[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-employment-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":89},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},28,"employment-law-nl","Employment Law","NL","2026-07-08T16:53:14.144Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2026-04-28T00:00:00.000Z","2026-07-01T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123021","Burgerlijk Wetboek","art. 7:668",1,[27,38,46,54,63,72,81],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1322","ECLI:NL:RBAMS:2026:6791","ecli-nl-rbams-2026-6791","","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12156355 \\ EA VERZ 26-361\n\nBeschikking van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Heimensem,\n\ntegen\n\nFACT ACCOUNTANTS & ADVISEURS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: FACT\n\nvertegenwoordigd door: [naam] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van 19 maart 2026, met producties;\n\n- het verweerschrift, met producties.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juni 2026. [verzoeker] was aanwezig met zijn gemachtigde. Namens FACT is [naam] ( [functie 1] ) verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, [verzoeker] mede aan de hand van zittingsaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. [verzoeker] heeft zijn eis ter zitting verminderd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Vervolgens is de beschikking bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 2005, is op 9 december 2024 als [functie 2] bij FACT in dienst getreden. Zijn laatstgenoten salaris was € 1.710,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld, op basis van een 24-urige werkweek.\n\n2.2.. \n\nOp 31 juli 2025 stuurde FACT [verzoeker] per e-mail onder meer:\n\n“We hebben de volgende aanvullende afspraken gemaakt:\n\n Het contract dat we nu hebben loopt tot 30 juni 2026\n\n Ik heb aangegeven dat wij tevreden zij[n] over jou en dat ik de nieuwe overeenkomst per 1 juli 2026 wil omzetten in een contract voor onbepaalde tijd\n\n Je zult dan vallen onder de autoregeling\u002Fmobiliteitsbudget (…)”\n\n2.3.. Vanaf de aanvang van zijn dienstverband bij FACT gebruikte [verzoeker] zijn studenten-OV om naar FACT te reizen. Hij maakte daardoor geen reiskosten.\n\n2.4.. In augustus 2025 heeft [verzoeker] zijn rijbewijs gehaald en een Toyota Aygo gekocht.\n\n2.5.. In oktober 2025 heeft [verzoeker] bij FACT een reiskostendeclaratie ingediend voor in september 2025 gemaakte reiskosten. FACT heeft [verzoeker] gevraagd een kostenopgave te maken van de kosten van zijn auto. [verzoeker] heeft daarop onder meer aangegeven dat zijn auto een verbruik had van 1:9. FACT heeft er op gewezen dat dit verbruik hoger is dan het gemiddelde verbruik van dat type auto en om aanvullende informatie gevraagd.\n\n2.6.. In de maanden daarna heeft [verzoeker] ook reiskosten gedeclareerd voor de maanden tot en met december 2025. FACT heeft die reiskosten niet voldaan.\n\n2.7.. Op 16 december 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] FACT gesommeerd de gedeclareerde reiskosten van september tot en met december 2025 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging daarover.\n\n2.8.. Op 24 december 2025 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden. FACT heeft daarvan een gespreksverslag opgemaakt. [verzoeker] heeft dat niet ondertekend. In dat gespreksverslag staat onder meer dat besproken is dat FACT vermoedt dat de door [verzoeker] opgegeven kostenopgave vanwege het hoge brandstofverbruik onjuist is, dat [verzoeker] de gelegenheid is gegeven om de juistheid te onderbouwen door – kort gezegd – aanvullende informatie aan te leveren, dat hij dat niet heeft gedaan en dat FACT daarom vermoedt dat sprake is van een vervalsing. Verder staat er dat is besproken dat het functioneren van [verzoeker] onvoldoende is.\n\n2.9.. Op 14 januari 2026 heeft FACT [verzoeker] geschorst. [verzoeker] heeft daar dezelfde dag bezwaar tegen gemaakt.\n\n2.10.. In een e-mail van 21 januari 2026 schrijft FACT aan [verzoeker] onder meer:\n\n“In ons gesprek van vorige week heb ik je aangegeven dat ik overging tot een schorsing. Ik heb daarvoor de volgende redenen:\n\n Het zonder enige vorm van overleg declareren van kosten\n\n Het bewust verstrekken van onjuiste informatie met betrekking tot de kosten van je auto\n\n Het negeren van aanvullende instructies met betrekking tot de onjuist gedane kostenopgaaf van je auto\n\n Het bewust onjuist schrijven van je uren en dan met name de interne uren (…)\n\n Het opstarten van een juridische procedure tegen Fact\n\n Het volstrekt onvoldoende uitvoeren van werkzaamheden. (…).\n\nDe grondvereiste [sic] van iedere werknemer van Fact is dat hij integer is en bij jou moet ik helaas constateren dat je dat niet bent. Ik moet dus maatregelen nemen en hoopte dat je met de schorsing tot inzicht zou komen. (…)\n\nEr is geen verdere basis meer voor enig vertrouwen!In het gesprek van gisteren gaf je aan niet van mening te zijn veranderd. Mij rest dan niets anders als [sic] een verdere maatregel te nemen en dat is dan ontslag op staande voet.Per gisteren ben je uit dienst (…).”\n\n2.11.. \n [verzoeker] heeft zijn werklaptop van FACT niet aan FACT teruggegeven, ondanks verzoek daartoe van FACT.\n\n2.12.. \n [verzoeker] werkt sinds 23 februari 2026 bij een andere werkgever. Hij verdient daar iets meer dan bij FACT (€ 1.800,- per maand voor 24 uur in de week).\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\nIn de hoofdzaak\n\n3.1.. \n\n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter na eisvermindering om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, FACT samengevat te veroordelen:\n\nI. tot betaling van een billijke vergoeding van € 55.853,00 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;\n\nII. tot betaling van € 2.462,40 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging;\n\nIII. tot betaling van de transitievergoeding van € 750,00 bruto;\n\nIV. een deugdelijke bruto\u002Fnetto specificatie te verschaffen van de hiervoor genoemde betalingen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00;\n\nV. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel;\n\nVI. tot betaling van de wettelijke rente over de onder I, II en III genoemde bedragen vanaf opeisbaar worden tot voldoening;\n\nVII. tot betaling van € 866,22 aan reiskosten, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nVIII. tot betaling van € 700,00 aan achterstallig loon wegens het niet inleveren van de laptop, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nIX. tot betaling van € 942,00 aan ingehouden betalingen voor te veel opgenomen verlof, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nX. tot betaling van € 427,50 aan wegens schorsing ingehouden loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nXI. tot betaling van € 229,78 aan ten onrechte ingehouden loon wegens vermeend verkeerde uurcodes schrijven, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;\n\nXII. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na vonnisdatum.\n\n3.2.. \n [verzoeker] legt hieraan kort gezegd ten grondslag dat er geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet en dat de verschillende inhoudingen onterecht zijn.\n\n3.3.. FACT verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken.\n\nIn het incident\n\n3.4.. \n [verzoeker] verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de procedure onder meer veroordeling tot (i) doorbetaling van het salaris, (ii) verstrekking van salarisspecificaties, (iii) wettelijke verhoging en (iv) buitengerechtelijke incassokosten.\n\n4. De beoordeling\n\nIn de hoofdzaak:\n\n4.1.. \n [verzoeker] berust in het ontslag, maar maakt aanspraak op een aantal vergoedingen. Hij heeft zijn verzoekschrift daartoe tijdig ingediend. De vergoedingen kunnen worden toegewezen als het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. In deze procedure moet daarom de vraag worden beantwoord of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.\n\n4.2.. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Dat wordt als volgt toegelicht.\n\nJuridisch kader ontslag op staande voet4.3.. In de wet staat dat beide partijen bevoegd zijn om de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden op te zeggen, onder een onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.Voor een werkgever worden als dringende reden aangemerkt zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, dat in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Van belang zijn bijvoorbeeld de aard en de ernst van wat er is gebeurd, de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden en de onverwijldheid liggen bij de werkgever.\n\nOntslag op staande voet niet rechtsgeldig4.4.. FACT heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welke dringende reden zij ten grondslag heeft gelegd aan het gegeven ontslag op staande voet. Dat had wel op haar weg gelegen. Alleen daarom al is het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.\n\n4.5.. Voor zover FACT in dat kader heeft willen verwijzen naar de door haar op 21 januari 2026 gestuurde e-mail (2.10 hiervoor) geldt het volgende. In die e-mail heeft FACT een aantal redenen gegeven op grond waarvan zij tot schorsing van [verzoeker] was overgegaan. Daargelaten in hoeverre een schorsing op die gronden juridisch toelaatbaar was - dat ligt in deze procedure immers niet voor - geldt dat die gronden niet kwalificeren als dringende reden voor het rechtvaardigen van een ontslag op staande voet. Een ontslag op staande voet is immers een zeer ingrijpend middel, met vergaande consequenties voor de werknemer.\n\n4.6.. Dat [verzoeker] ondanks zijn schorsing volgens FACT ‘niet tot inzicht’ zou zijn gekomen, is evenmin voldoende om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Al is het maar omdat FACT onvoldoende over het voetlicht heeft gebracht wat zij in dat kader van [verzoeker] verwachtte en evenmin dat het niet voldoen aan die verwachting dit arbeidsrechtelijk zwaarste middel van een ontslag op staande voet rechtvaardigt.\n\n4.7.. Daar komt bij dat voorzover FACT aan haar ontslag op staande voet dezelfde gronden ten grondslag heeft willen leggen als aan haar schorsing, FACT onvoldoende over het voetlicht heeft gebracht dat zij het ontslag op staande voet onverwijld heeft gegeven. Zo heeft FACT niet toegelicht dat zij mede in het licht van de periode van schorsing voldoende voortvarend te werk is gegaan.\n\nTransitievergoeding4.8.. Een werkgever moet een transitievergoeding aan de werknemer betalen als de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd, behalve als sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door de werknemer.FACT heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd. Niet gebleken is dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in voornoemde zin. Dat hij onvoldoende heeft kunnen uitleggen waarom het in eerste instantie door hem genoemde verbruik van zijn auto afwijkt van het door FACT genoemde gemiddelde van dergelijke auto’s, is daarvoor op zichzelf niet voldoende. Omdat [verzoeker] berust in het ontslag op staande voet staat vast dat de einddatum van het dienstverband 21 januari 2026 is. De transitievergoeding bedraagt daarom € 689,70. Betaling daarvan wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van deze beschikking.\n\nGefixeerde schadevergoeding4.9.. De arbeidsovereenkomst is door een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet geëindigd en is daarmee op onregelmatige wijze opgezegd. Als een werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, moet zij het in geld vastgestelde loon betalen over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.Dat wordt de gefixeerde schadevergoeding genoemd. De berekening hiervan door [verzoeker] wordt niet gevolgd, omdat hij daarbij uitgaat van een periode vanaf 14 januari 2026, terwijl het dienstverband liep tot 21 januari 2026. Omdat [verzoeker] per 23 februari 2026 elders in dienst is getreden, loopt de relevante periode tot 23 februari 2026. De periode van 21 januari 2026 tot 23 februari 2026 is 1,07 maanden, zodat als gefixeerde schadevergoeding een bedrag van (1,07 * € 1.710,00 * 1,08=) € 1.976,08 toewijsbaar is. De daarover verzochte wettelijke rente is toewijsbaar vanaf heden tot voldoening.\n\nBillijke vergoeding4.10.. Omdat [verzoeker] ten onrechte op staande voet is ontslagen en hij berust in het ontslag, kan hij tegenover FACT aanspraak maken op een billijke vergoeding.Bij de begroting van de hoogte daarvan moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het gaat er kort gezegd om dat [verzoeker] wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van FACT. Daarbij kan rekening worden gehouden met de gevolgen voor [verzoeker] van het verlies van zijn baan. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te beëindigen.\n\n4.11.. De kantonrechter ziet aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op nihil. Daarbij weegt mee dat de gevolgen voor [verzoeker] van het verlies van zijn baan in dit geval beperkt zijn. Hij heeft vrij snel een nieuwe baan gevonden en bovendien ter zitting toegelicht dat hij vóór het gegeven ontslag op staande voet zelf al in vergaande gesprekken was met een nieuwe werkgever. Het dienstverband zou daarom naar verwachting hoe dan ook niet al te lang meer hebben geduurd. Ook weegt mee dat hem een transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding toekomt. Verder weegt de kantonrechter mee dat [verzoeker] in zijn verzoekschrift heeft nagelaten te vermelden dat hij op dat moment (19 maart 2026) al bijna een maand een nieuwe baan had. Dat staat haaks op de in het verzoekschrift door hem beschreven verwachting dat hij nog 18 maanden bij FACT in dienst zou zijn geweest. Ook weegt de kantonrechter mee dat, zoals hierna verder zal blijken, [verzoeker] zelf ook een aandeel in het ontstane arbeidsconflict met FACT heeft gehad.\n\nReiskosten4.12.. De door [verzoeker] verzochte veroordeling tot betaling van de gedeclareerde reiskosten wordt afgewezen. Niet in geschil is dat [verzoeker] van meet af aan met zijn studenten-OV naar het werk reisde. Volgens hem is op enig moment besproken dat hij zijn kilometers mocht gaan declareren, maar hij heeft dat standpunt in het licht van de gemotiveerde betwisting door FACT onvoldoende onderbouwd. Zijn verwijzing naar artikel 9 van de arbeidsovereenkomst – waarin kort gezegd staat dat de secundaire arbeidsvoorwaarden van FACT van toepassing zijn – maakt dat niet anders. Niet in geschil is immers dat hij in de praktijk gebruik maakte van zijn studenten-OV en dus geen reiskosten maakte. Ook zijn verwijzing naar in juli 2025 gevoerde onderhandelingen maken dat niet anders. FACT heeft immers onweersproken toegelicht dat die onderhandelingen hebben geleid tot de e-mail van 31 juli 2025 (2.2 hiervoor), waaruit kort gezegd volgt dat [verzoeker] vanaf 1 juli 2026 - en dus niet eerder - onder de autoregeling zou vallen.\n\nOverige verzoeken4.13.. FACT heeft € 700,00 ingehouden in verband met het niet inleveren van de laptop. Zij heeft echter niet toegelicht op welke grondslag zij daarvoor geld op het loon heeft mogen inhouden, noch dat dit een bedrag van € 700,00 rechtvaardigt. Dat had wel op haar weg gelegen. Betaling van dit bedrag is dus toewijsbaar. Het voorgaande laat onverlet dat [verzoeker] is gehouden om de laptop aan FACT terug te geven, aangezien het dienstverband is geëindigd. FACT heeft hierover echter geen tegenverzoek ingediend, zodat de kantonrechter daar verder niet op kan beslissen. Omdat niet in geschil is dat FACT [verzoeker] eerder heeft gevraagd de laptop in te leveren, hetgeen hij zonder goede onderbouwing niet heeft gedaan, zal over dit bedrag geen wettelijke verhoging worden toegekend. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf heden tot betaling.\n\n4.14.. Het verzoek tot betaling van € 942,00 aan ingehouden verlofsaldo wordt afgewezen. [verzoeker] heeft namelijk niet gesteld dat dit bedrag op zichzelf onterecht is berekend, maar uitsluitend aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst niet geëindigd is en dat het daarom niet zou mogen worden ingehouden. Hiervoor is echter gebleken dat de arbeidsovereenkomst geëindigd is. Ook het verzoek tot betaling van € 427,50 wegens aan tijdens schorsing ingehouden loon wordt afgewezen. FACT heeft immers gemotiveerd aangevoerd dat gedurende de schorsing het loon is doorbetaald. FACT heeft dat onderbouwd met een loonstrook. [verzoeker] heeft dat vervolgens onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat wordt uitgegaan van de juistheid daarvan.\n\n4.15.. Het verzoek tot betaling van € 229,78 aan ten onrechte ingehouden loon wegens vermeend verkeerde uurcodes schrijven, is toewijsbaar, te vermeerderen met 25% wettelijke verhoging daarover. Zelfs als het zo zou zijn dat [verzoeker] onjuiste uurcodes heeft gebruikt, of meer uren op een bepaalde code heeft geschreven dan zijn collega’s, maakt dat nog niet dat FACT daarvoor loon in mindering mag brengen. FACT heeft ook geen (bedrijfs)documentatie overgelegd waaruit iets anders blijkt. De wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf heden tot volledige betaling.\n\n4.16.. De verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld dat méér werkzaamheden zijn verricht dan verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.\n\n4.17.. Het verzoek tot afgifte van de salarisspecificatie wordt in die zin toegewezen, dat FACT wordt veroordeeld tot het verstrekken een deugdelijke bruto\u002Fnetto specificatie van de betalingen van de transitievergoeding en de vergoeding wegens de onregelmatige opzegging, binnen een maand na de datum van beschikking. Als FACT daar niet tijdig aan voldoet, verbeurt zij een dwangsom van € 50,00 per dag, met een maximum van € 1.000,00.\n\nProceskosten4.18.. Omdat FACT overwegend ongelijk krijgt, moet zij de proceskosten betalen. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.19.