[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-employment-contract-termination-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":54},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},156,"employment-contract-termination-nl","Employment Contract Termination","NL","2026-07-08T17:00:45.330Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-04-28T00:00:00.000Z","2026-07-01T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123021","Burgerlijk Wetboek","art. 7:668",1,[27,38,46],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1322","ECLI:NL:RBAMS:2026:6791","ecli-nl-rbams-2026-6791","","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12156355 \\ EA VERZ 26-361\n\nBeschikking van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Heimensem,\n\ntegen\n\nFACT ACCOUNTANTS & ADVISEURS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: FACT\n\nvertegenwoordigd door: [naam] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van 19 maart 2026, met producties;\n\n- het verweerschrift, met producties.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juni 2026. [verzoeker] was aanwezig met zijn gemachtigde. Namens FACT is [naam] ( [functie 1] ) verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, [verzoeker] mede aan de hand van zittingsaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. [verzoeker] heeft zijn eis ter zitting verminderd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Vervolgens is de beschikking bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 2005, is op 9 december 2024 als [functie 2] bij FACT in dienst getreden. Zijn laatstgenoten salaris was € 1.710,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld, op basis van een 24-urige werkweek.\n\n2.2.. \n\nOp 31 juli 2025 stuurde FACT [verzoeker] per e-mail onder meer:\n\n“We hebben de volgende aanvullende afspraken gemaakt:\n\n Het contract dat we nu hebben loopt tot 30 juni 2026\n\n Ik heb aangegeven dat wij tevreden zij[n] over jou en dat ik de nieuwe overeenkomst per 1 juli 2026 wil omzetten in een contract voor onbepaalde tijd\n\n Je zult dan vallen onder de autoregeling\u002Fmobiliteitsbudget (…)”\n\n2.3.. Vanaf de aanvang van zijn dienstverband bij FACT gebruikte [verzoeker] zijn studenten-OV om naar FACT te reizen. Hij maakte daardoor geen reiskosten.\n\n2.4.. In augustus 2025 heeft [verzoeker] zijn rijbewijs gehaald en een Toyota Aygo gekocht.\n\n2.5.. In oktober 2025 heeft [verzoeker] bij FACT een reiskostendeclaratie ingediend voor in september 2025 gemaakte reiskosten. FACT heeft [verzoeker] gevraagd een kostenopgave te maken van de kosten van zijn auto. [verzoeker] heeft daarop onder meer aangegeven dat zijn auto een verbruik had van 1:9. FACT heeft er op gewezen dat dit verbruik hoger is dan het gemiddelde verbruik van dat type auto en om aanvullende informatie gevraagd.\n\n2.6.. In de maanden daarna heeft [verzoeker] ook reiskosten gedeclareerd voor de maanden tot en met december 2025. FACT heeft die reiskosten niet voldaan.\n\n2.7.. Op 16 december 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] FACT gesommeerd de gedeclareerde reiskosten van september tot en met december 2025 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging daarover.\n\n2.8.. Op 24 december 2025 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden. FACT heeft daarvan een gespreksverslag opgemaakt. [verzoeker] heeft dat niet ondertekend. In dat gespreksverslag staat onder meer dat besproken is dat FACT vermoedt dat de door [verzoeker] opgegeven kostenopgave vanwege het hoge brandstofverbruik onjuist is, dat [verzoeker] de gelegenheid is gegeven om de juistheid te onderbouwen door – kort gezegd – aanvullende informatie aan te leveren, dat hij dat niet heeft gedaan en dat FACT daarom vermoedt dat sprake is van een vervalsing. Verder staat er dat is besproken dat het functioneren van [verzoeker] onvoldoende is.\n\n2.9.. Op 14 januari 2026 heeft FACT [verzoeker] geschorst. [verzoeker] heeft daar dezelfde dag bezwaar tegen gemaakt.\n\n2.10.. In een e-mail van 21 januari 2026 schrijft FACT aan [verzoeker] onder meer:\n\n“In ons gesprek van vorige week heb ik je aangegeven dat ik overging tot een schorsing. Ik heb daarvoor de volgende redenen:\n\n Het zonder enige vorm van overleg declareren van kosten\n\n Het bewust verstrekken van onjuiste informatie met betrekking tot de kosten van je auto\n\n Het negeren van aanvullende instructies met betrekking tot de onjuist gedane kostenopgaaf van je auto\n\n Het bewust onjuist schrijven van je uren en dan met name de interne uren (…)\n\n Het opstarten van een juridische procedure tegen Fact\n\n Het volstrekt onvoldoende uitvoeren van werkzaamheden. (…).\n\nDe grondvereiste [sic] van iedere werknemer van Fact is dat hij integer is en bij jou moet ik helaas constateren dat je dat niet bent. Ik moet dus maatregelen nemen en hoopte dat je met de schorsing tot inzicht zou komen. (…)\n\nEr is geen verdere basis meer voor enig vertrouwen!In het gesprek van gisteren gaf je aan niet van mening te zijn veranderd. Mij rest dan niets anders als [sic] een verdere maatregel te nemen en dat is dan ontslag op staande voet.Per gisteren ben je uit dienst (…).”\n\n2.11.. \n [verzoeker] heeft zijn werklaptop van FACT niet aan FACT teruggegeven, ondanks verzoek daartoe van FACT.\n\n2.12.. \n [verzoeker] werkt sinds 23 februari 2026 bij een andere werkgever. Hij verdient daar iets meer dan bij FACT (€ 1.800,- per maand voor 24 uur in de week).\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\nIn de hoofdzaak\n\n3.1.. \n\n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter na eisvermindering om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, FACT samengevat te veroordelen:\n\nI. tot betaling van een billijke vergoeding van € 55.853,00 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;\n\nII. tot betaling van € 2.462,40 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging;\n\nIII. tot betaling van de transitievergoeding van € 750,00 bruto;\n\nIV. een deugdelijke bruto\u002Fnetto specificatie te verschaffen van de hiervoor genoemde betalingen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00;\n\nV. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel;\n\nVI. tot betaling van de wettelijke rente over de onder I, II en III genoemde bedragen vanaf opeisbaar worden tot voldoening;\n\nVII. tot betaling van € 866,22 aan reiskosten, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nVIII. tot betaling van € 700,00 aan achterstallig loon wegens het niet inleveren van de laptop, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nIX. tot betaling van € 942,00 aan ingehouden betalingen voor te veel opgenomen verlof, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nX. tot betaling van € 427,50 aan wegens schorsing ingehouden loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nXI. tot betaling van € 229,78 aan ten onrechte ingehouden loon wegens vermeend verkeerde uurcodes schrijven, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nXII. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na vonnisdatum.\n\n3.2.. \n [verzoeker] legt hieraan kort gezegd ten grondslag dat er geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet en dat de verschillende inhoudingen onterecht zijn.\n\n3.3.. FACT verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken.\n\nIn het incident\n\n3.4.. \n [verzoeker] verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de procedure onder meer veroordeling tot (i) doorbetaling van het salaris, (ii) verstrekking van salarisspecificaties, (iii) wettelijke verhoging en (iv) buitengerechtelijke incassokosten.\n\n4. De beoordeling\n\nIn de hoofdzaak:\n\n4.1.. \n [verzoeker] berust in het ontslag, maar maakt aanspraak op een aantal vergoedingen. Hij heeft zijn verzoekschrift daartoe tijdig ingediend. De vergoedingen kunnen worden toegewezen als het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. In deze procedure moet daarom de vraag worden beantwoord of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.\n\n4.2.. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Dat wordt als volgt toegelicht.