[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-commercial-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":54,"total":16,"page":25,"limit":121},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},59,"commercial-law-nl","Commercial Law","NL","2026-07-08T16:54:05.553Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2026-04-29T00:00:00.000Z","2026-07-02T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,38,41,45,48,51],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121990","Burgerlijk Wetboek","art. 3:251 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122140","art. 3:234",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122141","art. 3:251",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122142","art. 3:13",{"provisionId":36,"code":23,"article":37,"count":25},"122145","art. 6:86",{"provisionId":39,"code":23,"article":40,"count":25},"122146","art. 3:234 lid 1",{"provisionId":42,"code":43,"article":44,"count":25},"123897","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 705 lid 1",{"provisionId":46,"code":23,"article":47,"count":25},"123992","art. 2:203 lid 1",{"provisionId":49,"code":23,"article":50,"count":25},"123994","art. 2:203 lid 2",{"provisionId":52,"code":23,"article":53,"count":25},"123995","art. 2:203 lid 3",[55,66,75,82,90,99,106,114],{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":65},"412","ECLI:NL:RBAMS:2026:6793","ecli-nl-rbams-2026-6793","","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F785698 \u002F KG RK 26-520 MK\u002FJT\n\nBeschikking van 2 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nGLENCORE INTERNATIONAL AG,\n\nte Baar (Zwitserland),\n\nverzoekster,\n\nhierna te noemen: Glencore,\n\nadvocaten: mr. F.J.L. Kaptein en mr. W.J.E. Nijnens,\n\ntegen\n\nGLOBAL CAPITAL MERCHANTS LIMITED,\n\nte Tortola (Britse Maagdeneilanden), verweerster, hierna te noemen: GCM,\n\nadvocaten: mr. J.R. Gal en mr. S. el Baroudi,\n\nen\n\n1. ACCESS WORLD GROUP HOLDINGS B.V.,\n\nte Rotterdam, hierna te noemen: AWG,\n\nadvocaat: mr. T.M. Munnik, 2. TIRONIMUS AG,\n\nte Baar (Zwitserland), hierna te noemen: Tironimus, 3. [verweerder 3],\n\nte [plaats] , hierna te noemen: [verweerder 3] , 4. [verweerder 4],\n\nte [plaats] , hierna te noemen: [verweerder 4] , 5. SILTECH PMR PTY LIMITED,\n\nte Sydney (Australië), hierna te noemen: Siltech, advocaten: mr. M. Deckers en mr. S. Martina Palacio, 6. PERFECT HEXAGON LIMITED (IN LIQUIDATIE),\n\nte Hong Kong (China), hierna te noemen: PHL, advocaten: mr. M. Deckers en mr. S. Martina Palacio, belanghebbenden.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Glencore heeft op 31 maart 2026 een verzoekschrift op grond van artikel 3:251 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) met producties ingediend, welk verzoekschrift aan deze beschikking is gehecht. Vervolgens is een mondelinge behandeling bepaald op 21 mei 2026.\n\n1.2.. Op 13 mei 2026 hebben Siltech en PHL een verweerschrift met producties ingediend. Op 15 mei 2026 heeft GCM een verweerschrift met producties ingediend. Op 18 mei 2026 heeft AWG een productie ingediend en meegedeeld het verzoek van Glencore te ondersteunen. Op 20 mei 2026 heeft Glencore een aanvullende productie ingediend.1.3.. Tijdens de mondelinge behandeling op 21 mei 2026 hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, Glencore, GCM en Siltech en PHL mede aan de hand van een pleitnota. Na verder debat is deze procedure pro forma aangehouden tot en met 4 juni 2026 voor overleg tussen partijen over een mogelijke regeling.1.4.. Bij de mondelinge behandeling waren voor zover van belang aanwezig: - aan de zijde van Glencore: [naam 1] (legal counsel; via een videoverbinding), [naam 2] (finance manager; via een videoverbinding), [naam 3] (legal counsel), [naam 4] (juridisch adviseur), [naam 5] (juridisch adviseur), H.T. Haanappel (waarderingsdeskundige bij Vantage Valuation), met mr. Kaptein en mr. Nijnens, alsmede J.M. Steur en M.C. Tol (tolken Engels); - aan de zijde van GCM: [naam 7] (bestuurder) en M. van Heugten (waarderingsdeskundige bij Eight Advisory), met mr. Gal; - aan de zijde van AWG: [naam 8] (CFO; via een videoverbinding) en [naam 9] (CLO), met mr. Munnik, alsmede I. Huigens (tolk Engels); - aan de zijde van Siltech en PHL: [naam 10] (bestuurder van Siltech) en [naam 11] (vereffenaar\u002Fliquidator van PHL; via een videoverbinding), met mr. Deckers.\n\n1.5.. Tironimus en [verweerder 3] (belanghebbenden sub 2 en 3) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen. [verweerder 4] (belanghebbende sub 4) was bij de mondelinge behandeling aanwezig in hoedanigheid van bestuurder van GCM, maar heeft zich niet gesteld in hoedanigheid van garantsteller.\n\n1.6.. Bij e-mail van 4 juni 2026 heeft de advocaat van Glencore meegedeeld dat partijen geen schikking hebben bereikt en verzocht om een datum voor het geven van de beschikking te bepalen.\n\n1.7.. Bij e-mail van diezelfde dag heeft de advocaat van GCM [**] verzocht om de beslissing in deze procedure aan te houden [**].\n\n1.8.. Bij e-mails van 5 en 8 juni 2026 hebben de advocaten van respectievelijk AWG en Glencore bezwaar gemaakt tegen de door GCM verzochte aanhouding.\n\n1.9.. Op 9 juni 2026 is aan partijen bericht de beschikking op 2 juli 2026 zal worden gegeven.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Glencore is een van de grootste bedrijven ter wereld die handelt in natuurlijke hulpbronnen en is een producent en verkoper van grondstoffen. Tironimus is een dochtervennootschap van Glencore en betreft een houdstermaatschappij.\n\n2.2.. GCM houdt zich voornamelijk bezig met de overname van logistieke bedrijven en opslagbedrijven voor de grondstoffenindustrie.\n\n2.3.. AWG is de Nederlandse houdstermaatschappij van de Acces World-groep, die wereldwijd logistieke diensten aanbiedt en een uitgebreid netwerk van haven- en opslagfaciliteiten exploiteert.\n\n2.4.. \n\nOp 11 juli 2022 hebben onder meer Finges Investment B.V. (hierna: Finges; een dochteronderneming van Glencore) en GCM een koopovereenkomst (de oorspronkelijke share purchase agreement) ondertekend voor de verkoop door Finges aan GCM van alle aandelen in het kapitaal van AWG (hierna: de aandelen) tegen een koopprijs van USD 176.700.000. Op 29 december 2022 is die transactie afgerond en heeft Finges de\n\naandelen aan GCM geleverd.\n\n2.5.. Glencore heeft in dat kader aan GCM op 11 juli 2022 een verkoperslening (hierna: de vendor loan) verstrekt voor de koop van alle aandelen in AWG door middel van een vendor loan facility agreement(hierna: de VFA). Glencore heeft daarbij USD 100 miljoen aan GCM ter beschikking gesteld om een deel van de koopprijs te voldoen. [verweerder 3] en [verweerder 4] (belanghebbenden sub 3 en 4) hebben een garantie verstrekt voor de nakoming van alle verplichtingen van GCM onder de VFA. De oorspronkelijke uiterste aflossingsdatum was 29 december 2023.\n\n2.6.. Op 23 december 2022 is de VFA bij amendement gewijzigd waarbij het uitstaande hoofdbedrag onder de VFA werd verhoogd tot USD 140 miljoen en GCM werd verplicht om op 16 januari 2023 (hierna: aflossingsdatum) een aflossing te doen ter hoogte van het bedrag (indien van toepassing) waarmee de vendor loan op dat moment USD 100 miljoen zou overschrijden, verminderd met eventuele vrijwillige vooruitbetalingen (hierna: het aflossingsbedrag).\n\n2.7.. Overeenkomstig artikel 2.5 van de VFA worden de betalingsverplichtingen van GCM onder meer gedekt door een eersterangs pandrecht op alle aandelen die GCM houdt in AWG (hierna: het pandrecht). Het pandrecht is op 29 december 2022 bij notariële akte gevestigd (hierna: de pandakte) en strekt op grond van artikel 1.1 en artikel 2.1.3 van de pandakte tot zekerheid voor de voldoening van alle huidige en toekomstige betalingsverplichtingen van GCM jegens Glencore uit hoofde van de VFA en de overige financieringsdocumenten (gedefinieerd als de Secured Obligations).\n\n2.8.. \n\nGCM liet na op de aflossingsdatum het aflossingsbedrag aan Glencore te betalen. Op grond van artikel 15.2 (Non-payment) van de VFA was GCM als gevolg daarvan in verzuim. Dit verzuim duurt nog steeds voort. Vanwege dit verzuim en in overeenstemming met artikel 15.21 (Acceleration) van de VFA, heeft Glencore op 2 februari 2023 met een notice of accelerationde vendor loan, de opgelopen rente en alle overige bedragen onder de\n\nfinancieringsdocumentatie opeisbaar gemaakt en onmiddellijke betaling van het totale uitstaande bedrag van USD 140.956.712,33 gevorderd. GCM heeft dit bedrag niet betaald. Dat geldt ook voor de rente over de vendor loan voor twee renteperiodes tot aan 4 augustus 2023. GCM is in verzuim ten aanzien van het doen van deze rentebetalingen. Ook dit verzuim duurt tot op heden.2.9.. Vervolgens heeft Glencore GCM meer tijd gegund om te betalen en hebben partijen nadere afspraken gemaakt, hetgeen niet tot betaling door GCM heeft geleid.\n\n2.10.. Op 28 november 2025 hebben de curatoren van PHL ter zekerheid van het verhaal van een vordering van € 38.189.786,80 op GCM ten laste van GCM conservatoir beslag gelegd op de aandelen in AWG. De curatoren van PHL hebben GCM vervolgens gedagvaard in een procedure voor de High Court of the Hong Kong Special Administrative Region.\n\n2.11.. Op 11 december 2025 heeft Siltech ter zekerheid van het verhaal van een vordering van € 4.693.174,40 op GCM eveneens ten laste van GCM conservatoir beslag gelegd op de aandelen in AWG. Siltech had voor die vordering reeds op 19 november 2024 een procedure tegen GCM aanhangig gemaakt bij de Supreme Court van Sydney te Australië.\n\n2.12.. Op verzoek van Glencore heeft Vantage Valuation B.V. (hierna: Vantage) een beoordeling van de going concern-waarde van AWG uitgevoerd. In het door Vantage op 11 maart 2026 opgeleverde waarderingsrapport – waarin zij gebruik maakt van eendiscounted cash flow-waarderingsmethode – concludeert zij dat de huidige reële marktwaarde(fair market value)van de aandelen in AWG (per waarderingsdatum 31 december 2025) USD [**] bedraagt.\n\n2.13.. Op 31 maart 2026 heeft Glencore een enforcement noticeaan GCM gestuurd. Per die datum bedroeg het volledige uitstaande en opgeëiste bedrag onder de VFA een totaal van USD 108.888.875 (inclusief USD 20.342.874 aan rente).\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het verzoekschrift strekt ertoe om, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking:\n\nI. aan Glencore, als pandhouder, op grond van artikel 3:251 lid 1 BW verlof te verlenen om de aandelen in het kapitaal van AWG over te dragen aan Tironimus onder de voorwaarden zoals beschreven in de Sale and Purchase Agreement van 31 maart 2026 (SPA) (waarin onder meer is beschreven dat de koopsom USD [**] bedraagt, dat de koopsom wordt voldaan op grond van verrekening en dat een opschortende voorwaarde is dat de relevantie merger control authoritiesalle documenten en goedkeuringen hebben afgegeven die partijen noodzakelijk achten voor voltooiing van de verkoop) en Glencore te machtigen om alle daarvoor benodigde of nuttige handelingen te verrichten;\n\nII. indien de voorzieningen dat nodig acht: te bepalen dat de onderhandse verkoop binnen vier maanden dient plaats te vinden;\n\nIII. GCM te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Glencore stelt daartoe – samengevat – het volgende.\n\n3.2.1.. GCM is in verzuim met de nakoming van haar betalingsverplichtingen onder de VFA. Glencore heeft GCM verschillende keren uitstel van betaling verleend en zich uiterst coulant opgesteld, maar GCM voldoet consequent niet aan de gemaakte betalingsafspraken. De vordering van Glencore op GCM wordt onder meer gedekt door een eersterangs pandrecht op 100% van de aandelen die GCM houdt in AWG. Glencore wenst dit pandrecht te executeren. Aangezien een openbare verkoop blijkens een eerder verkoopproces tot onvoldoende opbrengst leidt, wenst Glencore de aandelen via een onderhandse verkoop te verkopen aan haar dochteronderneming Tironimus. Deze onderhandse verkoop leidt tot de hoogste executieopbrengst. De koopsom van UDS [**] weerspiegelt de reële marktwaarde en is aanzienlijk hoger dan de prijs die op korte termijn op een executieverkoop zou kunnen worden verkregen. Er is geen beter alternatief en er zijn geen geïnteresseerde bieders in de markt die bereid zijn het bod van Tironimus te evenaren of te overtreffen. De voorgenomen verkoop is in het belang van alle betrokken partijen. De schuld van GCM aan Glencore verminderd hierdoor maximaal (met USD [**]).\n\n3.2.2.. In oktober 2024 heeft MJM Advisory LTD (hierna: MJM) op verzoek van Glencore 29 afzonderlijk potentieel geïnteresseerde partijen benaderd op basis van hun veronderstelde financiële capaciteit om AWG over te nemen en hun expertise in de sector. Van deze 29 partijen hebben 16 partijen een geheimhoudingsovereenkomst ondertekend, waarna zij biedingsinstructies en een vertrouwelijk informatiememorandum van het managementteam van AWG ontvingen (met daarin gecontroleerde financiële jaarrekeningen over 2022 en 2023 alsmede een vooruitzicht tot 2029). Nadat geïnteresseerde een vrijblijvend bod zouden hebben uitgebracht, zouden zij toegang krijgen tot nadere informatie. Vervolgens hebben van die 16 partijen er drie een vrijblijvende bieding gedaan. Bieder 1 deed een bod van USD [**] op kas- en schuldenvrije basis. Bieder 1 is verzocht dat bod te verhogen, maar dat werd geweigerd, waarna zelf een verlaging van het bod volgde. Bieder 2 deed een bod van USD [**] in contanten, maar heeft dat bod vervolgens niet doorgezet. Bieder 3 deed een bod van USD [**] in contanten en werd geselecteerd om door te gaan naar de volgende fase en werd van aanvullende informatie voorzien. Na verschillende locatiebezoeken voor bieder 3 en een vier uur durende presentatie bracht bieder 3 een herzien bod uit van USD [**] op kas- en schuldenvrije basis. In oktober 2025 heeft bieder 3 zich teruggetrokken. Ondertussen is wederom met bieder 1 gesproken en heeft bieder 1 een herzien bod gedaan met een contante verhouding van USD [**] en een earn out van USD [**] plus een minderheidsbelang in bieder 1. Omdat de totale waarde van dat bod zich niet met zekerheid liet vaststellen is besloten niet met bieder 1 verder te gaan. Het eerdere zorgvuldig doorlopen verkoopproces heeft aldus niet tot realistische biedingen geleid. Er is bij partijen in de markt weinig interesse voor de aandelen in AWG. Een openbare verkoop van de aandelen zou tot een koopprijs leiden die niet in verhouding staat tot de waarde van de aandelen.\n\n3.2.3.. \n\nVantage heeft de operating enterprise valueop basis van dediscounted cash flow-methode vastgesteld op USD [**] per devaluation dateop 31 december 2025. Op dat bedrag is vervolgens eencross checkuitgevoerd op basis van de drie biedingen die zijn\n\nontvangen tijdens het eerdere verkoopproces. Daaruit volgt dat de door Vantage vastgestelde operating enterprise value van USD [**] zelfs boven de range is van\n\nUSD [**] die kan worden afgeleid uit de drie biedingen die eerder zijn gedaan. Daarbij geldt dat die biedingen tot stand zijn gekomen op basis van een vooruitzicht van het management van AWG op de financiële jaren lopend van 2024 tot 2029. De vooruitzichten voor 2024 en 2025 zijn te optimistisch gebleken, nu de EBITDA aanzienlijk lager is uitgevallen dan voorspeld. Als de bieders dit hadden geweten, is het aannemelijk dat hun biedingen lager zouden zijn geweest. Ook is de vastgestelde operating enterprise value gecontroleerd op basis van tien vergelijkbare (beursgenoteerde) ondernemingen. Daaruit blijkt dat de vastgestelde operating enterprise value van AWG van USD [**] binnen de range is van USD [**] die volgt uit de multiples van de tien vergelijkbare (beursgenoteerde) ondernemingen. Vervolgens is de operating enterprise valueomgerekend naar de marktwaarde van de aandelen (fair market value) door (i) de waarde van deelnemingen in en leningen aan joint ventures op te tellen, (ii) schulden aan banken en langlopendeemployee benefitsaf te trekken, (iii)non-controlling interestaf te trekken, en (iv) de aandeelhouderslening van GCM af te trekken. Vantage komt uit op een waarde van de aandelen van USD [**]. Gelet op onder meer het eerdere verkoopproces en de\n\ntijd die het kostte om AWG in 2022 aan GCM te verkopen, verwacht Vantage dat de prijs voor de aandelen die bij een executieverkoop op korte termijn zou kunnen worden gerealiseerd, ongeveer 25-35% onder de waarde van USD [**] zou liggen, aldus steeds Glencore.\n\n3.3.. AWG heeft het volgende aangevoerd. Zij ondersteunt het verzoek van Glencore. Haar senior managementteam is van mening dat Glencore in haar hoedanigheid van (indirect) aandeelhouder (mocht de verkoop aan Tironimus worden goedgekeurd) voor de nodige stabiliteit en rust zal kunnen zorgen en meent dat snelheid geboden is. Zij wenst zich verder niet te mengen in de discussie over de waardering van de aandelen, aldus AWG.\n\n4. Het verweer\n\n4.1.. GCM voert – samengevat – het volgende verweer.\n\n4.1.1.. Glencore heeft het eerdere verkoopproces in 2025 volledig naar zich toe getrokken en GCM daar geheel buiten gehouden. Het verloop daarvan en dat er drie vrijblijvende biedingen zouden zijn gedaan heeft GCM voor het eerst vernomen vanuit het verzoekschrift in deze procedure. GCM heeft, ondanks herhaaldelijke verzoeken, verder geen inzage gekregen in de identiteit van de benaderde partijen, de inhoud van hun biedingen, de daaraan verbonden voor waarden, de redenen waarom partijen zijn afgevallen of de wijze waarop Glencore en MJM het proces hebben ingericht. Aldus was het GCM volstrekt onduidelijk of het verkoopproces gestructureerd was verlopen, of er reële biedingen waren ontvangen en of het verkoopproces daadwerkelijk gericht was op het realiseren van de hoogst mogelijke opbrengst.\n\n4.1.2.. Ook nu is voor GCM nog altijd veel onduidelijk over dat proces. Zo vermeldt Glencore in haar verzoekschrift niet: (a) welke partijen zij in het verkoopproces heeft benaderd, (b) met welke concrete propositie zij die partijen heeft benaderd, (c) welke inschrijfvoorwaarden zij daarbij heeft gehanteerd, of (d) welke verkoopinformatie zij ten aanzien van AWG heeft verstrekt. Daardoor is voor GCM niet te reconstrueren waarom slechts 16 van de benaderde partijen een geheimhoudingsovereenkomst hebben getekend, en waarom slechts drie daarvan een bieding hebben gedaan. Evenmin is duidelijk wat die biedingen uiteindelijk inhielden. Onduidelijk is hoe groot het gat is tussen de uiteindelijk door Glencore ontvangen biedingen en de prijs waarvoor zij de aandelen thans aan Tironimus wenst te verkopen. Glencore biedt geen bewijs dat de biedingen commercieel gevoelige informatie bevatten en evenmin dat de biedingen zijn onderworpen aan geheimhoudingsverplichtingen op basis waarvan de biedingen niet in deze procedure kunnen worden ingebracht. Bovendien kan MJM niet als onafhankelijk adviseur worden beschouwd nu haar werknemer die zich met het verkoopproces heeft beziggehouden eerder in dienst was bij ING Corporate Finance die Glencore had geadviseerd bij de oorspronkelijke verkoop van AWG aan GCM.\n\n4.1.3.. Het door Glencore overgelegde (uittrekstel van het) waarderingsrapport van Vantage kan niet serieus genomen worden. Onduidelijk is hoe Vantage precies tot de door haar bepaalde waarde is gekomen. Niet in geschil is dat de aandelen in AWG op 11 juli 2022 een waarde van USD 176,7 miljoen vertegenwoordigden. AWG is nog altijd een goed lopende onderneming met waardevaste activa. Een taxateur in Mauritius taxeerde de waarde van de aandelen in 2024 op een bedrag van USD [**]. Ook indien daaraan voorbij wordt gegaan is er geen enkele reden om aan te nemen dat de aandelen nu nog maar [**] van de waarde hebben die zij in 2022 hadden toen GCM AWG kocht van Glencore.\n\n4.1.4.. Glencore heeft niet onderbouwd dat de beoogde onderhandse verkoop een meer geschiktere wijze van executie is dan een openbare verkoop en evenmin dat met de beoogde onderhandse verkoop een maximale opbrengst zal worden behaald. Het verzoek moet daarom worden afgewezen. Subsidiair verzoekt GCM om aanhouding van de procedure en volledige inzage in het eerdere verkoopproces en in het waarderingsrapport van Vantage en de daaraan ten grondslag liggende financiële stukken. Meer subsidiair verzoekt GCM om het verlof niet eerder dan na zes maanden in werking te laten treden en te bepalen dat het verlof zal vervallen indien GCM de aandelen in AWG weet te verkopen voor een koopprijs hoger van USD [**], aldus steeds GCM.\n\n4.2.. Siltech en PHL voeren – samengevat – het volgende verweer.\n\n4.2.1.. Hoe hoger de opbrengst van de verkoop van de aandelen, hoe groter de kans dat na voldoening van Glencore een surplus resteert waarop Siltech en PHL zich kunnen verhalen. Bij de door Glencore thans voorgestelde verkoopprijs van USD [**] staat vast dat er voor Siltech en PHL niets overblijft waarop zij zich kunnen verhalen. Siltech en PHL hebben er belang bij dat bij de verkoop een zo hoog mogelijke opbrengst wordt gerealiseerd. Het verzoek van Glencore voldoet niet aan de vereisten om te kunnen worden toegewezen.\n\n4.2.2.. Uit het eerdere verkoopproces blijkt niet dat openbare verkoop van de aandelen niet tot realistische biedingen leidt. Dat Glencore ervoor heeft gekozen om de kring van gegadigden in de praktijk te beperken strookt niet met het uitgangspunt van maximale opbrengstrealisatie dat bij een openbare verkoop dient te gelden. Uit het door MJM opgezette verkoopproces blijkt dat er wel degelijk serieuze marktinteresse bestond en bestaat voor de aandelen. Waarom bieder 3 zich heeft teruggetrokken blijft onduidelijk evenmin is duidelijk waarom bieder 1 heeft geboden zoals zij heeft gedaan. Daarnaast blijkt uit de door Siltech en PHL ingediende producties dat er wel degelijk andere geïnteresseerde partijen waren, waaronder Capevest Equity Partners (hierna: Capevest) dat ondanks getoonde interesse niet bij het verkoopproces werd betrokken. Glencore heeft het verkoopproces zelf gestuurd. Zij heeft bijvoorbeeld niet verklaard waarom het eerste bod van bieder 1 onvoldoende was om (zonder verhoging van dat bod) door te mogen naar de volgende fase. Kennelijk zocht Glencore niet serieus naar een potentiële koper.4.2.3.. De voorgenomen verkoop aan Tironimus leidt niet tot de hoogste executieopbrengst. De waardering van de aandelen in AWG door Vantage is ondeugdelijk voor het bepalen van de prijs van de aandelen. De waardering door Vantage sluit niet aan bij de realiteit, hetgeen blijkt uit de door Siltech en PHL ingebrachte stukken. Zeven vergelijkbare transacties in de periode 2022-2025 hanteren multiplesdie variëren van [**] x tot [**] x EBIDTA. De meest vergelijkbare transactie is Glencore’s eigen verkoop van AWG in 2022 voor een koopprijs van USD 180 miljoen. Dit komt neer op een multiple van [**] x EBIDTA op het resultaat over boekjaar 2021. De door Glencore voorgestelde prijs van USD [**] komt neer op een multiple van ongeveer [**] x EBIDTA en ligt daarmee ruim onder elk gepubliceerd sectorgemiddelde en ver onder haar eigen verkoopprijs voor dezelfde aandelen in 2022. Onder deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat USD [**] de maximaal mogelijke executieopbrengst zou zijn.