[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-immigration-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":180},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},146,"immigration-law-nl","Immigration Law","NL","2026-07-08T16:58:36.005Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},22,{"min":18,"max":19},"2026-01-08T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122362","Algemene wet bestuursrecht","art. 4:8",1,[27,38,46,54,61,68,75,82,89,97,104,111,118,125,132,141,149,156,164,172],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"818","ECLI:NL:RBDHA:2026:18692","ecli-nl-rbdha-2026-18692","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35737\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)\n\n(gemachtigde: mr. I. van Es).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig.Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 26 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser heeft afgezien van zijn recht om gehoord te worden en heeft dit via zijn gemachtigde laten weten. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich met een bericht afgemeld voor de zitting.\n\nOverwegingen\n\n3. Eiser heeft de Griekse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1979.\n\n4. Eiser voert aan dat de vreemdelingrechtelijke staandehouding onrechtmatig was omdat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond ten tijde van de staandehouding. Hiermee is ook de daaropvolgende inbewaringstelling onrechtmatig.\n\n4.1.. Volgens paragraaf A2\u002F2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) mag een redelijk vermoeden van illegaal verblijf mede op basis van ervarings- en omgevingsgegevens worden aangenomen als sprake is van aanwijzingen uit eigen onderzoek van de politie of aanwijzingen die door de politie zijn verkregen bij de controle van persoonsgegevens in het kader van de uitoefening van politietaken.\n\n4.2.. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 26 juni 2026 blijkt dat eiser door de verbalisant ambtshalve werd herkend, omdat hij de afgelopen jaren veelvoudig met eiser in contact is gekomen. Bovendien heeft de verbalisant op 17 juni 2026 een e-mail ontvangen waarin hij erop werd geattendeerd dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Nadat de verbalisant eiser op 26 juni 2026 om 14:30 uur zag lopen heeft hij eiser op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf staande gehouden en contact opgenomen met de vreemdelingenpolitie. Het voorgaande is volledig opgenomen in het proces-verbaal. De rechtbank is van oordeel dat op grond hiervan een redelijk vermoeden van illegaal verblijf kan worden aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n5. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18692","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:49.595Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":42,"fullText":43,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":45},"913","ECLI:NL:RBDHA:2026:18537","ecli-nl-rbdha-2026-18537","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.4117\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. B.D. Lit),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).\n\nInleiding\n\n1.1.. Met een tussenuitspraak van 10 december 2025 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om het gebrek in het bestreden besluit met betrekking tot de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRMte herstellen.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze einduitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, gelet op de gebreken die zijn geconstateerd in de tussenuitspraak. De rechtbank laat de rechtsgevolgen echter in stand, omdat verweerder de belangenafweging terecht in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) dus terecht afgewezen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.\n\n2.2.. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, vastgesteld dat verweerder de belangenafweging niet zorgvuldig heeft gemaakt en daarmee het bestreden besluit van 11 januari 2024 onvoldoende heeft gemotiveerd.\n\n2.3.. Verweerder heeft op 20 januari 2026 een aanvullend besluit genomen op het bestreden besluit van 11 januari 2024. Verweerder heeft in dit besluit een nieuwe belangenafweging gemaakt, met inachtneming van de tussenuitspraak.\n\n2.4.. Eiseres heeft op 16 februari 2026 schriftelijk een zienswijze ingediend over de wijze waarop het gebrek is hersteld.\n\n2.5.. De rechtbank heeft partijen op 9 april 2026 laten weten een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over het jongvolwassenenbeleid af te wachten. De Afdeling heeft op 27 mei 2026 drie uitspraken gedaan over dit onderwerp.De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op deze uitspraken. Eiseres heeft op 24 juni 2026 gereageerd. Verweerder heeft niet gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3.1.. De rechtbank beoordeelt of verweerder de belangenafweging terecht in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen.\n\n3.2.. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid (vol) toetsen.De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de rechtbank het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen.\n\n3.3.. Eiseres voert aan dat verweerder met het aanvullende besluit van 20 januari 2026 nog steeds niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank. Eiseres voert daartoe het volgende aan.\n\nEerste toelating\n\n4.1.. Eiseres wijst allereerst op overweging 3.4 van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder de factor dat eiseres nooit eerder rechtmatig verblijf heeft gehad wel mag meenemen in de belangenafweging, maar dat deze factor niet in het nadeel van eiseres mag wegen. Volgens eiseres heeft verweerder in het aanvullende besluit echter wel in haar nadeel gewogen dat zij nooit in Nederland heeft gewoond. Verweerder heeft namelijk meegenomen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal is, dat zij daar bezig is met haar studie en dat nergens uit blijkt dat het voor de uitoefening van het gezinsleven noodzakelijk is dat zij hier in Nederland onder één dak woont, of dat er een specifieke afhankelijkheid is waarom eiseres niet zonder haar ouders kan. Verweerder heeft ook meegenomen dat eiseres geen banden heeft met Nederland, omdat zij daar nooit heeft gewoond.\n\n4.2.. De rechtbank volgt hierin eiseres niet. In overweging 3.4ging het er om dat de omstandigheid dat sprake is van een eerste toelating niet als factor op zichzelf in het nadeel van een betrokkene mag meewegen in de belangenafweging. Dat heeft verweerder niet gedaan. Verweerder heeft die omstandigheid neutraal meegewogen, zo heeft verweerder dat gesteld op pagina 3 van het aanvullende besluit:\n\n‘U hebt nog nooit een verblijfsvergunning in Nederland gehad. Het gaat in dit geval om een eerste toelating. Rekening houdend met rechtsoverweging 3.4 van de tussenuitspraak weeg ik in deze belangenafweging neutraal mee dat het gaat om een eerste toelating.’\n\nVerweerder heeft verder de omstandigheid dat eiseres nooit in Nederland heeft gewoond alleen meegenomen om te bepalen hoeveel gewicht er toekomt aan andere belangen. De rechtbank kan deze beoordeling van verweerder volgen.\n\nOmstandigheden van het jongvolwassenenbeleid\n\n5.1.. Eiseres wijst verder op overweging 3.5 van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de omstandigheid dat eiseres valt onder het jongvolwassenenbeleid is betrokken in de belangenafweging. Volgens eiseres heeft verweerder nog steeds nagelaten om in positieve zin mee te wegen dat het zijn van een jongvolwassene inhoudt dat er nog altijd een sterke afhankelijkheid bestaat ten opzichte van de ouders.\n\n5.2.. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft in het aanvullende besluit voorop gesteld dat eiseres als jongvolwassene wordt gezien. Verweerder heeft verder de omstandigheden op grond waarvan verweerder tot de conclusie is gekomen dat eiseres valt onder het jongvolwassenenbeleid expliciet genoemd, namelijk dat eiseres ten tijde van de aanvraag nog bij haar ouders woonde, dat zij na vertrek van haar vader naar Nederland bij haar moeder en broertje heeft gewoond en dat zij geen eigen inkomen had en geen zelfstandig gezin heeft gevormd. Uit het aanvullende besluit volgt ook dat verweerder in het voordeel van eiseres heeft gewogen dat sprake is van familieleven. Verweerder heeft echter beoordeeld hoe sterk het familieleven is, en in dat kader heeft verweerder overwogen dat aan het familieleven tussen een jongvolwassene en diens ouders minder gewicht toekomt dan aan het familieleven van een kerngezinslid en diens ouders. Verweerder heeft in dat kader ook overwogen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal woont en bezig is met haar studie, en dat het de verwachting bij een jongvolwassene is dat deze op korte termijn zelfstandig zal worden.\n\n5.3.. De rechtbank is van oordeel dat uit het aanvullende besluit blijkt dat verweerder de omstandigheden die tot de toepassing van het jongvolwassenenbeleid hebben geleid, expliciet en voldoende heeft betrokken in de belangenafweging. Verweerder heeft deze omstandigheden echter ook meegenomen bij de weging van hoe sterk het familielieven is, en in dat kader heeft verweerder een ander gewicht toegekend aan die omstandigheden dan eiseres zou wensen. Dat maakt echter nog niet dat de belangenafweging niet kan worden gevolgd.\n\n5.4.. Dat verweerder in de belangenafweging dezelfde feiten en omstandigheden moet betrekken (en dat in dit geval dus ook heeft gedaan) als in de beoordeling of familieleven bestaat, staat namelijk los van de vraag welk gewicht hij aan de belangen moet toekennen. De context en inhoudelijke beoordeling verschillen immers.Weliswaar impliceert de toepasselijkheid van het jongvolwassenenbeleid dat de jongvolwassene in enige mate afhankelijk is van zijn ouders, maar dat betekent niet dat aan die afhankelijkheid in de belangenafweging zonder meer een zodanig zwaar gewicht moet worden toegekend, dat alleen al daarom de belangenafweging in het voordeel van betrokkenen zou moeten uitvallen.Er is sprake van twee beoordelingskaders waarbij de weging van de feiten kan verschillen. Dit brengt met zich dat verweerder in de belangenafweging ook rekening mag houden met bijvoorbeeld de tijd die is verstreken sinds betrokkenen niet meer met elkaar in gezinsverband samenleven en met de mate waarin de jongvolwassen vreemdeling ten tijde van het bestreden besluit zelfstandig functioneert.De rechtbank volgt eiseres dus niet in haar standpunt dat verweerder de omstandigheden van het jongvolwassenenbeleid in positieve zin had moeten meewegen.\n\nOmstandigheden ten tijde van de aanvraag\n\n6.1.. Eiseres wijst op overweging 3.6 van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de belangenafweging moet worden gemaakt op basis van de omstandigheden ten tijde van de aanvraag. Volgens eiseres wijdt verweerder echter een te groot deel van het aanvullende besluit aan feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden ver na het moment van de aanvraag. Zo heeft verweerder meegenomen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal woont en bezig is met haar studie. Volgens eiseres heeft verweerder verder nagelaten inzichtelijk mee te nemen dat eiseres ten tijde van de aanvraag net achttien jaar oud was.\n\n6.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft in het aanvullende besluit vooropgesteld dat de belangenafweging is gemaakt op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de aanvraag. Verweerder heeft daarbij genoemd dat eiseres ten tijde van de aanvraag achttien jaar oud was en dat zij als jongvolwassene wordt gezien. De rechtbank is van oordeel dat hieruit duidelijk blijkt dat verweerder is uitgegaan van de omstandigheden ten tijde van de aanvraag en dat eiseres net achttien jaar oud was. Verweerder heeft echter, voor de weging van het familieleven, meegenomen dat eiseres op dit moment studeert en dat zij al enige tijd zonder haar ouders in Nepal woont. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit mogen doen. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt namelijk dat verweerder in de belangenafweging rekening mag houden met de tijd die is verstreken sinds betrokkenen niet meer met elkaar in gezinsverband samenleven en met de mate waarin de jongvolwassen vreemdeling of referent inmiddels zelfstandig functioneert. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar standpunt dat verweerder een te groot deel van het aanvullende besluit heeft gewijd aan feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden ver na het moment van de aanvraag.\n\nRestrictief toelatingsbeleid\n\n7.1.. Eiseres wijst op de volgende overweging van verweerder uit het aanvullende besluit: ‘Mijn conclusie is dat, alles samengenomen, uw belang om familieleven uit te oefenen in Nederland niet opweegt tegen het algemeen belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.’\n\nVolgens eiseres miskent verweerder hiermee dat het voeren van een restrictief toelatingsbeleid geen op zichzelf staand belang is, maar een middel om een ander belang te bevorderen, zoals het economisch belang.\n\n7.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt dat het belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid onderdeel is van het algemeen belang van de Nederlandse samenleving, in de zin van het economisch welzijn in bredere zin, en dat dit op meer ziet dan alleen het belang van de Nederlandse economie in de vorm van uitkeringen vanuit de openbare kas. In de overweging van verweerder die eiseres heeft geciteerd, heeft verweerder wel alleen het restrictief toelatingsbeleid genoemd als algemeen belang. Uit het aanvullende besluit blijkt echter verder dat verweerder ook andere belangen van de Nederlandse overheid heeft genoemd, namelijk het beschermen van het economisch welzijn, de openbare orde, de rechten en vrijheden van anderen en de volksgezondheid van het land. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit worden opgemaakt dat verweerder niet is uitgegaan van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid als een op zichzelf staand belang. Dat verweerder alleen het restrictief toelatingsbeleid heeft genoemd in de overweging die eiseres heeft geciteerd, maakt dit niet anders.\n\nEconomisch belang\n\n8.1.. Eiseres voert aan dat het aanvullende besluit niet voldoet aan het door de Afdeling geformuleerde toetsingskader in de uitspraken van 27 mei 2026. Verweerder heeft ten onrechte een categorische weging van het economisch belang gedaan en volstaat met algemene, abstracte verwijzingen naar het restrictieve toelatingsbeleid. Verweerder heeft niet kenbaar inzichtelijk gemaakt waarom het economisch belang in dit concrete geval prevaleert boven het gestelde gezinsleven. Verweerder had in dit geval het economisch belang minder zwaar moeten wegen, omdat referent al meer dan vier jaar onafgebroken in Nederland werkzaam is als kok en in het onderhoud van eiseres kan voorzien.\n\n8.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het aanvullende besluit volgt dat verweerder aan eiseres haar beroep op de openbare kas en de oververhitte woningmarkt niet meer heeft tegengeworpen. Verweerder heeft wat dat betreft dus voldaan aan de opdracht van de rechtbank in de tussenuitspraak in overweging 3.9. Verweerder heeft verder in de weging van het economisch belang meegenomen dat referent de kosten kan dragen en dat eiseres bij referent kan wonen. Verweerder heeft dit in het voordeel van eiseres gewogen. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat verweerder een categorische weging van het economisch belang heeft gedaan. Verweerder heeft de individuele omstandigheden van eiseres betrokken in de weging en heeft deze in haar voordeel gewogen. Verweerder heeft aan die omstandigheden echter niet doorslaggevend gewicht toegekend, zoals eiseres wel zou wensen. Maar dat maakt niet dat de belangenafweging niet kan worden gevolgd.\n\n8.3.. Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte als negatieve factor de onzekere toekomstige gebeurtenis heeft betrokken dat eiseres als jongvolwassene op korte termijn zelfstandig zou worden. Verweerder heeft nagelaten te waarderen hoe concreet de verwachte zelfstandigheid in het individuele geval van eiseres is. Volgens eiseres had verweerder dit wel moeten doen, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 27 mei 2026.\n\n8.4.. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 27 mei 2026 in het kader van de weging van het economisch belang geoordeeld hoe verweerder om moet gaan met een beroep van een vreemdeling op te verwachten toekomstige ontwikkelingen. Volgens de Afdeling mag verweerder, wanneer een vreemdeling een beroep doet op te verwachten toekomstige ontwikkelingen waarmee hij aan het economisch welzijn van Nederland zal kunnen bijdragen, dat niet alleen afdoen met de overweging dat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Verweerder zal deze omstandigheid in zijn beoordeling moeten betrekken en afhankelijk van het antwoord op de vraag hoe concreet de omstandigheid in het individuele geval is, meer of minder gewicht aan deze omstandigheid mogen toekennen. In het geval van eiseres heeft verweerder de verwachting dat zij op korte termijn zelfstandig zal worden meegenomen in de weging van hoe sterk het familieleven is. In de weging van het economisch belang heeft verweerder niet in het nadeel van eiseres meegenomen dat zij op korte termijn zelfstandig zou worden, maar heeft verweerder juist in haar voordeel betrokken dat referent voor haar de kosten kan dragen en dat zij bij referent kan wonen. De rechtbank kan deze weging volgen, zoals al is geoordeeld in overweging 8.2. Verweerder heeft verder in de weging van hoe sterk het familieleven is wel meegenomen dat eiseres op korte termijn zelfstandig zou worden, maar daar heeft verweerder wel gewaardeerd hoe concreet deze verwachte zelfstandigheid in het individuele geval van eiseres is. Verweerder heeft hier namelijk meegenomen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal is en dat zij bezig is met haar studie. De rechtbank kan deze beoordeling van verweerder volgen.\n\nBanden broertje met Nederland\n\n9.1.. Eiseres voert aan dat verweerder in het aanvullende besluit voor het eerst stelt dat haar broertje nog niet veel banden heeft met Nederland en zich nog goed kan aanpassen. Volgens eiseres is dit standpunt gebaseerd op eigen aannames van verweerder en eiseres betwist dit.\n\n9.2.. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder in het aanvullende besluit heeft gesteld dat eiseres niet heeft betwist dat haar broertje ook nog niet zo veel banden heeft met Nederland en dat hij zich goed kan aanpassen aan een nieuwe situatie in Nepal. Verweerder heeft daarom gesteld niet anders te kunnen concluderen dan dat het gezinsleven ook in Nepal kan worden uitgeoefend. Verweerder heeft dit meegenomen bij de weging hoe sterk de banden van het gezin met Nederland is. De rechtbank kan begrijpen dat verweerder dat in dat kader heeft meegenomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10.1.. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met zijn aanvullende besluit het gebrek voldoende hersteld. Verweerder heeft alle feiten en omstandigheden betrokken in de belangenafweging en heeft de belangen op navolgbare wijze in de belangenafweging betrokken. De gemaakte belangenafweging is in zijn algemeenheid een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres om een mvv terecht heeft afgewezen.\n\n10.2.. \n\nOmdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de reactie op het aanvullende besluit en 0,5 punt voor de reactie na de uitspraken van de Afdeling van\n\n27 mei 2026, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:3046, ECLI:NL:RVS:2026:3048 en ECLI:NL:RVS:2026:3049.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:340.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 – 6.2.\n\n En zo blijkt dit ook uit WI 2020\u002F16, waarnaar de rechtbank in overweging 3.4 heeft verwezen.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, r.o. 3.3.\n\n Dit heeft de Afdeling zeer recent nog bevestigd in de uitspraken van 27 mei 2026.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, r.o. 3.4.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449. Dit heeft de Afdeling ook recentelijk bevestigd in haar uitspraken van 27 mei 2026.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:876, r.o. 2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18537","2026-07-13T00:28:54.273Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":51,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":53},"1731","ECLI:NL:RBDHA:2026:18488","ecli-nl-rbdha-2026-18488","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.22558\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het terugkeerbesluit.\n\n1.1.. Bij besluit van 14 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen opgelegd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n1.3.. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft een kantoorgenoot van de gemachtigde van verweerder, mr. C.W.M. van Breda deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden een terugkeerbesluit aan eiser heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n2.1.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1978 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Aan eiser is een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van 28 dagen. Vanwege het terugkeerbesluit heeft verweerder eiser gesignaleerd in het SIS.\n\nHeeft verweerder terecht een terugkeerbesluit opgelegd?\n\n4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder aan hem ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Eiser had namelijk op grond van zijn paspoort en toeristenvisum rechtmatig verblijf in Nederland. In het gehoor verklaart eiser dat hij een geldig paspoort met een visum heeft, maar dat deze documenten in het hotel zijn achtergebleven. Verweerder heeft de hotelgegevens weliswaar opgezocht, maar daar ten onrechte verder geen actie op ondernomen. Ook heeft verweerder ten onrechte nagelaten de inhoud van het gehoor te betrekken in de besluitvorming.\n\n5. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat verweerder geen onderzoek zou hebben gedaan naar eiser zijn paspoort en toeristenvisum. Uit het dossier blijkt dat politieagenten op 14 mei 2025 naar aanleiding van de verklaring van eiser zijn bagage hebben opgehaald bij zijn hotel en is er geconstateerd dat er geen paspoort met visum aanwezig was. Er werd enkel een Algerijns rijbewijs aangetroffen. Verder volgt de rechtbank eiser niet in het standpunt dat de inhoud van zijn gehoor niet is betrokken in het terugkeerbesluit. In het terugkeerbesluit is immers opgenomen dat eiser niet in het bezit is van een geldig reisdocument en visum en hij daardoor niet voldoet aan de voorwaarden waaronder hij vrij in de Europese Unie dan wel Schengengebied mag reizen. Nu is gebleken dat het paspoort en visum niet in het hotel zijn aangetroffen ziet de rechtbank niet welke informatie uit het gehoor ten onterechte niet in het terugkeerbesluit is betrokken. Eiser heeft ook geen gehoor gegeven aan het verzoek van de rechtbank om deze stukken te overleggen. Omdat eiser heeft niet aangetoond dat hij een geldig verblijfsrecht had in Nederland, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n6. Ambtshalve stelt de rechtbank vast dat het opgelegde terugkeerbesluit niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM.In het gehoor van 14 mei 2025 heeft verweerder eiser bevraagd over zijn familie, zijn medische omstandigheden en of hij in Algerije te vrezen heeft voor vervolging en\u002Fof onmenselijke dan wel vernederende behandeling. Hierop heeft eiser geantwoord dat zijn gezin in Algerije woont en dat hij geen familie in Nederland heeft, er geen medische problematiek speelt en hij niets te vrezen heeft bij terugkeer naar Algerije. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de terugkeer van eiser in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Schengen Informatiesysteem.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18488","2026-07-13T00:29:36.201Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":58,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":60},"1730","ECLI:NL:RBDHA:2026:18486","ecli-nl-rbdha-2026-18486","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.24419\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [verzoekster] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1984, van Surinaamse nationaliteit, verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. J. Werner),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster.\n\n2. Verzoekster heeft een aanvraag gedaan tot afgifte van een verblijfsdocument EU\u002FEERop grond van het arrest Chavez-Vilchezvoor verblijf bij haar dochter [naam] , die de Nederlandse nationaliteit heeft.\n\n3. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 17 juni 2025 afgewezen. Met de beslissing op het bezwaar van 22 april 2026 (het bestreden besluit) is verweerder bij de afwijzing gebleven. Verzoekster mag een eventueel beroep tegen dit besluit niet in Nederland afwachten.\n\n4. Op 30 april 2026 heeft verzoekster beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. In het verzoek heeft verzoekster verzocht om de werking van het bestreden besluit op te schorten. Dit houdt volgens verzoekster in ieder geval een verbod op uitzetting in tot nadat op het beroep is beslist en het voortzetten van haar recht om in Nederland te werken. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.\n\n4.2.. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nVrijstelling van het griffierecht\n\n5. Verzoekster heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Verzoekster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.\n\nBeoordeling van het verzoek\n\n6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nSpoedeisend belang\n\n7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoekster mag het beroep immers niet in Nederland afwachten, zij kan dus uit Nederland worden gezet. De stelling van verweerder dat geen sprake is van spoedeisendheid van het verzoek om een voorlopige voorziening omdat er geen concreet voornemen is of voorbereidingen zijn getroffen om verzoekster uit te zetten, volgt de voorzieningenrechter niet. Dat er nog geen concrete plannen voor uitzetting bestaan, is niet relevant. Het feit dat verzoekster verwijderbaar is, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter al mee dat sprake is van een spoedeisend belang.\n\nRedelijke kans van slagen\n\n8. De voorzieningenrechter stelt vast dat het hier gaat om een Chavez-situatie bij een Nederlands kind. [naam] is geboren in [geboorteland] uit een Surinaamse moeder, verzoekster. [naam] is Nederlander geworden omdat zij door een Nederlander is erkend. Verweerder stelt dat die erkenning een schijnerkenning is, daarom heeft hij aan het college van B&Wvan de gemeente Utrecht een terugmelding gedaan op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP. Verweerder stelt dat hij daarom op grond van artikel 1.7, tweede lid, van de Wet BRP niet langer hoeft uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van [naam] .\n\n9. Op de zitting heeft (de gemachtigde van) verzoekster aangevoerd dat voor het doen van een terugmelding voldoende aanleiding moet zijn en dat daarvan in deze zaak geen sprake is. Bovendien bestaat er ernstige twijfel over het bestaan van een juridische grondslag voor verweerder om onderzoek te mogen doen naar de erkenning. De voorzieningenrechter doet over deze punten geen uitspraak, nu dit niet nodig is voor de toewijzing van het verzoek.\n\n10. De voorzieningenrechter vraagt zich af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Zij vindt het niet onbegrijpelijk dat verweerder twijfels heeft bij de situatie van verzoekster. De erkenner van [naam] heeft volgens de terugmelding van verweerder aan de gemeente Utrecht kennelijk elf kinderen erkend bij negen verschillende moeders, waarvan de moeders daarna allemaal aanspraak hebben gemaakt op dezelfde procedure als verzoekster.