[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-civil-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":52},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},130,"civil-law-nl","Civil Law","NL","2026-07-08T16:57:41.332Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124326","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 93",1,[27,37,45],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"1874","ECLI:NL:GHAMS:2026:1741","ecli-nl-ghams-2026-1741","","beslissing\n\n___________________________________________________________________ _ _\n\nGERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nzaaknummer : 200.362.849\u002F01 NOT\n\nnummer eerste aanleg : C\u002F05\u002F454099 KL RK 25-106\n\nbeslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 30 juni 2026\n\ninzake\n\n [appellant],\n\nwonend te [plaats 1] ,\n\nappellant,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nnotaris te [plaats 2] ,\n\ngeïntimeerde.\n\nPartijen worden hierna klager en de notaris genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nKlager is de zoon van erflater en een van diens erfgenamen. Klager is in 2018 failliet verklaard en dit faillissement duurt tot op heden voort. Erflater is in april 2024 overleden. Tot de nalatenschap van erflater behoorde het woonhuis van erflater dat in augustus 2024 is verkocht aan derden. Klager werd daarbij vertegenwoordigd door zijn curator. Klager verwijt de notaris dat hij hem niet heeft geïnformeerd over de verkoopopbrengst en de verdere details van de verkoop van de [bedrijf] verwijt klager de notaris dat hij ten onrechte is doorverwezen naar de executeur en de curator. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof bevestigt deze beslissing.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1.. Klager heeft op 20 december 2025 een beroepschrift – met een bijlage – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 20 november 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORARL:2025:45).\n\n2.2.. De notaris heeft geen verweerschrift bij het hof ingediend, ondanks dat het hof de notaris daartoe in de gelegenheid heeft gesteld.\n\n2.3.. Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.\n\n2.4.. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 15 april 2026. Klager is per videoverbinding verschenen. De notaris is eveneens verschenen. Beiden hebben het woord gevoerd; klager aan de hand van de op voorhand aan het hof en de notaris toegestuurde pleitnota.\n\n3. Feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.\n\n3.1.. Op 20 maart 2018 is klager bij vonnis van de rechtbank failliet verklaard. In het faillissement van klager is een curator benoemd. Deze situatie was ongewijzigd ten tijde van de afwikkeling van de nalatenschap.\n\n3.2.. Op 27 april 2024 is de vader van klager (hierna: erflater) overleden. Klager is de zoon en een van de erfgenamen van erflater.\n\n3.3.. Door de notaris is een verklaring van erfrecht opgesteld in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van erflater.\n\n3.4.. De broer van klager is door erflater benoemd tot executeur in zijn nalatenschap (hierna: de executeur).\n\n3.5.. De nalatenschap van erflater omvatte onder meer de woning van erflater in [plaats 2] (hierna: de woning).\n\n3.6.. Op 25 augustus 2024 is binnen het protocol van [naam] , notaris te [plaats 2] , de leveringsakte gepasseerd waarbij de woning is overgedragen door de erfgenamen aan derden. Klager werd daarbij vertegenwoordigd door de curator.\n\n3.7.. \n\nEen medewerker van de notaris heeft op 30 september 2024 aan klager bericht:\n\n“(..) Voor alle informatie inzake de afwikkeling van de nalatenschap van uw vader dient u zich te wenden tot de executeur, uw broer de heer[hof: naam broer] (..)”\n\n3.8.. Het saldo van de verkoop van de woning is na de levering overgemaakt naar de kwaliteitsrekening van het kantoor van de notaris.\n\n4. De klacht\n\n4.1.. Klager verwijt de notaris in strijd met zijn wettelijke informatie- en zorgplicht te hebben gehandeld. Zijn klacht, door klager nader uitgewerkt in zijn beroepschrift, valt uiteen in de volgende klachtonderdelen:\n\n1. de notaris heeft klager niet geïnformeerd over de ontvangst van de verkoopopbrengst van de woning op zijn derdengeldenrekening;\n\n2. de notaris heeft geweigerd aan klager informatie te verstrekken over (de details van) de verkoop van de woning. Klager heeft van de notaris geen enkele inzage gekregen in de financiële en juridische afwikkeling van de verkoop, ondanks herhaaldelijke verzoeken om informatie;\n\n3. de notaris heeft klager ten onrechte doorverwezen naar de executeur en de curator, in strijd met zijn verplichting om alle betrokkenen (dus ook klager zelf) tijdig en volledig te informeren.\n\nNieuwe klacht\n\n4.2.. In hoger beroep heeft klager verder aan de orde gesteld dat de notaris in strijd heeft gehandeld met de op hem rustende zorgplicht zoals neergelegd in, onder meer, artikel 21 Wet op het notarisambt (hierna: Wna). De notaris is ten onrechte blind afgegaan op de executeur en hij heeft onvoldoende oog gehad voor de belangen van klager.