarom, namelijk dat de politie aan huis was geweest, en dat ze vroegen naar uw betrekkingen met andere Gülenisten.\n\nIk denk dat ze het wel geraden hebben, ik heb het ze niet expliciet verteld. Omdat ze mentaal niet helemaal lekker waren. De hele situatie had ons al aardig vermoeid. Ik wilde ze niet meer belasten daarmee. Ook mijn vrouw heb ik niet alle details gegeven.\n\nMaar u bent nu al geruime tijd in Nederland, heeft u ze in de tussentijd niet verteld dat de politie aan huis is geweest? Het is de directe aanleiding van uw vertrek, het lijkt me dan ook gek dat u dat niet met ze bespreekt.\n\nLater hebben we het wel besproken, maar niet direct ná de gebeurtenis.\n\nDus u heeft het ze wel verteld?\n\nJa een tijdje later. Mijn vrouw kreeg steeds paniek aanvallen. Daar kreeg ze last van vanwege onze situatie. Mijn oudste zoon kreeg witte haren toen hij pas 12 was.\n\nZojuist zei u dat u ze het niet expliciet hebt verteld over het bezoek van de politie, maar nu van wel, kunt u dat voor mij verduidelijken\n\nToen we nog in Turkije waren heb ik ze het niet verteld. We hebben met vrees het land verlaten, tot we weg waren heb ik het niet verteld. Ik weet niet of het onderweg of bij aankomst was dat ik het vertelde. Het was geen makkelijke beslissing.”\n\nEiseres heeft in haar nader gehoor verklaard:\n\n“Heeft uw man met u besproken dat de politie aan de deur van de buren is gekomen en naar hem geïnformeerd is?\n\nJa.\n\nWat is er toen precies besproken?\n\nNadat we uit Turkije zijn vertrokken heeft mijn man verteld dat er bij de buren navraag naar hem is gedaan.\n\nWanneer hebben jullie dit besproken?\n\nWe kwamen bij de Servische grens aan. Rond die tijd heeft hij het besproken.\n\nKan u een datum noemen?\n\nrond 4 september.\n\nWat heeft uw man er toen over verteld?\n\nKijk, de avond dat we vertrokken toen vertrokken we op stel en sprong. Dus toen kon hij het niet vertellen. Maar hij heeft later rond Servië verteld dat dit de redenen zijn geweest dat we moesten vertrekken.”\n\nEiser 2 heeft in het nader gehoor het volgende verklaard:\n\n“Op welke manier raakte u op de hoogte dat u Turkije moest verlaten?\n\nHet was op 30 augustus 2023 geloof ik. Op een avond kwam mijn vader met angst en bezorgdheid thuis. Hij zei: wij moeten zo snel voorbereiden en inpakken en we gaan morgen weg, want ik word gezocht. Hij heeft ons geen details gegeven. De volgende dag zijn we vertrokken. Op 30 augustus zijn we uit Turkije vertrokken.\n\nU gaf net aan dat uw vader u niet alle details gaf. Heeft hij deze details op een later moment wel aan u gegeven?\n\nWat wij wel weten is dat hij zei: we moeten snel weg, we zijn hier niet veilig. Het kan zijn dat ik opnieuw word opgepakt.\n\nHebt u ooit daarna gevraagd aan uw vader wat de reden was dat hij opeens zo snel wilde vertrekken?\n\nJa zeker. Na ons vertrek uit Turkije hebben we hier openlijk over gepraat. Hij zei: wij waren niet veilig in Turkije. Ik had opnieuw opgepakt kunnen worden vanwege de Hizmet-beweging. Mijn vrienden zijn allemaal langer opgepakt. Sommigen zitten vijf of zes jaar, dus vanwege de angst om opnieuw opgepakt te worden, zei hij.”\n\nTot slot heeft eiser 3 het volgende verklaard:\n\n“Op een avond kwam mijn vader thuis en zei: we moeten voorbereidingen treffen want we gaan vertrekken. Hij vertelde niet wat de reden was maar het was wel duidelijk dat er iets ergs aan de hand was.\n\nHeeft hij dat later nog verteld?\n\nNee.\n\nHeeft u daar wel naar gevraagd?\n\nJa, maar hij gaf niet echt antwoord ze wilden daar, over dat onderwerp, niet over praten.\n\n[…]\n\nIs er sinds dat uw vader is vrijgelaten nog iets gebeurd met de politie?\n\nDat weet ik niet, als dat is geweest dan vertelt hij (vader) dat niet aan ons zodat we niet bang worden.\n\nHeb ik goed begrepen dat u vader op een avond zei pak jullie spullen we gaan morgen vertrekken?\n\nDat klopt.”\n\n10.7.. \n\nUit al deze verklaringen volgt dat eiser 1 niet direct de aanleiding heeft verteld waarom het gezin moest vertrekken. Verder verklaren zowel eiser 1 en 2 als eiseres dat eiser 1 het op een later moment wel heeft verteld. Alleen eiser 3, de jongste zoon, heeft dit niet verklaard. In de correcties en aanvullingen geeft eiser 3 echter aan dat hij de vraag verkeerd had begrepen en dat hij dacht dat werd bedoeld of zijn vader het later in Turkije nog had verteld. Dat was niet het geval, maar wel toen ze Turkije uit waren. Eisers hebben dan ook in grote lijnen gelijkluidend aan elkaar verklaard.\n\nDe rechtbank volgt niet dat eiser 1 tegenstrijdig zou hebben verklaard over wanneer hij de reden voor vertrek heeft verteld aan zijn gezin. Eiser 1 zegt weliswaar eerst dat hij het niet expliciet heeft gezegd, maar bijna direct daarna, als de gehoorambtenaar zijn vraag net iets anders formuleert, legt hij uit dat hij het pas buiten Turkije expliciet heeft verteld. Dit komt de rechtbank niet tegenstrijdig voor.\n\n- De late indiening van de asielaanvraag\n\n10.8.. De minister heeft bij de beoordeling van de geloofwaardigheid ook betrokken dat eisers niet direct na aankomst in Nederland hun asielaanvraag hebben ingediend maar dat zij eerst zes maanden hebben gewacht om zo aan een Dublinclaim op Duitsland te ontkomen. De minister heeft hierbij verwezen naar artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000 zoals die gold ten tijde van de bestreden besluiten.\n\n10.9.. Artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 is de implementatie van artikel 4, vijfde lid van de Kwalificatierichtlijn. Met het ingaan van het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026 is de Kwalificatierichtlijn ingetrokken en is de Kwalificatieverordening van kracht geworden. Er is geen overgangsrecht van toepassing. Met het ingaan van de Kwalificatieverordening is ook artikel 4, vijfde lid, aangepast. De d-grond is komen te vervallen. Daarbij komt dat het beleid van de minister is dat een asielverzoek niet enkel wordt afgewezen op grond van de omstandigheid dat een verzoek niet zo snel mogelijk is gedaan terwijl daar geen overtuigende verklaring voor is gegeven. Een asielmotief wordt niet enkel om die reden ongeloofwaardig geacht.De rechtbank zal eisers dit dan ook niet tegenwerpen.\n\nTussenconclusie\n\n11. De rechtbank is van oordeel dat eisers geloofwaardig hebben verklaard over hun politieke overtuiging en over de door hen ondervonden problemen. De rechtbank zal dan nu ook beoordelen of eisers met deze geloofwaardig bevonden elementen hun vrees voor vervolging aannemelijk hebben gemaakt.\n\nGegronde vrees voor vervolging\n\n12. Eisers hebben aangevoerd dat zij op individueel niveau aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de negatieve belangstelling staan van de Turkse autoriteiten. In dit verband hebben zij erop gewezen dat eiser 1 eerder vervolgd is. Niet alleen is eiser 1 strafrechtelijk vervolgd, maar er zijn ook bestuursrechtelijke maatregelen tegen hem genomen. Zo is hij per decreet ontslagen bij de rechtbank. Dit ontslag is, ook na zijn vrijspraak, in stand gelaten omdat eiser 1 Gülenist is. De minister heeft dit ten onrechte niet betrokken bij zijn beoordeling. De minister blijft ook ten onrechte de legale uitreis van eisers tegenwerpen en stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de legale uitreis afbreuk doet aan de stelling dat eiser 1 in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Eisers hebben hierbij ook gewezen op algemene landeninformatie die hun overwegingen verder onderbouwen.\n\n12.1.. \n\nDe rechtbank stelt voorop dat eiser 1 eerder is vervolgd in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser 1 is weliswaar vrijgesproken in strafrechtelijke zin, maar er zijn ook administratieve maatregelen tegen hem genomen vanwege zijn politieke overtuiging. Zo is eiser 1 per decreet ontslagen. Eiser 1 heeft dit ontslag bestuursrechtelijk aangevochten maar dat heeft tot niets geleid. Uit het overgelegde vonnis van de bestuursrechtbank blijkt dat eiser 1 is aangemerkt als lid van de Gülen-beweging. Volgens de bestuursrechter is eiser 1 een niveau 5-lid, dat betekent dat hij vertrouwd en bekend was met de beweging. Verder blijkt uit de hoger beroepsuitspraak uit 2024 dat eiser1 zijn ontslag in stand is gebleven, ondanks de strafrechtelijke vrijspraak. De bestuursrechter heeft geoordeeld dat eiser 1 wel wordt gezien als een Gülen-aanhanger, ondanks de vrijspraak. De rechtbank merkt daarbij op dat in het bestuursrecht andere begrippenkaders en bewijsregels gelden dan in het strafrecht. Een strafrechtelijke vrijspraak van lidmaatschap van een verboden organisatie betekent enkel dat er strafrechtelijk te weinig bewijs was voor het tenlastegelegde lidmaatschap als bedoeld in het Turkse Wetboek van Strafrecht. Niets meer, maar ook niets minder. Het samenstel van strafrechtelijk en bestuursrechtelijke maatregelen vanwege een politieke overtuiging levert daden van vervolging op.\n\nDe eerdere vervolging van eiser is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van eisers voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van goede redenen om aan te nemen dat vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.\n\n12.2.. Eiser 1 is opgeroepen om te komen getuigen in de zaak van een collega. Dit is ook niet in geschil. Dat betekent dat eiser 1 in ieder geval in de belangstelling staat van de autoriteiten.\n\n12.3.. In de bestuursrechtelijke procedure is expliciet overwogen dat eiser 1 is gecategoriseerd als een ‘niveau 5-lid’. Uit landeninformatie blijkt dat er zeven niveaus van betrokkenheid bestaan. De vijfde laag bestaat uit functionarissen die verantwoordelijk zijn voor het maken en uitvoeren van het beleid van de Gülen-beweging.Eiser 1 wordt dus door de Turkse overheid gezien als een redelijk hooggeplaatste Gülenist.\n\n12.4.. Uit landeninformatie blijkt dat Gülenisten nog steeds een risico lopen op vervolging in Turkije.Weliswaar niet meer met dezelfde intensiteit als net na de coup, maar het risico is nog steeds aanwezig.Vooral Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat staan in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Het gaat hier om onder andere cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbaar aanklagers.Eiser 1 is ook werkzaam geweest bij de rechtbank en daarmee in het justitiële apparaat. Verder blijkt uit landeninformatie dat individuen die eerder een sepot hebben gekregen, dan wel zijn vrijgesproken, zoals eiser 1, of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten wat betreft Gülenisme, in de negatieve belangstelling staan van de Turkse overheid.Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Ook hoogleraar Johan Vande Lanotte beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülen-beweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.\n\n12.5.. Verder volgt uit het Algemeen Ambtsbericht dat de Turkse overheid zich in de loop van de tijd ook is gaan richten op ‘burgers die (financiële) steun geven aan gevangengezette Gülenisten en\u002Fof hun familieleden”. Deze personen worden door de Turkse overheid verdachte van het ‘herstructureren’ van de Gülen-beweging.Ook Vande Lanotte maakt melding van de verdenking van ‘herstructurering’.Vande Lanotte beschrijft dat sinds enige tijd ook personen die hulp bieden aan gedetineerde Gülenisten in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten en dat zij worden vervolgd op beschuldiging van het ‘herstructureren’ van de Gülen-beweging.\n\n12.6.. Ook de Finse Immigratiedienst maakt melding van ‘herstructuringsoperaties’, gericht tegen personen die bezig zouden zijn met het herstructureren of opnieuw opbouwen van de Gülen-beweging.Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat het helpen van een Gülenist die in de gevangenis zit, waarschijnlijk het meest gehanteerde criterium is om een nieuw strafrechtelijk onderzoek te starten.Een andere expert geeft aan dat het merendeel van de personen die verdacht worden van herstructurering al eerder onderzocht waren vanwege banden met de Gülen-beweging. Onder deze personen zitten “family members of those still in prison as well as those individuals, either in Turkey or abroad, whose sentences have not yet been finalized, their family members and their ‘close circle’.”\n\n12.7.. Uit landeninformatie volgt verder dat ook familieleden van (vermeende) Gülenisten, zoals eiseres en eisers 2 en 3 een risico lopen. Volgens de Finse immigratiedienst lopen ook personen die na de coup van 2016 de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt een risico op vervolging. Het gaan dan bijvoorbeeld om jongeren die op een Gülen-school hebben gezeten en van wie hun ouders banden met de Gülen-beweging wordt verweten.Verder meldt de Finse immigratiedienst dat strafrechtelijke vervolging van familieleden van (vermeende) Gülenisten willekeurig is. Partners, kinderen, broers en zussen lopen daarbij het meeste risico.Ook de UK Home Office stelt dat het enkel zijn van een familielid van een Gülenist voldoende is als risicofactor voor vervolging.De Finse immigratiedienst schrijft voorts dat juist echtgenotes en kinderen doelwit zijn. Een door de Finse immigratiedienst gesproken bron geeft verder aan dat de autoriteiten een discretionaire bevoegdheid hebben om verschillende familieleden van een Gülenist op willekeurige wijze te vervolgen. Een uitspraak van het Turkse Hof van Cassatie over de erkenning van het concept “connection (iltisak) to a terrorist organisation” heeft deze willekeur volgens deze expert in de hand gewerkt nu het niet duidelijk is wat deze term inhoudt.\n\n12.8.. Dat eisers legaal hebben kunnen uitreizen, maakt, anders dan de minister heeft gesteld, niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling vanuit de autoriteiten. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn.\n\n12.9.. Verder hebben eisers in Nederland activiteiten ontplooit vanuit het Gülenisme. Ook dit is een factor die bijdraagt aan de gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt dat de strijd van de Turkse autoriteiten tegen de Gülen-beweging zich niet beperkt tot het territorium van Turkije zelf. Het gaat hier niet alleen om hooggeplaatste Gülenisten. Eisers hebben zelf ook landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat Gülenisten in Nederland in de gaten worden gehouden. Zo hebben eisers erop gewezen dat de organisaties waarvoor zij activiteiten verrichten, namelijk SECU en Time to Help, door de Turkse autoriteiten worden gezien als Gülen-instellingen en in die hoedanigheid in de gaten worden gehouden. Verder hebben zij erop gewezen dat de schoonzus van eiser 1 in het onderzoeksrapport van de Turkse inlichtingendienst wordt genoemd.\n\n12.10.. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eisers, met name de omstandigheid dat eiser 1 eerder is vervolgd, eiseres en eisers 2 en 3 als familieleden gevaar lopen en eisers in Nederland activiteiten hebben ontplooit, hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees hebben voor vervolging.\n\n12.11.. Gelet op het bovenstaande, behoeven de overige gronden van eisers geen bespreking.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. De minister heeft de aanvragen ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met de artikelen 4, 18 en 19 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, als ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eisers stelt de rechtbank vast dat aan eisers internationale bescherming moet worden verleend. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.\n\n14. Omdat de rechtbank nu beslist op de beroepen van eisers, is er voor het treffen van de voorlopige voorzieningen geen reden meer. De rechtbank wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening daarom af.\n\n15. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.269,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend, aan de zitting heeft deelgenomen en na de heropening schriftelijk heeft gereageerd (1 punt per proceshandeling in samenhangende zaken, met een waarde van € 934,- per punt, met een wegingsfactor 1 voor het indienen van het beroepschrift, het verzoekschrift en het deelnemen aan de zitting en een wegingsfactor 0,5 voor de schriftelijke reactie na heropening).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de bestreden besluiten;\n\n- verwijst de zaken terug naar de minister en draagt de minister op aan eisers een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;\n\nwijst de gevraagde voorzieningen af;\n\nveroordeelt de minister tot betaling van € 3.269,- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van\n\nState vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van de artikelen 8:68 en 8:84, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Arrest Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447 en arrest Ebilum, C-xxx\u002Fxx, ECLI:EU:C:2026:448\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31-35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.\n\n Zie het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440\u002F25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73-74.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011\u002F95 van het Europees Parlement en de Raad.\n\n Zie artikel 41.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Zie pagina 19 van het verslag van het nader gehoor van eiseres.\n\n Zie pagina 10 van het verslag van het nader gehoor van eiser 1.\n\n Ten tijde van de besluitvorming was dit geregeld in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 16 van de Procedurerichtlijn. Met de inwerkingtreding van het Asiel- en migratiepact is artikel 4, eerste lid, aangepast in die zin dat in de Kwalificatieverordening niet langer wordt gesproken over de samenwerkingsplicht. Wel spreekt artikel 12, tweede lid, van de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024\u002F1348) over dat de verzoeker in de gelegenheid moet worden gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn of haar verklaringen.\n\n Zie pagina 10, 11 en 12 van het verslag van het nader gehoor van eiseres.\n\n Zie pagina 8 van het verslag van het nader gehoor eiser 1.\n\n Zie pagina 17 en 18 het verslag van het nader gehoor eiseres.\n\n Zie pagina 10 van het verslag van het nader gehoor eiser 2.\n\n Zie pagina 8 van het verslag van het nader gehoor van eiser 3.\n\n Zie de uitspraak van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, rechtsoverweging 4.5.\n\n Zie artikel 9 van de Kwalificatieverordening.\n\n Artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening. Zie ook het arrest Ebilum, rechtsoverweging 74.\n\n Zie het Algemeen ambtsbericht Turkije van maart 2021, pagina 39.\n\n Zie in dit respect ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Zie bijvoorbeeld het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina’s 46-49.\n\n Zie het ambtsbericht, pagina 49.\n\n Finse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 11 en 12.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, rechtsoverweging 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina 52.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina 49.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, rechtsoverweging 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 14.\n\n Idem.\n\n Idem, pagina 15.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 16–18.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 41 en 42.\n\n Rapport UK Home Office, oktober 2023, pagina 8.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 41.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18531","2026-07-13T00:28:54.508Z",{"id":58,"ecli":59,"slug":60,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":61,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":63},"916","ECLI:NL:RBDHA:2026:18533","ecli-nl-rbdha-2026-18533","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.4403\n\nV-nummer: [v-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser],\n\ngeboren op [geboortedag] 1995, van Turkse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de kennelijke ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.\n\n1.1.. Eiser heeft op 26 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 januari 2026 kennelijk ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een termijn van vier weken uitgevaardigd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n1.3.. De rechtbank heeft de minister via een bericht in het digitale dossier op 2 juni 2026 verzocht om uiterlijk 10 juni 2026 een verweerschrift in te dienen. De minister heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.\n\n1.4.. Vervolgens heeft de minister op 17 juni 2026 aan de rechtbank medegedeeld dat zij niet op zitting zal verschijnen wegens capaciteitsgebrek. Via telefonisch contact heeft de rechtbank aan de minister gevraagd als gevolg daarvan alsnog een verweerschrift in te dienen. Dit heeft de minister nagelaten.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en R. Baysal als tolk in de Turkse taal deelgenomen. De minister is met bericht niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij tussen 2012 en 2016 banden heeft gehad met de Gülen-beweging. Eiser heeft op de militaire school gezeten. Na de couppoging is eiser uitgemaakt voor terrorist, is hij gearresteerd en heeft hij vastgezeten. Door zijn familie en de maatschappij is eiser uitgemaakt en bestempeld als terrorist. Bij terugkeer vreest eiser om opgepakt te worden.\n\nBestreden besluit\n\n5. Volgens de minister bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nde problemen door (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülen-beweging.\n\n5.1.. De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig, maar volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging. Volgens de minister heeft eiser zijn vrees dat hij bij terugkeer naar Turkije opgepakt zal worden niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen.\n\nToetsingskader\n\n6. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt.Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n6.1.. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilumheeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5 van de Kwalificatierichtlijn.Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant.Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.\n\n6.2.. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eiser en hetgeen hij in beroep heeft gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen (1) of eisers asielrelaas geloofwaardig is en (2) of hij een gegronde vrees voor vervolging heeft danwel een reëel risico op ernstige schade loopt, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister, daarom zal de rechtbank niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.\n\n6.3.. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening.De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.\n\nBespreking van de beroepsgronden\n\n7. De rechtbank overweegt dat zij de minister bij bericht van 2 juni 2026 expliciet om een verweerschrift heeft gevraagd. De rechtbank heeft de minister in dit bericht een tweetal vragen gesteld en gevraagd of de minister, indien de minister het besluit niet wilde intrekken, hierop schriftelijk wilde reageren. De minister heeft dit nagelaten. Ook nadat de rechtbank de minister op 17 juni 2026 telefonisch nogmaals expliciet heeft gevraagd om een verweerschrift in te dienen, heeft de minister dit niet gedaan. In artikel 8:42 van de Awbis geregeld dat het indienen van een verweerschrift een bevoegdheid is van het bestuursorgaan. Het bestuursorgaan is hiertoe niet verplicht, tenzij de rechtbank expliciet om een verweerschrift vraagt. In dat geval is het bestuursorgaanwelverplicht om een verweerschrift in te dienen. Ondanks deze verplichting heeft de minister hier niet aan voldaan. Nu de minister geen verweerschrift heeft ingediend en ook niet ter zitting is verschenen, zal de rechtbank in voorkomende gevallen de stellingen van eiser als onweersproken beschouwen. De minister is immers in de gelegenheid geweest om op eventuele onwelvallige stellingen te reageren, maar heeft er zelf voor gekozen dit niet te doen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank ook een eigen verantwoordelijkheid heeft en niet elke stelling van eiser zonder meer zal volgen. Echter, in die gevallen waarin het de rechtbank niet vreemd voorkomt, zal de rechtbank uitgaan van hetgeen eiser heeft gesteld.\n\nDe beleidswijziging en overschrijding van de beslistermijn\n\n8. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülen-aanhangers geen stand kan houden. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplek van 1 juni 2026. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij is benadeeld door het overschrijden van de beslistermijn. Als de minister wel binnen de beslistermijn had beslist op zijn aanvraag, was zijn aanvraag immers ingewilligd.\n\n9. Omdat de rechtbank hieronder tot het oordeel komt dat eiser aan het individualiseringsvereiste heeft voldaan en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beleidswijziging en de overschrijding van de beslistermijn niet bespreken. De vraag of de beleidswijzigingen stand kunnen houden, voegt hier immers niets toe.\n\nRisico op strafrechtelijke vervolging in Turkije\n\n10. Eiser voert aan dat uit de werkwijze van het Turkse Openbaar Ministerie (hierna: OM) volgt dat zij willen dat eiser wordt veroordeeld als terrorist. Eiser is nu vrijgesproken als gevolg van een gebrek aan bewijs, maar het OM zal volgens eiser niet rusten totdat hij is veroordeeld. De minister blijft ook ten onrechte de legale uitreis van eiser tegengeworpen en stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de legale uitreis afbreuk doet aan de stelling dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Tot slot heeft eiser op individueel niveau aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten en heeft daarnaast gewezen op algemene informatie die zijn overwegingen verder onderbouwen.\n\n11. Niet in geschil is dat eiser in het verleden is vervolgd door de Turkse overheid. In geschil is de vraag of eiser bij terugkeer naar Turkije wederom te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn toegedichte betrokkenheid bij het Gülenisme.\n\n12. De rechtbank overweegt dat eisers eerdere vervolging vanwege zijn toegedichte politieke overtuiging een daad van vervolging is in de zin van artikel 3.36 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000). Uit artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 20000 (hierna: Vw 2000) volgt dat blootstelling aan vervolging of ernstige schade in het verleden een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel. Daar komt bij dat bij eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, de bewijslast naar de minister verschuift en hij moet motiveren waarom die zich niet opnieuw zal voordoen.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een verkeerd toetsingskader toegepast. Uit het voornemen en het bestreden besluit blijkt dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat het eiser is die niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opnieuw voor vervolging te vrezen heeft. Dit terwijl het aan de minister is om aannemelijk te maken dat eiser nietopnieuw te vrezen heeft voor vervolging. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. In het kader van de finale geschilbeslechting en in het licht van het arrest Quotal, zal de rechtbank zelf een beoordeling maken van de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank is het relaas van eiser geloofwaardig. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Dan rest de vraag of de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade aannemelijk is en of het verzoek om internationale bescherming gegrond is. De rechtbank beantwoordt die vragen bevestigend en zal hieronder uitleggen waarop zij dat oordeel baseert.\n\n15. De rechtbank betrekt hierbij allereerst dat eiser eerder is vervolgd in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser is immers vanwege zijn politieke overtuiging strafrechtelijk vervolgd. Zoals hierboven ook al opgemerkt is blootstelling aan vervolging in het verleden een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is.De rechtbank weegt dit mee in haar beoordeling.\n\n16. Ter staving van zijn stelling dat hij bij terugkeer wel degelijk te vrezen heeft, heeft eiser een document van het Turkse Hof van Cassatie overgelegd. Hieruit blijkt dat de Advocaat-Generaal het Hof van Cassatie heeft verzocht om eisers dossier te onderzoeken. Eiser heeft dit document na zijn nader gehoor overgelegd. Ter zitting heeft eiser onweersproken verklaard dat hij na zijn nader gehoor, toen hem duidelijk was dat hij nog meer documenten diende te overleggen, contact heeft opgenomen met zijn Turkse strafadvocaat. Deze advocaat heeft uit eisers strafdossier dit document gehaald en aan eiser gezonden. Deze gang van zaken komt de rechtbank niet vreemd voort. Uit het algemeen ambtsbericht volgt immers dat:\n\n“Het hangt van de aard van de zaak af of tijdens een strafrechtelijk onderzoek de stukken wel of niet raadpleegbaar zijn in UYAP. Indien de Turkse autoriteiten de zaak als ‘gevoelig’ beschouwen, zullen de stukken niet zichtbaar zijn in UYAP. Indien de zaak niet als gevoelig wordt gezien, kunnen de stukken tijdens de onderzoeksfase wel raadpleegbaar zijn in UYAP. Een gevolmachtigde advocaat kan daartoe toegang krijgen. Deze mogelijkheid geldt niet voor het burgerportaal. Zodra de verdachte daadwerkelijk is aangeklaagd en er een strafzaak in gang is gezet, zijn de stukken in UYAP raadpleegbaar voor zowel de advocaat als de gedaagde.”\n\nNaar het oordeel van de rechtbank heeft eiser een voldoende bevredigende verklaring gegeven waarom hij dit document pas iets later in de procedure, namelijk na de correcties en aanvullingen, heeft ingebracht. Tijdens het nader gehoor heeft eiser aangegeven dat het document niet in zijn UYAP staat.In de brief van 15 januari 2026 geeft de gemachtigde van eiser ook aan dat eiser, na bespreking van het belang van documenten, nogmaals navraag heeft gedaan om te kijken welke aanvullende documenten hij kon krijgen. Dat eiser het document niet zelf kon inzien, maar zijn strafadvocaat wel, is in overeenstemming met de landeninformatie. De rechtbank betrekt dit document dan ook bij haar beoordeling.\n\n17. Uit het document komt naar voren dat eisers strafzaak nog niet gesloten is. Gelet op de landeninformatie is dit ook niet onaannemelijk. De (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid tegenover (vermeende) Gülenisten hoeft niet per se op te houden na een veroordeling of een beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten. Ook [de persoon] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.\n\nDaar komt verder bij dat eiser behoort tot een specifieke groep (vermeende) Gülenisten die in de negatieve aandacht staan van de Turkse overheid. Volgens de Finse immigratiedienst staan individuen die eerder een sepot hebben gekregen dan wel zijn vrijgesproken of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten terzake Gülenisme in de negatieve belangstelling van de Turkse overheid.Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Ook [de persoon] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.Het Algemeen Amtsbericht spreekt verder over dat (vermeende) Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat, zoals cadetten, in de negatieve aandacht staan.Eiser heeft op een militaire school gezeten en kan dus als cadet worden aangemerkt. De minister heeft dit ook niet weersproken.\n\n18. Hoewel eiser zelf heeft gesteld dat hij alle banden met het Gülenisme heeft verbroken, maakt dat voor de toets niet uit. Immers, ook een toegedichte politieke overtuiging kan een grond voor vervolging opleveren. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt ook dat vermeende Gülenisten al in de negatieve belangstelling kunnen komen te staan.\n\n19. Dat eiser legaal heeft kunnen uitreizen, maakt niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling. Uit het algemeen ambtsbericht volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn.\n\n20. Dat eiser in 2019 zelf is teruggekeerd uit de Verenigde Staten naar Turkije, terwijl op dat moment de vervolgingen van Gülenisten al aan de gang waren, maakt ook niet dat de huidige vrees van eiser niet aannemelijk zou zijn. Eiser heeft immers verklaard dat hij verwachtte dat hij niet vervolgd zou worden en als hij wel vervolgd zou worden, dat hij rechtsbescherming zou krijgen. In het licht van de situatie in Turkije in 2019 kan dit wellicht als naïef worden gezien, maar dit maakt nog niet dat eisers huidige vrees onaannemelijk is. Eiser is na zijn terugkeer daadwerkelijk vervolgd. Dit is niet in geschil. De rechtbank dient te beoordelen of eisers huidige vrees aannemelijk is. Omstandigheden die hebben plaatsgevonden voor de eerdere vervolging, hoeven daar niet bij te worden betrokken. De rechtbank doet dat dan ook niet. Naar het oordeel van de rechtbank doet de terugkeer van eiser in 2019 niet af aan de aannemelijkheid van zijn gestelde vrees in 2026.\n\n21. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser, met name de omstandigheid dat hij eerder is vervolgd en zijn strafdossier nog niet gesloten is, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 18 van het Handvestals ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiser stelt de rechtbank vast dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.\n\n23. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nverwijst de zaak terug naar de minister en draagt de minister op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;\n\nveroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, rechter, in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de\n\nAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze\n\npartij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend\n\nbinnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de\n\nbehandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de\n\nindiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van\n\nState vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31 tot en met 35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.