\n\n11. Daartegenover staat dat de voorzieningenrechter wel twijfelt over of de werkwijze van verweerder met het doen van een terugmelding en daardoor niet uitgaan van de Nederlandse nationaliteit, wel klopt. [naam] heeft namelijk wel de Nederlandse nationaliteit verkregen, toen zij werd erkend door een Nederlandse man. Deze erkenner hoeft ook niet de biologische ouder te zijn, in een andere situatie kan ook erkend worden. In principe dient dan uit te gaan van die erkenning. Het klopt verder wel dat verweerder op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP een terugmelding kan doen. In artikel 1.7, eerste en tweede lid, onder b, van de Wet BRP staat vervolgens dat het bestuursorgaan dat bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisregistratie, voor die informatie dat gegeven gebruikt en dat het eerste lid niet van toepassing is indien het bestuursorgaan ten aanzien van het gegeven een mededeling als bedoeld in artikel 2.34 van de Wet BRP doet. De voorzieningenrechter vraagt zich zeer af of dit betekent dat verweerder niet meer uit hoeft te gaan van de Nederlandse nationaliteit. Het verkrijgen en het verliezen van het Nederlanderschap wordt immers geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Deze wet beschrijft ook welke procedures gevolgd moeten worden om te bepalen dat iemand geen Nederlander meer is. Zolang [naam] de Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren conform die wet, gaat de voorzieningenrechter vooralsnog uit van haar Nederlandse nationaliteit. Tot slot is ook gebleken dat de gemeente Utrecht (nog) niets met de terugmelding heeft gedaan. Concluderend vraagt de voorzieningenrechter zich dus af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep kan geen redelijke kans van slagen ontzegd worden.\n\nBelangenafweging\n\n12. De voorzieningenrechter zal vervolgens een belangenafweging maken. Hierin weegt zij de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan.\n\n13. De voorzieningenrechter acht het aan de kant van verweerder van groot belang dat misbruik wordt tegengegaan, dat betekent dus ook dat schijnerkenningen niet mogen worden beloond. Ook betekent dat, als inderdaad sprake is van een schijnerkenning, er geen verblijfsrecht ontstaat en dat degene die ten onrechte een beroep doet op die erkenning geen recht heeft om in Nederland te blijven. Daartegenover acht de voorzieningenrechter aan de kant van verzoekster van groot belang dat het onderzoek zorgvuldig wordt gedaan en dat geen verstrekkende beslissingen worden genomen, zoals het mogelijk uitzetten van verzoekster met gevolgen voor [naam] , die afhankelijk van haar is, zolang niet duidelijk is of het besluit wel stand kan houden. Bovendien gaat het om een tijdelijke maatregel, alleen totdat op het beroep is beslist. Dat maakt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van verzoekster en haar dochter, die van haar afhankelijk is, zwaarder weegt dan het belang van verweerder.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot de uitspraak op het beroep.\n\n15. Omdat het verzoek wordt toegewezen krijgt verzoekster een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.\n\n16. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026 door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.\n\nDit proces-verbaal is bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Europese Unie\u002FEuropese Economische Ruimte.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:2017:354.\n\n Burgemeester en wethouders.\n\n Wet basisregistratie personen.\n\n Zie ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van\n\n10 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15606.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18486","2026-07-13T00:29:36.167Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":65,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":67},"1729","ECLI:NL:RBDHA:2026:18484","ecli-nl-rbdha-2026-18484","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL25.16541 (beroep)\n\nNL25.16546 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [eiseres] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1933, van Turkse nationaliteit, eiseres\u002Fverzoekster (hierna: eiseres),\n\n(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. A. Al-Edani).\n\nInleiding\n\n1. In het besluit van 23 augustus 2023 (het primaire besluit) is de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ’familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM’ voor verblijf bij haar zoon (die in deze procedure optreedt als referent), afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.\n\n1.1.. Met het besluit van 7 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\n1.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.\n\n1.3.. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, referent, M. Sivridag als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van verweerder.\n\n1.5.. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht de uitspraaktermijn met zes weken te verlengen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden de aanvraag van eiseres heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en de voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAchtergrond\n\n4. Eiseres woonde voor haar komst naar Nederland in Turkije. Haar echtgenoot is in oktober 2021 overleden. Referent en een dochter van eiseres wonen in Nederland. Twee andere dochters wonen in Oostenrijk en Zwitserland. Voordat eiseres naar Nederland kwam bezochten haar kinderen haar om de beurt en bezocht eiseres hen. Eiseres is laatstelijk in december 2022 voor een familiebezoek naar Nederland gekomen. Turkije werd vervolgens getroffen door aardbevingen die haar huis hebben verwoest. De gezondheid van eiseres is de afgelopen jaren achteruit gegaan. Gezien het vorenstaande kan eiseres niet langer in Turkije wonen. Daarom heeft zij een vergunning aangevraagd voor verblijf bij referent.\n\nBesluitvorming\n\n5. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat zij niet in het bezit is van een geldige mvven ook niet in aanmerking komt voor een vrijstelling daarvan. Eiseres kan niet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op medische gronden, omdat zij in staat wordt geacht te reizen en er geen sprake is van een medische noodsituatie. Ook is er geen vrijstelling mogelijk op grond van het Turks associatierecht. Eiseres moet in dat geval een gezinslid van een Turkse werknemer zijn. Omdat zij de moeder van referente is, is zij alleen ‘gezinslid’ als zij ten laste van referente komt. Eiseres heeft volgens verweerder niet onderbouwd dat dit het geval is. Verder is haar uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Ook om die reden komt eiseres niet in aanmerking voor een vrijstelling van het mvv-vereiste. Volgens verweerder zijn er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid, zodat er tussen eiseres en haar familieleden in Nederland geen familie- of gezinsleven bestaat. Volgens verweerder is de uitzetting van eiseres ook niet in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, omdat de belangenafweging in haar nadeel uitvalt. Tot slot is er geen aanleiding om eiseres wegens bijzondere omstandigheden ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen zoals bedoeld in artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb.\n\nTurks associatierecht\n\n6. Allereerst voert eiseres aan dat zij ten laste van referent komt. Zij werd ook al vóór haar komst naar Nederland door haar zoon voor een belangrijk deel onderhouden, mede doordat hij steeds garant heeft gestaan. Dat hij de cash giften en de giften in natura niet heeft kunnen aantonen door de liquide aard ervan, doet hier niet aan af. Dat hij lange perioden bij zijn moeder heeft verbleven en zij ook lange perioden bij hem, en nu nog altijd voor haar eerste levensbehoeften financiële verantwoordelijkheid draagt maakt dat zij onder de werking van het Turks associatierecht valt. Verweerder heeft de lat voor de bewijsvoering dan ook ten onrechte te hoog gelegd.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat eiseres onder het begrip ‘gezinslid’ valt zoals bedoeld in artikel 7 van Besluit 1\u002F80. Een familielid komt ten laste van een Turkse werknemer als dit familielid, gelet op zijn economische en sociale toestand, niet in staat is om in zijn basisbehoeften te voorzien.Dat betekent dat de Turkse werknemer ondersteuning moet geven aan dit familielid en dat die ondersteuning noodzakelijk moet zijn. Verweerder moet dat beoordelen aan de hand van een of meerdere peilmoment(-en). Welke dat zijn, hangt af van de vraag wáár het familielid zich bevindt en hoe lang hij zich daar (al) bevindt.\n\n7.1.. Als het familielid zich op het moment van de aanvraag in zijn land van herkomst bevindt of zich slechts korte tijd in Nederland bevindt, dan kijkt verweerder naar de vraag of het familielid in zijn land van herkomst ten laste komt of zou komen van de Turkse werknemer. In dat geval moet het familielid dus aannemelijk maken dat hij in zijn land van herkomst noodzakelijke ondersteuning ontvangt of zou ontvangen.Bevindt het familielid zich al in Nederland, dan beoordeelt verweerder dus een fictieve situatie. Het peilmoment is in dit geval (dus) het moment waarop het familielid zijn aanvraag doet.\n\n7.2.. Verweerder stelt zich allereerst terecht op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij regelmatige financiële ondersteuning van referent heeft ontvangen en dat deze ondersteuning noodzakelijk was. Referent heeft niet tenminste één jaar ononderbroken op regelmatige basis een som geld betaald die voor eiseres noodzakelijk was om in haar basisbehoeften te voorzien. Eiseres heeft bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat zij van april 2023 tot augustus 2023 een aantal keren geld van referent heeft ontvangen. Dat referent ook contante bedragen heeft betaald en aankopen voor zijn moeder heeft gedaan, is niet met stukken onderbouwd. Gelet op het feit dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij ten laste van referent kwam, mocht verweerder de overgelegde stukken van eiseres onvoldoende vinden en een nadere onderbouwing van haar verlangen. Die nadere onderbouwing ontbreekt echter.\n\n7.3.. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van haar komst naar Nederland ten laste van referent kwam. Daarom heeft verweerder zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet onder de reikwijdte van het Turks associatierecht valt. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM?\n\nIs er sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent?\n\n8. Allereerst stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent.\n\n8.1.. Het is vaste rechtspraak van het EHRMdat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen en meerderjarige broers en zussen, als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie; er moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hierbij kan onder meer relevant zijn: de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst. De rechtbank toetst de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid – evenals het EHRM doet en conform de jurisprudentie van het EHRM– vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 november 2025en maakt deze overwegingen de hare.8.2.. \n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Vaststaat dat eiseres, die hoogbejaard is, sinds haar komst naar Nederland in december 2022 tot het bestreden besluit van 7 april 2025 met referent en zijn gezin heeft samengewoond en dat zij financieel door referent is onderhouden. Daarmee is er dus sprake van samenwoning en financiële afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Ook staat vast dat eiseres met meerdere gezondheidsklachten kampt, waaronder aortaklepstenose, staar en cognitieve en mobiliteitsbeperkingen. Daarom heeft eiseres van referent en zijn zus hulp nodig bij de dagelijkse praktische taken, zoals medicatie innemen, het aan- en uitkleden en haar zelfverzorging. Op de zitting is ook gesteld dat eiseres dementeert. Het vorenstaande is niet bestreden. Hiermee staat dus ook vast dat eiseres vanwege haar gezondheid afhankelijk is van referent en zijn gezin. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er wel bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn en dat daarmee sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt.\n\nBelangenafweging ten aanzien van familieleven\n\n9. De belangenafweging zoals die nu beschreven staat in het bestreden besluit houdt geen stand nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Hoewel strikt genomen ten overvloede, ziet de rechtbank in het kader van een finale beslechting van het geschil wel aanleiding om enkele handvatten te geven voor de nieuw te maken belangenafweging.\n\n9.1.. Eiseres was ten tijde van het bestreden besluit bijna 92 jaar. Zij heeft toegelicht in Turkije geen familieleden meer te hebben, behalve een neef met wie zij geen contact meer heeft. In Turkije zal zij na terugkeer naar alle verwachting in een verzorgingstehuis in [plaats 1] terechtkomen, aanzienlijk ver van [plaats 2] waar zij tot december 2022 woonde. Eiseres heeft voorts toegelicht dat zij tot de Armeens-Christelijke gemeenschap behoort en niet volledig de Turkse taal beheerst waardoor een verblijf in een verzorgingstehuis extra belastend is. Verweerder moet betrekken waarom het voor haar niet onredelijk belastend is om zonder enig sociaal netwerk naar een verzorgingstehuis te gaan in een regio waar zij nooit eerder heeft verbleven, terwijl zij ook de Turkse taal niet goed beheerst. Dit geldt ook voor de door verweerder genoemde mogelijkheid om de familieband voort te zetten door middel van digitale middelen en regelmatig bezoek. Volgens verweerder is niet gebleken dat referent (en zijn gezin) zich niet met eiseres in Turkije kunnen vestigen en dat zij daar geen bestaan kunnen opbouwen. Verweerder moet in de belangenafweging betrekken waarom dit, ondanks de hoge leeftijd van eiseres, en nu verweerder ook erkent dat dit waarschijnlijk niet makkelijk is, nog een realistische mogelijkheid is en dat dit toch van hen kan worden verlangd.\n\n9.2.. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder de eerste toelating van eiseres ten onrechte in de belangenafweging in haar nadeel heeft meegewogen, nu deze weging neutraal had moeten zijn.\n\nBelangenafweging ten aanzien van privéleven\n\n10. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat de belangenafweging in het kader van haar privéleven ten onrechte in haar nadeel uitvalt. Verweerder heeft ten onrechte niet betrokken dat eiseres al eerder op basis van tijdelijk legaal verblijf voor lange periodes bij referent in Nederland heeft verbleven. Daarnaast is het gezien de aardbevingen in Turkije en de leeftijd en gezondheid van eiseres onmogelijk en onredelijk om weer een bestaan op te bouwen in Turkije.\n\n10.1.. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de belangenafweging ten aanzien van het privéleven in het nadeel van eiseres uitvalt. Verweerder heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat eiseres in Nederland niet heeft gewerkt en geen opleiding heeft gevolgd en zij ook de Nederlandse taal niet spreekt. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat van bijzondere banden met Nederland niet is gebleken. Tot slot heeft eiseres weliswaar eerdere periodes legaal in Nederland verbleven, maar deze periodes zien enkel op het uitoefenen van haar familieleven en niet op haar privéleven. Verweerder heeft deze omstandigheid daarom niet bij de beoordeling van het privéleven hoeven betrekken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nSchrijnendheid\n\n11. Tot slot voert eiseres aan dat er sprake is van schrijnende individuele omstandigheden, gezien haar individuele omstandigheden.\n\n11.1.. De rechtbank oordeelt als volgt. Volgens artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb kan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. Hierbij is van belang dat de individuele omstandigheden zich hebben voorgedaan in Nederland.11.2.. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de medische problemen van eiseres niet in Nederland zijn ontstaan. Ook stelt de minister zich op het standpunt dat de aardbeving heeft zich heeft voorgedaan in Turkije en er met eiseres vele slachtoffers zijn waardoor er geen sprake is van een individuele omstandigheid. De situatie van eiseres voldoet daarmee echter niet aan het criterium dat er sprake moet zijn van individuele omstandigheden die binnen Nederland hebben plaatsgevonden. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat de situatie van eiseres geen schrijnende individuele omstandigheden zijn. Verweerder heeft eiseres ambtshalve daarom geen vergunning hoeven geven. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt.\n\n13. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiseres, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n14. De rechtbank veroordeelt verweerder in het door eiseres betaalde griffierecht en de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.16541,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat verweerder binnen 6 weken een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.16546,\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDe rechtbank, in beide zaken:\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de\n\nuitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Besluit nr. 1\u002F80 van de Associatieraad d.d. 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 16 januari 2014, C-423\u002F12, ECLI:EU:C:2014:16 (Reyes), r.o. 22 en het arrest van het HvJEU van 9 januari 2007,\n\nC-1\u002F05, ECLI:EU:C:2007:1 (Yunying Jia), r.o. 37.\n\n Zie het arrest Reyes, r.o. 22 en Yunying Jia, r.o. 37.\n\n Zie het arrest van het HvJEU van 10 april 2025, C-607\u002F21, ECLI:EU:C:2025:264 (XXX), r.o. 35-37.\n\n Europees Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:22362, r.o. 9-9.5.\n\n Zie IB 2019\u002F81 Ambtshalve toets schrijnende situatie.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18484","2026-07-13T00:29:36.127Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":72,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":74},"907","ECLI:NL:RBDHA:2026:18494","ecli-nl-rbdha-2026-18494","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.34569, NL26.33949 en NL26.34523\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. F. Schoot).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over zowel het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar, als de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met deze besluiten en heeft daarnaast ook beroep ingesteld tegen de aan de vreemdelingenbewaring voorafgaande ophouding op grond van artikel 50 van de Vw. Eiser voert tegen de bestreden besluiten een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit, het inreisverbod, de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring. Ook gaat de rechtbank in op de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod niet-ontvankelijk is en dat de beroepen tegen de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring ongegrond zijn. Er is ook geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 11 mei 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2001, een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Op 19 juni 2026 heeft de minister eiser gedurende ruim vier uur opgehouden op grond van artikel 50 van de Vw en hem aansluitend daarop de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Vervolgens heeft de minister de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring\n\nin kennis gesteld.\n\n2.1.. Eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaringen heeft tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod beroep ingesteld. Ook heeft eiser beroep ingesteld tegen de ophouding. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Lazar als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank van het terugkeerbesluit en inreisverbod\n\n3. De rechtbank constateert dat het terugkeerbesluit en inreisverbod deel uitmaken van het meeromvattende (asiel)besluit van 11 mei 2026. Omdat eiser de beslissing op zijn asielaanvraag niet heeft afgewacht en met onbekende bestemming is vertrokken is dat besluit gepubliceerd in de Staatscourant van 18 mei 2026, waarmee het besluit op rechtsgeldige wijze bekend is gemaakt. Eiser had een week de tijd om tegen dat besluit beroep in te stellen, maar hij heeft pas beroep ingesteld op 22 juni 2026. Eiser heeft dus niet tijdig beroep ingesteld.\n\n3.1.. Eiser stelt dat het niet aan hem te wijten is dat hij niet tijdig beroep heeft ingesteld, omdat het besluit niet aan hem in persoon is uitgereikt.\n\n3.2.. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding om de overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten. Dat het besluit van 11 mei 2026 niet aan eiser in persoon is uitgereikt, is een logisch gevolg van het feit dat eiser destijds al met onbekende bestemming was vertrokken. Door publicatie in de Staatscourant moet eiser worden geacht toch op de hoogte te zijn van dat besluit. Dat eiser in werkelijkheid geen kennis heeft genomen van het besluit komt voor zijn rekening en risico. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\n3.3.. Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. Ook als eiser wel tijdig beroep zou hebben ingesteld zou dat in deze procedure niet hebben kunnen leiden tot een inhoudelijke beoordeling, nu het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod moet worden gezien als een beroep tegen het meeromvattende besluit van 11 mei 2026. Het terugkeerbesluit en inreisverbod maken daar immers deel van uit. De in artikel 94 van de Vw gestelde korte termijnen staan aan een zorgvuldige toetsing door de rechtbank van een meeromvattende beschikking samen met een maatregel van bewaring in de weg.\n\nBeoordeling door de rechtbank van de ophouding\n\n4. Eiser heeft de rechtmatigheid van de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw niet betwist. Het beroep daartegen is ongegrond.\n\nBeoordeling door de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\n3.1.. \n\nIn de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n3.2.. Eiser betwist niet dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen, maar hij betoogt dat de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring ten onrechte geen opgave heeft gedaan van de juridische grondslag. Het enkel vermelden van artikel 59 van de Vw is volgens eiser onvoldoende, nu in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) immers verder is uitgewerkt in welke gevallen de maatregel kan worden toegepast en in de maatregel niet expliciet is verwezen naar de van toepassing zijnde artikelen van het Vb. Ook worden in de maatregel de Vreemdelingenwet en het Voorschrift Vreemdelingen enkel aangeduid met afkortingen. Volgens eiser maakt dit gebrek de maatregel onrechtmatig en is er ook aanleiding om in dat verband prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.\n\n3.3.. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Zoals de Afdeling al heeft overwogen in de uitspraak van 13 mei 2019dient onderscheid te worden gemaakt tussen de juridische (of: wettelijke) grondslag en de feitelijke gronden. De wettelijke grondslag is algemeen en dwingend van aard en er is in bepaald wie met toepassing van welk vereiste of welke vereisten kan worden gedetineerd. Een feitelijke grond is een feitelijke en op de persoon van de vreemdeling toegespitste toelichting, waaruit volgt dat en waarom aan de in de wettelijke grondslag gestelde vereisten is voldaan. De rechtbank leidt hieruit af dat de minister in de maatregel de wettelijke grondslag dient te vermelden en dat een feitelijke en op de persoon toegespitste toelichting dient te worden gegeven. Daaraan is in eisers geval voldaan. De minister heeft in de maatregel vermeld dat eiser op grond van artikel 59, van de Vw in bewaring wordt gesteld en heeft daaronder een feitelijke en op de persoon van eiser toegespitste toelichting gegeven. Bij elke afzonderlijke feitelijke grond is immers toegelicht waarom die grond in het geval van eiser kan worden tegengeworpen. De rechtbank acht die toelichting voldoende, wat eiser overigens ook niet heeft betwist, en is van oordeel dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen. Er bestaat geen verplichting om daarnaast nog melding te maken van de artikelen waarin de criteria voor de inbewaringstelling nader zijn uitgewerkt. Dat dit, zoals eiser onderbouwd heeft gesteld, bij de inbewaringstellingen van andere vreemdelingen soms wel gebeurt, maakt dit niet anders noch willekeurig.\n\n3.4.. Gelet op voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.\n\nLeidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is niet-ontvankelijk en de beroepen tegen de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod (NL26.34523)\n\nniet-ontvankelijk;\n\n- verklaart de beroepen tegen de ophouding (NL26.34506) en de maatregel van vreemdelingenbewaring (NL26.34569) ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van\n\nD.P. van Middelkoop, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. In het geval van de maatregel van vreemdelingenbewaring moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. In het geval van het terugkeerbesluit en inreisverbod bedraagt die termijn vier weken.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.\n\nStcrt.2026, 18598.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)\n\nvan 27 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1190.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1528.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18494","2026-07-13T00:28:54.047Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":79,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":81},"906","ECLI:NL:RBDHA:2026:18493","ecli-nl-rbdha-2026-18493","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.34263\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. Timmer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. F. Schoot).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 19 juni 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1998, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Lazar als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\n3.1.. \n\nIn de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n3.2.. Eiser betwist niet dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen. Eiser betoogt echter dat de maatregel onrechtmatig is omdat uit de motivering in de maatregel niet blijkt dat de minister heeft meegewogen dat eiser in Spanje een beroep heeft gedaan op de recente regularisatieregeling.\n\n3.3.. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond niet slaagt. In de maatregel heeft de minister overwogen dat eisers verklaring dat hij een verblijfsaanvraag in Spanje heeft lopen is meegenomen in de beslissing. Volgens de minister maakt dat de vreemdelingenbewaring niet onevenredig bezwarend, omdat eiser de beslissing op die aanvraag niet heeft afgewacht en naar Nederland is gekomen, omdat hij liever in Nederland wil verblijven. Deze motivering acht de rechtbank toereikend, mede gelet op het feit dat eiser zelf ook heeft verklaard geen rechtmatig verblijf te hebben in Spanje. Zijn stelling dat de kans groot is dat hij een verblijfsvergunning krijgt in Spanje leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat eiser die stelling niet nader heeft onderbouwd. Er is geen sprake van een motiveringsgebrek.