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nIn het incident:4.20.. Omdat in de hoofdzaak wordt beslist, bestaat geen belang meer bij de gevraagde voorlopige voorzieningen. Deze worden dus afgewezen. [verzoeker] wordt veroordeeld in de kosten van het incident. Deze kosten worden aan de zijde van FACT begroot op nihil.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nIn de hoofdzaak:\n\n5.1.. veroordeelt FACT om aan [verzoeker] te betalen:\n\nI. € 689,70 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\nII. € 1.976,08 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\nIII. € 700,00 bruto aan ingehouden loon voor de laptop, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\nIV. € 229,78 aan ten onrechte ingehouden loon wegens vermeend verkeerde uurcodes schrijven, te vermeerderen met 25% wettelijke verhoging daarover, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;\n\n5.2.. veroordeelt FACT om binnen een maand na heden een deugdelijke bruto\u002Fnetto specificatie te verstrekken van de betalingen genoemd onder 5.1 sub I en II, bij gebreke waarvan zij een dwangsom verbeurt van € 50,00 per dag, met een maximum van € 1.000,00;\n\n5.3.. veroordeelt FACT in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als FACT niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n5.4.. veroordeelt FACT tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders verzochte af;\n\nIn het incident\n\n5.7.. wijst het verzochte af;\n\n5.8.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van FACT begroot op nihil.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.M.B. Cramwinckel en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\n Artikel 7:677 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 7:678 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW.\n\n Artikel 7:672 lid 11 BW.\n\n Vakantiegeld.\n\n Artikel 7:681 lid 1 sub a BW.\n\n Vgl. Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 en HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6791","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:15.959Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":42,"fullText":43,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":45},"911","ECLI:NL:RBAMS:2026:6467","ecli-nl-rbams-2026-6467","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12102870 \\ EA VERZ 26-197\n\nBeschikking van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\nverzoekster,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\ngemachtigde: mr. C. van der Goot-Koenig,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerder,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. L.R. Harteveld.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Op 16 februari 2026 heeft [verzoekster] een verzoekschrift ingediend om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift met voorwaardelijke tegenverzoeken ingediend. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen aanvullende producties ingediend.\n\n1.2.. Op 26 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [verzoekster] zijn verschenen [naam 1] (rector van het [onderwijsinstelling] , hierna: [naam 1] ), [naam 2] (leidinggevende van [verweerder] , hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (HR adviseur van [verzoekster] ), bijgestaan door de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, de gemachtigden mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.\n\n2. Feiten en omstandigheden\n\n2.1.. \n [verzoekster] is het schoolbestuur van zes zelfstandige gymnasia, waaronder het [onderwijsinstelling] in [plaats] .\n\n2.2.. \n [verweerder] , geboren [geboortedag] 1962, is sinds 1 oktober 2019 in dienst bij [verzoekster] als beleidsadviseur ICT. Het salaris van [verweerder] bedraagt € 6.432,00 bruto per maand exclusief emolumenten. [verweerder] verricht zijn werkzaamheden voor het [onderwijsinstelling] . Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Voortgezet Onderwijs van toepassing.\n\n2.3.. Voordat [verweerder] in dienst trad heeft hij van 2003 tot 2019 als zzp-er ICT werkzaam-heden voor [verzoekster] verricht.\n\n2.4.. \n\nPartijen hebben voorafgaand aan de indiensttreding per e-mail gecorrespondeerd over de aanwezigheid van [verweerder] op school. Bij e-mail van 28 juni 2019 heeft [verweerder] aan de toenmalig rector van het [onderwijsinstelling] , [naam 5], onder meer het volgende geschreven:\n\n“(…) Naar aanleiding van ons telefoon gesprek en de acuut ontstane situatie heb ik je voorstel dan ook direct even met de achterban en ook de werkzaamheden met [naam 3] besproken en zover lijkt het me een haalbare optie en de moeite van het bekijken waard.\n\n(…)\n\nBelangrijkste insteek voor mij zal zijn:\n\n* Vergelijkbaar besteedbaar netto inkomen.\n\n* 16 uur op school waarvan 8 op de woensdag en 8 vrij in te vullen per week op lokatie, in overleg met [naam 3] . (…)”\n\nBij e-mail van 29 augustus 2019 heeft [verweerder] aan het ICT team laten weten dat hij de gehele woensdag op school te vinden is en op de andere dagen flexibel met [naam 3] . Bij e-mail van 1 oktober 2019 heeft [verweerder] aan het ICT team onder meer het volgende geschreven:\n\n“(…) Deze week val ik nog in voor [naam 3] en ben ik er dagelijks, mogelijk volgende week ook, afhankelijk hoe het met [naam 3] gaat.\n\nNormaliter de hele woensdag en wisselend twee dagdelen verspreid over de week. (…)”\n\n2.5.. Bij de arbeidsovereenkomst is een afsprakenformulier gevoegd dat op 2 oktober 2019 door partijen is ondertekend. Hierin is onder andere vastgelegd dat [verweerder] op woensdag en twee dagdelen flexibel per week op school werkt en de overige dagen op afstand mag werken.\n\n2.6.. \n [verweerder] was vanaf zijn indiensttreding tot en met januari 2020 alleen op de woensdagen aanwezig op de school. Na januari 2020 is [verweerder] niet meer op vaste wekelijkse basis op de school aanwezig geweest.\n\n2.7.. Op 11 december 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , [naam 1] en de toenmalig leidinggevende van [verweerder] . Tijdens dit gesprek is besproken dat de schoolleiding [verweerder] op school niet ziet en hem weer twee vaste dagdelen op school wil zien werken.\n\n2.8.. Bij brief van 26 juni 2025 heeft [naam 1] aan [verweerder] onder meer laten weten dat er in de afgelopen twee jaar regelmatig met hem is gesproken over zijn aan- \u002F afwezigheid op school. Daarbij is meegedeeld dat van [verweerder] wordt verwacht dat hij na de zomervakantie van 2025 op woensdagen aanwezig zal zijn met in de daaropvolgende maanden uitbreiding naar twee extra dagdelen, met als uitgangspunt dit voor 1 december 2025 gerealiseerd te hebben.\n\n2.9.. Bij brief van 10 juli 2025 heeft [verweerder] bezwaar gemaakt tegen de verplichting om op vaste dagen aanwezig op school aanwezig te zijn. Daarbij heeft [verweerder] laten weten dat aanwezigheid op vaste dagen niet mogelijk is, omdat de werkzaamheden in de avond- en nachtelijke uren moeten plaatsvinden om de dagelijkse werkprocessen niet te verstoren, en dat het voor zijn gezondheid niet verantwoord is om structureel te wisselen tussen dag- en avondwerk.\n\n2.10.. In de periode van juli 2025 tot en met begin september 2025 hebben twee incidenten tussen [verweerder] en zijn collega [naam 4] (hierna: [naam 4] ) plaatsgevonden. Daarnaast heeft in die periode een externe ICT dienstverlener, Socia, op verzoek van de school het netwerk van de school onderzocht. Uit de bevindingen van Socia bleek dat de interne back-uporgani-satie van de school niet op orde was.\n\n2.11.. Bij e-mail van 9 september 2025 heeft de gemachtigde van [verweerder] aan [naam 1] laten weten dat [verweerder] zijn werkzaamheden de volgende dag zoals gebruikelijk “remote” zal uitvoeren op grond van de arbeidsvoorwaarde die in de afgelopen jaren is ontstaan.\n\n2.12.. Op 10 september 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , [naam 1] en [naam 2] over het functioneren van [verweerder] . Tijdens dit gesprek is aangekondigd dat een formeel verbetertraject wordt opgesteld en is besproken dat [verweerder] gehouden wordt aan de eerder gemaakte afspraken over zijn fysieke aanwezigheid op de school. Daarnaast heeft [naam 1] [verweerder] een brief overhandigd gedateerd op 9 september 2025. In deze brief staat onder meer dat het functioneren van [verweerder] niet aansluit bij de verwachtingen van de school. In de brief zijn een aantal verbeterpunten genoemd ten aanzien van de communicatie en samenwerking van [verweerder] en de invulling van zijn functie.\n\n2.13.. Bij brief van 17 september 2025 heeft de gemachtigde van [verweerder] aan [naam 1] onder meer meegedeeld dat sprake is van een verworven arbeidsvoorwaarde op grond waarvan [verweerder] zijn werkzaamheden grotendeels remote verricht en dat [verweerder] zijn werkzaamheden daarom remote zal blijven verrichten.\n\n2.14.. Op 18 september 2025 is het verbeterplan met [verweerder] besproken. In het verbeterplan is opgenomen dat [verweerder] wordt gehouden aan de gemaakte afspraken over zijn fysieke aanwezigheid op de school.\n\n2.15.. Bij brief van 24 september 2025 heeft (de gemachtigde van) [verzoekster] aan (de gemachtigde van) [verweerder] onder meer laten weten dat geen sprake is van een verworven arbeidsvoorwaarde die [verweerder] het recht geeft om onbeperkt thuis te werken. Daarbij is [verweerder] verzocht om op woensdag 1 oktober 2025 op school aanwezig te zijn, onder aankondiging dat het niet naleven van deze afspraak als schending van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst zal worden aangemerkt en rechtspositionele gevolgen kan hebben.\n\n2.16.. Diezelfde dag heeft [verweerder] zich ziekgemeld.\n\n2.17.. Bij brief van 2 oktober 2025 heeft [naam 2] aan [verweerder] voorgesteld om het geschil over de fysieke aanwezigheid via medation te bespreken.\n\n2.18.. MVU: nodig? Bij brief van 30 oktober 2025 heeft [verzoekster] aan [verweerder] onder meer geschreven dat [verweerder] tijdens zijn ziekte meerdere malen telefonisch niet bereikbaar was en dat van een goed werknemer mag worden verwacht dat hij gedurende zijn ziekte actief bereikbaar is voor de werkgever.\n\n2.19.. Op 27 november 2025 is het mediationtraject gestart. De mediation is op 10 februari 2026 zonder resultaat geëindigd.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, meer subsidiair vanwege disfunctioneren en uiterst subsidiair vanwege de cumulatiegrond. Volgens [verzoekster] staat het opzegverbod ontbinding niet in de weg.\n\n3.2.. \n [verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek met veroordeling van [verzoekster] tot betaling van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om bij het bepalen van de ontbindingstermijn rekening te houden met de toepasselijke opzegtermijn van drie maanden zonder aftrek van de proceduretijd, toekenning van een billijke vergoeding en veroordeling van [verzoekster] tot betaling van de transitievergoeding.\n\n3.3.. Bij de beoordeling wordt op de inhoudelijke standpunten van partijen ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.\n\n4.2.. Een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.\n\nOpzegverbod4.3.. De kantonrechter beantwoordt allereerst de vraag of sprake is van een opzegverbod, nu [verweerder] sinds 24 september 2025 arbeidsongeschikt is. Ingevolge artikel 7:671b lid 6 BW staat een opzegverbod echter niet in de weg aan ontbinding, wanneer het verzoek tot ontbinding geen verband houdt met de ziekte. Een redelijke uitleg van dit artikel brengt mee dat alleen als de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft, voldaan is aan de wettelijke voorwaarde dat er geen verband is.\n\n4.4.. De omstandigheden waarop [verzoekster] zich baseert zien met name op het functioneren va [verweerder] voor zijn ziekte en het conflict dat is ontstaan de afwezigheid van [verweerder] op de werkplek. Deze omstandigheden staan los van de (latere) ziekmelding van [verweerder] en ook van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft. De kanton-rechter is dan ook van oordeel dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] .\n\nOntbinding arbeidsovereenkomst4.5.. \n [verzoekster] is van mening dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dus dat de arbeidsovereenkomst primair moet worden ontbonden op de e-grond. Volgens [verzoekster] bestaat het verwijtbaar handelen van [verweerder] uit het stelselmatig weigeren de (overeengekomen) aanwezigheid op school na te komen, het ontkennen van schriftelijk vastgelegde afspraken, het frustreren van het verbetertraject door te weigeren aan geldende voorwaarden te voldoen, het herhaaldelijk en onprofessioneel bejegenen van leiding-gevenden en collega’s, en het stelselmatig neerleggen van verantwoordelijkheid bij anderen.\n\n4.6.. De kantonrechter is met [verzoekster] van oordeel dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld, zodanig dat van [verzoekster] niet in redelijkheid gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarover wordt het volgende overwogen.\n\n4.7.. Uit alle overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er tussen partijen een arbeidsconflict is ontstaan dat ziet op de structurele weigering van [verweerder] om op vaste dagen in de week fysiek op school aanwezig te zijn. Volgens [verzoekster] geldt op grond van de arbeidsovereenkomst en het addendum dat [verweerder] een vaste dag per week en daarnaast twee nader te bepalen dagdelen per week fysiek op school aanwezig is. [verzoekster] stelt dat zij bovendien als werkgever gerechtigd is instructies te geven en van haar werknemers kan verlangen fysiek op het werk aanwezig te zijn als de bedrijfsvoering dat vraagt. [verweerder] voert daartegen aan dat partijen zijn overeengekomen dat [verweerder] zijn werk in beginsel vanuit huis verricht, maar dat hij na indiensttreding alleen tijdelijk zou afwijken van deze afspraak door op woensdagen en twee andere dagdelen op school aanwezig te zijn ter vervanging van een zieke collega. Voor zover al zou worden aangenomen dat [verweerder] op basis van de gemaakte afspraken verplicht is om wekelijks op vaste dagen aanwezig te zijn op school, voert [verweerder] aan dat [verzoekster] deze verplichting sinds januari 2020 meerdere jaren niet heeft gehandhaafd, terwijl hij zijn werkzaamheden structureel vanuit huis verrichtte. Volgens [verweerder] is hierdoor sprake is van een bestendige gedragslijn waarop hij heeft mogen vertrouwen, waardoor een verworven recht is ontstaan om zijn werkzaamheden grotendeels op afstand te blijven verrichten.\n\n4.8.. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit niets dat bij indiensttreding is afgesproken dat [verweerder] slechts tijdelijk vaste dagen in de week op school aanwezig zou zijn. Uit de overgelegde e-mails van [verweerder] (zie rov 2.4) en het addendum bij de arbeidsovereen-komst volgt juist duidelijk dat [verweerder] vanaf zijn indiensttreding bij [verzoekster] iedere woensdag en twee dagdelen per week aanwezig zou zijn op school. [verweerder] heeft aangevoerd dat uit de verwijzing in de e-mails naar een acuut ontstane situatie en zijn tijdelijke vervanging van een collega in de eerste en mogelijk de tweede week volgt dat zijn aanwezigheid op vaste dagen slechts tijdelijk was, maar de kantonrechter volgt hem daarin niet. Juist het feit dat [verweerder] herhaaldelijk heeft bevestigd dat hij op woensdag en twee dagdelen aanwezig is, en bovendien in zijn e-mail van 1 oktober 2019 schrijft dat hij normaliterop die dagen aanwezig is, wijst op een structurele afspraak.\n\n4.9.. Ook is er geen sprake van een verworven recht. Nog daargelaten dat [verzoekster] heeft toegelicht dat [verweerder] in de coronaperiode en periodes van arbeidsongeschiktheid vooral vanuit huis heeft gewerkt, geldt dat voor het ontstaan van een vaste, afdwingbare arbeidsvoorwaarde uit een bestendige gedragslijn meer nodig is dan enkel het gedurende enige tijd feitelijk volgen van een bepaalde praktijk. Er is onvoldoende gebleken van andere omstandigheden waaruit volgt dat [verweerder] in beginsel mocht thuiswerken.4.10.. Bovendien staat het een werkgever vrij een werknemer instructies te geven en als het op enig moment, en om welke reden dan ook, nodig is dat een werknemer zijn werk-zaamheden weer (deels) op kantoor gaat verrichten. Dat is een redelijk en zeker geen buitensporig verzoek, waaraan de werknemer dient te voldoen. Voor zover [verweerder] betoogt dat geen sprake is van een redelijk verzoek omdat de werkzaamheden alleen ’s avonds kunnen worden uitgevoerd en het verrichten van wisselende diensten een negatief effect heeft op zijn gezondheid, heeft hij dat, mede gelet op de verklaring van [verzoekster] dat de ICT-omgeving van de school grotendeels overdag te beheren is en dat allen een herinrichting van de ICT-omgeving avond- en nachtwerk tot een uitzondering maken, onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [verzoekster] in redelijkheid van [verweerder] mag verlangen dat hij op vaste dagen aanwezig is op school.\n\n4.11.. Dat [verweerder] structureel is blijven weigeren om op vaste dagen fysiek aanwezig te zijn op school, kan hem worden verweten. Het was [verweerder] daarbij duidelijk dat [verzoekster] wenste dat hij – conform de afspraken – zijn werkzaamheden weer (deels) op school kwam verrichten. Keer op keer heeft [verzoekster] [verweerder] de mogelijkheid gegeven alsnog op school te komen, zij heeft hem ruim de tijd gegeven, en hij wist dat zij het ontoelaatbaar achtte dat [verweerder] niet aan deze redelijke opdracht voldeed.\n\n4.12.. Nu [verweerder] gewoonweg heeft geweigerd op school te komen, en mediation ook geen oplossing heeft opgeleverd, kan in redelijk van [verzoekster] niet verwacht worden de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden op de e-grond. [verweerder] heeft weliswaar tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij bereid is op vaste dagen aanwezig te zijn op school, maar hij hield tegelijkertijd vast aan zijn standpunt dat de werkzaamheden niet overdag kunnen worden uitgevoerd. Dit doet bij de kantonrechter sterke twijfel ontstaan over zijn werkelijke bereidheid om alsnog aan het verzoek van [verzoekster] gehoor te geven.