\n\n Zie het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440\u002F25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.\n\nArrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73 en 74.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011\u002F95 van het Europees Parlement en de Raad.\n\n Zie artikel 41.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, onder 10.2 en 10 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1971, onder 3.1.\n\n Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid van de Vw 2000.\n\n Ulusal Yargi Ağı Projesi (juridisch informatiesysteem van de Turkse overheid).\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20.\n\nNader gehoor pagina 20.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52.\n\n Finse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 11 en 12.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 49.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1743, rechtsoverweging 6.1.\n\nHandvest van de grondrechten van de Europese Unie.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18533","2026-07-13T00:28:54.379Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":71},"1728","ECLI:NL:RBDHA:2026:18483","ecli-nl-rbdha-2026-18483","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.19222\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1999, van Colombiaanse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. M. Berkelmans).\n\n Inleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.\n\n1.1.. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 april 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Daarbij heeft de minister een terugkeerbesluit uitgevaardigd met een vertrektermijn van vier weken.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, [persoon] , de zus van eiser, R.A. Caicedo Larrea als tolk in de taal Spaans en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser heeft het volgende relaas aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat zijn moeder in 1978 ontheemd is geraakt door de gewapende groepering ELN. Dit wilde ze op een legale manier kenbaar maken door aanmoediging van haar eerste echtgenoot. Deze echtgenoot is in 1993 vermoord. Eiser heeft verklaard dat hij in 2009 is verkracht door iemand die het huis van zijn moeder binnenviel. Dit was volgens eiser een waarschuwingsboodschap voor zijn moeder. In 2009 is eiser door een onbekend persoon aangevallen met een mes. In 2014 is een klasgenoot in eisers zicht aangevallen met een mes toen eiser de school uitliep. De klasgenoot zei dat de dader eiser zocht. Ook is eisers broer in 2017 aangevallen door de ex-echtgenoot van zijn nicht, die volgens eiser banden heeft met de groepen ELN en\u002Fof FARC. Eisers broer gaf aan dat de dader op zoek was naar eiser. Ergens tussen 2018 en 2020 nam eiser deel aan een nationale staking. Hierbij heeft iemand zich voorgesteld als lid van ELN en heeft eiser bedreigd. Eiser is hierop bij zijn tante gaan wonen. Eiser is vervolgens in 2022 vertrokken uit Colombia met het idee om te gaan studeren in Spanje. Eisers moeder heeft zich intussen geregistreerd bij de Unidad para las Victimás om erkend te worden als ontheemde en als Afro-Colombiaanse. Volgens eiser verergerden de problemen hierdoor. Het huis van de moeder van eiser is aangevallen in 2023 door een crimineel, omdat het zicht van het huis hem niet aanstond. Eisers moeder zegt dat deze aanval ook verband houdt met haar eerdere problemen. Eiser is via zijn moeder bedreigd met mogelijke rekrutering door ELN. Eiser is zelf nooit benaderd, maar vreest dat dit bij terugkeer kan gebeuren. Verder heeft eiser discriminatie ondervonden in Colombia vanwege zijn Afro-Colombiaanse etniciteit en omdat mensen denken dat eiser homoseksueel is.\n\nBesluitvorming\n\n5. Volgens de minister bestaat het asielrelaas uit de volgende asielmotieven:\n\n 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. Problemen met ELN vanwege de ontheemding van eisers moeder in 1978;\n\n3. Discriminatie wegens Afro-Colombiaanse afkomst;\n\n4. Discriminatie wegens toegedichte seksuele gerichtheid.\n\n5.1.. De minister heeft alle asielmotieven geloofwaardig geacht. Volgens de minister leidt dit echter niet tot een gegronde vrees voor vervolging. De discriminatie die eiser vanwege zijn Afro-Colombiaanse afkomst en toegedichte seksuele gerichtheid heeft ervaren is niet zo ernstig dat dit wordt gezien als vervolging zoals bedoeld in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Niet is gebleken dat eiser bij terugkeer onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied in Colombia kan functioneren.\n\n5.2.. Volgens de minister loopt eiser bij terugkeer ook geen reëel risico op ernstige schade. De minister neemt voor Colombia een relatief lagere mate van willekeurig geweld aan. Eiser heeft echter geen individuele omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat in zijn geval sprake is van een dergelijk risico. Verder mag van eiser worden verwacht dat hij voor zijn problemen met ELN de bescherming inroept van de autoriteiten. De minister neemt aan dat het voor een Colombiaanse vreemdeling in het algemeen mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en\u002Fof internationale organisaties te verkrijgen.Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet mogelijk is, nu hij zelf geen aangifte heeft gedaan van de incidenten die hem persoonlijk zijn overkomen.\n\nIs bescherming door de Colombiaanse autoriteiten mogelijk?\n\n6. De rechtbank merkt vooraf op dat tussen partijen onduidelijkheid leek te bestaan over de vraag of de minister de problemen van eiser zwaarwegend genoeg acht. Eiser is hier in zijn beroepsgronden mede op ingegaan. De rechtbank stelt echter vast dat de minister in het voornemen heeft geconcludeerd dat eiser zijn vrees aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft ter zitting bevestigd dat de zwaarwegendheid van de door eiser gestelde problemen wordt aangenomen. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser voor bescherming tegen deze problemen een beroep kan doen op de Colombiaanse autoriteiten.\n\nStandpunt eiser\n\n7. Eiser stelt zich op het standpunt dat bescherming niet mogelijk is door de Colombiaanse autoriteiten. Eiser wijst op het Algemeen Ambtsbericht Colombia van juni 2024 waaruit volgt dat aangiftes niet worden opgevolgd door onderbezetting bij de Fiscalia en de politie en dat de mate van straffeloosheid hoog blijft door een ineffectief strafrechtsysteem en corruptie.Ook benoemt het ambtsbericht dat de Nationale Beschermingseenheid (UNP) kampt met een structureel tekort aan middelen en hoofdzakelijk hooggeplaatste politici beschermt. Voor gewone burgers duren de procedures maanden of jaren en beperkt de bescherming zich tot een ineffectief kogelvrij vest of een paniekknop.Daarbij stelt eiser dat de mogelijkheden tot bescherming bezien moeten worden in het licht van zijn geloofwaardig geachte problemen en wijst hij op het feit dat ELN tot de vijf machtigste illegale gewapende organisaties in Colombia behoort.\n\nStandpunt minister\n\n8. De minister stelt dat de Colombiaanse overheid in het algemeen bescherming kan bieden tegen vervolging of ernstige schade. Uit het meest recente ambtsbericht blijkt immers dat men zich bij bedreigingen kan wenden tot de Colombiaanse autoriteiten voor aangifte en bescherming.Dit wordt volgens de minister ondersteund door overgelegde aangiften van de familieleden van eiser en het oppakken van een verdachte na de inbraak bij de moeder van eiser in 2023. Bovendien blijkt uit recente landeninformatie van het EUAAdat met name de eenheid GAULAoptreedt in afpersingszaken. GAULA is te bereiken via een gratis telefoonlijn en wordt algemeen erkend vanwege zijn effectiviteit. Daarmee staat de weg om aangifte te doen volgens de minister open voor eiser, en kan dit volgens landeninformatie daadwerkelijk tot resultaat leiden.\n\nJuridisch kader\n\n9. Op grond van artikel 7 van de Kwalicatierichtlijndient bescherming tegen vervolging of ernstige schade doeltreffend en van niet-tijdelijke aard te zijn. In het algemeen wordt dergelijke bescherming geboden wanneer de actoren van bescherming redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft.\n\n9.1.. Uit jurisprudentievan de Afdelingvolgt dat bij de vraag of iemand de bescherming van de autoriteiten kan inroepen, eerst wordt onderzocht of in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij wordt informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, betrokken. Eerst nadat die vraag bevestigend is beantwoord kan de vraag aan de orde komen of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien dat laatste niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming van de autoriteiten leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n10. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de Colombiaanse autoriteiten in het algemeen doeltreffende bescherming bieden tegen vervolging of ernstige schade. De minister heeft er op gewezen dat uit het ambtsbericht blijkt dat het doen van aangifte mogelijk is in Colombia, maar heeft onvoldoende gemotiveerd dat aangiften in zijn algemeen ook worden opgevolgd door de autoriteiten. De rechtbank volgt de minister niet in zijn verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 februari 2026. In die zaak was sprake van een vrees voor afpersing en overwoog de rechtbank dat de vreemdeling zich voor bescherming tot GAULA kon wenden. Nu eiser in onderhavige zaak niet vreest voor afpersing, valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom ook hij een beroep zou kunnen doen op de bescherming van GAULA. Ter zitting heeft de minister zich voorts op het standpunt gesteld dat in het ambtsbericht is vermeld dat geen exacte cijfers beschikbaar zijn over het aantal aangiften dat door de autoriteiten wordt opgevolgd, omdat de politie deze gegevens niet openbaar maakt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de bewijslast op de minister rust om aannemelijk te maken dat in het algemeen doeltreffende bescherming beschikbaar is. Met de enkele verwijzing naar GAULA, dat is gericht op afpersingszaken, en naar het ontbreken van openbare gegevens over de opvolging van aangiften, heeft de minister niet aan zijn bewijslast voldaan.\n\n10.1.. De rechtbank overweegt dat de informatie uit het ambtsbericht juist erop wijst dat opvolging van aangiften in Colombia minimaal is. De rechtbank leest net als eiser in het ambtsbericht, dat zowel openbare als vertrouwelijke bronnen spreken over de hoge mate van straffeloosheid voor wat betreft de opvolging van aangiftes.Veel aangiftes leiden volgens het ambtsbericht niet tot een zaak.Ook benoemt het ambtsbericht dat qua wetgeving, mechanismen en intenties van de overheid Colombia over een functionerend wettelijk kader lijkt te beschikken, maar dat het systeem in de praktijk nog veel te wensen over laat.Het ambtsbericht vermeldt dat de klachten en zorgen van personen die een hoog risico liepen op geweld ook in stedelijk gebied niet altijd tijdig behandeld werden om hen effectief te beschermen.Eén van de voornaamste redenen voor het feit dat aangiftes niet opgevolgd worden, is de onderbezetting van de Fiscalía en de Nationale Politie, een tekort aan gekwalificeerd personeel en het feit dat toegang tot het juridisch systeem in afgelegen gebieden beperkt is.De vraag om bescherming, onder andere vanwege het grote aantal aanvragen en het beperkte budget, is volgens het ambtsbericht groter dan wat de Colombiaanse overheid kan bieden aan bescherming.\n\n10.2.. Het voorgaande betekent dat de minister nader dient te onderzoeken en te motiveren aan de hand van recente beschikbare landeninformatie of in Colombia in het algemeen bescherming wordt geboden, inhoudende dat de Colombiaanse autoriteiten redelijke maatregelen treffen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade.\n\n11. Indien de minister in het nieuw te nemen besluit opnieuw het standpunt inneemt dat de Colombiaanse autoriteiten in het algemeen doeltreffende bescherming bieden, dient hij deugdelijk te motiveren waarom eiser in zijn specifieke situatie bescherming kan verkrijgen tegen de problemen met ELN. De rechtbank acht het aannemelijk dat dit voor eiser gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos zal zijn. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister geloofwaardig heeft geacht dat eiser sinds 2009 problemen ondervindt met ELN. Eiser heeft erop gewezen dat ELN volgens een inlichtingenrapport van het Colombiaanse veiligheidsapparaat van april 2023 de grootste en machtigste illegale gewapende organisatie was met ongeveer 6.000 personen in de gelederen.De rechtbank is ambtshalve bekend met de 'Country policy and Information Note: Armed Groups and Criminal Gangs’ update 19 maart 2026, van de UK Home Office, waarin staat opgenomen:“The state is willing but not able to provide protection against the most powerful of the armed groups, such as the AGC and the ELN. This is because of poor implementation of security policies, low presence of security forces in rural areas where most armed group\u002Fgang abuses occur, and corruption.”Het standpunt van de minister dat uit de aangiften van de familieleden en het oppakken van een verdachte na de inbreuk bij de moeder van eiser in 2023 zou blijken dat bescherming wel mogelijk is, houdt gelet op de landeninformatie geen stand. Uit het nader gehoor blijkt bovendien niet eenduidig dat eiser en zijn familie doeltreffende bescherming zijn geboden. Eiser verklaart in het nader gehoor over de inbraak bij zijn moeder:“Uiteindelijk zijn ze naar de rechtbank gegaan en daar moeten de dader en het slachtoffer voorkomen. Normaal gesproken moet er een soort overeenkomst gesloten worden, maar het loopt nooit zo goed af. Uiteindelijk heeft mijn moeder als gevolg hiervan moeten verhuizen.”Eiser heeft ter zitting verklaard dat zijn moeder nog altijd ondergedoken leeft. Daarbij verklaart eiser in het nader gehoor op de vraag of de daders van de aanval of zijn broer in 2017 waarvan ook aangifte is gedaan, ook zijn vervolgd of bevestigd, dat dit niet het geval is.\n\n11.1.. De mogelijkheden tot bescherming vanwege eisers problemen met ELN dienen daarbij in samenhang te worden bezien met het profiel van eiser. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de minister geloofwaardig heeft geacht dat eiser Afro-Colombiaans is en als homoseksueel wordt gezien. Eiser heeft in de aanvullende gronden op gewezen dat deze factoren hem extra kwetsbaar maken en in samenhang bezien moeten worden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de volgende (ambtshalve bekende) relevante landeninformatie:\n\nAlgemeen Ambtsbericht Colombia, juni 2024:\n\n“De Colombiaanse politie was in de verslagperiode betrokken bij discriminatie en geweld tegen LHBTIQ+-personen. Een vertrouwelijke bron zei dat de politie de transgemeenschap structureel discrimineerde; met name transvrouwen die in de seksindustrie werkten.”\n\n“Het dient vermeld te worden dat er een grote mate van straffeloosheid bestaat als het om strafbare feiten gaat tegen de LHBTIQ+-gemeenschap – met name tegen transpersonen.”\n\nImmigration and Refugee Board of Canada (Author): Colombia: Situation of Afro-Colombians, 10 augustus 2023:\n\n“5. State Protection\n\nAccording to a crime index report by the Global Initiative Against Transnational Organized Crime (GI-TOC), an \"independent civil-society organization\" based in Geneva that provides strategies to address organized crime (GI-TOC n.d.), and published with funding from the US government, corruption is \"endemic in all state branches and levels of government,\" with political figures \"often\" making \"alliances with criminal actors\" to \"win elections, later returning favours by embezzling state funds to such actors\" (GI-TOC [2021], 4). The Consultant stated that there is a \"lack of political will\" to implement measures to protect Afro-Colombians (2020-04-13). The Assistant Professor of Black studies indicated that government efforts to protect Afro-Colombians are \"disorganized\" (Assistant Professor 2020-04-10).”\n\nFreedom House, Freedom in the World 2025: Colombia, 10 april 2025:\n\n“Areas with concentrated Afro-Colombian populations continue to suffer vastly disproportionate levels of abuse by guerrillas, security forces, and criminal groups, as well as higher poverty and lack of public services. UN officials have reported that impunity is nearly absolute for killers of Afro-Colombian and Indigenous ex-combatants and social leaders.”\n\nUK Home Office, Country Policy and Information Note Colombia: Actors of Protection, update 19 maart 2026:\n\n“2.1.1 In general, the state is willing and able to provide protection. However, the effectiveness of this protection will be dependent on the profile of the person, the area in which a person is located, and if they have a well-founded fear of a dominant armed group or criminal gang\n\n2.1.2. Members of the Afro-Colombian and LGBTI community may face discrimination by state security forces. However, recent available information does not support a conclusion that, in general, these groups face a real risk of treatment that amounts to persecution within the meaning of the Refugee Convention, and\u002For that they are unable to obtain effective protection.\n\n2.1.9. Afro-Colombian persons have historically faced obstacles accessing justice, often due to racial discrimination. A number of sources highlight that this group often face police harassment, disproportionate levels of abuse by security forces and that impunity is ‘near absolute’ for actors responsible for killing Afro-Colombians. However, sources are not explicit about the scale and extent of issues faced by Afro-Colombian\n\nLGBTI persons can face obstacles in gaining access to justice and can face issues with the police due to their sexual orientation and gender identity. In 2022, Colombia Diversa’s recorded 107 victims of ‘police violence’ motivated by prejudice against the victim’s sexual orientation and gender identity. The most common issues reported were threats, verbal abuse and ‘irregular police procedures’.”\n\n11.2.. Uit de door de rechtbank aangehaalde landeninformatie blijkt dat Afro-Colombianen en leden van de LHBTI-gemeenschap te maken hebben met discriminatie door de overheid en obstakels ondervinden bij de toegang tot het rechtssysteem. De rechtbank ziet niet in waarom dit anders zou zijn voor personen aan wie LHBTI-schap wordt toegedicht. Op grond van deze omstandigheden in samenhang bezien met eerdergenoemde informatie dat de Colombiaanse autoriteiten in de praktijk onvoldoende bescherming kunnen bieden tegen de ELN, acht de rechtbank het aannemelijk dat het voor eiser gevaarlijk, dan wel bij voorbaat zinloos, is om de bescherming van de autoriteiten in te roepen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. De minister heeft de aanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij in acht neemt met wat in deze uitspraak is bepaald. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n13. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht oor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).Beslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868 ,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Ejercito de Liberacion Nacional.\n\n Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia.\n\n Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Paragraaf C7\u002F10.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Pagina 53-55 van het ambtsbericht.\n\n Pagina 59-60 van het ambtsbericht.\n\n De minister wijst in dit verband op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 19 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26833, r.o. 5.2.\n\n European Union Agency for Asylum, Country of origin information report Colombia, 16 december 2025.\n\nGrupos de Acción Unificada por la Libertad Personal.\n\n De minister verwijst hiervoor naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7259, r.o. 5.6.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Zie de uitspraak van 5 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD9606.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Pagina 53.\n\n Pagina 55.\n\n Pagina 53.\n\n Pagina 55.\n\n Pagina 57.\n\n Pagina 54.\n\n Pagina 56.\n\n Pagina 20 van het Algemeen Ambtsbericht Colombia, juni 2024.\n\n Verslag nader gehoor, pagina 18.\n\n Verslag nader gehoor, pagina 17.\n\n Pagina 73.\n\n Pagina 74.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18483","2026-07-13T00:29:36.080Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":76,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":34,"updatedAt":78},"1793","ECLI:NL:RBDHA:2026:18242","ecli-nl-rbdha-2026-18242","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL24.36141\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2010, van Jemenitische nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. L.A. Jager).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.\n\n1.1.. Bij besluit van 10 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van [eiser] tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Bij hetzelfde besluit heeft de minister aan [eiser] een terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarbij zowel Jemen als Saoedi-Arabië als landen van terugkeer zijn aangemerkt, met een vertrektermijn van vier weken.\n\n1.2.. \n [eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [eiser] heeft een aanvullend stuk ingediend.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en zijn gemachtigde, M. Cheiboukh als tolk in de taal Arabisch-Jemenitisch, [persoon] als voogd van eiser, drie vertegenwoordigers van Nidos als toehoorders en de gemachtigde van de minister.\n\n1.4.. De voorzitter en de griffier hebben voorafgaand aan de zitting een kindgesprek gevoerd met [eiser] en zijn voogd. Een samenvatting van het gesprek is met partijen gedeeld aan het begin van de zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiser] .\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Aan het einde van de uitspraak heeft de rechtbank een brief gevoegd voor [eiser] , waarin de uitspraak en de gevolgen van deze uitspraak in kindvriendelijke taal worden uitgelegd.\n\nAsielrelaas\n\n4. [eiser] is geboren en opgegroeid in de stad [geboorteplaats] , in [geboorteland 1] . Hij bezit de Jemenitische nationaliteit. Zijn vader heeft ook de Jemenitische nationaliteit. Zijn moeder heeft de Somalische nationaliteit. [eiser] heeft drie jongere broers en drie zussen. Samen met zijn vader is [eiser] met een Frans visum naar Nederland gereisd. Zijn vader is vervolgens teruggekeerd naar het gezin in Saoedi-Arabië.\n\n4.1.. \n [eiser] heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor de algehele situatie in Jemen.\n\nHet bestreden besluit\n\n5. Het asielrelaas bevat volgens de minister het volgende asielmotief:\n\n 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.\n\n5.1.. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van [eiser] geloofwaardig. Dat hij uit Jemen komt is op zichzelf niet genoeg om een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. [eiser] heeft zijn vrees voor de oorlog bij terugkeer niet aannemelijk gemaakt. Volgens de minister is op grond van het landenbeleid in heel Jemen op dit moment sprake van de ‘minder uitzonderlijke situatie’ van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het is daarom aan [eiser] om op basis van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken waarom specifiek hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Volgens de minister is [eiser] daarin niet geslaagd. Hiervoor acht de minister van belang dat hij nooit in Jemen heeft gewoond en nooit problemen heeft ervaren als gevolg van de situatie in Jemen. Daarbij kan [eiser] volgens de minister niet als alleenstaande minderjarige worden aangemerkt, nu hij zich zal moeten verenigen met zijn ouders en niet alleen naar Jemen zal moeten gaan.\n\n5.2.. \n\n [eiser] komt ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen, nu\n\nzijn ouders gelet op hun zorgplicht verantwoordelijk zijn om te zorgen voor adequate opvang in Jemen dan wel in Saoedi-Arabië. Tot slot wordt terugkeer naar Jemen door de minister in het belang van [eiser] gezien.\n\nLandenbeleid voor Jemen\n\n6. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de minister ten aanzien van Jemen moet uitgaan van de hoogste gradatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Hij voert daartoe aan dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen sinds het oplaaien van het conflict is verslechterd. In dat verband wijst [eiser] erop dat de Jemenitische regering op 30 december 2025 de noodtoestand heeft uitgeroepen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [eiser] naar de brief van VluchtelingenWerk Nederland van 29 januari 2026: “Jemen – Veiligheidssituatie Jemen sinds begin december 2025”.\n\n6.1.. De rechtbank zal, alvorens deze beroepsgrond te bespreken, het beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.\n\nJuridisch kader\n\n7. In de uitspraak van 17 juli 2024heeft de Afdelinghet toetsingskader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn naar aanleiding van het arrest X en Y.van het Hofuiteengezet. Uit dit arrest volgt dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn allereerst gaat over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld, in het kader van een gewapend conflict, zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Het Hof legt verder uit dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn ook betrekking kan hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.\n\n7.1.. De minister neemt als gevolg van het arrest X en Y en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 drie verschillende gradaties aan van willekeurig geweld.De drie gradaties zijn:\n\nuitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;\n\nrelatief hoger niveau van willekeurig geweld; en,\n\nrelatief lager niveau van willekeurig geweld.\n\n7.2.. Het Hof heeft in het arrest CF en DN van 10 juni 2021, elementen genoemd die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Bij deze beoordeling moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen:\n\nde vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;\n\nde vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;\n\nde vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;\n\nde vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;\n\nde intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten; en,\n\nde aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.\n\nHet landenbeleid voor Jemen ten tijde van het bestreden besluit van 10 september 2024\n\n8. Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. In de Kamerbrief van 18 maart 2024 heeft de minister de Tweede Kamer geïnformeerd over de aanpassing van het landenbeleid ten aanzien van Jemen.In deze brief licht de minister toe dat er aanleiding bestaat om niet langer uit te gaan van de hoogste mate van willekeurig geweld in Jemen. Aanleiding hiervoor was dat uit het Algemeen Ambtsbericht Jemen van september 2023 blijkt dat het de-facto bestand over de hele verslagperiode heeft geleid tot een substantiële daling van gevechtshandelingen. Dit heeft geleid tot een relatief laag aantal doden en gewonden onder de burgerbevolking. Volgens de minister speelden humanitaire omstandigheden in deze beoordeling slechts een rol als sprake is van de uitzonderlijke situatie dat strijdende partijen in een gewapend conflict bewust catastrofale humanitaire omstandigheden creëren als oorlogsmethodiek en dit onderdeel is van het willekeurig geweld. In dit beleid maakte de minister geen onderscheid tussen de verschillende regio’s in Jemen.\n\nUitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025\n\n9. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft namelijk in de globale beoordeling ten onrechte de slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten, de recente confrontaties en het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen niet kenbaar betrokken. Uit actuele landeninformatie blijkt dat de daling van het aantal burgerslachtoffers sinds het de facto bestand onder druk is komen te staan en dat de intensiteit van het gewapende conflict tussen diverse strijdende actoren weer is toegenomen. Ook is de minister in de beoordeling niet expliciet ingegaan op de daadwerkelijke bestemming of woongebied bij terugkeer.\n\n9.1.. De Afdeling heeft verder geoordeeld dat de minister in deze beoordeling ten onrechte niet de humanitaire omstandigheden heeft betrokken die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en\u002Fof het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen. Daarbij acht de Afdeling relevant dat uit het ambtsbericht volgt dat Houthi-rebellen toegang tot humanitaire hulp weigeren, dat toegang daartoe in sommige gevallen non-existent is en dat er veel incidenten plaatsvinden waarbij humanitaire toegang wordt gehinderd. Naar het oordeel van de Afdeling zijn humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend in de globale beoordeling van een uitzonderlijke situatie. Slechts humanitaire omstandigheden als gevolg van het klimaat en natuurlijke fenomenen, zoals droogte en overstromingen, zijn in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet relevant. Deze kunnen een rol spelen in de meer algemene beoordeling onder artikel 3 van het EVRM.\n\nHet bestreden besluit van 10 september 2024\n\n10. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan beleid dat op grond van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 geen stand kan houden. De rechtbank verklaart het beroep alleen al daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 10 september 2024.\n\n10.1.. De minister heeft in het verweerschrift en op de zitting het standpunt ingenomen dat hierdoor weliswaar sprake is van een motiveringsgebrek, maar dat de herbeoordeling naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 en het meest recente Algemeen Ambtsbericht Jemen van 18 april 2025 niet heeft geleid tot de conclusie dat voor Jemen alsnog moet worden uitgegaan van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. De minister heeft daarom verzocht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.\n\n10.2.. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de minister in beroep alle relevante feitelijke omstandigheden in zijn globale beoordeling heeft betrokken en zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in Jemen sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld (de minder uitzonderlijke situatie).\n\nGewijzigd landenbeleid voor Jemen\n\n11. Naar aanleiding van het nieuwe algemeen ambtsbericht van 18 april 2025 en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 heeft de minister het landgebonden beleid voor Jemen op 17 oktober 2025 gewijzigd.In de kamerbrief van 8 oktober 2025en de daarin genoemde bijlage 15c beoordeling Jemen, heeft de minister de wijzigingen toegelicht. Anders dan in het vorige landgebonden beleid is voor elke provincie in Jemen afzonderlijk beoordeeld welke gradatie van willekeurig geweld wordt aangenomen. De nieuwe beoordeling heeft er niet toe geleid dat een hoger niveau van willekeurig geweld (de meest uitzonderlijke situatie) voor Jemen wordt aangenomen. De minister neemt voor de provincies Abyan, Aden, Al Bayda, Al Dhale, Al Hudayda, Al Jawf, Ibb, Lahj, Marib, Sa’da, Sana’a (stad), Sana’a (provincie), Shabwa en Taiz aan dat er sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In de provincies Al Mahwit, Amran, Dhamar, Hajjah en Raymah is volgens de minister sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Voor de provincies Al Mahra, Hadramaut en Socotra wordt aangenomen dat er geen sprake is van een 15c-situatie.\n\nBeoordeling rechtbank\n\nTen aanzien van de humanitaire omstandigheden\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen deugdelijke beoordeling heeft gemaakt van de humanitaire omstandigheden die het direct of indirect gevolg zijn van het handelen en\u002Fof het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen en overweegt daartoe als volgt. Allereerst is de minister uitgegaan van een onjuiste interpretatie van de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 en heeft hij daarmee een te beperkt toetsingskader gehanteerd. De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat niet aannemelijk is dat handelingen die slechts indirect gevolgen hebben voor de humanitaire situatie, wanneer zij globaal in de beoordeling worden betrokken, tot een fundamenteel andere weging zullen leiden. De minister wijst erop dat de voorbeelden die de Afdeling zelf noemt handelingen zijn die directe gevolgen hebben voor de humanitaire omstandigheden die plaatsvinden in het kader van willekeurig geweld. De rechtbank acht deze uitleg te strikt. De rechtbank kan de minister volgen voor zover hij zich op het standpunt stelt dat humanitaire omstandigheden niet zonder meer doorslaggevend zijn. Zoals volgt uit het arrest CF en DN moeten de relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en vormen humanitaire omstandigheden slechts één van de elementen die in samenhang beoordeeld moeten worden. Elk van deze elementen kan in de uiteindelijke afweging meer of minder gewicht in de schaal leggen.De rechtbank leest echter nergens in de uitspraak van 16 juli 2025 dat handelingen die slechts indirecte gevolgen hebben, per definitie minder zwaar wegen in de beoordeling dan handelingen met directe gevolgen voor de humanitaire situatie. Dat de Afdeling in haar uitspraak enkel voorbeelden noemt van handelingen met directe gevolgen voor de humanitaire omstandigheden, betekent niet dat uitsluitend dergelijke directe gevolgen relevant kunnen zijn. Indirecte gevolgen van het handelen van strijdende partijen, zoals de vernietiging van wegen, havens of andere infrastructuur waardoor humanitaire hulp de bevolking niet bereikt, kunnen immers in de praktijk eenzelfde effect hebben als het rechtstreeks blokkeren van hulpverlening.