\n\nLeidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van\n\nD.P. van Middelkoop, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18493","2026-07-13T00:28:54.009Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":86,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":88},"909","ECLI:NL:RBDHA:2026:18491","ecli-nl-rbdha-2026-18491","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.30546 (voorlopige voorziening)\n\n NL25.43387 (beroep)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n\n [verzoekster] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1970, van Marokkaanse nationaliteit, verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. J. Werner),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een mvvom bij haar echtgenoot, de heer [referent] (referent), in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af, omdat verzoekster niet voldoet aan het inburgeringsvereiste.\n\nVerzoekster is het niet eens met de afwijzing en stelde daarom beroep in. Daarnaast vroeg zij de voorzieningenrechter om te bepalen dat zij tijdens de beroepsprocedure al tot Nederland wordt toegelaten. Als de voorzieningenrechter meteen uitspraak zou doen in de beroepszaak, vroeg verzoekster om te bepalen dat zij tijdens de bezwaarprocedure tot Nederland wordt toegelaten.\n\nDe voorzieningenrechter doet in deze uitspraak ook uitspraak over het beroep. De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep gegrond is. Het afwijzen van de aanvraag, alleen omdat verzoekster het inburgeringexamen niet heeft gehaald, is namelijk discriminatoir. Ook heeft de minister de hoorplicht geschonden. Daarom moet de minister een nieuw besluit op bezwaar nemen. Voor de volledigheid gaat de voorzieningenrechter ook in op de beroepsgrond dat verzoekster ontheffing moet krijgen van het inburgeringsvereiste.\n\nOmdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan over het beroep, is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen voor de periode waarin de beroepsprocedure loopt. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van het nieuwe besluit op bezwaar, omdat er geen sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang.\n\nProcesverloop\n\n1. Met het besluit van 17 januari 2025 wees de minister de aanvraag van verzoekster om een mvv af. Hiertegen maakte verzoekster bezwaar.\n\n1.1.. Met de beslissing op bezwaar van 11 augustus 2025 (het bestreden besluit) verklaarde de minister het bezwaar ongegrond.\n\n1.2.. Verzoekster stelde hiertegen op 8 september 2025 beroep in. Op 1 juni 2026 vroeg zij de voorzieningenrechter om te bepalen dat de minister haar tijdens de beroepsprocedure moet toelaten tot Nederland. Op zitting vulde verzoekster dit verzoek aan: als de voorzieningenrechter meteen uitspraak zou doen in de beroepszaak, vroeg verzoekster om te bepalen dat de minister haar tijdens de bezwaarprocedure tot Nederland moet toelaten.\n\n1.3.. De voorzieningenrechter behandelde de zaken op 29 juni 2026 op zitting. Referent, R. Dahman als tolk in de Arabische taal en de gemachtigden van partijen waren aanwezig.\n\nOverwegingen\n\n2. Na afloop van de zitting kwam de voorzieningenrechter tot de conclusie dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awbniet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.\n\nInleiding\n\n3. Verzoekster trouwde op [datum] 2023 in Marokko met referent. Referent woont sinds 1992 in Nederland en heeft vanaf 1999 de Nederlandse nationaliteit.\n\n3.1.. Op 13 juni 2024 vroeg verzoekster een mvv aan, omdat zij bij referent in Nederland wil verblijven. De minister wees deze aanvraag af, omdat verzoekster niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. De minister zag geen aanleiding om verzoekster van dat vereiste te ontheffen. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag.\n\nDiscriminatieverbod\n\n4. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij door de voorwaarde om voorafgaand aan een mvv-aanvraag het basisexamen inburgering te behalen, gediscrimineerd wordt op grond van nationaliteit en (indirect) op grond van etniciteit\u002Fras.\n\n4.1.. Ten aanzien van de afwijzing van een aanvraag voor een mvv, alleen op grond van het inburgeringsvereiste, heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 16 april 2024overwogen dat een dergelijk besluit discriminatoir is. De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. Dit hoger beroep heeft ertoe geleid dat de Afdeling op 11 juni 2025 een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof. Het Hof moet zich nog uitspreken over deze vraag. De voorzieningenrechter zal in deze zaak in lijn met de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak van 16 april 2024 oordelen, namelijk dat het bestreden besluit in strijd is met de internationale discriminatieverboden neergelegd in (het 12e Protocol bij) het EVRM, het IVUR, en het Handvest. De beroepsgrond slaagt.\n\nHoorplicht\n\n5. Verzoekster stelt zich verder op het standpunt dat de minister haar ten onrechte niet heeft gehoord.\n\n5.1.. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen.In veel gevallen is horen aangewezen, omdat een hoorzitting nu juist kan dienen om informatie boven tafel te krijgen, te zoeken naar oplossingen en een toelichting op de betrokken belangen te verkrijgen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.\n\n5.2.. De voorzieningenrechter overweegt dat er in dit geval geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat de bezwaargronden onder andere zagen op de zaakoverstijgende vraag over het discriminatieverbod, maakt niet dat het horen daarom geen verschil had kunnen maken voor de uitkomst van de zaak. Daarbij heeft verzoekster er juist terecht op gewezen dat de conclusie dat een bezwaar kennelijk ongegrond is, zich slecht verhoudt tot het feit dat er zodanige twijfel is over het antwoord op de rechtsvraag dat de Afdeling prejudiciële vragen heeft gesteld. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat de gemachtigde van verzoekster in beroep heeft toegelicht dat hij ervan uit was gegaan dat een hoorzitting zou plaatsvinden, zodat hij zich daarop kon voorbereiden en nog nadere stukken in kon dienen, wat mogelijk is tot tien dagen voor de hoorzitting. Door het onverwacht nemen van een beslissing op bezwaar, is dit niet gebeurd. Bovendien blijkt uit het bestreden besluit dat er bij de minister nog onduidelijkheden bestonden over bijvoorbeeld hoelang verzoekster lessen heeft gevolgd, wat deze lessen inhielden en wat de achtergrond van de docent is. Een hoorzitting was bij uitstek het aangewezen moment om deze onduidelijkheden te verhelderen. De beroepsgrond slaagt.\n\nOntheffing\n\n6. Verzoekster stelt zich tot slot op het standpunt dat de minister heeft miskend dat zij zich over een lange periode heeft ingezet om het examen te behalen en gelet daarop voor ontheffing in aanmerking komt.\n\n6.1.. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Een vreemdeling kan ontheffing krijgen van de plicht om te slagen voor het inburgeringsexamen. Of de vreemdeling ontheffing krijgt, hangt volgens de minister onder andere af van de inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het examen. Deze inspanningen om te slagen voor het examen mogen niet zo lang duren dat gezinshereniging onmogelijk of heel erg moeilijk wordt gemaakt.\n\n6.2.. De voorzieningenrechter is met de minister van oordeel dat niet is gebleken dat verzoekster zich op een passende manier lang genoeg heeft ingezet en heeft gedaan wat zij kan om zich voor te bereiden op het examen en te slagen voor het examen. In bezwaar heeft verzoekster ter onderbouwing van haar inspanningen slechts een verklaring van [persoon] van 30 mei 2024 overgelegd. Daarin staat onder andere dat verzoekster vanaf september 2023 tot heden (30 mei 2024) de inburgeringscursus Nederlandse taal heeft gevolgd en vanaf september 2023 tot begin april 2024 privélessen thuis heeft gekregen, vier uur per week, twee uur per les. De voorzieningenrechter volgt de minister in zijn standpunt dat de verklaring summier is, geen informatie geeft over de inhoud van de gestelde cursus of wat de achtergrond van de lerares is, niet is toegelicht wat verzoekster concreet heeft gedaan tijdens de cursus en op welke manier zij werd begeleid. De door verzoekster in beroep overgelegde uitslagen van drie basisexamen maken het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Hoewel uit de besluitvorming van de minister volgt dat behaalde scores voor afgelegde examens een indicatie geven voor de geleverde inspanningen, volgt hieruit niet dat verzoekster ook daadwerkelijk voldoende inspanningen heeft verricht om zich voor te bereiden op en te slagen voor (alle onderdelen van) het examen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen van het beroep\n\n7. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit discriminatoir is en de minister de hoorplicht heeft geschonden. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van verzoekster, met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter stelt voor het nemen van het nieuwe besluit een termijn van zes weken.\n\nVoorlopige voorziening\n\n8. Omdat het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding om de primair verzochte voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter ziet verder ook geen aanleiding om de subsidiair verzochte voorzieningtoe te wijzen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.\n\n8.1.. Toewijzing van de gevraagde voorziening zou betekenen dat verzoekster Nederland kan inreizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die zij met haar aanvraag beoogt. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden zal een dergelijk verzoek voor toewijzing in aanmerking komen en daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat er geen sprake is van een bijzonder zwaarwegend spoedeisend belang. De voorzieningenrechter stelt op basis van de verklaring van de huisarts vast dat referent wordt geopereerd aan zijn linkeroor en dat er een trommelvliessluiting zal plaatsvinden. Referent mag nadien niet tillen, bukken of huishoudelijk werk verrichten. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het voor referent wenselijk is dat verzoekster hem (emotioneel en) praktisch kan ondersteunen na de operatie, heeft verzoekster onvoldoende onderbouwd waarom het noodzakelijk is dat juist zij de zorg aan referent moet verlenen en zorg door bijvoorbeeld een wijkverpleegkundige dan wel huishoudelijk hulp (via de gemeente) niet voldoende zou zijn. De door verzoekster naar voren gebrachte omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als zodanig bijzondere omstandigheden dat haar de toegang tot Nederland moet worden verschaft nog voordat er opnieuw is besloten op haar bezwaar.\n\nProceskosten\n\n9. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 11 augustus 2025;\n\ndraagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\nwijst het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening af;\n\nbepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D. de Hoop, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:5396.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\n Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.\n\n Zie in dit verband de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3412, rechtsoverweging 8, waaruit volgt dat aangenomen kan worden dat een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep kan worden getransformeerd naar een verzoek hangende bezwaar.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18491","2026-07-13T00:28:54.120Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":93,"fullText":94,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":93,"parsedAt":36,"updatedAt":96},"1764","ECLI:NL:GHAMS:2026:1763","ecli-nl-ghams-2026-1763","2026-07-02T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-002516-25\n\ndatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-066781-22 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,\n\nadres: [adres].Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2026.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 15 maart 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden\n\ndat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF\n\ndat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 15 maart 2022 te Amsterdam als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\nWat meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nals vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.\n\nToepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht\n\nDe politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek van voorarrest.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met een proeftijd van 1 jaar.\n\nDe raadsman heeft het hof primair verzocht de verdachte met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel op te leggen. Subsidiair heeft hij verzocht om de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.\n\nHet hof heeft in hoger beroep in het kader van de vraag welke straf passend is rekening gehouden met de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft in Nederland verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat aan hem een inreisverbod was uitgevaardigd. Hiermee heeft hij in strijd gehandeld met een door het bevoegd gezag genomen besluit, een besluit dat dient ter bescherming van de openbare orde en veiligheid.\n\nBlijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 juni 2026 is de verdachte meerdere keren onherroepelijk veroordeeld voor dezelfde gedraging op andere datum dan nu is bewezen verklaard. Gelet hierop acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf in beginsel passend.\n\nHet hof acht het evenwel raadzaam te bepalen dat in verband met de omstandigheden die zich na het feit hebben voorgedaan, geen straf of maatregel zal worden opgelegd. De verdachte kent vanwege het inreisverbod kort gezegd al jarenlang de inzet van het strafrecht en vreemdelingenbewaring. Uit de door de verdediging overgelegde stukken en wat is besproken ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de verdachte op dit moment is ingebed in de zorg (waaronder verslavingszorg). In tegenstelling tot in het verleden is de verdachte – vanwege die ingezette zorg – bereid met Dienst Terugkeer en Vertrek mee te werken aan zijn vertrek uit Nederland en Europees grondgebied. Het hof wenst deze ontwikkelingen niet met enige (voorwaardelijke) straf te belemmeren en vindt een vorm van strafoplegging nu niet opportuun.\n\nHet voorgaande brengt mee dat de oplegging van een (voorwaardelijke) straf – hoewel in beginsel dus passend - naar het oordeel van het hof op dit moment geen redelijk doel (meer) dient.\n\nVoorwaardelijk verzoek\n\nDe raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijk verzocht om de zaak aan te houden in het geval dat het hof het strafmaatverweer verwerpt, geen toepassing geeft aan artikel 9a Sr en overweegt de verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen. Nu het hof de verdachte geen straf of maatregel zal opleggen, is aan de aan het verzoek verbonden voorwaarde niet voldaan, zodat daarop niet hoeft te worden beslist.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nBepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. R. van der Heijden en mr. R.A.J. Hübel, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen en Y. Amana, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.\n\nmr. R.A.J. Hübel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\nproces-verbaal uitspraak\n\n_______________________________________________________________ _ _\n\nGERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-002516-25\n\nProces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 2 juli 2026.\n\nTegenwoordig zijn:\n\nmr. B.A.A. Postma, raadsheer,\n\nB. Batman, griffier.\n\nHet openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M.M. Steinmetz, advocaat-generaal.\n\nDe raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.\n\nDe verdachte is wel \u002F nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nRaadsman\u002Fraadsvrouw is wel \u002F nietaanwezig.\n\n(zo ja:) naam raadsman\u002Fraadsvrouw en plaats:\n\nTolk is wel \u002F nietaanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:\n\nDe raadsheer spreekt het arrest uit.\n\nDe raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)\n\nDe verdachte heeft wel \u002F geenafstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.(indien VTEin deze zaak is gedetineerd)\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1763","2026-07-13T00:29:37.733Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":93,"fullText":101,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":36,"updatedAt":103},"1352","ECLI:NL:RBDHA:2026:18169","ecli-nl-rbdha-2026-18169","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.23373\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. J. van Putten),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister.\n\nInleiding\n\nBij besluit van 5 december 2025 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) afgewezen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.\n\nDe minister heeft met het besluit van 17 april 2026 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek strekt ertoe om verzoeker toe te staan zijn werkzaamheden te continueren gedurende de beroepsprocedure.\n\nOp 24 april 2026 heeft de voorzieningenrechter de minister verzocht binnen één week op dit verzoek te reageren. De minister heeft geen reactie gegeven.\n\nDe voorzieningenrechter doet op grond van 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak\n\nzonder zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.\n\n2. Verzoeker stelt dat hij een zwaarwegend en spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de gevraagde voorlopige voorzieningen. Dat verzoeker voor onbepaalde tijd zonder werk komt te zitten, de grote onzekerheid over zijn verblijfsrechtelijke positie en daarmee samenhangende dienstverband, brengen voor hem een grote mate van psychische spanning mee. Hierbij dient voor ogen gehouden te worden dat verzoeker in Nederland geen familie en, gelet op zijn relatief korte verblijf, slechts een beperkt sociaal netwerk heeft, dat grotendeels samenhangt met zijn werkomgeving. Zijn werkzaamheden als kok vormen voor hem dan ook niet alleen een bron van inkomsten, maar deze bieden ook structuur, sociale contacten en hij haalt er bovendien veel plezier uit. Het wegvallen hiervan zal dan ook van een negatieve impact zijn op zijn mentale gesteldheid.\n\n3. Omdat de minister desgevraagd zijn belangen niet kenbaar heeft gemaakt, valt de belangenafweging uit in het voordeel van verzoeker. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe.\n\n4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de\n\nminister in de door verzoeker gemaakte griffie- en proceskosten. De proceskosten stelt de\n\nvoorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht\n\nvoor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor\n\nhet indienen van het verzoekschrift met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor\n\n1).\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;\n\n- bepaalt dat de vertrekplicht wordt opgeschort en dat verzoeker gedurende de\n\nberoepsprocedure mag blijven werken;\n\n- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18169","2026-07-13T00:29:17.350Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":93,"fullText":108,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":110},"672","ECLI:NL:RBDHA:2026:18539","ecli-nl-rbdha-2026-18539","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 24\u002F11456 V-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser]\n\ngeboren op [geboortedag] 1961, van Mauritiaanse nationaliteit, eiser.\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de bestreden besluiten van 20 mei 2024 en 11 juni 2024. Met deze besluiten heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod zijn terecht uitgevaardigd. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. In het besluit van 20 mei 2024 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken uitgevaardigd.Eiser moet terugkeren naar Mauritius. Op 11 juni 2024 heeft verweerder een inreisverbod aan eiser uitgevaardigd met een duur van twee jaar.Het beroep van eiser is gericht tegen beide besluiten.\n\n2.1.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op een zitting behandeld. Hierbij waren eiser (via digitale verbinding) en de gemachtigde van verweerder aanwezig.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt de uitvaardiging van het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Verweerder heeft aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat tijdens de uitreiscontrole op Schiphol is gebleken dat eiser de maximale termijn die hij in de Schengenzone mocht verblijven met 179 dagen had overschreden.Eiser heeft een termijn van vier weken gekregen om het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland te verlaten. Daarnaast is middels de voornemenprocedureaan eiser een inreisverbod met een duur van twee jaar opgelegd.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat tijdens de uitreiscontrole ten onrechte is vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf (meer) zou hebben in de Schengenzone. Eiser verbleef namelijk in Polen en was in Polen in afwachting van een besluit op zijn aanvraag om een verblijfvergunning. Dit brengt volgens eiser met zich mee dat hij (procedureel) rechtmatig verblijf had in Polen en in de Schengenzone en dus niet illegaal op het grondgebied van Nederland verbleef.\n\n5.1.. De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijneen terugkeerbesluit moet nemen als het illegaal verblijf van een vreemdeling is vastgesteld. Verweerder kan echter op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn geen terugkeerbesluit nemen als de betreffende vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf. Indien de vreemdeling stelt dat hij of zij in het bezit is van een verblijfsvergunning afgegeven door een andere lidstaat of een andere toestemming van verblijf, dan is het aan de vreemdeling om dat aan te tonen.\n\n5.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft geen enkel document overgelegd waaruit blijkt dat hij in het bezit is van een door de Poolse autoriteiten afgegeven geldige verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Uit de door eiser meegestuurde stukken volgt enkel dat hij een aanvraag heeft gedaan in Polen en dat het mogelijk was om zich in te schrijven met zijn bedrijf in Polen. Uit de stukken die eiser in beroep heeft ingediend, blijkt dat in de Poolse regelgeving staat, dat als er een verblijfsaanvraag is gedaan en gedurende de aanvraag iemand in Polen mag blijven, er een stempel in het reisdocument wordt aangebracht. Op Schiphol is deze stempel niet aangetroffen in het paspoort van eiser en dit wordt door eiser ook erkend in zijn beroepschrift. Indien eiser met de inschrijving van zijn bedrijf heeft willen zeggen dat zijn verblijf gedoogd werd in Polen in afwachting van een besluit op zijn aanvraag, volgt uit het Terugkeerhandboekdat een gedoogsituatie geen wettelijk verblijfsrecht is. Eiser heeft ook geen ander document overgelegd dat kwalificeert als ‘een verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf’. Dit is aan eiser om aan te tonen. Concluderend is niet gebleken dat eiser rechtmatig verblijf had in Polen.\n\n5.3.. Gelet op het voorgaande was eiser tijdens de uitreiscontrole onrechtmatig op het grondgebied van Nederland. Voor zover eiser op de zitting heeft betwist zich op Nederlands grondgebied te hebben begeven tijdens zijn transit op Schiphol, slaagt deze grond niet. Ook bij het enkel overstappen op Schiphol en het niet verlaten van het vliegveld, geldt dit gebied als Nederlands grondgebied.Hiervoor dient een reiziger, indien nodig, een doorreisvisum (ook wel airport transit visum) aan te vragen.\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n6. Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Eiser reisde samen met zijn vrouw en in haar geval is uiteindelijk afgezien van het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod. Volgens eiser bevonden zij zich in exact dezelfde situatie en maakten zij dezelfde reisbewegingen.\n\n6.1.. Deze grond slaagt niet. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat bij de echtgenote van eiser het gehoor een verkeerde aanloop had en het voornemen niet aan haar is uitgereikt. Bij de echtgenote is dus niet op inhoudelijke gronden afgezien van het opleggen van de besluiten, maar omdat procedurele waarborgen niet in acht waren genomen. Om die reden is er geen sprake van gelijke gevallen.\n\nProcedurele waarborgen\n\n7. Eiser heeft naar voren gebracht dat ook bij hem procedurele waarborgen niet in acht zijn genomen. Eiser stelt in dat kader allereerst dat de hoorplicht is geschonden. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Ten aanzien van het terugkeerbesluit staat niet ter discussie dat het formulier van het gehoor terugkeerbesluit aan eiser is uitgereikt. Dit formulier zit ook ingevuld in het dossier en betreft het gehoor. Hierop staat omcirkeld dat eiser heeft aangegeven niet nader te willen worden gehoord en dit formulier is opgesteld door een ambtenaar. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van dit formulier. Voor zover eiser zich onder druk gezet voelde vanwege de tijdsdruk die speelde, is dat onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de hoorplicht is geschonden. Relevant is dat eiser in staat moet worden gesteld om zijn standpunt kenbaar te maken en dat is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebeurd.\n\n8. Ten aanzien van het inreisverbod constateert de rechtbank dat dit is uitgevaardigd volgens de voornemenprocedure die is vastgelegd in paragraaf A4\u002F2.4.3 van de Vc. Deze procedure wordt gevolgd wanneer de vreemdeling bij het volgen van de normale procedure zijn vlucht niet zou halen. In overeenstemming met de voornemenprocedure is aan eiser in persoon op de luchthaven het voornemen tot het uitvaardigen van een inreisverbod uitgereikt. Eiser heeft hierna 28 dagen de tijd gekregen om vanuit het buitenland een zienswijze op het voornemen in te dienen en heeft ook van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De Afdeling heeft op 19 januari 2021geoordeeld dat de voornemenprocedure is toegestaan. Verweerder heeft eiser dus voldoende zorgvuldig gehoord in het kader van het inreisverbod.\n\n9. Verder heeft eiser naar voren gebracht dat hij het terugkeerbesluit niet in het Engels heeft ontvangen. De rechtbank constateert in dat kader dat op het terugkeerbesluit een QR-code is opgenomen onder het kopje “nadere informatie” met bijschrift “You have received a return decision. Read our leaflet with an explanation of the return decision on ind.nl\u002Ffolder-terugkeerbesluit. Or scan the QR code.” Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende duidelijk waar eiser een Engelse vertaling van het terugkeerbesluit kon vinden. Verder staat in het voornemen inreisverbod vermeld dat het terugkeerbesluit en het voornemen inreisverbod in het Engels zijn uitgereikt. Daarnaast heeft eiser in zijn nadere gronden van beroep in zijn overzicht zelf aangegeven van deze twee documenten een vertaling te hebben ontvangen. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling dat deze documenten niet in het Engels aan eiser zijn uitgereikt.\n\n10. Tot slot heeft eiser op de zitting naar voren gebracht dat hij een vrije termijn had moeten krijgen om te vertrekken en dat in het besluit een onjuiste nationaliteit staat vermeld. Deze gronden volgt de rechtbank niet. Eiser heeft een vrije termijn van 28 dagen gekregen en vermeld staat dat eiser uit Mauritius komt.\n\nEvenredigheid\n\n11. Eiser voert aan dat de besluiten niet evenredig zijn gelet op de grote gevolgen die deze voor hem hebben gehad. Eiser was naar eigen zeggen in Polen in afwachting van een verblijfsvergunning, woonde in Polen en had daar een bedrijf. Dat aan hem twee jaar lang de toegang tot het gehele Schengengebied is ontzegd, heeft zeer zware persoonlijke gevolgen voor hem gehad omdat hij niet terug kon naar Polen om zijn bedrijf te runnen en zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning daar verder af te maken.