\n\n4.2.4.. Anders dan Glencore meent is een executie op korte termijn niet noodzakelijk. AWG staat niet op omvallen en een faillissement is niet onvermijdelijk als de voorgestelde onderhandse verkoop niet doorgaat. Het argument van een verdisconteerde executiekorting van 25-35% gaat dus niet op. Bij de voorgestelde onderhandse verkoop blijft er voor Siltech en PHL niets over, maar anders dan Glencore meent staat niet vast dat een openbare verkoop voor Siltech en PHL niets zou kunnen opleveren. Voor zover het verzoek toch wordt toegewezen verzoeken Siltech en PHL dat aan het verlof de voorwaarde wordt verbonden dat het Tironimus wordt verboden om gedurende drie jaren de aandelen in AWG aan een derde te verkopen voor een hoger bedrag dan het bedrag waarvoor deze aan haar zijn verkocht, aldus steeds Siltech en PHL.5. De beoordeling\n\nbevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.1.. Allereerst moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en welk nationaal recht van toepassing is. Alleen AWG is in Nederland gevestigd en het geschil heeft een internationaal karakter.\n\n5.2.. GCM, Glencore en AWG zijn in de pandakte een forumkeuze als bedoeld in artikel 25 lid 1 van de Brussel I-bis-Verordening overeengekomen. Artikel 10.2 van de pandakte bepaalt dat deze rechtbank exclusief bevoegd is om kennis te nemen van geschillen die voortvloeien uit of verband houden met de pandakte. De voorzieningenrechter van deze rechtbank is daarom internationaal en relatief bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen. Bovendien vindt de executie van de aandelen plaats in het arrondissement Amsterdam.\n\n5.3.. Het pandrecht op de aandelen in AWG en de executie daarvan worden beheerst door Nederlands recht. Het betreft aandelen in een naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap die in Nederland is gevestigd. Daarnaast geldt dat Nederlands recht ook als toepasselijk recht is aangewezen in artikel 10.1 van de pandakte.\n\njuridisch kader5.4.. Uitgangspunt is dat een recht van pand wordt uitgeoefend door middel van een openbare verkoop. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 3:251 lid 1 BW echter op verzoek van de pandhouder of de pandgever bepalen dat het pand op een andere wijze zal worden verkocht. De voorzieningenrechter dient daarbij onder meer te onderzoeken of bij die andere dan openbare verkoop een hogere opbrengst valt te verwachten dan bij een openbare verkoop, een en ander in het belang van de schuldenaar, en mede rekening houdend met de belangen van andere schuldeisers.\n\n5.5.. Verder geldt als uitgangspunt dat de pandhouder bepaalt of, en zo ja wanneer, hij gaat executeren nadat hij de bevoegdheid heeft gekregen zijn recht van parate executie uit te oefenen. Daarbij wordt opgemerkt dat een procedure als de onderhavige er niet voor is bedoeld om de hoogte van een vordering van de pandhouder en de rang van een pandrecht vast te stellen. Deze procedure is dus beperkt tot de wijze van executie.\n\ninhoudelijke beoordeling\n\n5.6.. Het pandrecht van Glencore op de AWG-aandelen en haar recht om een verzoek als het onderhavige in te dienen is tussen partijen niet in geschil. GCM betwist verder niet de omvang van de vordering van Glencore op GCM en ook niet dat zij in verzuim is met de nakoming van haar (betalings)verplichtingen. Uitgangspunt is dus dat de executiebevoegdheid van Glencore ten aanzien van de AWG-aandelen bestaat en dat deze via een verzoek als hier aan de orde kan worden uitgeoefend.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het verzoek van Glencore niet kan worden toegewezen en licht dit oordeel hierna toe.\n\n5.8.. Door GCM en Siltech en PHL is niet aangevoerd en evenmin is gebleken dat er een concrete koper is die de aandelen in AWG wenst over te nemen voor een bedrag dat hoger is dan USD [**]. Die omstandigheid vormt op zichzelf een argument voor toewijzing van het verzoek van Glencore. Daartegenover staan echter de volgende zwaarder wegende omstandigheden die in onderlinge samenhang moeten worden bezien.\n\n5.8.1.. De beoogd koper van de verpande aandelen in AWG, Tironimus, is een dochtervennootschap van Glencore. AWG was eerder onderdeel van Glencore en is in 2022 verkocht aan GCM omdat, naar de voorzieningenrechter begrijpt, destijds de combinatie van handel in en opslag van metalen gevoelig lag. Desgevraagd heeft Glencore ter zitting bevestigd dat deze gevoeligheid niet langer bestaat. Deze voorgeschiedenis en het feit dat de koper dochteronderneming van de schuldeiser is wiens pandrecht wordt geëxecuteerd maakt de kans op belangenverstrengeling reëel. Zo ligt het voor de hand dat er voor Glencore bij de voorgestelde onderhandse verkoop meer belangen spelen dan enkel opbrengstmaximalisatie.\n\n5.8.2.. Met GCM en Siltech en PHL is de voorzieningenrechter van oordeel dat het eerdere verkoopproces dat Glencore vanaf oktober 2024 door MJM heeft laten uitvoeren niet voldoende is voor de conclusie dat er geen belangstelling in de markt is voor de aandelen in AWG om een hogere waarde dan USD [**] te betalen. Dat zou mogelijk anders kunnen zijn indien Glencore volledig openheid van zaken zou hebben geboden over dat eerdere verkoopproces, maar dat heeft zij niet gedaan. De hoogte van de door Glencore genoemde vrijblijvende biedingen laten zien dat er wel degelijk serieuze belangstelling was. Tot slot speelt de omstandigheid dat de kring van gegadigden kennelijk door MJM beperkt is gehouden en dat er kennelijk ook een geïnteresseerde partij als Capevest niet bij het verkoopproces is betrokken. Dit alles maakt dat het eerdere verkoopproces niet richtinggevend is voor de vraag of er bij openbare verkoop een hogere opbrengst te verwachten valt.\n\n5.8.3.. Gelet op hetgeen GCM en Siltech en PHL (zie 4.1.3 en 4.2.3) hebben aangevoerd (waaronder taxatie van de waarde van de aandelen in 2024 voor USD [**] en de mate waarin de voorgestelde prijs van USD [**] zich verhoudt tot vergelijkbare transacties) is het heel wel mogelijk dat het waarderingsrapport van Vantage uitgaat van een te lage marktwaarde van de aandelen in AWG.\n\n5.8.4.. Niet aannemelijk is tot slot dat Glencore nadeel ondervindt indien de aandelen worden aangeboden op een openbare veiling, waarbij de aandelen eventueel tegen een minimumprijs van USD [**] kunnen worden aangeboden en waarbij ook Tironimus kan meebieden. De door Glencore tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting waarom een openbare veiling nadelig zou zijn overtuigt niet. Een openbare veiling van aandelen kan, zoals Glencore terecht stelt, tijdrovend en kostbaar zijn, maar dat de executie op een korte termijn moet plaats te vinden is door Glencore niet aannemelijk gemaakt en daarnaast geldt dat de kosten van een openbare veiling in dit geval vermoedelijk beperkt zijn in verhouding tot de waarde van de aandelen. Ten slotte heeft Glencore nog gesteld dat aandelen zich in het algemeen niet gemakkelijk laten veilen en in het algemeen tot een lagere opbrengst zullen leiden dan bij een onderhandse verkoop, maar dat is als algemene stelling onvoldoende. Mogelijk dat juist met een openbare veiling geïnteresseerde bieders zichtbaar worden die daarvoor niet bekend waren. Mocht uiteindelijk geen hogere waarde dan van USD [**] gerealiseerd worden dan heeft een openbare veiling voor transparantie gezorgd en binnen dat kader ook voor opbrengstmaximalisatie.\n\nslotsom\n\n5.9.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek zal worden afgewezen. Aan de door GCM en Siltech en PHL gedane tegenverzoeken wordt niet toegekomen.\n\nproceskosten\n\n5.10.. Glencore is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van GCM, Siltech en PHL betalen. AWG dient de eigen kosten te dragen nu zij het standpunt van de in het ongelijk gestelde partij heeft ondersteund. De proceskosten van GCM enerzijds en Siltech en PHL anderzijds worden ieder afzonderlijk begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306\n\n- nakosten\n\n€\n\n189\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.230\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n6.1.. weigert het verzoek,\n\n6.2.. veroordeelt Glencore in de proceskosten van GCM, tot op heden begroot op € 2.230, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt Glencore in de proceskosten van Siltech en PHL, tot op heden begroot op € 2.230, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend,\n\n6.4.. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.E. Tiddens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\ntype: JT","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6793","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:28.619Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":70,"fullText":71,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":64,"updatedAt":74},"520","ECLI:NL:RBAMS:2026:6625","ecli-nl-rbams-2026-6625","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F788058 \u002F KG ZA 26-413 NB\u002FMV\n\nVonnis in kort geding van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. MANYA HOLDING B.V.,\n\nte Amsterdam, 2. MANYA II B.V.,\n\nte Amsterdam, 3. MANYA MIP B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\neisende partijen bij dagvaarding van 21 mei 2026,\n\nhierna samen en in enkelvoud ook te noemen: Manya,\n\nadvocaten: mr. J.L. Snijders en mr. J.X.J. Cremers,\n\ntegen\n\n1. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nSITUS DEUTSCHLAND GMBH,\n\nte Frankfurt am Main (Duitsland), 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nINFINITY HOLDCO PD I S.Á.R.L.,\n\nte Munsbach (Luxemburg),\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: Situs en Infinity,\n\nadvocaten: mr. Th.P.J. Hanssen en mr. E.C. Kruisifikx.\n\n1. De procedure\n\nTijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 17 juni 2026 heeft Manya de dagvaarding toegelicht. Situs en Infinity hebben mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:\n\naan de zijde van Manya: [naam 1] en [naam 2] met mr. Snijders en mr. Cremers;\n\naan de zijde van Situs en Infinity: [naam 3] , bijgestaan door E.A. Roest, tolk Nederlands\u002FDuits, met mr. Hanssen en mr. Kruisifikx. Na verder debat is vonnis bepaald op 1 juli 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Manya Holding B.V., Manya II B.V. en Manya MIP B.V. houden gezamenlijk alle aandelen in Upforce Holding B.V. (hierna Upforce). Upforce houdt op haar beurt de aandelen in een aantal dochtervennootschappen, die actief zijn in de uitzendbranche.\n\n2.2.. VEP Fund 4 Coöperatief U.A. (hierna VEP) houdt (indirect) de meerderheid van de aandelen in Manya. VEP is een private equityinvesteerder.\n\n2.3.. Op 21 juni 2023 heeft Infinity een financiering van € 23.500.000 verstrekt aan de Upforce-groep op grond van een zogenoemde senior facilities agreeement(SFA). Tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA heeft de Upforce-groep pandrechten gevestigd op roerende zaken, vorderingen en intellectuele eigendomsrechten. Tevens heeft Manya ten behoeve van Infinity derdenzekerheid verstrekt in de vorm van een pandrecht op de aandelen die zij houdt in Upforce (hierna het Pandrecht).\n\n2.4.. Situs treedt op als agentensecurity agentvoor Infinity en houdt de op grond van de SFA gevestigde zekerheidsrechten, waaronder het Pandrecht.\n\n2.5.. Op 22 juni 2023 is het Pandrecht opgenomen in een pandakte. In artikel 8 van die akte staat onder meer dat Manya afstand doet van de beschermende wettelijke regelingen die voor derdenpandgevers gelden, waaronder artikel 3:234 BW. In artikel 15 staat onder meer dat Manya afstand doet van haar rechten op regres en subrogatie jegens Upforce.\n\n2.6.. Sinds het eerste half jaar van 2024 schiet Upforce tekort in de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA. Naar aanleiding hiervan zijn gesprekken gevoerd tussen Infinity enerzijds en de (indirect) aandeelhouders van Upforce (Manya en VEP) anderzijds. Er is onder meer gesproken over het verstrekken van aanvullende financiering aan Upforce door haar aandeelhouders. Die gesprekken hebben niet tot een definitieve oplossing geleid.\n\n2.7.. Bij brief van 9 december 2025 hebben Infinity en Situs aan Manya bericht dat vanwege het voortdurende verzuim van Upforce onder de SFA de stemrechten verbonden aan de verpande aandelen in Upforce zijn overgegaan op Situs.\n\n2.8.. Nadien zijn de gesprekken over een oplossing van de betalingsachterstand voortgezet. In dit kader heeft VEP bij brief van 19 december 2025 onder meer bericht dat Upforce meer dan € 4.000.000 in kas heeft en dat dit bedrag kan worden aangewend om de schuld aan Infinity af te lossen. Daarnaast heeft VEP een voorstel gedaan dat onder meer inhield dat zij bereid was een garantie af te geven.\n\n2.9.. Op 21 januari 2026 hebben Upforce, Infinity en Situs een amendment and standstill agreementgesloten. Hieruit blijkt onder meer dat de betalingsachterstand van Upforce per die datum ongeveer € 3.400.000 bedroeg. In deze overeenkomst verplicht Infinity zich – kort gezegd – om de financiering tot 1 januari 2027 niet versneld bij Upforce op te eisen op basis van de bestaande achterstanden. In artikel 2.2 van die overeenkomst staat – kort gezegd – dat Infinity te allen tijde wèl bevoegd blijft, dus ook vóór 1 januari 2027, om het Pandrecht uit te winnen.\n\n2.10.. Bij brief van 28 januari 2026 heeft Infinity Manya en VEP gesommeerd om te bevestigen dat zij meewerken aan overdracht van alle aandelen in Upforce aan Infinity voor € 1,-, met finale kwijting over en weer. Bij het uitblijven van die bevestiging zal het Pandrecht worden uitgewonnen, aldus de brief van 28 januari 2026.\n\n2.11.. Bij brief van 4 februari 2026 heeft Manya bericht niet akkoord te gaan met overdracht van de aandelen tegen € 1,-. Verder staat in die brief dat het Pandrecht niet als acquisitiemiddel mag worden gebruikt en dat executie van het Pandrecht in de gegeven omstandigheden misbruik van recht oplevert.\n\n2.12.. Bij brief van 17 februari 2026 heeft VEP namens Manya nogmaals een voorstel gedaan tot onder meer aanvullende financiering van Upforce. Dit voorstel is gedaan onder de voorwaarde dat de achtergestelde leningen bij Upforce (vendor loans en earn-out) worden kwijtgescholden.\n\n2.13.. Bij brief van 30 april 2026 heeft Infinity het hiervoor genoemde voorstel van VEP afgewezen. In diezelfde brief kondigt Infinity aan een verzoekschrift op grond van artikel 3:251 BW in te dienen, tenzij VEP alsnog bevestigt de aandelen voor € 1,- over te dragen.\n\n2.14.. Bij brief van 6 mei 2026 heeft Manya bericht hiermee niet akkoord te gaan.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nManya vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. Infinity en Situs te verbieden over te gaan tot enige executiemaatregel met\n\nbetrekking tot het Pandrecht, waaronder doch niet beperkt tot (i) het indienen van een verzoekschrift ex artikel 3:251 BW en (ii) het houden van een openbare executieveiling, op straffe van een dwangsom van € 500.000 per overtreding;\n\nalthans Infinity en Situs te verbieden voornoemde executiemaatregelen te nemen tot 1 januari 2027, althans voor een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, op straffe van dezelfde dwangsom;\n\nII. Infinity en Situs te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Manya legt aan haar vordering ten grondslag dat executie van het Pandrecht in de gegeven omstandigheden misbruik van recht oplevert (artikel 3:13 BW), in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 jo artikel 6:248 BW) en in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid en dus onrechtmatig is (artikel 6:162 BW).\n\n3.3.. Situs en Infiinity hebben verweer gevoerd.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In de SFA en pandakte is overeengekomen dat de rechtbank Amsterdam exclusief bevoegd is om van geschillen tussen partijen kennis te nemen.\n\n4.2.. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Upforce jegens Infinity tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA. De achterstand (en volgens Infinity de gehele financiering) is daardoor opeisbaar. Infinity en Situs zijn (dus) bevoegd tot uitwinning van het Pandrecht. Manya heeft in dit kort geding op vijf gronden aangevoerd dat uitwinning van het Pandrecht in haar visie misbruik van recht oplevert, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel onrechtmatig is. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat hiervan geen sprake is en licht dit als volgt toe.\n\n(1) de kaspositie van Upforce\n\n4.3.. De kaspositie van Upforce zou (ruim) voldoende zijn om de opeisbare schuld van Infinity te voldoen, aldus Manya. Upforce zou per 19 mei 2026 over een vrij beschikbare kaspositie beschikken van ongeveer € 5.100.000 (dus na aftrek van de gelden die op de G-rekening staan), terwijl de opeisbare achterstand ongeveer € 3.400.00 bedraagt. Daar komt bij dat VEP op 17 februari 2026 (zie 2.12) een voorstel heeft gedaan om € 1.250.000 aan kapitaal in te brengen in Upforce en een liquiditeitsfaciliteit van € 2.150.000 aan Upforce ter beschikking te stellen, waardoor de kaspositie van Upforce aanmerkelijk wordt versterkt. Omdat het stemrecht op de aandelen is overgegaan naar Infinity kan zij eenvoudigweg bewerkstelligen dat de achterstand uit de kaspositie wordt voldaan, dit alles aldus Manya.\n\n4.4.. Gezien het door Infinity en Situs gevoerde verweer op dit punt kan de voorzieningenrechter er voorshands niet van uitgaan dat de kaspositie van Upforce voldoende is, laat staan ruim voldoende, om de achterstand te voldoen. Overigens doet dit standpunt van Manya de vraag rijzen waarom die achterstand dan niet al (geheel of gedeeltelijk) is voldaan. Allereerst is de achterstand, aldus Infinity, per 16 juni 2026 opgelopen tot afgerond € 4.033.000. Infinity heeft verder aangevoerd en onderbouwd dat de vrij beschikbare gelden die onderdeel uitmaken van de kaspositie lager zijn en de gebonden gelden (op de G-rekening) hoger dan door VEP\u002FManya gesteld. Infinity heeft ook gewezen op een e-mail van 8 juni 2026 van de cfo van Upforce (geciteerd in de pleitnota van de advocaat van Infinity) waaruit volgt dat de vrij beschikbare gelden van de kaspositie niet in zijn geheel kunnen worden aangewend voor het voldoen van de achterstand aan Infinity omdat een bedrag van € 1.050.000 (exclusief de gelden op de G-rekening) beschikbaar moet blijven voor Upforce om haar activiteiten te kunnen ontplooien. Tot slot is van belang dat Upforce per 30 juni 2026 nog eens € 1.238.438 aan Infinity moet voldoen (rente over het tweede kwartaal 2026 en aflossingen), per 30 september 2026 € 340.130 (rente over het derde kwartaal 2026) en per 31 december 2026 € 1.210.592 (rente over het vierde kwartaal 2026 en aflossingen). Niet aannemelijk is dat Upforce uit haar kaspositie aan deze verplichtingen kan voldoen. Ook VEP gaat hier al langere tijd vanuit. In dit verband heeft Infinity verwezen naar een door haar in het geding gebrachte prognose van [naam 4] (Financial and Risk Advisory Solutions) waaruit kan worden afgeleid dat Upforce niet in staat is aan haar verplichtingen onder de SFA te voldoen, zonder in ernstige liquiditeitsproblemen te geraken en zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. Dat de cijfers waarop [naam 4] zich baseert achterhaald zouden zijn, zoals Manya beweert, doet niet af aan de strekking van haar prognose (die ook ziet op het verdere verloop van het jaar 2026). Dat Infinity over het stemrecht op de aandelen in Upforce beschikt en daarom kan bewerkstelligen dat de achterstand wordt voldaan, is voorshands onjuist. Gezien hetgeen Infinity hierover heeft aangevoerd kan niet worden uitgesloten dat dit leidt tot voor (de onderneming van) Upforce onaanvaardbare gevolgen. Dit druist in tegen het belang van alle betrokkenstakeholders.(2) behoorlijk aanbod van Manya tot zuivering van het verzuim\n\n4.5.. Manya stelt dat VEP, namens haar, vaker een volledig uitgewerkt voorstel tot zuivering van het verzuim heeft gedaan, voor het laatst op 17 februari 2026, en dat Infinity die voorstellen ten onrechte heeft afgewezen. Van belang hierbij is, aldus Manya, dat het verzuim niet aan haar is toe te rekenen, maar uitsluitend is ontstaan door het handelen van Upforce als hoofdschuldenaar. Bovendien moeten de voorstellen van VEP worden gezien tegen de achtergrond dat de uitwinning van het Pandrecht disproportioneel is jegens Manya omdat zij na die uitwinning geen recht heeft op regres en subrogatie jegens Upforce, aldus Manya.\n\n4.6.. De voorstellen die VEP in 2025 en voor het laatst op 17 februari 2026 heeft gedaan, waren – zoals Infinity en Situs terecht hebben aangevoerd – niet onvoorwaardelijk zodat geen sprake is van een aanbod in de zin van artikel 6:86 BW. Zo stelde VEP steeds de voorwaarden dat Infinity een deel van haar vordering moest afboeken, dat alle achtergestelde leningen (de vendor loans) zonder tegenprestatie geëlimineerd moesten worden, dat de SFA moest worden aangepast en heeft zij geen volledige vergoeding van schade en kosten aangeboden. Dat de financiële problemen enkel te wijten zouden zijn aan (het bestuur van) Upforce, maakt niet dat de door VEP (Manya) gedane voorstellen die zij als derdenpandgever heeft gedaan te gelden hebben als een volwaardig aanbod in de zin van artikel 6:86 BW.