\n\nJuridisch kader ontslag op staande voet4.3.. In de wet staat dat beide partijen bevoegd zijn om de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden op te zeggen, onder een onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.Voor een werkgever worden als dringende reden aangemerkt zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, dat in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Van belang zijn bijvoorbeeld de aard en de ernst van wat er is gebeurd, de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden en de onverwijldheid liggen bij de werkgever.\n\nOntslag op staande voet niet rechtsgeldig4.4.. FACT heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welke dringende reden zij ten grondslag heeft gelegd aan het gegeven ontslag op staande voet. Dat had wel op haar weg gelegen. Alleen daarom al is het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.\n\n4.5.. Voor zover FACT in dat kader heeft willen verwijzen naar de door haar op 21 januari 2026 gestuurde e-mail (2.10 hiervoor) geldt het volgende. In die e-mail heeft FACT een aantal redenen gegeven op grond waarvan zij tot schorsing van [verzoeker] was overgegaan. Daargelaten in hoeverre een schorsing op die gronden juridisch toelaatbaar was - dat ligt in deze procedure immers niet voor - geldt dat die gronden niet kwalificeren als dringende reden voor het rechtvaardigen van een ontslag op staande voet. Een ontslag op staande voet is immers een zeer ingrijpend middel, met vergaande consequenties voor de werknemer.\n\n4.6.. Dat [verzoeker] ondanks zijn schorsing volgens FACT ‘niet tot inzicht’ zou zijn gekomen, is evenmin voldoende om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Al is het maar omdat FACT onvoldoende over het voetlicht heeft gebracht wat zij in dat kader van [verzoeker] verwachtte en evenmin dat het niet voldoen aan die verwachting dit arbeidsrechtelijk zwaarste middel van een ontslag op staande voet rechtvaardigt.\n\n4.7.. Daar komt bij dat voorzover FACT aan haar ontslag op staande voet dezelfde gronden ten grondslag heeft willen leggen als aan haar schorsing, FACT onvoldoende over het voetlicht heeft gebracht dat zij het ontslag op staande voet onverwijld heeft gegeven. Zo heeft FACT niet toegelicht dat zij mede in het licht van de periode van schorsing voldoende voortvarend te werk is gegaan.\n\nTransitievergoeding4.8.. Een werkgever moet een transitievergoeding aan de werknemer betalen als de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd, behalve als sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door de werknemer.FACT heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd. Niet gebleken is dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in voornoemde zin. Dat hij onvoldoende heeft kunnen uitleggen waarom het in eerste instantie door hem genoemde verbruik van zijn auto afwijkt van het door FACT genoemde gemiddelde van dergelijke auto’s, is daarvoor op zichzelf niet voldoende. Omdat [verzoeker] berust in het ontslag op staande voet staat vast dat de einddatum van het dienstverband 21 januari 2026 is. De transitievergoeding bedraagt daarom € 689,70. Betaling daarvan wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van deze beschikking.\n\nGefixeerde schadevergoeding4.9.. De arbeidsovereenkomst is door een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet geëindigd en is daarmee op onregelmatige wijze opgezegd. Als een werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, moet zij het in geld vastgestelde loon betalen over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.Dat wordt de gefixeerde schadevergoeding genoemd. De berekening hiervan door [verzoeker] wordt niet gevolgd, omdat hij daarbij uitgaat van een periode vanaf 14 januari 2026, terwijl het dienstverband liep tot 21 januari 2026. Omdat [verzoeker] per 23 februari 2026 elders in dienst is getreden, loopt de relevante periode tot 23 februari 2026. De periode van 21 januari 2026 tot 23 februari 2026 is 1,07 maanden, zodat als gefixeerde schadevergoeding een bedrag van (1,07 * € 1.710,00 * 1,08=) € 1.976,08 toewijsbaar is. De daarover verzochte wettelijke rente is toewijsbaar vanaf heden tot voldoening.\n\nBillijke vergoeding4.10.. Omdat [verzoeker] ten onrechte op staande voet is ontslagen en hij berust in het ontslag, kan hij tegenover FACT aanspraak maken op een billijke vergoeding.Bij de begroting van de hoogte daarvan moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het gaat er kort gezegd om dat [verzoeker] wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van FACT. Daarbij kan rekening worden gehouden met de gevolgen voor [verzoeker] van het verlies van zijn baan. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te beëindigen.\n\n4.11.. De kantonrechter ziet aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op nihil. Daarbij weegt mee dat de gevolgen voor [verzoeker] van het verlies van zijn baan in dit geval beperkt zijn. Hij heeft vrij snel een nieuwe baan gevonden en bovendien ter zitting toegelicht dat hij vóór het gegeven ontslag op staande voet zelf al in vergaande gesprekken was met een nieuwe werkgever. Het dienstverband zou daarom naar verwachting hoe dan ook niet al te lang meer hebben geduurd. Ook weegt mee dat hem een transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding toekomt. Verder weegt de kantonrechter mee dat [verzoeker] in zijn verzoekschrift heeft nagelaten te vermelden dat hij op dat moment (19 maart 2026) al bijna een maand een nieuwe baan had. Dat staat haaks op de in het verzoekschrift door hem beschreven verwachting dat hij nog 18 maanden bij FACT in dienst zou zijn geweest. Ook weegt de kantonrechter mee dat, zoals hierna verder zal blijken, [verzoeker] zelf ook een aandeel in het ontstane arbeidsconflict met FACT heeft gehad.\n\nReiskosten4.12.. De door [verzoeker] verzochte veroordeling tot betaling van de gedeclareerde reiskosten wordt afgewezen. Niet in geschil is dat [verzoeker] van meet af aan met zijn studenten-OV naar het werk reisde. Volgens hem is op enig moment besproken dat hij zijn kilometers mocht gaan declareren, maar hij heeft dat standpunt in het licht van de gemotiveerde betwisting door FACT onvoldoende onderbouwd. Zijn verwijzing naar artikel 9 van de arbeidsovereenkomst – waarin kort gezegd staat dat de secundaire arbeidsvoorwaarden van FACT van toepassing zijn – maakt dat niet anders. Niet in geschil is immers dat hij in de praktijk gebruik maakte van zijn studenten-OV en dus geen reiskosten maakte. Ook zijn verwijzing naar in juli 2025 gevoerde onderhandelingen maken dat niet anders. FACT heeft immers onweersproken toegelicht dat die onderhandelingen hebben geleid tot de e-mail van 31 juli 2025 (2.2 hiervoor), waaruit kort gezegd volgt dat [verzoeker] vanaf 1 juli 2026 - en dus niet eerder - onder de autoregeling zou vallen.\n\nOverige verzoeken4.13.. FACT heeft € 700,00 ingehouden in verband met het niet inleveren van de laptop. Zij heeft echter niet toegelicht op welke grondslag zij daarvoor geld op het loon heeft mogen inhouden, noch dat dit een bedrag van € 700,00 rechtvaardigt. Dat had wel op haar weg gelegen. Betaling van dit bedrag is dus toewijsbaar. Het voorgaande laat onverlet dat [verzoeker] is gehouden om de laptop aan FACT terug te geven, aangezien het dienstverband is geëindigd. FACT heeft hierover echter geen tegenverzoek ingediend, zodat de kantonrechter daar verder niet op kan beslissen. Omdat niet in geschil is dat FACT [verzoeker] eerder heeft gevraagd de laptop in te leveren, hetgeen hij zonder goede onderbouwing niet heeft gedaan, zal over dit bedrag geen wettelijke verhoging worden toegekend. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf heden tot betaling.\n\n4.14.. Het verzoek tot betaling van € 942,00 aan ingehouden verlofsaldo wordt afgewezen. [verzoeker] heeft namelijk niet gesteld dat dit bedrag op zichzelf onterecht is berekend, maar uitsluitend aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst niet geëindigd is en dat het daarom niet zou mogen worden ingehouden. Hiervoor is echter gebleken dat de arbeidsovereenkomst geëindigd is. Ook het verzoek tot betaling van € 427,50 wegens aan tijdens schorsing ingehouden loon wordt afgewezen. FACT heeft immers gemotiveerd aangevoerd dat gedurende de schorsing het loon is doorbetaald. FACT heeft dat onderbouwd met een loonstrook. [verzoeker] heeft dat vervolgens onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat wordt uitgegaan van de juistheid daarvan.