\n\n4.13.. Nu ontbonden wordt op de e-grond, ligt herplaatsing niet in de rede. Nog daargelaten dat [verzoekster] voldoende heeft toegelicht dat herplaatsing niet mogelijk is door het zeer specialistische en schoolspecifieke karakter van de werkzaamheden van [verweerder] . Dit heeft [verweerder] niet weersproken.\n\n4.14.. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] zal toewijzen op de e-grond en dat de arbeidsovereenkomst dus zal worden ontbonden.\n\n4.15.. De kantonrechter zal bij het bepalen van de datum van ontbinding rekening houden met de opzegtermijn, waarbij met toepassing van artikel 7:671b lid 9 sub a BW de proceduretijd in mindering zal worden gebracht op de opzegtermijn met dien verstande dat een termijn van ten minste een maand resteert. Er bestaat geen aanleiding om de proceduretijd buiten beschouwing te laten, omdat, zoals hierna zal worden overwogen in het kader van de billijke vergoeding, geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden per 1 augustus 2026.\n\nTransitievergoeding4.16.. \n [verweerder] heeft recht op de transitievergoeding omdat geen sprake is van ernstigverwijtbaar handelen of nalaten en de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Daartoe weegt mee dat [verweerder] voorafgaand aan zijn indiensttreding jarenlang als zzp-er zijn werkzaamheden grotendeels op afstand verrichtte en bij aanvang van het dienstverband was besproken dat hij op dezelfde wijze kon blijven werken. Na zijn indiensttreding is [verweerder] slechts een korte periode structureel op woensdag aanwezig geweest op school. Tegen die achtergrond kon bij [verweerder] de indruk bestaan dat fysieke aanwezigheid op vaste dagen geen harde verplichting was. Hij is daarin blijven hangen, ten onrechte, maar dat maakt dat zijn handelwijze daarom wel verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar is.\n\n4.17.. \n [verweerder] stelt dat voor de berekening van de transitievergoeding dient te worden uitgegaan van een indiensttreding in september of oktober 2003 omdat toen materieel al sprake was van een arbeidsrelatie. Dit heeft hij echter, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [verzoekster] , onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft hij ervoor gekozen om deze periode als zelfstandige werkzaam te zijn waarbij hij genoot van de daarbij horende fiscale \u002F financiële voordelen. Omdat [verweerder] op 1 september 2019 bij [verzoekster] in dienst is getreden komt de transitievergoeding, rekening houdend met de ontbindingsdatum van 1 augustus 2026, neer op een bedrag van € 17.184,09 bruto. Het verzoek om [verzoekster] te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 september 2026.\n\nBillijke vergoeding4.18.. \n\nEen billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeids-overeenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.\n\n [verweerder] stelt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . Hij voert daartoe aan dat [verzoekster] niet heeft geluisterd naar zijn inhoudelijke bezwaren en onvoldoende heeft gedaan om het conflict op te lossen en de arbeidsrelatie te herstellen. In plaats daarvan is [verzoekster] volgens [verweerder] onterecht druk op hem blijven uitoefenen om in te stemmen met een vaste wekelijkse aanwezigheid van twee dagen op de school en heeft zij daarbij op geen enkele kenbare wijze rekening gehouden met de situatie van [verweerder] noch met het feit dat hij vanaf 24 september 2025 ziek was. [verweerder] betoogt dat al deze omstandigheden erop duiden dat [verzoekster] de situatie bewust heeft willen laten escaleren in een poging het ontslagdossier zo sterk mogelijk te maken.\n\n4.19.. De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Hiervoor is overwogen dat [verzoekster] op goede gronden van [verweerder] mocht verlangen dat hij op vaste dagen per week fysiek op school aanwezig zou zijn. Bovendien heeft [verzoekster] [verweerder] nog een overgangsregeling aangeboden om aan zijn belangen tegemoet te komen (zie rov 2.8). Daarnaast heeft [verzoekster] mediation ingezet in een poging de situatie te verbeteren. Als [verweerder] gevolg had gegeven aan het redelijke verzoek van [verzoekster] was de arbeidsverhouding naar verwachting niet zodanig verstoord geraakt. Het verzoek tot toekennen van een billijke vergoeding wordt daarom afgewezen.\n\n4.20.. \n [verzoekster] hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.\n\nProceskosten4.21.. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft en geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2026,\n\n5.2.. veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 17.184,09 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.3.. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,\n\n5.4.. verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en mr M. Hillebrink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n51447.MVU","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6467","2026-07-13T00:28:54.197Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":51,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":36,"updatedAt":53},"718","ECLI:NL:RBAMS:2026:6434","ecli-nl-rbams-2026-6434","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F787825 \u002F KG ZA 26-398 MdV\u002FKH\n\nVonnis in kort geding van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nGRAND RELOCATION B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\neisende partij bij gelijkluidende dagvaardingen van 22 mei 2026,\n\nhierna te noemen: Grand Relocation,\n\nadvocaten: mr. I.A. Hoedemaeker en mr. G.T. Poolman,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] , handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 1] ,\n\nte [plaats 1] , 2. [gedaagde 2],handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 2],\n\nte [plaats 2] , 3. [gedaagde 3], handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 3],\n\nte [plaats 3] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: gedaagden,\n\nadvocaat: mr. Y. Moszkowicz.\n\n1. De procedure\n\nTer zitting van 10 juni 2026 heeft Grand Relocation de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Namens gedaagden is verweer gevoerd. Grand Relocation heeft producties ingediend en beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen. Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag. Ter zitting waren, voor zover relevant, aanwezig:\n\nnamens Grand Relocation: [naam 1] ( [functie 1] ) en [naam 2] ( [functie 2] ) met mr. Hoedemaeker en mr. Poolman,\n\nnamens gedaagden: mr. Moszkowicz.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Grand Relocation is een onderneming die zich richt op beheersactiviteiten, exploitatie van onroerend goed, bemiddeling bij de (ver)huur van woonruimte en verwerving, restauratie en instandhouding van beschermde monumenten.\n\n2.2.. Gedaagden zijn voormalig medewerkers van Grand Relocation. [gedaagde 3] heeft er vijf jaar gewerkt, [gedaagde 1] acht jaar en [gedaagde 2] meer dan tien jaar.\n\n2.3.. De eenmanszaak van [gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 1] , is opgericht op 4 oktober 2020. De eenmanszaak van [gedaagde 3] , [handelsnaam gedaagde 3] , op 26 oktober 2023 en de eenmanszaak van [gedaagde 2] , [handelsnaam gedaagde 2] , op 1 januari 2024.\n\n2.4.. \n [gedaagde 3] is per 1 november 2024 uit dienst getreden. [gedaagde 2] is op 11 juni 2025 op staande voet ontslagen. [gedaagde 1] is op diezelfde datum op non-actief gesteld en na onderzoek is op 13 juni 2025 ook hij op staande voet ontslagen. In de ontslagbrieven aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] staat in het kort dat Grand Relocation documenten heeft aangetroffen op een aan haar toebehorende computer, waaruit zij heeft opgemaakt dat vanuit ongelieerde eenmanszaken ( [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] ) facturen zijn verzonden aan klanten van Grand Relocation, die vanuit Grand Relocation verzonden hadden moeten worden. Het zou gaan om een bedrag van ten minste € 26.266,24. In de brief aan [gedaagde 1] staat verder dat is gebleken dat zijn naam meerdere keren terugkomt in relatie tot de operaties van [handelsnaam gedaagde 3] .\n\n2.5.. Op 29 oktober 2025 stuurt Grand Relocation een brief aan gedaagden. Daarin staat samengevat dat zij zich gezamenlijk schuldig hebben gemaakt aan het wegsluizen van klanten, opdrachten en omzet van Grand Relocation naar hun eigen eenmanszaken. Zij stelt hen aansprakelijk voor de door haar geleden schade. Om de volledige schade te kunnen vaststellen verzoekt zij hun uiterlijk binnen 14 dagen verschillende stukken met betrekking tot de administratie van [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 3] en [handelsnaam gedaagde 2] te verstrekken. Tot op heden zijn de gevraagde stukken niet aangeleverd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nGrand Relocation vordert, na eiswijziging, om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:\n\nI. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, te verbieden om fysieke of digitale administratie, e-mails, chats, cloudbestanden, facturen, bankmutaties en agenda's met betrekking tot de in de dagvaarding omschreven activiteiten (waaronder in ieder geval de eenmanszaken [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] en [handelsnaam gedaagde 3] ) te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken;\n\nPrimair\n\nII. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis aan Grand Relocation afschrift te verstrekken van de navolgende 'Stukken' ten aanzien van hun eigen respectievelijke entiteiten ( [gedaagde 1] voor [handelsnaam gedaagde 1] , [gedaagde 2] voor [handelsnaam gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor [handelsnaam gedaagde 3] ):\n\na. De Excel-, CSV- en boekhoudbestanden (waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, bestanden vergelijkbaar met \" [documentnaam 1] \" en \" [documentnaam 2] \") opgemaakt of gewijzigd in de periode 1 januari 2022 (de voorzieningenrechter begrijpt: 2021, zie verderop) tot de dag van dit vonnis, waarin omzet, fee, commissie, winstverdeling, namen of initialen van gedaagden of klanten en betaalstatus zijn opgenomen;\n\nb. De bankafschriften over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis van bankrekeningen (waaronder mede begrepen Revolut-rekeningen) voor zover deze zijn gebruikt ten behoeve van de genoemde entiteiten;\n\nc. De overeenkomsten aangaande vastgoedbemiddeling of beheer die in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis zijn gesloten met derden;\n\nd. De (e-mail)correspondentie en chatberichten (waaronder WhatsApp) verzonden of ontvangen in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis met derden die tevens relatie zijn of zijn geweest van Grand Relocation;\n\ne. De aangifte inkomstenbelasting van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , en [gedaagde 3] voor zover deze betrekking hebben op [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] vanaf 1 januari 2021 tot datum heden.\n\nIII. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om, binnen voormelde termijn, een schriftelijke en gespecificeerde opgave te doen aan Grand Relocation van klanten, adressen, deals, ontvangen bedragen, gebruikte bankrekeningen, contante ontvangsten en de onderlinge winstverdeling ter zake van de omschreven werkzaamheden over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis;\n\nSubsidiair\n\nIV. ieder van de gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen tot afgifte van de onder II. genoemde Stukken ten aanzien van de ándere in deze dagvaarding genoemde entiteiten, voor zover zij daarover uit hoofde van hun samenwerking feitelijk beschikken dan wel de beschikkingsmacht hebben;\n\nMeer subsidiair\n\nV. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd (voorzien van bewijsstukken) op te geven over welke van de onder II genoemde Stukken zij wél en niet beschikken, waar deze zich bevinden en via welke (cloud\u002Fmail\u002Fboekhoud) omgevingen deze toegankelijk zijn;\n\nIn alle gevallen\n\nVI. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, met onmiddellijke ingang te verbieden om nog langer gebruik te maken van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, modellen, templates en klantgegevens van Grand Relocation, op straffe van een dwangsom;\n\nVII. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, met onmiddellijke ingang te verbieden om, met gebruikmaking van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, klantgegevens, modellen of templates afkomstig van Grand Relocation, relaties van Grand Relocation te benaderen voor het aanbieden van diensten aangaande vastgoedbemiddeling, exploitatie of -beheer, op straffe van een dwangsom;\n\nVIII. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. Grand Relocation licht haar vordering als volgt toe. Zij heeft op 10 juni 2025 op een van haar computers documenten aangetroffen. Daaruit blijkt dat gedaagden ten tijde van hun dienstverband, naar het lijkt al sinds 2021, in georganiseerd verband een schaduwonderneming hebben opgezet en die meerdere jaren hebben geëxploiteerd. Zij hebben klanten, opdrachten en omzet van Grand Relocation naar hun eigen eenmanszaken en privérekeningen weggesluisd. In de aangetroffen documenten is een taakverdeling tussen gedaagden aangetroffen, zijn facturen gezien die vanuit de verschillende eenmanszaken werden verzonden, is een overzicht gevonden van hoe de winst werd verdeeld (en grotendeels cash werd uitbetaald), en is gezien dat voor een email-account van een van de eenmanszaken een wachtwoord werd gebruikt dat bestaat uit de drie voornamen van gedaagden. Ook zijn er e-mails aangetroffen waaruit blijkt dat klanten van Grand Relocation werden doorverwezen naar [handelsnaam gedaagde 3] . Dit is in strijd met het met gedaagden overeengekomen nevenwerkzaamhedenbeding en geheimhoudingsbeding. Ook los daarvan is het handelen van gedaagden onrechtmatig. Hierdoor heeft Grand Relocation schade geleden. Om te kunnen zien om hoeveel schade het gaat en om die schade op gedaagden te kunnen verhalen in een bodemprocedure, heeft zij de opgevraagde stukken nodig. Verder zijn de vorderingen erop gericht dat het onrechtmatig handelen stopt.\n\n3.3.. Gedaagden voeren verweer. Er is geen sprake van een spoedeisend belang, nu Grand Relocation pas een jaar na het laatste contact een kort geding start. Daarnaast is artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geschonden door te stellen dat ‘tot op heden geen inhoudelijk verweer is gevoerd’, terwijl dat wel het geval was, en doordat mr. Moszkowicz niet is betrokken als advocaat van gedaagden, maar de stukken rechtstreeks aan gedaagden verzonden zijn. Ook zijn de aangetroffen documenten op de werkcomputer van [gedaagde 2] onrechtmatig verkregen, nu deze beveiligd was met een persoonlijk wachtwoord dat uitsluitend bij haar bekend was. Toegang is verkregen door dat persoonlijke account te omzeilen en vervolgens haar persoonlijke cloudopslag en zelfs privémail te openen. Daar is geen toestemming voor verleend. Dit is in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ook levert dit een strafbaar feit op in de zin van artikel 138ab, 350a Sr en 272 Wetboek van Strafrecht. Dit verkregen bewijs dient daarom buiten beschouwing te blijven. Tot slot is nakoming van de vorderingen onmogelijk, nu de door Grand Relocation gevorderde stukken niet bestaan. Grand Relocation baseert dat ook slechts op een vermoeden. Voor zover wel wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen, geldt dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 194 en 195 Rv. Ook een belangenafweging zou tot afwijzing moeten leiden.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In dit kort geding gaat het in het kort om de vraag of gedaagden gehouden zijn om de opgevraagde stukken beschikbaar te houden en over te leggen. Gedaagden hebben daartegen vooral formele bezwaren opgeworpen. Die zullen hierna eerst worden besproken, waarna een inhoudelijke beoordeling volgt.\n\n4.2.. Grand Relocation heeft haar eis gewijzigd in een door haar ter zitting deels voorgedragen pleitnota. Gedaagden hebben daartegen bezwaar gemaakt omdat wijziging van eis volgens hen per akte moet plaatsvinden. De eiswijziging wordt toegestaan, nu deze voldoet aan artikel 10.1 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken, waarin staat dat eiswijziging schriftelijk moet (en ook nog ter zitting mag worden gedaan met pen en papier, zonder dat ondertekening vereist is). Inhoudelijk worden gedaagden door de eiswijziging niet in hun belangen geschaad. Bij de beoordeling wordt daarom uitgegaan van de gewijzigde eis.\n\n4.3.. Volgens gedaagden is daarnaast geen sprake van een spoedeisend belang omdat Grand Relocation zelf pas een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomsten actie onderneemt door dit kort geding te starten. Daarin worden gedaagden niet gevolgd. Grand Relocation heeft ter zitting toegelicht dat zij in dat jaar bezig is geweest om de benodigde informatie van gedaagden te krijgen, een dossier op te bouwen en heeft geprobeerd om de kwestie zonder rechterlijke tussenkomst op te lossen. Dat zij een jaar heeft stilgezeten voordat zij actie ondernam, is dus feitelijk niet juist. Voor het overige volgt de spoedeisendheid voldoende uit de vorderingen zelf.\n\n4.4.. Verder voeren gedaagden aan dat artikel 21 Rv is geschonden, omdat hun advocaat niet (tijdig) is betrokken bij dit kort geding, terwijl duidelijk was dat mr. Moszkowicz hen bijstaat gelet op eerdere correspondentie. Dat levert geen schending op van artikel 21 Rv, maar zou hooguit kunnen resulteren in een aanhouding van de zaak om mr. Moszkowicz in de gelegenheid te stellen om zich in te lezen. Aanhouding is echter niet gevraagd. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat gedaagden zich voldoende hebben kunnen voorbereiden.