\n\n(3) Infinity kan haar vordering niet voldoen uit de opbrengst van de aandelen\n\n4.7.. Infinity meent dat de aandelen waarop het Pandrecht rust een negatieve waarde vertegenwoordigen, althans € 1,- waard zijn. Uitwinning van het Pandrecht heeft dus niet tot gevolg dat de vordering van Infinity kan worden voldaan, aldus Manya.\n\n4.8.. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat een pandhouder andere legitieme doelen mag beogen met uitwinning van een pandrecht dan de opbrengst in geld. Het enkele feit dat de achterstand niet (geheel) zal kunnen worden voldaan uit de opbrengst van de aandelen brengt niet zonder meer mee dat sprake is van misbruik van recht, strijd met de redelijkheid en billijkheid of onrechtmatig handelen.\n\n(4) Infinity wil de eigendom van de aandelen en toekomstige kasstromen naar zich toe trekken\n\n4.9.. Manya voert hierover aan dat uit de brief van Infinity van 30 april 2026 (zie 2.13) kan worden afgeleid dat het doel van Infinity met uitwinning van het Pandrecht niet is verhaal voor haar vordering, maar het verkrijgen van de eigendom van de onderneming.\n\n4.10.. Ook hier geldt, net als in 4.8 overwogen, dat een pandhouder andere legitieme doelen mag beogen met uitwinning van een pandrecht dan verhaal voor zijn vordering. Een pandhouder mag beogen, als aandeelhouder, vat te krijgen op de onderneming met als doel in de toekomst (een deel van) zijn financiering terug te krijgen via de opbrengst van de aandelen. Dit op zich levert geen misbruik van recht, strijd met de redelijkheid en billijkheid of onrechtmatig handelen op.\n\n(5) de amendment and standstill agreement4.11. Hierover voert Manya aan dat Infinity in deamendment and standstill agreementvan 21 januari 2026 heeft toegezegd de financiering niet bij de schuldenaren (de verschillende vennootschappen binnen de Upforce-groep) op te eisen, maar nu wel aanklopt bij Manya als derdenpandgever. Dit maakt destandstillvoor Manya illusoir en dit is precies de situatie die artikel 3:234 lid 1 BW probeert te voorkomen. De contractuele uitsluiting van dit artikel in de pandakte laat de werking van het misbruikverbod onverlet; het misbruikverbod heeft een universeel karakter en kan niet worden weg gecontracteerd, aldus Manya.\n\n4.12.. Allereerst heeft Infinity terecht de vraag opgeworpen of de amendment and standstill agreementvan 21 januari 2026 nog wel van kracht is, aangezien die overeenkomst uitging van de toen bestaandeevents of defaulten zich na het sluiten van deze overeenkomst meerdere nieuweevents of defaulthebben voorgedaan. Zo is op 31 maart 2026 niet, zoals overeengekomen, de rente over het eerste kwartaal 2026 voldaan. Verder heeft Infinity er terecht op gewezen dat artikel 3:234 BW is uitgesloten in de pandakte. VEP heeft er dus bewust voor gekozen dat Infinity niet gehouden is eerst het pandrecht op de goederen van Upforce uit te winnen, alvorens zij het Pandrecht op de aandelen van Manya in Upforce kan uitwinnen. Van belang is dat dit een gebruikelijke afspraak is in zakelijke (acquisitie) financieringen waarmee VEP bekend is. De stelling dat artikel 3:234 BW niet kan worden weg gecontracteerd is onjuist.\n\ntot slot\n\n4.13.. Tot slot geldt dat Infinity heeft te gelden als professionele financier. Er mag van haar in die rol extra zorgvuldigheid worden verwacht alvorens zij overgaat tot uitwinning van een pandrecht op aandelen. In dit kort geding is niet gebleken van aanwijzingen dat zij in strijd met die zorgvuldigheid zou hebben gehandeld. Infinity heeft VEP ruim de tijd en de gelegenheid geboden om met oplossingen te komen. Dat niet is gekomen tot een voor beide partijen acceptabele oplossing, wil niet zeggen dat Infinity onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\nconclusie en proceskosten\n\n4.14.. De conclusie is dat de vorderingen van Manya worden afgewezen. Manya is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Situs en Infinity worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. weigert de gevraagde voorzieningen,\n\n5.2.. veroordeelt Manya in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Manya niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\nColl: BB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6625","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.520Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":73,"fullText":79,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":81},"1865","ECLI:NL:GHAMS:2026:1799","ecli-nl-ghams-2026-1799","AMSTERDAM COURT OF APPEAL\n\nNetherlands Commercial Court of Appeal\n\nCase numbers Court of Appeal : 200.358.029\u002F01 and 200.358.754\u002F01\n\nCase number District Court : NCC C\u002F13\u002F768479\n\nJudgment given on 30 June 2026\n\nin the case with number 200.358.029\u002F01 of:\n\nDELTROIT DIRECTIONAL OPPORTUNITIES MASTER FUND LIMITED,\n\nGeorge Town, Cayman Islands,\n\nclaimant in appeal,\n\nclaimant in the incidental motion,\n\n(“Deltroit”),\n\nrepresented by S.C. Pepels, J.R. Berkenbosch and G. te Winkel, lawyers,\n\nagainst\n\nKROLL TRUSTEE SERVICES LIMITED,\n\nLondon, England,\n\ndefendant in appeal,\n\ndefendant in the incidental motion,\n\n(“Kroll”),\n\nrepresented by J.W. Volkers, W.N.M. Bouman and T.B. Klerks, lawyers,\n\n and\n\n1. SELECTA GROUP AG IN LIQUIDATION,\n\nCham, Switzerland,\n\n(the “Parent”),\n\n2. SELECTA GROUP B.V.,\n\nAmsterdam, the Netherlands,\n\n(the “Company”),\n\ninterested parties,\n\n(the Parent and the Company together: “Selecta”),\n\nrepresented by V.R. Vroom and B. Kemp, lawyers,\n\n3. SEAGULL BIDCO LIMITED,\n\nFolkstone, Kent, United Kingdom,\n\ninterested party,\n\n(“Seagull”),\n\nrepresented by E.R. Meerdink, F.J.L. Kaptein and R.G.A. Elkerbout-Kok, lawyers,\n\nand in the case with number 200.358.754\u002F01 of:\n\n1. CQS GLOBAL FUNDS (IRELAND) P.L.C.in respect of its sub-funds CQS Credit\n\nMulti Asset Fund, CQS Brunel Multi Asset Credit Fund and CQS Alternative Credit Fund,\n\nDublin, Ireland,\n\n2. CQS NEW CITY HIGH YIELD FUND LIMITED,\n\nSt. Helier, Jersey,\n\n3. MERCER QIF FUND P.L.C.in respect of its sub-fund Mercer Multi-Asset Credit Fund,\n\nDublin, Ireland,\n\n4. ALGEBRIS UCITS FUND P.L.C.,\n\nDublin, Ireland,\n\n5. FINECO ASSET MANAGEMENT DAC,\n\nDublin, Ireland,\n\nclaimants in appeal,\n\nclaimants in the incidental motion,\n\n(“CQS”),\n\nrepresented by C.B. Schutte, R. van den Berg and T.J.P.H. de Bekker, lawyers,\n\nagainst\n\nKROLL TRUSTEE SERVICES LIMITED,\n\nLondon, England,\n\ndefendant in appeal,\n\ndefendant in the incidental motion,\n\n(“Kroll”),\n\nrepresented by J.W. Volkers, W.N.M. Bouman and T.B. Klerks, lawyers,\n\nand\n\n1. SELECTA GROUP AG IN LIQUIDATION,\n\nCham, Switzerland,\n\n(the “Parent”),\n\n2. SELECTA GROUP B.V.,\n\nAmsterdam, the Netherlands,\n\n(the “Company”),\n\ninterested parties,\n\n(the Parent and the Company together: “Selecta”),\n\nrepresented by V.R. Vroom and B. Kemp, lawyers,\n\n3. SEAGULL BIDCO LIMITED,\n\nFolkstone, Kent, United Kingdom,\n\ninterested party,\n\n(“Seagull”),\n\nrepresented by E.R. Meerdink, F.J.L. Kaptein and R.G.A. Elkerbout-Kok, lawyers.\n\nDeltroit and CQS together: the “Appellants”.\n\nKroll, Selecta and Seagull together: the “Respondents”.\n\n1. Summary of the case\n\nBy judgment of 13 May 2025, the NCC District Court granted Kroll leave to transfer all the shares in the Company by way of a private enforcement sale pursuant to Article 3:251(1) Dutch Civil Code (DCC). The Appellants, who were not involved in the proceedings before the NCC District Court, filed an application for appeal with the NCC Court of Appeal requesting the Court to annul the judgment. Before their requests can be considered on the merits, the NCC Court of Appeal will in this interim judgment first decide (i) if Deltroit and CQS can be qualified as ‘interested parties’, and (ii) if there is ground to lift the applicable prohibition against appealing the judgment.\n\n2. The procedural history\n\n2.1.. The case file of the NCC Court of Appeal (“Court”) includes the following documents:\n\n­ the appeal against application ex Art. 3:251(1) DCC and the incidental motion to provide copies and access pursuant to Art. 195 and 195a Dutch Code of Civil Procedure (DCCP), including Exhibits nos. 1 to 40, of Deltroit, in the case with number 200.358.029\u002F01;\n\n­ the appeal against application ex Art. 3:251(1) DCC and the incidental motion to provide copies and access pursuant to Art. 195 and 195a DCCP, including Exhibits nos. 1 to 41, of CQS et al, in the case with number 200.358.754\u002F01;\n\n­ the statement of defence on admissibility of Kroll in both cases;\n\n­ the statement of defence on the admissibility of the appeals and the prohibition against appeal in pledge enforcement proceedings on the basis of Article 3:251(1) DCC, of Selecta, including Exhibits nos. 1 to 13, in both cases;\n\n­ the statement of defence on the admissibility of the appeals and the prohibition against appeal in Article 3:251(1) DCC proceedings, of Seagull, including Exhibits nos. 1 and 2, in both cases;\n\n­ the statement of submission of supplemental exhibits of Seagull, including Exhibits nos. 3 and 4, in both cases;\n\n­ the brief submitting additional exhibits of Selecta, including Exhibits nos. 14 to 19, in both cases;\n\n­ the brief submitting exhibits of Deltroit, including Exhibits nos. 41 to 53in the case with number 200.358.029\u002F01;\n\n­ the brief submitting exhibits of CQS, including Exhibits nos. 42 to 54, in the case with number 200.358.029\u002F01;\n\n­ the letters of Kroll, Selecta and Seagull dated 9 April 2026, in both cases, requesting the Court to refuse Exhibit 46 of Deltroit and Exhibit 47 of CQS, which request was denied during the hearing;\n\n­ the letter of Deltroit of 10 April 2026, in the case with number 200.358.029\u002F01.\n\n2.2.. The cases were heard together on 16 April 2026. Deltroit was represented by S.C. Pepels and G. te Winkel mentioned above, and by Q. Rook and E.L.R. Mendes Aguiar, lawyers. CQS was represented by C.B. Schutte and T.J.P.H. de Bekker mentioned above. Kroll was represented by its lawyers mentioned above. Selecta was represented by its lawyers mentioned above and by K. de Bruijn, lawyer. Seagull was represented by E.R. Meerdink and F.J.L. Kaptein mentioned above and by P. van der Veen, lawyer. The lawyers argued their case using pleading notes that are part of the case file.\n\n2.3.. Judgment regarding the admissibility of the appeals was subsequently set for today.\n\n3. The facts\n\nThe facts, in so far as relevant for this interim judgment, are as follows.\n\n3.1.. The Company heads the “Selecta Group”, a group of companies that operates a Europe-wide food technology business, amongst other things in the field of coffee roasting and coffee vending machines throughout Europe. The Company is a holding company for the operating companies of the Selecta Group. The shares in the Company were owned by the Parent until 11 June 2025, when the shares were sold to Seagull as part of a restructuring.\n\n3.2.. Prior to the aforementioned restructuring, the Selecta Group was financed by multiple layers of secured debt, with various levels of seniority, totalling approximately EUR 1,445.5 million including accrued but unpaid interest. Until 2025, the Selecta Group’s capital structure included:\n\na EUR 150 million super senior revolving credit facility dated 15 January 2018, maturing in January 2026 (the “RCF”);\n\nfirst-lien senior secured notes, publicly traded and held by individual noteholders through clearing agencies, representing an aggregate principal amount of EUR 810.3 million, governed by the 1L Indenture, maturing in April 2026 (the “1L Notes”);\n\nsecond-lien senior secured notes, publicly traded and held by individual noteholders through clearing agencies, representing an aggregate principal amount of EUR 370.1 million, governed by the 2L Indenture, maturing in July 2026 (the “2L Notes”).\n\n3.3.. An intercreditor agreement under English law dated 31 January 2018 (the “ICA”) governed, amongst other things, the rankings of the creditors under the financing arrangement and the enforcement of the transaction security.\n\n3.4.. Under the ICA, Kroll was appointed as agent and as security agent. Kroll held the notes and the security rights on behalf of certain of the Selecta Group’s creditors who were granted certain security instruments, including a first ranking share pledge over the entire issued share capital of the Company. Pursuant to the ICA and the deeds of pledge, Kroll had the authority to enforce the security, in accordance with their terms and upon instructions of the requisite majority of the applicable creditors, in case of an ‘enforcement event’, as defined in the ICA. Broadly stated, such event includes outstanding amounts under a financing instrument becoming immediately due and payable.\n\n3.5.. In January 2025, the Company failed to meet an interest payment obligation to the 1L Noteholders. However, the contractual grace period was extended by the requisite majority of holders under the 1L Notes. To address the Selecta Group’s liquidity shortfall, a EUR 50 million super senior short-term interim facility dated 10 January 2025 maturing on 22 May 2025 (the “IFA”) was put in place, provided by a group of the Selecta Group’s creditors (the “Majority Noteholders”). To address the Selecta Group’s financial issues, the Company, Kroll and the Majority Noteholders reached an agreement for the restructuring of Selecta Group’s debt.\n\n3.6.. On 30 April 2025, Kroll received notice of an event of default under the 1L Indenture from the Company. At the instruction of the Majority Noteholders, representing more than 50% of the aggregate principal amount of the 1L Notes, Kroll issued a notice to the Company resulting in the outstanding amounts in respect of the 1L Notes becoming immediately due and payable. On that same day, the Majority Noteholders instructed Kroll to enforce the pledge over the shares in the Company.\n\n3.7.. On 30 April 2025, Kroll filed an application with the NCC District Court in Summary Proceedings (“District Court”) requesting approval to enforce the pledge by means of sale of the shares in the Company to Seagull, as laid down in a share purchase agreement. This proposed private sale involved, in essence, Seagull paying a cash consideration of EUR 1 for all shares in the Company, and Seagull releasing the Selecta Group from a portion of its outstanding debt.\n\n3.8.. \n\nLater on 30 April 2025, Kroll issued a notification via the clearing agencies to the noteholders. This notice included, insofar as relevant, the following text:\n\n“NOTICE IS HEREBY GIVEN, in accordance with Section 7.05 (Notice of Defaults) of the Indenture, that the Trustee has received a notice from the Issuer dated 30 April 2025 (the “Issuer Notice”) in which the Issuer informed the Trustee that an Event of Default has occurred and is continuing under Section 6.01(a)(1) of the Indenture. The Security Agent has subsequently filed on 30 April 2025 a petition with the court in preliminary relief proceedings (voorzieningenrechter) of the Netherlands Commercial Court requesting its approval to enforce Transaction Security (as defined in the Intercreditor Agreement) over the shares of the Issuer without a hearing”.\n\n3.9.. Also on 30 April 2025, the Selecta Group announced in a press release that it had secured a “transformative recapitalisation agreement”, explaining that “ownership of Selecta Group will transfer to a Consortium of the Group’s existing long-term institutional investors” and that this transaction was to be “implemented using a controlled enforcement process”.\n\n3.10.. The proposed private sale was approved by the District Court in a judgment dated 13 May 2025 (the judgment challenged in appeal). The pledged shares in the Company were transferred to Seagull on 11 June 2025. Seagull was established by certain members of the Majority Noteholders for the purpose of this transfer. This transfer was part of a more comprehensive restructuring of the Company.\n\n4. The case in first instance\n\n4.1.. By application of 30 April 2025, Kroll, in its capacity as security agent and as pledgee, requested the District Court, by means of an immediately enforceable decision, to grant Kroll leave pursuant to Article 3:251(1) DCC to transfer the Shares (as defined in the application) to Seagull. In these proceedings, Selecta and Seagull were involved as interested parties.\n\n4.2.. The District Court granted the requested leave by judgment of 13 May 2025. The District Court considered that, under the circumstances, the proposed sale of the shares in the Company to Seagull is the best possible outcome and will deliver maximum value for the shares.\n\n5. The cases in appeal\n\n5.1.. The applications in appeal of Deltroit and CQS are virtually identical. Both parties request the Court to annul the judgment of the District Court and to re-adjudicate Kroll’s application, denying the request to enforce the share pledge over the shares in the Company, and to order that Kroll pay the costs of the proceedings in appeal.\n\n5.2.. Deltroit and CQS further request the Court, by incidental motion, to order the Respondents to provide them with a copy of the information listed in their application for appeal. As follows from the Court notice dated 17 September 2025, this incidental motion will not be decided on in this interim judgment.\n\n5.3.. The Respondents each request – in summary – that the Court declare Deltroit and CQS inadmissible or dismiss their appeals, and order Deltroit and CQS to pay the costs of the proceedings.\n\n6. The issues: “interested party” and prohibition against appeal\n\n6.1.. In this first phase of the proceedings, the Court will rule on the admissibility of the appeals, more specifically on the qualification of ‘interested party’ and the prohibition against appeal, based on statutory provisions of the DCC and related Supreme Court case law. These matters are governed by Dutch civil procedural law.\n\n6.2.. The Respondents each argue that the Appellants should be declared inadmissible or, alternatively, their appeal should be dismissed. They come to this conclusion because (i) the Appellants are not ‘interested parties’ and therefore not competent to lodge an appeal pursuant to Article 358(2) DCCP, and (ii) there are no grounds for lifting the prohibition against appeal judgments in proceedings based on Article 3:251 DCC.\n\nInterested party\n\n6.3.. Article 358(2) DCCP stipulates that an appeal against a judgment is open to the parties to the proceedings and to interested parties who appeared in the proceedings, as well as to other interested parties (belanghebbenden). As Deltroit and CQS were not parties to the proceedings before the District Court, it must be assessed whether they qualify as interested parties within the meaning of Article 282(1) DCCP.\n\n6.4.. It must first be noted that Article 282(1) DCCP does not specify who qualifies as an interested party in application proceedings. Whether or not the Appellants are interested parties must be derived from the nature of the proceedings and the related statutory provisions (Supreme Court 25 October 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387). In determining whether a person is an interested party, the extent to which that party may be affected in its own interest by the outcome of the proceedings must be considered, or the extent to which they are otherwise so closely involved, or have been involved, with the subject matter being dealt with that there is an interest in appearing in the proceedings (Supreme Court 6 June 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440).\n\n6.5.. The Court will therefore assess in light of the objective and the scope of the relevant proceedings, i.e. the proceedings pursuant to Article 3:251(1) DCC, whether the Appellants qualify as interested parties. These proceedings concern the execution of pledged assets by means other than a public auction, as regulated in Article 3:250 DCC. The objective of a public auction (Article 3:250 DCC) is to yield the highest possible proceeds and to minimise the risk that the enforcing pledgee might collude with the purchaser of the secured assets to the detriment of the pledgor and the other creditors. There may exist valid reasons, however, to sell the pledged shares by another procedure than a public auction, such as a private sale. Such other procedure is provided for in Article 3:251(1) DCC, for which leave from the court in summary proceedings is required. The underlying purpose of both Article 3:250 and 3:251(1) DCC is that the interests of the pledgor and the other creditors are safeguarded as much as possible. If leave for a private sale is requested pursuant to Article 3:251(1) DCC, it is for the court in summary proceedings to assess if their interests are sufficiently safeguarded in that private sale (Supreme Court 22 June 2018, ECLI:NL:HR:2018:972).\n\n6.6.. Considering the aforementioned rationale of Article 3:251(1) DCC, the Court sees no ground for limiting the concept of ‘interested parties’ to the formal parties to the share pledge and formal holders of a security right, attachment or other limited right, as argued by the Respondents.\n\n6.7.. The Respondents point out that Deltroit and CQS as individual beneficial noteholders do not hold the notes themselves, as these are legally held by the registered holder. The Court finds that this does not necessarily entail that they are not to be considered interested parties. The Court considers that the position of Deltroit and CQS in relation to the enforcement sale proceedings, under the circumstances outlined by the Appellants, is comparable to the position of creditors whose interests have to be safeguarded (as mentioned in Supreme Court 22 June 2018, ECLI:NL:HR:2018:972) and that they have a right to be heard as interested parties. Moreover, the Appellants have extensively and rightly argued that their legal and economic interests are directly affected by the outcome of the proceedings before the District Court.