[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-immigration-and-residence-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":53},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},153,"immigration-and-residence-nl","Immigration and Residence","NL","2026-07-08T17:00:05.888Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-07-02T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122362","Algemene wet bestuursrecht","art. 4:8",1,[27,38,46],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"672","ECLI:NL:RBDHA:2026:18539","ecli-nl-rbdha-2026-18539","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 24\u002F11456 V-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser]\n\ngeboren op [geboortedag] 1961, van Mauritiaanse nationaliteit, eiser.\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de bestreden besluiten van 20 mei 2024 en 11 juni 2024. Met deze besluiten heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod zijn terecht uitgevaardigd. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. In het besluit van 20 mei 2024 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken uitgevaardigd.Eiser moet terugkeren naar Mauritius. Op 11 juni 2024 heeft verweerder een inreisverbod aan eiser uitgevaardigd met een duur van twee jaar.Het beroep van eiser is gericht tegen beide besluiten.\n\n2.1.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op een zitting behandeld. Hierbij waren eiser (via digitale verbinding) en de gemachtigde van verweerder aanwezig.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt de uitvaardiging van het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Verweerder heeft aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat tijdens de uitreiscontrole op Schiphol is gebleken dat eiser de maximale termijn die hij in de Schengenzone mocht verblijven met 179 dagen had overschreden.Eiser heeft een termijn van vier weken gekregen om het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland te verlaten. Daarnaast is middels de voornemenprocedureaan eiser een inreisverbod met een duur van twee jaar opgelegd.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat tijdens de uitreiscontrole ten onrechte is vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf (meer) zou hebben in de Schengenzone. Eiser verbleef namelijk in Polen en was in Polen in afwachting van een besluit op zijn aanvraag om een verblijfvergunning. Dit brengt volgens eiser met zich mee dat hij (procedureel) rechtmatig verblijf had in Polen en in de Schengenzone en dus niet illegaal op het grondgebied van Nederland verbleef.\n\n5.1.. De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijneen terugkeerbesluit moet nemen als het illegaal verblijf van een vreemdeling is vastgesteld. Verweerder kan echter op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn geen terugkeerbesluit nemen als de betreffende vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf. Indien de vreemdeling stelt dat hij of zij in het bezit is van een verblijfsvergunning afgegeven door een andere lidstaat of een andere toestemming van verblijf, dan is het aan de vreemdeling om dat aan te tonen.\n\n5.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft geen enkel document overgelegd waaruit blijkt dat hij in het bezit is van een door de Poolse autoriteiten afgegeven geldige verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Uit de door eiser meegestuurde stukken volgt enkel dat hij een aanvraag heeft gedaan in Polen en dat het mogelijk was om zich in te schrijven met zijn bedrijf in Polen. Uit de stukken die eiser in beroep heeft ingediend, blijkt dat in de Poolse regelgeving staat, dat als er een verblijfsaanvraag is gedaan en gedurende de aanvraag iemand in Polen mag blijven, er een stempel in het reisdocument wordt aangebracht. Op Schiphol is deze stempel niet aangetroffen in het paspoort van eiser en dit wordt door eiser ook erkend in zijn beroepschrift. Indien eiser met de inschrijving van zijn bedrijf heeft willen zeggen dat zijn verblijf gedoogd werd in Polen in afwachting van een besluit op zijn aanvraag, volgt uit het Terugkeerhandboekdat een gedoogsituatie geen wettelijk verblijfsrecht is. Eiser heeft ook geen ander document overgelegd dat kwalificeert als ‘een verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf’. Dit is aan eiser om aan te tonen. Concluderend is niet gebleken dat eiser rechtmatig verblijf had in Polen.\n\n5.3.. Gelet op het voorgaande was eiser tijdens de uitreiscontrole onrechtmatig op het grondgebied van Nederland. Voor zover eiser op de zitting heeft betwist zich op Nederlands grondgebied te hebben begeven tijdens zijn transit op Schiphol, slaagt deze grond niet. Ook bij het enkel overstappen op Schiphol en het niet verlaten van het vliegveld, geldt dit gebied als Nederlands grondgebied.Hiervoor dient een reiziger, indien nodig, een doorreisvisum (ook wel airport transit visum) aan te vragen.