\n\n4.15.. Het verzoek tot betaling van € 229,78 aan ten onrechte ingehouden loon wegens vermeend verkeerde uurcodes schrijven, is toewijsbaar, te vermeerderen met 25% wettelijke verhoging daarover. Zelfs als het zo zou zijn dat [verzoeker] onjuiste uurcodes heeft gebruikt, of meer uren op een bepaalde code heeft geschreven dan zijn collega’s, maakt dat nog niet dat FACT daarvoor loon in mindering mag brengen. FACT heeft ook geen (bedrijfs)documentatie overgelegd waaruit iets anders blijkt. De wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf heden tot volledige betaling.\n\n4.16.. De verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld dat méér werkzaamheden zijn verricht dan verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.\n\n4.17.. Het verzoek tot afgifte van de salarisspecificatie wordt in die zin toegewezen, dat FACT wordt veroordeeld tot het verstrekken een deugdelijke bruto\u002Fnetto specificatie van de betalingen van de transitievergoeding en de vergoeding wegens de onregelmatige opzegging, binnen een maand na de datum van beschikking. Als FACT daar niet tijdig aan voldoet, verbeurt zij een dwangsom van € 50,00 per dag, met een maximum van € 1.000,00.\n\nProceskosten4.18.. Omdat FACT overwegend ongelijk krijgt, moet zij de proceskosten betalen. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.19.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nIn het incident:4.20.. Omdat in de hoofdzaak wordt beslist, bestaat geen belang meer bij de gevraagde voorlopige voorzieningen. Deze worden dus afgewezen. [verzoeker] wordt veroordeeld in de kosten van het incident. Deze kosten worden aan de zijde van FACT begroot op nihil.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nIn de hoofdzaak:\n\n5.1.. veroordeelt FACT om aan [verzoeker] te betalen:\n\nI. € 689,70 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\nII. € 1.976,08 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\nIII. € 700,00 bruto aan ingehouden loon voor de laptop, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\nIV. € 229,78 aan ten onrechte ingehouden loon wegens vermeend verkeerde uurcodes schrijven, te vermeerderen met 25% wettelijke verhoging daarover, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\n5.2.. veroordeelt FACT om binnen een maand na heden een deugdelijke bruto\u002Fnetto specificatie te verstrekken van de betalingen genoemd onder 5.1 sub I en II, bij gebreke waarvan zij een dwangsom verbeurt van € 50,00 per dag, met een maximum van € 1.000,00;\n\n5.3.. veroordeelt FACT in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als FACT niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n5.4.. veroordeelt FACT tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders verzochte af;\n\nIn het incident\n\n5.7.. wijst het verzochte af;\n\n5.8.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van FACT begroot op nihil.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.M.B. Cramwinckel en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\n Artikel 7:677 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 7:678 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW.\n\n Artikel 7:672 lid 11 BW.\n\n Vakantiegeld.\n\n Artikel 7:681 lid 1 sub a BW.\n\n Vgl. Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 en HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6791","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:15.959Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":42,"fullText":43,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":45},"911","ECLI:NL:RBAMS:2026:6467","ecli-nl-rbams-2026-6467","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12102870 \\ EA VERZ 26-197\n\nBeschikking van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\nverzoekster,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\ngemachtigde: mr. C. van der Goot-Koenig,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerder,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. L.R. Harteveld.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Op 16 februari 2026 heeft [verzoekster] een verzoekschrift ingediend om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift met voorwaardelijke tegenverzoeken ingediend. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen aanvullende producties ingediend.\n\n1.2.. Op 26 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [verzoekster] zijn verschenen [naam 1] (rector van het [onderwijsinstelling] , hierna: [naam 1] ), [naam 2] (leidinggevende van [verweerder] , hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (HR adviseur van [verzoekster] ), bijgestaan door de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, de gemachtigden mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.\n\n2. Feiten en omstandigheden\n\n2.1.. \n [verzoekster] is het schoolbestuur van zes zelfstandige gymnasia, waaronder het [onderwijsinstelling] in [plaats] .\n\n2.2.. \n [verweerder] , geboren [geboortedag] 1962, is sinds 1 oktober 2019 in dienst bij [verzoekster] als beleidsadviseur ICT. Het salaris van [verweerder] bedraagt € 6.432,00 bruto per maand exclusief emolumenten. [verweerder] verricht zijn werkzaamheden voor het [onderwijsinstelling] . Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Voortgezet Onderwijs van toepassing.\n\n2.3.. Voordat [verweerder] in dienst trad heeft hij van 2003 tot 2019 als zzp-er ICT werkzaam-heden voor [verzoekster] verricht.\n\n2.4.. \n\nPartijen hebben voorafgaand aan de indiensttreding per e-mail gecorrespondeerd over de aanwezigheid van [verweerder] op school. Bij e-mail van 28 juni 2019 heeft [verweerder] aan de toenmalig rector van het [onderwijsinstelling] , [naam 5], onder meer het volgende geschreven:\n\n“(…) Naar aanleiding van ons telefoon gesprek en de acuut ontstane situatie heb ik je voorstel dan ook direct even met de achterban en ook de werkzaamheden met [naam 3] besproken en zover lijkt het me een haalbare optie en de moeite van het bekijken waard.\n\n(…)\n\nBelangrijkste insteek voor mij zal zijn:\n\n* Vergelijkbaar besteedbaar netto inkomen.\n\n* 16 uur op school waarvan 8 op de woensdag en 8 vrij in te vullen per week op lokatie, in overleg met [naam 3] . (…)”\n\nBij e-mail van 29 augustus 2019 heeft [verweerder] aan het ICT team laten weten dat hij de gehele woensdag op school te vinden is en op de andere dagen flexibel met [naam 3] . Bij e-mail van 1 oktober 2019 heeft [verweerder] aan het ICT team onder meer het volgende geschreven:\n\n“(…) Deze week val ik nog in voor [naam 3] en ben ik er dagelijks, mogelijk volgende week ook, afhankelijk hoe het met [naam 3] gaat.\n\nNormaliter de hele woensdag en wisselend twee dagdelen verspreid over de week. (…)”\n\n2.5.. Bij de arbeidsovereenkomst is een afsprakenformulier gevoegd dat op 2 oktober 2019 door partijen is ondertekend. Hierin is onder andere vastgelegd dat [verweerder] op woensdag en twee dagdelen flexibel per week op school werkt en de overige dagen op afstand mag werken.\n\n2.6.. \n [verweerder] was vanaf zijn indiensttreding tot en met januari 2020 alleen op de woensdagen aanwezig op de school. Na januari 2020 is [verweerder] niet meer op vaste wekelijkse basis op de school aanwezig geweest.\n\n2.7.. Op 11 december 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , [naam 1] en de toenmalig leidinggevende van [verweerder] . Tijdens dit gesprek is besproken dat de schoolleiding [verweerder] op school niet ziet en hem weer twee vaste dagdelen op school wil zien werken.\n\n2.8.. Bij brief van 26 juni 2025 heeft [naam 1] aan [verweerder] onder meer laten weten dat er in de afgelopen twee jaar regelmatig met hem is gesproken over zijn aan- \u002F afwezigheid op school. Daarbij is meegedeeld dat van [verweerder] wordt verwacht dat hij na de zomervakantie van 2025 op woensdagen aanwezig zal zijn met in de daaropvolgende maanden uitbreiding naar twee extra dagdelen, met als uitgangspunt dit voor 1 december 2025 gerealiseerd te hebben.\n\n2.9.. Bij brief van 10 juli 2025 heeft [verweerder] bezwaar gemaakt tegen de verplichting om op vaste dagen aanwezig op school aanwezig te zijn. Daarbij heeft [verweerder] laten weten dat aanwezigheid op vaste dagen niet mogelijk is, omdat de werkzaamheden in de avond- en nachtelijke uren moeten plaatsvinden om de dagelijkse werkprocessen niet te verstoren, en dat het voor zijn gezondheid niet verantwoord is om structureel te wisselen tussen dag- en avondwerk.