\n\n6.8.. In short, the Appellants state the following. The Appellants were both 1L Noteholders, in an aggregate amount of approximately EUR 31 million. They argue that whilst prior to restructuring all holders of 1L Notes had the same rights and interests, the Majority Noteholders after the restructuring held the highest ranking, most secured and first repaid notes, while the Appellants only held 3O Notes. This was effectuated by first exchanging all 1L Notes for new lower value third priority notes (“3O Notes”) issued by Seagull. After this exchange, the Majority Noteholders were able to exchange their own 3O Notes for more valuable first priority notes (“1O Notes”). The other noteholders holding the minority of the shares, including Deltroit and CQS, were later also offered to exchange their 3O Notes for 1O Notes. This offer, however, included unacceptable non-market conditions that could only further benefit the Majority Noteholders. The result of this restructuring, that was engineered and effectuated behind the backs of the minority noteholders, is that the recovery position of the minority noteholders vis-à-vis the Company has decreased substantively. It was only in mid-June 2025 that the minority noteholders including the Appellants were confronted with a fait accompli. According to the Appellants, the Respondents did not properly inform the District Court of this unreasonable and discriminatory result of the proposed sale, as the District Court would not have allowed such result without hearing the prejudiced parties, i.e. the minority noteholders including Deltroit and CQS.\n\n6.9.. The Respondents contest the various allegations made by the Appellants. However, they do not dispute the outlined general restructuring method as such, pursuant to which the Appellants as holders of 1L Notes, amongst others, were to receive notes issued by a third party on substantially different terms and that hence the economic position of the Appellants was affected by the proposed restructuring in respect of which the District Court’s permission was sought. Nor do the Respondents dispute that the leave granted by the District Court played an indispensable role in the restructuring process. Given these circumstances, the Appellants clearly may be affected in their own interest by the outcome of the proceedings, even though: (i) they are individual beneficial noteholders and the notes are legally held by the registered holder, and (ii) the share pledges were granted in favour of Kroll as Security Agent under the ICA. Therefore, the Appellants are to be considered interested parties, who may express their view on the arguments of the Respondents in the request pursuant to Article 3:251(1) DCC. Their specific interests as beneficial noteholders are sufficient to warrant their participation in the proceedings to protect that interest, given the impact of the resulting judgment.\n\n6.10.. The Court acknowledges that Article 3:251(1) DCC aims to achieve definitive legal certainty about the sale of the pledged assets within a short term, as the Respondents argue. This – legitimate – objective however does not relieve the court in summary proceedings of its responsibility to identify who the interested parties are and to summon these parties to appear in the proceedings pursuant to Article 279(1) DCCP.\n\n6.11.. \n\nThe Respondents further argue that the terms of the relevant contractual documentation lead to the conclusion that the Appellants cannot be qualified as interested parties. They refer in this context to the ICA, which restricts individual creditors to pursue enforcement action, and the 1L Indenture, which contains a ‘no action’ clause.\n\nThis argument has no merit in this phase of the proceedings. Leaving aside that the Appellants dispute that these clauses prevent them from participating in the present proceedings as interested parties, the contractual restrictions in the ICA and the 1L Indenture cannot set aside the obligation of the court in summary proceedings to consider the interests of the Appellants (as interested parties) pursuant to Article 3:251 DCC. Consequently, the Court will uphold the protection of the interests of Appellants resulting from this statutory obligation.\n\nProhibition against appeal\n\n6.12.. In principle, a judgment granting leave pursuant to Article 3:251(1) DCC is not open to appeal (Supreme Court 17 June 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1401, Rabobank\u002FSporting Connection, par. 3.2). However, according to settled case law, the prohibition against appeal may be lifted under certain conditions (doorbrekingsgronden). The prohibition can be lifted if the relevant lower court: (i) acted beyond the scope of the relevant statutory provision, i.e. Article 3:251(1) DCC, (ii) wrongly failed to apply that provision, or (iii) disregarded such fundamental procedural forms that the proceedings cannot be considered fair and impartial (Supreme Court 29 March 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989).\n\n6.13.. The Appellants argue that two of the grounds for lifting the prohibition against appeal are applicable in the present proceedings. Firstly, they argue that their fundamental right to be heard has been breached, and secondly, that the District Court acted outside the scope of Article 3:251(1) DCC. Given that the Appellants have invoked these grounds, they are admissible in their appeal (Supreme Court 17 June 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1401, Rabobank\u002FSporting Connection, par. 3.4).\n\n6.14.. The Court finds that the first ground brought forward by the Appellants is well-founded. It is undisputed that the Appellants were not summoned by the District Court as interested parties in accordance with the requirements of the DCCP. By not summoning the Appellants and ruling on Kroll’s application without giving them the opportunity to express their views, the District Court failed to observe the Appellants’ rights as interested parties.\n\n6.15.. Even if the Appellants had knowledge of the District Court’s share pledge proceedings through the notice by Kroll of 30 April 2025 sent via the clearing agencies, as the Respondents argue and as Deltroit disputes, this knowledge would not change the findings of the Court since this notice does not qualify as a notice to appear within the meaning of Article 272 DCCP. This equally applies to the press release of the same date, which does not mention the District Court, and to any correspondence between the Appellants and Selecta’s advisors regarding the Company’s financial situation. The Appellants were allowed to await formal notice from the District Court regarding the application and the course of the proceedings. Therefore, not taking immediate action in response to the notice of 30 April 2025 does not impair their entitlement to invoke this ground to lift the prohibition against appeal.\n\nConclusion and next steps\n\n6.16.. The considerations above lead to the conclusions that Deltroit and CQS are to be regarded as interested parties and that the prohibition against appeal is to be lifted.\n\n6.17.. The Court notes that Article 290(1) DCCP stipulates that the Appellants, as interested parties, are entitled to inspect and receive copies of the documents in the case file. As this right follows from the law, a request to that end, or the grant of such request, appears to be unnecessary. The Court assumes that the Respondents will provide a copy of the case file to the Appellants.\n\n6.18.. Following this interim judgment, the cases may be dealt with on the merits in the next phase. The next step would be for the Respondents to submit a statement of defence on the merits. However, it may be useful to first hold a case management conference in order to discuss the further course of the proceedings. The Court suggests that the parties consult each other and – if possible – provide the Court with a joint proposal. Each party may inform the Court in this respect by submitting a brief, simultaneously, of no more than 5 pages.\n\n6.19.. At the hearing of 16 April 2026, the possible wish to lodge an interim Supreme Court appeal was discussed. Based on what the parties have brought forward, the Court will allow an interim Supreme Court appeal against this judgment.\n\n6.20.. All further decisions, including those regarding the cost orders, will be stayed.\n\n7. The decision\n\nThe NCC Court of Appeal:\n\n7.1.. declares Deltroit and CQS admissible in their appeals against the judgment of the District Court of 13 May 2025;\n\n7.2.. rules that an interim Supreme Court appeal may be lodged against this judgment;\n\n7.3.. directs the parties to submit the briefs as set out in paragraph 6.19, via eNCC, no later than 28 July 2026.\n\nDone by C.A. Joustra, P.M. Arnoldus-Smit and A.C. Metzelaar, appeal judges, assisted by the Clerk of the Court.\n\nIssued in public on 30 June 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1799","2026-07-13T00:29:42.723Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":64,"updatedAt":89},"1572","ECLI:NL:RBAMS:2026:6589","ecli-nl-rbams-2026-6589","2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12024959 \\ CV EXPL 25-17715\n\nVonnis van 26 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nDE REGIEBEHANDELAARS B.V.,\n\ngevestigd te Waardenburg,\n\neiseres,\n\nhierna te noemen: De Regiebehandelaars,\n\ngemachtigde: In-Kas Intermediair BV,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 1] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats], 2. [gedaagde 2] ,\n\nwonende te [woonplaats 1], 3. [gedaagde 3],\n\nwonende te [woonplaats 2], 4. [gedaagde 4],\n\nwonende te [woonplaats 2],\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en samen [gedaagden],\n\ngemachtigde: mr. O. Planten.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 25 november 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord,\n\n- het tussenvonnis van 5 maart 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de akte houdende wijziging van eis en overlegging producties van De Regiebehandelaars,\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan de zittingsaantekeningen en de spreekaantekeningen van [gedaagden] zich in het dossier bevinden.\n\n1.2.. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De Regiebehandelaars is een werving- en selectiebureau voor personeel in de zorgsector.\n\n2.2.. \n [gedaagde 1] is een instelling die zich bezighoudt met psychiatrische zorg en verslavingszorg. [gedaagde 2] is samen met [gedaagde 3] en [gedaagde 4] bestuurder van [gedaagde 1].\n\n2.3.. Op 14 juni 2023 hebben [gedaagde 2] en (een medewerker van) De Regiebehandelaars een kennismakingsgesprek gevoerd. Nadat De Regiebehandelaars haar algemene voorwaarden had toegestuurd, heeft [gedaagde 2] gevraagd om de rest van de documenten, zodat hij die met zijn partners kon bespreken. Dezelfde dag heeft [gedaagde 2] per e-mail vacatureteksten toegestuurd aan De Regiebehandelaars, waarbij hij zijn mail heeft afgesloten met ‘Bestuurder [gedaagde 1]’.\n\n2.4.. Op 16 juni 2023 heeft [gedaagde 2] de door hem getekende samenwerkingsovereenkomst inclusief algemene voorwaarden (hierna: de overeenkomst) toegestuurd aan De Regiebehandelaars met als onderwerp ‘[gedaagde 1] [gedaagde 2]’. Op basis van de overeenkomst zou De Regiebehandelaars personeel gaan werven voor de opdrachtgever, die wordt omschreven als ‘nieuw op te starten organisatie ([gedaagde 2] )’.\n\n2.5.. In artikel 4 van de overeenkomst staat dat de opdrachtgever een ‘completion fee’ verschuldigd is aan De Regiebehandelaars als er een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht tussen een kandidaat en de opdrachtgever tot stand komt. De fee bij een arbeidsovereenkomst bedraagt drie maal het salaris van de kandidaat conform de bijpassende functieschaal van de actuele cao GGZ, exclusief btw. Verder bepaalt artikel 7.2 van de overeenkomst voor zover relevant het volgende:\n\n“Indien de Opdrachtgever een door De Regiebehandelaars geïntroduceerde Kandidaat afwijst of de Kandidaat een aanbod van de Opdrachtgever voor het sluiten van een arbeidsovereenkomst afwijst, waarna de Opdrachtgever vervolgens binnen 18 maanden na de introductie van de Kandidaat door De Regiebehandelaars alsnog een arbeidsovereenkomst dan wel andere contractuele relatie met de Kandidaat aangaat, (…) zal de Opdrachtgever gehouden zijn tot betaling van de totale kosten conform het in artikel 4 van deze Algemene Wervingsvoorwaarden bepaalde.”\n\n2.6.. De Regiebehandelaars heeft in de periode na het sluiten van de overeenkomst verschillende kandidaten geïntroduceerd bij [gedaagde 2], waarmee hij ook kennismakingsgesprekken heeft gevoerd.\n\n2.7.. \n\nIn een e-mail van 25 augustus 2023 heeft De Regiebehandelaars [gedaagde 2] gevraagd of zij twee kandidaten officieel kon bevestigen. In de e-mail staat verder voor zover relevant:\n\n“Dan zullen wij een margecontract met hen opstellen. Zij krijgen dan een overeenkomst van opdracht met [gedaagde 1] waarin het all-in tarief staat vermeld. (…)”\n\n2.8.. Op 29 augustus 2023 is [gedaagde 1] opgericht en op 31 augustus 2023 is zij ingeschreven in het handelsregister.\n\n2.9.. Op 14 september 2023 heeft De Regiebehandelaars het curriculum vitae van [naam] (hierna: [naam]) aan [gedaagde 2] gemaild. De week erna heeft er een kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde 2] en [naam].\n\n2.10.. Op 4 oktober 2023 heeft [gedaagde 2] aan De Regiebehandelaars gemaild dat de inhuur van twee van de aangedragen kandidaten niet door kan gaan omdat zijn partners – na een bestuursvergadering – ervan afzagen in verband met de kosten. Ook [naam] is uiteindelijk afgewezen.\n\n2.11.. De Regiebehandelaars heeft [gedaagde 2] dezelfde dag per e-mail laten weten dat zij niet blij was met de gang van zaken en stappen zal ondernemen als [gedaagde 1] buiten haar om zaken ging doen met kandidaten.\n\n2.12.. Op 29 december 2023 hebben [gedaagde 1] en [naam] een arbeidsovereenkomst getekend op grond waarvan [naam] in dienst trad als basispsycholoog voor een salaris van € 4.785 bruto per maand volgens cao GGZ schaal 60 trede 5\u002F42.\n\n2.13.. Op 24 september 2025 is De Regiebehandelaars bekend geraakt met de indiensttreding van [naam] bij [gedaagde 1]. Daarop heeft zij een factuur gestuurd aan [gedaagde 1] voor de fee voor [naam] ter hoogte van € 17.369,55 inclusief btw.\n\n2.14.. In reactie op een betaalherinnering van De Regiebehandelaars heeft [gedaagde 2] op 17 oktober 2025 per e-mail laten weten dat [gedaagde 1] in financieel zwaar weer verkeert en dat er geen middelen beschikbaar zijn om de fee te voldoen.\n\n2.15.. Vanaf 5 november 2025 heeft de gemachtigde van De Regiebehandelaars [gedaagde 1] meerdere keren gesommeerd om de factuur met rente en incassokosten te voldoen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De Regiebehandelaars vordert na eiswijziging – samengevat – dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:\n\n€ 17.369,55 aan hoofdsom;\n\n€ 253,24 aan wettelijke handelsrente tot aan de dag van de dagvaarding;\n\n€ 948,70 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\nde proceskosten.\n\n3.2.. De Regiebehandelaars legt aan haar vorderingen op [gedaagde 1] ten grondslag dat zij op grond van artikel 7.2 van de overeenkomt recht heeft op betaling van de fee. Tegenover [gedaagde 2] beroept zij zich op aansprakelijkheid op grond van artikel 2:203 lid 2 en 3 BW en bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW. Bij dagvaarding had De Regiebehandelaars ook [gedaagde 3] en [gedaagde 4] aansprakelijk gesteld, maar deze vorderingen heeft zij bij eiswijziging ingetrokken.\n\n3.3.. \n [gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van De Regiebehandelaars in de proceskosten. Zij voert daartoe kort gezegd aan dat [gedaagde 1] niet gebonden is aan de overeenkomst en dat uit artikel 7.2 in dit geval geen vergoedingsplicht volgt. Verder is van (bestuurders)aansprakelijkheid van [gedaagde 2] geen sprake, aldus [gedaagden]\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nde vorderingen op [gedaagde 1]\n\n4.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 2] de overeenkomst heeft getekend vóór dat [gedaagde 1] eind augustus 2023 werd opgericht. De vraag is dus of [gedaagde 1] gebonden is aan de overeenkomst.\n\n4.2.. Artikel 2:203 lid 1 BW bepaalt dat uit rechtshandelingen, verricht namens een op te richten vennootschap, slechts rechten en verplichtingen voor de vennootschap ontstaan wanneer zij die rechtshandelingen na haar oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt. Alleen de vennootschap die partijen op het oog hadden bij het aangaan van de rechtshandeling is bevoegd om deze rechtshandeling te bekrachtigen.\n\n4.3.. Partijen zijn het erover eens dat van een uitdrukkelijke bekrachtiging van de overeenkomst geen sprake is geweest. De Regiebehandelaars stelt dat [gedaagde 1] de overeenkomst stilzwijgend heeft bekrachtigd door uitvoering te geven aan de overeenkomst, en dat uit e-mails blijkt dat [gedaagde 2] steeds namens [gedaagde 1] handelde. [gedaagden] betwist dat [gedaagde 1] de overeenkomst heeft bekrachtigd en voert aan dat [gedaagde 2] de overeenkomst namens zichzelf heeft getekend.\n\n [gedaagde 1] heeft de overeenkomst stilzwijgend bekrachtigd\n\n4.4.. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 1] gebonden is aan de overeenkomst omdat zij die na haar oprichting stilzwijgend heeft bekrachtigd. [gedaagde 2] heeft zowel voor als na de oprichting verwezen naar overleg met de andere bestuurders van [gedaagde 1] over de overeenkomst en het al dan niet accepteren van kandidaten (zie onder 2.3 en 2.10). Dat wijst erop dat niet [gedaagde 2] persoonlijk de ‘opdrachtgever’ was uit de overeenkomst, maar [gedaagde 1]. Uit de mail van 4 oktober 2023 blijkt immers dat het bestuur van [gedaagde 1] – kennelijk – de bevoegdheid had om kandidaten van De Regiebehandelaars af te wijzen, en niet alleen [gedaagde 2]. Bovendien volgt uit de overeenkomst en de e-mail genoemd onder 2.7 dat de kandidaten die De Regiebehandelaars had geworven in dienst zouden treden bij (of in opdracht zouden werken voor) [gedaagde 1], zodat De Regiebehandelaars ervan uit mocht gaan [gedaagde 1] ook de opdrachtgever was voor de werving en selectie van die kandidaten. Tot slot heeft [gedaagde 2] in zijn onder 2.14 genoemde e-mail namens [gedaagde 1] geschreven dat de vennootschap – en niet hijzelf – geen middelen had om de fee te voldoen.\n\n4.5.. Verder was [gedaagde 1] de vennootschap die partijen op het oog hadden bij het aangaan van de overeenkomst. [gedaagde 2] heeft de e-mail waarin hij de vacatureteksten heeft verstuurd namelijk ondertekend met ‘[gedaagde 2] , Bestuurder [gedaagde 1]’, een naam die sterk lijkt op de statutaire naam van het (later opgerichte) [gedaagde 1]. Ook staat in de vacatureteksten zelf dat het gaat om een baan in een nieuwe [gedaagde 1]-instelling die gespecialiseerd is in psychiatrie- en verslavingsproblematiek, wat overeenkomt met de activiteiten die [gedaagde 1] uitvoert. Tot slot heeft ook de e-mail waarmee [gedaagde 2] de getekende versie van de overeenkomst stuurde als onderwerp ‘[gedaagde 1] [gedaagde 2]’.\n\n4.6.. Uit het voorgaande blijkt dat [gedaagde 2] de overeenkomst namens [gedaagde 1] heeft gesloten en [gedaagde 1] de overeenkomst daarna stilzwijgend heeft bekrachtigd, zodat zij daaraan gebonden is. Hierna wordt beoordeeld of er ook een betalingsverplichting voor [gedaagde 1] volgt uit de overeenkomst.\n\n [gedaagde 1] moet de fee betalen met rente en kosten\n\n4.7.. Niet in geschil is dat [gedaagde 1] en [naam] op 29 december 2023 een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan en dat dit binnen de in artikel 7.2 van de overeenkomst genoemde termijn van 18 maanden valt. Dat betekent in beginsel dat [gedaagde 1] de fee moet betalen aan De Regiebehandelaars.\n\n4.8.. \n [gedaagden] voert nog aan dat de aanstelling van [naam] niet leidt tot een fee, omdat er onvoldoende verband is tussen de introductie van [naam] en de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. Dat verweer gaat niet op, omdat de overeenkomst een dergelijk (causaal) verband niet vereist. Voor de verschuldigdheid van de fee is immers alleen vereist dat een afgewezen kandidaat binnen 18 maanden alsnog in dienst treedt bij de opdrachtgever, wat hier is gebeurd.\n\n4.9.. \n [gedaagden] voert verder aan dat De Regiebehandelaars weinig heeft bijgedragen aan de arbeidsovereenkomst, zodat de betaling van de (volledige) fee naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De kantonrechter gaat hier niet in mee. De Regiebehandelaars heeft ter zitting voldoende toegelicht dat er (veel) werk zit in de werving en selectie van kandidaten. Als een in eerste instantie afgewezen kandidaat alsnog binnen 5 maanden aangenomen blijkt te zijn, is het dan ook niet onredelijk dat De Regiebehandelaars voor dat werk een vergoeding wil. Exclusiviteitsbedingen als artikel 7.2 zijn dan ook niet ongebruikelijk bij werving- en selectiebureaus en [gedaagde 2] is bovendien gewaarschuwd om niet buiten De Regiebehandelaars om zaken te doen met kandidaten. Onder die omstandigheden is betaling van de fee naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.\n\n4.10.. Het voorgaande betekent dat op [gedaagde 1] onverkort de verplichting rust om de fee te betalen aan De Regiebehandelaars. De kantonrechter gaat voorbij aan de betwisting van de hoogte van de factuur, nu De Regiebehandelaars heeft onderbouwd dat de hoogte van de factuur overeenkomt met driemaal het salaris van [naam] conform de destijds geldende cao GGZ, en [gedaagden] daar niets tegenover heeft gesteld. Daarom wordt een bedrag van € 17.369,55 toegewezen.\n\nwettelijke handelsrente\n\n4.11.. De gevorderde wettelijke handelsrente van € 253,24 zal worden toegewezen. [gedaagde 1] heeft de factuur namelijk niet binnen de vervaltermijn betaald en is daarom in verzuim geraakt.\n\nbuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.12.. De Regiebehandelaars vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De Regiebehandelaars heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De Regiebehandelaars heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 948,70 worden toegewezen.