\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n6. Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Eiser reisde samen met zijn vrouw en in haar geval is uiteindelijk afgezien van het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod. Volgens eiser bevonden zij zich in exact dezelfde situatie en maakten zij dezelfde reisbewegingen.\n\n6.1.. Deze grond slaagt niet. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat bij de echtgenote van eiser het gehoor een verkeerde aanloop had en het voornemen niet aan haar is uitgereikt. Bij de echtgenote is dus niet op inhoudelijke gronden afgezien van het opleggen van de besluiten, maar omdat procedurele waarborgen niet in acht waren genomen. Om die reden is er geen sprake van gelijke gevallen.\n\nProcedurele waarborgen\n\n7. Eiser heeft naar voren gebracht dat ook bij hem procedurele waarborgen niet in acht zijn genomen. Eiser stelt in dat kader allereerst dat de hoorplicht is geschonden. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Ten aanzien van het terugkeerbesluit staat niet ter discussie dat het formulier van het gehoor terugkeerbesluit aan eiser is uitgereikt. Dit formulier zit ook ingevuld in het dossier en betreft het gehoor. Hierop staat omcirkeld dat eiser heeft aangegeven niet nader te willen worden gehoord en dit formulier is opgesteld door een ambtenaar. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van dit formulier. Voor zover eiser zich onder druk gezet voelde vanwege de tijdsdruk die speelde, is dat onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de hoorplicht is geschonden. Relevant is dat eiser in staat moet worden gesteld om zijn standpunt kenbaar te maken en dat is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebeurd.\n\n8. Ten aanzien van het inreisverbod constateert de rechtbank dat dit is uitgevaardigd volgens de voornemenprocedure die is vastgelegd in paragraaf A4\u002F2.4.3 van de Vc. Deze procedure wordt gevolgd wanneer de vreemdeling bij het volgen van de normale procedure zijn vlucht niet zou halen. In overeenstemming met de voornemenprocedure is aan eiser in persoon op de luchthaven het voornemen tot het uitvaardigen van een inreisverbod uitgereikt. Eiser heeft hierna 28 dagen de tijd gekregen om vanuit het buitenland een zienswijze op het voornemen in te dienen en heeft ook van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De Afdeling heeft op 19 januari 2021geoordeeld dat de voornemenprocedure is toegestaan. Verweerder heeft eiser dus voldoende zorgvuldig gehoord in het kader van het inreisverbod.\n\n9. Verder heeft eiser naar voren gebracht dat hij het terugkeerbesluit niet in het Engels heeft ontvangen. De rechtbank constateert in dat kader dat op het terugkeerbesluit een QR-code is opgenomen onder het kopje “nadere informatie” met bijschrift “You have received a return decision. Read our leaflet with an explanation of the return decision on ind.nl\u002Ffolder-terugkeerbesluit. Or scan the QR code.” Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende duidelijk waar eiser een Engelse vertaling van het terugkeerbesluit kon vinden. Verder staat in het voornemen inreisverbod vermeld dat het terugkeerbesluit en het voornemen inreisverbod in het Engels zijn uitgereikt. Daarnaast heeft eiser in zijn nadere gronden van beroep in zijn overzicht zelf aangegeven van deze twee documenten een vertaling te hebben ontvangen. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling dat deze documenten niet in het Engels aan eiser zijn uitgereikt.\n\n10. Tot slot heeft eiser op de zitting naar voren gebracht dat hij een vrije termijn had moeten krijgen om te vertrekken en dat in het besluit een onjuiste nationaliteit staat vermeld. Deze gronden volgt de rechtbank niet. Eiser heeft een vrije termijn van 28 dagen gekregen en vermeld staat dat eiser uit Mauritius komt.\n\nEvenredigheid\n\n11. Eiser voert aan dat de besluiten niet evenredig zijn gelet op de grote gevolgen die deze voor hem hebben gehad. Eiser was naar eigen zeggen in Polen in afwachting van een verblijfsvergunning, woonde in Polen en had daar een bedrijf. Dat aan hem twee jaar lang de toegang tot het gehele Schengengebied is ontzegd, heeft zeer zware persoonlijke gevolgen voor hem gehad omdat hij niet terug kon naar Polen om zijn bedrijf te runnen en zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning daar verder af te maken.\n\n11.1. Naar het oordeel van de rechtbank is er in het geval van eiser niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de opgelegde besluiten onevenredig zijn. Eiser heeft, zoals hierboven overwogen, niet aangetoond rechtmatig verblijf te hebben in Polen. Er zijn ook geen andere relevante bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd en onderbouwd. Dat eiser niet meer de Schengenzone in kon reizen is inherent aan het inreisverbod en een bedoeld gevolg van het besluit.