\n\n2.10.. In de periode van juli 2025 tot en met begin september 2025 hebben twee incidenten tussen [verweerder] en zijn collega [naam 4] (hierna: [naam 4] ) plaatsgevonden. Daarnaast heeft in die periode een externe ICT dienstverlener, Socia, op verzoek van de school het netwerk van de school onderzocht. Uit de bevindingen van Socia bleek dat de interne back-uporgani-satie van de school niet op orde was.\n\n2.11.. Bij e-mail van 9 september 2025 heeft de gemachtigde van [verweerder] aan [naam 1] laten weten dat [verweerder] zijn werkzaamheden de volgende dag zoals gebruikelijk “remote” zal uitvoeren op grond van de arbeidsvoorwaarde die in de afgelopen jaren is ontstaan.\n\n2.12.. Op 10 september 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , [naam 1] en [naam 2] over het functioneren van [verweerder] . Tijdens dit gesprek is aangekondigd dat een formeel verbetertraject wordt opgesteld en is besproken dat [verweerder] gehouden wordt aan de eerder gemaakte afspraken over zijn fysieke aanwezigheid op de school. Daarnaast heeft [naam 1] [verweerder] een brief overhandigd gedateerd op 9 september 2025. In deze brief staat onder meer dat het functioneren van [verweerder] niet aansluit bij de verwachtingen van de school. In de brief zijn een aantal verbeterpunten genoemd ten aanzien van de communicatie en samenwerking van [verweerder] en de invulling van zijn functie.\n\n2.13.. Bij brief van 17 september 2025 heeft de gemachtigde van [verweerder] aan [naam 1] onder meer meegedeeld dat sprake is van een verworven arbeidsvoorwaarde op grond waarvan [verweerder] zijn werkzaamheden grotendeels remote verricht en dat [verweerder] zijn werkzaamheden daarom remote zal blijven verrichten.\n\n2.14.. Op 18 september 2025 is het verbeterplan met [verweerder] besproken. In het verbeterplan is opgenomen dat [verweerder] wordt gehouden aan de gemaakte afspraken over zijn fysieke aanwezigheid op de school.\n\n2.15.. Bij brief van 24 september 2025 heeft (de gemachtigde van) [verzoekster] aan (de gemachtigde van) [verweerder] onder meer laten weten dat geen sprake is van een verworven arbeidsvoorwaarde die [verweerder] het recht geeft om onbeperkt thuis te werken. Daarbij is [verweerder] verzocht om op woensdag 1 oktober 2025 op school aanwezig te zijn, onder aankondiging dat het niet naleven van deze afspraak als schending van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst zal worden aangemerkt en rechtspositionele gevolgen kan hebben.\n\n2.16.. Diezelfde dag heeft [verweerder] zich ziekgemeld.\n\n2.17.. Bij brief van 2 oktober 2025 heeft [naam 2] aan [verweerder] voorgesteld om het geschil over de fysieke aanwezigheid via medation te bespreken.\n\n2.18.. MVU: nodig? Bij brief van 30 oktober 2025 heeft [verzoekster] aan [verweerder] onder meer geschreven dat [verweerder] tijdens zijn ziekte meerdere malen telefonisch niet bereikbaar was en dat van een goed werknemer mag worden verwacht dat hij gedurende zijn ziekte actief bereikbaar is voor de werkgever.\n\n2.19.. Op 27 november 2025 is het mediationtraject gestart. De mediation is op 10 februari 2026 zonder resultaat geëindigd.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, meer subsidiair vanwege disfunctioneren en uiterst subsidiair vanwege de cumulatiegrond. Volgens [verzoekster] staat het opzegverbod ontbinding niet in de weg.\n\n3.2.. \n [verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek met veroordeling van [verzoekster] tot betaling van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om bij het bepalen van de ontbindingstermijn rekening te houden met de toepasselijke opzegtermijn van drie maanden zonder aftrek van de proceduretijd, toekenning van een billijke vergoeding en veroordeling van [verzoekster] tot betaling van de transitievergoeding.\n\n3.3.. Bij de beoordeling wordt op de inhoudelijke standpunten van partijen ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.\n\n4.2.. Een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.\n\nOpzegverbod4.3.. De kantonrechter beantwoordt allereerst de vraag of sprake is van een opzegverbod, nu [verweerder] sinds 24 september 2025 arbeidsongeschikt is. Ingevolge artikel 7:671b lid 6 BW staat een opzegverbod echter niet in de weg aan ontbinding, wanneer het verzoek tot ontbinding geen verband houdt met de ziekte. Een redelijke uitleg van dit artikel brengt mee dat alleen als de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft, voldaan is aan de wettelijke voorwaarde dat er geen verband is.\n\n4.4.. De omstandigheden waarop [verzoekster] zich baseert zien met name op het functioneren va [verweerder] voor zijn ziekte en het conflict dat is ontstaan de afwezigheid van [verweerder] op de werkplek. Deze omstandigheden staan los van de (latere) ziekmelding van [verweerder] en ook van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft. De kanton-rechter is dan ook van oordeel dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] .\n\nOntbinding arbeidsovereenkomst4.5.. \n [verzoekster] is van mening dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dus dat de arbeidsovereenkomst primair moet worden ontbonden op de e-grond. Volgens [verzoekster] bestaat het verwijtbaar handelen van [verweerder] uit het stelselmatig weigeren de (overeengekomen) aanwezigheid op school na te komen, het ontkennen van schriftelijk vastgelegde afspraken, het frustreren van het verbetertraject door te weigeren aan geldende voorwaarden te voldoen, het herhaaldelijk en onprofessioneel bejegenen van leiding-gevenden en collega’s, en het stelselmatig neerleggen van verantwoordelijkheid bij anderen.\n\n4.6.. De kantonrechter is met [verzoekster] van oordeel dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld, zodanig dat van [verzoekster] niet in redelijkheid gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarover wordt het volgende overwogen.\n\n4.7.. Uit alle overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er tussen partijen een arbeidsconflict is ontstaan dat ziet op de structurele weigering van [verweerder] om op vaste dagen in de week fysiek op school aanwezig te zijn. Volgens [verzoekster] geldt op grond van de arbeidsovereenkomst en het addendum dat [verweerder] een vaste dag per week en daarnaast twee nader te bepalen dagdelen per week fysiek op school aanwezig is. [verzoekster] stelt dat zij bovendien als werkgever gerechtigd is instructies te geven en van haar werknemers kan verlangen fysiek op het werk aanwezig te zijn als de bedrijfsvoering dat vraagt. [verweerder] voert daartegen aan dat partijen zijn overeengekomen dat [verweerder] zijn werk in beginsel vanuit huis verricht, maar dat hij na indiensttreding alleen tijdelijk zou afwijken van deze afspraak door op woensdagen en twee andere dagdelen op school aanwezig te zijn ter vervanging van een zieke collega. Voor zover al zou worden aangenomen dat [verweerder] op basis van de gemaakte afspraken verplicht is om wekelijks op vaste dagen aanwezig te zijn op school, voert [verweerder] aan dat [verzoekster] deze verplichting sinds januari 2020 meerdere jaren niet heeft gehandhaafd, terwijl hij zijn werkzaamheden structureel vanuit huis verrichtte. Volgens [verweerder] is hierdoor sprake is van een bestendige gedragslijn waarop hij heeft mogen vertrouwen, waardoor een verworven recht is ontstaan om zijn werkzaamheden grotendeels op afstand te blijven verrichten.\n\n4.8.. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit niets dat bij indiensttreding is afgesproken dat [verweerder] slechts tijdelijk vaste dagen in de week op school aanwezig zou zijn. Uit de overgelegde e-mails van [verweerder] (zie rov 2.4) en het addendum bij de arbeidsovereen-komst volgt juist duidelijk dat [verweerder] vanaf zijn indiensttreding bij [verzoekster] iedere woensdag en twee dagdelen per week aanwezig zou zijn op school. [verweerder] heeft aangevoerd dat uit de verwijzing in de e-mails naar een acuut ontstane situatie en zijn tijdelijke vervanging van een collega in de eerste en mogelijk de tweede week volgt dat zijn aanwezigheid op vaste dagen slechts tijdelijk was, maar de kantonrechter volgt hem daarin niet. Juist het feit dat [verweerder] herhaaldelijk heeft bevestigd dat hij op woensdag en twee dagdelen aanwezig is, en bovendien in zijn e-mail van 1 oktober 2019 schrijft dat hij normaliterop die dagen aanwezig is, wijst op een structurele afspraak.