\n\n11.1. Naar het oordeel van de rechtbank is er in het geval van eiser niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de opgelegde besluiten onevenredig zijn. Eiser heeft, zoals hierboven overwogen, niet aangetoond rechtmatig verblijf te hebben in Polen. Er zijn ook geen andere relevante bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd en onderbouwd. Dat eiser niet meer de Schengenzone in kon reizen is inherent aan het inreisverbod en een bedoeld gevolg van het besluit.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Egmond, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE\n\nToepasselijk nationaal recht\n\nVreemdelingenwet (Vw)\n\nArtikel 62\n\nNadat tegen de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.\n\nOnze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien:\n\neen risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken;\n\nde aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning of tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; of\n\nde vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.\n\n[…]\n\nArtikel 62a\n\n1. Onze Minister stelt de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij:\n\nreeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan,\n\nde vreemdeling in bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, of\n\nde vreemdeling door een andere lidstaat van de Europese Unie wordt teruggenomen op grond van een op 13 januari 2009 geldende bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling.\n\n[…]\n\nArtikel 66a\n\n[…]\n\n2. Onze Minister kan een inreisverbod uitvaardigen tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten.\n\n[…]\n\nVreemdelingencirculaire (Vc)\n\nA3\u002F1.1.3 Bevoegdheid nemen terugkeerbesluit\n\n[…]\n\nDe IND, KMar, AVIM of Zeehavenpolitie neemt geen terugkeerbesluit als:\n\ner eerder een rechtsgeldig terugkeerbesluit is gegeven terwijl de vreemdeling nog niet heeft voldaan aan zijn vertrekverplichting die is opgenomen in het terugkeerbesluit;\n\nde IND de aanvraag heeft afgewezen, maar er nog een andere aanvraag in Nederland loopt die procedureel rechtmatig verblijf geeft, waarop nog niet in eerste aanleg is beslist;\n\nde vreemdeling een alleenstaande minderjarige vreemdeling is en zolang niet is vastgesteld dat er adequate opvang aanwezig is in het land van terugkeer (zie paragraaf A3\u002F6.1 en B8\u002F6.1 Vc) (artikel 5 Terugkeerrichtlijn: belang van het kind);\n\ner is vastgesteld dat familie-, gezins- of privéleven in de zin van artikel 8 EVRM zich verzet tegen het nemen van een terugkeerbesluit;\n\nr is vastgesteld dat de vreemdeling in het land van terugkeer een risico loopt op vervolging, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a Vw of een reëel risico loopt op ernstige schade (artikel 3 EVRM), zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid onder b, Vw;\n\ner is vastgesteld dat er sprake is van een risico op schending van artikel 3 EVRM als gevolg van de gezondheidstoestand van de vreemdeling bij uitzetting naar het land van terugkeer; (artikel 5 Terugkeerrichtlijn)\n\nals een overdrachtsbesluit ingevolge de Externe link:Dublinverordening (EU) 604\u002F2013 is genomen; of\n\nde vreemdeling valt onder het toepassingsbereik van Externe link:Richtlijn 2004\u002F38 (burger van de Europese Unie of familielid van de burger van de Europese Unie).\n\nA4\u002F2.2 Geen inreisverbod\n\nDe IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt geen inreisverbod uit als:\n\nde IND een ander land dat partij is bij Externe link:Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 heeft verzocht de vreemdeling op grond van deze verordening terug te nemen of over te nemen;\n\nde vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning, verleend door een andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland, tenzij de vreemdeling in aanmerking komt voor een zwaar inreisverbod;\n\nhet uitvaardigen van een inreisverbod aan de vreemdeling een schending van artikel 8 EVRM betekent.\n\n[…]\n\nA4\u002F2.4.3 Opleggen inreisverbod met voornemenprocedure aan de grensdoorlaatpost\n\n[…]\n\nAlgemeen\n\nAls het niet meer mogelijk is om voor het vertrek van de vreemdeling een inreisverbod uit te vaardigen, dan geldt in afwijking van A4\u002F2.4.1 het volgende:\n\nWanneer de ambtenaar belast met de grensbewaking van oordeel is dat er gronden zijn voor het uitvaardigen van een inreisverbod, dan moet deze ambtenaar een voornemenprocedure starten.\n\nVoorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit geeft deze ambtenaar uitvoering aan de hoorplicht, zoals bedoeld in artikel 4:8 Awb. De vreemdeling wordt erop gewezen dat een inreisverbod kan worden opgelegd, ook als de vreemdeling aan de vertrekverplichting gaat voldoen.\n\nDe ambtenaar belast met de grensbewaking biedt de vreemdeling in het kader van het voornemen de gelegenheid zijn adresgegevens in het buitenland kenbaar te maken.\n\nDe ambtenaar belast met de grensbewaking maakt in het voornemen kenbaar:\n\nde grondslag voor het opleggen van een inreisverbod;\n\nde duur van het inreisverbod; en\n\nde mogelijkheid dat de vreemdeling een schriftelijke zienswijze in de Nederlandse taal naar voren kan brengen tegen het opleggen van een inreisverbod en de voorgenomen duur binnen vier weken na uitreiking van het voornemen.\n\nUitreiken van het voornemen\n\nDe ambtenaar belast met de grensbewaking handelt bij de uitreiking van het voornemen als volgt:\n\nhij reikt het voornemen aan de vreemdeling in persoon uit;\n\nhij verstrekt een brochure in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal met betrekking tot het uitvaardigen van een inreisverbod; en\n\nhij verstrekt informatie op welke wijze de vreemdeling zijn zienswijze naar voren kan brengen.\n\nDe zienswijze, de beschikking en de wijze van bekendmaken\n\nDe hulpofficier van justitie of de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van de Koninklijke Marechaussee die daartoe is aangewezen door de Commandant der Koninklijke Marechaussee betrekt alle feiten en omstandigheden die de vreemdeling in de zienswijze naar voren brengt.\n\nDe hulpofficier van justitie of de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van de Koninklijke Marechaussee die daartoe is aangewezen door de Commandant der Koninklijke Marechaussee besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod binnen acht weken nadat de termijn van vier weken voor het naar voren brengen van een zienswijze is verstreken. De beschikking wordt naar het door de vreemdeling opgegeven (e-mail)adres in het buitenland gezonden en van de inhoud wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Als geen geldig (e-mail)adres van de vreemdeling in het buitenland bekend is, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Staatscourant. Als een gemachtigde bekend is, wordt tevens een kopie van het besluit naar de gemachtigde gezonden op dezelfde dag als die waarop het besluit naar het door de vreemdeling opgegeven (e-mail)adres is gezonden.\n\n[…]\n\n Op grond van artikel 62a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vw.\n\n Zie artikel 12 van de Vw en artikel 3.3 van het Vreemdelingenbesluit (Vb).\n\n Zie paragraaf A4\u002F2.4.3, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).\n\n Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG.\n\n Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075.\n\n Terugkeerhandboek van Aanbeveling (EU) 2017\u002F2338 van de Commissie van 16 november 2017 tot vaststelling van een gemeenschappelijk „terugkeerhandboek” voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de uitvoering van terugkeergerelateerde taken.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2026, ECLI:NL:RVS:2022:1256.\n\n Zie ECLI:NL:RVS:2021:89.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18539","2026-07-13T00:28:42.410Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":93,"fullText":115,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":36,"updatedAt":117},"1358","ECLI:NL:RBDHA:2026:18170","ecli-nl-rbdha-2026-18170","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.19597\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. S. Akkas),\n\nen\n\nde minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (hierna: de minister)\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nSamenvatting\n\n1.1.. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1964 en heeft de Ethiopische nationaliteit. Op 14 december 2023 heeft eiseres verzocht om de afgifte van een visum kort verblijf, voor verblijf in Nederland om haar zoon (referent) en haar kleinkinderen te bezoeken.\n\n2.1.. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 15 december 2023 afgewezen. Volgens de minister heeft eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond en kon het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaat te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet worden vastgesteld.\n\n2.2.. Met het bestreden besluit van 28 maart 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De minister is bij zijn standpunt gebleven dat het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaat te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet kon worden vastgesteld, omdat de sociale en economische binding van eiseres met het land van herkomst of bestendig verblijf onvoldoende is aangetoond, dan wel gering is gebleken.\n\n2.3.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. Eiseres voert aan dat de minister er onterecht vanuit gaat dat zij onvoldoende sociale en economische binding met haar land van herkomst heeft. De minister miskent daarbij dat eiseres is getrouwd, wat een duidelijke aanwijzing is van haar sociale binding met Ethiopië. Dat zij geen betaald werk verricht, betekent niet dat zij geen economische binding met het land van herkomst heeft, zeker nu zij in de bezwaarfase banktransacties en rekeningen heeft overgelegd. In plaats van het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren, had de minister eiseres nadere vragen kunnen stellen over de herkomst van deze bedragen. Zeker nu de bezwaarfase is bedoeld om onduidelijkheden op te helderen. Nu de minister dit niet heeft gedaan, en het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond heeft verklaard wordt het eiseres onmogelijk gemaakt om haar zoon en kleinkinderen in Nederland te bezoeken.\n\n4.1.. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie beschikt de minister over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden uit artikel 32, eerste lid, van de Visumcodevan toepassing is. De rechtbank kan het besluit van de minister hierover daarom slechts terughoudend toetsen. Uit het arrest Koushkakivolgt dat de verplichting van de autoriteiten van de lidstaten tot het afgeven van een visum veronderstelt dat er geen redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om tijdig terug te keren. Bij de beoordeling of die twijfel bestaat, dienen de autoriteiten rekening te houden met enerzijds de algemene situatie in het land van de aanvrager en anderzijds zijn persoonlijke omstandigheden, met name zijn gezins-, sociale en economische situatie, eventuele eerdere (il-)legale verblijven in de lidstaten en de banden met het land waarin hij woont en in de lidstaten. Het is aan de visumaanvrager om informatie te verstrekken die de twijfel kan wegnemen.\n\n4.2.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres haar sociale- en economische binding met Ethiopië niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat eiseres wel enige sociale binding met haar land van herkomst heeft doordat zij getrouwd is, maar dat dit enkele feit gelet op de economische binding, onvoldoende garantie is voor een (tijdige) terugkeer naar het land van herkomst. De rechtbank kan zich vinden in het standpunt van de minister dat, ten aanzien van de stukken die eiseres heeft overgelegd met betrekking tot de economische binding, niet is gebleken dan wel aannemelijk is gemaakt dat eiseres over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt in het land van herkomst om zelfstandig in eigen onderhoud te kunnen voorzien. Hierdoor is de tijdige terugkeer na afloop van het verblijf onvoldoende gewaarborgd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. W.L. van der Pijl, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Verordening nr. 810\u002F2009.\n\n Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland.\n\n Rechtsoverweging 67-73.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18170","2026-07-13T00:29:17.665Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":93,"fullText":122,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":36,"updatedAt":124},"1375","ECLI:NL:RBDHA:2026:18202","ecli-nl-rbdha-2026-18202","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.20139\n\n V-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1999 en van Marokkaanse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. Š. Petković),\n\nen\n\nde minister van Buitenlandse Zaken, de minister\n\n(gemachtigde: mr. E. Konstapel).\n\nInleiding\n\nMet het primaire besluit van 9 augustus 2024 heeft de minister de aanvraag van eiser om een visum voor kort verblijf afgewezen.\n\nMet het bestreden besluit van 7 april 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser op 30 april 2025 beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door mr. L. Hu, waarneemster van de gemachtigde van eiser. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nGriffierecht\n\n1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De griffier heeft dit verzoek met de brief van 1 mei 2025 voorlopig toegewezen. De rechtbank wijst het verzoek definitief toe.\n\nBeroep tegen het bestreden besluit\n\nAchtergrond\n\n2. Eiser heeft op 17 juli 2024 een visum kort verblijf aangevraagd om op bezoek te gaan bij [referent] (referent) in de periode van 16 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024. In het ‘Bewijs van garantstelling en\u002Fof Particuliere logiesverstrekking’ heeft referent verklaard dat eiser zijn neef is.\n\nBesluitvorming\n\n3. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Ook heeft eiser zijn sociale en economische binding met Marokko onvoldoende aangetoond, waardoor hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij (tijdig) het Schengenbied zal verlaten.\n\nJuridisch kader\n\n4. De rechtbank overweegt dat in artikel 32, eerste lid, onder a (onderdeel ii) en b, van de Visumcode staat dat een visum wordt geweigerd als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt de minister een ruime beoordelingsruimte toe.De minister kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en\u002Fof sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.\n\nSociale binding\n\n5. Eiser voert aan dat hij wel een sterke sociale binding met Marokko heeft. Eiser maakt deel uit van een gezin. Hij woont bij zijn moeder en stiefvader en een aanzienlijk deel van zijn familie verblijft in Marokko. Eiser is geboren en getogen in Marokko, heeft daar een sociaal leven opgebouwd en volgt een [opleiding] aan de [universiteit] in [plaats] . De opvatting van de minister zou ertoe kunnen leiden dat bij geen enkele alleenstaande zonder zorgtaken sprake kan zijn van voldoende sociale binding en dat is slecht verdedigbaar. Eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 april 2023.\n\n5.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn sociale binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Eiser is 25 jaar oud, ongehuwd en heeft geen kinderen. Hij draagt dus niet de verantwoordelijkheid voor een eigen gezin. Ook is niet gebleken dat eiser zorgdraagt voor zijn moeder, stiefvader of overige directe familieleden of dat er zwaarwegende verplichtingen op hem rusten in Marokko. Verder kan de rechtbank zich indenken dat eiser een sociaal leven heeft in Marokko. Maar de enkele stelling dat dat zo is, zonder onderbouwing waaruit dit sociale leven dan bestaat, heeft de minister onvoldoende kunnen achten voor het aannemen van een dusdanige sociale binding naar Marokko dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Voor zover eiser aanvoert dat de studie van eiser een sociale binding met Marokko oplevert, vanwege het contact met bijvoorbeeld medestudenten, heeft eiser ook dit verzuimd te onderbouwen. Tot slot kan de verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van 24 april 2023 eiser niet baten, omdat dit volgens de rechtbank geen vergelijkbare zaak betreft. Zo vond de rechtbank in die uitspraak ook van belang dat de betrokkene sinds het overlijden van zijn vader de enige man in het gezin was, dat verder bestond uit een moeder en drie zussen Volgens de rechtbank had de minister dit in die zaak wel in zijn beoordeling moeten betrekken, omdat dat een bepaalde sociale binding met zijn gezinsleden en daarmee met het land van herkomst opleverde. In de huidige zaak is eiser echter niet de enige man in het gezin, omdat zijn stiefvader ook deel uitmaakt van het gezin. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nEconomische binding\n\n6. Eiser voert verder aan dat hij wel een sterke economische binding met Marokko heeft. Eiser volgt een [opleiding] aan de [universiteit] in [plaats] . Dit is een veeleisende studie, waarvan hij reeds meerdere vakken met succes heeft afgerond. Vanwege privéomstandigheden heeft hij de studie in de afgelopen periode tijdelijk niet actief kunnen voortzetten. Verder is van belang dat het een Arabischtalige [opleiding] betreft, die niet internationaal erkend is. Hierdoor is het feitelijk uitgesloten om de studie elders voort te zetten.\n\n6.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn economische binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Het is niet in geschil dat eiser niet over een stabiel en regelmatig inkomen beschikt om zelfstandig in zijn onderhoud te voorzien in Marokko. Ten aanzien van de studie van eiser is de rechtbank ervan uitgegaan dat dit gaat om een studie over het recht in Marokko en niet over een (algemene) [opleiding] in het Arabisch, zoals de gemachtigde van de minister op zitting heeft gesteld. De rechtbank kan zich lastig indenken dat een studie over het recht in Marokko makkelijk elders kan worden voortgezet. Dit leidt echter niet tot een geslaagd beroep, omdat eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk die studie volgt. De inschrijvingen voor het leerjaar 2023-2024, de inschrijving voor het leerjaar 2024-2025 en een vakantierooster is daarvoor niet genoeg. De rechtbank is het met de minister eens dat het op de weg van eiser had gelegen om zijn studie(voortgang) nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met cijferlijsten of uitslagen van behaalde tentamens. Dat heeft eiser niet gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHoorplicht\n\n7. Eiser voert tot slot aan dat hij ten onrechte niet door de minister is gehoord. Het staat immers niet op voorhand vast dat hetgeen eiser mogelijk nog aanvullend zou kunnen verklaren of bewijzen niet kan leiden tot een ander oordeel en dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de uitkomst van het bezwaar.\n\n7.1.. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awbkan van horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met wat in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit.\n\n7.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het geval van eiser kunnen afzien van het horen in bezwaar. In wat eiser in het bezwaarschrift heeft aangevoerd, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om eiser nader te horen over het doel van zijn verblijf en zijn gestelde sociale en economische binding met het land van herkomst. Het is allereerst aan eiser om zijn sociale en economische binding met het land van herkomst aannemelijk te maken. Ook met de in de bezwaarfase overgelegde documenten is eiser daarin niet geslaagd. Een mondelinge toelichting had dat niet anders gemaakt. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 juni 2026, omdat in die zaak in de bezwaarfase meer stukken waren overgelegd. Zo had de betrokkene in die zaak naast registratiecertificaten ook afschriften van cijferlijsten over drie studiejaren overgelegd. Op grond daarvan kwam de rechtbank tot de conclusie dat eiser voldoende inspanningen had verricht om de door de minister verlangen informatie te verkrijgen en inzichtelijk te maken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag om een visum voor kort verblijf in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2023:6137.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zie hierover ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:15428.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18202","2026-07-13T00:29:18.661Z",{"id":126,"ecli":127,"slug":128,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":93,"fullText":129,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":36,"updatedAt":131},"1349","ECLI:NL:RBDHA:2026:18166","ecli-nl-rbdha-2026-18166","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.18025\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2005 en van Dominicaanse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. S.L. Soedamah),\n\nen\n\nde minister van Buitenlandse Zaken, de minister\n\n(gemachtigde: mr. E. Konstapel).\n\nSamenvatting\n\nEiser woont in de Dominicaanse Republiek. Hij wil graag op bezoek bij zijn tante, [referente] , in Nederland. Daarom heeft hij een visum voor kort verblijf aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, onder andere omdat hij twijfelt of eiser op tijd terug zal gaan naar de Dominicaanse Republiek. De rechtbank vindt dat de minister de afwijzing op bepaalde punten niet goed heeft gemotiveerd. Daar heeft eiser op dit moment alleen niets aan. Dat komt omdat de aanvraag ook is afgewezen omdat eiser niet voldoende middelen zou hebben om zijn verblijf in Nederland en de terugreis te kunnen betalen. Eiser heeft in beroep niet gezegd waarom dit niet zou kloppen, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de minister hierin gelijk heeft. Het niet voldoen aan het zogenoemde middelenvereiste is namelijk genoeg om de aanvraag af te wijzen. De afwijzing van de aanvraag blijft dan ook in stand. Dit betekent niet dat eiser nooit op familiebezoek in Nederland zou kunnen komen. Eiser zou namelijk een nieuwe aanvraag kunnen indienen en in dat kader zou deze uitspraak misschien wat richting kunnen bieden.\n\nProcesverloop\n\nMet het primaire besluit van 5 juli 2024 heeft de minister de aanvraag van eiser om een visum voor kort verblijf afgewezen.\n\nMet het bestreden besluit van 21 maart 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft via een digitale verbinding aan de zitting deelgenomen. Eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook de gemachtigde van de minister is verschenen. Aan de kant van eiser is tot slot verschenen [referente] (referente) en R.A. Caicedo Larrea, als tolk in de Spaanse taal.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nGriffierecht\n\n1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nBeroep tegen het bestreden besluit\n\nAchtergrond\n\n2. Eiser heeft op 19 juni 2024 een visum kort verblijf aangevraagd om op bezoek te gaan bij referente in de periode 1 augustus 2024 tot en met 21 augustus 2024.\n\nBesluitvorming\n\n3. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en eiser niet heeft aangetoond dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om zowel de duur van het voorgenomen verblijf als de terugreis te kunnen betalen. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten. Volgens de minister heeft eiser de sociale en economische binding met de Dominicaanse Republiek namelijk onvoldoende aangetoond. Eiser is 19 jaar, ongehuwd, heeft geen kinderen en draagt dus geen verantwoordelijkheid voor een eigen gezin. Ook is niet gebleken dat hij zorgdraagt voor directe familieleden of dat er zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen op hem rusten. Ten aanzien van de [opleiding] is onvoldoende gebleken dat eiser die opleiding daadwerkelijk volgt. Maar ook als dat wel zo is, dan is volgens de minister niet vast komen te staan dat eiser een dusdanige waarde hecht aan deze opleiding om op basis daarvan tijdig naar de Dominicaanse Republiek terug te keren. Er zijn immers geen stukken overgelegd die de studievoortgang van eiser kunnen aantonen. Bovendien is niet gebleken dat de opleiding architectuur niet ergens anders dan in de Dominicaanse Republiek kan worden voortgezet.\n\nJuridisch kader\n\n4. De rechtbank overweegt dat in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a (onderdeel ii en iii) en b, van de Visumcode staat dat een visum wordt geweigerd als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond, de aanvrager niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor zijn terugreis naar het land van herkomst of verblijf, en als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt de minister een ruime beoordelingsruimte toe.De minister kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en\u002Fof sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.\n\nVragenlijst\n\n5. Eiser voert allereerst aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat de vragenlijst niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Eiser had uitstel van de termijn tot 22 november 2024 en heeft de vragenlijst op 19 november 2024 ingediend via Zivver, als één van de bijlagen bij het bezwaarschrift. Voor zover de minister deze niet heeft gedownload, kan dit niet aan eiser worden tegengeworpen.\n\n5.1.. De minister heeft zich (in het verweerschrift) op het standpunt gesteld dat de vragenlijst geen onderdeel uitmaakte van de bijlagen. De minister heeft deze dus niet ontvangen. Als moet worden aangenomen dat eiser wél de vragenlijst visumaanvraag had meegestuurd in bezwaar, dan is volgens de minister alsnog niet gebleken dat het aangevoerde had kunnen leiden tot een ander standpunt. De vragenlijst dient immers alsnog onderbouwd te worden met objectieve stukken. Uit de overgelegde stukken werd voor de minister direct duidelijk dat het visum niet verstrekt kon worden. Een ingevulde vragenlijst had dan ook niet tot een andere uitkomst kunnen leiden.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vragenlijst als bijlage bij het bezwaar (via Zivver) op 19 november 2024 aan de minister is gestuurd. Bijlage 4 bij het beroepschrift betreft namelijk een printscreen van Zivver en daarop is te zien dat er op 19 november 2024 een document is verstuurd met als titel 3.2 – Vragenlijst visumaanvraag’ maar dat deze kennelijk niet is gedownload door de Directie Juridische Zaken van de minister. De minister heeft eiser daarom ten onrechte tegengeworpen dat de vragenlijst niet op tijd is ontvangen.\n\nBijlage 4 bij het beroepschrift\n\n5.3.. De rechtbank wenst verder op te merken dat ook in het geval dat eiser wel zou hebben nagelaten om de vragenlijst als bijlage toe te voegen – wat volgens de rechtbank dus niet het geval is – de minister vanuit het oogpunt van zorgvuldige besluitvorming eiser hierop had moeten wijzen. Uit het bezwaarschrift blijkt immers duidelijk dat eiser deze vragenlijst als bijlage wenste toe te voegen. De rechtbank volgt de minister wel in zijn standpunt dat een vragenlijst met objectieve documenten dient te worden onderbouwd, en de minister deze overige overgelegde documenten wel heeft beoordeeld. In zoverre is eiser dan ook niet in zijn belangen geschaad.\n\nDoel en de omstandigheden van het verblijf\n\n6. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat eiser het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond, omdat eiser de familieband met zijn tante niet zou hebben aangetoond. Uit de geboorteaktes van eiser, de vader van eiser en referente, blijkt dat referente de tante is van eiser.