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Egmond, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE\n\nToepasselijk nationaal recht\n\nVreemdelingenwet (Vw)\n\nArtikel 62\n\nNadat tegen de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.\n\nOnze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien:\n\neen risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken;\n\nde aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning of tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; of\n\nde vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.\n\n[…]\n\nArtikel 62a\n\n1. Onze Minister stelt de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij:\n\nreeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan,\n\nde vreemdeling in bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, of\n\nde vreemdeling door een andere lidstaat van de Europese Unie wordt teruggenomen op grond van een op 13 januari 2009 geldende bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling.\n\n[…]\n\nArtikel 66a\n\n[…]\n\n2. Onze Minister kan een inreisverbod uitvaardigen tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten.\n\n[…]\n\nVreemdelingencirculaire (Vc)\n\nA3\u002F1.1.3 Bevoegdheid nemen terugkeerbesluit\n\n[…]\n\nDe IND, KMar, AVIM of Zeehavenpolitie neemt geen terugkeerbesluit als:\n\ner eerder een rechtsgeldig terugkeerbesluit is gegeven terwijl de vreemdeling nog niet heeft voldaan aan zijn vertrekverplichting die is opgenomen in het terugkeerbesluit;\n\nde IND de aanvraag heeft afgewezen, maar er nog een andere aanvraag in Nederland loopt die procedureel rechtmatig verblijf geeft, waarop nog niet in eerste aanleg is beslist;\n\nde vreemdeling een alleenstaande minderjarige vreemdeling is en zolang niet is vastgesteld dat er adequate opvang aanwezig is in het land van terugkeer (zie paragraaf A3\u002F6.1 en B8\u002F6.1 Vc) (artikel 5 Terugkeerrichtlijn: belang van het kind);\n\ner is vastgesteld dat familie-, gezins- of privéleven in de zin van artikel 8 EVRM zich verzet tegen het nemen van een terugkeerbesluit;\n\nr is vastgesteld dat de vreemdeling in het land van terugkeer een risico loopt op vervolging, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a Vw of een reëel risico loopt op ernstige schade (artikel 3 EVRM), zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid onder b, Vw;\n\ner is vastgesteld dat er sprake is van een risico op schending van artikel 3 EVRM als gevolg van de gezondheidstoestand van de vreemdeling bij uitzetting naar het land van terugkeer; (artikel 5 Terugkeerrichtlijn)\n\nals een overdrachtsbesluit ingevolge de Externe link:Dublinverordening (EU) 604\u002F2013 is genomen; of\n\nde vreemdeling valt onder het toepassingsbereik van Externe link:Richtlijn 2004\u002F38 (burger van de Europese Unie of familielid van de burger van de Europese Unie).\n\nA4\u002F2.2 Geen inreisverbod\n\nDe IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt geen inreisverbod uit als:\n\nde IND een ander land dat partij is bij Externe link:Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 heeft verzocht de vreemdeling op grond van deze verordening terug te nemen of over te nemen;\n\nde vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning, verleend door een andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland, tenzij de vreemdeling in aanmerking komt voor een zwaar inreisverbod;\n\nhet uitvaardigen van een inreisverbod aan de vreemdeling een schending van artikel 8 EVRM betekent.\n\n[…]\n\nA4\u002F2.4.3 Opleggen inreisverbod met voornemenprocedure aan de grensdoorlaatpost\n\n[…]\n\nAlgemeen\n\nAls het niet meer mogelijk is om voor het vertrek van de vreemdeling een inreisverbod uit te vaardigen, dan geldt in afwijking van A4\u002F2.4.1 het volgende:\n\nWanneer de ambtenaar belast met de grensbewaking van oordeel is dat er gronden zijn voor het uitvaardigen van een inreisverbod, dan moet deze ambtenaar een voornemenprocedure starten.\n\nVoorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit geeft deze ambtenaar uitvoering aan de hoorplicht, zoals bedoeld in artikel 4:8 Awb. De vreemdeling wordt erop gewezen dat een inreisverbod kan worden opgelegd, ook als de vreemdeling aan de vertrekverplichting gaat voldoen.\n\nDe ambtenaar belast met de grensbewaking biedt de vreemdeling in het kader van het voornemen de gelegenheid zijn adresgegevens in het buitenland kenbaar te maken.