\n\n4.9.. Ook is er geen sprake van een verworven recht. Nog daargelaten dat [verzoekster] heeft toegelicht dat [verweerder] in de coronaperiode en periodes van arbeidsongeschiktheid vooral vanuit huis heeft gewerkt, geldt dat voor het ontstaan van een vaste, afdwingbare arbeidsvoorwaarde uit een bestendige gedragslijn meer nodig is dan enkel het gedurende enige tijd feitelijk volgen van een bepaalde praktijk. Er is onvoldoende gebleken van andere omstandigheden waaruit volgt dat [verweerder] in beginsel mocht thuiswerken.4.10.. Bovendien staat het een werkgever vrij een werknemer instructies te geven en als het op enig moment, en om welke reden dan ook, nodig is dat een werknemer zijn werk-zaamheden weer (deels) op kantoor gaat verrichten. Dat is een redelijk en zeker geen buitensporig verzoek, waaraan de werknemer dient te voldoen. Voor zover [verweerder] betoogt dat geen sprake is van een redelijk verzoek omdat de werkzaamheden alleen ’s avonds kunnen worden uitgevoerd en het verrichten van wisselende diensten een negatief effect heeft op zijn gezondheid, heeft hij dat, mede gelet op de verklaring van [verzoekster] dat de ICT-omgeving van de school grotendeels overdag te beheren is en dat allen een herinrichting van de ICT-omgeving avond- en nachtwerk tot een uitzondering maken, onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [verzoekster] in redelijkheid van [verweerder] mag verlangen dat hij op vaste dagen aanwezig is op school.\n\n4.11.. Dat [verweerder] structureel is blijven weigeren om op vaste dagen fysiek aanwezig te zijn op school, kan hem worden verweten. Het was [verweerder] daarbij duidelijk dat [verzoekster] wenste dat hij – conform de afspraken – zijn werkzaamheden weer (deels) op school kwam verrichten. Keer op keer heeft [verzoekster] [verweerder] de mogelijkheid gegeven alsnog op school te komen, zij heeft hem ruim de tijd gegeven, en hij wist dat zij het ontoelaatbaar achtte dat [verweerder] niet aan deze redelijke opdracht voldeed.\n\n4.12.. Nu [verweerder] gewoonweg heeft geweigerd op school te komen, en mediation ook geen oplossing heeft opgeleverd, kan in redelijk van [verzoekster] niet verwacht worden de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden op de e-grond. [verweerder] heeft weliswaar tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij bereid is op vaste dagen aanwezig te zijn op school, maar hij hield tegelijkertijd vast aan zijn standpunt dat de werkzaamheden niet overdag kunnen worden uitgevoerd. Dit doet bij de kantonrechter sterke twijfel ontstaan over zijn werkelijke bereidheid om alsnog aan het verzoek van [verzoekster] gehoor te geven.\n\n4.13.. Nu ontbonden wordt op de e-grond, ligt herplaatsing niet in de rede. Nog daargelaten dat [verzoekster] voldoende heeft toegelicht dat herplaatsing niet mogelijk is door het zeer specialistische en schoolspecifieke karakter van de werkzaamheden van [verweerder] . Dit heeft [verweerder] niet weersproken.\n\n4.14.. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] zal toewijzen op de e-grond en dat de arbeidsovereenkomst dus zal worden ontbonden.\n\n4.15.. De kantonrechter zal bij het bepalen van de datum van ontbinding rekening houden met de opzegtermijn, waarbij met toepassing van artikel 7:671b lid 9 sub a BW de proceduretijd in mindering zal worden gebracht op de opzegtermijn met dien verstande dat een termijn van ten minste een maand resteert. Er bestaat geen aanleiding om de proceduretijd buiten beschouwing te laten, omdat, zoals hierna zal worden overwogen in het kader van de billijke vergoeding, geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden per 1 augustus 2026.\n\nTransitievergoeding4.16.. \n [verweerder] heeft recht op de transitievergoeding omdat geen sprake is van ernstigverwijtbaar handelen of nalaten en de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Daartoe weegt mee dat [verweerder] voorafgaand aan zijn indiensttreding jarenlang als zzp-er zijn werkzaamheden grotendeels op afstand verrichtte en bij aanvang van het dienstverband was besproken dat hij op dezelfde wijze kon blijven werken. Na zijn indiensttreding is [verweerder] slechts een korte periode structureel op woensdag aanwezig geweest op school. Tegen die achtergrond kon bij [verweerder] de indruk bestaan dat fysieke aanwezigheid op vaste dagen geen harde verplichting was. Hij is daarin blijven hangen, ten onrechte, maar dat maakt dat zijn handelwijze daarom wel verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar is.\n\n4.17.. \n [verweerder] stelt dat voor de berekening van de transitievergoeding dient te worden uitgegaan van een indiensttreding in september of oktober 2003 omdat toen materieel al sprake was van een arbeidsrelatie. Dit heeft hij echter, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [verzoekster] , onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft hij ervoor gekozen om deze periode als zelfstandige werkzaam te zijn waarbij hij genoot van de daarbij horende fiscale \u002F financiële voordelen. Omdat [verweerder] op 1 september 2019 bij [verzoekster] in dienst is getreden komt de transitievergoeding, rekening houdend met de ontbindingsdatum van 1 augustus 2026, neer op een bedrag van € 17.184,09 bruto. Het verzoek om [verzoekster] te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 september 2026.\n\nBillijke vergoeding4.18.. \n\nEen billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeids-overeenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.\n\n [verweerder] stelt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . Hij voert daartoe aan dat [verzoekster] niet heeft geluisterd naar zijn inhoudelijke bezwaren en onvoldoende heeft gedaan om het conflict op te lossen en de arbeidsrelatie te herstellen. In plaats daarvan is [verzoekster] volgens [verweerder] onterecht druk op hem blijven uitoefenen om in te stemmen met een vaste wekelijkse aanwezigheid van twee dagen op de school en heeft zij daarbij op geen enkele kenbare wijze rekening gehouden met de situatie van [verweerder] noch met het feit dat hij vanaf 24 september 2025 ziek was. [verweerder] betoogt dat al deze omstandigheden erop duiden dat [verzoekster] de situatie bewust heeft willen laten escaleren in een poging het ontslagdossier zo sterk mogelijk te maken.\n\n4.19.. De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Hiervoor is overwogen dat [verzoekster] op goede gronden van [verweerder] mocht verlangen dat hij op vaste dagen per week fysiek op school aanwezig zou zijn. Bovendien heeft [verzoekster] [verweerder] nog een overgangsregeling aangeboden om aan zijn belangen tegemoet te komen (zie rov 2.8). Daarnaast heeft [verzoekster] mediation ingezet in een poging de situatie te verbeteren. Als [verweerder] gevolg had gegeven aan het redelijke verzoek van [verzoekster] was de arbeidsverhouding naar verwachting niet zodanig verstoord geraakt. Het verzoek tot toekennen van een billijke vergoeding wordt daarom afgewezen.\n\n4.20.. \n [verzoekster] hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.\n\nProceskosten4.21.. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft en geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2026,\n\n5.2.. veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 17.184,09 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.3.. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,\n\n5.4.. verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en mr M. Hillebrink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n51447.MVU","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6467","2026-07-13T00:28:54.197Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":50,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":36,"updatedAt":53},"1047","ECLI:NL:RBAMS:2026:5168","ecli-nl-rbams-2026-5168","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12058431 \\ EA VERZ 26-38\n\nBeschikking van 28 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij in het verzoek,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. E. Zuidema,\n\ntegen\n\nPEARSON & PARTNERS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nverwerende partij in het verzoek,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: Pearson,\n\ngemachtigde: mr. Y.M. van Vliet.