\n\nde vorderingen op [gedaagde 2]\n\n4.13.. De Regiehandelaars houdt (ook) [gedaagde 2] aansprakelijk voor betaling van de factuur, op grond van artikel 2:203 lid 2 en 3 BW en artikel 6:162 BW. De vorderingen tegenover [gedaagde 2] zullen worden afgewezen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.\n\n [gedaagde 2] is niet aansprakelijk op grond van artikel 2:203 lid 2 BW\n\n4.14.. Artikel 2:203 lid 2 BW bepaalt dat degene die een rechtshandeling namens een op te richten vennootschap verricht daaraan is verbonden, totdat de vennootschap na haar oprichting de rechtshandeling heeft bekrachtigd. Nu in het voorgaande is geoordeeld dat [gedaagde 1] de overeenkomst heeft bekrachtigd, betekent dit het einde van de persoonlijke verbondenheid van [gedaagde 2] aan de overeenkomst. Hij hoeft de overeenkomst dus niet na te komen.\n\n [gedaagde 2] is niet aansprakelijk op grond van artikel 2:203 lid 3 BW of artikel 6:162 BW\n\n4.15.. De Regiebehandelaars stelt dat [gedaagde 2] op het moment dat hij de arbeidsovereenkomst met [naam] ondertekende, wist dat [gedaagde 1] haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en daarom aansprakelijk is op grond van artikel 2:203 lid 3 BW. Bovendien is sprake van verhaalsfrustratie omdat [gedaagde 2] bewust betaling heeft achtergehouden, zodat hij ook op grond van 6:162 BW aansprakelijk is, aldus De Regiebehandelaars.\n\n4.16.. De kantonrechter stelt voorop dat indien de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt, de bestuurder of degene die namens de op te richten vennootschap handelde aansprakelijk kan zijn voor de schade die een derde daardoor lijdt. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:203 lid 3 BW is vereist dat degene die handelde namens de vennootschap wist of redelijkerwijs kon weten dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van verhaalsfrustratie is vereist dat de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.\n\n4.17.. De Regiebehandelaars heeft voor beide vormen van aansprakelijkheid onvoldoende feiten aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] tijdens het sluiten van de overeenkomst of het aangaan van de arbeidsovereenkomst geen middelen had. De e-mail van [gedaagde 2] genoemd onder 2.14 is daarbij niet relevant, omdat die pas op 17 oktober 2025 is verstuurd. Ook is het enkele feit dat [gedaagde 2] de factuur niet heeft betaald onvoldoende voor verhaalsfrustratie.\n\n4.18.. Nu [gedaagde 2] niet gebonden is aan de overeenkomst en niet persoonlijk aansprakelijk is tegenover De Regiebehandelaars, hoeft hij de factuur niet te betalen. De vorderingen op [gedaagde 2] worden dus afgewezen.\n\nproceskosten\n\n4.19.. \n [gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom hoofdelijk de proceskosten van De Regiebehandelaars betalen. De proceskosten van De Regiebehandelaars worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n244,18\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1.504,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n864,00\n\n(2 punten × € 432,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.756,18\n\nhoofdelijkheid\n\n4.20.. De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan De Regiebehandelaars te betalen een bedrag van € 17.622,79,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan De Regiebehandelaars te betalen een bedrag van € 948,70 aan buitengerechtelijke kosten,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.756,18, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, kantonrechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6589","2026-07-13T00:29:27.658Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":64,"updatedAt":98},"1524","ECLI:NL:RBAMS:2026:6574","ecli-nl-rbams-2026-6574","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F780127 \u002F HA ZA 25-1810\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nJT INTERNATIONAL COMPANY NETHERLANDS B.V.,\n\nte Amstelveen,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: JT International,\n\nadvocaat: mr. I.A. van Rooij,\n\ntegen\n\n [gedaagde] h.o.d.n. [bedrijf],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. S.J. de Vries.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 11 maart 2026;\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en in het dossier zijn gevoegd.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 20 november 2024 zijn JT International en [gedaagde] een overeenkomst aangegaan voor de koop en levering van tabakswaren. Bijlage D van die overeenkomst zijn de toepasselijke algemene voorwaarden van JT International (hierna: de Algemene Voorwaarden).\n\n2.2.. In de Algemene Voorwaarden is, voor zover relevant, bepaald:\n\n“6.4. Betaling dient te geschieden binnen acht dagen (8) na factuurdatum op door JTI aangegeven wijze. Bij overschrijding van de betalingstermijn of onjuiste betaling is Afnemer steeds onmiddellijk in verzuim en een vertragingsrente van 2% per maand verschuldigd, waarbij elk gedeelte van een maand als gehele maand wordt gerekend.\n\n(…)6.6.. Indien JTI genoodzaakt is om haar vorderingen op Afnemer te incasseren omdat Afnemer in de nakoming van deze verplichting in gebreke blijft, dan is Afnemer tevens, naast de schadevergoeding op grond van de wet en overeenkomst, een boete verschuldigd van 15% van het openstaande factuurbedrag te vermeerderen met eventuele overige heffingen en de reeds vervallen vertragingsrente. De Afnemer is gehouden om JTI zowel de buitengerechtelijke incassokosten te vergoeden als de kosten van juridische bijstand die JTI daadwerkelijk heeft gemaakt in de incassoprocedure.”\n\n2.3.. In januari en februari 2025 heeft [gedaagde] meerdere malen tabaksgoederen bij JT International besteld, die door JT International aan [gedaagde] zijn geleverd.\n\n2.4.. Op 22 januari 2025 heeft JT International aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 15.646,56, met als vervaldatum 30 januari 2025.\n\n2.5.. Op 29 januari 2025 heeft JT International aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 5.859,17, met als vervaldatum 6 februari 2025.\n\n2.6.. Op 5 februari 2025 heeft JT International aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 8.840,88, met als vervaldatum 13 februari 2025.\n\n2.7.. Op 4 maart 2025 heeft er een overval plaatsgevonden in de tabakszaak van [gedaagde] in [plaats]. De tabakszaak is daarna een aantal maanden gesloten geweest, tot in oktober 2025.\n\n2.8.. Op 14 juli 2025 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van JT International een sommatiebrief gestuurd aan [gedaagde] . Op diezelfde datum heeft [gedaagde] een bedrag van € 1.714,17 aan JT International betaald.\n\n2.9.. Op 9 oktober 2025 heeft de advocaat van JT International opnieuw een sommatiebrief gestuurd aan [gedaagde] . Daarna heeft er nog correspondentie plaatsgevonden tussen [gedaagde] en de advocaat van JT International over een eventuele betalingsregeling, maar dat heeft niet geleid tot een regeling tussen partijen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. JT International vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 39.229,16 (bestaande uit € 28.632,44 aan hoofdsom, € 6.301,86 aan rente tot en met 13 november 2025 en € 4.294,86 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met rente en proceskosten.\n\n3.2.. JT International legt aan de vordering het volgende ten grondslag. JT International heeft meerdere keren goederen aan [gedaagde] geleverd in januari en februari 2025. Per saldo is [gedaagde] voor die leveringen nog een bedrag van € 28.632,44 aan JT International verschuldigd. Op grond van de Algemene Voorwaarden is [gedaagde] een rente van 2% per maand en buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van 15% van het openstaande bedrag verschuldigd.\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van JT International voor zover het gaat om de gevorderde contractuele rente en de buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van JT International in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. [gedaagde] verzoekt de rechtbank daarbij om bij toewijzing van (een deel van) de vorderingen van JT International te bepalen dat door [gedaagde] in maandelijkse termijnen van € 2.000 mag worden betaald.\n\n3.4.. \n [gedaagde] voert het volgende aan. De gevorderde contractuele rente van 2% per maand komt neer op een jaarlijkse rente van 24% per jaar. Dat is een exorbitante rente waarover partijen niet apart hebben onderhandeld. Het rentebeding dient daarom te worden vernietigd omdat het onredelijk bezwarend is dan wel buiten toepassing te blijven nu een beroep op de contractuele rente in de gegeven situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten heeft JT International niet aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt tot het gevorderde bedrag en zijn de opgegeven werkzaamheden kosten waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding in te houden. [gedaagde] vordert primair om deze integraal af te wijzen en subsidiair om deze te matigen tot het wettelijke tarief.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [gedaagde] heeft erkend dat hij het openstaande factuurbedrag van € 28.632,44 nog aan JT International moet betalen. Dat bedrag zal daarom worden toegewezen.\n\n4.2.. De vraag die resteert is of de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar zijn. De rechtbank overweegt daarover als volgt.\n\nRente\n\n4.3.. De rechtbank stelt voorop dat het partijen in beginsel vrijstaat om een bepaalde contractuele rente overeen te komen. Een te hoge rente kan, onder omstandigheden, buiten toepassing blijven omdat het onredelijk bezwarend is op grond van artikel 6:233 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) of wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 6:248 lid 2 BW.\n\n4.4.. In dit geval is van dergelijke bijzondere omstandigheden niet gebleken. Hoewel een rente van 2% per maand (gelijk aan een rente van 24% per jaar) aan de hoge kant is, is geen sprake van een dusdanig hoge rente dat deze in de gegeven omstandigheden als onredelijk bezwarend of strijdig met de redelijkheid en billijkheid is aan te merken. JT International heeft dit, anders dan in de door [gedaagde] aangehaalde uitspraak van de het gerechtshof Den Haag,ter zitting gemotiveerd betwist door aan te geven dat de handelsrente op dit moment boven de 10% per jaar ligt en een rente van 2% per maand in deze zakelijke context niet buitensporig is. [gedaagde] heeft daar onvoldoende tegenin gebracht. Aan overige omstandigheden heeft [gedaagde] slechts aangevoerd dat de overeengekomen rente is opgenomen in de Algemene Voorwaarden en dat partijen daar niet apart over hebben onderhandeld. Die omstandigheden zijn in dit geval ook niet dusdanig bijzonder of zwaarwegend dat het overeengekomen rentebeding om die reden moet worden vernietigd of buiten toepassing moet blijven. De rechtbank wijst de gevorderde rente van € 6.301,86 tot en met 13 november 2025 en de rente vanaf een dag na die datum daarom toe.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.5.. JT International vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.\n\n4.6.. De door JT International gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten komt op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst in beginsel voor toewijzing in aanmerking. In het onderhavige geval acht de rechtbank echter redenen aanwezig om deze vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 242 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te matigen, nu de gestelde werkzaamheden grotendeels zien op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding in te houden, zoals een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen, het doen van onderzoek naar verhaalsmogelijkheden en het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Niet is gebleken dat de werkelijke kosten van JT International voor de overige gestelde incassowerkzaamheden hoger zijn dan het toepasselijke tarief van het Besluit. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal dan ook gematigd worden toegewezen, en wel tot het forfaitaire tarief van € 1.061,32, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht.\n\nProceskosten\n\n4.7.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van JT International worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n123,73\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.995\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.672\n\n(2 punten × € 836)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.979,73\n\nBetaling in termijnen\n\n4.8.. \n [gedaagde] heeft de rechtbank verzocht om bij een toewijzing van de vordering(en) van JT International te bepalen dat [gedaagde] deze in termijnen mag van € 2.000 per maand aan JT International mag betalen. Of [gedaagde] de toegewezen vordering in termijnen mag betalen, is echter iets wat tussen partijen afgesproken dient te worden. De rechtbank kan dat niet bepalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan JT International te betalen een bedrag van € 34.934,30, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 2% per maand over een bedrag van € 28.632,44, met ingang van 14 november 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan JT International te betalen een bedrag van € 1.061,32 aan buitengerechtelijke incassokosten,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.979,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.F. van Schendel en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n Gerechtshof Den Haag 15 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3305.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6574","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.352Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":103,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":64,"updatedAt":105},"718","ECLI:NL:RBAMS:2026:6434","ecli-nl-rbams-2026-6434","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F787825 \u002F KG ZA 26-398 MdV\u002FKH\n\nVonnis in kort geding van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nGRAND RELOCATION B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\neisende partij bij gelijkluidende dagvaardingen van 22 mei 2026,\n\nhierna te noemen: Grand Relocation,\n\nadvocaten: mr. I.A. Hoedemaeker en mr. G.T. Poolman,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] , handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 1] ,\n\nte [plaats 1] , 2. [gedaagde 2],handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 2],\n\nte [plaats 2] , 3. [gedaagde 3], handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 3],\n\nte [plaats 3] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: gedaagden,\n\nadvocaat: mr. Y. Moszkowicz.\n\n1. De procedure\n\nTer zitting van 10 juni 2026 heeft Grand Relocation de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Namens gedaagden is verweer gevoerd. Grand Relocation heeft producties ingediend en beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen. Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag. Ter zitting waren, voor zover relevant, aanwezig:\n\nnamens Grand Relocation: [naam 1] ( [functie 1] ) en [naam 2] ( [functie 2] ) met mr. Hoedemaeker en mr. Poolman,\n\nnamens gedaagden: mr. Moszkowicz.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Grand Relocation is een onderneming die zich richt op beheersactiviteiten, exploitatie van onroerend goed, bemiddeling bij de (ver)huur van woonruimte en verwerving, restauratie en instandhouding van beschermde monumenten.\n\n2.2.. Gedaagden zijn voormalig medewerkers van Grand Relocation. [gedaagde 3] heeft er vijf jaar gewerkt, [gedaagde 1] acht jaar en [gedaagde 2] meer dan tien jaar.\n\n2.3.. De eenmanszaak van [gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 1] , is opgericht op 4 oktober 2020. De eenmanszaak van [gedaagde 3] , [handelsnaam gedaagde 3] , op 26 oktober 2023 en de eenmanszaak van [gedaagde 2] , [handelsnaam gedaagde 2] , op 1 januari 2024.\n\n2.4.. \n [gedaagde 3] is per 1 november 2024 uit dienst getreden. [gedaagde 2] is op 11 juni 2025 op staande voet ontslagen. [gedaagde 1] is op diezelfde datum op non-actief gesteld en na onderzoek is op 13 juni 2025 ook hij op staande voet ontslagen. In de ontslagbrieven aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] staat in het kort dat Grand Relocation documenten heeft aangetroffen op een aan haar toebehorende computer, waaruit zij heeft opgemaakt dat vanuit ongelieerde eenmanszaken ( [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] ) facturen zijn verzonden aan klanten van Grand Relocation, die vanuit Grand Relocation verzonden hadden moeten worden. Het zou gaan om een bedrag van ten minste € 26.266,24. In de brief aan [gedaagde 1] staat verder dat is gebleken dat zijn naam meerdere keren terugkomt in relatie tot de operaties van [handelsnaam gedaagde 3] .\n\n2.5.. Op 29 oktober 2025 stuurt Grand Relocation een brief aan gedaagden. Daarin staat samengevat dat zij zich gezamenlijk schuldig hebben gemaakt aan het wegsluizen van klanten, opdrachten en omzet van Grand Relocation naar hun eigen eenmanszaken. Zij stelt hen aansprakelijk voor de door haar geleden schade. Om de volledige schade te kunnen vaststellen verzoekt zij hun uiterlijk binnen 14 dagen verschillende stukken met betrekking tot de administratie van [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 3] en [handelsnaam gedaagde 2] te verstrekken. Tot op heden zijn de gevraagde stukken niet aangeleverd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nGrand Relocation vordert, na eiswijziging, om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:\n\nI. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, te verbieden om fysieke of digitale administratie, e-mails, chats, cloudbestanden, facturen, bankmutaties en agenda's met betrekking tot de in de dagvaarding omschreven activiteiten (waaronder in ieder geval de eenmanszaken [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] en [handelsnaam gedaagde 3] ) te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken;\n\nPrimair\n\nII. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis aan Grand Relocation afschrift te verstrekken van de navolgende 'Stukken' ten aanzien van hun eigen respectievelijke entiteiten ( [gedaagde 1] voor [handelsnaam gedaagde 1] , [gedaagde 2] voor [handelsnaam gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor [handelsnaam gedaagde 3] ):\n\na. De Excel-, CSV- en boekhoudbestanden (waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, bestanden vergelijkbaar met \" [documentnaam 1] \" en \" [documentnaam 2] \") opgemaakt of gewijzigd in de periode 1 januari 2022 (de voorzieningenrechter begrijpt: 2021, zie verderop) tot de dag van dit vonnis, waarin omzet, fee, commissie, winstverdeling, namen of initialen van gedaagden of klanten en betaalstatus zijn opgenomen;\n\nb. De bankafschriften over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis van bankrekeningen (waaronder mede begrepen Revolut-rekeningen) voor zover deze zijn gebruikt ten behoeve van de genoemde entiteiten;\n\nc. De overeenkomsten aangaande vastgoedbemiddeling of beheer die in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis zijn gesloten met derden;\n\nd. De (e-mail)correspondentie en chatberichten (waaronder WhatsApp) verzonden of ontvangen in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis met derden die tevens relatie zijn of zijn geweest van Grand Relocation;\n\ne. De aangifte inkomstenbelasting van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , en [gedaagde 3] voor zover deze betrekking hebben op [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] vanaf 1 januari 2021 tot datum heden.\n\nIII. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om, binnen voormelde termijn, een schriftelijke en gespecificeerde opgave te doen aan Grand Relocation van klanten, adressen, deals, ontvangen bedragen, gebruikte bankrekeningen, contante ontvangsten en de onderlinge winstverdeling ter zake van de omschreven werkzaamheden over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis;\n\nSubsidiair\n\nIV. ieder van de gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen tot afgifte van de onder II. genoemde Stukken ten aanzien van de ándere in deze dagvaarding genoemde entiteiten, voor zover zij daarover uit hoofde van hun samenwerking feitelijk beschikken dan wel de beschikkingsmacht hebben;\n\nMeer subsidiair\n\nV. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd (voorzien van bewijsstukken) op te geven over welke van de onder II genoemde Stukken zij wél en niet beschikken, waar deze zich bevinden en via welke (cloud\u002Fmail\u002Fboekhoud) omgevingen deze toegankelijk zijn;\n\nIn alle gevallen\n\nVI. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, met onmiddellijke ingang te verbieden om nog langer gebruik te maken van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, modellen, templates en klantgegevens van Grand Relocation, op straffe van een dwangsom;\n\nVII. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, met onmiddellijke ingang te verbieden om, met gebruikmaking van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, klantgegevens, modellen of templates afkomstig van Grand Relocation, relaties van Grand Relocation te benaderen voor het aanbieden van diensten aangaande vastgoedbemiddeling, exploitatie of -beheer, op straffe van een dwangsom;\n\nVIII. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. Grand Relocation licht haar vordering als volgt toe. Zij heeft op 10 juni 2025 op een van haar computers documenten aangetroffen. Daaruit blijkt dat gedaagden ten tijde van hun dienstverband, naar het lijkt al sinds 2021, in georganiseerd verband een schaduwonderneming hebben opgezet en die meerdere jaren hebben geëxploiteerd. Zij hebben klanten, opdrachten en omzet van Grand Relocation naar hun eigen eenmanszaken en privérekeningen weggesluisd. In de aangetroffen documenten is een taakverdeling tussen gedaagden aangetroffen, zijn facturen gezien die vanuit de verschillende eenmanszaken werden verzonden, is een overzicht gevonden van hoe de winst werd verdeeld (en grotendeels cash werd uitbetaald), en is gezien dat voor een email-account van een van de eenmanszaken een wachtwoord werd gebruikt dat bestaat uit de drie voornamen van gedaagden. Ook zijn er e-mails aangetroffen waaruit blijkt dat klanten van Grand Relocation werden doorverwezen naar [handelsnaam gedaagde 3] . Dit is in strijd met het met gedaagden overeengekomen nevenwerkzaamhedenbeding en geheimhoudingsbeding. Ook los daarvan is het handelen van gedaagden onrechtmatig. Hierdoor heeft Grand Relocation schade geleden. Om te kunnen zien om hoeveel schade het gaat en om die schade op gedaagden te kunnen verhalen in een bodemprocedure, heeft zij de opgevraagde stukken nodig. Verder zijn de vorderingen erop gericht dat het onrechtmatig handelen stopt.