\n\n4.5.. Daarnaast zijn de stukken waarop Grand Relocation haar vorderingen baseert volgens gedaagden onrechtmatig verkregen, reden waarom die volgens hen buiten beschouwing zouden moeten blijven. Deze (betwiste) stelling wordt niet gevolgd. De documenten zijn aangetroffen op een computer die eigendom is van Grand Relocation. Als het bewijs al onrechtmatig verkregen zou zijn, betekent dat in het civiele recht niet zonder meer dat de (voorzieningen)rechter dit bewijs niet aan haar oordeel ten grondslag mag leggen. Dat geldt te meer in dit geval nu uit de stukken vrij evident volgt dat gedaagden zich ten tijde van hun dienstverband hebben beziggehouden met concurrerende werkzaamheden, wat op zichzelf ook niet gemotiveerd door gedaagden wordt betwist. De stelling van gedaagden dat zij toestemming hadden, is op geen enkele manier onderbouwd en is niet geloofwaardig.\n\n4.6.. Ten aanzien van [gedaagde 2] stellen gedaagden dat geen ondertekende arbeidsovereenkomst is overgelegd waaruit blijkt dat een nevenwerkzaamhedenbeding en\u002Fof een geheimhoudingsbeding met haar is overeengekomen. Ook dat baat gedaagden niet, nu Grand Relocation haar vorderingen niet uitsluitend baseert op de stelling dat in strijd met de arbeidsovereenkomst nevenwerkzaamheden zijn verricht of bedrijfsgevoelige informatie is gebruikt, maar ook op de stelling dat gedaagden in algemene zin onrechtmatig hebben gehandeld.\n\n4.7.. Op grond van de overgelegde stukken die Grand Relocation heeft achterhaald, is voorshands aannemelijk dat gedaagden zich hebben beziggehouden met onrechtmatig concurrerende activiteiten. De stukken waarvan afgifte wordt gevorderd zijn van belang voor het in kaart brengen van de omvang daarvan en de schade die als gevolg daarvan is geleden. Dat gedaagden de stukken niet hebben, is niet aannemelijk gelet op de administratieplicht die voor de eenmanszaken geldt, en strookt overigens ook niet met hun andere stelling dat de vorderingen moeten worden afgewezen vanwege privacy-redenen. Daarbij hebben gedaagden ook niet onderbouwd welke stukken niet zouden kunnen worden overgelegd gelet op de AVG. De stukken zijn verder voldoende bepaald; van een fishing expedition zoals gedaagden stellen is geen sprake.\n\n4.8.. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Het belang van Grand Relocation bij het achterhalen van de omvang van de concurrerende werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende schade weegt zwaarder dan het belang van gedaagden om die informatie voor zichzelf te houden vanwege het feit dat dit hun persoonlijke levenssfeer in vergaande mate zou raken, zoals zij menen.\n\n4.9.. \n\nGelet op voorgaande worden de (primaire) vorderingen I tot en met III en de vorderingen VI tot en met VIII toegewezen. In haar eiswijziging heeft Grand Relocation beschreven dat in vordering II onder b, c en d en vordering III overal waar 1 januari 2022 staat, 1 januari 2021 moet worden gelezen omdat de concurrerende werkzaamheden volgens haar begonnen in 2021. Die eiswijziging heeft geen betrekking op vordering II sub a, maar dat wordt – gelet op de motivering dat de werkzaamheden in 2021 zijn gestart – als een kennelijke verschrijving gezien. Dat onderdeel van vordering II wordt daarom ook toegewezen over de periode 1 januari 2021 tot aan de dag van het vonnis.\n\nVerder wordt bij vordering II en III een termijn van vijf dagen gehanteerd. Aan de toegewezen vorderingen zal ook een dwangsom worden verbonden, nu er gelet op de houding van gedaagden niet op kan worden vertrouwd dat zij daaraan vrijwillig zullen voldoen. De gevorderde dwangsom wordt gematigd zoals hierna bij de beslissing bepaald .\n\n4.10.. Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Grand Relocation worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n388,62\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.489,62\n\n4.11.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.12.. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. verbiedt gedaagden om fysieke of digitale administratie, e-mails, chats, cloudbestanden, facturen, bankmutaties en agenda's met betrekking tot de in de dagvaarding omschreven activiteiten (waaronder in ieder geval de eenmanszaken [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] en [handelsnaam gedaagde 3] ) te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken,\n\n5.2.. \n\nveroordeelt gedaagden om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis aan Grand Relocation afschrift te verstrekken van de navolgende 'Stukken' ten aanzien van hun eigen respectievelijke entiteiten ( [gedaagde 1] voor [handelsnaam gedaagde 1] , [gedaagde 2] voor [handelsnaam gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor [handelsnaam gedaagde 3] ):\n\na. de Excel-, CSV- en boekhoudbestanden (waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, bestanden vergelijkbaar met \" [documentnaam 1] \" en \" [documentnaam 2] \") opgemaakt of gewijzigd in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis, waarin omzet, fee, commissie, winstverdeling, namen of initialen van gedaagden of klanten en betaalstatus zijn opgenomen,\n\nb. de bankafschriften over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis van bankrekeningen (waaronder mede begrepen Revolut-rekeningen) voor zover deze zijn gebruikt ten behoeve van de genoemde entiteiten,\n\nc. de overeenkomsten aangaande vastgoedbemiddeling of beheer die in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis zijn gesloten met derden,\n\nd. de (e-mail)correspondentie en chatberichten (waaronder WhatsApp) verzonden of ontvangen in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis met derden die tevens relatie zijn of zijn geweest van Grand Relocation,\n\ne. de aangifte inkomstenbelasting van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor zover deze betrekking hebben op [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] vanaf 1 januari 2021 tot datum heden,\n\n5.3.. veroordeelt gedaagden om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis, een schriftelijke en gespecificeerde opgave te doen aan Grand Relocation van klanten, adressen, deals, ontvangen bedragen, gebruikte bankrekeningen, contante ontvangsten en de onderlinge winstverdeling ter zake van de omschreven werkzaamheden over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis,\n\n5.4.. verbiedt gedaagden met onmiddellijke ingang om nog langer gebruik te maken van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, modellen, templates en klantgegevens van Grand Relocation,\n\n5.5.. verbiedt gedaagden met onmiddellijke ingang om, met gebruikmaking van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, klantgegevens, modellen of templates afkomstig van Grand Relocation, relaties van Grand Relocation te benaderen voor het aanbieden van diensten aangaande vastgoedbemiddeling, exploitatie of -beheer,\n\n5.6.. veroordeelt gedaagden om aan Grand Relocation een dwangsom te betalen van € 250 per persoon, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij\u002Fzij niet aan de veroordelingen onder 5.1 tot en met 5.5 voldoet, tot een maximum van € 50.000 per persoon is bereikt,\n\n5.7.. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 2.489,62,\n\n5.8.. veroordeelt gedaagden, als zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en het vonnis vervolgens wordt betekend, in de extra proceskosten van € 98 plus de kosten van betekening,\n\n5.9.. veroordeelt gedaagden tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en tot betaling van de wettelijke rente over € 98 plus de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening,\n\n5.10.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.11.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\nColl: EB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6434","2026-07-13T00:28:44.583Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":36,"updatedAt":62},"717","ECLI:NL:RBAMS:2026:6601","ecli-nl-rbams-2026-6601","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12162456 \\ EA VERZ 26-386\n\nBeschikking van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. J.N.A. Dijkman,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap GOOGLE NETHERLANDS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Google,\n\ngemachtigde: mr. K. van Kranenburg-Hanspians.\n\nVERLOOP VAN DE PROCEDURE\n\nOp verzoek van [verzoeker] is op 24 maart 2026 een verzoekschrift, met producties, ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 196 en 197 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.\n\nOp 28 mei 2026 is door Google een verweerschrift, met producties, ingediend.\n\n De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. [verzoeker] is verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. Namens Google zijn [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] verschenen, vergezeld van de gemachtigde en mr. M.M.J. van Vliet. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn namens [verzoeker] nog aanvullende stukken in het geding gebracht. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van overgelegde pleitnotities, zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord.\n\nTen slotte is een datum voor beschikking bepaald.\n\nGRONDEN VAN DE BESLISSING\n\nFeiten\n\n1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:1.1.. \n [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1989, is in oktober 2016 in dienst getreden bij Google Inc in de Verenigde Staten en vervolgens op 26 augustus 2019 in dienst getreden bij Google in de functie [functie] . Zijn salaris bedraagt € 9.666,67 bruto per maand.1.2.. Op 20 februari 2026 heeft Google een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] ingediend bij de kantonrechter te Amsterdam. Op 6 maart 2026 is de mondelinge behandeling hiervoor bepaald op 3 juni 2026.1.3.. \n\nIn het verzoekschrift wordt door Google een samenvatting gegeven van de feiten en omstandigheden die volgens Google leiden tot een onherstelbare verstoring van de arbeidsrelatie tussen haar en [verzoeker] op grond waarvan de arbeidsovereenkomst moet eindigen. Dit zijn:\n\n- Werkrelatie onder druk;\n\n- Interactie tussen [verzoeker] en zijn manager: lastig en teleurstellend;\n\n- Het functioneren van [verzoeker] leidt tot het einde van zijn inzet voor het klantaccount;\n\n- Frictie over het “hoe en wat”;\n\n- [verzoeker] staat niet open voor feedback;\n\n- Geen werkzaamheden sinds 22 oktober 2024: frequent ziekteverzuim wegens werkconflict;\n\n- [verzoeker] onderzoekt andere functies binnen Google in de VS.\n\n- [verzoeker] klaagt over prestatiebeoordelingen en verbeterplan.1.4.. In het daar namens [verzoeker] tegen ingediende verweerschrift van 26 mei 2026 is door [verzoeker] verweer gevoerd en is verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen.1.5.. In het verweerschrift heeft [verzoeker] vermeld dat hij op 15 oktober 2025 door het Huis voor Klokkenluiders formeel erkend is als klokkenluider en op 23 juli door de Autoriteit Consument en Markt is erkend als klokkenluider, zodat hij een beschermde status heeft in de ontbindingsprocedure. Verder voert hij aan dat het door Google uitgevoerde onderzoek door het Employee Relations ernstig gebrekkig is geweest. [verzoeker] betwist in het verweerschrift dat sprake is van niet goed presteren en bestrijdt dat hij niet open stond voor feedback. Ook voert [verzoeker] aan dat Google niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan en betoogt hij dat Google in strijd heeft gehandeld met de Wet Gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Ten slotte heeft [verzoeker] een algemeen bewijsaanbod gedaan.1.6.. In de ontbindingsprocedure heeft [verzoeker] een verzoek tot een billijke vergoeding ingediend.\n\nVerzoek\n\n2. [verzoeker] verzoekt een voorlopig getuigenverhoor te bepalen. [verzoeker] voert daarvoor de volgende juridische grondslagen aan. Allereerst is volgens hem sprake van schending van het benadelingsverbod ex artikel 17 e van de Wet Bescherming Klokkenluiders (hierna WBK), een melder mag niet benadeeld worden gedurende en na de behandeling van een melding van een vermoeden van een misstand. [verzoeker] is door twee overheidsinstanties erkend als klokkenluider. Indien een melder wordt benadeeld is sprake van een bewijslastomkering en wordt vermoed dat de benadeling het gevolg daarvan is en ligt het op de weg van de werkgever om het tegendeel te bewijzen. Verder is Google haar verplichtingen als goed werkgever als bedoeld in 7:611 BW niet nagekomen door een gebrekkig onderzoek, nalevingsconflicten te herformuleren als samenwerkingsproblemen, vergeldingsmaatregelen te nemen tijdens ziekteverlof en een werknemer met een beschermde status te confronteren met een ultimatum. Daarnaast heeft Google de re-integratie van [verzoeker] niet tijdig en adequaat bevorderd, hetgeen door het UWV formeel is vastgesteld, aldus [verzoeker] . Voorts is sprake van schending van artikel 15 van de AVG. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft geoordeeld dat de opschorting van het inzageverzoek van [verzoeker] onwettig was. Google heeft documenten retroactief verwijderd uit latere producties en wisselende rechtvaardigingen daarvoor gehanteerd. Ten slotte is sprake geweest van schending van gelijke behandeling ex artikel 2 en 4 WGBH\u002FCZ door het systematisch weigeren van redelijke aanpassingen voor een gediagnosticeerde neurodivergente werknemer, gevolgd door nadelige maatregelen op basis van daaruit voortvloeiende prestatiedwang, een vorm van verboden onderscheid, aldus [verzoeker] . Hij overweegt een bodemprocedure te starten. De mogelijke vorderingen zijn, aldus [verzoeker] :\n\nVerklaring voor recht dat Google het benadelingsverbod van de WBK heeft geschonden;\n\nVerklaring voor recht dat Google de re-integratieverplichtingen ex artikel 7:658a BW heeft geschonden;\n\nVerklaring voor recht dat Google de AVG heeft geschonden;\n\nVerklaring voor recht dat Google heeft gediscrimineerd op grond van handicap;\n\nSchadevergoeding wegens de geleden materiële en immateriële schade;\n\nRectificatie van het interne personeelsdossier.\n\nVerweer\n\n3. Google verweert zich tegen het verzoek en voert daartoe het volgende aan, kort weergegeven. [verzoeker] is te laat met zijn verzoek. Via dit verzoek probeert [verzoeker] bewijs te verzamelen ten behoeve van de ontbindingsprocedure die al aanhangig is. Er is ook geen onderscheid tussen de kernonderwerpen van de beide procedures. Elk onderwerp dat [verzoeker] in het onderhavige verzoek aan de orde stelt, speelt ook in de ontbindingsprocedure. Subsidiair voert Google aan dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen op grond van strijd met de goede procesorde, onvoldoende belang, dan wel misbruik van procesrecht.\n\nBeoordeling\n\n4. Voordat een zaak aanhangig is, kan een belanghebbende partij op grond van artikel 196 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de rechter verzoeken één of meer voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, zoals het horen van getuigen. Het doel van een voorlopig getuigenverhoor is gelegen in het snel verkrijgen van opheldering over omstreden of onbekende feiten en te voorkomen dat bewijs verloren gaat. Ook kan de verzoekende partij aan de hand van de getuigenverklaringen haar positie in een mogelijke procedure of in de onderhandelingen beter inschatten en beoordelen of het raadzaam is om een procedure te beginnen. Van aanhangig zijn van een procedure geldt dat hiervan sprake is indien, zoals in het onderhavige geval, een verzoekschrift ter griffie is ingediend.\n\n5. Niet in geschil is dat de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door Google op 20 februari 2026 is gestart voordat [verzoeker] dit verzoek tot het horen van de getuigen heeft ingediend. Het ligt tegen die achtergrond dan ook op zijn weg om in deze proceure aannemelijk te maken dat het gevraagde voorlopig getuigenverhoor geen verband houdt met de kwesties die in de ontbindingsprocedure (de bodemprocedure) aan de orde gebracht zullen worden of daar behandeld kunnen worden. In dat geval zou er immers geen bodemprocedure zijn waarin die kwesties aanhangig zijn. [verzoeker] is niet geslaagd dat aannemelijk te maken. Alle door [verzoeker] aangevoerde gronden voor het houden van het voorlopig getuigenverhoor zijn ook in de ontbindingsprocedure aan de orde. De vraag of [verzoeker] als klokkenluider moet worden aangemerkt ligt ter beoordeling voor in de ontbindingsproceure, nu [verzoeker] daarin betoogt dat de bewijslast op grond van de WBK moet worden omgekeerd. De vraag of Google als goed werkgever heeft gehandeld en de gronden die daarvoor door [verzoeker] naar voren zijn gebracht, het gebrekkige onderzoek, de beoordelingkwesties en de samenwerking, zullen bij de beoordeling of het dienstverband moet voortduren aan de orde komen. Zo nodig kunnen daar de getuigen over gehoord worden, ook de vraag of alle documenten daarvoor beschikbaar zijn. Datzelfde geldt voor het verwijt dat Google niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Of Google discriminatoir heeft gehandeld, is door [verzoeker] ook ingebracht in de ontbindingsprocedure, zodat ook daar in de bodemprocedure een oordeel zal moeten worden gevormd en zo nodig getuigen gehoord kunnen worden. In aanvulling is ter terechtzitting gebleken dat [verzoeker] in de ontbindingsprocedure een billijke vergoeding heeft gevorerd, zodat het verzoek tot het vaststellen van een schadevergoeding geen zelfstandige grond voor een voorlopig getuigenverhoor oplevert. Voor zover namens [verzoeker] ter terechtzitting nog is betoogd dat in de ontbindingsprocedure slechts beperkt ruimte is voor een dergelijk onderzoek en hij graag de onderste steen boven wil krijgen, brengt dat enkele betoog – wat daarvan ook zij- niet mee dat daarmee de verplichting dat de voorlopige bewijsverrichting eerder gestart moet zijn dan de bodemprocedure, kan worden ontlopen.\n\n6. Het past niet (meer) in het wettelijk systeem om de door [verzoeker] in deze procedure opgeworpen kwesties in een afzonderlijke getuigenverhoor op te helderen. Daarvoor biedt de ontbindingsprocedure alle mogelijkheden.