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties,\n\n- het verweerschrift met een tegenverzoek met producties,\n\n- het verweerschrift op het tegenverzoek alsmede een aanvulling op het verzoek met producties,\n\n- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026. Op de mondelinge behandeling is [verzoeker] verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Pearson is verschenen, vertegenwoordigd door [naam 1] (bestuurder) en bijgestaan door de gemachtigde. De gemachtigde van [verzoeker] heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De gemachtigde van Pearson heeft een aanvullende productie overgelegd. Beide stukken zijn aan het dossier gevoegd.1.2.. Ter zitting heeft [verzoeker] zijn primaire verzoek gehandhaafd. [verzoeker] verzoekt in deze procedure dan ook de vernietiging van het aan hem gegeven ontslag op staande voet.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1998, is op 27 november 2023 in dienst getreden bij Pearson. De functie van [verzoeker] was [naam functie] met een loon van € 2.600,00 bruto per maand exclusief emolumenten. In geval van een succesvolle plaatsing van een kandidaat bij een opdrachtgever ontving [verzoeker] daarnaast een bonus. [verzoeker] werkte op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met als einddatum 27 januari 2026.\n\n2.2.. In artikel 6 van de arbeidsovereenkomst staat vermeld dat vakantiedagen vooraf schriftelijk moeten worden aangevraagd. In artikel 8 staat dat [verzoeker] bij ziekte zich uiterlijk voor 08:30 uur moet ziekmelden. Verder staat in de arbeidsovereenkomst een concurrentie- en relatiebeding. Ook hanteert Pearson een personeelshandboek.\n\n2.3.. \n\nOp 27 augustus 2024 heeft [verzoeker] van Pearson een schriftelijke officiële waarschuwing ontvangen omdat hij op 19 en 20 augustus 2024 ongeoorloofd afwezig was. In de waarschuwing staat het volgende geschreven:\n\n“Helaas hebben wij moeten constateren dat jij zelf besloten hebt verlof te nemen om niet geldige reden. (…) Wij verzoeken je dan ook met klem om voortaan, jezelf in acht te nemen en bij verlof schriftelijk een aanvraag. Wanneer dit niet gebeurt, zal er een tweede officiële waarschuwing volgen en kan daarna ontslag op staande voet volgen.”\n\n2.4.. Op woensdag 2 juli 2025 was [verzoeker] niet op werk. [verzoeker] heeft de volgende dag per WhatsApp-bericht aan Pearson zijn excuses aangeboden omdat hij zich niet had afgemeld. Verder schrijft [verzoeker] dat hij begrijpt dat zijn gedrag verre van gewenst is en dat hij hoopt dat partijen er samen uitkomen.\n\n2.5.. \n\nOp vrijdag 31 oktober 2025 was [verzoeker] niet op het werk en ook was hij voor Pearson die dag onbereikbaar. Op zaterdag 1 november 2026 schrijft [naam 1] aan [verzoeker] :\n\n“ [verzoeker] maak me wederom zorgen. Laat even wat van je horen”.\n\n2.6.. \n\nOp maandag 3 november 2025 was [verzoeker] nog steeds niet op het werk. [verzoeker] heeft die dag het volgende via WhatsApp aan [naam 1] laten weten:\n\n“Ik begrijp dat het wederom een situatie is die niet acceptabel is om niks van me te laten horen. Er is donderdag wat gebeurd waardoor ik op het politiebureau wordt verwacht om een verklaring af te leggen. Ik snap goed dat ik m’n baan kwijt ben en zal ervoor zorgen dat ik morgenochtend vroeg op kantoor aanwezig ben om de situatie te verduidelijken, omdat jullie daar ook recht op hebben.”\n\n2.7.. Op dinsdag 4 november 2025 heeft er een gesprek op kantoor plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [naam 1] .\n\n2.8.. \n\nOp vrijdag 7 november 2025 was [verzoeker] wederom niet op het werk. Om 08:25 uur heeft [verzoeker] via WhatsApp aan [naam 1] het volgende bericht gezonden:\n\n“Ik ben er deze ochtend niet. Het gaat goed verder maar had om 08:00 op een afspraak moeten zijn en ben niet op komen dagen. Ik bel je om 11:30.”\n\n2.9.. \n [naam 1] antwoordde daarop dat [verzoeker] hem moest bellen, maar dat heeft [verzoeker] uiteindelijk niet gedaan.\n\n2.10.. Op maandag 10 november 2025 was [verzoeker] wederom niet op het werk. [verzoeker] heeft aan [naam 1] via WhatsApp geschreven: “Ik zie net pas dat je me een paar keer in de ochtend gebeld had. Een tijdje geleden heb ik voor vandaag een vakantiedag aangevraagd doordat ik een langdurige afspraak bij de dokter heb. Samen met de aankomende vrijdag en volgende week maandag mbt familie weekend”.[naam 1] heeft daarop gereageerd dat hij geen vakantieaanvraag van [verzoeker] had ontvangen.\n\n2.11.. \n\nOp 11 november 2025 heeft er opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en Pearson waarbij [verzoeker] op staande voet is ontslagen. In de ontslagbrief staat het volgende:\n\n“Je bent op de volgende data zonder enige melding of geldige reden niet op het werk verschenen en was gedurende die dagen onbereikbaar voor kantoor:\n\n Woensdag 3 juli 2025\n\n Donderdag 31 oktober 2025\n\n Maandag 3 november 2025\n\n Vrijdag 7 november 2025\n\n Maandag 10 november 2025\n\nOndanks herhaaldelijke pogingen om contact met je op te nemen via telefoon en WhatsApp, heb je niet gereageerd of enig bericht van verhindering doorgegeven. (…) Gezien de aard en de ernst van je handelen is voortzetting van het dienstverband onmogelijk geworden. Wij delen je hierbij mede dat je met onmiddellijke ingang, per vandaag 11 november 2025, op staande voet wordt ontslagen.”\n\n2.12.. Pearson heeft op 8 januari 2026 het einde van de arbeidsovereenkomst aangezegd.\n\n3. Het verzoek en het tegenverzoek\n\nHet verzoek3.1.. \n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, het ontslag op staande voet te vernietigen en voor recht te verklaren dat het concurrentie- en relatiebeding ongeldig is en deze, voor zover nodig, te vernietigen, alsmede Pearson te veroordelen tot:\n\nbetaling van het loon vanaf 11 november 2025 tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50%,\n\noverlegging van deugdelijke salarisspecificaties, op straffe van een dwangsom,\n\nbetaling van de transitievergoeding van € 2.028,00 bruto,\n\nbetaling van de plaatsingsbonus van € 1.400,00 bruto,\n\nbetaling van de aanzeggingsvergoeding van € 1.086,97 bruto,\n\nbetaling van de proceskosten.\n\n3.2.. \n [verzoeker] legt aan zijn verzoeken het volgende ten grondslag. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig nu een dringende reden ontbreekt. [verzoeker] is vijf keer afwezig geweest, waarvan de eerste keer vanwege ziekte en de laatste vanwege een doktersafspraak waarvoor hij mondeling toestemming had. De overige data houden verband met ernstig bedreigingen aan het adres van [verzoeker] . [verzoeker] is op donderdag 30 oktober 2025 door een paar mannen aangevallen op straat waarbij later op die plek door de politie een vuurwapen is gevonden. [verzoeker] is door de politie gevraagd een verklaring af te leggen. Dit alles heeft voor veel stress bij [verzoeker] gezorgd. Dit is ook de reden dat hij in die week een aantal keer niet op het werk was. Pearson was van de situatie op de hoogte en toonde daar aanvankelijk ook begrip voor. Voor [verzoeker] kwam het ontslag dan ook onverwacht, te meer nu hij – gelet op de inhoud van de eerste officiële waarschuwing – ervan uit mocht gaan dat hij nog een tweede officiële waarschuwing zou krijgen. Dat heeft Pearson niet gedaan. Pearson is direct overgegaan tot ontslag en [verzoeker] verzoekt dan ook de vernietiging daarvan. [verzoeker] maakt aanspraak op zijn loon tot aan het einde van zijn dienstverband, te weten 27 januari 2026, vermeerderd met de wettelijke verhoging. Omdat Pearson tevens het einde van de arbeidsovereenkomst te laat heeft aangezegd, heeft hij ook recht op een aanzeggingsvergoeding. Daarnaast maakt [verzoeker] nog aanspraak op een bonus voor de succesvolle plaatsing van de heer [naam 2] bij [bedrijf] . Verder heeft [verzoeker] recht op uitbetaling van de transitievergoeding en afgifte van deugdelijke salarisspecificaties. Tot slot is het concurrentie- en relatiebeding niet rechtsgeldig overeengekomen.