\n\n3.3.. Gedaagden voeren verweer. Er is geen sprake van een spoedeisend belang, nu Grand Relocation pas een jaar na het laatste contact een kort geding start. Daarnaast is artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geschonden door te stellen dat ‘tot op heden geen inhoudelijk verweer is gevoerd’, terwijl dat wel het geval was, en doordat mr. Moszkowicz niet is betrokken als advocaat van gedaagden, maar de stukken rechtstreeks aan gedaagden verzonden zijn. Ook zijn de aangetroffen documenten op de werkcomputer van [gedaagde 2] onrechtmatig verkregen, nu deze beveiligd was met een persoonlijk wachtwoord dat uitsluitend bij haar bekend was. Toegang is verkregen door dat persoonlijke account te omzeilen en vervolgens haar persoonlijke cloudopslag en zelfs privémail te openen. Daar is geen toestemming voor verleend. Dit is in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ook levert dit een strafbaar feit op in de zin van artikel 138ab, 350a Sr en 272 Wetboek van Strafrecht. Dit verkregen bewijs dient daarom buiten beschouwing te blijven. Tot slot is nakoming van de vorderingen onmogelijk, nu de door Grand Relocation gevorderde stukken niet bestaan. Grand Relocation baseert dat ook slechts op een vermoeden. Voor zover wel wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen, geldt dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 194 en 195 Rv. Ook een belangenafweging zou tot afwijzing moeten leiden.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In dit kort geding gaat het in het kort om de vraag of gedaagden gehouden zijn om de opgevraagde stukken beschikbaar te houden en over te leggen. Gedaagden hebben daartegen vooral formele bezwaren opgeworpen. Die zullen hierna eerst worden besproken, waarna een inhoudelijke beoordeling volgt.\n\n4.2.. Grand Relocation heeft haar eis gewijzigd in een door haar ter zitting deels voorgedragen pleitnota. Gedaagden hebben daartegen bezwaar gemaakt omdat wijziging van eis volgens hen per akte moet plaatsvinden. De eiswijziging wordt toegestaan, nu deze voldoet aan artikel 10.1 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken, waarin staat dat eiswijziging schriftelijk moet (en ook nog ter zitting mag worden gedaan met pen en papier, zonder dat ondertekening vereist is). Inhoudelijk worden gedaagden door de eiswijziging niet in hun belangen geschaad. Bij de beoordeling wordt daarom uitgegaan van de gewijzigde eis.\n\n4.3.. Volgens gedaagden is daarnaast geen sprake van een spoedeisend belang omdat Grand Relocation zelf pas een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomsten actie onderneemt door dit kort geding te starten. Daarin worden gedaagden niet gevolgd. Grand Relocation heeft ter zitting toegelicht dat zij in dat jaar bezig is geweest om de benodigde informatie van gedaagden te krijgen, een dossier op te bouwen en heeft geprobeerd om de kwestie zonder rechterlijke tussenkomst op te lossen. Dat zij een jaar heeft stilgezeten voordat zij actie ondernam, is dus feitelijk niet juist. Voor het overige volgt de spoedeisendheid voldoende uit de vorderingen zelf.\n\n4.4.. Verder voeren gedaagden aan dat artikel 21 Rv is geschonden, omdat hun advocaat niet (tijdig) is betrokken bij dit kort geding, terwijl duidelijk was dat mr. Moszkowicz hen bijstaat gelet op eerdere correspondentie. Dat levert geen schending op van artikel 21 Rv, maar zou hooguit kunnen resulteren in een aanhouding van de zaak om mr. Moszkowicz in de gelegenheid te stellen om zich in te lezen. Aanhouding is echter niet gevraagd. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat gedaagden zich voldoende hebben kunnen voorbereiden.\n\n4.5.. Daarnaast zijn de stukken waarop Grand Relocation haar vorderingen baseert volgens gedaagden onrechtmatig verkregen, reden waarom die volgens hen buiten beschouwing zouden moeten blijven. Deze (betwiste) stelling wordt niet gevolgd. De documenten zijn aangetroffen op een computer die eigendom is van Grand Relocation. Als het bewijs al onrechtmatig verkregen zou zijn, betekent dat in het civiele recht niet zonder meer dat de (voorzieningen)rechter dit bewijs niet aan haar oordeel ten grondslag mag leggen. Dat geldt te meer in dit geval nu uit de stukken vrij evident volgt dat gedaagden zich ten tijde van hun dienstverband hebben beziggehouden met concurrerende werkzaamheden, wat op zichzelf ook niet gemotiveerd door gedaagden wordt betwist. De stelling van gedaagden dat zij toestemming hadden, is op geen enkele manier onderbouwd en is niet geloofwaardig.\n\n4.6.. Ten aanzien van [gedaagde 2] stellen gedaagden dat geen ondertekende arbeidsovereenkomst is overgelegd waaruit blijkt dat een nevenwerkzaamhedenbeding en\u002Fof een geheimhoudingsbeding met haar is overeengekomen. Ook dat baat gedaagden niet, nu Grand Relocation haar vorderingen niet uitsluitend baseert op de stelling dat in strijd met de arbeidsovereenkomst nevenwerkzaamheden zijn verricht of bedrijfsgevoelige informatie is gebruikt, maar ook op de stelling dat gedaagden in algemene zin onrechtmatig hebben gehandeld.\n\n4.7.. Op grond van de overgelegde stukken die Grand Relocation heeft achterhaald, is voorshands aannemelijk dat gedaagden zich hebben beziggehouden met onrechtmatig concurrerende activiteiten. De stukken waarvan afgifte wordt gevorderd zijn van belang voor het in kaart brengen van de omvang daarvan en de schade die als gevolg daarvan is geleden. Dat gedaagden de stukken niet hebben, is niet aannemelijk gelet op de administratieplicht die voor de eenmanszaken geldt, en strookt overigens ook niet met hun andere stelling dat de vorderingen moeten worden afgewezen vanwege privacy-redenen. Daarbij hebben gedaagden ook niet onderbouwd welke stukken niet zouden kunnen worden overgelegd gelet op de AVG. De stukken zijn verder voldoende bepaald; van een fishing expedition zoals gedaagden stellen is geen sprake.\n\n4.8.. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Het belang van Grand Relocation bij het achterhalen van de omvang van de concurrerende werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende schade weegt zwaarder dan het belang van gedaagden om die informatie voor zichzelf te houden vanwege het feit dat dit hun persoonlijke levenssfeer in vergaande mate zou raken, zoals zij menen.\n\n4.9.. \n\nGelet op voorgaande worden de (primaire) vorderingen I tot en met III en de vorderingen VI tot en met VIII toegewezen. In haar eiswijziging heeft Grand Relocation beschreven dat in vordering II onder b, c en d en vordering III overal waar 1 januari 2022 staat, 1 januari 2021 moet worden gelezen omdat de concurrerende werkzaamheden volgens haar begonnen in 2021. Die eiswijziging heeft geen betrekking op vordering II sub a, maar dat wordt – gelet op de motivering dat de werkzaamheden in 2021 zijn gestart – als een kennelijke verschrijving gezien. Dat onderdeel van vordering II wordt daarom ook toegewezen over de periode 1 januari 2021 tot aan de dag van het vonnis.\n\nVerder wordt bij vordering II en III een termijn van vijf dagen gehanteerd. Aan de toegewezen vorderingen zal ook een dwangsom worden verbonden, nu er gelet op de houding van gedaagden niet op kan worden vertrouwd dat zij daaraan vrijwillig zullen voldoen. De gevorderde dwangsom wordt gematigd zoals hierna bij de beslissing bepaald .\n\n4.10.. Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Grand Relocation worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n388,62\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.489,62\n\n4.11.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.12.. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. verbiedt gedaagden om fysieke of digitale administratie, e-mails, chats, cloudbestanden, facturen, bankmutaties en agenda's met betrekking tot de in de dagvaarding omschreven activiteiten (waaronder in ieder geval de eenmanszaken [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] en [handelsnaam gedaagde 3] ) te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken,\n\n5.2.. \n\nveroordeelt gedaagden om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis aan Grand Relocation afschrift te verstrekken van de navolgende 'Stukken' ten aanzien van hun eigen respectievelijke entiteiten ( [gedaagde 1] voor [handelsnaam gedaagde 1] , [gedaagde 2] voor [handelsnaam gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor [handelsnaam gedaagde 3] ):\n\na. de Excel-, CSV- en boekhoudbestanden (waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, bestanden vergelijkbaar met \" [documentnaam 1] \" en \" [documentnaam 2] \") opgemaakt of gewijzigd in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis, waarin omzet, fee, commissie, winstverdeling, namen of initialen van gedaagden of klanten en betaalstatus zijn opgenomen,\n\nb. de bankafschriften over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis van bankrekeningen (waaronder mede begrepen Revolut-rekeningen) voor zover deze zijn gebruikt ten behoeve van de genoemde entiteiten,\n\nc. de overeenkomsten aangaande vastgoedbemiddeling of beheer die in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis zijn gesloten met derden,\n\nd. de (e-mail)correspondentie en chatberichten (waaronder WhatsApp) verzonden of ontvangen in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis met derden die tevens relatie zijn of zijn geweest van Grand Relocation,\n\ne. de aangifte inkomstenbelasting van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor zover deze betrekking hebben op [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] vanaf 1 januari 2021 tot datum heden,\n\n5.3.. veroordeelt gedaagden om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis, een schriftelijke en gespecificeerde opgave te doen aan Grand Relocation van klanten, adressen, deals, ontvangen bedragen, gebruikte bankrekeningen, contante ontvangsten en de onderlinge winstverdeling ter zake van de omschreven werkzaamheden over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis,\n\n5.4.. verbiedt gedaagden met onmiddellijke ingang om nog langer gebruik te maken van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, modellen, templates en klantgegevens van Grand Relocation,\n\n5.5.. verbiedt gedaagden met onmiddellijke ingang om, met gebruikmaking van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, klantgegevens, modellen of templates afkomstig van Grand Relocation, relaties van Grand Relocation te benaderen voor het aanbieden van diensten aangaande vastgoedbemiddeling, exploitatie of -beheer,\n\n5.6.. veroordeelt gedaagden om aan Grand Relocation een dwangsom te betalen van € 250 per persoon, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij\u002Fzij niet aan de veroordelingen onder 5.1 tot en met 5.5 voldoet, tot een maximum van € 50.000 per persoon is bereikt,\n\n5.7.. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 2.489,62,\n\n5.8.. veroordeelt gedaagden, als zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en het vonnis vervolgens wordt betekend, in de extra proceskosten van € 98 plus de kosten van betekening,\n\n5.9.. veroordeelt gedaagden tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en tot betaling van de wettelijke rente over € 98 plus de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening,\n\n5.10.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.11.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\nColl: EB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6434","2026-07-13T00:28:44.583Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":110,"fullText":111,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":64,"updatedAt":113},"1519","ECLI:NL:RBAMS:2026:6560","ecli-nl-rbams-2026-6560","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F776349 \u002F HA ZA 25-1542\n\nVonnis van 27 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. C.H.A. van de Wiel,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] B.V., 2. [gedaagde 2] B.V., 3. [gedaagde 3] , 4. [gedaagde 4] B.V., 5. [gedaagde 5] ,\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden] ,\n\nadvocaat: mr. T.J. van Weeren.\n\nGedaagden afzonderlijk worden hierna genoemd: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 15 september 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord, met producties,\n\n- het tussenvonnis van 14 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de akte overleggen producties van [eiser] , met producties 18 tot en met 26,\n\n- de akte overleggen producties van [gedaagden] , met producties 6 tot en met 11 en\n\n- de mondelinge behandeling van 13 april 2026 waarvan een verkort proces-verbaal is opgemaakt en waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] heeft jarenlang een koffiehuis oftewel buurtcafé geëxploiteerd in [plaats] onder de naam [bedrijf 1] .\n\n2.2.. \n [bedrijf 2] B.V. (hierna [bedrijf 2] ) is opgericht op 30 januari 2023. Voorheen heette [bedrijf 2] ‘ [bedrijf 3] B.V.’.\n\n2.3.. De bestuurder van [bedrijf 2] is [gedaagde 1] . De bestuurder van [gedaagde 1] is [gedaagde 4] en de bestuurder van [gedaagde 4] is [gedaagde 5] . [gedaagde 1] stuurt drie filialen in [plaats] aan van het Griekse restaurant concept [bedrijf 4] .\n\n2.4.. \n [gedaagde 2] is onderdeel van een groep vennootschappen van [gedaagde 3] . [gedaagde 3] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 2] . [gedaagde 2] is een van de aandeelhouders van [gedaagde 1] .\n\n2.5.. \n\n [eiser] heeft zijn onderneming verkocht aan [bedrijf 2] . In de activa\u002Fpassiva-overeenkomst van 15 februari 2023 (hierna de overeenkomst) staat dat [bedrijf 2] van [eiser] de onderneming koopt.\n\nVerder staat in de overeenkomst dat de onderneming vanaf de overnamedatum voor rekening en risico van koper wordt uitgeoefend (artikel 4).\n\nIn de overeenkomst is een koopprijs van € 75.000,00 afgesproken, waarvan € 10.000,00 op de datum van overname en € 65.000,00 in 60 maandelijkse termijnen van € 1.083,33 zou worden betaald. Ook is een jaarlijkse rente van 10% afgesproken voor het geval [bedrijf 2] niet aan haar betalingsverplichtingen zou voldoen. Tot slot bevat de overeenkomst een boetebeding van € 250,00 per dag bij niet-nakoming.\n\n2.6.. In de overeenkomst staat in de aanhef dat (de rechtsvoorgangster van) [bedrijf 2] wordt vertegenwoordigd door [gedaagde 2] en dat [gedaagde 2] wordt vertegenwoordigd door [gedaagde 3] .\n\n2.7.. Na de overname op 15 februari 2023 is [bedrijf 1] nog drie weken open gebleven. Daarna is de onderneming gesloten. Op 27 maart 2023 heeft [bedrijf 2] bij de [gemeente] een vergunning aangevraagd voor het exploiteren van een nieuw filiaal van de horeca-onderneming [bedrijf 4] . De aanvraag is op 4 juni 2024 afgewezen.\n\n2.8.. \n [bedrijf 2] heeft de overeengekomen koopsom ineens van € 10.000,00 en de maandelijkse betalingen van € 1.083,33 tot januari 2025 aan [eiser] betaald. Daarna is [bedrijf 2] gestopt met het doen van de maandelijkse betalingen.\n\n2.9.. \n [eiser] is een kort geding procedure gestart tegen [bedrijf 2] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot betaling van de openstaande termijnen, rente en boete. In een vonnis van 1 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [bedrijf 2] onder meer veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 6.499,98 aan de maandelijkse termijnen, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 10% per jaar en tot betaling van een boete van € 37.250,00. De vorderingen tegen de andere gedaagden zijn afgewezen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert - samengevat - [gedaagden] hoofdelijk en bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot het betalen van:\n\n€ 41.166,74 aan schadevergoeding wegens niet te incasseren uitgestelde koopsom;\n\n€ 54.000,00 dan wel € 37.250,00 aan schadevergoeding wegens onbetaalde en niet te incasseren contractuele boete;\n\n€ 1.506,67 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\n€ 3.641,68 aan proceskosten(veroordeling) in kort geding;\n\nde contractuele rente dan wel de wettelijke rente over de onder a en b genoemde bedragen en\n\nde proceskosten.\n\n3.2.. \n\n [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Gedaagden zijn als (in)direct, statutair dan wel feitelijk bestuurders van [bedrijf 2] op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] lijdt als gevolg van de wanprestatie van [bedrijf 2] (het niet voldoen aan de betalingsverplichtingen die [bedrijf 2] heeft tegenover [eiser] ). [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn de feitelijk bestuurders van [bedrijf 2] .\n\nDat [bedrijf 2] niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen, komt doordat zij geen omzet\u002Fwinst heeft gemaakt met het gekochte. De bestuurders hebben de beslissing genomen om niet te exploiteren. Met die beslissing hebben zij bewerkstelligd of in ieder geval toegelaten dat [bedrijf 2] haar betalingsverplichting zou schenden. Zij wisten of hadden moeten weten dat de vergunning die zij nodig hadden om een nieuw filiaal van [bedrijf 4] te openen, niet zou worden gegeven. Daarmee hebben de bestuurders zodanig onzorgvuldig jegens [eiser] gehandeld dat hen hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. [eiser] is voorafgaand aan of tijdens het sluiten van de overeenkomst niet ingelicht over het gewijzigde concept dat [bedrijf 2] voor ogen had met het gekochte.\n\n3.3.. \n [gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.4.. \n [gedaagden] voert het volgende aan. [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn niet aan te merken als (feitelijk) bestuurders van [bedrijf 2] . Daarnaast valt [gedaagden] geen persoonlijk ernstig verwijt te maken. Bij het sluiten van de overeenkomst verkeerde [bedrijf 2] in financieel gezonde toestand en waren er geen aanwijzingen dat zij in de toekomst haar verplichtingen jegens [eiser] niet zou kunnen nakomen. [bedrijf 2] heeft een jaar en negen maanden aan haar betalingsverplichting voldaan. Verder heeft zij direct na de overname een vergunning aangevraagd voor het kunnen openen van een vierde filiaal van [bedrijf 4] . Er waren geen aanwijzingen dat de vergunning niet zou worden verleend. Vanaf de aanvang was ook bij [eiser] bekend dat [bedrijf 2] een ander concept voor ogen had. [bedrijf 2] had niet de verplichting om de koffiezaak zoals die was voort te zetten, op grond van de overeenkomst. Verder is geen sprake van verhaalsfrustratie of onrechtmatige onttrekkingen. De ondernemersbeslissingen en daarbij behorende risico’s van [bedrijf 2] zijn niet dusdanig dat de bestuurders daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\ntoetsingskader\n\n4.1.. Een door een bestuurder van een rechtspersoon (in dit geval [bedrijf 2] ) in naam van de rechtspersoon verrichte rechtshandeling, treft in haar gevolgen de rechtspersoon. Als een rechtspersoon tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen, is het uitgangspunt dat alleen die rechtspersoon kan worden aangesproken voor de schade die daaruit voortvloeit. Onder bijzondere omstandigheden kunnen ook (middellijk of feitelijk) bestuurders aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), maar die lat ligt hoog. Daarvoor is vereist dat die bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n4.2.. Van een ernstig verwijt kan sprake zijn als de bestuurder namens de rechtspersoon verplichtingen is aangegaan en wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon daaraan niet zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (Beklamel-norm).\n\n4.3.. Van een ernstig verwijt kan ook sprake zijn als de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon haar verplichtingen niet nakomt. De bestuurder is dan aansprakelijk als hij wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de rechtspersoon ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (Ontvanger\u002F [naam] ).\n\ngeen bestuurdersaansprakelijkheid\n\n4.4.. \n [bedrijf 2] is haar verplichtingen jegens [eiser] niet nagekomen. [bedrijf 2] is gestopt met het betalen van de maandelijkse vergoeding en zij heeft ook niet voldaan aan de veroordeling in het kort geding vonnis. Hierna zal blijken dat de aangevoerde verwijten geen grond opleveren voor aansprakelijkheid van de bestuurders. Gelet daarop zal de rechtbank niet beoordelen of [gedaagde 3] en [gedaagde 2] in feite bestuurders van [bedrijf 2] zijn, zoals [eiser] stelt. Ook in het geval dat die vraag bevestigend zou worden beantwoord, kunnen [gedaagde 3] en [gedaagde 2] niet worden aangesproken tot het vergoeden van de schade die [eiser] heeft door de tekortkoming van [bedrijf 2] . Voor zover [eiser] betoogt dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] ook kopers zijn van de onderneming en dat zij in die hoedanigheid aansprakelijk zijn, gaat die stelling niet op. [eiser] heeft met [bedrijf 2] de overeenkomst gesloten en in de overeenkomst is [bedrijf 2] als de koper gedefinieerd. Uit de overeenkomst blijkt duidelijk dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] enkel als vertegenwoordigers van [bedrijf 2] zijn opgetreden.