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting desgevraagd geantwoord dat de in beroep overgelegde geboorteaktes als een onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt kunnen worden gezien en dus bij de beoordeling kunnen worden betrokken. Uit deze geboorteaktes volgt dat referente de tante is van eiser. Hierop heeft de gemachtigde van de minister de afwijzingsgrond dat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zouden zijn aangetoond, laten vallen. Dat betekent dat het bestreden besluit op dit punt geen standhoudt en vernietigt dient te worden.\n\nSociale en economische binding\n\n7. Eiser voert verder aan dat hij wel degelijk een sterke sociale en economische binding met de Dominicaanse Republiek heeft. Daartoe heeft eiser onder andere gesteld dat hij momenteel tweedejaars student is aan een universitaire opleiding architectuur in de Dominicaanse Republiek en uitstekende studieresultaten behaalt, getuige zijn GPAvan 3.3 op een schaal van 4.0. Eiser verwijst naar bijlage 6 bij het beroepschrift. Zijn studie is van essentieel belang voor zijn toekomstperspectief en vormt een sterke motiverende factor om terug te keren na een kort verblijf in Nederland. Het onderbreken of beëindigen van zijn opleiding zou niet in het belang van eiser zijn, juist omdat hij aantoonbaar goed presteert.\n\n7.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn aanvraag van 19 juni 2024 heeft aangegeven dat hij student is en dat hij daarbij een certificaat van de [universiteit] van 6 juni 2024 heeft overgelegd. Daaruit volgt dat eiser sinds 7 maart 2023 staat ingeschreven voor de [opleiding] . In bezwaar heeft eiser een inschrijvingsbewijs van 9 oktober 2024 (met betrekking tot studiecycli in de periode 14 augustus 2023 tot en met 15 december 2024) en een overzicht van het collegegeld dat is betaald in 2024 overlegd. Als bijlage bij het beroepschrift heeft eiser verschillende facturen van de universiteit (over de periode augustus 2023 tot en met april 2025), en verschillende inschrijvingsbewijzen(met betrekking tot studiecycli in de periode 12 augustus 2024 tot en met 17 augustus 2025) overgelegd. Tot slot heeft eiser bij zijn aanvullende beroepschrift van 26 mei 2026 onder andere een inschrijvingsbewijs van 8 april 2026, met betrekking tot de studieperiode van 24 april 2026 tot en met 16 augustus 2026, vier facturen, een betalingsoverzicht en studieresultaten over de maanden januari, april en september 2025 en januari 2026 overgelegd.\n\n7.2.. De rechtbank overweegt dat de in beroep overgelegde stukken bij de beoordeling kunnen worden betrokken, omdat zij een nadere onderbouwing zijn van een eerder ingenomen standpunt, te weten dat eiser gebonden is aan de Dominicaanse Republiek vanwege zijn studie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van de minister dat onvoldoende is gebleken dat eiser daadwerkelijk een [opleiding] volgt geen stand kan houden. Datzelfde geldt voor de stelling dat niet is gebleken dat eiser een dusdanige waarde hecht aan deze opleiding om op basis daarvan tijdig naar de Dominicaanse Republiek terug te keren, omdat eiser geen stukken heeft overgelegd die de studievoortgang kunnen aantonen. Uit de stukken blijkt immers dat eiser over de periode januari, april en september 2025 vijftien vakken heeft voltooiden in januari 2026 vijf vakken met een voldoende heeft afgesloten. De beroepsgrond slaagt.\n\nVoldoende middelen van bestaan\n\n8. Uit het voorgaande volgt dat er meerdere motiveringsgebreken kleven aan het bestreden besluit. Dat betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awbde rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Het niet voldoen aan het zogenoemde middelenvereiste is als afwijzingsgrond namelijk op zichzelf voldoende om de aanvraag af te wijzen. De rechtbank licht dat hieronder verder toe.\n\n8.1.. De rechtbank stelt vast dat de minister de aanvraag mede heeft afgewezen omdat eiser niet zou hebben aangetoond dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om zowel de duur van zijn voorgenomen verblijf als de terugreis te kunnen betalen. Deze afwijzingsgrond heeft de minister in het bestreden besluit gehandhaafd. Zo heeft de minister in het bestreden besluit op pagina 3 onder andere artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel iii, van de Visumcode – wat ziet op de middelen – genoemd en aangegeven dat eiser onder andere daarom niet in aanmerking komt voor een visum kort verblijf. Op diezelfde pagina heeft de minister geschreven dat de aanvraag ‘onder andere’ is afgewezen vanwege onvoldoende sociale en economische binding, waaruit de rechtbank eveneens opmaakt dat de overige afwijzingsgronden gehandhaafd zijn. Ook op de zitting heeft de minister bevestigd dat hij deze afwijzingsgrond handhaaft.\n\n8.2.. Eiser heeft zich in beroep echter niet tegen deze afwijzingsgrond gekeerd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de minister deze afwijzingsgrond terecht heeft tegengeworpen. Op zitting heeft eiser wel opgemerkt dat deze afwijzingsgrond geen stand kan houden, omdat er een garantstelling is, maar het op de zitting pas aanvoeren van deze grond is te laat. De rechtbank laat deze grond daarom buiten beschouwing. Omdat het niet voldoen aan het middelenvereiste een zelfstandige afwijzingsgrond is, heeft de minister zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat alleen al om deze reden het visum terecht is geweigerd. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat de minister de aanvraag van eiser om een visum kort verblijf terecht heeft afgewezen.\n\n10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 21 maart 2025;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. I.G.A. Karregat, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.\n\n GPA staat voor Grade Point Average en daarmee worden de studieresultaten tot uitdrukking gebracht.\n\n Bijlagen bij het beroepschrift van 7 mei 2026.\n\n Zie productie 14, pagina 7.\n\n Zie productie 15a, pagina 9.\n\n Zie de producties 19 en 19a.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18166","2026-07-13T00:29:17.205Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":136,"fullText":137,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":36,"updatedAt":140},"1714","ECLI:NL:RBDHA:2026:14740","ecli-nl-rbdha-2026-14740","2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL24.13209 (beroep intrekking)\n\nNL24.13210 (voorlopige voorziening intrekking)\n\nNL25.9940 (beroep wijziging verblijfsdoel)\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\nuitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiser], eiser en verzoeker, hierna: eiser,\n\n(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. J. van Dam).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de afwijzing van zijn aanvraag om wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning. Eiser is het met beide besluiten niet eens en voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank beide beroepen.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat beide besluiten in rechte geen stand kunnen houden. Eiser krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in de zaken. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op het beroep dat in het kader van beide procedures is gedaan op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op het beroep dat is gedaan op artikel 8 van het EVRM. Tot slot zal de rechtbank ingaan op de hoorplicht. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1958 en heeft de Surinaamse nationaliteit.\n\n2.1. Eiser is op 22 april 2022 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid [naam]’. Bij besluit van 13 september 2023 (het primaire besluit 1) heeft de minister deze verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht per 22 augustus 2022. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 28 februari 2024 ongegrond verklaard (het bestreden besluit 1). Op 25 maart 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Deze procedures zijn geregistreerd onder nummers NL24.13209 en NL24.13210.\n\n2.2. Eiser heeft op 12 juli 2023 een aanvraag ingediend tot wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning in – zo begrijpt de rechtbank –de beperking ‘verblijf op grond van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR’ dan wel de beperking ‘humanitair niet tijdelijk – artikel 8 van het EVRM privéleven’. Bij besluit van 12 maart 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen (het primaire besluit 2). De minister heeft het hiertegen gerichte bezwaarschrift bij besluit van 3 februari 2025 (het bestreden besluit 2) afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft op 28 februari 2025 ook tegen dit besluit beroep ingesteld. Deze procedure is geregistreerd onder nummer NL25.9940.\n\n2.3. De rechtbank heeft de zaken op 19 september 2025 enkelvoudig op de zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. S. Imami namens de minister. Na de zitting heeft de rechtbank de zaken verwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling.\n\n2.4. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de beroepen op 4 februari 2026 op de zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft na afloop van de zitting het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet langer voldoet aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid’ en dat de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 22 augustus 2022 op zichzelf terecht is. Wel worden partijen verdeeld gehouden over de vraag of eiser voorgezet verblijf toekomt. Zowel in de procedure omtrent de intrekking als in de procedure over de wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning heeft eiser aangevoerd dat hem een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR, dan wel op grond van artikel 8 van het EVRM. Verder is in geschil of eiser in de procedure omtrent de wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning gehoord had moeten horen.\n\nSlaagt het beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR?\n\n4. Artikel 12, vierde lid, van het IVBPR bepaalt – kort gezegd – dat aan niemand willekeurig het recht mag worden ontnomen om naar zijn eigen land terug te keren\n\n5. Eiser heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hem een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Volgens eiser heeft deze bepaling rechtstreekse werking. De intrekking van zijn verblijfsvergunning en de weigering om het verblijfsdoel te weigeren is in strijd met artikel 12, vierde lid, van het IVBPR omdat het gevolg van die beslissingen is dat eiser de toegang tot Nederland wordt ontzegd. Ter onderbouwing heeft eiser onder meer gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 1 september 2023. Deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de Afdeling. Ook heeft eiser verwezen naar General Comment 27 van het VN-mensenrechtencomitéover de betekenis van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR, op een artikel van J-H Seelow in A&MR 2024\u002F4 en naar een arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014waarin wordt uitgelegd wanneer een verdragsbepaling rechtstreekse werking heeft. De minister heeft gemotiveerd betwist dat aan artikel 12, vierde lid, van het IVBPR rechtstreekse werking toekomt en heeft om die reden niet getoetst aan deze bepaling.\n\n6. De rechtbank overweegt het volgende.\n\n6.1. In artikel 93 van de Grondwet staat dat bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, verbindende kracht hebben nadat zij zijn bekendgemaakt. Als nationale wettelijke voorschriften in strijd zijn met dergelijke een ieder verbindende bepalingen, heeft de verdragsbepaling voorrang, zo volgt uit artikel 94 van de Grondwet.\n\n6.2. Om te bepalen of een verdragsbepaling een ieder verbindt, moet eerst worden nagegaan of rechtstreekse werking niet is uitgesloten door de verdragspartijen. Als dat niet het geval is, moet de rechter nagaan of een dergelijke verdragsbepaling door een burger of rechtspersoon kan worden ingeroepen. Dat hangt af van de inhoud van de bepaling en meer in het bijzonder van de vraag of de bepaling a) plichten oplegt of rechten toekent aan een burger of rechtspersoon, en b) onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om door een rechter te worden toegepast.\n\n6.3. De verdragspartijen bij het IVBPR hebben rechtstreekse werking niet uitgesloten. Aan de eerste hierboven genoemde voorwaarde om rechtstreekse werking aan te nemen wordt dan ook voldaan. Verder is het naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat artikel 12, vierde lid, van het IVBPR rechten toekent aan burgers, namelijk het recht om toegang te krijgen en te houden tot het eigen land. Dat dit een onvoorwaardelijk recht betreft, is ook duidelijk. Het uit artikel 12, vierde lid, van het IVBPR voortvloeiende recht op toegang tot het eigen land is niet gebonden aan enige voorwaarde, zo blijkt uit de formulering van het artikel. Verder is de rechtbank van oordeel dat deze bepaling ook voldoende nauwkeurig is om als een eenieder verbindende bepaling aan te merken. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2000, waarin de Hoge Raad zonder terughoudendheid toetst aan artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Dit oordeel is ook in lijn met de aangehaalde General Comments van het VN mensenrechtencomité. De conclusie is dan ook dat artikel 12, vierde lid, van het IVBPR een eenieder verbindende bepaling is als bedoeld in artikel 93 van de Grondwet die rechtstreeks doorwerkt in het Nederlandse recht.\n\n6.4. Voor zover de minister nog heeft betoogd dat Nederland een voorbehoud heeft gemaakt bij het tekenen van het IVBPR dat de bepalingen alleen van toepassing zijn op het Europese deel van het Koninkrijk, slaagt dit betoog niet. Allereerst is van belang dat er geen specifiek voorbehoud is gemaakt voor Suriname bij de ondertekening van het IVBPR. Dat is ook logisch aangezien Suriname op dat moment geen onderdeel meer uitmaakte van het Koninkrijk. Dat voor de Nederlandse Antillen wel een voorbehoud is gemaakt, maakt dus niet dat hetzelfde zou moeten gelden voor Suriname. Het gemaakte voorbehoud is verder zonder relevantie voor de periode voor de ondertekening op 11 maart 1979. Belangrijker acht de rechtbank evenwel dat ‘het eigen land’ niet per definitie het land van nationaliteit hoeft te zijn. De omstandigheid dat eiser thans de Surinaamse nationaliteit heeft, is dan ook niet het doorslaggevende element in de beoordeling. Dat volgt ook uit de al aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad, nu daarin artikel 12, vierde lid, van het IVBPR onverkort is toegepast op iemand met de Surinaamse nationaliteit.\n\n6.5. De conclusie is aldus dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat artikel 12, vierde lid, geen rechtstreekse werking heeft en dus ook ten onrechte niet beoordeeld of eisers beroep op artikel 12, vierde lid van het IVBPR kan slagen. Het besluit is op dit onderdeel onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.\n\nSlaagt het beroep op artikel 8 van het EVRM?\n\n7. Eiser heeft in beide zaken ook nog een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM. De rechtbank stelt vast dat aan beide besluiten ook op dat onderdeel gebreken kleven. Zo heeft de minister ter zitting erkend dat de gehanteerde maatstaf niet klopt. De minister is er in de besluiten ten onrechte vanuit gegaan dat alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden tot verblijfsaanvaarding op grond van artikel 8 van het EVRM kan worden overgegaan. Dit miskent dat eiser enige tijd een verblijfsvergunning heeft gehad in Nederland die hem tot het uitoefenen van familie- en privéleven in staat stelde. De door de minister gehanteerde maatstaf is alleen van toepassing indien het familie- of privéleven gedurende niet rechtmatig verblijf is opgebouwd. Daarnaast heeft de minister een onjuist gewicht toegekend aan het beroep op het arrest Jeunesse van 3 oktober 2014van het EHRM. Eiser heeft dit arrest aangehaald omdat daarin een groot belang toekomt aan de omstandigheid dat de hoofdpersoon in die procedure ex-Nederlander is, net zoals eiser. Die voor de beoordeling van artikel 8 van het EVRM relevante omstandigheid, heeft de minister onvoldoende kenbaar bij de beoordeling betrokken. Daarom zijn de besluiten ook op dit punt onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\nSlaagt het beroep op de hoorplicht?\n\n8. De minister heeft in de procedure omtrent de wijziging van de beperking van de verleende verblijfsvergunning het bezwaar als kennelijk ongegrond afgewezen. Gelet op wat hiervoor is geoordeeld omtrent de beoordeling van eisers beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR en artikel 8 van het EVRM, heeft de minister niet tot een dergelijk oordeel kunnen komen. Nu het bezwaar niet als kennelijk ongegrond kon worden afgewezen, heeft de minister ook niet van het horen van eiser af kunnen zien. Het bestreden besluit 2 is dus ook in strijd met artikel 7:2 van de Awb.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb en het bestreden besluit 2 ook met artikel 7:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De minister zal namelijk in de zaak omtrent de wijziging van de beperking eiser moeten horen en deze feiten moeten betrekken bij het nemen van een nieuw besluit. Deze feiten kunnen ook in de andere zaak van belang zijn. Verder is het aan de minister om nu alsnog als eerste een standpunt in te nemen over de vraag of eiser rechten kan ontlenen aan artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Vervolgens zal dat oordeel ten volle kunnen worden getoetst door de rechtbank. De gemachtigde van eiser heeft te kennen gegeven een voorkeur te hebben voor een dergelijke afdoening van het beroep, ook om geen instantie te verliezen in deze procedure. De rechtbank ziet dan ook geen ruimte om finaal te beslissen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat het geen efficiënte en doelmatige afdoeningswijze zou zijn.\n\n9.1.. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.\n\n9.2.. De rechtbank ziet verder aanleiding om de minister een aantal aandachtspunten mee te geven die relevant zijn bij de nog te verrichten beoordeling in het kader van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Met betrekking tot de beoordeling zelf is van belang dat het VN-mensenrechtencomité in onder meer de zaak Warsameheeft toegelicht welke elementen relevant zijn bij de beoordeling van een beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Het comité verwijst onder meer naar het al eerder genoemde General Comment 27, waaruit volgt dat het begrip ‘het eigen land’ zoals genoemd in die bepaling breder is dan het land van iemands nationaliteit en dat moet worden gekeken naar factoren als langdurig verblijf, het spreken van de taal, hechte persoonlijke of familiebanden, het ontbreken van banden elders en de intenties om te blijven in het betreffende land. Mocht de minister na zijn beoordeling tot de conclusie komen dat eisers beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR slaagt, dan merkt de rechtbank op dat de minister op grond van de hem toekomende discretionaire bevoegdheid een verblijfsvergunning kan verlenen op een andere grond dan die zijn genoemd in artikel 3.4 van het Vb2000. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025volgt namelijk dat de minister nog steeds bevoegd is om ook buiten de gevallen genoemd in het eerste lid van dat artikel een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de hem toekomende discretionaire bevoegdheid. Deze bevoegdheid volgt uit artikel 14, derde lid, van de Vw2000. De afschaffing van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 – waarin de discretionaire bevoegdheid nader was ingevuld en geregeld – perkt deze wettelijke bevoegdheid niet nader in, zo volgt uit de uitspraak van de Afdeling.\n\n9.3.. Eiser heeft verzocht om een voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt uitgezet totdat is beslist op zijn beroepschrift. In dit geval is er geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening, omdat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.\n\n9.4.. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.203,- (2 punten voor de beroepschriften, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaken NL24.13209 en NL25.9940:\n\n- verklaart de beroepen gegrond;\n\n- vernietigt de besluiten van 28 februari 2024 en 3 februari 2025;\n\n- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften met inachtneming van deze uitspraak.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak NL24.13210:\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter, in alle zaken:\n\n- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 575,- aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 4.203,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mr. R.H.G. Odink en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van L. Fernandez Ferreiro, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.\n\n Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966.\n\n Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zaaknummers NL23.16344 en NL21.17007.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het gaat om de uitspraak van 1 december 2025 met nummer 202306135\u002F1\u002FV1.\n\n CCPR General Comment No. 27: Article 12 (Freedom of Movement) van 2 november 1999.\n\n ECLI:NL:HR:2014:2928.\n\n Zie het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1449 en het door eiser aangehaalde arrest van 10 oktober 2014.\n\n ECLI:NL:HR:2000:AA8448.\n\n ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810.\n\n Europees Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Communication no. 1959\u002F2010 van 26 juli 2010.\n\n Vreemdelingenbesluit.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:4130.\n\n Vreemdelingenwet.\n\n NL24.13209.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14740","2026-06-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:35.393Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":145,"fullText":146,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":147,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":148},"834","ECLI:NL:RBDHA:2026:18577","ecli-nl-rbdha-2026-18577","2026-05-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: AWB 24\u002F19717\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen\n\n [eiser],\n\ngeboren op [geboortedag] 1999, van Surinaamse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S. van der Steen).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 17 mei 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een mvvvoor het doel 'Verblijf als familie- of gezinslid bij [de persoon]' afgewezen en een terugkeerbesluit uitgevaardigd.\n\nMet het besluit van 27 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn moeder, mr. D.S. Kumankumah als waarnemer van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder.\n\nOverwegingen\n\nAchtergrond\n\n1. Eiser is 26 jaar oud en afkomstig uit Suriname. Op 5 december 2022 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf bij zijn vader, de heer [de persoon]. Eiser woont op dit moment bij zijn vader in Almere.\n\n1.1.. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 17 mei 2023 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\nHet bestreden besluit\n\n2. Met het bestreden besluit heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser het bezwaarschrift buiten de termijn van vier weken heeft ingediend.Het primaire besluit is op 19 mei 2023 aan eiser verzonden, wat betekent dat eiser uiterlijk op 16 juni 2023 in bezwaar kon gaan. Het bezwaarschrift is echter pas op 3 januari 2024 door verweerder ontvangen.\n\n2.1.. \n\nSubsidiair overweegt verweerder dat zelfs als zou worden uitgegaan van dat eiser\n\nhet besluit van 17 mei 2023 niet heeft ontvangen, het bezwaarschrift alsnog niet binnen de termijn van vier weken is ingediend. Eiser heeft op 26 juni 2023 contact gehad met verweerder dat hij het besluit niet heeft ontvangen, waarop het besluit op 28 juni 2023 door verweerder opnieuw werd verzonden. Dit betekent dat eiser uiterlijk tot 26 juli 2023 een bezwaarschrift kon indienen. Nu het bezwaarschrift pas op 3 januari 2024 is ontvangen, valt dit wederom buiten de termijn.\n\n2.2.. Dat eiser in bezwaar een verzendbewijs heeft overgelegd dat op 27 juli 2023 een pakket is verstuurd naar het postadres van de IND, leidt volgens verweerder niet tot een andere uitkomst, nu dit eveneens niet binnen de wettelijke termijn valt.\n\nStandpunt eiser\n\n3. Eiser is van mening dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens eiser is het bezwaar tijdig ingediend. Het besluit van 17 mei 2023 heeft eiser nooit bereikt, waarna hij op 26 juni 2023 contact heeft opgenomen met verweerder over de stand van zaken. Verweerder heeft het besluit vervolgens op 28 juni 2023 opnieuw verstuurd en eiser heeft het op 3 juli 2023 ontvangen. Eiser heeft vervolgens op 27 juli 2023 een bezwaarschrift ingediend en hiervan een verzendbewijs overgelegd. Verweerder meent ten onrechte dat de termijn op 26 juli 2023 afliep. Volgens artikel 6:8 van de Awb liep de termijn volgens eiser af op 27 juli 2023. Verder stelt eiser dat de verzending van het bezwaar in juli 2023 aannemelijk is, aangezien eiser op 29 november 2023 een ingebrekestelling naar verweerder heeft verzonden wegens het uitblijven van een beslissing op het bezwaar. Nadat verweerder daarop aangaf het bezwaar nooit te hebben ontvangen, heeft eiser het bezwaar op 27 december 2023 opnieuw verstuurd.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n4. Tussen partijen is in geschil of eiser binnen de wettelijke termijn van vier weken bezwaar heeft ingediend. Op de zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het primaire besluit op onjuiste wijze is bekendgemaakt, omdat het besluit naar het adres van eiser in Almere is verstuurd, in plaats van naar het kantoor (Dependable) van gemachtigde. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting op dat standpunt gereageerd waardoor de rechtbank zich allereerst zal buigen over de vraag of het primaire besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt.\n\n4.1.. Verweerder heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat het primaire besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt en naar het juiste adres is verzonden. Uit een screenshot van het verzendsysteem Indigo van verweerder blijkt dat de brief daadwerkelijk is verzonden op 19 mei 2023, nu het poststuk die dag de status ‘bericht verwerkt’ heeft gekregen. Verweerder wijst erop dat het vaste jurisprudentie is dat verweerders postregistratiesysteem betrouwbaar is. Daarnaast klopt het adres ([adres]) op de brief en komt dit overeen met het laatste bekende adres van eiser in de BRP. De aanvraag is door eiser zelf ingediend en ondertekend waardoor het besluit naar zijn adres is gestuurd. Bovendien had eiser zijn gemachtigde van het besluit op de hoogte kunnen stellen.\n\n4.2.. De rechtbank overweegt dat uit artikel 2:1 in samenhang met artikel 6:17 van de Awb volgt dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via de gemachtigde loopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze. Dit geldt ook als het gaat om de fase van het beslissen op een aanvraag indien de gemachtigde voor het bestuursorgaan kenbaar was dan wel kenbaar kon zijn. Het niet (op de juiste wijze) bekendmaken van een besluit heeft tot gevolg dat het besluit niet in werking treedt. Ook gaat de bezwaar- of beroepstermijn niet lopen. Indien het langs een omweg alsnog in handen komt van degene tot wie het is gericht, geldt het als op dat moment verzonden. Het besluit wordt in dat geval geacht te zijn bekendgemaakt op de dag voor die waarop van het besluit kennis wordt gekregen.