\n\n3.3.. Pearson voert verweer. [verzoeker] is herhaaldelijk en ongeoorloofd afwezig geweest en hij was gedurende die dagen niet bereikbaar voor Pearson. Voor Pearson is dat onacceptabel. Zo had [verzoeker] zich op 2 juli niet ziekgemeld en heeft hij voor het doktersbezoek op 10 november geen schriftelijke aanvraag gedaan. Dit is in strijd met de gemaakte afspraken. Voor de overige data heeft Pearson ernstige twijfels bij de reden van zijn afwezigheid. [verzoeker] heeft over de vermeende bedreigingen verschillend verklaard waardoor het vertrouwen bij Pearson is verdwenen. Daarbij komt dat Pearson met [verzoeker] op 4 november een serieus gesprek over zijn afwezigheid heeft gehad en dat [verzoeker] daarin beterschap had beloofd, maar dat [verzoeker] desondanks een aantal dagen later wederom ongeoorloofd afwezig is. Voor Pearson was toen de maat vol waardoor zij niet anders kon dan overgaan tot ontslag. Dat betekent dat Pearson een dringende reden had zodat het ontslag rechtsgeldig is gegeven en aan het dienstverband op 11 november 2025 een einde is gekomen. Het gevolg hiervan is dat [verzoeker] geen recht op loon heeft. Ook kan hij geen aanspraak maken op de plaatsingsbonus van de heer [naam 2] omdat deze pas op 29 december 2025 is vrijgevallen en [verzoeker] op dat moment niet meer in dienst was. Voor zover geoordeeld wordt dat het ontslag wel vernietigbaar is, dan verzoekt Pearson de loonvordering te matigen omdat [verzoeker] met zijn eigen onderneming reeds ander inkomen heeft. Verder was het voor [verzoeker] vanaf 11 november 2025 al duidelijk dat zijn arbeidsovereenkomst zou eindigen omdat partijen nadien schriftelijk met elkaar gecorrespondeerd hebben over een mogelijke regeling, zodat geen aanzeggingsvergoeding verschuldigd is. Bovendien is de vergoeding onjuist berekend. Daarnaast is Pearson bereid om [verzoeker] te ontheffen uit het concurrentie- en relatiebeding. Tot slot voert Pearson verweer tegen de verzochte dwangsommen.\n\nHet tegenverzoek\n\n3.4.. Pearson verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, [verzoeker] te veroordelen tot betaling van € 920,16 bruto, wegens een negatief verlofsaldo van -7,1 dagen, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.\n\n3.5.. Pearson legt daaraan ten grondslag dat [verzoeker] , rekening houdend met de einddatum van 11 november, in 2025 in totaal 23,9 dagen heeft opgebouwd en dat hij er 31 heeft opgenomen.\n\n3.6.. \n [verzoeker] voert verweer. Het is onredelijk om de dagen die verband hielden met de bedreigingen aan te merken als verlof. Er was namelijk sprake van overmacht. Indien de dagen wel worden gekwalificeerd als verlof dan voert [verzoeker] aan dat hij in de periode van 11 november 2025 tot 27 januari 2026 nog 1,7 extra verlofdagen heeft opgebouwd. Verder heeft Pearson blijkens de door haar overgelegde excelsheet 25 dagen goedgekeurd, terwijl [verzoeker] er maar 23 had. Pearson had hem erop moeten wijzen dat hij een negatief saldo zou krijgen, zodat de laatste twee goedgekeurde dagen niet mogen worden meegeteld. Tot slot rekent Pearson ook een verlofdag op 27 december 2025, terwijl op dat moment het ontslag al was gegeven. Volgens [verzoeker] komt het negatieve saldo dan op 2,4 dagen uit hetgeen neerkomt op (2,4 x 8 uur x € 15,00 bruto uurloon x 1,08 vakantietoeslag) = 311,04 bruto.\n\n4. De beoordeling\n\nIn het verzoek\n\nHet ontslag4.1.. Op grond van artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen op grond van een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet de aard en ernst van de door de werkgever aangevoerde dringende reden worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven. Dat wordt hieronder toegelicht.\n\n4.3.. Vast staat dat [verzoeker] meermaals ongeoorloofd en\u002Fof zonder tijdige afmelding afwezig geweest. Uit de WhatsApp-berichten van [verzoeker] volgt dat hij zelf doordrongen was van het feit dat het zonder tijdige afmelding afwezig zijn niet acceptabel was. Zo heeft [verzoeker] op 3 november 2025 geschreven dat zijn gedrag ongewenst was, dat hij hoopt dat partijen er samen uitkomen en dat ‘hij het begrijpt als hij zijn baan kwijt is’. Ter zitting heeft hij aangegeven dit laatste te hebben geschreven omdat hij aan Pearson wilde overbrengen dat hij het serieus opnam. Daarbij heeft [verzoeker] benadrukt dat hij weliswaar de protocollen niet heeft gevolgd, maar dat hij wel met een geldige reden afwezig was (ziekte, doktersbezoek en de stress van ernstige bedreiging).\n\n4.4.. Een ontslag op staande voet is een uiterst middel en is alleen gerechtvaardigd als van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat punt had Pearson nog niet bereikt. Pearson heeft [verzoeker] op 27 augustus 2024 een officiële waarschuwing gegeven voor het ongeoorloofd – zonder verlofaanvraag en zonder geldige reden – afwezig zijn (“De korte samenvatting (…) is (…) dat je teveel alcohol hebt gedronken (…) waardoor je in je eigen woorden “knock-out bent gegaan tot maandag 19 augustus en moest herstellen dinsdag 20 augustus.” Dit is voor Pearson & Partners geen geldige reden (…)”) waarin zij expliciet heeft vermeld dat bij herhaling een tweede waarschuwing zal volgen, waarna ontslag op staande voet kan plaatsvinden. Pearson heeft echter geen tweede officiële waarschuwing gegeven, ook niet tijdens het gesprek van 4 november 2025. [naam 1] heeft ter zitting verklaard dat hij op dat moment er bewust voor heeft gekozen om geen officiële waarschuwing te geven omdat hij over de kwestie nog intern overleg wilde voeren. In het door Pearson overgelegde verslag van dit gesprek staat: “Tegelijk heb ik duidelijk gemaakt dat afwezigheid en onbereikbaarheid zonder (tijdige) afmelding niet acceptabel is en dat ik verwacht dat hier een gesprek en\u002Fof maatregel aan verbonden kan worden.” Bij een maatregel kan, bijvoorbeeld, gedacht worden aan een tweede officiële waarschuwing. Een ontslag op staande voet kan hieronder niet begrepen worden. Temeer niet nu [naam 1] in dit gesprek niet heeft aangegeven dat deze – door [verzoeker] zelf genoemde – mogelijke consequentie aan zijn gedragingen verbonden kan worden. Het gesprek is kennelijk gericht geweest op begrip voor de situatie en op gedragsverbetering. Dit wordt bevestigd door de in dit gesprek volgens het gespreksverslag met [verzoeker] gemaakte afspraken over het zich houden aan protocollen, zorgen voor rust en veiligheid in zijn privésituatie en contact opnemen in het geval stress zijn functioneren beïnvloed.\n\n4.5.. Toen [verzoeker] op 7 en 10 november 2025 wederom afwezig was zonder tijdige en\u002Fof deugdelijke afmelding, is Pearson direct overgegaan tot ontslag zonder daarbij eerst nog officiële waarschuwing te geven, terwijl die tweede officiële waarschuwing – gelet op de inhoud van de brief van 27 augustus 2024 en het gesprek op 4 november 2025 – wel op zijn plaats was. De afwezigheid op 7 november 2025 hield – volgens [verzoeker] – verband met de bedreiging (een afspraak met zijn bedreiger waar hij eerst niet en uiteindelijk wel gevolg aan wilde geven) en [verzoeker] heeft zich om 08.24 uur afgemeld. De afwezigheid op 10 november 2025 hield – volgens [verzoeker] – verband met een doktersafspraak. Dat hij hiervoor een mondeling verlofverzoek bij [naam 3] had gedaan is door Pearson gemotiveerd weersproken en onderbouwd met een schriftelijke verklaring van [naam 3] .\n\n4.6.. Ter zitting heeft Pearson naar voren gebracht dat bij de beslissing om op 11 november 2026 het geven van een tweede officiële waarschuwing achterhaald te achten het een rol gespeeld heeft dat zij door de wisselende verklaringen van [verzoeker] inmiddels ernstige twijfels had gekregen bij het verhaal van [verzoeker] over de bedreigingen en doktersbezoeken. Anders gezegd, dat [verzoeker] geen geldige reden voor zijn – niet vooraf gemelde – afwezigheid had. Dat Pearson voorafgaand aan het ontslag hier nader onderzoek naar heeft gedaan door, bijvoorbeeld, bewijs van de bedreiging en het politieonderzoek alsmede de doktersafspraken te vragen, heeft zij niet gesteld en is evenmin gebleken. Dat [verzoeker] in 2024 als gevolg van overmatig feesten niet in staat was om op het werk te verschijnen is onvoldoende om aan te nemen dat dit voor de in het ontslag op staande voet genoemde afwezigheid in 2025 (deels) ook het geval was. Het is niet geheel onbegrijpelijk – gezien de wisselende verklaringen van [verzoeker] en zijn mea culpa – dat Pearson wantrouwend tegenover de lezing van [verzoeker] stond, maar zij had hem hiermee dan moeten confronteren en in de gelegenheid moeten stellen de door hem gestelde objectieve en subjectieve redenen voor zijn afwezigheid te onderbouwen. Dit heeft Pearson niet gedaan. Hierdoor is niet komen vast te staan dat de verklaringen van [verzoeker] over zijn afwezigheid onwaarachtig waren.