\n\n12.1.. De rechtbank volgt evenmin het standpunt van de minister dat bij de beoordeling van humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn een temporele beperking geldt. De rechtbank leest in de kamerbrief en het verweerschrift dat de minister humanitaire omstandigheden als gevolg van de cumulatieve gevolgen van een al jarenlang voortdurend conflict of de nasleep daarvan na beëindiging niet betrekt bij de beoordeling.Op de zitting is dit standpunt aldus toegelicht dat volgens de minister uit punten 40, 42, 43, 44 en 45 van het arrest X en Y. volgt dat bij de beoordeling van humanitaire omstandigheden het voornamelijk moet gaan om een actieve actor die gedurende de verslagperiode invloed uitoefent op de humanitaire situatie. Aan omstandigheden die in het verleden zijn ontstaan kent de minister minder gewicht toe. De rechtbank leest in het arrest X en Y, noch in de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, terug dat het bij de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn om een actieve actor moet gaan. Uit de rechtspraak volgt slechts dat humanitaire omstandigheden die in het geheel geen verband houden met willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, buiten deze beoordeling kunnen blijven. De rechtbank merkt hierbij op dat voor de andere elementen uit het arrest CF en DN ook geen temporele beperking geldt. De rechtbank ziet niet in waarom een dergelijk onderscheid voor humanitaire omstandigheden wel zou gelden.\n\n12.2.. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet goed heeft gemotiveerd in welke mate de slechte humanitaire omstandigheden in Jemen te wijten zijn aan de strijdende partijen. Op pagina 1 tot en met 3 van de bijlage 15c beoordeling Jemen zet de minister de humanitaire situatie in Jemen uiteen en concludeert dat in sommige situaties de humanitaire situatie direct wordt beïnvloed door de gehanteerde oorlogsmethoden van de strijdende partijen, maar ook dat de slechte humanitaire omstandigheden gezien moet worden in de context dat Jemen al voor de start van de burgeroorlog een slechte humanitaire situatie kende en ook toen al werd gezien als het meest kwetsbare land in het Midden-Oosten.De rechtbank acht deze motivering niet deugdelijk en zal dit hieronder aan de hand van het algemeen ambtsbericht van 18 april 2025 en de overige in de bijlage opgenomen landeninformatie nader toelichten.\n\n12.3.. De rechtbank leest in het algemeen ambtsbericht dat Jemen een land is dat gedurende een lange periode geteisterd is door gewapend conflict, armoede, voedseltekorten en honger, tribale tegenstellingen en economische malaise.Bovenop de al lange tijd bestaande en voortdurende humanitaire kwetsbaarheden die hieruit voortvloeiden, meldt het ambtsbericht dat de leefomstandigheden tijdens de verslagperiode verder verslechterden door de crisis in de Rode Zee. De militaire escalatie daar leidde tot een aanzienlijke daling van aantallen vrachtschepen die Jemen aandeden. Dit gold zowel voor het gebied onder controle van de IRGals van de Houthi-beweging. Volgens data van de Integrated Food Security Phase Classification waren eind 2024 meer dan 600.000 Jemenitische kinderen in het door de IRG gecontroleerde deel van het land ernstig ondervoed en bijna 120.000 kinderen acuut ondervoed - een stijging van 34 procent vergeleken met 2023. Beide delen van Jemen kampten met een blijvend hoge voedselinstabiliteit. Het percentage inwoners dat leed onder onvoldoende voedselconsumptie lag volgens een rapportage van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VNin december 2024 in regeringsgebied iets hoger (52,3%) dan in Houthi-gebied (43,0%).\n\n12.4.. Het algemeen ambtsbericht meldt verder dat de strijdende partijen doelbewust aanvallen uitvoerden op landbouwgebieden, irrigatiewerken, vee, levensmiddelenopslag, waterinfrastructuur en vissersboten en -uitrusting. De toegang tot water en voedsel werd daarmee voor de bevolking van de getroffen gebieden ernstig bemoeilijkt. De Houthi’s zouden rond frontlijnen op grote schaal landmijnen hebben verspreid in bewoonde gebieden en in landbouwgebieden, waardoor deze onbruikbaar werden voor voedselproductie. Ook legden zij op grote schaal restricties op aan humanitaire hulpverlening, waaronder voedseldistributie. Het algemeen ambtsbericht meldt verder dat strijdende partijen de toegang tot humanitaire hulp dwarsbomen. Uit bronnen komt volgens het algemeen ambtsbericht het beeld naar voren dat met name de Houthi-beweging de toegang tot basisbehoeften als watervoorziening en humanitaire hulp, als wapen in de strijd gebruikten. Ook in het volledig door de Houthi-beweging gecontroleerde deel van Jemen bleef zij tijdens de verslagperiode de toegang van burgers tot humanitaire hulp dusdanig bemoeilijken, dat het hun voedselzekerheid negatief beïnvloedde. Daarbovenop pasten zij restricties toe op vrouwelijke hulpverleners. Het Wereldvoedselprogramma van de VN (World Food Programme, WFP) pauzeerde vanaf december 2023 een groot deel van de voedselhulp in Houthi gebied voor zes maanden.De levering van humanitaire goederen werd verder bemoeilijkt doordat Israëlische luchtaanvallen kritieke infrastructuur in Houthi-gebied beschadigden, waaronder de havens van Al Hudayda en Saleef, de luchthaven van Sana’a en energie installaties - waardoor steden als Sana’a en Al Hudayda langere tijd geen elektriciteit hadden. De haven van Al Hudayda, de belangrijkste aanvoerhaven voor humanitaire goederen, functioneerde nog slechts op 30% van zijn operationele capaciteit.\n\n12.5.. De rechtbank overweegt dat in de kamerbrief en de daaraan ten grondslag liggende bijlage niet inzichtelijk is gemotiveerd op welke wijze de hiervoor genoemde informatie is betrokken bij de conclusie dat de humanitaire situatie in Jemen niet in overwegende mate is veroorzaakt door de handelingen van de strijdende partijen. Uit de beschikbare informatie blijkt onder meer dat deze partijen de toegang tot voedsel en water ernstig beperken, de toegang tot humanitaire hulpverlening op grote schaal belemmeren en voedsel- en watervoorzieningen aanvallen. Daarbij wijst de rechtbank erop dat, hoewel Jemen te maken heeft met natuurlijke fenomenen zoals droogte en overstromingen, het feit dat de helft van de Jemenitische bevolking te kampen heeft met voedselonzekerheid vooral lijkt samen te hangen met het handelen van de strijdende partijen. Jemen importeert, net zoals meer landen in die regio, 80% van zijn voedselbehoefte waardoor het land kwetsbaar is voor aanvallen op voedselvoorzieningen en havens. Handelingen van strijdende partijen in een land dat al kwetsbaar is, hebben een grotere impact op de humanitaire situatie. De minister heeft nagelaten dit te betrekken bij zijn beoordeling. In dit verband heeft de rechtbank op de zitting ook gewezen op recente informatie van Human Rights Watch van 8 januari 2026waaruit volgt dat de Houthi-autoriteiten de afgelopen 18 maanden ten minste 69 VN-medewerkers en tientallen medewerkers van maatschappelijke organisaties willekeurig hebben vastgehouden. De toename van het aantal arrestaties van leden van maatschappelijke organisaties en VN-agentschappen door de Houthi's dreigt de humanitaire hulpcrisis in Jemen te verergeren. Verder meldt Human Rights Watch dat het Wereldvoedselprogramma en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN waarschuwen dat de al kritieke acute voedselonzekerheid naar verwachting verder zal verslechteren in de prognoseperiode (november 2025 tot mei 2026), waarbij delen van de bevolking in vier districten onder controle van de Houthi's naar verwachting met een catastrofe te maken zullen krijgen.\n\n12.6.. Ook merkt de rechtbank op dat in de enige bron in de bijlage die duidt op een verbetering in de humanitaire situatie, wordt verwezen naar informatie van de ngo ACAPSdie tussen 2023 en 2024 een lichte verbetering in de toegang tot humanitaire hulp constateerde: in 2024 gaf ACAPS Jemen het cijfer 4 (‘zeer hoge toegangsbeperkingen’) en in 2023 was het nog een 5 geweest (‘extreme toegangsbeperkingen’).De rechtbank leest niet in de kamerbrief terug hoe de minister deze informatie heeft afgewogen tegen de onder 12.4. tot en met 12.6. opgenomen informatie. Ook valt het de rechtbank op dat in deze bron tegelijkertijd staat vermeld dat toegang tot humanitaire hulp in Jemen niet is verbeterd of verslechterd, maar hetzelfde is gebleven als in 2023.Bovendien blijkt uit recente informatie van het ACAPS van 1 april 2026dat Jemen weer een 5 op een schaal van 0 tot 5 scoort. Dit duidt volgens ACAPS op ernstige en aanhoudende belemmeringen voor humanitaire toegang, waaronder incidenten van onveiligheid, controleposten en toegangsweigeringen die het verkeer door het land beperken en waarschijnlijk zullen verergeren na mogelijke escalaties. Het ACAPS meldt dat Jemen wereldwijd één van de meest humanitair ontoegankelijke gebieden blijft.\n\n12.7.. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister met de enkele overweging dat Jemen ook voor de burgeroorlog in 2015 een slechte humanitaire situatie kende, niet deugdelijk in kaart heeft gebracht in hoeverre de humanitaire situatie is gecreëerd, in stand gehouden dan wel verergerd door het direct of indirect handelen en\u002Fof nalaten van de strijdende partijen. De rechtbank merkt ook op dat de minister niet kenbaar in is gegaan op de eerdere uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 oktober 2024waarin aan de minister is meegegeven acht te slaan op het rapport van The World Organisation Against Torture van september 2022, waarin wordt geconcludeerd dat “Yemen’s cataclysmic humanitarian situation is entirely manufactured”.\n\nTen aanzien van de algehele veiligheidssituatie\n\n13. De rechtbank is verder van oordeel dat naast dat de minister opnieuw moet motiveren hoe de humanitaire omstandigheden in Jemen meewegen in de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, de minister daarbij ook opnieuw een beoordeling van de actuele geweldssituatie moet verrichten. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het jaarrapport van 2025 van het CIMPvolgt dat tussen 1 januari en\n\n31 december 2025 sprake was van een significante stijging van het aantal burgerslachtoffers (2.653) in Jemen, meer dan een verdubbeling ten opzichte van 2024 (1.201). Het gaat om het op twee na hoogste aantal dat CIMP ooit heeft geregistreerd. Uit het rapport volgt dat deze stijging verband hield met een toename van de vijandelijkheden in de Rode Zee en de bredere regio. Vooral luchtaanvallen zorgden voor veel slachtoffers. De bombardementen vonden niet voortdurend plaats, maar keerden wel steeds terug in reactie op nieuwe escalaties in de regio.Bij een nieuw te verrichten beoordeling moet de minister de verdubbeling van het aantal slachtoffers en de toename van vijandelijkheden in de regio, in samenhang met andere elementen van het arrest CF en DN, betrekken.\n\nIndividuele omstandigheden bij een relatief hoger niveau van willekeurig geweld\n\n14. [eiser] stelt zich op het standpunt dat, ook al zou geen sprake zijn van de meest uitzonderlijke situatie, de minister ten onrechte stelt dat geen sprake is van individuele omstandigheden op grond waarvan hij risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hierbij wijst [eiser] erop dat hij een alleenstaand minderjarig kind is zonder opvang en netwerk in Jemen. Hij doet in dit verband een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 17 maart 2026.\n\n14.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister, in strijd met het arrest X en Y, niet alle relevante omstandigheden heeft betrokken en onderzocht. De minister gaat ervan uit dat [eiser] zich met zijn ouders in Saoedi-Arabië zal herenigen of dat hij met (één van) hen naar Jemen terugkeert en zich daar vestigt in een gevrijwaarde provincie of een gebied met een relatief lage mate van willekeurig geweld. De minister heeft echter ten onrechte niet onderzocht of het aannemelijk is dat de familie zich bij [eiser] in Jemen zal voegen. Beide ouders zijn niet in Jemen geboren en hebben zich daar nooit gevestigd. De minister had dan ook moeten onderzoeken of de jonge leeftijd van eiser – hij was ten tijde van het bestreden besluit veertien jaar – leidt tot een verhoogd risico. In dat verband is relevant dat [eiser] op de zitting heeft verklaard dat hij aan zowel vaders- als moederszijde geen opvang in Jemen heeft. Zelfs als aangenomen wordt dat de ouders met hem terugkeren naar Jemen, heeft de minister onvoldoende onderzoek gedaan naar de situatie waarin zij dan zouden terechtkomen. De rechtbank begrijpt dat dit lastig concreet te maken is, omdat het gezin nooit in Jemen heeft gewoond, maar de enkele veronderstelling dat terugkeer mogelijk zou zijn naar een gevrijwaarde provincie acht de rechtbank te algemeen. Het X en Y arrest vereist dat alle aangevoerde elementen zorgvuldig moeten worden bezien in het licht van de situatie in Jemen. Dit betekent dat de minister een duidelijk beeld moet schetsen van de situatie waarin [eiser] dan wel als alleenstaande minderjarige, dan wel met zijn ouders terecht zal komen. Daar komt bij dat niet is gebleken van enige binding met een bepaald gebied of van een sociaal netwerk in Jemen. Ook is de financiële situatie van de ouders onzeker. [eiser] heeft op de zitting toegelicht dat zijn ouders niet meer werken door gewijzigde regelgeving in Saoedi-Arabië en afhankelijk zijn van giften. Dit terwijl de rechtbank ambtshalve bekend is met informatie van VluchtelingenWerk Nederland waaruit volgt dat terugkeerders in Jemen te maken kregen met dezelfde omstandigheden als ontheemden en bijna volledig afhankelijk zijn van humanitaire hulp.\n\nConclusie 15c-beoordeling\n\n15. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet inzichtelijk is geworden hoe de elementen uit het arrest CF en DN samen hebben geleid tot de conclusie dat in Jemen geen sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. De minister heeft niet op deugdelijke wijze de humanitaire omstandigheden betrokken en daarmee niet in lijn gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Ook heeft de minister onvoldoende onderzocht en gemotiveerd op welke wijze de individuele omstandigheden van [eiser] kunnen leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld bij terugkeer naar Jemen.\n\nBuitenschuldbeleid\n\n16. [eiser] voert verder aan dat de minister ten onrechte stelt dat er voor hem adequate opvangmogelijkheden in Saoedi-Arabië zijn. De verblijfsvergunningen van de ouders, broertjes en zusjes zijn op 20 september 2023 verlopen. Zij hebben dus geen legaal verblijf meer in Saoedi-Arabië. Adequate opvang in het door oorlog geteisterde Jemen behoort evenmin tot de mogelijkheden.\n\n16.1.. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 14.1 is overwogen, dat de minister onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de opvangmogelijkheden van eiser in Jemen. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister heeft kunnen afzien van nader onderzoek naar adequate opvang in Saoedi-Arabië. Daarbij stelt de rechtbank vast dat uit de verklaringen van [eiser] volgt dat hij dagelijks contact onderhoudt met zijn ouders. Met de enkele stelling dat de verblijfsvergunningen van zijn ouders in Saoedi-Arabië zijn verlopen en dat zijn vader niet langer meer mag werken, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het op voorhand onmogelijk moet worden geacht dat zijn ouders voor hem voor adequate opvang kunnen zorgen terwijl zij ook voor hun andere kinderen zorgen. Voor zover de praktijk anders zou zijn dan door [eiser] is gesteld, lag het op zijn weg om dit nader te onderbouwen.\n\nArtikel 3 van het EVRM\n\n17. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de minister niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling in haar uitspraak van 16 juli 2025 door niet te beoordelen of de humanitaire omstandigheden in Jemen die geen verband houden met willekeurig geweld, strijd opleveren met artikel 3 van het EVRM. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat als erbarmelijke humanitaire omstandigheden uitsluitend of zelfs hoofdzakelijk te wijten zijn aan armoede of natuurlijke verschijnselen, zoals droogte, dan slechts sprake kan zijn van een schending van artikel 3 EVRM in “very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling”. Wanneer natuurlijke verschijnselen echter hebben bijgedragen aan erbarmelijke humanitaire omstandigheden, maar deze voornamelijk zijn te wijten aan directe en indirecte acties van de partijen bij een conflict dan moet de minister beoordelen of een vreemdeling bij terugkeer in staat zal zijn: “to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.”De verwijzing van de minister ter zitting naar de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn en de aanwezigheid van adequate opvang volstaat niet, nu de toets onder artikel 3 van het EVRM een autonome beoordeling betreft en de minister in de 15c-beoordeling niet is ingegaan op de vraag of [eiser] in staat zal zijn “to cater for his most basic needs”.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. De rechtbank is concluderend van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank verklaart daarom het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gebreken geen aanleiding om deze gebreken te passeren of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De overige beroepsgronden behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking.\n\n19. Verder ziet de rechtbank gelet op de minderjarigheid van eiser en de duur van de procedure op grond van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb reden om de minister een dwangsom op te leggen van € 100,-, te betalen aan eiser voor iedere dag dat de minister de door de rechtbank opgelegde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-.\n\n20. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van zijn beroep. Deze vergoeding stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.Beslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-; en,\n\n-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, voorzitter, en mr. H.J. Doets en\n\nmr. Y. Moussaoui, leden, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.\n\nBijlage kindvriendelijke terugkoppeling\n\nBeste [eiser] ,\n\nOp 13 april van dit jaar hebben wij met elkaar gepraat bij de rechtbank. Ik vind het heel knap van jou dat je bent gekomen en mij hebt verteld wat je vindt van de zaak die gaat over de afwijzing van jouw asielaanvraag.\n\nJe hebt mij verteld dat je graag in Nederland wilt blijven en dat je hoopt dat ook jouw ouders, zussen en broertjes kunnen komen om samen een stabiele toekomst in Nederland te hebben. Aan het eind van ons gesprek hebben we samen afgesproken dat ik over ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jou zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik je nu deze brief.\n\nDe beslissing van de rechtbank is dat de minister een nieuw besluit moet nemen over jouw asielaanvraag. De rechtbank neemt die beslissing omdat de minister – heel kort gezegd - onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de omstandigheden in Jemen. Ook heeft de minister het besluit onvoldoende gemotiveerd en dat betekent dat de minister niet goed uitlegt waarom hij het besluit op deze manier heeft genomen.\n\nDe minister heeft ook beoordeeld of jij als minderjarige een reguliere vergunning kunt krijgen als er in Jemen of Saoedi-Arabië geen opvang is voor jou. De minister heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de opvangmogelijkheden in Jemen, maar de rechtbank denkt wel dat jij terug kan naar jouw ouders, zussen en broertjes in Saoedi-Arabië.\n\nDe uitspraak van de rechtbank betekent dat de minister een nieuw besluit moet nemen en dat je nog langer moet wachten voor je duidelijkheid hebt. Ik begrijp dat dit een teleurstelling voor jou is. De rechtbank hoopt dat de minister gauw een nieuw besluit neemt. Daarom legt de rechtbank een dwangsom op aan de minister als er niet op tijd een nieuw besluit wordt genomen.\n\nAls de minister of jij het niet eens bent met de beslissing van de rechtbank, dan kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat is een hogere rechter, die dan nog eens naar de zaak gaat kijken. Als er geen hoger beroep komt, dan zal de minister een nieuw besluit nemen.\n\nIk hoop dat het voor jou zo duidelijk is wat de rechtbank heeft beslist en waarom we die beslissing hebben genomen. Verder hoop ik dat het goed met jou zal gaan.\n\nGroeten,\n\nDe rechter: Nicole Boonstra\n\n Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2927.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:EU:C:2023:843.\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie.\n\nZie Kamerstukken II2023-24, 19 637, nr. 3211, en paragraaf C2\u002F3.3.3.3 van de Vc (Vreemdelingencirculaire 2000).\n\n ECLI:EU:C:2021:472.\n\n Kamerbrief van 18 maart 2024, met kenmerk 19637, nr. 3215, de daarbij horende beslisnota, en WBV 2024\u002F9.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3153.\n\n Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.\n\n Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 28 november 2011 (Sufi en Elmi), ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.\n\n WBV 2025\u002F20.\n\n 19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.\n\n Punten 40 en 45.\n\n De minister wijst op een bron van het UNHCR, “Yemen crisis explained”, 27 maart 2025, waarin staat opgenomen: “Even before the current crisis, Yemen was the most vulnerable country in the Middle East. It regularly ranked among the world’s worst in malnutrition rates with half of its population living in poverty and without access to safe water.”\n\n Pagina 12 van het algemeen ambtsbericht april 2025.\n\n Internationaal erkende regering.\n\n Verenigde Naties.\n\n Pagina 13 van het algemeen ambtsbericht april 2025.\n\n Pagina 14 van het algemeen ambtsbericht april 2025.\n\n Pagina 15 van het algemeen ambtsbericht april 2025.\n\n World Food Programme, ‘Impact of rising food prices on household food security in Yemen’, 31 augustus 2008.\n\n Human Rights Watch, ‘Houthi Detentions Halting Aid in Crisis-Hit Yemen’, 8 januari 2026.\n\n Assessment Capacities Project.\n\n Pagina 15 van het algemeen ambtsbericht april 2025.\n\n ACAPS, Humanitarian access overview 2024, pagina 5.\n\n ACAPS, Yemen: Possible escalation pathways and anticipated humanitarian impacts, 1 april 2026.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:17489.\n\n Civilian Impact Monitoring Project.\n\n CIMP, 2025 annual report, 1 January – 31 December 2025, pagina 2 en 5.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:5729, r.o. 13.2.\n\n Brief VluchtelingenWerk Nederland, “Jemen – Humanitaire situatie”, 29 januari 2026.\n\n Overweging 278, 282 en 283.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18242","2026-07-13T00:29:39.213Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":83,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":85},"908","ECLI:NL:RBDHA:2026:18489","ecli-nl-rbdha-2026-18489","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL25.60316 (beroep) en NL25.60317 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiseres] , geboren op [geboortedag] 1958, van Syrische nationaliteit,\n\neiseres en verzoekster, hierna: eiseres (gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter in deze uitspraak het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hieronder legt de rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft zij verzocht om een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat zij de behandeling van haar beroep in Nederland mag afwachten.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, J. Labban als tolk in de taal Syrisch-Arabisch en de gemachtigde van de minister.\n\n2.3.. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nAchtergrond en asielrelaas\n\n3. Eiseres heeft in juni 2023 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Zij heeft de uitkomst van die procedure niet afgewacht en is in november 2023 naar de Verenigde Staten gegaan, waar een zoon van haar woont. De zoon van eiseres had namelijk een Permanent Resident Card(ook wel ‘Green Card’) voor haar geregeld. In 2024 is eiseres teruggegaan naar Syrië omdat ze ruzie had met de echtgenote van haar zoon in de Verenigde Staten. In november 2025 heeft ze opnieuw asiel aangevraagd in Nederland. Eiseres legt aan haar huidige asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is helemaal alleen in Syrië. Ook voelt zij zich daar niet veilig als christen. Er zijn twee incidenten geweest waarbij haar kruisketting van haar nek is getrokken.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres kan namelijk op grond van haar Green Card terugkeren naar de Verenigde Staten, dat voor haar als veilig derde land geldt. De minister heeft zich gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Dat eiseres haar Green Card niet langer in haar bezit heeft, maakt niet dat zij niet kan terugkeren naar de Verenigde Staten. Uit de website van de Amerikaanse overheid volgt namelijk dat het mogelijk is een tijdelijk reisdocument aan te vragen in geval van verlies of diefstal van de Green Card. Eiseres kan dit ook doen. Niet is gebleken waarom dit voor haar niet mogelijk zou zijn.\n\nGronden\n\n5. Eiseres voert aan dat de minister haar aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat eiseres in de Verenigde Staten als vluchteling is erkend of daar anderszins bescherming geniet.\n\nDaarnaast voert eiseres aan dat haar Green Card niet meer geldig is. Een Green Card kan ingetrokken worden als iemand lang buiten de Verenigde Staten verblijft of naar een ander land gaat met de bedoeling daar permanent te verblijven. Dat is hier duidelijk het geval, aangezien eiseres lang buiten de Verenigde Staten heeft verbleven en hier in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend.\n\nJuridisch kader\n\n6. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard worden als de vreemdeling die die aanvraag heeft ingediend erkend is als vluchteling in een derde land en hij die bescherming nog kan genieten of anderszins voldoende bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement, en opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten.\n\nIs voldaan aan de voorwaarden van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000?\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn besluit, waarmee hij de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard, onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister heeft zich gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, maar heeft niet onderbouwd dat is voldaan aan de voorwaarden van dat artikel. De minister heeft namelijk niet onderbouwd dat eiseres in de Verenigde Staten de vluchtelingenstatus heeft of anderszins voldoende bescherming geniet daar.\n\n7.1.. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister in dit kader toegelicht dat de minister ervan is uitgegaan dat eiseres de vluchtelingenstatus heeft in de Verenigde Staten omdat zij een Green Card heeft gekregen en dat het aan eiseres is om deze aanname te ontkrachten. De rechtbank gaat hier echter niet in mee. Het is aan de minister om door hem genomen besluiten te onderbouwen. De minister kan in dit geval niet volstaan met een aanname en de bewijslast voor de ontkrachting daarvan vervolgens bij eiseres leggen.\n\n7.2.. De rechtbank ziet ook onvoldoende onderbouwing voor de aanname van de minister. Dat eiseres een Green Card heeft, wil nog niet zeggen dat zij ook een vluchtelingenstatus heeft in de Verenigde Staten. Eiseres heeft tijdens de zitting verklaard dat zij niet weet op welke grond de Green Card aan haar is toegekend. Haar zoon had de Green Card namelijk voor haar geregeld en eiseres zelf spreekt geen Engels, waardoor zij hierover ook geen informatie tot zich heeft kunnen nemen. De rechtbank ziet in het dossier verder ook geen andere aanwijzingen die de aanname van de minister, dat eiseres een asielstatus heeft in de Verenigde Staten, kunnen staven. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd.\n\n7.3.. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag van eiseres te nemen. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat de minister opnieuw onderzoek moet doen naar de asielaanvraag van eiseres en de bestuurlijke lus zich niet leent voor een dergelijke situatie waarin nog onderzoek gedaan moet worden.\n\n9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.\n\n10. Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding meer voor de door eiseres gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe daarom af.\n\n11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.\n\n De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak NL25.60316:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 2 december 2025;\n\ndraagt de minister op binnen na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak NL25.60317:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDe rechtbank, in beide zaken:\n\n- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18489","2026-07-13T00:28:54.083Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":90,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":91,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":34,"updatedAt":92},"1799","ECLI:NL:RBDHA:2026:18225","ecli-nl-rbdha-2026-18225","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL24.40471\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1985, van Jemenitische nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. L.A. Jager).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.\n\n1.1.. Bij besluit van 19 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Bij hetzelfde besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken uitgevaardigd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft aanvullende stukken ingediend.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, M. Kurdi als tolk in de taal Arabisch-Jemenitisch en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser is afkomstig uit de stad Sana’a, in Jemen. In 2007 is hij voor werk vertrokken naar Saoedi-Arabië, waar hij als privéchauffeur werkzaam was. Sindsdien keerde hij jaarlijks terug naar Sana’a voor ongeveer vier tot vijf maanden, omdat zijn echtgenote en twee zoons daar nog wonen.\n\n4.1.. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende relaas ten grondslag gelegd. Tussen 2020 en 2023 is eiser op vijf momenten dat hij in Jemen bij zijn gezin was door de Houthi's afgeperst. De laatste keer dat eiser werd afgeperst is hij mishandeld en moest hij geld halen voor de Houthi’s. Eiser gaf aan dit niet te doen, en besloot daarop in april\u002Fmei 2022 het land definitief te verlaten. Eiser vreest bij terugkeer zowel voor de Houthi’s als voor de bombardementen in het gebied waar hij vandaan komt.\n\nBesluitvorming\n\n5. Volgens de minister bestaat het relaas uit de volgende relevante elementen:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; en,\n\n2. Problemen met de Houthi’s.\n\n5.1.. De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Volgens de minister zijn de problemen met de Houthi’s niet geloofwaardig, nu eiser niet duidelijk en op chronologische wijze kan verklaren over de verschillende incidenten. Ook kan eiser niet duidelijk verklaren over de redenen waarom hij specifiek in de belangstelling zou staan. Dit betreft volgens de minister een aanname van de kant van eiser. Ook werpt de minister aan eiser tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn negatieve uitlatingen naar de Houthi’s toe. Verder acht de minister het ongerijmd dat eiser meerdere keren is teruggekeerd naar Jemen nadat de problemen waren begonnen.\n\n5.2.. Volgens de minister is op grond van het landenbeleid in heel Jemen op dit moment sprake van de ‘minder uitzonderlijke situatie’ van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het is daarom aan eiser om op basis van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken waarom specifiek hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Volgens de minister is eiser daarin niet geslaagd. Het enkele feit dat eiser in een gebied woonde waar de Houthi’s aan de macht zijn, is daarvoor niet voldoende. Ook werpt de minister tegen dat eiser niet eerder dan met de correcties en aanvullingen naar voren heeft gebracht dat hij vreest voor bombardementen.\n\nMedisch advies\n\n6. Eiser stelt allereerst dat de minister in strijd met zijn eigen beleid en met artikel 24, eerste lid, van de Procedurerichtlijnheeft gehandeld door geen medisch advies aan te bieden. Hierdoor kan niet worden uitgegaan van de verklaringen van eiser.\n\n6.1.. De minister stelt zich echter op het standpunt dat de Procedurerichtlijn geen verplichting kent tot het afnemen van een medisch advies, maar dat de minister enkel moet kijken of eiser bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Volgens de minister betekent dit dat extra alertheid altijd geboden is. In het geval van eiser is niet gebleken dat hij niet afdoende coherent en consistent kan verklaren. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat sprake is van medische problematiek. Eiser heeft aangegeven dat hij in staat was het gehoor te doen. Verder is door de gehoormedewerker gevraagd of het goed met hem ging en er zijn pauzes genomen.\n\n6.2.. De rechtbank overweegt dat volgens artikel 24 van de Procedurerichtlijn de minister moet beoordelen of een vreemdeling die om internationale bescherming verzoekt, bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Artikel 24, eerste lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd in artikel 3.108b van het Vb. Daarin is bepaald dat voorafgaand aan of tijdens het onderzoek naar de asielaanvraag wordt beoordeeld of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.108b van het Vb kan worden afgeleid dat het erom gaat dat medewerkers van de INDalert zijn om signalen te herkennen dat de vreemdeling ondersteuning behoeft. Uit de toelichting volgt dat de besluitgever een medisch advies een belangrijk middel acht om te beoordelen of er belemmeringen zijn waarmee tijdens het horen en beslissen rekening dient te worden gehouden.De wetgever heeft echter in artikel 3.109, vijfde lid, van het Vb expliciet bepaald dat vreemdelingen van wie de eerste asielaanvraag in spoor 4 wordt behandeld, gedurende de rust- en voorbereidingstermijn een ‘medisch advies horen en beslissen’ krijgen aangeboden.Dit is niet verplicht als de vreemdeling uit een veilig land van herkomst komt.