\n\nDe ambtenaar belast met de grensbewaking maakt in het voornemen kenbaar:\n\nde grondslag voor het opleggen van een inreisverbod;\n\nde duur van het inreisverbod; en\n\nde mogelijkheid dat de vreemdeling een schriftelijke zienswijze in de Nederlandse taal naar voren kan brengen tegen het opleggen van een inreisverbod en de voorgenomen duur binnen vier weken na uitreiking van het voornemen.\n\nUitreiken van het voornemen\n\nDe ambtenaar belast met de grensbewaking handelt bij de uitreiking van het voornemen als volgt:\n\nhij reikt het voornemen aan de vreemdeling in persoon uit;\n\nhij verstrekt een brochure in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal met betrekking tot het uitvaardigen van een inreisverbod; en\n\nhij verstrekt informatie op welke wijze de vreemdeling zijn zienswijze naar voren kan brengen.\n\nDe zienswijze, de beschikking en de wijze van bekendmaken\n\nDe hulpofficier van justitie of de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van de Koninklijke Marechaussee die daartoe is aangewezen door de Commandant der Koninklijke Marechaussee betrekt alle feiten en omstandigheden die de vreemdeling in de zienswijze naar voren brengt.\n\nDe hulpofficier van justitie of de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van de Koninklijke Marechaussee die daartoe is aangewezen door de Commandant der Koninklijke Marechaussee besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod binnen acht weken nadat de termijn van vier weken voor het naar voren brengen van een zienswijze is verstreken. De beschikking wordt naar het door de vreemdeling opgegeven (e-mail)adres in het buitenland gezonden en van de inhoud wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Als geen geldig (e-mail)adres van de vreemdeling in het buitenland bekend is, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Staatscourant. Als een gemachtigde bekend is, wordt tevens een kopie van het besluit naar de gemachtigde gezonden op dezelfde dag als die waarop het besluit naar het door de vreemdeling opgegeven (e-mail)adres is gezonden.\n\n[…]\n\n Op grond van artikel 62a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vw.\n\n Zie artikel 12 van de Vw en artikel 3.3 van het Vreemdelingenbesluit (Vb).\n\n Zie paragraaf A4\u002F2.4.3, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).\n\n Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG.\n\n Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075.\n\n Terugkeerhandboek van Aanbeveling (EU) 2017\u002F2338 van de Commissie van 16 november 2017 tot vaststelling van een gemeenschappelijk „terugkeerhandboek” voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de uitvoering van terugkeergerelateerde taken.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2026, ECLI:NL:RVS:2022:1256.\n\n Zie ECLI:NL:RVS:2021:89.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18539","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:42.410Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":36,"updatedAt":45},"2017","ECLI:NL:RBDHA:2026:18168","ecli-nl-rbdha-2026-18168","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.31751\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [verzoeker] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1999, van Indiase nationaliteit, verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. J. van Putten),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 18 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) afgewezen.\n\nVerzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dat ertoe strekt hem toe te staan tijdens de bezwaarprocedure te mogen blijven werken voor zijn werkgever.\n\nDe voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nOverwegingen\n\n1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n2. De minister heeft bij brief van 30 juni 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van hetgeen is verzocht.\n\n3. Nu de minister zich niet verzet tegen de gevraagde voorlopige voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.\n\n4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;\n\n- bepaalt dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure tegen het bestreden besluit mag blijven werken voor zijn werkgever;\n\n- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18168","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:50.018Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":50,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":52},"821","ECLI:NL:RBDHA:2026:18575","ecli-nl-rbdha-2026-18575","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.17277\n\nV-nummer: [v-nummer]uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n\n [verzoeker],\n\ngeboren op [geboortedag] 1988, van Marokkaanse nationaliteit, verzoeker,\n\n(gemachtigde: mr. A.M. van Eik)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. W.J. Poot).