\n\n5. Beoordeling\n\n5.1.. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris ongegrond verklaard.\n\nKlachtonderdelen 1 tot en met 3: informatievoorziening richting klager.\n\n5.2.. Gelet op de onderlinge samenhang ziet het hof, evenals de kamer, aanleiding om de klachtonderdelen 1 tot en met 3 gezamenlijk te behandelen.\n\n5.3.. Klager voert aan dat hij een persoonlijk belang had bij een zorgvuldige afwikkeling van de nalatenschap ook al viel zijn erfdeel in de faillissementsboedel. De strekking van het faillissementsrecht is niet om betrokkene(n) rechteloos te maken maar om het vermogen ten behoeve van schuldeisers te beheren. Bij de afwikkeling van de nalatenschap speelden ook kwesties van niet-vermogensrechtelijke aard. De notaris had erop moeten toezien dat klager behoorlijk geïnformeerd werd, aldus klager.\n\n5.4.. De notaris stelt dat klager geen partij was bij de afwikkeling van de nalatenschap in verband met zijn faillissement. De curator in het faillissement had de notaris nadrukkelijk meegedeeld dat de communicatie met klager via hem diende te verlopen. De afwikkeling van de nalatenschap was bovendien in handen van een executeur.\n\n5.5.. Met de kamer is het hof van oordeel dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn. De beslissing van de kamer zal dan ook worden bevestigd. Het hof licht hierna toe hoe hij tot dit oordeel is gekomen.\n\n5.6.. \n\nUit het dossier blijkt dat de notaris slechts een beperkte rol heeft gehad. Hij heeft een verklaring van erfrecht afgegeven en voor het overige was de afwikkeling van de nalatenschap in handen van de executeur. Het is aan de executeur om de erfgenamen te informeren. De notaris heeft klager terecht naar hem verwezen (vgl. 3.7).\n\nIndien en voor zover de notaris een informatieplicht zou hebben tegenover klager dan volgt uit de Faillissementswet dat de communicatie in beginsel via de curator dient te verlopen; de curator had daar in dit geval ook expliciet om verzocht. Het kan de notaris niet worden verweten dat hij zich aan dat verzoek heeft gehouden.\n\nDe notaris heeft verklaard dat hem is medegedeeld dat de executeur contact heeft gehad met de curator met de informatie bedoeld voor klager. Dat klager, aldus zijn verklaring, geen contact meer had met de executeur of onvoldoende door de curator geïnformeerd zou zijn, kan de notaris niet worden aangerekend.\n\nHet hof overweegt ten slotte dat voor zover de informatieverzoeken van klager betrekking hadden op de verkoop en levering van de woning de klacht ongegrond is bij gebreke aan feitelijke grondslag. Uit de overgelegde stukken blijkt dat (het kantoor van) de notaris niet betrokken was bij de verkoop en de levering van de woning.\n\nNieuwe klacht\n\n5.7.. In hoger beroep heeft klager zijn klacht uitgebreid met het onder 4.2 genoemde klachtonderdeel. De kamer heeft dit verwijt niet als klachtonderdeel beoordeeld. Het hof dient op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 4 Wna een zaak opnieuw in volle omvang te behandelen. Het gaat daarbij echter slechts om de klacht zoals die oorspronkelijk bij de kamer is ingediend. Tot die oorspronkelijke klacht behoort niet dit klachtonderdeel dat pas voor het eerst in hoger beroep is geformuleerd. Voor de behandeling van dit nieuwe klachtonderdeel is in deze procedure geen plaats. Klager zal daarom in de uitbreiding van de oorspronkelijke klacht niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n6. Beslissing\n\nHet hof:\n\n- verklaart het onder 4.2 geformuleerde klachtonderdeel niet-ontvankelijk;\n\n- bevestigt de bestreden beslissing.\n\nDeze beslissing is gegeven door mrs. J.W.M. Tromp, H.T. van der Meer en A.M.J.M. Ploumen en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 door de rolraadsheer.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1741","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:43.159Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":44},"1807","ECLI:NL:RBAMS:2026:6584","ecli-nl-rbams-2026-6584","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F783260 \u002F HA ZA 26-120\n\nVonnis in incident van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. E. de Jong,\n\ntegen\n\nKONINKLIJKE NEDERLANDSE DAMBOND,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: KND,\n\nadvocaat: mr. M.L. Dingemans.\n\n1. De procedure1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 28 januari 2026, met producties;\n\n- de incidentele conclusie van eis tot verwijzing naar team kanton;\n\n- de conclusie van antwoord in incident bevoegdheid.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis in incident bepaald.