\n\n4.3.. De rechtbank constateert dat in het dossier verschillende volmachten zitten waarin eiser mr. Kumankumah of mr. Belfor machtigt om namens hem zijn juridische belangen te behartigen. Zo zit er in het dossier een volmacht, gedateerd 26 oktober 2022, waarin eiser mr. Kumankumah machtigt. De aanvraag is vervolgens door eiser ingediend op 5 december 2022. Op 4 januari 2023 heeft mr. Kumankumah een brief verstuurd naar verweerder met het verzoek om het dossier van eiser te ontvangen, en heeft daarbij een volmacht overgelegd, gedateerd 13 december 2022. Op 21 maart 2023 is door eiser een ingebrekestelling ingediend waarbij het machtigingsformulier is ondertekend door hem en mr. Kumankumah. Verweerder heeft op 27 maart 2023 de ontvangst van de ingebrekestelling bevestigd en deze verstuurd naar mr. Kumankumah. Vervolgens zit er in het dossier een volmacht ondertekend door mr. Kumankumah, gedateerd 17 april 2023. Verweerder heeft hierna op 20 april 2023 een herstelverzuimbrief verstuurd naar het huisadres van eiser. Op 1 mei 2023 is door een collega van mr. Kumankumah een brief verstuurd, waarin staat aangegeven dat op 17 april 2023 reeds een volmacht per post is toegezonden. Op 17 mei 2023 is het primaire besluit verstuurd naar het adres van eiser.\n\n4.4.. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primaire besluit van 17 mei 2023 op onjuiste wijze is bekendgemaakt en daarmee niet in werking is getreden. Het primaire besluit is namelijk naar het adres van eiser gestuurd, terwijl het besluit overeenkomstig artikel 6:17 van de Awb naar de gemachtigde van eiser verzonden had moeten worden. Uit het dossier blijkt dat de correspondentie tussen partijen rommelig is verlopen. Er zijn meerdere volmachten aanwezig in het dossier en correspondentie van verschillende gemachtigden van hetzelfde kantoor. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit voor verweerder tot verwarring heeft geleid. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat verweerder op verschillende momenten op de hoogte was of had moeten zijn van de vertegenwoordiging van eiser door een gemachtigde. In het dossier bevinden zich meerdere volmachten en brieven van het kantoor van de gemachtigde waardoor dit voor verweerder duidelijk had moeten zijn. Bovendien werd verweerder kort voor het primaire besluit, op 1 mei 2023, nog gewezen op de volmacht van 17 april 2023.\n\n4.5.. De rechtbank is voorts van oordeel dat het besluit dat op 28 juni 2023 opnieuw is verzonden eveneens op onjuiste wijze is bekendgemaakt, nu ook dit besluit naar het adres van eiser is verzonden. Dit terwijl verweerder uit het telefonisch contact met gemachtigde van eiser op 26 juni 2023 had kunnen begrijpen dat de tweede verzending aan de gemachtigde van eiser gericht had moeten worden.\n\n4.6.. De rechtbank overweegt dat door eiser naar voren is gebracht dat hij dit tweede besluit uiteindelijk op 3 juli 2023 heeft ontvangen. Eiser heeft op de zitting terecht gewezen op de uitspraak van het CBbvan 30 januari 2024, waaruit volgt dat vanaf kennisname van het besluit de wettelijke termijn voor het indienen van bezwaar gaat lopen. In dit geval bedraagt die termijn vier weken, waardoor de uiterlijke datum om bezwaar te maken was op 31 juli 2023. Eiser stelt dat hij op 27 juli 2023 een bezwaarschrift per post naar het adres van de IND heeft verstuurd en heeft hiervan een track&trace bewijs van PostNL overgelegd. Hoewel niet duidelijk is welk poststuk op dat moment precies verstuurd is, is de rechtbank van oordeel dat eiser met het overgelegde track&trace bewijs voldoende heeft aangetoond dat hij op 27 juli 2023 een bezwaarschrift aan verweerder heeft verzonden. Het adres op de track&trace is het correcte adres van de IND, en ook komt de datum overeen met de datum op het bezwaarschrift. De rechtbank acht hierbij ook relevant dat de ingebrekestelling die eiser op 29 november 2023 heeft verzonden erop wijst dat eerder dan die datum een bezwaarschrift is ingediend.\n\n4.7.. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat eiser binnen de wettelijke termijn van vier weken bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar dan ook ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.\n\n6. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. I.I. Mooij, griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.\n\nDe griffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Op grond van artikel 6:9 in samenhang bezien met artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Immigratie- en Naturalisatiedienst.\n\n Basisregistratie Personen.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:209, r.o. 2.1\n\n College van Beroep voor het bedrijfsleven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18577","2026-07-13T00:28:50.268Z",{"id":150,"ecli":151,"slug":152,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":145,"fullText":153,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":154,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":155},"836","ECLI:NL:RBAMS:2026:6867","ecli-nl-rbams-2026-6867","RECHTBANK AMSTERDAM\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: AWB 24\u002F5390\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiseres]., te [vestigingsplaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. P. le Heux),\n\nen\n\nde minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister\n\n(gemachtigde: mr. J. Boogaard).\n\nSamenvatting\n\nIn deze zaak gaat het om het opleggen van een boete van € 26.000, - aan eiseres. Eiseres heeft in Amsterdam drie winkels waar sappen, koffie en versnaperingen worden verkocht. De winkels worden bevoorraad vanuit een magazijn gelegen aan de [adres]. De minister heeft aan eiseres een boete opgelegd, omdat op die locatie in de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 augustus 2021 één vreemdeling en zes arbeidskrachten van wie de identiteit niet bekend is werkzaamheden hebben verricht voor eiseres, waaronder het snijden en persen van groente en fruit. Dit is in strijd met de Wav. Deze arbeidskrachten waren ingeleend via [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]). Eiseres is het niet eens met de boete. Zij vindt dat zij niet als werkgever van deze arbeidskrachten kan worden aangemerkt. Omdat zij een extern schoonmaakbedrijf had ingehuurd, verkeerde eiseres in de veronderstelling dat zij slechts een dienst afnam. Daarnaast is eiseres om verschillende redenen van mening dat de opgelegde boete te hoog is en daarom lager moet worden vastgesteld. De rechtbank geeft eiseres gedeeltelijk gelijk. Volgens de rechtbank wordt eiseres door de opgelegde boete, gelet op haar financiële situatie, onevenredig hard getroffen. Daarom besluit de rechtbank de boete met 50% te verlagen naar € 13.000, -. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil diende te worden beslecht, wordt dit boetebedrag tot slot verlaagd met 5%, waardoor de boete uitkomt op € 12.350, -.\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 20 november 2023 (hierna: het primaire besluit) heeft de minister aan eiseres een boete opgelegd van € 26.000, - wegens een overtreding van artikel 2, eerste lid van de Wav en zes overtredingen van artikel 15a van de Wav. Ook heeft de minister besloten de inspectiegegevens openbaar te maken. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.\n\nMet het besluit van 12 augustus 2024 (hierna: het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is vertegenwoordigd door [naam 1]en bijgestaan door haar gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nJuridisch kader\n\n1. Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.\n\nAchtergrond\n\n2. Op 23 september 2021 heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie bij een aantal opdrachtgevers van [bedrijf 1] een werkplekcontrole gehouden. Eiseres is in het kader van dit onderzoek op 19 en 25 oktober 2021 bezocht voor administratief onderzoek. Dit onderzoek was gericht op de naleving van de Waadiin de periode 1 maart 2021 tot en met 31 augustus 2021. Uit het onderzoek bleek dat bij eiseres in de periode 1 maart 2021 tot en met 31 augustus 2021 ten minste zeven ingeleende arbeidskrachten arbeid hebben verricht, bestaande uit schoonmaak- en afwaswerkzaamheden en het snijden en persen van groenten en fruit. Dat gaf aanleiding tot nader onderzoek naar de naleving van de Wav.\n\n2.1.. Uit het onderzoek kwam naar voren dat één van de arbeidskrachten, [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) met de Libische nationaliteit, vreemdeling in de zin van de Vwwas en geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Eiseres, noch [bedrijf 1], noch één van de andere inleners was in het bezit van de vereiste tewerkstellingsvergunning. Ook had de vreemdeling geen gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. Van de overige zes betrokken arbeidskrachten zijn de achternamen en de verdere identiteit in het onderzoek onbekend gebleven. Eiseres heeft vervolgens niet aan de mondelinge en schriftelijke vordering van 28 oktober 2022 voldaan om uiterlijk 31 oktober 2022 de identiteit van de zes onbekend gebleven arbeidskrachten vast te stellen aan de hand van een document, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1 tot en met 3 van de WID.\n\n2.2.. Op 8 maart 2023 hebben de inspecteurs de heer [naam 1] gehoord en hun bevindingen vastgelegd in een boeterapport. Dit rapport is aan eiseres toegezonden op 25 april 2023. Met de kennisgeving van 17 oktober 2023 is eiseres op de hoogte gesteld van het voornemen haar een boete van € 28.000, - op te leggen, waarvan € 4.000, - voor het overtreden van artikel 2, eerste lid van de Wav en € 24.000, - voor het overtreden van artikel 15a van de Wav. Tot slot is het voornemen geuit om de inspectiegegevens openbaar te maken. Eiseres heeft op het voornemen gereageerd met een zienswijze.\n\nBesluitvorming\n\n3. Met het primaire besluit – en gehandhaafd na bezwaar met het bestreden besluit – heeft de minister vervolgens het boetebedrag vastgesteld op € 26.000,-, waarvan € 2.000, - voor het overtreden van artikel 2, eerste lid van de Wav en € 24.000, - voor het overtreden van artikel 15a van de Wav. Tot slot is besloten de inspectiegegevens openbaar te maken.\n\nIs er sprake van arbeid en werkgeverschap in de zin van de Wav?\n\n4. Eiseres heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat zij niet kan worden\n\naangemerkt als werkgever in de zin van de Wav. Eiseres is daarom van mening dat de overtredingen met betrekking tot de vreemdeling en de zes arbeidskrachten onterecht is vastgesteld. Doordat zij een extern schoonmaakbedrijf inhuurde, is eiseres altijd in de veronderstelling geweest dat een dienst werd afgenomen. De werkzaamheden vonden enkel in het magazijn plaats, waar in het geheel geen omzet wordt gemaakt en geen klanten komen. Daarnaast ging het om schoonmaakwerkzaamheden, wat geen kerntaken van de onderneming betreffen. Er zijn twee schoonmakers die ook wel eens flesjes met sap hebben gevuld. Ook blijkt volgens eiseres uit het boeterapport dat [bedrijf 1] de schoonmakers instrueerde en aanstuurde en niet eiseres. Schoonmakers werden binnengelaten, maar eiseres bemoeide zich verder niet met hoe zij te werk gingen.\n\n4.1.. De minister heeft aangevoerd dat eiseres terecht is aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav. Volgens de minister staat onbetwist vast dat de vreemdeling en de zes arbeidskrachten werkzaamheden ten behoeve van eiseres hebben verricht. De arbeid bestond uit schoonmaak- en afwaswerkzaamheden en\u002Fof het snijden en persen van groenten en fruit en\u002Fof het vullen van flesjes met (sap van) groenten en fruit. Dat de werkzaamheden plaatsvonden in het magazijn en dat de vreemdeling en de arbeidskrachten geen contact hadden met klanten, maakt niet dat eiseres slechts afnemer van een dienst was. Het gaat immers nog altijd om werkzaamheden waarop eiseres invloed kon uitoefenen.\n\n4.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de Wav uitgaat van een ruime invulling van de begrippen ‘arbeid’ en ‘werkgever’. Diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten, is vergunningplichtig werkgever en deze werkgever is altijd verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning.Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht, is voor het feitelijk werkgeverschap al voldoende.Instemming met, respectievelijk wetenschap van, arbeid is voor de kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav niet vereist. Het begrip ‘arbeid te laten verrichten’ impliceert ook geen actieve rol. Het enkel mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan wordt ook opgevat als het laten verrichten van arbeid.De aard, omvang en duur van de werkzaamheden doen niet ter zake. Helpen is dus ook arbeid in de zin van de Wav. Het is ook niet vereist dat de werkzaamheden een zekere tijd hebben voortgeduurd.\n\n4.2.1.. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 21 september 2011, biedt de geschiedenis van de totstandkoming van de betreffende wettelijke bepalingen van de Wav geen grond voor het standpunt dat in het zakelijke verkeer iedere afnemer van een willekeurig product of een willekeurige dienst, ongeacht relevante feitelijke of juridische aanknopingspunten, als werkgever in de zin van de Wav moet worden aangemerkt, indien blijkt dat er bij de betreffende producent of leverancier vreemdelingen werkzaam zijn geweest. Als algemeen uitgangspunt heeft dan ook te gelden dat in het zakelijke verkeer de afnemer van een product of dienst niet zonder meer als werkgever, in de zin van de Wav, kan worden aangemerkt.\n\n4.2.2.. Uit de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2013volgt dat dat anders kan zijn indien aanwijzingen bestaan dat tussen een opdrachtgever en een dienstverlener een zodanige relatie bestaat dat de opdrachtgever niet meer slechts als afnemer van die dienst kan worden aangemerkt. Het is aan de minister om te motiveren dat, gegeven het samenstel van feiten en omstandigheden, de afnemer als werkgever in de zin van de Wav moet worden aangemerkt. Zo heeft de minister in het geval waarop de uitspraak van 23 oktober 2013 betrekking heeft, toegelicht dat tussen de opdrachtgever en de dienstverlener een zeker samenwerkingsverband was ontstaan, tot uiting komend in een zekere regelmaat waarmee de dienst werd afgenomen en de feitelijke bemoeienis van de opdrachtgever met de wijze van uitvoering van die dienst. Meer in het algemeen geldt dat naar mate de betrokkenheid van de opdrachtgever bij de uitvoering van de dienst groter wordt zich eerder de situatie zal voordoen dat de opdrachtgever niet langer als slechts afnemer van de dienst kan worden aangemerkt. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan de frequentie van de dienstverlening, de feitelijke bemoeienis met de uitvoering van de werkzaamheden en het direct zicht op de werkzaamheden doordat deze bij de opdrachtgever worden uitgevoerd. Indien dergelijke omstandigheden zich in overwegende mate voordoen kan de opdrachtgever invloed uitoefenen op de uitvoering van de werkzaamheden ter voorkoming van overtreding van de Wav en kan dit ook redelijkerwijs van hem worden verlangd.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit en in het verweerschrift, onder verwijzing naar het boeterapport, inzichtelijk heeft gemotiveerd dat sprake was van arbeid in de zin van de Wav en dat eiseres als werkgever in de zin van de Wav en dus niet slechts als afnemer van een dienst kan worden aangemerkt. De stelling van eiseres dat het de arbeidskrachten slechts schoonmaakwerkzaamheden verrichten wat geen kerntaken van de onderneming betreffen, kan haar niet baten. Ook schoonmaken valt onder werkzaamheden ten behoeve van eiseres. Daar komt bij dat, zoals de minister terecht heeft opgemerkt, de stelling van eiseres niet strookt met verklaringen in het boeterapport. Zo heeft productiemanager de heer [naam 2] op 17 februari 2022 op de vraag van de inspecteurs welke werkzaamheden de ingeleende werknemers uitvoerden, geantwoord: \"Persen van groenten en fruit, en in eerste instantie ook veel schoonmaken. (...) Uiteindelijk de uren die ze hier werkten waren ze niet alleen maar aan het schoonmaken, maar ook onderdeel van het productieproces. U vraagt mij of dit dezelfde werkzaamheden zijn als de werknemers die vast in het productieproces draaien, dat kunt u inderdaad wel zo stellen.\"De heer [naam 1] verklaarde op 8 maart 2023: \"Alle personen van [bedrijf 1] deden de volgende werkzaamheden: groenten snijden, schoonmaken en flesjes vullen. [de vreemdeling] deed alleen maar afwassen.”Uit deze verklaringen, maar ook uit het ter verhandelde ter zitting, blijkt bovendien dat het met betrekking tot de andere werkzaamheden (het afwassen en vullen van de flesjes) het niet om enkel twee medewerkers ging, zoals eiseres heeft gesteld. De omstandigheid dat de werkzaamheden in het magazijn hebben plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel. Het magazijn betreft immers een locatie van eiseres waar bedrijfsactiviteiten worden verricht en waar zij als werkgever optreedt.\n\n4.4.. Ook de stelling dat [bedrijf 1] de schoonmakers instrueerde en aanstuurde en niet eiseres, kan niet slagen. Uit de verklaringen in het boeterapport blijkt immers dat eiseres feitelijke bemoeienis had met en leidinggaf aan de uitvoering van de werkzaamheden. Zo heeft de heer [naam 2] verklaard dat de vreemdeling en de arbeidskrachten zich bij aanvang van hun dienst bij hem meldden of bij degene die verantwoordelijk was die dag.Uit de verklaringen blijkt verder dat eiseres direct zicht op de werkzaamheden had. De heer [naam 2] verklaarde verder: \"Het werk was in de productieruimte en [naam 3]' (eigenaar van [bedrijf 1])sprak ik daarbuiten, hij stuurde de werknemers niet aan op de vloer. Met [naam 3] regelde ik de planning, hoeveel mensen en wie er moesten komen.\"De heer [naam 4], wettelijk vertegenwoordiger van [bedrijf 1], verklaarde op 9 september 2022 dat hij 'orders geeft' aan werknemers en dat zij urenbriefjes mee krijgen die door het inlenende bedrijf worden ingevuld.Ook verklaarde hij: \"Ze meldden zich bij mij of bij degene die verantwoordelijk was die dag. En ook niet altijd, want op een gegeven moment wisten ze hier wel de weg. Het was niet verplicht dat ze zich moesten melden.''\n\n4.5.. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister de werkzaamheden die de vreemdeling en de arbeidskrachten hebben verricht terecht als werkzaamheden in de zin van de Wav heeft aangemerkt. Verder heeft de minister eiseres, gezien de frequentie van de dienstverlening, de feitelijke bemoeienis en de locatie van de werkzaamheden, terecht aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav en niet alleen als afnemer van een dienst. De beroepsgrond faalt.\n\nHad de minister uit moeten gaan van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van artikel 15a, van de Wav?\n\n5. Eiseres heeft aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bij de overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav sprake zou zijn van verminderde verwijtbaarheid, terwijl bij de overtredingen van artikel 15a van de Wav wordt uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Volgens eiseres is zij slachtoffer geworden van het handelen door [bedrijf 1], die meerdere bedrijven zou hebben opgelicht. Eiseres stelt dat zij zich na de controle in september 2021 heeft ingespannen om aan de vordering te voldoen en haar bedrijfsprocessen direct heeft aangepast en instructies heeft gegeven aan medewerkers. Daarbij voert zij aan dat het voor haar feitelijk onmogelijk was om aan de vordering te voldoen, omdat de werknemers van [bedrijf 1] en de eigenaar van dat bedrijf na een eerste contactmoment onvindbaar waren. Dat de vordering pas ongeveer een jaar later is opgelegd, heeft volgens eiseres de mogelijkheden om alsnog aan de vordering binnen 48 uur te voldoen onmogelijk gemaakt.\n\n5.1. Zoals uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022volgt, is bij opzettelijk overtreden van artikel 2 of 15a van de Wav 100% van het boetenormbedrag het uitgangspunt en 75% van het boetenormbedrag indien sprake is van grove schuld bij de overtreder. Is er geen sprake van opzet of grove schuld, dan is 50% van het boetenormbedrag een passend uitgangspunt en bij verminderde verwijtbaarheid is dat 25% van het boetenormbedrag.\n\n5.1.1. Bij overtreding van de Wav mag in beginsel worden uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Dat de Wav als zodanig bekend wordt verondersteld en dat deze is overtreden, brengt nog niet met zich dat de werkgever in kwestie de overtreding opzettelijk heeft begaan of daaraan grove schuld heeft. Afwijking naar beneden van genoemde 50% van het boetenormbedrag is aangewezen als sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de werkgever. Onder verminderde verwijtbaarheid worden verstaan situaties waarin het de werkgever niet volledig valt aan te rekenen dat hij de Wav heeft overtreden.\n\n5.1.2.. Afwijking naar boven van het percentage van 50% is gerechtvaardigd bij opzet of grove schuld bij de werkgever. Grove schuld is aan de orde wanneer de mate van verwijtbaarheid hoger ligt dan de normale verwijtbaarheid, maar er geen sprake is van opzet. Bijvoorbeeld in het geval van een ernstige, aan opzet grenzende, mate van verwijtbaarheid. Het gaat dan om ernstige nalatigheid, ernstige onzorgvuldigheid of ernstige onachtzaamheid met als gevolg dat de Wav niet of niet behoorlijk is nageleefd. Van grove schuld kan ook sprake zijn wanneer er omstandigheden zijn die elk op zich normale verwijtbaarheid opleveren, maar in onderlinge samenhang bezien wel leiden tot grove schuld. Het is aan de minister om aan te tonen dat de werkgever met opzet of grove schuld heeft gehandeld.\n\n5.2.. De rechtbank stelt voorop dat in het primaire besluit de mate van verwijtbaarheid voor alle overtredingen met 25% naar beneden is bijgesteld vanwege het lange tijdsverloop tussen de onderzoeksperiode en het verhoor door de inspecteurs. De minister is daarmee (in plaats van normale verwijtbaarheid) gekomen tot verminderende verwijtbaarheidvoor de overtreding vanartikel 2, eerste lid van de Wav. Voor de overtredingen vanartikel 15a van de Wavis de minister (in plaats van grove schuld) gekomen totnormale verwijtbaarheid.\n\n5.2.1.. In het bestreden besluit heeft de minister echter geconcludeerd dat ten aanzien van de overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wavsprake is vangrove schuld, omdat eiseres ernstig onzorgvuldig en nalatig heeft gehandeld en dus niet – zoals eiseres in beroep heeft gesteld – verminderde verwijtbaarheid. Ten aanzien van de overtredingen van artikel15a van de Wavis de minister tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van grove schuld, maar vannormale verwijtbaarheid. Anders dan in het primaire besluit stelt de minister zich op het standpunt dat het tijdsverloop tussen de onderzoeksperiode en het verhoor door de inspecteurs geen invloed heeft op de mate van verwijtbaarheid en de ernst van de overtredingen. Vanwege het verbod op reformatio heeft de minister de eerder toegepaste matiging van de boete voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav wel gehandhaafd. Dit is op de zitting met partijen besproken.\n\n5.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister verder inzichtelijk gemotiveerd hoe zij tot de conclusie is gekomen dat in dit geval sprake is van normale verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van artikel 15a van de Wav. Elke werkgever dient, voordat hij een arbeidskracht werkzaamheden laat verrichten, de identiteit van deze arbeidskracht vast te stellen en in het bezit te zijn van hun identiteitsdocumenten. Eiseres heeft dat niet gedaan en was niet in het bezit van hun identiteitsdocumenten. De minister heeft in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat, als zij de persoonsgegevens van haar arbeidskrachten wel in haar administratie had geregistreerd en in het bezit was van een afschrift van hun identiteitsbewijs, zij tijdig aan de vordering op grond van artikel 15a van de Wav had kunnen voldoen. Dat dit niet is gebeurd, komt voor rekening van eiseres. Ter zitting heeft eiseres nader toegelicht dat zij niet bekend was met de toepasselijke regelgeving en deze niet bewust heeft overtreden. Deze regelgeving kan voor een jong bedrijf complex zijn, aldus eiseres. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit is uitgegaan van normale verwijtbaarheid en dat eiseres dus niet wordt verweten dat zij de regelgeving opzettelijk heeft overtreden dan wel dat sprake is van grove schuld aan de kant van eiseres. Dat de regelgeving complex kan zijn en eiseres een jong bedrijf is, ontslaat haar niet van haar verantwoordelijkheid om zich op de hoogte te stellen van de op haar rustende verplichtingen. Net als de minister ziet de rechtbank daarom geen aanleiding om hier aan te nemen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Dat eiseres zich heeft ingespannen om de gevraagde identiteitsdocumenten alsnog te verkrijgen, maakt niet dat het haar verminderd te verwijten valt dat zij niet aan de vordering kon voldoen. De minister heeft ten aanzien hiervan verder terecht opgemerkt dat het onduidelijk is gebleven hoe vaak en op welke manier geprobeerd is om de identiteitsdocumenten te achterhalen. De beroepsgrond faalt.\n\nMoet de boete gematigd worden vanwege marginale incidentele arbeid?\n\n6. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de boete gematigd dient te worden, omdat de meeste personen ten aanzien van wie een boete is opgelegd slechts enkele keren voor haar hebben gewerkt.\n\n6.1.. De rechtbank overweegt dat deze matigingsgrond voor artikel 2, eerste lid van de Wav staat opgenomen in Bijlage II van de Beleidsregel 2020. Volgens deze Beleidsregel is sprake van marginale, incidentele arbeid als de arbeid van geringe omvang of duur is, onbetaald is en eenmalig heeft plaatsgevonden. Voor artikel 15a zijn geen matigingsgronden opgenomen in de Beleidsregel 2020, maar de omstandigheden van het geval moeten wel worden meegewogen in het kader van de evenredigheidstoets die is opgenomen in artikel 5:46, tweede lid van de Awb.\n\n6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een overtreding van incidentele aard of geringe omvang. De minister heeft er namelijk op gewezen dat uit de stukken blijkt dat de vreemdeling in de maanden april, mei en juni 2021 meerdere dagen per week arbeid heeft verricht voor eiseres, en de overige arbeidskrachten ten minste één dag werkzaamheden voor eiseres hebben verricht. Het aantal gewerkte uren per maand varieerde van 243 tot 485 uur. Verder volgt uit de facturen dat de arbeidskrachten voor hun werkzaamheden zijn betaald. Gelet hierop is voor toepassing van deze matigingsgrond geen aanleiding. De beroepsgrond faalt.\n\nMoet de boete gematigd worden vanwege cumulatie?\n\n7. Eiseres heeft verder naar voren gebracht dat het disproportioneel is om zes boetes op te leggen voor de overtredingen van artikel 15a van de Wav, omdat het om één enkele en dezelfde fout gaat.\n\n7.1.. De rechtbank overweegt dat de cumulatie van boetes voor een overtreding van artikel 15a van de Wav rechtstreeks volgt uit de cumulatiebepaling in artikel 19a, tweede lid, van de Wav. In dit geval heeft eiseres zes op zichzelf staande overtredingen begaan, die elk afzonderlijk beboetbaar zijn. De hoogte van de boete moet echter wel worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.In de zaak die leidde tot de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022zag de Afdeling in de cumulatie van de aan betrokkene opgelegde boetes aanleiding om te matigen. In de zaak van eiseres is echter sprake van een ander feitencomplex. Hoewel het in de genoemde uitspraak ook ging om overtredingen van artikel 15a van de Wav, stond vast dat de werkgever daadwerkelijk de identiteitscontrole uitvoerde voordat de arbeidskrachten werk verrichtten, alleen had nagelaten de gegevens te registreren. Ook is in die zaak meegewogen dat de werkgever tijdig andere adequate maatregelen had doorgevoerd om de werkprocessen te verbeteren. In deze zaak heeft eiseres de identiteit van de arbeidskrachten niet gecontroleerd voorafgaand aan het verrichten van werkzaamheden, maar deze controle overgelaten aan de uitlener. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de boetes te matigen. De beroepsgrond faalt.\n\nMoet de boete gematigd worden vanwege de financiële situatie van eiseres?\n\n8. Eiseres heeft aangevoerd dat zij de gevolgen van de opgelegde boete, gelet op haar financiële situatie niet kan dragen. De boetes bedreigen het voortbestaan van de onderneming. De stelling van de minister dat de financiële situatie zo erg is dat dat een reden is de boete niet te matigen, vindt eiseres onbegrijpelijk.\n\n8.1.. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet onevenredig hard wordt getroffen door de boete. Aangezien uit de overlegde stukken blijkt dat de aangeleverde jaren en naar verwachting 2024 sluiten met een negatief resultaat komt de minister tot de conclusie dat de financiële situatie, ook zonder de aan eiseres opgelegde boete, zodanig is dat in principe een faillissement onafwendbaar lijkt.\n\n8.2.. De rechtbank is van oordeel dat eiseres door de opgelegde boete van € 26.000, - onevenredig wordt getroffen, gelet op de overgelegde financiële gegevens en de niet betwiste schrijnende financiële situatie. Op de zitting heeft de heer [naam 1] toegelicht – hetgeen ook uit de stukken blijkt – dat het momenteel nog steeds slecht gaat met eiseres, maar dat eiseres langzaam richting het break-evenpunt beweegt. De rechtbank volgt de minister daarom niet in zijn standpunt dat de financiële situatie van eiseres van dien aard is dat een faillissement ook zonder (matiging van) de boeteoplegging onafwendbaar was. Eiseres weet zich ondanks haar moeilijke financiële situatie nog steeds staande te houden, al dan niet met financiële injecties van haar bestuurders.\n\n8.3.. \n\nOmdat de rechtbank de boete onevenredig acht, zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd op grond van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. Gelet op het bepaalde in artikel 8:72a van de Awb zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. De rechtbank concludeert dat er aanleiding bestaat om het totale opgelegde boetebedrag met 50% te matigen gelet op de financiële draagkracht van eiseres. Dit betekent dat de rechtbank de boete vaststelt op\n\n€ 13.000, -. De rechtbank is van oordeel dat deze boete evenredig is en tegelijkertijd voldoende afschrikwekkend is in het kader van de noodzaak tot naleving van de Wav.\n\nRedelijke termijn\n\n9. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden.\n\n9.1.. Zoals de Afdeling heeft overwogen is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRMoverschreden indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft voor de beslechting van het geschil in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, terwijl deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden is overschreden, wordt de boete verminderd met 5% met een maximum van € 2.500,00. In geval van een overschrijding van meer dan zes maanden ligt een vermindering met 10% met een maximum van € 2.500,00 in de rede.\n\n9.2.. \n\nIn het onderhavige geval dateert de boetekennisgeving van 17 oktober 2023. Eiseres heeft in de bezwaarprocedure zes weken uitstel gekregen voor het indienen van de gronden.\n\nDe redelijke termijn moet daarom met zes weken worden verlengd en is dus geëindigd op 28 november 2025. Deze uitspraak dateert van 6 mei 2026, waardoor er sprake is van een termijnoverschrijding van minder dan 6 maanden. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de boete met 5% te matigen. De minister verzet zich hier overigens ook niet tegen. Omdat de rechtbank de boete heeft vastgesteld op € 13.000,- betekent dit een matiging van het boetebedrag met € 650,-.\n\n9.3.. De rechtbank concludeert dat de totale hoogte van de boete moet worden vastgesteld op € 12.350, -.\n\nRectificatie openbaarmaking\n\n10. Allerlaatst voert eiseres aan dat de openbaarmaking van de inspectiegegevens dient te worden gerectificeerd.\n\n10.1.. De rechtbank overweegt dat de minister op grond van artikel 19g, eerste lid, van de Wav bij de oplegging van een bestuurlijke boete verplicht is tot openbaarmaking van de inspectiegegevens. Omdat dit een dwingendrechtelijke bepaling uit een wet in formele zin betreft, kan deze bepaling zelf niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel.De rechtbank mag echter wel toetsen of er in het onderhavige geval aanleiding bestaat deze wetsbepaling buiten toepassing te laten, omdat toepassing van deze bepaling in dit concrete geval in strijd zou komen met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat daar in deze zaak geen aanleiding toe bestaat. De openbaarmaking van de inspectiegegevens dient ertoe om naleving van de Wav te bevorderen en inzicht te geven in het uitvoeren van toezicht door de Arbeidsinspectie op grond van de Wav. Er is daarom vanuit het oogpunt van transparantie uitdrukkelijk voor gekozen om geen individuele belangenafweging te verrichten en de inspectiegegevens steeds openbaar te maken. De rechtbank ziet geen aanleiding waarom dat in dit geval onevenredig zou uitpakken. Eiseres heeft dit in beroep ook niet geconcretiseerd dan wel onderbouwd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 12 augustus 2024 en herroept het primaire besluit van 20 november 2023, beide voor wat betreft de hoogte van de boete. De rechtbank stelt zelf het bedrag van de boete vast op € 12.350, -.\n\n11.1.. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.\n\n11.2.. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakt proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. De gemachtigde van eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend en deelgenomen aan een hoorzitting. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde van eiseres heeft een beroepschrift ingediend en is ter zitting verschenen. De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 3.200,- (twee keer € 666,- en twee keer € 934,-).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit, voor wat de hoogte van de boete betreft;\n\n- herroept het primaire besluit, voor wat de hoogte van de boete betreft;\n\n- bepaalt dat het bedrag van de opgelegde boete wordt vastgesteld op € 12.350, -.\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit van 12 augustus 2024;\n\n-bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden; en,\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.200, -.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. I.I. Mooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.\n\ngriffier de rechter,\n\nis buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nConc.:\n\nD:\n\nVK\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE\n\nWet arbeid vreemdelingen\n\nArtikel 1:\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:\n\nb. werkgever:\n\n1°. degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten;\n\nc. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000;\n\nArtikel 2:\n\n1. Het is een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning of zonder dat een vreemdeling in het bezit is van een gecombineerde vergunning voor werkzaamheden bij die werkgever.\n\nArtikel 15a:\n\nDe werkgever is verplicht om binnen 48 uren na een daartoe strekkende vordering van de toezichthouder de identiteit vast te stellen van een persoon van wie op grond van feiten en omstandigheden het vermoeden bestaat dat hij arbeid voor hem verricht of heeft verricht, aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht en de toezichthouder te informeren door een afschrift van dit document te verstrekken.\n\nArtikel 18:\n\nAls overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid 15, 15a en het bepaalde bij of krachtens artikel 2a.\n\nArtikel 19a, tweede lid:\n\nDe terzake van deze wet gestelde overtredingen, gelden ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een overtreding is begaan.\n\nArtikel 19g:\n\n1. De toezichthouder of de door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, maken het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd wegens overtreding van deze wet als bedoeld in artikel 18, dat een besluit is genomen als bedoeld in artikel 17b, tweede lid, of dat na een afgerond onderzoek geen overtreding is geconstateerd openbaar teneinde de naleving van deze wet te bevorderen en inzicht te geven in het uitvoeren van toezicht op grond van deze wet.\n\n2. Bij de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, is artikel 5.1, eerste lid, onderdelen c, d en e, en tweede lid, onderdeel f, van de Wet open overheid 'van overeenkomstige toepassing.\n\n3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de openbaar te maken gegevens, waaronder de mogelijke reactie van een belanghebbende in verband met de openbaarmaking van zijn gegevens, de termijn waarop deze gegevens beschikbaar worden gesteld en de wijze waaróp de openbaarmaking plaatsvindt.\n\n4. Indien geen overtreding is geconstateerd als bedoeld in het eerste lid, is op dat besluit tot openbaarmaking artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.\n\n5. De openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt niet eerder dan nadat tien werkdagen zijn verstreken na de dag waarop het besluit aan belanghebbende bekend is gemaakt.\n\n6. Bij de openbaarmaking wordt vermeld of tegen een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete of een besluit als bedoeld in artikel 17b, tweede lid, een rechtsmiddel is ingesteld dan wel of daartoe de mogelijkheid bestaat.\n\n7. Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de openbaarmaking opgeschort totdat de voorzieningenrechter een uitspraak heeft gedaan.\n\n8. Indien de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het toezicht op de naleving van deze wet dat door de toezichthouders wordt uitgeoefend, blijft openbaarmaking achterwege.\n\nBeleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020\n\nArtikel 1:\n\nBij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen wordt voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen’ die als bijlage I bij deze beleidsregel is gevoegd.\n\nArtikel 7:\n\nDe totale bij een boetebeschikking op te leggen bestuurlijke boete bestaat, ingeval er sprake is van meer overtredingen, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen.\n\nArtikel 11:\n\nIn gevallen waar sprake is van een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen kan de berekende bestuurlijke boete per overtreding met 25%, 50% of 75% worden gematigd afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de evenredigheid, waarbij de matigingsgronden en -percentages neergelegd in het ‘Overzicht specifieke matigingsgronden bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen’ die als bijlage II bij deze beleidsregel is gevoegd als uitgangspunt worden gehanteerd.\n\nBijlage 1:\n\nOp grond van bijlage I, de Tarieflijst boetenormbedragen behorende bij de Beleidsregel 2020 bedraagt de bestuurlijke boete voor rechtspersonen en daarmee gelijkgestelden € 8.000,- per overtreding van artikel 2, eerste lid en ook € 8.000,- per overtreding van 15a van de Wav.\n\nBijlage II, behorende bij artikel 11 van de Beleidsregel:\n\nDe volgende matigingen kunnen worden toegepast, indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid of een overtreding die minder ernstig van aard is. Daarbij geldt dat het percentage groeit naarmate de verwijtbaarheid afneemt of de overtreding als minder ernstig wordt beschouwd. Indien meerdere matigingsgronden aan de orde zijn, worden deze bij elkaar opgeteld tot een maximum van 75%. Matigingsgronden worden dus niet afzonderlijk toegepast, maar in onderlinge samenhang beschouwd. Alleen als een overtreding volledig\n\nniet verwijtbaar is, wordt gematigd met 100%. In dat geval wordt van boeteoplegging afgezien.\n\nBesluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen\n\nArtikel 11.2. Inhoud openbare inspectiegegevens:\n\n1. De gegevens, bedoeld in artikel 19g van de wet, betreffen:\n\na. de punten waarop is gecontroleerd en de wet of wetten die de grondslag daarvoor bieden;\n\nb. de locatie waar het onderzoek heeft plaatsgevonden;\n\nc. de datum of periode waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden;\n\nd. de naam en vestigingsplaats van de betreffende normadressaat;\n\ne. het nummer waaronder de betreffende normadressaat is ingeschreven in een register van het land van vestiging, dan wel de unieke code die naar de betreffende normadressaat te herleiden is; en\n\nf. de sector of branche waarin deze normadressaat zijn economische activiteit verricht.\n\n[…]\n\nArtikel 11.3. Openbare gegevens omtrent opgelegde boetes en stilleggingen:\n\n1. In aanvulling op artikel 11.2, eerste lid, worden indien een onderzoek door de toezichthouder of de door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, en 19a, eerste lid, van de wet, wordt gevolgd door een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 19a, dan wel door een besluit tot bevel tot staken van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 17b, tweede lid, van de wet, de volgende inspectiegegevens over dat besluit openbaar gemaakt:\n\na. welk besluit is genomen, de artikelen van de wet die de grondslag daarvoor bieden en de datum van dat besluit; en\n\nb. welke rechtsmiddelen tegen het besluit zijn of kunnen worden aangewend en wat hiervan de uitkomst was, of dat het besluit onherroepelijk is geworden.\n\n[…]\n\nArtikel 11.5. Reactie van belanghebbende:\n\n1. Op verzoek van de belanghebbende kan een schriftelijke reactie over de openbaarmaking van de gegevens, bedoeld in de artikelen 11.2 en 11.3, van ten hoogste 2.000 leestekens worden gegeven, die zal worden gevoegd bij de openbaar te maken gegevens op de website met informatie van de toezichthouder of de door Onze Minister aangewezen ambtenaren.\n\n2. Onderdelen van de schriftelijke reactie die persoonsgegevens, bedrijfsnamen of bedrijfsgegevens van derden dan wel strafbare of aanstootgevende uitlatingen bevatten, worden niet op de website gepubliceerd.\n\n Wet arbeid vreemdelingen.\n\n De heer [naam 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 2]. [bedrijf 2] is één van de twee bestuurders van [eiseres].\n\n Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Wet op de Identificatieplicht\n\n Zie Kamerstukken II1993\u002F94, 23574, nr. 3, p. 13.\n\n Zie Kamerstukken II1993\u002F94, 23574, nr. 5, p. 2.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2364.\n\n ECLI:NL:RVS:2011:BT2154.\n\n ECLI:NL:RVS:2013:1598.\n\n Bijlage 2 van het boeterapport, p. 2-3.\n\n Bijlage 10 van het boeterapport, p. 4.\n\n Bijlage 2 bij het boeterapport, p. 2.\n\n Bijlage 2 bij het boeterapport, p. 3.\n\n Bijlage 9 bij het boeterapport, p. 1 en 3.\n\n Bijlage 2 bij het boeterapport, p. 2.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:1973, rechtsoverweging 7.1 en 7.2.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1750), onder 8.1.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:873\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0226.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6867","2026-07-13T00:28:50.378Z",{"id":157,"ecli":158,"slug":159,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":160,"fullText":161,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":162,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":163},"821","ECLI:NL:RBDHA:2026:18575","ecli-nl-rbdha-2026-18575","2026-04-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.17277\n\nV-nummer: [v-nummer]uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n\n [verzoeker],\n\ngeboren op [geboortedag] 1988, van Marokkaanse nationaliteit, verzoeker,\n\n(gemachtigde: mr. A.M. van Eik)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. W.J. Poot).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit), waarbij verzoekers bezwaar tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ongegrond is verklaard en waarbij aan hem een terugkeerbesluit en een inreisverbod is uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n1.1.. Verweerder heeft per brief van 10 april 2026 laten weten zich te verzetten tegen toewijzing van de voorlopige voorziening.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n2.1.. \n\nAls gevolg van de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van\n\n14 februari 2025eindigt de opschortende werking van het bezwaar op 21 april 2026. Vanaf dat moment heeft verzoeker geen rechtmatig verblijf meer in Nederland. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het spoedeisend belang daarmee gegeven.\n\n3. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van verzoeker, geregistreerd onder zaaknummer NL26.17275, bij beslissing van 13 april 2026 gelet op de complexiteit en het principiële karakter van de zaak verwezen naar een zitting van de meervoudige kamer. Gelet hierop, kan aan het beroep in deze zaak een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd.\n\n4. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat de belangen van verzoeker bij het afwachten van de beroepsprocedure in Nederland zwaarder wegen dan de belangen van verweerder. Verzoeker is inmiddels 37 jaar oud en in Nederland geboren en getogen. Zonder rechtmatig verblijf kan hij zijn werk en stage niet voortzetten. Ook worden zijn Wajong-uitkering, zorgverzekering en zorgtoeslag beëindigd. Daarnaast dreigt uitzetting naar Marokko, terwijl verzoeker hier een duurzame relatie heeft met zijn Nederlandse vrouw en zoontje met de Nederlandse nationaliteit. Zijn vrouw is voor specialistische behandeling vanwege de ziekte Multiple Sclerose aangewezen op zorg in Nederland. Verweerders belang dat verzoekers aanwezigheid in Nederland een gevaar zou vormen voor de openbare orde, aangezien verzoeker ernstige misdrijven heeft gepleegd in Nederland en België, weegt tegen het voorgaande niet op. De voorzieningenrechter kent hieraan minder gewicht toe, mede gelet op het tijdsverloop sinds de gepleegde misdrijven en het feit dat de intrekkingsprocedure al geruime tijd loopt, waarbij verweerder in de onderhavige procedure al in 2023 het voornemen heeft uitgebracht de vergunning in te trekken. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het laatste misdrijf waarvoor verzoeker is veroordeeld alweer dateert uit 2015 en dat verzoeker inmiddels bijna vijf jaar op vrije voeten is zonder nieuwe strafbare feiten te plegen. Ook in beroep heeft verzoeker aanknopingspunten naar voren gebracht die afbreuk kunnen doen aan de stelling dat hij een (actueel) gevaar vormt. Zo heeft verweerder ter onderbouwing van het vermeende gevaar vooral gewezen naar het arrest van het Hof van Beroep Antwerpen, d.d. [datum],waarin eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren, terwijl een individuele recidivebeoordeling ten aanzien van verzoeker daarin ontbreekt. Daarnaast heeft verzoeker in deze procedure herhaaldelijk benadrukt dat zijn gedrag dusdanig goed werd bevonden dat hij vervroegd in vrijheid kon worden gesteld. Nu het in deze procedure vooral ook gaat om de vraag of verzoeker een actuele bedreiging vormt, is de voorzieningenrechter, gezien voorgaande feiten en omstandigheden, van oordeel dat het belang van verweerder niet opweegt tegen het zwaarwegend belang van verzoeker om zijn beroepsprocedure in Nederland te kunnen afwachten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot vier weken nadat op het beroep is beslist. Dat houdt in dat verzoeker, tot vier weken nadat op het beroep is beslist, niet mag worden uitgezet en hij moet worden behandeld als ware hij nog in het bezit van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.\n\n6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van\n\n€ 200,- vergoedt.\n\n7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter,\n\n- wijst het verzoek toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst;\n\n- bepaalt dat tot vier weken nadat op het beroep geregistreerd onder zaaknummer: NL26.17275 is beslist, verzoeker niet mag worden uitgezet en hij gedurende deze periode moet worden behandeld als ware hij nog in het bezit van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.\n\n- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 934,- te betalen aan verzoeker.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Dat staat in artikel 8:81 van de Awb.\n\n Zaaknummer: NL25.3524.\n\n Verzoeker heeft voorafgaand aan deze procedure ruim drie jaar een procedure inzake\n\nintrekking van zijn verblijfsvergunning doorlopen waarvan inmiddels in rechte vaststaat dat die intrekking onrechtmatig was.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18575","2026-07-13T00:28:49.736Z",{"id":165,"ecli":166,"slug":167,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":168,"fullText":169,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":170,"sourceTimestamp":93,"parsedAt":36,"updatedAt":171},"1420","ECLI:NL:RBDHA:2026:17919","ecli-nl-rbdha-2026-17919","2026-02-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL25.15924 (beroep)\n\n NL25.15925 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1968, van Marokkaanse nationaliteit, eiser\u002Fverzoeker, hierna: eiser\n\n(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU\u002FEER\n\n1.1.. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 12 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 maart 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigden, en namen deel aan de zitting via digitale beeldverbinding.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de minister het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft\n\n4. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank wijst dit verzoek toe.\n\nWaar deze zaak over gaat\n\n5. Aan eiser is op 10 november 2011 een verblijfsdocument EU\u002FEER afgegeven waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt op basis van het gezinsleven met een burger van de Unie, [referente] (hierna: referente), beschikkende over de Hongaarse nationaliteit. Op 13 februari 2024 heeft eiser wederom verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU\u002FEER. Eiser vraagt hiermee om voortzetting van zijn verblijf als gemeenschapsonderdaan.\n\nBesluitvorming\n\n6. De minister heeft met het primaire besluit de aanvraag afgewezen en in wezen medegedeeld dat het verblijfsrecht per 16 januari 2015 van rechtswege is beëindigd. Gebleken is dat eiser en referente per 16 januari 2015 uit de BRPzijn geschreven. Nu eiser niet heeft aangetoond ook na 16 januari 2015 zijn hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad of op dit moment heeft, voldoet eiser niet aan artikel 8.15, eerste lid onder a van het Vb. Daarom is het verblijfsrecht van eiser reeds geëindigd per 16 januari 2015. Aangezien de minister op grond van het voorgaande concludeert dat zowel eiser als referente op dit moment niet hun hoofdverblijf in Nederland hebben, voldoet eiser niet aan artikel 8.7, tweede lid, van het Vb, en kan het verblijfsdocument niet aan eiser worden afgegeven. Zelfs als eiser het hoofdverblijf zou hebben aangetoond, heeft eiser niet aangetoond dat hij of referente over voldoende middelen van bestaan beschikt. De minister heeft dan ook niet ambtshalve hoeven toetsen aan artikel 8 van het EVRM.\n\n6.1.. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift geen concrete gronden van bezwaar bevat. Subsidiair blijkt uit systemen van de INDdat referente sinds 16 januari 2015 geregistreerd staat als niet-ingezetene, en er dus sprake is van emigratie uit Nederland. Dit betekent dat het verblijfsrecht van referente hierom van rechtswege is vervallen, evenals het afgeleide verblijfsrecht van eiser.\n\nStandpunt eiser\n\n7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister hem in bezwaar had moeten horen, nu het gaat om een complexe casus met een veelheid aan aangeleverde informatie. Van belang is dat eiser zelf niet vaardig is in het overbrengen van argumenten, feiten en gedachten, zodat er sprake was van een zwaarwegend belang om te horen in persoon.\n\n7.1.. Verder voert eiser aan dat de minister onvoldoende heeft gewogen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, nu eiser rechtmatig in Nederland heeft verbleven en beschermingswaardig privéleven heeft opgebouwd.\n\n7.2.. Eiser voert tevens aan dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser heeft wel degelijk een concrete grond van bezwaar aangevoerd waaruit blijkt dat en waarom eiser niet instemt met het primaire besluit. Ook had de minister herstelverzuim moeten bieden.\n\n7.3.. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser de beroepsgrond dat artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen zijn uitzetting ingetrokken.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n8. De rechtbank constateert dat de minister in het verweerschrift heeft erkend dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Na het nemen van het bestreden besluit is namelijk gebleken dat eiser op 11 februari 2025 wel degelijk bezwaargronden heeft ingediend, zij het onder vermelding van een ander V-nummer en zonder vermelding van een zaaknummer. De minister meent dat eiser hierdoor in dit geval niet in zijn belangen is geschaad, nu hetgeen er inhoudelijk in het besluit van 12 februari 2025 is overwogen en hetgeen er subsidiair in het bestreden besluit van 26 maart 2025 is overwogen, niet verandert door hetgeen er door eiser in zijn gronden is aangevoerd. De minister verzoekt de rechtbank primair om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Subsidiair verzoekt verweerder om toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Awb.\n\n8.1.. De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot de conclusie dat nu de minister het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, er sprake is van een gebrek in de besluitvorming. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet echter, gelet op de in het primaire en bestreden besluit subsidiair gegeven overige motivering, aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.De rechtbank licht dit hieronder nader toe.\n\n9. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat het Unierechtelijk verblijfsrecht van referent is geëindigd op 16 januari 2015. De minister heeft dan ook terecht geconstateerd dat eiser met ingang van 16 januari 2015 geen Unierechtelijk verblijf meer toekwam als partner van een unieburger.\n\n9.1.. Voorts heeft eiser gedurende de procedure geen stukken overgelegd waaruit zou blijken dat eiser ten tijde van het bestreden besluit anderszins voldeed aan de voorwaarden voor afgifte van het verzochte verblijfsdocument EU\u002FEER. Eiser heeft een begeleidende brief van zijn gemachtigde van 13 november 2024, een verklaring van mevrouw [persoon 1] van 7 oktober 2024, en een verklaring van [persoon 2] van 22 december 2023 overgelegd. In deze stukken staat vermeld dat eiser in 2022 is gestart met vrijwilligerswerk bij het Wereldhuis in Den Haag en dat hij in juli 2022 wegens persoonlijke omstandigheden met dit vrijwilligerswerk is gestopt, waarbij hij het Wereldhuis nadien nog regelmatig zou hebben bezocht. Ook heeft eiser kopieën van abonnementskaarten van ‘Stad & Streek’ over de periode van december 2006 tot en met juni 2007 overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank bevatten deze stukken geen aanknopingspunten om ten tijde van het besluit te kunnen spreken van verblijf als (partner van een) gemeenschapsonderdaan.\n\n9.2.. Bij het voorgaande betrekt de rechtbank ook dat eiser meerdere malen in de gelegenheid is gesteld om de gewenste stukken over te leggen. Op 1 augustus 2024 en 23 september 2024 is herstelverzuim geboden en bij het voornemen van 30 oktober 2024 zijn nadere vragen gesteld in de bijlage. Het standpunt van de gemachtigde van eiser op de zitting dat sprake zou zijn van schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, treft daarom geen doel en is bovendien niet nader onderbouwd.