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister in strijd met het Vb ten onrechte geen medisch advies heeft aangeboden aan eiser nu zijn asielaanvraag in spoor 4 is behandeld. Dat volgt ook uit de eigen werkinstructie van de minister. De rechtbank is van oordeel dat het niet aanbieden van een medisch advies in eisers geval leidt tot een zorgvuldigheidsgebrek in de besluitvorming.\n\n6.4.. Dat eiser door deze werkwijze niet in zijn belangen is geschaad, volgt de rechtbank niet en legt dat hierna uit. De rechtbank citeert de volgende relevante passages uit het nader gehoor:\n\n“Wanneer was dat precies?\n\nWeet ik niet.\n\nWeet u misschien in welke maand dit had plaatsgevonden?\n\nWeet ik ook niet zo goed. Wij werken niet met datums daar. We onthouden geen datums daar. Wij besteden geen aandacht aan datums, daarom heb ik een papiertje met datums.\n\n(…)\n\nHet tweede incident was het incident dat u op de cat markt werd aangesproken. Dat is een ander verhaal? Kunt u dit toelichten?\n\nIk heb moeite met de datum. Dan was het de eerste keer dat ik me heb uitgelaten met vrienden. de tweede keer was ik met de wijkhoofd. De derde keer was het de cat-markt. De vierde keer was het bij de college [naam] .\n\nIk kan me nog wel ergens voorstellen dat het lastig om precieze datums terug te halen. Echter, ik vind het nu wel lastig om te plaatsen dat u gebeurtenissen omhusselt. Kunt u toelichten waarom u dit doet?\n\nHet kan wel eens voorkomen dat mensen dingen door elkaar halen. Ik weet soms niet eens wat ik gisteren heb gegeten. We praten nu over 2020-2021. Ik raak een beetje in de war.\n\nOpmerking rapporteur: ik merk dat betrokkene wat verward kijkt.\n\n(…)\n\nWaardoor komt het dat u soms helemaal in de war raakt en het helemaal niet meer weet?\n\nMisschien vergeetachtigheid. Ik weet het niet. Psychische druk al twee jaar. Ik zie mijn gezin niet, alleen op mijn mobiele telefoon. Het tast alles aan in je hoofd.”\n\n6.5.. De aangehaalde passages wekken bij de rechtbank de indruk dat eiser moeite heeft met tijdsaanduiding. Ook geeft eiser aan in de war te zijn. De rechtbank merkt op dat tijdsbenadering de belangrijkste tegenwerping van de minister vormt in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank leest net als de minister in het verslag van het gehoor dat eiser drie keer over een ander incident heeft verklaard als reden voor zijn vertrek. Echter, zonder vast te hebben gesteld of bij eiser beperkingen speelden die ertoe hebben geleid dat hij niet goed kon verklaren over zijn asielrelaas, kan de minister deze verklaringen niet aan eiser tegenwerpen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat eiser door het zorgvuldigheidsgebrek in zijn belangen is geschaad.\n\nLandenbeleid voor Jemen\n\n7. Ook stelt eiser zich op het standpunt dat uit landeninformatieblijkt dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen en specifiek in de hoofdstad Sana’aniet lijkt te zijn veranderd sinds het sluiten van het bestand. In 2023 steeg het aantal burgerslachtoffers. Ook wijst eiser erop dat door aanvallen van Israël de Houthi’s agressiever zijn geworden.\n\n7.1.. De rechtbank zal, alvorens deze beroepsgrond te bespreken, het beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.\n\nJuridisch kader\n\n8. In de uitspraak van 17 juli 2024heeft de Afdelinghet toetsingskader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn naar aanleiding van het arrest X en Y.van het Hofuiteengezet. Uit dit arrest volgt dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn allereerst gaat over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld, in het kader van een gewapend conflict, zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Het Hof legt verder uit dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn ook betrekking kan hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.\n\n8.1.. De minister neemt als gevolg van het arrest X en Y. en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 drie verschillende gradaties aan van willekeurig geweld.De drie gradaties zijn:\n\nuitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;\n\nrelatief hoger niveau van willekeurig geweld; en,\n\nrelatief lager niveau van willekeurig geweld.\n\n8.2.. Het Hof heeft in het arrest CF en DN van 10 juni 2021, elementen genoemd die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Bij deze beoordeling moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen:\n\nde vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;\n\nde vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;\n\nde vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;\n\nde vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;\n\nde intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten; en,\n\nde aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.\n\nHet landenbeleid voor Jemen ten tijde van het besluit van 19 september 2024\n\n9. Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. In de Kamerbrief van 18 maart 2024 heeft de minister de Tweede Kamer geïnformeerd over de aanpassing van het landenbeleid ten aanzien van Jemen.In deze brief licht de minister toe dat er aanleiding bestaat om niet langer uit te gaan van de hoogste mate van willekeurig geweld in Jemen. Aanleiding hiervoor was dat uit het Algemeen Ambtsbericht Jemen van september 2023 blijkt dat het de facto bestand over de hele verslagperiode heeft geleid tot een substantiële daling van gevechtshandelingen. Dit heeft geleid tot een relatief laag aantal doden en gewonden onder de burgerbevolking. Volgens de minister speelden humanitaire omstandigheden in deze beoordeling slechts een rol als sprake is van de uitzonderlijke situatie dat strijdende partijen in een gewapend conflict bewust catastrofale humanitaire omstandigheden creëren als oorlogsmethodiek en dit onderdeel is van het willekeurig geweld. In dit beleid maakte de minister geen onderscheid tussen de verschillende regio’s in Jemen.\n\nUitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025\n\n10. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft namelijk in de globale beoordeling ten onrechte de slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten, de recente confrontaties en het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen niet kenbaar betrokken. Uit actuele landeninformatie blijkt dat de daling van het aantal burgerslachtoffers sinds het de facto bestand onder druk is komen te staan en dat de intensiteit van het gewapende conflict tussen diverse strijdende actoren weer is toegenomen. Ook is de minister in de beoordeling niet expliciet ingegaan op de daadwerkelijke bestemming of woongebied bij terugkeer.\n\n10.1.. De Afdeling heeft verder geoordeeld dat de minister in deze beoordeling ten onrechte niet de humanitaire omstandigheden heeft betrokken die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en\u002Fof het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen. Daarbij acht de Afdeling relevant dat uit het ambtsbericht volgt dat Houthi-rebellen toegang tot humanitaire hulp weigeren, dat toegang daartoe in sommige gevallen non-existent is en dat er veel incidenten plaatsvinden waarbij humanitaire toegang wordt gehinderd. Naar het oordeel van de Afdeling zijn humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend in de globale beoordeling van een uitzonderlijke situatie. Slechts humanitaire omstandigheden als gevolg van het klimaat en natuurlijke fenomenen, zoals droogte en overstromingen, zijn in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet relevant. Deze kunnen een rol spelen in de meer algemene beoordeling onder artikel 3 van het EVRM.\n\nHet bestreden besluit van 19 september 2024\n\n11. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan beleid dat op grond van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 geen stand kan houden. De rechtbank verklaart het beroep mede daarom gegrond en vernietigt het besluit van 19 september 2024.\n\n11.1.. De minister heeft in het verweerschrift en op de zitting het standpunt ingenomen dat hierdoor weliswaar sprake is van een motiveringsgebrek, maar dat de herbeoordeling naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 en het meest recente Algemeen Ambtsbericht Jemen van 18 april 2025 niet heeft geleid tot de conclusie dat voor Jemen alsnog moet worden uitgegaan van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. De minister heeft daarom verzocht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.\n\n11.2.. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de minister in beroep alle relevante feitelijke omstandigheden in zijn globale beoordeling heeft betrokken en zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in Jemen, en daarbij specifiek de stad Sana’a, sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld (de minder uitzonderlijke situatie).\n\nGewijzigd landenbeleid Jemen en Sana’a stad\n\n12. Naar aanleiding van het nieuwe Algemeen Ambtsbericht van 18 april 2025 en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 heeft de minister het landgebonden beleid voor Jemen op 17 oktober 2025 gewijzigd.In de kamerbrief van 8 oktober 2025en de daarin genoemde bijlage 15c beoordeling Jemen, heeft de minister de wijzigingen toegelicht. Anders dan in het vorige landgebonden beleid is voor elke provincie in Jemen afzonderlijk beoordeeld welke gradatie van willekeurig geweld wordt aangenomen. De nieuwe beoordeling heeft er niet toe geleid dat een hoger niveau van willekeurig geweld (de meest uitzonderlijke situatie) voor Jemen wordt aangenomen. De minister neemt voor Sana’a (stad) aan dat er sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.\n\nBeoordeling rechtbank\n\nTen aanzien van de humanitaire omstandigheden\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen deugdelijke beoordeling heeft gemaakt van de humanitaire omstandigheden die het direct of indirect gevolg zijn van het handelen en\u002Fof het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen en overweegt daartoe als volgt. Allereerst is de minister uitgegaan van een onjuiste interpretatie van de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 en heeft hij daarmee een te beperkt toetsingskader gehanteerd. De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat niet aannemelijk is dat handelingen die slechts indirect gevolgen hebben voor de humanitaire situatie, wanneer zij globaal in de beoordeling worden betrokken, tot een fundamenteel andere weging zullen leiden. De minister wijst erop dat de voorbeelden die de Afdeling zelf noemt handelingen zijn die directe gevolgen hebben voor de humanitaire omstandigheden die plaatsvinden in het kader van willekeurig geweld. De rechtbank acht deze uitleg te strikt. De rechtbank kan de minister volgen voor zover hij zich op het standpunt stelt dat humanitaire omstandigheden niet zonder meer doorslaggevend zijn. Zoals volgt uit het arrest CF en DN moeten de relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en vormen humanitaire omstandigheden slechts één van de elementen die in samenhang beoordeeld moeten worden. Elk van deze elementen kan in de uiteindelijke afweging meer of minder gewicht in de schaal leggen.De rechtbank leest echter nergens in de uitspraak van 16 juli 2025 dat handelingen die slechts indirecte gevolgen hebben, per definitie minder zwaar wegen in de beoordeling dan handelingen met directe gevolgen voor de humanitaire situatie. Dat de Afdeling in haar uitspraak enkel voorbeelden noemt van handelingen met directe gevolgen voor de humanitaire omstandigheden, betekent niet dat uitsluitend dergelijke directe gevolgen relevant kunnen zijn. Indirecte gevolgen van het handelen van strijdende partijen, zoals de vernietiging van wegen, havens of andere infrastructuur waardoor humanitaire hulp de bevolking niet bereikt, kunnen immers in de praktijk eenzelfde effect hebben als het rechtstreeks blokkeren van hulpverlening.\n\n13.1.. De rechtbank volgt evenmin het standpunt van de minister dat bij de beoordeling van humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn een temporele beperking geldt. De rechtbank leest in de kamerbrief en het verweerschrift dat de minister humanitaire omstandigheden als gevolg van de cumulatieve gevolgen van een al jarenlang voortdurend conflict of de nasleep daarvan na beëindiging niet betrekt bij de beoordeling.Op de zitting is dit standpunt aldus toegelicht dat volgens de minister uit punten 40, 42, 43, 44 en 45 van het arrest X en Y. volgt dat bij de beoordeling van humanitaire omstandigheden het voornamelijk moet gaan om een actieve actor die gedurende de verslagperiode invloed uitoefent op de humanitaire situatie. Aan omstandigheden die in het verleden zijn ontstaan kent de minister minder gewicht toe. De rechtbank leest in het arrest X en Y., noch in de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, terug dat het bij de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn om een actieve actor moet gaan. Uit de rechtspraak volgt slechts dat humanitaire omstandigheden die in het geheel geen verband houden met willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, buiten deze beoordeling kunnen blijven. De rechtbank merkt hierbij op dat voor de andere elementen uit het arrest CF en DN ook geen temporele beperking geldt. De rechtbank ziet niet in waarom een dergelijk onderscheid voor humanitaire omstandigheden wel zou gelden.\n\n13.2.. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet goed heeft gemotiveerd in welke mate de slechte humanitaire omstandigheden in Jemen te wijten zijn aan de strijdende partijen. Op pagina 1 tot en met 3 van de bijlage 15c beoordeling Jemen zet de minister de humanitaire situatie in Jemen uiteen en concludeert dat in sommige situaties de humanitaire situatie direct wordt beïnvloed door de gehanteerde oorlogsmethoden van de strijdende partijen, maar ook dat de slechte humanitaire omstandigheden gezien moet worden in de context dat Jemen al voor de start van de burgeroorlog een slechte humanitaire situatie kende en ook toen al werd gezien als het meest kwetsbare land in het Midden-Oosten.De rechtbank acht deze motivering niet deugdelijk en zal dit hieronder aan de hand van het Algemeen Ambtsbericht van 18 april 2025 en de overige in de bijlage opgenomen landeninformatie nader toelichten.\n\n13.3.. De rechtbank leest in het algemeen ambtsbericht dat Jemen een land is dat gedurende een lange periode geteisterd is door gewapend conflict, armoede, voedseltekorten en honger, tribale tegenstellingen en economische malaise.Bovenop de al lange tijd bestaande en voortdurende humanitaire kwetsbaarheden die hieruit voortvloeiden, meldt het ambtsbericht dat de leefomstandigheden tijdens de verslagperiode verder verslechterden door de crisis in de Rode Zee. De militaire escalatie daar leidde tot een aanzienlijke daling van aantallen vrachtschepen die Jemen aandeden. Dit gold zowel voor het gebied onder controle van de IRGals van de Houthi-beweging. Volgens data van de Integrated Food Security Phase Classification waren eind 2024 meer dan 600.000 Jemenitische kinderen in het door de IRG gecontroleerde deel van het land ernstig ondervoed en bijna 120.000 kinderen acuut ondervoed - een stijging van 34 procent vergeleken met 2023. Beide delen van Jemen kampten met een blijvend hoge voedselinstabiliteit. Het percentage inwoners dat leed onder onvoldoende voedselconsumptie lag volgens een rapportage van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VNin december 2024 in regeringsgebied iets hoger (52,3%) dan in Houthi-gebied (43,0%).\n\n13.4.. Het algemeen ambtsbericht meldt verder dat de strijdende partijen doelbewust aanvallen uitvoerden op landbouwgebieden, irrigatiewerken, vee, levensmiddelenopslag, waterinfrastructuur en vissersboten en -uitrusting. De toegang tot water en voedsel werd daarmee voor de bevolking van de getroffen gebieden ernstig bemoeilijkt. De Houthi’s zouden rond frontlijnen op grote schaal landmijnen hebben verspreid in bewoonde gebieden en in landbouwgebieden, waardoor deze onbruikbaar werden voor voedselproductie. Ook legden zij op grote schaal restricties op aan humanitaire hulpverlening, waaronder voedseldistributie. Het algemeen ambtsbericht meldt verder dat strijdende partijen de toegang tot humanitaire hulp dwarsbomen. Uit bronnen komt volgens het algemeen ambtsbericht het beeld naar voren dat met name de Houthi-beweging de toegang tot basisbehoeften als watervoorziening en humanitaire hulp, als wapen in de strijd gebruikten. Ook in het volledig door de Houthi-beweging gecontroleerde deel van Jemen bleef zij tijdens de verslagperiode de toegang van burgers tot humanitaire hulp dusdanig bemoeilijken, dat het hun voedselzekerheid negatief beïnvloedde. Daarbovenop pasten zij restricties toe op vrouwelijke hulpverleners. Het Wereldvoedselprogramma van de VN (World Food Programme, WFP) pauzeerde vanaf december 2023 een groot deel van de voedselhulp in Houthi gebied voor zes maanden.De levering van humanitaire goederen werd verder bemoeilijkt doordat Israëlische luchtaanvallen kritieke infrastructuur in Houthi-gebied beschadigden, waaronder de havens van Al Hudayda en Saleef, de luchthaven van Sana’a en energie installaties - waardoor steden als Sana’a en Al Hudayda langere tijd geen elektriciteit hadden. De haven van Al Hudayda, de belangrijkste aanvoerhaven voor humanitaire goederen, functioneerde nog slechts op 30% van zijn operationele capaciteit.\n\n13.5.. De rechtbank overweegt dat in de kamerbrief en de daaraan ten grondslag liggende bijlage niet inzichtelijk is gemotiveerd op welke wijze de hiervoor genoemde informatie is betrokken bij de conclusie dat de humanitaire situatie in Jemen niet in overwegende mate is veroorzaakt door de handelingen van de strijdende partijen. Uit de beschikbare informatie blijkt onder meer dat deze partijen de toegang tot voedsel en water ernstig beperken, de toegang tot humanitaire hulpverlening op grote schaal belemmeren en voedsel- en watervoorzieningen aanvallen. Daarbij wijst de rechtbank erop dat, hoewel Jemen te maken heeft met natuurlijke fenomenen zoals droogte en overstromingen, het feit dat de helft van de Jemenitische bevolking te kampen heeft met voedselonzekerheid vooral lijkt samen te hangen met het handelen van de strijdende partijen. Jemen importeert, net zoals meer landen in die regio, 80% van zijn voedselbehoefte waardoor het land kwetsbaar is voor aanvallen op voedselvoorzieningen en havens. Handelingen van strijdende partijen in een land dat al kwetsbaar is, hebben een grotere impact op de humanitaire situatie. De minister heeft nagelaten dit te betrekken bij zijn beoordeling. In dit verband heeft de rechtbank op de zitting ook gewezen op recente informatie van Human Rights Watch van 8 januari 2026waaruit volgt dat de Houthi-autoriteiten de afgelopen 18 maanden ten minste 69 VN-medewerkers en tientallen medewerkers van maatschappelijke organisaties willekeurig hebben vastgehouden. De toename van het aantal arrestaties van leden van maatschappelijke organisaties en VN-agentschappen door de Houthi's dreigt de humanitaire hulpcrisis in Jemen te verergeren. Verder meldt Human Rights Watch dat het Wereldvoedselprogramma en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN waarschuwen dat de al kritieke acute voedselonzekerheid naar verwachting verder zal verslechteren in de prognoseperiode (november 2025 tot mei 2026), waarbij delen van de bevolking in vier districten onder controle van de Houthi's naar verwachting met een catastrofe te maken zullen krijgen.\n\n13.6.. Ook merkt de rechtbank op dat in de enige bron in de bijlage die duidt op een verbetering van de humanitaire situatie, wordt verwezen naar informatie van de ngo ACAPSdie tussen 2023 en 2024 een lichte verbetering in de toegang tot humanitaire hulp constateerde: in 2024 gaf ACAPS Jemen het cijfer 4 (‘zeer hoge toegangsbeperkingen’) en in 2023 was het nog een 5 geweest (‘extreme toegangsbeperkingen’).De rechtbank leest niet in de kamerbrief terug hoe de minister deze informatie heeft afgewogen tegen de onder 12.4. tot en met 12.6. opgenomen informatie. Ook valt het de rechtbank op dat in deze bron tegelijkertijd staat vermeld dat toegang tot humanitaire hulp in Jemen niet is verbeterd of verslechterd, maar hetzelfde is gebleven als in 2023.Bovendien blijkt uit recente informatie van het ACAPS van 1 april 2026dat Jemen weer een 5 op een schaal van 0 tot 5 scoort. Dit duidt volgens ACAPS op ernstige en aanhoudende belemmeringen voor humanitaire toegang, waaronder incidenten van onveiligheid, controleposten en toegangsweigeringen die het verkeer door het land beperken en waarschijnlijk zullen verergeren na mogelijke escalaties. Het ACAPS meldt dat Jemen wereldwijd één van de meest humanitair ontoegankelijke gebieden blijft.\n\n13.7.. De rechtbank overweegt ten aanzien van Sana’a stad dat de minister in de Kamerbrief en de onderliggende stukken weliswaar ingaat op de algemene humanitaire situatie in Jemen, maar in strijd met het arrest CF en DN onvoldoende kenbaar heeft beoordeeld of de humanitaire omstandigheden specifiek in Sana’a stad maken dat daar sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister is pas in het verweerschrift ingegaan op de humanitaire situatie in de stad. Daarin licht de minister toe dat Sana’a in het ambtsbericht niet wordt genoemd als één van de provincies die het meest met voedselonzekerheid kampen. Ook betrekt de minister dat in 2024 volgens ACAPS een lichte verbetering van toegankelijkheid humanitaire hulp heeft plaatsgevonden en dat uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat met name de zuidelijke provincies over het geheel genomen betere toegang hebben van hulporganisaties. Deze aanvullende motivering houdt gelet op hetgeen hiervoor staat onder 13.4.-13.7. geen stand. De minister dient bij een nieuw te maken beoordeling inzichtelijk te motiveren hoe de humanitaire situatie in Sana’a stad moet worden gewogen in het licht van de recente en dreigende escalaties, de aanvallen op kritieke infrastructuur, en dat de toegang tot humanitaire hulp in Sana’a beperkt en in sommige gevallen non-existent is.\n\n13.8.. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister met de enkele overweging dat Jemen ook voor de burgeroorlog in 2015 een slechte humanitaire situatie kende, niet deugdelijk in kaart heeft gebracht in hoeverre de humanitaire situatie is gecreëerd, in stand gehouden dan wel verergerd door het direct of indirect handelen en\u002Fof nalaten van de strijdende partijen. De rechtbank merkt ook op dat de minister niet kenbaar in is gegaan op de eerdere uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 oktober 2024waarin aan de minister is meegegeven acht te slaan op het rapport van The World Organisation Against Torture van september 2022, waarin wordt geconcludeerd dat “Yemen’s cataclysmic humanitarian situation is entirely manufactured”.\n\nTen aanzien van de algehele veiligheidssituatie\n\n14. De rechtbank is verder van oordeel dat naast dat de minister opnieuw dient te motiveren hoe de humanitaire omstandigheden in Jemen meewegen in de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, de minister daarbij ook opnieuw een beoordeling van de actuele geweldssituatie dient te verrichten. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het jaarrapport van 2025 van het CIMPvolgt dat tussen 1 januari en 31 december 2025 sprake was van een significante stijging van het aantal burgerslachtoffers (2.653) in Jemen, meer dan een verdubbeling ten opzichte van 2024 (1.201). Het gaat om het op twee na hoogste aantal dat CIMP ooit heeft geregistreerd. Uit het rapport volgt dat deze stijging verband hield met een toename van de vijandelijkheden in de Rode Zee en de bredere regio. Vooral luchtaanvallen zorgden voor veel slachtoffers. De bombardementen vonden niet voortdurend plaats, maar keerden wel steeds terug in reactie op nieuwe escalaties in de regio.Bij een nieuw te verrichten beoordeling moet de minister de verdubbeling van het aantal slachtoffers en de toename van vijandelijkheden in de regio, in samenhang met andere elementen van het arrest CF en DN, betrekken.\n\n14.1.. In het verweerschrift heeft de minister uiteengezet dat de door ACLED geregistreerde aantallen gevechten in Sana’a in 2023 en 2024 minimaal bleven en dat niet is gebleken van recente wijzigingen in de veiligheidssituatie in Sana’a stad.De rechtbank heeft echter ter zitting gewezen op recente cijfers uit het CIMP-jaarrapport 2025. Daaruit volgt dat Sana’a stad in 2025 voor het eerst het gouvernement was met het hoogste aantal burgerslachtoffers, namelijk 724. In 2024 lag dit aantal nog op 47 slachtoffers.Daarmee kende Sana’a stad het hoogste aantal burgerslachtoffers van het land. Daarnaast vermeldt het rapport dat in Sana’a stad de luchtaanvallen in 2025 zijn geïntensiveerd, hetgeen heeft geleid tot schade aan infrastructuur, waaronder havens, elektriciteitscentrales en luchthavens.Voorts blijkt uit het rapport dat Sana’a stad en de omliggende gebieden verantwoordelijk waren voor bijna driekwart (73 procent) van de burgerslachtoffers in Jemen die in woningen werden geregistreerd, namelijk 536 slachtoffers. Dit hield voornamelijk verband met toenemende luchtaanvallen op dichtbevolkte stedelijke gebieden.De minister dient bij de nieuwe beoordeling van de veiligheidssituatie in Sana’a stad rekening te houden met de meer dan 15-voudige toename van het aantal burgerslachtoffers, alsmede met recente informatie waaruit blijkt dat dichtbevolkte stedelijke gebieden in toenemende mate doelwit zijn van aanvallen.\n\nIndividuele omstandigheden bij een relatief hoger niveau van willekeurig geweld\n\n15. Eiser stelt zich op het standpunt dat, ook al zou geen sprake zijn van de meest uitzonderlijke situatie, de minister ten onrechte stelt dat geen sprake is van een individuele situatie en persoonlijke omstandigheden op grond waarvan eiser risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Uit het algemeen ambtsbericht van april 2025 volgt namelijk dat de situatie van terugkeerders uit Europa naar Jemen nog steeds onbekend is.\n\n15.1.. De rechtbank constateert dat de minister voor het eerst in het verweerschrift de daadwerkelijke bestemming van terugkeer van eiser heeft benoemd, te weten Sana’a stad. Daarmee is het bestreden besluit in het licht van het arrest CF en DN niet deugdelijk gemotiveerd. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister verzocht dit gebrek te passeren dan wel de rechtsgevolgen in stand te laten. De minister stelt zich op het standpunt dat een individueel risico niet aannemelijk is, omdat eiser sinds 2007 elk jaar naar Jemen is teruggekeerd en in 2023 legaal naar EU-gebied is gereisd. Volgens de minister zijn deze omstandigheden aanwijzingen dat eiser niet bijzonder kwetsbaar is.\n\n15.2.. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee onvoldoende is ingegaan op de landeninformatie over terugkeerders uit Europa en de Golfstaten, en daarmee niet alle voor de beoordeling relevante feitelijke omstandigheden heeft betrokken. De rechtbank overweegt dat de minister onvoldoende is ingegaan op de informatie uit het algemeen ambtsbericht waaruit volgt dat er nauwelijks tot geen concrete informatie beschikbaar is over uitgeprocedeerde asielzoekers die vanuit Europa of andere westerse landen naar Jemen terugkeren, noch over personen die vanuit het buitenland zakelijke belangen hebben en regelmatig tijdelijk naar Jemen terugreizen. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser heeft gesteld dat hij geen werk meer heeft in Saoedi-Arabië en derhalve geen inkomen meer geniet. Dit terwijl de rechtbank ambtshalve bekend is met informatie van VluchtelingenWerk Nederland waaruit volgt dat terugkeerders in Jemen te maken kregen met dezelfde omstandigheden als ontheemden en bijna volledig afhankelijk zijn van humanitaire hulp.Verder blijkt uit een brief van VluchtelingenWerk Nederlanddat Jemenitische arbeiders in Saoedi-Arabië die gedwongen terugkeren wegens werkloosheid of uitzetting, bij terugkeer worden geconfronteerd met geweld en een verhoogde kwetsbaarheid voor mensenhandel. Volgens [persoon] kunnen terugkeerders uit de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië te maken krijgen met veiligheidsproblemen en kunnen ze verdacht worden in de door de Houthi's gecontroleerde gebieden. In dit kader is relevant dat eiser verklaart problemen te hebben met Houthi’s omdat ze af wisten van zijn werk in Saoedi-Arabië en eiser betichtten van spionage.\n\nConclusie 15c-beoordeling\n\n16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet inzichtelijk is geworden hoe de elementen uit het arrest CF en DN alles tezamen hebben geleid tot de conclusie dat in Jemen, specifiek de hoofdstad Sana’a, geen sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. De minister heeft niet op deugdelijke wijze de humanitaire omstandigheden betrokken en daarmee niet in lijn gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Ook heeft de minister onvoldoende onderzocht en gemotiveerd op welke wijze de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eiser kunnen leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld bij terugkeer naar Jemen.\n\nArtikel 3 van het EVRM\n\n17. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de minister niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling in haar uitspraak van 16 juli 2025 door niet te beoordelen of de humanitaire omstandigheden in Jemen die geen verband houden met willekeurig geweld, strijd opleveren met artikel 3 van het EVRM. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat als erbarmelijke humanitaire omstandigheden uitsluitend of zelfs hoofdzakelijk te wijten zijn aan armoede of natuurlijke verschijnselen, zoals droogte, dan kan slechts sprake zijn van een schending van artikel 3 EVRM in “very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling”. Wanneer natuurlijke verschijnselen echter hebben bijgedragen aan erbarmelijke humanitaire omstandigheden, maar deze voornamelijk zijn te wijten aan directe en indirecte acties van de partijen bij een conflict dan moet de minister beoordelen of een vreemdeling bij terugkeer in staat zal zijn: “to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.”De verwijzing van de minister ter zitting naar de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn volstaat niet, nu de toets onder artikel 3 van het EVRM een autonome beoordeling betreft en de minister in de 15c-beoordeling niet is ingegaan op de vraag of eiser in staat zal zijn “to cater for his most basic needs”.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. De rechtbank is concluderend van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gebreken geen aanleiding om deze gebreken te passeren of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Eiser moet namelijk medisch onderzocht worden en vervolgens opnieuw gehoord worden. Bij het opnieuw beslissen op de asielaanvraag van eiser moet de minister rekening houden met de omstandigheid dat eiser tijdens het nader gehoor van 28 mei 2024 heeft aangegeven niet goed te kunnen verklaren omdat hij in de war was. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken.\n\n19. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van zijn beroep. Deze vergoeding stelt de rechtbank vast op\n\n € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.Beslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; en,\n\n-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, voorzitter, en mr. Y. Moussaoui en mr. N. Boonstra, leden, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Richtlijn 2013\u002F32\u002FEU.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Immigratie- en Naturalisatiedienst.\n\n Nota van toelichting, p. 23-25; Stb. 2015, 294.\n\n Zie ook Werkinstructie 2024\u002F9: Medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure.\n\n Artikel 3.109ca, eerste lid, van het Vb.\n\n Pagina 11.\n\n Pagina 15.\n\n Pagina 16.\n\n Brief VluchtelingenWerk Nederland, Jemen – algemene veiligheidssituatie,4 april 2025; Brief VluchtelingenWerk Nederland, Jemen – Veiligheid- en humanitaire situatie Sanaa (hoofdstad\n\nen provincie), 29 januari 2026.\n\n Amanat al Asimah (Sana’a stad) Sana’a (district Amanat al Asimah) is de hoofdstad van Jemen en staat sinds september 2014 onder controle van de Houthi-beweging. Sana’a is geen provincie maar een onafhankelijk bestuurlijk district, zie pagina 32 van het algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2927.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:EU:C:2023:843.\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie.\n\nZie Kamerstukken II2023-24, 19 637, nr. 3211, en paragraaf C2\u002F3.3.3.3 van de Vc (Vreemdelingencirculaire 2000).\n\n ECLI:EU:C:2021:472.\n\n Kamerbrief van 18 maart 2024, met kenmerk 19637, nr. 3215, de daarbij horende beslisnota, en WBV 2024\u002F9.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3153.\n\n Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.\n\n Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 28 november 2011 (Sufi en Elmi), ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.\n\n WBV 2025\u002F20.\n\n 19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.\n\n Punten 40 en 45.\n\n De minister wijst op een bron van het UNHCR, “Yemen crisis explained”, 27 maart 2025, waarin staat opgenomen: “Even before the current crisis, Yemen was the most vulnerable country in the Middle East. It regularly ranked among the world’s worst in malnutrition rates with half of its population living in povertya and without access to safe water.”\n\n Pagina 12 van het algemeen ambtsbericht april 2025.\n\n Internationaal erkende regering.\n\n Verenigde Naties.