\n\n7. [verzoeker] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. [verzoeker] wordt veroordeeld in de kosten van dit geding, aan de zijde van Google begroot als na te melden,\n\nBESLISSING\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoek;\n\nveroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 577,00 aan salaris van de gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening van € 72,00 als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\nverklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6601","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:44.529Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":36,"updatedAt":71},"1307","ECLI:NL:RBAMS:2026:6538","ecli-nl-rbams-2026-6538","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11624821 \\ CV EXPL 25-5169\n\nVonnis van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nMEDIA MARKT [locatie] B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Media Markt,\n\ngemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\ngemachtigde: mr. A. Harmanci.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet tussenvonnis van 20 juni 2025,\n\nde mondelinge behandeling van 25 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,\n\nde akte van Media Markt,\n\nde akte van [gedaagde].\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde] is bij Media Markt in dienst geweest op basis van een contract voor bepaalde tijd.\n\n2.2.. Tijdens het dienstverband heeft [gedaagde] zich ziek gemeld. Media Markt heeft daarom vanaf 5 november 2018 een ziektewetuitkering aangevraagd bij het Uitkeringsorgaan Werknemers Verzekeringen (UWV), op basis waarvan het loon elke maand werd doorbetaald aan [gedaagde].\n\n2.3.. Op het moment dat arbeidsovereenkomst op 11 mei 2019 van rechtswege eindigde was [gedaagde] nog arbeidsongeschikt. Vanaf 11 mei 2019 was Media Markt als ‘eigenrisicodrager' voor de Ziektewet degene die aan [gedaagde] de ziektewetuitkering betaalde.\n\n2.4.. \n\nOp 8 september 2020 heeft het UWV aan [gedaagde] per brief ondermeer het volgende bericht:\n\n“(…)\n\nVoor de ziektewet geldt dat u zich aan een aantal regels dient te houden. Een daarvan is dat u moet meewerken aan het verkrijgen van passende arbeid. U heeft de gelegenheid gehad uit te leggen waarom u zich niet aan de regels heeft gehouden. U heeft geen geldige reden opgegeven,\n\nDaarom verlaagt uw (ex-) werkgever uw Ziektewet-uitkering vanaf 10 augustus 2020 met 100%. (…)”.\n\n2.5.. \n [gedaagde] had tot 20 oktober 2020 om, een bezwaarschrift tegen de beslissing van het UWV in te dienen. Dat heeft hij niet heeft gedaan.\n\n2.6.. Op 28 september 2020 en 27 oktober 2020 heeft Media Markt aan [gedaagde] in totaal een bedrag van € 2.400,36 aan Ziektewet uitkering uitbetaald.\n\n2.7.. Nadat [gedaagde] door Madia Markt een aantal keer is aangemaand om het bedrag van € 2.400,36 terug te betalen is op 10 november 2023 door de gemachtigde van Media Markt aan [gedaagde] een zogenaamde veertiendagen brief gestuurd waarin hem, bij niet betaling binnen 15 dagen, een bedrag van € 360,05 aan buitengerechtelijke incassokosten, alsmede de wettelijke rente worden aangezegd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Media Markt vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.400,36, vermeerderd met rente en kosten. Dat bedrag betreft twee maanden ziektewetuitkeringen die volgens Media Markt op 28 september 2020 respectievelijk 27 oktober 2020 door haar onverschuldigd aan [gedaagde] zijn betaald. Subsidiair stelt Media Markt dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.\n\n3.2.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Media Markt, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Media Markt, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Media Markt in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Vast staat dat [gedaagde] geen bezwaar en (dus ook) geen beroep heeft aangetekend tegen de beslissing van het UWV om de ziektewetuitkering stop te zetten, zoals door het UWV per brief van 8 september 2020 aan [gedaagde] is bericht. Dat het besluit van het UWV daarmee formele rechtskracht heeft gekregen is door [gedaagde] niet betwist. Wel betwist [gedaagde] dat Media Markt de na de stopzetting van de Ziektewetuitkering nog uitgekeerde bedragen van in totaal € 2.400,36 kan terugvorderen in deze procedure. Volgens [gedaagde] is het UWV de enige partij die op grond van artikel 33 van de Ziektewet ten onrechte uitgekeerd ziektegeld kan terugvorderen. Omdat er door het UWV na de stopzetting van de uitkering en het nog twee maanden doorbetalen daarna door Media Markt geen terugvorderingsbesluit is genomen staat volgens [gedaagde] niet vast dat hij gehouden is dat bedrag terug te betalen. Door Media Markt is niet betwist dat het UWV geen terugvorderingsbesluit heeft genomen. Media Markt heeft niet gesteld en ook niet is gebleken dat zij aan het UWV heeft verzocht zo’n besluit te nemen. Op grond waarvan zij ondanks het ontbreken van zo’n terugvorderingsbesluit in deze procedure jegens [gedaagde] aanspraak kan maken op terugbetaling van dat teveel uitbetaalde bedrag heeft zij niet verder uitgewerkt, ook niet in haar akte na comparitie. Media Markt heeft volstaan met het herhalen van het standpunt dat zij het gevorderde bedrag onverschuldigd betaald heeft en reeds daarom terugbetaling kan vorderen.\n\n4.2.. In artikel 33, eerste lid van de Ziektewet staat dat het ziekengeld dat als gevolg van een besluit als bedoeld in onder andere artikel 30a van de Ziektewet onverschuldigd is betaald door het UWV wordt teruggevorderd. Door de wetgever worden in de leden 3 tot en met 6 van artikel 33 van de Ziektewet uitzonderingen gegeven op de verplichting die op het UWV rust om onverschuldigd betaald ziektegeld terug te vorderen. Dat in het geval een (voormalig) werkgever eigenrisicodrager is de terugvorderings-bevoegdheid over gaat op die werkgever, zoals Media Markt lijkt te impliceren, staat niet uitgewerkt in de Ziektewet. Dat de wetgever heeft beoogd om naast de terugvorderingsverplichting van het UVW nog andere mogelijkheden om onterecht uitgekeerd ziektegeld terug te vorderen heeft willen openstellen is gemotiveerd betwist en door Media Markt verder niet onderbouwd. De centrale positie van het UWV bij de uitvoering van de Ziektewet maakt dat kennelijk ook in het geval van een eigenrisicodrager het UWV steeds (als enige) beslissingsbevoegd blijft over korting, stopzetting, terugvordering en invordering van (onverschuldigd uitbetaald) ziektegeld. De verplichting van het UWV op tot terugvordering over te gaan maakt dat een werkgever-eigenrisicodrager niet met lege handen staat; aan het UWV kan worden verzocht tot terugvordering over te gaan, waar het UWV in beginsel toe gehouden is. Op grond van het voorgaande is de conclusie van de kantonrechter dat het niet mogelijk is in een civiele procedure op grond van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking teveel betaald ziektegeld terug te vorderen. Het feit dat [gedaagde] met (de gemachtigde van) Media Markt heeft gecommuniceerd over een afbetalingsregeling maakt het voorgaande niet anders. Dit geldt te meer als er, zoals in deze zaak, geen terugvorderingsbesluit door het UWV is genomen zodat niet vast staat dat [gedaagde] daadwerkelijk ziektegeld dient terug te betalen. De vordering van Media Markt zal dan ook worden afgewezen.\n\n4.3.. Media Markt is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n514,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n506,00\n\n(2 punten × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n125,50\n\nTotaal\n\n€\n\n1.045,50\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. wijst het gevorderde af;\n\n5.2.. veroordeelt Media Markt in de proceskosten van [gedaagde] tot een bedrag van € 1.045,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.M. Patijn, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\n717","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6538","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.108Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":36,"updatedAt":80},"836","ECLI:NL:RBAMS:2026:6867","ecli-nl-rbams-2026-6867","2026-05-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: AWB 24\u002F5390\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiseres]., te [vestigingsplaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. P. le Heux),\n\nen\n\nde minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister\n\n(gemachtigde: mr. J. Boogaard).\n\nSamenvatting\n\nIn deze zaak gaat het om het opleggen van een boete van € 26.000, - aan eiseres. Eiseres heeft in Amsterdam drie winkels waar sappen, koffie en versnaperingen worden verkocht. De winkels worden bevoorraad vanuit een magazijn gelegen aan de [adres]. De minister heeft aan eiseres een boete opgelegd, omdat op die locatie in de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 augustus 2021 één vreemdeling en zes arbeidskrachten van wie de identiteit niet bekend is werkzaamheden hebben verricht voor eiseres, waaronder het snijden en persen van groente en fruit. Dit is in strijd met de Wav. Deze arbeidskrachten waren ingeleend via [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]). Eiseres is het niet eens met de boete. Zij vindt dat zij niet als werkgever van deze arbeidskrachten kan worden aangemerkt. Omdat zij een extern schoonmaakbedrijf had ingehuurd, verkeerde eiseres in de veronderstelling dat zij slechts een dienst afnam. Daarnaast is eiseres om verschillende redenen van mening dat de opgelegde boete te hoog is en daarom lager moet worden vastgesteld. De rechtbank geeft eiseres gedeeltelijk gelijk. Volgens de rechtbank wordt eiseres door de opgelegde boete, gelet op haar financiële situatie, onevenredig hard getroffen. Daarom besluit de rechtbank de boete met 50% te verlagen naar € 13.000, -. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil diende te worden beslecht, wordt dit boetebedrag tot slot verlaagd met 5%, waardoor de boete uitkomt op € 12.350, -.\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 20 november 2023 (hierna: het primaire besluit) heeft de minister aan eiseres een boete opgelegd van € 26.000, - wegens een overtreding van artikel 2, eerste lid van de Wav en zes overtredingen van artikel 15a van de Wav. Ook heeft de minister besloten de inspectiegegevens openbaar te maken. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.\n\nMet het besluit van 12 augustus 2024 (hierna: het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is vertegenwoordigd door [naam 1]en bijgestaan door haar gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nJuridisch kader\n\n1. Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.\n\nAchtergrond\n\n2. Op 23 september 2021 heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie bij een aantal opdrachtgevers van [bedrijf 1] een werkplekcontrole gehouden. Eiseres is in het kader van dit onderzoek op 19 en 25 oktober 2021 bezocht voor administratief onderzoek. Dit onderzoek was gericht op de naleving van de Waadiin de periode 1 maart 2021 tot en met 31 augustus 2021. Uit het onderzoek bleek dat bij eiseres in de periode 1 maart 2021 tot en met 31 augustus 2021 ten minste zeven ingeleende arbeidskrachten arbeid hebben verricht, bestaande uit schoonmaak- en afwaswerkzaamheden en het snijden en persen van groenten en fruit. Dat gaf aanleiding tot nader onderzoek naar de naleving van de Wav.\n\n2.1.. Uit het onderzoek kwam naar voren dat één van de arbeidskrachten, [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) met de Libische nationaliteit, vreemdeling in de zin van de Vwwas en geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Eiseres, noch [bedrijf 1], noch één van de andere inleners was in het bezit van de vereiste tewerkstellingsvergunning. Ook had de vreemdeling geen gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. Van de overige zes betrokken arbeidskrachten zijn de achternamen en de verdere identiteit in het onderzoek onbekend gebleven. Eiseres heeft vervolgens niet aan de mondelinge en schriftelijke vordering van 28 oktober 2022 voldaan om uiterlijk 31 oktober 2022 de identiteit van de zes onbekend gebleven arbeidskrachten vast te stellen aan de hand van een document, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1 tot en met 3 van de WID.\n\n2.2.. Op 8 maart 2023 hebben de inspecteurs de heer [naam 1] gehoord en hun bevindingen vastgelegd in een boeterapport. Dit rapport is aan eiseres toegezonden op 25 april 2023. Met de kennisgeving van 17 oktober 2023 is eiseres op de hoogte gesteld van het voornemen haar een boete van € 28.000, - op te leggen, waarvan € 4.000, - voor het overtreden van artikel 2, eerste lid van de Wav en € 24.000, - voor het overtreden van artikel 15a van de Wav. Tot slot is het voornemen geuit om de inspectiegegevens openbaar te maken. Eiseres heeft op het voornemen gereageerd met een zienswijze.\n\nBesluitvorming\n\n3. Met het primaire besluit – en gehandhaafd na bezwaar met het bestreden besluit – heeft de minister vervolgens het boetebedrag vastgesteld op € 26.000,-, waarvan € 2.000, - voor het overtreden van artikel 2, eerste lid van de Wav en € 24.000, - voor het overtreden van artikel 15a van de Wav. Tot slot is besloten de inspectiegegevens openbaar te maken.\n\nIs er sprake van arbeid en werkgeverschap in de zin van de Wav?\n\n4. Eiseres heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat zij niet kan worden\n\naangemerkt als werkgever in de zin van de Wav. Eiseres is daarom van mening dat de overtredingen met betrekking tot de vreemdeling en de zes arbeidskrachten onterecht is vastgesteld. Doordat zij een extern schoonmaakbedrijf inhuurde, is eiseres altijd in de veronderstelling geweest dat een dienst werd afgenomen. De werkzaamheden vonden enkel in het magazijn plaats, waar in het geheel geen omzet wordt gemaakt en geen klanten komen. Daarnaast ging het om schoonmaakwerkzaamheden, wat geen kerntaken van de onderneming betreffen. Er zijn twee schoonmakers die ook wel eens flesjes met sap hebben gevuld. Ook blijkt volgens eiseres uit het boeterapport dat [bedrijf 1] de schoonmakers instrueerde en aanstuurde en niet eiseres. Schoonmakers werden binnengelaten, maar eiseres bemoeide zich verder niet met hoe zij te werk gingen.\n\n4.1.. De minister heeft aangevoerd dat eiseres terecht is aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav. Volgens de minister staat onbetwist vast dat de vreemdeling en de zes arbeidskrachten werkzaamheden ten behoeve van eiseres hebben verricht. De arbeid bestond uit schoonmaak- en afwaswerkzaamheden en\u002Fof het snijden en persen van groenten en fruit en\u002Fof het vullen van flesjes met (sap van) groenten en fruit. Dat de werkzaamheden plaatsvonden in het magazijn en dat de vreemdeling en de arbeidskrachten geen contact hadden met klanten, maakt niet dat eiseres slechts afnemer van een dienst was. Het gaat immers nog altijd om werkzaamheden waarop eiseres invloed kon uitoefenen.\n\n4.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de Wav uitgaat van een ruime invulling van de begrippen ‘arbeid’ en ‘werkgever’. Diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten, is vergunningplichtig werkgever en deze werkgever is altijd verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning.Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht, is voor het feitelijk werkgeverschap al voldoende.Instemming met, respectievelijk wetenschap van, arbeid is voor de kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav niet vereist. Het begrip ‘arbeid te laten verrichten’ impliceert ook geen actieve rol. Het enkel mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan wordt ook opgevat als het laten verrichten van arbeid.De aard, omvang en duur van de werkzaamheden doen niet ter zake. Helpen is dus ook arbeid in de zin van de Wav. Het is ook niet vereist dat de werkzaamheden een zekere tijd hebben voortgeduurd.\n\n4.2.1.. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 21 september 2011, biedt de geschiedenis van de totstandkoming van de betreffende wettelijke bepalingen van de Wav geen grond voor het standpunt dat in het zakelijke verkeer iedere afnemer van een willekeurig product of een willekeurige dienst, ongeacht relevante feitelijke of juridische aanknopingspunten, als werkgever in de zin van de Wav moet worden aangemerkt, indien blijkt dat er bij de betreffende producent of leverancier vreemdelingen werkzaam zijn geweest. Als algemeen uitgangspunt heeft dan ook te gelden dat in het zakelijke verkeer de afnemer van een product of dienst niet zonder meer als werkgever, in de zin van de Wav, kan worden aangemerkt.\n\n4.2.2.. Uit de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2013volgt dat dat anders kan zijn indien aanwijzingen bestaan dat tussen een opdrachtgever en een dienstverlener een zodanige relatie bestaat dat de opdrachtgever niet meer slechts als afnemer van die dienst kan worden aangemerkt. Het is aan de minister om te motiveren dat, gegeven het samenstel van feiten en omstandigheden, de afnemer als werkgever in de zin van de Wav moet worden aangemerkt. Zo heeft de minister in het geval waarop de uitspraak van 23 oktober 2013 betrekking heeft, toegelicht dat tussen de opdrachtgever en de dienstverlener een zeker samenwerkingsverband was ontstaan, tot uiting komend in een zekere regelmaat waarmee de dienst werd afgenomen en de feitelijke bemoeienis van de opdrachtgever met de wijze van uitvoering van die dienst. Meer in het algemeen geldt dat naar mate de betrokkenheid van de opdrachtgever bij de uitvoering van de dienst groter wordt zich eerder de situatie zal voordoen dat de opdrachtgever niet langer als slechts afnemer van de dienst kan worden aangemerkt. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan de frequentie van de dienstverlening, de feitelijke bemoeienis met de uitvoering van de werkzaamheden en het direct zicht op de werkzaamheden doordat deze bij de opdrachtgever worden uitgevoerd. Indien dergelijke omstandigheden zich in overwegende mate voordoen kan de opdrachtgever invloed uitoefenen op de uitvoering van de werkzaamheden ter voorkoming van overtreding van de Wav en kan dit ook redelijkerwijs van hem worden verlangd.