\n\n9.3.. Uitgaande van het hiervoor geschetste feitencomplex, is de rechtbank eveneens van oordeel dat de minister zich in het verweerschrift niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bestreden besluit geen onrechtmatige inmenging in het privéleven van eiser vormt. Eiser heeft minder dan vier jaar legaal verblijf gehad, vanaf 43-jarige leeftijd. Uit deze relatief korte periode van legaal verblijf op ruim volwassen leeftijd is niet gebleken van zeer sterke banden met Nederland. Desgevraagd is op zitting geen nieuwe informatie naar voren gekomen wat betreft de invulling van eiser zijn privéleven in Nederland. Van bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Het belang van eiser om hier zijn privéleven uit te oefenen weegt zodoende niet op tegen de belangen van de Nederlandse Staat.\n\n9.4.. Voorts is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van de hoorplicht. Eiser is namelijk, gelet op wat is overwogen onder 9.2., voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn situatie nader toe te lichten, en met stukken te onderbouwen. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat eiser pas twee dagen na het bestreden besluit voor het eerst heeft verzocht om een hoorzitting. De stelling van de gemachtigde van eiser ter zitting dat, althans zo begrijpt de rechtbank de gemachtigde, door middel van een hoorzitting de minister had kunnen nagaan of eiser zich wel kan beroepen op een verblijfsrecht op grond van artikel 8:15, vierde lid, van het Vb, volgt de rechtbank niet. In dit artikellid is bepaald dat een vreemdeling voortgezet verblijf toekomt indien de relatie met een Unieburger is geëindigd en de vreemdeling op dat moment over voldoende middelen van bestaan beschikt. Dat gaat dus over de situatie in 2015. Indien eiser destijds aan de minister had doorgegeven dat zijn relatie is geëindigd, had de minister moeten kijken of eiser op grond van artikel 8:15, vierde lid, van het Vb recht op voortgezet verblijf toekwam. Eiser heeft er geen belang bij dat de minister deze toets in 2025 alsnog uitvoert, reeds nu nergens uit is gebleken dat eiser vanaf 16 januari 2025 zijn hoofdverblijf in Nederland heeft behouden.\n\n9.5.. De rechtbank concludeert dan ook dat de minister terecht de aanvraag om voorzetting van eisers verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft afgewezen en heeft geconstateerd dat het verblijfsrecht per 16 januari 2015 van rechtswege is geëindigd. Voorts heeft de minister niet ten onrechte eiser geen verblijfsvergunning verstrekt op grond van artikel 8 EVRM (privéleven).\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. De rechtbank komt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en daarmee in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en geeft daarbij toepassing aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.\n\n11. Omdat met deze uitspraak is beslist op het beroep, bestaat er geen aanleiding meer tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.\n\n12. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlenerBeslissing\n\nDe rechtbank,\n\nin de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.15924,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.\n\nDe voorzieningenrechter,\n\nin de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.15925,\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter,\n\nin alle zaken,\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Europese Unie\u002FEuropese Economische Ruimte.\n\n Basisregistratie Personen.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.\n\n Immigratie- en Naturalisatiedienst.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17919","2026-07-13T00:29:20.359Z",{"id":173,"ecli":174,"slug":175,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":176,"fullText":177,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":178,"sourceTimestamp":93,"parsedAt":36,"updatedAt":179},"1389","ECLI:NL:RBDHA:2026:17916","ecli-nl-rbdha-2026-17916","2026-01-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL24.22382\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1950, van Syrische nationaliteit, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. C.C. Smit),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)\n\n(gemachtigde: mr. K.A.W. Boonen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag om afgifte van een verblijfsvergunning voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van het EVRM.\n\n1.1.. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 13 juli 2022 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 2 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\n1.2.. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. Voorafgaand aan de zitting op 18 december 2025 heeft de rechter in aanwezigheid van de griffier afzonderlijke kindgesprekken gehouden met [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] , vier van de vijf kleinkinderen van eiseres.De verslagen zijn aan het digitale dossier toegevoegd. Wat de kleinkinderen tijdens de kindgesprekken hebben verteld, zal de rechtbank voor zover relevant bij haar beoordeling betrekken.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [referent] (referent), zijn echtgenote en hun jongste dochter [persoon 5] , Z. Hmawandi als tolk in de taal Arabisch (Syrisch-Libanees) en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiseres heeft\n\naangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft. Aan het einde van de uitspraak heeft de rechtbank een brief gevoegd voor [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] waarin de uitspraak en de gevolgen van deze uitspraak in kindvriendelijke taal worden uitgelegd.\n\nWaar deze zaak over gaat\n\n4. Eiseres is 75 jaar oud en afkomstig uit Syrië. Eiseres heeft één zoon, referent, en twee dochters. De echtgenoot van eiseres is overleden. Referent heeft op 1 december 2015 in Nederland een verblijfsvergunning asiel gekregen. Uit zijn huwelijk met [persoon 6] zijn vijf kinderen geboren: [persoon 1] (2010), [persoon 2] (2011), [persoon 3] (2013), [persoon 4] (2017) en [persoon 5] (2018). Het gezin is vanwege de oorlog in 2015 uit Syrië vertrokken en verbleef daarna in het vluchtelingenkamp [plaats] in Jordanië bij de grens met Syrië.\n\n4.1.. Referent heeft op 27 januari 2016 een aanvraag gedaan om zijn ouders, echtgenote en (destijds drie) kinderen te laten nareizen. De aanvraag is op 14 augustus 2017 buiten behandeling gesteld omdat geen leges waren betaald voor wat betreft de ouders van referent, en afgewezen voor de echtgenote en kinderen omdat referent zich weer in Jordanië bevond.\n\n4.2.. Op 1 november 2018 heeft referent opnieuw een aanvraag ingediend voor gezinshereniging in het kader van nareis. Op 30 april 2019 heeft de minister deze aanvraag afgewezen omdat wat betreft de echtgenote en drie oudste kinderen geen sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden. De minister heeft in een apart besluit de nareisaanvraag voor de twee jongste kinderen en eiseres afgewezen. De twee jongste kinderen waren destijds nog niet geboren en vallen daarom niet binnen de nareistermijn. Eiseres viel niet binnen de categorie van nareizigers zoals bepaald in artikel 29, tweede lid, van de Vw. Beide afwijzingen zijn gehandhaafd met de besluiten van 20 mei 2020.\n\n4.3.. Bij besluit van 17 juni 2021 zijn de nareisaanvragen voor de echtgenote van referent en de drie oudste kinderen ingewilligd. Op 22 juni 2021 heeft referent verzocht om gezinshereniging met zijn twee jongste kinderen. Deze aanvraag is ingewilligd.\n\n4.4.. Op 5 juli 2021 heeft eiseres een aanvraag ingediend om in Nederland te verblijven bij referent, zijn echtgenote en de vijf kleinkinderen. Eiseres bevindt zich op dit moment weer in Syrië.\n\nBesluitvorming\n\n5. De minister heeft de aanvraag met het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, afgewezen omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Volgens de minister is er geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres, referent en zijn echtgenote. Dit kan volgens de minister niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat het gezin altijd samen heeft gewoond. Eiseres, referent en zijn echtgenote wonen immers sinds 2015 niet meer samen. Ondanks dat eiseres hulpbehoevend is, is niet gebleken dat zij specifiek afhankelijk is van referent en heeft zij toegang tot medische zorg. Ook zijn er nog twee zussen van referent in Syrië, en is volgens de minister niet aannemelijk waarom zij niet voor eiseres zouden kunnen zorgen. Verder weegt de minister mee dat ten tijde van het vertrek van referent uit Syrië er nog geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Daarnaast vormt de omstandigheid dat de echtgenote van eiseres eerder naar Syrië is vertrokken en ervoor koos niet bij eiseres te verblijven voor de minister een belangrijke indicatie dat eiseres zich zonder zijn zorg staande kon houden. Eiseres weet zich de afgelopen jaren, met enige hulp van familie en kennissen staande te houden. Verder heeft eiseres geen bewijs overgelegd van de gestelde financiële ondersteuning en zou deze ook op afstand kunnen worden verleend, dan wel voortgezet. De verklaringen over de goede band tussen eiseres, referent en echtgenote trekt de minister niet in twijfel, maar wordt niet meer dan gebruikelijk geacht. De minister concludeert daarom dat er geen zodanige emotionele afhankelijkheid is dat eiseres zonder de fysieke nabijheid van referent of zijn echtgenote niet kan functioneren. Allerlaatst betrekt de minister dat eiseres sterke banden heeft met Syrië, maar niet met Nederland.\n\n5.1.. Volgens de minister is er ook geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en de kleinkinderen. Niet is gebleken dat eiseres de ouderlijke zorg (deels) voor de kleinkinderen op zich heeft moeten nemen, omdat referent of zijn echtgenote niet in beeld waren. Ook is niet gebleken dat de rol van eiseres bij de zorg van de kleinkinderen de gebruikelijke omgang tussen grootouder en kleinkinderen heeft overstegen.\n\nBijkomende elementen van afhankelijkheid\n\n6. Uit rechtspraak van het EHRMvolgt dat bij relaties tussen meerderjarige\n\nfamilieleden voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM sprake moet zijn van ‘more than the normal emotional ties’\n\n(meer dan gebruikelijke emotionele banden). Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt hetEHRM naar ‘additional elements of dependancy’ (bijkomende elementen van\n\nafhankelijkheid).Elementen die hierbij relevant kunnen zijn, zijn eventuele samenwoning,\n\nde mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de\n\nbanden met het land van herkomst. De rechtbank dient – evenals het EHRM doet en\n\nconform de jurisprudentie van het EHRM – het standpunt van de minister of er sprake is van\n\nfamilieleven tussen volwassenen vol te toetsen.\n\n6.1.. De rechtbank is vol toetsend van oordeel dat tussen eiseres en referent bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan en dat daarmee sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank zal dat in de hierna volgende overwegingen toelichten.\n\n6.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat referent zijn gehele leven met zijn moeder heeft samengewoond. Evenmin is in geschil dat slechts sprake is geweest van een korte onderbreking van die samenwoning, toen referent vanuit Syrië naar Jordanië is gevlucht en zijn ouders zich kort daarna bij het gezin in het vluchtelingenkamp hebben gevoegd. De stelling van de minister in het verweerschrift dat samenwoning op zichzelf geen afhankelijkheid impliceert, omdat het gezin sinds 2015 niet meer zou hebben samengewoond, doet geen recht aan de aangevoerde feiten en omstandigheden en miskent hetgeen door eiseres en referent naar voren is gebracht. Daarbij heeft de minister ten onrechte niet kenbaar betrokken dat referent het gezin in 2015 onvrijwillig heeft verlaten in het kader van een vluchtsituatie en dat hij tijdens zijn nareisprocedure nog is teruggekeerd om bij het gezin te zijn. Verder heeft de minister niet betwist dat het gezin, waartoe ook eiseres behoort, nadien bijeen is gebleven en dat de echtgenote van referent in het kader van de nareisprocedure langer bij eiseres is gebleven om voor haar te zorgen. Daarnaast acht de rechtbank van belang onder welke omstandigheden sprake was van samenwoning. Na de vlucht naar Jordanië verbleef het gezin in één tent en sliep het in één ruimte. De rechtbank acht dit geen gewone samenwoning. Anders dan in het verweerschrift is gesteld, heeft de minister nagelaten alle door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden kenbaar bij de besluitvorming te betrekken, waaronder de bijzondere omstandigheden van de gezinssituatie.\n\n6.3.. De minister heeft voorts nagelaten de samenwoning van het gezin in samenhang te bekijken met de medische hulpbehoevendheid van eiseres. Uit de ingebrachte stukken volgt dat eiseres lijdt aan een chronische ontsteking in het binnenoor, en aan chronische duizeligheid en onbalans, waarvoor zij permanente begeleiding nodig heeft om een plotselinge val als gevolg van het evenwichtsverlies te voorkomen. Tijdens de hoorzitting is naar voren gebracht dat referent en zijn echtgenote samen de zorg voor eiseres droegen, en dat de echtgenote langer is gebleven in Jordanië om voor eiseres te kunnen zorgen, haar bloeddruk te meten en medicijnen te geven. In dit verband heeft de gemachtigde van eiseres op de zitting terecht gewezen op overweging 49 van het arrest Martinez Alvarado, waaruit volgt dat het gewicht dat de minister mag toekennen aan de aanwezigheid van andere alternatieven die zorg aan eiseres kunnen bieden, relatief is en afhangt van de andere feiten en specifieke omstandigheden van het geval. Tijdens de hoorzitting is verklaard dat omdat eiseres niet voldoende zorg in Jordanië kreeg, zij daarom naar Syrië is vertrokken, en sindsdien bij verschillende gezinnen verblijft. Dit betreffen steeds tijdelijke oplossingen. In beroep heeft eiseres een verklaring overgelegd van de kennis bij wie zij nu verblijft, waarin deze kennis verklaart alleen tijdelijke hulp te verstrekken. Bovendien neemt de rechtbank in aanmerking wat door referent over zijn zussen op de zitting is verklaard. De jongste zus is tijdens detentie gescheiden geraakt, waarna de relatie met de familie is vertroebeld. Zij woont alleen in Damascus en er is nauwelijks nog contact met eiseres. Met de oudste zus is helemaal geen contact meer. Zij is gehuwd en teruggekeerd naar een gebied dat volledig is verwoest, en verblijft sindsdien op verschillende locaties. Gekeken naar alle omstandigheden van het geval, heeft de minister daarom niet van grote betekenis mogen achten dat eiseres zich op dit moment staande weet te houden met de hulp van kennissen.\n\n6.4.. Wat betreft de financiële ondersteuning, heeft de minister eiseres tegengeworpen dat deze ondersteuning niet met objectieve stukken is onderbouwd. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om aan de verklaringen hierover te twijfelen. Referent heeft van meet af aan consistent verklaard dat hij de enige is die financieel in het onderhoud van eiseres voorziet. Daarbij heeft hij toegelicht dat hij gebruik maakt van het (informele) Hawala-banksysteem, waardoor hij geen schriftelijke bewijzen van de geldtransacties kan overleggen. Verder is op de zitting toegelicht dat eiseres geen eigen inkomsten heeft. De rechtbank heeft geen redenen om hieraan te twijfelen. Gelet op de consistente verklaringen van referent, het ontbreken van eigen inkomen aan de zijde van eiseres en de toelichting dat referent maandelijks geld aan eiseres overmaakt, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat sprake is van financiële ondersteuning.\n\n6.5.. \n\nDe minister heeft op de zitting erkend dat sprake is van sterke banden tussen eiseres\n\nen referent, maar beschouwt deze als niet meer dan gebruikelijk. De rechtbank volgt dat\n\nniet. De rechtbank stelt hierbij allereerst vast dat de minister een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. In het bestreden besluit staat dat er geen zodanige emotionele afhankelijkheid is dat eiseres zonder de fysieke nabijheid van referent of zijn echtgenote niet kan functioneren, terwijl dit vereiste niet geldt.De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een zeer sterke verwevenheid van de levens van eiseres, referent en zijn echtgenote, en dat dit heeft geleid tot een meer dan gebruikelijke emotionele band. Hierbij had de minister ook weer de samenwoning en de hele vluchtsituatie moeten betrekken. De rechtbank acht het voorstelbaar dat gelet op de hele context in het gezin waartoe ook eiseres behoort waarbij altijd is samengewoond, het gezin is gevlucht en daarna op één kamer heeft geleefd, een sterke mate van emotionele afhankelijkheid bestaat. Ook het feit dat referent en zijn echtgenote de zorg voor eiseres op zich namen, duidt op een sterke emotionele band. De stelling van gemachtigde van de minister op zitting dat uit het feit dat eiseres op enig moment, in het geheim, vanuit Jordanië naar Syrië is gegaan zonder dit referent te vertellen, juist duidt op het ontbreken van een emotionele afhankelijkheid, volgt de rechtbank niet. Dit betreft een aanname, en met de gegeven toelichting van referent op zitting dat eiseres het gezin niet onnodig ongerust wilde maken, wijst dit juist op een sterke band.\n\n6.6.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte veel gewicht heeft toegekend aan de banden van eiseres met Syrië. Logischerwijs zijn de banden van eiseres sterker met Syrië, maar de minister heeft onvoldoende betrokken in welke situatie eiseres zich daar bevindt. Hierover is door eiseres terecht aangevoerd dat niet is meegenomen dat zij nu in een gebied verblijft waar zij niet vandaan komt en waar zij bijna niemand kent; evenmin is meegenomen dat er in Syrië niemand is die haar structurele opvang en zorg kan bieden.\n\n6.7.. \n\nDe minister moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende\n\nelementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het\n\ngeval betrekt. Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, maakt duidelijk dat de\n\nminister dat in het onderhavige geval onvoldoende gedaan heeft. Daarnaast heeft de minister\n\nnagelaten alle elementen in samenhang te bekijken en te beoordelen. Voor de rechtbank is\n\nniet inzichtelijk welke waarde de minister aan elk element heeft gehecht om vervolgens tot\n\nde weging te komen dat de lat van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie niet\n\nwordt gehaald.\n\n6.8.. De rechtbank concludeert dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat tussen eiseres en referent geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Gelet op de samenwoning, de financiële afhankelijkheid, de medische afhankelijkheid en de hechte emotionele banden die daaruit voortvloeien, allemaal in onderlinge samenhang bezien, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en dus beschermenswaardig familieleven tussen referent en eiseres.\n\nHechte persoonlijke banden\n\n7. De rechtbank overweegt dat de minister conform de jurisprudentie van het EHRM\n\ntussen een minderjarig kind en zijn grootouder familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel\n\n8 van het EVRM aanneemt als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk\n\nsprake is van hechte persoonlijke banden. Dit is een kwestie van feitelijke aard. Hierbij moet\n\nde minister alle relevante individuele aspecten betrekken. Omstandigheden die hierop\n\nkunnen duiden zijn bijvoorbeeld als betrokkenen een hechte band hebben door regelmatig\n\ncontact, of als betrokkenen hebben samengewoond.\n\n7.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat tussen eiseres en haar kleinkinderen geen sprake is van hechte persoonlijke banden. In de besluitvorming is niet meegenomen dat alle kinderen zijn geboren binnen het gezin waarvan eiseres deel uitmaakte, dat zij met eiseres hebben samengeleefd tot aan hun vertrek, in haar dagelijkse aanwezigheid zijn opgegroeid en dat eiseres zeer nauw betrokken was bij hun opvoeding, temeer na het vertrek van referent naar Nederland. Verder zijn de verklaringen over de sterke emotionele gehechtheid van de kinderen aan eiseres niet kenbaar betrokken. Tijdens de hoorzitting is onder meer verklaard dat de kinderen eiseres als hun moeder beschouwen, dat zij met elkaar en met eiseres in één tent leefden, dat de kinderen bij hun oma sliepen en dat eiseres, behalve borstvoeding, alle zorgtaken op zich nam. Toen eiseres ziek werd, gingen de oudere kinderen haar verzorgen. Door de echtgenote van referent is tijdens de hoorzitting ook verklaard dat de kinderen meer van hun oma houden dan van hun moeder, dat de kinderen niet weg wilden uit Syrië en bij eiseres wilden blijven. En voorts dat de kinderen tot op heden bepaalde feestdagen, zoals verjaardagen, niet vieren vanwege het gemis van eiseres en dat de kinderen nergens meer van kunnen genieten omdat hun oma er niet is. Deze verklaringen worden onderstreept door hetgeen de kleinkinderen aan de rechtbank hebben verteld tijdens de kindgesprekken. Zo verklaarden de kleinkinderen dat zij ruzie maakten om wie naast oma mocht slapen. Ook is verklaard dat indien zij op de hoogte waren geweest van een negatieve beslissing, zij niet zonder eiseres zouden zijn vertrokken. Gelet op de samenwoning sinds de geboorte, de zeer emotionele gehechtheid die uit voorgaande verklaringen blijkt, en de rol die eiseres heeft gespeeld in de opvoeding en verzorging van de kleinkinderen, komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van hechte persoonlijke banden.\n\n8. De rechtbank merkt samenvattend op dat, gelet op de samenwoning van het hele gezin, de hechte onderlinge banden, en de uiteindelijke onvrijwillige scheiding, het tegen deze achtergrond voor de rechtbank duidelijk is dat eiseres als het ware altijd deel uit heeft gemaakt van het kerngezin. De minister heeft ten onrechte geen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aangenomen tussen eiseres en referent en tussen eiseres en haar minderjarige kleinkinderen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Uit wat hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met het\n\nzorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond en de rechtbank\n\nvernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het\n\nbesluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De minister zal een nieuw besluit\n\nmoeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n10. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat tussen eiseres en referent en tussen eiseres en\n\nhaar minderjarige kleinkinderen sprake is van familieleven als bedoeld\n\nin artikel 8 van het EVRM moet de minister een belangenafweging verrichten met\n\ninachtneming van deze uitspraak. Hierbij moet de minister het belang van de minderjarige kinderen voorop stellen, daaraan zwaar gewicht toe kennen en, eventueel via de Raad van de Kinderbescherming onderzoeken. Met andere woorden, de minister moet actief de gevolgen van de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor de kinderen onderzoeken en betrekken bij het nieuw te nemen besluit. Artikel 3 van het IVRKen artikel 24 van het Handvestverplichten de minister daartoe. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.\n\n11. De rechtbank ziet aanleiding om een dwangsom op te leggen gezien de lange duur van de procedure en het belang van de minderjarige kinderen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Awbdat de minister een dwangsom verbeurt als hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.\n\n12. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar;\n\n- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;\n\n-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;\n\n- bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over het hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger\n\nberoep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten\n\nwaaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen\n\nvan een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de\n\nVw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van\n\ntoepassing.\n\nBijlage: terugkoppeling van de uitspraak aan [persoon 2] , [persoon 1] , [persoon 3] en [persoon 4]\n\nBeste [persoon 2] , [persoon 1] , [persoon 3] en [persoon 4] ,\n\nOp 18 december 2025 hebben wij elkaar gesproken bij de rechtbank.\n\n [persoon 2] , jij hebt mij verteld dat je het liefste wilt dat je samen bent met je oma, omdat jullie bij elkaar horen. Als je bij haar bent, heb je een mooi gevoel. Ook heb je mij verteld dat zij als een andere moeder voor je was.\n\n [persoon 1] , jij hebt mij verteld dat voor jou het belangrijkste is dat jouw oma naar Nederland komt. Oma is zoals een moeder voor jou. Jij voelt je veilig bij oma.\n\n [persoon 3] , jij hebt mij verteld dat je wilt dat jouw oma naar Nederland komt. Zij is alles voor jou. Jij zorgt voor haar en houdt van haar.\n\nEn [persoon 4] , jij hebt mij verteld dat je graag wilt dat jouw oma naar Nederland komt. Je maakt je zorgen om haar, omdat ze niet goed voor zichzelf kan zorgen. Jij vindt oma lief en wilt graag weer bij haar slapen.\n\nAan het eind van elk gesprek hebben we samen afgesproken wat ik uit ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jullie zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik jullie nu deze brief.\n\nVlak na ons gesprek was de zitting. Daar waren jullie ouders en jongste zusje [persoon 5] ook bij. Ik heb toen gepraat met jullie oma, jullie moeder en haar advocaat. Ik heb ook gepraat met de mevrouw die namens de minister voor Asiel en Migratie kwam. Na de zitting heb ik nagedacht over mijn beslissing.\n\nIk heb besloten dat de minister beter naar de situatie van jullie oma moet kijken. Dit betekent dat de minister beter moet kijken naar de zorg die jullie oma nodig heeft, maar ook de band die zij heeft met jullie en jullie ouders. De minister moet daarom nog een keer goed kijken naar jullie situatie en een nieuwe beslissing nemen. De minister moet dan rekening houden met mijn aanwijzingen.\n\nMijn beslissing betekent niet dat jullie oma definitief naar Nederland mag komen. De minister moet eerst opnieuw naar de situatie kijken en opnieuw een beslissing nemen. Ik heb de minister daarvoor een termijn van acht weken gegeven. Het is de bedoeling dat jullie binnen deze termijn een nieuw besluit krijgen.\n\nAls jullie familie of de minister het niet eens is met mijn beslissing, dan kan die binnen\n\nvier weken in hoger beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat is een hogere rechter, die dan nog eens naar de situatie gaat kijken. Als er geen hoger beroep komt, dan is de rechterlijke procedure na mijn beslissing klaar en moet de minister een nieuw besluit nemen.\n\nIk vind het heel goed van jullie dat jullie bij mij langs zijn gekomen om mij te vertellen wat jullie ervan vinden. Ik hoop dat het zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik deze beslissing heb genomen.\n\nGroetjes,\n\nDe rechter.\n\n Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n De rechtbank hoort in beginsel alleen kinderen boven de acht jaar en heeft daarom de jongste kleindochter, [persoon 5] , niet gehoord.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Europees Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna:\n\nde Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.\n\n Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2024,\n\nECLI:NL:RBDHA:2025:9087 en 23 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5387.\n\n Arrest van het EHRM van 10 maart 2025, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5692.\n\n Zie par. 108 van Kruškić tegen Kroatië, arrest van 25 november 2014,\n\nECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013.\n\n Verdrag inzake de rechten van het kind.\n\n Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17916","2026-07-13T00:29:19.322Z",20]