\n\n Pagina 13 van het algemeen ambtsbericht april 2025.\n\n Pagina 14 van het algemeen ambtsbericht april 2025.\n\n Pagina 15 van het algemeen ambtsbericht april 2025.\n\n World Food Programme, ‘Impact of rising food prices on household food security in Yemen’, 31 augustus 2008.\n\n Human Rights Watch, ‘Houthi Detentions Halting Aid in Crisis-Hit Yemen’, 8 januari 2026.\n\n Assessment Capacities Project.\n\n Pagina 15 van het algemeen ambtsbericht april 2025.\n\n ACAPS, Humanitarian access overview 2024, pagina 5.\n\n ACAPS, Yemen: Possible escalation pathways and anticipated humanitarian impacts, 1 april 2026.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:17489.\n\n Civilian Impact Monitoring Project.\n\n CIMP, 2025 annual report, 1 January – 31 December 2025, pagina 2 en 5.\n\n De minister verwijst hiervoor naar ACLED, incidenten in Sana’a stad tussen maart 2025 en oktober 2025).\n\n Pagina 5.\n\n Pagina 2.\n\n Pagina 8.\n\n Brief VluchtelingenWerk Nederland, “Jemen – Humanitaire situatie”, 29 januari 2026.\n\n Brief VluchtelingenWerk Nederland, “terugkeer uit het buitenland (Westen en Golfstaten)”, 9 januari 2026.\n\n Zie onder andere pagina 5 van het verslag nader gehoor.\n\n Overwegingen 278, 282 en 283.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18225","2026-07-13T00:29:39.486Z",{"id":94,"ecli":95,"slug":96,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":97,"fullText":98,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":99,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":34,"updatedAt":100},"1348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18167","ecli-nl-rbdha-2026-18167","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL26.27585 (beroep) en NL26.27586 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. S. de Schutter),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).\n\nSamenvatting\n\n1.1.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling heeft genomen. Het beroep is dus ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiser heeft op 16 december 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.\n\n2.2.. Met het besluit van 15 mei 2026 heeft de minister deze aanvraag niet in behandeling genomen.\n\n2.3.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\nBesluitvorming\n\n3.1.. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De minister volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij ten onrechte geen gehoor heeft gehad naar aanleiding van zijn asielaanvraag. De minister stelt dat eiser wel is uitgenodigd voor een gehoor. Op 11 februari 2026 is hij gekoppeld aan een advocaat. Maar vanaf dat moment heeft hij niet met de mogelijkheid van correcties en aanvullingen via zijn advocaat kenbaar gemaakt dat hij geen uitnodiging voor een gehoor heeft ontvangen. Hij is vervolgens wederom uitgenodigd voor een gehoor, maar ook na het rapport ‘niet verschijnen voor gehoor’ heeft eiser ondanks een uitnodiging daartoe geen correcties en aanvullingen ingediend en de reden van het niet verschijnen niet laten weten.\n\n3.2.. De minister ziet geen reden om eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Dat hij een negatieve ervaring heeft gehad in Duitsland, is op zichzelf niet genoeg. Eiser heeft zijn bijzondere situatie niet kenbaar gemaakt en niet met medische documenten aannemelijk gemaakt dat hij in Nederland behandeling krijgt voor zijn paniekaanvallen.\n\nBeroepsgronden\n\nGehoor\n\n4.1.. Eiser voert aan dat hij ten onrechte geen gehoor heeft gehad. Hij heeft de uitnodiging daartoe nooit ontvangen. Eiser verblijft op de [locatie] en keek elke dag of hij post had, maar hij heeft nooit een brief voor het gehoor ontvangen. Daarom heeft zijn gemachtigde gevraagd om nog een keer een uitnodiging te sturen en die te plaatsen in het asielportaal, maar dat is nooit gebeurd. Eiser voert verder aan dat hij geen correcties en aanvullingen kon indienen, omdat hij geen gehoor heeft gehad. Hij heeft wel een zienswijze ingebracht, waarin hij heeft aangegeven dat hij gehoord wenste te worden.\n\n4.2.. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De uitnodigingen voor de gehoren zijn geüpload in het dossier. Deze zijn gericht aan het adres waar eiser verblijft. Eiser heeft niet betwist dat dit het adres is waar hij verblijft. Ook de uitnodiging om correcties en aanvullingen op te sturen is geüpload in het dossier. De minister heeft op de zitting laten weten dat de brieven niet retour gekomen zijn. Dat is volgens de minister een bevestiging dat ze op het adres van eiser zijn aangekomen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande voldoende duidelijk dat de minister eiser op de juiste wijze heeft uitgenodigd voor de gehoren. De enkele stelling van eiser dat hij de uitnodigingen niet heeft ontvangen, is onvoldoende om te oordelen dat deze hem niet hebben bereikt.\n\n4.3.. De rechtbank overweegt verder dat eiser in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht dat hij gehoord wilde worden, maar hij heeft daarin niet geconcretiseerd wat hij zou willen toelichten op een gehoor. Eiser heeft dat ook niet geconcretiseerd in zijn beroepsgronden. De zitting bij de rechtbank was voor eiser ook een mogelijkheid om zijn standpunten nader toe te lichten, maar eiser is niet naar de zitting gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom gezegd worden dat eiser niet in zijn belangen is geschaad door het niet houden van een gehoor. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat de minister hetgeen eiser naar voren heeft gebracht in zijn zienswijze heeft betrokken in de beoordeling. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien om eiser opnieuw uit te nodigen voor een gehoor.\n\nArtikel 17 van de Dublinverordening5.1.. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Bij eiser is sprake van bijzondere omstandigheden, omdat hij vreest voor indirect refoulement naar Duitsland. Hij heeft paniekaanvallen en eerdere negatieve ervaringen in Duitsland, omdat hij daar geen behandeling heeft gekregen voor zijn paniekaanvallen. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom zijn bijzondere omstandigheden geen aanleiding geven tot toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.\n\n5.2.. De rechtbank stelt voorop dat binnen de Europese Unie het uitgangspunt geldt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat zij hun internationale verplichtingen naleven. Dit wordt het interstatelijke vertrouwensbeginsel genoemd. De minister mag bij Duitsland in zijn algemeenheid uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel.En daarmee dus dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRMen artikel 4 van het Handvest.De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de Duitse autoriteiten met het accepteren van het claimverzoek de garantie hebben gegeven om de opvolgende asielaanvraag van eiser met inachtneming van de EU-regelgeving te behandelen.\n\n5.3.. De rechtbank overweegt dat uit artikel 17 van de Dublinverordening volgt dat een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. De minister heeft in beleid opgenomen hoe hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. In paragraaf C2\u002F5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat dat de minister een asielaanvraag onverplicht aan zich trekt indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft hierin een ruime beoordelingsmarge en de rechtbank dient de beslissing van de minister op dit punt terughoudend te toetsen.\n\n5.4.. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland leidt tot onevenredige hardheid. Hij heeft slechts gesteld dat hij in Duitsland geen behandeling kreeg voor zijn paniekaanvallen. Hij heeft echter op geen enkele wijze toegelicht of met medische stukken onderbouwd dat hij last heeft van paniekaanvallen, dan wel dat hij in Duitsland geen behandeling kreeg of kan krijgen voor zijn paniekaanvallen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook terecht geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en hij aan Duitsland mag worden overgedragen. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Evenmin bestaat er aanleiding om de proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.27585:\n\n- verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.27586:\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588, en 8 oktober 2025 ECLI:NL:RVS:2025:4770.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18167","2026-07-13T00:29:17.149Z",{"id":102,"ecli":103,"slug":104,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":97,"fullText":105,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":106,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":34,"updatedAt":107},"1350","ECLI:NL:RBDHA:2026:18165","ecli-nl-rbdha-2026-18165","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.40183 T\n\n V-nummers: [v-nummer 1]\n\n [v-nummer 2]\n\n [v-nummer 3]\n\ntussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres] , eiseres,\n\ngeboren op [geboortedag 1] 1984, staatloos,\n\nmede namens haar minderjarige kinderen:\n\n [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 2] 2010,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 3] 2016,\n\nbeiden van Tunesische nationaliteit,\n\nhierna samen te noemen: eisers\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. R.E. van Deijck).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit waarbij de afwijzing van hun asielaanvraag is ingetrokken. Ook beoordeelt de rechtbank of eisers nog belang hebben bij een beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van hun asielaanvraag.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiseres heeft mede namens haar minderjarige kinderen op 13 april 2022 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Met het besluit van 18 augustus 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft de minister deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2.2.. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\n2.3.. Met de brief van 8 juni 2026 (hierna: het intrekkingsbesluit) heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken. Eisers hebben hun beroep gehandhaafd.\n\n2.4.. De rechtbank heeft de kinderen in de gelegenheid gesteld hun mening over de zaak kenbaar te maken. Op 18 juni 2026 heeft de voorzitter in aanwezigheid van de griffier een kindgesprek met hen gehouden. Een verslag van dit kindgesprek is aan het dossier toegevoegd.\n\n2.5.. De rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 22 juni 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, A. Belkassem als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nOverwegingen\n\nHet intrekkingsbesluit\n\n3.1.. Eisers hebben de rechtbank verzocht het intrekkingsbesluit te vernietigen, onder andere omdat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Eisers hebben er geen vertrouwen in dat de minister, zoals zijn gemachtigde ter zitting heeft gesteld, binnen acht weken opnieuw zal beslissen op de aanvraag. Zij verzoeken de rechtbank daarom om de geschilpunten te beslechten en een termijn van vier weken te stellen waarbinnen de minister opnieuw dient te beslissen.\n\n3.2.. De rechtbank overweegt dat het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege ook betrekking heeft op het intrekkingsbesluit.\n\n3.3.. Uit het intrekkingsbesluit volgt dat de minister het bestreden besluit heeft ingetrokken vanwege het besluit- en vertrekmoratorium Libanon. Ter zitting heeft de minister de motivering van het intrekkingsbesluit aangevuld in die zin dat de minister nader wil onderzoeken of Tunesië als veilig derde land kan worden aangemerkt. In dat kader dient de minister nog het zogenoemde ‘bandencriterium’ te toetsen. Ook dient de situatie in de VAEnader onderzocht te worden, omdat de VAE staatloze Palestijnen uitzet naar Libanon. Tot slot wenst de minister eiseres en mogelijk ook haar kinderen te horen voordat hij een nieuw besluit neemt.\n\n3.4.. De rechtbank is gelet op de nadere motivering van de minister ter zitting van oordeel dat het intrekkingsbesluit voldoende is gemotiveerd. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om tot vernietiging van het intrekkingsbesluit over te gaan. Het beroep voor zover zich dat richt tegen het intrekkingsbesluit is daarmee ongegrond.\n\n3.5.. De rechtbank constateert echter wel een gebrek in de besluitvorming van de minister. De uiterste termijn om te beslissen op een asielaanvraag is 21 maanden. Door het intrekken van het bestreden besluit heeft de minister deze termijn ruimschoots overschreden, namelijk met meer dan 29 maanden. In dit geval had de minister dan ook direct een nieuw besluit op de aanvraag in de plaats dienen te stellen.\n\n3.6.. De rechtbank zal de minister opdragen om binnen de toegezegde termijn van acht weken te beslissen op de aanvraag en daarmee het geconstateerde gebrek te herstellen. Hoewel de minister al heeft toegezegd een nieuw besluit te nemen, zal de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid stellen om aan te geven of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.\n\nHet bestreden besluit\n\n4.1.. Voor de volledigheid gaat de rechtbank hierna in op het verzoek van eisers om het bestreden besluit te beoordelen, ondanks dat het besluit is ingetrokken. Volgens eisers kan een inhoudelijk oordeel over verschillende geschilpunten de minister helpen bij het nieuw te nemen besluit op hun aanvraag. Dat het bestreden besluit is ingetrokken, staat niet in de weg aan een vernietiging van dat besluit, aldus eisers.\n\n4.2.. In artikel 6:19, zesde lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg staat aan vernietiging van dat besluit als de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.\n\n4.3.. Het is de rechtbank niet gebleken dat eisers nog een belang hebben, als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid van de Awb, bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Anders dan eisers betogen, is dit belang niet gelegen in de gestelde onrechtmatigheid van het besluit, maar in wat zij kunnen bereiken bij de eventuele vaststelling daarvan. Door de intrekking van het bestreden besluit hebben eisers in dit geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit. Het besluit geldt immers al niet meer. De rechtbank verwijst naar de door de minister genoemde uitspraak van de Afdelingvan 9 december 2024.\n\nConclusie5.1.. Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat aan het intrekkingsbesluit een gebrek kleeft, omdat de minister niet direct een nieuw besluit op de aanvraag in de plaats heeft gesteld. Het intrekkingsbesluit is dus onvolledig. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen, moet de minister binnen acht weken een besluit op de aanvraag van eisers nemen met inachtneming van deze tussenuitspraak. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb binnen één week meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als er een besluit is genomen, dan zal de rechtbank eisers vragen of zij het eens zijn met het besluit en of zij het beroep willen voorzetten. Eisers krijgen dan vier weken de tijd om te reageren.5.2.. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.\n\n5.3.. De rechtbank heeft voor de kinderen een aparte terugkoppeling van deze tussenuitspraak gemaakt. Deze terugkoppeling, in de vorm van een brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , is gelijktijdig met de tussenuitspraak verstuurd en als bijlage aan deze tussenuitspraak gehecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- draagt de minister op binnen één week de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;\n\n- stelt de minister in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\n- houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, en mr. L.H. Waller en mr. C.A.R. Bleijendaal, leden, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.\n\nBeste [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,\n\nOp 18 juni 2026 hebben wij met elkaar gepraat op de rechtbank. Supergoed van jullie dat jullie zijn gekomen en mij hebben verteld wat jullie van de zaak vinden.\n\nJullie hebben mij verteld dat jullie zaak al zo lang duurt en dat jullie hier in Nederland helemaal geïntegreerd zijn en hier willen blijven. Jullie spreken de taal, doen het heel goed op school en hebben leuke vrienden. Het leven in het AZC voor zo een lange tijd valt jullie zwaar. Het liefst zouden jullie een eigen plek willen samen met jullie moeder, zodat jullie jullie vrienden kunnen laten komen. Jullie moeder is jullie steun en toeverlaat. Jullie maken je zorgen dat jullie terug moeten naar Libanon, Dubai of Tunesië. Dat maakt jullie verdrietig en boos. Jullie hele leven is sinds 2018 in Nederland.\n\nIk heb jullie tijdens ons gesprek laten weten dat ik samen met twee andere rechters ga nadenken over jullie zaak.\n\nOp 22 juni 2026 was de zitting over jullie zaak. Toen zaten jullie ook in de zaal en hebben wij vooral gepraat met jullie moeder, de advocaat van jullie moeder en de advocaat van de minister.\n\nVandaag hebben wij een tussenuitspraak gedaan in jullie zaak. In deze brief leg ik uit wat wij hebben besloten.\n\nIn onze uitspraak hebben wij als eerste gezegd dat wij begrijpen waarom de minister het besluit op jullie aanvraag heeft ingetrokken. Hij kan jullie namelijk op dit moment niet naar Libanon sturen, omdat het daar onveilig is. Verder wil de minister kijken of Tunesië voor jullie veilig is. Ook gaat de minister de situatie in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) onderzoeken, omdat de VAE staatloze Palestijnen (zoals jullie moeder) uitzet naar Libanon.\n\nWij hebben in onze uitspraak gezegd dat jullie zaak erg lang duurt en dat wij het fout vinden dat de minister het besluit in jullie zaak zo kort voor de zitting heeft ingetrokken maar daar geen nieuw besluit voor in de plaats heeft genomen. Jullie wachten namelijk al meer dan 29 maanden op de beslissing op jullie aanvraag en dat is veel te lang.\n\nDe minister heeft nu gezegd dat hij binnen acht weken een besluit gaat nemen op jullie aanvraag. Dat hebben wij hem in onze uitspraak opgedragen te doen. Wij snappen dat het voor jullie vervelend is dat jullie nog langer moeten wachten, maar omdat de minister nog een onderzoek moet doen en jullie eventueel wil horen, is die acht weken tijd niet onredelijk. Tot die tijd houden wij jullie zaak wel aan ons zodat wij, als de minister straks een besluit heeft genomen, kunnen beoordelen of dat een goed besluit is.\n\nIk hoop dat het voor jullie zo duidelijk is wat wij hebben beslist, en waarom wij die beslissing hebben genomen. Verder hopen wij dat het goed met jullie zal gaan.\n\nGroetjes,\n\nDe rechter: M.B. de Boer.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.\n\n Zaaknummer: NL25.40184.\n\n Dit volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Kamerstukken II 2025\u002F2026, 19637, nr. 3563; Stcrt. 2026, 14240.\n\n Verenigde Arabische Emiraten.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:5043.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18165","2026-07-13T00:29:17.256Z",{"id":109,"ecli":110,"slug":111,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":97,"fullText":112,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":34,"updatedAt":114},"1370","ECLI:NL:RBDHA:2026:18203","ecli-nl-rbdha-2026-18203","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.1914 (beroep) en NL26.1915 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n\n [eiseres], geboren op [geboortedag] 1993 en van Colombiaanse nationaliteit, eiseres\u002Fverzoekster\n\n(gemachtigde: mr. V. Senczuk),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).\n\nSamenvatting\n\n1.1.. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank\u002Fde voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is dus gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiseres heeft op 16 september 2023 haar land van herkomst, Colombia, verlaten en is op 17 september 2023 aangekomen in Spanje. Vanuit Spanje is zij op 19 december 2023 in Nederland aangekomen. Eiseres heeft vervolgens op 1 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.\n\n2.2.. Met het bestreden besluit van 6 januari 2026 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Met dit besluit heeft de minister aan eiseres ook een terugkeerbesluit opgelegd, waarin staat dat zij Nederland onmiddellijk moet verlaten. Zij heeft ook een inreisverbod opgelegd gekregen voor de duur van twee jaar.\n\n2.3.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.\n\nAsielrelaas\n\n3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. In 2019 is zij in Colombia bedreigd, vanwege de werkzaamheden van haar nicht. Vervolgens is eiseres verhuisd naar Cucuta. Daar heeft zij vier jaar gewoond. In mei\u002Fjuni 2023 is zij weer bedreigd. De personen die haar bedreigden zeiden te horen bij de El Tren de Aragua gang. Vervolgens heeft zij het land verlaten. In Nederland is zij begonnen met de transitie naar vrouw. Daardoor verwacht zij vanwege haar transidentiteit problemen te ervaren bij terugkeer naar Colombia.\n\nAsielmotieven\n\n4.1.. De minister onderscheidt de volgende asielmotieven:\n\nNationaliteit, identiteit en herkomst.\n\nDreigementen in 2019.\n\nDreigementen in 2023.\n\nTransidentiteit.\n\n4.2.. De minister acht de nationaliteit, identiteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De minister acht de dreigementen uit 2023 niet geloofwaardig. De minister acht de dreigementen uit 2019 wel geloofwaardig, maar deze leiden niet tot bescherming. De minister acht de transidentiteit van eiseres ook geloofwaardig, maar dit leidt ook niet tot bescherming.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Eiseres voert daartoe het volgende aan.\n\nReferentiekader\n\n5.1.. Eiseres voert aan dat de minister is uitgegaan van het verkeerde referentiekader. De minister is namelijk uitgegaan van ‘vrouw’ in plaats van ‘transvrouw’. De minister heeft dit ook erkend in het primaire besluit, maar heeft vervolgens niks veranderd aan zijn oordeel. Volgens eiseres is dat onzorgvuldig.\n\n5.2.. \n\nDe rechtbank volgt eiseres hierin niet. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat het noemen van ‘vrouw’ in plaats van ‘transvrouw’ een kennelijke verschrijving is. De rechtbank volgt dit. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk dat de minister er steeds vanuit is gegaan dat eiseres een transvrouw is en dus van het juiste referentiekader.\n\nBedreigingen in 2023\n\n6.1.. Eiseres voert aan dat de bedreigingen in 2023 wel geloofwaardig moeten worden geacht. Zij heeft deze namelijk aannemelijk gemaakt met haar zienswijze en relaas. Zij heeft wel moeite gedaan om bescherming te krijgen van de autoriteiten in Colombia. Zij wijst er verder op dat er in Colombia veel samenwerkingen zijn tussen de politie en de groeperingen, zodat zij dacht dat zij voor haar veiligheid niet anders kon dan het land verlaten.\n\n6.2.. De rechtbank is van oordeel dat de minister de bedreigingen in 2023 terecht niet geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft daarbij terecht betrokken dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een link is tussen de bedreigingen in 2019 en de bedreigingen uit 2023. Eiseres heeft na de bedreigingen in 2019 nog vier jaar zonder problemen in Cucuta gewoond. Ook heeft zij zelf verklaard dat het slechts een vermoeden is dat er een link is tussen de bedreigingen. De minister heeft verder terecht betrokken dat eiseres, nadat zij is aangekomen in Nederland, nog ruim twee maanden heeft gewacht met het indienen van haar asielaanvraag. Indien zij vanwege bedreigingen in 2023 bescherming nodig had, dan had van haar verwacht mogen worden dat zij onmiddellijk naar de autoriteiten zou stappen wanneer zij daar de kans voor kreeg.\n\nTransidentiteit\n\n7.1.. Eiseres voert aan dat de minister niet op de juiste wijze heeft beoordeeld of zij vanwege haar huidige uiterlijk en geïndividualiseerde omstandigheden terug kan keren naar haar land van herkomst, zonder dat sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM. Eiseres kan haar omstandigheden niet individualiseren, vanwege haar gewijzigde verschijningsvorm na vertrek uit haar land van herkomst. De situatie van eiseres is vergelijkbaar met de situatie van een réfugié sur place. Voor zover de minister heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 juni 2024, voert eiseres aan dat deze niet ziet op huidige actuele situatie in Colombia. Eiseres onderbouwt met krantenartikelen dat alleen al in de eerste vier maanden van 2025 in Colombia 25 LHBTIQ+-personen zijn vermoord, waaronder 15 transpersonen.\n\n7.2.. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in haar geval individualiseerbare omstandigheden zijn, waarop gebaseerd kan worden dat er voor haar een gegronde vrees voor vervolging bestaat, of dat zij een reëel risico loopt op behandeling in strijd met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM, wanneer zij moet terugkeren naar het land van herkomst. Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, specifiek in rechtsoverweging 11, volgt volgens de minister dat eiseres dit wel had moeten doen en dat enkel de transidentiteit onvoldoende is om te stellen dat zij een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt.\n\n7.3.. \n\nDe rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 juni 2024 in rechtsoverweging 11 het volgende bepaald:\n\n‘De Afdeling leidt uit de landeninformatie af dat in Colombia, ondanks het progressieve wettelijke kader, de lhbti-gemeenschap, en in het bijzonder trans vrouwen, het doelwit zijn van geweld en discriminatie. Dit is niet alleen afkomstig van burgers, maar ook van overheidsfunctionarissen. In de praktijk zijn er obstakels om een beroep te doen op beschermingsmechanismen. Het institutionele kader en de werkelijkheid lopen dan ook uiteen. Dat neemt niet weg dat de situatie voor trans vrouwen in Colombia niet zodanig is dat zij systematisch worden blootgesteld aan vervolging of ernstige schade vanwege hun genderidentiteit en dat van hen, ondanks de moeilijke situatie waarin zij zich bevinden, verwacht mag worden dat zij een beroep doen op bestaande beschermingsmechanismen bij voorkomende problemen.’\n\n7.4.. Voorts heeft de minister op 10 februari 2025 zijn landenbeleid ten aanzien van Colombia aangepast.Met deze aanpassing heeft de minister aangenomen dat het voor transpersonen niet mogelijk is om bescherming te krijgen van de Colombiaanse autoriteiten en\u002Fof internationale organisaties.\n\n7.5.. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat zij moet worden aangemerkt als een réfugié sur place. Toen zij nog in haar land van herkomst verbleef, was zij nog niet gestart met haar transitie. De vrees voor vervolging wegens haar transidentiteit is ontstaan toen zij in Nederland in transitie is gegaan.Persoonlijke incidenten of ervaringen in Colombia heeft zij niet. Zij beschikt ook niet over andere informatie over de situatie van transvrouwen. Dat betekent dat zij anders dan door verwijzing naar algemene landeninformatie en beleid niet in staat is om haar vrees voor vervolging als transvrouw te individualiseren. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat nu uit objectieve landeninformatie volgt dat transvrouwen een hoog risico lopen op geweld en discriminatie en zij volgens de beleidswijzing van de minister van na de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling, geen beschermingsmogelijkheden hebben bij voorkomend geweld, de minister een te vergaande individualisering van het risico van eiseres verlangt dan in deze gegeven omstandigheden is aangewezen. De minister had naar het oordeel van de rechtbank ook de afwezigheid van beschermingsmogelijkheden voor eiseres kenbaar in zijn besluit moeten betrekken. Door dat niet te doen heeft de minister zijn besluit onvoldoende gemotiveerd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8.1.. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.\n\n8.2.. Nu de rechtbank heeft beslist op het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.\n\n8.3.. \n\nOmdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.1914:\n\nverklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.1915:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter, in beide zaken:\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eiseres tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2331.\n\n Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 2025\u002F5 en zie paragraaf C7\u002F10.4.2 en paragraaf C7\u002F10.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Zie ook het Handboek UNHCR, paragraaf 94, 95 en 96 over het begrip réfugié sur place.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18203","2026-07-13T00:29:18.361Z",{"id":116,"ecli":117,"slug":118,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":97,"fullText":119,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":120,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":34,"updatedAt":121},"1351","ECLI:NL:RBDHA:2026:18163","ecli-nl-rbdha-2026-18163","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.9465 (beroep)\n\n NL26.9466 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1992, van Algerijnse nationaliteit, eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser)\n\n(gemachtigde: mr. N. Birrou),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen de kennelijke ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. Eiser heeft op 3 februari 2026 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 februari 2026 kennelijk ongegrond verklaard.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is zonder bericht niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond en wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAchtergrond\n\n4. Eiser heeft eerder op 8 augustus 2024 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is door verweerder met het besluit van 12 september 2024 buiten behandeling gesteld omdat uit informatie van het COAis gebleken dat eiser op 23 augustus 2024 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Bij dit besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrektermijn uitgevaardigd. Eiser heeft vervolgens op 22 mei 2025 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is door verweerder met het besluit van 17 juni 2025 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft eiser op 3 februari 2026 zijn huidige asielaanvraag ingediend. Bij deze aanvraag is aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.Tegen deze vrijheidsontnemende maatregel heeft eiser beroep ingesteld, waar op 3 juni 2026 door deze rechtbank en zittingsplaats uitspraak is gedaan.\n\n4.1.. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat de maatregel van bewaring van eiser op 28 mei 2026 is opgeheven. Eiser heeft zich daarna niet gemeld bij het COA voor opvang, waarna er een MOB-melding is gemaakt. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting verklaard dat hij na deze datum nog contact heeft gehad met eiser.\n\nAsielrelaas\n\n5. Eiser heeft het volgende aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft een relatie gehad met de vrouw van zijn oom. Met de vrouw van zijn oom heeft eiser vervolgens een kind gekregen. Als gevolg hiervan heeft zijn oom hem bedreigd.\n\nBestreden besluit\n\n6. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nde problemen met zijn oom als gevolg van een relatie met zijn vrouw.\n\n6.1.. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Dat eiser bedreigd wordt door zijn oom als gevolg van een relatie met diens vrouw is ongeloofwaardig. Eiser heeft namelijk geen oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven, zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel en eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd.\n\nProcesbelang\n\n7. Gezien het feit dat de gemachtigde van eiser op de zitting heeft verklaard dat hij nog contact heeft gehad met eiser na diens MOB-melding, stelt de rechtbank vast dat eiser nog procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep.\n\nKennelijke ongegrondheid\n\n8. Eiser stelt dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgedaan. Het enkele feit dat de aanvraag opvolgend is rechtvaardigt geen automatische kwalificatie als kennelijk ongegrond wanneer nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd. De nieuwe elementen zijn hier juist de kern van het geschil. Dat de aanvraag als kennelijk ongegrond is afgedaan omdat eiser de aanvraag kort voor de geplande uitzetting is ingediend is ook geen goede grond.\n\n8.1.. De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid en onder f, van de Vw en artikel 30b, eerste lid en onder g van de Vw. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser bij de huidige asielaanvraag slechts omstandigheden heeft aangevoerd die reeds bestonden ten tijde van zijn eerdere asielprocedure. Daarnaast heeft eiser zijn aanvraag één dag voor zijn uitzetting ingediend, waardoor verweerder terecht heeft overwogen dat hij zijn aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nProblemen met oom\n\n9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop de bedreigingen van zijn oom zouden zijn begonnen. Eiser heeft namelijk eerst over het voorval verklaard dat zijn oom hem begon te bedreigen nadat de vrouw van zijn oom in de zevende maand van haar zwangerschap tijdens een ruzie heeft verklaard dat het kind van eiser was en niet van zijn oom. Daarnaast heeft eiser verklaard dat de bedreigingen opnieuw begonnen en explicieter werden nadat een DNA-test uitwees dat zijn oom niet de biologische vader was. Volgens eiser werpt verweerder ook ten onrechte aan hem tegen dat hij in de eerdere procedure niet over het kind en de relatie met de vrouw van zijn oom heeft verklaard. Het gaat hier om een seksuele relatie met de echtgenote van een oom binnen een conservatieve familie- en eercultuur, waardoor het niet onaannemelijk is dat schaamte en angst voor verdere escalatie ertoe hebben geleid dat eiser aanvankelijk niet volledig over de gebeurtenis heeft verklaard. Tot slot heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven met documenten. Het is eiser echter door zijn vrijheidsontnemende maatregel niet gelukt om de documenten te verkrijgen.