\n\n2. De vordering in de hoofdzaak\n\n2.1.. \n\n [eiser] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. het bestuursbesluit van 14 augustus 2025 (hierna: het besluit) te vernietigen en rechtdoende [eiser] te ontheffen van de aan [eiser] opgelegde schorsing tot 1 januari 2026, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, met een maximum van € 25.000,-;\n\nII. KND te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 6.125,92;\n\nIII. KND te veroordelen om binnen twee weken na de betekening van het vonnis een bericht te plaatsen op haar website met een tekst zoals opgenomen in sub 30 van de dagvaarding, alsook dit bericht een maand lang zichtbaar te laten zijn op de website van KND;\n\nIV. KND te veroordelen in de proceskosten.\n\n2.2.. \n [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het besluit in strijd is met het eigen reglement van KND en in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Het besluit moet dan ook vernietigd worden op grond van artikel 2:15 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Door het besluit heeft [eiser] tevens schade geleden in de vorm van gemiste wedstrijden en dus inkomsten.\n\n2.3.. KND heeft in de hoofdzaak nog niet van antwoord gediend.\n\n3. Het geschil in incident\n\n3.1.. KND vordert dat de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team handelszaken de zaak verwijst naar team kanton met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3.2.. KND legt hieraan ten grondslag dat de kantonrechter in deze zaak bevoegd is, omdat de vordering in de hoofdzaak lager is dan € 25.000,-. Krachtens artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) valt de vordering daarmee binnen het takenpakket van de kantonrechter.\n\n3.3.. \n [eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal hieronder worden ingegaan.\n\n4. De beoordeling in het incident\n\n4.1.. In de hoofdzaak gaat het – kort gezegd – om het volgende. [eiser] is een Nederlandse topsporter binnen de denksport dammen. Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft KND [eiser] geschorst voor de duur van één jaar.\n\n4.2.. \n [eiser] is het niet eens met het besluit en heeft op 14 augustus 2025 bezwaar aangetekend. Op 15 augustus 2025 heeft KND daarop afwijzend gereageerd.\n\n4.3.. Vervolgens is de zaak voorgelegd aan de Tuchtcommissie. Op 9 september 2025 heeft de Tuchtcommissie de schorsing van [eiser] bekrachtigd. Tot slot is de zaak voorgelegd aan de commissie van beroep, die het beroep heeft afgewezen.\n\n4.4.. In de hoofdzaak vordert [eiser] vernietiging van het besluit genomen door KND. De rechtbank overweegt, in lijn met het standpunt van [eiser] , dat daarmee sprake is van een vordering zoals bedoeld in artikel 2:15 lid 3 BW. Op grond daarvan geschiedt vernietiging van het besluit door een uitspraak van de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon. Dit betekent dat de rechtbank Amsterdam, team handelszaken, bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Artikel 93 Rv staat hier niet aan in de weg. Gelet daarop zal de vordering in incident worden afgewezen.\n\n4.5.. KND zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten (inclusief de nakosten) van dit incident. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 653,- aan salaris gemachtigde plus de nakosten van € 189,- (totaal: € 842,-)\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident\n\n5.1.. wijst de vordering van KND af,\n\n5.2.. veroordeelt KND in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 842,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als KND niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.4.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 augustus 2026 voor conclusie van antwoord.\n\n5.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Wouters, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6584","2026-07-13T00:29:39.885Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":49,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":51},"1824","ECLI:NL:RBAMS:2026:6590","ecli-nl-rbams-2026-6590","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12005894 \\ CV EXPL 25-17014\n\nVonnis van 19 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,\n\nbeide wonende te [woonplaats 1] ,\n\neisende partijen,\n\ngemachtigde: mr. B.J. den Hartog,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\ngedaagde partij,\n\ngemachtigde: mr. H.W. Omvlee.\n\nPartijen worden hierna [eisers] , of afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] , en [gedaagde] genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 10 april 2026 en de daarin vermelde stukken,\n\n- de akte van 29 april 2026 met aanvullende producties van [eisers] ,\n\n- de antwoordakte van 5 juni 2026 van [gedaagde] .\n\n1.2.. Ten slotte wordt vandaag vonnis gewezen.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Het geschil tussen partijen gaat over de uitkering van € 5.189,66 die [gedaagde] heeft ontvangen als begunstigde van de uitvaartverzekering van wijlen de heer [erflater] , haar toenmalig partner. [eisers] zijn de dochters van [erflater] en vorderen dit verzekeringsgeld omdat zij stellen voor de uitvaart betaald te hebben. [eisers] vorderen betaling van € 5.189,66, vermeerderd met rente en kosten, op grond van ongerechtvaardigde verrijking.