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit en in het verweerschrift, onder verwijzing naar het boeterapport, inzichtelijk heeft gemotiveerd dat sprake was van arbeid in de zin van de Wav en dat eiseres als werkgever in de zin van de Wav en dus niet slechts als afnemer van een dienst kan worden aangemerkt. De stelling van eiseres dat het de arbeidskrachten slechts schoonmaakwerkzaamheden verrichten wat geen kerntaken van de onderneming betreffen, kan haar niet baten. Ook schoonmaken valt onder werkzaamheden ten behoeve van eiseres. Daar komt bij dat, zoals de minister terecht heeft opgemerkt, de stelling van eiseres niet strookt met verklaringen in het boeterapport. Zo heeft productiemanager de heer [naam 2] op 17 februari 2022 op de vraag van de inspecteurs welke werkzaamheden de ingeleende werknemers uitvoerden, geantwoord: \"Persen van groenten en fruit, en in eerste instantie ook veel schoonmaken. (...) Uiteindelijk de uren die ze hier werkten waren ze niet alleen maar aan het schoonmaken, maar ook onderdeel van het productieproces. U vraagt mij of dit dezelfde werkzaamheden zijn als de werknemers die vast in het productieproces draaien, dat kunt u inderdaad wel zo stellen.\"De heer [naam 1] verklaarde op 8 maart 2023: \"Alle personen van [bedrijf 1] deden de volgende werkzaamheden: groenten snijden, schoonmaken en flesjes vullen. [de vreemdeling] deed alleen maar afwassen.”Uit deze verklaringen, maar ook uit het ter verhandelde ter zitting, blijkt bovendien dat het met betrekking tot de andere werkzaamheden (het afwassen en vullen van de flesjes) het niet om enkel twee medewerkers ging, zoals eiseres heeft gesteld. De omstandigheid dat de werkzaamheden in het magazijn hebben plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel. Het magazijn betreft immers een locatie van eiseres waar bedrijfsactiviteiten worden verricht en waar zij als werkgever optreedt.\n\n4.4.. Ook de stelling dat [bedrijf 1] de schoonmakers instrueerde en aanstuurde en niet eiseres, kan niet slagen. Uit de verklaringen in het boeterapport blijkt immers dat eiseres feitelijke bemoeienis had met en leidinggaf aan de uitvoering van de werkzaamheden. Zo heeft de heer [naam 2] verklaard dat de vreemdeling en de arbeidskrachten zich bij aanvang van hun dienst bij hem meldden of bij degene die verantwoordelijk was die dag.Uit de verklaringen blijkt verder dat eiseres direct zicht op de werkzaamheden had. De heer [naam 2] verklaarde verder: \"Het werk was in de productieruimte en [naam 3]' (eigenaar van [bedrijf 1])sprak ik daarbuiten, hij stuurde de werknemers niet aan op de vloer. Met [naam 3] regelde ik de planning, hoeveel mensen en wie er moesten komen.\"De heer [naam 4], wettelijk vertegenwoordiger van [bedrijf 1], verklaarde op 9 september 2022 dat hij 'orders geeft' aan werknemers en dat zij urenbriefjes mee krijgen die door het inlenende bedrijf worden ingevuld.Ook verklaarde hij: \"Ze meldden zich bij mij of bij degene die verantwoordelijk was die dag. En ook niet altijd, want op een gegeven moment wisten ze hier wel de weg. Het was niet verplicht dat ze zich moesten melden.''\n\n4.5.. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister de werkzaamheden die de vreemdeling en de arbeidskrachten hebben verricht terecht als werkzaamheden in de zin van de Wav heeft aangemerkt. Verder heeft de minister eiseres, gezien de frequentie van de dienstverlening, de feitelijke bemoeienis en de locatie van de werkzaamheden, terecht aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav en niet alleen als afnemer van een dienst. De beroepsgrond faalt.\n\nHad de minister uit moeten gaan van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van artikel 15a, van de Wav?\n\n5. Eiseres heeft aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bij de overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav sprake zou zijn van verminderde verwijtbaarheid, terwijl bij de overtredingen van artikel 15a van de Wav wordt uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Volgens eiseres is zij slachtoffer geworden van het handelen door [bedrijf 1], die meerdere bedrijven zou hebben opgelicht. Eiseres stelt dat zij zich na de controle in september 2021 heeft ingespannen om aan de vordering te voldoen en haar bedrijfsprocessen direct heeft aangepast en instructies heeft gegeven aan medewerkers. Daarbij voert zij aan dat het voor haar feitelijk onmogelijk was om aan de vordering te voldoen, omdat de werknemers van [bedrijf 1] en de eigenaar van dat bedrijf na een eerste contactmoment onvindbaar waren. Dat de vordering pas ongeveer een jaar later is opgelegd, heeft volgens eiseres de mogelijkheden om alsnog aan de vordering binnen 48 uur te voldoen onmogelijk gemaakt.\n\n5.1. Zoals uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022volgt, is bij opzettelijk overtreden van artikel 2 of 15a van de Wav 100% van het boetenormbedrag het uitgangspunt en 75% van het boetenormbedrag indien sprake is van grove schuld bij de overtreder. Is er geen sprake van opzet of grove schuld, dan is 50% van het boetenormbedrag een passend uitgangspunt en bij verminderde verwijtbaarheid is dat 25% van het boetenormbedrag.\n\n5.1.1. Bij overtreding van de Wav mag in beginsel worden uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Dat de Wav als zodanig bekend wordt verondersteld en dat deze is overtreden, brengt nog niet met zich dat de werkgever in kwestie de overtreding opzettelijk heeft begaan of daaraan grove schuld heeft. Afwijking naar beneden van genoemde 50% van het boetenormbedrag is aangewezen als sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de werkgever. Onder verminderde verwijtbaarheid worden verstaan situaties waarin het de werkgever niet volledig valt aan te rekenen dat hij de Wav heeft overtreden.\n\n5.1.2.. Afwijking naar boven van het percentage van 50% is gerechtvaardigd bij opzet of grove schuld bij de werkgever. Grove schuld is aan de orde wanneer de mate van verwijtbaarheid hoger ligt dan de normale verwijtbaarheid, maar er geen sprake is van opzet. Bijvoorbeeld in het geval van een ernstige, aan opzet grenzende, mate van verwijtbaarheid. Het gaat dan om ernstige nalatigheid, ernstige onzorgvuldigheid of ernstige onachtzaamheid met als gevolg dat de Wav niet of niet behoorlijk is nageleefd. Van grove schuld kan ook sprake zijn wanneer er omstandigheden zijn die elk op zich normale verwijtbaarheid opleveren, maar in onderlinge samenhang bezien wel leiden tot grove schuld. Het is aan de minister om aan te tonen dat de werkgever met opzet of grove schuld heeft gehandeld.\n\n5.2.. De rechtbank stelt voorop dat in het primaire besluit de mate van verwijtbaarheid voor alle overtredingen met 25% naar beneden is bijgesteld vanwege het lange tijdsverloop tussen de onderzoeksperiode en het verhoor door de inspecteurs. De minister is daarmee (in plaats van normale verwijtbaarheid) gekomen tot verminderende verwijtbaarheidvoor de overtreding vanartikel 2, eerste lid van de Wav. Voor de overtredingen vanartikel 15a van de Wavis de minister (in plaats van grove schuld) gekomen totnormale verwijtbaarheid.\n\n5.2.1.. In het bestreden besluit heeft de minister echter geconcludeerd dat ten aanzien van de overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wavsprake is vangrove schuld, omdat eiseres ernstig onzorgvuldig en nalatig heeft gehandeld en dus niet – zoals eiseres in beroep heeft gesteld – verminderde verwijtbaarheid. Ten aanzien van de overtredingen van artikel15a van de Wavis de minister tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van grove schuld, maar vannormale verwijtbaarheid. Anders dan in het primaire besluit stelt de minister zich op het standpunt dat het tijdsverloop tussen de onderzoeksperiode en het verhoor door de inspecteurs geen invloed heeft op de mate van verwijtbaarheid en de ernst van de overtredingen. Vanwege het verbod op reformatio heeft de minister de eerder toegepaste matiging van de boete voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav wel gehandhaafd. Dit is op de zitting met partijen besproken.\n\n5.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister verder inzichtelijk gemotiveerd hoe zij tot de conclusie is gekomen dat in dit geval sprake is van normale verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van artikel 15a van de Wav. Elke werkgever dient, voordat hij een arbeidskracht werkzaamheden laat verrichten, de identiteit van deze arbeidskracht vast te stellen en in het bezit te zijn van hun identiteitsdocumenten. Eiseres heeft dat niet gedaan en was niet in het bezit van hun identiteitsdocumenten. De minister heeft in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat, als zij de persoonsgegevens van haar arbeidskrachten wel in haar administratie had geregistreerd en in het bezit was van een afschrift van hun identiteitsbewijs, zij tijdig aan de vordering op grond van artikel 15a van de Wav had kunnen voldoen. Dat dit niet is gebeurd, komt voor rekening van eiseres. Ter zitting heeft eiseres nader toegelicht dat zij niet bekend was met de toepasselijke regelgeving en deze niet bewust heeft overtreden. Deze regelgeving kan voor een jong bedrijf complex zijn, aldus eiseres. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit is uitgegaan van normale verwijtbaarheid en dat eiseres dus niet wordt verweten dat zij de regelgeving opzettelijk heeft overtreden dan wel dat sprake is van grove schuld aan de kant van eiseres. Dat de regelgeving complex kan zijn en eiseres een jong bedrijf is, ontslaat haar niet van haar verantwoordelijkheid om zich op de hoogte te stellen van de op haar rustende verplichtingen. Net als de minister ziet de rechtbank daarom geen aanleiding om hier aan te nemen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Dat eiseres zich heeft ingespannen om de gevraagde identiteitsdocumenten alsnog te verkrijgen, maakt niet dat het haar verminderd te verwijten valt dat zij niet aan de vordering kon voldoen. De minister heeft ten aanzien hiervan verder terecht opgemerkt dat het onduidelijk is gebleven hoe vaak en op welke manier geprobeerd is om de identiteitsdocumenten te achterhalen. De beroepsgrond faalt.\n\nMoet de boete gematigd worden vanwege marginale incidentele arbeid?\n\n6. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de boete gematigd dient te worden, omdat de meeste personen ten aanzien van wie een boete is opgelegd slechts enkele keren voor haar hebben gewerkt.\n\n6.1.. De rechtbank overweegt dat deze matigingsgrond voor artikel 2, eerste lid van de Wav staat opgenomen in Bijlage II van de Beleidsregel 2020. Volgens deze Beleidsregel is sprake van marginale, incidentele arbeid als de arbeid van geringe omvang of duur is, onbetaald is en eenmalig heeft plaatsgevonden. Voor artikel 15a zijn geen matigingsgronden opgenomen in de Beleidsregel 2020, maar de omstandigheden van het geval moeten wel worden meegewogen in het kader van de evenredigheidstoets die is opgenomen in artikel 5:46, tweede lid van de Awb.\n\n6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een overtreding van incidentele aard of geringe omvang. De minister heeft er namelijk op gewezen dat uit de stukken blijkt dat de vreemdeling in de maanden april, mei en juni 2021 meerdere dagen per week arbeid heeft verricht voor eiseres, en de overige arbeidskrachten ten minste één dag werkzaamheden voor eiseres hebben verricht. Het aantal gewerkte uren per maand varieerde van 243 tot 485 uur. Verder volgt uit de facturen dat de arbeidskrachten voor hun werkzaamheden zijn betaald. Gelet hierop is voor toepassing van deze matigingsgrond geen aanleiding. De beroepsgrond faalt.\n\nMoet de boete gematigd worden vanwege cumulatie?\n\n7. Eiseres heeft verder naar voren gebracht dat het disproportioneel is om zes boetes op te leggen voor de overtredingen van artikel 15a van de Wav, omdat het om één enkele en dezelfde fout gaat.\n\n7.1.. De rechtbank overweegt dat de cumulatie van boetes voor een overtreding van artikel 15a van de Wav rechtstreeks volgt uit de cumulatiebepaling in artikel 19a, tweede lid, van de Wav. In dit geval heeft eiseres zes op zichzelf staande overtredingen begaan, die elk afzonderlijk beboetbaar zijn. De hoogte van de boete moet echter wel worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.In de zaak die leidde tot de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022zag de Afdeling in de cumulatie van de aan betrokkene opgelegde boetes aanleiding om te matigen. In de zaak van eiseres is echter sprake van een ander feitencomplex. Hoewel het in de genoemde uitspraak ook ging om overtredingen van artikel 15a van de Wav, stond vast dat de werkgever daadwerkelijk de identiteitscontrole uitvoerde voordat de arbeidskrachten werk verrichtten, alleen had nagelaten de gegevens te registreren. Ook is in die zaak meegewogen dat de werkgever tijdig andere adequate maatregelen had doorgevoerd om de werkprocessen te verbeteren. In deze zaak heeft eiseres de identiteit van de arbeidskrachten niet gecontroleerd voorafgaand aan het verrichten van werkzaamheden, maar deze controle overgelaten aan de uitlener. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de boetes te matigen. De beroepsgrond faalt.\n\nMoet de boete gematigd worden vanwege de financiële situatie van eiseres?\n\n8. Eiseres heeft aangevoerd dat zij de gevolgen van de opgelegde boete, gelet op haar financiële situatie niet kan dragen. De boetes bedreigen het voortbestaan van de onderneming. De stelling van de minister dat de financiële situatie zo erg is dat dat een reden is de boete niet te matigen, vindt eiseres onbegrijpelijk.\n\n8.1.. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet onevenredig hard wordt getroffen door de boete. Aangezien uit de overlegde stukken blijkt dat de aangeleverde jaren en naar verwachting 2024 sluiten met een negatief resultaat komt de minister tot de conclusie dat de financiële situatie, ook zonder de aan eiseres opgelegde boete, zodanig is dat in principe een faillissement onafwendbaar lijkt.\n\n8.2.. De rechtbank is van oordeel dat eiseres door de opgelegde boete van € 26.000, - onevenredig wordt getroffen, gelet op de overgelegde financiële gegevens en de niet betwiste schrijnende financiële situatie. Op de zitting heeft de heer [naam 1] toegelicht – hetgeen ook uit de stukken blijkt – dat het momenteel nog steeds slecht gaat met eiseres, maar dat eiseres langzaam richting het break-evenpunt beweegt. De rechtbank volgt de minister daarom niet in zijn standpunt dat de financiële situatie van eiseres van dien aard is dat een faillissement ook zonder (matiging van) de boeteoplegging onafwendbaar was. Eiseres weet zich ondanks haar moeilijke financiële situatie nog steeds staande te houden, al dan niet met financiële injecties van haar bestuurders.\n\n8.3.. \n\nOmdat de rechtbank de boete onevenredig acht, zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd op grond van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. Gelet op het bepaalde in artikel 8:72a van de Awb zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. De rechtbank concludeert dat er aanleiding bestaat om het totale opgelegde boetebedrag met 50% te matigen gelet op de financiële draagkracht van eiseres. Dit betekent dat de rechtbank de boete vaststelt op\n\n€ 13.000, -. De rechtbank is van oordeel dat deze boete evenredig is en tegelijkertijd voldoende afschrikwekkend is in het kader van de noodzaak tot naleving van de Wav.\n\nRedelijke termijn\n\n9. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden.\n\n9.1.. Zoals de Afdeling heeft overwogen is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRMoverschreden indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft voor de beslechting van het geschil in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, terwijl deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden is overschreden, wordt de boete verminderd met 5% met een maximum van € 2.500,00. In geval van een overschrijding van meer dan zes maanden ligt een vermindering met 10% met een maximum van € 2.500,00 in de rede.\n\n9.2.. \n\nIn het onderhavige geval dateert de boetekennisgeving van 17 oktober 2023. Eiseres heeft in de bezwaarprocedure zes weken uitstel gekregen voor het indienen van de gronden.\n\nDe redelijke termijn moet daarom met zes weken worden verlengd en is dus geëindigd op 28 november 2025. Deze uitspraak dateert van 6 mei 2026, waardoor er sprake is van een termijnoverschrijding van minder dan 6 maanden. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de boete met 5% te matigen. De minister verzet zich hier overigens ook niet tegen. Omdat de rechtbank de boete heeft vastgesteld op € 13.000,- betekent dit een matiging van het boetebedrag met € 650,-.\n\n9.3.. De rechtbank concludeert dat de totale hoogte van de boete moet worden vastgesteld op € 12.350, -.\n\nRectificatie openbaarmaking\n\n10. Allerlaatst voert eiseres aan dat de openbaarmaking van de inspectiegegevens dient te worden gerectificeerd.\n\n10.1.. De rechtbank overweegt dat de minister op grond van artikel 19g, eerste lid, van de Wav bij de oplegging van een bestuurlijke boete verplicht is tot openbaarmaking van de inspectiegegevens. Omdat dit een dwingendrechtelijke bepaling uit een wet in formele zin betreft, kan deze bepaling zelf niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel.De rechtbank mag echter wel toetsen of er in het onderhavige geval aanleiding bestaat deze wetsbepaling buiten toepassing te laten, omdat toepassing van deze bepaling in dit concrete geval in strijd zou komen met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat daar in deze zaak geen aanleiding toe bestaat. De openbaarmaking van de inspectiegegevens dient ertoe om naleving van de Wav te bevorderen en inzicht te geven in het uitvoeren van toezicht door de Arbeidsinspectie op grond van de Wav. Er is daarom vanuit het oogpunt van transparantie uitdrukkelijk voor gekozen om geen individuele belangenafweging te verrichten en de inspectiegegevens steeds openbaar te maken. De rechtbank ziet geen aanleiding waarom dat in dit geval onevenredig zou uitpakken. Eiseres heeft dit in beroep ook niet geconcretiseerd dan wel onderbouwd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 12 augustus 2024 en herroept het primaire besluit van 20 november 2023, beide voor wat betreft de hoogte van de boete. De rechtbank stelt zelf het bedrag van de boete vast op € 12.350, -.