\n\n9.1.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de problemen van eiser met zijn oom ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft namelijk wisselend en tegenstrijdig verklaard over de bedreigingen van zijn oom. Tijdens een eerdere procedure heeft eiser verklaard dat hij bij terugkeer naar Algerije niet te vrezen heeft voor zijn oom omdat hij op leeftijd is en niet in staat is om geweld te gebruiken. Dit strookt niet met de verklaringen van eiser in de huidige procedure waarin hij stelt dat hij vreest vermoord te worden door zijn oom. Dat eiser verklaart eerder bang te zijn geweest om het asielmotief naar voren te brengen is geen verschoonbare reden voor deze wisselende verklaringen. Daarnaast heeft eiser in een eerdere procedure verklaard dat hij geen kinderen heeft, terwijl het kind waar het in deze procedure om gaat al in 2020 is geboren. Ook heeft eiser geen documenten overgelegd die zijn asielmotief onderbouwen. Zo heeft eiser bijvoorbeeld geen geboorteakte van het kind overgelegd en evenmin foto’s waarin de vrouw van zijn oom zegt dat het kind van eiser is. Ook zijn er geen foto’s overgelegd van de aanval in Frankrijk en de Facebookberichten met de bedreigingen van zijn oom. Eiser heeft in de zienswijze aangegeven in het bezit te zijn van deze documenten, maar heeft deze nooit overgelegd. Daarnaast heeft eiser niet de kans genomen om op zitting zijn asielaanvraag toe te lichten en om eventuele vragen van de rechtbank te beantwoorden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.\n\n11. Nu op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.\n\n12. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.9465:\n\n- verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.9466:\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de\n\nAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze\n\npartij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend\n\nbinnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de\n\nbehandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de\n\nindiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van\n\nState vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Centraal Orgaan opvang asielzoekers.\n\n Op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n ECLI:NL:RBLIM:2026:5420.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18163","2026-07-13T00:29:17.303Z",{"id":123,"ecli":124,"slug":125,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":97,"fullText":126,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":127,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":34,"updatedAt":128},"1361","ECLI:NL:RBDHA:2026:18171","ecli-nl-rbdha-2026-18171","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.6176 (beroep)\n\nNL26.6177 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1977, van Colombiaanse nationaliteit, eiser\u002Fverzoeker, hierna te noemen: eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Loth),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. B.E.M. Goossens).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 2 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot het voorkomen van zijn uitzetting totdat op het beroep is beslist.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, D.P. Navarette als tolk in de Spaanse taal, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nOverwegingen\n\nHet asielrelaas\n\n1. Eiser heeft op 19 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft hieraan het volgende asielrelaas ten grondslag gelegd. Hij heeft verklaard dat hij in maart of april 2021 is aangesproken door twee personen die verbonden waren aan een criminele bende (Oficina de Cobro). Zij vroegen hem om hen informatie over mensen in de wijk te verschaffen en hen te helpen met illegale zaken, zoals het distribueren van drugs. Toen eiser dit weigerde, hebben de twee personen eiser met de dood bedreigd. Eiser heeft hiervan aangifte gedaan en is bij zijn zus ondergedoken. In november of december 2021 is eiser met zijn neefje naar een ijssalon gegaan, toen hij de twee mannen opnieuw zag. Een van hen had een wapen bij zich. Eiser heeft zich vervolgens verstopt in de ijssalon en is ondergedoken. In februari 2022 heeft hij Colombia verlaten. Bij terugkeer naar Colombia vreest hij te worden vermoord.\n\nHet bestreden besluit\n\n2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nProblemen met leden van de Oficina.\n\nDe minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De minister acht de problemen van eiser met de leden van de Oficina daarentegen niet geloofwaardig. De minister meent namelijk dat de verklaringen van eiser hierover zijn gebaseerd op aannames en vermoedens. Daarnaast werpt de minister tegen dat eiser de mannen die hem bedreigden niet concreter kan beschrijven. Ook heeft eiser volgens de minister tegenstrijdig verklaard over de werkwijze van de leden van de Oficina. Verder stelt de minister dat het tegenstrijdig is dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij ondergedoken zat en anderzijds dat hij in het openbaar te vinden was en bleef werken. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij op dit moment gezocht wordt. Tot slot werpt de minister tegen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven.\n\n2.1.. Omdat de minister de problemen van eiser met de leden van de Oficina niet geloofwaardig geacht, heeft de minister enkel beoordeeld of het feit dat eiser uit Colombia komt maakt dat hij als vluchteling moet worden aangemerkt of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Colombia. Dat is volgens de minister niet het geval. De minister meent daarom dat eiser niet voor een asielvergunning in aanmerking komt. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen omdat hij meent dat eiser zijn asielaanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verwijderenen omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dit mogelijk was.\n\nHeeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de vrees van eiser voor de leden van de Oficina gebaseerd is op aannames en vermoedens?\n\n3. Eiser voert aan dat de minister er ten onrechte aan voorbijgaat dat hij een duidelijk beeld heeft geschetst van de grondslag van zijn vrees voor de bende. De minister kan deze door eiser geschetste vrees niet terzijde schuiven met de stelling dat slechts sprake zou zijn van aannames aan de zijde van eiser.\n\n3.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiser over zijn vrees voor de leden van de Oficina zijn gebaseerd op aannames en vermoedens. De minister heeft hierbij onder meer terecht betrokken dat eiser naar eigen zeggen al tientallen jaren in de bouw werkzaam was en de Oficina al zo’n dertig jaar in zijn wijk actief is. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij in 2021 opeens het doelwit van deze organisatie is geworden. Eiser heeft verklaard dat de bendeleden hem persoonlijk hebben bedreigd, maar kan niet concreet verklaren wat zij tegen hem hebben gezegd. Eiser heeft verder niet inzichtelijk gemaakt dat de bendeleden het specifiek op hem gemunt hadden toen hij hen bij de ijssalon zag. Eiser heeft hen immers enkel van afstand gezien. De bendeleden hebben niet hun wapen op hem gericht, hem benaderd of iets tegen hem geroepen. Eiser heeft verklaard dat er niemand anders was op wie zij het gemunt konden hebben omdat niemand anders wegrende of zich verstopte. De minister werpt terecht tegen dat dit een aanname is, aangezien eiser niet kan weten of zij ook problemen met andere mensen hadden of enkel bij toeval in de buurt van de ijssalon waren.\n\nMocht de minister aan eiser tegenwerpen dat hij niet nauwkeuriger heeft kunnen verklaren over de ontmoetingen met zijn belagers?\n\n4. Eiser stelt dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet nauwkeuriger heeft kunnen verklaren over de ontmoetingen met zijn belagers. De eisen die de minister lijkt te stellen aan het concreet kunnen beschrijven van de daders zijn niet realistisch en laten onvoldoende beoordelingsruimte voor de omstandigheden van het geval.\n\n4.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister gedetailleerdere verklaringen van eiser mocht verwachten ten aanzien van zijn belagers. Eiser heeft op de zitting verklaard dat hem niet is gevraagd een fysieke beschrijving van de belagers te geven, maar alleen van de kleding die zij droegen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt echter dat de gehoormedewerker aan eiser heeft gevraagd hoe deze twee personen eruit zagen. Eiser heeft hierop enkel geantwoord dat alle zwarte mensen op elkaar lijken. Op de vervolgvraag of eiser hun postuur kan omschrijven en wat zij aan hadden, heeft eiser geantwoord dat hij het niet weet en dat een van hen ongeveer even lang als hij was en de ander iets kleiner. De minister werpt terecht tegen dat niet valt in te zien waarom eiser deze mannen niet concreter kan beschrijven, aangezien hij heeft verklaard dat hij hen in totaal vier keer heeft gezien. Bovendien heeft eiser hen bij het laatste contactmoment bij de ijssalon op afstand herkend. Ook daarom kon van eiser worden verwacht dat hij een nadere beschrijving van de daders kan geven.\n\nHeeft de minister ten onrechte de aan eiser tegengeworpen inconsistenties niet tijdens het nader gehoor aan eiser voorgehouden?\n\n5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte de in het voornemen tegengeworpen inconsistenties niet tijdens het nader gehoor aan hem zijn voorgehouden. Daarmee is sprake van een gebrek in het horen en is sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.\n\n5.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser tijdens het nader gehoor voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om over zijn asielrelaas te verklaren en te reageren op de in de besluitvorming tegengeworpen inconsistenties. Eiser heeft op de zitting naar voren gebracht dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd over de reden waarom de bendeleden niet de ijssalon zijn binnengetreden toen zij eiser zagen. De gehoormedewerker heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank echter voldoende in de gelegenheid gesteld hierover te verklaren. De medewerker heeft eiser na zijn verklaring dat hij zich in de ijssalon had verstopt voorgelegd dat zij naar binnen hadden kunnen komen om hem te vinden. Eiser heeft hierop geantwoord dat zij dit niet doen als er mensen zijn en dat zij zich niet in menigtes begeven. De gehoormedewerker heeft vervolgens gevraagd waarom eiser denkt dat zij hem wilden vermoorden, nu hij heeft verklaard dat zij zich niet begeven in menigtes en geen moorden uitvoeren als er mensen bij zijn. Eiser heeft hierop verklaard dat zij wel degelijk moorden uitvoeren op plekken zoals een discotheek, restaurant en bars en dat daar ook menigtes bij zijn, maar dat het best risicovol is om ergens naar binnen te gaan als zij gezien worden. Eiser heeft deze verklaringen in de correcties en aanvullingen niet gewijzigd of aangevuld. De minister heeft gelet op deze verklaringen terecht geconcludeerd dat eiser hiermee tegenstrijdig over de werkwijze van de bendeleden heeft verklaard. Eiser heeft verder niet geconcretiseerd over welke andere inconsistenties de minister onvoldoende heeft doorgevraagd. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.\n\nHeeft de minister de aangifte van eiser en de algemene informatie over het bendegeweld in Cali ten onrechte niet in de beoordeling betrokken?\n\n6. Eiser voert aan dat de minister de door hem overgelegde aangifte ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, evenals het evidente bendegeweld in Cali zoals beschreven in het algemeen ambtsbericht.\n\n6.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte niet kenbaar op het door eiser overgelegde Spaanstalige formulier van de politie is ingegaan. De minister heeft echter op de zitting alsnog voldoende gemotiveerd dat dit document niet maakt dat het asielrelaas van eiser geloofwaardig wordt geacht. De rechtbank maakt uit hetgeen met partijen op zitting is besproken op dat dit document geen aangifte betreft, maar een formulier met verschillende aanbevelingen die de politie aan eiser heeft gegeven om zichzelf en zijn familieleden te beschermen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat – mede omdat geen vertaalde versie van het document is overgelegd – de precieze aard en inhoud van dit document onduidelijk is. Uit het document kan niet worden afgeleid dat dit is verstrekt naar aanleiding van zijn aangifte tegen de bedreigingen. Voor zover dit al zou worden aangenomen, bevestigt dit formulier niet dat deze bedreigingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Bovendien betreft het document een kopie, die niet op echtheid kan worden onderzocht. De minister heeft dan ook terecht geconcludeerd dat dit document er niet toe leidt dat het asielrelaas van eiser geloofwaardig moet worden geacht.\n\n6.2.. Ten aanzien van de landeninformatie over het bendegeweld in Cali overweegt de rechtbank dat het gegeven dat er bendegeweld voorkomt nog niet direct betekent dat de problemen van eiser geloofwaardig moeten worden geacht. Het is in eerste instantie aan eiser om zijn asielaanvraag te staven en om aannemelijk te maken dat hij in zijn individuele geval problemen heeft ervaren wegens een criminele bende. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat eiser hier niet in is geslaagd.\n\nHeeft de minister terecht tegengeworpen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend?\n\n7. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Eiser heeft namelijk vanaf juli in 2023 in Nederland verbleven en heeft pas asiel aangevraagd nadat hij op 19 januari 2026 is staande gehouden. Eiser heeft verklaard dat hij niet eerder asiel heeft aangevraagd omdat hij niet wist hoe de asielprocedure werkte, landgenoten hem hadden verteld dat hij meteen asiel had moeten vragen en hij bang was teruggestuurd te worden naar Colombia. De minister heeft deze verklaringen terecht niet als verschoonbare redenen voor de late indiening van de asielaanvraag aangemerkt. Voor zover eiser niet duidelijk was hoe de asielprocedure werkte, lag het op de weg van eiser om hierover informatie in te winnen bij de relevante autoriteiten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\n9. Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep beslist, bestaat er geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak met nummer NL25.6176:\n\n- verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak met nummer NL25.6177:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de\n\nuitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n De minister spreekt in de besluitvorming van OFICNAS, maar gelet op de landeninformatie over Colombia zal de rechtbank de spelling ‘Oficina’ aanhouden.\n\n Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18171","2026-07-13T00:29:17.813Z",{"id":130,"ecli":131,"slug":132,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":133,"fullText":134,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":135,"sourceTimestamp":136,"parsedAt":34,"updatedAt":137},"1712","ECLI:NL:RBDHA:2026:14790","ecli-nl-rbdha-2026-14790","2026-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\n Zittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.28827\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiseres],\n\ngeboren op [geboortedag] 1989, van Turkse nationaliteit, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,de minister,\n\n(gemachtigde: mr. H. van Halteren).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag voor bepaalde tijd.\n\n1.1. Eiseres heeft op 27 juni 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 juni 2025 haar aanvraag afgewezen, maar aan eiseres een afgeleide asielvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vwverleend.\n\n1.2. Eiseres is het daar niet mee eens en stelt dat zij in aanmerking komt voor een zelfstandige asielvergunning. Eiseres heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres aan de hand van de beroepsgronden die zij heeft aangevoerd.\n\n2.1. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n3. Eiseres legt het volgende aan haar asielaanvraag ten grondslag. Eiseres verklaart dat haar man werkzaam was bij de politie en in 2019 is opgepakt op verdenking van lidmaatschap van de Gülenbeweging in Turkije. Haar echtgenoot was in eerste instantie vrijgesproken, maar deze uitspraak is in 2023 vernietigd en zijn zaak wordt momenteel opnieuw onderzocht. Eiseres verklaart in Turkije [functie] in het onderwijs te zijn geweest. Vanwege de activiteiten van haar echtgenoot heeft zij zes keer van baan moeten wisselen tussen 2019 en 2023. Eiseres stelt sociaal te zijn buitengesloten door haar collega’s omdat zij zelf ook als lid van de Gülenbeweging wordt gezien. Eiseres heeft ook contacten gehad met andere (vermeende) Gülenisten waarvan sommigen zijn vervolgd en gestraft. Bij terugkeer vreest eiseres voor de Turkse autoriteiten.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Volgens de minister bestaat het asielrelaas van eiseres uit de volgende relevante elementen:\n\nhaar identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nhaar problemen door (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülenbeweging.\n\nDe minister acht beide asielmotieven geloofwaardig, maar volgens de minister heeft eiseres geen gegronde vrees voor vervolging. Het is niet gebleken dat eiseres in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. De minister acht geloofwaardig dat zij op haar werk en in sociale kringen problemen heeft ervaren, maar zij heeft volgens de minister niet te vrezen voor aanhouding of vervolging bij terugkeer naar Turkije. Eiseres verklaart namelijk zelf geen problemen te hebben ervaren met de Turkse autoriteiten. Verder blijkt uit een document dat eiseres heeft overgelegd dat haar naam wordt genoemd in het strafproces van haar echtgenoot. Ook blijkt uit dit document dat er geen gegevens over eiseres gevonden zijn. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres daarom afgewezen.\n\n4.1. De minister heeft vanwege de ambtshalve verlening van de afgeleide asielvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vw aan eiseres geen voornemen voorafgaand aan het bestreden besluit uitgebracht.\n\nDe beoordeling van de rechtbank\n\n5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij met haar verklaringen zelfstandige asielmotieven naar voren heeft gebracht waaruit moet worden afgeleid dat zij persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging. Eiseres stelt dat zij als echtgenote van een Gülenist wél in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Het enkele feit dat haar naam wordt genoemd in het onderzoek van haar echtgenoot is daar een indicatie voor. Verder vreest eiseres voor spionnen in asielzoekerscentra in Nederland. Het ligt dan ook in de lijn der verwachtingen dat de negatieve belangstelling ten aanzien van eiseres bij terugkeer naar Turkije herleeft of toeneemt. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat de minister met het nieuwe beleid een aanzienlijk zwaardere bewijslast oplegt. Eiseres verwijst in dat verband naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats, van 15 augustus 2024en deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 24 oktober 2024. Uit landeninformatie blijkt dat de vervolging van Gülenisten in Turkije nog steeds extreem willekeurig is. Dat geldt ook voor familieleden van Gülenisten. De minister had op 1 december 2023 dan ook niet kunnen besluiten tot wijziging van het beleid ten aanzien van (vermeende) Gülenisten.\n\n6. De minister stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de Afdelingin haar uitspraken van 25 maart 2026 heeft geoordeeld dat de minister tot de beleidswijziging heeft kunnen komen. Daarvoor vindt de Afdeling steun in de landeninformatie over Turkije waaruit blijkt dat de vervolging van Gülenisten in Turkije minder ernstig is geworden na de couppoging van 2016. Op basis van het nieuwe beleid blijft er ook voor eiseres een individualiseringsvereiste gelden. Volgens de minister staat eiseres niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten. Uit de beroepsgronden is dat ook niet gebleken. De bronnen die eiseres aanhaalt onderbouwen de individuele vrees van eiseres niet. Zij zijn ouder dan het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025. Volgens de minister is niet gebleken dat zij een familielid van een hooggeplaatst Gülenist is. Zij heeft weliswaar vaak van baan moeten wisselen, maar is steeds aan nieuw werk gekomen, ook toen de problemen van haar man al aanwezig waren. Dit laat zien dat het niet aannemelijk is dat eiseres in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat eiseres vanwege de strafrechtelijke vervolging van haar man zes keer is overgeplaatst en dat haar collega’s om diezelfde reden geen contact met haar wilden. Eiseres mocht binnen de uitoefening van haar functie als [functie] ook geen overleggen met het Turkse ministerie bijwonen. Verder staat niet ter discussie dat de echtgenoot van eiseres politieman is, er (weer) een strafrechtelijk onderzoek naar hem loopt en dat de naam van eiseres in dit strafrechtelijk onderzoek eerder is genoemd. Ook wordt geloofwaardig geacht dat eiseres in Turkije contact heeft gehad met andere (vermeende) Gülenisten waarvan sommigen zijn vervolgd en gestraft.\n\n7.1. Wat partijen verdeeld houdt, is of eiseres risico loopt op vervolging bij terugkeer naar Turkije.\n\nWijziging van het beleid ten aanzien van (vermeende) Gülenisten in Turkije\n\n8. De rechtbank ziet aanleiding zich eerst te buigen over de vraag of de minister over had kunnen gaan tot de beleidswijziging op 1 december 2023. Door deze wijziging geldt niet langer dat bij het ontbreken van geringe indicaties de risico’s bij terugkeer worden beoordeeld in het licht van de “diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten”.\n\n8.1. De minister heeft er ter zitting op gewezen dat de beleidswijziging zijn oorzaak vindt in het feit dat de situatie in Turkije voor (vermeende) Gülenisten weliswaar nog steeds niet gunstig is, maar wel minder slecht dan voorheen. De minister wijst daarbij op de volgende drie aspecten. Er is een getalsmatige daling in het aantal strafrechtelijke vervolgingen van (vermeende) Gülenisten, de vervolging van (vermeende) Gülenisten is minder willekeurig dan voorheen en de rechterlijke macht kijkt strenger naar de strafrechtelijke bewijsvoering in Gülen-zaken. Ter nadere onderbouwing van de rechtmatigheid van de beleidswijziging verwijst de minister naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026.\n\n8.2. De rechtbank ziet zich aldus meer specifiek voor de vraag gesteld of de minister deugdelijk heeft onderbouwd dat er sprake is van een verbetering in de positie van (vermeende) Gülenisten in Turkije. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. De rechtbank verlaat zich daarbij op de navolgende algemene landeninformatie. De rechtbank zal de drie door de minister aangedragen aspecten eerst afzonderlijk bespreken, steeds gevolgd door een tussenconclusie, en eindigen met het oordeel dat uit de landeninformatie niet volgt dat de situatie ten aanzien van (vermeende) Gülenisten beter is geworden.I. De getalsmatige daling in het aantal vervolgingen van (vermeende) Gülenisten\n\nDe intentie van de Turkse overheid om (vermeende) Gülenisten aan te pakken\n\n9. Uit de Algemene ambtsberichten Turkije van 2023 en 2025 (hierna: ambtsbericht 2023 en ambtsbericht 2025) volgt dat de intentie van de Turkse overheid om (vermeende) Gülenisten aan te pakken onverminderd groot blijft. In het ambtsbericht 2025 staat geschreven:\n\n“De Turkse autoriteiten maakten gelijk duidelijk dat hun strijd tegen de Gülenbeweging onverdroten zou doorgaan. Op 21 oktober 2024 deelde Hakan Fidan, de Turkse minister van Buitenlandse Zaken, mee dat de Turkse regering niet zou verslappen in de bestrijding van de Gülenbeweging. Op dezelfde dag riep het Turkse ministerie van Defensie de volgelingen van Gülen op om zich over te geven aan de Turkse overheid. Begin november 2024 woonde president Erdoğan een topbijeenkomst bij van de Organisatie van Turkse Staten in de Kirgizische hoofdstad Bisjkek. Daar zei hij: ‘Onze strijd tegen alle vormen van terrorisme, in het bijzonder tegen FETÖ, zal ononderbroken doorgaan’.”\n\n9.1.. Uit een rapport van de Finse immigratiedienst volgt dat de Turkse minister van Defensie op 13 december 2023 een persbericht heeft doen uitgaan waarin werd aangegeven dat sinds de mislukte coup 23.971 mensen die betrokken waren bij de Gülenbeweging uit de militaire dienst zijn ontslagen. Daarin staat ook “the fight against FETÖ continues until there is not a single person affiliated with the movement among the personnel of the armed forces”\n\n9.2.. Tijdens een bijeenkomst op 15 juli 2025 ter herdenking van de militaire coup in 2016 refereerde president Erdoğan aan de Gülenbeweging als een virus dat nog niet weg is: “We defeated traitors during the 2013 probes and on July 15, but we have not yet completely removed the FETÖ virus from the body.”\n\nDe aanpak van (vermeende) Gülenisten in de praktijk\n\n10. Volgens cijfers uit juli 2023 van het Turkse Ministerie van Justitie zijn sinds de coup in 2016 bij elkaar 122.632 mensen veroordeeld voor vermeende banden met de Gülenbeweging, waarvan er op dat moment nog 12.108 in de gevangenis zaten. Tegen 67.893 mensen liep in juli 2023 nog een strafrechtelijk onderzoek inzake vermeende banden met de Gülenbeweging.Volgens cijfers van de Turkse overheid zijn in de periode 2016-2018 als gevolg van banden met de Gülenbeweging 125.678 overheidsdienaren ontslagen.\n\n10.1.. De UK Home Office schrijft dat er kritiek is op de door de Turkse overheid aangedragen cijfers. Zo geven geraadpleegde experts aan dat uit andere cijfers van de Turkse overheid blijkt dat in de periode 2016 – 2020 meer dan 265.000 mensen zijn veroordeeld voor lidmaatschap van een terroristische organisatie.De Finse immigratiedienst schrijft dat twee door hen geraadpleegde bronnen het aantal strafrechtelijke onderzoeken naar vermeende Gülenisten sinds 2016 op 2.000.000 schatten.Volgens een geraadpleegde expert zouden er bij elkaar voorts 400.000 overheidsdienaren zijn ontslagen sinds de militaire coup.\n\n10.2.. Uit de ambtsberichten 2023 en 2025 volgt dat (vermeende) Gülenisten nog steeds regelmatig op grotere of kleine schaal door de Turkse autoriteiten worden gearresteerd. Ter illustratie wordt onder andere gewezen op een door de Turkse overheid vrijgegeven overzicht van gerichte (landelijke) acties in de verslagperiode 10 januari tot 23 oktober 2023, waarbij in totaal 1.824 personen zijn aangehouden.\n\n10.3.. \n\nHuman Rights Watch schrijft in haar jaarverslag over 2024:\n\n“Thousands of people face detention, investigations and unfair trials on terrorism charges for alleged links with the movement led by deceased US-based cleric Fethullah Gülen (…). Many have faced arbitrary imprisonment with no effective remedy after mass removal from civil service jobs and the judiciary.”\n\n10.4.. In een bericht van het Turkse Ministerie van Justitie van 12 juli 2024 verklaart de minister dat er op dat moment tegen 61.769 mensen een strafrechtelijk onderzoek vanwege FETÖloopt en dat bij 23.052 mensen het proces net is begonnen.\n\n10.5.. In een rapport van 21 januari 2025 schrijft hoogleraar Vande Lanotte dat in Turkije jaarlijks nog steeds enkele duizenden Gülenisten worden vervolgd.\n\n10.6.. Uit het ambtsbericht 2025 volgt dat de Turkse overheid zich in de loop van de tijd ook is gaan richten op “burgers die (financiële) steun geven aan gevangengezette Gülenisten en\u002Fof hun familieleden”. Deze personen worden door de Turkse overheid verdacht van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging. Ook hoogleraar Vande Lanotte maakt melding van de verdenking van ‘herstructurering’. Vande Lanotte beschrijft dat sinds enige tijd ook personen die hulp bieden aan gedetineerde Gülenisten in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten en dat zij worden vervolgd op beschuldiging van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging.\n\n10.7.. Ook de Finse Immigratiedienst maakt melding van ‘herstructuringsoperaties’, gericht tegen personen die bezig zouden zijn met het herstructureren of opnieuw opbouwen van de Gülenbeweging.Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat het helpen van een Gülenist die in de gevangenis zit, waarschijnlijk het meest gehanteerde criterium is om een nieuw strafrechtelijk onderzoek te starten.Een andere expert geeft aan dat het merendeel van de personen die verdacht worden van herstructurering al eerder onderzocht waren vanwege banden met de Gülenbeweging. Onder deze personen zitten “family members of those still in prison as well as those individuals, either in Turkey or abroad, whose sentences have not yet been finalized, their family members and their ‘close circle’.”\n\n10.8.. Op basis van het onderzoek van de Finse Immigratiedienst kunnen daarnaast nog twee andere categorieën mensen in de negatieve belangstelling van de Turkse politie en justitie komen te staan. Dit betreft enerzijds het gebruik van publieke telefooncellen en treft met name militairen (de zogenoemde ‘payphone-investigations’). Volgens een geraadpleegde expert kunnen deze onderzoeken nog heel lang duren omdat er zo’n 90.000 openbare telefooncellen in Turkije zijn. Anderzijds lopen ook personen die na de coup van 2016 de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt een risico op vervolging. Het gaat dan bijvoorbeeld om jongeren die op een Gülenschool hebben gezeten en van wie hun ouders banden met de Gülenbeweging wordt verweten.\n\n10.9.. Uit de landeninformatie volgt voorts dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse Immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Dit nieuwe onderzoek kan dan eveneens hun vrouwen en kinderen betreffen.Ook Vande Lanotte beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.\n\n10.10.. De UK Home Office schrijft dat de Turkse overheid actief probeert om vermeende Gülenisten uit het buitenland overgedragen te krijgen. Uit een vertrouwelijk document van de Turkse geheime dienst volgt dat Turkije aan 112 landen heeft gevraagd om de uitlevering van 1.271 Gülenleden en dat op de peildatum 13 juli 2023, 126 van hen ook daadwerkelijk aan Turkije waren overgedragen.\n\n10.11.. De Turkse overheid laat zich in haar vervolging van (vermeende) Gülenisten, tot slot, niet corrigeren door de rechterlijke macht. Zo legde de overheid een belangrijke uitspraak van het EHRMvan 26 september 2023 naast zich neer.Ook legt de overheid zich niet neer bij hen onwelgevallige uitspraken van Turkse rechters. Een terugplaatsingsbesluit van de Raad van State ten aanzien van 450 ontslagen rechters en aanklagers werd door president Erdoğan onaanvaardbaar genoemd. Naar aanleiding van deze uitspraak stelde de Raad van Rechters en Aanklagers een nieuw onderzoek in bij 387 rechters en aanklagers.\n\nDe getalsmatige daling van het aantal strafrechtelijke vervolgingen en ontslagen\n\n11. Uit de Ambtsberichten van 2023 en 2025 volgt dat er sprake is van een getalsmatige daling in de aantallen strafrechtelijke onderzoeken, vervolgingen en gedwongen ontslagen van (vermeende) Gülenisten ten opzichte van de periode 2020. Ook de rapporten van UK Home Office en de Finse Immigratiedienst spreken van een getalsmatige daling.\n\n11.1.. Deze daling wordt door twee vertrouwelijke bronnen toegeschreven aan het feit “dat de meerderheid van (vermeende) Gülenisten inmiddels strafrechtelijk was vervolgd dan wel uitgeweken naar het buitenland”. Volgens een delegatie van de Europese Unie die Turkije heeft bezocht, is de daling het gevolg van het feit dat de meest zichtbare Gülenisten in de Turkse samenleving al waren ontslagen dan wel strafrechtelijk onderzocht en vervolgd.\n\n11.2.. UK Home Office geeft als reden voor de getalsmatige daling dat de meeste arrestaties en detenties al hebben plaatsgevonden tijdens de noodtoestand van juli 2016 tot juli 2018.De Finse immigratiedienst tekent, tot slot, op dat door hen gesproken experts de daling toeschrijven aan “an unprecedented number of people having already been arrested”, en wat betreft de gedwongen ontslagen dat “almost all the civil servants associated with the movement were dismissed under the decree laws”.\n\n11.3.. In het Ambtsbericht van 2023 wordt een vertrouwelijke bron aangehaald die een andere reden geeft voor de daling. Deze bron schrijft de daling toe aan het feit “dat de Turkse regering haar negatieve aandacht had verlegd van de Gülenbeweging naar de Koerdische beweging en de lhbtiq+ gemeenschap”.\n\n11.4.. De rechtbank stelt vast dat in de ambtsberichten van 2023 en 2025 geen met de daling corresponderende stijging van het aantal vervolgde Koerdische- en\u002Fof LHBTI+-mensen in Turkije is waar te nemen.\n\nTussenconclusie ten aanzien van de getalsmatige daling van het aantal strafrechtelijke vervolgingen en ontslagen.\n\n12. Gelet op de onverminderd grote negatieve aandacht en vastberadenheid van de Turkse overheid jegens de Gülenbeweging en de nog steeds overweldigende cijfers over het aantal strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen op grond van (vermeend) Gülenisme, is de rechtbank van oordeel dat de na de noodtoestand ingezette getalsmatige daling is toe te schrijven aan het getalsmatige gegeven dat inmiddels veel (vermeende) Gülenisten al zijn vervolgd dan wel Turkije zijn ontvlucht. Dit wordt niet alleen door diverse bronnen en experts aangegeven, maar is ook de conclusie van gerenommeerde entiteiten als voornoemde delegatie van de Europese Unie en UK Home Office. De rechtbank gaat dus niet mee in de mogelijkheid dat de daling het gevolg is van het verleggen van de aandacht naar andere groeperingen. Er is slechts één bron die dit naar voren brengt en uit het ambtsbericht 2023 en 2025 blijkt dat daar geen cijfermatige onderbouwing voor is gegeven. Sterker nog, uit alle hierboven aangehaalde landeninformatie blijkt dat de negatieve aandacht jegens (vermeende) Gülenisten in de loop van de tijd juist is verbreed naar nieuwe groepen, zoals mensen die (vermeende) Gülenisten in gevangenschap en\u002Fof hun familieleden (financieel) ondersteunen, het zogenoemde verboden ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging, en kinderen van Gülenisten die ten tijde van de coup nog geen 18 jaar oud waren.