\n\n2.2.. In het tussenvonnis van 10 april 2026 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde] verrijkt is, omdat zij als begunstigde van de uitvaartverzekering een bedrag van € 5.189,66 heeft ontvangen, zonder te hebben betaald voor de uitvaart van [erflater] . Indien zou komen vast te staan dat [eisers] de uitvaart hebben betaald, zijn [eisers] verarmd. De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat [gedaagde] verrijkt is ten koste van degene die de uitvaart betaald heeft, waarvoor geen redelijke grond bestaat. [gedaagde] heeft betwist dat [eisers] voor de uitvaart hebben betaald. De kantonrechter heeft [eisers] vervolgens in de gelegenheid gesteld om te onderbouwen dat en hoeveel zij voor de uitvaart hebben betaald.\n\n2.3.. In hun akte van 29 april 2026 hebben [eisers] enkele producties overgelegd ter onderbouwing van hun verarming. Ten eerste hebben ze de factuur van uitvaartverzorger Monuta overgelegd. Deze factuur van 1 juni 2023 bedraagt € 9.811,79 en staat op naam van [eiser 2] . Ten tweede hebben [eisers] bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] in totaal € 4.500,- aan Monuta heeft overgemaakt ter betaling van de factuur. Ten derde blijkt uit bankafschriften dat [eiser 2] € 960,- heeft betaald aan gerechtsdeurwaarders. Van dit bedrag bestaat € 825,- uit 11 betalingen van € 75,- die vanaf 28 april 2025 maandelijks via iDeal aan [internetsite] worden betaald. Tot slot hebben [eisers] e-mailcorrespondentie met Monuta overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] op 18 december 2023 een aanmaning heeft ontvangen. Daarin staat ook dat als [eiser 2] niet tijdig betaalt, de vordering uit handen zal worden gegeven aan een incassobureau. In januari 2024 is [eiser 2] met Monuta een betalingsregeling voor de duur van minstens een halfjaar overeengekomen. Op 16 september 2024 heeft Monuta aan [eiser 2] gemaild dat er nog een bedrag van € 5.351,79 openstaat en dat ze in principe alleen betalingsregelingen van zes maanden na de factuurdatum aangaan.\n\n2.4.. In haar antwoordakte heeft [gedaagde] betwist dat het bedrag dat [eiser 2] aan de deurwaarder heeft betaald dient ter voldoening van de vordering van Monuta.\n\n2.5.. De kantonrechter constateert om te beginnen dat alleen [eiser 2] een betalingsverplichting met Monuta is aangegaan, gelet op de factuur en bankafschriften. Haar zus [eiser 1] staat in deze documenten niet genoemd dus komt niet vast te staan dat zij aan de uitvaartkosten heeft bijgedragen. De vordering ten aanzien van haar zal daarom worden afgewezen.\n\n2.6.. De kantonrechter overweegt verder dat de omvang van schadevergoedingsverbintenis wordt gemaximeerd door de omvang van de verrijking. Dit betekent dat de schadevergoedingsverbintenis maximaal € 5.189,66 kan bedragen. De kantonrechter oordeelt dat de verarming van [eiser 2] van deze omvang is komen vast te staan. Op grond van de overgelegde factuur staat vast dat [eiser 2] een bedrag van € 9.811,79 aan Monuta verschuldigd is. Op de zitting heeft [eiser 2] verklaard dat zij dit bedrag in termijnen aan het afbetalen is en dit volgt ook uit de door haar overgelegde stukken. Uit de bankafschriften volgt dat zij € 4.500,- rechtstreeks aan Monuta heeft betaald. Zij stelt dat de resterende vordering van Monuta is overgedragen aan de deurwaarder waaraan zij € 75,- per maand betaalt. De kantonrechter ziet geen reden om te twijfelen aan het feit dat de bedragen van € 75,- ook op de voldoening van de factuur van Monuta zien, gelet op de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen Monuta en [eisers] (r.o. 2.3) en de factuur waaruit volgt dat [eiser 2] een bedrag van € 9.811,70 aan Monuta verschuldigd is. Dit betekent dat [gedaagde] ten aanzien van de uitkering van € 5.189,66 ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eiser 2] . De vordering zal ten aanzien van [eiser 2] worden toegewezen.\n\n2.7.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser 2] betalen. Het salaris gemachtigde wordt voor de akte niet met 0,5 punt verhoogd, omdat [eiser 2] de facturen en betalingen ook al bij dagvaarding of bij de mondelinge behandeling had kunnen overleggen. De proceskosten van [eiser 2] worden vastgesteld op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n146,14\n\n- griffierecht\n\n€\n\n257,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,-)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.267,14\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 5.189,66, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 mei 2023, tot de dag van volledige betaling,\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser 2] van € 1.267,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.3.. verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, kantonrechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6590","2026-07-13T00:29:40.584Z",20]