\n\n11.1.. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.\n\n11.2.. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakt proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. De gemachtigde van eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend en deelgenomen aan een hoorzitting. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde van eiseres heeft een beroepschrift ingediend en is ter zitting verschenen. De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 3.200,- (twee keer € 666,- en twee keer € 934,-).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit, voor wat de hoogte van de boete betreft;\n\n- herroept het primaire besluit, voor wat de hoogte van de boete betreft;\n\n- bepaalt dat het bedrag van de opgelegde boete wordt vastgesteld op € 12.350, -.\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit van 12 augustus 2024;\n\n-bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden; en,\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.200, -.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. I.I. Mooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.\n\ngriffier de rechter,\n\nis buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nConc.:\n\nD:\n\nVK\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE\n\nWet arbeid vreemdelingen\n\nArtikel 1:\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:\n\nb. werkgever:\n\n1°. degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten;\n\nc. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000;\n\nArtikel 2:\n\n1. Het is een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning of zonder dat een vreemdeling in het bezit is van een gecombineerde vergunning voor werkzaamheden bij die werkgever.\n\nArtikel 15a:\n\nDe werkgever is verplicht om binnen 48 uren na een daartoe strekkende vordering van de toezichthouder de identiteit vast te stellen van een persoon van wie op grond van feiten en omstandigheden het vermoeden bestaat dat hij arbeid voor hem verricht of heeft verricht, aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht en de toezichthouder te informeren door een afschrift van dit document te verstrekken.\n\nArtikel 18:\n\nAls overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid 15, 15a en het bepaalde bij of krachtens artikel 2a.\n\nArtikel 19a, tweede lid:\n\nDe terzake van deze wet gestelde overtredingen, gelden ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een overtreding is begaan.\n\nArtikel 19g:\n\n1. De toezichthouder of de door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, maken het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd wegens overtreding van deze wet als bedoeld in artikel 18, dat een besluit is genomen als bedoeld in artikel 17b, tweede lid, of dat na een afgerond onderzoek geen overtreding is geconstateerd openbaar teneinde de naleving van deze wet te bevorderen en inzicht te geven in het uitvoeren van toezicht op grond van deze wet.\n\n2. Bij de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, is artikel 5.1, eerste lid, onderdelen c, d en e, en tweede lid, onderdeel f, van de Wet open overheid 'van overeenkomstige toepassing.\n\n3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de openbaar te maken gegevens, waaronder de mogelijke reactie van een belanghebbende in verband met de openbaarmaking van zijn gegevens, de termijn waarop deze gegevens beschikbaar worden gesteld en de wijze waaróp de openbaarmaking plaatsvindt.\n\n4. Indien geen overtreding is geconstateerd als bedoeld in het eerste lid, is op dat besluit tot openbaarmaking artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.\n\n5. De openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt niet eerder dan nadat tien werkdagen zijn verstreken na de dag waarop het besluit aan belanghebbende bekend is gemaakt.\n\n6. Bij de openbaarmaking wordt vermeld of tegen een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete of een besluit als bedoeld in artikel 17b, tweede lid, een rechtsmiddel is ingesteld dan wel of daartoe de mogelijkheid bestaat.\n\n7. Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de openbaarmaking opgeschort totdat de voorzieningenrechter een uitspraak heeft gedaan.\n\n8. Indien de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het toezicht op de naleving van deze wet dat door de toezichthouders wordt uitgeoefend, blijft openbaarmaking achterwege.\n\nBeleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020\n\nArtikel 1:\n\nBij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen wordt voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen’ die als bijlage I bij deze beleidsregel is gevoegd.\n\nArtikel 7:\n\nDe totale bij een boetebeschikking op te leggen bestuurlijke boete bestaat, ingeval er sprake is van meer overtredingen, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen.\n\nArtikel 11:\n\nIn gevallen waar sprake is van een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen kan de berekende bestuurlijke boete per overtreding met 25%, 50% of 75% worden gematigd afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de evenredigheid, waarbij de matigingsgronden en -percentages neergelegd in het ‘Overzicht specifieke matigingsgronden bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen’ die als bijlage II bij deze beleidsregel is gevoegd als uitgangspunt worden gehanteerd.\n\nBijlage 1:\n\nOp grond van bijlage I, de Tarieflijst boetenormbedragen behorende bij de Beleidsregel 2020 bedraagt de bestuurlijke boete voor rechtspersonen en daarmee gelijkgestelden € 8.000,- per overtreding van artikel 2, eerste lid en ook € 8.000,- per overtreding van 15a van de Wav.\n\nBijlage II, behorende bij artikel 11 van de Beleidsregel:\n\nDe volgende matigingen kunnen worden toegepast, indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid of een overtreding die minder ernstig van aard is. Daarbij geldt dat het percentage groeit naarmate de verwijtbaarheid afneemt of de overtreding als minder ernstig wordt beschouwd. Indien meerdere matigingsgronden aan de orde zijn, worden deze bij elkaar opgeteld tot een maximum van 75%. Matigingsgronden worden dus niet afzonderlijk toegepast, maar in onderlinge samenhang beschouwd. Alleen als een overtreding volledig\n\nniet verwijtbaar is, wordt gematigd met 100%. In dat geval wordt van boeteoplegging afgezien.\n\nBesluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen\n\nArtikel 11.2. Inhoud openbare inspectiegegevens:\n\n1. De gegevens, bedoeld in artikel 19g van de wet, betreffen:\n\na. de punten waarop is gecontroleerd en de wet of wetten die de grondslag daarvoor bieden;\n\nb. de locatie waar het onderzoek heeft plaatsgevonden;\n\nc. de datum of periode waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden;\n\nd. de naam en vestigingsplaats van de betreffende normadressaat;\n\ne. het nummer waaronder de betreffende normadressaat is ingeschreven in een register van het land van vestiging, dan wel de unieke code die naar de betreffende normadressaat te herleiden is; en\n\nf. de sector of branche waarin deze normadressaat zijn economische activiteit verricht.\n\n[…]\n\nArtikel 11.3. Openbare gegevens omtrent opgelegde boetes en stilleggingen:\n\n1. In aanvulling op artikel 11.2, eerste lid, worden indien een onderzoek door de toezichthouder of de door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, en 19a, eerste lid, van de wet, wordt gevolgd door een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 19a, dan wel door een besluit tot bevel tot staken van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 17b, tweede lid, van de wet, de volgende inspectiegegevens over dat besluit openbaar gemaakt:\n\na. welk besluit is genomen, de artikelen van de wet die de grondslag daarvoor bieden en de datum van dat besluit; en\n\nb. welke rechtsmiddelen tegen het besluit zijn of kunnen worden aangewend en wat hiervan de uitkomst was, of dat het besluit onherroepelijk is geworden.\n\n[…]\n\nArtikel 11.5. Reactie van belanghebbende:\n\n1. Op verzoek van de belanghebbende kan een schriftelijke reactie over de openbaarmaking van de gegevens, bedoeld in de artikelen 11.2 en 11.3, van ten hoogste 2.000 leestekens worden gegeven, die zal worden gevoegd bij de openbaar te maken gegevens op de website met informatie van de toezichthouder of de door Onze Minister aangewezen ambtenaren.\n\n2. Onderdelen van de schriftelijke reactie die persoonsgegevens, bedrijfsnamen of bedrijfsgegevens van derden dan wel strafbare of aanstootgevende uitlatingen bevatten, worden niet op de website gepubliceerd.\n\n Wet arbeid vreemdelingen.\n\n De heer [naam 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 2]. [bedrijf 2] is één van de twee bestuurders van [eiseres].\n\n Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Wet op de Identificatieplicht\n\n Zie Kamerstukken II1993\u002F94, 23574, nr. 3, p. 13.\n\n Zie Kamerstukken II1993\u002F94, 23574, nr. 5, p. 2.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2364.\n\n ECLI:NL:RVS:2011:BT2154.\n\n ECLI:NL:RVS:2013:1598.\n\n Bijlage 2 van het boeterapport, p. 2-3.\n\n Bijlage 10 van het boeterapport, p. 4.\n\n Bijlage 2 bij het boeterapport, p. 2.\n\n Bijlage 2 bij het boeterapport, p. 3.\n\n Bijlage 9 bij het boeterapport, p. 1 en 3.\n\n Bijlage 2 bij het boeterapport, p. 2.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:1973, rechtsoverweging 7.1 en 7.2.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1750), onder 8.1.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:873\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0226.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6867","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.378Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":85,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":36,"updatedAt":88},"1047","ECLI:NL:RBAMS:2026:5168","ecli-nl-rbams-2026-5168","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12058431 \\ EA VERZ 26-38\n\nBeschikking van 28 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij in het verzoek,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. E. Zuidema,\n\ntegen\n\nPEARSON & PARTNERS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nverwerende partij in het verzoek,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: Pearson,\n\ngemachtigde: mr. Y.M. van Vliet.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties,\n\n- het verweerschrift met een tegenverzoek met producties,\n\n- het verweerschrift op het tegenverzoek alsmede een aanvulling op het verzoek met producties,\n\n- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026. Op de mondelinge behandeling is [verzoeker] verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Pearson is verschenen, vertegenwoordigd door [naam 1] (bestuurder) en bijgestaan door de gemachtigde. De gemachtigde van [verzoeker] heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De gemachtigde van Pearson heeft een aanvullende productie overgelegd. Beide stukken zijn aan het dossier gevoegd.1.2.. Ter zitting heeft [verzoeker] zijn primaire verzoek gehandhaafd. [verzoeker] verzoekt in deze procedure dan ook de vernietiging van het aan hem gegeven ontslag op staande voet.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1998, is op 27 november 2023 in dienst getreden bij Pearson. De functie van [verzoeker] was [naam functie] met een loon van € 2.600,00 bruto per maand exclusief emolumenten. In geval van een succesvolle plaatsing van een kandidaat bij een opdrachtgever ontving [verzoeker] daarnaast een bonus. [verzoeker] werkte op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met als einddatum 27 januari 2026.\n\n2.2.. In artikel 6 van de arbeidsovereenkomst staat vermeld dat vakantiedagen vooraf schriftelijk moeten worden aangevraagd. In artikel 8 staat dat [verzoeker] bij ziekte zich uiterlijk voor 08:30 uur moet ziekmelden. Verder staat in de arbeidsovereenkomst een concurrentie- en relatiebeding. Ook hanteert Pearson een personeelshandboek.\n\n2.3.. \n\nOp 27 augustus 2024 heeft [verzoeker] van Pearson een schriftelijke officiële waarschuwing ontvangen omdat hij op 19 en 20 augustus 2024 ongeoorloofd afwezig was. In de waarschuwing staat het volgende geschreven:\n\n“Helaas hebben wij moeten constateren dat jij zelf besloten hebt verlof te nemen om niet geldige reden. (…) Wij verzoeken je dan ook met klem om voortaan, jezelf in acht te nemen en bij verlof schriftelijk een aanvraag. Wanneer dit niet gebeurt, zal er een tweede officiële waarschuwing volgen en kan daarna ontslag op staande voet volgen.”\n\n2.4.. Op woensdag 2 juli 2025 was [verzoeker] niet op werk. [verzoeker] heeft de volgende dag per WhatsApp-bericht aan Pearson zijn excuses aangeboden omdat hij zich niet had afgemeld. Verder schrijft [verzoeker] dat hij begrijpt dat zijn gedrag verre van gewenst is en dat hij hoopt dat partijen er samen uitkomen.\n\n2.5.. \n\nOp vrijdag 31 oktober 2025 was [verzoeker] niet op het werk en ook was hij voor Pearson die dag onbereikbaar. Op zaterdag 1 november 2026 schrijft [naam 1] aan [verzoeker] :\n\n“ [verzoeker] maak me wederom zorgen. Laat even wat van je horen”.\n\n2.6.. \n\nOp maandag 3 november 2025 was [verzoeker] nog steeds niet op het werk. [verzoeker] heeft die dag het volgende via WhatsApp aan [naam 1] laten weten:\n\n“Ik begrijp dat het wederom een situatie is die niet acceptabel is om niks van me te laten horen. Er is donderdag wat gebeurd waardoor ik op het politiebureau wordt verwacht om een verklaring af te leggen. Ik snap goed dat ik m’n baan kwijt ben en zal ervoor zorgen dat ik morgenochtend vroeg op kantoor aanwezig ben om de situatie te verduidelijken, omdat jullie daar ook recht op hebben.”\n\n2.7.. Op dinsdag 4 november 2025 heeft er een gesprek op kantoor plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [naam 1] .\n\n2.8.. \n\nOp vrijdag 7 november 2025 was [verzoeker] wederom niet op het werk. Om 08:25 uur heeft [verzoeker] via WhatsApp aan [naam 1] het volgende bericht gezonden:\n\n“Ik ben er deze ochtend niet. Het gaat goed verder maar had om 08:00 op een afspraak moeten zijn en ben niet op komen dagen. Ik bel je om 11:30.”\n\n2.9.. \n [naam 1] antwoordde daarop dat [verzoeker] hem moest bellen, maar dat heeft [verzoeker] uiteindelijk niet gedaan.\n\n2.10.. Op maandag 10 november 2025 was [verzoeker] wederom niet op het werk. [verzoeker] heeft aan [naam 1] via WhatsApp geschreven: “Ik zie net pas dat je me een paar keer in de ochtend gebeld had. Een tijdje geleden heb ik voor vandaag een vakantiedag aangevraagd doordat ik een langdurige afspraak bij de dokter heb. Samen met de aankomende vrijdag en volgende week maandag mbt familie weekend”.[naam 1] heeft daarop gereageerd dat hij geen vakantieaanvraag van [verzoeker] had ontvangen.\n\n2.11.. \n\nOp 11 november 2025 heeft er opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en Pearson waarbij [verzoeker] op staande voet is ontslagen. In de ontslagbrief staat het volgende:\n\n“Je bent op de volgende data zonder enige melding of geldige reden niet op het werk verschenen en was gedurende die dagen onbereikbaar voor kantoor:\n\n Woensdag 3 juli 2025\n\n Donderdag 31 oktober 2025\n\n Maandag 3 november 2025\n\n Vrijdag 7 november 2025\n\n Maandag 10 november 2025\n\nOndanks herhaaldelijke pogingen om contact met je op te nemen via telefoon en WhatsApp, heb je niet gereageerd of enig bericht van verhindering doorgegeven. (…) Gezien de aard en de ernst van je handelen is voortzetting van het dienstverband onmogelijk geworden. Wij delen je hierbij mede dat je met onmiddellijke ingang, per vandaag 11 november 2025, op staande voet wordt ontslagen.”\n\n2.12.. Pearson heeft op 8 januari 2026 het einde van de arbeidsovereenkomst aangezegd.\n\n3. Het verzoek en het tegenverzoek\n\nHet verzoek3.1.. \n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, het ontslag op staande voet te vernietigen en voor recht te verklaren dat het concurrentie- en relatiebeding ongeldig is en deze, voor zover nodig, te vernietigen, alsmede Pearson te veroordelen tot:\n\nbetaling van het loon vanaf 11 november 2025 tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50%,\n\noverlegging van deugdelijke salarisspecificaties, op straffe van een dwangsom,\n\nbetaling van de transitievergoeding van € 2.028,00 bruto,\n\nbetaling van de plaatsingsbonus van € 1.400,00 bruto,\n\nbetaling van de aanzeggingsvergoeding van € 1.086,97 bruto,\n\nbetaling van de proceskosten.\n\n3.2.. \n [verzoeker] legt aan zijn verzoeken het volgende ten grondslag. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig nu een dringende reden ontbreekt. [verzoeker] is vijf keer afwezig geweest, waarvan de eerste keer vanwege ziekte en de laatste vanwege een doktersafspraak waarvoor hij mondeling toestemming had. De overige data houden verband met ernstig bedreigingen aan het adres van [verzoeker] . [verzoeker] is op donderdag 30 oktober 2025 door een paar mannen aangevallen op straat waarbij later op die plek door de politie een vuurwapen is gevonden. [verzoeker] is door de politie gevraagd een verklaring af te leggen. Dit alles heeft voor veel stress bij [verzoeker] gezorgd. Dit is ook de reden dat hij in die week een aantal keer niet op het werk was. Pearson was van de situatie op de hoogte en toonde daar aanvankelijk ook begrip voor. Voor [verzoeker] kwam het ontslag dan ook onverwacht, te meer nu hij – gelet op de inhoud van de eerste officiële waarschuwing – ervan uit mocht gaan dat hij nog een tweede officiële waarschuwing zou krijgen. Dat heeft Pearson niet gedaan. Pearson is direct overgegaan tot ontslag en [verzoeker] verzoekt dan ook de vernietiging daarvan. [verzoeker] maakt aanspraak op zijn loon tot aan het einde van zijn dienstverband, te weten 27 januari 2026, vermeerderd met de wettelijke verhoging. Omdat Pearson tevens het einde van de arbeidsovereenkomst te laat heeft aangezegd, heeft hij ook recht op een aanzeggingsvergoeding. Daarnaast maakt [verzoeker] nog aanspraak op een bonus voor de succesvolle plaatsing van de heer [naam 2] bij [bedrijf] . Verder heeft [verzoeker] recht op uitbetaling van de transitievergoeding en afgifte van deugdelijke salarisspecificaties. Tot slot is het concurrentie- en relatiebeding niet rechtsgeldig overeengekomen.