\n\nII. Minder willekeur in de vervolging van (vermeende) Gülenisten\n\n13. Het ambtsbericht 2025 vermeldt dat vervolgde Gülenisten uit alle geledingen van de maatschappij komen en dat mensen nog steeds relatief makkelijk kunnen worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging.\n\n13.1.. De Finse Immigratiedienst schrijft dat aan de hand van de volgende criteria iemand gelinkt kan worden aan de Gülenbeweging:\n\nhas used or downloaded the ByLock messaging application\n\nhas deposited money or possessed a bank or credit card in Bank Asya or used one of its payment terminals\n\nhas been denounced anonymously or his or her name appears in secret witness statements\n\nhas attended the Gülen movement’s religious gatherings (sohbets)\n\nhas served in an executive role or as a member in an association that has been either closed or dissolved during the State of Emergency on the basis of its alleged connection to the Gülen movement\n\nhas served in an executive role or as a member in a trade union that has been either closed or dissolved during the State of Emergency on the basis of its alleged connection to the Gülen movement\n\nhas been a shareholder, manager or employee in companies and other legal persons, including schools, universities, hospitals, media outlets, publishing houses that have been closed down or seized under the State of Emergency for their alleged ties with the Gülen movement\n\nhas subscribed to newspapers or magazines dissolved or seized during the State of Emergency on the basis of its alleged connection to the Gülen movement\n\nhas been in possession of copies of the above-mentioned newspapers or magazines or books, CDs or DVDS issued by publishing houses closed, dissolved or seized because of their alleged connections to the Gülen movement\n\nhas studied in schools or universities or resided in dormitories closed during the State of Emergency for their alleged connections to the Gülen movement or sent his or her children to these educational institutions\n\nhas travelled abroad\n\nhas followed certain accounts on social media or shared articles critical of the AKP government\n\nhas donated to relief organisations associated with the Gülen movement\n\nhas resided in hotels associated with the Gülen movement\n\nhas been found to be in possession of a one-dollar (USD) banknote\n\nhas cancelled their subscription to the digital TV platform DIGITURK after its decision to end the broadcasting of seven television channels allegedly connected to the Gülen movement\n\nhas participated in protests reacting to the Turkish government’s takeover of (Gülen movement linked) the newspaper Zaman and Samanyolu TV or made press statements protesting the government’s actions\n\nhas expressed support for the opposition parties or criticised the Turkish government for human rights violations\n\nhas been associated with the so-called “restructuring” of the Gülen movement’s structures or, in general, with assisting those associated with the movement financially or otherwise\n\nhas made consecutive calls from payphones connected to the activities of the Gülen movement’s members\n\nhas a family member who has downloaded the ByLock messaging application\n\nhas been mentioned in a ByLock correspondence without their knowing and without using the software themselves\n\nhas participated in the Gülen movement’s religious conversations and programs\n\nhas authored books published by the Gülen movement’s publishing houses and\u002For about Fethullah Gülen\n\nhas been mentioned in an intelligence report\n\nhas been in contact with people influential in the Gülen movement\n\nhas participated in a demonstration or written an article critical of the Turkish government\n\n13.2.. UK Home Office benoemt daarnaast nog de volgende criteria:\n\nPolice or secret service reports\n\nInformation received from work colleagues or from neighbours\n\nRapid promotion in the public service or military\n\n13.3.. Volgens Human Rights Watch is de vervolging van (vermeende) Gülenisten “extreem willekeurig en onvoorspelbaar” en is er geen duidelijkheid over de criteria die daarbij door de Turkse autoriteiten worden gehanteerd. Human Rights Watch vermoedt dat deze willekeur het gevolg is van niveauverschillen bij de politie en veiligheidsdiensten op lokaal niveau. In sommige districten zijn de autoriteiten eenvoudigweg goed in staat iedereen op te pakken en in andere niet.Een voor het ambtsbericht 2025 gesproken vertrouwelijke bron bevestigt de willekeur in vervolging.\n\n13.4.. Ook door de Finse Immigratiedienst gesproken bronnen benoemen de willekeur bij vervolging van vermeende Gülenisten. Zo spreekt een van de experts van een “all-pervasive sense of randomness with regard to how even a person without any ties to the movement can be subjected to investigation\".Dit laatste wordt door een andere expert beaamd: “For example, just being a friend of a convicted person can be seen as a sign of affiliation with the movement and in these cases, simply meeting a friend can be dangerous.”Weer een andere expert benoemt de normale achtergrond (ordinary background) van de mensen die door de Turkse autoriteiten zijn vervolgd voor Gülenisme. Volgens deze expert was bijna niemand van de veroordeelden op een eerder moment met justitie in aanraking gekomen.\n\n13.5.. Ondanks voorgaande willekeur zijn volgens de Finse immigratiedienst ook specifieke categorieën van (vermeende) Gülenisten aan te duiden die in de negatieve belangstelling staan van de overheid. Het gaat daarbij om:\n\noverheidsdienaren en leden van de veiligheidsdiensten;\n\nindividuen die eerder een sepot hebben gekregen dan wel zijn vrijgesproken of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten terzake Gülenisme;\n\noperaties tegen “herstructureren” van de Gülenbeweging;\n\nindividuen die betrokken zijn bij het zogenaamde “payphone investigation”;\n\nindividuen die na de coup van 2016 de leeftijd van strafrechtelijke verantwoordelijkheid hebben bereikt;\n\nmensenrechtenactivisten, mensen die het (juridisch) hebben opgenomen voor Gülenisten en critici van de Turkse overheid;\n\nzakenlieden.\n\n13.6.. Het ambtsbericht 2025 spreekt ook over een specifieke groep die in de negatieve aandacht staat. Het gaat daarbij om (vermeende) Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat, zoals cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbare aanklagers.Zo zijn bij de operaties die tussen 10 januari en 23 oktober 2024 plaatsvonden, in de meeste gevallen militairen, politieagenten en medewerkers van justitie opgepakt.\n\n13.7.. De Finse immigratiedienst schrijft verder dat strafrechtelijke vervolging van familieleden van (vermeende) Gülenisten nog steeds willekeurig is. Partners, kinderen, broers en zussen lopen daarbij het meeste risico.\n\nTussenconclusie ten aanzien van de vraag of er sprake is van minder willekeur in de vervolging van (vermeende) Gülenisten\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat nog steeds iedereen die in verband wordt gebracht met de Gülenbeweging door de Turkse autoriteiten het risico loopt op een willekeurige verdenking en strafrechtelijke vervolging inzake (vermeend) Gülenisme. De mate van willekeur manifesteert zich niet alleen bij de vraag wie de autoriteiten in het vizier hebben, maar lijkt ook verband te houden met de vraag of de lokale autoriteiten organisatorisch voldoende in staat zijn om een verdenking om te zetten in concrete vervolgingsacties. Daarnaast volgt uit de landeninformatie dat een aantal categorieën mensen in een gerichte en bijzondere negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staan. Die bijzondere aandacht kan bovengenoemde willekeur evenwel niet wegnemen. Sterker nog, de Turkse overheid laat in woord en gebaar juist zien dat het hen serieus is om iedereen die in hun ogen betrokken is bij de Gülenbeweging aan te pakken.\n\nIII. Meer bescherming door de rechterlijke autoriteiten\n\n15. De Europese Commissie schrijft in 2022 dat er serieuze zorgen zijn over de “continued deterioration of the independence of the judiciary” en dat de Turkse overheid deze zorgen niet beantwoordt.Ook schrijft de Europese Commissie dat “The serious backsliding observed since 2016 continued during the reporting period. Concerns remained, in particular the systemic lack of independence of the judiciary and undue pressure on judges and prosecutors. Particular concerns relating to the judiciary’s adherence to international and European standards increased, in particular in relation to the refusal to implement rulings by the European Court of Human Rights.”\n\n15.1.. Freedom House schrijft dat “Judicial independence has been severely compromised, as thousands of judges and prosecutors have been replaced with government loyalists since 2016 (…). The Constitutional Court has shown some independence since 2019 but is not free form political influence and often delivers rulings in line with AKP interests”\n\n15.2.. De United States State Department schrijft in haar rapport van 2022 dat “Observers noted prosecutors and courts often failed to establish sufficient evidence to sustain indictments and convictions in cases related to supporting terrorism, highlighting concerns regarding respect for due process and adherence to credible evidentiary thresholds. In numerous cases, authorities used secret evidence or witnesses to which defense attorneys and the accused had no accesss or ability to cross-examine and challenge in court, particularly in cases related to national security.”\n\n15.3.. Human Rights Watch schrijft in haar jaarrapport uit 2024 dat president Erdoğan en zijn AKP “exert strong control over the media, courts and most state institutions, regularly sidelining or punishing perceived government critics. Political divisions and power struggle within Türkiye top courts and increasing reports of corruption within the state and judiciary have further undermined human rights and the rule of law.”\n\n15.4.. Op 26 september 2023 oordeelde het EHRM dat de veroordeling van docent Yukŝel Yalçinkaya in strijd was met artikel 6, eerste lid (recht op een eerlijk proces), artikel 7 (het legaliteitsbeginsel) en artikel 11 (vrijheid van vereniging) van het EVRM.In september 2024 werd Yalçinkaya voor dezelfde feiten door een Turkse rechtbank wederom veroordeeld. Volgens Human Rights Watch met terzijde schuiving van het oordeel van het EHRM.\n\n15.5.. In het ambtsbericht 2023 wordt melding gemaakt van het feit dat er door het Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie strenger wordt toegezien op het gebruik van strafrechtelijk bewijs in zaken tegen Gülenisten.Zo heeft het Hof van Cassatie in 2021 geoordeeld dat het gebruik van ByLock alleen kan worden tegengeworpen als bewezen is dat de betrokkene de app daadwerkelijk heeft gebruikt, en niet iemand anders. Het Constitutioneel Hof heeft op 13 februari 2020 bepaald dat het hebben gehad van een rekening bij Bank Asya niet kan niet worden aangemerkt als een activiteit ten behoeve van de Gülenbeweging, tenzij er een instructie vanuit de beweging aan ten grondslag ligt. Verder oordeelde het Hof van Cassatie in januari 2022 dat alledaagse transacties via Bank Asya niet kunnen worden beschouwd als activiteiten ten behoeve van de Gülenbeweging.\n\n15.6.. Verder staat in het ambtsbericht 2025 beschreven dat voormelde eisen aan de bewijsvoering door lagere rechters niet altijd worden gevolgd.\n\n15.7.. Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat strafrechtelijke vervolgingen op basis van het gebruik van ByLock en\u002Fof Asya Bank inmiddels bijna allemaal zijn afgerond.\n\n15.8.. Verscheidene door de Finse immigratiedienst gesproken bronnen geven aan dat geheime getuigenverklaringen een belangrijk bewijsmiddel zijn in aanklachten tegen Gülenisten.Deze verklaringen kunnen afkomstig zijn van mensen die zelf verdacht werden van Gülenisme en, in ruil voor vrijlating of strafvermindering dan wel anderszins onder druk, besloten anderen te noemen (dit zijn zogenaamde “spijtoptanten”). Geheime getuigenverklaringen kunnen ook afkomstig zijn van politieagenten zelf.Volgens een delegatie van de Europese Unie die Turkije heeft bezocht worden geheime getuigenverklaringen in zaken tegen gewone burgers nog steeds gebruikt.\n\n15.9.. De Finse Immigratiedienst schrijft ook dat volgens Human Rights Watch en een door hen geraadpleegde advocaat, de Turkse rechtspraak niet eenduidig omgaat met Gülen-zaken. Bij nagenoeg hetzelfde bewijsmateriaal wordt in de ene zaak wel en de andere geen veroordeling uitgesproken.\n\nTussenconclusie ten aanzien van de vraag of de rechterlijke autoriteiten meer bescherming biedt.\n\n16. Uit de landeninformatie volgt dat de rechterlijke macht meegaat in strafrechtelijke vervolgingen van (vermeende) Gülenisten. Tegen het politiek vervolgen van (vermeende) Gülenisten an sich wordt dan ook geen rechtsbescherming geboden. Ook heeft de rechterlijke macht het uitgangspunt van gedwongen ontslagen op grond van (vermeend) Gülenisme in stand gelaten.\n\n16.1.. Weliswaar volgt uit het ambtsbericht 2023 dat het Hof van Cassatie en het Constitutioneel Hof strengere eisen stellen aan het strafrechtelijk bewijs ten aanzien van het gebruik van ByLock of Asya Bank, maar uit de landeninformatie blijkt ook dat deze eisen niet altijd door lagere rechters worden gevolgd. Bovendien tast deze aanscherping de vervolging op basis van (vermeend) Gülenisme niet aan en blijven er vele andere bewijsmiddelen over (zie onder 13.1.), waaronder de geheime getuigenverklaringen. De ‘verbetering’ in rechterlijke bescherming, althans zo begrijpt de rechtbank de minister, ziet de rechtbank dan ook niet als een werkelijke verbetering en beschermt in de kern ook niet tegen politieke vervolging inzake (vermeend) Gülenisme an sich.\n\nIs de situatie ten aanzien van (vermeende) Gülenisten in Turkije minder slecht geworden?\n\n17. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de negatieve aandacht van de Turkse overheid voor (vermeende) Gülenisten nog onverminderd groot is en dat deze zich in de loop van de jaren heeft uitgebreid naar nieuwe categorieën die op de radar zijn komen te staan van de Turkse autoriteiten. De getalsmatige daling in het aantal strafrechtelijke vervolgingen en ontslagen is het gevolg van het feit dat veel (vermeende) Gülenisten al zijn vervolgd dan wel Turkije zijn ontvlucht. De vervolging is nog steeds willekeurig, waarbij een aantal groepen extra kans lopen op negatieve aandacht. De rechterlijke macht biedt tegen politieke vervolgingen wegens Gülenisme an sich geen bescherming. De extra waarborgen ten aanzien van het strafrechtelijk bewijs inzake Bylock en Bank Asya zijn bovendien marginaal. Hierbij valt overigens niet uit te sluiten dat het grootste deel van de dossiers waarin ByLock en Bank Asya als initieel bewijsmiddel figureren, inmiddels is afgehandeld.\n\n17.1.. Anders dan de minister komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat er geen sprake is van een minder slecht beeld voor Gülenisten dan voorheen. Dat de negatieve aandacht een aantal categorieën mensen extra treft – in zoverre is het beeld minder diffuus geworden – maakt het voorgaande niet anders. Deze mensen lopen extra gevaar, alle andere mensen gaan nog steeds gebukt onder dezelfde willekeur.\n\n17.2.. De wijziging van het beleid mist dan ook een deugdelijke motivering. Nu het bestreden besluit op die wijziging is gebaseerd, mist ook het besluit een deugdelijke motivering. Dit klemt temeer nu de minister onder het oude beleid asielaanvragen van (vermeende) Gülenisten in de regel inwilligde, ook bij het ontbreken van geringe indicaties.Het beroep is dan ook gegrond.\n\nDe op eiseres toegesneden motivering in het bestreden besluit\n\n18. De rechtbank is zich bewust van de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026 waar ten aanzien van de wijziging van het beleid tot een ander oordeel wordt gekomen.De rechtbank houdt er dan ook rekening mee dat de minister tegen deze uitspraak in hoger beroep zal willen gaan.\n\n18.1.. De rechtbank hecht er daarom aan voorts nog het navolgende te overwegen nu ook de individuele beslissing gebaseerd op het nieuwe beleid gebreken kent.\n\n18.2.. De rechtbank herhaalt daarom kort hetgeen eiseres aan haar individuele asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Uit het door de minister geloofwaardig geachte asielrelaas komt naar voren dat eiseres de echtgenote is van een politieagent, die bij decreet is ontslagen in verband met banden met de Gülenbeweging. Ook is de echtgenoot (wederom) onderwerp van strafrechtelijk onderzoek in verband met de verdenking van banden met de Gülenbeweging. Als gevolg van het ontslag van de echtgenoot is eiseres door haar werkgever, [werkgever] , zes keer overgeplaatst. Er is ook strafrechtelijk onderzoek gedaan naar eiseres. Eiseres heeft contacten gehad met andere (vermeende) Gülenisten waarvan sommigen zijn vervolgd en gestraft.\n\n18.3.. Eiseres vreest voor negatieve aandacht van de overheid bij terugkeer naar Turkije. Zij is bang te worden beschuldigd van herstructurering.Ook is eiseres bang als echtgenote van een Gülenist en lid van de Gülenbeweging te worden gezien. Zij vreest bij terugkeer een strafrechtelijke vervolging. Dat zij niet eerder strafrechtelijk is vervolgd, maakt dit niet anders aldus eiseres.\n\n19. De minister dient het asielrelaas en de vrees van eiseres af te zetten tegen wat algemeen bekend is over de situatie van (vermeende) Gülenisten zoals hierboven is weergegeven onder 9. – 11.4, 13. – 13.7 en 15. – 15.9. Dat heeft de minister onvoldoende kenbaar gedaan. De minister had het asielrelaas en de vrees voorts ook in het licht van zijn eigen beleid dienen te beoordelen, te weten dat (vermeende) Gülenisten vanaf 1 juli 2024 zijn aangewezen als risicoprofiel. Uit het bestreden besluit volgt onvoldoende dat de minister dit toetsingskader heeft gevolgd.\n\n20. De rechtbank merkt voorts op dat de minister nader dient te onderzoeken wat het risico bij terugkeer is nu eiseres de echtgenote is van een politieagent die ontslagen is in verband met- en thans weer strafrechtelijk onderzocht wordt voor banden met de Gülenbeweging.\n\n20.1.. Dat volgens de minister, zoals in het verweerschrift onder verwijzing naar het ambtsbericht 2025 is geschreven, niet is gebleken dat de echtgenoot een hooggeplaatste Gülenist is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing dat eiseres als echtgenote geen risico zal lopen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, meer specifiek r.o. 5.1 en 5.2. Hieruit volgt, kort gezegd, dat onduidelijk is wat onder ‘hooggeplaatste’ Gülenisten moet worden verstaan en dat niet is uitgesloten dat ook familieleden van andere Gülenisten een dergelijk risico lopen.\n\n20.2.. De rechtbank voegt daaraan toe dat ook UK Home Office geen onderscheid maakt tussen familieleden van hooggeplaatste of niet-hooggeplaatste Gülenisten. Volgens dit rapport is het enkel zijn van familielid van een Gülenist voldoende als risicofactor voor vervolging.De Finse immigratiedienst schrijft voorts dat juist echtgenotes en kinderen doelwit zijn. Een door de Finse immigratiedienst gesproken bron geeft verder aan dat de autoriteiten een discretionaire bevoegdheid hebben om verschillende familieleden van een Gülenist op willekeurige wijze te vervolgen. Een uitspraak van het Turkse Hof van Cassatie over de erkenning van het concept “connection (iltisak) to a terrorist organisation” heeft deze willekeur volgens deze expert in de hand gewerkt nu het niet duidelijk is wat deze term inhoudt.\n\n20.3.. Dat eiseres niet eerder problemen heeft ervaren met de autoriteiten, zoals in het bestreden besluit en het verweerschrift wordt gesteld, kan zonder nadere motivering evenmin worden gevolgd. Weliswaar heeft eiseres dit tijdens het nader gehoor zo verteld maar gelet op de context van het nader gehoor is het daarbij gegaan om de strafrechtelijke vervolging door de overheid. Als overheidsdienaar heeft eiseres wel degelijk negatieve gevolgen ondervonden. Zij is zes keer overgeplaatst in de periode 2019-2023. Anders dan het bestreden besluit stelt, is er vanuit de overheid jegens eiseres dus wel sprake van toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging.\n\n20.4.. Voor zover de minister overigens geen negatieve aandacht in dit verband heeft aangenomen omdat eiseres niet is ontslagen, merkt de rechtbank op dat dit niet nader is onderbouwd. Een door de Finse immigratiedienst gesproken bron geeft aan dat “Family members of people convicted due to their alleged association with the Gülen movement have been discriminated against. Relatives working in the public sector might have lost out on a promotion (…).”. Hieruit volgt dus niet dat enkel bij ontslag sprake is van negatieve aandacht.\n\n21. De rechtbank merkt, tot slot, op dat het bestreden besluit van eiseres niet vooraf is gegaan door een voornemen. Daarmee is het onderzoek in de zaak van eiseres onvoldoende zorgvuldig verlopen.\n\n22. Het beroep is ook om bovenstaande redenen gegrond.\n\nConclusie en gevolgen\n\n23. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginselen het motiveringsbeginsel. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Het is eerst aan de minister om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van het voorgaande. De minister krijgt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n24. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:13599.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:17345.\n\n WBV 2024\u002F23, Stcrt. 2023, nr. 30427.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:1607.\n\n AAB Turkije 2025, p. 46.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 1.\n\n Turkish Minute, 16 juli 2025 Erdoğan calls Gülen movement a 'virus Turkey has not yet removed' - Turkish Minute.\n\n UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.\n\n Idem.\n\n Idem.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’ juni 2024, p. 6.\n\n Idem, p. 9.\n\n AAB Turkije 2023, p. 44 en AAB Turkije 2025, p. 46.\n\n AAB Turkije 2025, p. 47\u002F48.\n\n Human Rights Watch, Türkiye Events of 2024.\n\n Synoniem voor Gülenbweging.\n\n Bijlage bij het AAB Turkije 2025, p. 29.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n AAB Turkije 2025, p. 49.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet on-line kunnen vinden.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 14.\n\n Idem.\n\n Idem, p. 15.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 16, 17 en 18.\n\n Idem, p. 11 en 12.\n\n Idem, p. 12.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.\n\n Europese Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n AAB Turkije 2025, p. 51. Zie verder onder r.o. 15.4.\n\n Idem.\n\n AAB Turkije 2023, p. 44.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 7.\n\n UK Home Office, Country policy and information note: Turkey - Gülenists, Octobre 2023, p. 8 en 19.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 8 en 9.\n\n AAB Turkije 2023, p. 44.\n\n AAB Turkije 2025, p. 49.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 22-24.\n\n UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 8.\n\n AAB Turkije 2025, p. 50.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 8.\n\n Idem.\n\n Idem.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.\n\n AAB Turkije 2025, p. 49.\n\n Idem.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 41 en 42.\n\n Europese Commissie, Turkey 2022 Report, p. 5.\n\n Idem, p. 5 en 6.\n\n Freedom House, ‘Freedom in the World 2023’, sectie F1.\n\n USDD ‘2022 Country Reports on Human Rights: Turkey’, sectie 1E en UK Home Office Country policy and information note: Gülenist movement, Turkey, August 2025.\n\n Idem.\n\n EHRM, nr. 15669\u002F20, ECLI:CE:EHCR:2023:0926JUD001566920.\n\n Human Rights Watch, ‘Türkiye, Events of 2024’.\n\n AAB Turkije 2023, p. 45.\n\n AAB 2025, p. 51.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 25 en 26.\n\n Idem p. 27.\n\n Idem p. 26- 28.\n\n Idem p. 29.\n\n Idem p. 27.\n\n Idem p. 45 en 46.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 5.6.\n\n ECLI:N:RVS:2026:1607, r.o. 7.7.\n\n Idem.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:1743.\n\n Rapport UK Home Office, okt. 2023 p. 8.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 41.\n\n Idem p. 42.\n\n Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 3:46 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14790","2026-06-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:35.293Z",{"id":139,"ecli":140,"slug":141,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":142,"fullText":143,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":144,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":145},"824","ECLI:NL:RBDHA:2026:18578","ecli-nl-rbdha-2026-18578","2026-05-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.9718 (beroep)\n\nNL26.9719 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n\n [eiser],\n\ngeboren op [geboortedag] 1989, van Egyptische nationaliteit, eiser\u002Fverzoeker, hierna te noemen: eiser\n\n(gemachtigde: mr. D. van Elp),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser heeft verklaard dat hij Egypte heeft verlaten voor een betere toekomst voor zichzelf en zijn kinderen. Bij terugkeer vreest eiser voor bendes die hij zou kunnen tegenkomen tijdens zijn werkzaamheden als archeologisch inspecteur.\n\nBesluitvorming\n\n5. De minister heeft het volgende asielmotief onderscheiden:\n\n 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.\n\n5.1.. De minister acht eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Dat eiser uit Egypte komt is echter niet genoeg voor een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat hij door de sociaaleconomische omstandigheden bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op ernstige schade. Niet is gebleken van een ‘minimum level of severity’. Eiser heeft daarnaast zijn vrees voor bendes niet aannemelijk gemaakt, nu hij heeft verklaard dat hij nooit eerder dergelijke bendes is tegengekomen tijdens zijn werkzaamheden. Ook werpt de minister in dit verband tegen dat eiser heeft verklaard dat hij niet van plan was om een asielaanvraag in te dienen.\n\n5.2.. De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat eiser de aanvraag enkel heeft ingediend om uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen, en omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.\n\nStandpunt eiser\n\n6. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat de minister ten onrechte zijn vrees voor problemen met bendes niet als asielmotief heeft aangemerkt. Dit is onzorgvuldig omdat de beoordeling in het kader van het Vluchtelingenverdragen artikel 3 van het EVRMeen ander gezicht krijgt, wanneer die vrees geloofwaardig wordt geacht.\n\n6.1.. Daarnaast voert eiser aan, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 12 september 2025, dat de beoordeling onder artikel 3 van het EVRM niet toereikend is. De minister heeft in het bestreden besluit de aangevoerde omstandigheden van eiser onvoldoende beoordeeld en onvoldoende onderzoek gedaan naar deze omstandigheden. In het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat het leven van zijn kinderen met de dood wordt bedreigd vanwege armoede. In het nader gehoor heeft hij verklaard dat zijn kinderen niet naar de arts en naar school kunnen. Hij heeft verklaard dat het heel moeilijk is om een andere baan te krijgen. Hij wil zijn gezin redden van de armoede. In het nader gehoor is niet verder ingegaan op de vraag of zijn kinderen basisvoorzieningen hebben. Eiser wijst op verschillende nieuwsberichten waaruit volgt dat de economische situatie in Egypte al jaren problematisch is en armoede een blijvend probleem is.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat de vrees voor problemen met bendes in het voornemen niet als asielmotief is beoordeeld, niet betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is. In het bestreden besluit heeft de minister erkend dat hij de vrees van eiser voor problemen met bendes formeel als asielmotief had moeten aanmerken, maar is de vrees wel meegenomen bij de beoordeling of eiser bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op ernstige schade.\n\nTijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat, zelfs als de vrees voor bendes geloofwaardig zou worden geacht, deze niet voldoet aan de vereiste zwaarwegendheid welke in het besluit onder artikel 3 van het EVRM is getoetst. De rechtbank acht de toetsing van het asielrelaas op deze wijze niet onjuist. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7.1.. Ten aanzien van de sociaaleconomische situatie in Egypte, overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak van het EHRMvolgt dat, om binnen de reikwijdte van de bescherming van artikel 3 van het EVRM te vallen, de gevreesde behandeling een ‘minimum level of severity’moet bereiken. Uit het arrest Sufi en Elmivolgt dat als erbarmelijke humanitaire omstandigheden uitsluitend of zelfs hoofdzakelijk te wijten zijn aan armoede er slechts sprake zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM in ‘very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Verder volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat het enkele feit dat een persoon terugkeert naar een land waar zijn economische positie slechter zal zijn dan in het land waar hij thans verblijft, onvoldoende is om te oordelen dat artikel 3 van het EVRM in dat geval zal worden geschonden. Artikel 3 van het EVRM verplicht in zijn algemeenheid de lidstaten ook niet te waarborgen dat eenieder binnen de jurisdictie van een lidstaat onderdak heeft of financiële ondersteuning ontvangt waarmee een bepaalde levensstandaard kan worden gewaarborgd.\n\n7.2.. Met de enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat hij en zijn gezin bij terugkeer niet kunnen rondkomen, zij geen toegang tot de gezondheidszorg hebben en eisers kinderen niet naar school kunnen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in een situatie zal belanden die het vereiste ‘minimum level of severity’ bereikt. De door eiser overgelegde artikelen bieden daarvoor evenmin steun, nu niet inzichtelijk is gemaakt hoe deze betrekking hebben op zijn persoonlijke situatie. Zo verwijst eiser naar een nieuwsartikel van Al Jazeera, waarin wordt beschreven dat er de afgelopen jaren investeringen in Egypte zijn gedaan, maar dat het platteland daarbij achterblijft, het leven daar duurder is geworden en van boeren niet kan worden verwacht dat zij naar de stad trekken. Eiser heeft echter niet gesteld dat hij boer is of dat deze omstandigheden op hem van toepassing zijn. Uit het artikel van Human Rights Watch volgt weliswaar dat het recht op onderwijs onder druk staat door beperkte begrotingsmiddelen en dat de kwaliteit van het onderwijs tekortschiet, maar daaruit blijkt niet dat onderwijs voor eisers kinderen ontoegankelijk of onbetaalbaar is. Uit het artikel volgt dat onderwijs tussen de 5 en 10 dollar per jaar kost en soms voor lage inkomens wordt kwijtgescholden. Ten slotte blijkt uit het rapport van UNICEF dat in 2022 circa 21 procent van de Egyptische bevolking in multidimensionale armoede leefde, waarbij dit percentage hoger ligt op het platteland dan in stedelijke gebieden. Eiser heeft echter niet onderbouwd waarom hij tot deze groep zou behoren. Gelet hierop biedt het betoog van eiser geen concrete aanknopingspunten voor het aannemen van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is daarmee ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\n9. Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, bestaat er geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak NL26.9718:\n\n- verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak NL26.9719:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Artikel 30b, eerste lid en onder f en h, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:16847.\n\n Aljazeera, “Egypt’s economy stabilises, but poverty challenges persist”, 5 december 2025\n\n\u003Chttps:\u002F\u002Fwww.aljazeera.com\u002Feconomy\u002F2025\u002F12\u002F5\u002Fegypts-economy-stabilises-but-poverty-challenges-persist#:~:text=Investments%20boost%20Egypt's%20economy%2C%20but,Add%20Al%20J> ;\n\nHuman Rights Watch, “Egypt: Declining Funding Undermines Education”, 22 september 2024\n\n\u003Chttps:\u002F\u002Fwww.hrw.org\u002Fnews\u002F2025\u002F01\u002F27\u002Fegypt-declining-funding-undermines-education#:~:text=The%20World%20Bank%20estimates%20that,and%20providing%20eveni>;\n\nUnicef, “Multidimensional poverty in Egypt: an in-depth analysis”, December 2024,\n\n\u003Chttps:\u002F\u002Fwww.unicef.org\u002Fegypt\u002Freports\u002Fmultidimensional-poverty-egypt-depth-analysis>.\n\n Europese Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n Zie onder meer het arrest Sufi en Elmi van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.\n\n Vergelijk de beslissing van het EHRM van 2 april 2013, Mohammed Hussein tegen Nederland en Italië, ECLI:CE:ECHR:2013:0402DEC002772510.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18578","2026-07-13T00:28:49.868Z",{"id":147,"ecli":148,"slug":149,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":150,"fullText":151,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":152,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":153},"795","ECLI:NL:RBDHA:2026:18573","ecli-nl-rbdha-2026-18573","2026-03-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.10590 (beroep)\n\n NL26.10591 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n\n [eiser], eiser en verzoeker, hierna: eiser\n\n(gemachtigde: mr. A.W. IJland),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 24 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 22 oktober 2025 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1985 en heeft de Ethiopische nationaliteit. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser op 15 juni 2016 vingerafdrukken heeft afgestaan in Duitsland en daar op dezelfde datum een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser is op 22 oktober 2025 Nederland ingereisd en heeft hier op dezelfde dag een asielaanvraag ingediend.\n\n2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (hierna: Dvo).Op grond van de Dvo neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dvo Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan. Op 19 november 2025 heeft verweerder een verzoek om terugname verstuurd aan Duitsland. Dat verzoek hebben de Duitse autoriteiten op 21 november 2025 geaccepteerd. Daarmee is de verantwoordelijkheid van Duitsland vast komen te staan.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. Eiser voert als eerste beroepsgrond aan dat verweerder zich ten onrechte niet verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van eisers asielaanvraag op grond van artikel 10 van de Dvo. Eiser is samen met zijn partner [naam 1] Nederland ingereisd en beiden hebben een asielaanvraag ingediend. De asielaanvraag van mevrouw [naam 1] wordt wel in Nederland behandeld. Ook in het kader van een terugnameprocedure komt eiser een beroep toe op artikel 10 van de Dvo. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 11 oktober 2023. Verder komt eiser een beroep op artikel 10 van de Dvo toe omdat de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat gebrekkig is verlopen. Verweerder heeft daarbij in strijd gehandeld met artikel 3.108c, tweede lid en onder b van het Vreemdelingenbesluit, aldus eiser.\n\n3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen beroep op Hoofdstuk IIIvan de Dvo toekomt omdat het hier om een terugnameverzoek gaat. Verweerder verwijst daarbij naar jurisprudentie van de Afdeling. Daarnaast vormden eiser en mevrouw [naam 1] geen gezin in het land van herkomst als bedoeld in artikel 2 sub g Dvo, aldus verweerder.\n\n3.2. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser en zijn gestelde partner geen gezin vormden in hun land van herkomst, Ethiopië, zoals bedoeld in artikel 2 sub g van de Dvo. Zij hebben elkaar immers pas in Frankrijk ontmoet. Reeds daarom komt eiser geen beroep toe op artikel 10 van de Dvo. De beroepsgrond behoeft geen verdere bespreking.\n\n4. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij eisers asielverzoek niet aan zich had hoeven trekken als bedoeld in artikel 17 van de Dvo. Eiser is op 7 januari 2025 in Frankrijk via een religieus huwelijk met mevrouw [naam 1] getrouwd. Zij zijn samen op 21 oktober 2025 Nederland ingereisd om hier asiel aan te vragen. [naam 1] is in verwachting van hun kind en zij is uitgerekend op\n\n15 mei 2026. Haar asielverzoek wordt wel in Nederland behandeld. Het belang van het kind vereist dat het kind in het bijzijn van zijn moeder én vader kan opgroeien. Bovendien hebben eiser en mevrouw [naam 1] een relatie. Indien eiser naar Duitsland zou moeten voor zijn asielaanvraag zou dit dan ook van een bijzondere hardheid getuigen, aldus eiser.\n\n4.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde zwangerschapsverklaring van mevrouw [naam 1] niet blijkt dat eiser de (biologische dan wel juridische) vader van het ongeboren kind is. En voor zover wel van het vaderschap zou moeten worden uitgegaan dan is van belang dat niet is gebleken van een duurzame relatie tussen eiser en de moeder. Het is daarom meer in het belang van het kind om bij de moeder te blijven dan bij eiser. Verder zijn er geen aanwijzingen dat het voor het welzijn en de sociale ontwikkeling van het (ongeboren) kind noodzakelijk is dat eiser zijn asielprocedure in Nederland dient te doorlopen, aldus verweerder.\n\n4.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom niet is gebleken dat eiser de vader van het ongeboren kind is. Verweerder kan weliswaar worden toegegeven dat uit de door eiser overgelegde zwangerschapsverklaring van 12 december 2025 niet blijkt dat eiser de vader is. Daar staat echter tegenover dat eiser en mevrouw [naam 1] beiden bij aanvang van hun asielaanvraag, als ook daarna, consistent hebben verklaard dat eiser de biologische vader is van het ongeboren kind. Verder heeft eiser in beroep een Pregnancy Verification Document van [bedrijf] overgelegd. In dit op 17 maart 2026 gedateerde document staat dat mevrouw [naam 1] zwanger is en dat zij is uitgerekend op 15 mei 2026. Verder staat op dit document als naam van de moeder vermeld ‘[naam 2]’, als naam van de partner ‘[eiser]’, als mailadres van betrokkenen ‘[mailadres]’,als telefoonnummer bij beiden ‘[telefoonnummer]’ en bij ‘memo partner’ dat ‘Partner woont al langer in Europa. Woonde 10 jaar in Frankrijk’.\n\n4.3. Hoewel verweerderkan worden toegegeven dat hiermee nog steeds niet vaststaatdat eiser de biologische vader is, ligt er naar het oordeel van de rechtbank inmiddels wel veel dat daar op wijst. Eiser en mevrouw [naam 1] hebben zich immers vanaf het allereerste moment naar verweerder toe als (partners en) ouders van het ongeboren kind gepresenteerd. Eiser en mevrouw [naam 1] hebben zich ook naar de [bedrijf] als (partners en) ouders van het ongeboren kind gepresenteerd, en hebben op die wijze ook contact met deze praktijk getuige onder andere het genoteerde mobiele telefoonnummer en mailadres.\n\n4.4. De enige manier om vast te kunnen stellen dat eiser de biologische vader is van het ongeboren kind is via een DNA-test. Deze kan echter pas worden afgenomen nadat het kind is geboren. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder zich in een situatie als deze niet zonder nader onderzoek – bijvoorbeeld door ter zake nadere vragen te stellen aan eiser en de moeder - en motivering op het standpunt stellen dat van een biologische band tussen eiser en het ongeboren kind niet is gebleken. Dat eiser, zoals verweerder ter zitting heeft opgemerkt, het ongeboren kind nog niet formeel heeft erkend maakt dit niet anders. Het beroep is dan ook gegrond.\n\n5. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ook al zou eiser de vader zijn, het niet vanzelfsprekend in het belang van het ongeboren kind is dat deze door zowel de moeder als vader wordt opgevoed, nu van een duurzame relatie tussen beiden niet is gebleken.\n\n5.1. De rechtbank kan deze redenering niet goed volgen. Het is namelijk in beginsel altijd in het belang van het kind om door beide ouders te worden opgevoed. Het maakt daarbij niet uit of de ouders wel – zoals eiser stelt - of geen – zoals verweerder stelt - duurzame relatie hebben. In familie- en jeugdzaken wordt al sinds jaar en dag als uitgangspunt gehanteerd dat het belang van het kind het meest is gediend bij positieve aandacht en zorg van beide ouders. Of dit nu in een en dezelfde ouderlijke woning is, of via co-ouderschap dan wel een andere vorm van zorgregeling. Verweerder kan dan ook zonder nadere onderbouwing niet worden gevolgd in het standpunt dat dit bij het ongeboren kind in eisers situatie anders is omdat eiser geen duurzame relatie zou hebben met de moeder. Ook deze beroepsgrond slaagt.\n\n6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder aldus onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom een overdracht van eisers asielaanvraag aan Duitsland, gelet op de belangen van het ongeboren kind, niet van onevenredige hardheid getuigt.\n\n7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Nu de rechtbank op het beroep beslist zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen. Verweerder wordt voorts veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.10590,\n\n- verklaart het beroep gegrond.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.10591,\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter, in beide zaken,\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S. Özçelik, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nAls hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2023:18799.\n\n Artikel 10 Dvo valt onder Hoofdstuk III.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie o.a. ECLI:NL:RVS:2019:3672 en ECLI:RVS:NL:2026:984.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18573","2026-07-13T00:28:48.582Z",{"id":155,"ecli":156,"slug":157,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":158,"fullText":159,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":160,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":161},"790","ECLI:NL:RBDHA:2026:18572","ecli-nl-rbdha-2026-18572","2026-03-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.2372 (beroep)\n\n NL26.2373 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\nProces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n\n [eiser],\n\ngeboren op [geboortedag] 1989, van Algerijnse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)\n\n(gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. L. Ludwig).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, die er toe strekt dat hij niet zal worden uitgezet tot dat op het beroep is beslist.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.\n\nNa afloop van de behandeling van de zaken ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond; en\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.\n\n2. Eiser heeft op 1 oktober 2025 asiel aangevraagd in Nederland. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Spanje daarvoor op grond van de Dublinverordeningverantwoordelijk is. Dit is gebleken uit onderzoek bij de Nederlandse verbindingsambtenaar in België. De minister heeft Spanje op 20 november 2025 gevraagd om eiser over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder a van de Dublinverordening. Op 25 november 2025 is Spanje akkoord gegaan op grond van artikel 13, eerste lid van de Dublinverordening.\n\n3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit onzorgvuldig is, nu de minister heeft volstaan met een standaardvoornemen en daarmee niet is ingegaan op de persoonlijke situatie van eiser. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 1 november 2024.\n\n4. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de uitspraak van de Afdelingvan 23 november 2023volgt dat een standaardvoornemen aan de daartoe gestelde vereisten kan voldoen. Dat een voornemen gestandaardiseerde overwegingen bevat, betekent niet dat er sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. In het voornemen is voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond waarvan, Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Aangezien in het bestreden besluit is ingegaan op de door eiser in het aanmeldgehoor en in de zienswijze aangevoerde omstandigheden, bestaat er geen grond voor het oordeel dat er sprake is van onzorgvuldigheid.\n\n5. Eiser betoogt verder dat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan vanwege het gebrek aan opvangvoorzieningen. Eiser heeft gewezen op de update van april 2025 van het meest recente AIDA-rapport. Uit het aangehaalde rapport blijkt daarnaast dat de Europese Commissie een inbreukprocedure is gestart in verband met tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in Spanje.\n\n6. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in het algemeen op vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening hun internationale verplichtingen nakomen. De Afdeling heeft dit voor Spanje op 25 november 2025 bevestigd.Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat de asielprocedure in Spanje een fundamentele systeemfout bevat die de drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawovan het Hof van Justitie van de Europese Unie.\n\n7. Eiser is hier niet in geslaagd. Het door eiser genoemde AIDA-rapport en de druk op de opvanglocaties die daarin wordt geschetst, is namelijk bij de Afdelingsuitspraak van\n\n25 november 2025 betrokken. Hierin overwoog de Afdeling dat het meest recente AIDA-rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van de opvangvoorzieningen in Spanje voor Dublinclaimanten. Eiser heeft geen meer recente informatie naar voren gebracht waaruit anders blijkt. Omdat uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kunnen mogelijke klachten over opvang voorts in Spanje aan de autoriteiten aldaar worden voorgelegd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in Spanje voor Dublinclaimanten niet kan of bij voorbaat zinloos is.\n\n8. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom hij geen toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De minister is hierbij niet ingegaan op de persoonlijke ervaringen van eiser – hij heeft immers verklaard dat hij geen opvang heeft gekregen in Spanje. De minister mocht hierbij niet volstaan met een enkele verwijzing naar hetgeen is overwogen in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 10 december 2024\n\n9. De rechtbank stelt vast dat de minister alle door eiser benoemde persoonlijke omstandigheden in het bestreden besluit heeft betrokken, ook onder artikel 17 van de Dublinverordening. In het bestreden besluit benoemt de minister namelijk dat eiser in Spanje niemand kent en daar niets heeft geen goede reden is om de aanvraag in Nederland in behandeling te nemen. De minister heeft in dit verband terecht opgemerkt dat eiser nog geen asielaanvraag heeft ingediend in Spanje.\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.\n\n11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\n12. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026 door mr. M.F.A.M. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nRECHTSMIDDEL\n\nTegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Arrest van 19 maart 2019, C-163\u002F17, ECLI:EU:C:2019:218.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:4348.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5661.\n\n ECLI:EU:C:2019:218.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:20680.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18572","2026-07-13T00:28:48.133Z",{"id":163,"ecli":164,"slug":165,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":158,"fullText":166,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":167,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":168},"789","ECLI:NL:RBDHA:2026:18571","ecli-nl-rbdha-2026-18571","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL25.46913 (beroep)\n\n NL25.46914 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\nProces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n\n [eiser]¸\n\ngeboren op [geboortedag] 1977, van Marokkaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)\n\n(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. L. Ludwig).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 19 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister een terugkeerbesluit uitgevaardigd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn verschenen en vertegenwoordigd door voornoemd gemachtigden.\n\nNa afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nOverwegingen\n\nAsielrelaas\n\n1. Eiser verblijft sinds 1999 illegaal in Nederland. Hij heeft op 13 augustus 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en daar het volgende relaas aan ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij problemen heeft gekregen met zijn oom na het overlijden van zijn vader in 2012, toen eiser erachter kwam dat zijn oom alle bezittingen van eisers vader op zijn naam heeft gezet en er voor eiser geen erfenis meer was. Eisers oom heeft gedreigd dat wanneer eiser terugkeert naar Marokko hij wordt vastgezet.\n\nBesluitvorming\n\n2. Volgens de minister bestaat het relaas uit de volgende asielmotieven:\n\n 1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n 2. eisers problemen met zijn oom.\n\n2.1.. De minister acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Eiser heeft verklaard dat zijn paspoort in 1999 is kwijtgeraakt omdat zijn broer het heeft weggegooid, maar heeft nagelaten aangifte te doen of een nieuw paspoort aan te vragen. Ook heeft eiser bij zijn ex-vrouw in Nederland een identiteitskaart en geboorteakte liggen, maar heeft geen geldige verklaring gegeven waarom hij geen moeite heeft gedaan om deze documenten op te halen. De minister werpt hierbij aan eiser tegen dat eiser pas dertien jaar na de problemen met zijn oom asiel heeft aangevraagd. De minister acht eisers problemen met zijn oom niet geloofwaardig. Eiser heeft na het overlijden van zijn vader drie keer contact gehad met zijn oom, maar uit dit contact is niet gebleken dat eisers oom hem op dit moment nog zoekt. Dat eisers oom hem zou laten arresteren is enkel gebaseerd op verklaringen van derden. Ook ziet de minister niet in waarom, nu de oom de volledige erfenis heeft gekregen. De oom van eiser had gelet op zijn connecties er voor kunnen zorgen dat eiser officieel gesignaleerd zou zijn bij de Marokkaanse autoriteiten, maar is dit niet het geval. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt hoe zijn oom op de hoogte zal raken van eisers terugkeer.\n\n2.2.. De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.\n\nStandpunt eiser\n\n3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiser loopt bij terugkeer een risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM\u002F artikel 4 van het Handvest. Hij kan in Marokko geen bescherming krijgen tegen zijn oom. Marokko is een land van klassenjustitie, dat geen bescherming biedt aan eiser als arme man zonder connecties. Voort stelt eiser dat zijn identiteit ten onrechte niet geloofwaardig is geacht. Van het verlies van zijn paspoort in 1999 heeft hij geen aangifte gedaan omdat hij zich illegaal in Nederland bevond en bevreesd was voor uitzetting. Ook durft hij de andere identificerende documenten niet bij zijn ex-vrouw op te halen, nu zij hem heeft gedreigd meteen te zullen aangeven indien hij weer bij haar aanklopt. Het besluit is daarmee in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.\n\n3.1.. In strijd met het bepaalde in artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft de minister in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom artikel 8 van het EVRM niet noopt tot het verlenen van een reguliere vergunning. Eiser bevindt zich ruim 25 jaar in Nederland. Hij heeft in dit land altijd gewerkt, zonder ooit een beroep te doen op de sociale voorzieningen. Hij heeft geen banden met Marokko, uitzetting zou voor hem een leven in armoede betekenen.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat hij zijn identiteit niet met identificerende documenten heeft onderbouwd. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond een herhaling is van wat eiser al in de zienswijze heeft aangevoerd en waar de minister in zijn besluitvorming reeds gemotiveerd op is ingegaan. De minister heeft terecht tegengeworpen dat eiser hiermee geen verschonende verklaring heeft gegeven voor waarom hij geen identificerende documenten heeft overgelegd. De verklaring van eiser dat hij in 1999 vanwege zijn illegaliteit vreesde voor uitzetting en daarom geen nieuw paspoort heeft aangevraagd, is daartoe onvoldoende. Eiser was namelijk ook in het bezit van andere identificerende documenten, maar de rechtbank ziet met de minister niet in waarom en met welke reden zijn ex-vrouw, eiser zou willen aangeven. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n5. Voorts overweegt de rechtbank dat eiser zijn beroepsgrond, dat hij bij terugkeer naar Marokko een risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, ook niet slaagt. De problemen met eiser zijn oom zijn namelijk niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft daar geen beroepsgronden tegen aangevoerd.\n\n6. De rechtbank overweegt voorts dat de minister in dit geval niet gehouden was om ambtshalve te beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. In de artikelen 3.6a, eerste lid, 3.6b en 3.6ba, eerste lid, van het Vb 2000staan de gevallen waarin de minister bij een afgewezen asielaanvraag ambtshalve beoordeelt of eiser een verblijfsrecht ontleent aan reguliere verblijfsgronden. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM niet ambtshalve kan worden verleend als de asielaanvraag niet binnen zes maanden na inreis in Nederland is ingediend. Dit staat in artikel 3.6a, derde lid, van het Vb 2000. Hier dient eiser een aparte aanvraag voor in te dienen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.\n\n8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\n9. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026 door mr. M.F.A.M. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Op grond van artikel 30b, eerste lid en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18571","2026-07-13T00:28:48.094Z",{"id":170,"ecli":171,"slug":172,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":173,"fullText":174,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":175,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":34,"updatedAt":176},"1429","ECLI:NL:RBDHA:2026:17924","ecli-nl-rbdha-2026-17924","2026-02-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.43368\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2001, van Belarussische nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.\n\n1.1.. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 3 september 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn partner en zijn gemachtigde, S. Jochijms als tolk in de taal Russisch en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende relaas ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij in 2021 Belarus is ontvlucht om in rust te komen in Nederland. Eiser heeft van 9 augustus 2020 tot 15\u002F16 augustus 2020 deelgenomen aan meerdere protesten tegen de overheid omdat hij het niet eens was met de verkiezingsresultaten. Eiser heeft zich na twee jaar gemeld voor asiel, omdat de situatie in Belarus niet is veranderd en omdat hij te horen kreeg dat zijn vriendin [persoon 1] is opgepakt. Hij vreest bij terugkeer vanwege zijn politieke mening. Ook vreest eiser bij terugkeer voor de autoriteiten omdat hij op dit moment de dienstplicht ontduikt. Eiser heeft een nieuwe oproep gekregen.\n\n4.1.. Eiser heeft de volgende documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas:\n\n1. Paspoort;\n\n2. Militair boekje;\n\n3. Oproep medische keuring;\n\n4. Geboorteakte;\n\n5. Vonnis [persoon 1] van 18 februari 2022;\n\n6. Foto van ticket Warschau – Amsterdam;\n\n7. Foto van ticket treinkaartje Minsk – Sint Petersburg – Vitebsk;\n\n8. Foto van de Echtscheidingsakte.\n\nBesluitvorming\n\n5. Volgens de minister bevat het relaas de volgende asielmotieven:\n\n 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n 2. Gestelde politieke overtuiging en problemen vanwege politieke activiteiten;\n\n 3. Problemen vanwege het ontduiken van de dienstplicht.\n\n5.1.. De minister heeft alle asielmotieven geloofwaardig geacht. Volgens de minister zijn de geloofwaardig bevonden asielmotieven echter onvoldoende zwaarwegend. Daarbij is volgens de minister van belang dat eiser niet onder het risicoprofiel ‘politieke activisten’ valt. Eiser heeft met het bijwonen van enkele demonstraties in Belarus, en geen in Nederland, geen sterke politieke overtuiging. Bovendien is uit eisers verklaringen niet gebleken dat eiser in de negatieve aandacht van de Belarussische autoriteiten staat. Eiser heeft geruime tijd zonder problemen in zijn land kunnen wonen. Daarnaast werpt de minister aan eiser tegen dat hij zich pas jaren na zijn inreis in Nederland heeft gemeld voor een asielverzoek. De minister ziet niet in waarom de vrees pas is ontstaan toen een kennis van eiser werd opgepakt. Eiser heeft zijn vrees wegens het ontduiken van de dienstplicht niet aannemelijk gemaakt, nu hij niet voldoet aan één van de criteria van paragraaf C2\u002F3.2 van de Vc. De minister heeft bij zijn beoordeling betrokken dat eiser Belarus op legale wijze heeft kunnen verlaten.\n\n5.2.. De minister heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.\n\nBeroepsgronden\n\n6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser in de zienswijze een verschoonbare reden heeft gegeven waarom hij niet onverwijld zijn asielaanvraag heeft ingediend. Zijn gevoel om bescherming aan te vragen ontstond pas toen zijn vriendin met wie hij gedemonstreerd heeft werd opgepakt en er een oproep voor de militaire dienst kwam. De minister heeft deze informatie ten onrechte niet betrokken in het bestreden besluit.\n\n6.1.. \n\nVoorts betoogt eiser dat hij wel degelijk dient te worden beschouwd als ‘politiek activist’ en onder het risicoprofiel valt. Hij heeft onder verwijzing naar de landeninformatiebrief van Vluchtelingenwerk van 17 januari 2025 gesteld en onderbouwd dat iemand die deelneemt aan de protesten tegen de overheid van Belarus, door die overheid wordt beschouwd als ‘politiek activist’. Ook wie geen demonstraties organiseerde maar\n\ner slechts in meeliep of kritische posts schreef op social media wordt door het regime als activist beschouwd. De minister is hier ten onrechte niet op ingegaan. Door als voorwaarde te stellen dat eiser reeds in de persoonlijke aandacht van de autoriteiten van Belarus moet hebben gestaan, wordt een verkeerd beoordelingskader door de minister gehanteerd. Uit het Algemeen Ambtsbericht 2021 blijkt dat politie beeldopnames heeft gemaakt van demonstranten en hen met behulp van gezichtstechnologie op een later moment, mogelijk jaren later, oppakt. Uit informatie van Human Rights Watch blijkt dat autoriteiten routinematig telefoons van terugkeerders controleerden en vaker mensen vast hielden omdat ze onafhankelijke media volgden. Ook blijkt uit landeninformatie dat veel Belarussen die naar huis terugkeren aan de grens zijn gearresteerd. Personen die de Belarussische taal\n\nspreken of mensen zoals eiser met lang haar of die tatoeages hebben worden vaak geassocieerd met de oppositiebeweging en als doelwit gekozen.\n\n6.2.. Allerlaatst voert eiser aan dat sprake is van schending van artikel 8 van het EVRMbij weigering van verblijf. Dat eiser zijn partner [persoon 2] hier verblijft op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, doet niet af aan dat de minister eerst had moeten vaststellen of er sprake is van familieleven.\n\n6.3.. In beroep heeft eiser de volgende stukken overgelegd:\n\n 1. Verklaring van [persoon 2] van 19 mei 2025;\n\n 2. Persoonlijke verklaring eiser van 10 december 2025;\n\n 3. Screenshots donaties;\n\n 4. Abonnementen onafhankelijke media;\n\n 5. Officiële oproep;\n\n 6. Getuigenverklaring [persoon 1] .\n\nOordeel van de rechtbank\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Belarus geen gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt.\n\n7.1.. Eiser heeft terecht aangevoerd dat de minister een verkeerd beoordelingskader heeft gehanteerd. De minister had conform het arrest S.A.uitputtend en grondig onderzoek moeten doen naar de algemene situatie in Belarus en hoe potentiële actoren van vervolging in Belarus tegen deze opvattingen, gedachten of mening aankijken en welke consequenties daaraan kunnen worden verbonden bij mogelijke ontdekking. Eiser heeft gedurende zijn procedure gewezen op een grote hoeveelheid landeninformatie. Zo volgt uit het Algemeen Ambtsbericht 2021 dat het voor kwam dat mensen niet onmiddellijk na een demonstratie, maar pas op een later moment werden aangehouden. De politie zou beeldopnames hebben gemaakt van demonstranten en hen vervolgens in een database hebben gezet. Met behulp van gezichtsherkenningstechnologie kunnen deze mensen op een later moment opgepakt worden wegens deelname aan de protesten.Volgens het ambtsbericht blijkt dat de mogelijkheid van vervolging ook jaren later nog mensen boven het hoofd hangt. Ook volgt uit het ‘2023 Country Reports on Human Rights Practices: Belarus’ van het US Department of State dat in dat jaar de mogelijkheden van terugkeer naar Belarus vanuit het buitenland aanzienlijk verder zijn beperkt dan al sinds 2020 was gebeurd, met name voor oppositieleiders in ballingschap en activisten. Human Rights Watch meldt in het jaarrapport over 2024 dat het harde optreden van de regering tegen vreedzame betogers en critici nieuwe hoogten hebben bereikt. De autoriteiten controleerden routinematig de telefoons van Belarussen die terugkeerden uit het buitenland en hielden steeds vaker mensen vast omdat ze onafhankelijke media volgden die als \"extremistisch\" werden bestempeld, foto's hadden van de protesten van 2020 of doneerden aan fondsen die als \"extremistisch\" werden beschouwd. Volgens het jaarrapport over 2024 van Human Rights Watch van 16 januari 2025 controleerden de autoriteiten in dat jaar routinematig de telefoons van Belarussen die terugkeerden uit het buitenland.\n\n7.2.. De minister heeft zich daarom ten onrechte in het bestreden besluit en ter zitting op het standpunt gesteld dat omdat niet gebleken is dat eiser tot op heden niet in de negatieve aandacht van de Belarussische autoriteiten is komen te staan, eisers problemen onvoldoende zwaarwegend zijn. De minister miskent voorts dat eiser voldoende omstandigheden heeft aangevoerd om ervan uit te gaan dat eiser mogelijk in de bijzondere aandacht komt te staan van de Belarussische autoriteiten als hij terugkeert. Zo is door eiser ter zitting aangevoerd dat hij aan minimaal twintig demonstraties heeft deelgenomen. Bovendien heeft eiser erop gewezen dat uit landeninformatie blijkt dat de enkele deelname aan een demonstratie voldoende kan zijn voor arrestatie, en de Belarussische autoriteiten gebruik maken van gezichtsherkenningstechnologie. Ook heeft eiser verklaard dat pas later na de demonstraties bekend werd hoe snel je kon worden opgepakt, eiser is gaan schuilen,dat er daarna meerdere malen op zijn deur is geklopt en hij deze niet open heeft gedaan. De minister heeft deze verklaringen ten onrechte niet in het licht van de bekende landeninformatie beoordeeld. Niet kan worden uitgesloten dat eiser in een database is opgenomen. Eiser heeft daarbij in beroep een verklaring van zijn tante overgelegd en scans van twee oproepen van de autoriteiten van Belarus aan het adres van eiser om zich te melden. Het standpunt van de minister ter zitting dat uit het ambtsbericht alleen voorbeelden worden gegegeven van prominente personen die op grond van artikel 342 van het Wetboek van Strafrecht in Belarus worden vervolgd, gaat niet op. Uit de door eiser overgelegde landeninformatieblijkt dat de meeste demonstranten die in 2020 en 2022 hebben deelgenomen aan protesten op grond van dit wetsartikel worden vervolgd. Bovendien zou eiser terugkeren na een verblijf van vijf jaar in de Europese Unie. Eiser heeft hierover op de zitting verklaard dat toen hij vanuit Nederland bezig was zijn echtscheidingsakte te verkrijgen, hij werd gevraagd waar hij is en waarom hij zich niet in Belarus bevindt.\n\n7.3.. Bovendien heeft eiser in beroep naar voren gebracht dat hij zich ook in Nederland politiek heeft geuit. Eiser heeft verklaard dat er geen open demonstraties zijn in Nederland, maar hij wel aanwezig is bij events waar geld wordt ingezameld voor de oppositie. Ook heeft eiser in beroep screenshots overgelegd waarmee eiser wil aantonen dat hij op sociale media “onafhankelijke media” volgt en actief hun content deelt. Daarnaast heeft eiser screenshots overgelegd om aan te tonen dat hij doneert aan organisaties die de oppositie steunen en in Belarus als extremistisch worden beschouwd. De motivering in het bestreden besluit dat eiser met het bijwonen van enkele demonstraties in Belarus, en geen in Nederland, geen sterke politieke overtuiging heeft, houdt gelet op het voorgaande geen stand. Dit betekent dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet onder het risicoprofiel “politieke activist” valt.\n\n7.4.. De rechtbank constateert dat de minister op de zitting niet gemotiveerd is ingegaan op de aanvullende stukken in beroep en eisers verklaringen ter zitting. De rechtbank wijst de minister erop dat bij asielzaken conform de ex-nunc-toetsing het gaat om een actuele beoordeling van de gevaren bij terugkeer. De verwerping van de minister ter zitting dat de screenshots dateren van niet lang geleden en eiser niets over zijn sociale media activiteiten naar voren heeft gebracht tijdens het nader gehoor in februari 2025, houdt daarom geen stand. Deze activiteiten zorgen er namelijk voor dat eiser bij terugkeer kan opvallen bij de Belarussische autoriteiten.\n\n7.5.. De minister zal, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw het asielmotief ‘politieke overtuiging en problemen vanwege politieke activiteiten’ moeten beoordelen en deugdelijk moeten motiveren waarom eiser gelet op zijn deelname aan meer dan twintig demonstraties, dat hij geen gevolg heeft gegeven aan de oproep voor de medische keuring van de dienstplicht, zijn verblijf van vijf jaar in Nederland, de (sociale media) activiteiten in Nederland en zijn alternatieve uiterlijk, geen gevaar loopt bij terugkeer naar Belarus. Daarbij dient de minister alle omstandigheden kenbaar en in onderlinge samenhang te betrekken, in het licht van de door eiser aangedragen landeninformatie. Eiser heeft overigens in de aanvullende gronden van beroep aangegeven dat de originelen van de oproepen onderweg zijn naar Nederland.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Concluderend oordeelt de rechtbank dat de minister, gelet op het voorgaande, het bestreden besluit op onvoldoende zorgvuldige wijze heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank acht daarbij een termijn van zes weken passend.\n\n8.1.. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1).Beslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Op grond van artikel 30b, eerste lid en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Richtlĳn 2001\u002F55\u002FEG.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688.\n\n Algemeen ambtsbericht Belarus (december 2021), pagina 32.\n\n Human Rights Council, Report of the Group of Independent Experts on the Situation\n\nof Human Rights in Belarus, 24 februari-4 april 2025, A\u002FHRC\u002F58\u002F68.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17924","2026-07-13T00:29:20.672Z",20]