\n\n4.5.. \n [gedaagden] kan niet aansprakelijk worden gehouden voor het aangaan van de overeenkomst. [eiser] heeft onvoldoende feiten gesteld voor de conclusie dat [gedaagden] op het moment van het sluiten van de overeenkomst wist of in redelijkheid had moeten begrijpen dat [bedrijf 2] haar verplichtingen uit die overeenkomst niet zou nakomen. Daaraan staat in de eerste plaats in de weg dat [bedrijf 2] gedurende een langere periode heeft voldaan aan haar verplichting om [eiser] te betalen. [bedrijf 2] heeft op de overnamedatum € 10.000,00 betaald en gedurende een jaar en negen maanden de maandelijkse vergoedingen overgemaakt. Op het moment dat [bedrijf 2] de overeenkomst sloot, kon zij aan haar verplichtingen voldoen en dat heeft zij toen ook gedaan. Verder is van belang dat niet is gebleken dat - toen de overeenkomst werd gesloten - het aanvragen van de voor het kunnen exploiteren van een restaurant benodigde horeca 3 vergunning zo weinig kans had dat voorzienbaar was dat [bedrijf 2] op enig moment zou stoppen met het betalen van de maandelijkse termijnen. Volgens [eiser] was het exploiteren van een restaurant in strijd met het bestemmingsplan, maar mede gelet op het feit dat ook [eiser] over een horecavergunning beschikte (een horeca 1 vergunning), heeft [eiser] niet nader toegelicht waarom de vergunningsaanvraag zou worden afgewezen en dat [gedaagden] dat moest weten. Dat verder de ruimte ongeschikt zou zijn voor het exploiteren van een restaurant, heeft [eiser] tegenover het verweer van [gedaagden] dat in de ruimte eten kon worden gemaakt en dat daarvoor apparatuur aanwezig was, ook niet concreet gemaakt. [eiser] heeft onvoldoende informatie gegeven om vast te stellen dat [gedaagden] een dusdanig groot risico heeft genomen dat [gedaagden] daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n4.6.. Evenmin is gebleken van frustratie van verhaal en betaling. [bedrijf 2] heeft kort na de overname in februari 2023, namelijk op 27 maart 2023, de vergunningen aangevraagd voor het exploiteren van een restaurant. Dat heeft [bedrijf 2] gedaan om een nieuw filiaal van [bedrijf 4] te openen en daarmee de middelen te genereren om de betalingen aan [eiser] te kunnen doen. Niet kan worden vastgesteld dat de bestuurders hebben bewerkstelligd of toegelaten dat [bedrijf 2] geen verhaal zou bieden. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [eiser] niet laten zien dat het aanvragen van de vergunningen onvoldoende kans van slagen had. Verder is hierbij van belang dat anders dan [eiser] stelt, uit de overeenkomst niet een verplichting voor [bedrijf 2] volgt om de exploitatie van het koffiehuis voort te zetten. In de overeenkomst staat niets over het gebruik en de bestemming van het gekochte na de overnamedatum. In artikel 4 van de overeenkomst staat dat de onderneming vanaf de overnamedatum ‘voor rekening en risico van koper wordt uitgeoefend’. Anders dan [eiser] betoogt, kan uit het woord ‘uitgeoefend’ niet worden opgemaakt dat de onderneming moest worden voortgezet als koffiehuis. [bedrijf 2] mocht een ander concept exploiteren. Of en in hoeverre [eiser] voorafgaand aan of bij het sluiten van de overeenkomst wist dat [bedrijf 2] niet het koffiehuis wilde behouden, maar een nieuw filiaal van het restaurant [bedrijf 4] wilde starten, is dan ook niet relevant.\n\nslotsom en proceskosten\n\n4.7.. Dit leidt tot de slotsom dat de vorderingen worden afgewezen.\n\n4.8.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.861,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n4.102,00\n\n(2 punten × € 2.051,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n11.152,00\n\n4.9.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst de vorderingen af,\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en\n\n5.4.. verklaart de kostenveroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6560","2026-07-13T00:29:25.150Z",{"id":115,"ecli":116,"slug":117,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":118,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":119,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":64,"updatedAt":120},"1518","ECLI:NL:RBAMS:2026:6559","ecli-nl-rbams-2026-6559","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370 en C\u002F13\u002F778508 \u002F HA ZA 25-1688 (gevoegd)\n\nVonnis van 29 april 2026\n\nin de zaken van\n\n [eiser] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats 1],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. I. Soetens,\n\ntegen\n\n [gedaagde] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats 2],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nadvocaat: mr. A. Das Gupta.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure in C\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370 blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 4 juli 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord, met producties,\n\n- het tussenvonnis van 26 november 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald en\n\n- de mondelinge behandeling van 12 maart 2026 en de in het proces-verbaal genoemde stukken.\n\n1.2.. Het verloop van de procedure in C\u002F13\u002F778508 \u002F HA ZA 25-1688 blijkt uit:\n\n- het vonnis in het incident van 21 januari 2026 waarin deze procedure is gevoegd met de zaak met zaak- en rolnummer C\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370,\n\n- het tussenvonnis van 21 januari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald en\n\n- de mondelinge behandeling van 12 maart 2026 en de in het proces-verbaal genoemde stukken.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald in beide zaken.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde] was voorheen via [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. indirect aandeelhouder van twee derde deel van de aandelen in [bedrijf 3] B.V. ([bedrijf 3]). Bestuurder van [gedaagde] is de heer [naam 1] ([naam 1]). Een deel van de aandelen in [bedrijf 2] werd ook gehouden door Vermes B.V. (Vermes).2.2.. In 2018 heeft de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]) [naam 1] gewezen op de verwerving van vijf online spellen en daartoe heeft [naam 1] (via [gedaagde]) [bedrijf 3] overgenomen. [bedrijf 3] is actief in de branche van online spellen en casino’s.\n\n2.3.. Bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser] is mevrouw [naam 3]. [naam 2] (de echtgenoot van [naam 3]) heeft als consultant (via [eiser]) en als werknemer inkomsten gegenereerd bij [bedrijf 3], na de overname van [bedrijf 3] door [gedaagde].\n\n2.4.. Op 26 juli 2024 hebben [bedrijf 2] en [bedrijf 1] (samen met andere verkopers) hun aandelen in [bedrijf 3] verkocht aan de Japanse onderneming SegaSammy. Op die dag zijn [bedrijf 2] en SegaSammy ook een earn-out agreementaangegaan.\n\n2.5.. \n\nDe adviseurs van [eiser] en [gedaagde] zijn daarna met elkaar in overleg getreden over de afwikkeling van de relatie tussen [eiser] en [gedaagde]. [eiser] is vertegenwoordigd door adviseur [naam 4] ([naam 4]) van Strava Advies B.V. en [gedaagde] door adviseur\n\n [naam 5] ([naam 5]) van BDO Nederland. De achtergrond van deze gesprekken was onder meer dat [eiser] zou gaan meedelen in een deel van de opbrengst van de verkoop van de aandelen in [bedrijf 3].\n\n2.6.. Op 27 augustus 2024 heeft [naam 5] namens [gedaagde] aan [naam 4] onder meer gemaild dat bij de door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus uit de verkoopopbrengst van de [bedrijf 3] aandelen ook de nabetaling vanuit de escrowwordt gedeeld.\n\n2.7.. \n\nOnder bemiddeling van advocaat mr. L.V. Claassens (Claassens) hebben de adviseurs van [eiser] en [gedaagde] op 28 oktober 2024 met elkaar gesproken. Op 29 oktober 2024 heeft Claassens een gespreksverslag opgesteld. Dat verslag is per e-mail gestuurd naar [naam 4] en [naam 5]. In het verslag staat onder meer:\n\n“(…)\n\nGisteren hebben jullie opnieuw bij mij op kantoor met elkaar gesproken. Daarbij zijn de punten besproken die partijen verdeeld houden, voor zover nog aanwezig.\n\nOnder voorbehoud van goedkeuring van de (rechts)personen die jullie vertegenwoordigen, zijn de navolgende afspraken gemaakt. Op bepaalde onderdelen dient nog nadere uitwerking plaats te vinden. Dat zal in principe gebeuren in onderling overleg tussen [naam 4] [[naam 4]] en [naam 5] [[naam 5]].\n\nZij zullen eveneens de inhoud van de concept incentive-overeenkomst nader met elkaar afstemmen en, voor zover aan de orde, aanpassen. (…)\n\nDe afspraken op hoofdlijnen luiden als volgt:\n\nIncentive\n\n(…)\n\nVoor de goede orde wordt opgemerkt dat een gedeelte van de verkoopopbrengst in escrow zal blijven. (…) De incentive zal tevens worden berekend over het bedrag dat vrijvalt uit de escrow. Betaling zal plaatsvinden, eerst nadat de escrow tot uitkering is gekomen.\n\n(…)\n\nVerrekening bedrag ad € 135.000,00\n\nIndien overdracht van de aandelen [bedrijf 3] aan SammySega plaatsvindt op basis van de condities van de getekende SPA en [eiser] in aanmerking komt voor de incentive, kan er door [gedaagde] een bedrag ad € 135.000,00 verrekend worden met het incentive-bedrag, althans daarop in mindering worden gebracht. Anders gezegd, dit gedeelte van de incentive wordt betaald middels verrekening, zodat er effectief een bedrag ad € 135.000,00 minder aan [eiser] wordt overgemaakt.\n\n(…)\n\nBij deze het verzoek aan [naam 4] en [naam 5] om per email aan elkaar te bevestigen dat de familie [naam 2] en [naam 6] akkoord zijn met de afspraken zoals in deze mail zijn weergegeven.\n\n(…)”\n\n2.8.. \n [naam 4] heeft dezelfde dag aan Claassens en [naam 5] geschreven dat zijn achterban ([eiser]) akkoord is en [naam 5] namens [gedaagde] later die dag aan Claassens en [naam 4] ‘Bij deze ook mijn akkoord’.\n\n2.9.. Daarna hebben de adviseurs van partijen met elkaar contact gehad over de nog te sluiten incentive overeenkomst.\n\n2.10.. \n\nIn dit kader heeft [naam 4] (namens [eiser]) op 11 november 2024 aan [naam 5] ([gedaagde]) onder meer geschreven:\n\n“(…)\n\nBerekening incentive\n\nOp basis van alle correspondentie over en weer kom ik tot de volgende formule voor de berekening van de incentive:\n\n1\u002F3e maal het eigen vermogen van [bedrijf 2] [[bedrijf 2]] zoals dat zal luiden direct na closing\n\nVerminderd met 1\u002F3e deel van het in RBH gestorte aandelenkapitaal van €.300,==\n\nVermeerderd met 1\u002F3e van de eventueel door [bedrijf 2] vanaf datum oprichting tot aan het moment van closing uitgekeerde dividenden\n\nVermeerderd met €.402.933,==\n\nVermeerderd met 21% BTW\n\nMet de op basis van bovenstaande uitgangspunten berekende factuur worden vervolgens verrekend de lening van €.1.425.316,48 alsmede de lening van €.402.933,==\n\nGraag akkoord bij deze berekening zodat ik de incentive-overeenkomst kan finaliseren.\n\n(…)”\n\n2.11.. \n\n [gedaagde] en [eiser] hebben op 13 november 2024 een incentive overeenkomst gesloten waarin onder meer staat:\n\n “(…)\n\nOVERWEGINGEN:\n\nA. [gedaagde] is middellijk houder van het merendeel van de aandelen in het\n\n aandelenkapitaal van [bedrijf 3] BV (“[bedrijf 3]”).\n\n(…)\n\nI. Medio 2024 is er met één van die partijen, het Japanse SegaSammy een koopovereenkomst (…) tot stand gekomen over de verkoop en levering van (100% van de aandelen in het aandelenkapitaal van) [bedrijf 3] aan SegaSammy (de ‘Transactie’).\n\n(…)\n\nK. [eiser] is geen aandeelhouder van [bedrijf 3]. Zij kan derhalve geen enkel (financieel) recht ontlenen aan de verkoop van [bedrijf 3].\n\nL. [gedaagde] is van mening dat [eiser] in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het succes van [bedrijf 3]. Zij is niet alleen degene geweest die [gedaagde] destijds heeft gewezen op de zakelijke opportunity om [bedrijf 3] over te nemen, maar [eiser] heeft ook haar bijdrage geleverd aan de groei en ontwikkeling van de onderneming, welke er mede toe heeft geleid dat [bedrijf 3] (met winst) is verkocht aan SegaSammy. Zonder [eiser] zou dit waarschijnlijk niet hebben kunnen plaatsvinden.\n\nM. [gedaagde], althans haar middellijk aandeelhouder de heer [naam 1], voelt zich om die reden moreel verplicht om [eiser] financieel te laten meeprofiteren van het behaalde succes in de vorm van toekenning van een eenmalige bonus, een incentive (…) aan [eiser], uiteraard mits de Transactie daadwerkelijk wordt geeffectueerd.\n\n(…)\n\nPARTIJEN ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:\n\n1. Incentive1.1.. Onder de voorwaarde dat de Transactie wordt geëffectueerd en de verkoopopbrengst door [gedaagde], althans een vennootschap waarvan [gedaagde] (middellijk) aandeelhouder of gelieerde is, is ontvangen, heeft [eiser] recht op een eenmalige Incentive, te betalen door [gedaagde] aan [eiser].1.2.. De hoogte van de Incentive bedraagt 33,33% van het eigen vermogen van [bedrijf 2] B.V. zoals dat zal luiden direct na afronding en ontvangst\u002Fbetaling van de koopsom betreffende de Transactie, verminderd met één derde deel van het in [bedrijf 2] B.V. gestorte aandelenkapitaal ten bedrage van € 300,== en vermeerderd met één derde deel van eventuele dividenden vastgesteld vanaf datum oprichting van [bedrijf 2] B.V. tot en met de dag van ontvangst\u002Fbetaling van de koopsom betreffende de Transactie. De op basis van de voorgaande volzin berekende Incentive zal worden vermeerderd met € 402.933,==, het totaalbedrag vervolgens te vermeerderen met BTW.1.3.. \n\n [gedaagde] zal binnen 2 werkdagen nadat de Transactie is afgerond en de verkoopopbrengst door [bedrijf 2] B.V. is ontvangen, [eiser] hierover per email informeren. [gedaagde] zal binnen 7 werkdagen na afronding van de Transactie de tussentijdse balansen laten opstellen van [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. Dan zullen binnen 7 werkdagen na het opstellen van de tussentijdse balansen via buitengewone aandeelhoudersvergaderingen van [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. dividendbesluiten worden genomen voor het volledig uitkeerbare bedrag (…). Het Incentive bedrag, zulks vergezeld van de balans van [bedrijf 2] B.V. per datum van de closing (de Transactie), zal binnen 2 werkdagen nadat het dividend is vastgesteld worden uitbetaald op door [gedaagde] te ontvangen factuur (…).\n\n(…)1.5 (…). \n\n(…) Indien aan deze voorwaarden is voldaan, zal [gedaagde] het resterende factuurbedrag\n\nuiterlijk binnen twee werkdagen voldoen aan [eiser], zonder enige vorm van verrekening of anderszins een achterhouding van gelden.\n\n (…)1.7. \n\nEen eventuele betaling aan [gedaagde], althans een vennootschap waarvan zij (middellijk)\n\n aandeelhouder of gelieerde is, uit hoofde van een met SegaSammy overeengekomen\n\n earn-out-regeling komt volledig aan [gedaagde] toe. [eiser], incl. haar bestuurder en\n\n medewerkers, is daartoe op geen enkele wijze gerechtigd.\n\n (…)”\n\n2.12.. Op 25 april 2025 zijn de aandelen in het aandelenkapitaal van [bedrijf 3] overgedragen aan SegaSammy.\n\n2.13.. \n\nOp 6 mei 2025 heeft [naam 5] namens [gedaagde] een document genaamd afwikkeling incentive overeenkomst(hierna: de afwikkelovereenkomst) gestuurd aan [naam 4] ([eiser]).\n\nIn de begeleidende e-mail schrijft [naam 5] onder meer:\n\n“(…) Ik heb Lars [Claassens] gevraagd ons te berichten over het bedrag van € 135.000. Deze heb ik er nu in gelaten (is afgetrokken van incentive). (…)”\n\n2.14.. \n [eiser] heeft de afwikkelovereenkomst niet voor akkoord getekend. In de voorgestelde afwikkelovereenkomst staat onder meer dat [eiser] bij het vrijvallen van de escrowgerechtigd is tot een additioneleincentive, zijnde 1\u002F3e deel van het werkelijk ontvangen bedrag.\n\n2.15.. \n [eiser] heeft op 21 mei 2025 een factuur gestuurd aan [gedaagde], voor een bedrag van € 11.824.968,00. [gedaagde] heeft daarna in deelbetalingen totaal € 11.705.422 aan [eiser] voldaan.\n\n2.16.. \n\nOver de aandelentransactie zijn geschillen ontstaan. Uiteindelijk hebben [bedrijf 2], SegaSammy, [gedaagde], [naam 1] en [bedrijf 3] een Termination and Settlement Agreement(Vaststellingsovereenkomst) gesloten op 22 juli 2025, ter beslechting van de geschillen. In artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst staat, voor zover van belang:\n\n“(…) In full and final settlement of the Dispute and subject to the termination of the EOA in accordance with Clause 3, the Parties hereby agree that SSC [SegaSammy] shall pay to [bedrijf 2] a fixed amount of EUR 5,000,000 (…) (the Settlement Amount), (…) however subject to the terms and conditions of this Agreement. The Settlement Amount shall qualify as a deferred purchase price payment under the SPA payable by SSC to [bedrijf 2] for the Shares (as defined in the SPA) sold and transferred by [bedrijf 2] to SCC. (…)”\n\n2.17.. \n [eiser] heeft na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter ten laste van [gedaagde] beslag gelegd onder ING Bank, de Belastingdienst en [bedrijf 3].\n\n3. Het geschil\n\nC\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert - samengevat - om [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot het betalen van:\n\nI. € 119.546,00, te vermeerderen met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 18 juni 2025 dan wel 26 juni 2025 dan wel vanaf 4 juli 2025;\n\nII. de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.970,46, te vermeerderen met wettelijke rente;\n\nIII. de beslagkosten, te vermeerderen met wettelijke rente en\n\nIV. de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen en (uitvoerbaar bij voorraad) het opheffen van de door [eiser] ten laste van [gedaagde] gelegde beslagen met veroordeling van [eiser] in de volledige proceskosten van [gedaagde].\n\nC\u002F13\u002F778508 \u002F HA ZA 25-1688\n\n3.3.. \n\n [eiser] vordert - samengevat - na vermeerdering van eis om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] te veroordelen:\n\nten aanzien van de nabetaling op de koopprijs\n\nprimair\n\nI. aan [eiser] € 1.666.667,00 te voldoen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 4 augustus 2015, dan wel 11 augustus 2025 dan wel 4 september 2025;\n\nsubsidiair\n\nII. tot het verrichten van al die (rechts)handelingen die op grond van de incentive overeenkomst redelijkerwijs noodzakelijk zijn om hetgeen [gedaagde] aan [eiser] verschuldigd is op grond van de nabetaling op de koopprijs van € 5.000.000,00 voldaan te krijgen, waaronder onder meer:\n\ni. het met onderbouwing inzichtelijk maken welk bedrag door [eiser] te factureren is binnen veertien dagen na het vonnis;\n\nii. het binnen de overeengekomen betaaltermijn na ontvangst van de factuur van [eiser] voldoen van het door [eiser] aan [gedaagde] gefactureerde bedrag, welk bedrag wordt vermeerderd met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 4 augustus 2025, dan wel 11 augustus 2025 dan wel 4 september 2025;\n\nbij gebreke waarvan [gedaagde] aan [eiser] een dwangsom is verschuldigd van € 100.000,00 te vermeerderen met € 20.000,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft;\n\nten aanzien van de escrow\n\nIII. tot het verrichten van al die (rechts)handelingen die op grond van de incentive overeenkomst redelijkerwijs noodzakelijk zijn om hetgeen [gedaagde] aan [eiser] verschuldigd is op grond van de nabetaling op de koopprijs van de escrowvoldaan te krijgen, waaronder onder meer:\n\niii. het met onderbouwing inzichtelijk maken welk bedrag door [eiser] te factureren is binnen veertien dagen na het vonnis;\n\niv. het binnen de overeengekomen betaaltermijn na ontvangst van de factuur van [eiser] voldoen van het door [eiser] aan [gedaagde] gefactureerde bedrag, welk bedrag wordt vermeerderd met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 19 december 2025 dan wel 4 september 2025;\n\nbij gebreke waarvan [gedaagde] aan [eiser] een dwangsom is verschuldigd van € 100.000,00 te vermeerderen met € 20.000,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft;\n\nIV. tot het voldoen van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.675,00, te vermeerderen met wettelijke rente;\n\nV. om aan [eiser] de beslagkosten te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente en\n\nVI. om aan [eiser] de proceskosten te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.4.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen en (uitvoerbaar bij voorraad) het opheffen van de door [eiser] ten laste van [gedaagde] gelegde beslagen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] (tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat in deze procedure niet om een volledige proceskostenveroordeling wordt gevraagd). Ook verzoekt [gedaagde] om een eventuele veroordeling van haar niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVooraf in beide zaken\n\n4.1.. \n\nPartijen hebben met elkaar afspraken gemaakt over een door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus na de overdracht van de aandelen in [bedrijf 3] aan SegaSammy. De achtergrond van die afspraken is kort gezegd dat de heer [naam 2] (via [eiser]) een rol heeft gehad in het succes en de groei van [bedrijf 3]. [gedaagde] (haar bestuurder de heer [naam 1]) wilde [eiser] daarvoor belonen.\n\nDe adviseurs van partijen hebben overleg met elkaar gehad en hun afspraken zijn eerst vastgelegd in het zogeheten gespreksverslag van mr. Claassens van 28 oktober 2024 (2.7). Tussen partijen staat vast dat de afspraken daarin bindend zijn. De adviseurs van partijen hebben namens [eiser] en [gedaagde] op 29 oktober 2024 ingestemd met de afspraken die staan in het gespreksverslag. De adviseurs van partijen hebben vervolgens overleg gehad over de incentive overeenkomst waarna die overeenkomst tot stand is gekomen op 13 november 2024. Daarin is onder meer vastgelegd op welke manier de bonus (incentive) van [gedaagde] aan [eiser] moet worden berekend en gefactureerd. [gedaagde] heeft na de aandelenoverdracht een uitkering gedaan aan [eiser]. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] niet aan al haar verplichtingen voldaan. [eiser] vordert dat [gedaagde] de verplichtingen die zij heeft op grond van de afspraken die partijen hebben gemaakt, alsnog nakomt: (i) [gedaagde] heeft ten onrechte een bedrag verrekend en moet het verrekende bedrag uitkeren aan [eiser], (ii) [gedaagde] moet nog betalingen doen wegens het ontvangen van een nabetaling op de koopprijs en (iii) [gedaagde] moet nog betalingen doen wegens de vrijgekomenescrow. [gedaagde] meent dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer moet betalen aan [eiser].\n\nPartijen geven voor de drie vorderingen die [eiser] heeft ingesteld elk een andere uitleg aan hun afspraken - het gespreksverslag en de incentive overeenkomst - en aan hoe die twee documenten zich tot elkaar verhouden. Die afspraken moeten daarom worden uitgelegd. Bij de uitleg komt het niet alleen aan op de letterlijke tekst van de op schrift gestelde afspraken, maar ook op wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Daarbij speelt in dit geval ook mee dat beide partijen beroepsmatig bij de contractuele relatie zijn betrokken en dat zij zijn bijgestaan door professionele adviseurs.