\n\n3.3.. Pearson voert verweer. [verzoeker] is herhaaldelijk en ongeoorloofd afwezig geweest en hij was gedurende die dagen niet bereikbaar voor Pearson. Voor Pearson is dat onacceptabel. Zo had [verzoeker] zich op 2 juli niet ziekgemeld en heeft hij voor het doktersbezoek op 10 november geen schriftelijke aanvraag gedaan. Dit is in strijd met de gemaakte afspraken. Voor de overige data heeft Pearson ernstige twijfels bij de reden van zijn afwezigheid. [verzoeker] heeft over de vermeende bedreigingen verschillend verklaard waardoor het vertrouwen bij Pearson is verdwenen. Daarbij komt dat Pearson met [verzoeker] op 4 november een serieus gesprek over zijn afwezigheid heeft gehad en dat [verzoeker] daarin beterschap had beloofd, maar dat [verzoeker] desondanks een aantal dagen later wederom ongeoorloofd afwezig is. Voor Pearson was toen de maat vol waardoor zij niet anders kon dan overgaan tot ontslag. Dat betekent dat Pearson een dringende reden had zodat het ontslag rechtsgeldig is gegeven en aan het dienstverband op 11 november 2025 een einde is gekomen. Het gevolg hiervan is dat [verzoeker] geen recht op loon heeft. Ook kan hij geen aanspraak maken op de plaatsingsbonus van de heer [naam 2] omdat deze pas op 29 december 2025 is vrijgevallen en [verzoeker] op dat moment niet meer in dienst was. Voor zover geoordeeld wordt dat het ontslag wel vernietigbaar is, dan verzoekt Pearson de loonvordering te matigen omdat [verzoeker] met zijn eigen onderneming reeds ander inkomen heeft. Verder was het voor [verzoeker] vanaf 11 november 2025 al duidelijk dat zijn arbeidsovereenkomst zou eindigen omdat partijen nadien schriftelijk met elkaar gecorrespondeerd hebben over een mogelijke regeling, zodat geen aanzeggingsvergoeding verschuldigd is. Bovendien is de vergoeding onjuist berekend. Daarnaast is Pearson bereid om [verzoeker] te ontheffen uit het concurrentie- en relatiebeding. Tot slot voert Pearson verweer tegen de verzochte dwangsommen.\n\nHet tegenverzoek\n\n3.4.. Pearson verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, [verzoeker] te veroordelen tot betaling van € 920,16 bruto, wegens een negatief verlofsaldo van -7,1 dagen, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.\n\n3.5.. Pearson legt daaraan ten grondslag dat [verzoeker] , rekening houdend met de einddatum van 11 november, in 2025 in totaal 23,9 dagen heeft opgebouwd en dat hij er 31 heeft opgenomen.\n\n3.6.. \n [verzoeker] voert verweer. Het is onredelijk om de dagen die verband hielden met de bedreigingen aan te merken als verlof. Er was namelijk sprake van overmacht. Indien de dagen wel worden gekwalificeerd als verlof dan voert [verzoeker] aan dat hij in de periode van 11 november 2025 tot 27 januari 2026 nog 1,7 extra verlofdagen heeft opgebouwd. Verder heeft Pearson blijkens de door haar overgelegde excelsheet 25 dagen goedgekeurd, terwijl [verzoeker] er maar 23 had. Pearson had hem erop moeten wijzen dat hij een negatief saldo zou krijgen, zodat de laatste twee goedgekeurde dagen niet mogen worden meegeteld. Tot slot rekent Pearson ook een verlofdag op 27 december 2025, terwijl op dat moment het ontslag al was gegeven. Volgens [verzoeker] komt het negatieve saldo dan op 2,4 dagen uit hetgeen neerkomt op (2,4 x 8 uur x € 15,00 bruto uurloon x 1,08 vakantietoeslag) = 311,04 bruto.\n\n4. De beoordeling\n\nIn het verzoek\n\nHet ontslag4.1.. Op grond van artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen op grond van een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet de aard en ernst van de door de werkgever aangevoerde dringende reden worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven. Dat wordt hieronder toegelicht.\n\n4.3.. Vast staat dat [verzoeker] meermaals ongeoorloofd en\u002Fof zonder tijdige afmelding afwezig geweest. Uit de WhatsApp-berichten van [verzoeker] volgt dat hij zelf doordrongen was van het feit dat het zonder tijdige afmelding afwezig zijn niet acceptabel was. Zo heeft [verzoeker] op 3 november 2025 geschreven dat zijn gedrag ongewenst was, dat hij hoopt dat partijen er samen uitkomen en dat ‘hij het begrijpt als hij zijn baan kwijt is’. Ter zitting heeft hij aangegeven dit laatste te hebben geschreven omdat hij aan Pearson wilde overbrengen dat hij het serieus opnam. Daarbij heeft [verzoeker] benadrukt dat hij weliswaar de protocollen niet heeft gevolgd, maar dat hij wel met een geldige reden afwezig was (ziekte, doktersbezoek en de stress van ernstige bedreiging).\n\n4.4.. Een ontslag op staande voet is een uiterst middel en is alleen gerechtvaardigd als van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat punt had Pearson nog niet bereikt. Pearson heeft [verzoeker] op 27 augustus 2024 een officiële waarschuwing gegeven voor het ongeoorloofd – zonder verlofaanvraag en zonder geldige reden – afwezig zijn (“De korte samenvatting (…) is (…) dat je teveel alcohol hebt gedronken (…) waardoor je in je eigen woorden “knock-out bent gegaan tot maandag 19 augustus en moest herstellen dinsdag 20 augustus.” Dit is voor Pearson & Partners geen geldige reden (…)”) waarin zij expliciet heeft vermeld dat bij herhaling een tweede waarschuwing zal volgen, waarna ontslag op staande voet kan plaatsvinden. Pearson heeft echter geen tweede officiële waarschuwing gegeven, ook niet tijdens het gesprek van 4 november 2025. [naam 1] heeft ter zitting verklaard dat hij op dat moment er bewust voor heeft gekozen om geen officiële waarschuwing te geven omdat hij over de kwestie nog intern overleg wilde voeren. In het door Pearson overgelegde verslag van dit gesprek staat: “Tegelijk heb ik duidelijk gemaakt dat afwezigheid en onbereikbaarheid zonder (tijdige) afmelding niet acceptabel is en dat ik verwacht dat hier een gesprek en\u002Fof maatregel aan verbonden kan worden.” Bij een maatregel kan, bijvoorbeeld, gedacht worden aan een tweede officiële waarschuwing. Een ontslag op staande voet kan hieronder niet begrepen worden. Temeer niet nu [naam 1] in dit gesprek niet heeft aangegeven dat deze – door [verzoeker] zelf genoemde – mogelijke consequentie aan zijn gedragingen verbonden kan worden. Het gesprek is kennelijk gericht geweest op begrip voor de situatie en op gedragsverbetering. Dit wordt bevestigd door de in dit gesprek volgens het gespreksverslag met [verzoeker] gemaakte afspraken over het zich houden aan protocollen, zorgen voor rust en veiligheid in zijn privésituatie en contact opnemen in het geval stress zijn functioneren beïnvloed.\n\n4.5.. Toen [verzoeker] op 7 en 10 november 2025 wederom afwezig was zonder tijdige en\u002Fof deugdelijke afmelding, is Pearson direct overgegaan tot ontslag zonder daarbij eerst nog officiële waarschuwing te geven, terwijl die tweede officiële waarschuwing – gelet op de inhoud van de brief van 27 augustus 2024 en het gesprek op 4 november 2025 – wel op zijn plaats was. De afwezigheid op 7 november 2025 hield – volgens [verzoeker] – verband met de bedreiging (een afspraak met zijn bedreiger waar hij eerst niet en uiteindelijk wel gevolg aan wilde geven) en [verzoeker] heeft zich om 08.24 uur afgemeld. De afwezigheid op 10 november 2025 hield – volgens [verzoeker] – verband met een doktersafspraak. Dat hij hiervoor een mondeling verlofverzoek bij [naam 3] had gedaan is door Pearson gemotiveerd weersproken en onderbouwd met een schriftelijke verklaring van [naam 3] .\n\n4.6.. Ter zitting heeft Pearson naar voren gebracht dat bij de beslissing om op 11 november 2026 het geven van een tweede officiële waarschuwing achterhaald te achten het een rol gespeeld heeft dat zij door de wisselende verklaringen van [verzoeker] inmiddels ernstige twijfels had gekregen bij het verhaal van [verzoeker] over de bedreigingen en doktersbezoeken. Anders gezegd, dat [verzoeker] geen geldige reden voor zijn – niet vooraf gemelde – afwezigheid had. Dat Pearson voorafgaand aan het ontslag hier nader onderzoek naar heeft gedaan door, bijvoorbeeld, bewijs van de bedreiging en het politieonderzoek alsmede de doktersafspraken te vragen, heeft zij niet gesteld en is evenmin gebleken. Dat [verzoeker] in 2024 als gevolg van overmatig feesten niet in staat was om op het werk te verschijnen is onvoldoende om aan te nemen dat dit voor de in het ontslag op staande voet genoemde afwezigheid in 2025 (deels) ook het geval was. Het is niet geheel onbegrijpelijk – gezien de wisselende verklaringen van [verzoeker] en zijn mea culpa – dat Pearson wantrouwend tegenover de lezing van [verzoeker] stond, maar zij had hem hiermee dan moeten confronteren en in de gelegenheid moeten stellen de door hem gestelde objectieve en subjectieve redenen voor zijn afwezigheid te onderbouwen. Dit heeft Pearson niet gedaan. Hierdoor is niet komen vast te staan dat de verklaringen van [verzoeker] over zijn afwezigheid onwaarachtig waren.\n\n4.7.. Uit zijn verklaringen volgt dat [verzoeker] objectieve en subjectieve redenen voor zijn afwezigheid heeft gesteld. Niet weersproken is dat [verzoeker] om medische redenen regelmatig onder werktijd naar de dokter moest, en Pearson heeft ter zitting aangegeven haar werknemers hiervoor de ruimte te geven. Het louter niet volgen van het verlofprotocol voor het doktersbezoek op maandag 10 november 2025, kan een ontslag op staande voet in de gegeven omstandigheden niet rechtvaardigen. Voorts was op 4 november 2025 nog begrip vertoond voor de stressvolle situatie waarin [verzoeker] verkeerde en hij voor rust en veiligheid moest kiezen. Daarbij past niet dat, ook als zijn afwezigheid zou vergen dat [verzoeker] in dat kader een verlofaanvraag indient, [verzoeker] rekening moest houden met een ontslag op staande voet toen hij zich op de dag zelf om 08:24 uur (vóór 08:30 uur) afmeldde. Daarbij komt dat niet gebleken is dat deze incidentele afwezigheid van [verzoeker] (ernstige) gevolgen had voor de bedrijfsvoering. [verzoeker] fungeerde als een zelfstandig [naam functie] met eigen contacten. De kantonrechter komt dan ook tot het slotsom dat het verzoek tot vernietiging van het ontslag wordt toegewezen.\n\nHet loon, de verhoging en de salarisspecificaties4.8.. Door vernietiging van het ontslag heeft [verzoeker] recht op loon. Niet in geschil is dat de arbeidsovereenkomst op 27 januari 2026 van rechtswege is geëindigd. De vordering tot loonbetaling van € 2.600,00 bruto per maand tot aan het einde van het dienstverband zal daarom worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de vordering te matigen. Pearson heeft daarvoor geen grondslag aangedragen en bovendien heeft [verzoeker] betwist dat hij andere inkomsten heeft genoten. Wel volgt uit de houding van [verzoeker] dat hij zich bewust was van het feit dat zijn gedrag niet toelaatbaar was en consequenties kon hebben, hetgeen hem valt aan te rekenen. De kantonrechter zal daarom de wettelijke verhoging matigen tot nihil.\n\n4.9.. \n [verzoeker] heeft op grond van artikel 7:626 BW recht op de salarisspecificaties. De kantonrechter ziet geen aanleiding om daar dwangsommen aan te verbinden. Pearson heeft verklaard bereid te zijn deze te verstrekken en uit niets volgt dat zij daar weigerachtig in zou zijn.\n\nDe transitievergoeding4.10.. \n [verzoeker] heeft op grond van artikel 7:673 lid 1 sub a onder 3 BW recht op de transitievergoeding. De vergoeding bedraagt € 2.028,00 bruto en is dan ook toewijsbaar.\n\nDe plaatsingsbonus4.11.. Niet in geschil is dat als [verzoeker] op 29 december 2025 nog in dienst was bij Pearson, hij recht heeft op de plaatsingsbonus van € 1.400,00 bruto. Nu het ontslag op staande voet is vernietigd en de arbeidsovereenkomst pas op 27 januari 2026 is geëindigd, is de bonus toewijsbaar.\n\nDe aanzeggingsvergoeding4.12.. Op grond van artikel 7:668 BW dient een werkgever uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst eindigt, de werknemer daarover schriftelijk te informeren. Dit is te laat door Pearson gedaan. Pearson heeft echter aangevoerd dat het [verzoeker] tijdig duidelijk was dat zijn arbeidsovereenkomst zou eindigen. Na het gegeven ontslag hebben partijen onderhandeld over een mogelijke regeling ter beëindiging van het geschil en is aan [verzoeker] keer op keer schriftelijk bevestigd dat aan de arbeidsrelatie een einde zou de komen. Nu [verzoeker] dit verweer onbesproken heeft gelaten, is de kantonrechter van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaard is als [verzoeker] de schending tegenover Pearson succesvol kan inroepen. Omdat het voor [verzoeker] reeds vanaf 11 november 2025 duidelijk was dat Pearson de arbeidsrelatie definitief wilde (laten) eindigen, vervulde de verplichting van artikel 7:668 BW voor [verzoeker] geen relevante (waarborg-) functie meer en betrof het hooguit slechts een formaliteit. Het verzoek tot toekenning van een aanzeggingsvergoeding wordt dan ook afgewezen.\n\nHet concurrentie- en relatiebeding4.13.. Pearson heeft in haar verweerschrift weliswaar geconstateerd dat [verzoeker] thans als zelfstandige concurrerende werkzaamheden verricht, maar daarbij ondubbelzinnig toegezegd uit coulance geen aanspraak op (verbeurde) boetes te maken en [verzoeker] te ontheffen uit het concurrentie- en relatiebeding, voor zover hij als zelfstandige zijn werkzaamheden blijft voortzetten. [verzoeker] heeft daardoor in redelijkheid geen belang bij toewijzing van het verzoek. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.\n\nIn het tegenverzoek\n\n4.14.. Pearson stelt dat [verzoeker] een negatief saldo heeft van -7.1 dagen, maar zij heeft daarbij geen rekening gehouden met de einddatum van 27 januari 2026. [verzoeker] heeft onweersproken aangevoerd daardoor nog 1,7 extra dagen te hebben opgebouwd, zodat het eindsaldo -5,4 dagen bedraagt. Verder is de kantonrechter het met [verzoeker] eens dat zaterdag27 december 2025 geen verlofdag is, zodat een saldo van -4,4 resteert. Dat hierop nog twee dagen in mindering komen omdat Pearson twee dagen méér dan de in artikel 6.1 van de laatste arbeidsovereenkomst overeengekomen 23 verlofdagen heeft goedgekeurd volgt de kantonrechter niet. Niet in geschil is dat [verzoeker] – los van de dagen waarover discussie is – tijdens de looptijd van de laatste arbeidsovereenkomst 25 dagen verlof heeft opgenomen. Het enkele feit dat Pearson bij de goedkeuring van de laatste verlofaanvrage [verzoeker] er niet expliciet op gewezen heeft dat daarmee een negatief verlofsaldo van -2 verlofdagen ontstond, maakt niet dat [verzoeker] aanspraak heeft op die twee extra verlofdagen. Een positief of negatief verlofsaldo kan immers pas worden vastgesteld en afgerekend bij de beëindiging van het dienstverband. [verzoeker] had blijkens de verlofregistratie, die uitgaat van een saldo van 23,9 verlofdagen per de datum van het ontslag op staande voet, kennelijk nog verlofdagen uit de voorafgaande arbeidsovereenkomst meegenomen.\n\n4.15.. Dit betekent dat [verzoeker] een negatief verlofsaldo heeft van -4,4 dagen. Aan het verweer dat hierop nog correctie moet plaatsvinden voor de dagen waarop [verzoeker] volgens Pearson ‘ongeoorloofd’ afwezig en die als opgenomen verlof geregistreerd zijn, gaat de kantonrechter voorbij. Dat [verzoeker] voor die dagen aanspraak had op calamiteitenverlof is in deze procedure niet komen vast te staan.\n\n4.16.. Pearson heeft geen verweer gevoerd tegen de gehanteerde berekening, zodat de kantonrechter de vergoeding overeenkomstig vaststelt op (4,4 x 8uur x € 15,00 bruto uurloon x 1,08 vakantietoeslag=) 570,24 bruto.\n\nDe proceskosten\n\n4.17.. De proceskosten in het verzoek komen voor rekening van Pearson, omdat Pearson overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.18.. De proceskosten in het tegenverzoek komen voor rekening van [verzoeker] en worden begroot op nihil nu het tegenverzoek voortvloeit uit het verweer dat Pearson heeft gevoerd tegen het verzoek.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nIn het verzoek\n\n5.1.. vernietigt het ontslag op staande voet,\n\n5.2.. veroordeelt Pearson tot betaling aan [verzoeker] van het loon ter hoogte van € 2.600,00 bruto per maand exclusief emolumenten, te rekenen vanaf 11 november 2025 tot 27 januari 2026,\n\n5.3.. veroordeelt Pearson tot het overleggen van deugdelijke salarisspecificaties over de periode 11 november 2025 tot 27 januari 2026, binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking,\n\n5.4.. veroordeelt Pearson tot betaling van de transitievergoeding van € 2.028,00 bruto,\n\n5.5.. veroordeelt Pearson tot betaling van de plaatsingsbonus van € 1.400,00 bruto,\n\n5.6.. veroordeelt Pearson in de proceskosten van € 814,00 te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking,\n\nIn het tegenverzoek\n\n5.7.. veroordeelt [verzoeker] tot betaling van € 570,24 bruto wegens een negatief verlofsaldo,\n\n5.8.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten tot aan deze beschikking begroot op nihil,\n\nIn alle verzoeken\n\n5.9.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. wijst af het meer of anders verzochte,\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.P. Ploeger en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.\n\n58984","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5168","2026-05-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:01.111Z",20]