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit), waarbij verzoekers bezwaar tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ongegrond is verklaard en waarbij aan hem een terugkeerbesluit en een inreisverbod is uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n1.1.. Verweerder heeft per brief van 10 april 2026 laten weten zich te verzetten tegen toewijzing van de voorlopige voorziening.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n2.1.. \n\nAls gevolg van de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van\n\n14 februari 2025eindigt de opschortende werking van het bezwaar op 21 april 2026. Vanaf dat moment heeft verzoeker geen rechtmatig verblijf meer in Nederland. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het spoedeisend belang daarmee gegeven.\n\n3. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van verzoeker, geregistreerd onder zaaknummer NL26.17275, bij beslissing van 13 april 2026 gelet op de complexiteit en het principiële karakter van de zaak verwezen naar een zitting van de meervoudige kamer. Gelet hierop, kan aan het beroep in deze zaak een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd.\n\n4. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat de belangen van verzoeker bij het afwachten van de beroepsprocedure in Nederland zwaarder wegen dan de belangen van verweerder. Verzoeker is inmiddels 37 jaar oud en in Nederland geboren en getogen. Zonder rechtmatig verblijf kan hij zijn werk en stage niet voortzetten. Ook worden zijn Wajong-uitkering, zorgverzekering en zorgtoeslag beëindigd. Daarnaast dreigt uitzetting naar Marokko, terwijl verzoeker hier een duurzame relatie heeft met zijn Nederlandse vrouw en zoontje met de Nederlandse nationaliteit. Zijn vrouw is voor specialistische behandeling vanwege de ziekte Multiple Sclerose aangewezen op zorg in Nederland. Verweerders belang dat verzoekers aanwezigheid in Nederland een gevaar zou vormen voor de openbare orde, aangezien verzoeker ernstige misdrijven heeft gepleegd in Nederland en België, weegt tegen het voorgaande niet op. De voorzieningenrechter kent hieraan minder gewicht toe, mede gelet op het tijdsverloop sinds de gepleegde misdrijven en het feit dat de intrekkingsprocedure al geruime tijd loopt, waarbij verweerder in de onderhavige procedure al in 2023 het voornemen heeft uitgebracht de vergunning in te trekken. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het laatste misdrijf waarvoor verzoeker is veroordeeld alweer dateert uit 2015 en dat verzoeker inmiddels bijna vijf jaar op vrije voeten is zonder nieuwe strafbare feiten te plegen. Ook in beroep heeft verzoeker aanknopingspunten naar voren gebracht die afbreuk kunnen doen aan de stelling dat hij een (actueel) gevaar vormt. Zo heeft verweerder ter onderbouwing van het vermeende gevaar vooral gewezen naar het arrest van het Hof van Beroep Antwerpen, d.d. [datum],waarin eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren, terwijl een individuele recidivebeoordeling ten aanzien van verzoeker daarin ontbreekt. Daarnaast heeft verzoeker in deze procedure herhaaldelijk benadrukt dat zijn gedrag dusdanig goed werd bevonden dat hij vervroegd in vrijheid kon worden gesteld. Nu het in deze procedure vooral ook gaat om de vraag of verzoeker een actuele bedreiging vormt, is de voorzieningenrechter, gezien voorgaande feiten en omstandigheden, van oordeel dat het belang van verweerder niet opweegt tegen het zwaarwegend belang van verzoeker om zijn beroepsprocedure in Nederland te kunnen afwachten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot vier weken nadat op het beroep is beslist. Dat houdt in dat verzoeker, tot vier weken nadat op het beroep is beslist, niet mag worden uitgezet en hij moet worden behandeld als ware hij nog in het bezit van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.\n\n6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van\n\n€ 200,- vergoedt.\n\n7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter,\n\n- wijst het verzoek toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst;\n\n- bepaalt dat tot vier weken nadat op het beroep geregistreerd onder zaaknummer: NL26.17275 is beslist, verzoeker niet mag worden uitgezet en hij gedurende deze periode moet worden behandeld als ware hij nog in het bezit van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.\n\n- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 934,- te betalen aan verzoeker.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Dat staat in artikel 8:81 van de Awb.\n\n Zaaknummer: NL25.3524.\n\n Verzoeker heeft voorafgaand aan deze procedure ruim drie jaar een procedure inzake\n\nintrekking van zijn verblijfsvergunning doorlopen waarvan inmiddels in rechte vaststaat dat die intrekking onrechtmatig was.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18575","2026-07-13T00:28:49.736Z",20]