\n\nIn de zaak met zaak- en rolnummer C\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370\n\nMocht [gedaagde] een bedrag van € 119.546,00 verrekenen: ja\n\n4.2.. Op 29 oktober 2024 hebben [eiser] en [gedaagde] met elkaar afgesproken dat als overdracht van de aandelen [bedrijf 3] aan SegaSammy plaatsvindt en [eiser] in aanmerking komt voor de incentive, [gedaagde] een bedrag van € 135.000,00 mag verrekenen met hetincentivebedrag. De achtergrond hiervan was het bestaan van een schuld van [naam 2]\u002F[eiser] aan [bedrijf 3]. De verrekening staat in het gespreksverslag waarmee beide partijen akkoord zijn gegaan. Na de overdracht van de aandelen in [bedrijf 3] aan SegaSammy heeft [gedaagde] aan [eiser] deincentivebetaald, nadat zij daarop een bedrag van € 119.546,00 heeft ingehouden (het bedrag van € 135.000,00 dat later is bijgesteld). Hierna zal blijken dat [gedaagde] dat mocht doen.\n\n4.3.. \n [eiser] stelt dat [gedaagde] niet mocht verrekenen. Dat is uitgesloten in artikel 1.5 van de incentive overeenkomst. Na het akkoord op het gespreksverslag is de verrekening onderwerp van gesprek geweest bij de onderhandelingen over de incentive overeenkomst. Partijen hebben toen andere afspraken gemaakt over de verrekening en die afspraken zijn daarna vastgelegd in de incentive overeenkomst. Ook uit de berekening die adviseur [naam 4] namens [eiser] heeft gemaakt (2.10) en waarin de verrekening niet terugkomt, kan worden afgeleid dat partijen de eerder gemaakte afspraak over het verrekenen hebben aangepast, aldus [eiser].\n\n4.4.. \n [gedaagde] voert hiertegen aan dat de afspraak over het verrekenen uit het gespreksverslag nadien niet is gewijzigd. [gedaagde] heeft haar aanspraken op grond van het gespreksverslag niet prijsgegeven. De incentive overeenkomst bevat geen bepalingen die het gespreksverslag op dit punt vervangen. Artikel 1.5 van de incentive overeenkomst staat niet in de weg aan de verrekening. Dat artikel ziet op de situatie dat betalingen die feitelijk nog door [gedaagde] dienen te worden gedaan niet verrekend kunnen worden of kunnen worden achtergehouden. Na het gespreksverslag is de verrekening zoals die staat in het gespreksverslag niet meer aan de orde gesteld, aldus [gedaagde].\n\n4.5.. \n [eiser] en [gedaagde] zijn op 29 oktober 2024 overeengekomen dat [gedaagde] bij het voldoen van de incentiveaan [eiser] nog een bedrag mocht verrekenen. Volgens [eiser] is vervolgens opnieuw onderhandeld over de verrekening. [gedaagde] betwist dit. Tegenover de betwisting door [gedaagde] heeft [eiser] niet concreet gemaakt dat de verrekening na 29 oktober 2024 tussen partijen (dan wel hun adviseurs) aan de orde is gesteld en dat partijen daarover toen andersluidende afspraken hebben gemaakt. Zo is niet duidelijk gemaakt wie met een voorstel tot het wijzigen van de afspraak over het verrekenen van € 135.000,00 kwam, wanneer een dergelijk voorstel is gedaan en ook niet wat de adviseurs op dat punt concreet met elkaar hebben besproken. Verder hebben de adviseurs meerdere e-mails met elkaar gewisseld in de periode tussen 29 oktober 2024 en het ondertekenen van de incentive overeenkomst en in die e-mails staat niets over het terzijde schuiven van de verrekening. Het ligt voor de hand dat dit onderwerp, dat volgens beide partijen een belangrijk geschilpunt was, ook in de e-mails ter sprake zou zijn gebracht, vooral in het geval dat (zoals [eiser] betoogt) de daarover gemaakte afspraak kwam te vervallen. Dat is niet gebeurd. Adviseur [naam 4] heeft in zijn e-mail van 11 november 2024 namens [eiser] uitgelegd hoe deincentivemoet worden berekend. [eiser] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat wegens het ontbreken van de verrekening in die berekening, de verrekening van € 135.000 alsnog werd uitgesloten. De berekening van deincentivegaat vooraf aan de verrekening. De berekening zegt op zichzelf dan ook niets over het al dan niet verrekenen.\n\n4.6.. \n [eiser] heeft dus niet voldoende onderbouwd dat partijen ná het akkoord op het gespreksverslag hebben afgesproken dat de verrekeningsbevoegdheid van [gedaagde] zoals die staat in het gespreksverslag zou komen te vervallen. Ook artikel 1.5 van de incentive overeenkomst waarin staat dat verrekening is uitgesloten, maakt niet dat [eiser] er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de eerder gemaakte afspraak van tafel was. Artikel 1.5 van de incentive overeenkomst is een algemene bepaling en de verrekening uit het gespreksverslag bevat een specifieke afspraak. Nu niet is gebleken dat die specifieke afspraak nog ter discussie is gesteld en ook niet dat partijen akkoord zijn gegaan met het wijzigen van die afspraak, kan [eiser] aan artikel 1.5 niet het vertrouwen ontlenen dat partijen hebben bedoeld ook de verrekening van het bedrag van € 135.000 onder die bepaling te laten vallen.\n\nSlotsom, kosten en beslag\n\n4.7.. Dit betekent dat [gedaagde] mocht overgaan tot verrekening en dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.\n\n4.8.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten van [gedaagde] vergoeden. [gedaagde] vordert dat [eiser] wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten. Daartoe voert [gedaagde] aan dat [eiser] artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft geschonden door in de dagvaarding te zwijgen over de onderhandelingen en het akkoord tussen partijen over het gespreksverslag. [eiser] heeft ook in strijd met de waarheid gehandeld door te knippen en te plakken uit het gespreksverslag, daaruit de pagina over de verrekening weg te laten, dit stuk in te dienen en te doen alsof het stuk is opgesteld door Claassens, hetgeen niet zo is.\n\n4.9.. Toewijzing van de werkelijke proceskosten is denkbaar in buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van recht of onrechtmatige daad. Hierbij past terughoudendheid, gelet op het recht tot toegang tot de rechter (artikel 6 EVRM). [eiser] heeft toegelicht waarom bij de dagvaarding niet het originele gespreksverslag is overgelegd, maar een bewerkte versie waarmee is geprobeerd een te ondertekenen versie te maken van het gespreksverslag. Alhoewel juist is dat [eiser] al in de dagvaarding had moeten laten zien dat de adviseurs namens partijen akkoord zijn gegaan met het gespreksverslag, is van misbruik van recht of onrechtmatige daad geen sprake. [eiser] heeft een stuk met daarin de afspraken overgelegd en dat stuk is qua inhoud hetzelfde als de e-mail van Claassens van 28 oktober 2024, bij de stukken die de rechtbank heeft gekregen ontbreekt niet de pagina over de verrekening en [eiser] heeft later in de procedure erkend dat partijen hebben ingestemd met de afspraken uit het gespreksverslag. Voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten bestaat daarom geen aanleiding.\n\n4.10.. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.861,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n4.102,00\n\n(2 punten × € 2.051,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n11.152,00\n\n4.11.. \n [gedaagde] heeft geen (reconventionele) afzonderlijke vordering tot het opheffen van het door [eiser] ten laste van haar gelegde beslag ingesteld, zoals artikel 705 lid 1 Rv voorschrijft. Daarom zal de rechtbank haar stellingen hierover niet beoordelen.\n\nIn de zaak met zaak- en rolnummer C\u002F13\u002F778508 \u002F HA ZA 25-1688\n\n [eiser] maakt geen aanspraak op een deel van de nabetaling\n\n4.12.. Op 22 juli 2025 hebben (onder meer) [gedaagde] en SegaSammy met de Vaststellingsovereenkomst (2.16) een schikking bereikt op grond waarvan door SegaSammy aan [bedrijf 2] een nabetaling van € 5.000.000,00 is gedaan. [eiser] en [gedaagde] verschillen van mening over de vraag of een derde deel van die nabetaling nog moet worden betaald aan [eiser]. [eiser] vindt dat de schikking een nabetaling op de koopprijs inhoudt en dat zij daarom aanspraak maakt op een deel van de nabetaling. [gedaagde] ziet dat anders. Hierna komt de rechtbank tot het oordeel dat aan [eiser] niet een deel van de nabetaling toekomt. Daarvoor is het volgende van belang.\n\n4.13.. \n [eiser] stelt dat in artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst de betaling door Segasammy aan [bedrijf 2] is aangemerkt als nabetaling op de koopprijs van de aandelen (‘deferred purchase price payment’). De afspraak was dat partijen alledrie ([eiser], [gedaagde] en Vermes die ook een deel van de aandelen in [bedrijf 3] hield) zouden profiteren van de verkoop van de aandelen in [bedrijf 3]. Nu de koopprijs door de nabetaling aan [bedrijf 2] achteraf is aangepast, moet [gedaagde] de incentive overeenkomst nakomen en alsnog een deel afdragen aan [eiser]. Aanvullend is sprake van onvoorziene omstandigheden (partijen hebben niet voorzien in een aanpassing van de koopprijs) en doet [eiser] een beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.\n\n4.14.. \n [gedaagde] voert hiertegen het volgende aan. Voor de hoogte van de uitkering door [gedaagde] aan [eiser] is het peilmoment uit artikel 1.2 van de incentive overeenkomst relevant. Uit onderdeel M van die overeenkomst volgt dat het gaat om een onverplichte uitkering die eenmalig is. Daarnaast heeft de betaling uit de Vaststellingsovereenkomst van € 5.000.000,00 geen effect op de hoogte van de koopsom. De Vaststellingsovereenkomst ziet uitsluitend op de verplichtingen van [naam 1] en zijn vennootschappen ten opzichte van SegaSammy; op afkoop van de managementovereenkomst en hoofdzakelijk op de afkoop van de Earn Out Agreement. De bewoordingen uit de Vaststellingsovereenkomst die erop zouden kunnen duiden dat de koopprijs is aangepast, hebben te maken met de fiscale deelnemingsvrijstelling. Van een aanpassing van de koopprijs is feitelijk geen sprake geweest. De overige verkopers hebben van de nabetaling geen profijt. Zij hebben geen bemoeienis gehad met deEarn Out Agreementof met de Vaststellingsovereenkomst, aldus [gedaagde].\n\n4.15.. Uit artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst kan worden afgeleid dat de betaling aan [bedrijf 2] ziet op de beslechting van het geschil met SegaSammy en op de afwikkeling van de Earn Out Agreement(‘EOA’). [eiser] maakt geen aanspraak op (een deel van) deearn out, zo volgt uit artikel 1.7 van de incentive overeenkomst. In de Vaststellingsovereenkomst zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling van [eiser] dat de betaling moet worden aangemerkt als een nabetaling op de koopprijs voor de aandelen. In dat licht kan de enkele omstandigheid dat in artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst staat ‘deferred purchase price payment’dat niet anders maken. [gedaagde] heeft toegelicht dat die bewoordingen zijn gekozen vanwege de fiscale deelnemingsvrijstelling en [eiser] heeft dat niet concreet bestreden. [eiser] kan dan ook geen aanspraak maken op een deel van de nabetaling.\n\n4.16.. Het beroep van [eiser] op onvoorziene omstandigheden en op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan haar niet baten nu daaraan ten grondslag ligt dat de nabetaling onderdeel is van de koopprijs die SegaSammy heeft betaald voor de aandelen in [bedrijf 3]. Uit het voorgaande blijkt dat daarvan geen sprake is.\n\nDe inescrow gehouden bedragen vallen onder deincentive\n\n4.17.. Tussen partijen is tot slot in geschil of hun afspraken inhouden dat de incentiveook moet worden berekend over deescrow. De rechtbank komt tot de slotsom dat op grond van de afspraken [eiser] aanspraak maakt op een deel van het inescrowgehouden bedrag. Daarvoor is het volgende van belang.\n\n4.18.. In het gespreksverslag staat onder het kopje ‘Incentive’ onder meer ‘De incentive zal tevens worden berekend over het bedrag dat vrijvalt uit de escrow. Betaling zal plaatsvinden, eerst nadat de escrow tot uitkering is gekomen.De bewoordingen van het gespreksverslag zijn duidelijk. Het bedrag dat vrijkomt uit deescrow, maakt deel uit van de door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus. Dat heeft de adviseur van [gedaagde] ook voorafgaand aan het gespreksverslag aan de adviseur van [eiser] geschreven (2.6). Dat is het uitgangspunt. Het klopt dat deincentivenog nader zou worden uitgewerkt middels de incentive overeenkomst. Ook dat is opgenomen in het gespreksverslag. Dat betekent niet dat het gespreksverslag, zoals [gedaagde] aanvoert, volledig is vervangen door de incentive overeenkomst. Voor zover van de uitgangspunten in het gespreksverslag wordt afgeweken, is nodig dat partijen daarover overeenstemming bereiken. Partijen en hun adviseurs hebben in de periode tussen 29 oktober 2024 en het sluiten van de incentive overeenkomst op 13 november 2024 niet gesproken over deescrow. De situatie dat beide partijen akkoord zijn gegaan met een wijziging van de eerdere afspraak, doet zich niet voor. Gelet hierop kan de enkele omstandigheid dat in de incentive overeenkomst een verwijzing naar deescrowontbreekt, er niet toe leiden dat deincentivemoet worden berekend over de verkoopopbrengst exclusief deescrow. Daarvoor ontbreken feiten en omstandigheden op grond waarvan partijen ervan konden uitgaan of moesten begrijpen dat deescrowniet (meer) zou worden gedeeld.\n\n4.19.. Aan een nabetaling van de escrowstaat volgens [gedaagde] verder in de weg dat partijen zijn uitgegaan van één peilmoment (artikel 1.2 van de incentive overeenkomst) alsook van een eenmalig door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus (onderdeel M van de considerans). Daarin wordt [gedaagde] niet gevolgd. In artikel 1.2 van de incentive overeenkomst staat welk deel van het eigen vermogen van [bedrijf 2] relevant is voor de hoogte van deincentive. Dat is het eigen vermogen direct na afronding en ontvangst\u002Fbetaling van de koopsom voor de aandelentransactie. In onderdeel M van de considerans van de incentive overeenkomst staat dat [gedaagde], althans [naam 1], zich moreel verplicht voelt om [eiser] financieel te laten meeprofiteren in de vorm van toekenning van een eenmalige bonus (deincentive). Deze bepalingen in onderlinge samenhang geven weer dat deincentiveziet op enkel de verkoopopbrengst én dat zal worden uitgekeerd zodra de verkoopopbrengst is ontvangen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat als een betaling is gedaan door [gedaagde] aan [eiser] en daarna nog een deel van de verkoopopbrengst wordt ontvangen, die nabetaling op de koopprijs niet meer ter zake doet. Dat zou ook afbreuk doen aan de achterliggende afspraak dat [eiser] voor een derde deel deelt in het behaalde succes.\n\n4.20.. \n\nTot slot heeft [gedaagde] met het aan [eiser] aanbieden van de afwikkelovereenkomst bevestigd dat de incentiveook wordt berekend over deescrow. [gedaagde] heeft in dat document immers opgenomen dat zij een deel van deescrowdoorbetaalt aan [eiser].\n\nVolgens [gedaagde] was dit geen uitwerking van de bestaande afspraken maar een aanbod aan [eiser] voor een extra vergoeding in het licht van de spanningen die waren ontstaan met koper SegaSammy. De rechtbank ziet voor deze stelling geen ondersteuning. Onder punt 2 van de afwikkelovereenkomst staat dat partijen in het document de financiële verplichtingen vastleggen die zij uit hoofde van de incentive overeenkomst jegens elkaar hebben. De rechtbank houdt het er daarom voor dat [gedaagde] met dit document heeft beoogd om de hoogte van de vergoeding die zij op grond van de eerder gemaakte afspraken aan [eiser] verschuldigd was in een overeenkomst vast te leggen. Daarmee heeft [gedaagde] bevestigd dat [eiser] bij het vrijvallen van de escrowgerechtigd is tot 1\u002F3e deel van het ontvangen bedrag.\n\n4.21.. De slotsom is dat [gedaagde] ertoe is gehouden een deel van de in escrowgehouden bedragen uit te keren aan [eiser], overeenkomstig de in de incentive overeenkomst gemaakte afspraken. Een deel van het inescrowgehouden bedrag is inmiddels aan [gedaagde] uitgekeerd, zes maanden na 25 april 2025. Het laatste deel zal drie jaren na 25 april 2025 worden uitgekeerd. Betaling aan [eiser] zal plaatsvinden eerst nadat deescrowtot uitkering is gekomen, zo volgt uit het gespreksverslag. Dat betekent dat [gedaagde] ertoe is gehouden aan [eiser] een deel van het al uitgekeerde bedrag te betalen en dat zij in de toekomst een nabetaling zal moeten doen.\n\n4.22.. \n\n [eiser] vordert kort gezegd dat [gedaagde] haar de informatie geeft die nodig is om de hoogte van de incentiveuit hoofde van deescrowvast te stellen en dat [gedaagde] vervolgens na ontvangst van de factuur het gefactureerde bedrag betaalt, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 19 december 2025 althans vanaf de dag van dagvaarding. De vordering tot het geven van inzicht wordt op de wijze zoals in het dictum omschreven toegewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente over de reeds vrijgevallenescrowis niet weersproken en zal worden toegewezen, ook op de manier zoals in het dictum vermeld. De wettelijke handelsrente over de nog uit te kerenincentiveover deescrow(die vrijkomt drie jaren na 25 april 2025) is toewijsbaar vanaf het moment van het verstrijken van de betaaltermijn van de factuur.\n\nAan de veroordeling wordt een dwangsom gekoppeld die als volgt wordt bepaald en gemaximeerd.\n\nSlotsom, kosten en beslag\n\n4.23.. De vorderingen van [eiser] onder I en II worden afgewezen. De vordering onder III wordt toegewezen op de hierna te melden wijze.\n\n4.24.. \n [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal. De kosten moeten worden aangemerkt als kosten waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding inhoudt en worden afgewezen.\n\n4.25.. \n [eiser] vordert tevens vergoeding van de beslagkosten. De conservatoire beslagen zijn gelegd voordat de vermeerdering van eis met betrekking tot de escrowwerd ingesteld. De beslagen zien op de vorderingen tot het betalen van het verrekende bedrag en tot het vergoeden van de nabetaling. Die vorderingen worden afgewezen. Daarom bestaat geen grond voor het vergoeden van de beslagkosten.\n\n4.26.. \n [gedaagde] heeft geen (reconventionele) afzonderlijke vordering tot het opheffen van het door [eiser] ten laste van haar gelegde beslag ingesteld, zoals artikel 705 lid 1 Rv voorschrijft. Daarom zal de rechtbank haar stellingen hierover niet beoordelen.\n\n4.27.. \n [gedaagde] is voor een deel in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. Bij de berekening wordt één punt toegekend voor de akte vermeerdering van eis en één punt voor de mondelinge behandeling. Voor de dagvaarding wordt geen punt toegekend (met uitzondering van de kosten van de dagvaarding), omdat de daarmee ingeleide vordering niet is toegewezen. Voor de hoogte van de proceskosten zal aansluiting worden gezocht bij het tarief ‘onbepaalde waarde’, omdat de vordering strekt tot het geven van inlichtingen en betaling van een nader te bepalen bedrag en niet tot veroordeling van een al vaststaand bedrag. Het door [gedaagde] te vergoeden griffierecht wordt ook bijgesteld naar het tarief ‘onbepaalde waarde’. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n119,40\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.328,40\n\n4.28.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.29.. \n [gedaagde] heeft gevraagd om de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet toe te staan en zij heeft daarbij gewezen op een restitutierisico. De maatstaf voor het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis is of het belang van degene die de veroordeling verkrijgt, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand totdat op een (eventueel) rechtsmiddel is beslist. [eiser] heeft belang bij betaling van het aan haar toekomende deel van de verkoopopbrengst. [gedaagde] stelt dat sprake is van een ernstig restitutierisico, omdat [naam 2] grote geldbedragen vergokt, maar dit is niet van een concrete toelichting voorzien. Verder is daarmee niet gegeven dat wat betreft [eiser] sprake is van een ernstig restitutierisico. De vordering om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zal daarom worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nIn de zaak met zaak- en rolnummer C\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370\n\n5.1.. wijst de vorderingen af en\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend en verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nIn de zaak met zaak- en rolnummer C\u002F13\u002F778508 \u002F HA ZA 25-1688\n\n5.3.. \n\nveroordeelt [gedaagde] ten aanzien van de escrowtot het verrichten van al die handelingen die op grond van de incentive overeenkomst noodzakelijk zijn om hetgeen op grond van de incentive overeenkomst is verschuldigd aan [eiser] voldaan te krijgen, waaronder wordt verstaan:\n\na. het met stukken inzichtelijk maken welk bedrag [eiser] kan factureren, voor zover het gaat om het al uitgekeerde escrowbedrag binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en voor zover het gaat om deescrowdie nog niet is vrijgevallen binnen veertien dagen nadat deescrowis uitgekeerd en\n\nb. het binnen de overeengekomen betaaltermijn na ontvangst van de factuur van [eiser] voldoen van het door [eiser] aan [gedaagde] gefactureerde bedrag, waarbij het uit te keren deel dat ziet op de (ten tijde van het wijzen van dit vonnis) al uitbetaalde escrowwordt vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 19 december 2025 tot aan de dag van algehele voldoening en het uit te keren deel dat ziet op deescrowdie in de toekomst wordt uitgekeerd wordt vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf het moment dat de betaaltermijn van de factuur is verstreken tot aan het moment van algehele voldoening,\n\n5.4.. veroordeelt [gedaagde] tot het betalen van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft met het voldoen aan het onder 5.3 onder a en b bepaalde tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.328,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.6.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.7.. verklaart de veroordelingen onder 5.3 tot en met 5.6 uitvoerbaar bij voorraad en\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.T. Hylkema, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6559","2026-07-13T00:29:25.083Z",20]