\n\n4.7.. Uit zijn verklaringen volgt dat [verzoeker] objectieve en subjectieve redenen voor zijn afwezigheid heeft gesteld. Niet weersproken is dat [verzoeker] om medische redenen regelmatig onder werktijd naar de dokter moest, en Pearson heeft ter zitting aangegeven haar werknemers hiervoor de ruimte te geven. Het louter niet volgen van het verlofprotocol voor het doktersbezoek op maandag 10 november 2025, kan een ontslag op staande voet in de gegeven omstandigheden niet rechtvaardigen. Voorts was op 4 november 2025 nog begrip vertoond voor de stressvolle situatie waarin [verzoeker] verkeerde en hij voor rust en veiligheid moest kiezen. Daarbij past niet dat, ook als zijn afwezigheid zou vergen dat [verzoeker] in dat kader een verlofaanvraag indient, [verzoeker] rekening moest houden met een ontslag op staande voet toen hij zich op de dag zelf om 08:24 uur (vóór 08:30 uur) afmeldde. Daarbij komt dat niet gebleken is dat deze incidentele afwezigheid van [verzoeker] (ernstige) gevolgen had voor de bedrijfsvoering. [verzoeker] fungeerde als een zelfstandig [naam functie] met eigen contacten. De kantonrechter komt dan ook tot het slotsom dat het verzoek tot vernietiging van het ontslag wordt toegewezen.\n\nHet loon, de verhoging en de salarisspecificaties4.8.. Door vernietiging van het ontslag heeft [verzoeker] recht op loon. Niet in geschil is dat de arbeidsovereenkomst op 27 januari 2026 van rechtswege is geëindigd. De vordering tot loonbetaling van € 2.600,00 bruto per maand tot aan het einde van het dienstverband zal daarom worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de vordering te matigen. Pearson heeft daarvoor geen grondslag aangedragen en bovendien heeft [verzoeker] betwist dat hij andere inkomsten heeft genoten. Wel volgt uit de houding van [verzoeker] dat hij zich bewust was van het feit dat zijn gedrag niet toelaatbaar was en consequenties kon hebben, hetgeen hem valt aan te rekenen. De kantonrechter zal daarom de wettelijke verhoging matigen tot nihil.\n\n4.9.. \n [verzoeker] heeft op grond van artikel 7:626 BW recht op de salarisspecificaties. De kantonrechter ziet geen aanleiding om daar dwangsommen aan te verbinden. Pearson heeft verklaard bereid te zijn deze te verstrekken en uit niets volgt dat zij daar weigerachtig in zou zijn.\n\nDe transitievergoeding4.10.. \n [verzoeker] heeft op grond van artikel 7:673 lid 1 sub a onder 3 BW recht op de transitievergoeding. De vergoeding bedraagt € 2.028,00 bruto en is dan ook toewijsbaar.\n\nDe plaatsingsbonus4.11.. Niet in geschil is dat als [verzoeker] op 29 december 2025 nog in dienst was bij Pearson, hij recht heeft op de plaatsingsbonus van € 1.400,00 bruto. Nu het ontslag op staande voet is vernietigd en de arbeidsovereenkomst pas op 27 januari 2026 is geëindigd, is de bonus toewijsbaar.\n\nDe aanzeggingsvergoeding4.12.. Op grond van artikel 7:668 BW dient een werkgever uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst eindigt, de werknemer daarover schriftelijk te informeren. Dit is te laat door Pearson gedaan. Pearson heeft echter aangevoerd dat het [verzoeker] tijdig duidelijk was dat zijn arbeidsovereenkomst zou eindigen. Na het gegeven ontslag hebben partijen onderhandeld over een mogelijke regeling ter beëindiging van het geschil en is aan [verzoeker] keer op keer schriftelijk bevestigd dat aan de arbeidsrelatie een einde zou de komen. Nu [verzoeker] dit verweer onbesproken heeft gelaten, is de kantonrechter van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaard is als [verzoeker] de schending tegenover Pearson succesvol kan inroepen. Omdat het voor [verzoeker] reeds vanaf 11 november 2025 duidelijk was dat Pearson de arbeidsrelatie definitief wilde (laten) eindigen, vervulde de verplichting van artikel 7:668 BW voor [verzoeker] geen relevante (waarborg-) functie meer en betrof het hooguit slechts een formaliteit. Het verzoek tot toekenning van een aanzeggingsvergoeding wordt dan ook afgewezen.\n\nHet concurrentie- en relatiebeding4.13.. Pearson heeft in haar verweerschrift weliswaar geconstateerd dat [verzoeker] thans als zelfstandige concurrerende werkzaamheden verricht, maar daarbij ondubbelzinnig toegezegd uit coulance geen aanspraak op (verbeurde) boetes te maken en [verzoeker] te ontheffen uit het concurrentie- en relatiebeding, voor zover hij als zelfstandige zijn werkzaamheden blijft voortzetten. [verzoeker] heeft daardoor in redelijkheid geen belang bij toewijzing van het verzoek. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.\n\nIn het tegenverzoek\n\n4.14.. Pearson stelt dat [verzoeker] een negatief saldo heeft van -7.1 dagen, maar zij heeft daarbij geen rekening gehouden met de einddatum van 27 januari 2026. [verzoeker] heeft onweersproken aangevoerd daardoor nog 1,7 extra dagen te hebben opgebouwd, zodat het eindsaldo -5,4 dagen bedraagt. Verder is de kantonrechter het met [verzoeker] eens dat zaterdag27 december 2025 geen verlofdag is, zodat een saldo van -4,4 resteert. Dat hierop nog twee dagen in mindering komen omdat Pearson twee dagen méér dan de in artikel 6.1 van de laatste arbeidsovereenkomst overeengekomen 23 verlofdagen heeft goedgekeurd volgt de kantonrechter niet. Niet in geschil is dat [verzoeker] – los van de dagen waarover discussie is – tijdens de looptijd van de laatste arbeidsovereenkomst 25 dagen verlof heeft opgenomen. Het enkele feit dat Pearson bij de goedkeuring van de laatste verlofaanvrage [verzoeker] er niet expliciet op gewezen heeft dat daarmee een negatief verlofsaldo van -2 verlofdagen ontstond, maakt niet dat [verzoeker] aanspraak heeft op die twee extra verlofdagen. Een positief of negatief verlofsaldo kan immers pas worden vastgesteld en afgerekend bij de beëindiging van het dienstverband. [verzoeker] had blijkens de verlofregistratie, die uitgaat van een saldo van 23,9 verlofdagen per de datum van het ontslag op staande voet, kennelijk nog verlofdagen uit de voorafgaande arbeidsovereenkomst meegenomen.\n\n4.15.. Dit betekent dat [verzoeker] een negatief verlofsaldo heeft van -4,4 dagen. Aan het verweer dat hierop nog correctie moet plaatsvinden voor de dagen waarop [verzoeker] volgens Pearson ‘ongeoorloofd’ afwezig en die als opgenomen verlof geregistreerd zijn, gaat de kantonrechter voorbij. Dat [verzoeker] voor die dagen aanspraak had op calamiteitenverlof is in deze procedure niet komen vast te staan.\n\n4.16.. Pearson heeft geen verweer gevoerd tegen de gehanteerde berekening, zodat de kantonrechter de vergoeding overeenkomstig vaststelt op (4,4 x 8uur x € 15,00 bruto uurloon x 1,08 vakantietoeslag=) 570,24 bruto.\n\nDe proceskosten\n\n4.17.. De proceskosten in het verzoek komen voor rekening van Pearson, omdat Pearson overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.18.. De proceskosten in het tegenverzoek komen voor rekening van [verzoeker] en worden begroot op nihil nu het tegenverzoek voortvloeit uit het verweer dat Pearson heeft gevoerd tegen het verzoek.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nIn het verzoek\n\n5.1.. vernietigt het ontslag op staande voet,\n\n5.2.. veroordeelt Pearson tot betaling aan [verzoeker] van het loon ter hoogte van € 2.600,00 bruto per maand exclusief emolumenten, te rekenen vanaf 11 november 2025 tot 27 januari 2026,\n\n5.3.. veroordeelt Pearson tot het overleggen van deugdelijke salarisspecificaties over de periode 11 november 2025 tot 27 januari 2026, binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking,\n\n5.4.. veroordeelt Pearson tot betaling van de transitievergoeding van € 2.028,00 bruto,\n\n5.5.. veroordeelt Pearson tot betaling van de plaatsingsbonus van € 1.400,00 bruto,\n\n5.6.. veroordeelt Pearson in de proceskosten van € 814,00 te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking,\n\nIn het tegenverzoek\n\n5.7.. veroordeelt [verzoeker] tot betaling van € 570,24 bruto wegens een negatief verlofsaldo,\n\n5.8.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten tot aan deze beschikking begroot op nihil,\n\nIn alle verzoeken\n\n5.9.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. wijst af het meer of anders verzochte,\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.P. Ploeger en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.\n\n58984","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5168","2026-05-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:01.111Z",20]